Skip to main content

Full text of "Middelnederlandsch woordenboek"

See other formats


Google 


This  is  a  digital  copy  of  a  book  that  was  prcscrvod  for  gcncrations  on  library  shclvcs  bcforc  it  was  carcfully  scannod  by  Google  as  part  of  a  project 

to  make  the  world's  books  discoverablc  onlinc. 

It  has  survived  long  enough  for  the  copyright  to  cxpirc  and  the  book  to  enter  the  public  domain.  A  public  domain  book  is  one  that  was  never  subject 

to  copyright  or  whose  legal  copyright  term  has  expired.  Whether  a  book  is  in  the  public  domain  may  vary  country  to  country.  Public  domain  books 

are  our  gateways  to  the  past,  representing  a  wealth  of  history,  culture  and  knowledge  that's  often  difficult  to  discover. 

Marks,  notations  and  other  marginalia  present  in  the  original  volume  will  appear  in  this  file  -  a  reminder  of  this  book's  long  journey  from  the 

publisher  to  a  library  and  fmally  to  you. 

Usage  guidelines 

Google  is  proud  to  partner  with  libraries  to  digitize  public  domain  materials  and  make  them  widely  accessible.  Public  domain  books  belong  to  the 
public  and  we  are  merely  their  custodians.  Nevertheless,  this  work  is  expensive,  so  in  order  to  keep  providing  this  resource,  we  have  taken  steps  to 
prevent  abuse  by  commercial  parties,  including  placing  lechnical  restrictions  on  automated  querying. 
We  also  ask  that  you: 

+  Make  non-commercial  use  of  the  files  We  designed  Google  Book  Search  for  use  by  individuals,  and  we  request  that  you  use  these  files  for 
personal,  non-commercial  purposes. 

+  Refrainfivm  automated  querying  Do  nol  send  aulomated  queries  of  any  sort  to  Google's  system:  If  you  are  conducting  research  on  machine 
translation,  optical  character  recognition  or  other  areas  where  access  to  a  laige  amount  of  text  is  helpful,  please  contact  us.  We  encourage  the 
use  of  public  domain  materials  for  these  purposes  and  may  be  able  to  help. 

+  Maintain  attributionTht  GoogXt  "watermark"  you  see  on  each  file  is essential  for  informingpeopleabout  this  project  and  helping  them  find 
additional  materials  through  Google  Book  Search.  Please  do  not  remove  it. 

+  Keep  it  legal  Whatever  your  use,  remember  that  you  are  responsible  for  ensuring  that  what  you  are  doing  is  legal.  Do  not  assume  that  just 
because  we  believe  a  book  is  in  the  public  domain  for  users  in  the  United  States,  that  the  work  is  also  in  the  public  domain  for  users  in  other 
countiies.  Whether  a  book  is  still  in  copyright  varies  from  country  to  country,  and  we  can'l  offer  guidance  on  whether  any  specific  use  of 
any  specific  book  is  allowed.  Please  do  not  assume  that  a  book's  appearance  in  Google  Book  Search  means  it  can  be  used  in  any  manner 
anywhere  in  the  world.  Copyright  infringement  liabili^  can  be  quite  severe. 

About  Google  Book  Search 

Google's  mission  is  to  organize  the  world's  information  and  to  make  it  universally  accessible  and  useful.   Google  Book  Search  helps  readers 
discover  the  world's  books  while  helping  authors  and  publishers  reach  new  audiences.  You  can  search  through  the  full  icxi  of  this  book  on  the  web 

at|http: //books.  google  .com/l 


Google 


Dit  is  ccn  digitale  kopie  van  een  boek  dat  al  generaties  lang  op  bibliothcckpl anken  heeft  gestaan,  maar  nu  zorgvuldig  is  gescand  door  Google.  Dat 

doen  we  omdat  we  alle  boeken  ter  wereld  online  beschikbaar  willen  maken. 

Dit  boek  is  na  oud  dat  het  auteursrecht  erop  is  verlopen,  zodat  het  boek  nu  deel  uitmaakt  van  het  publieke  domein.  Een  boek  dat  tot  het  publieke 

domein  behoort,  is  een  boek  dat  nooit  onder  het  auteursrecht  is  gevallen,  of  waarvan  de  wettelijke  auteursrecht  termijn  is  verlopen.  Het  kan  per  land 

verschillen  of  een  boek  tot  het  publieke  domein  behoort.  Boeken  in  het  publieke  domein  zijn  een  stem  uit  het  verleden.  Ze  vormen  een  bron  van 

geschiedenis,  cultuur  en  kennis  die  anders  moeilijk  te  verkrijgen  zou  zijn. 

Aantekeningen,  opmerkingen  en  andere  kanttekeningen  die  in  het  origineel  stonden,  worden  weergegeven  in  dit  bestand,  als  herinnering  aan  de 

lange  reis  die  het  boek  heeft  gemaakt  van  uitgever  naar  bibliotheek,  en  uiteindelijk  naar  u. 

Richtlijnen  voor  gebruik 

Google  werkt  samen  met  bibliotheken  om  materiaal  uit  het  publieke  domein  te  digitaliseren,  zodat  het  voor  iedereen  beschikbaar  wordt.  Boeken 
uit  het  publieke  domein  behoren  toe  aan  het  publiek;  wij  bewaren  ze  alleen.  Dit  is  echter  een  kostbaar  proces.  Om  deze  dienst  te  kunnen  blijven 
leveren,  hebben  we  maatregelen  genomen  om  misbruik  door  commerciële  partijen  te  voorkomen,  zoals  het  plaatsen  van  technische  beperkingen  op 
automaüsch  zoeken. 
Verder  vragen  we  u  het  volgende: 

+  Gebruik  de  bestanden  alleen  voor  niet-commerciële  doeleinden  We  hebben  Zoeken  naar  boeken  met  Google  ontworpen  voor  gebruik  door 
individuen.  We  vragen  u  deze  bestanden  alleen  te  gebruiken  voor  persoonlijke  en  niet -commerciële  doeleinden. 

+  Voer  geen  geautomatiseerde  zoekopdrachten  uit  Stuur  geen  geautomatiseerde  zoekopdrachten  naar  het  systeem  van  Google.  Als  u  onderzoek 
doet  naar  computervertalingen,  optische  tekenherkenning  of  andere  wetenschapsgebieden  waarbij  u  toegang  nodig  heeft  tot  grote  hoeveelhe- 
den tekst,  kunt  u  contact  met  ons  opnemen.  We  raden  u  aan  hiervoor  materiaal  uit  het  publieke  domein  te  gebruiken,  en  kunnen  u  misschien 
hiermee  van  dienst  zijn. 

+  Laat  de  eigendomsverklaring  staan  Het  "watermerk"  van  Google  dat  u  onder  aan  elk  bestand  ziet,  dient  om  mensen  informatie  over  het 
project  te  geven,  en  ze  te  helpen  extra  materiaal  te  vinden  met  Zoeken  naar  boeken  met  Google.  Verwijder  dit  watermerk  niet. 

+  Houd  u  aan  de  wet  Wat  u  ook  doet,  houd  er  rekening  mee  dat  u  er  zelf  verantwoordelijk  voor  bent  dat  alles  wat  u  doet  legaal  is.  U  kunt  er 
niet  van  uitgaan  dat  wanneer  een  werk  beschikbaar  lijkt  te  zijn  voor  het  publieke  domein  in  de  Verenigde  Staten,  het  ook  publiek  domein  is 
voor  gebniikers  in  andere  landen.  Of  er  nog  auteursrecht  op  een  boek  mst,  verschilt  per  land.  We  kunnen  u  niet  vertellen  wat  u  in  uw  geval 
met  een  bepaald  boek  mag  doen.  Neem  niet  zomaar  aan  dat  u  een  boek  overal  ter  wereld  op  allerlei  manieren  kunt  gebruiken,  wanneer  het 
eenmaal  in  Zoeken  naar  boeken  met  Google  staat.  De  wettelijke  aansprakelijkheid  voor  auteursrechten  is  behoorlijk  streng. 

Informatie  over  Zoeken  naar  boeken  met  Google 

Het  doel  van  Google  is  om  alle  informaüe  wereldwijd  toegankelijk  en  bruikbaar  te  maken.  Zoeken  naar  boeken  met  Google  helpt  lezers  boeken  uit 
allerlei  landen  te  ontdekken,  en  helpt  auteurs  en  uitgevers  om  een  nieuw  leespubliek  te  bereiken.  U  kunt  de  volledige  tekst  van  dit  boek  doorzoeken 

op  het  web  via|http:  //books  .google  .coml 


? 


-  ^7        < 


> 


h  - 


)  ••OtM? 


i-' 


c) 


hl 


t 


/^ 


.  I 


MIDDELNEDERLANDSCH 


WOORDENBOEK. 


I. 


I 

1 


Gedrukt  by  GtEBR.  Giunta  d^Albani  te  VGrayenhage. 


i 


MIDDELNEDERLANDSCH 


WOORDENBOEK 


YA3r 


\-" 


wyien  Dr.  E.  YÏ3RWIJS 


BK 


Dr.  J.  VERDAM, 

Hoogleeraar  te  Anuterdam. 


BSB8TS    DBBL. 


's-GRAVENHAGE , 
MARTINUS   NIJHOFF, 

1885. 


') 


AAN 


MATTHIAS  DE  VRIES 


T  O  E  O  E  W  IJ  D, 


Aan  U,  waarde  Vriend,  komt  de  opdracht  van  dit  Middelneder- 
landsch  Woordenboek  toe  met  niet  minder  recht,  dan  aan  Hoffmann 
VON  Fallersleben  die  van  het  Uwe,  waarvan  gij  tot  Uw  leedwezen 
slechts  twee  afleveringen  hebt  kunnen  in  het  licht  zenden.  Niet  alleen 
hebt  gij ,  voorgelicht  door  den  man ,  aan  wien  gij  Uw  Woordenboek  opdroegt , 
in  vereeniging  met  Jonckbloet  de  beoefening  van  het  Middelnederlandsch 
tot  eene  wetenschap  gemaakt,  maar  ook  hebt  gij  den  grond  gelegd  tot 
de  Middelnederlandsche  Lexicographie ,  door  die  beide  afleveringen,  welke 
voor  elk  Middelnederlandsch  Woordenboek  tot  voorbeeld  kunnen  dienen ,  en 
ook  voor  dit  Woordenboek ,  zooals  gij  niet  zonder  voldoening  zult  bemerken , 
tot  model  gekozen  zijn.  Weliswaar  hebt  gij  ten  gevolge  van  andere  drin- 
gender werkzaamheden  U  buiten  staat  gezien,  den  zoo  voorlreflelijk  be- 
gonnen arbeid  voort  te  zetten,   veel  minder  te  voltooien,    doch  gij  moogt 


394449 


(ie  overtuiging  koesteren,  dal  het  werk,  aan  die  beide  afleveringen  besteed 
niet  vergeefsch  is  geweest,  en  dat  de  bewerking  van  een  Middelnederlandse 
Woordenboek  eene  veel  zwaardere  taak  zou  zijn,  indien  niet  door  U  voo 
latere  bewerkers  het  pad  ware  gebaand  en  geëffend.  Om  deze  redenen  i 
het  mij  eene  behoefte,  dit  Middelnederlandsch  Woordenboek  aan  U  op  t 
dragen,  en  zoo  Uwen  naam  voor  altijd  aan  de  Middelnederlandsche  lexico 
graphie  te  verbinden.  Ik  doe  dit  met  des  te  meer  ingenomenheid,  daa 
ik  weet,  dat  gij  —  gij  hebt  het  in  de  Inleiding  op  Uw  Nederlandscl 
Woordenboek  uitgesproken  —  U  in  het  verschijnen  van  dit  boek  liar 
telijk  verblijdt  en  dat  gij,  nu  gij  zelf  er  niet  meer  aan  denken  kun: 
den  arbeid  voort  te  zetten,  aan  mij.  Uwen  leerling,  met  gerustheid  hel 
werk  toevertrouwt,  dat  gij  zelf  onvoltooid  moest  laten.  Deze  gedachte, 
en  het  gevoel  van  piëteit  jegens  mijn  te  vroeg  ontslapen  medearbeider 
Verm'ijs,  zullen  mij  den  toch  reeds  zoo  aangenamen  arbeid  der  bewer- 
king van  dit  Woordenboek  nog  aantrekkelijker  maken ,  en  de  krachtigste 
prikkels  voor  mij  zijn  om  te  trachten,  het  omvangrijke  werk  op  eene 
waardige  wijze  voort  te  zetten  en  —  indien  ik  leven  en  gezondheid  be- 
houd —  te  voltooien.  Dunkt  U  dit  werk  eene  niet  onwaardige  vrucht  der 
door  U  gekweekte  plant,  —  eene  vrucht,  welke  gij  wellicht  vroeger  gerijpt 
ziet,  dan  gij  hadt  kunnen  denken,  —  wil  dan  deze  toewijding  met  welge- 
vallen aanvaarden  als  een  blijk  van  waardeering  der  verdiensten,  die  gij 
U  jegens  onze  Middelnederlandsche  taalwetenschap  verworven  hebt.  Wees 
verzekerd,  dat,  indien  dit  werk  de  goedkeuring  mag  wegdragen  van  hen, 
die  het  bij  hunne  studiën  zullen  behoeven,  dit  voor  een  niet  gering 
gedeelte  te  danken  zal  zijn  aan  Uwen  lexicographischen  arbeid;  houd  U 
overtuigd,  dat  ik  steeds  met  vreugde  zal  terugdenken  aan  de  lang  vervlogen 
uren,  onze  ahorae  belgicae»,  waarin  gij  mij  ons  gemeenschappelijk  studie- 
vak leerdet  liefhebben,  en  aanvaard  de  oprechte  betuiging,  dat  niets  mij 
aangenamer  zal  zijn,  dan  dat  ook  uit  dezen  arbeid  moge  blijken,  dat  ik 
eenmaal  Uw  leerling  ben  geweest. 

Amsterdam,  24  April  4882. 

J.   VERDAM. 


III 


IlSTLEIDHSTG. 


■t » i»*-#-»> 


Bij  het  verschijnen  der  eerste  Aflevering  van  dit  Middelncderlandsch 
Woordenboek  zal  een  enkel  v^oord  vooraf  niet  ongepast  zijn  ter  mededeeling 
van  datgene y  wat  aan  hen,  voor  wie  dit  werk  eene  welkome  verschijning  is, 
belang  kan   inboezemen. 

dHabent  stta  fata  libeUiy>  is  waar,  ook  in  een  anderen  zin  dan  waarin 
dit  gezegde  oorspronkelijk  was  bedoeld.  Ook  dit  Woordenboek  moet 
reeds  van  zijne  fata  getuigen,  nu  het  pas  zijne  intrede  in  de  wereld  doet. 
Evenals  in  het  Middelnederduitsch  Woordenboek  van  Karl  Ghristian 
Schiller  (f  4  Aug.  1873)  en  August  Lubben,  moet  ook  in  dit  Woor- 
denboek reeds  in  de  Inleiding  de  dood  worden  vermeld  van  een  der 
beide  mannen,  die  met  elkander  de  bewerking  van  dit  boek  hadden 
ondernomen.  Eelco  Verwijs  heeft  het  verschijnen  der  eerste  aflevering 
van  het  boek ,  waarvoor  hij  met  mij  de  voorbereidende  werkzaamheden  voor 
een  goed  deel  had  voltooid,  niet  mogen  beleven.  Hoe  gelukkig  zou  hij 
geweest  zijn,  indien  hij  had  kunnen  aanschouwen,  dat  het  werk,  waaraan 
hij  zooveel  tijd  en  arbeid  besteed  heeft,  zulk  eene  groote  schrede  was 
gevorderd.  Doch  nu  reeds  twee  jaren  rust  hij  in  het  graf,  aan  mij  niet 
aUeen  de  herinnering  aan  een  scherpzinnig,  en  bij  zulk  een  groeten  en 
uitgebreiden  arbeid  zoo  gewenschten  medearbeider  achterlatende,  maar 
ook  de  verplichting,  om  den  te  zamen  begonnen  arbeid  alleen  voort 
te  zetten  en  zoo  mogelijk  te  voltooien.  Het  was  mij  eene  behoefte,  ook 
zijn  naam  te  verbinden  aan  dit  Woordenboek,  waai'voor  hij  met  mij 
de  bouwstoffen  verzamelde  en  waarvan  hij  de  A  en  de  met  BA  begin- 
nende artikelen  grootendeels  bewerkte.  Ook  in  de  Middelnederlandsche 
Lexicographie  moge  voortaan  de  naam  van  Verwijs  met  eere  worden 
genoemd,  en  de  herinnering  aan  hem  levendig  blijven  als  aan  een 
onzer  ijverigste  en  verdienstelijkste  taaikenners.  Doch  hoe  smartelijk  zijn 
gemis  mij  ook  valt,  ook  zonder  zijne  medewerking  heb  ik  geen  oogen- 
blik    geaarzeld,    de    bewerking    van    dit     Woordenboek  te   ondernemen, 


IV  INLEIDING. 

Verwijs  is  ontslapen  in  het  volle  veiirouwen,  dat  de  taak  door  mij  zou 
worden  volvoerd,  en  behalve  dus,  dat  de  arbeid  zelf  om  zijn  belangrijkheid 
iemands  beste  krachten  en  jaren  in  alle  opzichten  waardig  is,  is  ook  de 
piëteit  jegens  een  overleden  medearbeider  een  drijfveer  voor  mij,  om  in 
dezen  arbeid  mijn  levensdoel  te  zien  en  alle  krachten  in  te  spannen,  om 
hem  op  eene  het  werk  waardige  wijze  ten  einde  te  brengen.  Aan  den 
vasten  wil  en  den  lust  zal  het  mij  evenmin  ontbreken  als  —  ik  ben  er 
van  overtuigd  —  aan  den  steun  van  vakgenooten  en  geleerde  vrienden ,  wier 
voorlichting  en  kennis  men  bij  het  maken  van  een  Woordenboek,  dat  ons 
op  allerlei  minder  betreden  of  minder  bekende  terreinen  brengt,  zoo  zeer 
behoeft.  ^  Uit  de  opdracht  aan  mijn  geachten  Vriend  de  Vries  is  reeds 
gebleken,  en  hij  zelf  heeft  het  in  de  Inleiding  op  het  Nederl.  Woordenboek 
verklaard,  hoe  dit  Woordenboek  zich  ook  in  zijne  ondersteuning  mag  ver- 
heugen. Zooals  bekend  is,  had  hij  zelf  jaren  lang  bouwstoffen  verzameld  voor 
een  Middelnederlandsch  Woordenboek,  waarvan  in  1864  twee  Afleveringen 
zijn  verschenen.  Van  zijne  hand  bezitten  wij  eene  reeks  keurige  artikelen ,  van 
A  tot  Anxene,  welke  het  ten  zeerste  deden  betreuren,  dat  de  verdere  Afleve- 
ringen niet  verschenen,  daar  deze  artikelen  zelve  de  bevoegdheid  van  den 
bewerker  tot  het  schrijven  van  een  Middelnederlandsch  Woordenboek  ten 
duidelijkste  toonden.  Doch  de  jaren  gingen  voorbij  en  brachten  ons  de 
zoo  zeer  en  zoo  algemeen  verlangde  voortzetting  van  den  nuttigen  arbeid 
niet.  Het  Nederlandsch  Woordenboek  nam  den  besten  en  meesten  tijd  van 
DE  Vries  in  beslag,  en  men  behoeft  niet  veel  doorzicht  te  hebben  om.  in 
te  zien,  dat  het  voor  iemand,  die  amaer  één  man  en  es»,  en  die  daarbij  de 
aan  een  Hoogleeraarsambt  verbonden  plichten  heeft  te  vervullen ,  niet  mogelijk 
is,  tegelijk  twee  Woordenboeken  te  schrijven  van  zulk  een  omvang  als  het 
Middelnederlandsche,  en  vooral  het  reusachtige  Nederlandsche  Woordenboek. 
Er  moest  dus  eene  keus  worden  gedaan,  en  hoewel  het  Middelneder- 
landsch Woordenboek  voor  de  Vries  een  veel  aantrekkelijker  werk  was, 
aarzelde  hij  geen  oogenblik  aan  de  bewerking  van  het  Nederlandsche 
Woordenboek  de  voorkeur  te  geven,  daar  hij  dit  als  een  plicht  beschouwde, 
waaraan  hij  zich  niet  mocht  onttrekken. 


>)  Het  is  mij  aangenaam,  hier  te  kunnen  vermelden,  dat  ik  reeds  yoor  welwillende  ondersteuning 
van  verschillende  kanten  te  danken  heb.  Mijn  geachte  vriend  R.  Fruin  heeft  mij  reeds  meermalen  met 
zijne  voorlichting  en  kennis  gediend  bg  de  verklaring  van  rechtstermen ,  waarvoor  my  vaak  —  ik  ben 
helaas  niet  ook  jurist  —  het  ware  gevoel  ontbreekt;  zyn  broeder,  de  Utrechtsche  Hooglceraar,  zond 
mij  alvast  de  afgedrukte  bladen  van  zijn  werk:  De  oudste  Rechten  der  stad  Dordrecht^  dat  over  eenigen 
tijd  verschijnt.  De  Belgische  Regeering  schonk  ons  op  ons  verzoek  een  volledig  exemplaar  van  de  door 
dat  Gouvernement  uitgegeven  Belgische  Coutumes.  Ook  aan  de  welwillendheid  mijner  vrienden  Du  Rieu, 
Campbell  en  Roooe  ben  ik  veel  verplicht.  Zij  stelden  alle  kostbare  handschriften  en  boeken,  die  ik 
verlangde  —  en  ik  vroeg  niet  weinig  —  steeds  met  de  grootste  heuschheid  te  mijner  beschikking. 
Aan  allen  hier  de  openlijke  betuiging  van  mijn  hartelijken  dank. 


INLEIDING.  V 

Ik  behoef  hierover  niet  verder  te  spreken.  In  de  Inleiding  op  het 
Nederiandsch  Woordenboek ,  welke  voor  eenige  dagen  in  druk  is  versclienen , 
wordt  alles  wat  met  de  geschiedenis  van  het  Woordenboek  in  verband  slaat , 
uitvoerig  besproken  en  ik  kan  dus  volstaan,  met  daarheen  te  verwijzen. 

Intusschen  werd  de  behoefte  aan  een  goed  Middelnederlandsch  Woorden- 
boek hoe  langer  hoe  levendiger  gevoeld,  en  de  «Bijdrage  tot  een  Oud-  en 
Middelnederlandsch  Woordenboek»   van  A.  C.  Oüdèmans  Sr.,  was  niet  in 
staat,   deze  behoefte  te  bevredigen.   Integendeel,  zij  diende  slechts  om  den 
wensch   naar   een    goed  geordend   en  met  oordeel  bewerkt  lexicon  des  te 
sterker  te  maken.   Het  is  mijne  bedoeling  niet,  het  werk  af  te  breken  van 
een  voorganger,  aan  wien  niemand  den  lof  van  groote  werkzaamheid  en 
stalen  vlijt  zal  ontzeggen,  en  wiens  naam  voorlleeft  in  een  aantal  beroemde 
zonen ,  op  wie  het  vaderland  trotsch  is.  Doch  dit  meen  ik  te  mogen  zeggen , 
dat  OuDEMANS  de  man  niet  was,  om  den  arbeid,  aan  het  bewerken  van 
een  Middelnederlandsch  Woordenboek  verbonden,   tot   een  goed  einde  te 
brengen.   Alleen  reeds  de  toevoeging  op  den  titel:  «Uit  vele  glossaria  en 
andere  bronnen  bijeenverzameld»   voorspelt  niet  veel  goeds.   Hij  die   een 
Woordenboek  wil  schrijven,  mag  niet  afgaan  op  woordenlijsten,  door  anderen 
bijeenverzameld,  maar  moet  zelf  de  schrijvers  lezen,  ten  einde  zich  van 
den  geest  der  taal  te  doordringen.  En  zooveel  te  meer  is  dit  noodig,  indien 
de    verzamelaars    dier    «glossaria    en    andere  bronnen»   geen   vertrouwen 
verdienen;    indien    daaronder    mannen    zijn    als    Blommaert,    Vissgher, 
SxELLAERT,  BoRMANS,  WiLLEMS  e.  a. ,  die  hoo  vele  en  hoe  groote  ver- 
diensten zij  overigens  ook  mogen  bezeten  hebben,  in  het  verklaren  van 
Middelnederlandsche  teksten  zich  in  het  rechte  pad  te  vaak  vergissen ,  om  hen 
tot  gidsen  te  nemen  op  het  gebied  der  Middelnederlandsche  lexicographie. 
Het  zou  mij   niet  moeilijk  vallen,  het  hier  uitgesproken  oordeel  met  eene 
reeks  van   bewijzen  te  staven,  doch  men  zal  mij  wel  op  mijn  woord  ge 
looven,  indien  ik  zeg,  dat  men  tal  van  groote  fouten  en  verkeerde  ver- 
klaringen, welke  de  glossaria  van  de  bovengenoemde  mannen  ontsieren,  in 
de  Bijdrage  van  Oudemans  kan  terugvinden.    Ten   overvloede  kan  ik  mij 
beroepen ,  o.  a.  op  het  oordeel  door  den  Gentschen  Hoogleeraar  Heremans 
eenige  jaren  geleden  over  het  boek  uitgesproken  en  met  bewijzen  gestaafd  ' . 
Een  ander  groot  bezwaar  tegen  het  werk  van  Oudemans  is  het  volslagen 
gebrek  aan  systeem  in  de  spelling  en  rangschikking  der  woorden,  waarvan 
bijna  iedere  bladzijde  getuigenis  geeft.  Wordt  een  woord  in  't  mnl.  op  drie 
of  vier  verschillende  wijzen  gespeld,  men  kan  zeker  zijn,  dat  men  het  woord 
op  drie   verschillende   bladzijden  vindt   vermeld.    En  aangezien  nu,  gelijk 
ieder  weet,  de  spelling  der  mnl.  woorden  allesbehalve  vast  is,  zoo  kan  men 


')  Jn  zyn  Nederiandsch  Uaseami 


VI  INLEIDING. 

begrijpen ,  hoe  een  woordenboek  er  moet  uitzien ,  dat  in  dit  opzicht  geen 
ander  systeem  heeft,  dan  dat  van  de  woorden  op  te  nemen  naar  hunne 
spelUng.  Een  derde  bezwaar  is  de  onoordeelkundige  wijze  waarop  de  ver- 
schillende beteekenissen  van  één  woord  zijn  gerangschikt  en  waarop  vaak 
de  beleekenissen  uit  de  middeleeuwen  en  de  46de  en  17de  eeuw  zijn  door- 
eengeworpen.  En  —  last  not  least  —  de  verzamelaar  heeft  zich  met  het  mnl. 
proza  zoogoed  als  in  het  geheel  niet  ingelaten ,  en  men  voelt ,  welk  een 
groot  gebrek  het  in  een  woordenboek  is ,  indien  daarin  alleen  de  woorden 
der  altijd  min  of  meer  conventioneele  taal  der  poëzie  worden  gevonden , 
terwijl  de  alledaagsche  prozaïsche  taal ,  waartoe  ook  de  «  keukenwoorden  » 
behooren ,  welke  eene  tegenstelling  vormen  met  de  door  ons  zoo  genoemde 
c  stadhuiswoorden  »  ,  niet  daarin  worden  opgenomen.  Nog  daargelaten ,  dat 
aan  de  verklaring  van  de  tallooze  middeleen wsche  rechtstermen  door  den 
verzamelaar  zelts  niet  is  gedacht.  Oudemans  heeft  zelf  wel  gevoeld,  dat 
er  aan  zijn  lexicon  te  veel  ontbrak ,  om  er  den  naam  van  Woordenboek  aan 
toe  te  kennen,  en  met  prijzenswaardige  bescheidenheid  heeft  hij  dan  ook 
zijn  boek  den  nederigen  titel  van  «  Bijdrage  tot  een  oud-  en  middelneder- 
landsch  woordenboek »  ^  gegeven ,  maar  daardoor  is  dan  ook  tevens  te 
kennen  gegeven ,  dat  dit  boek  onmogelijk  het  laatste  woord  der  Mnl.  lexico- 
graphie  kan  zijn.  Niet  eene  «  Bijdrage  »  wordt  verlangd ,  maar  een  «  Mid- 
delnederlandsch  Woordenboek  f> ,  waarin  zooveel  mogelijk  de  geheele  taalschat 
onzer  middeleeuwsche  voorouderen  is  bijeenverzameld ;  waarin  de  beteeke- 
nissen  der  woorden  naar  hare  historische  volgorde  worden  uiteengezet,  opdat 
men  daaruit  zich  een  denkbeeld  zou  kunnen  maken,  hoe  de  verschillende 
opvattingen  zich  uit  elkander  of  uit  de  grondbeteekenis  hebben  ontwikkeld ; 
waarin  de  woorden  van  alle  of  althans  van  zooveel  dialecten  als  mogelijk 
is  en  waarin  is  geschreven,  worden  opgenomen;  waarin  de  taal  van  het 
proza  evengoed  is  vertegenwoordigd  als  die  der  poëzie;  waarin  de  termen 
der  verschillende  wetenschappen  eene  plaats  vinden:  zoowel  de  rechtstermen 
als  die  der  mystiek,  die  der  medische  wetenschap  zoowel  als  die  der  theo- 
logische; waarin  de  platte  taal  der  klucht  verklaard  wordt  zoowel  als  de 
verhevene  —  vaak  niet  zeer  verstaanbare  —  taal  van  het  in  godsdienstige 
overpeinzingen  verzonken  gemoed;  waartoe  de  dorste  kronieken  en  de  lang- 
dradigste  geschiedverhalen  evengoed  hunne  bijdrage  leveren  als  de  uil- 
stekendste  gewrochten  van  den  geest  onzer  middeleeuwsche  voorvaderen, 
in  één  woord,  waarin  men  een  zoo  veel  mogelijk  afgewerkt  gedenkteeken 


'  Waartoe  de  toeToeging  Oud-Ned^rlandtch?  Óf  oudndl,,  beteekent  hetcelfde  als  Middelned€rl. 
en  dan  is  de  toeToeging  orerbodig  en  het  voegwoord  en  verkeerd,  óf  het  beteekent  iets  anders,  nl.  het 
Neder landêcA  b.  y.  der  KaroUngisehe  Psalmen ,  en  dan  zoekt  men  de  woorden  daarnit  natnnrlijk  in  de 
n Bijdrage"  te  vergeefs.  Beter  ware  geweest  Bijdrage  tot  een  Middel-  en  Nieuio-Nederl.  Wdh.^  daar  er 
ook  woorden  uit  de  16e  en  He  eenw  in  worden  gevonden. 


INLEIDING.  VII 

vindt  onzer  geheele  middeleeuwsche  taal ,  een  codex  van  den  woordenschat , 
waarover  onze  landgenooten  in  de  middeleeuwen  konden  beschikken. 

Ziehier  het  groote  doel,  waarnaar  in  dit  Woordenboek  is  gestreefd,  en 
dat  met  nauwgezetheid  is  nagejaagd ,  gelijk  de  aan  de  Inleiding  toegevoegde 
lijst  der  bronnen,  waaruit  geput  is,  kan  bewijzen.  Ik  weet,  het  is  een 
strenge  maatstaf,  die  voor  de  beoordeeling  van  dit  werk  door  mij  zelven 
wordt  aan  de  hand  gedaan,  doch  ik  weet  ook,  dat  geen  andere  mag  aan- 
gelegd worden  aan  een  Woordenboek,  en  al  heb  ik  de  overtuiging  dat  aan 
dit  werk  fouten  zullen  kleven,  ik  mag  ook  de  overtuiging  koesteren,  met 
inspanning  van  krachten  te  hebben  gestreefd  naar  een  grootsch  doel.  Absolute 
volledigheid  zal  men  in  een  Woordenboek  van  het  Middelnederlandsch , 
waarin  zoo  verbazend  veel  geschreven  is,  wel  niet  verwachten.  Hij  die  dit 
beoogde,  zou  misschien  nog  even  veel  tijd  aan  het  verzamelen  kunnen 
schenken ,  als  wij  beiden  —  Verwijs  en  ik  —  er  reeds  aan  hebben  besteed. 
Doch  ondertusschen  zouden  de  beste  krachten  en  jaren  hem  ontschieten ,  en 
de  kans  om  het  werk  te  voltooien  zou  verminderen  in  dezelfde  mate,  als 
de  volledigheid  zelve  grooter  zou  worden.  Ook  in  dit  opzicht  moet  de  spreuk 
worden  toegepast:  «est  modus  in  rebus,  sunt  certi  denique  fines»,  en  ik 
vertrouw,  niet  al  te  enge  grenzen  te  hebben  getrokken. 


Men  zal  wellicht  de  vraag  doen,  waarom  het  Woordenboek  van  de  Vries 
door  ons  niet  is  voortgezet.  Om  de  vele  later  aan  het  licht  gekomen 
nieuwe  woorden,  en  de  vele  nieuwe  beteekenissen  en  bewijsplaatsen  van 
reeds  bestaande,  was  het  niet  geraden,  dit  Woordenboek  te  beginnen, 
daar  waar  mijn  hooggeachte  Vriend  genoodzaakt  was  zijnen  arbeid  te 
staken ,  en  zoo  de  vruchten ,  welke  wij  door  het  lezen  van  nieuwe  en 
minder  bekende  werken ,  hadden  geoogst ,  aan  dit  Woordenboek  te  ont- 
houden. Doch  de  aanleg,  de  indeeling  en  de  geheele  wijze  van  bewerking 
dier  beide  Afleveringen  zijn  voor  dit  Woordenboek  tot  voorbeeld  gekozen, 
en  niet  alleen  dit,  maar  ook  zal  men  verscheidene  der  daarin  voor- 
komende artikelen  met  geene  of  weinig  veranderingen  in  dit  Woor- 
denboek terugvinden.  Dat  van  de  daartoe  door  den  bewerker  gegeven 
vergunning  dankbaar  gebruik  is  gemaakt,  spreekt  wel  van  zelf.  Daardoor 
werd  veel  werk  bespaard,  en  waren  wij  niet  in  de  noodzakelijkheid 
ccabgethanes  neu  zu  thun.»  Ik  zou  hier  de  verzen  161 — 163  uit  Huygens' 
Cluyswerck  op  den  bewerker  toepassen,  indien  ik  niet  vreesde,  dat  aan 
vleierij  zou  worden  toegeschreven,  wat  niet  meer  is  dan  een  welverdiende 
lof.   Ook  heeft  de   Vries  mij   vergund,  gebruik  te  maken  van  het  overige 


VIII  INLEIDING. 

gedeelte  der  A,  door  hem  in  manuscript  bewerkt,  alsook  mij  de  vrije 
beschikking  gegeven  over  zijnen  geheelen  wetenschappelijken  apparaat.  Het 
is  mij  hoogst  aangenaam,  dit  hier  te  kunnen  vermelden,  omdat  men  zal 
inzien,  dat  het  werk  zelf  daarbij  slechts  kan  winnen,  en  er  nu  een 
zooveel  te  grootere  waarborg  is  voor  volledigheid. 

Ons  Middelnederlandsch  Woordenboek  omvat  de  taal  onzer  middeleeuw- 
sche  voorvaderen  van  het  begin  der  Mnl.  letterkunde  af  tot  aan  het 
einde  der  15de  eeuw,  met  terzijdestelling  alleen  van  de  werken  der 
Rederijkers  (±  1200 —  ±  1500).  Slechts  bij  uitzondering  is  een  schrijver 
uit  eenen  eenigszins  lateren  tijd  opgenomen.  De  in  het  Woordenboek  ge- 
bruikte verkortingen  der  grammaticale  termen  zullen  voorzoover  het 
mij,  ook  met  het  oog  op  Hoogduitsche  en  andere  buitenlandsche  lezers 
noodig  scheen y  achter  de  bronnenlijst  worden  verklaard.  De  citaten 
zijn  zoo  getrouw  mogelijk  weergegeven,  doch  hier  en  daar  heb  ik  mij 
eene  verandering  in  de  spelling  veroorloofd  ten  behoeve  der  duidelijk- 
heid. Ter  besparing  van  ruimte  heb  ik  de  aanhalingen  uit  poëtische 
werken  als  proza  laten  drukken  — ,  hoe  weinig  verschilt  maar  al  te  vaak 
de  middelnederlandsche  poëzie  van  gewoon  proza!  In  het  algemeen  is 
zooveel  mogelijk  zorg  gedragen  voor  beknoptheid  bij  volledigheid,  doch 
zonder  de  volledigheid  of  de  duidelijkheid  aan  de  beknoptheid  op  te  offeren. 
Van  het  behandelen  der  etymologie  van  Middelnederlandsche  woorden  heb 
ik  mij  niet  onthouden,  doch  alleen  voorzoover  die  niet  reeds  elders  te 
vinden  is;  in  dit  geval  heb  ik  gemeend  te  kunnen  volstaan  met  eene  ver- 
wijzing. De  ter  vergelijking  aangevoerde  woorden  uit  het  Middelnederduitsch, 
Middelhoogduitsch ,  Oudhoogduitsch ,  Oudfriesch  en  Oudsaksisch  zijn  te 
vinden  in  de  Woordenboeken  van  Schiller  en  Lubben,  Lexer,  Graff, 
RiCHTHOFEN  en  Heyne:  ik  achtte  het  onnoodig,  die  namen  telkens  weder 
te  noemen  of  op  te  geven,  Middelnederlandsche  monstra  of  woorden,  die 
in  de  Taalzuivering  te  huis  behooren,  heb  ik  op  de  plaats,  waar  men  ze 
in  een  Woordenboek  zoekt,  met  een  *  vermeld,  doch  alleen  voorzoover  ze 
niet  reeds  in  nieuwe  tekstuitgaven  zijn  verwijderd.  En  eindelijk  wat  de  in 
dit  Woordenboek  voorkomende  verkortingen  van  schrijvers  en  geschriften 
betreft,  men  vindt  die  in  de  nu  volgende  lijst  nauwkeurig  vermeld. 

Met  deze  korte  mededeelingen  kan  ik  volstaan.  Moge  verder  het  boek 
voor  zich  zelf  spreken  en  niet  alleen  welkom  zijn  aan  alle  landgenooten , 
die  onze  taal  en  onze  rechtsgeschiedenis ,  onze  historie  en  onze  kerkge- 
schiedenis beoefenen,  maar  ook  buiten  de  enge  grenzen  van  ons  vaderland 
zijn  weg  vinden  tot  de  Germanisten,  die  tot  heden  onze  zoo  rijke  Middel- 
eeuwsche  taal  ten  gevolge  der  gebrekkige  hulpmiddelen  niet  voldoende 
konden  leeren  kennen. 

J.  V. 


ALPHABETISCHE  LIJST  DER  VERKORTINGEN  VAN 


BRONNEN  EN  HULPMIDDELEN. 


Aioly  Die  fragmente  des  ninl.  Aiol,  herausg.  von  J.  Verdam  in  Wendelin  Foer- 
ster's  uitgave  van  Aiol  el  Mirabel,  Heilbronn  i881. 

Alex.  Alexanders  Geesten  van  Jacob  van  Maerlant,  uitg.  door  Joh.  Franck,  1880 
vgg.  in  Bibliotheek  van  Mnl.  Letterkunde;  Alexaadei*s  Geesten,  uitg.  door 
F.  A.  Snellaert,  2  dln.  Brussel  i  860  vg. 

Akx.  {Hist,  V,)     Zie  Hkt, 

Altd.  BldU.  Altdeutsche  Blatter  van  Moriz  Haupt  en  Heinrich  HofTmann,  2  dln. 
Leipz.  4836. 

Ama7id,  Leven  van  Sinte  Amand,  patroon  der  Nederlanden,  uitg.  der  Bibliophilen , 
2  dln.  4842. 

A?i:!,  Anzeiger  für  Kunde  der  teutschen  Vorzeit,  herausg.  von  Fiunz  Joseph 
Mone,  40  dln. 

ArcL  V.  Delft  ^  J.  Soutendam,  Inventaris  der  Charters  en  Privilegiën  berustende 
op  het  Archief  te  Delft,  Delft  4860. 

Aug,  Sceepk,  August^jnkens  Sceepken,  in  OVl.  Ged.  3,  405 — 412. 

Aubry  ^  Fragment  van  den  Aubry  de  Borgengoen,  uitg.  door  L.  Ph.  G.  van  den 
Bergh  in  N.  Reeks  van  Werken  der  M^.  van  Ned.  Lett.  7*,  429 — 444. 

Bagh  V.  F,  Bagh^nken  van  Parijs.  Oock  is  hier  by  ghedaen  die  wyse  leringe  die 
Catho  sijnen  sone  leerde.  Uitg.  der  Bibliophilen,  4860. 

Barthol.  Bartolomeus  (van  Glanvilla)  den  Engelsman,  Van  den  Proprieteiten  der 
dinghen,  Haarlem  bq  Jac.  Bellaert  van  Ziericzee,  4485. 

Beatr»     Beatrijs  en  Garel  ende  Elegast,  uitg.  door  W.  J.  A.  Jonckbloet,  4859. 

Bed,  d.  M.  Die  Bediedenisse  van  der  Missen,  uitg.  door  A.  G.  Oudemans,  in  N. 
Reeks  v.  Werken  der  M^    v.  Ned.  Lett.  Dl.  7. 

BeeH.  Beestiaris  der  Minnen ,  fragment ,  uitg.  door  J.  H.  Bormans  in  de  Bulletins 
de  r Academie  Royale  de  Belgique,  2me  serie,  tome  27  n°.  5,  bl.  488 — 505,  4869. 

Bel.  V,  Leiden,  Meerman,  Verhaal  van  het  beleg  en  de  verovering  van  Leyden  in 
4420,  Bylagen.  Leiden  4806. 


X  ALPHABETISCHE   LIJST   DER   VERKORTINGEN    ENZ. 

Belg,  Mus.  Belgisch  Museum  voor  de  Nederduilsche  Taal-  en  Lellerk.  en  de  Gesch. 
des  Vaderlands,  uitg.  door  J.  F.  Willems,  iO  dln.   4837—46. 

Bere   JFisL     Van  den  Bere  Wislau,  fragra.  in  Vad.  Mus.   2,  265—284. 

Bern,  W. ;  Bern,  S,  Dit  is  dat  boec  van  Sinte  Bernaerdus  Sermoenen ,  Wintersluck  en 
Somerstuck,  Zwolle,  Peter  van  Os,   1484. 

Bienb..  Dit  is  der  Biên  boeck,  een  goet  boeck  dat  ghehieten  is  een  ghemeyn  guet 
van  der  naturen  der  byen.  Zwolle,  Peter  van  Os,  4488  (Gat.  Lett.  Dl.  2, 
bl.  510). 

Bild.    Versch,     Bilderdijk,  Taal-  en  Dichtkundige  Verscheidenheden,   4  dln. 

Bild.  iV^.    Versch.  Bilderdijk,  Nieuwe  Taal-  en  Dichtkundige  Verscheidenheden,  4  dln. 

Bloeml.  Bloemlezing  uit  Middelnederlandsche  dichters,  bq  een  verzameld  door  Eelco 
Vei-wijs,  3  dln. 

Blisc.  V.  M.  De  eerste  bliscap  van  Maria,  in  Mnl.  Dram.  Poézie  (Bibl.  v.  Mnl.  Lett.) 
bl.  329—448    (Ook  in  Belg.  Mus.  9,   59—438). 

FII  Bloemen y  Van  den  Seven  Bloemen,  gedicht  ter  eere  van  Maria,  in  Angillis, 
Geestelijke  Gedichten;  vgl.  Mone,  Uebersicht  469. 

Blomm.  fr.     Zie  Fragm,   Carl, 

Boec  d,  M,  Dat  Boec  der  Minnen,  Hs.  der  Kon.  Bibl.  te  's-Gravenhage  (n^  35 
der  Weespsche  handschriften). 

Boeck  V,  (l,  L,  JhesUy  Dat  boeck  van  den  leven  ons  liefs  Heren  Jhesu  Christi,  van 
Ludolphus  Gailhusianus ,  Antwerpen,  Geraert  Leeu,  4479. 

Bouc  V,  Sed,     De  Bouc  van  Seden,  in  Kausler's  Denkmaler  2,  564 — 599. 

Boerden y     Dit  sqn  tien  goede  Boerden,  uitg.  door  E.  Verwys,  4860. 

Boetps,  De  zeven  Boetpsalmen  en  andere  stukken,  uitg.  door  G.  J.  Meyer,  in  N. 
W.  van  de  M«.  d.  Ned.  Lett.  5',  437—240. 

V  Bomen ^  Van  vqf  bomen,  Allegorisch  Gedicht  voorkomende  in  het  Leidsche  Hs. 
van  Maerlant's  Naturen  Bloeme,  f*  22(? — 23ö?. 

Boom  d.  Schr,  Den  Boom  der  Schriftueren  van  VI  personagien,  ghespeell  tot  Middel- 
burch  in  Zeelant,  4539.  Uitg.  door  G.  D.  J.  Schotel,  4870. 

BrcJ),  Y.  De  Brabantsche  Veesten  of  Rijmkroniek  van  Braband  door  Jan  Boendale 
van  Antwerpen,  2  dln.  uitg.  door  J.  F.  VSTillems,  4839  en  43;  3"  dl.  (7"  boek) 
uitg.  door  J.  H.  Bormans,  4869  (in  Gollection  de  Chroniques  belges  inédites , 
publiées  par  ordre  du  gouvernement.) 

Brand,  Van  Sinte  Brandane,  uitg.  door  W.  G.  Brill,  in  Bibl.  der  Mnl.  Lett.  (ook 
in  Blommaert's  OVl.  Ged.  2,  4—28,  naar  het  Comb.  Hs.). 

Brand,  H,  Reis  van  Sinte  Brandaen ,  naar  het  Hultbemsche  Hs. ,  in  Blommaert's 
OVl.  Ged.  4  ,  94—420. 

Brugman,  W.  Moll,  Joh.  Brugman  en  het  godsdienstig  leven  onzer  vaderen  in  de 
45*  eeuw.  2  dln.  Bijlagen.  4854. 

Busk,  De  Sotternie  van  den  Buskenblaser ,  in  Mnl.  Dram.  Poézie,  bl.  426 — 440  (ook 
in  Hor.  Belg.  6,  90—99.) 

B,  V.  4357,  Prozavertaling  der  Historische  boeken  van  het  O.  T.  en  een  gedeelte 
der  Apocryphe  boeken.  Perkamenten  Hs.  van  het  jaar  4357,  in  de  Bibl. 
van  de  M^.  der  Ned.  Letterkunde  te  Leiden. 

Cirisl.  Leven  van  Sinte  Ghristina  de  Wonderbare,  uitg.  met  aant.  door  J.  H.  Bor- 
mans, 4850. 


alphabetische  lijst  der  verkortingen  KKZ.  xt 

D.  B,  Delftsche  Bijbel  of  Bijbel  van  1477.  Oude  Druk  van  het  O.  Testament  en  de 
Apocryphe  boeken. 

Delfl,  Bijl,  Bijlagen  tot  de  Gesch  van  het  Hoogheemraadschap  en  de  lagere  water- 
besturen  van  Delfland,  uitg.  door  A.  A.  J.  Meylink,  4848. 

Denkm.  Denkmaler  altniederlandischer  Sprache  und  Litteratur,  herausg.  von  E. 
Kausler,  3  dln. 

Despars,  Cronycke  van  den  lande  ende  graefscepe  van  Vlaenderen ,  door  Jonker  Nico- 
laes  Despara,  uitg.  door  J.  De  Jonghe,  Brugge  1840,  4  dln. 

Devoet  B.  (30).  Hs.  der  Kon.  Bibl.  te  's-Gravenhage  (n^.  30  der  Weespsche  Hss.), 
met  het  opschrift:  Hier  begint  een  devoet  boecskijn  vander  bereydinge  ende 
vercieringe  onser  inwendiger  woeningen. 

Devoet  B,  (36).  Hs.  der  Kon.  Bibl.  te  's-Gravenhage  (n^  36  der  Weespsche  Hss.), 
met  het  opschrift:  Een  devoet  boecskijn  van  stichtighen  leringhen  ende  van 
goeden  exempelen. 

JDial,  Creai.  Dyalogus  Creatui'arum ,  een  boec  dat  vol  is  van  genoechliken  fabulen, 
die  profitelick  syn  tot  leringe  der  menschen.  Te  Delf  in  Hollant ,  1488. 

Diericx,  Mém.  Mémoires  sur  la  ville  de  Gand,  uitg.  door  Ch.  L.  Diericx,  Gent, 
1814.  2  dln. 

Dingt,  v,  Amst  Dingtaal,  te  Amsterdam  in  de  15e  eeuw  b\j  een  doodslag  gebrui- 
kelijk, uitg.  in  N.  Bijdr.  voor  Bechtsgel.  en  Wetgeving,  N.  Beeks.  Dl. 
5.  1879. 

Dmgt,  V.  Delft,     Dingtalen  van  Delft,  uitg.  in  N.  Bqdr.  voorB.  en  Wetg.  Dl.  4. 1878. 

Dingt.  V,  Wat,  Oude  Dingtalen  van  Waterland ,  uitg.  in  N.  B\jdr.  voor  B.  en  Wetg. 
N.  Beeks  V.  1879. 

Disp,  Eno  disputacie  van  onser  Vrouwen  ende  van  den  heiligen  Cruce,  uitg.  door 
Van  den  Bergh  in  N.  W.  der  M^.  v.  Ned.  I^ett.  5*,  17  vgg. ,  in  Kausler's 
Denkm.  2 ,  677  vgg. ,  in  Van  Vloten's  Kleine  Gedichten  van  J.  v.  Maerlant 
^^  ^%^-  j  in  Verwijs'  Strophische  Ged.  van  J.  v.  Maerlant  80  vgg. 

D,   Cat,     Die  Dietsce  Catoen,  uitg.  door  W.  J.  A.  Jonckbloet,  1845. 

Doet,     Die  Dietsche  Doctrinale ,  leerdicht  van  1345 ,  uitg.  door  W.  J,  A.  Jonckbloet,  1842. 

D,  Orde,  De  Duitsche  orde  of  Beknopte  Gesch.  der  Broeders  van  het  Duitsche  Huis 
van  St.  Marie  van  Jerusalem,  uitg.  door  J.  D'Ablaing  van  Giessenburg,  1857. 

Dram,  P,  De  Middelnederlandsche  Dramatische  Poëzie,  uitg.  door  H.  E.  Moltzer, 
in  Bibl.  der  Mnl.  Lett.  1875. 

Drie  D,  llere,  De  sotternie  van  Drie  Daghe  Here  in  Mnl.  Dram.  Poëzie  190 — 209. 
(ook  in  Hor.  Belg.  6,  105—120.) 

D,  War,  De  Dietsce  Warande,  Tijdschrift  voor  Nederlandsche  Oudheden,  enz.,  be- 
stuurd door  J.  A.  Alberdingk  Th\jm,  Dl.  1 — 10. 

Edeti),     Van  den  derden  Edewaert,  in  Belg.  Mus.  4,  302 — 367, 

Eleg.  [C,  en  El,)  Beatrijs  en  Carel  ende  Elegast,  uitg.  door  W.  J.  A.  Jonckbloet, 
1859  (ook  in  Hor.  Belg.  Dl.  4.) 

Enq,  Enqueste  ende  Informatie  upt  stuck  van  der  Reductie  ende  Reformatie  van  den 
Schiltaelen,  gedaen  in  den  Jaere  1494,  uitg.  door  R.  J.  Fruin,  1876. 

Eèm,  '  Een  abel  spel  van  Esmoreit,  in  Mnl.  Dram.  Poëzie  uitg.  door  H.  E.  Moltzer, 
bl.  1—59  (ook  in  Hor.  Belg.  6,  3—39  en  in  Bloeml.  3,  157—189.). 

£êop,  Bqdragen  tot  de  oude  Nederlandsche  Letterkunde,  uitg.  door  J.  A.  Clignett, 
1819;  Esopet,  uitg.  door  J.  Te  Winkel  in  Bibl.  der  Mnl.  Lett.  1881. 


XII  ALPHABETISCHE  LIJST   DER   VERKORTINGEX    ENZ. 

Exc.  Croji,  Van  Brabant  die  excellente  Cronike,  Antwerpen  bg  Jan  van  Does- 
borch,  1530. 

Fase.  M,  Fasciculus  Myrre,  Een  sonderlinge  devote  materie  van  die  passie  ons 
Heeren  J.  G. ,  geheeten  dat  busselkqn  ofte  dat  bondelkqn  van  myrre, 
Antwerpen,  Symon  Cock  1529. 

Fase,  Temp.  Fasciculus  temporum,  inhoudende  die  Cronycken  van  ouden  tqden,  by 
my  volmaect  (gedrukt)  Jan  Veldenar,  Utrecht  1480. 

V.  (l.  Feest.  Van  der  Feesten  een  proper  dinc,  in  Theophilus  (uitg.  v.  Blommaert)  44 — 55. 
in  Van  Vrouwen  ende  van  Minne  (Bibl.  d.  Mnl.  Lett.)  1-34,  uitg.  door  E.  Verwqs. 

Ferff.  Ferguut,  uitgave  van  E.  Verwijs  in  Mnl.  Bibl.,  na  z\jn  dood  bezorgd  door 
J.  Verdam,  1881  (Ook  uitg.  door  L.  G.  Visscher,  Utrecht  1838). 

Ffandr.  Flandrqs,  fragmente  eines  mnL  Rittergedichtes ,  uitg.  in  Quellen  und 
Forschungen,  door  Joh.  Franck,  Straatsburg  1876. 

Ff.  en  BL  (Flaris)^  Floris  ende  Blancefloer,  uitg.  door  H.  E.  Moltzer  (in  Bibl. 
der  Mnl.  Lett.  1879  (Ook  in  Hor.  Belg.  Dl.  3  door  Hoffmann  von  Fallers- 
leben,  1836). 

Floveut,  Flovent,  Bruchstücke  eines  mnl.  epischen  Gedichtes,  uitg.  door  K.  Bartsch 
in  PfeifTer's  Germania  9,  407—463. 

Fragm.  CarL  (Blomm.  fr.)  Fragment  d'un  roman  de  Chevalerie  du  cycle  Carlo- 
vingien,  uitg.  door  Ph.  Blommaert  in  de  Annales  du  Comité  Flamand  de 
France,  Dl.  5. 

Franc.  Leven  van  Sin  te  Franciscus  door  J.  van  Maerlant,  uitg.  door  J.  Tideman, 
in  de  Werken  der  Vereeniging  tot  bevord.  der  O.  Ndl.  Lett.  1848. 

Garijn^  Fragmenten  van  den  Garyn  van  Montglavie,  uitg.  door  Bilderdgk  in 
Taal-  en  Dichtk.  Verscheidenheden  4,  126  vgg. 

Gedenksi.  L.  Ph.  G.  van  den  Bergh,  Gedenkstukken  tot  opheldering  der  Nederl. 
Gesch.  opgezameld  uit  de  Archieven  te  Rqssel,  Leid.  1842. 

GeesL  Ged.  Geestel^ke  Gedichten  van  J.  van  Maerlant  e.  a.,  uitg.  door  L.  Ph.  C. 
van  den  Bergh,  in  N.  W.  van  de  M**.  de  Ned.  Lett.  5»,  1—124. 

GeeH.  Leer.  Geestelijke  Leeringen,  Handschrift  der  Kon,  Bibl.  te  *s-Gravenhage 
(N**.  34  der  Weepsche  Hss.) 

Gendsck  Chtb.     Het  Gendsch  Gharterboekje ,  uitg.  door  K.  L.  Diericx,  1821. 
Gerl,  Petere,  Geschriften  van  Gerlach  Petere,  uitg.  door  W.  Moll  in  Kerkhistorisch  Archief, 
vei-zameld  door  N.  Kist  en  W.  Moll,  Dl.  2,  bl.  202—214,  218—229,  234—239. 

Gesch.  V.  Antw.  F.  H.  Mertens  en  K.  L.  Torfs,  Geschiedenis  van  Antwerpen, 
Antw.  1845—54.  7  dln. 

Geschiedz.  Nederlandsche  Geschiedzangen  naar  tydsorde  gerangschikt  en  uitg.  door 
J.  van  Vloten,  1852,  2  dln. 

Gest.  Bom.  Gesta  Romanorum,  tracterende  van  die  do<;chden  ende  sonden  ende  die 
ghemoralizeert  ende  ghetoghen  tot  enen  gheesteliken  zinne,  Gouda  b\j 
Gheraert  Leeu,  1481. 

Gnr.  V.  Si.  Tm^en,  Gewoonten,  Vryheden  en  Privilegiën  der  stad  Sint  Truyen, 
Uitg.  door  de  M*.  der  Vlaemscho  Bibliophilen. 

G.  Groote,  (ïeerl  Groote's  Dietsche  Vertalingen,  hcschrevcm  en  toegelicht  door  W. 
Moll,  in  Letterk.  Verband,  der  Koninkl.  Arad.  Dl.  13. 

Gfor.  Een  abel  spel  van  Gloriant,  in  Mnl.  Drarri.  FN>/''zi<j,  bl.  75 — 125  (ook  in 
Hor.  Belg.  6,  49—89.) 


ALPHABETISCHE   LIJST    DER   VEHKOHTINGEN    ENZ.  XIII 

God  t>.  d.  Cr.     God    van    den   Gnice   sprect   te    di,  in  N.  W.  van  de  M"^.  der  Ned. 

Lett.  51,  216. 
Greg.  Hom.     Sinle  Gregorius  Omelien,  Utrecht,  Joh.  Veldener,  1479. 

Grimb.  De  Grimbergsche  Oorlog,  Riddergedicht  uit  de  14e  eeuw,  uitgave  der  VI. 
Bihiiophilen,  door  Ph.  Blommaert,  2  dln.  1852. 

Gulden  T.     Boec     des     Gulden    Throens    of  der   XXIV    ouden,     Haarlem    bq   Jan 

Andriesz.  1484. 
Hadew.     Werken  van  zuster  Hadewijch,  uitg.  der  Vlaemsche  Bibliophilen.  1875. 

Halb.  Aant.     3.  H.  Halbertsma,   Aanteekeningen  op  Maerlant's  Spiegel  Historiael,  1851. 

Ilandv.  V.  Alhn.  Handtvesten  ende  Privilegiën  der  steden  Alkmaar  en  Hoorn, 
Enkhuizen  1667. 

llando.  V.  Enkh.  Handvesten,  Privilegiën,  VSTillekeuren  ende  Ordonnantiên  der  stadt 
Enchuysen,  Enkhuizen  1667. 

Ilandv.  V.  Medembl.  Handvesten  ende  Privilegiën  der  stadt  Medenblick  mitsgaders 
die  van  Grootebroek,  enz.,  en  andere  West-Vriesche  en  Drechterlandsche 
voorrechten,  Enkhuizen  1667. 

Ilandv.  V.  Waterl.  Handvesten  ende  Privilegiën  van  Monnickendam  ende  Water- 
landt,  1713. 

Ilan.  IL  Een  tafelspeelken  van  twee  personagien,  eenen  man  ende  een  wijf  gecleet 
up  z^jn  boersche,  in  Mnl.  Dram.  Poëzie,  312 — 338  (ook  in  Belg.  Mus.  2, 
121—134. 

Ilarderw.     Schrassert,    Beschr^vinge   der   stadt  Harderwijck,    2  dln.,  2de  dr.,  1732. 

Heelu,  Chroniques  en  vers  de  Jean  van  Heelu,  ou  relation  de  la  bataille  de  Woeringen , 
uitg.  door  J.  F.  Willems,  in  GoUection  de  Ghroniques  belges  inédites,  publiées 
par  ordre  du  gouvernement,  1836. 

Ileemsh.     De  vier  Heemskinderen,  uitg.  door  J.   G.  Matthes,  1872. 

Ileim,^  Ileim.  d.  U.  De  Heimelijkheid  der  Heimelijkheden,  üitg.  door  J.  Glarisse  in 
N.  Werken  van  de  M*.  der  Ned.  Lett. ,  Dl.  4  (ook  in  Kausler's  Denkm. 
{Ileim.  C)  2,  483—556). 

Hexe  ^  De  sotterie  van  de  Hexe,  in  Mnl.  Dram.  Poëzie,  183 — 189  (ook  Hor.  Belg. 
6,  100  vgg.). 

Hild.  Gedichten  van  Willem  van  Hildegaersberch ,  uitg.  door  W.  Bisschop  en  E. 
Verwas ,  1870. 

ITUt.  V.  Alex.  Prozabewerking  der  Hiêloriè  van  Alexander^  Delf  1491.  (Een 
druk  van  1477  bevindt  zich  in  de  Kon.  Bibl.  te  Berlijn ,  een  van  1479 
is  in  het  bezit  van  den  Hertog  van  Aremberg  te  Brussel;  hetzelfde  werk?). 

IlofJc.  van  Dev.  Dat  Hof  ken  van  Devotie ,  een  zeere  devoet  ende  profitel^jck  boecxken , 
gedrukt  te  Antwerpen  b\j  Geraerdt  Leeu,  1487. 

Hondsb.  Verzameling  van  stukken  betrekk.  den  Hondsbossche  en  Duinen  tot  Petten , 
1388—1598,  uitg.  door  J,  A.  Kluppel. 

J£or.  Belg.     Horae  Belgk^ae,  uitg.  door  HofTmann  von  Fallersleben,  12  dln. 

V.  d.  Houte ,  Dboec  van  den  Houte ,  uitg.  door  J.  Tideman ,  in  Werken  der  Ver- 
eeniging  enz. ,  1844. 

Ih.  Evang.  Perkamenten  Hs.  der  Maatschappij  v.  Nedl.  Letterkunde ,  n**.  243  (nieuwe 
Gatal.),  bevattende  de  vier  Evangeliën. 

Hs.  Pn.  Prozahandschrifl  eener  mnl.  vertaling  der  Psalmen ,  berustende  op  de  Kon. 
Bibl.  te  's-Gravenhage  (N°.  6  der  Weespsche  Hss.). 


XIV  ALPHABETISCHt:   LIJSt   DEH   VERKORTINGEN   ENZ. 

lis,  Souf-er,  Prozahaudschrifl  eener  mnl.  vertaling  der  Psalmen ,  waarby  enkele  andere 
stichtei^ke  stukken ,  berustende  op  de  Kon.  Bibl.  te  's-Gravenhage  (N^  5 
der  Weespsche  Hss.) 

Hs.  71  ,  Handschrift  uit  de  i5de  eeuw ,  bevattende  de  vier  Evangeliën ,  in  de  Bibl. 
van  de  M^.  der  Ned.  Lett.  (Nieuwe  Catalogus  n^  245.) 

Hs.  75 ,    ld.    bevattende   de  brieven  van  Paulus  en  de  Openbaring  van  Johannes  (ald. 
^  n°.  250). 

Hs.  80 ,  ld.  getiteld  :  Dat  boeck  van  den  leven  ons  liefs  Heren  Jhesu  Christi  (ald. 
n^  259). 

Hs.  81  ,    ld.  bevattende  Den  leven  ons  Heren  Jhesu  Christi  (ald.  n^  258). 

Hs.  86  ,    Handschrift ,    bevattende   Dat    leven    van  Sijite  Franciscus    (ald.  n®.  264). 

Hs.  87  ,  Handschrift  uit  de  1 5de  eeuw ,  bevattende  Sinte  Franciscus  legende  ende 
s\jn  leven  (ald.  n°.  265). 

Hs.  88 ,    ld.  bevattende  Sinte  Franciscus  ende   signre   ghesellen  leven ,  (ald.  n°.  266). 

Hs,  V.  1348,  Hs.  op  Perkament  van  1348,  bevattende  epistel-  en  evangelielessen 
voor  het  geheele  kerkjaar  ,  berustende  op  de  Universiteitsbibl.  te  Amsterdam. 
(Hss.  uit  de  nalatenschap  van  W.  Moll  N°.  1.) 

Hs,  V.  1423,  Papieren  Codex  der  Maatsch.  v.  Nedl.  Letterkunde  (Nieuwe  Catal. 
n®.  234) ,  bevattende  de  Psalmen  Davids ,  de  Lofzangen  der  Heiligen, 
Ezechiél ,  Daniël ,  Job ,  de  werken  aan  Salomo  toegeschreven  en  Jezus  Sirach. 

Hs,  Yp.  Handschrift  der  Bourgondische  Bibliotheek  te  Brussel  (N®.  15624 — 41)  be- 
vattende   allerlei    tractaten    over    medische  en  physische  onderwerpen,  o.  a. 

eene   Chirurgie    van   Johannes   Yperiiians    (slechts   gedeeltel^k   met  de  ui  tg. 
van  Broecx  ,  naar  het  Canibridgesche  hs.  ,  samenvallende). 

Httge  V,  Bord,  I,  H,  Fragmenten  van  den  Huge  van  Bordeaux ,  uitg.  door  S.  de  Wind, 
in  N.  Reeks  van  Werken  v.  d.  M^.  der  Ned.  Lett.  5  ,  261  vgg. 

Huge  V,  Bord,  Het  Volksboek  van  Hughe  van  Bordeaux  ,  uitg.  door  F.  Wolff,  als 
deel  55  van  het  Wurtembergische  Verein. 

Jonckbl.   Geselt.     Jonckbloet,  Gesch.  der  Mnl.  Dichtkunst,  Bijlagen  (Dl.  3,  bl.  595  vgg.). 

Inform,  Informatie  up  den  staet,  faculteyt  ende  gelegentheyt  van  de  steden  ende 
dorpen  van  Hollant  ende  Vrieslant ,  van  den  jare  1512,  uitg.  door  R.  J. 
Fniin ,  1866. 

Invent,  v,   Brugge^  Inventaire  des  Archives  de  Bruges,  uitg.  door  Mr.  Gilliots  van  Severen. 

YsL  Bl,  Der  Ystorien  Bloeme ,  d.  i.  de  legende  der  Heiligen ,  uitg.  door  A.  C.  Oude- 
mans  in  Dietsche  Warande  1  ,  137,  327,  533;  2,  123,  179,  470. 

Kal,  Kalender  voor  de  Protestanten  in  Nederland ,  8  jaarg.  geredigeerd  door  W. 
Moll,  1856-63. 

Cannaert ,  J.  B.  Cannaert ,  Bedragen  tot  de  kennis  van  het  oude  strafrecht  in  Vlaenderen , 
3de  dr.  1835. 

Cass,  Roman  van  Cassamus  ,  fragment ,  uitg.  door  E.  Verwijs,  in  Bibl.  der  Mnl.  Lett,, 
2*  Afl.  1869. 

CaM.  ff.  Het  Brusselsche  fragment  van  den  Cassamus ,  in  Taal-  en  Letterbode  2 , 
158—166. 

Cat,  L,     Dit  s\jn  Catoens  Leren,  in  Kausler's  Denkm.  2,600 — 610. 

K,  en  O,  V.  Delft ^  Keuren  en  Ordonnantiên  der  stad  Delft,  uitg.  door  J.  Souten- 
dam,  1870. 


andere 


(lid 


4). 
ende 

^ 
ssen 


ital. 
en. 


be- 
a. 


ALPHABETISCHE   LIJST   DER   VERKOt\TINGEN    ENZ.  XV 


Keri,  CL  Der  Kerken  Glaghe,  van  J.  van  Maerlant,  uitg.  (met  V.  d.  Lande 
V.  Overzee)  door  J.  F.  J.  Heremans,  1870  (Ook  in  Bloemlezing  2,  93  vgg. 
in  de  Kleine  Gedichten  van  J.  van  Maerlant,  door  J.  van  Vloten,  92  vgg. 
en  in  de  Strophische  Gedichten  van  Maerl.,  uitg.  door  E.  Verwijs,  132  vgg.). 

Keuhenh.  Keukenhoek,  uitg.  naar  een  Hs.  der  15e  eeuw,  door  de  M^.  derVlaemsche 
Bibliophilen,  1872. 

Claghe^     Claghe   of  lofdicht   op   Heer  Danieel  van  de  Merwede  (Uit  het  Wapenboeck 
(ald  I  OU    Armorial  de  1384  par  Gelre  Heraut  d*Armes,  V.  Bouton,  Parijs  1882). 

Ook   in   J.  Smits  en  G.  D.  J.  Schotel,    Gesch.  v.  Dordrecht  1,  149 — 157. 

C/^c,  Krongk  van  Holland,  van  een  ongenoemden  Glerc,  gemeenlijk  geheeten  Kronijk 
van  den  Clerc  uten  laghen  landen  bider  zee,  uitg.  in  Werk.  v.  h.  Hist. 
Genootsch.  te  Utrecht,  Nieuwe  Serie,  N°.  6,  1867. 

IVuL  CriL  Historia  Critica  Comitatus  HoUandiae  et  Zeelandiae,  Kluit,  Middelburg 
1777,  2  dln. 

C/rWM.     Die  Clausule  van  der  Biblen,  gedrukt  in  dezelfde  werken  als  Disp.  (zie  ald.) 

(kmdichb.  v.  Zutf.  Dat  Condichboek  der  Stad  Zutphen,  medegedeeld  door  L.  A.  J.  Baron 
Sloet  (in  Nedl.  Jaarb.  voor  Bechtsg.  en  Wetg.  DL  7). 

Con.  Somm.  Summe  Ie  Boy  of  des  Conincs  Summe,  ende  leert  hoe  men  de  sonden 
biechten  ende  beteren  sal,  Haarlem,  Jan  Andriesz.  1848. 

d       ^^'  ^*  ^^i'^'     öit  sqn  de  Goren  van  der  stad  Antwerpen,  uitg.  door  de  Vlaemsche 

Bibliophilen. 
Oock     Dit  is  dat  edele  lant  van  Cockaengen,  in  Altd.  Blatter  1,  165 — 167. 

Coerb.  van  Antw.     Coerboeck    der   stad    Antwerpen,    in    Anciennes  Coutumes   de   la 
^'  Belgique,  Quartier  d*Anvers,  Dl.  1. 

.         Caut.  V,  Anüo.     Coutume    du    Pays   et   Duché  de  Brabant,  Quarter  d'Anvers  5  dln. 

1870 — 74.  Uitg.  in  den  Becueil  des  anciennes  Coutumes  de  la  Belgique. 

.         Caut.  V.  Brugge^     Coutume  de  la  ville  de  Bruges,  2  dln.  1874,  uitg.  ibid. 

C&uL  V,  Brussel  f  Coutume  du  Pays  et  Duché  de  Brabant,  Quartier  de  Bruxelles, 
2  dln.  1869  en  73,  uitg.  ibid. 

Coui.  V.   Gefit,     Coutume  de  la  ville  de  Gand,  1868.  Uitg.  ibid. 

Cout  V.  Leuven,  Coutume  du  Pays  et  Duché  de  Brabant,  Quartier  de  Louvain  et 
de  Tirlemont,  1874,  uitg.  ibid. 

Cout  V.  St.  Truyen ,  Coutume  du  Comté  de  Looz ,  de  Saint  Trond  et  de  Beckheim , 
1872,  uitg.  ibid. 

Cron,  V,  Vlaend.  Kronyk  van  Vlaenderen  van  580  tot  1467,  2  dln.  uitg.  door  de 
Vlaemsche  Bibliophilen,  1839. 

Cracht  der  3L  ,  Die  Gracht  der  Mane,  door  Heinryk  van  Hollant ,  uitg.  door  M.  De  Vries 
uit  de  Nalatenschap  van  J.  Glarisse,  in  Verslagen  en  Berichten  der  Ver- 
eeniging,  IV,  5  vgg. 

K  V,  Brielle,  Brielsehe  kleuren  uit  de  15de  eeuw,  medegedeeld  door  H.  De  Jager, 
in  N.  B^jdr.  voor  Bechtsgel.  en  Wetg.  Dl.  3,  1877. 

K.  V,  Belfi, ,  Keuren  van  Delfland  ende  Ordonnantiên  van  't  Hoogheemraatschap  van 
Delflant,  Delft  1754. 

Lams,  W.  G.  Lams,  Het  Groot  Privilegie  en  Hantvest  Boeck  van Kennemerlandt en 
Kennemer  gevolgh,  Amst.  1664. 

L(mc.  Roman  van  Lancelot,  naar  het  eenig  bekende  Hs.  der  Kon.  Bibl.  uitg.  door 
W.  J.  A.  Jonckbloet,  2  dln.,  1846. 


XVI  ALPHABETISCHE    LIJST    DER   VERKORTINGEN    ENZ. 

Lanfr.  Lanfranc's  Chirurgie,  Hs.  in  de  Bibl.  der  M**.  tot  Bevord.  der  Geneeskunde 
(in  bruikleen  afgestaan  aan  de  Universiteitsbibl.  te  Amsterdam.). 

Lanfr.  Incun.     Een  incunabel  derzelfde  M**.  over  soortgelijke  onderwerpen. 

LansL  Een  spel  van  Lantseloot  van  Denemarken  ende  die  scone  Sandrqn,  in  Hnl. 
Dram.  Poézie,  141—182  (ook  in  Hor.  Belg.  5,  1—32;  6,  157—166). 

Landr,  v.  Vel,     Gereformiert  Landt  recht  van  Velu  wen  und  Veluwenzoom ,  Arnhem  1715. 

Leid.  Keurh.  De  Middeneeuwsche  Keurboeken  van  de  stad  Leiden,  uitg.  door  H. 
G.  Hamaker,  1873. 

Leit.  N,  W.     Nieuwe  Werken  van  de  M^.  der  Ned.  Letterkunde,  6  dln.  1824—44. 

LetL  N,  R.     Nieuwe  Reeks  van  Werken  van  de  M«.  der  Ned.  Lelt.  9  dln.  1846—57. 

Lïb.  Alk  Liber  Albus  van  Utrecht,  uitg.  door  Baron  Lintelo  de  Geer,  in  Nieuwe 
Bijdr.  voor  Rechtsg.  en  Wetg.  Dl.  3,  1875.  Ook  in  Rechtsbronnen  der  Stad 
Utrecht,  bl.  3—68. 

Limh  Roman  van  Heinric  ende  Margriete  van  Limborch,  uitg.  door  L.  Ph.  C.  van 
den  Bergh,  in  Lett.  N.  R.  Dl.  2  en  3. 

Limb.  Serm,  Sermoenen  in  't  Limburgsch  Dialect,  perkamenten  Codex  van  ±  1290 
der   Koninklijke    Bibliotheek  te   's-Gravenhage ,  N°.  377.  Vgl.  T.  en  Lettb. 

5,  169  vgg. 

Livre  d.  Mest.  Le  Livre  des  Mestiers,  Dialogues  Fran^ais-Flamands ,  composés  au 
14e  siècle,  uitg.  door  Michelant,  1875. 

JApp,     De    sotternie    van   Lippijn  in  Mnl.  Dram.  Poëzie,  60 — 74  (ook  in  Hor.  Belg. 

6,  40—48  en  Bloeml.  3,  189—196). 

L,  o.  IL     Van  den  Levene  Ons  Heren,   uitg.  door  P.  J.  Vermeulen,  1843. 

Lorr.  Roman  van  Karel  den  Groote  en  zqne  XH  Pairs ,  uitg.  door  W.  J.  A.  Jonck- 
bloet  in  Werken  der  Vereeniging,  1844. 

Lort.  fr.  Fragmenten  van  den  Roman  der  Lorreinen,  uitg.  door  J.  C.  Matthes  in 
Bibl.  der  Mnl.  Lett.  1876. 

Ijütt  ff,  HL  en  IV.  Nieuwe  fragmenten  van  den  Roman  der  Lorreinen ,  uitg.  in  het 
Festschrift  zur  Vierten  Sacularfeier  der  Universitat  Tübingen ,  door  Hermann 
Fischer,  1877. 

Jjgp,  Der  Leken  Spieghel,  leerdicht  van  den  jai'e  1330  door  Jan  Boendale,  gezegd 
Jan  de  Clerc,  uitg.  door  M.  De  Vries  in  Werken  der  Vereeniging,  1844. 

I/ucid,  Die  Dietsce  Lucidarius ,  leerdicht  uitg.  in  Blommaert's  Oudvlaemsche  Gedichten 
3,  1—74. 

Lulofs,  Ilandb,^  B.  H.  Lulofis,  Handboek  van  den  vroegsten  bloei  der  Ned.  Lett.  1845. 

Liitg.  Het  Leven  van  Sinte  Lutgardis  door  Broeder  Gheraert,  uitg.  door  J.  H.  Bor- 
mans,  in  de  Dietsche  Warande  B.  L  in  Dl.  3,  55, 132;  B.  H.  in  Dl.  3, 156, 
285;  Dl.  4,  155;  B.  HL  in  Dl.  4,  266. 

L.  V,  J,  {L,  V,  Jes,)  Het  Leven  van  Jezus,  naai*  een  Nederlandsch  Hs.  uit  de  13e 
eeuw  uitg.  door  G.  J.  Meyer,  1835. 

Lijd.  ƒ.  Dat  Lijden  ende  die  Passie  ons  Heren  Jhesu  Christi,  uitg.  door  A.  Holder 
in  Bibl.  der  Mnl.  Lett. ,  1877. 

F  Mtiegd,  Het  spel  van  de  V  vroede  ende  van  de  V  dwaeze  maegden,  naar  een 
handschrift  van  het  begin  der  16e  eeuw,  uitg.  der  Bibliophilen. 

Maleg.  Fragmenten  van  den  Malegys ,  byeenverzameld  en  uitgegeven  door  J.  Verdam , 
in  Taal-  en  Letterbode,  Dl.  6,  113—147. 


ALPHABETISCHE   LIJST   DER   VEKKORTINGEN    ENZ.  XVTl 

Mandev.  Mnl.  bewerking  der  reis  van  Sir  John  Mandeville,  perkamenten  Hs.  in  de 
Univei'siteits-bibliotheek  te  Leiden  (N°.  14/.) 

Mar.  V.  N.  Marieken  van  Nijmegen,  eene  Nederlandsche  Volkslegende  uit  de  16e 
eeuw,  uitg.  door  J.  van  Vloten,  1854. 

IF  Marl.  {Vierde  Mart.)  Het  vierde  boek  van  den  Wapene  Martijn  door  Hein  van 
Aken  ,  in  Vaderlandsch  Museum  4,  55 — 90. 

Maget  v.  Gent ,  Gedicht  van  Boudewgn  van  der  Lore ,  in  Blommaert's  OVl.  Ged. 
2,  105—108. 

Masi.  Dit  es  van  Maskaroen,  in  Ned.  Ged.  der  14e  eeuw,  uitg.  door  F.  A.  Snel- 
laert,  493—538,  vgl.  Merlqn  1927  vgg. 

Matth.  Het  Rechtsboek  van  den  Briel,  beschreven  door  Jan  Matthijszen,  uitg.  door 
J.  A.  Fruin  en  M.  S.  Pols  in  Oude  Vaderlandsche  Rechtbronnen ,  1880  (Ook 
in   Alkemade   en   Van   der  Schelling,  Beschri^jving  der  stad  Brielle,  Dl.  1). 

Matth.  Anal.     Anthonii  Matthaei  Analecta  Medii  Aevi,  5  dln.  1738. 

Melib..  Melibeus,  in  Ned.  Ged.  der  14e  eeuw,  uitg.  door  F.  A.  Snellaert,  1 — 136; 
Melib.  Var.  aldaar  bl.  645  vgg. 

M.  en  Fr.  Heim.  Der  mannen  ende  vrouwen  heimelijckheit  in  Hs.  Yp.  (Zie  boven) 
fo.  77v— 85r. 

Merl.     Jacob  van  Maerlant's  Merlyn,  uitg.  door  J.  van  Vloten,  1880. 

Mieris,  Groot  Charterboek  der  Graven  van  Holland,  van  Zeeland  en  Heeren  van 
Vriesland,  4  dln.  P.  1753. 

MLoep.  Der  Minnen  Loep  door  Dirc  Potter,  uitg.  door  P.  Leendertz  in  Werken  der 
Vereeniging,  1847. 

Mni.  Spreekw.  Altniederlandische  Sprichwörter  nach  der  altesten  Sammlung,  uitg. 
door  HofTmann  von  Fallersleben  in  Dl.  9  der  Horae  Belgicae.  Vgl.  W.  H. 
D.  Suringar  Be  Proverbia  Communia,  vooral  bl.  49 — 61. 

Mor.  Roman  van  Moriaen,  uitg.  door  J.  Te  Winkel  in  Bibl.  der  Mnl.  Lett.  1878, 
(Ook  in  Lancelot,  Hl,  42547—47250). 

Nat.  Bl.  Der  Naturen  Bloeme,  van  J.  van  Maerlant,  uitg.  door  E.  Verwqs  in  Bibl. 
der  Mnl.  Lett.  1878  (Boek  I— IV  ook  uitg.  door  J.  H.  Bormans,  1857). 

Natuurk.  Natuurkunde  van  het  Geheelal ,  van  Broeder  Gheraert ,  uitg.  door  J.  Cla- 
risse  in  N.  Reeks  van  Werken  van  de  M^.  der  Ned.  Lett.  Dl.  4,  1847. 

N.  Boet.  Die  nieuwe  Doctrinael  of  Spiegel  van  Sonden,  van  Jan  de  Weert,  uitg.  in 
Blommaert's  OVL  Ged.  3,  75—104. 

Negen  Best.     {IX  Best.)  Van  den  Neghen  besten,  in  Kausler's  Denkm.  3,141 — 161. 

Nijh.     L  A.  Nijhoff,  Gedenkwaardigheden  uit  de  Geschiedenis  van  Gelderland,  6  dln. 

Ned.  Ged.  Nederlandsche  Gedichten  uit  de  14'  eeuw  van  Jan  Boendale,  Hein  van 
Aken  e.  a.,  uitg.  door  F.  A.  Snellaert,  1869. 

Ned.  Kluchtsp.  Het  Nederlandsche  Kluchtspel  van  de  14*  tot  de  18*  eeuw,  uitg. 
door  J.  van  Vloten  1*  uitg.  (1«  afl.)  1854;  2'  uitg.  3  dln.  1877. 

Ned^  Proza  ^  Verzameling  van  Nederlandsche  Prozastukken  van  1229 — 1476,  uitg. 
door  J.  van  Vloten,  1851. 

Nu  nock^  Een  clute  van  Nu  noch,  in  Mnl.  Dram.  Poëzie,  291 — 311  (ook  Belg. 
Mus.  2,  107—120). 

O.  H.  Passie^  Ons  Heren  Passie,  Mnl.  Gedichte  herausg.  von  H.  A.  Keiler,  in 
Einladung  zur  akad.  feier  des  Geburtsfestes  seiner  Maj.  Wilhelm  von 
Wurttenberg,  Tübingen  1851. 


XVIII  ALPHABETISCHE    LUST   DER   VERKORTINGEN    ENZ. 

O.  luL     O  Intemerata,  in  Kausler*s  Denkmaler  2,  557 — 566. 

O.  K.  V,  Dordr.  Hel  Oudste  Keurboek  van  Dordrecht,  uilg.  door  J.  A.  Fruin  in 
Nieuwe  Bijdr.  voor  Rechlagel.  en  Wetg.  Dl.  2,  1876. 

O,  K.  V.  EtM.  Oude  Keuren  van  Enkhuizen,  medeg.  door  J.  Soutendara  in  N.  Bijdr. 
voor  Rechtsgel.  en  Wetg.  Dl.  4,  1878. 

O.  K.  V,  EoU.  Het  oudste  Keurboek  van  Rotterdam,  uitg.  door  R.  J.  Fruin,  ald. 
Dl.  2,  1876. 

OoriL  Oorkondenboek  van  Holland  en  Zeeland,  uitg.  door  L.  Ph.  C.  van  den 
Bergh,  2  dln. ,  1866. 

Oorkb.  V,  Geld,  Oorkondenboek  der  Graafschappen  Gelre  en  Zutfen  tot  op  den  slag 
van  Weeringen,  uitg.  door  L.  A.  J.  W.  Baron  Sloet,  1872 — 76. 

Oorl,  V.  Albr,  De  Oorlogen  van  Hertog  Albrecht  van  Beieren  met  de  Friezen,  uitg. 
door  E.  Verwijs,  in  Werken  uitg.  door  het  Hist.  Genootschap  te  Utrecht, 
N.  Reeks  N°.  8. 

O.  R.  V.  Bord/r,  De  oudste  rechten  der  stad  Dordrecht  en  van  het  Baljuwschap  van 
Zuid-Holland,  uitg.  door  J.  A.  Fruin,  1882  (N^  4  der  Oude  Vader- 
landsche  Rechtsbronnen). 

O.  R.  V.  Af/isL     Oude  Regten  van  Amsterdam,  uitg.  door  P.  Schel tema,  1875, 

Oudenh.  Z.-HolL   Jacob  van  Oudenhoven's  Out-HoUandt,  nu  Zuyt-Hollandt,  Dordr.  1654. 

Overzee,  Van  den  Lande  van  Overzee,  van  J.  van  Maerlant,  uitg.  in  dezelfde 
werken  als  Der  Kerken  Glaghe  (zie  ald.) 

Overijs,  R.  I ,  Overijsselsche  Stads-,  Dijk-  en  Markerechten ;  U ,  Dykrechten  van  Vol- 
lenhove,  uitg.  door  de  Vereeniging  ter  bevord.  van  Overrqsselsch  Regt 
en  geschiedenis. 

OFL   Ged.     Oudvlaemsche  Gedichten,  3  dln.,  uitg.  door  Ph.  Blommaert,  1838. 

OVL  Lied,     Oude  Vlaemsche  Liederen,  uitg.  door  J.  F.  Willems,  1848. 

O  VI,  Lied,  eii  Ged,  Oude  Vlaemsche  Liederen  en  andere  Gedichten  der  14e  en 
15*  eeuwen,  uitg.  der  Bibliophilen ,  2*  serie  n®.  9. 

O.  W,  V,  Amst,  De  Oudste  Willekeuren  van  Amsterdam,  medegedeeld  door  C.  Pqn- 
acker  Hordijk  in  N.  Bijdr.  voor  Rechtsgel.  en  Wetg.  Dl.  5. 

Pwrth.  Ouddietsche  fragmenten  van  den  Parthonopeus  van  Bloys,  uitg.  door  J.  H. 
Bormans  (ook  gedeelt.  uitg.  door  H.  F.  Maszmann  in  Partonopeus  und 
Melior,  Berlin  1847). 

Parth,  fr.  Fragment  van  den  Parthonopeus,  medeged.  door  E.  Verwys  in  Hande- 
lingen en  Mededeelingen  van  de  M^.  der  Ned.  Lett.  1872. 

Pa89,  W,  Pass.  S,  Passionael  Winterstuck  en  Somerstuck ,  Legendenboek ,  Gouda 
1480  Gheraert  Leeu  (Een  enkele  maal  is  de  uitg.  van  1489  aangehaald, 
Vg.  Gat.  Lett.  1,  177  en  178). 

Pelgrim,     Dit  is  dat  boeck  van  den  Pelgherigm,  Haarlem  1486. 

X  Plagen  {Tien  PI,)  Dit  s\jn  die  X  plaghen  ende  die  X  gheboden ,  in  Ned.  Ged.  der 
14»  eeuw  uitg.  door  F.  A.  Snellaert,  bl.  551—638. 

Playerto,  Een  cluyte  van  Playerwater  in  Mnl.  Dram.  Poëzie,  257 — 284  (ook  uitg. 
door  Mertens,  Antw.  1838). 

Praet,  Spieghel  der  Wysheit  of  Leeringhe  der  Zalichede  door  Jan  Praet,  uitg.  door 
J.  H.  Bormans,  1872. 


ALPHABETISCUE   LIJST    DER   VERKORTINGEN    ENZ.  XIX 

Priv.  V.  Briely  Privilegiën,  Octroyen  enz.  van  de  stad  Briele  en  den  lande  van 
Voorn,  in  Alkemade  en  Van  der  Schelling,  Beschrijving  van  de  stad 
Briele,  Dl.  2. 

Froza-Rein,  Prozabewerking  van  den  Reinaert,  Gouda,  1479  bq  Hendrik  Leeu , 
cenig  exemplaar,  berustende  op  de  Koninkl.  Bibliotheek  te   's-Gravenhage. 

Racer,     J.  W.  Racer,  Overijsselsche  Gedenkstukken,  7  st.  1781 — 92. 

Eein,  I.     Van  den  Vos  Reinaerde,  uitg.  door  W.  J.  A.  Jonckbloet,  1857. 

Hein.  II.  Reinaert,  Willem's  gedicht  van  den  Vos  Reinaerde  und  die  Umarbeitung 
und  fortsetsung  Reinaerts  Historie,  herausg.  von  Ernst  Martin  1874. 

Rein.  Bijl.     Bqlagen  tot  den  Reinaert,  in  de  uitgave  van  J.  F.  Willems,  bl.  287  vgg. 

Rdn.  (Proza-)     Zie  Proza-Rein, 

Bek  d,  Buuri.  De  Rekeningen  van  de  kerkmeesters  der  Buurkerk  te  Utrecht  in  de 
15de  eeuw ,  uitg.  door  Ridder  F.  A.  L.  van  Rappard ,  als  3de  deel  der 
Bqdr.  en  Meded.  van  het  Hist.  Genootschap  te  Utrecht. 

Re^,  d,  Plac.  Register  van  de  Placcaten  staende  gheregistreert  inden  derden  Memo- 
riaelboeck  van  Jan  van  Dam ,  eertijts  Griffier  van  den  Hove  van  Hollandt , 
beginnende  a®.  1550. 

Rei,  V.  Gent.  De  Rekeningen  der  stad  Gent,  uitg.  door  de  M**.  «De  taal  is  gansch 
het  Volk  »  te  Gent.     Slechts  1  deel  verschenen  ,  1873—74. 

RöL  d.  Gr,  De  rekeningen  der  Grafelgkheid  van  Holland  onder  het  Henegouwsche 
huis,  uitg.  door  H.  G.  Hamaker  in  Werken  van  het  Hist.  Genootschap  te 
Utrecht.     Nieuwe  Serie  N°.  21 ,  24  en  26. 

Rei.  V.  Zeel,  De  rekeningen  der  Grafelijkheid  van  Zeeland,  uitg.  door  H.  G.  Hamaker , 
ter  zelfder  plaatse.     N.  Serie  N°.  29  en  30. 

Ren.  Renout  van  Montalbaen  (fragmenten)  ,  uitg.  door  J.  C.  Matthes  in  Bibl.  der 
Mnl.  Lett.  1875   (ook  in  Hor.  Belg.  5,  45  vgg.). 

Rincl.  Rinclus ,  Strophisch  Gedicht  door  Gielis  van  Molhem  en  Heinric ,  in  Vader- 
landsch  Museum  3,  225—286. 

Roel,  La  chanson  de  Roncevaux ,  fragments  d^anciennes  rédactions  Thioises ,  uitg. 
door  J.  H.  Bormans ,  1864  (Vg.  Vad.  Mus.  2 ,  38—95). 

Ro9e^  Die  Rosé,  van  Heinric  van  Aken,  met  de  fragmenten  der  tweede  vertaling, 
uitg.  door  E.  Verwijs ,  1868  (ook  [Roêe  C)  in  Kausler's  Denkmaler  3  , 1 — 482). 

RM.  De  sotternie  van  Rubben ,  in  Mnl.  Dram.  Poëzie ,  242 — 256  (ook  in  Hor. 
Belg.  6,  147—156). 

Rumb.  Av.     Angillis,  Rumbeeksche  Avondstonden,  1856. 

Ruusb.  Werken  van  Jan  van  Ruusbroek ,  uitg.  door  J.  David ,  in  Werken  der 
Vlaemsche  Bibliophilen ,  6  dln.  (het  laatste  deel  na  David's  dood  uitg.  door 
F.  A.  Snellaert)  1858—1868. 

R.  V,  Utr.  Rechtsbronnen  der  stad  Utrecht ,  uitg.  door  S.  Muller  Fz.  in  «  Oude 
Vaderlandsche  Rechtsbronnen  »,  2  dln.  1881. 

B.  V,  Zul/.  Rechtsbronnen  der  stad  Zutphen ,  uitg.  t.  a.  p.  door  C.  Pynacker 
Hordflk,  1881. 

Rijmb,     Rijmbijbel  van  Jacob  van  Maerlant ,  uitg.  door  J.  David ,  3  dln.  1858. 

ScicT,  Dit  is  tspel  van  den  Heiligen  Sacramente  vander  Nieuwei^vaert ,  uitg.  door 
E.  Verwijs ,  1867  (Ook  in  Mnl.  Dram.  Poëzie  419  vgg.). 

8al.  Dit  es  van  Saladign,  in  Nederl.  Ged.,  uitg.  door  F.  A.  Snellaert,  539 — 549  (ook 
Belg.  Mus.  6 ,  94  vgg.  en  Kausler ,  Denkm.  3 ,  83  vgg.). 


XX  ALPHABETISCUE   LIJST    DEU   VERKORTINGEN    ENZ. 

Sal,  e.  M,  Dat  Dyalogus  of  twisprakc  tusschen  den  wiscn  coninck  Salomon  ende 
Marcolphus ,  uitg.  der  Bibliophilen ,  1861. 

Scalc  e.  CL  Scalc  ende  Clerc,  fragm.  eener  berqmde  samenspraak  uil  de  13de  eeuw, 
uitg.  door  M.  De  Vries  in  N.  Werken  Letterk.  Dl.  6,  123—186  (ook  in 
Van  Vloten's  Kleine  Gedichten  van  Maerlant  en  Inleiding  op  den  Meiiijn). 

Schaahp,  Hier  beghint  een  suverlyc  boec  vanden  tijtverdrqf  edelre  heren  ende  vrou- 
wen als  van  den  scaecspui  (Mnl.  vertaling  van  het  Lat.  werk  van  De 
Gessoles),  Gouda,  Gheraert  Leeu,  1479. 

Schwarz.  Groot  Placaat-  en  Charterboek  van  Vriesland,  verzameld  door  G.  F.  Baron 
Thoe  Schwarzenberg  en  Hohenlansberg ,  Dl.  1  ,  Leeuwarden  1768. 

Segh.     Seghel^jn  van  Jherusalem ,  uitg.  door  J.  Verdam,  1878. 

Serv.  Sinte  Servatius  Legende  van  Heinric  van  Veldeken,  uitg.  door  J.  H.  Bormans 
in  de  Annales  du  Duché  de  Limbourg,  1858. 

Seven  JF.  Die  Historie  van  die  Seven  wyze  mannen  van  Roemen,  welcke  historie 
boven  maten  schoen  ende  genoechlick  is  om  horen ,  Delf  zonder  jaar  (Exemplaar 
der  Koninkl.  Bibl.  te  's-Gravenhage). 

Sp.  Jacob  van  Maerlant's  Spiegel  Historiael ,  uitg.  door  M.  De  Vries  en  E.  Verwys ,  3  dln. 
1863;  Sp.  II,  2e  Partie,  van  Philip  Utenbroeke,  uitg.  door  F.  von  Hell- 
wald,  met  medewerking  van  M.  De  Vries  en  E.  Verwqs,  1879. 

Sp.  d,  Volc.  Spiegel  der  Volcomenheit ,  Hs.  van  de  Maatsch.  der  Ned.  Lett.  te  Leiden 
(N.  Gat.  n^  340). 

Spieg,  d.  J.  De  Spiegel  der  Jongers  door  Lambertus  Goetman,  1488.  Uitg.  der 
Bibliophilen,  1860. 

I^ieg,  d.  M.  Spiegel  der  Maagden,  Dl.  1  n®.  21  Weespsche  Hss,  op  de  Konink- 
1^'ke  Bibliotheek  te  *s-Gravenhage.  Dl.  1  en  2,  Hss.  van  de  Maatsch.  der 
Ned.  Letterkunde  te  Leiden  (n°.  341  en  42). 

Spr.     Oude  Spreuken  in  Altdeutsche  Blatter  1 ,  74 — 78.  - 

Spreuken ,    Oude  Nederlandsche  Spreuken  en  Spreekwoorden,  uitg.  door  G.  J.  Meyer,  1836. 

Stadir,  V,  Zwol^     De   oudste    Stadsrechten   van  Zwolle,  uitg.  door  G.  J.  Dozy  1867. 

Sternen,  Stemmen  uit  den  Voortijd,  uit  een  viertal  Weepsche  Hss.  verzameld  door 
F.  H.  G.   Van  Iterson,  1857. 

Stoke,     Rqmkroniek  van  Melis  Stoke,  uitg.  door  Balthazar  Huydecoper,  3  dln.  1772. 

Taf,  up  D.  K.  Een  tafelspeelken  om  up  der  dry  coninghen  avond  te  spelen,  in 
Mnl.  Dram.  Poëzie,  285—290  (Ook  Belg.  Mus.  2,  102—106). 

TeesL   Jans  Teesteye,  in  Ned.  Gedichten  der  14e  eeuw,  uitg.  door  F.  A.  Snellaert,  137 — 286. 

T.  en  Letterh,  De  Taal-  en  Letterbode,  onder  redactie  van  E.  Verw\js  en  P.  J. 
Cosqn,  6  dln. 

X  Geb.  {Tien  Geb.)y  Tien  Geboden,  in  Le  Long,  Boekzaal  der  Nederduytsche 
Bijbel,  297—308. 

TkeopL     Theophilus,  uitg.  door  J.  Verdam,  1882. 

TAeopk,  BI.  Theophilus,  gevolgd  door  negen  andere  gedichten,  uitg.  door  Ph. 
Blommaert,  Gent  1858. 

Tien  PI.     Zie  Plagen. 

Torec ,  Jacob  van  Maerlant's  Torec ,  uitg.  door  J.  te  Winkel  in  Bibl.  der  Mnl  Lett. ,  1875 
(ook  in  Lancelot  IH,  23127—26964). 


ALPHABETISCHE   LIJST   DER   VERKORTINGEN    EN3S.  JCXt 

Trayen ,  Episodes  uit  Maerlant's  Historie  van  Troyen ,  uitg.  door  J.  Verdam ,  in  Bibl. 
der  Mnl.  Lett.  (gedeeltelijk  in  OVl.  Ged.  4,  1—56,  2,  73—400  en 
Blommaert's  Theophilus  58—74). 

Troyen  f.^  Handschrift  van  Maerlant's  Hist.  v.  Troyen ,  berustende  in  de  boeker^  van 
den  Graaf  von  Loê  te  Wissen- Weeze  b\j  Gelder. 

Troyen  Vb,  Het  Volksboek  der  Historie  van  Troyen,  ex.  van  de  Koninkl.  Bibl.  te 
's-Gravenhage. 

Truw,  De  sotternie  van  de  Truwanten,  in  Mnl.  Dram.  Poëzie,  240 — 245  (ook  in  Hor. 
Belg.  6,  424—424.) 

Uebers,  Uebersicht  der  niederlandischen  Volksliteratur  alterer  Zeit,  uitg.  d.  F.  J. 
Mone,  4838. 

Vod,  Mii9.  Vaderlandsch  Museum  voor  Nederlandsche  Letterkunde,  Oudheid  en 
Geschiedenis,  uitg.  door  C.  P.  Serrure,  5  dln.,  4855 — 63. 

Val,  e.  N.     Valentyn  ende  Nameloos ,  fragment  in  Altd.  Blatter  4 ,  204 — 206. 

Velth.     Spiegel  Historiael  van  Lodewqk  van  Velthem,  uitg.  door  IsaacleLong,  4747. 

Vergif  De  Borchgravinne  van  Vergi,  in  Blommaert's  OVl.  Ged.  4,  57 — 72  (ook 
afzonderlijk  uitg.  door  S.  Muller  Hz.,  Leiden  4873). 

Verk,  M.  De  verkeerde  Mart^jn,  in  Stroph.  Ged.  vanMaerlant,  uitg.  door  E.  Verwijs, 
77 — 79,  ook  in  Wapene  Martijn,  uitg.  door  E.  Verwijs,  88 — 94,  en  N. 
Werken  Lett.  3^  68—72. 

VerscL     Zie  Bild.   Versch. 

N.   VerscA.     Zie  Bild.  N,   Versch, 

VersL  e,  B,  Verslagen  en  Berigten,  uitg.  door  de  Vereeniging  ter  bevordering  der 
Oude  Nederlandsche  Letterkunde,  5  st.  4844 — 48. 

VI  Verwe  ^  Een  moy  sprake  van  Sesterhande  Verwe,  uitg.  door  W.  Bilderdijk  in 
Nieuwe  Versch.  4,  84 — 90. 

VL  Rijmk,     Rqmkroniek  van  Vlaanderen  uitg.  door  E.  Kausler  in  Denkmaler  Dl.  4. 

Vr,   Heim.     Der     vrouwen    Heimelqcheit ,     dichtwerk    der    44e    eeuw,    uitg.     der 
Bibliophilen. 

Vr.  e.  M,  (Vrouw,  e,  M.)  ^  Van  Vrouwen  ende  van  Minne,  Mnl.  Gedichten  uit  de 
44e  en  45e  eeuw,  uitg.  door  E.  Verwas  in  Bibl.  van  Mnl.  Lett.,  4874. 

V  Vroude7iy  Van  den  V  Vrouden,  in  Stroph.  Ged.  van  Maerlant,  uitg.  door 
E.  Verwiijs,  400 — 402.  (Ook  daar  waar  Claus,  en  JDisp.  \oorkomen ,  z.  Disp.) 

Wal,  Roman  van  Walewein,  door  Penninc  en  Pieter  Vostaert,  uitg.  door  W. 
J.  A.  Jonckbloet,  in  Werken  der  Vereeniging,  2  dln.,  4846. 

V.  d.  Wall ,  Handvesten ,  Privilegiën ,  vqjheden ,  voorregten  enz.  der  stad  Dordrecht , 
uitg.  door  P.  H.  van  de  Wall,  4e  deel,  4770. 

Wap,  M,  Wapene  Mart^'n,  van  Jacob  van  Maerlant,  uitg.  door  E.  Verwas  in  Stro- 
phische  Gedichten  4—76  (Bibl.  van  Mnl.  Lett.)  4879.  Ook  afzonderl. 
uitg.  door  E.  Verwys,  4867,  door  Kausler  in  Denkmaler  2,  644 — 676, 
door  Siegenbeek  in  N.  Werken  Lett.  3» ,  84—436. 

Wap  Eog,  Eene  disputacie  van  Regiere  ende  van  Janne,  in  Kausler's  Denkmaler 
3,  44—82. 

West/r,  Dingt,  Westfriesche  Dingtalen,  medegedeeld  door  J.  A.  Fruin,  in  N. 
Bqdr.  voor  Rechtsgel.  en  Wetg.  N.  Reeks  VL 

Wiel.  Instr,  Instructie  voor  de  stad  Haerlem  ontworpen  door  Philips  Wielant,  uitg. 
door  J.  A,  Fruin,  4874. 


xxn 


ALPHABETISCHE   LIJST   DER   VERKORTINGEN    ENZ. 


Willems  Meng,  J.  F.  Willems,  Mengelingen  van  Vaderlandschen  en  Geschiedkun- 
digen inhoud  Antw.  4827. 

JFint.  e,  S.  Een  abel  spel  van  Winter  ende  van  Somer,  in  Mnl.  Dram.  Poëzie 
246—241.  (Ook  in  Hor.  Belg,  6,  145—146.) 

JFittek,  V,  S,  Wittekind  van  Sassen,  Fragment  d'un  ancien  roman  du  cycle  de 
Charlemagne,  uitg.  door  .1.  H.  Bormans  in  Recueil  de  Bulletins  de  la 
Commission  royale  d'histoire  de  1' Academie  de  Bruxelles,  1848.  T.  14, 
262  vgg. 

V,  d.    Wiven,  Noch  meer  van  den  Wiven,  in  Ned.  Ged. ,  uitg.  door  Snellaert,  276 — 279. 

fFrake,     Het  boek  van  der  Wraken,  in  Ned.  Ged.  uitg.  door  Snellaert,  287 — 491. 

O.  IL  Wond.  Van  Ons  Heren  Wonden,  in  Strophische  Gedichten  enz.  103 — 106. 
Verder  in  dezelfde  werken  als   V  Froud.j  Claus,  en  Dutp,  (z.  ald.) 

Zegenspr,     Zegenspreuken,  in  Altd.  Blatter  2,  268 — 272. 

Ziele  e,  L,  Van  der  Zielen  ende  van  den  Lichame  in  Theophilus,  uitg.  door  Blom- 
maert  {Theoph,  BI.)  38—43;  ook  Belg.  Mus.  2,  57  vgg. 

ZFl,  Bijdr,  Bedragen  tot  de  Oudheidkunde  en  Geschiedenis,  inzonderheid  van 
Zeeuwsch- Vlaanderen ,  uitg.  door  H.  Q.  Janssen  en  J.  H.  van  Dale,  6  dln. 

Ziüijndr.  JF,  Handvesten  en  Oorkonden  betrekkelijk  de  Regtsgeschiedenis  van  den 
Zwjjndrechtschen  Waard,  uitg.  door  D.  W.  Nibbelink,  1860. 


VERKORTINGEN  VAN  GRAMMATICALE  TERMEN,  ENZ. 


aant(eekening) ,  annotaHo. 

aaiit(ooneiide)  wgs,  mdicatimu. 

aany(oegende)  wys,  conj'unetivus. 

aan w(y Eend)  mw. ,  pronomen  demotuirativwm. 

afh(ankeigke)  zin,  j^9ttbordinatió^\ 

afl(eiding),  derioatio. 

ald(aar) ,  ibidem. 

a.,  art.,  artikel,  arüeuhu, 

bedr(gvend)  ww. ,  verbum  activum ,  &anHtivum, 

bet(eekent)  en  bet(eekem8) ,  eignificat  en  tentui. 

betr(ekkel^k)  vnw. ,  pronomen  relaüvum, 

bezitt(eiyk)  vnw. ,  pronomen  posseaimtm, 

bl. ,  bk. ,  bladzgde ,  pagina. 

bnw. ,  byyoegiyk  naamwoord ,  odf'eeHvum. 

byw(oord) ,  adverbittm. 

bv. ,  bg  voorbeeld ,  exempli  gratia, 

deelw(oord) ,  participium. 

enkv. ,  enkelvond,  eingularis. 

ens.,  ensoovoorts,  etcaetera. 

geb(iedende)  w^js,  imperativui. 

lidw(oord),  articulus, 

m. ,  ml.,  manneiyk,  masculinum. 

mv. ,  meervond ,  pluralis. 

nl. ,  nameiyk  ,  scilieet. 

nv. ,  naamval ,  eatiis. 

nw. ,  naamwoord,  nomen. 


onb(epaalde)  wgs,  infiniiivui. 

onpers(ooniyk)  ww. ,  verbum,  impertonale. 

ontk(enning) ,  negatio, 

onz(ydig),  neutrum  en  iniraniitivum. 

overtr(effende)  trap,  tuperlativm, 

per8(ooniyk)  vnw. ,  pronomen  pertonale. 

8amen8t{eUing) ,  eompositio, 

tegw. ,  tegenwoordige  tyd ,  praetens. 

telw(oord) ,  aeffect.  numerale. 

toek(omende)  tgd ,  futurum. 

tn88chenw(erp8el) ,  interjectio. 

nitdr(nkking),  exprettio. 

var(iant) ,  varia  leetio. 

verg(rootende)  trap  ,  eomparativui, 

verklw.,  (verkleinwoord ,  deminutivum. 

verl(eden)  tyd ,  praeteritum. 

vg. ,  Ygg. ,  volgende  ,  sequent ,  iequentia. 

vgl.,  verg.,  vergeiyk,  eonferatur, 

vnw. ,  voornaamwoord ,  pronomen, 

voegw(oord) ,  conjunctio, 

voorz(et8el) ,  praepoiitio, 

vrag(end)  vnw. ,  pronomen  interrogativnm, 

VT. ,  vronweiyk ,  femiiwnum, 

wederk(eerig) ,  refiexivum. 

WW. ,  werkwoord ,  verbum. 

znw. ,  zelfstandig  naamwoord ,  tubstantimm. 


~X»  Jl.« 


A  9  de  eerste  letter  van  het  mnl.  alphabet,  vg. 
De  Vries,  Mnl.  Wdb.  1 — 5.  —  In Geldersche oor- 
konden vindt  men  meermalen  de  a  voor  zuiver 
mnl.  o,  b.  V.  apenèaer^  aver  {over) ^  avet  {pof f)^  enz. 
▼g.  TVoyen  bl.  38  vg.  en  Lubben,  Mnd.  Gramm, 
§  15. —  Als  benaming  van  het  letterteeken  is  A 
vr.  als  by  ons,  b.  v.  Lap.  II,  24,  79;  Sp.  I', 
88,  11  en  17;  Vod.  Mut.  1,  364,81.— ^.^.  of  ^. 
B.  C,j  benaming  van  het  alphabet,  onz.  ||  Ene 
bedinge  op  den  A.  B.,  Vod.  Mtu.  2,  406.  Na 
dordine  van  den  A.  B.  C.,  Nat  BL  UI,  88.  Van 
der  eerster  (letter)  die  Alpha  heet  tote  Thau ,  daer 
dat  A.  B.  C.  uutgeet ,  Ltp,  II ,  24 ,  66.  Zoo  ook 
Amand  II,  6368,  6377,  Natuurk.  119. 
A-,  voorvoegsel.  Zie  Awech. 
AASIEN.  Zie  AsiEN. 

ABABIJS,  bnw.  Ofr.  abauhi^  verl.  deelw.  van 
I  b  a  u  b  i  r ,  ééonner ,  turpretidre ,  effrayer ,  afgeleid  van 
Snuhe  {haïbé)^  lat.  balbut,  it  balèo  (Burguy  2, 
17;  Duc.  7,  2<?;  Roquef.  1,  6;  La  Cume  1,  9), 
I200  stamelende  van  verbeumg  of  tchriky  versla- 
en^  geheel  en  al  van  zijn  stuk  gebracht.  Verg.  Teba- 
EERT  en  Verbabeert.  I)  Daer  mochte  men  sien 
en  stare  pongij s  ende  meneghen  Tnrc  ababijs  van 
ien  kerstinen  die  daer  waren,  Parth.  6689. 

ABASSEREN,  zw.  ww.  bedr.  Fr.  abaisser 
Littré  1,6),  it.  abbassare.  Neder  slaan ,  naar  beneden 
laan,  omslaan.  ||  Die  mantel  was. . . .  ghe voedert 
iet  erminen  ghevisiert,  boven  met  eenre  cappen 
;licabas8eert ,  Fersl.  en  Ber.  IV,  63,  272. 

ABATEMENT,    znw.    onz.    Voor  het   gewone 

Ssbatement  (zie  ald.).  Tooneelvertooning.    \\  Up 

ten    Groot- vastenavond  verteert  bi  den  heere,  bi 

Ier    wet   ende  andren  vergadert  zijnde  omme   de 

)ckeeringhe   te   zien   spelene   van   den  Raddere , 

.    want  costume  es,  dat  men  up  dien  dag  verga- 

lert    omme  dabatemente   te   ziene.    Vod.  Mus.  6, 

19.     Omme    dabattementen  te   zien   spelene,    30. 

Dm       ghenouchlicheit     van     habatementen     ende 

lezelrie  te  hantieme,   31.  Zoe  wanneer  zy  zullen 

ibatamenten   proeven ,   Hermans ,    Gesch.  d.  Reder. 

)26. 

ABATEMENTEN ,  zw.  ww.  onz.  Voor  het  gewone 
Bsbatementeu  (zie  ald.).  Tooneelvertooningen  geven, 
toanee lepelen.  \\  Jonghe  ghezellen  van  Rousselare, 
il  e  omme  prijs  te  winnene  quamen  abatementen , 
F^ad.   Mus.  6,  41. 

ABBEDESSE  (abedesse),  znw.  vr.  Lat.  abba- 
Htsa;  mnd,  abbadisse.  Voor  het  gewone  abdis  se, 
a6dis.   Sp.  III",  21,  68  en  77;  enz. 

ABBET,  znw.   m.  Oudere  vorm  voor  abt,  l^t. 

abèas  1   -atis]  mnd.  abbet,  eng.  abbot.  Ver»,  AbOT. 

II    Die   abbet;   up   tsabbets  zeggen;  des  sbbetSf 


Fad.  Mus.  1,  290;  2,  366  vlgg.  passim;  enz.  ■— 
De  verkorte  vorm  abt  heeft  somtijds  het  mv.  abde ,  als 
Velth.  V,  2,  32;  Teest  3308;  Ruusbr.  6,  148, 
Tijdschr.  1,  282;  of,  naar  de  zwakke  buiging, 
abden,  als  Sp.  III>,  45,  21;  IV»,  33,  69.  Doch 
elders  veelal  abte,  abten^ 

ABBIE,  znw.  vr.  Verg.  fr.  abbaye.  Voor  het 
gewone  abdie,  abdij.  \\  Die  wassen  kaersen, 
die  mgn  heer  o£ferde  in  6  abbien,  in  elc  abbie 
sijn  gewichte,  dat  beliep  1000  pont  was,  Rek.  d. 
Graf.  3,  129. 

ABEDESSE.  Zie  Abbedesse. 

ABEDIE,  znw.  vr.  Lat.  abbatia\  mnd.  abbedie, 
abedie.  Voor  het  gewone  abdie,  abdij.  \\  Ene 
abedie,  Lanc.  II,  11373.  Tere  abedien  van  witten 
nonnen ,  8190.  Tere  witter  abedien ,  2941 ;  enz. 

ABEL  (habel),  bnw.  Lat.  habilis]  ofr.  i^le 
(Roquef.  1,  6;  La  Curne  1,  17);  eng.  able. 

1)  Geschikt,  behoaam,  ervaren.  ||  Die  abstinencie 
es  80  goet,  dat  soe  abel  maect  den  moet  ter 
graden  divine,  Wap.  Rog.  1726.  Daer  toe  es  een 
mensce  gereet  ende  abel  noch,  Zimb.  XI,  371. 
Noyt  vrou  en  leefde  opter  aerden  so  able,  Mar.  v. 
Nijm.  9,  196.  By  sulken  persoine  dair  toe  nut 
ende  abel,  alst  hen  goet  duncken  sal,  V.  d.  Wall 
616  {a  1431).  Die  jongelinc  die  ghewoen  was  ter 
vleyslicheyt  ende  noch  niet  abelen  was  tergheeste- 
licheyt,  Fass.  W.  32  b.  Hi  formeerde  sine  ghe- 
dachten  dat  hy  wesen  soude  abel  "ter  verstande- 
nisse,  228  c.  Bet  gescict  ende  habelre  ten  dienste 
Goods,  Matth.  70.  Enen  abelen  besochten  meester 
cyrurgijn,  92.  Die  taelman  sal  wesen  habel  van 
sinne,  101.  Een  abel,  geradich  man,  ald.  (Een 
rechter  moet  zijn)  abel  ende  cuysch  van  gehoude, 
39.  Dan  ghesuvert  {dat  bloet)  dat  verlicht  alle 
dat  lichaem  ende  maect  die  moeder  abel  totter 
ontfangenis,  Barth.  84  a. 

2)  Handig ,  behendig.  \\  Die  heefmoeder  sal  te  hant 
die  hant  wederkeeren  abel,  Vr.  Heim.  866.  Mit 
list  ende  abelen  dingen,  Mloep  II ,  2481 ;  verg.  vs. 
2477:  „List  ende  behendige  zaken."  Noyt  en  was 
beeldemaker  also  abel,  Spieg.  d.  Volc.  f.  23.  Sere 
abel  ende  apertich,  Brab.  T.   V,  3869  var.  enz 

3)  Schoon,  hupsch,  bevallig.  ||  Dese  scone,  dese 
abele,  was  geatsameert  van  sabele,  O VI.  Lied.  2 
37.  Amon  was  een  abel  jonge,  rijc,  edel  ende 
van  huefscher  tonge,  Mloep  II,  3923  var.  Desen 
rude  ende  desen  abel,  Wap.  Rog.  1460.  Moey 
sijn,  scone,  rike  of  abel,  1664.  Het  en  was  nye 
abelre  creatuer  ghemaect  van  der  hant  Qo<is,  Ned. 
Prosa  319.  —  Abel  spel,  schoon  spel,  de  ge- 
wone benaming  van  een  ernstig  tooneelspel  of 
drama,    in  tegenstelling  van   do  sotternie   of  sotte 

1 


ABEL. 


ABIE. 


elutê.  ii  Een  abel  spel  van  Esmoreit  .  .  enile  one 
sotternie  daer  na  volghcntle.  —  Zie  in  Mnl.  Dram. 
Poëzie  de  opschriften  op  bl.  1,  75,  141,  216.  — 
Ook  versterkt  door  de  part.  in  :  inabel,  door 
en  door  ichoon.  ||  Die  mi  mitten  panser  sijnre 
volcomenre  kunst  soe  inabel  geformt  hadde,  dat 
ie  sonder  ghebrec  was,  Ned.  Proza  319. 

ABELHEIT,  «nw.  st.  vr.,  en  —  iiKpE ,  zw.  vr. 
Zie  Adel. 

1)  Geschiktheid^  bektoaamheid ^  ertarenheid.  ||  Du 
en  sulste  niet  alleen  kunste  hebben  endc  abelheit, 
Clerc  28.  Dat  der  abelheit  van  enen  clerc  toebehoirt , 
Matth.  74.  Abelheit  ende  conste,  72.  Promethus,  die 
hilt  oec  die  eerste  scoel  op ,  ende  leerde  den  kinderen 
menigherande  conste  als  ontwerpen,  Icsen  ende 
ander  veel  abelheit,  Ned.  Proza  124.  Nochtan  en 
verghinc  die  liefde  niet  na  abelheit  der  sielen, 
Ruusbr.  5,  233.  Ghelijc  dat  eens  menschen  wijs- 
heyt  drie  dinghen  sijn,  dat  is  die  abelheyt,  die 
memorie  ende  der  (/.  die)  verstandenisse ,  P<m*.  W.  37 
d.  Een  subtijl  dichter  .  . ,  die  overmits  sonderlinghe 
abelheit  van  veersen  te  maken,  .  .  .  een  coninc 
der  veersen  was  gheheten,  Hê.  88,/.  16  d. 

2)  Schoonheid^  bevalligheid.  \\  Si  draget  van  abel- 
heiaen  een  rijs  boven  alle  Vrouwen  die  ie  nie  sach , 
Olor,  300.  Der  swarter  abelheit  es  so  smal,  Wap. 
Rog.  1109. 

ABELIJC,  'like^  bnw.  Schoon ,  bevallig.  Zie  Abkl. 
Ij  Met  siere  baniere,  die  abelic  was  ende  diere, 
Gnmh.  I,  3622. 

ABELIKE  (Abelic),  biiw. 

1)  Op  eene  kundige.,  behendige^  slimme  wijze ^ 
knapy  netjes.  )|  P.  Waer  es  u  man  dan?  H^.  Dien 
heb  ie  al  te  abelic  verseynt ,  Plat/erto.  206.  Ie  salter 
u  inbrengen  .  .  .  Alte  abelic,  153.  Maer  nu  zijn 
wi  abelic  alle  b$yde  vercleet,  ons  en  kent  nu  nauwe 
een  mugghe,  Boom  d.  Scr.  14,  279.  Wysseliken 
ende  abeliken,  Matth.  70. 

2)  Op  eene  schoone ,  bevallige  wijze ,  mooi  , 
netjes.  \\  Een  verdeck  van  sijde,  half  swart,  half 
peersch  seer  abelicken  ghestoffeirt,  Versl.  en  Ber. 
IV,  ÖO. 

ABELMAKINGE ,  znw.  vr.  Zie  Abel.  Het  ge- 
schikt maken]  de  voltooiing  ^volmaking.  ||  Die  eerste 
vrucht  {van  d-istns  opvaert)  is  abelniakinge  der 
luinnen,  als  sinte  Jan  seyt  in  dat  euangelie:  „En 
gae  ie  niet  wech,  die  troester  en  sel  niet  comen 
tot  u;  mer  gae  ie  wech,  soe  sel  ie  hem  seynden 
tot  u,  Pass.  S.  3ötf. 

ABETE,  znw.  onz.;  van  A  en  gr.  ^^ra,  bèta. 
Het  ABC^  het  alphabet.  \\  Dat  men  die  Icttren 
onderkint  van  der  eerster,  die  Alpha  hiet,  tote 
daer  tAbete  uuttiet,  Lsp.  II,  24,  ö4  (hs.  I). 

ABETIJT  (Abbetijt),  znw.  m.  Verbasterde  vorm 
van  appetijt  y  lat.  appetitiis. 

1)  Litsty  zin.  II  Kedene,  eere  ende  werdicheit 
daer  hadde  dat  beildc  toe  bereit  nerenstelijc  zijn 
abetijt,  OVl.  Lied.  en  Ged.  463,  196. 

2)  Eetlust.  II  Oec  maectet  goeden  abetijt,  ist 
datment  in  somer  tijt  sijn  pulver  werpt  op  die 
spise,  Nat.  Bl.  IX,  171  var.  {van  het  kaneel),  ^e^e 
in  soute  ende  in  aisijn  so  makensi  abbetiit  ter  cure , 
IX,  291.  Sijn  pulver  in  spisen  gefrijt  dat  maect 
goeden  abetijt,  X,  692  var. 

ABY ,  znw.  m.  Misschien  gevormd  naar  het  Ofr. 
abbeiy  abeiy  abt  (Roquefort  1,  ö),  als  titel  der 
geestelijkheid.  ||  Si  sueken  oec  daer  by,  datmense 
heete  aby,  ende  grotelike  groete  op  die  strate, 
JTrake  IlI,  1647.  Er  wordt  hier  gedoeld  op  J/ijr/M. 
32,  7:  „Amant  .  .  .  salutationes  in  foro,etvoc^ri 
ba  hominibus  B^tbbi.''-  Het  is  dus  mogelijk,  dat  alg , 


ten  gevolge  der  gel^kheid  van  klank ,  door  een  af* 
schryver  in  de  plaats  van  Rabbi  gesteld  is. 

ABIEGNE,  bnw.  Lat.  abiegnns.  Abiegnehont, 
d^nnenhont.  \\  In  cedrenhoute  ende  abiegne  .  .  . 
Dus  leverde  Hyram  Salomon  cedrenhoute  eade 
abiegnehout,  D.  B.  I  Kon.  5,  8  en  10. 

ABIJT  (HABIJT),  'bite,  znw.  onz.  YT.habityiixi 
lat.  habitits.  De  ongeadspireerde  vorm  was  de  gewone. 

1)  Kleed y  in  ^t  algemeen.  ||  Clerc  no  moneke, 
ridders,  poriers  no  canoneke,  so  wat  abite  dat  si 
dragen,  Rosé,  fr.  bl.  251,  186.  Ten  leste  qnam 
die  vrouwe  schoen  mit  rycken  abiit  toegemaect, 
3£loep  1 ,  29.54.  Die  lichame ,  der  saleger  siele  abijt 
bequame ,  Wap.  Rog.  743.  Die  bisscops  abide  (1.  abite) 
hadde  an.  Wrake  III,  792.  Keiseriyc  abgt,  Edew. 
364.  Coninclyc  abijt,  Sp.  IV»,  47  ,  61.  Ridders  tbgt, 
Ferg.  1013.  Ridderlyc  abyt,  Sp  IIP,  29,6;Hild. 
26 ,  105.  Weerlijc  abijt ,  Teest.  2203.  Dat  leec  abijt , 
Franc.  200.  Met  wedewen  abite,  Fl.  Rijmkr.  1050. 
Dit  ertsche  abijt,  Lanc.  III,  4651.  Zoo  ook  Theopk. 
822,  Melib.  3204,  enz. 

2)  In  H  by  zonder  kloosterkleed  ^  ordekleed.  ||Int 
cloester,  daer  si  droech  abijt,  ^«a/r.  28.  De  werelt 
wart  hem  ommare,  ende  heeft  hem  met  Fransoyse 
begeven  in  syn  abüt  ende  syn  leven.  Franc,  l^b'i. 
Men  seget  dat  hi  daer  naer  in  den  cloester  dabgt 
andede,  Amand  II,  5001.  Als  ^aer  uut  es,  des 
seker  syt,  ende  si  draghen  gaen  dabyt,  Vad.Mus. 

I ,  82 ,  28  {van  den  convente).  Roe ,  abgt  ende  solen 
ende  corde ,  Christ.  59.  Eens  minderbroeders  abyt , 
Franc.  8258.  Fransoisen  abyt,  9711.  tAbyt  nemen 
of  ontfaen,  zich  in  eene  geestelijke  orde  begeven^ 
Amand  I,  4958,  4965.   Monics  abyt  ontfaen,  Lsp. 

II,  48,  1063.  Moencs  abyt  andoen,  Brab.  Y.  IV, 
1124.  Liede  of  volc  van  geesteliken  abite,  Lsp.l, 
25,  95;  Teest.  3401.  Moneke  van  alderhande  abite , 
Heelu  8826.  In  nonnen  abite,  Sp.  IV',  63,  20. 
Oetmoedich  abyt,  Rosé  11085,  11089.  Grau  abyt, 
Beatr.  1027 ;  Truv^.  86.  Menech  monec  van  scarpen 
abite,  van  eene  strenge  kloosterorde ,  Nat.  Bl.  III, 
1938.  Dat  abyt  der  religiën,  Stemmen  17. 

3)  Kleed y  overdrachtelyk  voor  uitwendig  voor- 
komen ^  uiterlijk.  \\  Daer  niemen  en  sal  bliven  quite 
no  bi  ghelate,  no  bi  abite;  daer  doble  pine  selen 
doghen,  die  hem  sempel  buten  toghen,  Theoph.  821. 
Hudt  u  vor  de  valsche  profeten,  die  comen  tn  in 
abite  van  simpelheiden,  mar  binnen  synt  gripende 
wolve,  L.  V.  J.  c.  49.  Enen  bouc  in  den  selven 
abite,  Sp.  III>,  9,  21. 

Aanm.  —  Alex.  VII,  1198,  waar  het  Hs.  heeft 
bi  abiten,  heeft  de  Var.  uit  het  Hs.  der  Hist.  r. 
Troijen  de  ware  lezing,  nl.  met  vlite. 

ABYS  (abis,  ABissi:),  znw.  onz.  Lat.  ahyssu*  ^ 
van  gr.  oi^vaaog,  Afgrond ^  grondelooze  diepte.  \\ 
Dat  ie  minen  vrient  moet  ontliven,  oft  latic  dat 
achterbliven ,  dat  ie  in  abissen  vare,  Sp.  II*,  57, 
66.  Ie  bin  verzwolgen  in  sinen  mont,  in  een  abys 
al  sonder  gront,  Vad.  Mm.  3,  7,  81.  Thomas 
ludet  alsoe  vele  alse  een  abis,  Ruusbr.  1,  213. 
Versinken  in  dat  abys  synre  genaden,  3,  140. 
In  dat  abys  synre  grondeloser  minnen,  218. 
Een  grondeloes  abys  (abis),  2,  240,5,  37  en  llKi. 
Hieromme  ginck  hy  {Judas)  alzo  liegen.  .  .  Ende 
es  versoncken  in  abisse,  in  de  hel^  Merl.  1336. 

ABITEREN  en  ABITUEREN  (habitueren)  ; 
zw.  WW.  Het  eerste  rechtstreeks  afgeleid  yzxiabiji 
fr.  habii\  het  tweede  ontleend  aan  m\dX.  habitiiare  ^ 
(Duc.  3,  608),  ofr.  habitue^r  (Roquef.  1,  728)  van 
lat.  habitus y  met  behoud  der  u  van  de  4de  deel. 
II  Ryckelyck  gehabitueert ,  r/ir.  geabiteert ,  if/o^ 
II,  1394. 


ABOL. 


ABRE. 


6 


ABOLGE ,  zuw.  vr.,  in  lateren  vonn  ook  abolch  , 
m.  Ohd.  abulgi'^  mhd.  abidge\  ags.  ww.  abelgan^ 
irasci  (Ettm.  282),  Van  het  voorvoegsel  «-,  met 
intensieve  kracht ,  en  het  ww.  belgen  {balch^gebolgen). 
Verbolgenheid  ^  grarmcha'p^  toorn  \  meestal  van  Gods 
toorn  gezegd.  ||  God  wille  ontfermens  niet  verghe- 
ten,  maer  hl  wille  na  sine  abolghe  dat  ontfarmec- 
hede  volghe,  Mcak,  1184.  God  en  wille  sijn  abolge , 
mits  sire  ontfermhertichede ,  keren  van  der  men- 
schede.  Edew,  52.  Alexander,  doe  hi  trac  ende  Gods 
abolge  wrac ,  Lsp.  1 ,  48 ,  123.  So  dat  God  al  vergaf 
ende  sine  abolge  dede  af ,  1 ,  29 ,  29,  var.  H.  (teksths. 
verbolgentheit ^  I  gramscap).  Dat  mijns  Soens  abolge 
daer  met  raste  ende  blive,  Lutg.  II,  84.  Dat  si, 
met  hare  pineu  ende  met  haren  tranen,  algader 
sond  sinken  doen  die  abolge  sijns  Vader,  11,325. 
Dat  gi  mijn  abolge  van  hen  keert,  II,  496.  Gi 
selt  .  .  mijns  vaders  abolge  .  .  keren,  II,  1712. 
Dat  God  .  .  sijn  abolge  moet  laten  sinken,  ende 
sier  ontfaermhertechheit  moet  gedinken,  Chrut. 
988 — 92.  Daer  bi  sonde  bina  al  der  kerstenheide 
saen  Gods  abolge  met  groter  wraken  aengaen,  1697. 
Als  Gode  niet  en  willen  wiken  die  erdsche  creatu- 
ren ,  80  doet  hi  sine  abolge  striken  beide  ten  armen 
ende  ten  riken,  Vad,  Mus.  4,  66,  154.  Hoe  God 
in  hemelrike  sijn  abolge  keerde  openbaer  op  Lnci- 
ferre  ,  67 ,  174.  Om  die  abolge  Gods  groet, 
Velth.  I,  16,  12.  Dat  doepsel  .  .  daer  men  mede 
afdwaet  die  abolge  .  .  die  verdiende  ouse  yrste 
vader ,  Teest.  1869.  Wie  w^jsde  u  te  vliene  van  der 
toecomender  abolgen  ?  L.  p.  /.  c.  22.  De  Gods  abolge 
sal  bliven  op  hem,  e.  32.  Ene  grote  geecele  ende 
abolge  sal  comen  over  al  dat  volc,  c.  196.  Dusalt 
breken  den  bant  Adaems ,  ende  selt  aveleggen  den 
abolge  dyns  vaders,  Hê.  bij  Bormans  op  CAritt.blAS9. 
-^  Ook  van  de  gramschap  der  booze  geesten.  || 
Ie  kenne  der  dnvele  abolge  wale,  7st.  BI.  1802. 
—  Van  menschelijken  toorn  gezegd,  als  billyke 
verontwaardiging.  ||  Dien  abolch  ontsiende  nter- 
maten  haers  heeren  shertogen ,  ^ra A.  T.  VII,  17310. 
Omme  dat  hare  genadege  here  ende  vrouwe  hare 
abolge  keren  selen  van  haerre  goeder  stat,  Brab. 
r.  Dl.  II,  bl.  677.  —  Bij  latere  schrijvers  ook  in 
kwaden  zin  van  menschelijke  gramschap  als  harts- 
tocht. 11  Toren  ende  abolge  doen  den  mensche 
scelden  ende  vloeken,  Ruusbr.  2,  9.  Sachtmoe- 
dicheit,  die  alle  dinc  effene  ende  sonder  abolge 
dreecht,  164.  Kynder  der  abolgen,  3,  170.  Over- 
moedicheit,  toem  ende  abolge,  256. 

=  Van  abolge  is  een  bnw.  abolgich  afgeleid ,  dat 
mnl.  niet  schynt  voor  te  komen,  maar  in  de 
latere  volkstaal  bekend  is  onder  den  vorm  oubollich. 
Zie  Kil.  op  Ou-bolghigh  en  Ou-bolligh, 
en  verg.  Oudem.  5,  1  en  478. 

ABOT,  znw.  m. ,  voor  het  gewone  abt,  lat. 
abbat^  -atisy  eng.  abbot.  Verg.  Abbet.  ||  Abot  in 
eenen  goeden  abdie,  Bote  {C.)  8236. 

ABEEIJE,  znw.  vr.  KoppeUiartter ^  eene  vrouv 
die  aan  meisjes  schuilplaats  verleent  voor  ongeoor- 
'loofden  minnehandel^  fr.  maquerelle.  Vg.  Abreiscap. 
Van  ofr.  abiHer^  protéger,  défendre,  mettreirabri 
(Roquef.  1,  9,  La  Cume  1,  28);  prov.  abriar 
(Rayn.  2,  17);  vanwaar  nog  fr.  om/,  netzelfde  als 
maquereau ,  koppelaar.  Over  de  merkwaardige  over- 
eenkomst van  fr.  ftvril  en  maquereau^  beide  in 
de  beteekenis  van  koppelaar  en  als  benaming  van 
den  visch  makreel^  zie  De  Vries,  MnL  Wdb.  9.  || 
Als  dat  die  quade  abreje  horde,  si  was  blide  van 
dien  worde,  Rose^  bl.  254,  36. 

ABREISCAP,  'seape^  -seepe,  znw.  vr.,  ^*  ^sCEP^i 
vr.    Koppelarij,    fr.    maquerellage.    Z[^     /*^fi%li^' 


Een  woord  inzonderheid  in  West- Vlaanderen ,  in 
't  Vrije  van  Brugge,  gebruikelijk.  ||  Van  moordade, 
reeroove,  vrauwencrachte ,  moordbrande,  dieften, 
tassemente ,  valschen  teerlincspele ,  onredelicker 
wandelinghe,  pilichede,  putierscepe,  abreyscepe, 
onnutscepe  ende  lazarien ,  Cout.  v.  Brugge  1 ,  498 
(a.  1426) ;  verg.  501.  Van  onredelicker  wandelinghe, 
pilichede ,  putierscepe ,  abreyscepe  ,  onnutscepe , 
zullen  zy  bannen  als  boven,  also  langhe  als 
scepenen  goed  dincken  zal,  500;  verg,  502.  Item 
rappel  de  Catherine  dou  Dain,  bannie  (t  six  ans 
par  Ie  loy  dé  Bruges,  pour  Abreyscep.  —  Item 
rappel  de  Tde  d^  U  Dilfty  bannie  par  Ie  log  de 
Brnges  h  six  ans,  pour  cause  d-e  Abreiscep,  Oork. 
in  de  Rekenkamer  te  Rijsel,  bij  Duc.  1,  2Sa. 

ABREUSC,  bnw.,  in  de  uitdrukking  Abreusc 
gout,  fijn^  zuiver,  gelouterd  goud,  lat.  aurum 
obrgzum,  ook  in  den  vorm  abrigeum  bekend.  Zie 
Duc.  op  Obrgzum,  gr.  o^qv^ov.  Aldus  genoemd 
naar  het  lat.  obrussa,  de  vuurproef  van  het 
goud.  II  In  die  camere . .  die  van  abreuscen  goude 
was  claer,  stonden  die  edele  twaelf  st^ne,  Troyen 
5412  {Ovl.  Ged.  1,  49,  544).  De  variant  in 
den  tekst  heeft  ebreusc,  en  bij  Benoft  leest 
men  Pors  d'Jrraibe,  Arabisch  goud.  Misschien 
heeft  de  dichter  met  ebreitsc  (abreusc)  gout  niet 
anders  dan  goud  uit  het  Oosten  willen  aanduiden. 
ABSCONSE,  znw.  vr.  Lat.  absconsa,  bij  Duc. 
(1 ,  30) :  „  caeca  Interna ,  qua  monachi  ut  plurimum 
utuntur  in  obeundis  dormitoriis*\  Ofir.  absconse,  es- 
conse,  lantame  «OMr^^  (Roquef.  1, 10  en  105;  La  Cume 
1,  29).  Slonsje,  dievenlantaarn ,  van  voren  licht 
gevenae  en  van  achteren  gesloten.  ||  Donderprioor 
gaet  ende  besiet  met  eere  absconsen  ende  sochten 
ginder,  Sp.  V ,  88,  22. —  Ook  genoemd  in  deHat- 
temsche  Rekeningen  {Des  Hertogs  huis  te  Hattem), 
bij  Fruin,  Bijdr.  N.  R.  9,  19:  „Twee  absconsen 
daar  die  wachters  des  nachts  mede  omgingen*\ 

ABSOLUTIE,  znw.  vr.  Absolutie,  vergeving  van 
zonden.  Ook  in  de  uitdrukking  Absolutie  riden 
naar  de  eene  of  andere  plaats  rijden  om  er  ver- 
geving van  zonden  te  bekomen.  Verg.  de  uitdrukking 
Bed-evaert  riden'.  Zie  Bedevaert.  ||  Item  bi  mijns 
heren  besloten  brieve  den  grille  een  paert  mede 
te  copen,  om  absolutie  mede  te  riden  tot  Avenioen 
Rek.  d.  Graf.  2,  187. 

ABUUS,  -use,  znw.  onz.  Fr.  aJfus,  van  lat. 
abitsM,  eig.  misbruik  van  iemands  lichtgeloovigheid, 
en,  bij  uitbreiding,  in  concrete  opvatting: 

1)  Vreemde,  wonderlijke  zaak.  \\  Te  hem  een 
wolfinne  quam,  diese  zoochde  ende  hielt  te  live: 
dit  es  abuus  dat  ie  hier  scrive,  Lsp.  I,  42,  160 
(hs.  I.  Teksths.  toonder).  In  dese  beroerte  . .  ge- 
sciede  in  Vlaender  te  meneger  stede  menich  won- 
derlij  c  abuus,  VI.  Rijmkr.  8511.  Nochtan  so  ge- 
sciede  int  lant  groet  abuus  ende  vremde  saken , 
9034.  Doen  sagic  dat  mi  dochte  abuus.  O  VI.  Ged. 
2,  108,  194.  Jaet,  het  dunct  mi  een  vri  abuus 
steinen  cruken  binden  ende  melcteilen!  Buskenbl. 
32.  En  hoorde  myn  dage  noyt  vremder  abuus, 
Blisc.  V.  M.  1656.  Hoert  hier  abuus,  Brab.  T.  VI 
1557.  Nu  hoort  abuus,  4608.  Ay,  hoor  van  desen 
abuse,  O  VI.  Lied  en  Ged.  155,  42.  Dits  ommers 
abuus!  dat  is  al  heel  raar,  Belg.  Mus.  6,  63, 
verg.  eenige  verzen  vroeger:  Payt  een  ander  met 
'Sulc  een  ducht!'''* —  Wegens  de  altijd  min  of  meer 
•ruime  beteekenis  der  bastaardwoorden  kon  een 
vreemde  zaak,  die  iemand  verbaast  en  verwart, 
"ook  den  zin  krijgen  van  verwarring,  boel,  als 
Brab.  T.  VI,  7194:  „Her  Jan  Platvoet,  die  in 
desen  groten  abuse  eeneu  sciitter  sach." 


ACCE. 


ACHE. 


8 


^l).Fopperij y  beélrog ^  als  in  ïv.abuier.  \\  Bi  seute  ^ 
Jan!  ie  aal  haer  dit  abuus  noch  tavout  tuugoede  1 
msikenf  Lippijn  58. —  Abuus  maken  van  e ueu,  ; 
iemand  voor  den  gek  houden^  met  hem  gekken  of  \ 
tollen^  hem  ale  speelbal  gebruiken.  ||  Dus  maken  I 
sy  van  hem  haer  abuus ,  also  die  catte  doet  metter  | 
mnos,  OFl.  Lied  en  Ged.  356,  1225. 

=  Het  latere  abuis  in  den  zin  van  vergissing  (reeds 
Èoerd.  I.  67)  en  abuis!  voor  mis!  is  slechts  eene 
gewijzigde  opvatting,  evenals  abuis  in  de  betee- 
kenis  van  verwarring.  Het  wonderlijke  geeft  vaak  het 
denkbeeld  dat  iets  in  de  war  ^  verkeerd  of  mis  is. 
ACCES,  znw.  m.,  van  lat.  accessus.  Medische 
term.  JSen  aanval  eener  ziekte ,  vooral  van  koorts , 
het  opkomen  der  koorts.  ||  Hets  properlike  goct 
iegen  vierdachcorts  in  de  wile  voer  den  acces, 
Hs.  Yp.  15  a.  Men  «aelt  geven  een  wile  vore 
den  acces,  ald.  b. 

ACCESSIE,  znw.  vr.  Hetzelfde  als    acces  ^  lat. 
aeeessio.    \\    So  en  ware  die  phisisiin  niet  sculdech 
tontbeidene   die    3    of    die    4  accessie,    Hs.    Yp. 
56  b.   In   sine   accessie,    ald.    Zie   ook    Ondern. 
—  Aldus  leze  men  ook  voor  altesie^  Hs.  Yp.  56  a. 
II  Gaet  de  corts  aldus  niet  wech ,  so  digereert  die 
materie  . .  achter  die  4  altesie. 
ACEMIEBEN.    Zie  achemieren. 
ACH,    het    gewone  tusschenwerpsel ,   doch   als 
znw.  gebruikt  in  de  bet.  geween^ gejammer.  \\  Daer 
{bij  haar  dood)  en  was  no  ach  no  wach  no  daghen 
noch  hantgeslach,  Sp.  III»,  28,  47.  —  Tot  in  de 
18de    eeuw    kende    men    de    uitdr.  ach  noch  wach 
zeggen  (Ndl.  Wdb.  1,  614). 

ACHARME,  ACHAERME,  ACHERME ,  ACH  ARM 
enz.  Zie  Arm  bnw. 
ACHATES.  Zie  Acaet. 

ACHDAGE,  samenkoppeling  van  acht  dage, 
waarvoor  men  ook  met  verscherpte  consonant  vindt 
achtage.  ||  Dat  huus  .  .  te  verwaren  tote 
achdagen  voer  onser  Vrouwen  dach.  Mieris  2, 
351  a.  {a.  1325).  Binnen  den  eersten  achtaghen , 
dat  die  pape  gheclaghet  hevet,  212^  {a  1319). 

ACHDE,  bnw.,  Serv.  I,  3167,  voor  het  gewone 
Achte,   achtste.  Zie  ald. 

ACHELEN  (achoelen),  zw.  ww.  onpers. ,  voor 
hagelen,  met  regelmatige  verscherping  der  keel- 
letter  vóór  de  /,  en  Ylaamsche  weglating  der 
aspiratie.  S^.  I»,  33,  20  (hs.).  Agelen,  ald.  I», 
56,  32  (hs.). 

ACHEMANT  (aetsemant),  bnw.  Ofr.  aches- 
mant.  Zie  by  Achemeren.  Bevallig ^  aanminnig, 
fraai  van  uiterlijk,  zoowel  door  eigen  schoon  als 
door  kleeding;  veelal  van  ridders  en  jonkvrouwen 
gezegd.  II  Die  voren  quam  sere  achemant,  scilt 
an  den  hals,  spere  in  die  hant,  Lanc.  II,  10367. 
Wel  fl^epareert  ende  achemant,  II,  13733.  Hovesch, 
cuusch,  van  sconen  seden,  sere  behagel  ende 
achemant,  Vrouw.  e.  M.  1 ,  3.  Van  der  outster 
dochter  achemant  des  derden  Jans  van  Brabant, 
Brab.  Y.  VI,  505.  Hertoghe  Jan,  die  edel  heere, 
in  sijnre  gheselscap  achemant,  VII,  8702.  Vrien- 
delike  so  was  hl  ontfaen  van  drien  heren  ache- 
mant, OVl.  Lied.  en  Oed.  265,  937.  Ie  ben  vaeillant 
ende  achemant  int  wesen  mijn,  Praet  2911.  Die 
ridder  achemant,  Wal.  8040,  9490;  Orimb.  II, 
5501.  Die  joncfrouwe  achemant.  Wal.  8428,8559, 
9300,  9521,  10164.  Scone  vrouwen  ende  achemant, 
Parth.  50.  Ene  vrouwe  scone  ende  aetsemant ,  Vad, 
Mus.  2,  202,  41.  Die  coninc  achemant,  4,  85, 
733.  Menegen  here  achemant.  Rosé  8004.  Jonge- 
linge  achemant,  Sp.  IV,  2,  47.  Menighen  poorter 
achemant ,  Troyen  f.  57  c. 


ACHEMENT,  -ente,  znw.  onz.  Ofr.  acéement, 
acesmement  (la  Cume  I,  61).  Zie  bg  AcilEMEREN. 
Tooi,  dus,  uitrusting.  \\  Daer  mocht  men  wonder- 
like  achemente  sien  van  silver  ende  van  goude, 
Grimb.  II,  5709. 

ACHEMEREN     (aetskmeren,     atsemeren, 

ATSAMEREN,  ASEMEREN,  ACEMIEREN),  ZW.  WW. 
bedr.  Prov.  aeesmar  (Rayn.  5,  208);  ofr.  acesmer, 
achesmer  (La  Cume  1 ,  61 ;  Roquef.  1,15,  Gachet 
4).  Vrij  algemeen  wordt  aangenomen  dat  prov. 
aeesmar,  ofr.  acesmer ,  gelijkstaat  met  prov. 
azesmar ,  adesmar ,  aesmar  ^  ofr.  aesmer ,  van  lat. 
ad-aestimare  (Diez  1,  164,  Burguy  3,  4);  doch 
hiertegen  zijn  èn  om  den  vorm  èn  om  de  betee- 
kenis  bezwaren.  Waarschijnlijker  is  de  afleiding 
van  gr.  axVf*^^  ^^^-  '^^^'^i  schema^  „omatus, 
vestitus,  habitus",  waarvan  mlat.  aschemare , asce- 
mare  (Dnc.  6  104,  op  Scema)  ontsproot,  waaruit 
regelmatig  ofr.  aschemer ,  hetwelk  tot  aeesmer, 
achesmer  werd  door  inschuiving  der  s  ter  aan- 
duiding van  de  lange  vocaal.  Zie  verder  De  Vries , 
Mnl.   Wdb.  11. 

Optooien,    opschikken,    uitdossen,   met  kleederen 
en    sieraden;    of    wel    uitrusten,    met    wapenen, 
harnas    enz.;    of    optuigen    (een    paard).     ||     Doe 
brochmen  voor  die  vrouwe  gheleet,  gheachemeert 
ende    wel   gecleet,   Farth.    6181    (zie    T.  en.  Ltb. 
5,  274).   Dese  scone,  dese  abele,  was  geatsameert 
van    sabele,    Ovl.    Ged.    2,    105,  38.    Daer   waren 
ridderen    ende  joncvrouwen   met   dieren    clederen 
ende  met  goeden  geaetsemeert ,  die  hen  wel  stoeden , 
Lanc.  III,  14598.  Wel  geatsemert  warense  beide, 
III,   22920.    Hoe   gheacemiert  dat  soe  was,  Eose 
{C),  3485.  Daer  drie  joncfrouwen  saten  vore,  wel 
geaetsemeert  ter  core,  Limb.  X,  355.  Allegeache- 
meert  wale   bede  met  ysere  ende  met  stale,   Wal. 
2265.  Ge  wapent,  wel  geasemeert,  Grimb.  11,5614 
var.    (Voor  geartseneert ,   zooals   het  teksths.  heeft 
moet  geaetsemeert  worden  gelezen).  Ferguut  ginct 
achemeren,   hi  breidelet  ende  traect  in  die  zale, 
Verg.  3790.  —  Later  ook  van  gebouwen  gezegd.    || 
Te   Coustantinoble  is   dat   palaes   van  den  keiser, 
scoen  ende  wel  geaetsemeert,  Mandev.  5a.  — Hem 
achemeren,    zich   uitdossen,    zich    uitrusten.     || 
Doe     wapinde    hem    Galarant,    achemerde     hem 
hoverdelike,  Ferg.  4614.  Hi  haddem  ghedaen  ache- 
meren   na   de   vrancsche   wise,    Parth.  5041.  Die 
coninc  achemeerde  hem  wale,  Ahx.  X,  1338. 

ACHEMÜRE  (ATSEMURE,  asemure),  znw.  vr. 
Ofr.  achesmure.  Zie  by  Achemeren.  Opschik^  tooi, 
dos,  uitrusting.  \\  Hi  bat  den  waert  daer  ter  uren, 
dat  hi  hem  dade  maken  nieuwe  asemuren,  Lanc. 
III,  17660.  Walewein  ende  die  andere  heren  wilden 
keren  tote  Arture  ende  daden  gereiden  scone  atse- 
mure,  III,  18568.  Verchierde  achemuere,  Wap. 
Rog.  760  (verg.  vs.  757).  Die  costelijcheit  der 
achemure,  Brab.  Y.  VII,  2067.  Ende  wapenden 
hen  wel  ter  cuere  ende  daden  hen  ane  haer  ache- 
muere ,  Flovent  436.  Ende  deidem  af  sine  achemure , 
Flandr.  IV,  104. 

ACHENDEEL,    znw.    onz.    Voor    het   gewone 
achtendeel  (zie  ald.),  achtste  gedeelte.  \\  Ander- 
half   ertrike    al    gheheel    es    Maers   groot,    ende 
tachendeel,  Natuurk.  bbl  (var.  achtendeel). 
ACHGELEN.  Zie  Achelen. 
ACHSTENDE ,  bnw.  Onjuiste  vorm  van  het  rang- 
getal  achtste,    ontstaan   door   de    verwarring   van 
achtste  of  achste  en  achtende.  \\  Op  den  achstenden 
dach,  Ruusbr.  1,  257. 
ACHT  ,  znw.  Zie  Achte. 
ACHT,  bnw.  Zie  Aft. 


9 


ACHT. 


ACHT. 


10 


ACHT,  bijw.  Zie  Achter,  bgw. 

ACHTAGE.  Zie  Achdage. 

ACHTBAER,  -bare,  bnw.  AcAHnff  ofaanmerkmg 
verdienende^  aanmerkelijk;  in  de  oude  rechtstaAl 
van  vonden  gebezigd,  „die  wegens  hare  grootte 
en  diepte  achting^  d.  i.  aandacht  en  opmerking 
verdienen"  met  andere  woorden ;n0<zar. Achtbare 
wonden  heetten  ook  Hof  wonden^  Corewonden  of 
Matetoonden  (zie  die  woorden).  ||  Si  quie  aliquem 
gravi  vulnere  vulneraverit^  vel  aliquem  percusserit^ 
tale  vulnus  quod  ahtebare  dicituTy  Oor  kb.  1,  292a 
(a,  1262);  V.  d,  Wall  20.  In  de  oude  vertaling 
heet  het:  „zulkenre  wonden  die  achtbaer  zijn." 
Zie  de  aant.  van  Y.  d.  Wall  26  en  113,  waar  men 
vinden  kan ,  welke  wonden  oudtijds  tot  de  achthare 
werden  gerekend. 

ACHTE,  znw.  vr.  Ohd.  dhta\  mhd.  dhte^  aehte\ 
nhd.  acht\  mnd.  achte\  nnd.  aehte^  acht  (Koseg.  1, 
71—76.) 

1)  In  \  algemeen.  Gerechtelijke  vervolging  ^  straf 
lat.  proscriptio,  bannum,  |)  God  brenge  snn  siele 
uut  aller  achte,  Brab,  T,  YI,  9218.  In  de  uitg. 
verkeerdeiyk  allen  ^  daar  het  woord  vr.  is. 

2)  In  *t  by  zonder.  Rijkeproecriptie ,  keizerlijke  ban , 
ook  nog  by  latere  schriivers  als  historische  term 
in  gebruik,  vooral  in  de  samenstelling  rijksacht. 
Yerg.  Ned.  Wdh.  op  Acht  (1ste  art.).  ||  Dat  .  . 
die  kejser  van  Romen ,  mit  sfjnre  ongenaden  dwin- 
gende ende  dreigende  is,  ons  ende  onse  lant  mit 
swaerre  achten  ende  banne  te  besweren,  Xyh. 
4,  111  (a.  1434). 

ACHTE  (acht  ,  ook  hachte  ,  hacht),  znw. 
vr.  Ohd.  ahta\  (mhd.  ahte^  aht\  mnd.  achte ^ 
acht  (verg.  Eoseg.  1,  66 — 66).  Over  de  afleiding 
zie  Ned.  Wdb.  op  Acht  znw.  (3de  art.).  Uit  de 
grondbeteekenis  het  denken ^  de  gedachte ^  aandacht^ 
oplettende  beschouwing ,  vloeiden  de  verschillende 
beteekenissen  voort,  die  in  het  Mnl.  nog  aan  het 
woord  eigen  zijn. 

1)  In  actieven  zin.  Opmerkzaamheid ^  oplettendheid». 
In  de  thans  nog  gewone  uitdrukkingen:  Achte 
(acht)  slaen,  en  Achte  (acht)  nemen,  met 
den  2den  nv.  van  den  persoon  of  de  zaak.  |i  Dat 
n  ghedachte  .  .  aldus  onsachte  moet  doghen  clachte 
om  eene ,  die  uus  slaet  cleyn  achte ,  Troyenf.  36  b. 
Al  heeft  die  clapboghe  grote  macht,  die  reyne 
liefte  en  slaets  gheen  acht,  Mloep  II,  1671.  Soe 
wje  sgns  selfs  souden  bedachte,  des  anders  naem 
hi  clene  achte,  Hild.  266,  113. 

2)  In  passieven  zin.  Toestand;  vg.  mhd.  ah  te 
=  oprt  und  weise^  verhdltnisy  n&ch  ah  te  =:  noch 
art  und  lage  (Lexer  1,  30).  üit  achte  in  dezebe- 
teekenis,  welke  in  't  mnl.  ook  voorkomt,  is 
het  achterv.  aehüg  gevormd,  vg.  Ndl.  Wdb.  op  — 
achtio  (1,  760).  —  Enen  in  ere  achte 
brengen,  iemand  in  zekeren  toestand  brengen  ^  hem 
op  zekere  wijze  stemmen.  ||  Brenct  mi  in  sodaniger 
achte,  dat  ie  di  met  rouwighen  tranen  bedachte, 
J).  War.  4,  612,  43.  Nu  hevet  de  neve  sinen 
oom  met  boosheden  brocht  in  suiker  achte,  dat 
hi  met  liste  no  met  crachte  in  geere  w^s  ne  can 
ontgaen.i2^.  684.  Aldus  leest  Jonckbloet  te  recht 
in  plaats  van  in  boosheden  brocht  met  sulier  achte 
(Hs.),  by  welke  lezing  achte  zou  beteekenen  beraad^ 
overleg.  Yg.  3).  Men  kan  achte  met  De  Yries  (Mnl. 
Wdb.  13)  ook  opYAiien  a\a  hachte  d.  i.  gevangenschtq) 
(z.  ald.  en  vgl.  fr.  vs.  10313 :  Moult  Tavoit  mis  en 
male  presse),  doch  met  het  oog  op  de  plaats  uit 
J).  War.  schijnt  aan  de  bet.  toestand  de  voorkeur 
gegeven  te  moeten  worden. 

3)  Overleg,  beraad,  vooral  in  de  ToU^nde  tii^'^- • 


In  achte  hebben,  in  beraad  hebben ,  van  plan 
zijn.  II  Dat  die  van  Gloucestre  hadden  in  achte 
over  te  comene  met  crachte ,  Brab.  Y.  YII ,  16866. 
—  Met  snelre  achte,  met  snel  overleg,  met 
kort  beraad.  \\  Want  het  geschiede  mit  snelre 
achte,  80  datter  hem  nyemant  voir  en  wachte, 
Mloep  II,  913.  —  In  corter  achte  (acht), 
met  kort  beraad,  dus  binnen  korten  tijd,  spoedig. 
Il  Alsi  (die  eyer)  ripe  sgn  worden  si  open;  so 
coemter  woerme  uutghecropen ,  ende  worden  in 
corter  achte  geschepen  na  haren  gheslachte,  Nai. 
BI.  lY,  262.  So  dat  hine  in  corter  achte  te  al- 
sulker  hoocheit  brachte,  Sp.  III',  10,  31.  Nyet 
lange  hier  na  in  corter  acht  tooch  dees  hertooch 
mit  heers  cracht  voir  Ghildenborch  bi  utrecht, 
Claghe  226.  —  Sonder  achte,  zonder  beraad, 
terstond.  \\  Qpdat  men  hem,  sonder  achte,  die 
slotel  van   Limborch  brachte,  Brab.  T.  Y,  2006.. 

4)  In  bijzondere  opvatting ,  een  ^^oo^  in  rechten , 
in  de  uitdrukking  Ene  achte  bidden,  verlojf^ 
vragen  om  zich  te  beraden.  Yeelal  Achtinge  ge- 
noemd: zie  ald.  1),  en  verg.  vooral  Lubben  1,3, 
Koseg.  1,  68—60,  en  Kuhn's  Zeitschrift,  6,  78. 
II  Heer  schout,  ick  bidt  u  om  een  acht,  Oudenh. 
Z.  Holl.  482.  — Achte  woorde,  ookachtinge 
WO  orde,  de  woorden  van  het  beraad,  de  uitslag 
van  het  gehouden  beraad,  die  den  rechter  moest 
medegedeeld  worden.  Zie  het  aangemerkte  bg  Ach- 
tinge 1).  II  Heer  rechter,  Jan  Lam  dien  gaefdj 
een  achtinghe ,  ende  in  sQnre  achtinghe  een  talman ; 
die  brenct  hy,  ende  hy  volbietse,  ist  u  lief,  ende 
ick  segghe  s^n  achte  woerden,  Dingt,  v.  Delft 
28.  Ist  u  lief,  ick  segghe  haer  achte  woerden, 
69 ;  verg.  61 :  „ick  segghe  zijn  achtinge  woerden". 
Yg.  Wfr.  Dingt.  16. 

6)  Uit  overleg  voortvloeiende  meening,  beschou- 
wing, opvatting.  —  In  rechter  achte,  naar 
juiste  opvatting,  in  waarheid.  ||  Een  machtich 
burger,  wail  bekant  van  edelen  arde  ende  geslachte, 
was  hoir  man,  in  rechter  achte,  Mloep  lY,  2042. 

ACHTE  =  Hachte.  Zie  ald. 

ACHTE,  bnw.  Het  ranggetal,  achtste ,  ook  mnd. 
achte;  samengetrokken  uit  achtede,  mnd.  aehtede 
goth  ahtitda,;  anders  gewooniyk,  met  ingeschoven 
n,  achtende.  Zie  Achtende.  ||  Des  achtes  dages, 
Sp.  I*,  43,  36;  Limb.  1,  847.  Dat  sevende  .  . 
dat  achte  .  .  dat  negende  .  .  Ned.  Froza  136.  In 
den  achten  dach.  D.  B.  Nehem.  8,  18;  enz.  Yerg. 
Achde. 

ACHTE  (acht),  telw.  Jcht,  het  hoofdgetaL 
Mnd.  achte.  ||  Hondert  ende  achte,  Nat.  BI.  II, 
4023.  Si  achte,  acht  personen,  Lanc.  UI,  S65S  '.ff at. 
BI.  II ,  1822 ;  L^.  1 ,  29 ,  86.  Die  viere  verwonnen 
dachte,  Bijmb.  18481.  Nochtan  begheerden  dese 
mooncke  achte  el  negheene  ghestichten  noch  ander 
wachte,  Amand  I,  1014  (in  den  tekst  staat  ver- 
keerdeiyk:  achtre  en  wachtere.  Zie  T.  en  Ltb.  6, 
246).  —  Meermalen  in  oude  rechtsbronnen  als  znw. 
gebezigd:  die  achte,  een  uit  acht  personen  be- 
staand  college  van  uit  de  gilden  gekozen  rechters 
of  raadslieden;  ook  in  het  enk.  een  achte,  een  van 
het  college  der  acht.  ||  Scepenen  ende raedt,  achte, 
dekens  ende  die  ghene,  die  vrede  moghen  nemen, 
O.  K.  V.  Dor  dr.  16,  19.  Die  goede  knapen  van  den 
achten,  die  by  tydcn  bi  den gherechte  zyn ,  16,24. 
Dat  niement  van  der  stede  ghezworen  knapen 
ende  dienres  .  .  en  zullen  moghen  wesen  in 
den  gherecht,  als  schout,  borghemeester,  scepenen, 
raet,  noch  van  den  achten.  Ende  waert  dat  eenich 
van  desen  dienres  .  .  haren  dienst  oflieten,  «nde 
in    den    gherechte    (^uamen    of    van   den   achten 


1 


11 


ACHT. 


ACHT. 


12 


worden ,  die  en  zullen  daer  na  in  der  stede  dienst 
niet  comen,  55,  194.  Sonder  enige  berechtinge  off 
bewint  van  den  achten  of  dekenen,  Y.  d.  Wall 
413  («.  1409).  Dez  gelijcx  en  sal  nyemant  achte 
wezen,  hi  en  sij  een  ingebomen  poirter,  ald. 
Dat  onse  gemeente  van  Dordrecht  bil  horen  ghilden 
snllen  jaerlicx  mogen  kiesen  ende  nemen  die 
achte,  467  \a.  1418). 

ACHTE,  bijw.  Zie  Achten  ,.bijw. 

ACHTKEL,  znw.  onz.  Samengetrokken  uit 
Achte  deel,  achtdeel.  Achtste  gedeelte  eener  maat. 
Zie  ACHTENDEEL.  ||  In  elcke  sack  van  hart  koren 
of  moute  niet  meer  en  sal  wesen  dan  drie  achteelen , 
O.  K.  V.  Delft  II,  69. 

ACHTEHÓEVEN,  znw.  vr.,  alleen  in  *t  mv. 
gebezigd.  Samenkoppeling  van  Achte  en  Hoeve, 
Aehthoeven,  benaming  van  eene  buurtschap,  waar 
acht  hoeven  staan,  vg.  Achttienhoven  en  andere 
derg.  plaatsnamen.  )|  Van  dien  achtehoeven  vinden 
wi  den  Grave  tambocht  ende  tiende  .  .  Yoirt  van 
der  wildemisse  van  den  achtehoeven  tote  der 
Wike  toe  vinden  wi  den  Grave  tiende  ende  ambocht. 
Mieris  2,  61  ft  {a,  1306). 

ACHTELOES ,  bnw. ,  van  achte  in  de  bet. 
aansien,  eer,  achting,  welke  iemand  door  zijn  stand 
geniet,  in  welken  zin  het  woord  wel  niet  voor- 
komt in  *t  mnl.,  maar  wel  in  het  mhd.  en  mnd. 
Yg.  Lezer  1,  30:  uz  der  ahte,  ohne  standes- 
toert,  ansehen  en  vooral  Lubben  1,  4,  waar  achte 
vertaald  wordt  met  ansehn,  achtung ,  rang,  stand. 
Deze  bet.  is  nauw  verwant  aan  die  van  toestand. 
Yg.  Achte  2).  Eerloos,  Gr.  an^fiog-  \\  C  ende  D 
voemoemt  .  .  legghe  ie  ballinc  achteloes  ende 
vredeloes  mijns  liefs  heren  lande  van  HoUant, 
Dingt.  v.  Amst.  23. 

ACHTEN  (hackten),  zw.  ww.  onz.  en  bedr. 
Ohd.  ahtón ;  mhd.  ahten ;  ags.  eahtjan  (Ettm.  22) , 
mnd.  achten.  Yan  denzelfden  wort«l  als  het  znw. 
achte,  acht  (zie  ald.),  of  wel  rechtstreeks  er  van 
afgeleid.  Achten  had  de  grondbeteekenis  van  den- 
ken, eijne  aandacht  op  iets  vestigen,  waaruit  alle 
wijzigingen  zich  geleidelijk  laten  verklaren.  By  de 
verschillende  opvattingen,  die  achten  in  H  Mnl. 
had,  verg.  men  vooral  Koseg.  1,  66—69. 

I.   Onzijdig. 

1)  Nadenken,  overleggen,  tich  beraden,  \\  Hine 
waent  niet,  maer  beit  ende  acht;  hine  waent  niet, 
maer  hi  wacht,  Sp.  1«,  34,  73. 

2)  In  H  bijzonder,  als  rechtsterm,  zich  heraden, 
consult  hoitden  met  de  in  rechten  betrokken  par- 
tijen. In  de  latere  rechtstaal  heette  het  te  rade 
gaen.  Zie  Matth.  142,  en  verg.  bij  Achtinge  1)  en 
Achte*  2).  ||  Ende  al  gaet  hi  uyt  achten,  dat 
hi  wel  incomen  mach  ende  dat  oerdeel  ontsegghen 
dat  hies  niet  sculdlch  en  es  te  deylen,  Oorkb.  2, 
376tf  (a.  1292);  507ft  {a.  1299);  Mieris  2,  91tf 
(«.  1310). 

3)  Achten  tegen  of  jegen  iet,  bedenkingen 
tegen  iets  maken,  er  tegen  opkomen.  \\  Och!  wie 
dat  daer  tegen  acht,  dats  een  nutlic  zot  gezogen, 
B.  War.  7,  380,  45. 

4)  In  *t  bijzonder,  als  rechtsterm,  zich  in  rechten 
tegen  iets  verklaren,  er  tegen  opkomen  of  in  verzet 
komen,  als  niet  overeenkomstig  de  wettelijke  vor- 
men. Zie  Achtinge  2)  en  verg.  nnd.  wederachten 
(„widerstreiten,  anfechten")  bij  Koseg  1,  70,  en 
Euhn's  Zeitschrift,  6,  78.  Zeer  gewoon  in  de 
uitdrukkingen:  Acht  hier  yemant  tegen?  Oudenh. 
Z.  Holl.  486,  617,  523,   524,  enz.   Het  en  zy  of 


daer  yemant  met  recht  tegen  achten  mach,  464. 
Soo  verde  daer  niemant  met  recht  tegen  en  acht, 
487 ,  523.  Dat  niemant  tegen  de  vyerschaer  en  sal 
mogen  rechtelijcken  achten,  523;  enz. 

5)  Met  den  2den  nv.  ofheiyooTz.  om:  Acht  geven, 
acht  slaan  op  iets,  zorg  dragen  voor  iets.  ||  Daer 
mochte  sien ,  dies  acht« ,  dat  God  enz. ,  Rijmb.  30868. 
Die  jonge  ginc  wech  siere  straten  metten  ingel, 
die  sijns  acht,  15557.  So  willen  si  dan  der  kinder 
achten,  Nat.  BI.  III,  1820.  Ende  sire  eren  nauwe 
achten,  Lsp.  III,  9,  94.  Wildi  uwer  eren  achten, 
Mloep  I,  1847.  Ende  peinst  ende  acht  om  onso 
vrome,  Fhr.  2072. 

6)  Met  den  2den  nv.  zich  voornemen,  het  plan  maken 
tot  iets.  II  Ende  volbrochte  des  hi  te  voren  hadde 
gheacht,  Stoke  Y,  756.  —  Ook  zonder  bepaling 
in  den  2den  nv.  ||  Parthonopeus ,  als  hi  heeft 
gheacht ,  na  et  en  e  ghinc  hi  ter  havene  waert , 
Parth.  1884. 

7)  Met  den  2den  nv.  of  de  voorz.  om,  op,  van 
en  bi.  Zich  gelegen  laten  liggen  aan  iets ,  zich  be- 
kommeren, zich  bekreunen  om  iets.  ||  Dats  daer  ie 
nu  meest  up  achte,  Rijmb.  2322.  Es  niemen  die 
mijns  lachters  achte?  9428.  Wat  soude  achten  mijn 
vrouwe  op  mi,  die  ben  een  keytief?  Limb.  YI, 
536.  Maer  een  ewelijc  besuren,  daer  gheen  eynde 
en  is  te  wachten,  mit  anxten  souden  wy  daer  op 
achten ,  Hild.  242 ,  40.  —  Yooral  in  ontkennenden 
zin:  Niet  (luttel,  clene,  weinich)  achten 
niet  {weinig)  geven  om. 

a)  Met  den  2den  nv.  ||  Sy  seiden  hem  al  haer 
ghedachte ,  mer  hy  was  [die]  des  cleen  achte , 
Troyen  f.  167  a.  Die  Jnede  en  achte  niet  der  wort , 
Ueim.  2033.  Lamech  achtets  min  no  mee,  Rijmb. 
968.  Josias  achte  niet  der  dinc,  14681.  Ne  acht 
hijs  danne  groot  no  clene,  24092.  Maer  recht  ende 
daer  toe  ghenaden,  dies  ne  achti  min  no  mere, 
25520.  Die  van  Ydumee  ne  achten  dies  min  no 
mee,  30225.  Wie  ons  niet  en  mint,  en  dorven  wi 
achten  twint,  Lsp.  I,  27,  79.  Die  de  werelt  mint 
hi  es  dom!  .  .  daer  omme,  mensche,  en  achter 
niet,  X  Plagh.  22li.  Hoe  luttel  men  nu  achte  sijns 
Theoph,  350.  Die  luttel  schinen  mijns  te  achten.  Rein. 
II,  4386.  Het  heeft  alsulke  cracht,  dat  etens  noch 
drinkens  en  acht,  II,  5481.  Een  zwijn  soude  des 
weynich  achten,  dat  men  lelyen  trade  int  slijc, 
Mloep  I,  1342.  —  Des  clene  achten,  Grimb.  II, 
4287;  Christ.  1018.  Niet  een  caf  achten,  Mloepl, 
1130.  Niet  een  twint — ,  Heelu  1279.  Niet  een  zaet, 
niet  twee  peren — ,  Lsp.  I,  28,  20  en  31,  Niet  een 
haer— ,  PcrM  2418.  Zoo  ook  Theoph.  734,  enz. 

b)  Met  het  voorz.  om.  \\  Ferguut  en  acht  niet 
om  haer  seer,  Ferg.  1065.  Ende  hi  om  ghene  dinc 
el  ne  achte  .  .  .  sonder  der  ghere  die  hi  minde, 
Parth,  1220.  Dat  hi  niet  achte  omme  tghestuur, 
Rijmb.  28606.  Die  ghemeente  achte  niet  ...  om 
dese  tele,  28711. 

c)  Met  het  voorz.  op.  \\  Sine  achten  niet  up 
tgrote  here,  Rijmb.  31925.  Up  sijn  weenen  achte- 
men  niet,  33561.  Daer  om  en  acht  op  niemens 
nijt,  indien  dat  gi  weldoende  zijt,  Lsp.  I,  27,95. 
Gheeft  mi  u  hulpe,  Here  Heilant,  soe  achtic  cleyne 
op  yements  spot ,  Z  Plagh.  72.  Hi  en  acht  op  geue 
souden,  Theoph.  658.  Dat  hi  op  hem  selven  niet 
en  achte,  1348.  Op  dat  water  en  achtese  niet, 
Christ.  389.  —  Luttel  (clene)  achten  op,  Lsp.  I, 
26,  152;  Rijmb.  22590  vlg.;   Hild.  250,  54,  enz. 

d)  Met  het  voorz.  van.  \\  Nochtan  achtic  niet 
van  dien.  Rein.  1 ,  2115.  Yan  dinen  werke  en  achtic 
niet,  Esop,  LXIII,  14.  Ne  achti  niet  van  uwen 
wive  no   der  gherre  die  u  minnen,  Rijmb.  32120. 


13 


ACHT. 


ACHT. 


14 


Die  mordadeg^he  kejrtive  ne  achten  niet  van  haren 
live ,  32715.  Tytu8  sach  wel  dattie  keytive  no  van 
temple  no  van  live  niet  ne  achten teser  tij t,  33217. 
Si  en  achten  niet  van  groten  zalen,  Lip.  II,  11, 
31 ;  enz. 

e.)  Met  het  voorz.  bi.  \\  Datmcn  niet  en  acht  en 
twint  by  die  scoenheit  van  den  menschen,  Vrouw, 
e,  M.  VIII ,  8. 

/.)  Met  een  afh.  zin.  ||  Dat  ie  niet  en  hebbe 
gheacht ,  hoe  vele  sonden  dat  ie  dede ,  Tkeoph.  782. 

II.  Bedrijvend. 

1)  Achten^  denken^  meenen^  gelooven^  de  tegen- 
woordige beteekenis ,  in  *t  Mnl.  reeds  zeer  gewoon. 

II  Gone  andre  twe  achtic  te  sine  knechte  ende 
dieme ,  Franc.  2392.  Daer  bi  achten  sijt  gewonnen , 
Heelu  6192.  — Vandaar  de  uitdrnkking  Ie  ach  te, 
gevolgd  door  een  zelfstandigen  bijzin  met  dat^  of 
door  een  bijzin  in  den  vorm  van  een  hoofdzin ,  ter 
uitdrnkking  van  een  gev^  dat  men  als  aanwezig 
onderstelt.  Ie  achte  geldt  dan  voor  ik  neem  aan^ 
ik  ttely  d.  i.  ik  wil  aannemen^  getteld  {dnf).  \\  Ie 
achte  dat  si  doot  si,  nochtan  en  soudi  daer  bi  n 
selvenal  niet  verslaen,  Melib.  119.  Exempel  soe  willic 
n  toghen:  ie  achte,  ie  ende  ghi  wi  sQn  die  den 
andren  minnen  moghen.  Vrouw.  e.  M.  1,  167.  Ie 
segghe  hoe,  nu  verstaet  mi:  ie  achte, joncfrouwe, 
ie  draghe  minne,  I,  501.  —  Ook  als  onz. znw.  || 
Die  erre  es,  hi  waent  dan  meer  vermoghen  dan 
hi  can,  so  dat  sijn  wanen  ende  s|jn  achten  verre 
gaet  boven  siere  machten,  Melib.  1433. 

2)  Denken   aan   iets,   bedacht  zijn   op  iets.    || 
Fransoys,  de  rudder  ons  Heren,  die  om  vaer  achte 
geen  keren.  Franc.  5097. 

3)  Denken^  meenen,  ramen,  (er  op)  rekenen,  ver- 
wachten. II  Bi  ons  Heren  helpe  hi  acht  te  doene 
dinc  van  groter  cracht ,  Franc.  7437.  [Die]  in  corten 
tiden  acht  te  gewinnen  des  hi  wacht,  6099.  Dats 
daer  wi  te  ridene  achten.  Ren.  266.  En  sal  niet 
gaen  als  hi  acht,  Lorr,  I,  272.  Alsoe  sciere  als 
men  acht,  Heelu  3671.  Nu  hoert  wat  hi  achte  te 
doene,  Stoke  IV,  1348.  Elc  acht  te  stervenc  up 
den  andren  dach,  Bloeml.  3,  15,  260.  Dye  grave 
en  achte  daer  niet  te  comen,  Exc.  Cron.  119«.  — 
Vandaar 'de  uitdrukking  Dat  comet  na  sijn 
achten,  dat  gebeurt  zooalt  hij  het  zich  had  voor- 
gesteld. II  Dat  en  quam  niet  na  sijn  achten,  Heelu 
6367.  Mocht  noch  comen  na  mgn  achten,  dat  mi 
dat  noch  mochte  geschien,  Olor.  376. 

4)  Beramen,  overleggen.  ||  Dus  so  heeft  God  selve 
gehacht  ende  gheordineert  al,  Wrake  I,  546.  Hi 
achte  sijn  dachvaerde  ende  sijn  dinc,  ende  nam 
raet  met  sinen  camerlinc.  Flor.  1610.  —  Enen 
tot  iet  achten,  t^ma^  tot  iets  bestemmen.  \\  Elc 
van  sinen  ambachte,  daerse  God  selve  eerst  toe 
achte,  Lsp.  I,  4,  9.  —  Vandaar  de  rechtsterm: 
Geachte  tale,  eig.  beraamde,  overlegde,  (opzet- 
telijk daartoe)  bestemde  taal,  die  zich  stipt  houdt 
aan  de  in  rechten  gebruikelijke  formulieren  {verba 
euriae).  \\  lek  gebiede  datter  niemant  en  spreeckt 
dan  met  geachter  tael,  Oudenh.,  Z.  Holl.  486, 
617.  Soe  sal  die  heer  vyerschare  maken  met  ge- 
achter  tale,  517.  Zie  ook  ald.  504,  619,  enz. 
—  Enen  iet  achten,  iets  voor  iemand  bestem- 
men, wegleggen.  \\  Ende  keert  onrecht  na  dgnre 
cracht,  soe  es  u  hemelrike  gheacht,  r  Plagh. 
1799. 

6)    Iets    voornemen,   tot   iets  besluip    ^Ig  een 

gevolg  van  overleg.Verg.AcHTiNOE  en  Va  '  cHTEN. 
II  Begef  diere  sotheit,  die  du  heefs  i^^^i.    Flor, 


2110.  Bi  siuen  exemple  achti  te  latene  die  quade 
werclt  ende  te  hatene,  Franc.  1075.  Want  hi  hem 
selven  telker  stat  achte  te  gevene  wie  so  bat, 
175.  Ende  achte  te  vaeme  in  Surien,  4975.  Wat 
bediet,  dat  men  bi  nachte  wech  te  vaeme  aldus 
achte,  Stoke  VI,  771.  Doot  es  hi,  die  .  .  .  wisen 
raet  niene  acht  tontsiene,  Rincl.  76.  —  Vooral 
in  de  uitdr.  Geacht  hebben,  voornemens  zijn, 
van  plan  zijn.  Verg.  lat.  decretnm  habere.  \\ 
Ten  selven  huus  hatsi  gelegen  een  nacht,  daer 
Floris  haddc  te  herbergen  geacht.  Flor.  1830.  In 
den  casteel  .  .  .  daer  gi  gistren  te  vaeme  had 
gehacht ,  Lanc.  II ,  15759.  Waer  hebdi  geacht  dat 
gi  herberge  salt  nemen  tnacht?  IV,  12651.  Mer 
daventuere  hadt  anders  gheacht,  die  teghen  die 
Troyene  vacht ,  Troyen  f.  81  d.  Alse  si  lange  hadden 
geacht,  Sp.  III»,  92,  35.  Daer  hi  mede  heeft  geacht 
te  wreken  dat  hem  es  mesdaen,  Velth.  11,12,14. 
Gaet  daer  gi  hebt  geacht,  want  die  misse  is  uu 
volbracht.  Bed.  d.  M.  1246. —Zie ook  ÓJp.  IV*,  13, 
20;  Franc.  1305,  5633;  Lanc.  II,  15632;  Flor. 
1776,  1898,  1982,  2880;  r««?.  Jfiw.  1,316,  24,  «ir. 

6)  Achten ,  rekenen ,  schatten ,  op  prijs  stellen , 
aan  iemand  of  iets  zekere  waarde  of  zeker  belang 
toekennen,  (Verg.  bjj  Onz.  7).  Nog  heden  gewone 
opvatting.  ||  Ene  vrouwe  die  niet  ...  en  acht 
mine  noet,  Limb.  VI,  1256.  Mer  dat  ie  alremeest 
achte,  dat  ghi  verhaesten  sout  u  eer  op  hem, dat 
misstond  u  seer,  B£in.  II,  3688.  Hoe  veel  vint 
men  der  noch ,  die  luttel  achten  wat  si  loven ,  II , 
6814.  Ie  acht  cleine  al  dijn  maghen ,  II ,  7295.  Zijn 
clachte  en  wert  niet  geacht,  Exc.  Cron.  124a, 
Dat  zy  tselve  lant  in  coope,  deen  deur  tander, 
achten  of  rekenen  up  25  Rh.  gl.,  Inform,  215.  — 
Nog  in  de  volgende  spreekwijzen:  Enen  achten 
over  iet,  iemand  houden  voor  iets,  beschouwen 
als  iets.  ||  Omme  dat  men  siere  moeder  achte  over 
een  ghemeene  wijf,  Bijmb.  7830.  —  Iet  achten 
te  .  .  ,  iets  achten  of  rekenen  voor ,  opvatten  als.  \\ 
Dat  ie  mettem  niet  en  vacht ,  dan  dooch  ter  bloet- 
heit  niet  geacht,  Sp.  I«,  23,  19.  —Geacht  met 
..  ,  medegerekend  onder  ^gelijkgesteld  m£t.  \\  Geacht 
metten  mordeneren.  Vod.  Mus.  2,  436;  enz.  — 
Niet  geacht  sijn,  voor  niets  gerekend  worden, 
niets  beduiden,  geene  waarde  hebben.  \\  Belovedi 
oec  dies  gi  geene  macht  te  vuldoene  hebt,  dins 
niet  geacht ,  Melib.  2036  var.  —  (Niet)geachtsijn 
jegen  enen,  {niets)  te  beduiden  hebben  t^enover 
iemand,  {niet)  in  aanmerking  komen  bij.  \\  Dat  si  niet 
waren  geacht  jegen  sine  grote  cracht,  Melib.  311. 
Vor  hem  soue  heeft  niemen  macht,  die  jegen  mi 
iet  es  geacht,  Sp.  III^  60,  31  (in  het  hs.  staat 
verkeerdelijk  heeft  voor  es;  doch  verg.  de  Bijv. 
en  Verb.  op  Sp.  Hist.  bl.  452 ,  en  Vinc.  „Nemo  .  .  . 
habet  potestatem  apud  eum,  sicut  ego.") 

—  lu  verzwakte  opvatting  geldt  Geacht  sijn 
voor  in  aanmerking  komen ,  te  vinden  of  aanwezig 
zijn,  evenals  becant  sijn.  Zie  ald.  ||  Daer 
luttel  trouwen  in  es  geacht,  Vad.  Mus.  2,  156, 
134.  Dan  en  sal  dach  no  nacht  nember  werden 
daer  geacht,  Velth.  VIII,  27,  46. 

ACHTEN  =  Haciiten.  Zie  ald. 

ACHTEN,  ACHTE,  ACHT,  bijw.  {lerg.danen, 
dane,  daen  en  henen,  hene,  heen).  Got  aftana; 
nnd.  achten,  achten  (Koseg.  88).  Verg.  Bachten, 
Bacht. 

1)   Van  achteren,   aan   d€  achterzijde.    \\   Dat  hi 
die  Grieken  vor  ende  achten  sonde  hebben  beringt 
met  crachten ,  Alex.  II ,  869  (Hs.)  —  V  a  n  achten, 
van  achteren',  vg.    van   binnen,   van  buten,  enz.  || 
Doen  sloechmeuse  doet  van  achten,  si  en  n^ochtend 


15 


ACHT. 


ACHT. 


16 


hem  niet  gewachtcn,  ^Z^^.  III,  451  (Hs.).  Op  beide 
plaatsen  staat  in  de  aitg.  van  Franck  backten, 

2)  Achterna^  in  de  uitdrukking  Enen  achten 
slaen,  iemand  achternazitten,  vervolgen.  \\  Die 
Percen  begOnsten  te  vlien.  Alexander  heeft  dat 
versien,  ende  sloech  achte  alse  die  coene,  AUx. 
III,  245.  Franck  leest  hier  orA/^fr ,  dat  wel  de  ware 
lezing  zal  z^n.  —  De  voorbeelden  van  den  ver- 
korten vorm  acht  zie  men  bij  Achter  b|jw. 

ACHTENDALF,  telw.,  samengetrokken  uit  ach- 
tende half,  achtête  half ,  dus  zeven  en  een  half. 
Verg.    anderhalf ^    derdehalf,    vijfiehalf,    zettehalf 
enz.  In  het  voormalige  Nederl.  muntstelsel  waren 
nog  de  zestalf,  achtendalf  en  dertiendalf  als  stuk- 
ken van  5| ,  7^  en  12^  stuiver  bekend.  ||  Die  sonne 
es    achtendalf  werve  als  groet  als  dit  erderike  al 
gheheel ,   Rijmb.   220.   —  In   den  gedrukten  tekst 
der   Hiel.    Schol,   staat  octiea ;   maar  Maerlant  zal 
wel  in  het  door  hem  gebruikte   Hk.  VII  en  daar- 
achter het  gewone  teeken  voor  \  gevonden  hebben. 
ACHTENDE,  bnw.  Het  ranggetal ,  «rA/:*^^ ;  goth. 
ahtiéda ;  ags.  eahtodha ;  mnd.  achiede  met  ingeschoven 
n,  als  in  nakend  voor  naked.  Ook  het  Deensch  heeft 
oitende.  \\  Die  hont  rijt  tsire  achtende  maent ,  Nat. BI. 
II,  71.  Ten  achtenden  jare,  I,  373.  In  zijn  achtende 
paeus  jaer,  Franc.  2159.  Up  dachtende  calende  vor 
Hoymaent,  7983.  Ten  achtenden  dage,  JSymd.  5292 , 
21144.    Dachtende    coninc,    12389.    Recht   opten 
achtenden   dach  die  in  December  gelach,  Lap.  II, 
3,  157.  Van  Oechst  ter  achtender  kalende,  *^.  II', 
32,   42.    Op  dachtende  kalende  Augusti,  Yêt.  BI. 
1954.    Dat   achtende  gebod,  iV.  Doctr.  1851;  Ned. 
Proza  62.  Tachtende  bot,  Hild.  11,  500.  —Hem 
achtende (r),  met  hun  achten.    \\    Pieter  van  der 
Asselt   voer   saterdages  ...  ter   Sluus,  hem  ach- 
tender,  in  den  orbore  van  der  stede.  Rek.  v.  Oent 
1,  286.  =:  Achtende  is  de  gewone  vorm,  maar 
ook    achtste    komt   reeds   veelvuldig  voor.   Ook 
vindt   men    achte,   ach  de   (zie    ald.)  en    ach- 
tenste.  |i  Dachtenste  coninc,  Rijmb.  3385.  In  sijn 
achtenste  jaer,  14554.  Ten  achtensten  daghe,  Amand 
I,  661.  Zoo  ook  Lap.  II,  3,  157;  10,  52  {ha.  H.); 
D.  B.,  Exod.  22,  30;  I  Kon.  12,  32;   Ned.  Proza 
355,  enz.  Verg.  ook  Achstende. 

ACHTENDEEL,  -deU,  znw.  onz.  Achtate  ge- 
deelte. Mnd.  achtendél.  \\  Dachtendeel  honechs  daer 
bi,  M.  en  Fr.  Heim.  1219.  Van  den  anderen  500  mergen 
zoe  behoert  den  Abt  van  Egmont  toe  dat  achtendeel 
van  den  geheelen  lande ,  Inform.  42.  —  Als  koren-  en 
zoutmaat  =  \  zak.  Zie  Le  Long ,  Koophandel  v.  Amat. 
(8e  dr.),  1,  284).  ||  Ende  nyement  uut  zinen  scepe 
myn  teffens  te  vercopen  noch  te  meten  dan  een 
achtendeel  souts,  O.  K.  v.  Rott.  44,  140.  Item 
niet  meer  te  nemen  op  enighe  wintmolen  van  malen 
dan  van  een  achtendeel  harts  corens  een  engels, 
45,  141.  Soe  wie  dat  bruyct  XXXVI  gemeten 
lants ,  die  zal  gehouden  wesen  te  hebben  een  ach- 
tendeel, O.  K.  V.  Briel  166  A.  Tachtendeel  van 
de  lantmate  hout  XIX  sceppers  ende  een  pinte ,  al 
vol  gestreecken  mate,  169  X.  Twalef  achtendeel 
witter  erweten ,  cost  elc  achtendeel  erweten  XX  gr., 
Oorl.  V.  Albr.  106.  260  hoet  terwen,  4  achtendel 
te  backen ,  Bel.  v.  Leid.  300.  Van  eenen  sack  terwe 
van  twee  achtendeel,  Inform.  18.  Een  sack  van 
twee  achtendeel  tarwen,  maickeude  een  viertel 
Antwerper  maet,  11.  —  Bij  geslachtsberekeningen 
gfizegd  van  een  der  acht  gea lach takwar tieren.  || 
Dat  Willaem  voirsz.  daer  quam  met  zinen  edelen 
maghen,  uyt  allen  vierendelen  toet  enen  achten- 
dele  toe  alse  van  Machtilden  weghen, zire moeder, 
ende   deden    aldaer  ten  heylighen,  als  hem  vond- 


nesse  w^sde  ende  recht  was ,  dat  Machtilden  voirsz. 
een  edel  wijf  was  van  vader  ende  van  moeder  tot 
enen  achtendele  toe.  Mieris  2,  304Ó  {a.  1323). 
Twee  achtersusterkinder ,  of  eerste  lede,  mcerre 
int  een  vierendeel  of  achtendeel  dan  int  ander ,  na 
dat  die  misdadige  meer  magen  heeft  int  een  vieren- 
deel of  achtendeel,  dan  int  ander,  Matth.  220. 
Ghebrake  daer  den  clagher  enich  van  zgnen  vier 
vierendelen  of  achtendeleu  . . . ,  soe  sal  hy  mit  zijnen 
eedt  wijnnen,  dat  hy  in  dien  vierendele  ofat^hten- 
dele  .  .  alsoe  .  .  verstorven  is,  dat  hy  daeruyt 
gheen  maech  werven  en  mach ,  Dingt.  v.  Amat.  13. 

ACHTENSTE.  Zie  Achtende. 

ACHTENTICH,  bnw.  Het  ranggetal,  tachtig, 
in  de  volkstaal  tachentig.  Zie  Tachtentich.  Mnd. 
achtentich.  ||  In  den  jaer  uns  Heren  dusent  dric- 
hondert  tweenactentich ,  Nijh.  3,  107. 

ACHTER  (akter),  voorz.  en  bijw.  Goth.  a/^ro, 
aftra\  ohd.  aftar\  mhd.  af  ter  \  ags.  aefter 
eng.  after  ;  osaks.  aftar  ,  after ;  ofri.  efter  ; 
onl.  aftir ,  mnd.  achter.  Van  het  bijw.  «ƒ,  door 
middel  van  het  achtervoegsel  ter ,  waardoor  de 
vergrootende  trap  wordt  aangeduid.  After  is  alzoo 
hetgeen  verder  verwijderd  is  dan  hetgeen  voor 
is.  After ,  de  oorspronkelyke  vorm ,  die  vooral 
by  jongere  Hollandsche  schryvers  nog  veelvuldig 
in  gebruik  was,  werd  verscherpt  tot  achter,  als 
in  gracht  voor  graft,  enz. 

I.   Als   voorzetsel. 

Oorspronkelijk  met  den  3den  nv. ,  die  nog  in 
enkele  uitdrukkingen  bewaard  bleef,  doch  veelal 
met  den  4den  nv.  verbonden. 

fl)     Van  plaat*. 

1)  Achter,  in  den  hedendaagschen  zin,  als  het 
tegengestelde  van  voor.  |j  Voer  oghen  vrienscap 
toghen,  maer  verraden  achter  die  oghen ,  Wrake  II , 
730.  Jhesus  bleef  te  Jherusalem  achter  hen,  ende 
sine  wistens  nit,  Lev.  v.  J.  c.  20.  Quaet  sprekende 
achter  diegene  die  wel  haer  viant  (/.  vricnt) 
wanen  sijn,  Belg.  Mna.  10,  28.5.  Omeenen  anderen 
sijn  eere  te  benemen  achter  rngghe,  Httghe  v. 
Bord.  3.  Zie  ook  Vad.  Mm.  2,  161,176;  Ruusbr. 
3,  60;  Theoph.  110,  enz. 

Inde  uitdrukkingen:  Achter  rugge,  aL)^ach- 
tertoaarta,  teritg.  \\  Hoe  dicke  sach  Reinaert 
achter  rugghe,  Rein.  I,  1724.  Daer  simetcrachte 
worden  gedaen  achter  rugge  ende  wech  verdreven , 
Stoke  IX,  446.  (Si)  liepen  vaste  achter  rugge, 
IX,  536.  Ende  deedse  keren  after  rugge,  IX, 
787.  Een  scuwel  pert,  dat  van  cleynen  dingen 
after  rugge  springet  ende  valt  afterwaert  in  den 
sloet,  Ned.  Proza  204.  Si  trocken  achter  rugge 
al  bescaemt,  Exc.  Cron.  134  a.  —  Achter 
T XL gg e,  ^),  achterwaar ta,  Mhterover.  \\  Dat  ghi 
maect  een  va.ste  brugge,  sone  valter  nyemant 
after  rugge,  Hild.  53,  129.  Doemen  in  der  missen 
opbeurde  dat  heilige  lichaem  Christi,  viel  hi 
achter  rugge,  Ned.  Proza  293.  Ende  se  vielen 
achter  rugghe  ter  eerden ,  Brugm.  2,  342.  ||  Achter 
rugge  setten  of  werpen,  oy?  den  achtergrond 
zetten,  geringachatten.  ||  Verghete,  dat  is,  set  after 
rugghe  die  dinghen  die  gheleden  sijn,  Brugm.  1,  290. 
Dat  wy  alle  tijtlike  dinghen  achter  rugghe  setten  sel- 
len ,  ald.  279.  Dat  si  eer  ende  gemac  al  after  rugge 
setten ,  St.  Bern.  40  d.  Of  een  broeder  ontrint  van  den 
oerden  ende  ghehorsamheit  ende  geestelike  tucht 
achter  rugghe  werpt,  D.  Orde  265.  Du  worpes 
afl«r  rugge  al  mine  souden,  Ha^^  Pa.  60  r.  — 
Ook   met    de  bijw.  a:  achter    rugges  setten, 


17 


ACHT. 


ACHT. 


18 


II  Zyn  stnderen  setten  hl  drie  jaren  lanck  achter 
mgghes  ende  regeerde  schole  in  der  stadt, 
Bienb.  128  d.  (Vg.  Frosa-Rein.  56  r:  Scouten  ende 
scepenen  raden  after  mgghes  toe  ende  helpent 
mede  insetten  ende  leren  doer  den  vingher  sien. 
Rein  II,  4239  heeft  achter baees,  ons  achterbaks  ^ 
dat  in  vorming  met  achter  niggee  te  vergelgken 
is.)  —  Achter  voet,  achteruit  ^  terug.  ||  Daer  wart 
doe  die  strijt  so  groet,  datsi  moesten  achter  voet 
enen  bogescote,  Merl.  23167.  —  Ook  in  de  nitdr. 
Enen  achter  voet  y^ol g en ^  tem.  op  den  voet ^ op 
de  hielen  volgen.  \\  Daer  si  hem  volgeden  achter 
voet,  Sp.  III«,  37,  19,  en  Achter  voet  gaen, 
achteruitgaan  y  op  den  achtergrond  geraken.  \\  Dan 
gaet  die  doget  achter  voet,  ^.  !•,  8,  41. 

2)  Naar,  eigenlek  in  de  richting  van  iemand  die 
zich  verwijdert.  \\  Als  hi  achter  die  vlieghe  sloech 
endemissede,  die  vlieghe  loech,  ^^qp.  XXXVI,  9.  — 
Achter  enen  sien  of  roepen,  iemand  achter- 
nazien  of  achtemaroepen.  \\  (Si)  ghinghen  boven 
ten  hoghen  tinnen  ende  saghen  achter  Walewcyne , 
Wal.  204.  Doe  riep   hi  achter  Waleweinc,  8557. 

3)  Zeer  gewoon  was  eene  andere  opvatting,  die 
nog  in  de  17de  eeuw  in  enkele  spreekwijzen  voort- 
leefde, t.  w.  die  van  door-heen,  over-heen,  nog  min 
of  meer  in  ons  achterwege  bewaard.  Achter  met  den 
3den  nv.  werd  als  voorz.  van  plaats  gebruikt  om 
aan  te  duiden,  dat  iets  óf  zich  binnen  zekere 
ruimte  beweegt,  óf  overal  binnen  die  ruimte  ver- 
spreid is.  Zie  de  nadere  verklaring  dier  uitdrukking 
Ned.  Wdb.  op  Achter  I,  5. 

De  meest  gewone  dier  uitdrukkingen  z^n: 
Achter  lande,  door  het  land  heen ,  overal  in  het 
land.  II  Dese  plach  aerme  broeders  tontfane,  die  achter 
lande  plagen  te  gane,  Sp.  III»,  42,  33. Wette, die 
waren tegaen achter  lande  ende  in  die  steden,  III*, 
19,  52.  Dit  sien  wi  daghelijcs  achter  lande,  Doctr. 
III ,  1032.  Diemen  vendt  achter  lande ,  Teett.  56.  Die 
vare  achter  lande,  Limb.  III,  481.  Die  conste 
draghen  achter  lande  behoeven  ghelt,  Hild.  173, 
119.  Sine  ghinghen  achter  lande,  L.  v.  J.  c.  76. 
Wyde  achter  den  lande,  Serv.  II,  1264.  Achter 
lande  jagen,  Nat.  BI.  I,  247.—  Achter  velde 
over,  op  het  veld.  \\  Datti  hier  achter  velden  heeft 
gelegen  so  menich  jaer,  Maleg.  668.  Ende  men 
daermen  achter  velde  verhuege  met  gonen  gelde. 
Franc.  3601.  Daer  mochte  men  menich  moederbaren 
naect  sien  lopen  achter  velde,  Stoke  III,  1134. 
Singhende  scoen  ende  claer  achter  velde.  Nat.  BI. 
VII,  510.  Springhende  achter  velde,  VII,  674.— 
Achter  straten,  lar^gs  den  weg.  \\  Ende  voer 
stille  alse  een  muus  achter  straten,  Ferg.  726. 
Als  sise  droghen  achter  straten ,  Rijmb.  6508.  Die 
cruciflxe....  sleypten  si  onwaerdelike  achter  straten 
in  den  slike,  Wrake  III,  1799.  Als  ie  achter 
straten  ginc,  Lucid.  5695.  Edelheit  die  laet  men 
dolen  achter  straten  in  den  slijck,  Hild.  123,  132. 
Dese  en  loopt  niet  after  straten  met  enen  lyedekgn 
om  broot,  Mlo^  II,  54.  Si  placht  te  Nyvele  achter 
straten  te  gaen  aen  haer  vrienden ,  Exc.  Cron.  27  d. 
—  Zie  nog  tal  van  voorbeelden  in  de  gloss.  op 
Rijmb. ,  Lsp. ,  Mlo^  enz. ,  by  Huyd.  op  Stoke  Dl.  2 , 
bl.  20,  Clignett,  Bijdr.  362—64,  De  Jager,  Zat. 
Verteh.  159,  enz.  —  Ook  reeds  vroeg  met  den 
4den  nv.  gebruikt:  Achter  tfelt,  after  tfelt. 
Nat.  Bl.  VI,  732,  Rijmb.  28104,  Mloep  II,  2198. 
Achter  de  strate,if«nAi»^I, 3494, enz,  r=  Andere 
uitdrukkingen  met  achter  in  deze  beteekenis  zyn 
de  volgende:  ||  Achter  heiden,  Ferg,  3^^0.  Achter 
mouden,  over  den  grond,  i^.  II*,  4^  .a  Achter 
bossche,  Lann.  III,  2845;  Rosé  %Xy^*   :  j, ter  lw)s- 


schen  ende  hagen,  Eleg.  340.  Achter  wonde,  Base 
90;  Limb.  VI,  1953;   Sp.  IV»,   25,  14;   Brab.    T. 

II,  3739.  Achter  de  stede,  Sp.  I^^  27,  115. 
Achter  poorten,  Cout.  v.  Brugge  I,  328.  Achter  die 
port ,  Ferg.  721 ;  Amand  1 ,  3466.  22  personen  die 
ommeghinghen  achter  de  poert  van  huse  thuse. 
Rek.  V.  Gent,  I,  457.  Achter  dorpen ,  Serv.  II,  166. 
Achter  wege,  langs  den  weg,  Lane.  III,  1874; 
Velth.  VIII,  3,  28;  later,  min  juist:  Achter  wegen, 
Brugm.  2,  322.  Achter  erderike,  ^.  III* ,  24,  45; 
III»,  48 ,  89.  Achter  werelt ,  Sp.  II» ,  17,  24.  Achter 
werelden  harentare,  Sp.  IV»,  12,  83;  Franc.  4114. 
Achter  die  (o/ der)  werelt,  ^.  III*,  10,  64; 
IV»,  31,  45;  Mloep  I,  2097,  2181.  Achter  die 
woestine,  Sp.  IV,  36,  11.  Achter  kercken,  Merl. 
9722.  Achter  Vrieslant  harentare,  Stoke  III,  224. 
Achter  Grieken  harentare,  Sp.,V  U,  45.  Achter 
Surien  harentare,  Sp.V  ,^b,  41.  Achter  Rome, 
Sp.V,'i,  29;  III',  14,  48.  Achter  Colene,  Serv. 

1 ,  2220.  Praxedis  keerde  hare  achter  haer  cellekijn 
harentare,  Franc.  9969.  Achter  hove,  Lanc.  111, 
17061;  Wal.  7441.  Achter  den  hoven,  Belg.  Mus. 

2,  116.  Achter  huse,  Sp.  III •,  38,  62;  Lev.  v. 
J.  c.  80.  Achter  huse  ende  achter  vloere.  Rosé 
8831.  Achter  thuys.  Hor.  Belg.  9,  90.  Achter 
vloere,  Belg.  Mus.  10,  64,  73.  Achter  zalen ,  Xtf»r. 

III,  10300.  Achter  die  sale,  Velth.  IV,  40,  58. 
Achter  scepe  sien,  Lanc.  III,  9572.  Achter  therte 
Parth.  7801.  After  water  ende  after  lande.  Mieris 
1,  223tf. 

b)  Van  tijd. 

4)  Na,  nog  heden  in  H  eng.  de  hoofdbeteekenis 
van  after.  \\  After  Augustus,  Jan  Yp.  51.  Achter 
dese  edele  vrouwe  bleef  een  sone,  VI.  Rijmkr. 
5065.  Ende  verbeetse  elc  achter  andren,  Esop. 
XXIII ,  5.  Inne  wane  achter  desen  dach  niet  langher 
beiden,  Limb.  II,  148.  Tien  jaer  regneerde  hi 
achter  hem,  Sp.  III»,  26,  24.  Achter  noene  gaen 
si  dringhen  by  den  vrouwen  in  dat  bier,  Hild. 
173,  114.  Achter  sine  doot,  ^.  IV»,  71,33  ;^*c>p. 
LXVII,  10.  Achter  dien  doot  van  Christus,  Ned. 
Proza  250.  Achter  onse  doot ,  iZym*.  33957.  Achter 
die  plage,  D.  Lucid.  5647.  Achter  Sinxen,  Rijmb. 
5173  var.  After  dien  mael  ende  stonde,  Mloep  I, 
1779.  Achter  dit  lijf  hemelrike,  Vad.  Mus.  4, 
147,  76.  After  dese  tijt,  Clign.  op  Esop.  bl.  140. 
Achter  die  tnt  beterde  si  haer ,  Exc.  Cron.  30tf. 
(Hi)  en  hoerde  haer  ghescalle  niet  meer  after  die 
tijt,  Hs.  87,  /.  69c.  Achter  etene  hi  te  bedde 
ghinc,  Parth.  1196;  zie  ook -FVry.  241 ,  582.  Achter 
hem,  Rijmb.  20170.  Achter  hem  crone  dragen ,  Sp. 
IV»,  83,  16.  Ghi  en  siets  meer  after  heden, -Stf^A. 
306.  Achter  huyde,  na  heden,  Serv.  I,  2780.  Dat 
niemant  .  .  .  after  huyden  enigherhande  wjn  .  .  . 
duerer  sal  mogen  tappen  ...  dan  die  stoop  voir 
XII  groot,  O.  K.  V.  Delft  II,  67 ,  23.  Achter  nu ,  »w 
dezen ,  Lsp.  III ,  3,  845.  Dat  niement  vlas  hekelen  . . . 
en  sal  achter  dander  clocke  tot  datmen  den  dach 
blaest,  O.  K.  v.  Dordr.  24,  53.  Gheneset  niet  achter 
dat  beschauwen,  soe  bedarf  dat  men  die  stede  ont- 
vleesche,Jan.Yp.  115.  — Achter  een,  achtereen^ 
na  elkander.  \\  Flor.  1128 ;  Nat.  Bl.  XII ,  966 ;  Rijmb. 
33754.  —  Achter  dien,  achterdien,  uit 
achter  en  dien,  3den  nv.  ywi  onz.  dat.  Na  dien  tijd ^ 
d^Nsrna.  \\  Den  logenaer  castien,  ende  after  dien  niet 
meer  getruwen,  Hild.  4,  72.  Soe  moghen  si  mit 
vrou  Eren  hoven  achter  dien  hoer  daghen  lanc ,  26 , 
133.  Worde  een  scaep  soe  nauwe  ghescoren,  dat 
in  twifel  staet  verloren  wolle  te  draghen  achter 
dien,  238,  109.  Zie  nog  51,  220;  143,  113; 
Mhep  II,   3187,    3635,   III,   1099.  —  Achter 


19 


ACHT. 


ACHT. 


20 


dien  dat,  na  den  lijd  dat^  nadat.  \\  Waer  omme 
ie  meene  dat  een  recht  goet  man  nemmermeer 
qaadyen  lief  mach  hebben  ofte  eenige  Trienscepe 
met  hemlieden  honden ,  achter  dien  dat  hare  quaet- 
hede  hem  keulic  zij,  Schaakêp.  f.  123.  Achter 
dien  dat  die  rechter  des  gewair  geworden  is, 
Matth.  209.  Of  die  ghene  .  .  .  ziec  werden ,  achter 
dien  dat  si  comen  binnen  oeren  vier  stapelen, 
Stadr.  V.  Zwol  135,  226.  Achter  dien  dat  hi  eens 
ghedoopt  is,  Hs.  75,  /.  98  b.  After  dien  dat  si 
hem  aldaer  soe  vaste  neder  scickeden,  Clerc  9. 
—  Achter  dat,  hetzelfde.  ||  Gheen  licht  noch 
vyer  te  honden  in  die  stove ,  achter  dat  die  wachter 
untgaet,  O.  K.  v.  Bott.  20,  38. 
c).  Van  omstandigheid. 

5)  iVAn*  bij  WW.  van  ii^tf^» ,  evenals  eng.  after.  \\ 
Polypus  is  gheseit  achter  eenen  visch ,  Jan.  Yp.  103; 
Schronfifelen  alsoe  heeten  si  in  Latine  achter   die 
soghe,  134.  Zoo  ook  165  en  167. 

6)  Van  bij  ww.  van  ^pr^ifr^».  ||  Alle  die  van  uwen 
ambochten  sijn  doet  eere,  ende  sprect  altoes  wel 
after  hem  lieden,  Jan  Yp.  43.  Die  quaet after mjjn 
ziele  spreken,  Ut.  Ps,  769. 

II.    Als  bijwoord. 

a).     Van  plaats. 

1).  Aan  de  achterzijde  y  van  achteren.  ||  Per- 
chevael  ende  Bohort  drogense  voren,  ende  Galaat 
.  .  .  droechse  achter  allene,  Lanc.  III,  10737. 
Ende  spranc  haer  achter  op  tlijf.  Rein.  II,  6289. 
Ende  hem  nochtan  sijn  grove  nrijn  achter  ontgleet 
van  grooter  pnn,  II,  7345.  Ende  gaf  hem  daer 
mede  sijn  deel  after  op  sijn  lenden.  II,  7472 
(zie  nog  II,  4153,  7487,  7491).  Achter  so  en  ist 
hogher  niet  dan  die  heert.  Nat.  BI.  II,  3111. 
Twi  sidi  vor  mine  ogen  smeker,  ende  achter  valsch 
als  de  verrader?  Rijmb.  86.  Dat  hi  hem  achter 
ontwee  snijt  aertsoen  ende  ors  met  sinen  swerde, 
Ferg.  2560.  Die  voren  es  ru  ende  achter  bloet, 
2407.  Die  joncfrouwe  scoet  achter  an  ende  hielt 
vaste  den  wilden  bi  den  bene,  Flandr.  I,  41.  Mer 
achter,  daer  men  mi  niet  en  siet,  singt  hi  van 
mi  een  argher  liet,  Rincl.  1365.  Achter  te  gader 
gebonden  ghelijc  het  ene  verwoede  ware,  Limb. 
X,  256.  Dat  mense  after  sel  beghieten,  Hild.  91, 
140.  Een  peerdekfjn  .  . .  dat  hontte  . . .  achter  ende 
vore,  Velth.  II,  19,  39.  Dicke  haer  aen  den  cop 
ende  achter  dnnne,  bediet  sotheit,  Belg.  Mus,  10, 
285.  —  Van  achter,  van  de  achterzijde ,  van 
achteren.  \\  Den  lachter  . . .  diemen  hem  sprac  van 
achter,  Rijmb.  9957.  Isengrine  wies  sijn  toren  beide 
van  after  ende  van  voren,  Rein  II,  7151.  Zie  ook 
Wal.  4250;  Nat.  BI.  II,  3223;  Heelu  6340.  Het 
tegengestelde  na  (naer)  achter  was  niet  in  ge- 
bmik:  daarvoor  zeide  men  achterwaert. 

2)  Aan  de  achterzijde ^  achteraan.  \\  Selve  quam 
hi  achter  ghevaren,  Rijmb.  20757.  Achter  qnam 
ene  vrouwe  rike,  lAmb.  III,  1182.  Dat  after  hoert 
dat  keersi  voer,  Hild.  236,  71. —  Ook  komt  naast 
achter  de  vorm  acht  voor.  Verg.  bacht  naast 
tachten  en  bachter.  \\  Dus  reet  hi  tot  hem  op 
die  gracht;  si  voeren  na,  die  waren  acht,  Segh. 
2027.  Daer  na  ginck  dragen  den  heilich  Sacrament, 
daer  aft  ging  de  bmederscap ,  Hermans ,  Gesch.  d. 
Reder.  191. 

3)  Evenals  het  denkbeeld  van  „^  voorste  te  zijii" 
de  voorstelling  medebrengt  van  voordeel  te  behalen , 
of,  waar  het  een  strijd  geldt,  van  te  overwinnen ^ 
zoo  staat  dat  van  „de  achterste  te  zijn"  gelijk  met 
schade   lijden ,    het  onderspit   delven.   Achter   of 


1 


tachter  (te  achter)  worden  in  dien  zin  over- 
drachtelük  gebruikt  in  verschillende  nitdrukkingen, 
die  te  kennen  geven  dat  iemand  hetzjj  in  den 
strijd  ongelukkig  y  hetzij  in  nood  of  ellende  ^  terug- 
gezet of  benadeeld  ia,  Yerg.  Achterdoen,  ACHTER- 
GAEN,  Achterhouden,  AcHTERSETTEN. — Achter 
hebben,  tachter  hebben,  achterstaan,  het 
kwaad  hebben  in  den  strgd ,  in  H  nauw  geraken ,  of  wel 
verslepen  worden ,  het  onderspit  delven ,  achteruitgaan. 

II  Alse  twee  manne,  die  beide  spn  fiere ,  enen  wijch 
vechten,  deen  moets  daer  achter  hebben  ende 
bejagen  lachter ,  Ferg.  2418.  Weet  wale  dat  tachter 
hier  hadde  die  stoute  Ritsaert,  Lorr.  II,  4321. 
Bi  Gode,  her  ridder,  ghi  hebt  tachter:  slougic  u 
dus,  ie  hads  lachter,  Limb.  III,  325. —  Ook  met 
bijvoeging  van  het  vnw.  V,gelijkw5  thans  zeggen: 
het  kwaad  hebben,  enz.  ||  Si  hebbent  daer  nu 
tachter  sere,  Lorr.  I,  17.  Nu  soudi  u  weren  alse 
ghijt  hadt  tachter,  Limb.  VII,  1262.  —Tachter 
werden,  hetzelfde  als  het  voorgaande.  ||  Ende 
sloech  Keyen  oec  na  das  .  .  .  opten  arm  met 
nidecheden ,  dat  hem  sijn  swaert  ontviel  ter  steden. 
Doe  werd  Keye  tachter  sere,  Lanc.  III,  19829. 
—  Tachter  gaen,  hetzelfde  als  het  voorgaande. 
Verg.  AcHTERGAEN  onz.).  II  En  haddi  geweest, 
sonder  waen,  ie  ware  hier  nu  tachter  gegaen, 
Lanc,  III,  21887.  Bi  den  wekken  dat  si  weder 
qualic  gheregeert  is  gheweest  ende  seer  tachter 
ghegaen,  Exc.  Cron.  235  d.  —  Tachter  doen, 
doen  achterstaan y  terugslaan ,  achteruitzetten,  in  V 
nauw  brengen.  Verg.  ACHTERDOEN.  ||  Binnen  deser 
selver  steden  was  Keye  tachter  soe  gedaen,  dat 
hine  mochte  niet  gestaen,  Lanc.  III,  19846.  Ag^- 
lant ,  die  stoute  here ,  heeften  harde  swaer  bestaen 
ende  tachter  sere  gedaen,  Lorr.  II,  704.  Die  den 
coninc  dus  tachter  doet,  Velth.  IV,  10,  16. 
Reinout  en  achtes  niet,  al  was  hi  nu  tachter  ge- 
daen, III,  13,  42.  So  dattie  coninc  sciere  was 
tachter  gedaen,  V,  26,56. —  Tachter  setten, 
terugzetten y  terugslaan,  achteruitzetten,  benadee- 
len.  Verg.  Achtersetten).  ||  Ne  setwise  niet 
tachter,  wine  verwinnen  niet  den  lachter,  Lanc. 
II ,  33387.  Deerste  is  dat  men  daer  met  den  lichame 
sere  tachter  set,  Lsp.  III,  24,  17.  —  Tachter 
houden,  voortdurend  doen  achterstaan,  in "^t nauw 
houden.  Verg.  Achterhouden).  |j  Si  daden  den 
coninc  groten  lachter  van  Ingelant  ende  hllden 
tachter,  Velth.  VI,  7,  59.  —  Tachter  bliven, 
voortdurend  achterstaan,  in  de  klem  blijven,  verlo- 
ren gaan.  \\  Hi  heeft  hulpen  hier  te  doene  ochte 
hi  blives  tachter  hier,  lA>rr.  II,  3381.  Beneemt 
hi  dus  onse  coren,  soe  blivewi  tachter  ende  ver- 
loren, Velth.  IV,  59,  15.  —  Hem  tachter 
geven,  zich  verwonnen  geven,  erkennen  dat  men 
verslagen  is,  hetzelfde  als  Ivve ,  gelove  liën.  \\ 
Sloechstu  doet  den  coninc,  die  hem  verwon- 
nen geeft  ende  tachter,  daer  (/.  dat)  ware 
scande  ende  oec  lachter,  Lanc.  III,  18518.  — 
Hem  tachter  sien,  zich  achteruitgezet  zien.  \\ 
Al  schijnt  een  man  eeu  vrient  voer  oghen,  alst 
comt  dat  hi  hem  tafter  siet,  meent  hijs  mitter 
herten  niet,  Hild.  28,  188.  —  Achter  sgn, 
verslagen  zijn,  in  liet  onderspit  zijn.  \\  Daer  dus 
achter  was  die  Grave,  Velth.  III,  9,1.  —  Achter 
of  tachter  sijn,  in  verval  zijn,  aan  lager  wal 
zijn ,  of  wel ,  in  verslagenheid  zijn ,  neerslachtig  zijn., 

II  Flatus  meester,  wat  sal  geschien,  daer  gi 
aldus  om  tachter  sijt?  Esmor.  62  (verg.  60).  Maer 
so  waer  dat  scepenen  of  die  in  sheeren  stede  es 
achter  es ,  ne  wordt  daer  niet  gehouden  als  scepene 
of  in   sheeren   stede   zijnde,    Cout.   v.  Brugge  I, 


21 


ACHT. 


ACHT. 


22 


325.  Also  dat  dat  heel  conincrijc  daer  zeer  om 
tafter  was  ende  in  zwaren  verdriet,  Ned.  Proza 
78.  Policvmeesters ,  die  de  stadt,  die  seer  tachter 
was,  weaer  op  haer  voeten  brachten,  Exc,  Cron. 
286  d,  —  Tachter  visscen,  met  nadeel  vu- 
achen^  met  tchade  de  visseherij  drijven,  ||  Want 
zij  die  naeste  vier  off  vgff  jaren  meer  tachter  ge- 
vist hebben  dan  te  vooren,  Enq.  17.  —  Achter 
in  dezen  zin  wordt  ook  als  znw.  gebruikt,  gelijk 
men  nog  van  Aet  vóór  en  te^en  B^reékt.  U  achter, 
uwe  aehade^  uw  nadeel^  hetzelfde  ongeveer  als 
achterdeel:  zie  ald.  en  verg.  ons  znw.  hinder 
met  het  onde  voorz.  hind-er^  hd.  hinter,  ||  Here, 
gine  selt  die  strate  niet  Uden,  daer  lage  n  achter 
sere  an,  Yelth.  III,  5,  26. 

4)  Naar  achteren ,  ochtn'waartt.YeTg.  Achtersien. 
II  Hoe  luttel  si  after  ten  stertwaert  sien.  Rein. 
n,  7616.  —  Vooral  in  den  vorm  Jeht:  verg.  II, «, 
2).  II  Nochtans  keric  nemmermeert  acht,  Fland. 
I,  777.  —  Bet  acht,  naar  achteren^  terug.  Y erg. 
Bet.  II  Gringolet  trac  bet  acht.  Wal.  6082.  Daerom 
stac  ie  u  bet  acht,  so  ie  best  mochte  metten 
voet,  Segh.  1466.  Boe  traken  die  ander  bet  acht 
ende  waenden  utekeren  saen,  maer  datsi  werden 
wederstaen,  10384. 

6)  Met  het  ww.  sijn  of  seinen ,  blijken.  —  Achter 
8  ij  n ,  verkorte  uitdrukking  voor  achter-  of  over- 
gebleven zijny  over  zijn,  of  blijken  te  zijn,  ||  Dat 
deel  van  desen  dage ,  dat  u  noch  achter  is  (eujpe- 
resf) ,  St,  Bern,  f.  37.  Daer  ne  sceeu  ander  trooster 
achter.  Franc.  10300. 

b)    Van  tijd. 

1)  JVid,  in  de  uitdrukkingen. :  —  Hier  achter, 
hierna,  daer  achter,  daarna.\\  Men  souds  wel 
tellen lachter  over  hondert  jaer  hier  achter,  Maleg. 
292.  Hoet  hoer  ten  lesten  is  vergaen,  suldi  hier 
after  wael  verstaen,  Mloep,  I,  721.  Altoes  hier 
achter,  ^.  lY,  22,  46.  Nemmermeer  daer  achter 
Bose,  fr.  262,  251.  —  Hier  achterwaert,  in 
denzelfden  zin,  Sp.  1»,  63,71.  —  In  derg. uitdr. 
met  een  voomaamw.  bijwoord  is  werkelijk  het  tweede 
woord  bSwoord,  niet  voorzetsel , blijkens  hieriot, 
^^rmede  enz. 

2)  Absoluut  gezegd,  voor  hier  achter,  dus 
hierna,  later.  \\  6hi  biecht  recht  of  ghi  een  scive 
in  die  hant  hilt  achter  mede  aen  te  gaen,  om 
daar  later  mede  aan  te  komen,  Hein,  \A.)  1672 
(bfl  Willems  bl.  67  verkeerdelijk  in  één  woord 
geschreven:  aftermeed,  en  gissend  verklaard  door 
achterkoop ,  achterhuur.  Verg.  De  Vries ,  Mnl.  Wdb, 
op  Achtermede). —  Eer  ende  achter,  vroeger 
en  later,  voor  en  na.  \\  Dese  drie  coninge,  deen 
achter  ende  dander  voren,  droeghen  crone  in 
AIba  die  stat,  Rijmb.   12949. 

Aanm.  Achter,  als  bijw.,  in  samenstelling  met 
werkwoorden  ,  wordt  zoowel  scheidbaar  als  on- 
scheidbaar gebruikt,  hoewel  de  fijne  onderscheiding 
tusschen  scheidbaar  en  onscheidbaar,  gelijk  thans, 
in  't  mnl.  onbekend  schijnt,  men  ging  althans  wille- 
keurig te  werk.  Bij  de  oudere  schrijvers  werden 
deze  WW.  meest  scheidbaar  gebruikt;  terwijl  bij 
latere,  vooral  ascetische  schryvers,  die  veelal  uit 
het  Latijn  vertaalden ,  de  verbinding  zeer  geliefd 
was,  hetzij  omdat  zQ  daardoor  de  eenheid  van  het 
Latijnsche  woord  op  soortgelijke  wijze  wilden 
teruggeven,  hetzij  om  hun  styl  meer  deftigheid 
b\j  te  zetten. 

ACHT£R,  als  znw.  gebruikt.  Zie  .^.qhTCR^S^* 
a,  3). 

ACHTERBAECS  (Achterbacs)  -j:^.  TJit 
Achter  en  Bac,  rug;  ohd.  bacho-,   ^^>     %  gC'   ^'^^' 


\ 


back.  Mnd.  achterbakes,  —  Achter  den  rug,  in  V 
geheim,  nog  heden  bekende  uitdrukking:  verg. 
Ned.  fTdb,  en  de  mnl.  uitdr.  achter  rugget  op 
Achter,  Voorz.  a,  1.  ||  Scout  ende  scepen  raden 
daer  toe  achterbaecs  ,  ende  helpent  insetten ,  Bein. 
II,  4238. 

ACHTERBAN,  znw.  m.  Uit  Achter  en  Ban, 
bij  Kil.  extremm  delectut  generalis  ataue  omnium. 
Vertaling  van  fr.  arrière-ban ,  dat  reeds  in  't  ofr. 
voorkomt  en  verbasterd  is  uit  mlat.  aribannum, 
herebannnm  (Littré  1,  202).  De  legermacht  door 
den  leenheer  ten  strijde  opgeroepen  uit  de  achter- 
leenmannen, welke  in  tyd  van  nood  met  die  uit 
de  leenmannen  ban  en  achterban  uitmaakten.  || 
Entie  soudaen  sende  ter  vaert  om  al  dat  quame 
darwaert  den  achterban  van  sinen  lande,  lAmb, 
VII,  1869  (vg.  1447).  Zoo  ook  VIII,  1746. 

ACHTERBLIVEN  {bleef,  bleven,  gebleven),  st. 
WW.  onz. ,  scheidb.  en  onscheidb.  Mnd.  achterbliven. 

1)  Met  een  persoon  als  subject. 

a)  Achterblijven,  terugbUjven,  de  tegenwoordige 
beteekenis:  Ferg.  1784,  3962;  Hild.  69,  116;  enz. 

b)  Achterblijven,  na  den  dood  van  iemand  blijven 
leven,  \\  Van  deser  dochter  van  den  voirscreven 
sijn  twee  sonen  achterbleven,  Brab.  Z.  VI,  11293. 

c)  Achterblijven,  hei  onderspit  delven,  \\  Maer 
met  enen  scarpen  knive  motie  noch  tavont  gehert 
wesen,  oftic  achterblive  van  desen,  Lanc,  II, 
45694.  Dies  en  selense  bi  minen  rade  .  .  .  nem- 
mermer  gewinnen  soene,  en  si  dat  Ritsart  die 
coene  hier  so  verre  achterblive,  dat  wi  vrese 
hebben  van  sinen  live,  Lorr.  II,  4024.  Dat  des 
hertogen  liede  onder  bleven,  dat  was  meer  dan 
wonder;  want  dat  daer  si  bleven  achter,  dat  was 
die  ierste  lachter,  Heelu  463.  —  Ook  van  eene 
vloot  gezegd.  Te  niet  gaan.  \\  Hoedat  in  den  jaere 
van  91  lestlede  bynaest  alle  de  gheheele  vlote 
verginck  ende  achter bleeff,  Bnq.  119. 

d)  Ook  met  den  2den  nv.  Des  — ,  in  gebreke 
blijven  van  iets,  het  niet  volvoeren.  \\  Ende  hadde 
hijt  ontseit  den  heren,  hi  waers  wel  achterbleven , 
Sp.  I»,  23,  41.  Al  woudic  die  soetheit  scriven, 
dat  ics  moeste  achterbliven,  Yst,  Bl,  639.  Hi  sal 
ons  wisen  wel  waer  die  mordenaren  fel  siin,  of 
wi  nemen  hem  tleven:  hi  ware  (/.  waers)  quaet 
achterbleven,  Limb.  II,  295. 

2)  Met  eene  zaak  als  subject. 

a)  Blijven  bestaan,  van  kracht  blijven.  \\  God, 
jane  spraecstu  dat:  .  .  .  „Vergevet,  ie  sal  u 
vergeven."  Waer  es  dit  wort  nu  achterbleven  ?  Sp, 
III',  16,  24. 

b)  Achterwege  blijven,  wegblijven,  onvermeld  blij- 
ven, Ne  ware  mijns  wives  lachter  ne  mach  niet 
bliven  achter ,  no  onghebetert  of  ODghewroken  , 
Bein,  I,  96  (verg.  II,  107).  Daerom  laet  iet  ach- 
terbliven ,  dat  ie  daer  niet  af  en  wil  scriven , 
V,  d.  Houte  18  var.  Maer  de  ghene  de  tLatgn 
screef,  in  weet  waer  bi  dat  achterbleef,  hine 
becreef  dat  jaer  niet  mede,  Stoke  I,  611.  Een 
deel  is  daer  afterghebleven ,  Bein.  II,  6.  Bedi 
latict  achterbliven,  Ferg.  3520.  Die  jeeste  .  .  . 
die  es  van  mi  achterbleven,  Bijmb,  11208.  Dat 
hijt  bescreve,  ende  het  achter  niet  ne  bleve, 
14745.  Te  volbringene  dit  ghedichte,  dat  achter 
ware  bleven  lichte,  Limb.  IV,  3.  Tis  beter  after- 
gebleven,  Mloep  IV,  2031  var.  Zoo  ook  Ferg, 
606;  Velth.  II,  20,  33,  enz. 

c)  Achterwege  blijven,  niet  gebeuren,  onvervuld 
of  onvolvoerd  blijven.  \\  Dus  bleef  achter  Brunen 
dinc  bi  mgnre  behendicheit  al.  Bein,  II,  2602. 
Dat  vele  achterblijft  van  dien   dat    dullarde    te 


23 


ACHT. 


ACHT. 


24 


pensene  plien,  Lanc.  II,  34989.  Ende  ember  so 
werd  dacr  belet,  dat  achterbleef  die  soendinc 
Velth.  VI,  27,  33.  Die  dinc,  die  ember  moet 
gescien ,  en  soude  daerom  niet  achterbliven ,  VII , 
15,  40.  Ooc  heeft  hi  hem  orlof  ghegheven  die 
feeste,  die  es  achterblevea ,  te  voldoene  of  hi 
wille ,  Bijmb.  33085.  Nu  benemet  dat  venijn  van 
ghiericheden  dit,  Martijn,  ende  doet  al  achter- 
bliven, Wap.  M.  I,  621.  Als  tgeven  es  achter- 
bleven, Velth  VII,  20,  10.  Dus  bleeft  achter, 
toren  ende  sale,  Liwid,  4048.  Dus  blijft  achter 
dat  „ay  mi",  Wap.  Rog.  791.  Daerom  siet,  wat  God 
gebiet  op  der  aerden,  daer  en  sal  niet  of  achter- 
bliven, B.  V.  1357,  183^.  Dat  quaet  achterbleven 
ware,  Vad.  Mu*.  2 ,  411 , 8.  Die  duecht  laten  achter- 
bliven, Amand  II,  3546.  Waer  dat  eer  ende  baet 
an  leit,  dats  quaet  versuumt  ende  achterbleven, 
Hild.  242,  140.  Soe  moet  by  wilen  daer  geschien 
dat  beter  after  waer  ghebleven  Mloep  1 ,  940.  Vander 
Vricsker  reise ,  die  men  ghedaen  soude  hebben  ende 
afterbleef,  Oorl.  v.  Albr.  329,  verg.  331;  Christ.  1258. 
Wrake  III,  1666  enz.  —  In  praegnante  opvatting 
ook  van  eene  bede ,  gedachte  en  wilU^  voor  den  inhoud 
der  bede,  der  gedachte  en  van  den  wil.  |)  Maer 
die  bede  es  achterbleven:  fierlike  ontseidyt  hare, 
Sp.  III*,  29,  26.  Dat  afterbleeff  Reynarts  ghe- 
dacht,  Hild.  35,  216.  Doch  es  sijn  wille  achter- 
bleven, 1^.  IV*,  62,  95.  (Dat)  achter  moet  bliven 
syn  {hs.  sinen)  wille,  Limb.  X,  773.  Dien  (/.Die) 
wille  sal  achterbliven,  Glor.  920.  —  Sonder 
cnich  achterbliven,  zonder  dat  iet*  achter- 
blijft^ bloote  versterkingsformule.  ||  Alle  die  u 
gaen  ane,  selen  si  uten  lande  verdriven  sonder 
enich  achterbliven,  Orimb.  II,  350. 

d)  Ophouden^  uitscheiden  met  iets.  Verg.  Achter- 
laten 10).  II  Siet,  Damascus  sal  achterblyven  stede 
te  wesene,  D.  B.  Jee.  17,  1  (Vuig.  ^fleeinet  esse 
civitas"). 

ACHTERBOEDINE,  znw.  vr.  Nageboorte,  lat. 
secund^e.  Vg.BORDENE  en  Dief.  Ghas.  Lat.-Germ.  623 
op  secunda  en  secundina^  waar  o.  a.  ook  Kindezburdlin 
wordt  vermeld.  ||  Tsap  gedronken  of  geplaestert 
op  vulva  doet  dwyf  haer  stonden  comen  ende  ver- 
loest  die  achterbordine  ende  van  der  dracht  die  doot 
comt,  lis.  Yp.  97^.  Lossen  van  der  doder  dracht 
entie  achterbordine,  106^. 

ACHTERBRAKEN,  zw.  ww.  onz.  Zie  Braken. 
Achterwaarts  trekken^  wijken.  \\  Walewein  scaemdem 
derre  saken,  dat  sine  daden  dus  achterbraken, 
Lanc.  II,  42137. 

ACHTERBRINGEN ,  achterbrenoen  {brachte 
of  brochte,  gebracht  of  gebrochf),  onreg.  zw.  ww. 
bedr.  Ncuir  achteren-brengen,  terugdrijven.  \\  Rechte 
alsic  waende  ingaen,  so  werdic  al  wederst-aen  rechte 
als  van  eere  heercracht,  ende  al  weder  achter- 
bracht,  Sp.  IP,  43,  21. 

ACHTERBUCKEN,  zw.  ww.  onz.  Achterwaarts 
bukken y  zich  achterover  buigen.  \\  Die  here  van 
Edinghen  stac  den  here  van  Cochi ,  dat  brac  tspere 
op  sinen  scilt  in  stucken,  ende  hi  achter  moste 
bncken;  maer  hi  rechte  hem  daer  naer,  Grimb.W, 
2125  (var.  achterwaert  .  .  .  bncken). 

ACHTERDAET,  -dode,  znw.  vr.  Hetgeen  men 
achterna  verricht  tot  herstel  eener  vroegere  daad, 
waarover  men  berouw  heeft.  \\  Want  ghebet  ende 
achterdade  comen  dicke  te  spade,  ende  dat  men 
oec  na  doet ,  dat  hevet  cranken  spoet ,  Brand.  (H), 
1401. 

ACHTERDEEL,  -dele,  znw.  ouzMu^. achterdél. 
Het  tegengestelde  van  V  orde  el:  dus  het  achter- 
staan   (b\j     iemand) ,     de   minste  partij   zijn ,    de 


oorspronkelijke  opvatting,  allengs  overgegaan  tot 
de  beteekenis  van  nadeel,  schade,  die  nog  in  de 
17de  eeuw  zeer  gewoon  was.  Zie  Ned.  Wdb.  || 
Doe  wert  erre  Dodineel  om  sire  geselleu  achter- 
deel, Lanc.  II,  126.  Of  hem  Serahioen  achterdeel 
wilden  doen ,  dat  sjjt  gereet  wreken  souden,  Flandr. 
V,  160.  In  desen  twist  waren  die  Brabanters  geheel 
al  te  seer  int  achterdeel ,  want  si  die  meeste  scade 
namen,  Grimb.  II,  5551.  Aldus  eest  dicke  achter- 
deel ,  dat  die  maté  gesellet  dan  metten  hoverdegen 
vrecken  man,  Doctr.  II,  594.  Elc  souct  tgheent 
dat  hem  'mach  vromen,  al  waert  achterdeel  hem 
zomen,  Wap.  Rog.  21.  Hieromme  heefti  qualic 
generen ,  die  niet  en  can  sgn  achterdeel  verdragen 
ende  laten  hem  geberen,  Vad.  Mus.  1,  89,  100. 
Wye  den  anderen  tsijn  ontsweert ,  .  .  .offafterdeel 
sijn  ouders  biet,  dat  en  gheert  hi  selve  niet,  Hild. 
12,  585.  Tis  onrecht  dat  goede  kinder  achterdeel 
of  groten  hinder  sullen  hebben ,  193 ,  100.  Op  hare 
achterdeel  ende  schade,  Nijh.  2,  281.  Hinder, 
prejudicie  noch  achterdeel,  Willems,  Meng.  319. 
In  grooten  acht«rdeele  van  den  gelanden,  Vad.  Mus. 
4,  113.  Groot  belet  ende  achterdeel,  ZVl,  Bijdr. 
4,  73.  —  In  het  mv. :  Alle  scaden,  costen,gprieve 
ende  achterdeelen ,  ald.  66. 

ACHTERDEINSEN,  zw.  ww.  onz.  Achterwaarts 
deinzen,  terugdeinzen,  wijken,  jj  Hem  wart  sijn 
wapenroc  van  sinen  live  verbarrent ,  ende  sgn 
oghen  met  calke  ende  met  asschen  soe  begoten, 
dat  hy  blindelinghe  achterdeinsen  moeste,  Cron. 
V.   Vlaend.  2,  28. 

ACHTERDEISEN,  zw.  ww.  onz.  Achterwaarts 
deinzen,  terugdeinzen,  wijken.  Hetzelfde  als  het 
vorige  woord,  met  uitgevallen  n:  verg.  Deinsen 
en  Deisen.  jj  Want  wie  dat  wille  zijn  ghepresen, 
te  wapinen  si  moeten  reesen,  daert  te  doene  es 
metten  vromen,  ende  negheen  tijt  achterdeysen. 
Denkm.  3,  183,  32.  Entie  aer  soude  vliegen  ter 
stede  , . . .  ende  sine  vederen  slaen  so  vreselike , 
datter  lilyen  soude  eysen,  ende  daer  af  achter 
sal  mogen  deysen,  Velth.  VII,  11,  38. 

ACHTERDENKEN,  {dachte  of  dochte,  gedacht 
of  gedocht) ,  onreg.  zw.  ww.  onz.  By  Kil.  futura 
meditari,  habere  rationem  futuri ;  mhd.  hinterdenken , 
zich  in  gedachten  verdiepen;  mnd.  achterdenken. 
Overdenken,  nadenken,  zich  ^é'^^éwi'^y»,  inzonderheid 
over  eigen  handelingen  met  bezorgdheid  en  be- 
kommering. Zie  Ned.  Wdb.  1 ,  651.  jj  Daerby  sou 
men  ooc  gevoelen  moghen ,  dat  hy  quaet  is ,  omdat 
hijt  segenen  vliet.  Wat  wil  ie  ooc  achterdenckeu  ? 
besiet  doch,  besiet,  tis  nu  te  verre  comen  om 
achterdenken.  Mar.  v.  Nijm.  26 ,  597.  Die  articulen 
van  den  kerstengelove ,  die  elc  mensche  sculdich 
is  te  geloven  sonder  achterdenckeu ,  Con.  Som,  6a. 
—  Inzonderheid  als  znw.  onz. ,  in  toepassing  op 
het  overdenken  van  bedreven  zonden,  in  den  zin 
van  berouw,  tw^^^*.  ||  Ofl  sy  int  spel  yet  hoorde  van 
dege,  daer  sy  berou  oft  achterdenckeu  by  crege. 
Mar.  V.  Nijm.  30,  710.  Maer  die  soo  versteent 
bij  ven  in  archeden  onweerdich,  dat  sy  nimmermeer 
en  hebben  achterdincken ,  die  moet  met  Lucifer 
in  den  afgront  versincken,  31 ,  737.  Ie  hoor  der 
reden  ende  argumenten  so  vele,  dat  ie  puer  ach- 
terdenckeu crijge  en  berou,  33,  794. 

ACHTERDIEN.   Zie  Achter,  voorz.  b. 

ACHTERDIJC,  znw.  m.  Uit  Achter  en  Dijk. 
Dijk  die  achter  een  anderen  gelegen  is,  binnendijk.  \\ 
Ende  alse  die  ree  dorecomet  ghaende  van  diere 
hoeven  in  die  Matena  tote  dien  achterdike,  ende 
dien  achterdikesloete  van  Papendrecht,  ende 
dien     achterdike    ende     achterdicsloet    toegaende 


25 


ACHT. 


•ACHT. 


26 


toter  Merewede,  O&rkb.  2,  172  «  («.  1280). 
Si  sullen  oec  also  verwaren  hoer  sidewinden 
ende  hoere  achterdike,  dat  si  gheen  onrecht  water 
oppe  miin  lant  ne  leyden,  302  b  {a.  1289). 
Dat  zj  zeer  groote  oosten  hebben  van  dyckaetge, 
overmits  de  voors.  inlage,  van  dammen  ende 
achterdoeken,  Inform.  62. 

ACHTERDOEN  {dode  of  dede,  gedaen),  onreg. 
st.  wvr.  bedr. 

1)  NoAT  achteren  doen  ^  ackteruittchuiven.  \\  Ende 
siner  gaten  op  dat  hooft  van  den  vede,  men  doet 
dat  veile  achter,  ende  men  bestrike  ...  die 
gaten,  Jan  Yp.  183. 

2)  Doen  achterstaan  (in  den  strijd),  doen  terug- 
loijken^  terugslaan^  verslaan.  \\  Entien  si  harde 
sere  verladen  ende  verre  achterdaden,  iorr.  II,  861. 
Si  daden  daer  so  groete  were.  Dat  si  dat  heidene 
here  achterdaden  ende  dreven ,  Ren.  1722.  Si 
vgftien  hondert  qnamen  daer  jegen  ende  hebben 
die  andere  achtergedaen,  Lanc.  III,  21738.  Dat  hem 
die  van  Fortegale  snn  volc  aldus achterdede,  21758. 
Si  daden  achter  die  van  buten,  Ferg.  3961.  Dat 
sise  doe  te  male  wel  een  boenre  achterdaden, 
Cass.  995. 

3)  Achteruitzetten ,  benadeelen.  ||  Hier  af  werd 
sere  die  coninc  in  Aelmaengen  achtergedaen,  Yelth. 
II,  28,  54.  Yerg.  de  zegswijze  tachter  doen 
in  Achter  bijw.  3),  alsmede  Acutergedoen  en 

ACHTERWAERT  (DOEN). 

4)  Hem  bet  achterdoen,  ineA  achterioaarts 
begeven  j  terugtreden^  achteruitdeinzen.  \\  Doe  wilde 
soene  cussen  na  dien  zede,  maer  Joseph  hem  bet 
achterdede,  ^.  I',  48,  63. 

5)  Van  een  gebod ,  eene  meening  of  bewering , 
een  geloof  gezegd.  Achteruitzetten ,  naar  den  achter - 
grond  verschuiven,  op  zijd-e  zetten,  opgeven,  luten 
varen.  ||  Dus  was  des  conincs gebot  ontfaen,ende 
des  paues  achtergedaen,  Velth.  IV ,  13 ,  77.  Worde 
bl  moejheden  geweert  die  minste  zeerhede  die 
hem  deert,  ie  wille  dit  achterdoen ,  )f^ap.  Bog.  1TS6. 
Entie  prophete,  die  was  gheset  aen  den  cruce, 
.  .  dien  sal  u  kint  te  dienste  staen,  ende  doen 
onse  wet  al  achter,  Segh.  100. 

ACHTERDRAGEN  {droech,  droegen,  gedregen 
of  gedragen),  st  ww.  onz.  Zie  Draoen.  Achter- 
waarts trekken,  wijken.  \\  Datter  menech  achter- 
droech  ende  keerde  van  den  stride ,  Lanc.  II,  44108. 
—  Met  den  3den  nv.  Eiien  achterdragen, 
zich  van  iemand  terugtrekken,  hem  niet  bijstaan, 
hem  in  den  steek  laten,  \\  Die  gene  die  mi  achter- 
dragen  ende  mi  niene  helpen  wreken  .  •  .  ,  God 
gevem   lachter   ende   toren!     Oarijn  I,  49—64. 

ACHTERDRAVEN,  zw.  ww.  onz.  Achteraan 
draven ,  achter  aan  het  paard  mede  draven.  Van  een 
gevangene  gezegd,  die  achter  een  paard  moet 
medeloopen.  ||  Maer  nu  dedi  mi  sulo  ghenigp  metter 
corden  •  die  mi  cnochte ,  wanneer  ie  daer  waert 
«ach  of  sochte ,  ende  ie  vergat  mgn  achterdraven , 
die  coorden  mi  sulcke  trecken  gaven,  dat  icker 
niet  up  mochte  letten,  in  moeste  mi  te  lopene 
aetten,  OvL  Lied.  en  Oed.  243,  303  (verg.  242, 
267  vlgj. 

ACHTERDRINGEN  {éranc ,  drongen ,  gedrongen ,) 
st.   WW.    onz.   en   bedr. 

Onz.  —  Achtemadringen ,  met  gedrang  achterna- 
komen.  \\  Tvolc  quam  achter  te  hope  gedrongen 
met  groten  scaren,  Brab.  Y.  II,  1262. 

Bedr.  —  1)  Achterwaarts  dringen^  tertiff^^^' 
Il   Doen   hi   wert   achtergedrongen     xTaein  &^^* 
Hoe   hertoghe  Wenceline  waert   aek*        /Ironeen 
'daer  met  crachte,  JBrab.  Y.  VI,  ^M^S^ 


2)  Terugdringen,  terugzetten,  benadeelen.  \\  So 
sal  die  loep  des  tijts  ...  in  vulen  souden  werden 
so  quaet,  ende  jegen  die  wet  doen  ...  in 
vele  sticken ,  ende  achter  dingen  (/.  achterdringen , 
t.  w.  die  wet),  ende  ongelove  oec  vord  bringen^ 
Velth.  VII,  18,  38—44.  Vg.  Tijdschr.  1,  286. 

ACHTERDRIVEN  {dreef,  dreven,  gedreven),  st. 
WW.  bedr. 

1)  Terugdrijven,  terugslaan,  verslaan.  ||  Ende 
weerde  hem  so ,  dat  hise  achterdreef  over  voet 
toter  bruggen  die  an  tfosseitstoet,Za»c. II,  17368. 
Dat  hise  soe  sere  verblinde  ende  met  slagen 
achterdreef,  dat  hem  tfelt  allene  bleef,  II,  44139. 
Dus  wordense  sere  achtergedreven ,  want  menech 
man  verloes  daer  dieven ,  III ,  17410.  Ende  dreven 
den  coninc  achter  daer,  II,  46924.  Siet  dat  wyse 
te  deser  stont  ghemoten  ende  dryven  achter,  ende 
wreken  mynen  groten  lachter,  Troyen  f.  72^. 
Hi  entie  sine  weken  uten  stride,  alse  die  achter 
was  gedreven ,  S^.  I* ,  49 ,  37.  Vier  conincge  metten 
haren  quamen  vreeselec  toeghevaren,  ende  dreven 
die  onse  achter,  Limb.  IX,  641,  verg.  631.  Hi 
werd  achtergedreven,  Velth.  II,  7,  98.  Die  van 
Gendt  .  .  .  dreven  den  gprave  van  Stampes  met 
den  sin  en  achter  tot  upt  feit,  Cron.  v.  Vlaend.  2, 
142.  Doe  wart  die  coninc  .  .  achtergedreven  .  . 
enen  bogescote  ,  Merl.  26669.  Nochtan  . . .  dreven 
sise  achter  in  der  noet  ende  sloegen  daer  oec 
vele  doet,  21133. 

2)  Terugdrijven,  achteruitzetten,    vernietigen.    || 
Hi  dede   Rome  groten  lachter,  want  hi  dreef  die 
vriheit  achter,  Alex.  V,  1126  {van   Julius  Caesar). 

ACHTERDROMEN,  zw.  ww.  onz.  en  bedr.  Zie 
Dromen. 

Onz.  —  Achterwaarts  dringen,  terugdringen, 
terugwijken.  ||  Hi  sonde  hem  sciere  te  hulpen 
comen  ende  doen  den  keyser  achterdromen ,  Fl. 
Bijmkr.  672. 

Bedr.  —  Achterwaarts  dringen,  terugdringen, 
verjagen.  \\  Van  souden  achterdromen  wint  die 
ziele  vromen,   Wap.  Rog.  1104. 

ACHTEREBBE,  znw.  vr.  Uit  Achter  en  Ebbe. 
Het  laatste  gedeelte  der  eb ,  nog  achtereb  geheeten : 
zie  Ned.  Wdb.  \\  Tis  al  op  een  achterebbe  te 
wachten,  Hild.  245,  167. 

ACHTEREN ,  (Afteren)  zw.  ww.  en  bedr.  Verg. 
ons  verachteren. 

Onz.    —    Achteruitgaan,    benadeeld  worden.    \\ 
Daer  met  achterden  sine  zaken,  Limb.  IX,  132. 

Bedr.  —  Achteruitzetten,  benadeelen.  \\  Ende 
mi  Mares  dus  heeft  ghelachtert  ende  verraden 
ende  gheachtert  bi  vidscen  rade  dien  hi  ghevet, 
Parth.  1662.  Hijs  dom  die  hem  te  prisene  pleget: 
dats  ydele  glorie  die  sere  achtert,  Sp.  1*,  46,  8. 
Doe  hem  de  keiser  Vrederic  sette  om  der  heiliger 
kerken  lette  ende  tachteme  tgeestelike  goet ,  Stoke 
UI,  733.  Hine  sal  mi  dit  niet  lachteren,  noch 
minen  name  daer  bi  niet  achteren,  Theoph.  19. 
Dune  moets  oec  nlemen  achtren,  noch  met  quaden 
worden  lachtren,  Bouc  v.  Sed.  61.  Waer  dat  zake 
dat  binnen  deser  tgd  enich  ghemene  oirloch  woirde 
jof  dat  men  also  vele  brouwede  aels  binnen  onser 
poirte  van  Dordrecht,  waer  bi  dat  sier  te  zere 
mede  gheachtert  waren  ende  an  verliesen  souden, 
dat  zouden  wi  zelve  versien  alse  redelike  ware, 
Mieris  2,  290  «;  V.  d.Wall  160  (a.  1322).  Dat  out 
raed  ende  nye  voertmeer  ghene  machte  hebben 
en  sellen  enighen  ghilde  vrihede  te  gheven,  daer 
ander  ghilden  bi  gheaftert  werden,  R.  v.   ütr.S9. 

2)   Naar  den  achtergrond  schuiven,  uitstellen.  || 
Nochtan   en   waert   gene   maniere  dat  mijn  camp 


27 


ACHT. 


ACHT. 


28 


geachtert  ware,  in  stredene  margen  openbare, 
Lffrr,  II ,  3497. 

ACHTEEENDE,  «nw.  onz.  Uit  JchUr  en  JEnde , 
einde.  Achtereinde, 

1)  Het  achtente  einde ^  hei  aehtersie  gedeelte; 
in  de  uitdrukking:  — Int  achterende  bliven, 
achteraan  blijven^  ten  achteren  raken.  \\  Als  sy 
horen  wagen  haestelic  mende,  so  bleven  dander 
int  aflerende  f  Mloep  II,  2727. 

2)  Het  achtereinde  des  lichaams,  het  achtertte, 
II  Ne  ghebrake  ons  niet  een  strop,  langhe  heden 

wiste  s^n  erop  wat  sijn  achterende  mochte  weghen, 
^ein.  I,  1927.  —  Nog  in  gebruik. 

ACHTERFEESTE ,  raw.  vr.  Uit  Achter  en 
Feeate.  Feeet  dat  men  viert  na  afloop  van  een  ander 
feest  Vg.  ons  voorbrtiiloft.  \\  Dat  niemene  ghene 
voorfeeste  noch  achterfeeste  van  brulochten  en  houde, 
noch  en  doe  houden,  meer  danne  van  X  scuetelen 
van  buten  der  duere,  Cout.  v.  Brugge  I,  355. 

ACHTERGAEN  {ginc ,  gingen ,  gegaen) ,  st.  onreg. 
WW.  onz.  en  bedr.,  scheidb.  en  onscheidb. ;  mhd. 
hindergdn, 

I.   Onzijdig  (scheidb.). 

1)  Achteraan  gaan,  achterna  gaan,  volgen,  het 
tegengestelde  van  voorgaan.  Verg.  Achter  b|jw  a, 
1).  II  Peter  quam  achtergegaen ,  daer  men  sinen 
here  leidde  gevaen,  X.  o.  H.  2218. 

2)  Achteruitgaan,  wijken.  Verg.  Achter  b^w.a. 
3).  II  Ende  si  bilden  hem  soe  wel  daer  naer,  dat 
si  niet  achter  ne  gingen,  Lanc.  II,  34040.  Wale- 
wein  moeste  nu  achtergaen ,  dies  was  droeve  Artur . . 
ende  alle  die  met  hem  waren,  42134. 

3)  Achteruitraken,  in  Hnauto  komen,  het  onder- 
spit delven.  Yerg.  Achter  bgw.  a.  2) ,  waar  t  a  c  h- 
ter  gaen  in  denzelfden  zin  vermeld  is.  ||  Dus 
sal  u  ordcne  achtergaen,  Velth.  VII,  20,  79.  So 
dat  die  heidine  en  mochten  niet  met  redene  gestaen , 
haer  roepen  en  moeste  achtergaen,  Sp.  III*,  47,  58. 

4)  Achteruittrekken,  zich  terugtrekken,  achter- 
blijven, het  beloofde  of  voorgenomen  e  niet  gestand 
doen,  een  plan  opgeven.  Verg.  Achterkeren  onz. 
3) ,  Achtertien  onz.  2) ,  Achtertrecken  onz. 
5).  II  Dat  Ferguut  niet  en  wille  achtergaen,  hine 
sal  proeven  die  avonture.  Terg.  1058.  Engeen  en 
salre  achtergaen ,  hine  salre  penitencie  ontfaen , 
Bx>se  14053.  —  Met  den  2den  nv.  of  het  voorz. 
van,  later  ook  met  den  4den  nv.  ||  Al  hadt  ghe- 
wesen  Barlabaen,  Hine  hads  achter  niet  ghogaen, 
hine  hadden  ghe volgt  toter  helle.  Wal.  9741. 
Daer  wi  nu  te  hant  of  spraken,  ie  en  wils  niet 
achtergaen,  Maleg.  377.  Dies  achtergaet,  moet 
riesen ,  Fleg.  602  (Var. :  moet  verliesen).  Die  hier 
penitencie  ontfaen  ende  des  willen  achtergaen , 
moetent  becopen  int  ander  lijf,  Lucid.  3486. 
Ende  bedie  diat  ie  niene  wille  dat  enech  man, 
lude  oft  stille,  van  der  dinc  die  ie  sal  bestaen 
enechsins  moge  achtergaen ,  soe  willic  dat  gi  nu 
gereet  ten  heilegen  doet  hier  uwen  eet,  Lanc. 
IV,  5435.  Dat  nieman  en  sal  .  .  .  van  den 
vorwaerden  achtergaen,  8761.  Die  Venetianen 
ghynghen  hun  belofte  achter,  ende  zy  en  wilden 
op    de    Turken    niet   trecken,  Belg.  Mus.  3,  382. 

4)  Met  eene  zaak  ?Xs  Bv\>)eci.  N€Mr  achteren  gaan , 
aehtervitgaan.  \\  Alse  een  roede  gheswollen  es  ende 
hi  es  vol  gaten  buten  ende  binnen,  ende  dat  de 
slove  van  den  vede  niet  achter  mach  gaen,  Jan 
Yp.  184. 

5)  Met  eene  zaak  als  subject.  Achterblijven^ 
niet  plaats  hebben.  \\  Coep  van  erven  steet  te  wet- 


tiger  waerheit,  ende  alsoe  saen  als  de  coep  es 
gedaen,  soe  es  naerscap  gevallen,  ende  soe  en 
mach  de  coep  niet  achtergaen,  op  datten  de  gene 
wilt  hebben  dies  naerder  es ,  al  waert  dat  sake 
dat  hen  beiden  berouwede,  Cout.  v.  Vccle  126. 

n.  Bedrijvend  (onscheidb.). 

—  Achterhalen ,  inhalen.  Zie  On 7..  1)  en  verg.  ACH- 
TERLOPEN ,  ACHTERRIDEN.  Die  dieve  waenden 
hem  wech  maken,  maer  Ferguut  was  daer  te  snel, 
ende  liep  na  die  ridders  fel,  ende  achtergincse 
ane  enen  berch,  Ferg.  2730. 

ACHTERGANG,  -gange,  znw.  m.  Achteruitgang. 
Zie  Achtergaen  onz.  2)  en  3).  ||  Wat  is  ledi- 
cheit ,  dan  . . .  afterganc  der  vordemisse  ?  D.  War. 
6 ,  195. 

ACHTERGEBREKEN  (gebrac,  gebraken, gebroken) 
st.  WW.  onz.  Zoodanig  in  gebreke  blijven,  dat  iets 
wordt  nagelaten;  achterwege  blijven.  \\  Si  brachten 
die  aventuren ...  in  vif  jaren  te  hoefde ,  so  datter 
na  die  saken  lettel  te  bringene  achtergebraken , 
Lanc.  III,  10180. 

ACHTERGEDOEN  (gedode  of  gedede,  gedaen), 
onreg.  st.  ww.  bedr.  Hetzelfde  als  Achterdoen: 
zie  ald.  Terugslaan,  verslaan.  \\  Hem  torent  sere 
dat  hi  niet  die  Fransoyse  conde  achtergedoen ,  lamb, 
V,  234. 

ACHTERGECRIGEN,  (gecreech,  gecregen,  ge- 
cregen) ,  st.  ww.  bedr.  Achter  uitkrijgen ,  naar  achte- 
ren krijgen  of  schuiven.  \\  Is  dat  zake  .  .  .  dat 
men  dat  vel  achter  niet  can  ghecrighen  ende  die 
bolle  bloot  hebben,  daer  salmen  aldus  toegaen, 
Jan  Yp.  183. 

ACHTERHALEN,  zw.  ww.  bedr.,  onscheidb. 

1)  Inhalen,  de  hedendaagsche  beteekenis:  Eleg, 
352;  Boerden  III,  14. 

2)  Enen  — ,  als  rechtsterm,  iemand  betrappen 
op  iets  dat  strafbaar  is ,  hem  van  schuld  overtuigen. 

II  Zo  wie  die  gheachterhaelt  worde  bi  dekenen 
ende  vinders ,  dat  hi  eenich  laken  niet  wel  ghescoren 
en  hadde,  ZVl.  Bijdr.  6,  163  {a.  1441).  Danne 
sal  men  thof  open  houden  tote  smorghens,  ende 
danne ,  es  hi  niet  commen ,  men  salne  wisen  ach- 
terhaelt  van  sinen  derden  voortheesschene ,  Belg. 
Mus.  1 ,  54.  Ende  naer  datter  niement  commen 
nes ,  no  bode ,  no  zinnebode ,  dat  hise  alle  achterhaelt 
heeft,  diere  recht  an  heesschen  moghen,  ende  s^n 
leen  wel  ghesuvert,  55.  Dat....  alle  de  ghene 
die  hem  rechts  vermeten  willen  an  dit  leengoet, 
achterhaelt  syn  ende  verwonnen  van  haren  drien 
veertiennachten,  ald. 

3)  Iet  — ,  iets  door  een  gerechtelijk  vonnis 
verkrijgen.  Verg.  Afwinnen.  ||  Van  den  lande 
dat  men  achterhaeldt  ende  afwindt  by  vonnessen 
van  scepenen . . ,  daer  af  heeft  Jan  vorseyt  tderde 
van  den  lande,  Gend4  Chtb.  125  {a.  1402). 

4)Enescade  — ,  weder  inhalen,  herstellen^ 
of  verhalen.  \\  Maer  laet  hi  dat  ridderscap  nu, 
dat  ne  sal  hi  nemmermere  achterhalen  in  ghenen 
kere,  Lanc.  II,  35456.  Al  gevalt  bi  aventuren, 
dat  een  man  teneger  uren  sijn  lant  verliest  bi 
crachte,  oft  bi  verradenesse ,  oft  bi  machte,  dits 
ene  sake  diemen  mach  achterhalen  op  enen  anderen 
dach,  IV,  5221. 

ACHTERKANT,  znw.  vr.  In  de  uitdrukking 
die  achterhant  hebben,  het  onderspit  delven , 
den  stHjd  verliezen:  verg.  in  tegengestelden  zin, 
de  overhand  hebben.  \\  Bandersidc  Agulant,  die 
daer  hadde  die  achterhant,  was  sere  droeve  ende 
onblide,  want  hi  verloren  hadde  die  stride,  Lorr, 


29 


ACHT. 


ACHT. 


30 


II  f   553.   Banderside   was  onvroe   die  rike  coninc 
Agulant ,  om  dat  hi  hadde  die  achterhant ,  II ,  388. 

ACHTERHEIT  (achterhede)  ,  znw.  vr.  Van 
Achter  bjw.  Het  ten  achteren  zijn^  dns  zoowel 
Achterstand  als  üadeel^  schade;  bij  Kil.  nAch- 
terbeyd  j.  acliterstel,  r^%/m^.  ||  Aensieude 
die  groote  sware  schade  ende  achterhede,  Matth. 
Anal.  3,  373. 

ACHTËRHEEE  (achterhare)  ,  znw.  onz.  Ach- 
terste gedeelte  van  het  leger  ^  achterhoede.  \\  Quame 
80  vare  tachterliare  commen  al  daer  ie  naer  gare; 
ghelijc  dat  die  coninc  omboot  sijn  acliterhere ,  daer 
bi  80  groot  toeyerlaet  badde  ende  bope,  Beest. 
163.  —  De  eerste  woorden  zyn  stellig  beaorven ,  en 
moeten  misschien  aldns  veranderd  worden:  Ware 
so  varre  (of  verre)  tachterhare,  enz. 

ACHTERHOEDE  (achterhüde)  ,  znw.vr.Mnd. 
aehterhode.  Aehterhoede^9\s  thans.  ||  Mer  als  si  comen, 
daer  die  noot  aengaet,  so  sgn  se  die  eerste  die  daer 
wiken.  Die  scamele  moeten  dan  voorwaert  kiken, 
ende  si  verwaren  die  afterhoede ,  Rein.  II ,  5056.  Den 
Hollanders ,  die  doe  die  afterhude  hielden ,  Matth. 
Anal.  3,  318.  —  Die  achterhoede  doen,  de 
achterhoede  uitmaken^  vormen,  \\  Doe  al  dat  volc  was 
comen  daer,  ghinc  men  scaren  doe  dat  heer,welc 
voren  varen  sonde  ter  weer,  ende  wie  doen  sonde 
de  achterhoede,  Stoke  IX,  646.  Die  achterhoede 
dede  met  hem  die  stonte  here  van  Crajnem  met 
menighen  ridder  snel,  Grimh.  II,  1057. 

ACHTERHOEDEN,  zw.  ww.  bedr. Uit u<cA^«- en 
Hoeden^  hetzelfde  als  Achterwaren:  zie  ald.  Be- 
waren y  behoeden,  beschermen.  \\  Entie  coninc  wel- 
ghedaen,  die  daer  achterhoede  de  stad,  lAmb. 
XII,  292. 

ACHTERHOFSTEDE,  znw.  vr.  Een  naar  ach- 
teren gelegen  hofstede.  \\  Dirc  Vranken  s.  van  een 
afterhofstede  op  die  slnse  .  .  40  se.  Item  Dirc 
Melys  nevc . .  van  een  voerhofstede  op  die  sluse . . 
30  SC,  Bek.  d.  Graf.  1,  263. 

ACHTERHOUDEN  {hilt,  hielt  of  helt,  hilden, 
gehoitden) ,  st.  ww.  bedr.  en  onz.  Zie' Achter  b^w. 

Bedr.  —  Voortdurend  achterdoen  (zie  ald. 
1) ,  dus  voortdurend  doen  achterstaan  (in  den  strijd) , 
aanhoudend  in  V  nauw  brengen.  ||  Si  daden  den 
coninc  gproten  lachter  van  Ingelant,  ende  hildent 
achter,  Velth.  VI,  7,  59. 

Onz.  —  Zich  achteraf  houden,  ophouden,  uit- 
scheiden. II  De  dach  verginc,  de  nacht  qnam  aen, 
wy  moesten  tstormen  laten  staen;  die  scatters 
achterhielden,  O  VI.  lAed.  54,  15. 

ACHTERJAGEN,  zw.  ww.  \iB^.  Achteruitjagen, 
terugjagen.  \\  Die  van  binnen  gingen  slaen  np  die 
ander,  eer  sise  wel  saghen,  ende  begonstse weder 
achteijagen.  Wal.  7566.  Tancreit,  segetmen  over 
waer,  dat  hi  ses  milen  achterjaghede ,  ^.  IV*, 
18,  44. 

ACHTERCASTEEL ,  znw.  onz.  Hoog  oploopend 
achtergedeelte  van  een  schip.  \\  (Jesns)  sliep  opdat 
acht«rcasteel  op  enen  poeln,  Hs.  71,  Mare.  4,  38. 

ACHTERKEER ,  -kere,  znw.  m.  Zie  het  volgende 
art.  Het  achterwaarts  keer  en,  het  teritgwijken.  || 
Dat  si  noch  hare  here,  die  hertoge,  van  den 
achterkere  nie  twint  en  worden  gescoifiert,  Heeln 
5241.  Nochtan  drongense  so  sere  jegen,  al  was 
die  strjjt  ongewegen,  dat  hem  een  twint  niet  dat 
here  en  scofflerde  van  den  achterkere,  want  si 
bleven  gescard  in  een,  Velth.  III,  6,  60 

ACHTERKEREN,  zw.  ww.  onz.  en  b^r 

Onz.  —  1)  Terugkeeren,  ifugtrekk^' \\  Pie 
van  bnten  voer  waerhede  namen  deji  JL  van 
Vendome ,  ende  keerden  achter  met  cra^  J^    qxsï»  , 


VI.  Bijmh'.  6434.  Als  de  coninc  Philips  dit  siet, 
keerdi  achter  in  Vranckerike,  8812.  Keren  soe 
wonde  hi  te  bant  weder  achter,  om  dit  doen, 
Brab.  T.  II,  3871.  Mi  dnnket  goet,  dat  wi  weder 
keren  achter,  Cass.  955.  Ende  wilden  weder  keeren 
achter,  Ferg.  3917.  Ende  keerden  achter  van  der 
rivieren,  OVl.  Ged.  II,jl06,  111.  Ende  keerdon 
achter  van  moede,  117. 

2)  Achterwaarts  keeren,  terug  wijken,  wijken.  || 
Hi  dede  die  onse  al  achterkeren,  ende  sloeger 
vele  ende  vinc,  Lanc.  III,  11664.  Si  moesten  van 
pinen  achterkeren,  III,  17718.  Die  onse  sgn  be- 
ancsent  sere,  ende  snllen  bliven  in  den  lachter, 
wine  doense  keren  met  crachte  achter ,  Parth.  5328. 

3)  Met  den  2den  nv.  Zich  terugtrekken  {van  iets), 
het  niet  gestand  doen,  niet  vervullen.  Verg.  ACH- 
TERGAEN  onz.  4).  ||  (Hi)  dede  ons  allen  s weren,  dat 
wijs  niet  achter  sonden  keren,  wine  sonden  hem 
sine  dochter  geven,  Lanc.  III,  13997.  —  Ook 
zonder  den  2den  nv.  Zich  terugtrekken,  zich  af- 
wenden. II  Om  dit  woord  es  snlc  die  keert  achter, 
ende  wille  niet  sijn  geleert,  Bijmb.  24543. 

Bedr.  —  1)  Naar  achteren  brengen,  afwentelen.  \\ 
Wie  sal  ons  achterkeren  den  steen  van  der  dore 
des  graefs,  Hs.  v.  1348,  129<;. 

2)  Boen  achteruitgaan ,  achteruitzetten ,  benadeelen. 
II  Antkerst   bode,  die  dat  rycke  breken  wil  ende 
achterkeert,   alsoet   hem    die   duvel  leert.  Wrake 
I,  563. 

ACHTERCLAP,  —  clappe,  znw.  m.  Achterklap , 
kwaadspreken  achter  iemands  rug.  Mnd.  Achterklapp.  \  \ 
Mer  dat  si  draghen  qnade  viet  {vede),  end  daer  toe  af- 
terclappe  callen,  die  sond  en  wroeoht  hem  niet 
mit  allen,  KeUer,  Mnl.  Ged.  18,  420.  Dat  nwe 
leven  geen  gherufte  noch  gheneafterclap  daer  of  en 
ehedoghe,P<»«.  ^.  94a.  e. e. —  Enen  achterclap 
doen,  iemand  belasteren.  \\  Ende  si  lieten  dat  lesen 
staen  ende  begonsten  die  (/.  den)  moninc  aftorclap  te 
doen.  Ende  te  bant  wort  hy  weder  levende,  ende 
seide :  Broederen , . . .  waer  om  woudi  mi  afterclap 
doen?  Pass.  W.  236  a. 

ACHTERCLAPPEN,zw.  ww.  bedr.  yLnd. achter- 
klappen, vg.  Ned.  Wdb.  1,  680.  Enen  -^ , iemand 
belasteren.  \\  Wanneer  dat  ghi  yemant  siet  sterven, 
so  en  afterclappet  hem  niet.  Pass.  W,  236  a.  Zoo 
ook  Devoet  B.  (36)  19p. 

—  Afl.  Achterclapper ,  DevoetB.  (36)  19p,  20r,  e.  e. 

ACHTERCLOP,  znw.  m.  Uit  Achter  en  Clop. 
Eigenlijk  Klop  of  slag  van  achteren,  in  fignnrlgke 
toepassing.  Schade,  nadeel.  Verg.  hd.  hinterschlag 
(Orimm  4*,  1515\  ||  Die  steltmakers,  mids 
aesen  dinghe,  verloren  al  haer  neringhe;  want 
men  behoefder  nu  niet  meere,  alsoe  alst  plach 
wilen  eere  bi  vrouwe  Johannen  tiden;  sonderscop, 
elc   huedde   hem   voor   den   achterclop,  Brab,   T, 

VII,  199. 

ACHTERCOMEN  (quam,  quamen ,  gecomen) ,  on- 
reg.  st.  WW.  onz. 

1)  Achteraan  komen ,  volgen.  Verg.  Achter  bgw. 
a,l),  II  Selc  soudemi  laten  met  ghemake ,  saghe 
hi  u  comen  achter,  hi  sonde  u  gripen  ende  doen 
lachter,  lAmb.  I,  728.  Doen  quamen  si  al  bloedende 
achter,  Segh.  647. 

2)  Aehteruitraken ,  in  V  nauw  komen,  het  onder- 

2nt  delven.  Verg.  Achter  bjw.  a,  8).  ||  Want 
oen  die  grave  achterquam,  worden  tomich  ende 
gram  die  Maseleren  ende  die  Oesterlinge,  Heelu 
6647. 

ACHTERCROMMEN,    zw.    ww.   bedr.   Achter- 
waarts buigen,  naar  achteren  buigen  of  wenden.    \\ 
Die  {home)  dede  men  werpen  dan  daer  buten ,  ende 


31 


ACHT. 


ACHt. 


32 


neder  vaste  in  deerde  sluten,  dat  men  niet  mochte 
werpen  omme  {den  wagen)  y  noch  vorwerd  mennen 
no  achtercrommen ,  Velth.  III,  12,  15. 

ACHTERCRÜDEN  (croet  of  eroot,  croden ,  ge- 
crod-en)^  st.  ww.  bedr.  Van  Cruden  (zie  ald.),  bij 
Kil.  „kruyden,  trudere^  peilere",  ons  kruien. 
AchtenoaarU  dringen ,  ter itg drijven.  \\  Men  ginc 
die  blode  achtercruden ,  OVl.  Ged.  2,  91,  1402. 
Maer  dats  waer,  dat  was  soe  groot  die  perse, 
daer  mensa  achtercroot,  Heelu  5261.  Daer  men  si- 
nen  here  achtercroet,  5657  (verg.  5535  en  Velth. 
III ,  8 ,  66). 

ACHTERLATEN  (liet,  gelaten),  st.  ww.  bedr., 
scheidb.  en  onscheidb.  Mnd.  achterlaten. 

1)  E  n  e  n  — ,  Bij  zijn  dood  iemand  achter  zich  luten , 
nalaten.  \\  Hi  achterliet  enen  soue  die  Godevaert 
hiet,  Grimb.  I,  2881.  Hi  liet  achter  eenen  sone 
die  ooc  Karle  heet,  Ejfc.  Cron.  47  a,  enz. 

2)  Enen  — ,  iemand  verlaten,  begeven,  aan 
zijn  lot  overlaten.  ||  Onzen  lieven  Heer  die  sijn 
dienaers  niet  achter  en  laet,  Getta  Ram.  c.  79. 
Du  en  hebste  niet  aftergelaten  die  ghene  die  di 
soeken,  Hi.  Pi.  9r.  Mijn  God,  waer  om  hebstu 
mi  aftergelaten  ?  24r.  Achterlatét  hise  een  luttel , 
80  vallen  si  in  becoringen.  Kal.  7,  166.  En  laet 
ons  niet  after  noch  en  verworpt  ons  niet,  B.  v. 
1357,  168a.  God  sel  met  u  wesen  endc  en  sel  u 
niet  afterlaten ,  796.  Ie  en  hebbe  dat  geslacht  uwes 
vaders  niet  aftergelaten,  1106.  Ie  en  sach  den  ghe- 
rechtige  niet  aftergelaten,  Hi.  Pi.  43r.  Hi  en  sel 
niet  aft«rlaten  sine  heilegen,  ald.  Als  mijn  craft 
gebrect,  so  en  laet  mi  niet  after ,  769.  Zoo  ook  77a, 
lOOr. 

3)  Enen  — ,  iet  — ,  Afitand  doen  van,  ver- 
loochenen. II  Die  duvel  sal  s\jn  wreetheit  tegen  u 
tonen,  omdat  gi  hem  aftergelaten  hebt.  Geit.  B.c. 
110.  Hi  afterliet  Gode,  Hi.  Pi.  118r.  God  die  u 
sciep,  die  hebgi  aftergelaten,  B.  v.  1367,  806.  Si 
lieten  after  den  almachtigen  God,  97^.  Hi  liet 
sijn  heydenscap  after  ende  dede  hem  besnyden, 
217^.  Du  lietste  after  dien  God  die  di  wan, 
Hi.  Ps.  118r.  —  Ook  wederk.  ||  Nyemant  en  is 
vryer,  dan  die  hem  selven  can  achterlaten.  Kal. 
7,  168. 

4)  Iet  — ,  ieti  verlaten,  begeven.  \\  Hi  afterliet 
dat  lant,  daer  hi  in  gheboren  was,  Ned.  Proza 
240.  Maldegarius  .  .  met  sijnder  huysvrouwen 
Woutruyt  achterlieten  naemaels  die  werelt  ende 
volchden  Christum  na,  Kxc.  Gron.  9  b,  enz. 

6)  Iet  — ,  ieti  achterwege  laten,  weglnten,  on- 
vermeld laten.  \\  Al  dat  haer  ye  was  ghesciet,  dies 
ne  liet  si  achter  niet.  Wat  si  wiste  in  haer  herte 
gront  maecte  si  den  abt  al  cont,  Beatr.  993.  Die 
helighe  boeke  laten  achter  die  jaer  dat  hi  leefde 
in  den  lachter,  ende  ne  bescrijft  maer  die  helt, 
Rijinb.  12087.  Deze  Minderbroeders  lieten  al  bloet 
dat  gebot  achter,  dat  verstaet,  ende  seiden  ten 
keyser  goet  no  quaet,  Velth.  V,  40,  41  (Verg. 
46.)  Die  cleeder  latic  achter  gheheel ,  Rijmb.  4903. 
Tghesteente  willic  niet  achterlaten  ,  4908.  Weet 
wel,  ie  moet  hier  achterlaten  van  der  dierheid 
van  den  vaten,  11711.  En  dadic  des  niet,  so 
mostic  onderwilen  achterlaten ,  dat  nit  goet  en 
ware  ghelaten,  Lev.  v.  J.  2. 

6)  Iet  — ,  ieti  achterwege  laten,  ongedaan  laten, 
nalaten,  verzuimen.  \\  Des  en  salie  achterlaten 
niet,  in  sal  u  secgen  dat  rechte  ware,  Lanc.  III, 
11094.  Omme  dat  hem  sijn  vader  hiet,  Ne  wilde 
hyt  achterlaten  niet,  Rijmb.  16991.  Nochtans  gout 
hi  hem  harde  sware  dat  hi  liet  achter  dat  hi  hiet 
17270.    Geen   priester   en   zoude   achterlaten  sine 


getiden ,   groot   noch  clene ,   Lip.  II ,  48 ,  408.  Ie 
sal    nochtan    achter-laten    dore   der    lieder    tale, 
Limb.   III,  696.   Die   dus  hunne  penitencie  laten 
achter,  sullen   besitten  der  hellen  lachter,  Lueid. 
3331.  Si  afterlieten  die  wet  Gods ,  J9.  v.  1357,  lOl/f. 
Die    geboden    ende    die   woerden  Gods  afterlaten, 
117^.  Si  hebben  uwen  vrede  aftergelaten  ende  uwe 
outaren  gebroken ,  1696.  Ist  dat  sine  kinderen  myn 
ewe   afterlaten,   Hi.  Pi.  95».  Ie  en  liet  niet  aflcr 
dine  geboden ,  134r.  Die  here  en  sel  niet  afterlaten 
die   roede    der   sondaren,  140p  (Pi.    126,  3).  Zoo 
ook  143p.  Soe  datmen  by  wilen  doet  dat  nutter  after 
waer  ghelaten,  Mloep   IV,  1630.  Dat  hi  mesdaet 
achterlate,  OVl.  Ged.  3,  115,  233.  Wiltu  ontfanc- 
lic   wesen    godliker   openbaringhe,   so   laet    after 
sinlike   oefeninghe.   Stemmen  176.  Deze  dne  man- 
nen  lieten  achter  Job  te   antwoerden,  B.  B.  Job 
32,  1    (Vuig.    omiierunt).  Overdenckende  alle  dat 
quaet  dat  hi  gedaen  heeft,  ende  alle  dat  goet  dat 
hy  aftergelaten   heeft,    Geita   Rom.  e.  17.  Waerby 
sy    eeuige  schouwe  afterlaten   wouden,    of  after- 
lieten   daer   ons   lants   orbaer  aen  lage,  Meyliuk, 
Helfl.   Bijl.   176   (a    1361).  —  Enen   crjch  — , 
dien  niet  voeren.  ||  Daer  Licinius  sinen  crych  moeste 
achterlaten    an    sinen   dane,   iSp.   II *,  30,  24.  — 
Enen   wech  — ,  dien  niet  nemen ,   niet  gaan.    \\ 
Ende  dat  hi   niet  en   ware   so    coene,  dat  hi  den 
wech  achterliete,  Amand  1,  1861.  —  Ook  alsznw. 
gebruikt,  en  schynbaaronzHdig:  Tekortkomingen.  \\ 
Ie  heb  di  myn  ontbliven  ende  mijn  afterlaten  bekent 
gemaect  ende  myn  ongerechticheit  en  heb  ie  niet 
verborgen,  Hi.  Pi.  35  v. 

7)  Iet  — ,  ieti  verzuimen ,  verwaar loozen ,  niet 
behartigen,  in  den  windilaan.  Verg.  ACHTERSETTEN 
3).  II  Want  si  allene  om  hare  baten  gemeene  bate  ach- 
terlaten. Lip.  III,  16, 137.  Dattie  berechters  van  eenre 
stat  om  haers  selfs  quade  genieten  gemenen  oor- 
baer  achterlieten ,  128.  Maer  die  doghet  lati  achter , 
Teeit.  623.  Ende  om  ongherecht  ghenieten  gherecht 
vonnesse  achterlieten ,  878.  Ende  si  souden ,  sonder 
letten,  haers  selfs  lijf  daer  vore  setten,  eer  si 
trecht  achterlieten,  H^rake  III,  498.  Doen  dese 
in  trouwen  ghestoeden,  waren  si  altoes  in  voer- 
spoede;  ende  doen  si  die  lieten  achter,  volghdem 
altoos  scande  ende  lachter ,  III ,  638.  Datte  Vla- 
minghe  wouden  niet  achterlaten  haer  beghin ,  sine 
wouden  meerren  haer  ghewin,  Stoke  VIII,  270. 
Roboam  liet  den  raet  der  ouder  pnncen  after , 
B.  V.  1367,  162(r.  —  De  uitdrukking,  gemenen 
oorbaer  achterlaten,  het  algemeen  belang  ver- 
waar loozen ,  ook  Ltp.  1 ,  34 ,  80  en  85 ;  Doctr.  III ,  994. 
8.  Iet  — ,  ieti  nalaten  ,  laten  varen ,  begeven. 
1 1  Keer  di  van  toern  ende  laet  after  verwoethei t,  Hi.  Pi, 
41e;.  Dat  hi  den  nijt  moste  afterlaten ,  Hild.  85, 111. 
Dattet  boosheit  achterlaet ,  ende  weder  totten  vader 
gaet,  ende  betert  dattet  heeft  misdaen,  116,  141. 
Weet  wel  dat  hi  achterliete  die  waerheit,  de  niet 
geloefde  dies ,  Rijmb.  426.  Ende  hieromme  soudemen 
begheven  die  taverne  ende  achterlaten.  Vod.  Mui. 
1 ,  89,  94. 

9)  Enen  — ,  laten  achterblijven,  thuit  laten, 
overilaen.  \\  So  vergadert  al  Baals  propheten  ende 
en  laet  nyement  af&r,  B.  v.  1367,  183(r. 

10)  Met  een  ww.  in  de  onbep.  wys  verbonden, 
achterlaten  te  sine  (te  doene  enz.),  staat 
achterlaten  gelijk  met  ophouden,  uittcheiden.  Verg. 
ACHTERBLIVEN  2,  d).  \\  Noch  65  jaer,  eude 
Ephraym  sal  laten  achter  volc  te  wesen,  B.  B. 
Jei.  7,  8  (Vuig.  y^deiinet  E.  esse  populus"). 

11)  I  e  t  — ,  iet^  afichaffen ,  buiten  gebruik  it ellen , 
niet  meer  gebruiken.    ||    In   dcscn   Kaerls  tyden  so 


33 


ACHt. 


ACHT. 


34 


was  sinte  Ambrosins  missael  ghelaten  after,  ende 
sinte  Gregorius  dienst  die  wort  alte  hoechlic  ge- 
menichfoudicht ,  Past,  W.  11  d. 

ACHTERLATENESSE(ACHTERLATENissE),znw. 
vr.  Mnd.  achter latenisse. 

1)  In  actieve  opvatting.  Verzuim ,  plichtoerznim , 
tekortkoming.  Zie  ACHTERLATEN  6  en  7).  ||  Die  af- 
terlatenisse  mijnre  joget  .  .  en  wil ,  Here ,  niet 
gedeinken ,  Hs.  Ft,  25r.  Vergif  mi  alle  mine  after- 
latenisse ,  289.  (Ut,  Souter :  -nissen).  Mine  quaet- 
heiden  ende  mine  achterlatenissen  {tcelera)  tone  mi , 
G.  Groote  72. 

2)  In  passieve  opvatting.  Verlatenheid.  Zie  Ach- 
terlaten 2).  II  Alle  trybulacie,  alle  bitterheit 
ende  achterlatenisse  binae  van  alle  menschen, 
Gerl.  Peters  209. 

ACHTERLATERE  (achterlater),  znw.  m. 
Zie  Achterlaten  2).  Die  iemandt  partij  ver- 
laat  of  begeeft^  hem  ontromo  wordt  ^  dus  ver  loo- 
chenaar^ afvallige.  \\  Wee  n,  kinder  achterlaters ! 
seyt  die  Here,  D.  B,  Jet.  30,  1  (Vuig.  „Vae  filii 
detertaretV^  \  Stat.-B.  „Wee  den  kinderen  die  af- 
vallen !"). 

ACHTERLATINGE,  znw.  st.  vr.  Mnd.  achter- 
latinge.  Het  nalaten ,  hegeven ,  dus  verliet ,  verkorting. 
Zie  Achterlaten  8).  ||  Die  sal  hem  bekennen 
dat  hi  na  den  penen  van  onser  indignatien  .  . 
ende  van  achterlatinghen  sijnre  rechten,  eeren, 
staets  ende  graets,  die  welken  wi  hem  alsdan 
verclaren  openbaerlic  vercort  wesen,  gevallen  is 
onverlatelic  in  der  penen  van  C  marken ,  Braè,  T. 
Dl.  2,  bl.  471  {a.  1349). 

ACHTERLEGGEN  {leget,  leecht  of  leit\  leide\ 
geleget ,  geleecht  of  geleit)   onreg.  zw.  ww.  bedr. 

1)  Naar   achteren    leggen,    achterover   leggen,  \\ 
Jacob  seghet,  alst  wille,    dattet  achterleghet  den 
enen    hoem,    ende   oerbaert   den  andren  te  stride 
waart,  Nat,  Bl.  II,  1701. 

2)  Op  den  achtergrond  tchuiven,  vertchuiven, 
uitttellen.  Verg.  Achteren  bedr.  2).  jj  Dat  men 
te  bat  sonde  wedersecgen  daer  sijn  cronen,  ende 
achterlecgen,  Velth.  V,  29,  36. 

3)  Op    den   achtergrond  tchuiven,  aftchaffen,  || 
Aldus  bi  redenen  ende  bi  sticke  minderende  ende 
verlichtende   dicke   was   doude   wet    achtergeleit , 
Bp.  I»,  25,  41. 

ACHTERLE VEN ,  zw.  ww.  onz.  scheidb.  {Iemand) 
overleven  y  nog  leven  hij  iemands  dood,  ||  Waert 
saeeke  dat  eenich  man  zijn  wyf  ofifstorve  ende 
gheen  kinderen  achter  en  leeffden ,  Handv,  v,  Weetp 
enz.  49^. 

ACHTERLIDEN  {leet,  leden,  geleden),  st.  ww. 
onz. ,  scheidb.  en  onscheidb.  Zie  Liden.  Achter- 
vfoxtris  gctan,  en  dus 

1)  Voorbijgaan , -van  den  tyd.  Achterleden,  tot 
het  verkdene  hehoorende,  voor  hij.  jj  Dat  men  vergeten 
8al  al  die  overvloedicheit  die  achterleden  is ,  J).  B. 
Gen,  41,  30  vg.  Bern.  S.  96^:  after  ende  gheleden. 

2)  Achteruitgaan,  wijken,  overdrachtelijk  voor 
ietjf  toegeven,  fr.  ceder,  ||  (Dat  si)  partien  zeiden, 
aen  beede  ziden  achter  te  lidene,  ZVl,  Bijdr.  4, 
3(>8.  Dat  .  .  henlieden  gezeit  was  achter  te  lidene, 
370  {a.  1424). 

ACHTERLOPEN  {liep,  gelopen),  st.  ww.  bedr., 
onscheidb.  Verg.  Achtergaen  bedr.).  Loopende  ach- 
terhalen, inhalen.  \\  Die  te  voren  was  so  snel,  dat 
hi    die  ree    achterliep,   Alex.   IV,  789.  IJJ  wanet 


doe    was 


BFiopen  wci,  urt.  uea,  i ,  04     ^^      "genS 
hi  op  die  gracht    bi   aventul  ^3^' ^j-io- 


pen,   Bein.   II,   376.   Om   dat  sine   sullen  achter- 
lopen, Alex.  II,  825. 

*  ACHTERMEED,  hoogstwaarschijnlijk  ver- 
keerde lezing  in  het  Amst.  hs.  van  den  Rein.  (bij 
Willems  bl.  67).  Vg.  Achter  bijw.  en  De  Vries, 
Mnl.   Wdb.  29. 

ACHTERNA  (afterna),  bijw.  Achterna,  later, 
naderhand,  daarna.  \\  Mit  stienen  doot  ghe worpen 
ende  afterna  verbrant ,  Devoet  B.  (36)  bh,  So  comt 
daer  dan  afternae  die  doorn,  dat  is  die  worm  der  con- 
sciencie,  la.  Die  te  voren  al  sliepen  .  .  ende 
afternae  .  .  weder  opverwrect  worden,  8p.  Een 
broeder  .  .,  die  afterna  een  groot  man  wert,  53  9. 

ACHTERNARAET,  -rade,  znw.  m.  Raad  die 
achterna  en  dus  te  laat  gegeven  wordt.  Hetzelfde 
als  Achterraet.  ||  Dat  seght  Willeken  van  Scher- 
nau  :  „  Achtemaraet  es  eerscrau ,"  Brab.  Y.  VI , 
11511.  Bij  Harre bomée  I,  6:  Achtemaraad is aars- 
gekrauw. 

ACHTERNOENE,  znw.  vr.;  Achternoen  ,  znw. 
m.  Uit  Achter  en  Noen.  Achtermiddag ,  namiddag.  || 
Dat  menne  doe  bringhen  voor  scepenen  metten 
heere  up  dat  scepenen  zitten  svoomoens  in  de  camere, 
jof  sachternoens ,  Gout,  v.  Brugge  1 ,  442.  De  voirscr. 
palrtsinghe  selmen  houden  int  wanthuus  alle  werckc- 
daghen  van  inganc  Maert,  als  die  clocke  3  slaet 
afternoen,  L.  Keurh.  76,  33.  —  In  figuurlijke  toe- 
passing in  de  uitdrukking:  Geen  achternoene 
hebben,  geen  morgen  hebben ,  niet  op  den  dag  van 
morgen  kunnen  rekenen,  onzeker  zijn  over  de  naaste 
toekomtt.  jj  Peinst  dat  men  di  sal  delven ,  want  ghi 
en  hebt  gheen  achternoene,  Vad,  Mus.  1,  328,  26. 

ACHTERPENSEN  (achterpeinsen),  zw.  ww. 
onz.  zie  Pensen,  en  verg.  Achterdekken. Mnd. 
hinder  denken.  Overdenken ,  nadenken,  zich  bedenken.  \\ 
Mine  souden  sijn  soe  quaet; ....  het  ware  onrecht, 
peinsese  achter,  nl.  Maria,  of  zij  mij  genade  schen- 
ken zou,  Theoph.  884.  Vg.  de  Aant.  bl.  145.  — 
Ook  als  onz.  znw.  ||  Waermen  mint  sonder  veyn- 
sen,  daer  sietmen  luttic  achterpeynsen  om  arbeit 
off  om  cost  te  lyden,  Hild.  86,  136. 

ACHTERPORTE    (achterpoorte  ,     achter- 
poort),  znw.  vr.  Mnd.  achterport.  Achterpoort.    \\ 
Vrou  Julocke  van  der  afterpoorte  was  sijn  moeder , 
Rein.    II ,    846.  —  Schertsende  benaming  van  het 
achterste.  Zie  Achterrinc. 

ACHTERQUEERNE,  znw.  vr.  Zie  Qüerne. 
Schertsende  benaming  van  het  achterste ,  het  achter- 
kwartier, eigenlijk  de  molen  die  van  achteren  maalt. 
II  Ie  hebvreese,  by  Lucifers  achterqueeme ,  Mar. 
V.  Nijm,  30,  708  (verg.  33,  801:  Helpt  Lucifers 
hillenl). 

ACHTERRAET,  -rade,  znw.  m.  Raad  die  ach- 
terna en  dus  te  luat  gegeven  wordt.  Hetzelfde  als 
Achternaraet.  II  Achterraets  en  gebrac  nie  man, 
Mnl,  Spreekw.  2.  —  Later  door  naraet  vervangen. 
Bij  Cats  I,  648:   ^Nae-raet  gebrack  noyt  man." 

ACHTERRIDEN  {reet,  reden,  gereden),  st.  ww. 
bedr. 

1)  Achterna  rijden,  scheidb.  ||  Doe  reet  hi  Galline 
achter,  Segh,  8637.  Die  hertoghe  reet  hem  achter 
ende  die  sine,  om  dien  lachter  te  wrekene,  8907. 

2)  Rijdende  achterhalen,  inhalen ,  onscheidb.  Verg. 
Achtergaen  bedr.  ||  Gine  sultse  in  corten  tiden 
niet  wel  mogen  achterriden,  Lanc.  II,  681.  Lan- 
celoet  en  consten  niet  achterriden ,  ende  hi  liet  dat 
jagen  staen ,  II,  18643.  So  dat  hi  doutste  achterreet, 
ende  namse  bi  den  breidele  gereet,  ende  vragcde 
waer  omme  si  vlo  soe,  II ,  17082. Hi achterretenc , 
11,  7085.  Hem  volchden  die  jongelinge,  macr  on 
mochten  achterriden,  Alex.  VI II,  1223. 

2 


35 


ACHT. 


ACHT. 


36 


ACHTERRINC,  -ringe,  znw.  m.  Schertsende  be- 
naming  voor  het  achterste^  de  aart,  om  den  ronden 
vorm  met  een  ring  vergeleken.  ||  Op  die  heyme- 
licheyt  daer  vloech  een  swerte  cray  uut  sijn  after- 
rinck,  Getta  Rom.  c.  125.  —  In  hetzelfde  cap. 
meermalen  Achterpoort  genoemd. 

ACHTERROUWE,  znw.  vr.  Naberouw,  te  laat 
berouw,  Vg.  Achterraet.  ||  Achterrouwe  en  es 
el  niet  dan  eerscrouwe,  Teest.  1745. 

ACHTERS.  Zie  Achterst  bijw. 

A(  flTERSATE,  znw.  m.  Zie  Saté.  Nazaat,  maar 
bepaaldelijk  in  den  zin  van  opvolger  gebezigd.  ||  Maer 
den  hchtersate  te  sine  heeft  Peter  Clemente  gecoren , 
Sp.  II 1 ,  22 ,  36.  Dat  hi  Maximine  in  state  sette  te 
sinen  achtersate,  II*,  6, 27.  Dat  Basel^js  in  sinen  state 
wesen  sal  sijn  achtersate,  II«,  72 ,  73.  Vg.  Vorsate. 

ACHTERSCOÜ  (achterscau),  znyr.m.Uetach- 
ternaiien,  het  nakijken.  In  de  uitdrukking  den 
achlerscou  hebben,  mogen  achternazien ,  nakij- 
ii-^» ,  ;<onder  iets  te  kunnen  uitrichten.  Vg.  Ach  te  r- 
siEN.  II  (Hi)  vloech  wech ,  en  wiste  waer.  Hem  te 
houden  waren  si  flau ;  daer  hadden  si  den  achterscau , 
Malet,    253. 

ACUTERSCOUWE ,  znw.  vr.  Nasehouw,  d.  i. 
herhaalde  schouw,  inzonderheid  van  dijken  of  andere 
openbaie  werken ,  om  te  onderzoeken  oi  de  gebreken , 
bij  de  fcerste  schouw  aangewezen ,  naar  behooren 
hersteld  zijn.  ||  Nae  een  yeghelicken  scouwe  sal  een 
nascouwe  sijn,  die  men  die  afterschonwe  heyt  {in 
den  tekst  verkeerdelijk  atterschouwe),  Meylink,  Delfl. 
Bijl.  131  {a.  1273).  Dese  dilck  sel  hebben  drie 
schauwen  in  den  jaere ,  .  .  ende  eicke  schauwe  sall 
hebben  eene  achterschauwe ,  Oorkb.  2,  219<i  (a. 
1284).  Post  quamlibet  vero  perlustrationem  sive 
cir  umspectionem  una  posterior  circumspectio  que 
a/i  rrschouwe  dicitur,  2, 142^  {a.  1277)  Dese  dik  sel 
hebben  die  scouwen  in  dien  jare  .  .  end  elke 
scouwe  sel  hebben  ene  achterscouwe,  Oorkb.  v.  Geld. 
1038  ter.  —  In  denzelfden  zin  elders  Achterscou- 
wiNGE.  II  Post  quamlibet  circumspectionem  una  pos- 
terior circumspectio  erit,  que  achterscouwinghe 
dicitur,  Oorkb.  2,  108*  {a.  1273). 

ACHTERSCOÜWEN ,  zw.  ww.  htdiT.Achternazien, 
nakijken,  naoogen.  ||  Hi  dede  menigen  achterscouwen 
binnen  der  stat,  si  haddens  wonder  waer  dat  hi 
voer,  Ferg.  3976. 

ACHTERSCUVEN  {scoof,  scoven,  gescoven),  st. 

WW.  bedr.  Achteruitschuiven ,  terugzetten ,  versmaden, 

II    Al    syn    tjjt   sel   hi    leven   in  onwaerde,  ende 

altoes  achter  sijn  ghescoven,  Hild.  56,  272,  hetz. 

als  verseoven  (z.  ald.) 

ACHTERSETTEN,  zw.  ww.  bedr. 

1)  Enen  — ,  iemand  op  den  achtergrond  stellen , 
aclteruitzetten.  \\  Doet  mi  ere,  ie  doe  u  lachter; 
tre;t  mi  vore,  ie  sette  u  achter,  Belg.  Mus.  6, 
186,  61  (verg.  202,  508). 

2)  Enen  — ,  iemand  terugzetten,  benadeelen,  of 
te  keer  gaan,  belemmeren.  Zie  Achter  bflw.  3) 
watr  tachter  setten  in  denzelfden  zin  voorkomt, 
en  verg.  Achtersteken.  ||  So  ware  hi  ende  sijn 
ge;  lachte  .  .  ewelike  achtergeset ,  Lort.  1 ,  1039. 
En  Je  waer  yemant ,  die  onsen  dljcgrave ,  heemrade , 
jof  dijcrecht  verstoerde,  jof  belette,  jof  in  eenigen 
punten  .  .  achtersette,  Mieris   3,  315a  {a.  1375). 

3)  let  — ,  iets  op  den  achtergrond  stellen,  ver- 
waarloozen,  of  ^^^-é-^r^oa».  Verg.  Achterlaten  7) 
en  A.CHTERSTOTEN  2).  II  Dat  gi ,  om  uwen  oorbaer 
allene ,  achterset  dat  gemene  oorbare  van  der  stede , 
Lsp.  I,  44,  93.  Want  wi  doen  haer  gebod,  ende 
setten  ons  Sceppers  beheet  achter ,  III ,  bl.  15 ,  vs.  44. 
Dat  i^i  saghen  hare  wet  tebrokcn  ende  achtergeset . 


L.  o.  H.  1264.  Die  om  ghewiu  ende  om  bate,  recht 
met  subtilen  vonden  achterset  te  meneghen  stonden, 
Melib.  1048.  Die  onpeis  gheren ,  ende  vrede  achter- 
setten  ende  soene  ,  Grimb.  1 ,  5442.  Der  kerstenheit 
doen  si  lachter,  want  si  die  doget  setten  achter. 
Hor.  Belg.  12 ,  23.  Zoo  ook  Rein.  II ,  6014 ;  Doctr.  III , 
919;  Wrakel,  1170;  verg.  III,  1310. 

4)  Iet  —  met  den  3deu  nv.  Achterstellen  bij ,  lat. 
postponere.  \\  Hoe  dat  hij  sinen  . .  raet  aftergheset 
heeft  den  rade  of  meer  den  wille  eender  vrouwen , 
Bern.  S.  lic. 

5)  Iet  — ,  iets  te  keer  gaan  met  woorden,  het  laken, 
afkeuren.  \\  Hoe  modi  dus  calengieren  die  wande- 
linghe  ende  achtersetten ,  Belg  Mus.  7,  318,  14. 

6)  Iet  — ,  iets  op  den  achtergrond  schuiven,  er 
niet  van  spreken.  Verg.  ACHTERLATEN  5).  ||  Moer 
achter  hebben  wi  lange  gheset,  ende  verswegen 
in  allen  sinne  van  vrou  Marien  ,  Brab.  Y.  VI ,  11104. 

ACHTERSIEN  {sach,  sagen,  gesien),  st.  ww. 
onz.  Zie  Achter  bijw.  a,  4).  Ach  ter  uitzien ,  om- 
zien, omkijken.  \\  Alsi  wechvoeren,  sach  hi  achter, 
Parth.  2373.  Doe  Saul  uten  hole  ginc,  volgdem 
David  ende  riep  .  . :  „  Coninc ,  wel  lieve  here !" 
ende  Saul  die  sach  achter  weder,  Rijmb.  9522. 
Dat  wi  van  nuwes  beginnen  sonder  achtersien, 
Ruusbr.  1,  177;  verg.  21.  —  In  de  uitdruk- 
kingen: —  Daer  en  was  geen  achtersien, 
er  was  geen  tijd  van  omkijken,  t.  w.  bij  eene  overhaaste 
vlucht.  II  Si  vloen  sere,  si  sagen  wel  dat  die  knape 
hadde  leelic  spel :  daer  en  was  geen  achtersien ,  Ferg. 
569.  Doen  brakense  op  ende  gingen  vlieu,  bisscop, 
grave ;  geen  achtersien  en  was  daer  noch  wederkeren, 
Velth.  II,  54,  75.  Doen  deen  den  andren  heeft 
versien,  daer  ne  was  geen  achtersien,  si  reden  te 
gader  met  haren  orssen,  IV,  59,  39.  —  D ach- 
tersien hebben,  mogen  achternazien ,  tem.  slechts 
kunnen  nakijken.  Verg.  ACHTERSCou.  ||  Mettien 
ginc  in  den  boet  die  smale ,  entie  knechten  vingen 
ten  riemen.  Na  den  man  en  beide  niemen;  hi  hadde 
dachtersien  van  dier  jonfrouwen ,  Limb.  1 ,  792.  — 
Qeen  achtersien  es  an  enen,  geen  omzien  is 
bij  hem ,  hij  gaat  zonder  aanzien  des  persoons  te 
werk,  is  een  eerlijk  man.  \\  Ane  hem  (d.  i.  hen)  en 
was  geen  achtersien ,  Velth.  II,  6,  18. 

ACHTERSKINT  (afterskint),  -kinder,  znw. 
onz.  Eigenlijk  Achterstkint,  uit  Kint  en  het  bijw. 
achterst,  in  den  verminkten  vorm  achters  (zie 
Achterst  bijw).  Eig.  een  kind,  dat,  uit  het 
standpunt  van  den  stamvader  gezien ,  achterst,  d.  i. 
het  verst  af  staat,  dus  een  kleinkind,  doch  meest 
in  den  zin  van  achterneef  of  achtemicht.  Vg.  ACii- 
TERSUSTERKINT,  0118  naneef,  eu  Ned.  Wdb.  O]^  ACH- 
TERSKIND.  In  hd.  diaXeci  af terkind  (Scheller  1,  46). 
II  Als  daer  een  dootslach  geschiet  in  der  stede 
ende  men  den  dooden  leggen  wil  ende  vierdelen  na 
den  rechte  van  der  stede ,  soo  salmen  leggen  in 
elcken  vierl  een  vierendeel ,  alsoo  verre  als  hy 
daer  is,  ende  niet  meer  dan  een  vierendeel,  ende 
s\jn  daer  geen  op  susterlingen ,  dan  op  after- 
kinderen ,  sijnder  geen  afterskinderen ,  dan  twe  eerste 
leden  op  een  vierendeel,  ende  elcke  broeders  te 
gelden  in  elck  vierendeel  een  afterskint  maech- 
gelt  ende  niet  meer,  O.  K.  v.  Enkh.  19,  91.  Dits 
hoe  die  quadaders  maghen  sijn  sculdich  te  ghelden 
ende  te  betaelen,  nae  trecht  van  der  stede,  eeu 
yghelijc  nae  dat  hem  angheboren  is  .  .  Een  oude 
vader,  dat  is  een  vierendeel,  een  afterskynt  geit. 
Item  een  vader,  dat  is  een  syd  twee  vierendeel, 
dat  is  twee  afterskynderen.  Item  een  rechte  broe- 
der, dat  is  vier  vicrendeelen ,  elcke  vierendeel  een 
afterskynt  ghelt.  Item  een  halve  broeder  twee  vier- 


37 


ACHT. 


ACHT, 


38 


endeel,  elcke  vierendeel  een  afterskynt  .  .  Item 
elcke  snsterling  twee  afterskynderen  .  .  Item  een 
recht  afterskynt  een  vierendeel,  alsoe  als  hem 
aengheboren  is ,  te  ghelden  ende  te  nemen ,  Westfr. 
Dingt.  15;  zoo  ook  12. 

ACHTERKINTSVREDE ,  znw.  m.  Uit  JcAter- 
kint  en  Vrede.  Vrede ,  verzoening  tmtchen  klein- 
kinderen. II  Soo  wie  vreede  name  ende  gave, ende 
vocht  hy  daerover  (d.  i.  in  weei'tcil  d-aaroan),  die 
vcrbuerde  lijff  ende  goet,  ende  een  susterlingvrede 
op  20  pont,  een  afterkintsvrede  ende  daer  beneden 
op  tien  pont,  ter  scepenen  proeve,  O.  K.  v.  Enkh. 
17,  84. 

ACHTERSLAEN,  onas.  st.  ww.  bedr.  achterna- 
zitten^ vervolgen,  \\  Alexander  heeft  dat  versien 
ende  slouch  achter  (lezing  van  Franck,  Hs.  achte) 
alstie  coene  .  .  met  ere  scare  van  lieden  te  voet, 
Alex.  III ,  240. 

ACHTERSPRAKE  (later  achterspraec),  znw. 
vr.  Mnd.  aehtersprake.  Verg.  Achtertale.  Achter- 
klap^ laster.  \\  Niemare  ende  aehtersprake ,  die  den 
liede  tscande  maken,  D.  Cat.  91.  Wacht  u  oec 
van  achterspraken ,  ende  en  segt  van  niemen  quaet , 
Vad.  Mus.  1,  400,  101.  Aehtersprake,  de  vnle 
mesdaet,  Franc.  4176.  Van  der  qnader  achter- 
sprake  ,  4206.  Alse  hi  horde  ofte  vernam  van  hem 
enege  aehtersprake,  i^.  I',  39,18.  Ende  van  sinen 
goeden  saken  seiden  si  vele  achterspraken,  III*, 
37,  66.  Quetsten  sine  in  achterspraken,  III',  4, 
48.  Scuut  altoes  aehtersprake,  Ltp.  III,  4,  471. 
Qnade  aehtersprake,  Fraet  1925,  4466.  Liegen, 
driegen,  aehtersprake,  D.  fVar.  7,  376,  7.  Hoedt 
n  altoes  van  achterspraken,  Rnusbr.  5,  133.  Liegen 
ende  nydich  aehtersprake,  173.  Achterspraec ,  toem 
ende  nydicheit.  Stemmen  35.  Vloeken , scelden, aeh- 
tersprake, Ned.  Proza  173,  vg.  268.  Node  hoorde 
hi  .  .  aehtersprake  oft  lange  clappinge ,  Exc.  Cron. 
22  d.  Aehtersprake  spreken,  Sp.  I*,  17,  66;  zie 
nog  Franc.  10079;  Ruusbr.  4,  80;  Gerl.  Peters  227 ; 
Hs.  V.  1348,  173,  246tf,  enz. 

ACHTERSPRAKERE  (-ER) ,  znw.  m.  Hetzelfde 
als  het  meer  gewone  achtertpreker  (z.  ald).  Lasteraar^ 
achterklapper.  ||  Sanghers  of  speelders  die  sproken 
spreken ,  loghenaars ,  achtersprakers ,  enz.  Con.  Som. 
1383.  Want  de  aehtersprake  (1.  achtersprakere)  dat 
pleget ,  dat  hi  der  zielen  bloet  ontfaet,  die  hi  metter 
tongen  verslaet ,  Franc.  4182  (Lat.  C.  106 :  detractor 
animarnm  sangaine  pascitur  quas  gladio  linguae 
necat).  Zoo  ook  Bevoet  B,  (36)  19»,  20r,  21r. 

ACHTERSPREKEN  {sprac ,  spraken ,  gesproken) , 
st.  WW.  onz.;  ook  met  het  voorz.  van  of  met  den 
3den  nv.  des  persoons.  Achterklappen^  kwaadspre- 
ken^ lasteren.  Mnd.  achterspreken.  ||  Sijns  nerghent 
en  ghebrect,  daer  men  achter  van  hem  sprect:  al 
seide  yement  van  hem  quaet,  een  ander  dat  van 
monde  slaet,  Lsp.  III,  2,  139.  Hets  sonderlinghe 
groet  lachter  onhoudeiyc  te  spreken  achter.  Wrake 
III,  157.  Die  sine  hande  roert  alse  hi  sprect, 
bewiset  nidech ,  bedriechlijck  ende  achtersprekende , 
Belg.  Mus.  3,  234  (Hs.  Yp.  Hd).  Waer  om  en 
ontsaechdi  u  dan  niet  achter  te  spreken  minen 
knecht  Moyses?  D.  B.  Num.  12,  8  (Vuig.  detra- 
here).  Si  beloofde  dat  si  nymmermeer  sinte  Domi- 
nicus  afterspreken  en  sonde,  Pass.  S,  152  c.  — 
Ook  met  bijvoeging  van  het  znw.  quaet  blarne  of 
lachter.  \\  Ie  segge,  dien  hi  smeect  ende  lect, 
dien  so  sal  hi  heimelike  *"ï^ter-spfgL  ..  blame 
ende  lachter.  Rosé  7318.  Si  «praken  Vni  Q.^*®^ 
achter,  Vad.  Niis.  2,  441.  Si  sprake^  i^  alle  s^^^ 
quaet  after.  Pass.  IV.  197  c.  Den  gorj^'ï^  aulstu 
niet  achterspreken  quaets,  D.  B.  ^V^^K   ^^     og 


ACHTERSPREKERE  (aciiterspreker),  znw. 
st.  m.  Achterklapper ,  kwaadspreker ,  luisteraar.  Mnd. 
achter  spreker.  \\  Dat  hi  niet  en  weet,  weder  hi 
misdoet  meer,  die  achterclap  hoert  dan  diese 
spreect;  want  waer  geen  hoerre  (hoorder)  en  is, 
dair  en  is  geen  afterspreker.  Stemmen  78  (Geest. 
L.  32r).  Smenschen  veronwaerden  is  een  achter- 
spreker .  .  Mitten  achtersprekers  en  menge  di 
niet,  D.  B.  Sprettk.  24,  9;  21  (Vuig.  detractor). 
Of  een  broeder  een  achterspreker  is  ahe  lester- 
liken  dingen,  D.  Orde  264. 

ACHTERSPRINGEN  (spranc,  sprongen ,  gespron- 
gen) ,  st.  WW.  onz.  Achteruitspringen ,  terugspringen. 
II  Hi  waendene  bi  den  aerme  nemen  doe,  ende 
pensde,  haddine  alsoe,  hine  soude  niet  mogen 
gestaen ,  mar  die  coninc  spranc  achter  saen ,  Jjanc. 
II,  35190. 

ACHTERST  (echterst),  bnw.  Van  het  voorz. 
en  byw.  Achter  ^  in  de  dubbele  toepassing  op 
plaats  en  tijd. 

1)  Van  plaats.  Zie  Achter  voorz.  «,  l)©nbjjw. 
a,  1).  Die  Bichteraie,  dsLchiersle,  de  achterste. 

II  Die  de  vorste  welt  sgn,  dat  sal  dachterste  syn , 
Lev.  V.  J.  c.  133.  Qanc  sitten  talre  echterste,  c. 
151.  Die  vore  mochte,  alsict  versta,  hine  beide 
des  achters  (d.  i.  achtersts)  niet,  Velth  II,  41, 
36.  —  Tachterst,  het  achterste ^  de  achterzijde , 
Rijmb.  5135;  Lev.  v.  J.  c.  151.  —  Ook  in  den 
zin  van  uiterst^  buitenst^  d.  i.  het  meest  achteraf 
zijnde.  ||  Worptene  in  dechterste  demstemesse ,  daer 
ghescrei  es,  Lev.  v.  J.  c.  170. 

2)  Van  tijd.  Zie  Achter  voorz.  b)  en  bijw.  b). 
Laatst.  Die  achterste,  dachterste,/;?^ /aa^j/^. 

II  Dit  es  die  achterste  strijt,  die  sal  wesen  in 
conincs  Arturs  tijt,  Lanc.  IV,  11413.  Eer  men 
van  den  werke  sciet,  ende  men  leide  den  ach- 
tersten steen,  Rijmb.  11414.  Ghevallet  oec  die 
afterste  dach  der  rekeninghe  up  den  sondach ,  Na- 
tuurk.  171.  Nu  es  die  tijt  soe  leden,  dat  es  die 
achterste  dach  des  vreden,  Limb.  XII,  63.  Du 
draechs  dijn  achterste  paer  scoen ,  als  God  di  volcht 
met  wraken  naer,  O  VI.  Lied.  en  Ged.  447,  196. 
üpten  achtersten  dach  van  Aprel,  Sp.  IV»,  4,61. 
Den  achtersten  dach  van  Octobre ,  Vad.  Mus.  4 , 
360.  Daer  na  quam  sijn  achterste  dach,  Rijmb, 
16632.  Int  achterste  jaer  van  sinen  rike,  30523. 
In  den  achtersten  morgen,  Brand.  H,  1981.  In 
dien  achtersten  dage,  2043.  Dat  arechst  wort 
dachterste  pine.  Franc.  5930.  Als  men  den  ach- 
tersten soude  slaen,  Fsop.  L,  13.  Dachterste  co- 
ninc (van  Athene,  Babyion  enz.),  Sp.  I«,  24,  18; 
47,  20;  I»,  4,  32;  e.  e.  In  der  achterster  buzinen , 
met  de  laatste  bazuin^  Hs.  v.  1348 ,  247  c.  Dechterste 
paepscap ,  Wrake  1 ,  412.  Dat  achterste  cleet  des  ellen- 
dichs  lichamen,  III,  2496.  Dan  soude  dechterste 
dolinghe  quader  sgn  dan  dirste,  X^».  v.  J.  c.  233.  So 
wat  poortre  . .  gheboden  wordt  tsinen  huus  jof  tsicr 
achterster  woenste ,  Cout.  v.  Brugge  1, 312.  Also  voert 
toter  achterster  doot  van  hem  beeden  vorseit,  Gends 
Chtb.  38  (a.  1360);  enz.  —  Ten  achtersten, 
ten  laatste,  in  de  laatste  plaats y  D.  B.  Deut.  17, 
7.  Verg.  het  volgende  art.  —  In  denzelfden  zin: 
Int  achterste.  ||  Int  achterste  seidi  openbaer, 
Rijmb.  23414  var.  (Int  ende,  tekst). 

ACHTERST,  bijw.;  of,  met  het  voorz.  ^tf,  tach- 
terst, TECHTERST,  TACHTERSTE,  Ook  min  ZUivCr 

achters,  tachters  en  taftert  geschreven. 

1)  Het  laatst j  in  de  laatste  plaats.  \\  Dat  hi 
hem  gaf  enen  penninc ,  die  achterst  te  werke  ginc  , 
gelijc  dat  hi  den  eersten  dede,  Rijmb.  24553.  Die 
kerstin,    die    achterst   was    geleert,   5654.   Ende 


Ó9 


ACHt. 


ACHt. 


40 


plach  tontfane  oec  algader  tachterst  die  benedictie 
van  den  vader,  2283.  Dat  dier  so  maectic  techterst 
dan,  L.  o,  H.  4389.  Ënde  tafterst  van  der  ertbe- 
vinge,  Natuurk,  1446. 

2)  Het  laattt ^  voor  het  laatst,  voor  de  laatste 
maal.  \\  Daer  waest  dat  wine  achters  sagen, Za»r. 

II,  46782.  Up  den  tijt  dat  hl  quam  achterst  ute 
Ingheland  te  Ghend,  Bek.  v.  Gent  1,  385.  — 
Vandaar  de  elliptische  uitdrukking:  doe  hi  ach- 
terst van  hem  (haer, hier,  daer,  enz.)sciet, 
toen  hij  het  laatst  van  hem  {haar  ^  hier  ^  daar) 
scheidde ,  d.  i.  toen  hij  het  Inatst  {hem  zag  en)  van 
hem  scheidde.  \\  Dat  hi  mire  moeder  behiet,  doe  hi 
achterst  van  haer  sciet,  Lanc.  II,  45689.  Evax 
seide:  kindi  mi  niet?  doen  ie  achterst  van  hier 
sciet,  wanedi  mi  hebben  gegraven,  Limb.  YI, 
2111.  Waer  sise  vercochten  ende  hoegedanen  lieden , 
ende  waer  si  achterst  van  haer  scieden,  Flor. 
1468.  —  Zoo  ook  Lanc.  II,  43666,43246,45614, 

III,  16199;  Limb.  VI,  2100;  enz. 

3)  Ten  laatste  ^  eindelijk.  In  deze  beteekenis 
altijd  met  te:  tachterst  enz.  ||  Tachterst  vel 
Cresseus  ter  moude,  Mahg.  716.  Hi  werde  hem 
als  dies  hadde  noet;  nochtan  moesti  tachterst 
sterven,  Lanc.  III,  22462.  Die  riddere  weerde 
hem  harde  wel ,  maer  tachters  werd  hem  de  strijt 
te  fel ,  III ,  23563.  Tachterst  so  sach  hi  van  verren 
enen  herde  vasten  casteel,  Ferg.  3482.  Doch  be- 
dochtic  tachterste  dat,  dat  noit  en  was  so  scone 
stat,  Bose  491.  Versiewi  ons  so  verre  te  voren, 
dat  wi  niet  ne  sjjn  techterst  verloren,  L.  o. 
H.  91.  Tachterste  so  dorgingen  Fransoysen  woorde 
80  sine  zinne ,  Franc.  1946.  —  Zoo  ook  Ferg.  732 , 
2955,  3040;  Flor.  2206;  Rijmb.  1295,  25275; 
Bose  1319;  L.  o.  H.  4077;  techterst,  1830; 
taftert,  Nattmrk.  654;  enz. 

4)  Laatst,  laatstelijk,  onlangs.  In  deze  betee- 
kenis altijd  achterst,  zonder  te.  \\  Lieve  here, 
nu  biddic  u,  dat  gi  mi  wilt  vergeven  nu  dat  ie 
achterst  jegen  n  mesdede,  Bose  (C),  3241.  Omme 
dustane  dinc  hiet  achterst  die  coninc  Sennacherib 
di  nemen  diin  leven,  Bijmb.  15287.  Die  Jueden 
wilden  di  achterst  steenen,  25711.  —  Achterst 
leden  (verleden),  l^mtstleden.  ||  Van  der  renten 
die  viel  sente  Bamesse  achterst  leden.  Bek.  v. 
Gent  1 ,  269.  Te  Faesschen  achterst  verleden ,  388. 

ACHTERST AEN  {stoet,  stoeden  of  stonden, ge- 
staen),  st.  ww.  onz.  Mnd.  achtersten. 

1)  Afstaan,  wijken.  ||  Doen  quamen  van  binnen 
een  groet  deel  selfscotters ,  die  senden  menech 
quareel ,  ende  dadense  also  achterstaen ,  Lanc. 
III,  15968.  Eermen  uut  conste  ghetien,  ende  sine 
uutbrenghen  moghen,  was  de  valbrucghe  upghe- 
toghen.  Doe  mosten  de  porters  afterstaen,  Stoke 
VI,  678.  Daer  deedsise  weder  achterstaen,  wast 
lief  of  leet,  IX,  371.  Als  sij  daer  b\j  quamen, 
riep  de  sondaen  tot  s|jn  volk,  dat  sij  souden  af- 
staen  en  hun  vechten  laten ,  H  welk  sy  terstont 
deden ,  en  Reinout  hiet  de  Eerstenen  dat  sy  mede 
achterstaen  souden,  Heemsk.  175. 

2)  A/staan,  teruggaan,  zich  verwijderen.  \\  Carel 
hiet  Reinout  met  sgn  broeders  achterstaen,  want 
hy  wonde  hem  met  sijn  magen  heT&den ,  Heemsk.  156. 

3)  Met  den  3den  nv.  des  persoons.  Enen  — , 
iemand   belagen,    van  achteren  aanvallen,  verraden. 

II  Alle  daghe  stonden  mi  achter  mine  viande 
ende  daden  lachter,  Boetps.  102,  33  (Vuig.  Ps. 
102,  8:  „Tota  die  erprobrabant  mihi"),  vg.  vs.  36. 

4)  Van  schuld.  Achterstallig  zijn,  verschuldigd 
zijn.  II  Ontfaen  van  afterstel,  dat  Gheret  over- 
leverde in  siro  lestcr  rekcninghe  van  Enghebrechts 


afterstal  ende  van  sijn  selves  afterstal  van  den 
jare  van  42  .  .,  dat  rekent  hi  algeheel  ontfaen 
alsoe  groot  als  hijt  bewijsde  afterstaende ,  Bek.  d. 
Graf.  2,  10.  Item  beval  mijn  here  .  .  te  innen 
tghelt  van  den  weghe  tusken  Rijswijc  enter  Haghe , 
dairt  afterstond,  117.  Summa  van  afterstallighen 
renten  van  den  jare  40  .  .,  die  minen  here  den 
grave  noch  afterstaen ,  279.^ 

ACHTERSTAL ,  bnw.  Of  het  als  bnw.  gebezigde 
znw.  Achterstal,  6f  door  af  kapping  van  den  uitgang 
'ich  uit  Achterstallich  ontstaan.  Verg.  Achteustkl 
bnw).  Achterstallig.  \\  Voirt  hevet  onse  Rentemeester 
van  Zeeland  hoir  ghelevert  in  achterstalre  scoud 
van  den  oiste,  die  nu  ghelcden  es  .  .  elf  hondert 
ende  vychtich  pond.  Mieris  2,  270a  («.  1321.) 

—  In  de  uitdrukking:  Achterstal  vonnis, 
een  achterstallig  vonnis,  d.  l  een  vonnis  door  de 
Schepenen  in  advies  gehouden  of  uitgesteld ,  dut  zij 
dus  nog  uitwijzen  moeten.  ||  Alsulc  achterstal  vonnes , 
als  onder  u  gesteet  is  .  .  Dat  hy  hem  sijn  achterstal 
vonnes  verdage  overdworts  nachts ,  Matth.  157  vg.  — 
Kort  te  voren  heette  het  een  vonnis ,  „  dat  die  sce- 
penen    in  vorste  genomen,  d.  i.  uitgesteld  hebben." 

ACHTERSTAL ,  znw.  onz.  In  de  tegenwoordige 
beteekenis:  Achterstal,  achterstallige  schuld.  Verg. 
AcHTERSTELi.E.  ||  Van  den  afterstalle,  dat  haer 
Gherijt  van  Heemskerke  overleverde  haren  Florans, 
Bek.  d.  Graf.  1 ,  270.  Ontfaen  van  verdingheden 
afterstal,  271.  Afterstal  van  den  renten,  353. 
Item  so  salmen  alle  kercghelt  ende  alle  afterstal 
van  kercghelt  in  pan  den  mitter  stede  bode ,  Leid. 
Kenrb.  482,  1.  Zoo  ook  Bel.  v.  Leid.  296;  Inform. 
430,  562,  enz. 

ACHTERSTALLING ,  komt  meermalen  in  Zeeuw- 
sche  stukken  in  plaats  van  achterstallich  voor; 
zoo  b.  V.  Bek.  v.  Zeel.  1,  10,  11,  12,  e.  e. 

ACHTERSTE,  znw,  onz.  Zie  Achterst  bnw.) 
Komt  in  den  Delftschen  Bijbel  van  1477  in  twee 
elders  ongewone  opvattingen  voor,  die  alleen  aan 
de  onhandigheid  van  den  vertaler  zijn  toe  te  schrijven. 

1)  Einde.  II  Hi  en  sal  onse  achterste  niet  sien, 
Jer.  12,  4.  Vuig.  ywvissima  nostra,  Stateub.  ons 
eynde.  Ende  die  Here  benedide  Jobs  achterste  meer 
dan  sijn  beginnen,  Job  42,  12.  Vuig.  novissimis, 
Statenb.  laetste. 

2)  Het  achter  of  na  iemand  komende ,  zijn  nakroost, 
nageslacht.  \\  Ende  ie  sal  afcorten  dijn  achterste, 
I  Kon.  21,  21.  Vuig.  posteriora  tua,  Statenb.  uwe 
nakomelingen. 

ACHTERSTEDICH  (achterstedech),  -dige  of 
-dege,  bnw.  Van  Achters  f  at,  uit  Achter  en  Stat, 
stand  of  plaats,  evenals  Achterstellich  van  Achter- 
stelle  (zie  ald.).  Ten  achteren  staande ,  achterstallig. 
Mnd.  Mhterstedich.  Een  Duit^ch  gekleurde  term, 
in  de  Geldersche  oorkonden  gebruikelijk.  ||  Hir 
mede  secge  wi  alle  afterstedigh  geit  van  ure  mede- 
gave  quijt,  Nijh.  1,  202.  Alle  afterstedighen  pacht 
.  .  daer  die  daghe  van  betalinghe  of  gheleden  siin , 
die  sal  men  betalen  mit  alsulc  payment ,  als  dat  tot 
hier  thoe  betaelt  is  gheweest,  3,  39.  Hoer  rinthen, 
pacht  ende  scolt  dye  men  hoer  sculdich  is ,  of  achter- 
stedich  weren,  69.  Zoo  ook  4,  64;  5,  165.  Het 
onderpandt  voor  zijn  achterstedige  renth,  Landr. 
V.  Vel.  31.  Voor  sijnen  buyten-,  als  oock  binnen- 
jaersche  achterstedige  rente,  36. 

ACHTERSTEKEN  (steect  of  stect,  stac,  staken, 
gesteken),  st.  ww.  bedr.  Zie  Steken  en  Achter 
bijw.  a,  4). 

1)  Enen  — ,  iemand  terugstooten ,  tei'ugslann , 
terugdrijven.  ||  Doe  quamic  op  hem  om  dese  dinc 
eude  stacken  achter,  ende  gewan  met  mire  vromec- 


4t 


ACHT. 


ACHT. 


42 


heit  al  oase  man,  Lanc.  III,  11666.  Daer  met  hi 
achter  heeft  ghesteken  her  Aerde  van  Hoemen , 
soe  dat  hi  den  hertoge  niet  en  mochte  comen  bi, 
Brab.  Y.  VI,  8058. 

2)  Enen  — ,  iemand  van  zich  stooten ,  veratooten , 
terugstooten.  \\  Want  alse  ghi  mi  sult  gebreken, 
alle  andre  sullen  mi  achtersteken,  Xiz»<;.  II,  11349. 
Die  arme  heeft  selden  gelacke :  achter  es  hi  altoes 
gesteken ,  Rosé  439.  Alsraen  scalcheyt  wijsheyt  meet, 
ende  die  gherechtige  achterstect.  Wrake  II,  39ö. 
Willic  alle  mijn  ande  wreben,  soe  comen  mijn 
vriende  mi  verspreken;  verdraghe  ie  wel,  men 
stect  mi  achter,  D.  War.  1,  135,  24. 

3)  E  n  e  n  — ,  iemand  achteraf  houd€n ,  achter- 
houden^ niet  overleveren  (aan  het  gerecht).  ||  Die  . . 
van  Dordrecht . .  namen  selve  de  voirscreeve  valsche 
munten  in  horen  bande ,  achtersteeckende  den  voir- 
screeven  persoon,  soo  dat  men  dair  off  geen  justicie 
doen  en  mochte,  V.  d.  Wall  564  {a.  1444). 

4)  Enen  — ,  iet  — ,  iemand  of  iett  terugzetten , 
tekeergaan^  tegenwerken,  ||  Aldus  met  hogen  spre- 
ken worden  die  wise  achterghesteken ,  Brab.  Y.  VI , 
5735.  Wilde  iemeu  van  sconinx  maghen  dat  weder- 
segghen,  mijn  vader  sonde  met  sinen  selvere  ende 
sinen  goude  so  den  ghenen  steken  achter,  dat  sijs 
souden  hebben  lachter,  liein.  I,  2274.  Dat  hi  dus 
wilde  achtersteken  den  besten  man,  gelovet  das, 
die  nie  in  hondert  jaren  was,  Velth.  V,  22,  70.  Deu 
genen  die  in  dese  sake  enegen  van  hen  achterstake , 
Lorr.  II ,  3510.  Die  jegen  den  here  altoes  hem  setten, 
ende  achtersteken  ende  letten,  Stoke  VII,  647. 
Alle  die  ghene  die  wederspraken  tRoemsche  rgc 
ende  achterstaken ,  Wrake  1 ,  554.  Ende  helpen  daer 
om  aftersteken  den  gemeinen  orbaer  alle  dage ,  Hild. 
5,  190.  Int  lest  soe  helptment  achtersteken  ende 
beletten  daer  men  can,  231,  172. 

5)  Enen  in  of  van  iet — ^ hem  doen achterstaen 
in  iets ^  of  wel,  er  hem  van  versteken  of  berooven.  || 
Dus  scijnt  die  mensche  boven  al  dat  leeft  achter- 
gesteken  ,  eest  in  snelhede ,  in  crachte ,  in  ontsien- 
lijchede,  i^.  II*,  75,  32.  Eest  dat  sijt  volc  te  sere 
verduwen  ende  achtersteken  van  den  rechte ,  Lit- 
cid,.   2880. 

6)  Iet  — ,  iets  van  zich  stooten ,  verwerpen ,  bene- 
d-en  zich  achten.  ||  Ende  cracht  ende  valscheit  ach - 
tersteken,  ende  alle  quade  dinge  breken,  Lsp.  III,  12, 
53.  Ende  alse  Antekerst  dan  siet,  dat  hem  tfolc  alga- 
der  vliet  end^  sine  lere  aftersteken ,  IV ,  8 ,  23  (verg. 
VS.  21).  Swighen  es  een  proper  woort,  het  luut 
so  wel  int  spreken;  van  Gode  moeten  si  sijn  ghe- 
stoert  die  dat  achtersteken ,  Belg.  Mus.  6, 196,  323. 

ACHTERSTEL,  bnw.  Zie  Achterstal  bnw.) 
Achterstallig.  \\  Ontfaen  ende  inghenomen  van  den 
achterstellen  renten  in  Zuithollant,  Rek.  d.  Graf. 

I ,  120.  Ontfaen  van  den  achterstellen  renten ,  ald.  — 
Vooral  in  Zeeuwsche  stukken.  i|  Van  achterstellen 
beden,  renten,  vrien,  pachte,  scote,i2tf/t.  v.  Zeel.  1, 

II,  12,  48,  61,  55;  2,  119  enz. 
ACHTERSTELLE ,  znw.  vr.,  later  Achterstel  , 

als  onz.  gebruikt.  Uit  Achter  en  Stelle  y  stal  ^  si&nd 
of   plaats ;    dus    de   achterstand  ^    het    ten  achteren 
staande  y  thans  Achterstal  ^  achterstallige  schuld.  \\ 
Doe  gaderden   si   met  goeder  staden  haer  achter- 
stelle,  Rijmb.  27568.  Mids  dachterstel  vore  vercleert, 
dat  hertoghe  Willem,  des  sijt  wij s ,  sal  gheven  den 
hertoghe  Anthonijs,  Brab.  7^  VII,  2l9()   Item  soe 
sceldcn  wi  quite  . .  onse  stat  van  Loveng   Ige  van  II* 
pont  Lovens  sjaers  . .  ende  oec  van  d«w     v,t<»rstelle 
daer   af,   Brab.  Y.  Dl.  1 ,  bl.  774  (^  ^^^77).  ^^ 
allen  den  achterstf  Hen ,  die  mea  oijj^^*  1^     f  jjcul- 
dich  is  van  tiden  voirleden ,  Dl.  2 ,  k^^  ^-|f  ^  i404). 


Ende  hi  heef  oec  ghelevert  in  afterstelle ,  die  noch 
afterstaen  van  den  renten  voerseyt.  Rek.  d.  Graf. 
1,  75.  Alle  achterstelle ,  dat  die  greve  vanHollant 
sculdich  is.  Mieris  2,868a.  Alle  sulke  afterstelle, 
als  haer  dan  gebreecken  mach,  4,  944^.  Dien  sal 
men  rekenen  te  gelde  tafterstel  opt  hoeftgelt,  V.  d. 
Wall  305.  Eiken  persoen  sijn  afterstel  oprekenen , 
ald.  Achterstelle  van  renten  of  van  anderen  sculden, 
ZFl.  Bijdr.  4,  5.  Van  allen  haren  achterstellen, 
die  hemlieden  de  stede  sculdech  es,  ald.  Zoo  ook 
6;  8.  Rek.  v.  Zeel.  1,  5, 10, 51 ;  2 ,  112,  e.  e.  De  coninc 
byden  feilen  rade  ende  inghevene,  hy  wilde  hebben 
de  achterstellen  van  X  jaren,  Oron.  v.  Vlaend.  1, 171. 

—  Enen  sine  achterstelle  gelden,  iemand 
zijn  achterstal  betalen  ^  overdrachtelijk  hem  iets  be- 
taald zetten  y  hem  voor  iets  doen  boeten.  \\  Ende 
reden  bet  an ,  ende  wilden  ghelden  Waleweine  sine 
achterstelle  om  te  wrekene  haren  gheselle,  Wal. 
4146. 

ACHTERSTELLEN,    zw.   ww.    bedr.    Uit   den 
weg  ruimen  y  wegnemen  ^  en  dus  weren  ^  voorkomen, 
II   Om  alle  donkerheden  ende  dolingen  achter  te 
stelne,  ZVl.  Bijdr.  4,  7. 

ACHTERSTELLICH  (achterstellech),  -lige 
of  -lege^  bnw.  Zie  Achterstelle.  Achterstallig. 
Mnd.  achterstelHch.  \\  Die  afterstellige  versoenen 
scult,  V.  d.  Wall   305.  In  de  uitg.  afterstellinge^ 

Vg.   ACHTERSTALLINO. 

ACHTERSTELLICHEIT,  znw.  vr.  ZieAcHTER- 
STELLICH.  Achterstallig heid.  \\  Hertoghe  Anthonijs 
heeft  ghegheven  tgelt  van  der  duwarien  voorscreven, 
dwelc  was  van  achterstellicheit  van  der  herto- 
ghinnen  voorseit,  Brab.  Y.  VII,  2197. 

ACHTERSTOOT,  -stotêy  znw.  m.  Verg.  Weder- 
stoot. Achteruitgang  van  zaken  ^  tegenspoed,  jj  Om 
dit  ducht  hem  te  min  die  here  van  achterstote  in 
genen  tijt,  oft  daer  af  te  hebben  eenigen  strijt, 
Velth.  V,  4,  14. 

ACHTERSTOTEN  {sHet,  stiet,  gestoten),  st. 
WW.  bedr.  Zie  Achter  b\jv.  a,  4). 

1)  Van  zich  stooten,  wegstooten.  \\  Ende  Juliaen 
stieten  after  ende  si  worpen  neder  ter  aerden. 
Pass.  W.  223  b.  En  hadden  si  niet  mit  veel  sonden 
bewonden  geweest,  so  had  dese  oec  om  sijn 
stoutheit  geslegen  geweest  ende  achterghestoten , 
D.  B.  II  Maccab.  5,  18. 

2)  Op  den  achtergrond  stellen,  verwaarloozen. 
Verg.  Achtersetten  1)  4.  Dat  die  berechters 
van  eere  stat  om  haer  selfs  quade  ghenieten  ghe- 
meene  oorbaer  achterstieten,  Lsp.  III,  16,  128 
(hs.  H). 

ACHTERSTWERF,  Achterstwerven,  bijw. 
Het  laatst,  voor  het  laatst,  voor  de  laatste  maal. 
II  Ie  saghere  vele  meer ,  sonder  saghe,  te  Kamaloet 
in  dien  daghe  dat  ie  daer  achterstwerf  tornierde, 
Lanc.  lx ,  28544.  Hoe  dat  Lanceloet  siec  lach  daer 
hine  achterstwerven  sach,  II,  16412.  Doe  icken 
achterstwerven  sach.  Wal.  1812. 

ACHTERSÜSTERKINT(achtersusterskint), 

-kinder,  znw.  onz.  Uit  Achter  en  Susterkint,  d.  i. 

kind  van  een  zuster  (of  broeder) ,  neef  of  nicht.  Ac^ 

temeef  of  aehtemicht.  ||  Hier  of  sal  hem  die  bail- 

liu  geven  zegel  ende  brieven  sijn  rechte  maechsoen 

te  panden  .  . ,  dats  te  verstaen  eenre  moeyen  soen 

X  schelling ,  eenre  oudermoeyen  soen  X  schelling , 

ende    een    aftersusterkint  V    schelling,    ende  een 

aftersusterkint  in  een  halven  lede  nae  V  schelling , 

een   eerste   litt   2^   schelling,  V.  d.  Wall  118  (a. 

1303).  Dat  namaels  tot  ghenen  tyden  niet  meer 

dan   twee   personen   en    sullen    te   samen    in   den 

gherecht  sltten  off  wesen  die  naerre  malcanderea 


43 


ACHT. 


ACHT. 


44 


sijn  vau  inaeg8caj)pcu  off  van  zwagherscappeu  dau 
aftersusterkint,   521   (a.  1432).  Dat  die  ghene  die 
malcanderen  aftersusterkint  niacch  of  naerre  siJn, 
tot  geenre  tijt  mit  malcanderen  te  samen  hcemraden 
wesen  en    sullen,   542   (a.   1442).   £nde  want  dan 
nu    ter  tijt  .  .  vier  personen  van  eenre  maescappe 
ende  swagerscappe ,  die  aftersusterkint  zijn   ende 
dair   en   bynnen,    tsamen    in  den  gerechte  sitten, 
593   (a.   1455).  Dat  voertaen  .  .   in   den  gerechte 
niet  meer  en   soude   sitten  noch  wesen  dan  twee 
personen,  die  naerre  malcanderen  souden  sijn  van 
maechscappen   of  swagerscappen  van  eenre  maech- 
talen  dan  aftersusterkint,  617  (a.  1462).  Ten  sellen 
ghene    borghermeysters    vau    der    stat   te    gader 
borghermeysters   wesen,   de  malcanderen  aftersus- 
tcrkynderen    sijn  of  naerre  maech ,  R.  v.  Vtr.  19. 
Weert   sake   dat  yemant  enigen  man    off  vrouwe 
aensprake  dat  die  hem   hoerde  te   rechte,  so  sal 
hy  den   man  off  vrouwe  wynnen  mit  twee  gueden 
knapen,    die    hem    sijn    achtersusterkynder   ende 
niet   veerre    en   sijn,  die  van  der  selver  side  zijn 
daer  hy  den   van   aenspreket,    Overij».   Recht.  I*  , 
104;    verg.    11.    Dat   achtersusterkynderen   sullen 
afkieren  ende  niet  vorderen  van  malcandems  saken , 
I*,   171.   Dat  een  ander  dat  recht  voert  vorderen 
mach ,  die  een  aftersusterskynt  is ,  Dit^gt.  v.  Delft 
35;  verg.  42,  45.  Zoo  nog  R.  v.  Utr.  78, 13; 316, 
193;   R.   V.  Zutf.  53,  18;  99,  29;  Dingt.  v.  Amst. 
12;  24;  Handu.  v.   Weesp  la;    v.   Waterl.  16tf,  enz. 
ACHTERSÜSTERKINTMAECH,   znw.   m.   Uit 
Achtersitsterkint    en    Maeeh.    Bloedverwant  van  een 
achterneef  of  aehtemicht  ^  in  'talg.  een  ver  verwant.  \\ 
Alsoe  Coster  Huyghe  Melysz.  een  aftersusterskynt- 
maech    is    van    Jacob    Pieter   Costersz. ,  Dingt.  v. 
Delft  61. 

ACHTERSÜSTERKINTVREDE  (-vreed), znw. 
m.  Uit  Achter  tutter  kint  en  Vrede  (zie  ald.).  Vrede  ^ 
verzoening  ook  tuttchen  d€  verre  verwanten  van  twee 
ttrïjdende  partijen.  \\  Ende  heeft  die  ondact  namelike 
selve  mitter  hant  gedaen,  over  een  aftersusters- 
kyntvreed  of  daerenbinnen ,  Dingt.  v.  Delft  62. 

ACHTERSWEMMEN  {twam ,  twommen ,  getwom- 
men) ,  st.  ww.  bedr.  Zwemmende  achterhalen ,  in- 
halen met  zwemmen.  Verg.  T.  en  Ltb.  4,  116  vlg. 
II  So  stare  sijn  si  ende  so  vermeten,  dat  si  ver- 
winnen enen  walvisch  wel  ende  achterswemmen: 
si  sijn   so  snel,  Alex.  VII,  951. 

ACHTERTALE ,  znw.  vr.  Verg.  Achter- 
sprake.  Achterklap^  latter.  \\  Ne  spreect  van 
niemende  gheen  achtertale ,  Amand  II ,  5189.  Die 
achtertalen  scuwen  ende  jugimente  sullen  daer 
boven  hebben  rente,  II,  5198.  Ie  gheve  mi  scul- 
dich  .  .  in  scop,  in  scheme,  in  achtersprake,  in 
achtertalen.  Vod.  Mtit^  2,  423.  Eu  wilt  niet  mal- 
cander  mit  achtertalen  uwen  gueden  name  niet 
vcrniinren,  Ht.  75,  /.  112  c.  Dat  hi  hem  hier 
af  wachte  van  den  aermen  te  verstekene  ende  van 
achtertale  te  sprekene,  Sp.  III',  17,  26.  Nochtan 
vresic  achtertale  .  . ;  wilden  si  hem  selven  besien 
die  der  achtertalen  plegen ,  si  souden  hem  wachten 
daer  jegen,  Theoph.  33 — 44  (verg.  19  en  47). 

ACHTERTERDEN  (tart,  torden,  getorden),  st. 
WW.  onz.  Zie  Terden.  Achterwaartt  treden, terug- 
treden, wijken.  \\  Guweloen  die  also  groot  up 
hem  weder  slouch  die  slagen,  so  datsi  hem  ver- 
sagen somige  daer  of  begonden.  Daer  orame  wilden 
si  tdicre  stonden  al  daer  niet  achterterden,  ïltighe 
V.  Bord.  1,2,  39.  Wye  achterterdt  daer  blijft  sijn 
heere,  die  scande  verwint  hi  nermernieere ,  Bral. 
r.  VII,  3251  var. 
ACHTERTIDEN    {tide,    tijdde\  getijt ,  zw.  ww. 


onz.,  hetzelfde  als  AcHTERTiEN.  Verg.  TiüEN.  || 
Eer  si  achtertiden  ocht  erselen  souden  enen  voet , 
Brah.  Y.  VI,  5844  (in  den  tekst:  ach  ter  lieden). 
Als  ghi  ghewapent  sijt  om  stiden,  daer  meerder 
heren  sijn  dan  ghi,  en  seldi  ierstniet  achtertiden, 
Vad.  Mat.  1 ,  338 ,  34. 

ACHTERTIEN  (toecA  of  tooch,  togen,  getogen), 
st.  WW.  onz.  en  bedr.  Zie  Tien  en  Achter  bijw. 
Of  4),  en  verg.  Achtertrecken. 

I.  •  Onzijdig. 

1)  Achterwaartt  trekken ,  zich  terugtrekken ,  wij- 
ken. II  Hi  sloechse  neder,  bi  tween,  bi  drien : 
men  sach  daer  menegen  achtertien,  Lanc.  III, 
16540.  Hi  sloecher  meer  dan  XL  te  dale,  eer  hi 
ye  toech  achter,  Sp.  IV*,  35,  28.  Omdat  hy  den 
sclach  heft  ontfaen  en  was  daer  gheen  langher 
staeu ,  mer  hy  toech  achter  aver  ruc ,  Troyen  f. 
164  c.  Doe  toghen  si  achter  in  beiden  siden  ende 
lieten  hem  beiden ,  die  sciere  striden  souden , 
alleue  staen  int  criit,  Limb.  VI,  1073.  Doen  ont- 
boet die  Hertoge  mare  den  Grave ,  dat  hi  achtertoge , 
Velth.  II ,  51 ,  27.  Ende  als  Vilvoirden  was  ver- 
brant ,  toghen  si  achter  te  hant ,  Grimb.  1 ,  5607. 
Sy  toghen  achter  hare  verde ,  Trogen  Q1T2.  Daer 
soude  node  iemenne  achtertien,  Catt.  670.  Dat  hi 
door  noot  moeste  achtertien,  Heelu  6737:  verg. 
6733).  Sine  moesten  sterven  oft  achtertien,  7114. 
Datiie  Grave  moest  achtertien,  Velth.  II,  60,  52. 
Int  leste  moestense  achtertien  ende  der  Galose 
scoten  vlien,  III,  35,  39.  Ende  togen  achter  met 
droefheden,  Brab.  r.  VI,  8205  Seghelijn  die  ridder 
goede  is  achterghetogen  een  deel,  Segh.  6311  var. 

2)  Met  den  2den  nv.  Zich  terugtrekken  van, 
achterblijven,  of  wel  overdrachtelyk,  van  eene 
belofte ,  niet  gettand  doen ,  onvervuld  laten  ,  nalaten. 
Verg.  Achtergaen  onz.  4)  en  Achtertrecken 
onz.  5).  II  Hoe  verwonnic  meer  den  lachler,  ocht  ie 
nu  togedes  strijts  achter,  Troyen  6284  var.  Bidtdatgi 
wilt  te  deser  steden:  dies  en 'willic  niet  achtertien, 
Belg.  Milt.  10,  66,  63. 

II.    Bedrijvend. 

1)  Achteruittrekken,  terugtrekken.  \\  Mar  ist  dat 
ie  wille  den  enen  steen  achtertyen,  die  naelde  sal 
ten  andren  vlven,  Ltp.  I,  11,  44. 

ACHTERTRECKEN,  ook  achtertreken  (/ra^, 
treken ,  gelreken ,  of  trocken ,  getrocken ;  en  trecte , 
getrect),  st.  en  zw.  ww.  onz.  en  bedr.  Zie  Trecken 
en  Achter  bijw.  a,  4),  en  verg.  Achtertien. 

I.    Onzijdig. 

1)  Achterwaartt  trekken,  zich  terugtrekken, 
wijken.  ||  Doen  trac  hi  achter  bat,  want  hem  porde 
die  doot,  Roel.  IV,  306.  Dus  trocken  si  achter  al 
in  een  ende  dorsten  narre  comen  niet,  Lanc.  III, 
17413.  Si  traken  achter  metten  orseu  ende  lieten 
hare  here  in  groter  noot,  IVal.  2450.  Dat  wi  met 
staden  trecken  achter  binnen  onsen  barbakanen, 
Parth.  6529.  Ende  begau  te  hant  achtertrecken: 
Hi  keerde  weder  te  sinen  here,  Flor.  3295.  Tien 
broeders  daden  daer  twaren  achtertrecken  drie 
scaren ,  Troyen  f.  74  d.  Wie  sone  sach  in  den  aen- 
schine,  scaemde  hem  te  treckeue  achter,  Rijmb. 
31774.  Ie  riede  u  bet  te  trecken  achter  dan  hier 
te  comen,  Ferg.  2236.  Gi  moest  u  here  achter 
doen  trecken,  4271.  Die  daer  zere  strcct  .  .  ende 
niet   achtertrecken  en  wilde,  Sp.  IV",  36,  5.  Der 


45 


ACHT. 


ACHT. 


46 


Ylaniinge  vele  hadden  ducht  ende  trakca  achter 
optie  vlucht,  Velth.  IV,  35,  1.  Die  vandersteede 
verwerden  hem  zoe  ridderlyke ,  dat  sy  met  foeter 
schaden   moesten   achtertrecken ,   Cron.   u.    Flaend. 

I ,  106.  —  Zie  nog  Lanc,  II,  28505, 33465,  47035; 
III,  8970;  ïFal.  5554,  5603;  Ferg.  1792;  Rijmb. 
19611;  Velth.  I,  22,  34;  28;  24;  IV,  29,  88; 
Brab,  Y.  II,  3733;   Vl.  Rijmkr.  7427,  enz. 

2)  Achterwaarts  trekken^  zich  terugtrekken^  t.  w. 
om  voor  iemand  plaats  te  maken  of  om  zich  te 
weer  te  stellen.  ||  Ende  doen  Keye  dit  hadde  ver- 
staen,  wildi  hem  ter  were  setten  saen,  ende  trac 
achter  metter  druest,  Lanc,  III,  20083.  Die  van 
Brucge  trocken  achter  ende  gereiden  hem  ten  stride, 
Velth.  IV,  20,  40.  Oft  ie  trecke  achter  overwaer, 

II,  51,  30. 

3)  Zich  terugtrekken^  loegtlitipen ^  zich  schuil  of 
uit  den  weg  houden.  Verg.  bedr.  4,  a).  ||  Doe 
scaemdi  hem  ende  trac  achter,  het  dochtem  herde 
groet  lachter,  Ferg.  1691.  Want  hi  noyt  in  en- 
ghenen  dinghen  dore  blootheit  achter  en  trac ,  Parth. 
6539.  Sonder  den  ghenen,  de  nachts  trac  achter. 
Trouwen ,  der  wasser  vele ,  die  niet  en  quamen 
totten  spele,  Stoke,  X,  50.  Als  hi  Gods  stemme 
hadde  ghehoort,  en  dorste  hi  niet  comen  voort; 
also  noch  trecken  achter  die  hemselven  kennen  in 
den  lachter,  L^.  I,  23,  25.  Ende  spraken  hem 
scande  ende  lachter  haren  here  ende  trocken  achter , 
om  dat  hi  jeghen  die  Maghet  sprac,  OFl.  Ged.  2, 
106,  105. 

4)  Zieh  terugtrekken,  achteruit  krabbelen.  \\  Doen 
si  alsoe  die  dinge  sagen  gescepen  daer,  trocken 
si  alle  achter  daer  naer,  Velth.  V,  9,  36.  Ware 
dat  sake,  dat  .  .  die  ghene  dien  vonden  ofte  ffe- 
hacht  hadden,  achtertrocken,  Brab.  Y.  Dl.  1,1)1. 
778  {a.  1328).  Na  dire  uren  so  trocken  achter 
vele  sire  yongren  ende  en  wandelden  nemmeer 
met  hem,  Lev.  v.  J.  c.  110. 

5)  Met  den  2den  nv.  of  het  voorz.  van.  Zich 
onttrekken  aan  iets,  het  er  bij  laten  zitten,  het 
nalaten,  of  wel,  weigeren  het  te  doen.  Verg. 
bedr.  4,  b).  ||  Dit  willic  geme  doen,  ie  ne 
wils  niet  achtertrecken  ,  Lett.  N.  22.  7 ' ,  135 , 
165.  Diemeer  verghevict  u  niet  das,  dat  ggs 
noch  sult  trecken  achter;  bedie  men  souts  u 
spreken  lachter,  Parth.  6108.  Maer  sulke  sijn 
dies  trecken  achter  dor  scame  ende  dor  der 
werelt  lachter.  Rosé  bl.  251,  168.  Ende  trocke  hi 
oic  des  achter,  hi  bleve  ewelijc  in  den  lachter, 
Edew.  791.  Vrouwe  heeft  dat  God  (gheordineert , 
soe  willics  volgen;  ende  eest  oec  jeghen  sijn 
ghebod,  soe  trecke  ics  achter,  wies  hem  bolghe, 
Vod.  Mus.  1 ,  62 ,  165.  Ende  trecti  achter  oec  van 
desen,  ie  sal  u  lacht^ren  in  allen  hove,  Velth. 
II,  19,  76.  —  Bepaaldelijk  bQ  eene  gedane  belofte , 
sich  terugtrekken,  ze  niet  gestand  doen,  niet  na- 
komen. Verg.  AcHTEROAEN  onz.  4)  en  Achter- 
tien onz.  2).  II  Ie  ne  trees  heden  achter,  sprac 
mijn  vader,  bi  onsen  Here!  haester  mede,  ie 
bids  jou  sere :  dat  ie  ghelovede  salie  houden. 
Wal.  5658.  Maer  hi  es  dul  die  vos  betrouwet: 
dut  si  beloven  si  treckens  achter,  5898.  Gi  hebt 
mi  geloeft  nu,  dat  sfi  doen  sont  dat  ie  wilde.  Ie 
ben  die  u  vortan  hilae  over  gerecht  logenere,  en 
doedl  niet  dat  ie  begere,  trocti  achter  van  deser 
dinc,  Ferg.  930. 


II.  Bedrijvend. 


1)     Achteruittrekken ,     terugtrekken. 
spronghen   uten   oghen   die  tranen,   ^^  Il 


J'loris 
en^'^    liep»" 


hare  ende  tracse  achter.  Flor.  3689.  Men  trac  de 
lude,  bi  dreen,  bi  tween,  weder  achter  seer 
ghewont,  Stoke  IX,  318.  Dat  trect  men  achter 
ende  steect  voort ,  Rijmb.  28771  {van  een  stormram). 

2)  Terugtrekken,  uit  iets  verwijderen.  ||  Altemet 
daer  die  melc  beghint  te  roomene,  soo  trect  die 
matten  achtere,  Coocb.  I,  26. 

3)  Achterwaarts  trekken,  achteruitzetten,  terug- 
zetten,  te  keer  gaan.  Verg.  Achtersetten  3)  en 
Achtersteken  7).  ||  Enen  verradere ,  enen  bosen 
dief,  die  hen  vernoy  duet  ende  lachter,  ende  hare 
recht  trect  emmer  achter,  Parth.  1677.  Daer  si 
ooc  comen  ten  ghedinghe,  trect  hi  achter  hare 
gherechte,  1693.  Tghemene  oerbaer  trect  men 
achter,  Doctr.  III,  994  var. 

4)  Als  wederk.  gebruikt:  Hem  achtertrec- 
ken, in  denzelfden  zin  als  het  onz. 

a)  Zich  terugtrekken ,  of  wegblijven ,  zich  schuil  hou- 
den. Zie  Onz.  3).  ||  Merke  dat  wie  hem  daer 
achter  trecken  zal,  Merl.  986.  Daer  was  altoes  ene 
ydele  stede,  want  hi  (Judas)  track  hem  selven 
achter,  7293.  Hi  selve  die  trac  hem  achter,  alse 
die  ontsach  snlken  lachter,  Sp.  V ,  90,  49. 

b)  Met  den  2den  nv.  Zich  onttrekken  aan  iets , 
weigeren  te  doen.  Zie  Onz.  5.)  ||  Wie  so  hem  oec 
dies  trake  achter,  hi  bleve  altoos  in  den  lachter, 
Sp.  I',  36,  17. 

ACHTERÜUTVAREN  (afteruutvaren)  st. 
WW.  onz.  Eig.  achteruit  weggaan  d.  i.  met  de  noor- 
derzon vertrekken,  ongemerkt  heengaan.  \\  So  wanneer 
die  luden  .  .  gewaer  worden,  dat haer schuldeners 
also  ruymen  off  affteruutvaren  willen ,  O.  R.  v.  Dordr. 
120.  Zie  vooral  Ndl.  Wdb.  op  achteruitotaren. 

ACHTERVAREN  {voer,  voeren,  gevaren),  st.  ww. 
onz.  en  bedr.  Zie  Varen  en  Achter  bgw.  a,  4). 

Onz.  —  Achterwaarts  trekken,  teruggaan,  terug- 
trekken. II  Doe  dede  hi  sijn  here  scaren  entie 
Percen  achtervaren ,  AUx.  V ,  911  (lezing  van 
Franck,  lat.  retrocedere;  Hs.  verkeerdelijk  achter- 
waren).  Hi  dede  sgn  volc  achtervaren ,  ^i'Vr^.  4287. 

Bedr.  —  1)  Achtemagaan,  aehternarijden.  || 
Die  np  wille  sitten  sonder  sparen  dit  scaecspel 
halen  ende  achtervaren,  Wal.  71  en  1184. 

2)  Achteroprijden ,  van  achteretl  op  iemand  aanrij- 
den, met  een  vijandig  oogmerk.  ||  Dese  ridder,  die  ons 
achtervoer,  lAmb.  IV,  1494.  Soo  sere  reet  die  coninc 
wert,  dat  hi  den  coninc  achtervert,  VI,  2361. 

ACHTERVLIEN  {vlo  of  vloe ,  gevloen) ,  st.  ww. 
onz.  Zie  Vlien  en  Achter  byw.  a,  4).  Ach- 
terwaarts vlieden,  terttgv lieden ,  terugdeinzen.  || 
Die  dor  die  vreeze  van  den  payen  niet  enen  voet 
mach  achtervlyen,  Fragm.  Carl.  337.  Die  emmer 
scoot  ende  achtervlo,  Flandr.  III,  65.  Ende 
maecte  om  hem  een  scaert,  so  dat  si  achtervloen, 
i^.  IV* ,  35 ,  46.  Want  die  heydine  an  haren  danc 
moesten  wiken  ende  achtervlien,  Velth.  II,  33, 
48.  Ie  heb  scande  gedaen  dat  ie  gevloen  ben  dus 
achter,  III,  14,  24.  Trouwe  sal  u  vorwert  tien, 
hope  en  laet  u  niet  achtervlien,  Limb.  X,  613. 
Eest  dat  darcheit  vorwert  tiet ,  ende  trouwe  vorder 
acbtervliet,  vronde  sal  ons  merren,  IF  Mart.  118. 

ACHTERVOET,  znw.  m.  Achterpoot.  \\  Die  esel 
sloech  hem  mit  sinen  achtervoeten  voor  sijn  hooft, 
Dial.   Creat.  76a. 

ACHTERVOLGEN,  zw.  ww.  onz.  en  bedr., 
scheidb.  en  onscheidb.  gebezigd.  Mnd.  achtervolgen. 

I.  Onzijdig. 

1)  Veelal  met  den  3den  nv.  en  als  scheidbare 
samenstelling  gebruikt, 


47 


ACHT. 


ACHT. 


48 


a)  Enen  — ,  Iemand  van  achteren  vohjen^  achtet' 
volyen  ^  achte-rna  loopen  of  rijdeti.  ||  Oftet  was  dore 
tridilers  goet  dat  si  herae  dus  volgeden  achter, 
Soet  was  om  sinen  lachter,  Lanc,  II,  43828.  Ende 
eist  dattu  voren  sijts,  wi  sullen  u  alle  volghen 
achter,  Maleg.  696.  Alle  die  heren  entie  scaren 
volgheden  achter,  Rijmb.  33555.  So  langhe  vol- 
ghet  si  hem  achter.  Nat.  BI.  III,  985.  —  Ook 
absoluut.  Il  Bynnen  desen  selven  veertien  nachten , 
dat  men  Helenen  nam  met  crachten,  sijn  haer 
broeder  ghevolcht  achter,  Ti'otjen  f.  47  a. 

d)  Enen  — ,  iemand  vervolgen^  lat.  persequi, 
t.  w.  met  eene  vijandige  bedoeling.  ||  Sy  sullent 
becopcn,  die  ons  deden  desen  lachter;  mijn  vrieut, 
volghen  wy  achter,  Troyen  f.  260A.  Ie  mochte 
sulken  spreken  lachter  bi  namen,  hi  soude  mi 
volghen  achter  ende  slaan  mi  doot,  Stoke  X,lll. 
Ghi  wilt  hem  heden  volghen  achter,  Serjk.  11048. 
Desidere . .  volgeden  si  achter,  Sp.  III*,  83,  27. 
Ende    volgden    achter   siere  scaren,  Rijmb.  28064. 

2)  Ere  dinc  — ,  iets  nakomen^  eig.  het  gezegde 
opvolgen^  door  daden  doen  volgen.  ||  Biddende  dat 
sy  souden  willen  achtervolgen  haren  scrivene ,  Cron. 
v.   Vlaend.  2,  150. 

3)  In  het  tegenw.  deélyr.  achtervolgende ,  blIb  bnw. 
prebezigd.  Onafgebroken  doorloopend.  \\  Die  derde  . . 
linie  . .  es  somtijt  oneflfene  ende  niet  achtervolgende, 
Belg.  Mus.  10,  267.  Es  oec  dat  sake  dat  dese  linie 
gaet  van  daer  si  beghint  tot  den  wortel  van  der 
haut  achtervolgende ,  269.  Alsi  cort  es  ende  niet 
achtervolghende ,   dit  bediedt  wandelheit,  272. 

II.  Bedrijvend. 

1)  Iet  — ,  iets  volgen^  opvolgen^  nakamen  of 
navolgen  (een  gebod,  voorschrift,  verbintenis,  ver- 
plichting, voorbeeld  enz.) ,  lat  seqni.  ||  Hier  omme 
soude  elc  kerstin  poghen,  hoe  hise  soude  achter- 
volghen moghen  (nl.  de  evangeliën) ,  Amand  1 ,  280. 
Dit  achtervolgende  eenpaerlijc  heeft  van  Vlaendren 
greve  Lodewijc  oec  selve  sijn  brieve  hier  afgegeven, 
Brab.  Y.  VI,  3783.  Want  thof  van  Brabant  oyt 
heeft  ghescreven  de  jare  ons  Heeren  claerlike,  soe 
achtervolght  dese  cronike  die  selve  maniere,  dat 
si  u  cont,  VI,  9200.  Maer  om  te  achtervolghen, 
dat  verstaet,  tbestant  voorseit  ende  den  tractaet, 
VII,  3147.  Eene  prijselicke  ghewoente,  die  men 
te  rechte  achtervolghen  sal,  Belg.  Mtis.  6,  165. 
Achtervolgende  ende  obedierende  uwer  genaden 
scryven  ende  bevelen ,  Gedenkst.  1  ,  268.  Wie 
dese  voirss.  statuten  nyet  holden  noch  achter- 
volgen en  wolde,  Overijs.  Recht.  I',  101.  Omme 
dat  hy  achtervolgt  den  dienst  van  den  monde  van 
den  Prince ,  Matth.  Jnal.  1 ,  265.  Dat  wy  commis- 
sarissen waeren,  die  achtervolgen  mosten  tinhouden 
van  onser  commissie,  In/orm.  496.  Betrouwende 
dat  tguendt,  dat  wy  om  beters  wille  gedaen  hadden , 
geachtervolcht  zoude  werden ,  ald.  Dat  (ieder) . . 
de  selve  ordonnancie  onderhoudt ,  achtervolcht  ende 
volkomt ,  623.  Die  welcke  haer  riedt  dat  enz. . . 
Twelck  si  achtervolgede ,  Jüxc.  Cron.  ISb.  Dat  leven 
Christi  tachtervolghene  in  den  geeste,  Hs.  p.  1348, 
270a  (vg.  aldaar:  sonder  navolghen  van  ere  doot). 

2)  Iet  — ,  iets  aanhouden ^  voortzetten^  het  vol- 
houden. II  Hoe  wel  datten  voorseiden  staet  mijn 
vrouwe  aenveerde  sonder  verlaet,  ende  sceen  daer 
met  te  vredeu  sijn,  ende  achter  volghede  een  en 
termijn,  Brab.  Y.  VII,  6258.  Dat  zij  de  voorsz. 
coopmanschepen  nyet  en  hebben  mogen  achtervolgen , 
ende  moeten  tproffijt,  dat  zij.,  van  dien  plegen 
te  hebben ,  derven  ende  onberen ,  E7iq.  43. 


3)  Enen  — ,  iemand  volgen   om  hem  in  het  oog 
te  houden^  en,  b\j   uitbreiding,  hem  beschermen.  \\ 
De  selve  van  Gendt ,  alsoe  wel  ten  vercryghcne  ende 
ten   achtervolghene   ende   onderhoudene  van  haren 
poorteren  ende  poorterssen ,  C'w».  v.  Vlaend. 2,201. 

4)  Soms  heeft  het  ww.  in  navolging  van  lat. 
assequi,  consequi  de  bet.  van  verwerven,  verkrij- 
gen. II  Nu  hebdi  ontfaermechede  achtervolghet, 
Hs.  v.  1348,  203Ó.  Omdat  si  ontfaermechede  moe- 
ten achtervolghen,  ald.  (vg.  Rom.  11,  30  vlg : 
misericordiam  consequi). 

—  Afl.  Achtervolginge,  in  de  bet.  bedr. 
1).  II  Ter  volcominge  ende  achtervolginge  vanden 
voersz.  appointemente ,  V.  d.  Wall  608  {a.  1457). 

ACHTERVOLGENDE,  voorz.  en  bijw.,  eig.  het 
tegw.  deelw.  van  Achtervolgen  als  bedr.  ww. 
1).  Zie  Ned.  fVdb.  bij  Acutervoloens. 

Voorz.  —  Met  den  3den  en  4den  nv.  Volgens, 
overeenkomstig  met.  \\  Dies  laet  varen  telker  tijt 
tghewerke  alst  niet  en  es  van  acoorde,  ende  ach- 
tervolghende den  woorde ,  dat  men  van  den  priester 
hoort,  Amand  II,  2750.  Terstout  achtervolghende 
desen  worden  .  .  twee  burghemeestren  ghecoren, 
Brab.  Y.  VII,  12198.  Achtervolghende  dit  over- 
drach,  VII,  14903.  Achtervolghende  desen  enz., 
VII ,  16316.  Achtervolgende  dien ,  diensvolgens , 
Handv.  v.  Alkm.  21a.  Achtervolghende  den  voet- 
stappen van  den  voorsaten  ende  den  inhoudene  van 
desen  jeghenwordeghen  lettre,  Vad.  Mus.  4,  113 
{a.  1439).  Achtervolgende  den  voorseiden  seggen, 
£xc.  Cron.  142  c. 

BiJW.  —  Volgetts  {het  vroeger  genoemde) ,  in  over- 
eenstemming [daarmede),  naar  evenredigheid  {daar- 
van). II  Dien  achtervolghende  . .  soe  worden  . .  veer- 
tien persoone  . .  ghevanghen,  Brab  y.  VII,  12133. 
Desen  achtervolghende  al  die  voorseide  hertoghe 
Jan  beval,  enz.,  VII,  13207.  De  balken  groot 
ziinde  twaelf  dumen  viercante ,  de  stilen  ende  cor- 
beelen  achtervolghende,  ZVl.  Bijdr.  4,  319.  De 
stagen  tusschen  beeden  achtervolghende  upwaert 
gaende  alsoo  daertoe  behoort,  310  {a.  1409). 

ACHTERVROME  (achtervrame),  znw.  zw.  vr. 
Nadeel,  schade.  \\  Die  gherne  zijn  vleesch- vet  name, 
anesiet  lettele  dachtervrame  van  den  wederkeere, 
daer  weelde  ghedoomt  wert  ter  scrame,  Wap.  Rog.  749. 

ACHTERWAERDE,  afterwaerüe,  znw.  vr. 
Achterhoede.  Uit  Achter  en  JVaerde,  fr.  garde, 
hetzelfde  als  hoede.  Zie  Waerde  en  verg.  HiN- 
DERWAERDK.  ||  Wie  hebben  soe  vele  goeder  liede 
nu  in  dachterwaerde ,  datse  al  sconfieren  datter 
comen  sal ,  Lanc.  II ,  33324.  Men  haddere  gnoech 
gevaen,  ne  hadde  gedaen  die  achterwaerde ,  diese 
soccoreerde  harde,  II,  33466.  Dachterwaerde  die 
selen  echt  bewaren  van  Vlaenderen  Robbrecht  ende 
Robbrecht  die  Norman,  Brab.  Y.  lil,  1169  (var. 
A.  achterioere,  B.  achterhoede).  Seghelijn  hielt  die 
afterwaerde  stoutelike  terre  vaert,  Segh.  4538. 
Ferrant  .  .  met  Renault  .  .  quamen  met  eender 
meenichten  van  schepen  gheseylt  in  de  achter- 
waerde van  den  coninc  Philips ,  soe  dat  sy  ghecreghen 
veele  schepe ,  Cron.  v.  Vlae^id.  1 ,  126. 

ACHTERWAERNEN,  zw.  ww.  bedr.  Hetzelfde 
als  Achterwaren:  zie  fiXd.  Bewaren ,  beschermen , 
het  toezicht  houden  over  iets.  ||  Dat  ie  hebbe 
gheven  der  kerken  .  .  orlof  te  makene  twee  viere- 
berghen ,  ten  ouden  Brielle ,  ende  die  viereberghen 
te  achterwaernen  alsser  toe  horet,  Oor  kb.  2,  172 
{a.  1280). 

ACHTERWAERRE,  znm.  m.,  samengetr.  uit 
achtehwarere,  achterwarer.  Zie  Achter- 
waren.  Behoeder ,  beschermer.  \\  Wies  haer  behoeft. 


49 


ACHT. 


ACHT. 


50 


neemt  grote  ware.  God  heeft  van  siere  moeder 
di  geset  tachterwa«n*e ,  dat  es  die  wet,  L.  o.  IL 
298.  —  In  de  uitgave  verkeerdelijk /örA/^K^a^fm^, 
dat  hier  geenen  zin  geeft.  De  zin  eischt  hier  ken- 
nelijk een  znw. ,  blijkens  het  voorafgaande  van. 
ACHTERWAERT  (achterwart,  achterwert, 

ACIITERWAERTS  ,  ACHTERWERTS),  bijw.  Mnd.  «cA- 
tenoart. 

d\   Van  plaats. 

1)  Aan   de  achterzijde^    van  achteren ^    achteraf. 
II    Het  had  een  hoeft,  ende  achterwaert  hadt  twee 

enden,  ende  elc  enen  staert,  Stoke  II,  525.  (Ui) 
stac  Waleweine  soe  metter  vard,  dat  sijn  part 
boech  achterward,  Lanc.  II,  39471.  Beide  clerke 
ende  leeken  can  hi  vore  met  talen  weeken;  mer 
hi  bidt  {d.  i.  bjjt)  altoes  achterwert,  Rincl.  1329. 
Zo  wie  eenighen  scheerdisch  stelde  achterwaert, 
up  zolders  of  np  cameren  of  yeuwers  el  dan  ter 
stratewaert,  ZFl.  Bijdr.  6,  163  (a.  1441). 

2)  Naar  achteren,  achterwaarts^  achteruit^  terug. 
II    Tuet,    daer    hine   mede   woude   vanghen,  ende 

achterwaert  wincken  metter  hant ,  D.  War.  7 ,  384 , 
38.  Sine  hant  sloech  hi  achterwaert,  Sp.  11 «,  18, 
12.  Ende  van  dien  sondaghe  afterwaert  die  daghe 
telle  dan  ter  vaert,  Natuur fc.  123.  Waerom  hi  sijn 
haer  achterwaert  bant,  Schaaksp.  33£?,  enz. 

—  Achterwaert  over,  achterover.  \\  Ter 
stont  dede  hi  hem  achterwaert  over  opt  paert  vallen, 
Exc.  Oron.  78c. 

—  Van  achterwaert,  met  d-e achterzijde ^ mei 
af  gewend  hoof d  en  lichaam^  achteruit  hopende.  ||  Ende 
deet  sinen  broedren  verstaen,  die  van  achterwaert 
qnamen  gheghaen , . .  ende  dectene  weder  daer  hl 
lach,  Rijmb.  1307.  —  Inzonderheid  in  de  volgende 
uitdrukkingen : 

—  Achterwaert  gaen,  naar  achteren  gaan, 
en  in  figuurlijke  toepassing,  achtei'uitgaan]  met  den 
3den  nv.  des  persoons,  tegenloopen,  tegenvallen.  \\ 
Het  viel,  dat  Pema  was  ghegaan  afterwaert  om 
hoir  hoeft  te  dwaen,  Mloep  I,  841.  Dan  maecti 
u  op  die  vart  mettien,  ende  waent  sien  dat  gi 
begart;  maer  het  gaet  u  achterwart,  gine  selse 
sien  no  spreken  mogen,  Rote  2278.  —  Achter- 
waert keren,  terugkeeren.  \\  Heer  keyser,  en 
wilt  niet  achterwaert  keeren,  Exc.  Cron.  82<;. 
—  Achterwaert  tien,  terugtrekken.  ||  Die 
coninc  . .  tooch  daer  om  achterwaert  tot  Cranenborch, 
om  des  anderen  dages  henen  te  trecken,  Clerclbl. — 
Ook  in  den  vergrootenden  trap :  achterwaerder 
tien,  meer  of  verder  achterwaarts  trekken.  Verg. 
Ned.  Wdh.  1,  741.  ||  Haddi,  here,  geweest  van 
dien,  die  gerne  achterwerder  tien,  Cass.  1199.  — 
Achterwaert  trecken  (vertrecken),  terug- 
trekken. II  Ende  trecter  enech  achterwaert,  eest 
nachts ,  eest  daghes ,  hi  roeptse  dan ,  Nat.  BI.  III , 
1906.  Als  Aygolant  dat  vernam,  so  vertrac  hi 
achterwert ,  Exc.  Cron.  l^b.  —  Met  den  2den  nv. 
der  zaak.  Zich  aan  iets  onttrekketi,  zich  er  van 
terugtrekken.  Verg.  Achtertrecken  onz.  6).  || 
Des  en  treckic  niet  achterwert,  L.  o.  H.  1951.  En 
ben  nemmer  so  ververt,  dat  ie  des  trecke  achter- 
wert, in  dart  wel  seggen  overwaer,  dat  ie  ben 
God,  want  het  es  waer,  2709.  — Achterwaert 
b  1  i  V  e  n ,  achterblijven ,  terugblijven.  \  \  Aldus  bliven 
si  achterwaert.  Nat.  BI.  III,  1922.  —  Achter- 
waert rumen,  terugwijken ,  naar  achter ef^  wijken. 

II  Als  hi  dat  vernam  ruumde  hi  v^q  «ode  mit 
sinen perde afterwaerts,  Clerc 67,  —  Ach*  •.wftert 
vlien,  naar  achteren  vluchten ,  ^^^ffiryu  II  Die 

Insce  vloen  daer  achterwart,  Cass.  lifP^^'   A-ch- 
terwaert    pensen    (denken),   /^%    ^  .^ 


Want  elc  moet  pensen  achterwaert  .  .  om  die 
gheen  die  argueren,  Hild.  226,  14.  Hier  na  .  . 
begonsten  si  oec  afterwaerts  te  dencken  dat  si 
qnaet  gedaen  hadden,  Clerc  147.  —  Achter- 
waert doen,  doen  achter staen  (in  den  strijd), 
terugslaan ,  het  onderspit  doen  delven.  Verg.  ACHTER- 
DOEN  2).  II  Qelijc  enen  die  ontsinnet  es  geliet  hem 
die  stoute  Ritsart  ende  dede  verre  achterwart 
Pyrote  den  ridder  coene,  Lorr.  II,  4373.  Hi  liep 
den  genen  sere  op  saen ,  .  .  ende  deetse  haers  on- 
dancs  achterward,  Lanc.  IV,  11213.  Hi  .  .  dede 
met  crachte  die  brudere  beide  ende  hare  geslachte  . . 
tote  binnen  der  porten  achterwart,  Cass.  1155.  — 
Achterwaert  scuven,  neuir  den  achtergrond 
schuiven^  terugzetten ,  in  minachting  brengen.  Verg. 

ACHTERSETTEN     CU    ACHTERSTEKEN.    ||    Als    haer 

onrecht  gaet  te  boven ,  ende  trecht  wart  afterwaert 
ghescoven.  Rein.  II,  4235.  —  Achterwaert 
set  ten,  op  den  achtergrond  stellen,  terugzetten, 
of  wel,  vergeten.  ||  Die  boosheit  doet,  hi  wert 
vermaert,  mar  doechde  setmen  achterwaert,  Hild. 
254,  57.  Dat  die  rouwe  .  .  soe  haest  vergeten 
was,  want  si  sette  afterwaert  des  doden  (/.  den 
doden),  ende  hilt  feesteliken  bruloft,  Clerc  72. — 
Achterwaert  steken,  terugstooten ,  van  zich 
afstooten,  verwerpen.  Verg.  Achtersteken  1). 
II  Ermoede  en  es  met  niemen  wart,  men  steecse 
altoes  achterwart.  Rosé  7489.  Mettien  so  namen 
bede  mgn  hande  met  crachte  ende  stakense  achter- 
waert. Rosé  bl.  255,  163.  Goet  raet,  diemen  stect 
achterwaert,  Rincl.  634.  Al  hebben  si  recht, 
twort  ghesteken  afterwaert  oft  gaet  te  quist,Hild. 

135,  102. 

b)  Van  tijd.  In  de  uitdrukking:  Hier  achter- 
waert, voor  het  enkele  hier  achter  gebezigd,  in 
den  zin  van  hierna,  naderhand.  Verg.  Achter 
bijw.  b,  1).  II  Bedi  sal  altoos  onder  dat  zwert 
dijn  gheslachte  sijn  hier  achterwert,  Rijmb. \OZQb. 
Die   heilighen   hier  achterwaert,  Sp.  V ,  53,  71. 

ACHTERWAKER  (afterwaker),  znw.  m.  On- 
geveer hetzelfde  als  achterwaerre  (z.  a).  Hij 
die  voor  iets  moet  waken,  opzichter,  ||  Die  afterwa- 
kers zeilen  elcx  in  hoeren  vyerendeel  die  Inde 
moigen  bekoeren  ende  die  koeren  selve  hebben, 
R.  V.  XJtr.  1 ,  340 ,  9. 

ACHTERWAREN  (achterweren),  deelw.  aM- 
terwaert  en  geachterwaert ,  zw.  ww.  bedr.  Uit  Achter 
en  Waren,  in  acht  nemen,  hoeden  en  verg.  ware, 
hoede,  zorg.  Zie  Waren  en  Ware.  Mud.  achter- 
waren. 

l)  Bewaren,  behoeden,  beschermen.  \\  (Dieduven) 
te  wachtene  ende  te  achterweme,  Esop.  XXVI, 
5.  God  moeter  u  huljien  toe,  ende  moet  u  hoeden 
ende  achterwaren,  Itanc.  III,  1092.  Ende  si  es 
henen  gevaren :  God  die  moetse  achterwaren !  £orr, 

I,  973.  God  moet  ons  allen  achterwaren,  Livr.  d. 
Mest.  45.  —  Evenzoo ,  in  toepassing  op  de  godde- 
lijke  hoede,  Limb.  IV,  698,  V,  913,  928,  1865, 
VI,  20,  IX,  988,  XI,  33.  Van  een  beschermengel 
gezegd,  Lucid.  4253.  —  Een  land  of  volk  a. 
behoeden,  beschermen,  verzorgen,  beheeren,  als  heer 
of  landvoogd.  ||  Wilde  die  coninc  Aelbrecht  varen 
sijn  lant  besien  ende  achterwaren,  Velth.  IV,  69, 
3.  Dien  hi  in  Gallen  hadde  gesent  te  achterwaerne, 
Sp.  II»,  11,  78.  Enen  grave,  hiet  Elijn,  liet  hi 
van  den  lande  sQn  drossate  ende  montbore  al, 
om  dat  hijt  achterweren  sal ,  Lorr.  II ,  2356.  — 
Zoo  ook  Lanc.  III,  18614,  Lorr.  fr.  II,  207,  Grivib. 

II,  993  var.,  Limb.  V,  876,  Negen  best.  159. 
Evenzoo  Die  scaren  (die  liede)  a,  de  krygs- 
benden    beheeren,   besturen,  als  legerhoofd,  Limb. 


51 


ACHT. 


ACHT. 


52 


VII,   922,    Grimb.  I,  3312,  4242,  II,  173,  1402. 
Dat  voetvolc  achterwaren,  Grimb.  II,  1444. 

2)  Bewaren  y  beheeren^  het  toezicht  houden  over 
iets.  II  Si  Heiden:  hier  sijn  al  de  nonnen,  sonder 
ene,  die  Hottelike  ^ebaert,  die  de  cokcne  achter- 
waert,  Sp.  III',  40,  86.  De  meester,  die  de  fonteynen 
achterwaert,  Belg.  Mm.  7,  106.  Qualike  is  het 
geachterweert  {van  een  zwaard)  Ooerzee  101.  Dese 
dinc  {werktuigen  enz.)  waren  den  coninc  bevolen , 
dat  hise  achterware,  Limb.  XI,  1079.  Te  achter- 
waerne  .  .  sine  dinghen,  VI.  Rijmkr.  2456.  Dat 
hy  Reynier  Goethere  .  .  geset  .  .  heeft  te  regeren 
ende  te  achterwaren  .  .  die  herberghe  ende  staet 
van  vrouwe  Johanne,  Brab.  Y.  D.  II,  bl.  736 
{a.  1406). 

3)  Verzorgen^   verplegen y   oppotten ^    zorg  dragen 
voor   iemand   of  iets.    ||    Torec    kerde    ter  tenten 
wacrd,  daer  hi  wel   was  achterwaerd,  want  daer 
waren  knapen  gnoech  die  hem  daden  syn  gevoech, 
Lanc.   III,   26325  {Torec  3201)  Men  gaf  hem  ene 
voestere  doe  die  tkint  wel  achterwaren  can ,  23328 
{Torec  202)   Hebdi   wel  geachterwaert  Gringolette 
mijn   goede   paert   ende  minen   helm?  Wal.  8491. 
Hoe  sy  vaert  te  Cyeroene  in  Tessalien,  die  haren 
sone  langhe  stont  hadde  achterwaert,  Troyen  f.  1  d. 
De   zieke   is  wel  gheachterwaert ,  it  goed  bezorgd  ^ 
heeft  niett  te  vreezen ,  Lanfr.  45r.  Dan  deene  maegt 
sonde  dander  achterwaren ,  Ytt.  Bl.  1368.  Drie  lich- 
tende lampten  achterwaren,  Sp.  II»,  71,  68.  Den 
standaert . .  tachterwaerne ,  Grimb.  1 ,  4906.  —  Een 
kind  a.,  Stoke  lY ,  65.  Een  paard  a.,  Limb.  X,  126, 
Renout  27, 329.  Het  lichaam  {lijf)  a.,  Latg.  II ,  1004. 
Vod.  Mttt.  1,  339,  67.  Eenen  krankzinnige  a.  Ztmd. 
VI,  277;  enz.  —  Ook  bepaaldelijk  van  het  behan- 
delen van  zieken  en  ziekten.  \\  Arsaters  quamen  so 
si  eerst  mochten,  diese  souden  achterwaren.  Wal. 
7602.  Haer  sustre  gingen  enen  meester  huren,  die 
haer   scène   soude  achterwaren,  Chritt.  568.  Daer 
na  cauterizeert  ende  achterwaert  hem  met  gueder 
spisen,  Lanfr.  80  v.  (Die  wonde)  te  achterwaerne 
van  tiden    te  tiden    met   zalven,  met  coolbladen, 
met   wondendranke ,    so    dat   si    luken,    Ht.    Yp. 
142(7.    Dat  lieden  hebben  geweist  tongemake,  dat 
{omdat)    si   so    lange    geachterwert    (Hs.    geacht- 
wert)  siin   met  sachten  dingen,  144r.  Eist  {been) 
uten   lede,  men  trect  weder  in  ende  achterwaerne 
toter  tijt,   dat  hi   genesen    es,   145c.    (Den    voet) 
tachterwaerne  van  vijf  dagen  tot  vijf  dagen,  146r. 
Wonden  a. ,    Chritt.    hll.  Enen  gewonde  a. ,  Lanc. 
III,   16787,   Grimb.  I,  5144.  —  Ook  als  wederk. 
gebruikt.  Hem   achterwaren,   voor  zich  zelven 
zorgen.    \\    Nochtant  wert  wel  beter,  dat  de  men- 
sche  hem  achterwaerde   mit   ghenadeliken   arbeit 
ende  mit  ghetemperde  ate  ende  drancke ,  Lanfr.  72r. 
^   Het   Vlaamsch   kent  nog    heden   achterwaren , 
eene  kraamvrouw   verzorgen,   achterwaartter ^  ach- 
terwarege^  achterwarigge  en  achterwaartterigge  y   als 
benaming  der  vrouw  die  in  Holland  kraambewaar- 
tter  of  baker  genoemd  wordt  (De  Bo  22). 

4)  Waarnemen.  \\  Minnen  ambacht  achterwaren, 
Hadew.  I,  36,  31. 

ACHTERWARINGE,  znw.  vr.  Verzorging,  op- 
putting  y  behand-eling  y  vooral  van  zieken.  ||  Dat  men 
de  humoren  sal  temperen  .  .  mit  Moet  laten  ende 
mit  medicinen  ende  mit  gueder  achterwaringe , 
Lanfr.  36  r.  Bewachten  den  zieke  van  zweringen 
mit  gueder  achterwaringe  ende  mit  ruste  ende 
mit  payse,  68  r.  Men  sallen  achterwaren  mit 
gueder  .  .  achterwaringe,  al  soudemen  die  ziekte 
meren,  80r. 

ACHTERWECH,  -wege,  znw.  m.  Uit  Achter  en 


j    Wech.    Een  achteraf  gelegen  en  weinig  begane  weg. 

II  Bestu  cnape,  vrouwe  of  heere ,  ganc  achtreweghe 

niet  allcene ,  ghetordene  wech  ganc  ende  ghemeeue , 

BoHc  V.   Sed.    749.   —  Nog  in  gebruik,  vg.  Ned. 

Wdb.  1,  743. 

ACHTERWELDAET,  znw.  vr.  Uit  Jchter  en 
Weldoet.  Eene  goede  daad,  een  goed  werk,  achterna 
verricht  tot  hert  tel  eener  vroegere  dood.  Verg. 
AciiTKRDAET.  ||  Want  achterweldade  commen 
dicwile  spade,  ende  dat  men  naer  dieven  doet, 
dat  heeft  aermen  spoet,  Brand.  1453. 

ACHTERWERE,  znw.  vr.  Uit  Achter  en  Were, 
grondbezit,  akker.  Zie  Were.  Een  achteraf  gelegen 
akker  of  ttuk  land.  ||  Die  bueren  mit  horen  after- 
weren  van  Aemstelreveen  an  die  westzide,  Mieris 
3,  446  *.  {o.  13H6). 

ACHTERWESEN ,  znw.  onz.  Het  ten  achteren  zijn 
of  komen  in  geldzaken ,  dus  zoowel  Achterttond  als 
Nadeel ytchod^\  vg.  Ned.  Wdb.  1,745.  ||  Scade,  verlies 
ende  afterwesen ,  Mieris  4 ,  94a  {a.  1408).  Dat  wy  . . 
die  noch  hair  aflerwesen  by  moigen  brengen  ende 
bewysen  mit  zegelen  ende  brieven ,  sullen  betalen , 
V.  d.  Wall  493  (tf.  1425).  So  sel  die  stede  gehou- 
den  wesen  an  den  burgemeesteren  die  sculde  ende 
afterwesen  te  verhalen,  LeUl.  Kenrb.  162,  34. 
Tot  groten  scadelicken  hinder  ende  achterwesen 
der  voirs.  stede,  K.  v.  Brie l Ie  160,  39.  Dat  elc 
gequetste  by  des  meesters  cyrurgijns  wijsheden  sal 
mogen  weten  die  groetheit  sijnre  smarten,  ende 
dair  by  comen  tot  voldoeninge  sijns  achterwesens , 
Matth.  92.  Ende  trecken  mede  dat  achterwesen 
an  hem,  d.  i.  tchuiven  hem  de  tchade  op  den  halt, 
146.  Hertoge  Aelbrecht  ende  Grave  Willem  .  . 
wouden  der  stat  also  te  bate  comen  in  horen  ge- 
breken ende  afterwesen,  die  sy  hadden  an  den 
Heer  van  Arkel ,  Matth.  Anal.  3 ,  318.  Die  van 
Utrecht . .  vervolchden  hoir  saken  voert  van  verlies 
ende  afterwesen,  379.  Die  verclaringe  van  huere 
schulden  ende  afterwesen,  Inform.  241.  Zoo  ook 
Inform.  284,  332,  430,  477;  Handv.  v.  Medembl. 
62Ó,  enz. 

ACHTERWIKEN  {weec,  weken,  geweken),  st. 
WW.  onz.  Zie  Wiken  en  Acuter  bijw.  o,  ^).  Ach- 
terwaar tt  wijken,  terugwijken.  \\  Hadden  Tytus  niet 
gheholpen  daer,  die  met  gheschote  in  die  stede 
die  Joden  achterwikeu  dede,  Rijmb.  31912.  Ui 
saegt,  ende  waes  omblide,  dattie  Romeine  achter- 
weken, 33037.  Ducke  des  daghes  hoerdic  spreken , 
dat  die  Griecken  achterweken,  Trogen  f.  96c.  Als 
die  Hollanders  so  vele  uutghecoren  kempen  ver- 
loren hadden,  weken  zy  achter  tot  Eyloo,  Belg. 
Mut.  4,  201. 

ACHTERWINTER  (akterwinter)  ,  znw.  m.  Uit 
Achter  en  Winter.  Het  luattte  gedeelte  van  den  win- 
ter, nawinter.  \\  Hine  can  hem  selven  so  verhoeden , 
hine  leghet  sijn  eyer  so  vroe  int  jaer,  dat  hem 
die  achterwinter  swaer  alle  dicke  vervricset  te  doet. 
Nat.  Bl.  III,  1398  var.  Des  Manendaghes  na  Zinte 
Pouwels  dach  inden  afterwinter,  R.  v.  Utr.lS,  12 
en  13,  e.  e. 

ACHTERWISEN     {witede ,    gewitet ,    of    wijtde, 
gewijst) ,  zw.  ww.  bedr.  Achterna  wijzen,  nawijzen.  \\ 
Metten  vinghere   si    achterwisen    den   ghenen   die 
hem  te  vele  onderwint.   Vod.  Mut.  1,  328,  20. 

ACHTERWORTE,  -wort,  znw.  o.,  ook  Na- 
bier  en  Nagoed  genoemd  (Kil.  409) ,  vg.  Kil.  819 : 
worte  oft  meddigh  bier,  ghesoden  mout, 
muttea  cervitia  et  tepida,  condimentum  polentarium. 
Kruiderbier ,  bier  met  kruiderijen  vermengd.  Vg.  Eng. 
wort.  Muller  2>,  661  en  de  daar  genoemde  schrij- 
vers. II  Dat  gheen   tappere  eeuich  achterwors  (d. 


53 


ACHT. 


ADAM. 


54 


i.  achterworts)  in  zij  ure  huys  zal  moegen  haelen 
ofte  hebben ,  ten  zij  aat  hl  tuelve  eerst  den  excyse- 
naer  te  kennen  gegeven  sol  hebben,  K.  en  O,  u. 
Delft  218,  8. 

ACHTICH,  telw.  Oorspronkelijke,  in  't  mnl. 
gewone  yorm,  sedert  door  tachtig  verdrongen;  hd. 
acktzig^  eng.  eighty,  \\  Ene quene  van  achtich jaren, 
Franc.  10258.  Des  wijfs  borsten  van  achtich jaren, 
10286.  Hl  hadde  met  hem  omtrent  achtich  perde, 
Versl.  en  Ber,  IV,  61 ,  192  enz.  —  Bceds  vroeg  kwam 
daarnevens  tachtich  in  gebruik,  ook  taeheniich  en 
zelfs  iachtentich  geschreven:  zie  Hor.  Belg.  9,  88. 

ACHTIEN ,  telw. ,  in  den  verbogen  nv.  achtienen , 
doch  niet  uitsluitend  van  personen  gezegd.  )|  Int 
jaer  van  achtienen ,  in  1318 ,  B^ik.  v.  Zeel.  1 ,  197 
passim. 

ACHTIENSTE.  Zie  Tienste. 

ACHTINGE,  znw.  vr.  Zie  Achten.  Mud.  ach- 
tinge. 

1)  Overleg^  beraad^  vooral  in  do  uitdrukkingen: 
Ene  (sine)  achtinge  nemen,  en  Ene  ach- 
tinge  begeren,  bidden,  rechtstermen ,  beraad 
nemen ,  en  van  den  rechter  verlof  vragen  om  zich  (met 
partij ,  voorspraak  of  magen)  vooraf  te  beraden ,  alvo- 
rens de  zaak  verderen  voortgang  hebbe.  Zie  Acht  E  3  en 
4)  en  Achten  onz.  2).  ||  Yoerd  aldaer  een  rechter  enen 
man  vraghet  een  ordeel,  so  mach  hi  sine  achtin- 
ghe  wel  nemen  tote  dien  rechter ,  ende  al  gaet  hi 
uyt  achten,  dat  hi  wel  incomen  mach  ende  dat 
oordeel  ontsegghen,  dat  hies  niet  sculdich  en  es 
te  deylen ,  Oorkb.  2 ,  376*  («.  1292) ;  6073  (a.  1299) ; 
Mieris  2,  91a  {a.  1310).  Doe  dat  vervolcht  was, 
doe  nam  P.  v.  B.  een  achtinge ,  ende  nam  J.  B. . . 
tot  enen  voirsprake  .  .  . ,  ende  doe  dair  vervolcht 
was,  doe  nam  P.  mit  synen  voirsprake  een  ach- 
tinge ,  ende  geerde  te  weten ,  off  die  weet  gedaen 
was,  als  recht  was.  Mieris  4,  579a,  680a  (a. 
1421).  „(Hier)  staet  Jan  Lam,  ende  ie  in  zynen 
woerden,  ende  seyt,  dat  hy  des  onsculdich  is, 
ende  gheert  sijn  achtinghe ;  gheeft  ghy  hem  ?  "  Soe 
seyt  die  rechter:  „Ja  ick."  Soe  beraet  hy  hem 
mit  synen  talman  ende  mit  synen  vrienden,  ende 
als  hy  hem  beraden  heeft,  soe  comt  die  talman  mit 
dier  achtinge  in,  ende  seyt  aldus:  „Heer  rechter, 
Jan  Lam  dien  gaefdy  een  achtinghe ,  ende  in  sijnre 
achtinghe  een  talman ;  die  brenct  hy ,  ende  hy 
volbietse,  ist  u  lief,  ende  ie  segghe  sijn  achte 
woerden ,  Dingt.  v.  Delft  28 ;  verg.  61 ,  58.  Al  ver- 
toecht  mit  vonnisse,  mit  daghinghe,  mit  achting 
of  mit  berade,  38.  Ie  ghebiede,  datter  nyemant 
achtinghe  uyt  en  draghe,  hi  en  draghe  se  uyt 
als  recht  is ,  Dingt.  v.  Amst.  7.  lek  ghebied  dat  er 
nyemant  enich  achting  uyt  eu  neem ,  buyten  m3^en 
oerlof,  hy  en  brenghen  weder  in,  alst  recht  is, 
Weetfr.  Dingt.  8.  Soo  sal  hy  een  achtinge  begeeren , 
Oudenh.  Z.Holl.  476.  Heer  Schout,  ick  bid  u  om 
een  achtinge  ende  een  man  die  mijn  woord  houdt, 
483;  518.  Heer  Schout,  hebt  gy  mijnen  meester 
een  achtinge  gegeven  ende  eenen  man  die  sijn  woord 
houdt?  619.  —  Bij  Matth.  106  en  142  vlg.  heet  het 
raet  nemen;  beraet  geven.  Wie  raad  begeerd  heeft, 
lezen  wij  daar  ook,  moet  den  uitslag  van  het  be- 
raad aan  den  rechter  mededeelen  (dien  „weder 
inbrengen")  en  „dair  op  sijn  recht  formeeren",  of 
hij  spreekt  ongeachte  laoirde  (dus  hetzelfde  als 
onberaden  w.)  —  Achtinge  woorde,  sie  de 
verklaring  bij  Achte  4).  Vandaar,  in  gewijzigde 
opvatting: 

2)  Achtinge  hebben  jegen  •  é  het 
recht  hebben  zich  tegen  iets  te  verklare\  y^^  jre^olg 
van  gehouden  beraad),  er  tegen  op  ie  t^^     gf  *** 


V^ 


verzet  te  komen.  Zie  Achten  onz.  4).  ||  Daer  jegens 
en  mach  haer  man  geen  achtinge  hebben ,  Mieris  1 , 
234 ,  a.  46 ;  ter  vertaling  van :  „quod  maritus  suus  non 
poterit  contra  hoc  actionem  ha  ber  e"  (ald.  1, 
2303).  Dit  heet  elders:  „alsoe  dat  hoer  man  dat 
niet  keren  en  kan"  (Mieris  1,  2263),  en  Handv. 
V.  Alkm.  83:  „datter  die  man  geen  reden  tegen 
hebben  en  magh. " 

3)  Welberaden  inzicht^  overtuiging^  als  beginsel 
der  handelingen.  ||  Dat  hi  blive  gestade  in  sine 
achtinge,  in  sinen  rade,  Ileim.  1833. 

4)  Bedoeling^  voornemen^  plan.  \\  Met  onver- 
keerden anscine  ende  met  bliden  zinne  te  zine  ende 
in  heligher  achtingen  vort.  Franc.  3041  („eodem 
sanctitatis  proposito ").  Hare  achtinge  was  Indien  , 
emmer  der  lieder  uplopen  ontflien,  Sp.I*,  38,  23. 
—  Vooral  gewoon  in  de  uitdrukking:  Achtinge 
hebben,  plan  hebben,  van  meening  of  voornemens 
zijn ,  hetzelfde  als  geacht  hebben.  Zie  Achten 
bedr.  5).  ||  Ie  hadde  achtinghe  openbare  te  vraghene 
wie  dat  hi  ware,  Alex.  I,  1375.  Dane  haddi 
achtinghe  das,  te  varene  saen  in  Bacteren  lant ,  VI , 
816.  Hi  hadde  achtinghe,  die  poort  te  slechtene 
neven  derde ,  VII ,  214.  Want  hi  desen  ach- 
tinghe hadde  sekerlike  te  latene  dat  Roemsche 
rike,  Sp.  V ,  97,  62.  Ende  hadde  achtinghe  seker- 
like hem  te  ervene  dat  keyserrike,  I^,  98,  11. 
Ooc  hadde  Daris  achtinge  mede  dat  hise  daertoe 
vordren  soude,  Rijmb.  16902.  Alse  Earle  hadde 
vromelike  verwonnen  menich  coniucrike,  .  .  haddi 
achtinghe  dat  hi  woude  tAken  rusten  in  sijnre 
oude,  Brab.  Y.  II,  2268—77.  Zoo  ook  J'Vawc.  2089 ; 
Rijmb.  16802;  Sp.  IV»,  11,  94;  enz. 

6)  Meening,  gedachte,  in  de  uitdrukking  ach- 
tinge hebben,  van  meening  zijn,  meenen.  \\  Ooc 
hadden  si  achtinghe  das,  dat  si  souden  vechten  seghe, 
AUx,  III,  1042. 

6)  Inachtneming,  in  de  uitdr.  na  achtinge 
van,  lettende  op,  naar  gelang  van.  \\  Ende  sall 
daer  en  boven  na  groetheyt  des  delicts  ende  ach- 
tinge des  plaets  ende  persoens  gecondemneert  word- 
den in  seeckere  geltpenen ,  Overijs.  Recht.  I ' ,  213. 

ACHTINGE,  in  Vlaamsche  oorkonden,  voor 
hachtinge.  Zie  ald. 

ACHTSCAT.  Zie  de  met  telwoorden  gevormde 
samenstellingen  bij  Sc  at. 

ADAEM,  znw.  m.  Gew^zigde,  zelden  voor- 
komende spelling  voor  adem ,  als  Lanc.  II ,  35183 ; 
Amand  1 ,  684 ;  Mandev.  48(7 :  (Si)  leggen  een 
broot  op  sinen  mont  om  sinen  adaem  te  stop- 
pen. Vg.  ohd.  dtam ,  naast  dtum  (Graff  1,  165).  — 
Ad  om  komt  voor  Christ.  1166,  verg.  Bormans, 
W.  313. 

ADAEMSAPPEL,  znw.  m.;  lat.  pomum  Adam: 
zie  Dnc.  6,  340.  De  vrucht  van  eeu  boom  in  Fa- 
ktestina ,  waarin  de  beet  van  Adam  gezien  werd. 
Verg.  Nat.  BI.  VIII,  197  vlgg.  ||  Daer  vint  men 
oec  Adaemsappel,  die  hebben  een  voet  {l.  beet) 
aen  die  een  zide,  Mandev.  123.  Bij  Maerlant  t.  a. 
pi.:  Arbor  Ade  .  .  es  een  boem  in  Oriënt,  die 
Adaems  boom  heet  bedi ,  .  .  om  dat  si  appele 
draghen  vele  schone  ende  van  vaerwen  ghele,  ende 
elc  appel  met  ere  beten ,  so  datmen  sien  mach  ende 
weten ,  dat  God  toghet  in  aertrike  Adaems  souden 
wel  dorperlike." 

ADAMANT  (ademant,  later  ayamant,  ay- 
MANt)  znw.  m. ;  gr.  dddfiai,  lat.  adamas^-antis). 
Oorspronkelijk  ijzer  of  staal,  later  de  naam  van 
den 

X)  Diamant  en  soortgelijk  edelgesteente.  Verg. 
Beu,  1,7.  \\  Wreder  dan  cnich  tirant  ende  har- 


/ 


i' 


•^  / 


/• 


55 


AD  EB. 


ADER. 


50 


dor  dan  een  adamant,  Alex.  VI,  565.  Adamante 
die  sijn  so  Htarc,  en  machse  breken  gheen  ware, 
sonder  sbox  bloet  allene,  VII,  1017.  Een  ada- 
mant  diere  ende  goet,  IX,  627.  Harde  ghelijc 
den  adamant,  Nat.  BL  XII,  193  (var.  athmani). 
Dat  versche  heele  bocsbloet  scoert  den  adamant, 
dat  harde  steenken  dat  en  gene  andere  cracht  scoren 
noch  verwinnen  en  mach,  Rnusb.  2,  59.  —  Ook  de 
vorm  diamant  was  echter  reeds  in  'tmnl.  bekend.  || 
Sulc  man  desen  dyamas  heet,  Nat.  BI.  XII,  100 
(var.  dy amant).  Sijn  bloet  es  oec  van  suiker  macht , 
dattet  scuert  den  dyamant,  II,  1003.  Datmene 
graveert  met  dinghe  enghene  sonder  met  adamas 
splintere  allene,  XII,  706  (var.  adamana). 

2)  Zeilsteen^  magneet^  ook  later  in  den  jongeren 
vorm  Ay amant ^  aymant^  fr.  aimant.  ||  Men  vint 
enen  andren  ademant  tote  Arabien  int  lant,  .... 
ende  dien  hetewi  den  seilsteen.  Nat.  BI.  XII,  111 
var.  (in  den  tekst  dyamant).  Een  stien  ayamant, 
dat  is  der  scipluden  stien  .  . ,  die  die  naelde  nae 
hem  trect,  Mandev.  40i.  Te  Ormes  sijn  alle  die 
scepen  sonder  ysoren  naglen,  om  die  stienroetsen 
wille  van  den  aymant,  die  daer  in  der  zee  veel 
sijn,  40d. 

Samenst.  adamantsteen.  ||  Hy  sal  wesen 
recht  als  een  adamantsteen ,  dat  hy  die  flguer  ende 
dat  beelde  Goeds  onghequetset  houde ,  Ned.  Proza 
222. 

ADËBE.  Adebe,  vetns,  j.  pekel.  Sahuyo, 
muria.  Kil.,  Lat.  ad^ps. 

ADEC.  Zie  ADIC. 

ADELBIE,  znw.  vr.  Wesp^  crahro.  De  oorsprong 
van  den  naam,  die  in  een  ander  Hs.  adeelbie 
luidt,  is  onzeker.  ||  Crabo  (/.  Crabro)  .  .  .  dinct 
mi    wesen    die   adelbie.   Nat.  BI.   VII ,  497. 

ADELBROEDER.  Adel-broeder,  vetus. 
AdelphM.  Kil.  ZieAOELSONE  enyer^.  Adslbruoder^ 
adelbroder,  en  Adelkint  bij  Ben.  1,  271,  818; 
Lexer  1,  20,  21;  Lubben  1,  14;  Koseg.  1,  107. 

ADELINC ,     'inge ,     znw.    m.     Hetzelfde     als 
Edelinc    (zie    ald.).   Adellijk  persoon^   edelman.    \\ 
Verdrevene   arens  jonghe  mede  dat  sijn  helpelose 
adelinghe,  Nat.  BI.  III,  2392. 

ADELSONE,  znw.  m.  Mhd.  adeUun]  verg.  mnd. 
adelkint.  Wettige  en  diu  edelgeborene  zoon  van 
een  edelman.  Verg.  Adelbroeder.  ||  Die  van 
ere  getrouder  moeder  sijn  adelsone  geboren  waert, 
Heelu  6476. 

ADEM,  ook  ADAEM  (z.  a.),  in  lateren  samen- 
getrokken vorm  ook  aem,  en  met  voorgevoegde  » : 
NAEM,  znw.  m.:  ohd.  dtum\  m\idi.dtem\m\i^.ad€m. 

1.  Adem.  \\  Met  groten  ademe  blaest  hoverde, 
Uincl.  1191.  Haer  ademroec  als  galigaen,  Verg.  1192. 
Ende  off  hi  heeft  enen  hoefschen  mont,  of  hi 
enen  gueden  adem  heeft,  3f/ö^I,  991.  — Inzonder- 
heid in  toepassing  op  den  a^-em  als  het  vermogen 
om  het  lang  in  den  strijd  uit  te  houden ,  in  verschil- 
lende zegswijzen.  —  Den  adem  goet  hebben 
of  hoge  dragen,  een  langen  adem  hebben  en  het 
bijgevolg  lang  kannen  uithouden  ^  nog  niet  vwe  zijn.  \\ 
Ui  hadde  den  adem  so  goet,  dat  hi  vele  mochte 
gedoegen  daer  bi ,  Lanc.  II ,  5206.  Als  hi  gedoecht 
hadde  gnoech ,  ende  dander  sinen  adem  hoge  droech, 
begonste  Bohort  dapperlike  op  hem  lopen,  III, 
6776.  —  Den  adem  weder  gecrigen,  weder  op 
adem  komen  ^  weder  op  zijn  verhaal  komen.  ||  Dat 
si  moesten  met  crachten  bede  ophouden  ende  rusten 
mede,  om  weder  te  gecrigene  doe  haren  adem, 
Lanc.  II,  9522.  —  Den  adem  nemen,  ojd  adem 
komen ^  op  zijn  verhaal  komen  y  uitrusten.  \\  Ende 
gingen  sitten  beide  alsoe,  tot  dat  si  gerest  waren 


/ 

i  1   i   t^vL  i' 


aJ 


'/ 


doe,  ende  alsi  haren  adem  hadden  genomen,  sijn 
(si)  weder  te  gadere  comen ,  Lanc  III ,  24308.  —  Den 
adem  behouden,  niet  buiten  adem  komen.  \\  In 
Arturs  hof,  alsict  las,  waren  alse  goede  ridderg 
alse  hi  was,  also  lange  alsi  behouden  mochten 
haeren  adem  als  si  vochten,  Lanc.  II,  5130.  — 
Ook  in  de  uitdr.  Sinen  adem  trecken,  eigen- 
lijk, zijn  adem  trekken  ^  met  moeite  ademhalen  ^  en 
bij  uitbreiding  zieltogen.  \\  Die  Kerniers  quamen 
over  den  Grave  daer  hi  lach  ende  vonden  levende , 
sinen  naem  treckende  ende  sprac  een  weynich, 
Clere  137. 

2)  Woêem^  damp.  \\  Bese  (critden)  salmen  sleden 
in  eenen  pot  wel  ghedect,  soe  dat  die  adem  niet 
hute  mach  gaen  anders  dan  vau  den  pot  tennin  in 
de  cupe.  Jan  Yp.  92. 

ADEMGAT,  -gate,  znw.  onz.  Lnchtgat.  \\  Mijn 
buuc  is  nu  als  most  sonder  ademgat,  D.  B.  Job 
32,  19.  Vuig.  „absque  spiracnlo^\ 

ADEMINGE,    znw.   vr.    Adem.  Van  ademen.    \\ 
Ende    noch    eist   ademinghe    ende    wint   dat   den 
mensche  uutgaet  ten  monde,  Praet  505. 

ADEMTOCHT  (ademtuciit,  adomtociit)  ,  znw. 
m.  Van  Adem  en  Tocht  (van  tien).  Zie  Ned.  Wdb. 
op  Ademtocht.  Ademhaling  ^  adem.  \\  Langhe  hi 
onder  twater  gheet;  doch  moet  hi  weder  in  die 
lucht,  danen  comt  hem  sijn  ademtucht,  Nat.  BI. 
III,  2740.  Daer  af  {van  den  wind)  heeft  hi  uut 
nese,  nut  monde  den  ademtucht  tallen  stonde, 
M.  en  Vr.  Heim.  89.  Binnen  dien  dat  si  sus  sanc , 
ende  men  daer  hoerde  dat  snete  gcclanc,  en  ginc 
noch  stimme  noch  adomtocht  ute  haren  nese,  dat 
iemanne  dochte,  Chritt.  1163. 

ADER.  Zie  Adere. 

ADERACHTICH  (aüerachtech  ,  adrachtich), 
'tige  of  'tege,  bnw.  Aderrijk  ^  vol  van  aderen.  || 
Twijf  es  aderachtich  sonderlinge,  ende  alle  ader- 
achtege  dinge  sijn  gevoeleker  dan  andre  vele ,  if.  en 
Vr.  Heim.  1593.  Si  sijn  aderachtich  ter  stout  be- 
neden an  der  matricen  mont,  1601.  Dat  boven  es 
al  adrachtich,  ende  onder  eist  al  vleesachtich , 
Vrouw.  Heim.  588. 

ADERE  (adre,  ader,  Aer),  znw.  vr.;  verkl. 
Aderkijn  (zie  ald.).  Ohd.  ddara\  mhd  dder\  mnd. 
aihr.  Ader  in  verschillende  opvattingen. 

1)  Eigenlijk  Ader  in  het  dierlijk  lichaam.  ||  Die 
borse  es  wel  ter  cure  gehecht  an  die  gegaden 
met  adren  die  daer  an  siin  geset,  M.  en  Vr.  Heim, 
604.  Here ,  om  u  adren ,  die  u  scoerden  aen  den 
cruce,  Vad.  Mm.  2,  395,  28.  Van  couden  sijn 
hare  aederen  versworen ,  1,  83,  55.  Dat  van 
den  wive  alle  daderen  in  die  matrice  vergaderen 
ende  in  den  vede  den  man.  Vrouw.  Heim.  973. 
Aderen  ende  matricen  in  de  poert,  186  Eene 
adere  es  in  dat  wijf,  die  (/.  bi)  welke  adere 
des  kints  lijf  sine  voediughe  ontfaet,  981.  Dat 
mi  die  adren  scorden  binnen ,  Boetps.  31  ,  56.  Het 
gaen  oec  twe  aderen  ghelyc  tot  eenen  aerse,  Sal. 
e.  Mare.  22.  —  Ene  adere  slaen,  aderlaten  , 
Lanc.  III ,  9360.  Zie  Slaen  en  verg.  Aderslach. 
Men  zeide  ook  die  adere  laten,  als  Ferg.  1851 
vlg. ,  maar  gewoonlijk:  Ter  aderen  laten,  nl. 
het  bloed,  in  twee  opvattingen :  a)  iemand 
aderlaten.  \\  Ie  wane  gi  gelaten  sijt  ter  aderen,  Lanc. 
II ,  37329.  Des  hartoghen  barbier  van  Borboen , 
die  mijn  here  ter  aderen  liet.  Rek.  d.  Gr.  3,  384. 
Kinderen  den  welken  men  mach  scerpen  achter 
vier  jaren,  mer  niet  laten  ter  aderen,  Lanfr.  75r. 
Nie  en  heb  ie  bloet  doen  laten  ter  aer,  Dial. 
Creat.  10b,  Zoo  ook  Matth.  Anal.  3,3.  —  b)  gelaten 
worden ,    eene    aderlating    ondergaan.     ||     Als    een 


57 


ADEil. 


ADMA. 


58 


mensche  gelaten  heeft  ter  aderen,  so  wert  dat 
hert  traechliker  beroert ,  Barth.  72  h.  Een  men- 
sche ,  die  ter  aderen  laet ,  die  is  temael  zeer 
dorstich  op  die  tijt,  Brugm.  1,  316.  —  De  volle 
uitdr.  vinden  wij  Grimb.  II,  2144:  Daer  liet,  al 
waest  te  ghere  aderen,  menich  sijn  bloet  int  ver- 
gaderen (d.  i.  al  was  het  door  geen  aderlating;  verg. 
de  op  Aderscrode  aangeh.  plaats). 

2)  Overdrachteiyk.  Gemoed, pees i^  zin.  Verg.  mhd. 
ader»  (Die  adem  unde  die  sinne  heter  ummazen 
zche,  FmHoh.  281,  74).  ||  Siel  ende  lijf,  been 
ende  ader  heeft  hi  al  in  mi  gheset,  SeffA.  5002. 
O  wijf,  dine  wivelike  ader  es  so  vul  der  reinicheit 
dat  ie  di  bliven  moet  ghestade,  OVl.  Lied.  en  Ged. 
130,  1.  Daer  an  willic  zin  ende  ader  leggen ,  mach 
ics  werden  wijs,  Denkm.S,  182,  16.  — Ene  felle 
adere  hebben  tot  eenen,  een  vijandige  ge- 
zindheid tegen  iemand  hebben,  op  iemand  verstoord 
sijn,  II  Qhi  hebt  een  harde  felle  ader  te  mi  waert , 
des  ben  ie  erre,  Segh,  616.  —  Ene  qua  de  ader 
werpen  in,  ergens  een  kwaden  geest  in  brengen, 
scheuring  veroorzaken,  twist  en  tweedracht  zaaien; 
vg.  De  Vries,  Mnl,  Wdb.  43.  ||  Nu  haddi  geme 
ene  quade  adere  daer  in  geworpen  ende  verwerren, 
Sp.  III«,  30,  4  (Vinc.  „scisma  intromittere"). 

3)  Bij  uitbreiding,  a)  Ader  waaruit  water  opwelt , 
of  wel  opwellende  waterstraal.  \\  Dat  alre  fonteynen 
adren  gaen  uut  deser  moeder  fonteyne.  Nat.  BI. 
XI ,  60.  Bi  suurs  so  springhet  in  de  zee  ene  adre. . 
uut  den  gronde ,  XI ,  182.  Ende  dede  die  adren  saen 
onsluten  van  der  erden  ende  twater  uutcomen, 
Rijmb.  1166.  —  Figuurlyk.  |i  Ende  met  haren 
verhoelnen  aderen  al  tien  int  conduut  daer  minne 
haer  minne  al  scinket,  Hadew.  I,  43,  55.  — Ook 
van  een  stroom  bloed.  ||  Eene  crone  van  scaerpe 
doome  so  was  mi  in  mijn  hooft  ghewronghen, 
daer  adren  van  bloede  ute  spronghen,  Praet 
4202.  —  b)  Ader  in  de  aarde.  ||  In  der  adren 
van  der  aerde  es  menech  ding  van  groter  waerde. 
Nat.  BI.  XIII,  1.  Adren  die  uut  berghen  sprin- 
ghen  vint  men  die  gout  voer  hem  bringhen,  29. 
—  c)  Aderachtige  streep.  ||  Dinc ,  die,  roestich 
gedaen ,  met  donckeren  aderen  sijn  bevaen ,  Natuurt. 
969.  Neemt  een  glas  dat  es  bevaen  met  adren, 
dire  doregaen ,  975.  —  d)  Een  ader  van  der  zee ,  een 
zeearm,  Mandev.  4c. 

Aanm.  In  het  latere  mnl.  proza  vindt  men  ook 
adere,  inzonderheid  het  mv.  aderen,  in  den 
zin  van  aar,  korenaar ,  eene  onjuiste  vorm ,  ontstaan 
door  verwarring  vau  mv.  aren  (spicae)  en  het 
samengetrokken  dren  {adren,  venae).  Zelfs  Kil. 
geeft  Adere,  i.  are,  spiea.  Zie  Ned.  Wdb.  op 
Ader,  Aanm.  ||  Die  aderen  opten  velde  hangen 
neder,  die  vol  vruchten  sgn.  Sommige  aderen  schinen 
vol  te  wescn ,  Stemmen  59.  Die  seven  dunne  aderen 
D.  B.  Gen,  41,5.  Aderen  die  noch  groeyen ,  Levit, 
2,  14.  Die  aderen  die  daer  bliven,  19,  9  (Elders 
evenwel  aren,  als  Gen,  41,  22;  Xifrt^. 23, 10 enz.)* 

ADEBE  (adre,  ader),  znw.  vr.  Adder.  Met 
weglating  der  n  van  'toorsp.  nadere  (zie  ald.)  || 
Aderen,  padden  ende  slangen,  Qlor.  1106.  Eene 
cleene  adre,  Melib.  2884 var. (in  den  tekst:  Een  cleyne 
ader).  Van  slangen  ende  van  adren  mede,^.  1V«, 
60 ,  77.  Daer  auam  ene  adre  tier  stonden ,  ende  es 
Pauwelse  om  den  arm  gewonden,  Yst.Bl.^^.Q\ïi 
slacht  der  adre  vul  van  venine ,  Praet  8144, 

ADERKIJN,  -kine,  znw.  onz.;  verkl,  y,.  J^^^tf, 
ader  (vena).  Adertje.  \\  Dat  sjjn  beging^j       mt  dit 


saet    an    die   hersenen   ende   nederwt^n     ^^aet  ^^ 
cleincn   aderkinen,  M.  en  Vr.  Ileim.  gc^^    i.   oAex- 


kine    clene,  719.  —  Vooral  in  den  /^U    TÏ^      Wa- 


terstraal ,  die  uit  ondei*aardsche  buizen  opspringt, 
om  eene  fontein  te  voeden.  ||  Want  uten  ardschen 
paradise  comt  gesprongen  een  aderkijn  ende  sprinct 
in  den  borne  fijn.  Wal.  3554.  Herde  rikelijc  was 
tpaviment,  daer  ute  sprongen  die  aderkine.  Terg, 
3054. 

ADERSCOERRE ,  znw.  m. ,  samengetr.  uit 
Aderscorere:  zie  Scoren.  Aderscheurer ,  in  mys- 
tieken  zin,  van  Christus,  die  door  de  overvloedige 
volheid  der  liefde  de  aderen  doet  zwellen  en  open- 
scheuren. II  Ghi  sijt  een  zielwidere  ende  een  ader- 
scoerre  ende  een  hertbrekere,  Stemmen  27  {Geest. 
L.  16r). 

ADERSCRODE ,  znw.  vr.  Ader  lating. Yd^  Seroden , 
snijden,  en  dus  eigenlyk  adersnede.  ||  Sy  deden 
haer  bloet  menigen  laten  sonder  vliemen  al  in  der 
noode,  ende  sonder  te  geven  aderscrode,  Grimb. 
II,  600. 

ADERSLACH,  -slage,  znw.  m.  Aderlating.  Van 
de  uitdrukking  Ene  adere  slaen.  Zie  bij  Adere 
{vena)  en  Slaen.  ||  Dat  hi  ten  negensten  dage 
rechts  naer  sinen  aderslage  ene  duve  sonde  scie- 
ten,  Sp.  III»,  39,  13  (Vinc.  ^j^ostflebothomum''). 
Dat  up  ene  wile  van  den  dage  vreselic  sgn  die 
aderslage,  Rijmb.  4029  {Eist.  Schol,  ^minutio 
{sanguinisY^). 

ADIC  (adec)  ,  znw.  m.  Ohd.  atuh',  mhd.  atich; 
nhd.  attich;  mnd.  adick;  bij  Kil.:  „Adick,  ha- 
dick,  ebulus  ,  pumila  sambttcus ,  chamaeacte ;^^ 
verg.  Dodon.  619.  Wilde  vlier;  sambucus  ebulus 
L.  Over  den  oorsprong  der  benaming  zie  Weig.  1 , 
85;  Grimm.  1,  595.  ||  Ende  wiltuse  meer  hebben 
draghende ,  soe  nemt  dat  sop  van  adicke  ende  sap 
van  apien  was,  Jan  Yp.  52.  Nemt  succum  alsene, 
van  adicke  seeni  ende  aisyn  ende  tarwen  blommen , 
177.  Ebulus  dats  adec.  Es.  Tp.  ^Id.  Nemt  die 
bladere  van  vliedere,  van  adeke,  dese  suldi  stoten 
ende  sieden  in  wine  ende  in  borne,  ald.  33d. 

ADMAEL  (atmael),  znw.  onz.  Hollandsche 
dialectvorm  voor  edmael,  etmaal;  mnd.  o^m^/;  ofri. 
etmél,  etmdl;  ohd.  itmdl;  bij  Kil.  (bl.  12  en  134) 
atmael,  etmael,  ook  aetmael  en  eetmael ^s^eXd  om 
de  volksetymologie  van  eten.  Het  woord  is  samen- 
gesteld uit  Mael,  d.  i.  tijdruimte,  tijd,  en  de 
partikel  ad,  ed,  goth.  id,  ohd.  U,  ags.  ed.  Zie  vooral 
Grimm,  D.  Gr.  ^,  Ibl  vlg.  en  Tijdsehr,  1,  304. 
Id,  ed,  komt  in  beteekenis  overeen  met  lat.  re-, 
ons  her-  of  weder,  als  nog  blijkt  uit  etgroen  en 
mnl.  ede-rieken,  herkauwen.  i?<2i»a^/ is  dus  eigenlyk 
wederkeerende  tijd,  in  drieledige  opvatting. 

1)  Etmaal,  tijd  van  24  uren,  de  tijdruimte  tot 
aan  het  wederkeeren  van  denzelfden  t\jd  des  dags. 

II  Coemt  die  tiendennare  danne  niet,  zoo  zei  die 
ghene,  des  dat  coren  es,  den  tiende  uutzetten  bi 
tween  zire  ghebure,  ende  den  tiende  hoeden  een 
atmael,  Oorkb,  2,  282a  {a.  1289).  Es  dat  die 
rechtere  van  Lopike  coemt  binnen  dien  atmale, 
na  dien  dat  hem  die  boede  hevet  gheseghet ,  390^ 
{a.  1293).  Een  admael  .  .  ende  niet  langer ,  Mieris 
2,  212d  {a.  1319).  Die  sal  die  scout  een  atmael 
in  den  stien  legghen,  L.  Keurb.  492,  17.  So  mach 
men  die  were  of  die  hofstede  met  rechte  winnen 
binnen  drien  atmalen,  Stadr.  v.  Zwolle  121, 204  ter. 
Zoo  ook  K.  en  O.  v.  Delft  91 ,  7. 

2)  De  tijdruimte  tot  aan  het  wederkeeren  vaneen 
{vasten)  feestdag;  inzonderheid  ter  berekening  van 
den  huurtyd  van  personen  of  zaken  en  vooral  in 
de  oosteiyke  provinciën  in  gebruik.  Verg.  3).  || 
Daerloe  en  solde  hi  dat  atmael  bynnen  Zwolle 
niet  dyenen,  Stadr.  v.  Zwolle  150,  265  var.  Ende 
die   boeden  moeghen   dat  selve  atmael  wal  over 


59 


ADOB. 


AECS. 


60 


boeden  dienen  in  onser  vriheit,  266.  Ende  ont- 
voeren si  hem  dan  tot  oeren  onwille,  so  soldense 
hem  gheven  also  vele  al8  hem  gheloeft  was,  ende 
daer  to  en  zoelen  si  dat  atmael  niet  dienen  binnen 
onser  vriheit,  ende  waer  yemant  diese  wonne  dat 
atmael  hem  te  dienen  dat  si  den  anderen  ghelovet 
hadden  te  dienen,  .  .  die  verloer  teghen  die  stad 
een  pont ,  267.  Yan  dat  die  knapen  ende  meghede 
oer  atmael  untdienen  zullen,  Kondichb.  v.  Zntfen 
§  68.  Meet  {Kondichb.  t.  a.  p.:  myedet)  enigh 
man  ofte  vrouwe  knapen ,  meghede  ofte  ammen , 
die  knapen ,  meghede  ofte  ammen  soelen  oer  atmael 
uutdienen,  daer  sy  hom  hebben  vermyet,  R.  v. 
Zutf.  31,  112;  zoo  ook  58,  40. 

3)  Feest ^  feestmaal ^  oorspronkelijk  de  regel- 
matig wederkeerende  tjjd  van  een  (vasten)  feest- 
dag; bij  uitbreiding  van  een  feest  in  H  algemeen. 
Verg.  mnd.:  „to  allen  admal  dat  is  in  sunthe 
Michelis  daghe  unde  Fasschen",  Lubben  1,  16; 
en  ohd.  itmdl^  solemnia,  itmdU  ta^,  dies  festus 
(Graflf  2,  716,  Grimm,  D.  Ör.2,758,  R.  A.S'27); 
ags.  edmélu ,  sacra  orgia  (Benson  i.  v.).  De  betee- 
kenis  van  feest  ging  in  H  mnl.,  door  eeneonjniste 
opvatting  van  het  tweede  lid  des  wjoords,  in  die 
van  feestmaal  over ;  vg.  ons  maalt  ij  d  en  mnl.  eten- 
tij  t  =.  diner.  ||  Ende  heeft  den  hoefmannen  ende 
sijn  heren  een  groet  atmael  bereyt,  Gesta  Ram. 
c.  9. 

=  Matth.  99  vindt  men  den  vorm  nattmael, 
door  prothesis  der  n  van  het  lidwoord ,  „  Binnen 
eeu  nattmael,  dats  te  seggen,  binnen  al  so  veel 
tijts,  als  een  mogeliken  mit  eenre  maeltijt  vasten 
sal  mogen,  dat  is,  tyt  van  een  dach  ende  nacht, 
24  uren."  Reeds  toen  bracht  men  dus  het  woord 
in  verband  met  maaltijd  ^  en  verklaarde  het  daar- 
uit; later  leidde  men  zelfs  het  eerste  deel  des 
woords  af  van  eten:  vandaar  de  spelling  aetmaal, 
eetmael  (zie  Kil.  op  „Eetmaele,  .  .  ab  eten, 
edere,  prandere;  quia  astrologi  incipiunt  diem  a 
meridie^  .  .  qtto  tempore  vul-go  prandetur). 

ADOBEREN,  zw.  ww.  bedr.  'M.\&t.adobare;pTOY. 
adobar  (Rayn.  2 ,  26  vlg.) ;  ofr.  adonber ;  ital.  addob- 
bare.  Zie  Diez  1,  7.  Uitrusten^  tooien^  opsieren,  \\ 
Ende  also  wel  gheadobeerde  vant  men  kume  upter 
eerde,  Fragm.  bij  Mone,  XJebersicht  n<».  14. 
ADOM.  Zie  Adaem. 
ADRACHTICH.  Zie  Aderachtich. 
ADRE.  Zie  Adere. 

ADVENT,  znw.  m.  Van  lat.  adventus  (Domini). 
Be  besloten  tijd  van  voorbereiding  voor  het  Kerst- 
feest^ door  de  Kerk  gewgd  aan  de  gedachtenis 
van  de  naderende  komst  des  Hoeren.  Zie  Ned.  Wdb. 
op  Advent.  ||  Ende  ooc,  alsict  ghescreven  zach, 
sette  hi  te  vastene  voort  den  Advent  voor  Qods 
gheboort,  in  ghedinckenes  ende  eren  der  twee 
toecoomste  ons  heren,  Lsp.  II,  40,  92.  In  eenen 
advent,  dies  willic  lyen ,  doe  dochtic  in  dat  herte 
mijn,  dat  Jhesus  in  der  maghet  Marien  IX  maent 
woude  besloten  zijn,  Denkm.  3,  121,  1. 

ADVERSANT,  -santen  ^  znw.  m.  Van  \9X.adver- 
sane  ^  tegenw.  deelw.  van  adversari.  Tegenstander. 
II  Sathanas  is  so  veel  te  seggen  als  ad  versant,  Boeci 
V.  d.  L.  Jhe9ti,  f  167a.  So  scaemden  hem  alle 
syn  ad  versanten,  dat  is  die  tegens  hem  waren, 
/.  140*.  — Adversant  is  van  jongeren  oorsprong.  De 
oudere  mnl.  vorm  was  adversarijs  (-rise)^  van  lat. 
adversariits.  \\  Onse grote  adversarijs,Z*/?.  11,36, 1484. 
Saghe  hi  sijn  adversaris,  hi  sweech  der  claghe, 
Rein.  II,  4663.  —  Ook  in  den  vorm  Adversarie. 
II  Prudentia  ontboet  al  stille  die  ad  versari  en  te 
samen,  Melib.  3333. 


ADVERSARIJS.  Zie  bij  Adversant. 
ADVIJS.  Zie  Avus. 

ADVOCAET   (avocaet,  avecaet),  -caie^  znw. 
m. ,  lat.  adoocattu.  Adioocaat ^  pUUbearrger  ^  otsaak- 
waamémer,  zoowel  fr.  avoué  ids  avocat,  afwisselend 
met   Taelman    (zie    ald.).    In    de  middeleeuwen 
werd   de  stand  der  advocaten  veelal  om  hun  geld- 
zucht tentoongesteld.    ||    Men  moet  van  den  advo- 
caet   tswigen    copen,   of  et   wert   quaet,   Sp.  1' , 
63,    46.    Avocate    ende    flsiciene,    dese  gaen  alle 
die   straten  gemene,   ende  sijn  bilde  ende  sere  in 
hogen  alsi  den  penninc  winnen  moegen ,  Rosé  4926. 
Taelmanne    ende   avecat«n,    die   om   hare    horsen 
baten    scalke    vonde   venden   conen,    daer   si   dat 
recht  mede  honen,    Doctr.  III,   106.   Dat  eneghe 
vrouwe    wesen    soude    advocaet   ofte   voorsprake, 
Mask.  386;   verg.  437.  —  Desbiscops   9l.^  des 
bisschops  pleitbezorger.  De  advoeati  ecclesiae  stonden 
de   bisschoppen,   abten  en  andere  geestelijken  ter 
zijde   om   de   rechten    en   goedereu   der   Kerk   te 
verdedigen.  Zie  Du  Cange  1 ,  105  \  yioW ,  Kerigeseh. 
1 ,   302.    II    Hi   was   des   biscops   van   Cameriken 
advocaet   wel  negen  jaer.  Rein.  II,  4414.  —  Van 
Maria,  als  de  pleitbezorgster  en  voorspraak   der 
zondaren,    ook    vr.,  in   den  vorm  Advocate  (waar- 
voor   ook    talevrouwe   gebruikt   wordt) ,  naar  lat. 
advocata.    \\    Herhaaldelijk  in  den  MasL^  als  461, 
698,    709,    733,    779,    826,    1116,    1334.     Si   is 
moeder  alre   gracien   ende   alre  genaden,  ende  si 
is    onse  advocaet  ende  onse  middellersse  tnsschen 
ons  ende  haren  Sone,  Ruusbr.  4,  24.  Ghenadiche, 
ontfaermiche  aducate  (/.  advocate),  hope  int  leven 
ende   in  de  doot,  O  II.  Lied.  en  Ged.  27,  30.  Dus 
comt   dat   Onse  Vrouwe  blijft  de  name  Advocata, 
ende   men    scrijft  ende  roept:   Eya  ergo  advo- 
cata! Mask.  1346. 

ADVOCASIE,  znw.  vr.;  lat.  advocatia  (Duc. 
1,  112).  Advocaatschap  ^  pleitbezorgerschap.  ||  Ie 
mach  vore  jammerlike  persone,  weduwen  ende 
wesen,  ende  voor  die  gone  die  ligghen  ghevaen 
in  zwaer  prisoen  wel  ambacht  van  advocasien  doen , 
Mask.  443.  Sonder  enech  wederstaen  van  Maskaroen 
of  sire  partien,  doe  ie  mire  moeder  tere  advoca- 
sien, 466. 

ADVOCATERIGGE,  znw.  vr.  Westvlaamschc 
vorm.  Van  Advocaet  met  den  vrouw,  uitgang  -igge. 
Pleitbezorgster  y  voorspraak  van  zondaren.  Van  Maria 
gezegd:  zie  Advocaet.  ||  Nu  bid  ie  der  moder 
ende  maget,  alder  werlt  advocaterigge ,  Jan  Yp. 
36  (in  de  uitg.  verkeerdelijk:   advocateringe), 

AECHDOCHTE.  Zie  Hagedochte. 

AEFGUNSTICH  ,  bnw.  Uit  aef,  d.  i.  ave , 
welke  bijvorm  van  af  o.  a.  in  averecht  voorkomt 
(zie  ald.).  A/gunstig.  \\  Niet  vrack,  noch  ghiericb 
noch  aefghunstich ,  Bern.  S.  46<i. 

AEFRUI  (aefruy),  mnl.  ook  averone  genoemd 
(z.  a.) ,  znw.  vr.  Van  lat.  abrotanum  (Artemisia  abro- 
tanum) ,  fr.  aurone ;  hd.  aberrante ;  thans  averuit  of 
averoen  geheeten.  Een  heester  met  frisch  groen  en 
geurig  blad]  eitroenkruid.  \\  Van  aefruy  ende  den  hase. 
Aefruy ,  als  een  meester  seyt ,  gemenget  mit  smout, 
trect  uten  leeden  doornen  of  ander  hout  dat  daer 
in  steket,  Dgal.  Creat.  20a.  Ende  seyde  totter 
aefruy  . .  Die  wortel  van  die  aefruy ,  ald.  Elders  op 
dezelfde  bladz.  averuy  genoemd. 

AEFSC.  Zie  Avesc. 

AECSC,  -sce.^  bnw.,  van  den  naam  Aken^  thans 
Akensch\  gevormd  als  Leidsch  van  Leiden.  \\  Die 
kerke,  die  naer  den  Aecscen  gewerke  gemaect 
was  Onser  Vrouwen  teeren,  Sp.  IV',  44,  15. 

AECSË,  AECXE.  Zie  Aex. 


61 


AEL. 


AELD. 


62 


AEL.  Zie  Ai.E. 

AEL  f  zuw.  m.  Aal.  Mnd.  dl.  In  de  Rek.  d.  Graf. 
worden  verschillende  soorten  genoemd ,  als  d  o  1  a  e  1 , 
kijfael,  roecael.  ||  45  tonnen  paildinx,  so 
dolail  ende  kijfail,  2,  417;  419.  Twee  tonnen  ghe- 
soutens  dolails,  ald.  6|  tal  roecs  ails,  ald.  Van 
ere  tonne  ghesoutens  roecails,  418. 

AEL- ,  bijvorm  van  Al  in  sommige  samenstel- 
lingen ,  overeenstemmende  met  got.  ala- ;  ohd.  ala- ; 
osaks.  aUt'  en  aio- ,  waarvan  ook  nog  alinc ,  alentlike 
(zie  die  woorden).  Verg.  Ned.lVdb.  1, 18,  bij  Aal-. 
Nog  over  in  aelmechtich  (z.  almechtich); 
aelwerich  (aelwarich)  (z.  ald.),  en  desamen- 
stelling  Aeleigen,  geheel  eigen ^  volkomen  eigen- 
dom. II  Dat  dese  mensche  seyt  dat  zijn  aeleyghen 
is  ende  den  andere  nyet  en  bestaet,  Wesifr. 
Dingt.  4.  Des  dese  man  seyt,  ende  ick  voer  hem, 
dat  zijn  aeleyghen  is,  ende  Lambrecht  Fietersz. 
nyet  en  bestaet  mit  enyghen  recht,  7. 

AELDINGER.  Zie  Aeldinc. 

AELDINC,  -dinge  ^  later  aeldinger  (bij  Kil. 
ook  HAELINC  en  HAELDiNG,metyiaamschead8p.), 
znw.  m.  Erfgenaam.  Een  ook  in  de  latere  Vlaam- 
sche ,  inzonderheid  Westvlaamsche ,  costumen  veel- 
vuldig voorkomend  woord  (De  Bo  3).  Volgens 
De  Vries  {Mnl.  Wdö.  46)  van  y^aeld,  volks- 
uitspraak van  het  onde  alód  (allodium),  d.  1. 
eigene,  vrne  bezitting,  van  al  (totus,  integer)  en 
dd  (bonum).  Zie  Grimm,  R.  A.  492  vlg.  Het  af- 
geleide aloding,  aelding,  was  de  natnurlgke  naam 
van  den  gerechtigde  tot  het  (nagelaten)  vrije 
eigendom,  tot  het  achtergebleven  erfgoed."  ||  Dat 
die  rechtzweere,  diere  was  bleven,  beede  van  der 
moeder  ende  van  den  vader,  die  helt  heffen  zoude 
van  algader  den  goede,  voren  ute,  ende  dan  int 
ander,  kint  kint  gelike,  voortan  jegen  die  andre 
aeldinge  heffen  sine  rechte  deelinge,  £elg.  Mus. 
8,  270.  Eude  op  geen  aeldinge  te  laten  stane, 
Aet  op  geen  erfgenamen  te  laten  aankomen ,  Lncid. 
4872.  Zijn  vleesch  den  wormen  ende  zijn  bloet, 
ende  zinen  aeldinghers  zijn  werde  goet,  endezine 
siele  viant  of  vrient,  Praet  1019.  Of  hy  thavent 
of  moorghen  storve,  ende  my  zijn  aeldynghers 
wilden  deerren,  ie  zoude  my  metter  quyttancie 
verweerren,  Ned.  Kluchtep.  92,  86.  Die  ghoene 
die  aeldinghe  waren  met  hem  van  der  voerseider 
Elemoeden  doet,  Vad.  Mm.  2,  360  (a.  1281).  Van 
den  voors.  personen ,  die  rechte  aeldinghers  waren 
van  den  voors.  Jhanne  Den  Weerd  ende  Eerstine 
zinen  wive,  £elg.  Mus.  8,  270.  Der  haeldingers 
Jan  .  .  Oosters  land,  van  de  erven  Jan  C,  ZFl. 
Bijdr.  3 ,  388.  Ende  ne  waerre  gheen  recht  onbejaert 
hoir ,  80  sal  hebben  die  here  dene  helt  ende  die  stede 
dander  helt ,  ende  hare  ne  mach  nemmermeer  gheen 
goet  versterven  up  haere  haeldinghers ,  ghel^cjof 
soe  laghe  doot  up  dien  vloer ,  Cout.  v.  Brugge  1 , 
320.  So  waer  dat  een  huus  te  gader  es ,  daer  deen 
of  verstervet,  ziit  man  of  wil  f  of  ander  mensche, 
daer  sinen  aeldinghers  sculdich  of  es  te  verstorvene, 
ende  die  aeldinghers  hevet ,  1 ,  329.  Ware  ooc  dat 
zake  dat  hy  brieven  gave,  ende  enich  goet  buten 
den  brieven  liete ,  daer  aeldinghers  sculdich  waren 
an  te  deelne,  ende  ment  vinden  mochte  binnen 
den  jare  ende  binnen  daghe,  dat  hy  brieven  ghe- 
gheven  hadde,  ent  die  aeldinghers  keniyc  maken 
mochten  met  drie  declmans  .  .  ,  dat  goed  ware 
gheheelleke  ende  al  verbuerd.  Ende  daer  of  souden 
hebben  die  aeldinghers  die  rechte  helt,  1,  331. 
So  wie  die  sculdich  es  in  te  bringhene  van  enigher 
verstervenessen ,  dat  hy  den  aeldinghers  doe  ghe- 
noech    binnen    XL    daghen,    1,   333.  So  waer  dat 


ene  doot  verstorven  es,  daer  bezittere  jof  bezit- 
tighe  blijft,  ende  die  bezittere  iof  bezittighe  ver- 
souc  doet  an  deelmans  omme  te  verheffene  ende 
te  verdeelne  tieghen  die  aeldinghers ,  dat  deelmans 
sculdich  siin ,  den  aeldinghen  dachvaerd  te  settene 
ter  stede  daer  die  doot  verstarf,  ende  eiken  aeldinc 
te  daghene  te  siere  dachvaerd  te  commene,  up 
ziin  deel  te  verliesene  tsieghen  den  bezittere  iof 
tsieghen  die  besittighe,  1,  334.  Ware  ooc  dat  zake 
datter  enich  oubeiaerd  aeldinc  ware  ende  deelen 
wilde,  ende  die  vogheden  hadde,  ende  biconsente 
van  sinen  vogheden,  so  moeten  dies  ghelike  die 
vogheden  hebben  een  ghebod  in  te  gane  ghelijc 
den  anderen  aeldinghers,  1,  338.  Wilden  van 
Lubeke,  aelding  int  goet  dat  bleven  es  bachten 
Janne  Ooien,  1,  429.  Dat  de  voorseide  Tideman 
Wilde ,  Symon  WUde  ende  Metkin  Wilde  alle  ael- 
dinghers waren  van  Jans  Oools  dood ,  als  van  ziere 
moeder  zfde,  ende  van  ghetrouweden  bedde,  1, 
430.  Midts  dat  de  stede  aeldinc  was  van  den 
vierden  vierendeele  van  . .  heer  Pietren  den  Nayer , 
mids  dat  hy  bastaerd  was ,  1 ,  534.  Bemaerd 
Bettin  als  broeder  ende  aeldinc  van  den  vorsey- 
den  Berthelmeeuse  Bettin,  1,  537.  Zie  nog  I, 
204,  332,  341,  497,  558—71  passim;  enz.  —  Ook 
verbonden  met  Aoir.  ||  Ende  waert  eenich  van 
minen  hoyre  ofte  van  miuen  aeldinghers,  so  ont- 
ghevic  hem  van  nu  vort  al  dat  ghoed,  dat  hem 
van  mi  toecommen  eude  versterven  mach,  Vad. 
Mus.  4 ,  359  {a.  1372).  Al  sulc  goet  .  .  als  den 
hoirs  ende  den  haeldinghers  .  .  toecomen,  ver- 
storven ende  gebeurt  mach  wesen,  ZFl,  Bijdr,  4, 
141.  Van  den  hondert  ponden  groten  tornoise,  die 
Martin  vorseit  .  .  den  vorseiden  Grielkin  gaf,  in 
manieren,  storft  zonder  hoir,  dat  zy  weder keeren 
zouden  up  hem  of  up  zQn  wettelijc  hoir  ende 
aeldinghers,  Cout.  v.  Brugge  1,  431.  In  den  name 
van  den  kindren,  alse  hoyre  ende  aeldinghers 
sinde  an  deen  side,  Cout,  r.  Oent  529.  Dat  nem- 
mermeer yemen  anders  dan  sylieden  selve  hoyrre 
ofte  aeldinghers  wesen  souden  van  der  vorseiden 
versterften  haers  kints  kinde,  547.  Dat  by  cos- 
tumen niemene  vurder  eet  schuldich  es  te  doene . . 
dan  thoyr  ende  aeldinghers  van  der  versterften 
vorscreven,  549.  Men  gaf  den  twe  cnapen  .  .  be- 
segelde  letteren  van  sgraven  weghen ,  dat  sy  souden 
gaen  te  haren  lande,  ende  doen  comen  de  aeldin- 
ghers ende  gherechte  hoir  van  den  vorseiden  doeden 
coeplieden,  Cron.  v.  Vlaend,  1,  42,  —  Nog  haalt 
De  Vries  een  oud  testament  aan  uit  Diericx,  Lois 
des  GantoiSy  1,  318,  waar  aeldinger  naast  hoir 
wordt  genoemd.  „  Negeen  van  minen  hoyre  ofte  van 
minen  aeldingers^^ ,  heet  het  aldaar ,  en  straks  wordt 
gesproken  van  „al  dat  goet  dat  hem  van  my  verstorven 
ofte  verschenen  mochte  wesen. "  Hieruit ,  in  verband 
met  de  plaats  uit  de  ZVl,  Bijdr,  4,  141,  trekt  hij 
het  volgende  besluit:  „Aan  het  hoir  derhalve  is 
het  goed  verstorven^  aan  de  aeldingers  is  het  ver- 
schenen of  gebeurd.  Vermoedeiyk  worden  door  hoir 
de  erfgenamen  in  de  rechte  lyn  bedoeld,  door 
aeldingers  de  erfgenamen  bij  uiterste  wilsbeschik- 
king." Doch  uit  het  groot  aantal  plaatsen,  inzon- 
derheid uit  de  Cout.  v.  Brugge^  biykt  ten  duidelijkste, 
dat  aeldinc  de  wettige  erfgenaam  in  rechte  linie 
is.  Worden  beide  termen  nu  vereenigd  aangetroffen, 
dan  komt  ons  voor  dat  zij  synoniem  zyn.  Vg. 
hetgeen  De  Bo  t.  a.  pi.  zegt:  „Aalding  is  het 
oude  Vlaamsche  woord  en  beteekende:  Een  erfge- 
naam volgens  de  zeden  en  gebruiken  onzer  heiden- 
sche  voorouders ;  het  ander  (hoor),  van  lateren  dag 
en  vreemden  oorsprong ,  was :  Een  erfgenaam  volgons 


63 


AELE. 


AELW. 


04 


nieuw  ingevoerde  rechten  en  wetten.  Aalding  bleef 
het  volkswoord,  Hoor  was  de  rechtsterm. " 

AELEIGEN.   Zie  by  Ael,  3de  art. 

AELINGE,  AELLINGE,  en  AELINC,  AEL- 
LINC.  Zie  Alingk,  Alinc. 

AELMACHTICH  (aelmachtech),  -tigeoïtege, 
bnw.  Verbasterde  vorm  van  Amachtich ,  door  het 
niet  meer  verstaan  van  het  oude  voorv.  «-.  —  Bij 
Kil.  Aelmachtich,  j.  amachtich,  impotens." 
MachUlooi^  afgemat^  uitgeput  van  vermoeienü,  || 
Opdat  ge  in  den  wech  niet  aelmachtich  en  wort, 
Fase.  M.  2d. 

AELMAN.  Zie  Aleman. 

AELMATIKE.    Zie  Almatike. 

AELMECHTICH.     Zie  Almechtich. 

AëLMISSE  (aelmis,  almisse,  elmis),  latere, 
verzwakte  vormen  voor  Aelmoesene,  Aalmoes. 
Mnd.  almese,  almüse.  Zoo  Doctr.l^  733,  756,  781 , 
83Ö  (var.);  Hild.  60,  136;  225,  166;  231,  168; 
Spreuken  18,  44;  Clerc.  45;  L.  Keurb.  202,  250, 
489.  Zie  Ned.  Wdb.  op  Aal  mis  en  verg.  den 
in   't  eng.   nog  meer  samengetrokken  vorm  alnu. 

—  Ook  in  de  samenstellingen: 

Aelmisbroot  („In  der  kercken,  als  men  dair 
aelmisbroot  deelt",  L.  Keur 6.  485,  6);  aelmiscor/ 
(„Vrecheijt  totten  aelmiscor/^\  Versl.  en  Ber.  V, 
31,  verg.  Fruin,  Bijdr.  N,  R,  9,  27);  aelmisfiede^ 
-luyden  („Huttekens,  daer  aelmisluyden  inne  woneu," 
Inform.  219J ;  aelmisprovende ,  een  dagelijksche 
maaltijd  ten  oehoeve  van  armen,  („Dry e  elmispra- 
vende  geacht  voor  drye  personen ,  Nijh.  6,  79). 

AËLMISSE.    Zie  almisse. 

AELMOESENE.  (alemoesene,  aelmoessene, 
aelmosene,  aelmosine,  aelmoessine,  almoes- 
sene,  almoschene,  aelmoese  ,  aelmoesse)  znw. 
vr.  Van  Lat.  eleemosgna^  Gr.  èXsrjfioaivrj,  gift  uit 
medelijden.  Blijkens  de  afleiding  was  alemoesene 
de  oudste  vorm ;  doch  de  meest  gewone  was 
aelmoesene  ^  welke  vorm  allengs  afgekort  werd  tot 
aelmoesen,  aelmoese,  eindelyk  tot  aelmoes.  Reeds 
in  H  mnl.  vindt  men  „clene  aelmoe8é*\  Lanc  II, 
24397;  „van  selseure  aelmoesse^\  Velth.  IV,  42, 
18;  „in  aelmoesen*\  Christ.  786.  ||  Bedinge  die  es 
harde  goed  in  vastene,  als  men  almoesenen  doet, 
Rijmb.  15845.  Ënde  bat  hem  dat  si  al  haer  leven 
gerne  aelmoesenen  souden  geven,  15963.  Gef  ael- 
moesenen  met  reineu  moede,  15443.  In  aelmoesenen 
leecht  grote  ere,  15446.  Sine  alemoesenen  die  hi 
guf,  16061.  Ende  alemoesene  bidden  gaet,  Franc, 
3760.  Alemoessene  en  soude  niemen  ontfaen.  Rosé 
10649  (var.  aelmoesene).  Van  aelmoesene  was  hi 
groet,  Theoph.  65.  Ende  gafhare  aelmoesene  mede, 
Sp.  III*,  4,  22.  Alsoe  verdryft  tallen  stonden  die 
aelmoesene  die  souden ,  Doctr,  1 ,  834.  Aelmoessene, 
vasten  noch  beden,  Lsp.  I,  13,  117.  Gi  hebt  grote 
almoessene  gedaen,  Lanc.  III,  8984.  Ende  om 
almoessene  daer  bat,  III ,  10742.  Wat  loone  hi  heeft 
die  almoesene  doet,  Amandli,  1112.  Een  armen., 
die  u  enige  almoschene  bidt,  Ltitg.  II,  1475.  In 
aellemoessenen  ende  in  weldaden,  Praet  4831. 
In  rechter  aelmossen,  Mieris  2,  238a  {a  1320). 
De  sijn  erve  vercoept  of  in  aelmossen  gheeft  ghees- 
teliken  luden,  die  verboord  twintich  pond,  R.  v. 
TJtr.  18,  21.  Van  offerande  ende  van  aelmossen, 
Rek.  d.  Oraf.  3,  88;  enz. —  Aelmoesene  eten, 
per  metonymiam  gezegd  voor  gebedeld  brood  eten.  || 
Als  si  der  ondedeger  liede  aelmoesene  at ,  Christ . , 
titel  vóór  vs.  781.  Si  ginc  daeghlijcs  van  doren  te 
doren  bidden  aelmoesene  gemeinelike,  ....  ende 
daer  met  levcse,  dat  drancse,  dat  atse,  732.  — 
Aelmoesene    varen,    uitgaan   om    te   bedelen. 


Verg.  bedevaert,  pelgrim aedse,  varen, 
enz.  II  Of  een  broeder  biddere  sent,  of  selver 
vaert  aelmoese  toe  den  spetael  zonder  oerlof,  D. 
Orde  264.  —  Aalmoesene  roepen,  om  een 
aalmoes  vragen,  eig.  „aalmoes!"  roepen,  jj  Eenen 
sot,  die  aelmoes  riep,  Rek.  d.  Graf.  3,  95.  — 
In  aelmoesene  bidden,  om  Oods  wil  uitnoo- 
digen,  uit  barmhartigheid  te  gast  nooden.  \\  Amant 
plach  in  aelmoesenen  sonder  saghe  te  biddene  met 
ootmoed icheden  XII  die  aermste  van  der  stede  te 
siere  maeltijt,  Amand  II,  1114.  —  Bew ijsde 
aelmoesene,  eene  aan  iemand  toegewezen  gave. 
Verg.  Bewisen.  ||  Van  den  sekeren  renten  so 
sal  mijn  joncvrouwe  Berte  ghelden  Niclaus  van 
Putte  rechte  sculte  ende  bewijsde  almoessene  van 
dien  die  ierst  vallen,  Oorkb.  2,  134^  (a.  1276). 

AELMOESENIE,  znw.  vr.  Van  Aelmoesene. 
Aalmoezeniershuis.  \\  Zekere  profite  ende  jaerlijck- 
sche  renten,   die   haere  de  aelmoesenie  van  sente 

Piet«rs schnldich    was , ,  Gends  Chtb.  190  (a 

1413).  Ter  voerseider  aelmoessnien  bouf,  191. 

AELMOESNIERE  (almoesniere),  znw.  vr. , 
later  veelal  aelmoesnier,  -niere,  onz.  Van  lat. 
eleemosynaria ,  tr.  aumónière.  Aalmoestaseh,  geld- 
buidel, en  by  uitbreiding  tasch,  buidel  in  H  alge- 
meen. II  Doe  vonden  si  daer  ene  almoesniere ,  Z^imt. 
III,  8808.  Hi  trac  uut  sinen  almoesniere,  die 
God  van  Minne ,  een  sintel  diere ,  Rosé  {C)  1919. 
Sconegordele  ende  almoesniere,  2089.  —  Elders, 
meer  naar  den  Franschen  vorm  Almoniere, 
ook  Almenier,  Alminier,  Almelnier, 
ja  zelfs  Halmeniere,  halmelnier  ge- 
schreven. II  Si  wrochten  hem  mantelsnoere ,  ende 
huven  ende  aelmoniere ,  Parth,  2856.  Messe , 
gordele  ende  almoniere  cochti  haer  goet  ende 
diere,  Beatr.  175.  Sint  idel  es  nwe  almoniere. 
Rosé  (C)  7364,  by  ^vs.  7454:  u  almenier.  Stac  hi 
in  sine  halmeniere  een  paer  letteren,  Lanc.  III, 
13682.  Een  gordel  men  an  sine  side  sach,  daer 
een  halmelnier  ane  hinc,  III,  11274.  —  Ael- 
moesnier, als  onz.  gebruikt,  vindt  men  o.  a. 
Belg.  Mm.  3,  bl.  110  vlg.  {Bloeml,  3,  24 
vlg.),  als:  II  Dit  aelmoesnier,  vs.  80.  Taelmoesnier , 
99,  11'4,  122.  Int  aelmoesnier,  118;  vg.  boven 
het  tweede  voorbeeld.  —  Ten  onrechte  wordt 
het  elders  in  hetzelfde  stuk  manlyk  gebezigd. 
II  Een  gordel  ende  enen  aelmoesnier,  vs.  66. 
—  Nog  meer  verbasterd  van  het  oorspronke- 
lyk  Fransche  woord  is  meisniere,  dat  Belg, 
Mus.  1 ,  336 ,  360  voorkomt ,  en  waarmede  wel  niets 
anders  bedoeld  kan  zyn  dan  de  altneniere,  Eene 
non  heeft  haar  neus  afgesneden,  en:  „Si  nam 
haren  nese  sciere  ende  deden  in  haren  meys-niere.''* 

AELWERICH  (aelwerech,  alwarich),  -rige 
of  -rege,  bnw.  Aelwerich,  eigeniyk  aelwarich ,  is  door 
middel  van  het  achtervoegsel  -ich  afgeleid  van 
den  grondvorm  aelwaer,  in  den  Teuth.  „Aluwer, 
simplex'*^',  ohd.  alawdr  (Grimm,  B.  Gr.  2,  553, 
677,  651);  ags.  ealverlice  {JËéiim.  2,^)  ;m\ï^,alwaer e  \ 
nhd.  alber,  albern;  mnd.  alver  en,  volgens  zeer 
waarschyniyke  gissing  van  Cosyn,  got.  alavers  ^ 
te  ontleenen  aan  alaverei,  zooals  volgens  hem 
moet  gelezen  worden  in  plaats  van  allsverei]  zie 
T,  en  Lettb.  6,  239  vg.  Zie  over  de  afleiding  des 
woords  en  de  ontwikkeling  zyner  verschillende 
beteekenissen ,  Ned,  Wdb,  op  Aalwaardio,  en 
de  breede  uiteenzetting  in  De  Jager's  N.  Archief 
261—282. 

1)  Oorspronkeiyk,  eenvoudig,  dwaas,  en  vandaar 
Gemelijk,  verdrietig,  knorrig.  \\  Hi  was  aelwerech 
ende  onwys,  Boerden  IV,  8. 


65 


AEM. 


AEN. 


6& 


2)    DarUl^    brooddronken,    In    een   Tafeï^eelken 

van  twee  personnagien  (Dram,  P,  285  vlgg.)  heet 

een  der  personen  Alwarich  voortstel^  d.  i.  dol  plan, 

II  Ghij  heet  Alwarich  voortstel :  van  u  zo  mneghen 

si  seer  zjjn  verheucht,  ald,  vs,  9.  —  Vg.  Alwarich. 

AEM.  Zie  Adem. 

AEM.  Zie  Ame. 

AEMACHTICH,   AEMECHTICH.  Zie  Amacii- 

TICH 

AÊMINGE.  Zie  Aminge. 

AEMVAT  (haemvat)  ,  znw.  onz.  Uit  Aem ,  wijn- 
maat  ,  en  Fat,  Aamvat ,  vat  dat  één  of  meer  aam  wijn  of 
ander  vocht  inhoudt.  \\  Van  elcken  vrempden  drancke 
daer  coerenwerc  toe  es,  .  .  zo  es  men  schuldich 
yan  elcke  haemyate ,  houdende  48  gendsche  stoopen 
ofte  min ,  8  deniers  parasyse ,  eest  vul  of  wan ,  op 
dat  het  liggende  beede  de  bodeme  getaken  mach. 
Item  de  kuelsche  haemvaten  van  60  stoopen  sijn 
ooc  schuldich  8  deniers  parasyse,  eest  vul  o^  wan . . 
Item  vaten  van  8  hamen,  eest  meer  ofte  min,  es 
schuldich  van  elcker  ghenscher  haeme  alzoe  vele 
alst  houdt,  6  deniers  parazjse,  Diericz,  Mém.  2, 
127.  In  den  tekst  staat  beide  keeren  verkeerdelijk : 
haembate^  haembaten, 

AEN  (ane,  an,  in  't  rijm  ook  anne,  Rijmb. 
23028,  Grimb,  I,  3028,  enz.),  voorz.  enbijw.  Got. 
ana ;  ohd.  ana;  mhd.  ane ,  a» ;  nmd.  ane ,  tfi» ;  gr.  dvd. 
De  mnl.  grondvorm  was  aney  allengs  tot  aen,  an 
verkort,  evenals  ave  tot  af  De  drie  vormen  worden 
in  H  mnl.  willekeurig  dooreen  gebruikt ;  ane  meest 
bij  oudere,  an  en  aen  meest  bij  latere  schryvers. 
—  Aanm.  Aen,  verbonden  het  voorn,  bgw.,  hoewel 
in  werkelgkheid  bgw.  (Vg.  Achter  bijw.  d,  1.)  is 
onder  het  voorz.  gerangschikt,  daar  het  naar  zijn 
aard  daartoe  behoort. 

I.    Als  voorzetsel. 

Oorspronkelijk  met  den  datief  of  ace,  naar  ge- 
lang het  eene  rtut  of  beweging  binnen  eene  ruimte  y 
of  wel  eene  beweging  naar  iets  heen^  eene  richting 
uitdrukte.  Doch  dit  onderscheid  ging  al  ras  ver- 
loren ;  de  ace.  kreeg  meer  en  meer  de  overhand ,  en 
had  reeds  in  de  14de  eeuw  bijna  geheel  den  datief 
verdrongen ,  die  alleen  nog  in  staimde  spreekwazen 
in  gebruik  bleef.  —  In  't  algemeen  drukt  ane  ^  aen  y 
an  eigeniyk  de  betrekking  uit  van  personen  of 
voorwerpen,  van  wier  oppervlakte  een  gedeelte 
wordt  aangeraakt  y  of  naar  welke  eene  beweging 
gericht  ie. 

I)  Oorspronkelijk  met  den  3/2»»,  doch  allengs 
veelal  ook  met  den  Aden  nv, 

1)   Van  plaats  y  in  eigenlijke  opvatting. 

a)  Onmiddeliyke  aanraking:  Opy  op  de  opper- 
vlakte van,  II  An  der  heiden,  an  der  heide,  op  het 
veldy  Rein,  1,879,  1098,1429,2286;  TroyenQ279; 
Sp.  Is  46,  6,  iy>,  16,  36;  later:  Aen  die  heide, 
Eein.  II,  4410;  OFl,  Oed,  I,  86,  110;  Teest. 320, 
An  den  velde,  Sp,  lY',  10,  66;  an  twoeste  velt, 
Rein,  I,  2266;  an  dat  velt,  Fl,  Rijmkr,  9242;  ane 
den  velden ,  Brand,  (H)  1546.  An  de  erde ,  S^,  III* , 
36,  71.  An  daerde,  opdengrondy  Merl, 31069,  Ane 
des  zees  gronde,  Brand,  (ff)  350.  An  denzande,m 
het  zand y  ^.  I»,  76,  76.  An  desen  berch,  Yelth.  1,13, 
22.  Eest  an  straten,  eest  an  taverne  {var,  op  str.  of  in 
t.) ,  Fad,  Mtts,  2 ,  393 ,  435.  Dus  spraken  die  boecstave 
an  den  saerc  upten  grave.  Rein,  ly  459.  Die  letteren 
die  men  daer  an  sach , 455.  —  Aen  vare  (vaerde) 
en  de  aen  velde  s^n,  op  weg  en  op  "'t  veld  zijn^ 
vooral  in  de  bet.  van  aan  eene  vechtpartij  of  een 
gewelddndigen  aanslag  deelnemen,  \\   Metten  ghenen 


die  waren  an  vaerde  ende  an  velde,  daer  onze 
neve  .  .  vermoert  wort.  Oor  kb.  2,  502tf  (a.  1299). 
Die  mit  hem  an  vare  ende  an  velde  waren,  R.  v, 
TJtr,  60.  Yemant  de  daermede  ware  an  vare  of  an. 
velde ,  63.  —  Later  in  vare  (vaerde)  ende  velde y  b.  v. 
Handv,  v,  Alkm,  90a;  v.  Medembl.  60a,  61  d;  v. 
JFeesp  9« ,  enz.  Zie  verder  Yaer  en  Yaert  ,  die 
in  deze  uitdrukking  wel  niet  de  bet  hebben  van 
reiSy  weg  (van  varen)  y  maar  die  van  hinderlaag , 
(van  vdreny  waarvan  Qo)si  gevaar  y  ongeveer  ytnz.yygl. 
got.  /êrja),  —  Deze  uitdrukkingen  zijn  echter 
overblijfselen  uit  een  vroeger  tijdperk,  en  bg  der- 
geiyke  plaatselijke  aanwijzingen  werd  eerlang  aen 
door  op  of  in  vervangen,  t^rwQl  zich  aen  beperkte 
tot  aanduiding  van  het  raken  der  oppervlakte  in 
meer  eigenlijken  zin.  ||  Een  swaert . .  hadde  an  hem 
de  Sarrasijn,  Fland^,  Y,  121.  Enich  man  de  meer 
verdobbelde  dan  hi  ghelts  an  hem  hadde,  R,  v, 
TJtr.  43,  91.  Hoort,  wat  daer  an  (op  den  gouden 
kop)  gemaket  stoet.  Flor,  631.  An  den  schedel, 
op  het  deksel y  642.  Ware  al  tlaken  perkement . . , 
inne  gescreeft  niet  daer  an,  Rein.  I,  93.  Daer 
sinte  Servaes  sgn  houft  aen  leende,  Serv,  1,2993. 
Ie  hadde  niet  daer  ie  mjjn  hooft  ane  lenen  mochte, 
Ruusbr.  4,  30;  verg.  1,  151.  Die  soon  des  men- 
sches  en  heeft  niet  daer  sijn  hooft  aen  rusten  mach , 
Oest.  Rom.  163d,  (Si)  clopte  aen  haer  borst  ende 
aen  haren  lichame,  Christ.  796.  Ane  sijn  hovet 
lach  haer  aenscyn,  JParth.  8265.  Gust  mi  an  minen 
mont.  Wal,  5468.  Ende  cussent  (tkint)  andenmont, 
Limb.  lY ,  1827.  Custese  an  haren  mont ,  Melib.  4268. 

b)  Aanhechting  of  verbinding ,  het  zich  bevinden 
van  een  voorwerp ,  eene  eigenschap  of  hoedanigheid , 
aan  eenige  plaats ,  bij  of  in  eenig  voorwerp  of  eenigen 
persoon.  Thans :  Aan ,  in ,  bij ,  ten  opzichte  van.  \\  Raste 
aen  den  geeste,  Christ.  507.  Gracht  aen  den  lichame, 
bliscap  aen  den  geeste ,  721  vlg.  Quetsinge  aen  haren 
lichame,  432.  Gesonde  aen  ziele  ende  aen  Ifjf,  1880. 
Gestorven  ane  der  sielen,  Ruusbr.  2, 121.  Reine  ane 
lif  ende  ane  herten ,  Limb,  Serm,  27 d.  Ane  dien  dat , 
voor  zoover y  164^.  Al  es  si  scone  an  den  lichame,  Limb. 
I  y  1366.  Die  scoonheit  die  ane  u  lach ,  Parth.  7625. 
Die  doegde  die  aen  hem  waren,  Heelu  6459.  De 
omoedichede  an  hem  ende  an  de  zine ,  Franc,  3102. 
An  Adame  was  die  materie  van  alden  lieden ,  Rijmb. 
388.  So  dat  men  Alexanders  gedochte  an  die  moeder 
kennen  mochte,  iSp,  I*,  8,  55.  Dat  jammer,  dat 
si  aen  haer  sagen,  Christ,  896.  Dat  si  ane  die 
prelaten  sien,  Wrake  I,  274.  Yoer  dat  hyt  ane 
enen  andren  siet,  Yelth.  I,  27,  122.  Dat  ghi 
versien  gaet  ane  hem,  Limb,  XII,  1024.  Om  te 
te  besiene  ane  u,  1054.  Dat  men  groet  jammer 
sonde  scouwen  ane  kinderen  ende  ane  vrouwen, 
Edew,  1693.  Daer  alle  doget  was  an,  Sp,  III*, 
11,  39.  Daer  vele  w^sheden  was  an,  III*,  40, 
8.  Daer  vele  doegden  leget  an,  Lorr.  II,  1690. 
Daer  gheene  loosheid  an  en  es,  Rijmb.  22328.  Al 
haer  dinc,  die  hare  an  haren  man  gebrac,  Edew. 
141.  Ende  ane  u  meest  mochte  mesvallen,  Limb. 
YUI,  428.  Sibile  die  bekinde  ane  den  ridder 
dat  hise  minde ,  YI ,  197.  Die  letteren . .  deden 
an  tgraf  bekinnen,  wie  daer  lach  begraven  bin- 
nen ,  Rein.  1 ,  455.  Wi  syn  schuldech  te  hatene  an 
hen ,  in  hen ,  dat  si  ons  syn  lettende  in  den  weghen 
van  onser  selegheit,  L,  v.  J,  e,  85.  Die  souden 
haten  an  den  sonderen ,  Limb.  Serm,  S2e,  Daer  gi 
enigen  troost  wet  an ,  Grimb.  II ,  384.  Ane  den  nest 
es  saen  vermoedt  wat  vogle  datter  inne  broedt, 
Teest.  938.  —  In  de  uiMrukkingen :  Daer  es 
(was)  niet  ane,  in  tweeledige  opvatting: 

a)    Daar   is  niet   aan  gelagen ,   verbeurd ,    daar 

3 


Gl 


AËN. 


AEN. 


68 


wordt  niet  op  geht^  om  gegeven^  d^xt  komt  erniet op 
aan.  \\  Wijf  ende  kinder,  daer  was  niet  an;  nienne 
spaerder  nieiuen  altoos,  Rtjmb.  33627.  Al  sijn  temp- 
tacien  snel  int  toeval,  daers  nietane,  Wap.  Rog.  249. 
Zoo  ook  Sp.V,  32, 89.  —  b)  Daar  is  niets  (van)  aan^  het 
is  geheel  onwaar.  ||  Hi  was  Gods  prophete  gheacht  met- 
ten lieden:  daer  was  niet  an,  Rijmb.  G040.  Nn  mogte 
iman  spreken :  Dengele  sin  boven  mi :  dar  en  es  uit 
ane ,  Limb.  Serm.  VA%d.  Yg.  Esop.  XXX ,  18 :  Daer 
es  I  ander  redene  an ,  het  is  geheel  anders.  —  S  o  vele 
e  SS  er  an,  zooveel  is  er  (van)  aan,  zooveel  is  seirer. 
II  Maer  so  vele  esser  an,  hine  en  steelt  neghenen 
armen  man,  Eleg.  243,vgl. 511.  —  Aen  handen. 
a)  In  handen.  ||  Die  trecht  aen  handen  hebben ,  Matth. 
34.  Dair  men  die  last  mede  aen  handen  heeit ,  79.  b) 
Onder  handen  y  in  behandeling.  ||  Die  materie  die  aen 
handen  is ,  78r).  Ophanden ,  op  til ,  beraamd^  overlegd. 
II  Die  welcke  op  ghelove  sinen  vader  ontdeckte  die 
sake  die  aen  handen  was  ,64.  —  Aen  i  e  m  e  n  s 
stat,  in  iemands  plaats.  Enen  andren  meester  ane 
zine  stat  te  kiesen,  D.  Orde  313.  Ane  Gots  stat, 
Limb.  Serm.  2Tb.  Wel  een  germanisme  (verg.  hd. 
anstatt) y  evenals  aen  eeds  stat,  in  plaats  van 
een  eed.  \\  Ende  ghelaven  van  beiden  siden,  mit 
goeden  trouwen,  aen  eeds  stat,  enz.^  Nijh.  1, 
358.  —  Aen  brand  e,  in  brand.  \\  Dat  hi  als 
dan  die  stede  .  .  aen  brande  steken  sonde.  Ere. 
Cron.  211c.  —  Hiertoe  behooren  ook  de  uit- 
drukkingen: II  An  dievaert,  op  reis^  op  teeg ^ 
Sp.  III',  48,  38.  An  sine  vaert,  Limb.  VII, 
1877.  Aen  de  reise,  Stoke  V,  1038.  An  den 
ganc,  op  toeg^  Rijmb.  13846.  An  sinen  ganc, 
Sp.  IV',  27,  72.  An  die  strate,  op  tceg^  Sp. 
IV',  6,  21.  An  der  se  aren,  in  agmine^  Sp.  I», 
16,  21.  An  sire  roten,  in  zijn  gevolg ^  Sip.  III", 
67,  16.  —  Zie  verder  bij  Vaert,  Reise,  Ganc, 
Strate,  Scare,  Rote.  —  Anporre,  an  porre, 
zie  Porre.  An  roere,  zie  Roere.  Antame,  zie 
Tame.  An  staden,  zie  in  staden  op  stade. 
c)  Aangrenzing  of  onmiddellüke  nabijheid:  Bij, 
nabij y  naast,  nevens.  \\  Tbordeel ,  dat  ane  die 
porte  stont  van  der  stat,  Lorr.  I,  248.  Een  scure 
staet  an  sijn  hnus,  Rein.  I,  1123.  Absalon  ghinc... 
an  Davids  amyen  liggen  saen,  Rijmb.  10459.  Dese 
sijn  vergadert  ane  Garine,  Zorr.  11,419.  Woenende 
ane  den  berch,  Lsp.  II,  55,  16.  Neven  den  watre 
an  die  wostine ,  Ferg.  2479.  Met  sinen  rocke  hi 
an  (strijkelings  langs)  hem  swaf,  Franc.  6477. 
Doe  hi  geschapen  hadde  den  man ,  so  sciep  hi  een 
wijf  daer  an,  daarbij ,  daarnaast,  Mloep.  II,  2837. 
2)  Fan  plaats,  in  overdrachtelijke  opvatting,  bij 
uitbreiding  of  toepassing.  Bij  uitbreiding  wordt  aen 
als  plaatsbepaling  gebezigd  in  een  aantal  verschil- 
lend gewijzigde  toepassingen,  aan  welke  echter 
altijd  het  denkbeeld  van  aanraking ,  verbinding , 
gepaard  gaan,  samenhang  of  het  gelegen  zijn  in  of 
bij  iets  ten  grondslag  ligt. 

II  Die  gerne  ware  ane  torloge,  Lorr  III,  84. 
Gestadich  an  die  minne.  Flor.  330.  Genoech  aen 
seven  warf,  Rijmb.  24101.  Dicke  versuchte  hi  an 
sine  sprake ,  in ,  bij  zijn  spreken ,  529.  Daer  ie  te 
lange  ane  sweech ,  Lorr.  II ,  4083.  Daer  liecht  hi 
ane,  Mask.  442.  Ende  bleef  doet  an  pinen-(%', 
onder  pijnen)  daer,  Lorr.  fr.  III,  229. 

II  Dit  were  heft  God  ane  mi  gewarcht,  L.  v.J, 
c.  2.  Dat  hi  engene  miraculeu  aen  haer  gescien 
liete,  Christ.  1742.  Daer  God  so  wouderlec  ge- 
wracht  heeft  aen,  82.  Dat  men  jammer  werken 
soude  ane  vrouwen,  Edew.  1701.  An  thout  was  her 
Adame  messeiet,  lüsp.  97. 

II   Smenschen   geboorte   aen   die   planeten   vele 


leecht,  Lsp,  I,  10,  52.  Dat  aen  Cristum  vele  ge- 
lach, II,  36,  1226.  Daer  sijn  salecheit  aen  gelach, 
Christ.  970.  Daer  al  sine  ere  leget  an ,  Parth.  7405. 
Daer  Florisen  sin  al  ane  lach.  Flor.  2873.  Daer 
sgn  goetdoen  ane  staet,  Parth.  7609.  Daer  die 
raet  stont  an,  6719.  Die  sere  stont  an  der  heren 
prys,  Limb.  XII,  1064.  Sine  hope  ne  lach  niet  an 
den  scat,  Franc.  161.  Nu  leget  mijn  troost  an  di 
allene.  Flor.  1220.  Haer  begerte  es  an  enen  stene 
Sp.  I  > ,  36 ,  42.  Want  hi  onlange  daer  an  was , 
ende  hi  sijn  leven  liet,  Rijmb.  7106.  Laet  hi  sine 
herte  an  hare  staen ,  1226.  Staen  aen  sine  genade , 
Heelu  3933. 

II  Booth  den  here,  daer  sident  an. .  .  .  huwede 
een  wijf,  Rijmb.  9154.  Donghelove  die  Jeroboam 
vant  van  den  cal  ven,  daer  bleef  hi  9ji,  Rijmb.  13124. 
Daer  soe  hare  nu  hilde  anne,  dat  soe  sine  amie 
ware,  23028. 

II  Daer  en  was  niet  ane  bewant,  Heeln  2501. 
Waer  dat  hi  noemt  Antiocus  dat  dit  an  Christus 
bediet,  betrekking  heeft  op  C,  op  hem  slaat,  Velth. 
VII,  1 ,  39.  Daer  ie  ane  hebbe  cleine  macht,  Parth* 
6389.  Die  gheen  recht  en  hadde  an  tlant,  ^/).  I*,20, 
42.  Daer  en  heeft  nieman  ane  recht,  Teest.  1216. 
Hadder  Cortois  iewet  an  (er  eenig  aandeel  aan) ,  dan 
was  bi  niemene  dan  bi  mi,  Rein.  I,  122.  Zoo  ook 
Sp.  I*,  52,  37,  misschien  ook  Limb.  VI,  2446. 
Deilinge  daer  aen,  aandeel  daarin,  Heeln  1477. 
Moghcdi  daer  ane  oec  sijn  gewes,  Teest.  2797. 

II  Si  mochten  wel  merken  aen  haren  rouwe, 
ocht  aen  hare  bliscap,  wat  soud  gescien.  Christ. 
906  Daer  men  haer  doegde  mach  ane  merken ,  192G 
Der  zielen  scoenheit  daer  merct  an ,  JT  Plagen  223.3. 
Alst  aen  haer  wel  sceen,  Christ.  526,  enz. 

II  Aquitanse  ane  hem  maken,  kennis  met  hem 
maken,  Lanc.  IV,  990.  —  Hi  nes,  diere  ende  an 
weten  sal ,  Rijmb.  18943.  Enen  ridder . .  die  wel 
an  die  wapenen  can,  verstand  heeft  van,  ten  op- 
zichte van  de  w.,  zich  verstaat  op  dew.,  Limb.  II, 
791.  Die  wel  consten  aen  de  wapen,  die  goed  met 
d£  wapenen  konden  omgaan,  Grimb.  1,  2611,  2925. 
Die  hare  wel  an  dronie  verstoet.  Rosé  6161. 
Aen  die  orloghe  connen  si  bet  dan  wi,  Parth. 
1478.  Si  connenr^  bet  aen  dan  wi,  1488.  Graven 
diere  aen  connen,  nl.  d^n  stnjd,  Limb.  II,  1928. 
Die  bat  an  gevenijnde  wonden  can,  Lanc.  III, 
23778.  Zie  nog  Limb.  VII,  98;  Lanc.  III,  25154; 
Sp.    III»,    45,   44;    r.    <?»  Lettb.  5,  115. 

II  An  Willemme  beginnic  de.se  dinc,  Velth.  III, 
18 ,  23.  Aen  ons  en  sal  hi  niet  beghinnen  . . .  derre 
onminnen,  Limb.  VIII,  441.  Daer  na  begonste  hi  ane 
Moysem  ende  ane  alle  de  propheten,  L.  v.J.  c.  239. 
Hier  an  volghet  Numerus,  Rijmb.  5442.  Die  ander 
ewe  neemt  hier  ende  an  Abrahame,  Rijmb.  1495. 
Alse  die  minne  an  Gode  begint  ende  ane  heme  ent , 
Limb.  Serm.  25/t.  —  An  rade  ofan  dade  sijn 
(met  ere  dinc),  in  iets  met  raad  en  daad  helpen. 
II  Yemant  de  daermede  ware  an  vare  of  an  velde, 
an  rade  yof  an  dade,  R.  v.   JJtr.  63,  117. 

3)  Op  verscheidene  plaatsen  geeft  aen  te  kennen  , 
dat  het  voorwerp  eener  werking  gelegen  is  bij  of 
in  een  persoon  of  eene  zaak,  die  er  als  H  ware 
de  grond  of  het  uitgangspunt  van  zijn.  Zoo 
staat  aen  bij  die  ww. ,  die  een  verkrijgen ,  ontvangen  , 
verwerven,  vernemen,  of  wel  de  begeerte  daarnaar 
of  de  poging  daartoe  uitdrukken,  ter  aanduiding 
dat  het  verlangde  of  te  verkrijgen  voorwerp  gelegen 
is  in  een  persoon  of  in  eene  zaak,  en  r^»  deze  der- 
halve verlangd  of  verkregen  wordt.  Vergelijkt  men 
dat  mnl.  gebruik  met  het  hedendaagsche,  dan  blijkt 
dat  beide  uitdrukkingen :  genade  aen  Gode  verwerven 


69 


AEN. 


AEN. 


70 


of  van  Gode  even  goed  zijn:  alleen  de  voorstellings- 
wijze is   eene  andere,  en   de  innl.  zegswijze  cene 
elUptische  nitdrukking:  dé  genade  (die)  aen  Gode  (is) 
verwerven.  Vg.  onze  uitdr.:  iets  ontleenen  aan  iem., 
een  voorbeeld  aan  iem.  nemen ,  vreugde  aan  iem,  bele- 
ven (Yg.  Lsp,  1 ,  29 ,  1 :  Dus  en  sach  Adam  anders 
niet   an    sijn   twee  eerste  kindren,  dan  verdriet); 
in  de  17de  eenw  waren  nog  verschillende  dergelyke 
uitdrukkingen  bekend ,  als  iets  verwerven ,  bedingen^ 
hopen ^   erven ^   enz.  aan  iemand:   verg.  Ned.  Wdb, 
op  Aan  (§  12  aan  het  einde).  In  *t  mnl.  werd  het  ge- 
bruikt bij  alle  ww.  zonder  onderscheid,  die  hetzij  eene 
ontleening  van  elders ,  hetzy  eene  begeerte  daarnaar 
of  poging  daartoe  uitdrukten.  Aan  moet  thans  veelal 
door  van  of  bij^  somtyds  door  op  worden  wederge- 
geven.  De  voornaamste  voorbeelden  zijn :  ||  Gecrigen 
(iet  aen  enen,  iets  van  iemand)^  Sp.  III*,  37,  45, 
Jmand  II,  1619,  Limb.  VII,  1440,   OFl.  Ged.  Il, 
117,    61.    Vercrigen,    Heelu    1429,    Christ.  1470, 
Ned,    Proza   72*.  Verwerven,  CArist.  1036,  Beatr, 
130,  Brab.  Y.  VII,  2945,  Har.  Belg,  10,  140,  5, 
Exc,  Cron,  89<?;  94d.  Werven  ende  crigen ,  J^rad.  Y, 
VII,  1010.  Ontfaen,  Lsp.  II,  6,  165,  7'if/?*if.  1514, 
Amand  I,   5267,  K  d.  Honte  187,  Yst.  BI.  3286. 
Bejagen,  Rijmb.   28221,  Sp.  III»,  32,  77,  Franc. 
5642.  Impetreren,  Brab.  Y  VI,  blz.  67,  var.  vs. 
71.    Procureren,    Ltttg.    I,   979.   Winnen,    Rijmb. 
17929,  Stoke  I,  520,  Heelu  1730,  G^rm*.  I,  3941. 
Gewinnen,    Rijmb.    16378,    Sp.    III« ,   6,  48;  37, 
101.  Verdienen,  Velth.  II,  7,  16.  Vervolgen  (aen 
enen,    op   iemand   verhalen),  Inform.  408.  Halen, 
Lsp.    III,    26,  49,  Vergt  1047.   Vinden,  van  iem. 
gedaan  krijgen,  Terg.  2430,    Tim.  2762,  Sp,  III*, 
44,    32.    Nemen,   Rijmb.   16462,  Theoph.  998  vai*. 
28,  en   1010,  Rosé  C  7014.  Raet  nemen,  Lorr.  I, 
801,  Rijmb.  4841.  Helpe  nemen,  Limb.  I,  696,  Sp. 
IV',  47,  48.   Orlof  nemen.   Rein.  I,  1427,  Ferg. 
979,  Flor.   1755,   Lsp.   II,  5,  104.  Begin  nemen, 
Rijmb.    1384,  -^.  I»,  15,  35;  Rijmb.  1385.  Mayen 
(iet  aen  iemen,  terugontvangen  van,  beloond  worden 
door),  Sp.  I»,  73,  17.  Een  leen  houden  aen  enen, 
Disp.  504.  II   Vernemen,  Rein.  I,  3238,  Grimb.  I, 
2355,  L(yrr.  II,  1316,  2797,  Rijmb.  1389,  12759, 
Limb.  IV,  1594.  Verstaen ,  Eleg.  768,  780,  Franc. 
1543,  6536,  Rijmb.  25832,  Amand  II,  997.  Bevin- 
den ,  Franc.  9549 ,  Grimb.  II,  5417.  Ondervinden  van , 
vragen  aan,  onderzoeken  bij,  £(;md.  21403.  Bekinnen 
aen  weten  van,  Limb.  VI,  197.  Hulpe  roepen  aen, 
Sp.  I*,  57,  29.  Verhoren,  Rijmb.  9685.  Leren  (iet  aen 
enen,  iets  van  iemand).  Rein.  I,  204,  2080,  2396, 
Rijmb.  22876,  Lsp.  I,  39,  20;  II,  7,  30;  24,38, 
Teest.   1448,   Limb.  III,  1379,  L.  v.  J.  c.  84.  Sp. 
I«,  55,  42.  Genieten,  Wrake  I,  1245.  ||  Begeren, 
Franc.  6208,   JTap.  Rog.  28.  Hopen,  JTal.  5S7,  Wap. 
Mart,    II,    269,   Umb.  VI,  553,  VII,  299,  Segh. 
852,  Boetps.  32,  51.  Belg.  Uus.  7,  187,24,  Brab. 
Y,  VII ,  14830.  Umb.  II ,  1319.  Hope  dragen ,  Sp. 
III «,  6,   74.    Hope  hebben,   Ferg.  2089.  Soeken, 
Lorr.    II,  3916,  Rijmb.  9910,  Heelu  7011,  7125, 
Lsp.  III,  26,   U,Doctr.   II,    1377,    Limb.  IV, 
383,    VIII,    1404,    MeUb.    1722,    3285,    Lncid. 
1699,  Christ.  1869,  Ruusbr.  5,  163.  Besoeken,  Sp. 
I»,  49,  62,  Franc.  1542,  Rijmb.  22408.  Versoeken 
Franc.   1077.  Vragen,  V.  d.  Wall  115.  Bevragen, 
Franc.    6427.    Bidden,   Heim.  1948,  Sp.  III»,   7, 
27,  Rijmb.  29116.  Verbidden,  ^ot^im? II,  239, 1581. 
Smeken,   Rijmb.    8043.   Eescen,  Sp.  IV»,  84,  53. 
Vervolgen,  dringend  verzoeken,  Inform.  76.  Wach- 
ten, Mask.   722.  —  Hiertoe  behoort  ook  het  ww. 
hebben,  in  den  zin  van  verkrijgen.  \\  Dat  sire  niet 
an    hebben   en    mochte,  niets  van  haar  verkrijgen, 


Lsp.  III,  3,  806.  Hi  sach  dat  hiere  niet  hadde 
an ,  dat  hij  niets  gedaan  kon  krijgen ,  Rijmb.  20000. 
Haddi  iet  an  mi ,  soe  en  liet  u  gheen  man ,  Limb.  VI , 
2446  (de  verklaring  der  niet  zeer  duidelijke  woorden 
is  niet  geheel  zeker).  —  Hierbij  behoort  aen  bij  een 
persoonsnaam,  ter  aanduiding  dat  de  werking  bij  dien 
persoon  geschiedt,  om  door  middel  van  hem  haar 
oogmerk  te  bereiken.  Thans  wordt  in  dit  geval  bij  ge- 
bezigd. |[  Dese  paeus  brochte  dat  toe  aen  den  keyser , 
Lsp.  II,  48,  754.  Sone  mochtmen  met  genen 
dingen  die  dinc  an  den  paeus  vulbringen,  Sp. 
III",  30,  53.  Die  met  scoenen  woerden  an  den 
coninc  so  vele  dede,  VI.  Rijmkr.  9313.  Dat  si 
met  haren  heilegen  gebede  aen  Gode  dat  verwaerve 
ende  dede ,  Christ.  1035.  Doe  maecti  an  die  Dietsce 
vort,  dat  si  waren  an  sijn  accort,  Velth.  I,  47, 
43.  Ende  maecte  an  hem  daer  alsoe,  ald.  49. 
Dese  Wigbertus  wort  so  wederstaen  .  .,  dat  hi 
mit  siinre  leer  an  dat  harde  volc  luttel  vorderde, 
Clerc  13.  —  Nog  in  de  volgende  uitdrukkingen, 
waaraan  hetzelfde  begrip  ten  grondslag  ligt,  en 
waarin  a^n  ook  meestal  door  bij  moet  worden  weer- 
gegeven. II  Die  beste  menschen,  die  .  .  meest  ane 
Gode  vermoghen  met  hare  ghebede,  Ruusbr.  2, 
146.  Dat  hi  ghelesen  hadde  an  Josephuse,  bij 
Flavius  Josephiis,  Sp.  V,  12,  38.  Ie  hebbe  di  be- 
jaghet  an  minen  Sone  van  dinen  zonden  aflaet, 
I',  60,  70.  Grote  cracht  ende  macht  aen  Gode  hebben, 
Lutg.  II ,  1349.  Want  sijs  wel  macht  aen  Gode  hadde , 
II ,  1635.  Dat  si  heme  hulpen  dingen  aen  den  oversten 
Sceppere,  Serv.  I,  1552.  Dese  saken . .  vervolgde 
si  .  .  aen  den  hertoge,  Brab.  Y.  VI,  8549.  Ende 
pijnt  ane  mine  here,  Lorr.  I,  235  Dat  si  om  sinen 
wille  pinen  om  der  scoender  Salaminen  ane  van 
Tracien  den  coninc,  Limb.  XII,  999.  Ie  hope  dat 
dit   ons  bat  soude  helpen  aen  den  keyser,  Grimb. 

I,  1834.  Gods  moeder,  die  mi  in  mijn  inde  aen 
haer  kint  halp,  Lntg.  II,  355.  Dat  gheen  wisse- 
laer  syns  gouds  .  .  en  sal  mogen  loochenen,  als 
ment  ane  hem  suect  te  wisselen,  Willems,  Meng. 
347  {in  den  tekst  ver  keer  d£lijk\  ave  hen  snect). 
Die  yrste  vrocht  .  .  die  hi  ane  die  vrouwe  ver- 
warf,  Wrake  I,  133.  Ada  wan  Jabel  an  sinen  live, 
Rijmb.  970.  Ende  wan  .  .  noch  XL  sonen  ane 
hem ,    10030.    Kinder    winnen  an  enen  wive ,  Lsjt. 

II,  2,  25  en  29,  Sp.  I*,  2,  10,  m»,  2,  13, 
Stoke  I,  505,  Limb.  IX,  789;  enz.  — Eene  andere 
wijziging  is  het  gebruik  van  aen  bij  eene  hande- 
ling of  eene  zaak,  die  voorgesteld  wordt  als  het 
middel,  waardoor  eene  werking  geschiedt,  waarrra» 
zij  als  *t  ware  hare  vervulling  ontleent.  Thans  is 
in  dezen  zin  met  of  door  in  gebruik,  bij  sommige 
WW.  bij,  bij  andere  nog  aan.  ||  Die  so  vele  eren 
hadde  gewracht  an  te  haelne  dat  cruce  ons  Heren , 
Sp.  lil",  20,  48.  Twee  standaerde  verloes  Brabant 
hier  ane ,  Heelu  3369.  Mochti  die  maget  daer  ane 
winnen,  Limb.  VII,  1810.  Dit  wan  Otte  ane  sijn 
bedwanc,  Lorr.  II,  2075.  Wiere  aen  wint  oft  ver- 
liest, Grimb.  I,  3941.  Ie  souder  nu  {l.  mi)  gerne 
proven  an.  Vod.  Mus.  4,  314,  53.  Gi  moget  u 
proven  daer  an,  315,  72.  Doe  gi  u  daer  ane  hadt 
versadet,  Rein.  I,  212,  vg.  Tijdschr.  1,  6.  Daer 
die  Scavedriesche  haer  ande  gerne  ane  hadden 
gewroken,  Heelu  7190.  Nochtan  heeft  mense  tam 
vonden,  so  datmer  beesten  ane  vinc.  Nat.  BI.  Il, 
2288  var.  {in  den  tekst',  mede).  Ende  hi  desen 
cyrkel  van  goude  ane  mi  dan  behuwen  soude, 
Lanc.  III,  23161. 

4)   Van  tijd. 

Daar    tijd   als   ruimte    gedacht   en    voorgesteld 
wordt,  werd  aen  ook  gebezigd  bij  tijdsbepalingen, 


7i 


AÈN. 


AEN. 


72 


ter  aanwijzing  dat  eene  handeling  voorvalt  op  een 
zeker  tijdstip  of  binnen  eene  zekere  tydruimte. 
Thans :  Op  of  in,  Yg.  ons  morgen  aan  den  dag^  d.  i. 
reedt  morgen^  en  Bein.  I,  136  ghistren  in  den 
daghe,  gisteren  nog,  \\  Noch  heden  an  desen  dage, 
Rijmb.  26837.  Het  was  wel  noene  an  den  dach , 
Limb,  III,  412.  Heden  an  desen  dach,  LeU.  N.  R, 
7*,  129,  6.  Van  ane  dien  dach,  150,  18.  Tote 
noch  an  desen  dach,  Sp.  III",  20,  34.  Ane  den 
achden  dach,  Serv.  I,  3167.  An  den  middage,  Sp. 
P,  31,  1.  An  den  avont,  Stoke  VIII,  1275,  X, 
161.  An  deser  nacht,  £leg.  125  var.  M.  Recht 
aen  der  selver  tfjt,  Serv,  I,  3128.  Ane  dien  stonden, 
Ferg,  44,  2940,  3996,  of:  Aensionden  ^  aam  tonde , 
Orimb,  I,  1115.  Aen  corte  stonden,  binnen  kort, 
2503.  An  desen  kere,  Stoke  VIII,  1266.  —  Ook 
voorafgegaan  door  tote,  tot,  tot  aan.  ||  Tote  an 
den  doemsdach.  Brand.  (H)  2020,  2025;  enz.  Verg. 
straks  bg  II,  3). 

II)  Met  den  Aden  naamval, 
1)  Fan  plaats  j  in  eigenlijke  opvatting. 
Ter  aanduiding,  dat  eene  beweging  in  de  rich- 
ting van  een  zeker  doel  geschiedt  of  zich  tot  eene 
bepaalde  plaats  uitstrekt.  Thans:  Naar,  tot,  of,  waar 
het  met  vijandige  bedoeling  geschiedt:  tegen.  || 
Ridende  ant  foreest,  Ferg.  75.  Die  pape  spranc  an 
dat  vier,  Rein,  1, 1148.  (Si)  quamen  lopen  an  de  mure, 
Stoke  IX,  1163.  Doe  voeren  si  an  ene  vruchtelike 
stat.  Brand,  (ƒ/)  616.  Ende  es  an  (in)  tlant  van 
Rome  gevallen  (verg.  ons  aanvallen),  Sp.  III*,  14 
69.  Als  hi  qnam  aen  tlant,  FartA,  2097.  Keerde 
weder  an  dat  lant.  Franc.  6574.  Set  mi  an  tlant, 
Ferg.  3185.  Zeilen  an  den  aert,  3273.  Hi  quam 
gereden  aen  dien  casteel,  1157.  Ghinghen  si  vaste 
an  hem  riden,  Stoke  X,  552.  Nu  hevet  hi  gesent 
ane  u,  FartA,  7626.  Senden  ane  den  keyser,  ane 
den  hertoge,  Lorr,  II,  336,  2488.  Ende  ane  den 
coninc  van  Dalmaten  ghingen,  Limb,  XII,  991. 
Trocken  si  ane  Pylatus  wyf,  Matk,  30.  Porren  al 
te  hande  ane  den  coninc,  Lorr,  II,  1161.  Dat 
gi  vaert  ane  den  coninc  rike,  1536.  £s  voren 
gevaren  haestelike  ane  Robbrechte,  IV,  35.  Tho- 
lomeus  voer  an  Antiochen ,  Rijmb,  19862.  Te 
vaerne  an  den  coninc ,  Stoke  VI ,  1299.  Ënde  voer 
an  coninc  Willem  saen,  Velth.  I,  28,  25.  Die 
ridder  es  te  bant  aen  hem  gevaren,  Orimb,  II, 
3065.  So  sQn  die  Romeine  gevaren  an  Aelbericke, 
S^,  IV*,  4,  87.  Ende  voer  an  keyser  Otten ,  IV», 
27,  136.  Ende  rijt  an  Darinse,  I*,  26,  15.  Ende 
liep  an  hare ,  Flor,  3690.  Dingel  ane  hem  quam , 
Sp.  III*,  59,  10.  Ane  Girbert  quam  hi  saen  met 
enen  gerechten  spere ,  Lorr,  II ,  468.  Dat  hi  quame 
an  hare,  Limb,  X,  599.  Al  comdi  an  mi  ende  an 
mine  kinder,  X,  641.  Ane  hem  waren  de  goede 
liede  comen,  XII,  1130.  En  dorste  niemantcomen 
ane,  Belg,  Mus.  1,  28,  55.  Si  quamen  an  hem 
screien,  Sp.  III*,  40,  34,  Dat  soe  an  hem  comen 
mochte,  hem  kon  aanraken,  III*,  44,  28  (Vg. onze 
uitdr.  ergens  niet  aan  koenen),  Haergelijc  andren  an 
hem  dwanc.  Flor,  3054.  Ane  hem  so  dwanc  hi  sinen 
scilt,  Ferg.  2339,  3925;  enz.  —  Ook  bij  de  ww. 
vechten  en  striden,  waaraan  insgelijks  eene  beweging 
in  de  richting  van  een  zeker  doel  ten  grondslag 
ligt.  Thans:  Tegen.  \\  Dus  vachtmen  an  Jothapata , 
Rijmb.  28887.  Hi  belaghene  in  een  vaste  poort 
ende  vachter  an,  20263.  Ënde  vacht  an  den  tempel 
utermaten,  30802.  Ende  streder  an  met  vier  scaren , 
27648  var.  Dat  hi  an  den  tor  niet  ne  strede, 
19890.  Ende  an  hem  streden,  19177.  Tupperste, 
daer  si  ane  streden,  dat  nu  heet  die  tor  Syon, 
10006. 


2)  Van  pltiats ,  in  overdrachtelijken  zin ,  bij 
uitbreiding  of  toepassing,  Aen  wordt  aldus  ge- 
bezigd ter  aanduiding,  dat  eene  werking  op  een 
persoon  of  eene  zaak  gericht  is,  zich  daarheen 
uitstrekt ,  ze  ten  doel  heeft.  Thans :  Aan ,  tot  of  op. 
II  An  onse  gelove  bekeert,  i^.  III*,  57,2.  Dattu 
di  wilt  bekeren  an  de  arme  Gods,  Franc.  3527. 
Ende  mindi  aldus ,  . . .  soe  seldi  an  hare  geraken , 
haar  krijgen,  Limb.  X,  651.  Want  elc  man  comt 
geme  ane  ene  rike,  OVl.  Ged.l,  82,  714.  Spreect 
an  ons  God,  Rijmb,  4638.  Alse  die  liede  an  hem 
spraken,  5162.  Doe  sprac  an  Achab  een  Gods  man 
12693  (zoo  ook  6900,  20858,  34527).  Ofdieingelen 
an  hem  spraken,  Sp.  III*,  36,  102.  Hi  viel  an 
Gode  met  siere  bede,  ald.  52.  Hi  sprac  aldus  ant 
vier.  Franc,  2618.  Soe  dat  hi  in  hopen  sloech  aen 
onser  Vrouwen  ,  {eig,  onse  Vrouwe)  Theoph.  850.  Ende 
riepen  hulpe  an  onsen  Here ,  /^.  I  * ,  57 ,  29.  Doe  rie- 
pen si  an  Gode  genaden ,  Rijmb.  7445.  Ënde  riepen 
genade  an  haren  Mamet,  ZimtsJ.  1732.  Ende  riep  ane 
den  bode ,  Lorr.  II ,  1893.  Roep  ie  an  u ,  Marien  kint , 
Limb.  XII,  4.  Wat  roepstu  ane  mi?  Rijmb.  4215. 
An  hem  sprekende  vriendelike ,  Franc.  309.  Ie 
getrouwe  an  onsen  Here,  Sp,  III ^,  1,  26.  Daer 
hi  hem  best  getroude  an.  Rosé  fr.,  bl.  248,  24. 
Ende  troosten  an  onsen  Here,  Sp.  IV*,  21,  96. 
Dat  ghi  u  goet  settet  ter  noet  anemi,Xtmd.  VIII, 
1566.  Hier  an  setti  al  sinen  raet,  Parth.  2548. 
An  uwen  cop  sel  hi  hebben  geset  sinen  sin ,  Flor. 
2643.  Die  naer  herte  leggen  an  die  minne,  55. 
Suete  rycheit  .  .  ,  waerbi  sidi  so  ongenadich 
dengenen  die  u  an  hen  lesen,  die  u  tot  zich  trek- 
ken. Rosé  5063.  {C  heeft:  Die  hem  ane  u  lesen, 
dat  ook  een  goeden  zin  geeft,  nl.  die  zich  tot  u, 
hun  gemoed  op  u  richten,  Vg.  mhd.  lesen  (Lexer 
1,  1888)  en  zie  verder  bij  Lesen).  Ente  vele 
hevet  ghewesen  songhevals  ane  mi  ghelesen,  dat 
over  mij,  tot  mij  gekomen  is,  Limb.  I,  1891. 
Dat  hi  an  daerme  drouch  so  grote  ontfaermichede , 
Franc,  167.  Die  an  niemen  en  droech  minne ,  Esop. 
LXII,  2.  Ofte  hi  die  dinc  ane  hem  draecht,  of  hij 
er  schuldig  aan  is,  Sp,  IV,  48,  58.  Sine  minne  an 
ene  ander  keren.  Flor,  397.  (Du)  sets  an  hem 
dinen  crgch ,  1183.  Gespar  an ,  vijandig  tegen,  Rijmb. 
16642,  20686.  God  vergraemde  hem  dier  mï  ,  daar- 
over ,  Wap,  Rog.  686.  Dat  si  quamen  an  sinen  raet , 
Rein.  1 ,  1003.  Ware  onse  sone  an  dogeden  comen, 
Limb,  IV,  126.  God  late  ons  comen  an  onse  gerief , 
152.  (^  kerden  hem  an  hare  voere,  Stoke  VII, 
1074.  (Hi)  keerdem  niet  an  den  neve ,  IV ,  769.  Hem 
daer  an  keren,  zich  er  aan  storen,  FV,  1327,  V  , 
688.  Ende  (ie)  kere  an  Evax  wreder,  lAmb.  IV,  2099. 
Nu  willic  an  die  jeeste  keren ,  Rijmb.  8593.  Dat 
Cristus  onse  menscheit  an  hem  nam ,  34.  Ende  onse 
menscheit  an  hem  nam,  Stoke  VI,  1079.  Die  hi 
ane  hem  trac  met  gelde , . .  ende  trac  an  hem  dat 
recht,  Sp.  III*,  39 ,  37  en  39.  Dien  die  vader  aen  mi 
trect,  Doctr.  I,  400.  Die  dan  (twater)  dranc  of  an 
hem  stac,  Franc.  10188.  Welc  u  meest  toech  ane 
minne,  Limb,  XI,  471.  Hoe  dat  hi  ane  hem  be- 
dwanc  al  Gallen,  Sp.  III*,  54,  43,  verg.bO,\,  Hi 
sal  an  sine  hande  {in  zijne  machf)  dwingen  harde 
vele  lande,  III*,  31,  35.  David  dwancse  an  dat, 
daartoe,  Rijmb.  12928.  Dlant  sal  hi  dan  an  sine 
hant  setten,  naar  zijn  hand,  onder  zijn  macht ^ 
Velth.  VII,  9,  91.  Dat  hi  tfolc  an  sine  hant  eerst 
ghewan,  Rijmb,  20238.  Die  wrake  sal  aen  den 
lanshere  gaen.  Wrake  III,  46.  Dat  aen  hem  niene 
gaet  een  twint ,  maer  ane  u ,  dat  het  niet  aan  hem 
staat,  non  ad  se  pertinere ,  Mask.  763,  vg.  Jf^r/.  260. 
Al  soudt  aen  yemans  leven  gaen,  Wrake  III,  40. 


73 


AEN. 


AEN. 


74 


Het  sal  ane  u  leven  gaen,  uw  leven  zal  er  meds 
gemoeid  zijn,  gevaar  hopen ,  Ferg.  2338,  H^al. 
6506,  enz. 

3)  Fan  tijd,  In  deze  opvatting  komt  oen  bij  ww. 
van  beweging  niet  anders  voor,  dan  voorafgegaan 
door  tote,  tot,  ioi  aan.  Aen  met  zijne  beheer- 
sching  moet  dan  als  één  geheel  worden  beschouwd , 
door  tot  e  geregeerd,  t.  w.  met  den  3dennv.,daar 
het  geene  beweging^  maar  eene  rtf^^ uitdrukt.  Doch 
onwiUekenrig  vatte  men  tote  aen  als  eene  eenheid 
op,  en  verbond  het  gezamenlijk  met  den  4den  nv. 
Verg  Ned.  Wdb,  op  Aan  (§  9  aan  't  einde). 

II.  Als  bijwoord. 

1)  Van  plaat*.  Als  by  woord  van  plaats  wordt 
aen  bg  andere  uitdrukkingen  gebezigd  ter  aan- 
duiding van 

d)  Onmiddellijke  aanraking,  t.  w.  van  wapenen 
en  kleedingstukken ,  die  eum  het  lichaam  worden 
gedragen  (zie  boven,  I,  1,  a).  ||  Ge  wapent  ende 
halsberch  an,  Eleg.  1112,  Qrimb.  I,  4189.  Platen 
of  halsberch  an ,  Grimb.  II ,  2914,  enz.  —  Aen  s  ij  n , 
vast  zijn ,  vastzitten ,  verbonden  zijn ,  t.  w.  aan  dat- 
gene waartoe  het  behoort.  i|  Ofte  eenich  mensch 
ware  ghewont  boven  den  ooghen  dwars  ende  dat 
been  ware  ghequest,  soe  besiet  oft  gaet  aldore.. 
Ende  ofte  dat  stic  ane  was ,  hanghet  weder  te  siner 
stede,  Jan  Tp.  82. 

b)  Aanhechting  of  verbinding  (zie  boven  ,1,1, 
b),  in  de  uitdrukking:  —  Aen  sQn,  met  den 
3den  nv.  des  persoons,  van  eigenschappen  of  hoe- 
danigheden gezegd.  Aan,  bij  of  in  iemand  zyn, 
tot  zgn  wezen  behooren.  ||  Alle  doget  was  hem 
ane,  Idmb.  I,  74. 

c)  Aangrenzing  of  onmiddeliyke  uabBheid  (zie 
boven,  I,  1,  c).  \\  Alle  die  lande  ten  berge  an, 
tot  aan  den  berg,  Sp.  III*,  54,  40.  Ende  maecte 
sine  herberghe  te  stane  al  tote  sUns  selves  ane, 
naatt  zijne  eigene,  UI',  32 ,  25.  —  Ais  tegenstelling 
van  voren  bi)  een  ww.  van  beweging:  voren  — 
ane  (riden,  vlien,  enz.),  voorop  —  daaraekter 
{rijden ,  enz.).  ||  Madelgijs  reet  voren  ende  Vivien 
an,  Maleg.  524.  Maer  die  stuer  (j^^Mr)jaechten  van 
dane:  so  vliet  deen  voren,  dandre  ane.  Nat.  BI.  V,  476. 
—  Met  het  ww.  tijn  verbonden ,  in  de  uitdrukking:  — 
Aen  sijn,  bij,  nabij,  tegenwoordig  rt;ii ,  het  tegen- 
gestelde van  a/zijn.  De  zaak  of  handeling,  waarbij 
men  tegenwoordig  is,  wordt  aangewezen  door  het 
voorz.  te.  \\  Tumus  was  ten  stride  mede  ane,Z«p. 

1 ,  42 ,  108.  —  De  persoon ,  wien  men  nab\j ,  of  bij 
wien  men  tegenwoordig  is ,  wordt  in  den  3den  nv. 
geplaatst  ||  Dat  hem  die  doet  was  ane,  Vad.Mut. 

2,  57,  244.  Altoos  is  hi  ons  an  mit  sinen  sub- 
tilen  vermane,  Ltp.  I,  6,  18.  Soe  was  hem  bi  of 
an,  Sp.  lil",  44,  31.  Dus  was  hi  hem  altoes  ane, 
11^,  35,  17.  Waer  daer  die  porse  meest  gelach, 
was  hi  den  Hertoge  altoes  an,  Yelth.  III,  18,  3. 
Die  dar  tue  gescapen  sin,  dasse  Gode  an  sin, 
lAmb,  Serm,  ISla.  —  Met  bi  of  over ,  of  beide,  ver- 
bonden ,  van  getuigen ,  die  bij  eene  handeling  tegen- 
woordig  geweest  znn.  ||  Van  der  ander  miracle,  daer 
goede  liede  bi  ende  ane  waren ,  Rumb,  Avondit,  17. 
Want  wi  daer  bi  ende  ane  geweest  hebben ,  daer  dese 
saken  gesciet  sgn ,  Brdb.  T.  D.  II ,  bl.  641.  Want  z^re 
by  ende  aen  gheweest  hebben ,  dair  alle  saken  ghe- 
schiet  siJn,  bl.  731.  Dat  hi  dat  sach,  ende  daer  aen 
was  ende  bi,  Nijh.  1,  318.  Want  wier  over  ende  ane 
gheweset  hebben ,  ende  bi  onsen  rade  is  ghesciet , 
Mieris  2 ,  228a.  Mit  tween  goeden  Inden  oi  knapen , 
die  daer  over  ende  an  gheweest  hebben,  Stadr,  v. 


Zwolle,  150,263  vg.  Hier  waeren  over  ende  an  .  .  , 
Mieris  4 ,  75^ ,  VèOb.  Dat  wyre  bv ,  aen  ende  over 
geweest  hebben ,  3 ,  588a.  Na  raiae  onser  mago . . , 
die  dair  mede  by,  over  ende  aen  geweest  sijn, 
Nijh.  4,  4.  —  Het  is  ieder  gelQc  an,  het  ie 
ieder  even  na,  voor  ieder  even  verplichtend.  \\  Ende 
sulc  scot  .  .  en  mach  men  niement  verdraghen; 
want  het  is  ygeliken  poirter  geiyc  an,Matth.  127. 

d)  Richting  naar  een  doel  (zie  boven,  II,  1). 
II  Ende  varen  te  Bajoene  an,  Lorr.  II,  264.  Ten 
oestenwert  an ,  Alex.  IV,  455.  —  In  verbinding  met 
andere  bijw.  van  plaats  in  de  samengestelde  uit- 
drukkingen: —  Daer  ane,  derwaarts,  Her  ane 
of  Hier  ane,  herwaarts,  Werwert  an,  wer- 
loaarts  heen,  waarheen.  ||  Oi  vaert  daer  eaie ,  daar- 
heen, Rijmb.  7000.  Daer  ane  lopen,  Sp.  lil",  2, 
73.  (Die)  stede  .  .  daer  men  winters  ende  zomers 
te  paerde  ende  te  voete  aen  mach,  Inform,  194. 
Quam  gedreven  her  au,  Stoke  IX,  1283.  Wildi 
mi  helpen,  buget  hier  ane,  Sp.  III* ,  60,34. Enen 
kerstenen  man,  die  werwert  en  weet  trecken  an, 
Be^.  Mus.  7.  450,  300.  —  Vort  au,  verder, 
bij  Kil.  „Voord-aen,  ulteritu,''*  \\  Als  ick  op 
een  placke  coeme,  soe  coeme  ick  wel  voort  an, 
iS^euJk,  56. 

2)  Fan  tijd.  Als  b||woord  van  tyd  wordt  aen 
aan  andere  bg woorden  toegevoegd,  ter  aanduiding 
van  onmiddellgke  aansluiting  of  opvolging.  —  Hier 
an,  strais  hierna,  Sp.  1\  10,  22,  Rijmb.  5442, 
6332.  Daer  an,  daarop,  Rijmb.  10496,  25230, 
25967,  Stoke  II,  421.  Saen  daer  an,  kortdaar- 
aan,  Franc.  6035.  Voortmeer  an,  7283,  Lett. 
N.  R,  7*,  150,  20,  en  Vorwerd  an,  voortaan 
steeds,  van  ntt  voortaan,  gedurig.  ||  Ende  u  dienen 
vorwerd  an ,  Lane.  III ,  23749.  8i  gaet  dimmen  vor- 
waert  an.  Natuur k.  1136  var.  Gevet  nu  hare  in 
dranke  te  drinkene  dan  drie  dage  ende  vorweert 
an,  Jf.  en  Fr.  Heim,  1552.  —  Vort  ane:  voert 
an,  vord  ane,  of  voert  anne  {Grimb.  1,3028, 
II,  2923),  voort  aan,  in  de  drie  opvattingen,  die 
thans  door  voort,  voorts  en  poor^oum  worden  onder- 
scheiden, als: 

a)  Foort,  terstond.  \\  Die  vos  vort  an  ontsloop 
ende  es  ten  hole  gekeert,  Sp.  III*,  16,  160.  Dus 
namen  si  orlof  vort  ane,  Grimb.  I,  2985.  Ende 
sloech  voert  an  sQn  sterke  ors  metten  sporen,  I, 
3789.  —  Zoo  ook  1 ,  3462 ,  II ,  700 ,  2299 ,  3027 ,  enz. 

b)  Voorts,  vervolgens.  \\  Sgn  broeder  .  .  wort 
oic  ontboden;  voirt  an  twee  kynderen,  die  waren 
gebroeder,  Grimb.  1,  1100.  Van  Mechelen  ende 
oic  voirt  an  tot  bi  Postele  menich  man  quamen 
hem  te  helpen,  I,  2644.  Et  gheneset  ende  levet 
vort  an.  Nat.  Bl.  VI,  726.  Ende  ligghen  voert 
ane  als  een  hont  sonder  spreken ,  Lansl.  256.  Dese 
soute  sieden  dan  in  watre  ende  in  wine  vort  an, 
M.  en  Fr.  Heim.  1311.  —  Zoo  ook  Grimb.  I, 
2946,  3609,  II,  780,  enz. 

c)  Foortaan,  ongeveer  in  de  hedendaagsche  be- 
teekenis,  van  nu  af  aan,  in  ^t  vervolg ,  doch  ook 
beginnende  van  een  tijdstip,  datinHverledeneligt. 
Zoo  b.  V.  Parth.  8215 ;  Lanc.  III ,  9885 ;  OFl.  Lied.  en 
Ged.  418 ,  145 ;  Amand  1 ,  3963 ;  Gnmb.  1, 2367,  3024, 
enz.  II  Toter  tijt  voert  anne  dat,  tot  den  tijd  toe  dat, 
totdat,  Grimb.  1,  3028.  So  vort  ane  dat  si  out  si 
XXIII  dage,  zoo  verder  totdat,  totdat,  Sp.  II', 
59,  14.  Gine  sijt  niet  wel  genesen  van  dat  giden 
camp  vacht  vortan,  van  het  oogenblU  dat,  sedert, 
Lane.  ÏII,  25101.  —  Ook  door  meer  versterkt: 
Voert  ane  meer.  ||  Dus  bilden  voert  ane  mere 
dbesniden  die  Joden  al  te  samen ,  Teest.  1789.  Voert 
an  meer  tal]en  stoqden  wert  hi  ter  weerelt  leven4o 


75 


AEN, 


AENB. 


76 


doot,  Amand  I,  1353  {in  den  tekst  verkeerdelijk'. 
Wert  au).  Hudt  di  van  sunden  voert  ane  meer, 
L.  V.  J,  c.  164;  enz.  Zie  verder  voortankmkkr. 
Aanm.  Over  het  scheidbaar  en  onscheidbaar  ge- 
bruik van  Aen^  Ane,  Au,  als  bijw. ,  in  samen- 
stelling   met    werkwoorden,  zie  de  slot-Aanm.  bij 

ACIITKR. 

AEN  (ane,  an),  voorz.  en  bijw.  Zonder.  Got. 
inuAy  inu\  ohd.  dnn,  dno\  mhd.  dne,dn',Xi\L^.ohne', 
mud.  ane,  dn-,  und.  ane  (Koseg.  1,  3U3 — 401); 
ndl.  der  17de  eeuw  ane  en  oon  (Ondem.  1,  177, 
5,  401);  gr.  dvBx-  Verg.  Grimm ,  D.  Gr,  3, 
157,   261,   en  Uoeufft,  Bred.  Taai-eigen,  Aanh,  2. 

L    Als  voorzetskl. 

Ane,  dn,  voor  zonder,  was  zoowel  in  H  mhd. 
als  in  *t  nind.  zeer  gewoon  bij  allerhande  znw.  In 
de  Duitsch  gekleurde  Geldersche  oorkonden  wordt 
oen,  an,  in  dien  zin  meermalen  gevonden,  als  bij 
Nijh.  II  An  schaede,  3,  226.  Aen  versterf,  oyiver- 
sterfelijk,  346.  Aen  vede,  4,  125.  Aen  twivel, 
227.  Aen  alrekunne  indracht  ende  geveerde , 
124.  Aen  geverde,  211,  377.  —  Vooral  in  het 
gewone  :  Aen  (alle)  argelist ,  1 ,  358 ,  3  ,  304 , 
346,  4,  72,  73,  76,  144,  272,  enz.  —  Doch 
ook  elders  in  verschillende  uitdrukkingen,  als: 
Ane  vaer,  zonder  vrees.  \\  Al  moeten  si  schei- 
den ane  vaer,  Hild.  116,  10.  Ende  sy  ghebru- 
kent  ane  vaer,  recht  offt  hoer  eyghen  waer,  124, 
59.  —  Ane  ra  et.  ||  Of  een  meester  weder  deze 
gezette  ane  raet  ende  volgingen  des  capetels  .  . 
over  dat  gheberchte  varet ,  dat  hem  voertmeer  gheen 
broeder  ghehorsame  zi  verbonden,  B.  Orde  313. 
—  An  die  wet,  zonder,  d.  i.  binten,  tegen  de 
toet.  II  Dus  dede  hi  hoerdoem  an  die  wet,  Rijmb. 
963.  —  An  gebreken,  zouder  ontbreken,  zonder 
missen.  ||  (Die  pennine)  bediet  dien  loon  die  sonder 
somme  es  an  ghebrekene  nemmermere,  Rijmb. 
24572  {bij  F. :  sonder  ghebreke).  —  Vooral  bij  het 
znw.  danc  in  de  oude  beteekenis  van  wil,  in  de 
vaste  spreekwijze:  Ane,  aen  ofan  (meest  an) 
sinen  dauc,  eig.  zonder  of  buiten  zijnen  toil, 
doch  in  de  bepaalde  opvatting  van  tegen  zijnen 
ml,  zijns  ondanks.  ||An  minen  danc,  Lorr.  II, 
1920;  Wal.  5547,  5559;  Lsp.  II,  61,  40.  An  di- 
nen  danc,  'schijnt  niet  voor  te  komen,  misschien 
omdat  het  gemeenzame  dijn  niet  strookte  met  de 
ietwat  deftige  uitdrukking.  An  sinen  danc, 
Rijmb.  1296;  S^.  V,  4,  13,  I",  67,  44,  III', 
11,  67,  III»,  42,  118,  III»,  20,  25,  IV\  21, 
53;  Heelu  6558;  Stoke  IX,  1280;  Brab.  Y.  II, 
3274,  V,  1050,  VI,  5517;  Lsp.  I,  U,  51;  Amand 
II,  5020;  Hild.  144,  153;  166,  177  (var.  om). 
An  baren  danc  (enkv.),  Limb.  \ll,  958,  VIII, 
808,  1657;  Sp.  V,  16,  30,  III*,  39,  67; 
Edew.  144.  An  onsen  danc,  Limb.  IX,  341; 
Heelu  4920.  An  uwen  danc,  Wal.  5496;  Troi/en 
{OVl.  Ged.  1,  14)  1182  (bij  Verdam  vs.  3941 :  ten 
onrechte  onsen  d.).  An  haren  danc  (nieerv.), 
Rijmb.  28593;  Sp.  IH' ,  14,  17;  25,  39;  33,  46; 
Stoke  IV,  525,  925;  Umb.  VIII,  1275;  Brab.  ï.  V, 
1220,  3298,  VI,  4351 ,  5493;  Lsp.  II ,  46 ,  24 ,  ^/<?j-. 
X,  1320.  Evenzoo:  An  sbisscops  danc,  ^ra*.  Y. 
IV,  1336.  —  Allengs  werd  an  door  sonder  vervan- 
gen ,  en  zeide  men :  Sonder  danc,  Rijmb.  30846 ; 
sonder  minen  danc,  Lanc.  II,  1637;  sonder 
dinen  danc,  Rincl.  1041;  sonder  haren^ilanc, 
Huyd.  op  Stoke,  Dl.  2,  bl.  221;  sonder  der 
Hollanders  danc,  Stoke  IX,  759,  enz.  Zie  bij 
Panc. 


II.    Als  bijwoord. 

1)  Zonder,  behalve.  \\  Dat  hy  ons  daer  aff  niet 
rekenen  en  sal  noch  syne  erven,  an  dan  sy  ons 
onsen  pacht  daer  aff  jaerlix  geven  suelen,  Nijh. 
2,  67  (a.  1353). 

2)  In  de  spreekwijze:  Des  ane  sijn,  d.  i. 

a)  Iets  ktoijt  zijn ,  het  verloren  hebben,  \\  Daer 
moestic  myn  iser  laten,  het  ontviel  mi  opter 
straten  .  .  dus  was  ie  myns  isers  ane ,  Eleg.  735. 
Nu  ben  ie  des  alles  ane,  972.  Hare  scilde  waren 
si  ane  beide,  Lorr.  fr.  III,  201.  Nu  sijn  si  alle 
bars  lives  ane.  Wal.  6678.  Alsof  sy  ware  des 
sinnes  ane,  Trogen  5860. 

b)  Vrij  zijn  van  iets,  er  van  aj  zijn.  ||  So moeste 
ich  yem  reicht  wederfaren  laten,  des  ich  doch 
liever  ayn  were,  Nijh.  4,  126  {a,  1436).  —  De- 
zelfde uitdrukking  komt  ook  in  de  verwante 
talen  voor,  als  ohd.  dnu  sin;  dnn  xoesen  en  dnu 
toer  dan ;  mhd.  dne  sin ;  mnd.  ane  sin ,  an  werden,  doch 
daarin  wordt  ane  door  Benecke- Muller  (1 ,  40)  en 
Grimm  (D.  Gr.  1»,  744,  750,  4,  963)  ten  on- 
rechte als  een  bnw.  dn,  dne,  expers,  beschouwd. 
Het  is  het  voorz.  dne,  dn,  als  bijw.  staande  en 
met  het  ww.  verbonden ,  als  ten  duidelijkste  blijkt 
uit  de  geheel  gelijksoortige  uitdrukkingen:  des 
sonder  sijn,  des  af  sijn,  des  van  zijn.  Zie  SoNDER, 
Af  en  Van. 

AEN,  znw.  m.,  voor  Naen,  dwerg,  met  wegla- 
ting der  n  voor  aan  het  woord,  als  in  meer  andere 
woorden  geschiedt,  b.v.  Ap  (zie  ald.)  voor  Nap, 
aak,  hd.  nachen,  adder ,  hd.  natter.  Zie  De  Vries  op 
Hooft's  Warenar,  bl.  90  vgl.  ||  Enen  leliken  aen, 
Lanc.  II,  532.  Die  aen  hadde  in  die  hant  enen 
groeten  stoc,  535.  Den  aen  begonst  wel  behaghen , 
Segh,  3240.  Ende  maecte  den  aen  vroeder,  3279. 
Die  aen  scoet  ane  hem,  3292.  Sinen  oem,  den 
goeden  aen ,  3927.  —  Elders  in  den  Lanc.  en  andere 
geschriften  herhaaldelijk  naen,  als  Lanc.  II,  537, 
538,  544,  enz.,  Segh.  3603  var.,  5665,  enz. 

AENAERDEN ,  zw.  ww.  onz.  Mnd.  anarden;  nhd. 
anarten,  natura  insitum  esse.  Uit  het  byw.  Aen  en 
Aerden.  Verg.  Akrden  en  Akrt  (2de  art.).  Aan- 
geboren zijn,  tot  iemands  aard  behoor  en.  \\  On- 
cuuscheit  art  di  an  van  ore ,  d.  i.  hore ,  door 
overerving,  Rincl.  240. 

AENBASSEN  {bies,  biesen,  gebassen),  st.  ww. 
bedr.  Zie  Bassen.  Aanblaff'en.  ||  Hi  en  darf  hem 
niet  ververen  voer  der  rueden  aenbassen,  Mloep 
IV,  109. 

AENBEDEN,  aenbeeüen  zw.  ww.  bedr.  {aen- 
bede,  aenbeedde,  later  ook  aenbedde;  deelw.o^tó^^/, 
aenbeedt,  aengebedet,  geanebeet) ,  Ohd.  anapét4xn; 
mhd.  anbeten;  nhd.  anbeten;  mhd.  anbeden.  In  het 
mul.  was  ook  aenbidden  (zie  ald.)  bekend,  maar 
in  verschillende  opvatting.  Aenbidden,  met  den 
klemt,  op  aen,  had  gewoonlijk  de  eigenlijke  betee- 
kenis van  zijn  gebed  richten  tot  iemand,  hem  iu 
gebede  aanroepen  (lat.  precari) ;  terwijl  anbéden 
veelal  de  bet^iekenis  van  adorare  had;  vgl.  Ned, 
Wdb.  op  aanuidüen. 

1)  Aanbidden.  \\  „  Gi  moet  met  ons  gaen  ten 
temple  ende  anebeden  onsen  God."  —  „Anebeed- 
dicken,  so  waric  sod",  sprac  sente  Jan,  Yst.  Bl. 
1086.  Di  suchtic  ende  anebede  ende  bidde  ene 
visike  mede,  O.  H.  Wond.  43.  Elc  aenbeet  sinen 
Mamet,  L.  o.  IL  1179.  Wi  anebeden  di.  Griste 
Jhesu,  Franc.  1581.  Diene  anebedet  hi  essot,  Limb. 
VIII,  1262.  Ende  anebedes  die  gode  mede,  *^.  II*  , 
21,  36.  Anebeedt  den  minen  dan,  Yst.  Bl.  2608. 
Ende    aenbedt    enen    vreniden    god,    Glor.    1029. 


77 


AENB. 


AlUNB. 


78 


Dien  de  heidcue  van  der  steden  over  enen  god 
anebeden,  S^.  11»,  24,  4.  Dat  wi  Gode  dienen, 
danken,  loven  ende  anebeden,  Rnusbr.  1,  171. 
—  Onbep.  wijs.  II  Aenbeden, anebeden,  Rijmb.  1376, 
178*2,    Yst.   BI    2600;  V,  d.  Hou  te  660;  lap.  II, 

10,  48;  11,  114;  13,  29;  Z.  o.  H.  1590,  3004; 
Ca»8.  363;  Hild.  7,  127;  erus,  Wi  coraenne  ane- 
beden, L.  V.  J.  c,  16.  Aenbeeden,  Y*i.  BI.  2597, 
2608.    Die    gode   tanbedene,  Sp.  II*,  29,  58;  II\ 

12,  94.  Die  gode  taenbeden,  S^.  II*,  37,  3.  Dat 
Roomsche  volc  tanebedene  plach  ene  selverine  gans, 
NaL  Bi.  III,  358.  —  Gebied,  wij».  ||  Aenbedet, 
aenbeedt,  aenbeet,  Lsp.  II,  9,  157;  Yst. BI. 2611; 
L.  o.  H.  401.  — Verl.  tijd.  ||  Aenbede ,  Lsp.  I,  29, 
69;  L.  o.  H.  172,  421,  1253;  Runabr.  3,  222. 
Aenbeedde,  lUjmb.  1470,  2140;  Franc.  9629,  Ltp. 

11,  15,  104  en  109;  17,  147.  Aenbedde,  L.  o.  H. 
581,  3244;  L.v.J.   c.  58,  235.  Aenbeden ,  Z«j9.  II , 

13,  116.  Drie  sach  hiere  ende  anebeedder  enen, 
Rijmb.  1779.  —  Ook  scheidbaar  gebezigd,  jj  Dattet 
afgode  beedde  an,  W^rake  I,  106.  —  Verl.  deel w.|| 
Anebeedt,  Y*t.  BI.  2535.  Anegebedet,  Raasbr.  3, 
243.  Aengebedet,  Ned.  Proza  237;  Pass.  JT.  Ic. 
Anegebeet,  Runsbr.  5,  256.  Aeugehedt  ^  1).  B.  Exod. 
34,  15;  Deut.  29,  26;  Jerem.  22,  9.  Geanebeet, 
Sp.  I«,  47,  129;  III»,  10,  58.  Geanebeidt,  Franc. 
9130;  mz. 

2)  Zijn  gebed  richten  tot  iemand,  hem  in  gebede 
aenroepen^  in  welken  zin  men  gewoonlijk  aenbid- 
den  bezigde,  daar  aenbeden gtmttvM^kyoor adorare 
gold.  Zie  Aenbidden.  jj  „Roept  an  hem,  hi  is 
vol  genaden."  Die  ridder  sprac :„ Dats  goede  reden, 
sel  ic  God  nu  aenbeden  mi  te  helpen  als  een  vrient?" 
Hild.  50,  130.  Dan  sal  hi  anebeden  ende  aneroepen 
die  ghenadicheit  ende  die  ontfermicheit  ende  die 
miltheit  Gods,  Ruusbr.  6,  115.  Onse  vadere  ane- 
beden in  desen  berch  ende  ghi  secht  dat  Jheru- 
salem  es  de  stat  daer  men  anebeden  moet,  Hs.  v. 
1348,  85^.  Ghi  anebedet  dat  ghi  niet  en  weet, 
maer  wi  anebeden  dat  wi  weten,  ald. 

AENBËDëRë  (aënbkdre,  aenbkder),  znw. 
m.  Zie  Aenbeden.  Aanbidder,  jj  Lof,  hemelsch 
vader  ghebenedijt.  Die  dinen  aenbeders  zo  milde 
zijt,  OVl.  Lied.  efi  Ged.  6,  134.  Die  anebedre  der 
Drievoudichede ,  Franc.  1088.  Der  afgode  anebeders , 
Sp.  II»,  19,  45.  Die  ghewarighe  aenbeders  aen- 
beden inden  geeste  ende  in  der  waerheit,  Ruusbr. 
3,  67.  Gewarege  anebederen,  L.  v,  J.  c.  115.  Die 
geware  anebeders ,  Hs.  v.  1348 ,  856 ,  vgl.  Joh.  4 ,  23. 

AENBEDINGE,  znw.  vr.  Zie  Aenbeden.  Aan- 
bidding, II  In  ons  en  is  geen  ydel  noch  ongewa- 
righe  anbedinghe ,  mer  in  u ,  die  die  hoefden 
neyghet  ende  bughet  den  steen  ende  den  metael. 
Pass.   W.  106*. 

AENBEDWINGEN ,  st.  ww.  bedr.  Enen  iet 
aenbedwingen,  het  hem  onderwerpen^  aan  zijn 
gebied  toevoegen.  \\  Hoe  die  Gallen  entie  Germane  . . 
worden  Rome  bedwongen  ane.  Sip.  Prol.  (bl.  9) 
VS.    5. 

AENBEGIX,  -ginne^  znw.  onz.  Eerste  begin  ^ 
aanvang.  Mnd.  anbegin.  Vgl.  Ndl.  Wdb,  op  AAN- 
hegin.  II  Van  der  werelt  aenbeginne,  Brab.  Y. 
VI ,  11981.  Voir  al  die  (1.  der)  werelt  aenbegin,  OVl. 
Oed.  3,  120,  4;  (verg.  Claghe  3,  bij  Smits  en 
Schotel,  Beschr.  v.  Dordr.  I,  150).  In  den  aen- 
begin was  een  woert,  131,  17.  Een  inganc  of 
een  aenbegin,  Bed.  d.  M.  255.  In  horen  eersten 
aenbeghin,  Mloep.  II,  818.  Van  aeubeghin,  Hild. 
25,  17;  44,  175;  193,  60;  230,  16.  Den 
ewegen  Vader,  die  een  ewech  anebegin  es  der 
heileger   Triniteit ,  Rqusbr,  1 ,  204.  Pie  Vader  es 


een  aenbeghin  alder  godheit,  6,  157.  Alle  scaden, 
in  welker  manieren  dat  si  ghesciet  sien  (1.  sijn) 
an  beyden  siden  van  anebeghinne  des  kijfs ,  Mieris 
2 ,  188«  {a.  1317). 

AENBEGINNEN  (verl.  tijd  began,  begonde,  be- 
gonste),  onreg.  st.  ww.  onz.  Beginnen,  aanvangen.  Mnd. 
anbeginnen.  \\  Den  offersanc  sinct  men  dan.  Dat 
choer  beghint  ierstwerf  an ,  Bed.  d.  M.  536.  Ende 
want  die  yeesten  der  princen  zoe  vele  dar  onder- 
gemenget  ziin,  dat  mense  niet  lichteljjc  na  den 
rechten  ganc  en  can  ontholden,  zoe  wil  ic  anbe- 
ginnen van  den  jaren  ons  heeren  eersten  vaders 
Adam,  Ned.  Proza  341.  Die  scepen  wyst ,  .  . 
van  wat  einde  van  der  steden  dat  men  den  omme- 
ganc  aenbeginnen  sal  te  gane,  Matth.  151. 

AENBEGRIPEN  {begreep,  begrepen),  st.  ww. 
bedr.  Aanvatten,  aanvangen.  Verg.  Aengripen.  || 
Hoe  mochte  enech  riddere  dan  begripen  sulke 
ontrouwe  an,  dat  hi  u  dlijf  heeft  genomen!  Lanc. 
IV,  5080.  Eusebius  die  heilige  man  die  begreep 
dat  wandelen  an  in  die  kerken  yanYtale,  Sp.ll^, 
26,  29.  Ende  hebt  te  beghinne  ooc  mede  ver- 
sleghen IX  dusent  man:  dus  hebdyt  begrepen  an, 
Rijmb.  21816  var. 

AENBEHOREN ,  zw.  ww.  onz. ,  met  den  3den  nv. 

1)  Toebehooren,  behooren  tot.  \\  Dat  den  rike 
behoert  an,  Edew.  529.  Dits  de  sone  dint  gheërf- 
nesse  anebehorrende  es,  comt  ende  lattene  ons 
doeden,  L.  v.  J.  c.  169. 

2)  Toebehooren,  opgelegd  zijn,  van  eene  verplich- 
ting. II  Om  dienst  te  wederstane ,  die  hem  te  rechte 
niet  behort  ane,  daer  sal  men  om  striden  totter 
doot,  Melib.  3186  var. 

AENBEHOÜDEN  {hilt,  hielt  of  helt,  htlden, 
gehouden),  st.  WW.  bedr.  Aanhouden.  \\  Wi  moeten 
die   heileghe  ghewaden  der  doechde  anebehouden, 

Runsbr.  2,  54.  ,      «  -i. 

AENBEYE,  znw.  yr.  Aambei.  Over  de  afleiding 
zie  Ned.  Wdb.  op  aaNBEI  en  vooral  T.  en  Lettb. 
1 ,  291—298.  II  Die  de  aenbeye  hadde  inden  fun- 
dament, hi  sonde  te  hant  daer  af  ghenesen  werden, 
Barth.  712a.  Van  den  aenbeyen  of  spenen,  2706; 
271a.  Het  doet  die  aenbeyen  die  opgheheven  zijn 
ghaen  sitten ,  631a.  Die  aderen  . .  der  aenbeyen ,  85tf. 

AENBECKEN,  zw.  ww.  onz.  Zie  Becken.  Be- 
ginnen te  bikken  of  te  slaan,  U  vechten.  ZiüNed. 
Wdb.  op  Aanbikken  onz.  1).  |1  Maer  de  vrouwen 
moeten  altoes  anebecken  ende  tlaetste  behauwen 
van  der  tale,  Han.  II.  39. 

AENBELEN ,  zw.  ww.  bedr.  Zie  Belen.  Aan- 
blaf  en.  II  Wat  doet  hem  ander  conste  noot,  .  . 
als  hem  die  honden  belen  an ,  dan  sise  weder  van 
hem  slaeu?  Hild.  172,  102. 

AENBELOOP,  -hpe,  znvr.  onz.  Het  verschuldigde 
aandeel  in  het  beloop  of  bedrag  eener  geldsom.    || 
Van    sinen    anebeloepe   van  den  gelde,  dat  wi  .  . 
uytgeleget  hebben ,  Mieris  2 ,  600*  {a.  1337). 

AENBELOPEN  {beliep,  belopen),  st.  ww.  onz., 
met  den  3den  nv.  Enen  — ,  iemand  toekomen  als 
aandeel  in  het  beloop  of  bedrag  eener  geldsom.  \\ 
Wair  enich  poirter  in  enighe  erfnisse  bestorven  van 
enen  anderen  poirter,  die  sel  .  .  nemen  sulc  scot 
up  him  als  hem  anbeloept  van  den  ghenen,  dair 
hi  tgoet  of  neemt,  L.  Keurb.  19,  23. 

AENBELT,  aanbeeld.  Zie  Aenbilt.  ^^ 

AENBELT,  beeld.  „  Aen-beld,  vetus.  iij^«?*. 
Kil.  Verg.  Ned.  Wdb.  op  Aanbeeld  (2de  art). 
Mi.sschien  is  dit  aenbelt  bedoeld  K.  en  O.  v. 
Delft  88,  1:  Dat  niemande  binnen  der  steede 
vriheit  en  sal  moeten  werpen  .  .  ,  cactsen,  coot- 
ten,    clootten,   den   bal   slaen,   anbeelten  worpen 


79 


AENB. 


AENB. 


80 


enz.  In  de  in  de  noot  aang.  plaats  nit  O.  Keur. 
V.  Delft  II ,  19 ,  2  leest  men  „  steenen  noch 
aenbeelden  werpen"  en  „Voirt  sie  elcke 
mensche  toe,  dat  hij  sijn  a  en  bel  te  beware, 
dattet  niet  npten  kerckhove  en  come."  Het  schgnt 
dns  een  soort  werptuig  te  zyn,  maar  welk  is  niet 
zeker.  Wellicht  z\jn  de  „imagnnculae "  of  poppen 
(Kil.),   dns  een  soort  speelgoed,  bedoeld. 

AENBERNEX  zw.  ww.  onz.  Zie  bernen.  Aan- 
branden. II  Altoes  roerende  mit  enen  spane,  dattet 
niet  aenbemet,  Lanfr.  154r. 

AENBERREN  (óar,  borren,  geborren)^  st.  ww. 
onz.  Zie  Berren.  Voortbranden.  \\  Maerghevalt 
dat  si  ontsteken  werden  van  der  mannen  minne, 
si  berren  an  sonder  ghebreken  langhe  met  ghe- 
staden  sinne,   V.  d.  Feest.  701. 

AENBESCOÜWEN,  zw.  ww.  bedr.  Aanschouwen, 
met  eigen  oogen  zien.  ||  Alse  wijt  hebben  bescouwet 
an,  Sp.  III*,  4,  16.  Doe  dese  lettere anebescou wen 
van  der  stat  die  edel  vrouwen,  Velth.  V,  49,  67 
var.  Zie  de  Bijlage  op  Maerlant^s  ^.  ^mA  D.  3 ,  bl. 
460.  In  het  tekst-hs.  anescouwen. 

AENBESIEN  {besacA,  besagen,  besten),  st.  ww. 
bedr.  Aanzien,  ||  Daerne  was  ridder  no  seriant 
negheen  onder  al  sconincs  man,  hine  besacheue 
te  wonder  an,  Partk.  5089.  Vgl.  Merl. M0b2  vgl. 

AENBESTERVEN,  st.  ww.  onz.  Enen.  —Door 
eens  anders  dood  het  eigendom  worden  van  iemand  \ 
hetzelfde  als  Aensterven  en  Aenverstervkn  :  zie 
ald.  II  Nijh.  4,  392;  V.  d.  Wall  692;  L.  Keurb. 
186,  78;  487,  8;  Stadr.  v.  Zwolle,  120, 203;  127, 213 
var. ;  132,  223  var. ;  Rei.  d.  Graf.  2,7,8;  Clerc  130, 
aant.  1);  In/orm.  196;  R.  r.  Zutf.  79,  111;  K.  en 
O.  V.  Delft  86 ,  16  enz. 

AENBETYEN,  aenbetien  {betiet,  beiyet\  be- 
teech ,  betegen ,  betegen) ,  st.  ww.  bedr.  Hetzelfde 
als  Aentiën  (zie  ald).  Enen  iet  — ,  iemand  iets 
aantijgen,  te  laste  leggen,  verwijten.  ||  Die  paens 
purgeerde  hem  dan  van  datmen  hem  beteech  an, 
Lsp.  II,  49,  37  {var.  teech  an).  lek  .  .  betyet 
hem  an,  dat  hj  bespaert  heeft  een  stucke  erfs, 
Westfr.  Dingt.  9.  —  Spreek w.  ||  Als  men  den  hont 
dootslaen  wil,  soe  bethyet  men  hem  dolheyt  an. 
Spreuk.  49. 

AENBEUREN  Taenboren,  aenboeren),  zw. 
WW.  bedr.  Van  gela.  Beuren,  in  ontvangst  nemen.  \\ 
Yoir  die  welke  somme  gelds  wy  die  selve  onse 
vriende  .  .  gesat  hebben  ende  setteu  mit  desen 
brieve,  in  tweehondert  alden  schilden  des  jairs, 
der  munten  voirscr.  .  .  op  sente  Martjjns  dach  in 
den  wynter  .  .  yrstwerflf  aen  te  boeren,  Nyh.  4, 32. 

AENBEVECHTEN  {bevocht,  bevochten,  bevochten), 
st.  WW.  bedr.  Hetzelfde  als  Aenvechten  :  zie  ald. 
Met  strijd  aanvallen,  bevechten.  \\  Wairt  sake  dat 
eenich  vremde  uutlants  man  .  .  eenige  poirteren  . . 
eerst  anebevochte  ende  smerte  dede,  of  dat  die 
voirs.  poirtere  selve  eenige  uutlants  vremde  man 
eerst  anebevochte  ende  smerte  dede,  die  voirs. 
smerte,  by  den  voirs.  anevechter  gedaes,  sal  ge- 
betert  worden  den  verweerrer,  die  aldus  yerst 
aenbe vochten  wort,  vierscatte,  Priv.  v.  Brielle  2, 
88,  21. 

AENBEWISEN,  zw.  ww.  bedr.  Hetzelfde  als 
Aënwisen:  zie  ald.  Aanwijzen,  aanduiden.  \\  Ende 
dat  so  die  lelye  bewijsde  an  in  exemplen  der  suver- 
heden,  Amand  II,  1692.  Dat  dese  twee  condicien 
in  den  man  alle  salicheit  bewisen  an ,  up  dat  mense 
te  gader  hout  vast,  II,  6499. 

AENBIDDEN  {bat,  baden,  gebeden),  st.  ww. 
bedr.  Verg.  Aenbeden. 

l)  Zijn  gebed  richten  tot  iemaqd,  hem  in  gebede 


aanroepen ,  lat.  precari.  Aenbidden  staat  tot  bidden , 
gelijk  aanroepen  en  aanspreken  ioi  roepen  en  spreien. 
Verg.  Aenbeden  2),  en  Ned.  Wdb.  op  Aanbiüden.  || 
End  keerd  hem  doe  tot  onsen  Heer,  Dien  hie 
aenbadt  mit  rouwen  zeer:  „Gedenc  mgns,  heer, 
ghenadichl^c !"  Keiler,  Mnl.  Ged.  27,  741. 

2)  Aanbidden,  lat.  adorare.  Eene  beteekenis  eerst 
in  het  laatst  der  Middeleeuwen  gebruikelyk ;  het  ww. 
veelal  scheidb.  gebruikt.  ||  Wi  comen  om  hem  aen  te 
bidden ,  Pass.  W,  \bbd.  Dese  goeden  plach  alle  die 
crucen  die  hy  sach  devotelgcken  aen  te  bidden ,  mer 
eens  ghinc  hy  voer  een  scoon  cruus,  dat  hi  niet  en 
sach,  sonder  aenbeden,  260a.  Doe  die  Inden  van 
dien  lande  voeren  te  Jherusalem  om  dat  heylighe 
cruus  aen  te  bidden ,  Pass.  S.  8r.  (om  dat  heylighe 
cruce  aen  te  beden,  ald.  d). 

AENBIJT,  znw.  onz.  Van  aenbiten,  ontbeten, 
Kil.  jentare\  Aenbgt,  i.  inbfjt,  jeniaeulum. 
Verg.  mnd.  anbet.  Ontbijt ,  lichte  maaltijd.  Zie  Ned. 
Wdb.  op  Aanbijt.  ||  De  clo veniers  voor  haer 
aenbyte  opten  H.  Sacramentsdag  26  st.,  Hennans, 
Reder.  3.34. 

AENBILT  (aenbelt,  haenbilt,  haenbelt)' 
'bilte ,  -belte ,  znw.  onz.  Van  Aenbillen ,  aankloppen , 
kloppen  of  slaan  aan  of  op  iets.  Zie  over  de  aflei- 
ding Ned.  Wdb.  op  Aanbeeld.  Mnd.  anebelte, 
anebolt.  Aanbeeld.  \\  Want  hare  slage  mochten  niet 
dieden  meer  dan  een  man  sloge  slage  op  een  haen- 
belt  dat  vor  hem  lage,  L(mc.  III,  4876.  Noit 
smet  bet  slach  hilt  aan  si  twee  op  een  anebilt, 
Ferg.  1876.  Alse  smeden  die  mit  hameren  slaen 
op  een  aenbilt  ende  smeden,  Lsp,  I,  13,  74.  V^ 
hamere  op  aenbelte,  die  daer  sonder  inde  slaen, 
L.  o,  H.  3998.  6hy  slaet  hier  slaghen  alsoe  milt, 
soe  een  smet  doet  op  sgn  aenbilt,  Sacr.  634.  Den 
diamant,  dien  men  op  een  anbilt  leget  ende  slater 
op,  Lucid.  2619.  Worpmen  daer  een  aenbilt  in 
{in  het  vagevuur),  het  smoute  alse  oft  ware  een 
snee,  Lsp.  I,  12,  10.  Worde  een  mensche  ge- 
slagen met  hameren  op  een  anebilt,  I,  19,  72 
{hs.  n.).  Niet  mere  dan  aen  een  aenbelt  mochtmen 
der  covertner  ghenaken,  Segh.  2222.  Dat  clincte 
als  een  aenbelt ,  4604.  Want  de  maerscalc  ne  heeft 
gheen  haenbilt  no  gheen  hamer,  Livre  d.  Mest.  IS. 
Recht  oft  ware  een  anbilt,  Flandr.  I,  869.  —  Zie 
nog  Segh,  6368 ,  8666 ,  8663.  Merl.  9821 ,  24976 , 
enz.  —  Haenbilt,  m.  gebruikt,  Lsp.  1,  13,  76; 
19,  73,  in  hs.  7.  —  Vgl.  ook  aenvilte. 

AEN  BINDEN  {bant,  bonden,  gebonden),  st.  ww. 
bedr.  Met  den  4den  nv.  van  den  pers.  en  den  3den 
nv.  der  zaak,  iemand  aan  iets  vastbinden.  \\  Hier  na 
Marchus  gevangen  waert  met  sinen  brueder  Mar- 
cilliane,  ende  enen  stake  gebonden  ane,  S^,  11^ , 
8,  6. 

AENBITEN  {beet ,  beten ,  gebeten) ,  st.  ww.  bedr. 

1)  Aan  iets  bijten,  beginnen  in  iets  te  bijten,  by 
Kil.  admordere.  ||  Daer  si  enen  doden  man  vonden, 
ende  si  sijn  vleesch  dan  anebeten,  sone  connen  si 
niet  vergheten  die  soetheit  van  den  vleesche  groet , 
Nat,  BI.  II,  2443. 

2)  Aanranden,  aanvallen,  uitdrukking  aan  honden 
en  verscheurende  dieren  ontleend.  ||  Die  al  om 
waren  geseten ,  ende  Brabant  anebeten  met  orlogen 
ende  met  reesen,  Heelu  486.  Vg.  Uitl,  Wdb,  op 
Hooft  en  Ned.  Wdb.  op  Aanbijten. 

AENBLIC,  znw.  m.  Aanblik,  aanschouwing.  Yg\. 
Ned.  Wdb.  op  Aanblik.  ||  Dats  een  vri  ende  een 
wonderlic  aneblic  Gode  vrilike  te  sinne  {siene)  in 
heme  selver,  Limb.  Serm.  72a. 

AENBLASEN,  st.  ww.  bedr.  Enen  ietaen- 
blasen,   iemand   iets   in   het  gezicht  blazen.  Vg>. 


81 


AENB. 


AENB. 


82 


Ndl,  WM.  op  Aanblazen.  ||  Hi  bevoelde  bi 
Hiin  aeusicht  also  veel  stofs  of  ment  hem  mit 
blaesbalghen  aengheblasen  had,  Devoet  B,  (30) 
\Uv, 

AENBLIYEN  {bleef,  bleven,  gebleven  oi bleven), 
st.  WW.  ohjs.  Met  den  3den  nv.  Enen  — ,  iemand 
bijblijven, 

1)  Van  personen.  Iemand  bijblijven,  hem  getrouw 
bleven,  II  Het  moeste  smaken  met  tormente  die 
bittere  doot  man,  wQf,  kint,  cleene  ende  groot, 
dat  Jhesus  Kerste  ane  wilde  bliven,  ^.  lï" ,  10, 
56.  Ende  doepte  Geminiane,  die  Lucien  vort  mee 
bleef  ane,  16,  97. 

2)  Van  zaken  of  hoedanigheden.  Iemand  of  iets 
bijblijven,  in  iemand*  bezit  blijven,  aan  iett  blijven, 

II  Sgn  bloet  in  watre  ende  in  wgn  den  lachame 
ende  dbloet  sijn.  Nochtan  so  bliven  hem  ane  specie , 
smake  ende  gedane,  Sp,  III ^,  15,  57.  Jof  hem 
ware  enich  gestof  anbleven  van  enegen  dingen. 
Franc.  6870.  Bi  deser  doet  bleef  daer  verloren 
beide  wapen  ende  name  vercoren  ewelike  vorwerd 
an,  want  het  bleef  den  Hertoge  an,  Yelth.  III, 
10 ,  54.  Alle  de  steene ,  careele ,  calc ,  savel ,  eyser 
ende  loot,  ende  al  dat  ter  voerseyde  capellen  an- 
bliven  sal,  Diericx,  Mém.  2  ,  107. 

AENBOELEN,  zw.  ww.  bedr.  Zie  Boelen  en 
verg.  Aenbelen.  Aa/nblaffen,  ||  Als  hem  die  honde 
boelen  an,  Hild.  172,  104  var. 

AENBOERDE,  AENBOEBT,  AENBOERTE. 
Zie  Aenboort,  Aenboorte. 

AENBOEREN.  Zie  Aenbeuren. 

AENBOORDE.  Zie  Aenboort,  Aenboorte. 

AENBOORDEN,  zw.  WW.  bedr.  Zie  Aenboort 
en  Aenboorte.  Oude  rechtsterm,  vooral  in  Zee- 
land gebmikeiyk.  Naatten,  benaderen,  eigenlek  op 
grond  van  aangeborenschap  of  bloedvenoantscAap , 
bi|  uitbreiding  ook  op  andere  gronden.  ||  Of  die 
coopere  macht  ontfken ,  op  dat  siit  niet  en  begheren 
te  horen  of  taenboerden,  Oorkb.  2,  340a.  Waer 
oock  dat  zaecke,  dat  yemant  eenich  landt  in  dit 
voornoemde  landt  vercoopen  wilde,  dat  zonden 
wj  .  .  of  onse  naecommelingen  aenboorden  voor 
elcken  man,  waert  dat  onse  gevonch  ware,  Mieris 
2,  89tf  («.  1310). 

AENBOORT  (aenboert,  aenbort),  meest  ge- 
braikelijk  in  het  mv.  aenboerden ,  znw.  m.  Y an  het 
byw.  Aen  en  ge-boorte  (got.  ga-baurth-e,  dus  elg. 
ge-boorde ,  zie  ald.) ,  met  weglating  van  het  voorv.  ge- ; 
verg.  aanboor ling  en  inboorling.  Ook  aengeboerte  komt 
voor,  doch  in  anderen  zin  (zie  ald.).  Jangeborene, 
bloedverwant  of  maag,  die  aU  zoodanig  bij  verkoop  van 
vast  goed  het  recht  van  voorkeur  of  naasting  heeft, 
„also  hy  aen  den  genen  geboren  is,  die  dat  erve 
vercoopt"  (Matth.  112).  Verg.  het  volg.  art.  en 
Aengeboren.  II  Wat  portre  zin  erve  vercoeptbin 
40  daghen  nadien  dat  hi  de  ghifte  gevet,  moecht 
zine  aneborden  hebben  om  dat  zelve  gheld  dat  si 
vercoft  es;  waren  daneborden  buten  lande,  binnen 
40  daghen  nadien  dat  si  int  lant  comen,  moeghzi 
die  erve  lossen,  ende  de  vercopre  zal  sweren  zin 
aneborden,  hu  diere  dat  land  es  vercoft;  na  dien 
40  daghen  ne  hebben  die  aneborden  gheen  talen 
an  die  erve  .  .  Broederkind  ende  zusterkind  ende 
narre  die  z||n  aneborden ,  Oorkb.  1,  313^  {a.  1253). 
Wie  siin  arve  vercoopt  of  vercopen  wille ,  die  saelt 
drie  Sondaghen  ter  kercken  bieaen  voer  die  lieden , 
siinre  aenboerden  broedere,  sustere  ende  haerkin- 
deren,  oem,  moeyen  ende  haer  kinderen  van  beiden 
halven,  ende  niet  vordere;  als  drie  Sondaghen 
gheboden  es,  so  sal  die  scoutate  siin  aenboerden 
dach   legghen  in   die   weke   te   horen   den  coop, 


ende  den  copere  sinen  eet  te  doene,  als  die  coop 
ghemaect  was ,  ende  die  aenboerden  moetent  gheren 
te  horen  nomen  .  .  So  wie  lant  vercoopt  onghe- 
boden  ende  vergift,  sine  aenboerden  moghent 
binnen  jare  nemen  om  den  selven  coop  als  tlant 
vercocht  was.  Keur  v,  Zeeland  van  1290,  a.  90, 
in  Oorkb.  2,  339. 

AENBOORTE  (aenboerte,  aenborte,  aen- 
boirt,  ook  AENBOORDE,  aenboerde),  znw.  vr.  Vg. 
Aengeboorte.  Het  op  aangeborensehap  of  bloed- 
verwantschap {of  bij  uitbreiding  ook  op  andere  titels) 
gegronde  recht  van  voorkeur  of  naasting ,  hij  verkoop 
van  een  vast  goed,  later  ook  daderschap  geheeten. 
Bij  Kil.  Aen-boord,  Terg.  het  vorige  art.  en  Aen- 
boorden, alsmede  Ned,  Vdb.  op  Aanboord.  ||  Van 
aenboerden  in  Zeelandt.  Niemant,  die  in  Zeelandt 
woent ,  en  sal  hebben  aenboerte  van  eenigen  lande , 
en  si  dat  hi  binnen  ien  naesten  jare  ende  dage ,  na 
dien  dat  dat  lant  vercocht  wort,  sine  aenboorde  soke 
voor  des  graven  mannen  van  Hollandt  openbaer. 
Mieris  1 ,  SUb  (o.  1256 ;  vgl.  ald.  art.  75.  In 
den  latQnschen  tekst  beide  keren  aneborte  {art. 
91,  Mieris  1,  307* ,  art.  94,  Oorkb.  2,  25a).  — Ane 
dat  arve  mach  elc  man  sine  aenboerte  hebben, 
diet  sculdich  is  te  hebbene,  Priv.  v,  Brielle  2, 
26,  22.  Sullen  de  heeren  hebben  aenboirt  totter 
heerl^ckheyt  behoef . .  aen  alle  huysen  ende  gron- 
den van  erven  .  .  voer  allen  anderen,  aanh.  bij 
Noordewier,  Ned.  RO.  262. 

AENBOORTICH  (aenbortech),  -tige  of  -tege, 
bnw.  Ihor  aangeborenschap  gerechtigd  tot  benadering. 
Zie  Aenboort  en  Aenboorte.  ||  Dat  de  ghene, 
die  partie  ende  deel  souden  willen  hebben  in  de 
coopstat,  hem  habele  gemaect  ende  gefondeert 
hadden  als  hoyr,  naer  advenant  dat  hemanbortich 
ware,  Tractaet,  in  Taalgids^  9,  281. 

AENBRANDEN,  zw.  ww.  bedr.  Met  den  3den 
nv.  der  zaak.  Inbranden,  branden  in.  \\  Bruedere, 
weenen  wi  al  gemeene,  eer  wi  gangen  aldaer  die 
trane  den  lichame  branden  ane,  Sp.  II',  16,  30. 
Yinc:  ubi  lacimae  nostrae  corpora  nostra  combu- 
rant. 

AENBREKEN,  st.  ww.  bedr.  mnd.  anbreken. 
Breken,  verbreken, Ygl.  mnd.  de  helle  anbreken. 
II  Van  enen  appel boeme  vanden  welken  Adaem 
aenbrac  dat  ghebot  Gods,  Mandev.  3^. 

AENBRINGE,  znw.  m.  Hetzelfde  als  aenbringer, 
lat.  delator.  Hij  die  eene  zaak  in  rechten  aangeeft , 
voor  het  gerecht  brengt.  \\  Die  rechter  seyt:  „Den 
anbringhe  (/.  Die  anbringen?)  eyssche  ie  hier" 
ende  noemt  elck  by  z^nen  naem  ende  toenaem. 
Dan  comen  die  anbringen  an  der  werif  ende  die 
voersprake  seit  dan:  „Heer  rechter,  ist  u  lyeflT, 
dat  ie  trede  uyt  A.  voorn,  woerden  ende  come  in 
desen  (d.  i.  deser)  anbringhen  woerden?"  Dingt, 
V.  Amst.  11  vgl.  Heer  rechter,  hier  staen  deze 
anbringhen  ende  ie  in  horen  woerden,  12.  Men 
wijst ,  dat  die  acht  anbringen  loten  sullen  op  vier , 
12.  Waer  yemant  van  den  anbringhen  ghedaecht, 
die  niet  te  werflT  en  quame ,  daer  omme  en  sal  die 
claghe  niet  upstaen  {opgeschort  worden),  12.  Als 
die  anbringen  gheloet  hebben,  zoe  seit  die  voer- 
sprake,  13. 

AENBRINGE,  znw.  vr.  De  aangifte  zelve,  lat. 
delatio ,  hetzelfde  als  aenbrine  (z.  a.).  ||  Deze  an- 
bringhen .  .  begheren  een  vonnis,  hoe  zij  die 
anbringhe  doen  sullen.  Dingt,  v,  Amst,  12.  Zfjn 
naghelnaest ,  die  an  die  werve  is ,  sal  die  anbringhe 
voer  hem  doen,  12.  G heeft  den  anbringen  een 
vonnis ,  hoe  sij  die  anbringhe  doen  zullen ,  13. 

AENBRINGEN,  aenbrengen  {brachte  oi hochte, 


83 


AENB. 


AENB. 


84 


gebracht  of  ijehcochi)^  onrep^.  zw.  ww.  be«lr.  3Ind. 
atibringen .  lu  't  algemeen  dezelfde  beteekeiiis  als 
ons  oaHÖretiyeH ,  t.  w.  bij  iemand  of  bij  iets  brewjen , 
doch  in  verschillende  opvattingen,  die  de  hedeu- 
daagsche  taal  niet  kent. 

1)  Enen  — ,  iemand  etgetu  heen  brengen^  t.  w. 
bij  een  persoon,  die  wordt  aangewezen  door  een 
3aen  nv.  of  bij  een  voorwerp,  ingeleid  door  een 
voorz.  II  Ënde  gi  siten  sculdech  mi  te  vane  ende 
in  min  scip  te  l3ringen  ane ,  Lanc.  II ,  39499.  Doe 
brocht  men  hem  kinder  ane:  hi  benediedse  ende ghinc 
dane,  Rijmb.  24163.  Ënde  dune  bi  gracien  briugs 
Gode  ane,  i^.  II»,  10,  77.  Dat  wy  .  .  beloven  .  . 
Vranken  ende  Claeyse  zijnen  broeder,  leveude  of 
doot , . .  an  te  brynghene  in  de  zelve  vanghenesse 
ende  houdenesse,  daer  zy  nu  in  zijn,  Oorkb.  2, 
449a  (a.  1299). 

2)  Iet  — ,  iet»  met  zich  brengen ,  met  zich  voeren. 
II   Nochtan    heeft  dander  eens   bestaen  met  sinen 

geselle  ten  grave  te  gane,  daer  hi  die  kersse 
mede  brachte  ane,  Sp.  II*,  48,  28. 

3)  Enen  —  an  enedinc,of  met  den  3den 
nv.  der  zaak,  of  met  een  onb.  wijs  met  te ^  of 
met  een  bijzin  met  dat.  Iemand  ergens  toe  brengen. 

il  Dus  brachte  Mordret  al  die  lande  an,  dat  si 
an  hem  vielen  dan,  Lanc.  IV,  10325.  Maer  om 
sterven  no  om  leven  ne  conde  hyt  {dat  kint)  met 
ghenen  slane  an  dat  ambocht  bringhen  ane ,  Heim. 
1630.  Want  hem  onse  Here  brochte  an  te  volgene  . . 
der  ewangelien  vulmaecthede ,  Franc.  1024.  Dat  die 
joecht  den  jongen  man  der  quaetheit  also  brachte 
an,  .  .  80  dat  hi  liet  alle  goede  sede,  i^.  II', 
24,  lö. 

4)  Aan  een  geheel  een  nieuw  gedeelte  toebrengen , 
toevoegen.  ||  Die  Norichi  entie  Dalmaten  . .  brachte 
hi  den  Roemscen  rike  ane,  Sp.  !• ,  17, 17.  Die  veel 
landen  van  nacien  van  volc  aeubrochte  ter  croneu 
van  Vrancrijeke,  Pass.   W.  11  d. 

5)  Van  kleederen  of  wapenrusting  gezegd,  in 
tweeledige  opvatting: 

a)  Aan  het  lichaam  brengen ,  dus  aantrekken , 
aandoen.  \\  Eer  die  ridder  anbringen  conde  sinen 
halsberch ,  Lanc.  II ,  5450. 

b)  Aan  het  lijf  met  zich  voeren ,  dus  aanhebben , 
dragen.  \\  Ghi  soudt  u  hoeden  daer  ave,  dat  ghise 
{die  cleder)  niene  smettet  dan;  als  ghise  te  hove 
bracht  et  ane,  dat  si  dan  scoene  waren  ende  clare, 
Lsp.  III,  8,  16.  Wie  dat  dit  cleet  bringt  aen  es 
overal  wel  ontfaen,  Docir.  III,  269.  Si  brachten 
alle  die  wapen  an,  daerse  den  strijt  met  wonnen 
dan,  Velth.  IV,  43,  11.  Soe  arm. .  dat  si  cume  . . 
een  cledekijn  brochten  ane,  Brab.  Y.  IV,  120—124. 
—  Ook  van  het  voeren  van  een  wapen.  ||  Doe  die 
coninc  te  Ghent  inquam,  .  .  bracht  hi  an,  wel 
gevisiert  Vrancrike  ende  Engelant  gequartiert, 
Edew.  1053. 

6)  Enen  iet  — ,  van  eene  tijding  of  mededee- 
ling  gezegd:  ze  iemand  aanbrengen^  dus  berichten^ 
vielden\  ook,  als  thans,  van  de  aangiite  van  eenig 
feit  aan  het  gerecht,  de  overheid.  ||  Egesippus,  die 
heilege  man,  brinct  ons  dit  vor  waerheit  an,  Sp. 
1',  3,  95.  Als  ons  Matheus  bringet  an,  Rijmb. 
24849.  Van  hertoghen  Jans  weghen  wort,  van 
Beieren,  aenbracht  dese  tale,  dat  hi  enz.^  Brab. 
Y.  Vil,  938.  Die  anebrochtcn  met  haren  eeden, 
dat,  enz.  Rek.  v.  Zeel.  2,  307.  Wairt  dats  him  die 
gruter  niet  gheloven  en  wilde,  hy  en  haede  meer 
ghebrouwen  dan  hi  him  anebrochte,  V.d.  Wall  151 
ia.  1322).  Als  si  ons  mit  besceide  aengebrocht  heb- 
ben, 390  {a.  1404).  Hoc  dat  ons  anbrocht  es  by 
diversscben   persoonen..,   dat  enz.^  Vad.  Mus,  4, 


109  {a.  1438).  Dat  hen  hoir  voirvaeders ,  schepenen 
tot  Venraede,  aenbracht  hebben ,  dat  nyemant  gheen 
ghebot  oif  gheen  bedwanck  en  hevet  ouucr  die  ludc 
van  Oestrem,  Nijh.  4,  262.  —  Enen  logen  — , 
iemand  tangens  op  den  mouw  spelden^  maar  wat 
wijs  Vlaken.  ||  Doe  seidc  Dalila  tot  Sampson:  Gi 
hebt  mi  bedrogen  ende  logen  angebrocht,  B.  v. 
1357,  101a.  Waer  om  brenct  gi  mi  dus  logen  an, 
ald.  —  Ook  van  rekeningen,  aangifte  van  geleden 
schade,  enz.  ||  Scade  anebrengeu.  Mieris  2,  206Ó 
vijfmaal  {a.  1319).  Item  so  sijn  alrehande  partyen 
{posten)  bleven,  die  dese  voers.  heren  niet  betaelt 
en  hebben,  overmids  dat  mense  haren  ambachts- 
luden  niet  aenghebrocht  en  hevet,  Rek,  d.  Graf. 
3,  242. 

7)  Enen  iet  — ,  van  iets  kwaads  gezegd,  dat 
men  omtrent  hem  bericht  of  aangeeft^  dus  aan- 
tijgen^ te  laste  leggen.  \\  Ende  hevet  daer  gedaen 
voer  hem  sine  purgatie  saen  van  dat  hem  die 
quade  knechte  anebrochten  met  onrechte,  i^.  lil*, 
1,  113. 

8)  Iet  — ,  iets  instellen.  \\Wt\t  vastinc  bringen 
si  an,  Sp.  IV»,  43,  22  (Vinc:  Multa  ,  ,  facinnt 
ieiunia). 

9)  Iet  — ,  iets  bewerken ^  teweegbrengen.  \\  Dese 
kcyser  brachte  dat  ane ,  dat  menne  als  gode  anebede  , 
Sp.  II*,  1,  14.  Want  hi  wilde  dat  bringen  ane 
onder  die  kerstene  met  gewonde,  dat  men  die 
godheit  sceeden  soude  van  Gode  den  Vader  ende 
den  Sone,  II»,  31,  24.  Hoe  hi  selke  dinc  bringe 
ane  waer  bi  die  twee  heilege  lieden  .  .  verellent 
mogen  wesen,  II*,  60,  10. 

10)  Op  enen  iet  — ,  van  een  last  enz.,  hem 
dien  aanbrengen ,  dus  dien  op  hem  leggen.  \\  Als  dat 
ghenen  dijck  (nl.  het  onderhoud  er  van)  op  eenighen 
|)oorter  aenghebrocht  of  aengeset  sal  mogen  worden , 
V.  d.  Wall  38  {a.  1270),  Vgl.  aknsettkn. 

11)  In  jur.  zin.  Bij  gemeenschappelijk  bezit, 
dat  men  scheiden  wilde,  had  in  den  regel  degene 
die  het  grootste  aandeel  had ,  de  keus ,  of  hy  tegen 
eene  bepaalde  schatting  het  geheele  eigendom 
wenschte  te  bezitten,  zijn  deel  in  het  bezit  tot 
geheel  wilde  maken  ^  dan  wel  of  hfl  zyn  deel  door 
den  ander  wilde  zien  gekocht ,  zich  van  zijn  eigen- 
diym  wilde  ontdoen.  Het  eerste  heet  in  de  Enk- 
huizer  keuren  (waar  juist  hij  die  het  minste  aandeel 
heeft  in  het  gemeenschappelijk  bezit,  de  keus 
heeft)  den  anderen  afriden,  het  tweede  den 
anderen  aen  brengen  of  aenwerpen.  Vg. 
K.  en  O.  V.  Delft  94,  8,  en  de  in  de  Aant.  aan- 
gehaalde Briels'che  Keur.  Vg.  ook  aenvverpkn.  || 
Desgelijx  mach  hy  den  anderen  (dat.)  anbrengen 
weder  tot  desghenen  seggen,  die  daertoe  geordi- 
neret  sijn,  is  dat  sij  met  malkanderen  g^landet  sijn. 
Ende  saylant  mach  men  desgelijcks  aenbrengen,  bij 
gemeenschappelijk  bezit  ^  tegen  taxatieprijs  overdoen 
offte  ofriden,  tegen  tajratie  hetgeen  niet  zijn  eigen- 
dom is ,  overnemen ,   O.  K.  v.  Enkh,  21 ,  98  (vg.  99). 

12)  Enen  iet  — ,  van  eene  gezindheid,  stem- 
ming, handeling  of  gewoonte  gezegd;  hem  die 
aenbrengen  y  dus  ze  bij  hem  verwekken^  veroor- 
zaken^ bewerken y  hem  daartoe  brengen^  ze  hem 
ingeven  \  lat.  suggerere.  \\  Die  duyvel  hoer  leids- 
man die  hem  al  quaetheit  bracht«  an,  Merl.  3388. 
Want  men  mach  dat  proeven  wel,  dat  di  dese 
coringe  gevel,  dat  di  dat  niet  an  en  brachte 
roukeloosheit  van  gedachte,  Sp.  III»,  30,  19.  Dese 
forche  ende  dese  were  brochte  an  meerre  wille 
ende  gere  Vespasiane,  die  poort  te  winne,  Rijmb. 
28617.  Want  de  hoverde  brinct  hem  ane,  dat  hi 
hem    verheffen    moet,    Stoke   VII,  660.  L.  Temp- 


85 


AENB. 


AEND. 


86 


teret  dwijf  .  .  N,  Ic  brinct  liaer  best  an  bi  den 
serpente,  £lisc.  v,  M.  151.  Vele  Syten  brochti  ane, 
dat  8i  dat  heydijnscap  ontgingen,  Sp.  III*,  4, 
84.  Das  brochti  den  Jneden  ane  der  heidine  cos- 
tume  ende  zede,  Sp.  !•,  24,  12.  Ghierecheit  .  . 
bringet  ons  die  dorpernie  ane,  Sp,  I»,  73,  47. 
Dingel  brochten  enen  vaer  an,  III*,  47,  103.  Wat 
haer  tlachen  brochte  ane,  III',  15,  21.  Dat  (</a/7) 
hare  een  priester  anebrochte,  omdat  soe  also  geit 
winnen  mochte,  IV»,  41,  19.  Eest  dat  u  invallen 
onsavere  beelde  . .  overmits . .  aenbringen  des  viants , 
Raasbr.  3,  131. 

13)  Enen  iet  — ,  van  verschillende  zoo  aan- 
gename of  onaangename  dingen  die  iemand  ontvangt , 
enz.,  ze  he^n  toebrengen ^  bezorgen ^  toedienen.  \\ 
Ghi  hadt  der  werelt  bliscap  grot  anebracht,  die 
gi  na  versloecht,  Rincl.  1412.  Die  di  anebringt 
al  selc  verlies,  Sp.  II  '  ,  16,  92.  Die  hem  doepsel 
brachte  ane,  II»,  16,  68. 

AENBBINC  (aenbrenc),  znw.  m.  Zie  Aen- 
BRiNGE  (2e  Art.)  en  Aenbrengen.  Aangifte^  ook 
voor  het  gerecht.  ||  Ten  einde  van  den  jair,  als 
die  ghequetste  sijn  leemte  vrinnen  wil,  so  sel  hi 
betooch  brenghen  van  den  scepenen,  dat  hi  dien 
man  voir  ghenoemt  heeft  ende  syn  qnetsinghe 
ghetoocht,  also  voirscreven  is,  ende  gheen  an- 
brenc  dair  of  te  doen  ten  si  seepene  keulic,  dat 
hi  verleemt  is ,  Leid,  Keurb.  37 ,  17.  Enen 
bode  die  liep  in  Vrieslant  an  den  bailin,  om  1 
knaep  te  daghen,  die  ghecoren  was  tot  Aemstel- 
redamme  een  aenbrinc  te  doen  van  1  coerwonde, 
Bsk,  d.  Graf.  1,  362.  Die  selve  hooftmans  van 
cost,  die  zi  in  den  Haghe  uutleiden,  .  .  beliep 
die  cost  bi  horen  aenbrenc,  Bel.  v.  Leid.  201.  Die 
achten  (/.  achte)  poorteren  voorscreven  sullen  horen 
aenbrenc  den  Heeren  voirscreven  doen  tasschen  dit 
ende  beloken  Pynsteren,  238. 

AEND  ACHTE,  znw.  vr.,  gevolgd  door  den 
2den  nv.  Verg.  Aendenken.  Mnd.  Andackte. 

1)  Het  denken^  de  gedachte  aan  iets.  \\  O  suete 
Jhesa,  onnosel  lam  Gods,  in  wien  geen  vlecke 
oft  aendachte  der  sonden  en  is,  Boeek  v.  d.  L. 
J.  50c. 

2)  Aand€tcht^  opmerkzaamAeid.  ||  Is  die  saleghe 
siele  aldus  minneliken  geroepen  . . ,  so  doet  sy  op 
haer  oren  met  nerstiger  aendachten,  Hofk.  v. 
Dev.  2r. 

3)  Godvruchtige  overpeinzing^  hd.  andacht.  \\  Een 
maghet . .  in  haer  sijde  hebbende  een  grote  wonde 
bi  vele  jaren ,  te  weten  overmits  der  aendachten  der 
passien  Christi  ende  sijnre  wonden,  Ext.  Cron.d'ód. 

AENDACHTELIKE,  biiw.  Met  aandacht,  met 
oplettendheid ,  ijverig.  Mnd.  andachtUken.  \\  Een 
monic  die  hem  sonderlinghe  ende  andachtelic  gaf 
tot  sinte  Barbara  te  dienen.  Pats,  W.  115c.  Dat 
hi  hem  vlite  te  dienen  oetmoedelike  end  andach- 
telike,  D.  Orde  218. 

AENDACHTICH  (aenukchticii  ,  andegtig)  , 
-tige  of  -tege,  bnw.  Mnd.  andach tich. 

1)  Op  enen  — ,  aan  iemand  gedachtig.  \\  Also 
staet  Hi  gheheel  te  miner  hoede,  als  of  Hi  alle 
menschen  vergheten  hadde,  ende  allene  op  mi 
andachtich  ware.  Stemmen  32. 

2)  Ere  dinc  — ,  aan  iets  gedachtig,  indach- 
tig II  Ende  was  des  my rakels  altoes  aendachtich , 
Fass.  /r.  115//. 

3)  Eerbiedig,  vroom.  \\  Hi  wert  jegen  Gode  au- 
degtig  ende  wert  ane  sinen  wercken  oetmudeg  ende 
onderdeneg,  Limb,  Serm.  66^. —  Ook  als  titel  van 
geestelijken.  ||  Die  eerbere  onse  lieve  andcrhtige 
vreeuden ,   deken  ende  capittel  van  onser  kercken 


van  Zutpheu,  Nijh.  3,  194  {a.  1394).  Dien  eer- 
baren geisteliken,  onsen  lieven  andechtigen  heren 
Johanne  die  Wael,  ther  tijt  prior  der  canonike 
reguliere  binnen  Swolle,  276  {a.  1405). 

4)  Met  ere  dinc  — ,  met  iets  met  aandacht 
bezig.  \\  Soe  sinte  Barbara  .  .  mit  desen  ende  mit 
vele  anderen  ghebeden  aendachtich  ende  becom- 
mert  was,  Pass.  W.  dSd. 

AENDACHTICHEIT,  znw.  vr.  Mnd.  and/tchticheit. 

1)  Aandacht,  oplettendheid,  ijver.  ||  Dat  hi  .  . 
alzodane  dienre  winne,  den  die  anedachticheit  ende 
oetmoedicheit  daer  toe  brenghe  dat  si  den  zieken 
lieflike  ende  ghetrouwelike  dienen,  D.  Ord^  218. 
Buten  der  ghesatter  tijt  en  solen  die  broedere  doer 
andachticheit  der  kerken,  of  in  den  huus  .  .  niet 
barvoet  gaen,  240. 

2)  Godsdienstige  overpeinzing,  Vg.  AENDACiiTE 
3).  II  Medidatie  of  aendachticheit ,  Boeck  v,  d,  L. 
J.  50c  e.  e. 

AENDALEN,  zw.  ww.  onz.  Nederdalen,  dalende 
naderen.  \\  Want  een  bi  vresen  daer  ontscoet, 
die  cortelike  sach  albloet  seven  croenen  daer  dalen 
ane,  die  Moyses  ende  sine  ses  compane  scoene 
croenden,  S^p.  II*,  55,  71. 

AENDE ,  Zie  Ande. 

AENDEEL,  znw.  o.  mhd.  anteil,  mnd.  and^l. 
Een  bepaald  gedeelte ,  waarop  iemand  recht  heeft,  aan- 
deel, doch  in  onze  tgw.  taal  uitsluitend  met  t»  ver- 
bonden. II  Hi  moet  hoor  gheven  dat  aendeel  van  haren 
goede,  Mandev.  Mb.  Vgl  Ndl.  Wdb.  op  aandeel. 

AENDELEN,  zw.  ww.  onz.  Aandeel  hebben ,  deel 
hebben  in  of  aan  iets.  Vandaar  ons  znw.  aandeel.  \\ 
Dat  hi  trike  . .  sinen  neve  Valentiniane  mede  gaf  te 
deelne  ane,  Sp.  III* ,  20,  58.  —  In  den  zin  van  toe- 
deelen ,  eout.  v.  Antvo.  1 ,  346 :  dien  datse  {bona)  aen- 
ghedeylt  sijn. 

AENDELICH  (aendeelich),  -igeoï-ege,  bnw. 
.Met  het voorz.  fl^» :  Aendeelich  aen  enen,  tot 
iemands  aandeel  behoorende.  ||  By  dusdanen  weghe  . . 
mochten  vele  vrauwen  die  scoene  versterften  voer 
oghen  hebben  up  hopen  van  dien ,  hem  ontvremden 
van  haren  gheselscepe,  ende  dat  versteken  van 
deu  ghenen  daert  andeelieh  an  zoude  weseu  metten 
rechte  ,  Cout.  v.  Gent  596. 

AENDEN.  Zie  Axden. 

AENDENKEN  {aendachte  of  aendochte,  aenge- 
dacht  of  aenijedocht) ,  onscheidb.  onreg.  zw.  ww. 
bedr.  en  onz.  Mnd.  andenken^,  nnd.  andenken  (Koseg. 
1,  371).  Thans  als  ww.  verouderd,  maar  nog  als 
znw.  {het  aandenken)  in  gebruik. 

Bedr.  —  Oplettend  aan  iets  denken,  geden- 
ken, bedenken,  aandachtig  zijn  op.  ||  By  den 
goeden  patriarchen ,  die  aendochten  hoer  beghin , 
Hild.  67,  160.  Dese  bruat  laet  ons  aendenken 
ende  bidden  haer  seer  innichlijc.  Hor.  B.  10, 
88.  Aendenket  mijn  grote  pyn,  144,  verg.  210. 
Aendencken ,  horen  ende  verstaen  die  materien , 
die  voir  hem  te  vonnissen  comen,  Matth.  50. 
Ist  dat  ic  die  maniere  aendencke  zijnder  toe- 
coemst ,  Bern.  W,  16c.  Die  aendencke ,  dat  hi  noch 
niet  en  is  binnen  huys,  3lrf.  Wie  isser  .  .  die 
hem  niet  en  verscricket,  als  hi  dit  hoeret  ende 
aendencket,  84rf.  De  grote  oetmoedicheit  ons  heren, 
als  men  haer  te  rechte  aendochte,  153£^.  Aendenc 
mi,  Hs.  Ps.  54.  Aendenc  mijn  stemme,  161.  Aen- 
dencke die  stemme  mijns  gcbeets,  85.  Hi  aendachte 
mi ,  76.  Hi  heeft  aengedocht  mine  bedinge ,  65 , 
die  stemme  mijnre  bedinge,  70r.  Bidt  God  metten 
monde  ende  metter  herten  aendenckende ,  Ejtc.  Crpn, 
lUta.  Aldus  aendocht  hi  sine  rleynheit,  svn  armoédcv 
ende   syn   snoothcit,    Con.  Som.  170A.  '*- 


87 


AEND. 


AEND. 


88 


Onz.  —  Met  den  3den  nv.  Aan  iets  denken^ 
gedachtig  zijn  aan  iett.  \\  Die  aendencket  den 
woerden  des  propheten ,  Bern,  W,  42a.  Dat  si  niet 
andersins  en  leerden ,  noch  andenken  en  souden 
den  fabulen,  Ks,  76  /.  836.  —  Ook  absol.  als 
£nw.  gebruikt.  Aandacht^  opmerkzaamheid.  ||  Een 
overspeelsche  siel  die  dat  woert  sonder  aendenken 
hoert,  Sp.  d.  M.  1,  113rf. 

AENDENKENESSE  (aendenkenisse)  znw.  vr. 
Zie  Aendenken  en  Aendachte  3).  Godsdienstige 
overpeinzing.  \\  (Si)  hevet  den  anderen  tijt  .  . 
ghebruuct  .  .  totter  oefeninghe  ende  aendenckenisse 
der  heyligher  scriften,  Pass.  W,  240i?. 

AENDENKINGE,  enw.  vr.  Zie  Aendenken. 
Gedachte.  \\  Alle  ongeordineerde  begeerte  ende 
aendenkinge  ende  genoecht  mit  groten  eernste  te 
schuwen ,  Us.  80  /.  44^.  Dat  hy  oec  Gode  sinen 
^  vader  sculdich  waer  te  doen  in  aendenkinge  ghees- 
teliker  leringe ,  ƒ.  46{r. 

AENDIENEN,  zw.  ww.  bedr. 

1)  Toedienen^  voordienen  y  voorzetten.  \\  Overmits 
die  vruchtbaer  ende  eerweerdighe  passie  Christi  wert 
ons  zeer  overvloedelic  aengedieut  materie  alre  ghees- 
teliker  goede,  Ifed.  Froza  49.  Die  susteren  die 
van  den  oversten  daertoe  ordiniert  sijn  dat  sie 
aendienen  sullen,  300.  Al  wast  dat  men  u  broot 
ende  wijn  overvloedicb  andiende  ende  gaf,  gi  en 
wout  niet  eten  noch  drinken,  Gestn  Rom.  c.  106. 
Hi  heeft  angenomen  een  onverganckelic  lichaem, 
daer  bi  ons  in  aendyenen  woude  die  spijse  der 
ewiger  salicbeyt,  Bern.  W.  39rf.  Gulden  vaten 
daer  in  .  .  oec  den  armen  .  .  overvloedelike  in 
aengedieut  wert,  566.  Doe  hi  den  keiser  dat 
laeste  gerechte  andiende,  Seven  W.  73r.  Inden 
eersten  worden  dair  gepresenteert  ende  aengedieut 
dertien  gherechten,  Exc.  Cron.  226a. 

2)  Enen  iet  — ,  iemand  iets  toedienen,  ver- 
schaffen,  bezorgen,  verleenen.  ||  Die  den  sayer 
andient  dat  saet,  die  sal  oec  dat  broet  gheven  te 
eten ,  Hs.  76  /.  49<7.  Mi  die  noottrufte  au  te  dienen , 
f.  72a.  Hi  {die  hemelsche  bisscop)  dient  hem  dat 
ewighe  leven  an,  f.  1006.  Al  die  gbeen  die  ons 
die  beilighe  godlike  woerde  aendienen,  die  sijn 
wi  sculdich  te  eren  .  .  ,  als  die  ghene  die  ons 
aendienen  beyde  gheest  ende  leven  ,  J^jt.  87  ƒ.  101  £^. 
So  wie  dient ,  als  uter  doechden  ,  die  God  andient , 
Hs.  Ib  f.  1176  (I  Petr.  4,  11:  „ex  virtute  quam 
administrat  Deus.")  Enen  voersmaecke  gevoelen 
die  die  minne  die  god  selve  is  hem  overvloedelic 
hier  na  sal  aendienen ,  Sp.  d.  M.  1,  79a. 

3)  Enen  — ,  iemand  dienen.  \\  Ende  daer  om 
wast  dat  si  hem  soe  vriendelic  aendiende,  op  dat 
hi  niet  baetich  .  .  op  haren  soen  wesen  en  soude. 
Lijden  o.  H.  16.  Do  hi  in  sijnre  gheboerten  den 
wille  Gods  anghedient  hadde ,  starf  hi ,  Hs.  75  ƒ. 
149  {Acta  Ap.  13,  36:  „cum  administrasset 
voluntati  Dei"). 

AENDIENINGE,  znw.  vr.  Bediening,  ter  ver- 
taling van  lat.  administratio  en  ministerinm  (II 
Cor.  4 , 1 ;  8 ,  4) ,  in  de  Staten-vert.  op  beide  plaatsen 
door  bedieninge  vertaald.  ||  Wi  die  dese  andieninghe 
hebben  .  .  ,  en  laten  niet  of,  Hs.  75  /.  44c.  Die 
gracie  ende  die  mededelinghe  der  andieninghe ,  die 
in  den  vrienden  Godes  ghedaen  wort,  /.  48a. 

AENDIENRESCHE,  znw.  st.  vr.  Voordienster, 
benaming  der  kloosterzuster  aan  welke  de  zorg 
van  het  voordienen  der  spijzen  is  opgedragen.  || 
Oec  sullen  al  sulke  siecke  susteren  te  kennen 
je'^n  den  koek  of  der  aendienresche  van  hoerer 
;  r  siente ,  ende  sytten  by  malcanderen  op  een  stede 
-  dtfbr  to  ordiniert  van  den  oversten ,  buten  of  inder 


vasten,   op   dat  men  hem   bequeemliker  aendienen 
mach,  Ned.  Proza  300. 

AENDINGHEN,  zw.  ww.  bedr.  Uit  Aen  en 
Dingen,  voor  't  gerecht  spreken.  Terg.  Aentalen. 
Mud.  andingen. 

1)  Met  een  persoon,  bepaaldelijk  uitdrukkende 
de  eene  of  andere  overheid,  in  den  3den  nv.  en 
een  ww.  in  de  onb.  w^s  met  te.  Bij  de  wettige 
overheid  een  eisch  instellen  om  tot  de  eene  of 
andere  gerechtelijke  handeling  over  te  gaan  ,  vooral 
in  het  pandrecht,  tot  het  verkoopen  van  on- 
roerende goederen  voor  schuld.  ||  Item  soe  en 
sullen  die  burgermeesteren  der  stede  goeden  noch 
gheen  huysen  of  tilbair  haven ,  diemen  den  gerechte 
aendinget  te  vercopen ,  .  .  voirtan  niet  verhuyren 
noch  vercoopen  dan  op  werkedagen.  Leid.  Keurb. 
167,  49.  Wairt  saec  dat  hfj  dat  niet  en  dede,  soe 
sel  die  geen  diet  gebrec  heeft ,  den  burgermeesters 
mogen  andingen  dat  huys  ende  erve  te  vercopen, 
199,  25.  Wairt  saec  dat  die  scout  .  .  versumende 
wair  enige  kueren  te  rechten  van  visch  of  van 
vleysch,  so  souden  een  of  twee  van  den  poirt- 
meesters  hem  dat  aendingen  te  rechten,  230,  37, 
verg.  519,  5.  Ende  alsmen  den  burghemeisteren  dit 
andingen  sal,  dat  salmen  doen  ende  beginnen  den 
eersten  twie  poortdingen ,  O.  K.  r.  Del/t  1,21, 
32.  Wairt  datmen  binnen  den  voirsz.  12  weeken 
dat  huys  den  gerecht  niet  an  en  dinghede  te 
vercoopen ,  1 ,  23 ,  33.  Men  soudt  hem  mit  recht 
aendingen,  dat  hyt  sculdich  wair  te  doen,  Matth. 
197.  Soe  sullen  scepenen  wysen  uut  aendinghen 
van  den  clager  ende  tot  vermanen  van  den  scout, 
dat  hy  sal  procederen  .  .  tot  vercopinghe  van  den 
sel  ven  huysen,  O.  R.  v.  Dord.  137.  —  Ook  zonder 
den  3den  nv.  of  met  het  goed  als  subject  van  het 
lijdende  ww.  ||  Soe  wie  dat  pant  van  verleden  ren- 
ten an  yemants  huys  of  erve  binnen  Leyden  . . ,  die 
sel  binnen  12  weken,  nae  dat  hij  twie  pantbrieve 
heeft  op  dat  huys  ende  erve ,  .  .  dat  selve  huys 
ende  erve  andingen  te  vercopen  .  .  Wairt  dat  men 
binnen  die  voirs.  12  weken  thuys  niet  an  en  dingede 
te  vercopen.  Leid.  Kettrb.  207,  48.  Indien  die 
sculdenaire  alleen  onroerende  goeden  heeft,  zoe 
zullen  terstont  .  .  deselve  den  gerechte,  bij  het 
gerecht,  angedingt  worden  ende  alzoe  voorts  gepro- 
cedeert  tot  vercoopinge,  K.  en  O.  v.  Delft  31,  6. 

2)  Iemand  in  rechten  iets  toewijzen,  doch  steeds 
in  tegenstelling  tot  afdingen  (z.  ald.)  of  daarmede 
verbonden  gebruikt.  Vgl.  de  uitdr.  {overheden)  af 
ende  aeusetten,  af  ende  aendoen  en  afdoen 
4).  II  Die  core  {boete)  sal  staen  an  denghenen,  die 
zijn  hnysinghe  ende  erve  afghedinghet  worde;  mer 
worde  vemant  huysinghe  ende  erve  aenghedinghet, 
zo  soude  die  core  comen  an  denghenen,  dien  die  huy- 
singhe ende  erve  aenghedinget  worde,  ald.  Zo  wie 
dat  renten  hebben  wil  van  enigher  huysinge  ende 
erve  .  .  ,  die  men  yemande  mit  rechte  af-  of  ane- 
dinghede  ende  ghezet  worde  van  den  gherechte, 
die  soude  jaerlix  tot  den  ewighen  pachte  van  18 
penninge  hebben  te  renten  enen  penninc  vryes  gelts 
ende  zonder  enigherhande  afbrec,  O.  W.  v.  Amst. 
21,  17. 

AENDOEN  {dode  of  dede ,  gedaen) ,  onreg.  ww. 
bedr.  Mnd.  and^n. 

1)  De  hedendaagsche  beteekenis  Yan  aantrekken , 
als  in  sine  cleder  aendoen,  sinen  hals- 
berch  enz.  aendoen,  Parth.  1155,  7239;  JB(;iii6. 
2892,  6672,  18209,  18882;  Ferg.  460,  1072,  enz. 
Enen  sijn  harnasch  aendoen,  Rijmb.  9225, 
enz.  II  Doe  gaf  hi  mi  sijn  caproen,  ende  dat  so 
hieti  mi  andoen,  OFl.  Lied.  en  Ged.  288, 1614. — 


89 


AENÖ. 


AEND. 


do 


Hiertoe behooren  ook  de  spreekwazen:  6 ode  aeii- 
doen,  het  geestelijk  ordekleed  aannemen  en  daar- 
door zich  wijden  aan  den  dienst  van  Ood,  \\  Hi  plach 
te  segDe  sonder  waen  sint  hi  Gode  adde  angedaen , 
datti  des  plach  in  de  tijt,  datti  dronch  dat  leec  abyt, 
enz.j  Franc,  197.  —  Menscheit  aendoen,  de 
gedaante  van  mensch  aannemen,  ||  Die  yolmaecte  God 
yan  hoegen  dede  volmaecte  menscheit  an,  Sp,  11*^ 
23,  366.  —  Gracht  aendoen,  sich  met  kracht 
wapenen,  \\  Dn  selste  hier  moeten  comen  mit  groten 
arbeyde,  ist  nochtan  dattu  dy  craft  andoets,  Pass, 
W,  63*. 

Aanm.  Yelth.  YII ,  21,19:  Doe  wi  ane ,  het  es  tyt , 
haer  mogentheit  es  haer  abp,  is  eene  yerkeerde 
lezing,   yoor:    Doewi  ave  ,  .  hoer  m.  ende  haer  a. 

2)  Hem  aendoen,  algemeen  gesteld,  hetzy 
met  of  zonder  yermelding  yan  het  object,  d.  i.  klee- 
deren  of  wapenen.  Zich  kleeden,  zich  aantleeden, 
zich  wapenen.  \\  Die  ridderen,  knechten  ende  goede 
man  deden  hem  alle  snyerlic  an.  Die  heren  hem  (hier 
dat  sibi)  oick  andaden  hoer  beste  clenoden  ende 
gewaden,  Mloep  I,  2241.  Als  .  .  dese  nn we  ridder 
misse  hadde  gehoort,  was  daer  al  bereet  om  mit 
speren  te  steken:  ende  hi  dede  hem  aen,  Clere 
92.  —  In  het  yerl.  deelw.  aengedaen,  met 
of  zonder  bepaling,  gekleed  of  gewapend,  ||  Met 
dieren  clederen  anghedaen.  Nat.  BI.  II,  1188. 
Na  der  maeltijt  .  .  sach  men  die  heeren  aenge- 
daen, op  stercke  rosse  met  rassen  leden,  Brab,  Y, 
YI,  5173.  Dayid  was  aenghedaen  mit  een  blenc- 
kende  cleet,  B.  B.  1  Chron.  16,  27. 

3)  Enen  iet  aendoen,  iemand  iets  aan  het 
lijf  doen,  het  er  aan  vastmaken,  ||  Enen  steen  daden 
si  hare  an,  ende  woerpense  in  die  Tybre  dan, 
Sp.  II*,  7,  19. 

4)  Aanstellen  (tot  een  ambt),  alt^d  in  yerband 
met  het  tegengestelde  Afdoen  (zie  ald.),  afzet- 
ten, in  de  yereenigde  uitdrukking  Afdoen  ende 
aendoen,  of  wel  Af-  ende  aendoen.  Ygl.  af- 
dingen 2).  II  Daden  haer  bisscoppe  af  ende  an,  i^, 
I",  18, 15.  Ende  als  te  doene  sal  wesen  dan  den  hoefb- 
bisscop  af  ende  an,  I*,  18,  36.  Ende  gheyen  hem 
macht  yan  onsen  weghen  gheswoeme  te  make,  of 
ende  an  te  doene.  Mieris  2,  313a  (« 1323).  Soe  sul- 
len wl . .  elcs  sjairs  onse  scepenen  ende  raedslude  yan 
Dordrecht  afdoen  ende  yemieuwen  ende  weder  aen- 
doen die  ons  ghenoeghen,  Y.  d.  Wall  188.  Dese 
twee  manne  sal  men  altoos  kiesen,  andoen  ende 
oifdoen  by  den  gemeenen  geselscepe  yan  scepenen 
ende  raden,  197  (a,  1345). 

5)  Invoeren,  yan  excgsen  enz. ,  ook  slechts  in  y er- 
binding  met  het  tegengestelde  Afleggen  (zie  ald.) , 
d. i.  a/sehajèn,  in  de  yereenigde  uitdrukking  Af- 
leggen ende  aendoen.  ||  Yoorts  hebben  wy 
hen  gegeyen  dat  sy  haer  excysen  af  mogen  leggen 
ende  aendoen  als  sy  willen,  Mieris  2,  305^  (a. 
1323). 

6)  In  de  uitdr.  Ten  aendoene,  naar  dat  het 
noodig  is ,  naargelang  der  behoefte,  Yerg.  te  doene 
by  Doen.  ||  Pawelioene,  die  si  mochten  ten  andoene 
yan  ere  weide  ter  andre  dragen,  Rijmb,  974  (yar. 
te  haren  doene). 

AENDOENRE,  znw.  m.  Waarschgnlijk  de  be- 
naming yan  den  lakenbereider ,  tr,  apprêteur.  In 
twee  Bmsselsche  keuren  yan  1306  onder  andere 
ambachtslieden  genoemd.  ||  Linen  weyers,  fhitiers, 
aendoenres ,  timmerUde ,  Brab,  Y.  Dl.  1 ,  bl.  723. 
Yan  den  weyeren,  ende  yan  den  yolderen,  ende 
yan  yerweren ,  ende  yan  noppersen ,  ende  yan  scro- 
derssen,  ende  yan  den  kymmersen,  ende  yan  aen- 
doenderen,  D.  2,  bl.  725. 


AENDOESEL,  znw.  o.  Yan  aendoen  2).  Klee- 
ding. Ygl.  yoor  de  vorming  schoeisel.  \\  Waeromme 
es  dan  diin  andoesel  roet,  ende  dine  cleder  alse 
der  terdender  in  der  persen?  Hs.  v.  1348,  115* 
{Jesma  63,  2).  Al  mine  andoesele  hebbic  be- 
smet, ald. 

AENDONKEREN,  zw.  ww.  om.  Donker  worden. 
Yerg.  ons  aanlichten.  \\  Teerst  dat  te  hove  was  de 
mane,  begant  sere  donkeren  ane,  O VI.  Oed.  2, 
86,  981. 

AENDRAGEN  {droech,  droegen,  gedragen  of 
gedregen) ,  st.  ww.  bedr.  en  onz. ,  zelden  onscheidb. 
gebruikt.  Mnd.  and/ragen. 

I.  Bedrijvend. 

Met  een  persoon  als  onderwerp. 

1)  Dragen,  {aan  het  lijf),  van  kleederen,  wa- 
pens of  wapenen  gezegd.  Yerg.  aendoen,  aentreo 
ken ,  aenhebben.  In  het  mul.  zijn  dragen  en  aendragen 
zeer  juist  onderscheiden.  Men  droeeh  b.  v.  een 
mantel  op  den  arm,  als  men  dien  niet  om  Hl|jf 
had;  maar  men  droeeh  een  mantel,  rok  enz.  aen, 
d.  i.  cum  het  IQf.  |i  Yan  calfvellen  hi  anedroech 
enen  roe  cort  toten  knie,  Ferg,  302.  Ocht  dan  een 
gierech  tierant  anedraget  squ  diere  gewant.  Kerk. 
Cl,  98.  Ene  hare  hadde  Jan  yan  kerneis  hare, 
die  drouch  hi  an,  Sp,  V,  5,  11.  Ende  men  cleder 
draghet  an,  die  geyoechlnc  sijn  den  man,  Heim. 
1237.  Den  roe ,  die  die  heilege  man  menegen  dach 
gedregen  hadde  an,  Sp,  II',  32,  176.  Sal  ie  u 
scoen  andraghen,  Éein,  I,  2914.  Die  en  wit  cleet 
draghet  an ,  Nat,  Bl.  II ,  380.  Eenen  roe ,  dien  hi 
anedrouch,  Sp.  IIP,  51,  105.  Geetsyel  sullen 
si  dragen  an,  III*,  31,  39.  Die  niet  dan  enensac 
en  droeeh  an.  II",  61,  26.  Du  .  .  droeghes  oec 
sine  cleder  an,  Stoke  lY,  1187.  Ende  droeeh 
sgrayen  cleder  an,  YII,  191.  Dat  yolc  .  .  sal 
quade  cappen  dragen  ane,  Yelth.  YII,  32,  14. 
Wat  zouden  si  draghen  an?  Lsp.  I,  25,  112.  Die 
eerst  purpur  droeeh  an ,  1 ,  44 ,  9.  Gheleende  cleder 
te  draghene  an,  v.  d,  Wiven  69.  Die  draget  bonte 
cleider  ane,  D,  War,  7,  377,  24.  SQt  onachtsam 
van  uwen  abite  dat  ghi  anedraecht,  Buusbr.  4, 
109.  Yan  dinen  mantel  dien  du  drages  aen,  D.  B, 
Deut,  22,  12.  Zie  ook  Serv.  II,  1927;  Belg.  Mus, 
3,  211;  OVl,  Lied.  266;  Hor,  Belg,  2,  106;  enz. 
—  Yan  geslachtswapens.  ||  Snlke  wapene  draget  hi 
an,  Stoke  III,  667.  —  Yan  wapenrusting  of  strijd- 
wapenen. II  Daerom  sal  die  ridder  .  .  gouden 
sporen  andragen,  Sehaaksp,  26^.  En  was  noit 
arm  man,  die  sulke  wapen  droeeh  an,  Eleg, 
315.  Yan  wapen  en  wardic  nie  becant,  dat  dit 
yolxcken  anedroech,  Yelth.  lY,  2,  26.  Hi  en 
liet  noit  ghenen  man  sine  wapene  draghen  an, 
Brab.  Y.  Y,  131.  Ende  droeeh  al  an  sine  wa- 
pine,  Ferg.  1602.  Die  selken  halseberch  ane- 
droech, Yelth.  III,  32,  63.  Ant  pansier,  dattu 
droughes  an,  OVl,  Lied,  en  Ged,  419,  175.— -Bij 
uitbreiding  ook  yan  abstracte  zaken,  die  met 
een  kleed  worden  yergeleken.  ||  Si  hebben  lie- 
yer  beesten  ghedane  dan  menschelicheit  te  dra- 
ghene ane,  v,  d,  Wiven  73.  —  Ook  yan  andere 
zaken,  die  men  bij  zich  draagt.  Yergezeld  yan  den 
3den  ny.  des  persoons.  |i  Lettel  spisen  droeeh  hi 
hem  ane,  Sp.  W ,  40,  70.  Derdalf  broet  droeeh 
ie  mi  ane,  11^,  44,  25. — Hiertoe  behoort  ook  de 
uitdrukking:  Draghet  sine  nature  an,  indien 
zijne  natuur  dat  aan  zich  heeft,  dat  medebrengt^ 
Natuurk.  1369. 

2)  Enen   iet  — ,   yan   bezittingen,   rechten , 


91 


AEKD. 


AEND. 


92 


enz. ,  iemand  iets  opdragen ,  in  handen  stellen ,  over- 
geven, II  Amilliu8e  hebben  si  yerslegen,  eude  haren 
oudervader  angedregen  dat  lant,  want  sgn  wesen 
sonde,  Sp.  I>,  37,  37.  Andere  seiden,  dat  men  die 
have  der  kerken  beste  sonde  anedragen,  III',  43 
20.  Het  en  es  genoech  niet,  sprac  die  maget,  ten 
vollen,  dat  men  Gode  andraget  dat  enen  bliven 
mach  min  no  mere,  II*,  2,  26.  Want  here  (/.  dere, 
de  eer)  groot  wert  Aareliane  anegedregen,  II*,  38, 
ö.  Te  bant  so  beeft  gedregen  Juliaen ,  sijnbmeder, 
trike  hem  ane,  II»,  11,  82.  Beghin,  middel  ende 
ooc  dat  lest  dragbic  der  wet  met  allen  an,  O  VI. 
Lied.  en  Qed.  367,  1235. 

3)  Enen  iet  — ,  van  een  last  enz. ,  iemand 
iels  opdragen^  in  handen  geven ^  gelasten.  ||  Dat 
wi  .  .  aenghedraghen  hebben  onsen  lieven  ende 
ghetrouwen  scoute,  borgermeisters ,  scepene  ende 
rade  .  .  enen  dam  te  legghen,  V.  d.  Wall  320 
(fl.  1377). 

4)  Iet  — ,  iet^  {aan  zich  zehen)  opdragen ,  op 
sirh  nemen.  \\  Sie  dattu  geene  dinc  andrages,  die 
du  geleesten  niet  en  mages,  Sp.  I",  34,  163.  Hem 
dat  rike  aendragen,  Sp.  II*,  11,  82. 

5)  Hem  (dat.)  enen  of  hem  (ace.)  en  es  — , 
sich  iemand-  aantrekken  ,  zich  gel-egen  laten  zijn  aan.  \\ 
Cristns  wildese  hem  andraghen,  ende  heeftse  selve 
geleert ,  Wap.  Rog.  1036.  Ende  dat  ie  mi  van  nu  voort 
an . .  nemmermeer  harer  gheen  van  al  aendraghen 
noch  onderwinden  en  sal,  Brab.  Y.  VII,  10932. 

6)  Hem  ere  dinc  — ,  zich  iets  aantrekken , 
het  ter  harte  nemen ^  of  wel,  het  tot  zich  nemen ^ 
hef  zich  toeèigenen.  \\  Mi  ware  leet  dats  hem  an- 
dronghe  eenich  knecht,  of  des  antrake,  hine  ware 
besmet  met  alre  zake,  Lenkm.  3,  100,  172.  Al 
heeft  de  lampte  vele  renten,  ochte  de  portenerse, 
ochte  iemen  anders  dien  sijs  gheloeven,  des  en 
dragben  si  hen  niet  ane:  nochtan  verteeren  syt  al 
te  male,  Ruusbr.  2,  191.  Des  en  draecbt  hi  hem 
niet  aen,  mer  hi  gheeil  Gode  die  ere,  6,  239. 

7)  Enen  iet  — ,  iets  aan  iemand  toeschrijven , 
toekennen.  \\  Den  welken  si  dragben  ane  .  .  dinc 
die  hem  noit  en  gheschieden,  Lsp.  III,  15,  126. 
(Hine)  salt  siere  wijsheit  niet  andragen,  maer 
Gode  danken  diet  hem  gaf,  Melib.  1230*  var.  Ende 
hoe  dat  hi  die  viande  versloecb  die  wile  dat  hi 
Gode  aendroech  die  victorie  ende  die  eere.  Wrake 
I,  118.  Maer  souden  den  viant  draghen  aen  de 
miraclen  die  si  dede,  Christ.  686.  Dese  victorie 
mach  men  Gode  wel  andragen,  Sp.  IV',  33,  17. 
En  dragt  des  beilechs  geests  werc  den  quaden 
geest  niet  ane,  L.  v.  J.  c.  79.  Hem  ghescien  bi 
wilen,  overmits  den  viant,  die  dinghen  die  si 
begheren,  ende  dan  draghen  sijt  hare  heylicbeit 
ane,  Ruusbr.  6,  170.  Die  vroede  keyser  die  be- 
kende dat  hi  sterflijc  was,  soe  en  woude  hi  hem 
niet  aendraghen  enen  onsterflijcken  name,P/»j.  W. 
131//.  Aendraecht  den  here  glorie  ende  eer,  B.  v. 
1357,  133rf. 

8)  Enen  iet  — ,  iemand  iets  bezorgen ,  het  hem 
schenken j  geven,  of  wel,  het  hem  toezenden,  be- 
rokkenen. II  Darise  droechbi  grote  ere  ane,  als 
oft  siere  moeder  broeder  ware,  Rijmb.  17316.  Dat 
hem  allen,  diet  ansagen ,  Mochte  vast  gelove  andra- 
gen ,  Franc.  7831.  Dier  genaden ,  die  u  anghedraghen 
is  in  der  openbaringbe  Jhesu,^jr.  75  f.  114^.  lemen 
die  ons  strijt  anedraghe,  18922  var.  Dat  hi  ons 
in  coringhen  sta  bi,  die  ons  die  viant  nacht  ende 
dach  anedraecht,  Lsp.  II,  41,  165. 

9)  Hem  enen  — ,  zich  bij  iemand  rekenen ,  zich 
bij  hem  plaatsen.  ||  Wi  en  dorren  ons  niet  andraghen 
of  gheliken  den  sommighen,  die  hem  selven  prisen, 


Hs.    75  /.    50A    (II    Cor.  10,  12.   Vuig.  inserere, 
Staten-vert.  rekenen). 

II.  Onzijdig. 

Met  eene  zaak  als  onderwerp,  en  den  3den  nr. 
V.  d.  pers.  drukt  Aendragen  de  strekking  of 
richting  tot  een  bepaalden  persoon  of  zaak  uit, 
evenals  dragen  als  onz.  ww.  Het  beteekent  dan 
Aangaan,  betreffen,  vgl.  AENOAEN.  jj  Zo  wien 
dattet  aendraecht  of  aendraghen  mach,  Nyh.  3, 
184  (a.  1393).  Also  verre  alst  ons  enichssins  an- 
draicht  of  andragen  mach ,  Mieris  4 ,  10756  (a.  1436). 
Alre  onredelijcke  pointen  die  ons  ende  elcke  be- 
sonder aendragen  moghen,  V.  d.  Wall  530  («.  1437). 
Gi  snit  desen  spiegel  dicke  oversien ,  ende  proeven 
of  hier  yet  in  staet  dat  u  aendraget.  Biechtspiegel 
(Hs.  te  Schtoerin)  f.  65.  Verg.  nog  Stadsr.  v.  Zwolle 
124,  208;  168, 327,  enz.  —  Vooral  in  het  deelw.  aen- 
dragende,  rakende,  betreffende,  aangaande.  \\ 
Schulden  of  misdaeden ,  boer  persoonen  alleen  an- 
dragende,  Harderto.  2,  41  (vgl.  V.  d.  Wall  622). 
Brieve  ofte  scriften,  der  stat  van  Utrecht  aen- 
dragende,  R.  v.  JJtr.  332,  8.  Die  zaken  .  .  ,  aan- 
dragende den  ghenen  daer  hij  zQn  ampt  of  voert , 
341 ,227.  Tot  enigen  zaken  onser  stat  off  partyen 
aendragende,  342,  228.  In  redeliken  saken,  der 
stadt  ende  gherechte  voerseyt  aendragende ,  357,  7. 

2)  Zich  bemoeien,  als  znw.  gebr.  inmenging,  Vg. 
Bedr.  5)  ||  Dat  wy  God  sgn  werc  lieten  werken, 
boe  ende  wat  hy  woude,  sonder  enich  andraghen, 
ende  dat  wy  waren  als  een  ledich  instrument, 
Brugm.  1,  283;  zoo  ook  Vevoet.  B.  (30)  79r  (aan 
Brugm.  ontleend). 

Aanm.  Andragen  {Lib.  Alb.  52)  is  eene  ver- 
keerde lezing  voor  an'* dragen  d.  i.  overdragen, 
overeenkomen  (R.  v.  ütr.  62  heeft  op  de  overeen- 
komstige plaats  overdragen). 

AENDRAVEN,  zw.  ww.  onz.,  met  den  3den 
nv.  Enen  — ,  op  iemand  aandraven,  jj  Doe  qua- 
men  hem  ridende  beneven  lieden,  die  hem  vaste 
andraven,  Sp.  III»,  44,  78. 

AENDREFFEN,  zw.  ww.  bedr.  half  Neder-,  hal r 
Opperduitsche  vorm  voor  andrepen  of  antreffen  (z. 
ald.).  Betreffen,  raken.  ||  Saecken,  oer  ampt  an- 
dreffende,  R.  v.  Zutf.  118,  25. 

AENDREPEN,  st.  ww.  bedr.  en  onz.,  de  Neder- 
duitsche ,  bij  ons  slechts  in  duitsch  gekleurde  schrif- 
ten voorkomende  vorm  van  aentreffen.  De  verbogen 
vormen  komen  niet  voor ,  maar  moeten ,  te  oordeelen 
naar  het  ags.,  oorspronkelijk  drap,  drapen,  gedr epen 
geluid  hebben.  Mnd.  andrapen,  andrepen  (vgl.  Lubben 
1 ,  572  op  d  r  e  p  e  n) ;  nnd.  andrapen,  andrepen  (Koseg. 
1,  390;  Stürenburg  5;  Schambach  9);  Teuth.  An- 
drepen, berneren,  antreffen,  concemere , 
tangere,  contingere.  Verg.  Drepen  en  De  Vries, 
Mnl.  Wdb.  62. 

Bedr.  —  Raken,  aangaan,  betreffen.  Yevg.  AE}i- 
TREFFEN.  ||  Mit  swaire  clagen,  andrepende  ur 
lijff,  ere  ind  guet,  Nijh.  4,  125  {a.  1436)..  Zie  de 
aant.  aldaar,  en  verg.  Lubben  1,  84. 

Onz.  —  Ergens  geraken,  in  zeker  vaarwater  ko- 
men, aanlanden.  Verg.  hd.  eintr effen.  ||  Ghi  sult^ït 
wael  an  laten  drepen  ende  seylen  als  ghi  hebt 
den  wint,  dair  ghgt  rechte  diep  wael  kint,  Mhep 
I,  1856,  d.  i.  y^gij  zult  het  {minnebootje)  teel  in 
zoodanig  vaarwater  doen  komen,  daar  het  goed  diep 
is,  en  gij  goed  zeilen  knnt. 

AENDRINGEN  (dranc,  drongen,  gedrongen) ,  si. 
WW.  onz.  Voorwaarts  dringen.  \\  Tlachen  doet  wa- 
penen wal  den  man  ende  doeten  dringen  daer  bet 


93 


AEND. 


A.EKG. 


U 


an,  daer  men  wal  met  wapen  doet,  J).  War,  9, 
157,  4,  15.  —  Men  zou  ook  an  met  bet  kunnen 
verbinden,  (zie  bet)  en  dringen  als  het  ww.  be- 
flchouwen. 

AENDRIVEN  {dreef  ^  dreven ,  aengedrecen  en 
aendreven) ,    st.ww.  bedr. 

1)  Drijven,  brengen.  \\  Dese  woerde  dreven  men- 
ghen  man  van  blytscap  tot  sorghen  an,  Troyen 
ƒ.  2314. 

2)  Enen  iet  — ,  iemand  iets  (een  last,  ver- 
plichting, enz.)  opdtüingeny  opleggen,  aandoen,  || 
Sondewi  tribuet  te  Rome  geven ,  die  ons  met  crachte 
was  angedreven?  Lanc.  IV,  9775;  Sp.  III*,  51, 
31.  So  dat  men  hem  anedreef  so  swaren  pine, 
daer  hl  in  bleef  ghedoechsam  ende  van  siune 
blide,  Sp,  II',  46,  57.  Hem  die  di  die  persse 
andrivet,  die  u  zoo  in  het  nauw  bt'engt,  Rijvtb, 
13191.  Soo  wie  een  arve  wederroepen  wil . . ,  die 
sal  geven  den  schout  een  pont,  den  gerechte  een 
pont  ende  den  geenen,  diet  andreven  wordt,  een 
pont,  O.  K.  V.  Enkh,  20,  a.  96. 

AENDÜWEN,  zw.  ww.  bedr.  Van  kleederen. 
Met  geweld  aandoen,  ||  Die  dat  doet  uut  sul  ken 
gheer,  dier  is  also  veel  om  hoir  eer,  als  der 
gheenre,  die  hoir  man  sijn  cleder  mit  stocken 
duwet  an,  Mloep  IV,  1848  (var.  doet  an), 

AENDWINGEN  (dicanc,  dwongen,  gedwongen), 
st.  WW.  bedr. 

1)  Aansnoeren,  aanhechteti,  vastbinden.  ||  Ende 
si  andwongense  mitten  blaenwen  miter,  J).  B. 
Exod.  39 ,  31.  Vuig.  itrinxe'runt.  Statenb.  hech te- 
den  daar  oen. 

2)  Iemand  dwingen  iets  te  doen ,  tot  iets  dwingen.  \\ 
Als   si   hadden   gemaect    cont    haer   namen,   haer 
ambacht,    niet    met    danc,    also    als  hen  die  sant 
andwanc,  Sp.  IV,  38,  26.  Omme  hare  tedwingene 
ane  dat  si  dat  heelde  anebede,  II',  28,  102. 

3)  Enen  iet  — ,  iemand  dwingen  iets  aan  te 
nemen,  het  hem  opdwingen ,  hem  dwingen  tot.  ||  Den 
kinde  sal  men  doget  andwingen,  Sp.  II',  87,  31. 
Dat  hi  den  hertoghe  brachte  in  dien,  dat  hi  die 
manscap  Hete  achterbliven  ende  te  niete,  die  hi 
ons  wilt  anedwingen,  Orimb.  1,  1826. 

AENEESCEN  (aeneiscen),  zw.  ww.  bedr. 
Eischen  te  Icomen,  opeischen,  oproepen.  \\\)\e  sevene 
aeneyschen  ende  laeten  hem  oeren  eet  doen ,  Overijs. 
Recht.  II»,  23. 

AENEIGENEN,  zw.  ww.  bedr.  Met  den  3den 
nv.  des  persoons.  Enen  iet  aeneigenen, 
iemand  iets  bij  gerechtelijk  vonnis  als  eigendom 
toewijzen.  ||  Voert  sel  die  rechter  mit  drie  schepe- 
nen ommeghaen,  elcx  ander  daghes  na  den  dinc- 
daghe,  in  te  panden  elcke  man  dies  begheert  van 
sijnre  lijfscoudt  g^ede  pande,  die  hij  soude  houden 
of  sel  houden  veertien  dagen ,  dan  sel  mense  hem 
aeneygenen  den  derden  penning  meer,  O.  K.  v.  Delft 
I,  4,  11.  Wairt  sake,  dat  yemant  binnen  den  stede 
van  Delf  enjghe  huysinghe,  erve  of  hofstede  cofte, 
die  anghepacht  of  angheëygheut  worde,  dair  hij 
te  voren  enyge  renten  of  pachte  op  gehadt  hadde, 
soe  dat  den  eyghendom  van  den  huysen  of  erven  . 
verenicht  worden  mitten  renthen  ofte  pachten,  soe 
sal  die  selve  huysinghe,  erve  of  hofstede  mitten 
coope  voirsz.  gevrydt  wesen  ende  blyven  van  den 
renthen  ende  pachten ,  die  de  voirsz.  coper  dair  te 
voren  up  hadde,  I,  20,  30.  Soe  wie  voirt  an 
eenich  roerende  guedt  mit  recht  angepacht  of  an- 
gheeygent  wordt,  die  en  sal  dat  gnet  nietlangher 
laten  staen  in  den  huysen,  diet  ofgepacht  is,  dan 
«es  weeken,  I,  25,  39.  Zoo  ook  K.  en  O.  v.  Delft 
39,  3;  4;  40,  5;  6;  7;  45,  13.   Vg.  afkioenen. 


AENERVEN  (aenarvknJ,  deelw.  aengeërvet  en 
aenervet,  zw.  ww.  onz.  en  bedr.  Verg.  Erven  en 
zie   Taal'  en  Ltb.  IV,  104  y^g.  Mnd.  anerven. 

Onz.  —  Met  den  3den  nv.  des  persoons.  Enen  — , 
door  erfenis  op  iemand  overgaan  en  zijn  eigendom 
worden,  aan  iemand  als  erfgoed  ten  d^el  vallen. 
II  Alse  die  meeste  here  soude  sterven,  sijn  goet 
dat  soude  aneerven  sinen  sone,  die  niet  was 
groot,  Sp.  I',  77,  6.  God  en  willes  niet  gehin- 
gen ,  .  .  want  di  dese  werelt  sal  erven  an ,  dattn 
souds  slaen  enen  ouden  man,  Al^x.  V,  386  (in  de 
uitg.  van  Snellaert  ten  onrechte  aenernen).  Ren- 
ten .  .  ,  die  hoir  anegheërvetziin  van  hare  moeder. 
Mieris  2,  3614  (a,  1325).  Renten  .  .  die  wi  ende 
onse  erfname  hebben  souden  uten  tollen  te  Gheer- 
vliet  ende  te  Ammers,  ende  ons  Jutte  voirsz. 
aneghearft  sien  van  Veren  Margrieten  .  .  onser 
ouder  moeder,  2,  363«  {a.  1325).  Zo  wie  hem 
gheneren  wil  aen  enigheu  ambochten,  dat  ghilde 
heeft ,  diet  nyet  aengheërft  en  is ,  die  zellent  win- 
nen, 2,  394  {a.  1304).  Sulkeu  guede  als  oer  aen- 
gekomen  ende  aengeerft  were,  Nijh.  3,  295  {a, 
1409).  Guet  .  .  dat  hem  angheervet  were,  Overijs, 
Recht  I ' ,  10.  Overmits  welken  persoen  die  erfnisse 
voirs.  den  cloester  voirs.  aengeerft  were,  I',  100. 
Dat  derde  deel  van  den  gericht  van  Selwert,  dat 
hy  had  van  synen  vader  .  .  ende  hem  aengeërvet 
was ,  Matth.  Anal.  1 ,  76.  Ten  was  hem  oock  niet 
noch  van  vader  noch  van  moeder  verstorven ,  noch 
van  sQuen  geslachte  aengheërft,  Iluge  v.  B.  49. 
Seghede  oec  die  vrouwe,  dat  er  guet  anervet 
were,  R.  v.  Zutf,  58,  39. 

Bedr.  —  1)  Met  den  3den  nv.  des  persoons  en 
den  4den  nv.  der  zaak.  Enen  iet  — ,  iemand 
door  erflating  in  het  bezit  stellen  van  iets ,  hem  er 
erfgenaam  van  maken.  \\  Hine  hevet  liever  an  te 
erven  groet  goet  de  naer  hem  comen ,  al  eist  luttel 
tsinen  vromen,  Stoke  VI,  1090.  Alsulker erfnisse , 
gueden  ende  lude,  als  my  mijn  alderen  aengheërft 
hebben,  Nijh.  3,  80  («.  1379).  Wyen  van  den  Sonde 
off  van  oestwart  ghuet  bynnen  onser  stat  aenghe- 
ervet  wordt,  daer  zoelen  die  kerken  den  tyenden 
penningh  van  hebben ,  Overijs,  Recht  I ' ,  98.  Alsulck 
g^et  ende  erfnisse  . .  als  den  in  enigher  wgs  daerna 
in  der  stat  .  .  angheervet  mochte  werden,  Stadr, 
v.  ZwolU  140,  234.  Luden,  die  selve  niet  en  woe- 
keren ,  mer  dat  hem  hare  ouders  aengheërft  hebben 
ende  met  woeckeren  ghewonnen  is,  dat  houden  si 
sonder  wederkeren ,  lied.  Proza  158  {Con.  Som.  244). 
2)  Met  den  4den  nv.  des  persoons.  Enen  — , 
iemand  erfgenaam  Tnaken.  \\  Off  sy  ter  syden  angeerft 
wurde,  Nijh.  4,  9  («.  1423). 

AENGAEN  (gaet,  geet,  geit;  ginc,  gingen,  ge- 
gaen),  st.  ww.  onz.  en  bedr.  Mnd.  angdn.  Verg. 
Aengangen. 

I.  Onzijdig. 

1)  Gaan  {naar  een  bepaald  doel),  heengaan,  zich 
begeven  naar.  ||  Ten  lande  van  Surs  ghinc  hi  ane, 
Rijmb.  23716.  Ende  ghingen  te  Wichvliet  an, 
ende  voer  vort  te  Remerswale,  Stoke  X,  980. 

2)  Oaan  {in  de  richting  van  iets) ,  voortgaan , 
naderen,  jj  Slecken,  die  wi  sien  haer  sel  ven  treek  en 
ende  traghelike  angaen,  Nai.  BI.  VII,  654.  Die 
gravinne  doe  aneghinc  ende  ghinc  sitten  in  den 
rinc,  Limb.  I,  2039.  Ganc  vri  an  ende  clim  in  mi 
{boom)  ende  nem  datti  gelieft,  Dial.  Oreat.  24tf. 
O  Heer  coninc,  ganc  vry  an,  264.  (Men  kan  op 
de  beide  laatste  plaatsen  aen  gaen  ook  opvatten 
als  zijn  gang  gaan.) 


95 


AENG. 


AENG. 


96 


3)  Aan  den  gang  gaan^  aanvangen^  beginnen  (te 
zijn),  Vgl.  onze  uitdr.  de  kerk^  de  ichool  gaat 
aan.  II  £n  hadde  die  nacht  niet  anegegaen ,  Karel 
hadde  verloren  tfelt,  Lorr,  II,  934.  Dierste  boec 
die  geet  an  daer  dese  veede  eerst  began,  II,  21. 
Ende  sliepen  tot  die  dach  ginc  ane,  Lane,  III, 
25744.  Savons  alse  die  nacht  ginc  an,  lY,  694. 
Nu  ffaet  ons  {voor  om)  ane  die  wjle ,  dat  wy  doot 
wouden  wesen,  T^oyen  6903.  Manleecheit  es  ene 
etaet,  die  ten  36  jaer  anegaet,  Nat.  BL  I,  49. 
Omme  dat  angaet  die  hitte,  die  den  ogheste  be- 
staet,  III,  3323.  Als  tconde  angaet,  Yll,  16.  Als 
haer  ende  angaet,  legghen  si  dan  haer  saet  in 
lo veren  ende  sterven  dan ,  Y II ,  644.  Dat  Roomsche 
rike  gaet  hier  an,  Rijmb.  20579.  Rechts  alse 
aneginc  die  dach,  Sp.  III*,  40,  6.  Die  dageraet 
ginc  an,  III* ,  60,  49.  Daer  die  jeesten  anegaen, 
III*,  23,  22.  Die  derde  boec  gaet  hier  ane, 
Lip,  III.  ProL  Den  Salm  . . . ,  die  y^Deut  in  adju- 
tmiuvC^  aengeet,  Lutg,  II,  841,  verg,  1488.  By 
Helina . . . ,  daer  die  Galileische  see  angaet ,  Yelth. 
I,  14,  1.  Sedert  dat  anegync  de  dach,  Stoke  I, 
314.  Nn  gaet  hier  an  rouwe  ende  vaer,  II,  707. 
Hier  gaet  nu  een  orloghe  an ,  lAmb.  IX ,  227.  Dat 
die  heerlicheyt  van  Yemoen  aengaet  mitten  westeren 
eynde  in  dat  grondeloesen  mereken,  Mieris  2, 
142  b  {a.  1314).  Welke  vrede  aengaen  sal  ende 
aengheet  op  huden,  Nijh.  3,  297  («.  1409).—  Yrg 

Sleonastisch  luidt :  Sint  dat  eerst  begontte  anegaen 
ese  werelt  van  beghinne,  Rijmb.  30586.  —  Ook  in 
verband  met  het  tegengestelde  Afgaen  (zieald.), 
in  de  vereenigde  uitdrukking  Af-  ende  aengaen, 
ophouden  en  beginnen.  \\  Dat  hi  niet  en  wiste  al 
dat  er  toe  behoerde  ende  waert  af  ende  anginghe , 
Oends  Chtb.  20.  —  Als  znw.,  in  de  uitdrukking:  Ten 
aengane,  ten  beginne^  om  te  beginnen,  allereerst. 
II  Hoert  hier  wonder  ten  anegane,  Nat.  BI,  Y, 
386. 

4)  Aan  den  gang  gaan  met  versterkte  kracht, 
voortgaan,  te  werk  gaan.  jj  Men  salre  bliden 
maken  sterke,  ende  anegaen  met  groten  werke, 
Stoke  YI,  141.  Soe  men  quade  wijf  meer  slaet, 
Hoe  haer  quade  wille  meer  angaet,  Ltp.  III,  9, 
81.  Had  ie  bi  mate  nu  gemint!...  maar  neen,  ie 
ginc  80  haestelic  an,  Mloep  I,  2082—86. 

6)  Met  den  3den  nv.  Aangaan,  behooren  tot,  in 
betrekking  staan  {of  komen)  tot. 

a)  Met  een  persoon  als  onderwerp.  Behooren  tot, 
in  betrekking  staan  {of  komen)  tot  (iemand  of  iets). 

II  Ie  meene  den  paues  . . .  ende  die  den  hove 
anegaen,  Vad.  Mus,  4,  74,  403.  Die  haer  van 
maechscape  gingen  an ,  1 ,  69 ,  40.  Die  der  sake 
anegaet,  si  sal  ons  gheven  den  besten  raet,  Belg, 
Mus.  1 ,  333 ,  266. 

b)  Met  een  persoon  als  onderwerp.  Iemands 
partij  kiezen,  zijne  zaak  omhelzen,  tot  hem  over- 
gaan, iemand  volgen.  ||  Nochtan,  wille  hi  ons  an- 
gaen,  wi  sullen  hem  gehelpen  das,  <S^.  III*,  35, 68. 
Den  keyser  daden  sijt  wel  verstaen,  dat  sijs  (des 
expletief  gebruikt,  Ygl.  8p.  II*,  34,  24  en  afgaen) 
Martinen  Gode  anegaen ,  II* ,  12 ,  61.  —  Met  wegla- 
ting van  den  3den  nv.  des  persoons,  ook  absoluut 
gebezigd.  ||  Dus  gingen  si  an ,  ende  alse  onse  Here 
dit  versach ,  dattem  tfolc  dus  anelach ,  es  hi  up  eenen 
berch  gheseten ,  ^.  I' ,  9 ,  38.  Ie  sal  geloven  dor 
dese  dingen  an  uwen  God  ende  kersten  bliven ,  ende 
mine  manne  ende  haer  wiven  sullen  selfs  anegaen , 
Flandr,  I,  276. 

c)  Met  eene  zaak  als  onderwerp.  Aangaan, 
betreffen,  raken,  behooren  tot,  in  betrekking  staan 
tot.   II    Want  si  {die  feesten)  ter  ouder  wet  bestaen 


ende  onser  wet  niet  an  ne  gaen,  Rijmb,  6261. 
Dbegin,  dat  salecheit  angaet,  dats  dat  een  kenne 
sine  mesdaet,  <S^.  I*,  31,  46.  Dat  enech  man  dede 
dorper  dinc,  die  der  crunen  aneginc,  III',  4,  26. 
Ende  berechte  alle  die  dinc,  die  ten  orloge  ane- 
ginc, III*,  87,  49.  Wat  gaets  u  an?  Mask,  41. 
Menich  point,  wildyt  verstaen,  die  eersamen  leven 
anegaen,  Lsp.  III,  26,  71.  Dits  doerdene  daertal 
aen  steet  dat  der  werelt  anegheet,  Teest.  3394. 
Wel  versien  van  allen  dinghen ,  die  alselker  borch 
aneghinghen,  Braö.  Y,  Y,  1917.  Dese  prologhe 
hebbic  gheseit  om  dat  so  eleken  mensche  angheyt, 
Amand  I,  2781.  Eene  parabole  die  ons  an  moet 
gaen ,  II ,  6271.  Waer  dat  sake ,  dat  orloghe  uphoeve 
jeghen  enighen  here,  dat  den  lande  aneghenghe 
of  den  here,  Np.  1,  177  («.  1318^).  Yoor  dat  ie 
u  mjjn  sake  gegeven  hebbe,  dye  u  lyf  ende  leven 
aengaen ,  Exc.  Cron.  2Ud.  Zoo  ook  <S^.  II*,  30, 22. 

6)  Met  den  3den  nv.  Enen  — ,  aan  of  tot 
iemand  komen  (of  gekomen  zijn) ,  als  aandeel,  dus : 
ten  deel  vallen,  toekomen,  toebehooren,  ||  Tkeyserrike, 
dat  die  van  rechten  oire  es  angegaan,  Sp,  lY'  , 
62,  88.  Dien  tlaut  van  Beruch  ginc  an,  IY*,24, 
16.  Wat  den  papen  anegaet  ende  wat  den  lantsheren 
bestaet,  III*,  6,  6.  Grote  heerscap  geet  uan  ende 
grote  mogenthede,  Lorr,  II,  2416. 

7)  Met  den  3den  nv.  van  den  persoon  of  de  zaak. 
Tot  iemand  of  iets  gaan,  naderen, 

a)  Met  een  persoon  als  onderwerp ,  of  eene  zaak 
by  persoonsverbeelding. 

a)  Met  den  3den  nv.  des  persoons.  Enen  — , 
tot  iemand  gaan ,  hem  naderen ,  aanklampen ,  en  wel : 

1».  Met  woorden,  en  dus:  Aanspreken,  hetzij 
zacht  en  vleiend,  hetzij  scherp  en  dreigend,  maar 
altijd  met  het  doel  om  iets  te  verkrijgen.  \\  Ghi 
gaet  mi  so  soetelyc  aen  met  scoenre  soeter  sprake, 
Melib,  2583.  Enae  geet  hem  met  smekene  ane. 
Rosé  13781.  Dan  geet  soe  hem  weder  met  cussene 
ane,  13887.  Ende  ghinc  hem  ane,  dat  si  hem 
gaven  up  te  vane.  Rosé  {Cf)  13821.  Ende  ginc  hem 
wgslijc  an,  ende  began  hem  seggen  ende  leeren, 
Edew.  1838.  Dat  onse  w^f  de  conincginne  .  . 
aneginc  met  hare  bede,  Stoke  I,  411.  Ende  ghinc 
de  van  Barsele  ane,  dat  hise  broehte  in  sQnre 
bane,  YII,  23.  Hem,  die  mi  vore  hadde  berecht, 
ghinghie  ane  met  talen  echt,  Brab.  T,  II,  43S2. 
Dattu  Gode  angaes  met  love,  Sp.  III',  40,  48. 
(Hi)  ginc  hem  mit  geloften  an,  Mloep  II,  2742. 
Die  hem  aneghine  met  feilen  dingen ,  met  woerden 
ende  met  tormenten  groot,  1^,  W,  16,  78.  Die 
meester  was  een  stuer  man,  ende  ginc  den  kinde 
herdelijc  an,  Lsp.  II,  30,  9.  Hi  ginc  hem  eerst 
met  worden  an,  daer  na  geseldi  den  man.  Franc, 
659.  Hi  ginc  hem  selven  met  sceldene  an,  3709. 
Met  scarpen  worden  ende  met  swaren  gingensi 
hem  an,  Yelth.  lY,  62,  46.  Entie  conincginne 
rike  ginc  hem  met  talen  vreselic  ane ,  lAmb,  YI , 
220.  So  wie  dat  met  disputacie  hem  anghinc,  hi 
bleef  verwonnen,  Segh,  6708.  (Hi)  ginc  hoer  mit 
groten  luegenen  an,  Mhep  II,  3969  var.  {tekst-ks, 
gincse).  Die  hem  eerst  angine  mit  smekinge  ende 
mit  beloften,  ende  na  mit  dreyg^nge.  Pass.  S, 
266c.  —  Zoo  ook  by  ondervraging.  ||  Ende  ginc 
doe  den  anderen  aen  mit  suiker  vrage  als  dander 
was  (nl.  aengegaen) ,  Mloep  II ,  2666.  Doch  ginc  hi 
hem  scharpelic  an  ende  woude  weten  sine  minne ,  II , 
606.  —  Met  weglating  van  den  3den  nv.  des  persoons 
ook  absoluut  gebezigd.  ||  Die  here  van  Yalkeborch 
es  angegaen:  „Gi  bHjft  nu  met  ons  gevaen'*,  Yelth. 
YI,  13,  79.  Ygl.  ons  aangaan  in  den  zin  van 
tieren,  razen  en  Ndl.  Wdb.  1,  130. 


91 


AENG. 


A.ENÖ. 


ês 


2".  Met  daden,  en  dus:  Te  lijf  gaan  ^  aanvallen^ 
aantasten^   aangrijpen^   overvallen^   bestoken^  in  de 
latere  middeleeuwen  ook  met  den  4den  nv.  ||  Ende 
gingen   hem   doe   alle   an,    ende  velden  daer  den 
stouten  man,  Lanc.  III,  25796.   Deen  van  achter, 
dander    van    voren,  gingen  si  mineu  here  Wale- 
weine   ane.    Wal.   4250.   Die    coster  metter  vane 
ghinc    hem   vastelike    ane,   Rein.   I,    813.   Coemt 
onder  hem  een  starker  au,  so  gaet  hi  den  voghet 
an,    Nat.   BI.   II,    367.    Alsmen   hem    gaet    met 
bedwanghe   ane,  II,   2228.    Van  enen   viant   die 
hem    ane   meest  ghinc  in  die  niewe  mane,  Rijmb. 
23979.  Van  den  kejser  Vespasiane ,  die  den  Jueden 
swaer   ginc  ane,   S^.  Dl.  1,  bl.  457,  vs.  13.  Dat 
dongelovege    Pelagiane   der  kerken  swaerlijc  gin- 
gen  ane,   Sp.   III*,  .43,   45.   Aldus    so   ginc   die 
grave  dan  sinen  oeme  swaerliken  an,  Edeia,  1569. 
Ende   ghiughen   hem  vromelic    ane,    Fl.   Rijmkr. 
9691.    Nie    en    wart   baer    so   wreet,   dien   men 
met   honden  angheet.  Rosé  (C)  9021.  Ende  ghin- 
gen   hem  vaste  ane,  ende  hi  weerdem  met  slane, 
Limb.    II ,    275 ,    vgl.    V,    95.    Crachtelec ,    niet 
alse    een    kint,    ghinc   hi   heren   Fromonde  ane, 
III,    338.    Doe    ghinc    hi    ane    Demophon    met 
soe  sere   te   slane,  dat  hiue  jagede  om  den  rinc, 
YIII,  1523.   Ginc  men  haer  an  met  pinen  swaer, 
Sp.  II*,  14',  136.  Bestaen  van  den  geeste  die  haer 
ginc  aen ,  ende  diese  moyde ,  CArist.  698.  Ende  g^nc 
daer  haren  lichame  ane,  ende  begonsten  gruwelec 
te  slane ,  1569.  Thezeus  ginc  hem  aen  bi  der  hulpe 
van  Adriaen  {Ariadne)  ende  heeftet  ter  doot  gebracht, 
MLoep  III,  219.  Syn  swaert  hi  in  die  handenam, 
ende  ginc  him  (Minotauruê)  an  mit  sulken  woerden, 
als   tot  dier  saken  behoerden,  I,   1486.  Ende  hi 
aengingen  ende  hi  sloech  hem  doot  ^  D.  3.  I  Kon. 
2,   34  (Yulg.  aggressuê   eum    interfecit).  Ende  si 
gingen    hem   aen   in    den   name    Gods    ende    ver- 
sloegen   dit   dier,    Ejtc.   Cron.  89a.  Ende   hebbeu 
die   kersten   so  sterckelgc  .  .  aeugegaen,  dat  die 
gheen  die  te  paerde  waren  vloden  int  gheberchte 
lOlfl. 

^  Met  den  3den  nv.  der  zaak,  in  de  uitdruk- 
kingen: —  Der  doot  aengaen,  den  dood  te  ge- 
moet  gaan^  dien  ondergaan^  lat.  obire.  \\  Ende  seiden 
dat  si  der  doot  ane  wilden  gaen  eer  eyghen  te  sine , 
Rijmb.  32544.  —  Enen  boeke  aengaen,  tot 
een  boek  gaan,  het  opslaan  om  het  te  raadplegen. 
II  Die  wille,  ga  Balaam^  boucken  ane,  daer  aldus 
in  staet  ghescreven,  Amand  I,  323. 

b)  Met  eene  zaak  als  onderwerp.  Enen  — , 
iemand  aantasten,  aangrijpen,  aandoen,  hem  over- 
komen, overvallen,  van  allerlei  aandoeningen  en 
ervaringen  gezegd.  ||  Grote  bliscap  ginc  hare 
ane,  Sp.  III»,  7,  40.  Groot  toren  ginc  den  bis- 
Rcoppen  ane,  III >,  37,  63.  Daer  bi  soude  .  .  al 
der  kerstenheide . .  Gods  abolge  met  groter  wraken 
aengaen,  Christ.  1697.  Josepphe  ghinc  an  so  groot 
wille,  hine  mochte  niet  langer  swighen  stille, 
Rijmb.  3165.  Den  bisscop  ginc  vort  an  de  duerst, 
iS^.  IV*,  79,  10.  Die  honger  ginc  mi  an,  Lane. 
II ,  45299.  Alse  hem  hongher  anegheet ,  Heim.  {(T) 
1042.  Daer  na  ghinc  hem  honger  an ,  Rijmb.  22229. 
Des  hongers  slach,  die  hem  anghinc  nacht  ende 
dach,  31927.  Dat  hem  geen  coude  soude  angaen, 
Wal.  2524.  Dat  suchten  gheet  hem  so  met  {mede) 
ane ,  Parth.  8219.  Swaer  versuchten  ginc  hem  ane , 
Troyen  5942.  Als  hem  siecheit  oec  gaet  an.  Nat. 
Bl.  II,  2237.  Coringe  .  . ,  plage  gaet  mi  an,  Sp. 
III*,  30,  41.  Altoes  gaet  hem  droef  heit  ane, 
Belg.  Aftts.  6,  205,  626.  Wat  bitterheiden  hem 
anegaet,  Velth.  VIIl,  24,  14.    Die  here  heeft  so 


bliden  gedane,  hem  en  gaet  geen  belgen  ane, 
Lucid'.  5885.  Druc  ende  liden  so  ghinc  den  ridder 
an,  OVl.  Lied.  311.  Dien  de  jare  nu  gaen  an,^. 
III*,  30,  36.  Alse  .  .  u  doude  vaste  angeet.  Rosé 
13004.  Dien  hi  vinc,  ginc  die  dood  ane,  Rijmb. 
30468,  verg.  Sp.  I',  67,  125.  Als  hem  die  doot 
anegaet,  Liicid.  4405.  Dat  mi  een  onmacht  anginc , 
Sp.  IV' ,  6,  31.  Mi  gaet  ane  angst  ende  noei, Hs. 
bij  Bormans  op  Christ.  bl.  212.  Dats  menegen, 
wonder  aneginc,  Sp.  IV»,  74,  71.  Gondebant  dien 
ginc  dit  ane,  III*,  6,  27.  Die  nacht  ginc  hem  an, 
Lanc.  III,  15988,  Ferg.  2204.  Ne  ware  dat  hem 
ghinc  an  die  avont,  het  ware  al  ten  ende  comen, 
lAmb.  VII,  890.  Groot  orloghe  ghinc  hem  an 
jeghen  den  coninc  Diderike,  Brab.  Y.  I,  608.  Mi 
wondert  wat  hem  ginc  ane  te  segghene  van  den 
Zwane,  OFl.  Oed.  1,  84,  13.  Dulle  wive,..  wat 
gaet  u  an?  wat  mankeert  u,  hoe  verzint  gij  het? 
Sp.  I',  28,  12.  Gy  ridder,  slaepdy,  wat  gaet  u 
ane?  Mei'l.  31101. 

II.  Bedrijvend. 

1)  Aanvangen,  beginnen  (te  doen), 

a)  Zonder  uitgedrukt  object  of  met  een  afh. 
objectszin.  ||  Daerom  wast  dat  hi  ontfinc  men- 
schelike  vorme,  ende  aneghinc  dat  hi  dor  hem 
sterven  woude,  Lucid.  632.  Ende  gaf  also  veel 
elcken  man,  die  te  vespertide  ghinc  an  als  die 
ghestaen  hadde  den  dach  aldure ,  Amand  II , 
4303.  Doe  quam  die  sondach  vele  saen  dat  Jhesus 
wilde  anegaen  dat  sijn  lichame  .  .  verrees,  L.  o. 
H.  4504.  Oec  ware  hem  te  swaer  te  angane 
smargens  vroech  op  te  stane,  Lorr.  fr.  II,  155. 
Wildi  lieven ,  so  gaet  aen ,  of  latet  mit  allen  staen, 
MLoep  II ,  4175.  Niet  lichtelic  sal  men  anegaen, 
voir  dat  enz.,  I,  1001.  Kent  den  man  eer  gi  ane- 
gaet, I,  1631.  Aengaen  meerre  penitencie  te  doene, 
Christ.  1896. 

b)  Met  object. 

2)  Iet  — ,  iets  aanvangen ,  beginnen ,  onderne- 
men. Il  Gaet  ende  vernemet  ons  nu  saen ,  wat  si 
willen  anegaen,  Lanc.  III,  26193.  Si  en  wiste  wat 
anegaen,  IV,  3321,  Lorr.  II,  1885.  Ten  jonc- 
sten  daghe  wat  sullen  dan  anegaen  oncuussche 
menscen,  Hs.  v.  1348,  2&id.  Dat  Diixe  aneghinc, 
sal  ie  anegaen,  die  ombe  haers  lieves  wille  starf, 
Parth.  6441.  Ie  hebbe  sulke  dinc  nu  angaen,  die 
ie  node  hadde  anevaen,  Lorr.  I,  836.  In  weet  wat 
ie  moge  angaen,  I,  483,  520.  En  was  noyt  wijs 
man  die  gherne  strijt  ghinc  an,  3£elib.  3076,  vgl. 
230.  Nenic,  en  dert  niet  anegaen,  L.  o.  H.  3400. 
Wat  gi  anegaet  anevawi  alle,  Velth.  II,  4,  53. 
Waerbi  dat  si  dit  anegiugen,  II,  30,  38,  vgl.lW, 
24,  27  en  V,  20,  32.  Wat  soutu  nu  daer  mogen 
angaen,  daer  di  die  Here  wilt  verslaeu?  VIII, 
20,  41.  Wat  hi  laten  soude  oft  anegaen,  Lsp.  III, 

10,  158.  Wat  sal  ie  na  anegaen!  Umb.  I,  1326, 
vgl.  VI,  2173.  Wa^  spele  selen  wi  aengaen? 
XI ,  111.  Dese  vaert  entie  piue  die  ghi  anegaen 
wilt,  XI,  1137.  Ie  salt  anegaen  blidelike  XII, 
1264.  Dies  doet  saen  beghinnen  dwerc  ende  ane- 
gaen, Amand  II,  207.  Ende  om  dat  alle  liede 
niet  verstaen  tLatijn,  so  willict  int  Vlaemsche 
anegaen ,  II ,  267.  Dat  elc  bedinghe  woude  angaen , 

11,  5706  {in  den  tekst:  ingaen).  Twi  hi  anghe- 
ghaen  ware  {met  zijn,  evenals  ons  trans,  begin- 
nen) .  .  sulke  dinc,  ende  die  werelt  dus  hadde 
gelaten,  II,  1731.  Dat  hi  dronkenscap  aneginc, 
Sp.  IlI',  42,  43.  Heliodorus  anginc  te  hant  dcQ 
wech ,    1).   B.    II  Machab.    3 ,    8.  Waerom    augin^ 


I 


ÖÖ 


aenö. 


AEt4G. 


400 


ic  desen  wech?  Fass.  S.  lO&c.  Die  aventure  weder 
anegaen,  Lanc.  III,  26847.  Goede  werke  aengoen, 
CAritt.  1619.  Quaet  anegaen,  Ltp,  III,  27,30  yar. 
Zwacke  dingen  ans^n,  MLoep.  lY,  1950.  Stryt 
anegaen,  inire  proelium,  D.  B.  DetU.  2,  9  «»  24, 
I  Sam.  17,  10.  Enen  raet  aengaen ,  conn'/tui»  t»»r^, 
D.  ^.  I  &Mn.  5,  9,  Dan.  11,  25,  Hs.  v,  1423, 
117i.  —  Starchede  die  men  proevet  in  anegane  groter 
dinghen,  Ht.  v.  1348,  21b, 

3)  Iet  — ,  iets  aannemen ,  volden,  opvolgen^  er 
naar  handelen,  \\  Alle  die  grade  van  den  lieden . . 
selen  verwandelen  daema  saen  ende  ander  maniere 
dan  anegaen,  Velth.  VII,  23,  63.  Wildi  oec 
aengaen  uwen  wille,  doet  a  gebod,  ic  swighe  al 
stille,  L,  o,  H.  1880.  Dnnct  u  in  dat  leste  dat 
beter  si  uwes  selfs  raet,  so  rade  ic  a  dat  ghine 
auegaet.  Lip.  III,  3,  1156.  Woudi  anegaen  minen 
raet,  ic  wane  wale  datti  ons  goet  ware  te  male, 
lAmb,  V,  282.  (Men)  anginc  dat  hi  riet,  Velth. 
IV,  61,  80. 

4)  Iet  — ,  ieU  vrijwillig  ondergaan.  \\  Dat  ster- 
ven angaen,  Sp,  I»,  8,  53.  Die  doot  anegaen, 
Rijmb.  24867,  Sp.  I',  22,  11,  III\  5,  57,  AUx, 
VIII,  733,  Amand  II,  2456,  StokelV,  1310,  iVTéffi?. 
Proza  78.  Doe  moeste  hi  anegaen  dat  sure,  JRiJmb. 
13843.  Want  sijt  niet  en  conden  verweren,  om  dit 
anegingense  dminder  deren,  Velth.  111,50,  71.  Dat 
beter  waer  een  heymelike  zonde  dan  an  te  gaen  die 
dootlike  wonde ,  MLoep  II ,  4099.  Hebdi  wille  minne 
tanegane,  u  te  laten  minnen^  Rote  12070. 

5)  Iet  — ,  iets  aanvaarden ^  op  zich  nemen ,  aan- 
nemen.,  van  eene  belofte,  eene  verplichting,  eene 
verbintenis  enz.  ||  Wildi  anegaen  soendinc  ende 
dat  ontfaen,   Hein,  I,   187.   Anegaen    der  kerken 

fehorsaemheit,  Sp.  III»,  16,  36.  Wonde  si  hem 
ouden  trouwe,  hi  sout  herde  gheme  anegaen, 
lAmb,  X,  390.  Dat  hi  die  ordene  moeste  ontfaen, 
die  hi  doe  soude  anegaen,  II,  89.  Dat  si  ane- 
ffhingen  kerstine  wet,  Amand  I,  4636.  Wi  willen 
dit  anegaen  ende  gheven  ons  gevangen,  Ferg, 
2752.  U  ere  ware  mi  lachter  genoech,  daer  omme 
en  willics  niet  (des  afh,  van  het  znto.  niet)  anegaen , 
Tst.  BI.  2124.  —  Zie  nog  Lanc,  III,  26236,  -54, 
-56,  enz.  Ook  Rote  12070  (zie  4)  kan  hiertoe 
worden  gebracht. 

6)  Iet  — ,  iets  aanvaarden^  tot  zich  nemen ^  in 
bezit  nemen ,  in  beslag  nemen.  Verg.  Aenvaen  , 
Aenvangen  en  Aenvaerden.  ||  Want  siit  dors- 
ten anegaen ,  den  stoel  van  Rome ,  die  ere 
groot,  ^.  III»,  1,  122.  Wie  sal  Reinaerde  dat 
veronnen  dat  hi  gestolen  goet  ginc  an?  Rein.  I, 
260.  Hoe  si  den  duvel  sullen  ontgaen,  ende  Gods 
rike  anegaen,  Lueid.  2709.  Ende  aneginct  {dat 
eonincrike)  met  stouten  moede,  Velth.  III,  1,  43. 
Ende  gheloefden  doopsel  tontfane ,  ende  tlant  in 
manscap  tangane,  Brab.  Y.  II,  6358.  —  Over  de 
gelijkheid  van  beteekenis  tusschen  Aengaen  en 
Aenvaen^  zie  bij  dit  laatste. 

7)  In  de  bet.  Onz.  7  1»)  wordt  aengaen 
meermalen  als  trans.  ww.  gebruikt.  Zie  de  voor- 
beelden ald.  en  vgl.  nog  ^.I»,  9, 15:  Lucifer  ginc 
an  dat  serpent ,  daer  hi  twijf  met  hevet  gescent ,  e.  e. 
AENGAENDE,  bnw.,  eig.  tegenw.  deelw.  van 
Aengaen  als  onz.  ww. ,  in  de  bet.  7,  «,  a,  1^ 
Met  den  3den  nv.  des  persoons.  Enen  — ,  voor- 
komend^ vriendelijk  jegens  iemand.  ||  Den  goeden 
religiosen  was  hi  aengaende  als  een  vader,  Exc, 
Cr  on.  Whc, 

-4EïfGAEP  znw.  m.  Stam  van  \t\,^yf .  aangapen 
.<ci«i  mi.  Wdb.).  Hetzelfde  als  aencaep,  dat  een 
;  aiideren  oorsprong  heeft  (zie  ald.).  Beiyk.  ||  Doe 


hi  naect  hinc  aen  den  cruse  tot  eenen  aengaep 
alre  menschen,  Brugm.  1,  315. 

AENGANGEN  (ginc ,  gingen ,  gegangen) ,  st.  ww. 
onz.  bedr.  Oude  bgvorm  van  Aengaen.  Zie  ald. 
en  verg.  Gangen  en  Ndl.  Wdb.  op  Gaen. 

Onz.  Naderen,  toegang  krijgen  tot,  vgl.  Aen- 
gaen, Onz.  7,  a,  !•).  ||  Niemare,  qnaetheit, 
valsce  wane  ne  laet  di  niet  gangen  ane,  ^. 
I«,   86,  191,   vgl.  OFl,  Oed.  3,  114,  75. 

Bedr.  Beginnen,  aangaan,  vgl,  Aengaen,  bedr. 
2  en  5).  ||  Wat  dinghen  ic  mach  aneghanghen, 
Vr.  e.  M.  rV,  113.  Alsulken  verbont,  als  dese . . 
angeganghen  hebben,  Nyh.  4,  4  (a.  1423).  En 
anganc  ghene  beloften  milten  luden  van  dien  lant- 
scappen,  D.  B.  Exod,  34,  12. 

AENGANC,  -gange,  znw.  m.  Ohd  anagang  •,m\iA, 
anegane;  mnd.  angank. 

1)  Het  naderen,  het  aankomen,  het  te  gewkoet 
komen.  Zie  Aengaen  onz.  1).  In  deze  oorapron- 
keiyke  beteekenis  werd  ohd.  anagang,  mhd.  ane- 
gane in  het  oude  volksgeloof  in  eigenaardige 
opvatting  gebezigd.  Hetgeen  iemand  bjj  H  beginnen 
eener  reis  of  by  H  aanvangen  eener  onderneming 
het  eerst  te  gemoet  kwam  of  ontmoette  (H  zg 
mensch ,  dier  of  voorwerp) ,  werd  als  een  heil-  of 
onheilspellend  voorteeken  beschouwd ,  en  heette  de 
goede  of  kwade  anegane,  d.  i.  ontmoeting,  of  wel 
het  goede  of  kwade  gemoet.  Zie  Grimm,  Mythol. 
1072  vlg. ;  V.  d.  Bergh ,  Ned,  Mythol.  305 ,  en  verg. 
Ben.  1 ,  475  en  verder  alhier  op  Gemoet.  Daaruit 
ontwikkelde  zich  de  spreekwijze:  —  Ten  aen- 
gange  comen,  juist  van  pas  aankomen  als  men 
iets  zal  gaan  doen ,  onverwachts  aankomen ,  onvoor- 
ziens verschijnen,  oorspronkelijk  met  het  by  denk- 
beeld ,  dat  die  verschyning  tot  een  goed  of  kwaad 
voorteeken  verstrekte.  By  Kil.  „  supervenire ,  e*  in- 
sperato  «uUtenire.^'*  \\  Ghi  souten  hebben  doot  gheste- 
ken  en  haddi  mi  niet  horen  spreken ,  daer  ic  ten  aen- 
ganghe  quam  ghereden ,  Esm.  983.  Ypander  sloechae 
om  dat  Torec  quam  ten  angange  daer  ende  seide , 
Lanc.  III ,  26638.  —  By  uitbreiding  ook  van  zaken 
gezegd,  die  zich  onverwachts  voordoen  en  iemand 
overvallen.  ||  Niemen  en  houden  an  dat  belof, 
daer  men  es  oft  toe  oft  of,  anecomende  ten  ane- 
gange  met  looshede  oft  met  bedwange,  Sp.  I*,  8, 
5.  —  Vandaar  nog  heden  in  geiyken  zin  de  zegs- 
wyze  op  den  aangang  komen:  zie  Ndl.  Wdb, 

2)  Aanvang,  begin.  Zit  AENGAEN  onz.  3)  en 
verg.  Aenginc.  ||  Van  anegange  van  erderike 
tote  haren  tiden  sekerlike,  Sp.  I*,  13,  7.  Als 
tjaer  es  an  den  aneg^c.  Nat.  BI.  VIII,  942. 
Gode  te  vresen  van  allen  danc,  dat  is  des  wgs- 
heits  anegane,  Hild.  253,  1.  Tien  tiden  begonst^ 
die  anegane  {de  eerste  opkomst)  van  den  FariseeDf 
Rijmb,  20432.  Scone  was  des  mans  anegane,  zijn^ 
begin,  zijne  eerste  daden,  32979.  S  neemt  bier 
anegane.  Nat.  BI,  V,  964.  In  den  aengange  Tan 
desen  stride  so  vloen  die  Vriesen,  Clerc  64.  An- 
ganck  des  vreden,  Nghoff  4,  392  {bis).  —  Aen- 
ganc  voor  begin  werd  niet  alleen  van  den  tyd , 
maar  ook  van  de  ruimte  gebezigd.  Byzonder  by 
dykschouwing  was  de  uitdrukking  Aenganc  en- 
de afganc  bekend,  d.  i.  het  begin  en  einde  van 
eiken  hoefslag  van  den  dyk.  Zie  by  Afganc  2). 

3)  Aanval.  Zie  Aengaen  onz.  7).  In  desen 
stride  bleven  doot  in  den  aenganc  die  heer  van 
Arkel  ende  heer  Jan,  Clerc  145.  Die  grave  van 
Normandyen  hevet  begonnen  den  aenganck  met 
synder   scharen   aen   deen  side,   Exc.  Cron.  103^. 

4)  Het  element,  de  grondstof  waaruit  iets  tg 
geschapen',    het    element,    waarin   iets    leven   moet. 


101 


AÈNG. 


AENG. 


lÓ5i 


Yg\.   Ben.   1,    478a.  In   mystieken   zin   opgeyat. 

II  Dattu  die  afgode  vlies  ende  du  te  mi  allene 
ties , . .  ende  minne  dinen  God  met  herte  endc  met 
sinne,  .  .  dits  der  sielen  anganc,  Tien  PI.  152. 
In  deser  {hêmeüche)  vrouden  so  wert  de  geest  glie- 
transformeert  van  yet  te  siins  selyes  in  een  Uoot 
niet,  en  (1.  ende)  leeft  allene  siins  anegancs,  m» 
gijn  element.  Es.  p.  1348,  2786. 
AENQEBOORTE ,  znw.  vr.  Ygl.  Aenoeboren  2). 

1)  Eigeniyk  atmgeboremehap ,  d.  i.  bloedverwant- 
eehap ,  vuutgschap ;  docli  bg  uitbreiding  het  op  die  be- 
trekking gegronde  recht  van  naasting.  Hetzelfde 
als  Aenboorte:  zie  ald.  ||  Die  ontnaester  sonde 
sijn  aengeboerte  yan  dat  erye  gederyen,  Matth.  116. 

2)  OeboorterecAt ,  droit  de  naiesanee,  ygl.  AEN- 
OEBOREN 1).  II  Ie  viste  dat  Heroden  (1.  Herodes) 
yan  anegheboorte  der  naturen  coninc  was  gbecoren 
ende  daer  omme  booptic  dat  bi  den  eersten  coninc 
(Jeztn)  gbespaert  soude  bebben ,  Hs.  v.  1348, 301d. 

AENGEBOBEN,  bnw.  Uit  Aen  en  Gebaren.  Van 
zaken,  personen  en  eigenscbappen  gezegd,  docb  in 
yerscbillende  opvatting. 

1)  Van  zaken,  in  tweeledige  opvatting. 


II 


a)  Enen  — ,  door  iemand  door  en  met  de  ge- 
boorte verkregen  y  hem  bij  geboortereckt  toekomende. 
II  Waer  bi  scamel,  bi  soude  beiden  ende  laten 
die  gene  voren  sitten,  dient  es  anegeboren,  Vad, 
Mui.  1,  76,  36.  Dits  boe  die  qua£iders  magben 
zQn  sculdicb  te  gbelden  ende  te  betaelen,  naé 
trecbt  van  der  stede  een  ygbelQck  nae  dat  bem 
angbeboren  is,  Westfr.  Dingt.  16.  Item  een  recbt 
afterskvnt  een  vierendeel,  alsoe  als  bem  aengbe- 
boren  is,  te  gbelden  ende  te  nemen,  ald. 

6^  Enen  — ,  iemand  met  de  geboorte  vootbe- 
ecAtJtt,  door  Het  lot  over  hem  beschikt,  volgens 
het  volksgeloof  aan  eene  onvermQdeiyke  voorbe- 
schikking. Hetzelfde  als  EnengescapensQn: 
zie  ald.  ||  Al  mjn  vruecht  haddic  vernoren,  dit 
leven  was  mi  angbeboren,  OTl.  Lied.  en  Oed.  Sll, 
2286  (in  den  tekst  nu  voor  mt).  I»  di  qnalicvaren 
angbeboren  van  natueren ,  of  van  dgn  vader  ofte 
moeder,  of  van  sterren,  ofte  van  anderen  saken, 
dat  en  is  di  niet  also«  ghescapen,  dattet  di 
ommer  geselen  moet,  Der  Zielen  Troost  f.  9tf. 
—  Elders  scheidbaar  gebruikt:  Geboren  aen, 
in  denzelfden  stil.  Dat  loghen  es  ende  niet  el, 
als  een  nensche  stelen  gaet,  ende  menne  hanghet, 
als  men  vaet,  dat  die  lieden  seggben  dan:  ^Het 
es  hem  gheboren  an:  ware  hi  besloten  in  enen 
mnre,  bi  moeste  doen  sQn  nature,'*  Natuurk.  1307. 

2)  Van  personen.  Enen  — ,  aan  iemand  door 
geboorte  verbonden,  hem  bestaande,  tot  hem  m» 
maagschap  staande.  Verg.  Aenboort,  Aenboorte, 
Aenoeboorte.  II  Niement  en  is  vorder  ver- 
bonden sgn  zoen  te  verborgen,  dan  hy  hem  aen- 
geboren  is,  DIatth.  219. 

3)  Ingeboren^  ingeschapen.  ||  Ons  es  ene  nature 
anegeboren,  die  heet  /omes  peccati,  lamb.  Serm, 
Iw.  Dese  naturlike  bosbeit  es  ons  regte  van 
naturen  so  vaste  anegeboren,  dat  se  niman  ver- 
drucken  en  mag,  16tf.  Vgl.  JS^tm».  I,  1796  en  2497; 
MLoep  III,  143  leest  men  ingeboren. 

AENGEBOREN  (AE>f oeboeren)  ,  zw.  ww.  onz. 
Met  den  3den  nv.  Enen  — *,  iemand  te  betert  val- 
len, ten  deel  vallen.  \\  Naect  ende  arm  soe  sün 
wy  dan,  alst  hier  op  een  scheiden  gaet  .  .  Tis 
nauwe  dat  u  een  lindewaet  ten  lesten  mach  ghe- 
boeren  an,  Hild.  64,  233-^9. 

AENGEBRINGEN,  abnoebrenoen  (brachte  of 
broehte,  gebracht  of  gebrocht),  onreg.  zw.  ww.  bedr. 

1)  Enen  iet  ^,  iemand  iets  berichten,  et  hem 


aangifte  van  doen.  \\  Voort  waert  sake  dattie  vorsz. 
beemraders  den  vorsz.  scepenen  gbeen  zeker  be- 
tooch  van  den  vorsz.  diick  te  leggen  aenghebren- 
gen  en  consten,  V.  d.  Wall  38  \a.  1270),  Mieris 
1 ,  446tf. 

2)  Enen  aen  iet  — ,  iemand  tot  iets  brengen, 
er  hem  toe  noodxaken.  \\  Maer  om  sterven  no  om 
leven  ne  constijt  {het  kind)  met  gheenen  slane  an 
dat  ambacht  ghebringhen  ane,  Heim.  1626. 

AENGEDACHT,  -daehte,  znw.  onz.  Aandacht, 
stille  overdenking.  \\  Bi  des  papen  anegedacht  so 
wert  daer  wonder  groet  gewracht ,  Bed.  d.  M.  814. 
ABNGEDEELTE  (aengedeilte)  ,  znw.  onz. 
Aandeel.  \\  Dat  ons  onse  stad  van  Bruessele  wel 
ende  wettelic  betaelt  heeft  ende  vergouden  haer 
aengedeelte  van  deser  beden ,  Brab.  T.  Dl.  2 ,  bl. 

693   {a.   1362).    Welke   somme van   den 

Berghe  ende  van  Hoesdein  .  .  men  den  voor- 
seiden  steden  .  .  van  haren  taxe  afcorten  sonde 
ende  aenghedeilte  van  der  bede  voorseit,  Brab.  T. 
VII,  13301. 

AENGEDOEN  {dade  of  dede,  gedaen),  onreg. 
st.  WW.  bedr.  Hetzelfde  als  Aendoen  (zie  ald.).  Van 
kleederen,  wapenen  enz.  Aandoen,  aantrekken.  U 
Ende  eer  si  mochten  wapene  an-ghedoen,  sloech 
hiere  vele  doot,  Bijmb.  19036. 

AENGEDRAGEN  (droech,  droegen,  gedragen  of 
gedregen),  st.  ww.  bedr.  Hetzelfde  als  Aendragen 
(zie  ald.).  Dragen  {aan  het  lijf),  van  kleederen, 
wapenrusting,  boeien  enz.  ||  Hier  af  wonderde 
menigen  man  hoe  yemen  mocht  den  halseberch  an- 
ghedragen,  om  dat  hi  was  so  ongemicke,  Velth. 
III,  32,  68.  Oec  en  es  so  sterc  geen  man,  die 
hadde  connen  gedragen  an  die  brake  entie  veteren 
mede,  VI,  6,  66. 

AENGEGRIPEN  {gegreep,  gegrepen),  st.  ww. 
bedr.  Hetzelfde  als  Aenoripen:  zie  ald.  Aan- 
grijpen, aanvatten,  aanvaarden.  \\  Zenoens  wedewe, 
die  keyserinne,  gegreep  trike  ane  met  zinne,  Sp. 
in« ,  1 ,  3. 

AENGECNOCHT,  verl.  deelw.  van  aencno- 
pen  ,  aanknoopen ,  in  de  hedendaagsche  betee- 
kenis.  Aangeknoopt,  verbonden,  verknocht.  ||  Alle 
die  ghene  die  hem  gheliken  in  opgherechter  be- 
gbeerlicbeit ,  die  mogben  si  verclaren  in  aenghe- 
knocbter  minlicheit ,  Ruusbr.  4 ,  183 ,  in  het  Latijn: 
„In  amoris  applieatione  sive  confunctione.^^ 

AENGELANT,  bnw.,  alleen  in  gebruik  als 
gemeensl.  znw.,  en  wel  bepaald  in  *t  mv.  aenge- 
tande.  Uit  het  bijw.  Aen  en  Gelant.  Eigenaar  of 
eigenares  van  een  land  aan  een  weg,  een  dijk,  een 
watering  enz.    \\    De   aenghelande   an   de   Caelve 

S beven  te  kennen  an  Schepenen  van  der  Keure 
er  stede  van  Ghend,  dat  sy  groote  prejudicie  ley- 
den  (/.  Uden)  an  hunne  landen  mits  de  Caelve  ver- 
slijckt  sQnde ,  men  het  waeter  niet  en  can  afleeden  tot 
de  Lieve ,  waer  op  Schepenen  verleenen  hun  octroy 
tot  de  verdiepinghe  behelsende :  dat  de  Caelve  sa} 
ghecuyst  ende  verdiept  worden  ten  coste  van  de 
aenghelande,  Diericx,  Mem.  1,  233  {a.  1412).  Dat 
men  de  aenghelande  den  rietgracht  sal  doen  delven 
tot  den  ouden  bodem,  431. 

AENGELIJC,  like,  bnw.  GoV  analeiks;  obd. 
anagalih;  mhd.  anelich;  nhd.  Shnlich;  ags.  anNc 
(Ettm.  183);  mnd.  angelik.  BQ  Kil.  „Aen-lQck, 
assimilis."  Uit  Ane,  aen  en  Oelijc,  dus:  aan  het 
gelijke  rakende,  bijna  gelijk.  Met  den  3den  nv. 

1)  Enen  — ,  gelijkende  op  iemand.  ||  Deen  was 
Florise  anegelifc,  dat  ander  stoet  in  diere  gebttre 
oft  Blancefloer  sine  amie  ware,  Flor.  927,  vgl. 
Nat.  BL  XII ,   672 :  Der  roscn  welna  ghelijc  ane. 


i03 


AEKG. 


AENG. 


d04 


2)  Ere  dinc  — ,  gelijh  aan  iets.  ||  Alle  diere 
inwonende  zyn  zullen  hebben  alzulcke  vrijheden 
ende  zulcke  wet . . .  eeuwelike  voortan  ende  anghelijc 
de  (d.  i.  ah  de)  stede  van  Brugghe  houden  ende 
useren ,  CoiU.  v.  Brugge  1,  203. 

AENGELOVEN,  zw.  ww.  bedr.  Enen  iet 
— ,  iemand  ietê  aan-  of  toevertrouwen.  Evenals 
vele  uitdrukkingen  in  Geldersche  oorkonden  heeft 
dit  woord  een  Buitsche  kleur:  verg.  mhd.  d/iz 
an  in  gelouben,  by  Ben.  1,  1018.  ||  Weert  dat 
die  dyck  bynnen  die  gesette  tijt  nyet  gemaict  en 
were ,  so  en  solde  mens  hem  nyet  meer  aengeloeven , 
Nijh.  2,  2Ö9  {a.  1370). 

AENGELOVEN,  zw.  ww.  bedr.  hd.  angeloben. 
Iet  — ,  iets  beloven ,  zicA  door  eene  belofte  tot  iets 
verbinden,  ||  Ende  ne  gheloeft  anders  niet  an  dan 
dat  ghi  der  toe  sult  doen  uwe  beste  naer  uwen 
vermogen,  Jan  Yp.  43. 

AENGEMERC ,  znw.  o.  Ret  in  aanmerking  nemen. 
Vooral  in  de  bijw.  uitdr.  mits  of  ten  aenge- 
mercke  van,  met  het  oog  op.\\  Om  noch  bat  die 
discipulen  te  vermanen  tot  lijdsaemheit  mits  aen- 
ghemercke  des  utersten  oerdels,  Boeck  v.  d.  L, 
Jhesu  953.  Ten  aenghemercke  van  den  loone  die 
wij  van  hem  verwachten,  1713. 

AENGENOMENHEIT ,  of  -hede  ,  znw.  vr.  Mnd. 
angenomenheit  ^  een  woord  der  mnl.  philosophie. 

1)  Abstract.  Het  aangenomen  hebben  ^  de  aan- 
neming, il  Een  welbehaghen  in  aenghenomenheiden 
sonderlingher  wisen  van  buten,  Ruusbr.  4,  146, 
in  het  Latijn:  „In  singulari  quodam  .  .  externo 
vivendi  modo." 

2)  Concreet.  Hetgeen  aangenomen  is ,  de  vorm , 
gedaante^  maaksel.  \\  Al  sijn  wi  een  met  Gode  in 
onsen  beelde,  overmitfi  aenghenonienheit  onser  na- 
buren, wi  moeten  hem  oec  gheliken  in  gracien 
ende  in  dogheden,  Ruusbr.  5,  22. 

AENGERIËN  (aengeryen),  st.  ww.  onz.  De 
hoofdtijden  komen  niet  voor,  maar  moü\%n gereech  ^ 
geregen  geluid  hebben.  Zie  RiËN,  rijgen.  Geriên 
is  dus  samenrijen^  aaneenrijen,  in  neutrale  opvat- 
ting; angeriiht,  het  hd.  sich  anreihen^  dus  aan- 
sluiten, raken,  aangaan,  toebehoor  en.  \\  In  en  genen 
dienste  noch  ambachte  . .  die  den  hertoge  . .  ochte 
sinen  lande  ochte  sinen  steden  van  Brabant  ende 
van  Limborg  anegeryen  mogen  in  eneger  manie- 
ren.   ïe    eneger   vonnesse  ochte    te    enegen 

rade ,  .  .  die  hunnen  here  den  hertoge  .  .  ochte 
sinen  landen  anegeryen ,  Brab,  Y,  Dl.  1 ,  bl.  829 
(fl.  1342). 

AENGEROEPEN,    st.    ww.   bedr.  Jenroepen.  \\ 
War  es   die  mensce,   die  di  (God)  noit  anegerip, 
dune  deilest  dine  genade  mit  heme,  Limb,  Serm.  93. 

AENGESCOU,  -scoutoe,  znw.  onz.  Verg.  Aen- 
scouwe,  Aenscouwen  en  het  volgende  art.  Het 
aanschouwen,  het  aanzien,  in  passieve  opvatting, 
dus  het  uiterlijk  voorkomen.  \\  Jonck  ende  schoen 
van  aengescouwe,  MLoep  I,  933. 

AENGESCOU  WEN ,  zw.  ww.  bedr.  Aanschouwen, 
aanzien.  \\  Want  si  niet  gescouwen  an  sine  grote 
quaetheit  conden,  Sp.  I*,  64,  24. 

AENGESIEN  {aesach,  gesagen,  gesien),  onreg. 
st.  WW.  bedr.  Aanzien.  \\  Dat  si  {Maria)  na  sinre 
opvart  kume  einigen  mensce  anegesach  mettin 
oegen,  Limb.  Serm.  39«.  So  groten  rouwe,  datse 
niemen  can  aneghezien,  Hs.  v.  1348,  307^.  Dat 
niemen  anghesien  ne  conde,  Rijmb.  32872.  Dat 
si  en  dorren  van  anxte  groot  mi  van  scanden  an- 
ghesien. Rosé  (C)  9343.  Doen  die  Godheit  aen- 
gesach,  O  Tl.  Ged.  3,  133,  201.  Men  en  mochten 
nyet  aenghesien ,  Serv,  II ,  868.  Doen  dat  sy  willen , 


en  cant    ghedoghen,   noch   aenghesien  met  mynen 
oghen,  Troi/en  f,  216e.  Zoo  ook  Sp.  IV,  28,  43. 

AENGESIEN,  eig.  deelw.  van  aanzien.  Reeds 
in  Hmnl.  gebr.  in  de  uitdr.  aengesien  dat, 
welke  uitdr.  de  kracht  heeft  van  een  grondaan- 
gevend  voegwoord.  ||  Anghesien  dat  daer  niet  af 
en  quam  als  si  haepten  (hoopten),  Brugm.  2,  316. 
—  Ook  als  voorz.  Met  het  oog  op,  in  aanmerking 
nemende,  ||  (Hi)  wert  seer  begaen,  wes  hy  recht- 
vairdeliczt  ende  redellczt  dairof  soude  moghen 
wysen,  aengesien  yghelix  brief  ende  betoech  van 
ghelyken  ouderdom,  Matth.  51. 

AENGESINNEN  (gesan,  gesonnen,  gesonnen),  st. 
WW.  bedr.  Zie  Gksinnen,  verlangen,  in  de  zegs- 
wgze:  d-es  an  enen  gesinnen;  verg.  Ben.  2*,  309. 
Een  Duitsch  gekleurde  term,  in  Geldersche  oor- 
konden gebruikelijk.  Teuth.  bl.  239:  „Ansyn- 
n e n ,  requirere ,  petere'*''  (z.  ald.).  Enen  des  — ,  iets 
van  iemand  verlangen  of  begeeren,  hem  iets  verzoe- 
ken, tot  iets  uitnoodigen:  beleefde  uitdrukking.  || 
Welke  sijn  rekenscap  .  .  wy  oick  altois  gnetliken 
horen  solen,  als  hy  ons  des  oick  vertennacht  te 
voren  aengesyndt,  Nijh.  4,  201  (a.  1444).  Offt 
sake  were,  dat  .  .  die  gene  van  ons,  den  sulx 
toequeem,  an  den  anderen  hulp  ende  bistant  ge* 
some,  so  sall  die  gene  van  ons,  den  dat  ange- 
sonnen  worde  .  .  enz.,  5,  83  (a.  1477).  Als  men 
uns  des  aingezinnen  deyt;  welche  zgt  die  heirren 
des  ain^esunnen  werden ;  —  wilge  zijt  (welche  xeit) 
si  .  .  des  aingesunnen  solen  werden;  —  so  wie 
unse  nichte  uns  des  aingesonnen  hait,  2,  58 — 62 
(a.  1353). 

AENGE VECHT,  -vechte,  znw.  onz.  Zie  Aen- 
VECHTEN.  Het  aanvechten,  bestrijden.  \\  Wat  deert 
mi  niders  aneghevecht ,  doe  ie  minen  dingen  recht  ? 
Lett.  N.  W.  ia,  161.  —  In  denzelfden  zin  ook 
het  als  onz.  znw.  gebruikte  ww.  Aengevechten.  \\ 
Ende  want  dit  edel  lant  van  HoUant . .  veel  ange- 
vechtens  der  Denen,  der  Noormanne  ende  andere 
gehadt  heeft,  Clerc  20. 

AENGEVECHTEN.  Zie  Aengevecht. 

AENGEVEN  (gaf,  gaven,  gegeven),  st.  ww.  bedr. 
Enen  een  cleet  — ,  iemand  een  kleed  aan  het 
lijf  geven ,  het  hem  geven  om  aan  te  doen,  ||  Want 
alsemense  te  bedde  leet,  men  trecket  hem  alte- 
gader  af  so  wat  men  hem  teersten  angaf,  Sp.  I', 
71,  38.  Dorstich,  ghine  hebt  mi  niet  ghelaeft; 
naect,  dat  ghi  mi  niet  aen  en  gaeft,  Lsp.  IV,  11, 
25.  Daema  was  hem  anghegheven  een  purpur^n 
cleet  in  mantels  wise,  Amand,  II,  862.  Ie  was 
naect,  gi  ne  gaeft  mi  niet  an,  Lucid.  5710.  Ka 
dien  dat  de  vraye  minne  Cristi,  die  lach  in 
Fransoyen  zinne,  die  vorme  adde  gegeven  ane 
van  der  ymagen  enter  gedane  den  minre ,  die  die 
meester  drouch.  Franc.  7081.  Romanus  .  .,  dye 
sint«  Benedictus  gaf  monincs  abijt  aen ,  Pass.  H\ 
245a.  Hi  gaf  een  van  sinen  knapen  sgn  cleder 
aen,  2473. 

AENGEWEGEN,  zw.  ww.  bedr.  Verg.  Geweoen. 
Enen  iet  — ,  iemand  iets  toezenden,  doen  toe- 
komen,  verleenen.  ||  Dat  sall  dich  God  anege wegen , 
Serv,  I,  2547. 

AENGIEN,  znw.  Herhaaldelijk  in  den  Segh.  voor 
Eng I en:  zie  aldaar. 

AENGIN,  -ginne,  znw.  onz.  Aanbegin,  beyim, 
Ohd.  anaginni,  anagenni,  anagin\  mhd.  aneginn^ ^ 
anegin;  ags.  angin  (Ettm.  426);  os.  anginni',x£Ln^. 
anegin  (Lubben  1 ,  78  op  Anbegin ;  Koseg.  1 , 
404).  Uit  Aen  en  het  grondwoord  ginnan,  van- 
waar ons  beginnen,  ontginnen.  \\  In  aneginne  was 
een   woort,    ende    dat   woort   was   bi   Gode,  ende 


405 


AENG. 


AENH. 


106 


God  was  dat  woort.  Dat  was  van  anegione  bi 
Gode,  Jok.  1,  1,  hij  Lelong,  Boekz.  211,  f»  bij 
Lnlofs ,  Handb.  47.  Die  vader  van  aneghinne  hadde 
sinen  sone  de  minne  verborghen  in  sinen  scoet , 
Hadew.  I,  111,  41. 

AENGINC,  -ginge^  (of  aenoinge),  znw.  De  on- 
verbogen  vorm  en  het  geslacht  des  woords  blijken 
niet.  Ohd.  anagenffi ,  vr.  en  ons. ;  mhd.  anegenge , 
onz.;  nnd.  anegenk^  anegink,  m.  (Koseg.  1,  404). 
Van  Aengaen  in  den  zin  van  beginnen^  en  dus  het- 
zelfde als  Aenganc  (zie  ald.  2),  doch  met  de 
vocaal  »,  uit  tf  ontstaan,  welke  e  voortkwam  uit 
de  oorspr.  a  door  de  werking  der  i  van  den  uit- 
gang (anagengi).  Het  mnl.  woord  zal,  blijkens  de 
nnd.  vormen,  wel  Aenginc  geluid  hebben,  3de  nv. 
aneginge^  doch  het  komt  alleen  voor  in  de  vaste 
spreekwijze:  —  Yan  aneginge,  van  den  aan- 
vang af,  van  den  beginne ;  allengs  door  van  anegange 
verdrongen.  ||  Cortelike  van  aneginge,  hoe  die 
werelt  hare  dinge  gehandeld  heeft  tote  onsen  tiden , 
suldi  hier  horen  overliden,  -^.  I*,  FroL  33.  Ende 
sullen  geselen  swaerre  dinge,  daut  noit  dede  van 
aneginge,  IV»,  24,  101.  Van  der  werelt  aneginge, 
!•,  13,  35;  IV»,  31,  66.  Van  aneginge  stomende 
doof,  IV»,  32,  51. 

AENGBEEP,  znw.  m.  Van  Aengripen,  aan- 
grijpen ,  nog  heden  in  den  zin  van  aantasten ,  aan- 
vallen^  evenals  in  *t  hd.  nog  het  znw.  an^ri^,  ohd. 
anagrif^  mnd.  angrepe.  Ook  in  denzelfden  zin  Aen- 
GRIJP.  Aanval^  aantasting^  vijandelijke  bejegening. 
II  Dat  ich  .  .  .  ghenen  scade  off  ghewalt  doin  en 
sall,  noch  aengreep  ynden  lande  van  Gelre,  Nijh. 
3,  164  {a.  1390).  Dat  wj  .  .  .  gheen  gewalt, 
angrijp  of  onrecht  keren  en  selen,  171  {a.  1390), 
verg.  216.  Herhaaldelijk  in  den  Landvrede  tusschen 
Gelre  en  Kleef,  van  26  Jan.  1369 ,  ald.  2 ,  109—135 , 
met   name   bl.   118   vlg. 

=  Over  het  later  door  Bild.  gebezigde  Aan- 
greep^ zie  Ned.  Wdb. 

AENGRIPEN  {greep ^  grepen^  gegrepen)^  st.  ww. 
bedr.    Ook   onscheidbaar  gebruikt.  Mnd.  angripen. 

1)  In  de  hedendaagsche  beteekenis  van  Aantasten, 
aanvallen:  verg.  Aengreep.  ||  Allen  den  ghenen 
die  .  .  .  sgn  lant,  sijn  lijf,  sijn  goet  anegripen 
ende   aentasten    moghen,   N^h.   2,  135  (a.  1369). 

2)  Van  land,  goed  enz.  Aanvaarden,  in  bezit 
nemen,  of  wel  in  beslag  nemen.  \\  Dat  jonc vrouwe 
Beele  angripen  soude  de  vorseghede  derdalf  ghemete 
lands  van  dien  daghe  vorwart  haren  vrien  wille 
der  mede  te  doene,  Oorkb.  2,  412«  (a.  1295). 
Her  Edwart,  of  sine  amptman  in  siin  behoef,  sal 
moghen  aenvaen  ende  anegripen  alle  onse  goet, 
Nijh.  2,  90  {a.  1356).  Doe  beloofden  si  ooc  hin 
haer  lant  weder  te  gripene  an ,  Rijmb.  8418.  Ende 
angreep  somwile  omt  gene  dinge,  die  hem  niene 
waren,  Velth.  IV,  2,  44. 

'3)  Aanvatten,  aanvangen,  doch  in  ruimere  toe- 
passing naar  gelang  van  het  object,  als  beginnen, 
ondernemen  enz.  ||  Doe  greep  hi  scaerper  leven 
an,  Sp.  III»,  33,  47.  Wat  grijpti  an?  laetti  Gode 
al  openbaer  ende  maect  enen  lozen  outaer  ?  Rijmb. 
7016.  Daer  si  die  vaerd  omme  grepen  ane, 30361. 
Daema  selen  si  sonderlinge  die  kerke  eren  ende 
stichten  mede ,  ende  dit  anegripen  met  ernstichede, 
Velth.  VII,  25,  6.  Ootmoeaicheit  ....  suldi 
aengripen,  Amand  1,  4839.  Discipline  aengripen, 
Bern.  fV.  1603.  Heren  sellen  hebben  te  hare  rade 
wise  liede  ende  ghestade,  in  goeder  manieren 
beheudech  ende  in  aengripene  ghenendech,  Teest. 
1000.  Dus  hebdijt  ghegrepen  an,  Rijmb.  21818 
var.  Hpe  ghi  anegrijpt  die  vaert,  Melib.  334  var. 


Laet  ons  uu  .  .  .  die  deughden  erust^lic  angripen, 
Stemmen  8.  Ende  nymmermeer  en  sellen  si  {die 
duechden)  ons  smaken,  wi  en  gripense  aeu  ende 
bliven  daerbi,  Ned.  Proza  133.  Goede  werke  ane- 
gripen, Ruusbr.  1,  173;  2,  167.  Ende  gripen  ane 
grote  werke  van  penitencien ,  2,  221.  Datmen 
haer  heet,  dat  aeugripet  si,  3,  37.  Opdat  ghi  die 
souden  laet  ende  duechde  angrijpt,  260.  Anegrijpt 
altoes  den  versmaedsten  nedersten  dienst,  4,  76. 
Soe  wat  mensche  die  aengrijpt  een  versmaet  abijt 
ende  een  hert  leven  van  penitencien,  274.  Hi  sal 
anegripen  die  ghebode  Gods,  281.  "Weert  saec, 
dat  yemant  engherhande  ghewaut  aeng^ype,  Nijh. 
3,  37  (a.  1377).  —  Rennesse  aengripen, 
eene  zaak  opvatten  en  er  recht  in  spreken.  Zie 
Rennesse.  ||  Oft  ghevallet  dat  de  vorseide  officiers 
onder  tdecscelle  van  hueren  officieu  aennemen  arrest 
oft  angrepen  kennesse  up  de  warachtighe  poorteren 
van  Gendt,  Cron.  v.Flaend.  2,  202.  — In  het  tegenw. 
deelw.  aengripend,  als  bnw.  gebruikt,  in  den 
zin  van  (alles)  met  zich  sleepend,  onstuimig.  \\  Ende 
van  sinen  anscine  daer  scoet  ene  vierige  angri- 
pende  vloet,  Velth.  VII,  2,  58,  bij  Dan.  7,  10, 
in  de  Vuig.:  „  Fluvius  igneus  ropirfrtjque." 

4)  Aangrijpen,  aannemen,  tot  zich  ft^m^».  ||  Grijp 
an  ewich  leven,  daer  du  in  gheroepen  biste,  Üs. 
75  ƒ.  87A  (I  Tim.  6,  12,  Vuig.  „ apprehende"). 
Aengri pende  dat  sermoen  dat  na  der  warachtigher 
leringhe  ia,  /.  91<?  (Tit.  1,  9,  Vuig.  „amplec- 
tentem").  Nerghents  en  hevet  hi  der  enghelen 
nature  anghegrepen,  mer  hi  hevet  angheg^epen 
Abrahams  saet,  /.  95^?  {Hebr.  2,  16;  Vuig.  „ap- 
preheudit "). 

5)  Enen  — ,  iemand  aanpakken  met  voorden , 
tegen  iemand  uitvaren.  \\  Als  menne  dar  anegript 
met  scarpen  ende  berespliken  worden ,  lAmb.  Serm. 
117*.  Wie  onwerdelike  datten  man  angript  dar 
ogt  anderswar,  so  sal  hi  altoes  segtelike  .  .  ant- 
werden,  ald. 

AENGRIPERE  (aengripre,  aengriper),  znw. 
m.  Zie  Aengripen  3).  Iemand  die  iets  aanvat, 
onderneemt,  omhelst,  dus  volgeling,  aanhanger.  Van 
de  Bedelmonniken  heet  het  bij  Vetth.  VII,  20,  62: 
Anegripere  der  ongestadechede ,  predicaren  der  be- 
haechlijchede. 

AENGRIPINGE,  znw.  m.  Vgl.  Aengripen  1). 
Geweldenarij.  ||  Dat  si  minen  heere  ende  sinen 
lieden  upgeloepen  ende  hebben  hem  gedaen  vele 
angripinghen  ende  weghen  van  faite,  Cron.  v. 
Vleiend.  2,  206. 

AENG  ROE  YEN,  zw.  ww.  onz.  Beginnen  te  groeien, 
II    Dat  in   veuijnde  lichaem  overmits  die  boesheit 
ende  coutheit  des  venijns  gheen  wormen  angroeyen, 
Gest.  Rom.  4Ab  {of  te  Uzen :  en  groeien  ?). 

AENGROETEN  (aengrueten),  zw.  ww.  bedr. 
Begroeten,  groetend  aanspreken.  ||  Mettien  ghinghen 
si  inne,  ende  aengruetten  Marien  met  zinne,  Lsp. 
II,  13,  100  var.  Ende  quame  daer  in  uwen  moet 
die  scone,  di  gi  alsoe  mint,  gine  sout  macht  een 
twint  hebben  te  anegroetene  hare.  Rosé  2362. 
Den  ridder,  dien  te  moede  sware  was,  anegroete 
die  conincginne,  Limb.  VI ,  1296.  Hine  dars  (/.dar?) 
hare  niet  anegroeten,  VI,  1241.  Onsen  here  si 
wilde  anegroeten,  L.  o.  H.  1405. 

AENHAEN  {hinc ,  hingen ,  gehaen) ,  st.  ww.  onz. 
Met  den  3den  nv.  Zie  Haen  en  verg.  Aenhangen. 
Aanhangen,    aankleven,   bijblijven.  —  Spreekw.    || 
Waer  gi  mede  omgaet,  dat  u  anhaet,  Spreuk.  40. 

AENHALEN,  zw.  ww.  bedr.  Ook  onscheidbaar 
gebruikt. 

1)    Tot  zich  halen,  naar  zich  toe  trekken,  aan^ 


107 


AENH. 


AENH. 


108 


trekken,  \\  Doe  sach  si  dat  scrientgin  {met  Mozes 
er  in)  comen  driven,  si  dedet  aenhalen,  B.  v. 
1367 ,  33^2.  Hoir  hant  soe  haelde  si  weder  an  . .  on- 
ghebeten,  MLoep  U ,  3276.  Deser  gelike  is  die  betten 
winnende  ende  makende,  want  OYermits  hare  doen 
der  aenhalender  crachten  soe  opheft  si  menigher- 
hande  droge  ende  ynchte  wasemen,  Barthol,  68«.  Die 
warmte  des  herten  wort  gesachticht  mitten  aen- 
halen des  adems,  64^. 

2)  J)ocT  vriendelijkheid  en  voorkomendheid  tot 
zich  trekken.  \\  Merckende  dat  Adolf  s^n  soon  een 
jonck ,  cloeck  ende  vroom  jongelinc  geworden  was , 
adhereerden  ende  .  aenhaelden  si  seere  Tronwe 
Eatheline  yan  Cleve  de  hertoginne  van  Gelre  met 
haren  soon  Adolf,  Exc.  Cron.  Id2d.  Ygl.  ons  iem. 
aanhalen  en  Ndl.  Wdh.  1 ,  169. 

3)  Van  goederen,  die  tegen  de  bestaande  yer- 
ordeningen,  of  zonder  dat  er  de  accynsen  yan 
betaald  zijn,  vervoerd  worden.  Vgl.  Ndl,  Wdb.  op 
Aanhalen  3).  Aanhouden ,  in  heelag  nemen^  om  ze 
6f  verbeurd  te  verklaren  6f  ze  vrij  te  geven, 
wanneer  aan  de  verplichtingen  is  voldaan.  ||  Waer  dat 
zake ,  dat  yement  eenich  zei  ofte  ghelt  nyten  voir- 
zeyden  lande  ontfoerde . .  die  mochte  men  anhalen 
op  onsen  stroem.  Mieris  2,  363d  (a.  1326).  Brieven 
roerende  van  enen  scepe  van  Lejden ,  dat  miin  heere 
verstaen  hadde,  dat  die  van  den  Briele  aengehaelt 
souden  hebben ,  Bel,  v.  Leid.  361.  Brieven  roerende 
dat  sii  müns  heren  haver,  die  sii  angehaelt  had- 
den, ontcommerden,  ende  voirt  aen  lieten  liden 
sonder  aen  te  halen ,  373.  Vgl.  nog  Handv.  v.  Medembl, 
27tf,  63tf;  O.  R.  v.  Jhrdr.  278,  64. 

AENHANOEL,  bnw.  Aanhangende  en  zich  aan 
iemand  vattklemmende,  1)  In  eigenlijke  opvatting. 
II  Cinomia  dat  es  des  honts  vlieghe,  .  .  ende  es 
een  woerm  pynlec  sere,  ende  anhanghel  ende 
quaet  emmermere,  sine  laet  die  honde  niet  rusten. 
Nat  BI.  VII,  412. 

2)  In  fig.  toepassing.  Zich  aan  iemand  vast- 
klemmende om  zijn  doel  te  bereiken.  Niet  lot- 
latende^  vasthoudend,  vast  op  gijn  stuk  staande, 
lat.  tenax,  ||  81  peinsde  wel,  dat  si  sal  noch  van 
hem  weten  al ; .  •  soe  anhanghel  sQn  die  vrouwen , 
rergi  674. 

—  Afl.  Aenhangelheit,  het  iemand  niet 
met  rust  laten ,  onbeschaamdheid,  \\  Nochtan  sal 
hi  upstaen  dor  des  anders  anhanghelheit ,  Hs,  v. 
1348,  279tf  {Luc.  11,  8). 

AENHANGELIJC,  -like,  bnw.  Zie  Aenhangen 
2 ,  a).  Uitwendig.  Vgl.  aenhanginge  3).  ||  Luttel- 
heit  der  menscheu  ende  der  aenhangeliker  dingen , 
daer  die  menscheu  der  werlt  mede  becommert  ple- 
gen te  wesen.  Stemmen  148. 

AENHANGEN  {hine,  hingen,  gehangen),  st.  ww. 
onz.    Veelal  met   den   3den   nv.    Mnd.   anhangen. 

1)  Eigenlek,  a)  Enen  — ,  iemand  aan  het  lijf 
hangen.  ||  Een  hout  hinc  hem  altoos  ane,  daer 
si,  in  heimeUker  stede,  die  erde  ontgroeven  mede, 
alsi  ter  camere  wilden  gaen,  Bijmb.  22126.  —  b) 
Ere  dinc  — ,  aan  iets  hangen,  er  aan  vastkleven. 

II  Myn  siele  heeft  anghehangen  den  paviment 
Pass.  W.  266  d,  (verg.  Ps.  119,  26:  ^Adhaesit 
pavimento  anima  mea). 

2)  In  oneigeniyke  opvatting,  met  eene  zaak  als 
onderwerp,  tf)  Ere  dinc  — ,  Iets  aankleven,  er  bij 
behooren.  Verg.  Aenhaen  ,  Aenhangelijc  en  Fl. 
Rijmkr.  2099:  Den  edelen  grave  ende  weerden 
man  van  Vlaenderen  ende  datter  hanget  an.  ||  Die 
weyde  ende  dat  ghers  van  Vriesendike  .  .  .  ende 
anders  die  weydë  die  Vriesendyke  anehanghet, 
Oorkb.   2,   308   tf   {a.    1290).   Die   twee  dele  van 


Vriesendyke  met  allen  dat  hem  anehanghet,  ald. 
b)  Enen  —  iemand  aankleven,  eigen  zijn.  ||  Deze 
twee  plagen  hinden  hem  an,  Sp.  V ,  80,  15.  Doe 
haer  dees  crancneit  ende  dit  verdriet  langh  had 
anegehangen,  Lutg,  III,  879.  Hanghet  u  G^  an, 
soe  hanget  u  alle  goet  an,  Ruusl»:.  3,  62. 

2)  Overdrachtelgk ,  met  een  persoon  als  onder- 
werp en  een  ander  perzoon  in  den  3den  nv.  a) 
Enen  — ,  zieh  voegen  bg  iemand,  sieh  aansïui'- 
ten  by  hem.  ||  Ende  hi  aenhinc  enen  borger  van 
dyen  lande,  dien  buyten  op  sQn  dorp  gesondan 
heeft  om  daer  die  vereken  te  hoeden,  Boeek  v.  d, 
L.  Jhesu  176  b.  (Vuig.  Lue.  16,  16:  adhaesif). 
b)  Enen  — ,  zich  vastklemmen  aan  iemand  (met 
eene  bede),  by  hem  aanhouden, aandringen,  \\  Har 
en  was  genoech  nyet  dit,  so  dat  si  hem  zo  laagh 
aenhinc,  dat  si  anderwerf  ontflnc  antwerd  van  hem 
ende  gueden  troest,  Lutg.  H,  206. 

AENHANGINGE,  znw.  vr.  Zie  Aenhangen. 

1)  Abstract.  Aanhankelijkheid,  verkleefdheid.  \\ 
Van  alre  eertscher  becommeringhe  ende  aen- 
hanghinghe  der  dinghen  sellen  si  vri  wesen,  JVtfii 
Proza  76*  {Stemmen  140).  Die  der  werelt  antie- 
ringhe  ende  alle  aenhanghinghe  der  vleyscheliker 
dinghen  gestorven  waren,  269. 

2)  Concreet.  Aanhoorigheid,  \\  Mannen  .  .  . 
binnen  den  hertogedommen  van  Lothreike,  van 
Brabant  ende  van  Lymborgh  .  .  .  ende  hoeren 
aenhangingen ,  gerichten  ende  yegeliken  toebe- 
hoerten  geseten,  Brab,  T.  Dl. 2,  bl.  470(^.1349). 

3)  Dat  wat  bij  iets  behoort,  zonder  er  het  wezen 
van  uit  te  maken,  lat.  appendix,  \\  Die  uutwendige 
anhanghinge  des  menscheu,  als  zgn  slaet,  graet 
of  oerdene,  sine  schoenheit,  .  .  ,  s^n  habyt,  enz. 
Gerl.  Peters  206. 

AENHEBBEN  {hitdde,  gehot),  onreg.  zw.  ww. 
bedr.  Aan  of  in  zich  hebben ,  in  verschillende  op- 
vattingen. 

1)  Aan  zich  hebben,  aan  zich  dragen,  bevatten ^ 
als  iets  uiteriyks  en  zichtbaars.  ||  Enen  casteel . ., 
die  hadde  ane  menighen  tor ,  na  minen  wane ,  WaL 
2880.  Al  ghepeins  es  openbaer  voer  hem,  die 
tellet  alle  haer,  ende  wat  die  hemel  heeft  ane, 
Wap.  Mart.  I.  226.  Die  vlieghe  beet  enen  caluwen 
man  opt  hoeft,  die  geen  haer  hadde  an,  Esop. 
XXXVI,  1.  Merct  dat  Than  hevet  ane  der  cruce 
vorme  ende  haer  gedane ,  Franc.  1999.  Syn  ors  ende 
dat  hi  hevet  an,  Eleg.  347.  Den  man,  die  een 
wit  cleet  hevet  an,  Nat,  Bl.  II,  380  var.  Die 
vrucht,  die  hi  {de  palmboom)  hadde  ane,  ^.  III^, 
29,  50.  Die  mensche  .  .  .,  die  vleis  ende  Moet 
hevet  an,  OVl.  Oed.  3,  135,  412.  Dese  helege 
man,  doe  hi  dit  leven  adde  an.  Franc.  8008. 
So  goede  manieren  haddi  an,  dat  si  eiken  moch- 
ten behagen,  Velth.  V,  2,  10.  Cleder  aenhebben, 
Brab.  T.  II,  1924.  —  Een  onrecht  — ,  ieU 
kwaads  op  zijn  geweten,  op  zijne  rekening  hebben, 
er  aan  schuldig  zijn.  \\  Dat  si  elc  soude  doen 
verstaen  syn  gebrec,  ende  daerna  dan  diegene, 
diet  onrecht  had  an ,  sout  den  andren  beteren , 
Velth.  V,  6,  36. 

2)  In  zich  hebben,  als  iets  dat  tot  het  inneriyk 
wezen  behoort.  Verg.  Aen  voorz.  1 ,  1 ,  6)  en  by  w. 
1,  d).  II  In  laet  heden  dor  man,  die  so  grote  cracht 
heeft  an,  Lanc.  II ,  44671.  Die  godheit  nie  en  began , 
entie  mensceit  hevet  begin  an,  Sp,  III*  21, 29.  Dat 
so  edele  gedane  binnen  niet  en  hevet  ane  die  hope 
van  hemelrike,  UI*,  61,  29.  Ende  welc  si  meest 
hevet  ane  {van  de  vier  elewunten),  daer  na  trect 
sine  gedane ,  M,  e,  Vr,  Heim.  179.  Dat  dit  wonder 
hevet  grootheit  ane.  Nat.  BL  IV,  1073.  Opdat  hi 


109 


AENH. 


AENH- 


410 


doghet  hevet  an,  Teeat.  3069.  Die  redeniyc  yer- 
stMn  hebben  an,  Lsp,  lY,  9,  102.  Die  ziele 
heeft  vroetscap  ane,  Lueid,  2956.  Hi  heeft  an  die 
felste  natnere,  Amand  I,  3879.  üat  helicheden, 
die  hi  hadde  an,  II,  3014.  Ende  dit  heeft  oec 
groet  bedieden  an,  Yelth.  YI,  30,  9.  —  Spreekw. 
il  Een  onledich  wQf  ende  legghende  hinne  hebben 
yele  cakelens  aen,  kunnen  goed  kakelen^  hebben  die 
eigentehap^  Spreuk,  104. 

3)  In  neh  hebben  y  inhouden  ^  bevatten  ^  behelzen  <i 
zoowel  met  betrekking  tot  den  inhoud  (mimte) 
alfl  tot  den  tijd.  ||  Avontore  es  maer  een  woert, 
dat  IX  lettren  hevet  an,  Teett  1629.  Sine  misse, 
die  hi  dede,  en  hadde  niet  meer  aen,  roor  noch 
na,  dan  die  woorde,  .  .  die  Cristns  sprac  met 
zinen  monde  des  Donredaechs  ten  avontstonde ,  Ltp, 
II,  39,  174.  Nu  wil  ie  n  vort  cont  maken  dan, 
hoe  vele  ene  mile  hevet  an,  Natuurk,  253.  Ende 
elke  grote  sterre  es  int  firmament,  sp  seker  des, 
hondert  werf  meerre  dan  al  eertrike  heyet  an, 
563.  Een  walpuyt  biers  en  heet  niet  yele  ane,  als 
meynchs  {een  menech)  met  doerste  es  beringhelt, 
Plagerw.  351.  Zoo  ook  Lep,  II,  54,  71  en  Natuurk, 
1088  (yan  tyd). 

4)  In  {zich)  hebben,  vorderen,  vereisehen,  ||  Die 
tale  entie  wedertale,  ende  dat  bieden  alsoe  wale, 
ende  dat  eyscen  ....  hadde  mi  te  yele  yertrec- 
ken  an,  Yelth.  YI,  22,  27. 

5)  Met  den  3den  ny.  Ene  dinc  hem  — ,  iet» 
aan  zich  gehecht  hebben ,  eigenl.  het  zóó  hebben  dat 
het  hem  aanhangt,  \\  Dit  was  een  sere  stout  man, 
haddi  dbisdoem  wel  hem  an,  Yelth.  lY,  70,  36. 

AENHECHTEN.  Zie  Aenheften. 

AENHEFFEN  {hief,  hieven,  gehaven  of  ge- 
heven), st.  WW.  bedr.,  mnd.  anheven.  Zie  Hef- 
fen. Aanvangen,  beginnen,  ondernemen.  \\  Maer 
haesteiyc  hi  yan  daer  sciet,  ende  hief  weder 
aen  die  yaert  met  sinen  lieden  te  Bruessel  waert, 
JBrab,  T,  YI,  1484.  Int  jaer  yan  XII  .  .  .  hief 
die  hertoghe  ane  sQu  yaert  ten  lande  yan  Lutzen* 
borch  waert,  YII,  2853.  Notable  doctore  .  .  die 
haer  i«rste  lesse  .  .  in  harer  consten  elc  yan  hen 
ter  eeren  Gh>ds  . .  ierst  aenhieyen  ende  begonden 
opten  iersten  dach  .  .  der  maent  yan  Noyembri, 
YII,  16463—74.  Wes  (=  va/)  men  anheft  mittie 
vroede  dat  eyndet  gaerne  al  int  goede,  JfLoepJl, 
2155.  Ygl.  lY ,  180.  Si  hief  jammerl)jc  an  te  cla- 
gen,  III,  406.  Elk  richter  sal  bynnen  synen  ge- 
richte uutrichten  alle  saeken ,  die  in  synen  gerichte 
yallen  ende  angehaeyen  weerden,  R,  v.  Zutf.  143, 

18.    Ygl.  AENHEVEN. 

AENHEFTEN,  zw.  ww.  bedr.  mhd.  anhaften, 
anhe/ten;  mnd.  anheehten;  hd.  anhe/ten  en  anhaften, 
Vcuthechten,  eng  verbinden,  vastkleven,  ||  Dattu 
aengheheftet  ofte  aenghelijmet  biste  dinen  yleysche , 
dat  wonderlycke  zeer  onreyn  is ,  Bern,  S,  Sid,  Dat 
ander  lede,  daert  aengeheft  is,  dat  die  ghequetst 
werden,  Barthol.  97a, 

AENHEFTICH,  bnw.  st.  Blijvend,  duurzaam, 
ygl.  elefvaat,  \\  Dat  sal  guet  ende  anheftich  sQn, 
Ngh.  4,  4  yar.  (in  den  tekst  etaniafftich), 

AENHELEN  (aenheelen),  zw.  ww.  bedr.  Uit 
Aen  en  Helen,  heelen,  yan  heel.  Tot  een  geheel 
samenvoegen,  aaneenheehten ,  aaneenvoegen,  \\  Mir- 
thous  ginc  ende  brac  die  asse,  ende  heeldse  weder 
an  metwasse,  dat  niet  harde  yast  en  helt,  MLoep 
II,  2761. 

AENHETE  (aenheete),  znw.  m.  Samengesteld 
ait  Aen  (ohd.  ano,  mhd.  a»tf,M^,  nhd.oAi»), groot- 
vader en  Hate,  heete,  got.  atta,  ohd.  aUt,  atto , 
mhd.  atte^  opperd.  atti  {D,  Wtb,  1,  595),  ofri  atta, 


atha,  ettha,  Ifri.  heit,  heite  (Epkema  203),  yader. 
Yerg.  Diefenb. ,  Vergl.  Wtb,  1,  80.  Aenhete  is  dus 
de  grootvaders-vader,  overgrootvader,  in  Hmnl.  ge- 
woonlijk oudervader  geheeten.  Aenhete,  in  den 
verbasterden  vorm  at^the  komt  in  den  Gedderschen 
tongval  voor,  doch  in  den  zin  van  grootvader,  || 
Heren  Sander  van  Yosheym,  m^ns  wijffs  auythen 
ende  h.  Wolter  van  Yosheym,  synen  8oene,ritter, 
mgns  wijffs  vader,  Nijh.  3,  226  {a,  1404). 

AENHEYEN  {hoef,  hoeven,  gehaven,  geheven) , 
st.  WW.  bedr.  en  onz.,  mhd.  anheben\  mnd,  anheven. 
Zie  Heven. 

Bedr.  —  Aanheffen  van  een  lied  enz.  ||  Sy 
loefden  Gode  langhe  met  ymnen  ende  mit  sanghe , 
die  sij  vroliken  aeuhoeven,  Serv.  II,  708.  Mit 
herten  ende  mit  tongheu  hoeven  sQ  ane  den  Gods 
loff,  II,  1451.  Mit  vrouden  wil  ie  heven  aen  ende 
ie  wil  vrolic  singhen.  Hor.  Belg,  10,112.  Te  bant 
zo  solen  die  broeder  papen  hoechlike  aenheven  Te 
Deum  laudamus,  D.  Orde  278.  Toe  den  homissen 
salmen  venien  den  confiteor,  ten  zi  dan  datmen 
zie  aneheve  eer  men  den  confiteor  begint,  301. 

Onz.  —  Aanvangen,  beginnen.  Die  groet  armoede 
an  ziere  boert  anhoef,  begon  bij  zijne  geboorte, 
80  dat  menne  bewant  mit  crancken  doeken,  D. 
Orde  215  (in  den  tekst  verkeerdelyk :  è  hoef), 

AENHOGE,  znw.  vr.  Hetzelfde  als  Evenhoge 
(zie  ald.).  Belegeringswerktuig  van  gelijke  hoogte 
ale  de  muren  der  belegerde  plaats,  \\  Merkenburch, 
dat  hi  stormde  met  bilden  ende  mit  aenhogen, 
Matth.  Anal,  3,  247. 

AENHOREN.  zw.  ww.  onz.  en  bedr.  Mnd.  an- 
horen,  mhd.  anheeren, 

Onz.  —  (scheidb.)  Horen  in  den  zin  van  behoo- 
ren,  hd.  gehoren.  Met  den  3den  nv.  Behooren  tot, 
voegen,  passen  bij,  hd.  angehören,  \\  Artur  sette 
hem  dat  hi  wan  alle  die  horden  ten  berge  an, 
beide  steden  ende  vesten,  Lanc,  lY,  10088.  Desa 
nam  die  deghen  bout,  ende  met  hem  sine  ghebure 
mede,  die  met  groter  sekerhede  hem  tier  wilen 
hoorden  an,  Rijmb,  1628.  Dinct  u  dat  eens  coens 
mans  daet,  dat  hi  hem  selven  verslaet?  neemt, 
het  hoort  den  bloden  an!  29271.  Na  datter  mate- 
rien  hoort  ane ,  Zsp.  III ,  15 ,  32.  Om  dienst  te 
wederstaen,  die  hem  niet  te  rechte  en  hoert  aen, 
Ifelib,  3186. 

Bedr.  —  Horen  in  den  eigenleken  zin  van 
met  de  ooren  vernemen,  hd.  horen,  In  de  heden- 
daagsche  beteekenis  (hd.  anhoren),  zoowel  scheid- 
baar als  onscheidbaar  gebezigd.  ||  Aenhooret  roepen 
des  dienaers  dijn!  Lett,  N.  W,  b^ ,  95.  Doe  si 
gheanhort  adden  den  staet  van  den  edelen  prinche 
goet,  VI,  Bijmkr.  6163.  Mensche,  wie  bestu,  dat 
anehore,  Bincl.  232.  Wijf  ende  man,  die  dese 
niemare  hoerden  an,  Brab.  Y,  YI,  1617.  Seden.., 
die  goet  sgn  te  hoerne  ane,  II,  1856. 

AENHOUDEN  {hilt,  hielt  of  helt,  hilden,  gehou- 
den), st.  WW.  bedr.  Mnd.  onhelden, 

1)  Fasthouden,  vastklemmen,  ||  Hine  liets  niet 
dor  die  minke,  hine  hilt  tscip  an  metter  slinke, 
so  dat  men  hem  die  afslouch  thanden,  doch  hilt 
hi  tscip  an  metten  tanden,  Sp,  V ,  18,  67.  Waer 
by  dat  ie  dij  rade,  datstu  se  nederlegs  .  .  ende 
niet  meer  an  en  houdes.  Pelgrim  343. 

2)  Aanhouden,  herdenken,  vieren,  \\  Die  bisscop 
van  Utrecht  .  .  vercreech  die  lichamen  van  sinte 
Ponciaen  ende  van  Sinte  Agniete,  deen  YIII  dage 
na  den  anderen;  dat  men  zeder  die  tijt  jaerUx 
angehonden  heeft  alse  van  Ponssen  ende  van  Angen , 
Clerc  55.  Die  keyser  bescreide  lange  tyt  haer  doot 
ende  hilt  syn  droef  heit  lange  an,  Seven  W,  Iv, 


411 


AENH. 


AENC. 


112 


AENHOÜWEN  {Aieu,  hieuwen^  gehontaen)^  st. 
WW.  bedr. ,  mhd.  anehouwen  {:=.  angreifen).  Met  den 
3den  nv.  Bij  het  houioen  {van  een  beeld)  aanbrengen. 
II  Ënde  daer  sijt  sagen  gemene,  scorde  geënt 
beelde,  gemaect  yan  stene,  gene  marbrine  cledren 
rene,  die  hem  angehouwen  waren,  i^.  !• ,  81,  34. 

AEN JAGEN,  zw.   ww.    bedr.  en  onz. 

Bedr.  Met  den  Sden  nv.  —  Naar  iemand  of 
iets  toedrijven,  \\  Daer  dreven  cogghen  zonder 
man,  de  hem  de  wint  jaghede  an,  Stoke  IX,  833. 
Figuurlijk.  Enen  iet  —  iemand  iets  op  V  lijf 
jagen ^  het  hem  bezorgen,  \\  Coemt  ons  in  saterdaghe 
iemen  den  (/.  die)  strijt  ons  anejage,  daer  up 
houden  wi  ghene  wet,  Rijmb.  18921  var.  In  den 
tekst:  anl^he.  Zie  Arnleggen. 

Onz.  Komen  aanrijden,  voortrijden,  jj  Ende  alsoe 
jaghde  hy  vastelijc  an  sonder  ommesien,  Cron.  v. 
Finend.  2,  141. 

AENCAEP,  -cape,  znw.  m.  Van  Capen,  kijken; 
mnd.  kapen.  Zie  Gapen.  Ook  het  mhd.  kende, 
nevens  kapfen,  het  ww.  ankapfen^  aankijken  (Ben. 
1,  786,  n».  4).  Bekijk,  schouwspel,  in  schertsenden 
zin.  Te  aencape,  tot  bekijk.  \\  Dat  hi  dat  teyken 
des  cruices  van  sijn  voorhooft  wilde  verdriven , 
opdat  hi  den  volc  geen  ancaep  ende  spot  en  soude 
werden ,  Pass.  S.  159rf  (in  de  uitgave  verkeerdelijk : 
anclap).  Daer  hinc  die  eersaem  hoefsche  knape 
alle  der  werelt  te  aencape ,  MLoep  1 ,  2593.  — 
^Ben  aencaep  van  de  lien^^  leest  men  nog  in  den 
Zeeitschen  Nachtegael  I,  30.  —  Vgl.  A  EN  GA  EP. 

AENCALLEN,  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  ankallen. 
Iet  — ,  iem.  iets  mededeelen ,  vertellen.  ||  Nu  besiet , 
wildi  iet  van  mi,  sciere  calt  mi  ane,  Limb.  YIII, 
560. 

AENKEREN,  zw.  ww.  onz.  bedr.  en  wederk. 
mnd.  ankéren. 

Onz.  —  1)  Keeren  (naar  een  bepaald  doet),  zich 
ergens  heen  keeren.  ||  Hondert  ende  meer  der  heren 
deed  hy  weder  aenekeren ,  sy  drevcnse  aver  rugghe 
daertoe ,  Trogen  ƒ.  86«. 

2)  Met  den  3den  nv.  Enen  — ,  zich  tot  iemand 
keeren,  hem  aanhangen.  \\  Onse  here  wonde  pine 
sware  ghedoegen  omme  die  hem  keeren  an,  Sp. 
II*,  57,  42. 

Bedr.  —  1)  Enen  iet  — ,  iemand  iets  toe- 
voegen, het  hem  op  den  hals  schuiven.  \\  Ende  om 
voer  te  comen  die  onbehoerlicke  belastinge  die 
danleggers  den  verweerders  dageiicx  ankiren  int 
aenspreecken  mit  slichter  clagen,  Overijss.  Recht, 
I *  ,  209.  —  Enen  enen  ban  anekeren,  Aan 
een  der  schepenen  het  uitbrengen  van  het  schepen- 
vonnis  opdragen,  jj  Dairtenden  sullen  die  van  den 
rechte  voir  gaen  inder  vierscharen  ende  dieghene, 
die  (d.  i.  dien)  die  ban  anghekeert  was,  sal  seg- 
ghen  aldus  totten  rechter:  Heer  rechter,  wildi 
horen  tot  wat  ban  scepenen  staen  willen?  Matth. 
131.  Vgl.   BAN. 

2)  Enen  iet  —  gevolgd  door  het  voorz.  te  of 
voor,  iemand  iets  aanrekenen  voor  of  tot;  hem 
iet  —  te,  zich  iets  aanrekenen  tot,  iets  uitleggen 
of  duiden  als.  \\  Doet  eere  den  onwerden  man, 
hi  keert  hem  te  lachtre  an,  Sp.  I» ,  41,  33.  Be- 
holtlicken  voer  schuit  angekierde  schaden  ende 
lofftenissen,  salmen  sich  selven  mit  ede  vrijen, 
Overijss.    Recht,    I»,   206. 

Wederk.  —  Met  den  2den  nv.  der  zaak.  Hem 
eenre  dinc  — ,  zich  met  iets  bemoeien ,  zich  iets  aan- 
trekken, zich  aan  iets  storen,  er  aandeel  in  hebben,  jj 
Dat  hi  der  zaken  der  gheenredie  de  werringhe  maken... 
niet  licht  gheloove  en  wille  gheven,  noch  gheen 
Oijrodelijc  onderwijs  hooren  en  wille  in  ghecnre  wijs. 


noch  hem  ooc  aenkeeren  des  ,  Brab.  Y.  VII,  3533 — 
39.  Item  sal  die  goede  stat  van  Lovene  gheloven , 
dat  si  hare  des  raeds  van  Cortenberge  niet  aen- 
keeren noch  onderwinden  en  sal,  Br.  Y.  Dl.  2,  bl. 
579,  verg.  bl.  595.  Ware  dat  sake,  dat  si  hier 
namails  wisten  of  vernamen ,  dat  hem  ieman  aenkeert 
ocht  onderwonden  hadde  van  der  vorscreven  ondaet 
ende  opsette ,  .  .  dat  si  die  oec  mogen  doen  bannen 
ute  allen  onsen  landen ,  ald.  608.  (Dat)  alle  die  ghene, 
die  hen  der  goede  van  der  vorscreven  stede  onder- 
winden ocht  aenkeeren,'  goede  wettige  rekeninge 
doen  selen  van  jare  te  jare,  ald.  612. 

AENKERRE.  Zie  Akerre. 

AENCLEDEN,  zw.  ww.  bedr.  Aantrekken,  van 
kleederen  of  wapenrusting  gezegd.  ||  Wat  hi 
hadde  anegecleet,  beide  wapine  ende  ander  waden 
was  gescort  ter  meneger  staden,  Lanc.  11,44820. 

AENCLEET,  —  clede,  mv.  cleder,  znw.  onz. 
Een  kleed  dat  men  boven  de  andere  kleederen  aan- 
heeft, opperkleed.  ||  Alse  die  priester  die  misse 
reet,  tierst  dat  hi  dan  aneveet,  dats  dat  hi  sine 
hande  dweet  ende  trect  ute  sijn  anecleet.  Bed,  d. 
M.  153. 

AENCLEVEN,  st.  {claf  an)  en  zw.  ww.  onz. 
Met  den  3den  nv. 

1)  Grenzende  aan  de  tegenwoordige  beteekenis. 
Iemand  of  iets  aankleven,  nauw  verbonden  zijn 
met,  eigen  zijn.  \\  Dit  dinke  mi  dat  ons  anclevet, 
Sp.  I»,  70,  27.  Den  stoet  der  inglen  sal  haeraen- 
cleven,  Blisc.  v.  M.  1764.  Want  als  de  ziel  zo 
vast  ancleift  Natueren,  O VI.  Lied.  en  Ged.  418, 
126.  Zoo  ook  Wap.  Rog.  816;  Amand  II,  2734; 
Ruusbr.  2,  31,  38;  Ned.  Froza  44.  —  Om  die 
doecht ,  die  hem  claf  an ,  Met  hi  die  goede  coninc 
Jan,  Br.  Y.  VI,  713. 

2)  Iemand  aangaan,  betreffen,  toebehooren,  be- 
hooren  tot.  \\  Dat  si  den  hertoghe  van  Brabant... 
oft  den  drien  staten  slants  voorscreven  oft  iement 
anders  dient  mocht  aencleven,  aenspreken  en  sou- 
den nemmermeere,  Br.  Y.  VII,  13542 — 47.  Dat 
de  heere  ente  wet  dat  annemen  zouden  omme  danof 
te  ghesciene,  also  verre  als  ter  wettelichede  van 
der  stede  ancleven  mochte,  ZFl.  Bij  dr.  5,  160 
(a.  1380).  Dat  gheen  persoon  .  .  ,  die  vry  visch- 
coopere  .  .  es  int  vors.  ambocht,  ma«h  hebben 
mangheltucht  of  veynootschip ,  copende  of  ver- 
copende  penewaerden,  anclevende  der  maerct  van 
den  vorn.  ambochte ,  ald.  165.  Bevelende  .  .  allen 
onsen  anderen  rechteren ,  dieneren  ende  ondersaten , 
wiet  ancleven  mach ,  Priv.  v.  Brielle  2 ,  77  {a.  1476). 
Alsoe  vele  alst  hem  anclaf  ende  hy  .  .  intrest 
daer  toe  mochte  hebben ,  Gends  Chtb.  195  («.  1416). 
Alle  de  ghuene  die  elcx  stake  meer  ancleven ,  Cont. 
V.  Gent  627.  Dat  het  selve  stellen  van  den  Bail- 
lius  .  .  der  heerlicheit  van  onsen  heere  den  seer 
gheduchten  heere  .  .  ancleefde ,  Diericx ,  Mém.  1 , 
133  {a.  1455).  De  ghebueren  van  der  burchstrae- 
ten  .  . ,  mitsgaeders  de  ghene  dier  meer  ancleven, 
2 ,  662  (a.  1442).  Zaken ,  anclevende  der  makelaer- 
dien,  ZVl.  Bijdr.  5,  159.  Vgl.  O.  R.  v.  Dorflr, 
290.  —  Als  onz.  znw. ,  in  de  uitdrukking :  I  n 
een  — ,  eigenlijk,  in  één  verbonden  zijn,  d.  i. 
in  één  verband,  achtereen.  \\  Na  minen  besten 
hebbe  ie  gevisiteert  diversen  chroniken,  in  een 
aencleven ,  daer  ie  den  text  bi  hebbe  beseven ,  Vad. 
Mus.  4,  420,  52.  Elf  jaer  grave  in  een  aencle- 
ven, IV,  430,  289. 

3)  Enen  — ,  iemand  aanhangen,  aan  hem  ver- 
kleefd zijn.  II  Den  enen  sal  hi  haten  ende  den 
anderen  minnen,  of  den  enen  ancleven  ende  den 
anderen    veronwerden,   Hs.    v.    1348,     172^.    Een 


113 


AENC, 


AENC. 


114 


oetmoedicli  minlic  aencleven  mii  minnen  aen  onsen 
lieven  heren  God,  Devoet  B,  (30)  16r. 

AENCLEVENESSE,-znw.    vr.    Aankleving,    \\ 
Sondic  doen  snlc  een  onreinigheyt ,  my  zonde  ghe- 
scien  der  scanden  aencleyenesse ,  Belg.  Mm.  6 ,  65. 

AENCLEVER,  znw.   m.   Hij  die  met  een  ander 
nauta  verbonden  f#,  met  hem  gemeene  zaak  maakt.  \\ 
Synen  medeplegeren  oft  aenklevers ,  Handv.  v.  Enkh. 
39a  {a.  1482). 

AENCLEVICH  (aenclevech)  ,  -ige  of  -ege^ 
bnw.  Iemand  aanklevend^  aanhangend.  ||  Te  weder- 
staen  die  van  Utrecht,  Montfoort,  ende  henre 
anclevighe  partijen,  Enq.  120. 

AENCLIMMEN  {cl-am ,  clommen ,  geelommen) ,  st. 
WW.  onz.  Met  den  3den  nv.  Naar  iets  toe-  of  op- 
klimmen. II  Ende  clam  alleene  den  swerke  ane, 
Bijmh,  4706.  Lat.  y^ascendit  ad  caliginem.^"*  Elders, 
in  gelijken  zin,  dimmen  aen,  als:  Daer  hi  clam 
an  die  cmce  twaren,  Rijmb.  13107. 

AENCLOPPEN,  zw.  ww.  bedr.  Iemand  aantik- 
ken, aanroepen,  jj  Ist  saec  dat  si  minlic  van  n 
angecloppet  wert  ende  angheroepen,  si  sel  n  niet 
ontbreken  in  nwer  noet,  Devoet  B.  (36)  77r. 

AENCNIBBELEN,  zw.  ww.  bedr.  Enen  iet 
— ,  Aem  iets  uit  achraapzucht  aansmeren ,  b.  v.  werk 
tegen  gering  loon,  hem  afschepen  met.  yg\.  afknib- 
belen  {Ned.  Wdb.  en  Freq.  1,  283).  ||  Die  haren 
dienres  ende  horen  arbeyders  qnaet  loen  aenknib- 
belen  willen  of  si  connen  ende  gheven  hem  min ; . 
dan  si  verdient  hebben,  Con.  Som.  21b. 

AENCNOPEN  (cnochte,  gecnocht),  onreg.  zw. 
WW.  bedr.  Verg.  Cnopen.  Enen  iet  — ,  aan 
iemand  iets  vastknoopen,  er  hem  mede  binden.  || 
Reinaert  stont  ende  sweech  al  stille  ende  sach 
sine  viande  lopen ,  die  hem  dat  strec  an  waen- 
den   cnopen,    Rein.  I,   2020.  Vgl.  aengecnocht. 

AENCOMEN  (quam,  quamen,  gecomen  of  comen), 
onreg.  st.  ww.  onz.  Mnd.  ankomen. 


I)  Met  een  persoon  als  onderwerp. 

1)  - 


Aankomen,  naderbij  komen,  naderen.  \\  Die 
ghene  qnam  noch  bat  an,  ende  gaf  hem  noch  enen 
slach ,  Belg.  Mus.  1 ,  31 ,  166.  Dinghelsche  qnamen 
vaste  ane,  8,  256,  68.  (Als  daer)  die  van  den 
Bossche  met  haer  ghewelt  ende  Meierien  aencomen 
waren,  Brab.  Y.  VII,  15064.  Comt  an,  ende  sit 
op  minen  waghen  beide,  Limb>.  I,  488.  —  Ook  in 
den  zin  van  opkomen,  verschijnen,  t.  w.  door  een 
opontbod.  II  Daer  waren  si  hondert  comen  an 
jegen  enen  shertogen  man,  Velth.  II,  48,  51.  Wat 
meenteman  omme  alsnlcke  nytbodinghe  aencompt, 
dat  zal  men  hem  beteren  ende  gelden,  Schwartz. 
1  ,  580  4  {a.  1466). 
2)  Gevolgd  door  het   voorz.  te  of  den  2den  nv. 

a)  Eigenlijk.  Tot  iets  komen,  ergens  aankomen, 
iets  bereiken.  \\  Hi  es  vroe  ter  salen  comen  an, 
RiJmb.  18268.  Doe  si  quamen  der  rootsen  ane, 
9606.  Doe  hi  der  stat  qnam  an,  logierde  hi  daer 
met  sinen  here,  Velth.  V,  13,  10. 

b)  Fignurlijk.  Tot  iets  komen,  tot  iets  geraken.  \\ 
Daer  bi  die  XX  versiegene  man  ten  live  quamen 
weder  an,  8p.  III*,  70,  57.  Daer  qnamen  si  ere 
voorworden  an,  RiJmb.  9861  (Lat.  convenit  inter 
eos).  Dns  quamen  si  des  soendinx  an ,  Stoke  II , 
344.  Ende  metten  soudieren  soudi  dan  siere  stucken 
comen  te  bat  an ,  Velth.  VI,  14,  29.  —  Ook  zon- 
der de  bepaling  met  te  of  den  2den  nv.,  maar 
gevolgd  door  een  afhankelijken  bijzin.  ||  Hoe  hi 
sonde  comen  an,  dat  hi  sénte  Martine  kinne,  Sp. 
III*,  49,  10  (O/'hire   te  leien?). 

S)  Met  den  3den  nv. 

a)  Enen  — ,  iemand  otitmoeten,  hem  tegenkomen. 


II    Deerste  die  ons  comen  an, . . .  soe  wye  dat  sy , 
die   sel   ons   scheyden  desen  twy,  Hild.  54,  110. 

b)  Enen  — ,  tot  of  bij  iemand  komen,  zich  tot 
hem  wenden,  bij  hem  voegen.  \\  Q,}i9.m.  hem  een  pro- 
phete ane ,  RiJmb.  14090.  Judas  die  stoute  quam  hem 
ane,  19016.  Menech  sieke  quam  hem  ane,  23336.  Hem 
quam  an  een  aerminc . .  ende  hi  bat  hem  omme  een 
cleet,  Sp.  III*,  39,  6.  Naer  dese  bede,  na  desen 
rouwe  quam  hem  snachts  an  onse  Vrouwe,  III', 
36,  27.  Eene  weduwe  quam  hem  an,  III*,  29,7. 
Aerme  quamen  hem  eens  ane,  III*,  44,  71.  Die 
duvel  quam  (hare)  ane,  III*,  50,  83.  Doch  es  hi 
ontlopen  dane,  ende  quam  den  Grave  van  Gelre 
ane,  daer  hi  seker  onthout  vant,  Stoke  II,  1281. 
Wane  quam  u  dese  man  ane?  Limb.  I,  482. 

e)  Enen  — ,  zich  aan  iemands  zijde  scharen,  zijne 
partij  kiezen,  zich  als  bondgenoot  bij  hem  voegen.  \\ 
Twee  dusent  kerstine  hem  ancomen,  Sp.  IV',  14, 
89.  Dor  hem  quam  Jhesuse  volc  ane ,  RiJmb.  24948. 
Daer  quam  hem  ane  menech  man,  Velth.  II,  48, 
71.  Daer  quamen  hem  an  .  .  van  allen  landen  .  . 
liede,  V,  3,  52.  Daer  hem  anequamen  gesellen, 
Sp.  nv,  32,  39. 

d)  Enen  — ,  op  iemand  afkomen  met  vijandige 
bedoeling,  hem  op  V  lijf  komen,  aanvallen,  over- 
vallen, aangrijpen.  Verg.  Aengaen  onz.  7,  a, 
a,  2».,  en  het  aangemerkte  bij  Aenwassen  II, 
2).  II  Maer  die  Romeine,  alst  wel  sceen,  quamen 
hem  so  swaerlike  ane ,  dat  sise  alle  jageden  dane , 
Sp.  III*,  2,  30.  Te  Dockinghen  daer  quamen  hem 
aen  die  onbekende  wilde  Vriesen,  Stoke  I,  194. 
Die  grote  diere  .  .  die  selen  den  deinen  dieren 
dan  fld  hemelike  comen  an,  Velth.  VII,  13,  19. 
Sine  spaerden  peert  noch  man,  wien  si  consten 
komen  an ,  Grimb.  1 ,  5052.  Hi  ware  hare  oec  wel 
comen  ane ,  maer  die  sonne  verginc  entie  mane ,  Limb. 
XII,  423.  —  Enen  met  rechte  — ,  iemand  in 
rechten   aanspreken,  een  eisch   tegen  hem  instellen. 

II   (Hi)  quame  den  anderen  mit  recht  an  om  sijn 
smaj*te,  Malth.  212. 

e)  Enen  — ,  iemand  in  den  bloede  bestaan,  met 
hem  verwant  zijn.  \\  Wat  .  .  wesekinderen  gegoet 
zijn  tot  200  ffi  HoUants  of  daer  omtrent,  sullen 
hebben  twie  voichden,  die  een  voicht  van  der 
doder  zgde  hem  aencomende,  ende  die  ander  van 
der  levender  zijde  aengaende.  Leid.  Keurb.  175,65. 

II)  Met  eene  zaak  als  onderwerp. 

1)  Van  kleederen  of  WA^enen.  Aan  het  lij  f  komen, 
gedragen  worden.  ||  Goede  wapene  sijn  ju  ghereet : . . . 
sine  quamen  in  neghen  jaren  ane,  fTal.  5905^8. 

2)  Toekomen,  gebeuren,  geschieden.  \\  Dus  hiet 
hem  God,  dus  quaemt  ane,  dat  si  namen  een  ram 
lam ,  RiJmb.  4070.  Oec  seget  mede  sente  Jan ,  dat 
cortelike  sal  comen  an ,  Velth.  VII ,  21 ,  73.  Doch 
so  quamt  hem  also  an,  als  hem  riet  van  Renesse 
her  Jan ,  dat  si  voeren  toter  Goude ,  Stoke  VIII,  1253. 

3)  Aanvangen,  beginnen,  opkomen.  ||  DatGriecse 
rike  coemt  hier  an,  RiJmb.  18469.  Daerbi  en 
soudemen  niet  eten  dan  vor  dat  die  hongher  quame 
an,  Doctr.  III,  1055.  Tonghemac  quam  ane  van 
dranke,  Fersl.  en  Ber.  IV,  11,  135.  Ghi  hebbet 
selden  vernomen ,  die  geluckech  waren  int  anecomen, 
dat  si  lange  geduren  conden,  Velth.  I,  3,  45. 

4)  Met  den  3den  nv.  Enen  — ,  tot  iemand 
komen,  hem  bereiken.  ||  Benette  dijn  ansichte, 
ende  dan  en  sal  di  dit  vier  niet  comen  an.  Vod. 
Mt$s.  4,  321,  287. 

5)  Met  den  3den  nv.  Met  allerlei  aandoeningen, 
ervaringen  enz.,  als  onderwerp. 

a)  Enen  — ,  iemand  overkomen,  overvallen,  bij 
iemand  plaats  hebben,  in  goede  opvatting.  ||  Wane 


115 


AENC. 


AENL. 


116 


qnaemt  een  heidinen  ane ,  dat  hi  Gods  none  nomen 
sonde  eer  hi  mensche  werden  wonde?  Rijmh. 
16430.  Haer  sonde  meer  bliscepe  comen  an ,  24032. 
Doe  qnam  den  rovers  stoutheid  ane,  28062.  In 
die  dageraet  qnam  haer  an  een  vaec ,  dat  si  slapen 
began,  Sp.  I^,  65,  181  var.  Meerre  hope  qnam 
mi  noit  an  dan  np  hare  diene  wan,  JHtp.  423. 
Een  bekeren  qnam  mi  doe  ane,  so  dat  ie  began 
te  verstane ,  dat  ie  genesen  sonde  wel ,  Velth.  VIII, 
33,  21.  Snachts  na  syn  bidden  ende  loven  soe 
qnam  hem  an  een  visioen,  Lucid.  4794.  Doe  him 
meerjaren  qnamen  aen,  MLoep  I,  1985.  So  groet 
gepens  qnam  mi  doe  an,  Rote  1427.  Entie  nacht 
comt  mi  ane ,  Limb,  1 ,  135.  Doe  qnam  hem  an  een 
roepen  zwaer,  Sp.  17»,  77,  89. 

h)  Enen  — ,  iemand  overkomen^  overvallen ^ aan- 
grijpen^  in  ongnnstige  opvatting.  ||  Comt  di  qnaet  an , 
Hê,  V,  1423 ,  23Sc.  Doe  qnam  hem  een  groot  dorst  an , 
Rijmb.  8132.  Dies  qnam  hem  an  gramscep  groot, 
18070.  Qnam  hem  andiejnchtso  groot,  19693.  Doe 
qnam  hem  an  een  hoest  so  groot,  21729.  Daer  qnam 
hem  ane  een  wint  so  Bwaer ,  jSJp.  IV" ,  61 ,  33.  —  een 
mist,  Rijmb.  29088.  —  een  vaer,  9678.  Hem  qnam  an 
een  groot  zweet,  Sp.  IV» ,  48, 104;  een  evel,  I»,  10, 
38.  Eer  hem  de  scade  cornet  an,  Stoke  V ,  1010.  Ie  ne 
mmet  doer  ghene  noet,  de  mi  anecomen  mach,  IX, 
494.  Qnam  hem  an  een  groot  siecte  in  syn  lede ,  Brab. 
r.  VI,  11524.  Maer  al  evel  ende  blentheid  moet  den 
valschen  oghen  comen  an,  Esop.  LVII,  26.  Omsiec- 
heit  die  hem  aneqnam ,  Velth.  1 ,  1 ,  16 ;  verg.  1 ,  35 , 
9.  Alse  hem  die  noet  comt  ane,  VII,  23,  10.  Te 
Fonteneel  so  qnam  heta,  an  die  doot,  i^.  III* ,  48, 
104.  Of  hem  die  doet  qnam  an  sinen  licluïem. 
Wrake  III,  1363.  Quame  u  enegerande  ane  mes- 
qname  in  vremden  lande,  lAmb.  XI,  1163.  Heme 
qnam  snlc  dinc  an,  Ferg.  2144.  Voirt  so  en  sall 
onse  .  .  .  here  sine  stede,  slote  noch  lande  ver- 
copen ,  versetten  noch  veranderen  bnyten  noit  {nood) , 
ende  off  hem  noit  anqueem ,  dat  Got  verhuede,  so  sall 
he  sine  ridderschap  ...  dat  doin  verknndigen, 
Ngh.  3,  372  {a.  1419).  Waert  dat  ons  strQt  aen- 
quaem,  D.  B.  Exod.  1,  10.  —  Met  een  bgw.  van 
wijze.  II  (Een)  dranc,  .  .  .  soer  ende  bitter,  die 
hem  herdelike  aneqnam.  Vod.  Mut.  1 ,  338,12. 
Dattet  hem  zwairliken  anecomt.  Leid.  Keurb.  14,  9. 

6)  Met  den  3den  nv.  Enen  — ,  iemand  aan- 
of  toekomen^  alt  aandeel;  toegevoegd  toorden^  te 
beurt  vallen.  ||  Ende  at  alsulc  als  hem  qnam  an 
cruut  dat  an  den  velde  wies,  Flandr.  I,  703. 
Entie  een  deel  des  gewan ,  also  alst  hare  qnam  an, 
hilt  over  een  cleenoet  diere,  Sp.  III*,  44,  137. 
Grote  gichte,  de  heren  Wolfaerde  herde  lichte  an 
waren  comen  van  den  kinde,  Stoke  VI,  1205. 
Moerder ,  ribande ,  hoeren  mede,  men  weet  wel  dat 
die  rychede  desen  drien  decke  aencomen,  OVl. 
Oed.  3,  119,  533.  —  Inzonderheid  van  land  en 
vaste  bezittingen.  ||  Lodewike  qnam  Aelmaengen 
an,  Stoke  I,  811.  Amout  wordt grave van Hollant, 
als  de  gone  dient  van  rechter  gheboerten  anqnam, 
1 ,  862  ,  vgl.  1037.  Den  ontsten  Florens  . .  qnam  dat 
graefscap  met  rechte  ane,  II,  454.  Dien  de  crone 
van  den  rike  van  Romen  bi  der  kneren  anqnam, 

III ,  728.  Dat  si  den  ghenen  tlant  opgaf, . . .  dient 
niet  mochte  comen  an,  III,  1259.  Dat  hi  een 
conincrike  wonde  vercopen  dat  hem  was  comen  an, 

IV,  804.  Dat  hem  na  den  heiligen  man  Gregoriuse 
dbisscopdoem  qnam  an,  Sp.  II',  30,  68.  Dat  hem 
tlant  al  qnam  an,  Brab.  T.  IV,  1250.  Dontste 
hiet  Heinrijc;  mer  hi  werd  lam,  dat  (zoodat)  hem 
thertochdoem  niet  aneqnam ,  Velth.  1 ,  36 ,  25.  Een 
deel  van  tslijck,  dat  hemaencoemt,  Mieris 2, 140a 


(a.  1314).  syn  lant  dattem  aneqnam  in  te  predekene, 
Sp.  1%  48,  22.  Zoo  ook  I»,  10,  50.  —  Ook  ge- 
volgd door  het  voorz.  op^  in  plaats  van  den  3den 
nv.  Op  enen  — ,  iemand  ten  deel  vallen,  \\  Op  so 
wie  dat  dese  thiende  verstorve  ofte  aenqname ,  Mieris 

2,  1536  {a.  1315).  Waer  dat  hi  storve  zonder 
wittachtighen  sone,  so  soud  {dat  ambocht)  weder 
anecomen  op  Heere  Dierike,  264a  {a.  1321). 

7)  Met  üen  3den  nv.  Van  een  bericht  gezegd. 
Enen  — ,  iemand  ter  oore  komen ^  bekend  worden. 
Verg.  ons  aanbrengen.  \\  Alset  qnam  der  werelt 
an,  dat  soe  kint  drouch  sonder  man,  Sp.  I*,  41, 
9;  verg.  Amand  I,  829.  Ende  (want)  ons  daeren- 
boven  ancoemt  van  zynen  vrienden, dat m<., Mieris 

3,  1003  (a.  1359). 

8)  In  ae  ruimere  opvatting  van  het  ww.  comen  ^ 
voor  zich  uitstrekken  tot  zeker  punt^  geldt  Jen- 
comen  in  de  byzondere  beteekenis  van  Aanliggen, 
aangrenzen.  \\  Terde  Indien  .  .  .  daer  comt  ane 
sekerlike  die  wilde  see  Oceane,  ende  banderside 
comter  ane  groet  geberchte  ende  wilt  lant,  Yst, 
BI.  2240.  (Doch  men  kan  ook  ane  met  daer  ver- 
binden.) 

AENCOPPELEN,  zw.  ww.  bedr.  FaêtAeekten, 
verbinden,  vereenigen.  ||  Gheanneziert ,  anghehecht 
ende  anghecoppelt  ant  scependom  vander  vorseider 
stede  vander  Sluus,  ZFl.  Bijdr.  4,  66. 

AENCRIGEN,  st.  ww.  bedr.  Enen  iet  — , 
iete  voor  iemand  winnen.  ||  Die  heer  heeft  my  ghe- 
sent  .  .  tot  deser  provinciën,  daer  ie  hem  gheen 
cleyn  volc  anghecreghen  en  hebbe ,  Bern.  W.  2d. 

AENCRISCEN,  st.  (creesc)  ww.  bedr.  Vgl.  hd. 
ankreiechen ,  ndl.  aankrijten,  mnd.  ankrejeren.  Enen 
iet  —  hem  iett  toeachreeuwen ,  toeroepen,  doch  zon- 
der de  onaangename  gewaarwording  te  wekken, 
die  by  ons  krijschen  onvermiideiyk  is.  ||  Si 
krijschen  hem  an  mit  mildeliker  troesteliker 
stemmen :  „weert  n  nu ,  mine  stoute  knechten ,  ghi 
vrome  ridderlike  heelden!^*  Con.  Som.  74  b.  Dus 
kryschen  si  hem  an  alle  tyt,  75a. 

AENLACHEN  {loech,  loegen,  gelachen),  st  ww. 
onz.  Met  den  3den  nv.  Enen — ,  iemand  toelachen, 
hem  vriendelijk  bejegenen,  vleien.  ||  Dat  menich  op 
hem  sonde  grimmen . . . ,  die  sinen  vader  na  haer 
vermoghen  aenloeghen  ende  haer  knien  boghen, 
Brab.  r.  VII,  6611. 

AENLAET,  „Aen-laet,  vetus,  j.  oorsaecke.'* 
Kil.  Ook  by  Plantyn.  Hd.  anlatz. 

AENLAME.  Zie  ALLAME. 

AENLAGE ,  znw.  vr. ;  mhd.  hd.  anlage  (=  drin- 
gende bede),  mnd.  Anlage  {hinderlaag). 

1)  Kwelling,  aanranding.Ngl.  KE}iL\QGE^la\  \\ 
Den  ghenen  die  persecutie  Uden,  dat  es  verdriet 
oft  anelaghe  der  liede,  Hs.  v.  1348,  2^bc.  Dat  si 
bereet  souden  siin  om  sinen  wille  {te  dragen)  al 
dat  men  hem  doen  mochte  met  versprekene  in 
ieghenwordecheit  oft  in  anelaghen  hemelrike  of  in 
achterspraken  oft  in  ere  te  benemene  (1.  injegen- 
wordecheit  oft  hemelike,  oft  in  anelaghen,  of  in 
achterspr.)  ald.  246a. 

2)  Kil.  vetus :  impemae ,  tumptu* ,  onkosten.  Vgl. 
te  koste  leggen  aan  iets,  en  hd.  anlage  met  ons 
aanleg. 

AENLANGEN,  zw.  ww.  bedr.  Van  Langen, 
reiken.  Enen  aenlangen  is  alzoo,  naar  iemand 
reiken,  hem  zoeken  te  benaderen,  by  uitbreiding, 
aantasten ,  aanvallen ,  in  vyandelgken  zin.  Hd. , 
mnd.  anlangen.  \\  Ditmarssen  is  noch  vry;  maer 
het  is  vaeke  angelanget  ende  aengesocht  van 
heeren  en  fursten,  en  meest  van  den  coninck 
vau  Denemarken,  en  den  Hertoch  van  Holstein, 


H7 


AENL. 


AENL. 


118 


met  grooten  oorloge,  Matth.  Anal.  1,  68.  Dese 
landen  sijn  menich werven  aengelanget  en  aengesort 
Tan  groote  heeren  en  fursten  met  oorlocli  ende 
met  groot  gewelt  te  becrachtigen ,  ald.  69. 

AENLATEN  (liet^  lieten^  gelaten),  8t.ww.  bedr. 
Elliptische  uitdrukking:  sie  Ned,  Wdb,  op  Aan- 
laten. 

1)  Enen  iet  — ,  iemand  iete  laien  behouden, 
het  aan  gijn  zorg  toevertrouwen,  \\  Die  coninc  dede 
nu  gewes  der  worde  die  hi  hem  behiet,  doe  hi 
bQu  here  an  hem  anliet,  Lanc,  III ,  21680.  Dariuse 
liet  hi  ane  tlant  van  Meden,  j^.  I* ,  2,  64. 

2)  Enen  — ,  iemand  in  gijne  betrekking  doen 
bUJven,  II  Wanneer  dat  mense  {die  raetslude)  yer- 
nuwen  sel,  soe  selmer  een  van  den  ouden  anla- 
ten  .  . ,  ende  die  selt  bliyen  dat  ander  jair  al  uut , 
Zeid.  Keurb.  10,  1. 

AENLECH,  'legge,  znw.  m. 

1)  Tan  Aenleggen.  Een  haak  of  kram ,  waaraan 
men  iete  vastlegt.  Hd.  anleg,  „an  einigen  orten 
eine  angelegte  klammer"  (Grimm  1,  896^  ||  Van 
4  gaspen  ende  2  anlegghen,  daer  men  aie  valle- 
brugghe  mede  opslnut,  Bek,  d.  Graf,  1,  438. 

2)  „Aen-legghe,  vetus.  Aetio,  aceueatio" 
Kil.  Zie  Aenleooen  5,  /,  fi).  De  yorm  aenlegghe 
by  Kil.  is  onsuiyer;  het  is  de  verbogen  naamval, 
de  nom.  moet  aenleeh  geluid  hebben,  gel^k  thans 
nog  aanleg  in  de  benaming  rechtbank  van  eersten 
aanleg, 

AENLEGGEN  (leget,  leeeht  of  leit;  leide  ook 
leekte,  lachte;  geleget,  geleecht,  geleit  of  gelach^, 
onreg.  ew.  ww.  bedr.  Mnd.  anleggen. 

1)  Yan  een  schip.  Het  doen  landen,  het  aan  den 
wal  vastleggen  om  lading  in  te  nemen.  De  heden- 
daagsche  beteekenis.  ||  Si  .  .  leyden  haer  scip  aen 
mit  haesten  ende  namen  ende  bilden  al  ghesont 
daer  in ,  Fass  W,  1170. 

2)  Yan  gebouwen.  Ze  beginnen  te  maken,  te 
bouwen.  II  Oec  was  tier  tijt  anegeleit  die  tome 
(die)  aen  de  visschemart  stelt,  Edew,  1127.  — 
Ook  met  den  Sden  nv.  Iet  —  ere  dinc,  iets 
beginnen  te  maken  aan  eene  zaak,  het  er  aan  bouwen. 
II  Hier  om  leyden  si  enen  groten  tempel  dat  fon- 
dament aen  al  ront.  Pass.  W.  M. 

3)  Yan  geld.  Tot  een  bepaald  doel  aanwenden, 
besteden.  \\  Dyt  geit  hevet  hi  vast  tot  nntticheit 
der  Busteren  angelacht,  ende  tymmerden  in  den 
iersten  een  coecken,  D.  Var.  7,  34.  —  Ook  uit- 
schieten, voorschieten.  ||  Ist  dat  men  enich  werck 
vindt,  dat  hem  niemant  en  beljet,  dat  salmen  be- 
steeden ende  des  heeren  geit  anleggen  ende  weder 
inhaelen  als  recht,  O.  K.  v.  Delft  I,  30,  11. 
Wiene  (de  haring)  coopt,  die  sal  offslach  {korting) 
hebben,  wes  hy  hem  bynnen  dyer  teelt  angeleit 
heeft,  sonder  verbuemesse,  K.  v.  Briel  115,  9. 
Noch  daerenboven  te  betalene  alle  de  ghene,  die 
de  voors.  stierluyden  aengeleyt  Eelen  hebben  van 
dier  reysen,  162,  21.  Zoo  ook  153,  24. 

4)  Iet  —  tot  ere  dinc,  iets  bij  iets  anders 
leggen,  het  er  bij  voegen,  er  bij  optellen.  \\  Twee 
hondertwarf  dusent  milen,  ende  88  hondertdusentech 
milen,  ende  daertoe  lech  42  dusent  milen  an,  so 
hevestu  die  hoecheit  dan  tusschen  der  erden  ende 
Jupiterre,  Natuurk.  478  (verg.  488,  502).  Milen 
20  dusentech  ende  vier  hondert,  daer  toe  lech  29 
milen  der  an,  dien  ommeffanc  hevestu  dan,  1681. 

6)  Met  den  3den  nv.  des  persoons.  Enen  iet 
— ,  eigenlek  iets  bij  of  tot  iemand  brengen, maken 
dat  het  aan  hem  is,  in  verschillende  opvattingen. 

d)  Iemand  iets  aanleggen,  opleggen,  op  het  hoofd 
leggen,  van  de  handen,  by  zegening,  enz.  ||  So 


wien  ie  die  bande  anlegghe,  dat  hi  den  heilighen 
gheest  ontfanghe,  Hs.  76  f.  lAOc. 

b)  Iemand  iets  voorleggen,  het  hem  voorzetten, 
van  spgs  enz.  ||  Men  der  mageden  lichamen  ont- 
tede,  ende  vnlletse  met  gersten  dan,  ende  leidse 
so  den  swinen  an,  Sp.  Il',  29,  22. 

c)  Met  den  4den  nv.  der  zaak  of  het  obj.  in 
een  afh.  b^zin.  Iemand  iets  voorleggen,  voorstellen, 
hetz^  een  aanbod,  hetzg  een  verzoek;  meest  Aan- 
zoek doen  om  iets.  Yerg.  Aenliooen  6).  ||  Ende 
leide  hem  ane,  ....  dat  sine  geme  name  nu, 
maer  Torec  ne  wilde  haers  niet,  Lane,  III,  25220 
{Torec  2096).  Ende  leiden  hem  dat  ane,  dat 
sine  wonden  .  .  aenbeden  als  enen  god ,  Lsp.  II , 
15,  61.  Ende  ofte  hi  machtich  is  dan  te  doene  dat 

Si  hem  legt  an,  III,  3,  413  f  verg.  409).  Eenrid- 
ere  die  leide  haer  an  minne ,  aat  si  hadde  onwaert , 
Torec  1095.  Wildi  ene  dinc  bestaen,  die  ie  u  sal 
leggen  aen ,  Fragm.  Carl.  81.  {Die  duvel)  quam  vor 
hfu*e  in  mans  gedane,  omme  quaetheit  haer  te 
lecghene  ane,  Sp.  II*,  14,  101,  vgl. 26. U sone leit 
mi  spade  ende  vroe  ane  om  sine  vriendinne  te  sine , 
lAmb.  1 ,  1234.  Hi  begonde  haer  an  te  leggen  ende 
van  s^nre  liefte  te  seggen,  MLoep  II,  4057.  Doen 
leide  men  daer  den  Hertoge  an,  oft  hi  wilt  sijn 
conincs  man,  Yelth.  YI,  14,  47.  Dies  hen  bad 
ende  an  dede  lecgen,  YI,  18,  55.  Want  sijt  den 
vrouwen  tierst  aenleggen ,  zij  doen  bij  haar  het  eerst 
aanzoek,  zij  beginnen  er  van.  Vod.  Mus.  1,  63, 
191.  Ende  leyde  vast  den  coninc  an  .  .  off  hi  .  . 
hem  leren  mochte,Hild.  18, 165.  Als  heer  Henrick 
dyt  den  gueden  Inden  anlechte ,  soe  hebben  si  sich 
willich  bewgst,  D.  War.  7,  33.  Overmits  aen- 
legghen,  op  voorstel,  initiatief,  der  vrouwen  leefden 
sy  menich  jaer  daema  in  een  reyn  leven,  Hs. 
88,  ƒ  49rf. 

fiQ  Iemand  iets,  t.  w.  een  gebod  of  bevel,  op- 
leggen, voorschrijven ,  gelasten.  Yerg.  Aensetten.  || 
Dit  gebot  leidi  hem  ane,  Sp.  111%  7,  46.  Enten 
leeken  anegeleit,  dat  niemen  tharen  dienste  gaet, 
lY*,  70,  8.  Daer  na  leidemen  hem  ane  dat,  .  .  . 
dat  men  ongelt  name  omtrent,  Yelth.  lY,  8,44. 
Den  Hertoge  van  Brabant  haddi  ontboden  in  sijn 
lant,  ende  leide  hem  ane  dat  hi  ware  sgn  man, 
YI,  13,  21. 

e)  Iemand  iets ,  t.  w.  eene  bejegening  met  daden 
of  woorden,  aandoen,  doen  ondervinden.  Hetzij  in 
goeden  zin:  ||  Die  vrouwe  dede  hem  groten  vrede , 
grote  liefde  leyde  sy  hem  an,  MLoep  I,  2143. 
Datmen  hem  gene  ere  ne  leide  an  als  enen 
geesteliken  man.  Franc.  2887;  hetzQ  in  kwaden  zin 
(de  gewone  opvatting),  en  dus  zooveel  als:  Doen 
verduren,  aandoen.  \\  Die  hem  alle  dagen  aneleiden 
vele  swaerre  plagen,  III ^,  37,  61.  Hem  leiden 
die  quade  Arriane  vele  torments  ende  pine  ane, 
III»,  55,  81  (vgl.  n»,  51,  20).  Dien vinc Cosdroe 
ende  leidem  au  kaerker  ende  menech  sware  bant, 
III* ,  9 ,  30.  Ende  hi  engheene  scade  en  leide  ane 
den  kerstenen  kerken  noch  sameningen,  II*,  66, 
90.  Het  is  die  menige  op  eertrijc  so  duldich,  so 
wes  men  hem  anleyt ,  het  dunct  hem  goet ,  al  waert 
een  leyt,  MLoep  II ,  1250.  Daer  hem  DenQs,  een 
quaet  tyran ,  vele  onwerden  leide  an ,  ^.  I ' ,  34, 13. 
Enen  passie  aneleggen,  II*,  29,1.  Diehemselven 
onwerde  leide  an,  II* ,  46,44.  Tormente  . .  leide  hi 
den  salegen  kerstenen  an,  II*,  6,  24.  Dat  hi  hem 
rouwe  te  grot  aneleit,  11^,  4,  48.  Doch  en  lech 
mi  cracht  niet  ane,  den  rechten  salegen  wech  te 
gane,  II',  27,  25  (Yinc.  me  ne  prohibeas).  Wat 
pinen  men  hem  leide  ane,  Brab.  Y.  II,  3483. 
Nochtan  sal  iet  haer  leggen  ane ,  Limb.  YI ,  1268. 


119 


AENL. 


AENL. 


120 


Belastingen  ende  zwaernesse,  die  hem  angeleyt 
mocht  werden,  V.  d.  Wall  442  (a.  1417).  Ende 
worde  hem  enige  last  hier  om  angeleyt  van  yemant, 
Aid.  —  ËYonzoo  in  toepassing  op  eene  mondelinge 
bejegening.  ||  Die  duvel  heyet  hem  ouseget  ende 
dorpre  worde  angeleget,  Sp.  III* ,  37,  43.  So  dat 
hijt  sineri  here  seide,  die  hem  dese  antworde 
anleide,  I',  67,  63.  —  Enen  ene  maledixie 
(enen  vloec)  aenleggen,  iemand  veroloeken.\\ 
Doe  vloecti,  als  ie  scriven  sal,  want  hys  ant 
serpent  began,  ende  leide  hem  drie  vloeke  an, 
Rijmè.  702  var.  Dat  hi  gereit  ten  muere  ga  ende 
hi  anleit  die  maledixie  ten  vianden,  5jd.  II*,44,  30. 
Aanm.  Kwalijk  leest  men  Rijmb.  18922:  lemen 
die  ons  strijd  anloffe,  voor  anl^tde.  Doch  de  lezing 
is  zeer  twijfelachtig,  blijkens  de  varianten.  Wel- 
licht te  verbeteren:  daer  ons  strijt  an  lage, 

f)  Iemand  ieU^  t.  w.  een  voorwerp,  aU  eigen- 
dom toeleggen y  toekennen,  \\  Der  kerken  vate 
dede  hi  dicken  smelten  ende  breken  in  sticken, 
ende  loestere  mede  die  ghevane ,  oft  hi  leit  aermen 
lieden  ane,  Sp,  III*,  30,  73.  Wien  dat  sijt  oec 
altesamen  vercopen  willen  of  aneleggen,  Stoke  I, 
434  (Lat.  „vendere  vel  manciparè*''), 

g)  Iemand  iett^  t.  w.  een  titel,  eene  hoedanig- 
heid, handeling  enz.,  toekennen,  toeschrijven.  \\ 
Maer  hem  die  meneghe,  alsmen  seghet,  lettel 
virtuut  anleghet,  Nat  BI.  XII,  1018.  Augustus 
name  leide  hi  hem  ane,  Sp.  11^,  2,  14.  Die  hem 
keysers  name  anleide,  III*,  1,  18.  Dat  si  onsen 
goden  niet  an  en  leget  godheit,  maer  dat  sise 
du  vele  seget,  II»,  3,  115.  Si  leggen  ane  oec  god- 
heid groet  Marcurinse,  die  was  een  dief,  II ',20, 
54.  Anthiocus  in  allen  doene  was  ene  figure  van 
Antekerste ,  bedie  mach  men  sonder  verste  die 
anelecgen  Antkerste ,  Velth.  VII,  8,  31.  Die 
u  noynt  smette  leyde  an,  Amand  I,  823.  — 
Naarmate  de  hoedanigheid  enz.,  die  men  iemand 
toekent,  eene  goede  of  kwade  is,  doet  zich  deze 
beteekenis  in  twee  verschillende  opvattingen  voor : 

a)  In  goeden  zin,  in  de  gewone  uitdrukking: 
—  Enen  prijs  (lof)  aenleggen,  iemand  lof 
toekennen,  hem  prijzen,  \\  Men  mach  hem  niet  so 
vele  prjjs  anleggen,  noch  so  grote  doget  spreken 
noch  ere,  daer  en  esser  in  tweewerf  mere,  Lanc. 
II ,  14172.  Dat  men  aldus  goeden  man  met  logene 
prijs  leget  an,  Sp.  lY',  29,  39.  Die  Fransoys 
vortmeer  albloet  sente  Maximine  lof  anleide,  II", 
6,  91.  Dat  men  hem  prijs  aneleget,  I",  68,  5. 
Dat  hem  Eusebius  prijs  aneleget,  II*,  4,  36.  Dat 
wi  den  vordren  prijs  leggen  ane,  7V^*^.  239.  (Men) 
leget  hem  ane  enegen  prijs,  249. 

I?)  In  kwaden  zin.  Enen  iet  — ,  iemand  eene 
handeling  toekennen  of  toeschrijven,  dus  ze  hem 
aantijgen,  te  laste  leggen,  hem  er  van  beschuldigen, 
II  Men  teech  desen  ende  leide  an,  dat  hi  hadde 
enz.,  Sp.  III*,  32,  48.  Ten  leste  leide  men  hare 
an,  dat  soe  geplogen  hadde  onwet,  IV*,  43,  30. 
Si  leiden  hem  ane ,  dat  hi  gheseit  hadde  dat  men 
den  keyser  enghenen  chens  eu  soude  gheven ,  Hs.  v. 
1348,  SOla.  Dien  hi  verdebrake  leide  an,  Fl. 
Rijmkr,  3140.  Dat  men  hare  onrecht  aueleide,  Sp, 
III",  72,  42.  Die  ondaet,  die  hy  hem  aenleit, 
Matth.  198.  Alsser  twist  ghebuert  es ,  zo  vermach 
de  scoutheeten  den  delincquant  te  ontbieden  ter 
vierschaere  ende  hem  anlegghen  zulck  faict  als 
hy  maintineert  ghebuert  zijnde,  Cout,  v,  Brugge 
1 ,  323.  Gracie  .  .  van  dat  hemlieden  .  .  by  den 
zelven  burchtmeester  . .  gheheescht  ende  annegeleyt 
was  2, 174.  Van  den  mesusen  ende  offencien  hem  by 
mynen  heeren  scoutheeten  .  .  by  eerlicken  dinghe- 


dach    annegheleyt,     175.    Hiertoe    behoort    mede, 
wederom  in  gewijzigde  opvatting,  het  zeggen:    || 
Ie  bidde . .  dattu  ons  dese  sonde  niet  an  en  legges, 
die   wi   sottelic   gedaen  hebben,   D,  B,  Num,  12, 
11,  d.  i.  ydat  gij  ze  ons  niet  toerekent?'* 

6)  Uit  de  uitdrukking  Enen  iet  aenleggen, 
iemand  van  iets  beschuldigen,  ontwikkelde  zich  die 
van  Enen  aenleggen  (van  iet),  iemand  aan- 
klagen ,  waarin  de  persoon  in  den  4den  nv. ,  en  de 
zaak,  welke  iemand  te  laste  wordt  gelegd,  werd 
uitgedrukt  door  eene  bepaling  met  van  of  wel  geheel 
weggelaten.  ||  Ende  daden  met  enen  subtilen  kere 
den  Joden  oec  in  Blrabant  pine:  si  leiden  hen  ane 
van  fenine ,  Brab.  Y,  V ,  5040.  Ie  wille  weten  wat 
du  segs ,  ende  waer  bi  du  mi  anelegs ,  Mask,  252. 
Waers  enech  loy  of  recht  dat  seyt,  den  ghenen 
diemen  aneleyt ,  van  wat  condicien  dat  hi  si ,  hine 
mach  hem  ontsculdeghen ?  segt  mi,  407.  Alst 
comt  datmen  den  ghenen  roeft  diemen  eigst  (1.  eisgt, 
eischf)  of  aneleyt,  hen  es  van  den  aenlegghere  niet 
gheseyt,  520.  Desen  wech  ende  dit  anelegghen  en 
can  met  rechte  niemen  ontsegghen,  825.  Dat  si 
altoes  den  schamelen  man  mit  quaiden  woerden 
legghen  an,  MLoep  IV,  921  (verg.  927). 

Aanm.  Als  men  elders  in  den D. ^. leest :  nWaer 
om  hebstuut  mg  anegeleitV*  I  Sam.  28 ,  12 ,  ter  ver- 
taling van :  „  Quare  imposuisti  mihi  ?"  (Vuig.) ,  dan 
geeft  ons  dit  geen  recht ,  aan  aenleggen  ook  de 
beteekenis  van  bedriegen  toe  te  kennen.  De  ver- 
taler heeft  het  lat.  imponere  niet  verstaan  en  het 
letterlijk  —  maar  geheel  onjuist  en  onhandig  — - 
door  aenleggen  vertaald.  —  Over  Aenleggen,  ver- 
keerdeiyk  gebruikt  voor  Aenliggen-.  zie  de  Aanm. 
bij  Aanliggen. 

AENLEGGERE  (aenlegoï^r),  znw.  m.  Mnd. 
(aenlegger),  zuw.  Mnd.  anlegger. 

1)  Geldschieter,  Vgl.  Aen LEGGEN  3)  ||  Welke 
boeten  de  heer  ende  aenlegghers  verhalen  zelen 
aenden  reeder  oft  an  den  stierman,  K,  v,  Briel 
153,  24. 

2)  Degeen  die  eerst  aanzoek  doet,  de  eerste  be- 
ginner. Verg.  Aenleggen  5,  e).  Kil.  Aenleggher, 
auctor,  primus  motor.  \\  Dat  woert  Gods  is  die 
aenleggher  ende  beghinnet  die  woerde  alreëerst, 
ende  nodet  ende  vermaent  die  siel  mit  hem  te 
spreken ,  Stemmen  163. 

3)  De  uitdager  tot  een  tweekamp ;  de  beschuldiger 
die  een  ander  iets  te  laste  legt  en  aanbiedt  zijn  goed 
recht  met  de  wapenen  staande  te  houden.    Verg. 
Aenleggen  5 ,  g  |9)  ,  Aenlech  en  Aenlegginge.  jj 
Nu   sijn  te  crite  die  kimpen  comen.  Karel,  diese 

heeft  ver  nomen ,  dagde  eerst  Gyote , want  hi 

aneleggere  was,  Lorr,  II,  3678.  Elegast  quam 
ierst  int  crijt ,  om  datti  aenlegger  was ,  Eleg.  1284. 
Si  camen  voer  ten  crite  gevaren,  om  dat  si  ane- 
leggers  waren  optie  joncfrouwe  van  der  moort, 
Flandr.  V,  90.  Her  Winter,  om  dat  gi  aenlegger 
sijt,  so  doet  ooc  na  der  campen  gise.  Wint.  en 
S,  398. 

4)  Uit  de  beteekenis  van  uitdager,  beschuldiger 
ontwikkelde  zich  de  tweeledige  opvatting  van: 

d)  In  de  middeleeuwsche  rechtstaal.  Degeen 
die  een  rechtsgeding  begint,  de  Eischer,  Zie 
Oudenh.  Z.  Holl.  489,  495  {passim).  Verg.  ons 
rechtbank  van  eersten  aanleg ,  d.  i.  waar  de 
eisch  het  eerst  ingesteld  wordt.  ||  Telken  gbe- 
diiighe,  so  wetti  wale,  horen  emmer  drie  per- 
sone.  Nu  eest  recht  dat  ie  die  tone:  dene  es 
die  juge,  dander  daenlegghere ,  die  derde  es  die 
wedersegghere.  Den  juge  sie  ie  openbaer;  dat  ie 
aenleggher   ben,   dats   waer,   want  men  in  mine 


d2i 


AENL. 


AENL. 


122 


citacie  siet;  maer  den  sculdi^hen  en  sie  ie  niet, 
Mask.  366 ;  zie  nog  ald.  522.  Den  selven  Willemme 
als  eesschere  ende  aenlegghere,  Gout.  o.  Brugge 
1,  675. 

b)  Degeen  die  een  strijd  hepjii  ^  üq  Aanvaller.  \\ 
Qnest  hy  den  aenlegger,  om  hem  te  verweren, 
Matth.  193.  Vgl.  aenvechter. 

AENLEGGINGE,  znw.  vr. 

1)  JaTtzoei,  verzoeking.  Verg.  Aenlegoen  5,  c).  \\ 
Si  wert  bi  hem  overmits  sijn  subtile  aenlegghinge 
bedroghen  f   ende    hi   ghecreech    haer  maechdom, 
Oesta  Rom.   ISd.  Overmits  die  bedrieghelike  aen- 
legghinge ....  des  duvels,  Idc. 

2)  Aantijging,    beschuldiging,    klacht.   Zie   Aen- 
LEGGEN  b,g,^),  Aenleggere  3, a)  en  Aenlech.  |l 
Yan  munÜicken  oft  scri£ftlicken  baetschappen  {bood- 
schappen)  off  anlegginge,  Nijh.    6,  75  {a.  1477). 

AENLEIDEN,  zw.  ww.  bedr.  Vgl.  ons  aanleiding. 

1)  Enen  — ,  iemand  geleiden,  brengen,  voeren 
naar  een  persoon  of  een  plaats,  die  wordt  aan- 
gewezen door  het  voorz.  aen.  ||  Dien  die  ver- 
maledide  honden  mit  banden  ongenadelic  bonden, 
ende  leyden  eerst  tot  Annas  an ,  Keiler ,  Mnl.  Oed.  14. 

2)  Enen  — ,  iemand  aanvoeren  ten  stryde.  || 
De  Lndikers  dreychden  hem  doot  te  slaen ,  om  dat 
hise  niet  geringe  aenleyden  en  wilde,  Exc.  Cron. 
156  b.  —  In  denz$lfden  zin:  Enen  anegeleit 
b  r  i  n  g  e  n.  ||  Doen  qaamen  beide  die  scaren  voort. 
Dene  brachte  geleid  ane  selve  die  grave  van  Yiane, 
Orimb.  I,  4286.  Zie  verder  by  bringen. 

AENLEIDERE  (aen leider)  ,  znw.  m.  Verg. 
Aenleiden  2).  Leider,  aanvoerder,  hoofddader.  || 
Die  aneleider  verboerde  tien  pont  ende  die  vol- 
ghere  tien  scellinghe,  Handv.  v.  Kennem. ,  a.  12d2 , 
in  Oorkb.  2,  376b,  en  Handv.  v.  Westfriesl.,  a. 
1299,  ald,  507  a\  verg.  Mieris  2,  91  i.  Ende 
yemant  de  dacrmede  ware  an  vare  of  an  velde ,  an 
rade  of  an  dade,  daer  willen  wijt  mede  an  rechten 
ghelike  of  hi  handadich  of  aenleyder  daer  of  ware, 
U.  V.  Utr.  63,  117.  Dat  een  eerste  lit  wel  wraeck 
doen  mach ,  opdat  een  aftersusterkynt  een  anleyder 
is.  Dingt.  v.  Delft  45.  Soo  wie  dat  vermaende  zijne 
vrinden  met  voorrade  ende  met  hen  vgven  of  daer 
booven  zijne  vyanden  sochte  ende  daer  mede 
vochten  .  . ,  die  aenleyder  verboerde  tien  pont  ende 
die  volgers  tien  schellingen.  Lams,  Kennem.  4. 
Hoe  nae  maech  hg  wesen  sal,  die  anleider  wesen 
sal  np  C  ende  D,  te  vaen  ende  te  slaen.  Dingt. 
V.  Amst.  24. 

AENLENEN ,  zw.  ww.  onz.  Hd.  anlehnen.  Leunen, 
eene  leunende  houding  aannemen,  zonder  bepaling 
der  zaak ,  op  welke  men  leunt ,  die  naar  het  heden- 
daagsch  spraakgebruik  by  aanleunen  vermeld  moet 
worden.  ||  Tot  alle  onser  Liever  Vrouwen  getijden 
sullen  alle  die  susteren  recht  opstaen  sonder  aenlenen 
.  .  .  . ;  mer  tot  alle  ons  Heren  getijden  so  mogen 
die  susteren  anlenen,  Hs.  bij  Steenwinkel  op  Sp. 
HisL,  Aantt.  bl.  118. 

AENLEVEREN,  zw.  ww.  bedr.  In  iemands 
handen  leveren,  voldoen.  ||  Die  een  helffte  van 
der  jaerrenthe  yerst  an  te  leveren  ende  te  betalen 
op  sente  Remeyss  dach,  Nijh.  4,  259  (a.  1452). 

AENLIDEN  (leet,  leden,  geleden),  st.  ww.  bedr. 
Zie  LiDEN.  Enen  wech  — ,  een  weg  beginnen  ie 
gaan,  inslaan.  ||  Enen  woesten  wech  leden  si  ane 
drie  dachvaerd  doer  die  woestine,  Rijmb.  19172. 

AENLIËN  {liede,  lijde  of  lijede ,  geliet  oi gelijt), 
zw.  WW.  onz.  Zie  Liën.  Met  den  2den  nv.  Be- 
lijdenis doen  van,  bekennen  te  behoor  en  tot.  |(  Wive, 
kindere  ende  man,  die  der  kerken  lijeden  an,  Sp. 
JUS  38,  86. 


AENLIGGEX  {leget,  leecht  of  leit;  lach,  lagen 
gelegen) ,  st.  ww.  onz.  Mnd.  anliggen. 

1)  Aan  of  op  eene  zekere  plaats  (die  hetzy 
genoemd  wordt  of  uit  het  verband  moet  opgemaakt 
worden)  neder  liggen,  daar  liggen,  ook  gelegerd  zijn. 
Nog  heden  is  aanliggen  in  gebruik,  bepaaldelyk 
voor  aan  tafel  liggen,  lat.  accumhere.  Verg.  ook 
aanzitten,  waarbij  dezelfde  ellips  plaats  heeft,  en 
boven  bij  Aenlenen.  \\  Vor  sine  porte  lach  hi  ane, 
Sp.  III»,  79,  47.  Eer  si  dat  iet  wisten ,  waren  die 
somer  sine  gereden ,  daer  die  coninc  Loth  lach  an, 
Merl.  28164. 

2)  Met  den  3den  nv.  Van  eene  landstreek  gezegd. 
Zóó  lig g gen  dat  zij  aan  een  andere  grenst  of  paalt, 
dus  gretizen  aan,  \\  Tlant  van  Yrcane  .  .  es  hem 
anegheleghen  west,  Sp.  I*,  21,  54.  Desen  lande 
leget  ant  zuden  (1.  an  tzuden  d.  i.  te  zuden) 
lant  van  wonderliken  Inden,  I*,  28,  15.  Ende 
leget  Grieken  oec  ane,  I*,  34,  58.  Ende  dcde 
begripen  op  een  myl  na  Grueningen  een  stede ,  die 
hem  angelegen  was,  ende  dede  die  begraven, 
Matth.  Anal.  3,  315. 

3)  Met  den  3den  nv.  Van  hoedanigheden,  eigen- 
schappen ,  of  wel  van  kwade  of  onaangename  dingen, 
enz.  gezegd.  Enen  of  iet  — ,  iemand  of  iets 
aankleven ,  eigen  zijn ,  er  aan  of  in  zijn ;  ook  liggen 
aen  luidende,  d.  i.  aan  o  f  in  iemand  of  iets  gelegen 
zijn.  Zie  Liggen  en  verg.  Aen  (voorz.  I,  1,  b) 
en  Aenhebben.  ||  Soet  roder  es  in  sijn  ghedane, 
so  hem  meer  prijs  leghet  ane,  Nat.  Bl.  XIII,  23. 
Wie  so  hem  niet  en  versaghet,  .  .  ende  ghene 
ghiericheit  anleghet,  Sp.  I" ,  53,  20.  Groete  begerte 
leit  ons  ane ,  te  sieue  onsen  brueder  vrome ,  II  * , 
46,  26.  So  wien  dat  quaetheit  groot  anlach,  II*,  27, 
30.  Slaepstu  als  die  (=:  dien)  ongeloeve  anleget, 
II*,  68,  12.  Gelyc  oft  ware  ene  plage,  die  der 
werelt  anelage,  III'  ,  39,  21.  Ende  hem  die  soet- 
heit  lage  ane  van  den  erdschen  paradise,  III*,56, 
38.  Dat  hi  omme  die  nutscap  sage,  die  den  kerstijn- 
heide  anelage,  III*,  14,  13.  Die  wijsheid,  die 
hem  lach  an,  Rijmb.  21956.  Valentiniane  .  .,  dien 
noch  lach  ane  kintscheit,  Sp.  II*,  79,  12. 

4)  Met  den  3den  nv.  Van  verschillende  zaken. 
Enen  of  iet  — ,  aan  of  bij  iemand  of  iets  gelegen 
zijn,  en  daardoor  last  veroorzaken;  met  een  byw., 
als  b.  V.  lastich ,  verbonden  (vgl.  7a) ,  iemand  of  iets 
drukken.  ||  Want  dese  saken  hem  seer  lastich  an- 
lagen,  Matth.  Anal.  3,  377. 

5)  Met  den  3den  nv.  Van  verschillende  zaken. 
Enen  of  iet  — ,  aan  of  in  iemand  of  iets  gelegen 
zijn,  er  betrekking  op  hebben,  iemand  of  iets  be- 
treffen. II  Ende  liet  hem  horen ,  al  datten  gelove 
lach  ane,  Sp.  I' ,  42,  10. 

6)  Met  een  persoon  in  den  3den  nv.  Enen  — , 
iemand  (inzonderheid  met  eene  vraag  ofbede)^^»' 
klampen ,  aan  boord  komen ,  en  wel  bij  aanhouding, 
dus:  bij  iemand  aanzoek  doen,  aanhouden,  aan- 
dringen, een  voortdurend  Aengaen:  zie  ald.  onz. 
7,  a,  rt,  lo.)  en  verg.  Aenleggen  5,  c).  \\  Dus 
sciet  Lanceloet  van  sinen  magen ,  die[n]  baden  sere 
ende  anelagen,  dat  hi  nine  lite  in  gere  manieren 
hine  quame  te  Karmeloet  tomieren,  Lanc,  IV, 
3241.  Des  began  si  hem  vragen  .  .  Soe  lange  lach 
si  hem  daer  an ,  dat  hi  haer  seggen  began ,  Eleg.  893. 
Sin  gheselle  hadde  z waren  rauwe  ende  lach  hem 
vriendelike  an,  Denkm.  3,  166,  52.  Sy  seyde  dat  hi 
hoer  aenlach  van  minne  altoes  nacht  ende  dach,  MLoep 
II,  483.  Dus  lach  hem  Bavo  so  vele  an  met 
beden,  Amand.  II,  1387.  Ende  lach  hem  an  met 
temptacien  groot,  I,  5769.  Met  beden  neerenstelic 
hi    Gode   anlach,   IX  Best.  314.  Du  ligs  mi  met 


123 


AENL. 


AENL. 


12^ 


vragene  an,  IV  Mart.  621.  Si  lagen  hem  so  vaste 
ane ,  dat  hi  beten  moeste  ende  eten ,  Lajic.  II , 
11730.  Om  dat  hi  hem  nacht  ende  dach  vandesen 
so  vaste  anlach,  IV,  7517.  Al  leget  n  yemen  van 
minnen  an ,  Vod,  Mum,  1 ,  400 ,  98.  Si  lagen  hem 
an  ende  baden,  i^.  III',  42,  38.  Die  duvel  lach 
hem  an,  vtrzocht  hem^  III*,  35,  26,  111%  ^) 
68.  Gode  anliggen.  Bed,  d,  M,  8.  Die  provoesten 
van  den  wercken  laghen  hem  an  ende  seiden ,  2>.  B. 
Exod.  6,  13  (Vnlg.  mttabant),  Doe  sy  hem  niet 
mit  gemake  en  liet,  ende  si  hem  veel  dagen  een- 
paerliken  anlach,  Bicht  16,  16  (Vuig.  jugiter 
adhaereret).  Doe  hi  hoer  aenlach  mit  tranen ,  Pats. 
W.  12  b.  Verg.  Lanc.  III ,  14948 ,  IV ,  630 ,  Bijmb. 
11008,    Sp.  II»,   21,  22,  Pats.  W.  60  c,  «w.  — 

Aanm.  Beeds  vroeg  vindt  men  in  denselfden  zin 
ook  iienleggen  gebesigd,  door  de  reeds  oudtyds 
gewone  verwisseling  van  liggen  en  leggen.  Ook  kan 
Uit  (3de  praes.)  zoowel  van  liggen  (=  legef)  als  van 
Ugg^  (=  leggef)  komen.  Vgl.  b.  v.  Limb.  1, 1234.  || 
Hi  leyde  horen  vader  an ,  deed  aanzoek  bij  Aem,  MLoep 
IV,  1133.  Die  anleide  noch  heden  mi  van  minnen, 
Vergi  226.  Dat  gi  haer  gisteren  anleit  van  minnen , 
257.  Met  sconen  worden  leide  hi  hem  an ,  Sp.  III* , 
35 ,  47.  Soe  leidem  emmer  ane ,  omme  kerstyndoem 
tontfane,  III*,  5,  51.  Om  haer  aenleggen  {aan- 
dringen) soe  riep  Sibilla  een  prophetisse ,  Patt.  W, 
131  d.  Doe  began  de  rechter  hem  mit  veel  smekende 
woorden  an  te  leggen,  Pats.  S,  254  c.  Waert  dat 
dan  eneghe  van  ons  heeren  kinderen  of  haren 
mannen  ons  .  .  aenspreken  wouden  oft  aenlegghen 
als  hem  tontfane  voor  onsen  heere ,  Brab.  Y.  Dl.  2, 
bl.  474  {a.  1354).  Dat  het  es  die  swaerste  slach, 
dien  (/.  Die)  lanshere  anlegghen  mach,  dat  hi 
hemselven  al  (/.  an)  te  wel  ende  den  sinen  es  vree 
ende  fel ,  Heim.  49  (naar  de  lezing  bQ  Clarisse.  In 
den  tekst  bjj  Kausler  leest  men:  „Die  landsheere 
hebben  mach").  Op  al  deze  plaatsen  had  in  zuiver 
mnl.  aenliggen  behooren  gebruikt  te  zQn. 

7)  Met  een  persoon  in  den  3den  nv.  Enen  ^, 
ievMnd  {feitelijk)  aan  boord  komen ,  tot  hem  komen , 
dus  hem  overvallen.  ||  Alse  Walewein  dat  gesach, 
dat  hem  die  nacht  dus  anelach,  Lane.  III,  19280. 
—  Meest  van  v^andelyk  overvallen  of  aanvallen  ge- 
zegd (verg.  ohd.  anaügan^  Graff  2,  86).  Wederom 
een  voortdurend  Aengaen:  zie  ald.  onz.  7,  a,  a, 
2).  Derhalve:  a)  Van  personen.  Aanranden ^  be- 
stoken, teit teren,  ||  Aldus  hi  hem  sere  anlach  so 
dat  hi  hem  lettel  ocht  niet  van  sinen  scilde  geheel 
liet,  Lanc.  II,  1184.  £lc  van  hen  trac  synswaert, 
ende  hebben  elc  andren  angelegen ,  II ,  7096.  Soene 
die  coninc  meer  moeden  sach,  soe  hi  hem  meer 
anelach,  ende  ginc  soe  sere  op  hem  slaen,  II, 
35173.  Hi  lach  hem  aen  met  omminnen,  ende 
dreefse  achter  wart  met  crachte,  Parth.  5351.  Fhil- 
lip ,  die  dit  wel  sach ,  der  eere  na  der  andere 
anlach,  onthier  ende  hise  onderdode,  Sp.  I*,  9, 
21.  Dattem  die  heidine  so  swaer  anlagen,  III*, 
88,  10.  Die  Tuerken,  die  hem  anelagen  zware, 
IV*,  12,  48.  Verg.  nog  Lanc.  II,  18678,  29045, 
III,  6784,  IV,  9380,  9388,  Sp.  II*,  10,  94,  enz. 

b)  Van  aandoeningen,  ervaringen,  kwade  of 
onaangename  dingen,  enz.  Overvallen,  overkomen, 
aangrijpen,  t  w.  by  aanhouding,  en  dus  kwellen, 
deren.  In  vele  gevallen  vloeien  de  beteekenissen  3) 
en  Ib)  ineen.  ||  Als  den  hont  siecheit  anleghet, 
so  eet  hi  gras  of  ander  cruut.  Nat.  Bl.  II,  746. 
Elc  part  datmer  mede  gorde,  genas  ter  vaert, 
lach  hem  enege  siecheit  an,  i^.  II*,  59,  47.  Alse 
(alt  zé)  die  here  bedroevet  sach ,  vragedi  wat 
jiem  anelach,  IW,  29,   7.  Dese  drie  plagen  lagen 


hem  an,  I^,  80,  15.  Dat  mi  dese  lac  anelage  , 
I^,  19,  79.  Twee  jaer  lach  hem  ellende  so  ane ,  II*, 
9,  16.  Alse  hem  gramscap  anelach,  IV',  2,  31, 
Brab.  T.  II,  1793.  Want  hem  orlo^  anelach,  Sp. 
IV*,  63,  27.  Hi  hen  seit,  wat  quader  gepeisehen 
anleit  {^anleget),  II*,  60,  35.  Grote  vreese  hem 
anelach,  Bijmb.  28962.  Dat  den  Romeynen  vrese 
anlach,  27990.  Te  grote  meltheit,  die  den  lieden 
te  swaer  aneleit,  Bote  5520.  Om  groten  noet  ende 
commer,  die  ons  ende  onsen  gemeinen  lande  .  . 
aenghelegen  heeft  ende  noch  aneleghet,  Brab.  T. 
Dl.  2,  bl.  567  {a.  1358).  Omme  den  groten  noet, 
die  ons  op  dese  tiit  aeneleghet  van  oerloghe,  V.  d. 
Wall  185  {a.  1340).  Om  noets  wille,  die  onsen 
lande  ende  Inden  aenlach,  312  {a.  1376).  Alre- 
hande  treflike  noitsaken,  die  hem  kenliken  aen- 
gelegen  hebben  ende  eensdeels  noch  anliggen , 
N|jh.  3,  286  (a.  1409). 
AENLOOP,  znw.  st  m.  Van  Jenlopen. 

1)  Loop,  koert,  van  geld.  ||  Dat  die  voirs. 
sullen  aenloop  ende  curss  hebben  geiyc  die  andere 
gevalueerde  gulden,  Belg.  Mat.  3,  92. 

2)  Aanval.  ||  Den  aenloop  der  kerstenen  was  so 
snel  dat  geen  van  hem  allen  en  mochte  boge 
spannen  noch  hem  ter  weer  stellen,  JSxc.  Oron. 
los  e.  Waer  bi  dat  die  landen . .  van  allen  aenlopen 
ende  oorlogen  beschermt  ende  in  goeden  rusten  . . 
ghehouden  mochten  werden,  234«.  Hy  dede  tym- 
meren  dat  casteel  van  Vredelant  .  .  tiegens  die 
anloop  der  Heeren  van  Amstel,  Matth.  Anal.  3, 
164.  Herman  wert  swaerlic  gewont  in  den  eersten 
aenloop,  180.  Die  Vriezen  .  .  besaten  dat  casteel 
te  Vollenho,  dat  si  anstormden  mit  menighen 
herden  anloop,  2,  204. 

AENLOPEN  {liep,  liepen,  gelopen),  st.  ww.  onz. 
Veelal  met  den  3den  nv.  of  het  voorz.  te.  Mnd. 
anlopen, 

1)  Enen  -~-,  op  iemand  aanloopen,  hem  te 
gemoet  loopen,  \\  Drie  man  comen  in  enen  pat:.. 
Abraham  die  liep  hem  ane,  Bijmb.  1778.  —  Ook 
zonder  bepaling ,  in  den  zin  van  toeloopen ,  altyd  even- 
wel met  het  by  denkbeeld,  dat  dit  op  iemand  geschiedt. 

II  Ter  stont  an  die  ander  side  so  coemt  hem  een 
ridder  te  gbemoet.  .  .  Die  paerden  lopen  an  ende 
altyd  die  een  of  die  ander  wert  afgesteken,  Oetta 
Bom.  200a. 

2)  Te  eenre  st]at  — ,  ergent  heen  loopen,  er 
naar  toe  loopen.  ||  Tfolc  van  Israël  sloecht  al,  sonder 
die  hadden  tgheval  dat  si  ten  vesten  liepen  an,  Bijmb. 
6853  var.  Vgl.  Clerc  152:  Als  tvolc  dese  vreemde 
mare  hoirden,  liep  een  ygelic  ter  zeewaert  an. 

3)  Enen  — ,  op  iemand  aanloopen  of  aanrijden 
met  vijandige  bedoeling,  hem  aanvallen.  ||  Hector 
wert  erre  daer  hy  staet,  metten  swerde  liep  hy 
hem  an,  Troyen  f.  87a.  Ende  die  van  Duay  liepen 
hem  an  ende  versloegen  wel  seven  hondert  man, 
Velth.  rV,  48,  85.  Mettien  hi  toeloepen  liet  dors, 
ende  liep  Ecbites  ane  lAmb.  IV,  1456.  Het  riep 
al:  Loeps(?)  an,  loep  ane!  slawi  doet  onseviande, 
Stoke  VIII,  1204. 

4)  Aantatten,  aanvallen,  overvallen,  jj  Weet  oec 
geselle,  die  huweiyc  maken,  dat  si  aneverden 
zorghelike  zaken . . ,  In  weet  bi  wat  zotter  uren 
ofte  verwoetheden  anelopen  (voor  anegelopen,  als 
onscheidb.  ww.  ?)  Bote  C.  8113. 

5)  Aankomen,  aangroeien   (aan  lyf  of  leden).  || 
Oec  geviel  in  een  lant,  dat  men  enen  afsloucn  de 
hant  .  .  ,  ende  hem  na  den  eersten  jare  ene  ander 
hant  weder  anliep,  Sjp.  IV*,  8,  53. 

6)  Toekomen,  jj  Jacob  Ravens  wyfs  erve,  dat  ene 
van   horen   3   erfhamen   myn  here  opdroech  ende 


125 


AENL 


AE^N. 


426 


him  dat  derde  deel  anloopt  van  den  erve,  Bek.  d, 
Oraf.  1,  324. 

AENLOYEN,  zw.  ww.  bedr. ;  bd.  anhben.  Met 
den  Sden  ny.  v.  d.  pers.  en  den  2den  der  saak. 
Aanprijxên.  Een  de  men  enre  waerbeit  anlo- 
Ten  macb,  iemand^  aan  men  men  eenondenoeki^) 
kan  toevertrouwen  y  een  in  rechten  geloofwaardig  per- 
soon. Zie  Waerheit.  ||  Qneme  yenicb  onser  scepene 
ofte  raet  oft  enicb  burger,  de  men  enre  waerneyt 
anloTen  mocbte,  dar  dat  onse  burgere  vechten ,  B. 
V.  Zutf,  6,  6. 

AENLÜKEN  {iooe,  loken,  geloken),  si  ww. 
bedr.  Ene  dore  — ,  eene  deur  toesluiten^  dicht- 
doen. II  Becht  aen  des  paleis  beghin  stont  ene 
dner ,  daer  ghingben  wi  in.  Kila  loocse  weder  an , 
on.  Ued.  en  Oed.  258,  758. 

AENMAKEN,  sw.  ww.  bedr. 

1)  Enen  iet  — ,  maken  dat  iemand  iets  heeft, 
het  hem  bezorgen.  \\  Sine  djaken,  die  dat  sagen, 
begonden  hen  een  deel  versagen;  maer  8abyn,die 
heilege  man ,  maecte  hen  met  troeste  cracht  weder 
an,  Sp.  11%  22,  60.  Ende  si  maken  die  (/.  den) 
hersinen  ane  nienwe  wonde  oftescnere.  Jan  Yp.  62. 

2)  Doen  ontvlammen,  in  vlam  tetten  (vgl.  vuur 
aanmaken),  overdrachtelgk.  .  ||  Daerom  wert  hoer 
herte  also  van  hem  ontfoncrt  ende  aengemaect. 
Stemmen  22. 

AENMERKEN,  rw.  ww.  bedr.  Verg.  Merken. 
Mnd.  ainmerken.  Opmerken,  opletten,  opmerkzaam 
zijn  op  iets.  Met  een  obj.  in  den  4den  nv.  of  een 
afh.  bQzin.  Scheidbaar  en  onscheidbaar  gebezigd.  || 
Nu  merc  mi  ane.  Kendstn  mi?  Sp.  lY*,  87,  20. 
Hi  merctese  ane  met  slnne,  Serv.  II,  991.  Hier 
bi  mogedi  merken  an,  Natuwrk.  1381.  Aenmerket 
mQn  ewe  {mijne  wet),  Hs.  Fs.  77.  Aenmerck,  o 
mensche,  dattn  bist  slijm  der  aerden,  Bern.  W. 
333.  Die  menschen  aenmerken  die  werken,  mer 
God  aensiet  die  meyninge.  Kal.  7,  164.  Als  si 
aenghemerct  hadden  hoe  dat  si  seer  vermoyt  was, 
Pass.  W.  2403.  Hi  aenmercte  dat  seer  neerstelic, 
Exe.  Oron.  lAa.  Mercwel  an,  wat  si  nu  s^n  ende 
wat  si  gheweest  hebben,  Devoet  S.  (36)  II89. 
De  hertoge  aenmercte  die  stadt  ende  die  borch 
also  bewaert,  datse  met  f  heen  assaute  te  winnen 
en  waren ,  Exe.  Oron.  126a.  —  Minder  juist  dient 
aenmerken  te  enen,  ter  vertaling  van  het  lat. 
attendere  ad,  D.  B.  Zaeh.  1,  4. 

AENMERKINGE,  euw.  vr.  Opmerkzaamheid, 
oplettendheid,  het  schenken  van  zijn  aandacht  aan 
iets.  I)  In  den  boec  overlas  ie  met  groter  aen- 
merkinge  dat  cappittel  van  den  bjen,  Ned.  Proza 
282.  Aenmerckingne  der  voerledender  goeder  werc- 
ken  maect  onachtsaemheit  oft  vermetenheit,  mer 
aenmerckinghe  des  eynden  maect  vreese,  Boeck 
9.  d.  L.  /.,  95a. 

AENMETEN,  st.  ww.  bedr.  Enen  iet  — , 
Iemand  iets  (land  b.  v.)  toemeten.  \\  Dat  men  dat 
land  .  .  ,  dat  wi  nu  meister  Thielman  .  .  vercoft 
hebben,  dat  men  hem  dat  anemeten  sal  van  den 
eersten  te  lande (?),  dat  is  te  verstane,  daer  die 
eerste  avelinghe  van  den  dyke  stond ,  Zwijnd.  W.  35. 

AENMINNICH  (aneminnech)  ,  bnw.  Met  een 
innemend  uiterlijk,  zóó  dat  men  iemand  moet 
liefhebben,  iemand  liefelijk  aanziende  en  daardoor 
liefde  wekkende  (Ned.  Wdb.  1,  247).  ||  Tenandren 
male  so  was  hi  {Jezus)  ooc  so  aneminnech,  dat  ie 
(Maria)  hoopte,  dat  si  (de  Joden)  sQns  ontfaermen 
sonde  (1.  souden),  Hs.  v.  1348,  800c. 

AENxlAKEN,  ew.  ww.  oue.  Met  den  3den  nv. 
Enen  — ,  iemand  naken,  te  wachten  staan.  ||  Wie 
dat  in   sonden  heeft  mesdaen,  ende  dat  niet  be- 


kennen en  can,  dat  hem  pine  naket  an  ten  uter. 
sten ,  Amand  1 ,  5452. 

AÉNNAME,  bnw.;  mnd.  Anname,  in  H  mnd. 
seer  gewoon.  Aangenaam.  ||  Ons  moet  den  soen 
senden  anname  ghaven  des  heilighen  gheistes , 
G.  Groote  102. 

AENNAMEN ,  sw.  ww.  bedr.  Mnd.  annamen. 
Aannemen.  \\  Dat  dese  coepe  van  desen  voirghen. 
ambochte  ende  goede  .  .  voir  ons  ghesciet  es 
ende  anenamet  an  beden  siden,  Oorkb.  2,  1726 
(a.  1280). 

AENNEMELIJCHEIT  (aennemelicheit)  ,  en 
-HEDE,  znw.  vr.  Yan  Aennemelije ,  ona  tot  dusverre 
niet  voorgekomen,  afgeleid  van  Aennemen  in  de 
bet.  bedr.  II ,  9).  Geneigdheid  of  geschiktheid  om 
aan  te  nemen,  om  zich  iets  aan  te  trekken,  dus 
vatbaarheid  voor  indrukken  van  buiten.  Eene  uit- 
drukking van  latere  ascetische  schrijvers.  ||  Ende 
hier  mede  wort  gi  soo  gevesticht  in  mi  ende  wort 
dijns  selfs  so  ledich  ende  alre  uutwendiger  aen- 
nemelicheyt,  ende  dan  wort  gy  een  instrument  dair 
ie  ongehindert  mede  wercken  mach  wat  mi  belieft, 
Hofk.  V.  Dev.  64  v. 

AENNEMEN  (nam,  namen,  genomen),  st.  ww. 
bedr.  en  ons.  Scheidbaar,  doch  vooral  in  lateren 
tgd  ook  onscheidbaar  gebezigd.  Mnd.  annemen. 

I.  Bedrijvend. 

I)  Met  een  persoon  als  object 

1)  Enen  — ,  iemand  ontvangen,  welkom  heeten.\\ 
Daer  stont  die  paues  Adriaan  ter  kerken  dore, 
daer  hi  quam,  diene  lievelike  anenam,  Sp.  III*, 
84,  18,  Èrab.  7.  II,  878.  Ende  al  es  hi  uviant, 
si  hoepte  wel  nochtan  dat  hi  hem  sonde  nemen 
an,  Edew.  1736. 

2)  Enen  — ,  iemand  tot  zich  nemen,  opnemen, 
of  wel,  kiezen  (tot  zekere  betrekking).  ||  Geiyc 
die  aeme  die  sQn  jongeren  voert  roept  om  te 
vUegen,  ende  boven  hem  vllecht,  so  ondede  hi 
sQn  vloghelen  ende  aennam  hem,  ende  droechen 
in  sgn  scouderen,  D.  B.  Deuter.  32,  11  (Yulg. 
asswmpsU  enm).  Aenmerckende  die  Fransoysen  dat 
haer  coninc  Karel  noch  een  kint  was ,  so  aennamen 
si  Odone,  Exe.  Cron.  90<^  (verg.  91<r). 

3)  Hem  enen  — ,  iemand  tot  zich  nemen,  t.  ^« 
in  zekere  betrekking ,  zich  toevoegen ,  by  zich  nemeti^ 
kiezen.  \\  Daer  bi  sal  hi  hem  nemen  an  vrome 
liede  ende  wise,  Lsp.  III,  13,  28.  Yan  Avenes 
mQn  heer  Jan  die  hadde  hem  ghenomen  an  vrou 
Aleiden  van  Hollant  .  .  te  wive,  Stoke  III,  1223. 

'  II)  Met  eene  zaak  alsobject,waarby  in  sommige 
opvattingen  de  drie  segswQ  zen  iet  —  ,hemiet  — > 
en  hem  des  in  gelQke  beteekenis  afwisselen. 

1)  Yan  kleederen  enz.  Aannemen,  aandoen^ 
aantrekken,  zich  kleeden  of  wapenen  met,  \\ 
Sine  clederen  gaf  hi  hem  dan  ende  nam  sine 
doerselen  (des  armen  vodden)  an.  Franc.  513.  Een 
dieren  mantel  nam  hy  an,  ghemaect  van  goude 
ende  van  syden,  Troyen  f.  92  c.  Doe  tfolc  niet 
was  van  den  wonden  ghenesen,  ghincsire  ende 
namen  hernasch  an,  Bijmb.  2694.  Alsosulke  sier- 
heid  nam  soe  ane  als  hare  gaf  die  camerlinc, 
18122.  Want  si  en  hebben  dat'  brulochtcleet  niet 
aneghenomen,  Rnusbr.  5,  269.  Na  desen  namen 
aen  een  groot  getal  der  kersten  .  .  dat  cruus, 
Clerc  60. 

2)  Yan  een  naam ,  titel  of  wapen.  Beginnen  ze  te 
dragen  of  te  voeren,  ||  Die  wapen  van  Yrancrfjke 
aennemende ,  dat  sint  al  dEngelsche  coningen  hebben 
gedaen,  Exe,  Cron.  133a.  —  Hem  — ,  in  geleken 


127 


AENK. 


AENN. 


1Ö8 


zin.    II    Ende  neemt  hem  titel  ende  wapen  an,  eer 
ti  er  borch  of  stat  in  wan,  Edew,  101. 

3)  Van  uiterlijk  waarneembare  verschijnselen. 
Janneme».  Yeelal  vergezeld  van  den  3den  nv.  (lat. 
sièi).  II  Hi  aennam  die  Griecscbe  manieren,  Exc. 
Cron.  SSb.  Die  viant  .  .  nam  hem  teenen  tiden  an 
die  vorme  van  enen  man,  Lsp.  II ,  61 ,  3.  (Die  wijf) 
nemen  hem  boven  nature  ane  andre  vorme  ende 
andre  ghedane,  V,  d.  wiven  23.  Seder  die  edele 
liede  gheerden  scat  ende  weelde  ende  ghemac 
aennamen  ,  Lsp.  III ,  26 ,  184. 

4)  Van  verschillende  zaken.  Ze  nemen  tot  een 
bepaald  doel^  ze  ergens  toe  aanwenden^  of  wel, 
gebruiken.  \\  Ende  stelden  in  de vocien  haren  moed , 
80  dat  si  alle  vriendagbe  annamen  ende  mede  np 
den  berch  daer  quamen,  Amand  I,  6992.  Nu  laet 
ons  exemple  nemen  anne,  wat  ons  Christus  beteekent 
hier  bi,  II,  6253.  Den  cost  dair  of,  ende  van 
anderen  lasten ,  die  om  des  dootslagen  wil  angeno- 
men  hebben  geweest ,  Matth.  223.  —  Hiertoe  behoort 
ook  de  uitdrukking:  —  Den  name  des  Heren 
— ,  d^n  naam  des  Heeren  gebruiken.  \\  Du  en  sulste 
niet  annemen  ydelijc  den  name  des  Heren  dgns 
Gods;  want  die  Here  en  sal  hem  niet  hebben  on- 
nosel,  die  te  vergheefs  annemet  den  name  des 
Heren,  J),  B.  Exod.  20,  7.  Hi  en  sal  niet  onghe- 
castijt  wesen  die  op  een  ydel  dinc  sinen  name 
anneemt,  Deuter.  ö,  11. 

5)  Van  handelingen.  Aanvatten ^  aanvangen^  be- 
ginnen^ ondernemen^  op  zich  nemen.  \\  Dat  al  wel 
quam,  wat  dat  Lanceloet  anenam  te  doene,  Lanc. 
II,  269.  Dat  si  selc  doen  niet  an  en  namen,  als 
den  dage  soude  betamen,  non  adeo  solenniter  cele- 
brare  diem  dominicum^  Sp.  II»,  69,  19.  Dat  bidden 
hi  annam,  II*,  73,  89.  Ganc  ende  dit  doen  annem , 
II*,  78,  84.  Een  consilie  annemen,  het  (eigenmach- 
tig) gaan  houden^  Sp.  II*,  4,  66.  Als  die  salmten 
enae  quam ,  dat  menech  Pater  Noster  annam ,  Sp. 
IP,  11,  40.  (Hi)  endde  dit  leven  ende  nam  an 
dieven,  daer  ewelijc  bliscap  wert  gedreven,  II*, 
70,  113.  Nu  merct  voert  hoe  dat  tfolc  quam  in 
die  woestine  ende  anenam  dattet  afgode  beedde 
an,  Wrake  I,  104.  Dat  hi  vortane  om  ghene  zake 
wedere  dat  goet  an  hem  en  trake ,  no  sulke  neringhe 
meer  anuame,  N.  Doctr.  2392.  Ende  so  hi  meer, 
si  u  becant,  duechden  annam  in  dit  leven ,  so  hem 
God  meer  heeft  ghegheven  gracien,  Amand  II, 
184.  Updat  gi  wilt  annemen  des,  so  gelove  ie  u 
enz.,  MLoep  I,  645  var.  Hoe  menich  jammer  ende 
miswende  sijn  gevallen  in  der  minne,  die  sonder 
mate  ende  wise  sinne  mekelois  wort  angenomen, 
1 ,  2120.  Die  vrouwen  sijn  listich  van  vonde , 
ivanneer  si  willen  gaen  ten  gronde  ende  sijt  mit 
naersten  nemen  ane,  II,  3637.  Veel  menschen  sijn, 
die  ghenen  arbeit  aennemen  en  willen,  mer  liever 
hebben  in  haer  groote  armoeden  te  wesen ,  Dial. 
Creat.  4Qd.  Omdat  die  rentemeister  .  .  desen  cost 
anenemen  wouden ,  Rek.  v.  Zeel.  1 ,  122.  Voort  soo 
en  sullen  onse  heeren  geen  oorloch  aenneemen, 
ten  sy  by  haren  rade,  Nijh.  2,  106  {a.  1358). 
Ie  sel  tegen  den  tyran,  die  u  bedrogen  heeft  stryt 
annemen  ende  u  lant  weder  omme  winnen,  Qesta 
Ram.  c.  66.  Waer  om  hebstu  soe  groten  wech 
anghenomen?  Pass.  W.  54^.  Elc  man  nam  an 
dat  gheween,  ende  die  in  hilicbedde  saten  weenden, 
J).  B.  I  Maccab.  1 ,  28.  Gods  dienst  annemen ,  God 
beginnen  te  dienen,  Amand  II,  6257.  Die  messe 
annemen ,  de  mis  beginnen,  Sp.  IV' ,  18,  37.  Prediken 
haddi  genomen  an,  Velth.  I,  31,  9.  Nem  vastene 
an  van  seven  dagen,  Sp.  II*,  22,  153.  Den  sloep 
{innemen,  gaan  slapen,   Sp.  III',  39,  21.  Hoe  si 


annamen  haer  leven  ende  hare  aventure,  III*, 92 
82.  Beter  leven  anenemen ,  I' ,  67, 140.  Dat  geestelec 
leven,    dat    ie    annomen   hadde,   Lu^,   II,   446. 
Enen   aerbeit  anenemen,    Sp.  IV*,   4,   18.  Want 
menech   dese   dinc  annam,    Fersl.  en  Ber.  V,  26, 
417.  Sine  dinghe   anenemen,  Brab.   T.   II,  5700. 
Die    zake    aennemen ,    VII ,     2292.     Sotheit    an- 
nemen,  een  dwaas  stuk   beginnen.   Base  (C)  3109. 
Berou    annemen ,    berouw    krijgen ,   Lsp.    II ,    48, 
612.  Penitencie  annemen  van  sinen  souden,  Hild. 
44,   110;  Amand  II,  2917.  Dat  si  annamen  hare 
bedinghe ,   3925.   Ene    bede   aennemen ,    beginnen , 
Sp.   W ,   13,   92.   Die   de  vaert   sciere   nam  an, 
ri.   Rijmkr.    9741;    verg.    Brab.    T.    VI,    11374. 
Alsi   tkeren    namen   an,    Velth.   VI,    16,   37.  Si 
hebben   den   stryt  so   annomen,  Lanc.  IV,  11829. 
Oorloghe  aennemen,  V.  d.  Wall  201 ,  ^rad.  7.  VII , 
17150,    Exc.    Cron.   dbd.   Aldair   Alanus    by  hem 
sel  ven    ende    sonder  onthiet   die  woirden  by  hem 
annam  ende  wort  disputerende  mitten  Juede ,  Matth. 
73.   Die   wort  annemen,    het   woord  opvatten,   Sp. 
III*,  27,  71,  verg.  II»,  23,  215,  227.Daticdu8 
annam  die  tale,   Sp.  II»,  8,  108,  verg.  II»,  23, 
227;   II*,   74,   60;    IV,   1,  64;  Amand  1,  2153. 
De    sprake   annemen,    Amand   II,    110.   Alse    hi 
spreken  eerst  annam,   I',   51,  22.  Des  en  willic 
niet   anenemen   te    doene,    Brab.    T.  VII,   18135; 
Fortse  ende  ghewout  annemen ,  bedrijven ,  Brab.  T. 
VII,   8540.  Laster  anenemen  teghen  sinen  even- 
mensche,  Hs.  Ps.  13r,  enz.  —  Min  of  meer  pleonastisch 
klinkt  Sp.  Dl.  I ,  bl.  461 ,  vs.  277 :  Hoe  die  Terters 
quamen   ende    hoe  si   haer   beghin  annamen,  voor 
hun    begin  namen.  —  Hem  —  en  hem  des  — , 
in  gelijken  zin.    ||    Een  begheven  man.  De  hem 
de  boetscap  doe  nam  an,   Stoke  IX,  671.  En  es 
geen  cleyn  werc,   dat  hi  van  nuwes  hem  nu  heft 
aennomen,    Lutg.   II,    1242.   Daer   bi    hebbic   mi 

f  henomen  ane ,  dat  ie  die  waerheit  wille  ontdecken , 
^rab.  Y.  1,  4.  Die  hem  overmoedecheit  nemt  ane , 
Rincl.  1047.  Den  vierden  graet  en  sal  geen  man 
mit  bescheyde  hem  nemen  an,  MLoep  II,  1591. 
Degene  die  sig  sonderliker  saken  anenemen  ende 
willen  luttel  eten  ende  drencken  ende  noch  men 
slapen  ende  en  willen  nemmer  erwarmen  op  haren 
bedde ,  Limb.  Serm.  45c.  'Die  hem  annam  die  saken, 
Sp.  II*,  26,  12.  Dat  sy  hem  des  beladen  ende 
aennemen,  Nijh.  2,  103  {a.  1358).  Want  Jan  v.  d. 
W. ,  Jan  V.  F.  enz.  hem  aneghenomen  hebben  Heren 
Jacobs  scout  van  Moerdrecht  te  ghelden,  Mieri.s 
2,  303tf  {a.  1323).  Zie  ook  Brab.  Y.  II,  4701. 
—  De  laatstgenoemde  uitdrukking,  hem  des — , 
gold  vooral  in  de  sterkere  opvatting  van:  Onder- 
nemen, bestaan,  onderstaan,  zich  vermeten.  WD^idX 
dese  groote  heeren  quamen ,  ende  hen  des  anenamen, 
dat  sine  met  overmoede  wouden  verdriven  van  den 
goede,  Heelu  1681.  Al  hadde  hem  des  aenghe- 
nomen,  dat  hi  jeghen  ware  comen,  die  coninc 
selve  van  Vranckerike,  3283.  Die  hen  des  ane- 
namen, dat  si  met  crachte  ten  hertoge  quamen, 
7087.  Want  hem  menich  des  annam,  ende  somich 
noit  weder  en  quam.  Ver  si.  en  Ber.  V,  22,  311 
(verg.  23,  321;  25,  393).  Die  hen  vromelike  ane- 
namen des  strijts,  Heelu  6959.  En  sal  hem  des 
nieman  aennemen,  Buusbr.  3,  115  (verg.  Ned. 
Proza  48). 

6)  Van  werkingen,  inzonderheid  van  lijden, 
ongemakken,  den  dood  enz.  Ze  ontvangen,  lijden, 
ondergaan,  zoowel  vrijwillig  als  onvrijwillig.  ||  Die 
passie ,  die  onse  here  annam ,  Franc.  456.  Daer  dat 
edele  vleesch  ave  quam,  dat  onse  sterven  anenam, 
Rijmb,   2173.    Dat  jammer  was  ende  scade  groot, 


129 


AENN. 


AENN. 


d3Ó 


dat  bi  zo  yroe  nam  aendendoot,  CAz^A^  248.  (Die) 
bi  den  boome,  dats  te  verstane,  sonderlingbe  be- 
seffelicbeit  nam  ane,  Avumd  II,  3556.  Ende  men- 
scelike  doot  anenam,  Sp.  I*,  20,  98.  Ende  die 
bittere  doot  annam,  Amand  I,  6628.  Twi  wy 
doopsel  nemen  ane,  II,  2464.  Die  den  slaepe  des 
dodes  willicblike  aennam,  Bern.  W,  110a.  Eer  bi 
anenam  sgn  ongbemac,  "Bijmh.  26770. 

7)  Van  waardigbeden ,  betrekkineen,  ambten, 
enz.  óf  0p  sieh  neme»,  aanvaarden  óf  in  besit  ne- 
men, stek  toeèigenen,  \\  Alse  Earel  te  Bomeqnam, 
ende  bi  dat  gerecbte  anenam,  alse  patricins  ran 
der  stede,  Sp,  III*,  92,  13.  Hi  dus  annam  allene 
al  dat  kejserike ,  want  sQn  yiant  starf  cortellke , 
^,  II*,  8,  4.  Gideon  nam  des  bisscops  dienst  an, 
daer  bi  an  misdede  jegen  God,  B,  v,  1367,  84^. 
En  wildl  niet  scbier  uwen  dienst  weder  annemen 
in  dien  als  gbi  plegbet  te  doen?  SóAaaitp,  49d. 
Ende  bi  tmwaerUcap  ende  bewent  aengbenomen 
badde  ende  tregement,  Brab.  T,  YII,  12663.  Die 
thertogbedom  weder  anenam,  Corte  Cron.  v.  Brab. 
280  {Br.  T.  Dl.  3.  Inl.)  Marcns,  die  tgberecbte 
annam ,  het  rechterMombt  aanvaardde ,  Bijmb.  14040. 
Dat  bisscopdoem  anenemen,  i^.  III*,  93,  16. 
Dat  keyserrike  anenemen,  III*,  86,  66.  Eynen 
anderen  rentmeyster  .  .  ,  die  .  .  dat  rentmeyster- 
ampt  annemen  ende  regiren  sall,  Nijb.  4,  68 
{a.  1430).  —  Hem  —,  in  gelgken  zin.  ||  Dat 
bem  van  Brabant  annam  dat  monberscap  bere 
Bertont,  Yeltb.  I,  41,  2.  Die  ben  aennemen  den 
staet  van  penytencien,  Lutg.  II,  1789. 

8)  Van  bezittingen,  reebten  enz.  gezegd.  Tot 
ziek  nemen,  in  bezit  nemen,  aanvaarden,  ziek  toe- 
eigenen,  te  recbt  of  te  onrecht.  ||  Daer  bi  den 
jongen  Bondene  an  wan ,  die  naer  bem  nam  Ylaen- 
dren   an,    i^.  lY*,    19,  23.  So  dat  vreemde  liede 

3 namen,  die  de  stat  anenamen,  ende  bleven  sitten 
aer  binnen.  Lep.  I,  34,  63.  Si  deden  jegen  die 
geboden  Gods,  want  si  namen  an  dat  gnet  dat 
vermaledyt  was,  B.  v.  1367,  84d.  Maximus  .  . 
nam  dat  rike  ane  met  gewelt,  S^.  III*,  28,  19. 
Dat  lantscap  annemen,  III*,  89,  72.  (Die  keyser) 
anenam  die  castele,  Yeltb.  Y,  30,  3.  Dat  alle 
die  gbene  die  bofsteden  aennemen  op  dien  dam, 
.  .  dat  si  dien  dgc  verwaren  op  hoer  vreze  ende 
op  boer  scade,  after  dien  dat  sise  aengbenomen 
hebben,  Oorkb.  2,  261b  {a.  1286).  Wat  bnys  ofif 
erve  so  zeer  becommert  zQn  mit  renten  off  mit 
anderen  voerwaerden,  so  dat  die  jongbeste  daer 
op  staende  die  buyse  ende  erve  niet  annemen  en 
willen  ende  voldoen  alle  die  voer  bem  sprekende 
z)|n,  so  zullen  dan  die  outste  brieven  off  voer- 
werden die  bnse  ende  erve  zelve  annemen  ende 
honden  voer  eyghen,  O.  K.  v.  Roti.  34,  100. 
Dn  en  suis  niet  annemen  noch  oversetten  d^ns 
naesten  terminen,  die  die  vroetste  hebben  ghe- 
paelt  in  d^nre  possessien,  D.  B.  Leuter.  19,  14. 
Doe  sQn  soen  .  .  bem  weder  gheven  wonde  ter 
heydenre  wet,  soe  nam  bi  weder  sfjn  conincrgck 
aen.  Pats.  W.  79a.  —  Hem  —  en  hem  des  — , 
in  geigken  zin.  ||  Tote  dattie  Romeine  qnamen 
ende  hem  weder  anenamen  die  keysercrone  ende 
behilden.  Lep.  II,  49,  69.  Dat  hi  met  lieden  int 
lant  van  Limborch  quame  ende  bem  des  anename : 
en  soude  niemen  weren  mogen,  Heelu  1644.  Nie- 
ment  en  neme  hem  selven  die  eer  an,  mer  die 
van  Gode  geroepen  wert  als  Aaron,  Ht.  Pt.  197p. 

9)  Yan  voorvallen,  ervaringen  of  handelingen, 
in  tweeledige  opvatting. 

a)  {Op  dese  of  gene  icijge)  ze  opnemen,  ze  ziek 
aantrekken ,    er    over    gettemd   zijn.    \\    Dit  nam 


die  graeve  zwaerlgc  an,  ^.  III*,  80,  11, 
Brab.  Y.  II,  636.  Alse  Godevaert  dit  vernam, 
swaerlike  bijt  anenam,  Brab.  T.  lY,  179.  Waiït 
u  andre  saken  quellen,  die  gi  te  swaer  hebt  ane- 
genomen.  Rosé  6664.  —  Hem  — en  hem  des — , 
in  geleken  zin.  ||  Dit  nam  hem  so  swaerlic  an 
Augustus,  dat  bire  omme  daer  naer  maecte  dat 
alremeeste  mesbaer,  Sp.  I*,  34,  62.  Sulkenament 
bem  so  ane,  dat  si  hem  betren  niet  en  wouden, 
lY* ,  16,  16.  Ie  wilt  mi  meer  en  quame  vore, 
ende  ix  mi  nemmer  oec  anename,  Yeltb.  Y,  1, 
60.  Si  ware  hen  alsoe  na  belanc,  dat  sys  haer 
aennemen  sonde,    Vad.  Mus.  1,  60,  89. 

b)  Ze  ziek  aantrekken ,  er  ziek  aan  gelegen  laten 
liggen ,  er  ziek  mede  bemoeien  of  inlaten ,  er  ziek 
moeite  voor  geven.  Alleen  in  de  uitdrukking :  H  e  m 
des  (iet)  aennemen.  ||  Ende  want  dat  leen  seere 
mids  desen  des  hertogen  soude  vermindert  wesen , 
soe  nam  hem  des  ane  emstelijc  van  Brabant  die 
tweeste  Heinryc,  Brab.  T.  YI,  2881.  Want  waert 
dat  die  keiser  quame,  ende  hem  des  orloochs 
anename ,  Edew.  601.  Daer  die  veede  af  wert  soe 
groot,  dats  hen  vele  liede  aennamen,  Heelu  3834. 
Diet  hem  oec  annemen  moet,  sal  hi  te  keeme 
hebben  spoet,  Yeltb.  II,  9,  67.  Daer groote veede 
ave  quam,  dies  hem  sint  menich  annam,  II,  64, 
49.  Die  hertoge  Jan  was  te  perlemente ,  daer  men 
handelde  dese  atente,  maer  hine  wils  hem  niet 
sere  nemen  ane,  in  genen  kere,  III,  38,  16.  Du 
wils  onderwinnen  dies,  dies  niemen  en  can  over- 
comen,  wie  sere  hns  hem  heeft  anegenomen,  OVl. 
Oed.  1,  76,  231. 

10)  Van  eene  meening.  Ze  vaststellen,  voorwaar 
erkennen.  \\  Doutste  biet  Lothargs ,  ende  die  badde 
bi  hem  selven  aneghenomen  dat  hi  keiser  was  van 
Romen,  Brab.  T.  II,  4606. 

II.  Onzijdig. 

Het  gebruik  van  aennemen  als  onz.  ww.,  hoewel 
uit  zijnen  aard  bedrgvend,  is  door  verzwijging 
van  het  object  {kraakt,  sterkte  of  iets  dergelijks) 
te  verklaren.  Yerg.  Ned.  Wdb.  op  Aannemen  onz. 
In  tweeledige  opvatting: 

1)  Een  begin  nemen,  een  aanvang  nemen.  \\ 
Tverlies  van  hier  beneden,  dat  bi  Yeven  al  toe- 
quam,  doe  die  zonde  eerste  annam,  OVl.  Lied.  en 
Oed.  47,  216.  Dat  men  den  staet  van  den  hertoghe 
Jan,  alsoe  hi  was  ghenomen  an,  niet  en  soude 
moghen  vuechlgc  continueren,  Brab.  7.  YII,  7031. 

2)  Toenemen,  aangroeien,  het  tegenovergestelde 
van  Afnemen.  \\  Dat  den  volke  sere  mesquam; 
ende  dat  roepen  so  sere  annam,  dat  de  baeliu 
wert  in  vare,  i^.  II* ,  46,  66.  Ende  hi  p^nde  in 
kerkelike  leringhe,  ende  daer  in  nam  hi  an , 
Pass.  W.  199rf. 

—  Afl.  Aenneminge.  ||  Doe  die  daghe  sijnre 
annemenghe  vervuUet  waren,  Hs.  Evang.,  Ltte.  9, 
61,  lat.  assumptio. 

AENNIPEN   {neep,    nepen,   genepen),   st.    ww. 
bedr.   Knijpend  of  nijpend  aantasten,   berispen.    || 
Als  men  iemene  begrijpt  in  coventen,  men  annijpt 
den  genen,   dien  iet  mestaet,  ende  also  betert  hi 
teer  sine  daet,  S^.  II*,  74,  163. 

AENNOPEN,  zw.  ww.  bedr.  Yan  Nopen,  in  de 
oorspr.  beteekenis  van  raken. 

1)  Enen  — ,  iemand  aanraken.  ||  Ene  jonc- 
vrouwe  wel  gedaen,  daer  hi  up  syn  bedde  lach, . . 
die  noeptene  ter  ziden  ane,  S^.  III',  60, 12 — 16. 

2)  Enen  — ,  iemand  raken,  aangaan,  betreffen. 
Yerg.  ons  nopens,  d.  i.  rakende,  betreffende.  Ge- 

6 


i3d 


AENN. 


AENR. 


132 


woonlijk  iu  de  vereenigde  aitdrnkking  Aengaen 
of  aennopen.  ||  Allen  .  .  richteren  enz,  diet 
aengaen  of  aennopen  mach,  Nijh.  5,  156 (a.  1481). 
Dat  hem  angaen  off  annopen  sal  mogen,  163  {a.  1483). 
Allen  anderen  dient  aengaen  oft  aennopen  mach, 
V.  d.  Wall  679  («.  1478,  in  de  uitgave  verkeer- 
delijk aenropen).  Allen  anderen  onsen  jnsticieren 
ende  officieren  wient  aengaen  oft  annopen  sal,  717. 
Onsen  .  .  ondersaten,  dien  dit  aengaen  ofl  aen- 
noepen  sal,  Handv.  v.  Enkh.  486  (a.  1494).  Zoo 
ook  Handv.  v.  Jlkm.  28a. 

3)   Iet   — ,    ieis  aanvatten,   ter  hand  nemen.    \\ 
Maer  beter  es  dat  men  vercoope  dan  men  wonker 
yet  annope ,  Denhn,  3,9,  201  {S.  Bern.  Ep. :  melius 
est  partem  vendere,  quam  se  usuris  subiicere). 

AENNOPENDE,  voorz.  Eigenlyk  het  tegw.  deelw. 
van  Aennopen  in  den  zin  van  raken ,  betreffen  (zie 
ald.  2).  Met  den  3den  (ook  4den)  nv.  Jangaanfk^ 
voor  zoover  betreft.  \\  In  allen  saken  crimineel  ende 
civil,  annopende  den  vorseiden  officiers  ter  causen 
van  hneren  officyen,  Cron  v.  Vinend.  2,202.  Twee 
sommelliers  .  .,  daer  af  dat  een  alle  daghe  es 
gerekent ,  die  levert  rekeninghe  van  den  costen  . . 
ende  annopende  den  lyftocht  van  de  wynen,  Matth. 
Anal.  1,  273.  (Eene)  nieuwe  ordonnancie,  anno- 
pende den  regemente  van  deser  stede,  Invent.  v. 
Brugge  5,  443.  Aennopende  de  materye,  512. 

AENP ACHTEN,  zw.  ww.  bedr.  Met  den  3den 
nv.  1)  Enen  iet  aenpachten,  iemand  ge- 
rechtelijk in  het  bezit  stellen  van  iets  ah  pand 
(de  eerste  phase  der  executie).  ||  Indien  dat  die 
ghene ,  dien  die  pande  angepacht  worde(n) ,  ver- 
sekere  die  pande  in  der  ghemeen  pandinghe  te 
brenghen,  datter  een  yegelijk  sijn  recht  aen  spreken 
mach,  die  ghebreck  an  den  sculdenair  heeft  of  an 
den  gepachten  gueden,  O,  K.  v.  Delft,  I,  15,  6. 
Wairt  sake ,  dat  yemant  binnen  der  stede  van  Delf 
enyghe  huysinghe,  erve  of  hofstede  cofte,  die 
anghepacht  of  angheeyghent  worde,  I,  20,  30. 
Soe  wi  voirt  an  eenich  roerende  guedt  mit  recht 
angepacht  of  angheeygent  wordt,  die  en  sal  dat 
gnet  niet  langher  laten  staeu  in  den  huysen,  diet 
ofgepacht  is,  dan  ses  weeken.  Wairt  datmen  die 
gueden  dair  langher  liet  staen  ende  andere  scepenen 
kennisse,  dan  voirsz.  staen ,  dair  rechts  up  begeerde, 
die  soudtmen  recht  dair  an  doen,  ende  die  de 
gueden  te  voren  angepacht  of  gheeygent  waren, 
en  souden  dair  an  gheen  recht  meer  hebben  van 
die  kennisse,  dairse  hem  mede  angepacht  waren, 
I,  25,  39. 

2)  Gerechtelijk  rente  doen  vestigen  op  een  onroerend 
goed  (eveneens  als  eerste  phase  van  eijecutie).  Vgl. 
PACHTEN  en  K,  e.  O,  v.  Delft  42,  10.  1|  Voert  of 
yemandt  enyghe  bellede  sculde ,  verwonnen  sculde, 
bekende  sculde,  willicoir  sculde  of  renten  up  yemants 
huys  of  erve  sprekende  hadde  ende  hem  dochte , 
dattet  huys  of  erve  meer  belast  wair ,  dant  wairdich 
wair,  die  en  sal  niet  an  pachten,  of  hy  en  wil, 
mer  den  burghemeesteren  andinghen  .  .  dat  huys 
ofte  erve  te  vercoopen,  ald.  23,  34. 

AENPANDEN,  zw.  ww.  bedr.  Zie  Panden. 
Iet  — ,  iets  als  gerechtelijk  pand  in  beslag  nemen.  \\ 
Ende  waer  oock  geen  goet  ane  te  panden,  men 
soude  panden  aen  't  lyf,  ende  dien  man  oft  wyf 
te  leveren  in  mynen  gerichte,  dair  die  clager 
wonde,  Matth.  Anal.  3,  698  {a,  1318).  Vgl.  aen- 

WEDDEN. 

AENPANDIN6E,  znw.  vr.  Beslaglegging ,  inbe- 
slagneming. II  Om  te  beletten  den  twist  dagelicx  ge- 
burende  om  tvoergaen  in  saecken  daer  twee  parthien 
offt  meer  om  een  guet  arrest,  beslach  off  anpandinge 


hebben  gedaen,  soe  sullen  die  dieners  nae  desen 
dage  voertan ,  wanneer  sij  van  yemande  geit  hebben 
ontfangen,  om  arrest,  beslach  oft  anpandinge  an 
enich  guet  te  doen,  komen  by  den  Secretarium 
ende  doen  oeren  gicht  in  wiens  name,  op  wat 
dach,  hure  ende  tyt  sy  alsnlcken  arrest,  beslach 
oft  anpandinge  hebben  gedaen,  ende  doen  tselve 
op  kosten  des  gheens  zy  inder  saecken  gedient 
hebben  formelick  te  boeck  stellen,  Overijs.  Jteekt 
I ' ,  210.  Op  anderen  termijnen  na  advenant  na  dat 
de  yrste  anpandinge  geschiet  is ,  I  %  236. 

AENP  ART,  znw.  o.  Hybridisch  woord,  uit  het 
fr.  part  gevormd  naar  het  voorbeeld  van  aandeel. 
Zie  Ned.  IFdb.  1,  261.  Aandeel.  ||  Die  voorscr. 
quote  ende  aenpart  (in  alle  beden)  van  onsen  lande 
van  Hollandt,  Enq.  316. 

AENPENSEN ,  zw.  ww.  bedr.  Verg.  Aendenken. 
Over  iets  peinzen,  oplettend  aan  iets  denken,  be- 
denken, bepeinzen.  \\  Ende  alsic  dit  dan  pense 
ane,  wat  ie  daer  dan  soude  ontfaen,  so  treckic 
weder  achter  saen,  Velth.  I,  22,  32. 

AENPORRE ,  bij w.  Lanc.  II ,  4481 .  Rijmb.  14989, 
e.  e.  Zie  Porre. 

AENPREKELEN,  zw.  ww.  bedr.  ZIcPrekelen, 
de  oudere  vorm  van  hetgeen  thans  prikkelen  he«t. 
Met  een  prikkel  of  scherp  werktuig  steken,  aan- 
prikkelen.  ||  (Hi)  schyet  sine  venijnde  schutte  ende 
aenvechtet  ons  herdelike.  .  .  Worden  wij  anghe- 
prekelt,  dat  wjj  doch  onghequetset  bleven!  Bern. 
W.  ^Id. 

AENPRINDEN  {prant,  pronden,  gepronden),  st. 
WW.  bedr.  Zie  Prinden.  Aanvatten,  aangrijpen.  \\ 
Die  coene  entie  starke  Roelant  noepte  sgn  ors  te 
bant  .  .  ende  ghemoete  saen  Ritsaert.  Bi  den  togle 
hine  aneprant.  Ren.  1471. 

AENRADEN  (riet,  rieden,  geraden),  bedr.  st. 
WW.  Absoluut,  zonder  persoonsbepaling  in  den 
Sden  nv.  Aanraden,  raad  geven  tot  iets.  ||  Die 
coninc  seide :  „Nu  raet  an  hoe  sine  ons  best  leveren 
mogen,"  Limb.  II,  1416. 

AENRANSEN,  zw.  ww.  bedr.  Aanranden,  aan- 
vallen, aantasten.  In  de  17de  eeuw  nog  zeer  ge- 
woon. Zie  Ned.  Wdb.  \\  Waer  yemant  die  hem 
misdede  in  enigher  maniere  mit  woorden  off  mit 
werken,  off  mit  stoten  off  mit  doppen  an  hareu 
husinghen,  off  mit  anransen  opter  straten,  die 
verbuerde  III  ^,  O.  K.  p;  Balt.  49,  165. 

AENRECHTEN,  zw.  ww.  bedr.  Voordienen.  Yg\. 
Ndl.  Wdb.  1 ,  276.  ||  Voer  die  vate  daer  di  in 
aengerecht  wert,  en  wil  niet  versmaden  te  nemen 
dat  di  voergeset  wert,  Bern.  W,  39rf. 

AENRECHTEN,  zw.  ww.  bedr.  Verg. Rechten. 
Recht  overeind  stellen,  (Richten.  \\  Nochtan  heb 
ie  nu  ende  echt  starke  lederen  angherecht,  die 
seer  hoech  van  stappen  syn.  Vrouw.  e.  M.  IV, 
88;  verg.  Limb.  XI,  232.  Dies  rechten  wi  een 
tekin  ane,  Rijmb.  7028. 

AENREIKEN,  zw.  ww.  bedr.  Reiken  tot.  Vgl. 
Ned.  Wdb.  1,  277.  ||  Hoe  conste  onse  gote  .  . 
aenreyken  aen  die  alderhoechste  fonteyne,  Bern. 
S.  127c. 

AENREISEN.  Zie  Aenresen. 

AENREKENEN,  zw.  ww.  bedr.  Met  den  3den  nv. 
Enen  iet  aenrekenen,  berekenen  dat  iemand 
iets  schuldig  is.  \\  Waer  yemant  van  den  scepenen 
die  binnen  viertien  daghen  na  sancte  Pouwels 
dach  niet  en  betaelde  dat  hem  angherekent  were, 
van  der  stad  weghen,  dat  hi  betalen  solde  ende 
gheboert  hadde,  Stadr.  v.  Zwolle  115,  183. 

AENRESEN  (aenreesen,  aenreisen),  zw. 
ww.  bedr.    Zie    Resen    en    verg.    ohd.    anartsan , 


d33 


AENtt. 


AENR. 


134 


irruere  (Graff  2 ,  637) ,  den  sterken  grondvorm , 
waarvan  aenresen  de  aifgeleide  zwakke  vorm  is. 
Aanvallen,  iumranden,  bestoken,  By  Kil.  n-^^^' 
reesen,  invadere  cum  impetuj'^  WKi  voer  voert  al 
omtrent  ende  anereisde  de  Yriesen,  Stoke  lY ,  248. 
Ende  begonste  een  assaut  up  die  stede . .  Josephns 
wart  geware  das,  dat  si  anereesden  die  stede, 
Bijmb.  hs.  E,  aang.  bij  Huyd.  op  Stoke  t.  a.  pi. 
(In  de  uitg.  van  den  lUjmb,  komen  die  verzen  niet 
voor).  Doe  bi  mi  wilde  aneresen  up  dat  bedde  an 
minen  danc,    Wal,  5546. 

=  In  dien  sin  nog  by  Zevecote,  bl.  314. 

AENBIDEN  {reet,  reden,  gereden),  st.  ww.  onz. 
Mnd.  anriden, 

1)  Voortrijden  {naar  een  bepaald  doel),  er  op 
aan  rijden,  \\  Doe  reden  si  allegader  an,  Ferg. 
4156.  Ecbt  80  reet  Tyberins  ane  uptie  moylike 
Germane,  Sp,  I*,  34,  29.  Metten  worden  reet  hi 
ane,  ende  begonste  opten  wagen  te  slane,  Yelth. 
I,  52,  55.  Ritsier  noepte  dors  ende  reet  coeniyc 
an  ende  veriajntfde  dat  goede  paert,  Flovent  97. 
Segbeiyn  reet  vaste  an  na  den  hert  met  Glorifiere , 
Segk.  2502.  Terstont  reet  die  hertoge  aen  ende 
begreep  die  poorte  van  der  stede ,  £xc,  Cran, 
182  c, 

2)  Met  den  3den  nv.  Enen  — ,  op  iemand  aan- 
rijden ,  met  vyandige  oogmerken ,  zoowel  van  enkele 
raiters  als  van  gebeele  legerbenden.  ||  Een  spere 
gbegreep  bi,  stare  ende  groot,  ende  reet  den 
stonten  nertoghe  an ,  JTal.  10554.  Doe  reet  hi  den 
genen  ane  ende  begonde  yreselike  te  slane,  Lanc, 
III,  24172.  Herman  van  Woerden  reet  bem  ane, 
als  dene  wille  badde  te  vane,  Stoke  lY,  1469. 
Ende  reden  hem  ane  doe  mettien,  ende  beringhedense 
an  beden  siden,  YII,  904.  Met  XX*  man  reet  bi 
den  kerstenen  an,  Flovent  372.  Dns  werd  daerdat 
aneriden  so  vreseiyc  ende  dat  striden,  dat  nieman 
des  geiycs  en  sacb,  Yelth.  III,  6,  43.  Menighen 
viant  reden  si  an,  Orimb.  I,  3590.  Ende  reet  der 
vorste  scare  ane,  I,  4241.  Her  Segherman,  die 
hem  met  tome  reet  an,  II,  4308.  Metten  worden 
reden  si  hem  aen,  Fragm,  Carl.  50.  Oliviere  reet 
hi  an,  ende  stacken  ten  mgge  in.  Boel.  163, 
226.  Ende  reden  hem  met  perssen  an,  Sp.  lY' , 
24 ,  92.  Ooc  80  reden  si  hem  ane ,  dien  van  Judas 
ende  van  Benjamin,  zij  bestookten  ze,  Bijmb,  7814. 
Zie  ook  ^.  I«,  34,  24;  lY' ,2^,%S\Brab,  T.U, 
3690;  Heelu  1894;  Orimb,  II,  2574;  Jfaleg.  229; 
Limb,  XII,  399;  enz, 

3)  Enen  — ,  op  iemand  aanrijden,  met  vrien- 
deiyke  oogmerken.  ||  Si  riden  hem  ane  ende 
vraghen  mettien,  waer  hi  wille  ende  wie  hi  si, 
Sp,  IV ,  16,  18.  Mettien  hi  hem  anereet  ende 
groeten  vriendelike,  JAmb,  lY,  844.  —  Ook  van 
een  voetganger,  in  den  zin  van  aanklampen,  op 
iemand  afgaan,  ||  Hets  seker  een  moerdenaer ,  ofte 
mi  bedriecht  myn  waen;  nochtan  salUc  hem  riden 
an,  Lansl.  634. 

4)  Enen  — ,  bij  iemand  aanrijden,  vriend- 
scbappeiyk,  om  een  bezoek  te  brengen.  Yerg. 
Aenrinnen  2).  II  Doe  zeide  de  ruter,  ryt  mi  an, 
Sehaaksp,  f.  210,  aang,  bij  De  Yries  83. 

AENRINNEN  {ran,  ronnen,  geronnen),  st.  ww. 
onz.  Met  den  3den  (ook  4den)  nv.  Yerg.  Rinnen. 

1)  Enen  — ,  op  imnand  aanloopen,  hem  aan- 
vallen. Il  Sinen  waerd  hi  doe  aneran,  endesloech 
den  vreseliken  man  op  syn  hoeft  metten  swaerde, 
Lanc,  III ,  19282.  Want  doet  oft  gevaen  int  anerinnen 
waenden  si  den  hertoge  gewinnen,  Yelth.  III,  5, 
49,  —  Ere  port  e  — ,  eene  stad  beloopen,  be- 
stormen,   II   Die  doen  Tielle  aenronnen  soe  coenlike , 


dat  syt  wonnen ,  met  scilde  ende  met  spere ,  Heelu 
3027.  Diere  van  buten  anerinnen  .  .  dat  si  dor 
noot  moesten  keren,  2032.  Want  doen  si  verna- 
men .  .  .  . ,  dat  hi  tKeysers warde  had  gewonnen , 
entie  ander  stede  occ  aneronnen,  maectense  mede 
vrienscap  saen,  Yelth.  (Hs.)  aangek,  bij  Oudem.  1, 
190.  Soe  dat  die  Ludekeren  voorscreven  daer  bi 
den  storm  moesten  begheven  ende  laten  Bovines 
onghewonnen;  .  nochtan  syt  vreseHjc  aenronnen, 
Brab,  T,  YII ,  17581. 

2)  Aanloopen  {bij  iemand) ,  vriendschappeHjk ,  om 
een   bezoek   te  brengen.  Yerg.   Aenriden  4).    || 
Moenken    heimelike    met   nonnen,    clerken   diere 
gerne  aneronnen,  Sp.  III ^,  27,  65. 

AENRISEN  {rees,  resen,  geresen),  st.  ww.  onz. 
Zie  RiSEN.  Mnd.  anrisen.  Bijzen,  opkomen,  ont- 
staan. II ,  Aensiende  die  grote  verderflijcheit , 
manslacht  ende  sterflycheit,  die  van  brande  syn 
aengheresen,  Brab.  T.  YI,  1703.  —  Metden3den 
nv.  a)  Enen  — ,  bij  iemand  opkomen.  ||  Als  hem 
een  twist  riset  an ,  Merl.  2634.  —  b)  Iemand  over- 
komen, overvallen.  \\  Niet  langhe  daer  na,  dat 
hi  in  Brabant  hadde  gewesen,  es  hem  een  siecheit 
angfaeresen,  Brab,  Y.  YI,  404. 

AENROBPEN,  aenropen  {riep,  riepen,  ge- 
roepen), st.  WW.  bedr.  Mnd.  anropen.  Scheidbaar 
en  onscheidbaar  gebruikt,  doch  in  verschillende 
opvatting. 

1)  Ons  aanroepen',  maar  in  dezen  zin  werd  in 
\  mnl.  het  voorv.  gewoonUjk  niet  van  het  ww. 
gescheiden.  ||  In  den  eersten  aneroep  ie  Gode, 
Melib.  Prol,  1.  Ende  aneroepe  u  in  minen  rouwe, 
Sp.  III" ,  36 ,  38.  Ende  anriep  Gods  genadechede , 
II  * ,  23 ,  550.  Ende  anriep  ons  Heren  name,  Bijmb. 
1040.  Ende  aneriep  onsen  here  daer,  2298.  So 
aneriep  hi  sinen  God ,  Parth.  6613.  Cristus  aenriep 
zinen  vader,  Lsp,  II,  41,  30.  Si  aneriepen  die 
Gods  cracht,  Limb.  I,  314.  Ende  aneriep  sinte 
Fransoisen  cracht,  JVanr.  9882.  Sekerlike  aneroupic 
di,  O  Intern.  25.  Wies  hulpe  ie  oemoedelike  ane- 
roupe ,  Vad,  Mus.  4 ,  369  {a,  1372).  Ende  hi  aenriep 
in  sinen  hulpe  sinte  Elyzabeth ,  Pass,  W,  34^^.  Zie 
nog   Bijmb,  8688,   34872,  Lsp,  II,  41,  37,  Limb. 

I,  172,  IX  Best,  301;  «m;.  —  Men  vindt  echter 
het  voorz.  ook  gescheiden,  als  b.  v.  ||  Nu  sal  ie 
Gode  ooc  ropen  an ,  Bijmb.  8836.  Yecht  ende  roept 
Gode  ane,  19677.  Ende  di  nerenstelike  roept  ane, 
Sp,  II»,  13,  65. 

2)  Waar  het  voorv.  van  het  ww.  gescheiden 
werd,  gold  anders  aenroepen  in  de  beteekenis  van 
toeroepen ,  {iets)  roepen  aan  of  tot  iemand.  Yerg.  de 
uitdrukking :  JFat  roepstu  ane  mi  ?  in  Bijmb.  4215 , 
waarin  de  beide  deelen  nog  afzonderlek  staan. 
Het  samengestelde  aenroepen  stond  dan  tot  roepen , 
als  aanspreken  tot  spreken.  Yerg.  ook  Aenbiddrn. 
Aenroepen  werd  in  dien  zin  zoowel  met  den  3den 
als  met  den  4den  nv.  gebezigd.  ||  Eer  di  dyn 
broeder  riep  an,  Philips,  so  kendic  di  al  dan, 
Bijmb.  22333.  Si  riepen  alle  Pylatus  an:  „Laet 
ons  crucen  desen  man!"  Bed,  d,  M.  229.  Ende  riep 
sinen  dyaken  an  .  .,  ende  hietene  lopen  darewaert, 
Sp,  III ■ ,  10,  75.  Sinen  tween  knapen  riep  hi  an, . . 
ende  seide:  „Yoert  mi  ute  desen  landen ,"  ^ra^.  T. 

II,  437,  Sp.  ni«,79,ll,vgl.I»,74,17.Entievan 
der  tafelronden  riepen  hem  an:  aldus  en  suldl  ons 
niet  ontriden,  Merl,  31996.  Soe  dattene  soe  vele 
versochte  die  grave,  ende  riep  hem  an,  dat  hi 
ware  een  bloede  man,  VI,  Bijmkr.  1948.  Doen  si 
sinte  Janne  ter  vaert  sach,  riep  si  hem  ane: 
„Here!"  enz.,  Yst  Bl.  1010.  Die  liede  riepen  hem 
alle  an,  „Wi  bidden  di"  enz,,  ,J^,  P,  32,71.Ende 


435 


AENR. 


AENS. 


136 


riep  den  abt  Hugen  au,  ende  seide,  IV»,  69,  31. 
Sijn  wijf  riep  Heliseuse  an:  „Here"  enz.^  Rijmb. 
13173.  Ende  riep  sus  ane  den  greve  Lodewike, 
CArist.  1413.  —  De  inhond  van  hetgeen  men  roept 
kan  ook  als  object  in  den  4den  nv.  met  het  ww. 
verbonden  worden.  ||  Ende  riep  hem  genaden  an 
omme  haer  dochter,  Rijmb,  23720. 

3)  Roepen  tot  iet*,  oproepen.  Mede  scheidbaar 
gebezigd.  ||  Die  helich  ware  ende  vercoren  dan, 
Ende  ter  blyscip  gheroupen  an,  daer  ie  nte  ben 
ghesteken,  Amand  I,  1268.  Daer  to  solen  die 
rittere,  knechte  ende  stede  .  .  ,  dient  verknndicht 
ende  daeromb  angeropen  warden,  terstont  den 
anderen  gevolgich  sljn,  dien  hulpe  ende  bystant 
the  doen,  Nijh.  4,  134  {a.  1436). 

AENROEREN  (aenrueren,  aknruren,  aen- 
roren),  zw.  WW.  bedr.  en  onz.  Verg.  Roeren. 
Mnd.  anroren. 

Bedr.  —  1)  Aanraken.  \\  Aldus  en  machmen, 
dit  verstaet,  sonder  sunde  ende  mesdaet  niet  aen- 
rueren een  vreemt  wijf.  Wie  met  begherten  aen- 
ruert  haer  lijf,  die  en  mach  niet  reyne  bliven 
X  Plag,  1460.  Maer  roert  men  de  clocke  weder 
an,  so  moetze  weder  luden  dan,  OFl.  Lied.  en 
Qed.  525,  209.  En  baet  niet:  de  heer  es  verbol- 
gen, dat  ie  hem,  vrouwe,  in  desen  saken  en  der 
aenrueren  noch  genaken,  Bliic.  v.  Af.  967.  Doen 
si  Christus  roerden  aen,  die  sonden  waren  daer 
genesen,  OFl.  Ged.  3,  138,  620. 

2)  Raken ^  treffen^  beroeren ,  in  beweging  brengen.  \\ 
Wie(n)  yet  der  lost  aenruert  dat  hem  ten  quaden 
wille  vuert,   dat  hi  verwervet  Gods  hat,  X  Tl^g. 
1448.  Dien  dese  minne  rueret  an,  dat  sullen  wesen 
wijflf  ende  man,  MLoep  I,  267. 

Onz.  Met  den  3den  nv.  —  1)  Roeren^  raken ^ 
betre  f  en.  \\  Nu  wilwy  voert  van  saken  dichten, 
die  onser  materien  roeren  ü.n,3ILoep  II,  110.  Ende 
alle,  dien  dat  sal  betamen  of  in  enegher  w^s 
aenrueren,  Brab.  Y.  II,  1194.  Uutgenomen  of 
yemant  gebannen  waer  van  verraderie,  van  moert 
of  van  verghiffenissen ,  dat  ons  of  onsen  kiinder 
live  anruerden,  die  en  zullen  binnen  dese  vors. 
heerlicheit  niet  vri  of  onthouden  wesen,  Ovrkb.  2, 
211tf  (a.  1283).  Alle  haer  erfgenamen,  dient  bi 
crochte  der  vorseider  letteren  aenruert,  of  namels 
anrueren  mach,  Brab.  Y.  Dl.  2,  bl.  533  (a.  1356). 
Dat  de  hackers  ende  bruwers  alle  gadere  sullen 
moeten  honden  ende  doen  de  coren  die  haren  am- 
bachte  anemeren,  Cor.  v.  Antta.  57, 198.  In  . .  allen 
saken,  der  selver  bailiuscap  anrurende,  Mieris  4, 
663«  (a.  1421).  Van  zaken  die  onsen  borgheren 
anruren ,  Stadr.  v.  Zwolle  167, 324.  Welcke  maninge 
ons  geenre  wys  an  en  ruert,  Matth.  Anal.  3,644. 
Neghien  man  den  de  nederslach  anrorende  ware, 
Overijs.  Recht,  p,  50.  Zie  nog  Mieris  4,  6013; 
921  b',  Nijh.  3,  303;  Matth.  75;  216;  Handv. 
V.  Alkm.  21a,  22«,  b\  243;  O.  R.  v.  Dordr. 
115,   enz. 

2)  Ere  stat  — ,  eene  plaats  aanraken ,  er  aan 
grenzen.  \\  Want  ie  .  .  van  u  ontfaen  hebbe  een 
leen,  minen  goede  anemerende,  Brab.  Y.  Dl.  2,  bl. 
510  (fl.  1357).  Twee  leene  anemerende  minen  goede 
van  der  Brugghen,  Dl.  2,  bl.  512  {a.  1357). 

AENRUEREN,  Aenruren.  Zie  Aenroeren. 

AENRÜKEN  (rooc,  roken ,  geroken)  y  st.  ww. 
bedr.  Ruiken  aan  iets,  het  beruiken.  \\  Ende  int 
dat  wy  hierin  neerstig  sijn  ende  beboet,  so  sal 
onse  goede  cruut  ghenienichvoldighet  worden  .  ., 
also  dattet  onsen  gheminden  Instelic  sy  an  te  sien 
ende  aen  te  ruken.  Stemmen  86. 

AENSATEN,  zw.  ww.  bedr.  Zie  Saten.  1)  Bij 


schikking  regelen   (eene   zaak   in   geschil),   tot  een 
vergelijk  brengen ,   vereffenen.    \\    Omme  te  rade  te 
warden ,  hoe  men  die  saken  aensaten  suele ,  die  ter 
tyt   gevallen  syn   Nyh.  2,    119  {a.  1359). 
AENSCATTEN,  zw.  ww.  bedr.  Zie  Scatten. 

1)  Enen  — ,  iemand  dwingen  schatting  te  betalen, 
tot  voldoening  van  oorlogskosten.  ||  En  worden 
voort  angeschattet  alle  de  Schyringen  partyes 
luiden  .  .,  en  gaven  veel  duisent  olde  Fransche 
schilden ,  Matth.  Anal.  1 ,  82. 

2)  Iet  — ,  iets  gerechtelijk  bij  executie  toewijzen , 
tot  voldoening  van  schuld.  ||  Huis  of  erve  of  ander 
goet  aen  te  scatten,  Matth.  122.  Ten  ware  oft  de 
gene,  die  de  huysen  ende  erve  toebehoren,  haer- 
lieder  handen  van  den  zelven  huysen  ende  erve 
deden ,  alsdan  zo  zal  tgerechte  der  stede  van  den 
Briel  den  eygendom  terstont  anscatten  mitten  rechte 
den  rentenier,  behoudelic  altijts  huns  ende  erve 
haer  recht,  K.  v.  Briel  Ie  13,  16  aant.  Die  rent- 
brieven  .  .,  die  voor  sommen  van  pennyngen  ofte 
voor  sculden  mitten  rechte  angescat  zgn  in  huys 
ende  erve,  144,  1. 

AENSCIETEN  (scoot,  scoten,  gescoten),  st.  ww. 
onz.  en  bedr. 

Onz.  —  Met  den  3den  nv.  Enen  — ^  op  iemand 
aanschieten,  snel  op  hem  e^ komen,  veelal  met 
vijandige  oogmerken.  ||  Mettien  scoot  hi  den 
ridder  an  ende  trac  hem  of,  alsic  lye,  bede  den 
helm  ende  die  cufie.  Wal.  9994.  Anderwerf  scoet 
hi  hem  an,  ende  sloech  op  hem,  Lanc.  II,  46571. 
Daer  scoet  hi  hem  an  metter  spoet,  ende  heeftene 
ghe worpen  onder  voet,  Amand  I,  1238.  In  groten 
misbair  dat  hi  ontran;  ander  honden  schoten  hem 
an,  ende  vraechden  zeer  wat  hem  daerde,  Hild. 
40,  44.  Doe  waren  sy  blyde  allegader,  ende  schoten 
an  dien  ridder  te  gader,  ende  bieten  willecoom  al 
ghemien,  147,  373. 

Bedr.  —  Van  kleederen  of  wapenrusting  gezegd, 
in  de  nog  heden  gewone  beteekenis  van  schielijk 
aantrekken.  \\  Twee  cousen  ende  den  halsberch  groet 
wel  dapperlike  hine  anescoet,  Ferg.  461  e.  e.  Vgl. 
aenscudden. 

AENSCIJN  (antscijn,  Lorr.fr.  l,l^l),-seine, 
znw.  onz.  Uit  Aen  en  Seinen,  ohd.  sctnan,  d.  1. 
schijnen,  schitteren,  hij  uitbreiding  blijken,  zicht- 
baar zijn-,  met  het  voorz.  sdnan  ana,  d.  i.  blijken 
of  gezien  worden  aan  (iets);  ook  in  samenst.  ana- 
sdnan,  als  onz.  ww.  gezien  worden  aan  (iets),  lat. 
apparere.  Zie  Graff  6,  499—504,  en  verg.  Scinen 
en  SciJN  en  Ndl.  Wdh.  op  aanschijn.  Aenscijn, 
mnd.  anschin,  passief  en  concreet  opgevat,  is  dus 
eigenlijk : 

1)  Hetgeen  aan  iemand  of  iets  gezien  wordt ,  dus 
het  uiterlijk  voorkomen,  het  uiterlijk,  den  schijn^ 
hd.  anschein.  \\  Wilt  niet  ordeelen  na  dat  anscijn, 
maer  ordeelt  gherecht  oordeel,  Hs.  v.  1348,  91r. 
—  Bepaaldelijk  in  de  opvatting. 

2)  Het  aangezicht  oi gelaat,  als  datgene,  waaruit 
blijkt  wat  er  in  het  binnenste  omgaat,  en  wel 

a)  Aangezicht,  gelaat,  als  lichaamsdeel.  ||  Ty deus 
sone  hadde  ene  wonde  int  anscyn  by  synen  monde , 
Troyen  2679.  Des  ridders  en  wart  hi  niet  geware, 
bedi  dat  op  sjjn  anscijn  lach  een  orcussijn,  dat 
hine  niet  ne  sach ,  Lanc.  II ,  7886.  Si  rechte  haer 
op  ende  stac  haer  anscyn  over  tbeddeboom,  Eleg. 
916  en  1222.  (Si)  bevinc  in  hare  handekine  syn 
anscijn,  Farth.  8248.  Ane  syn  hovet  lach  haer 
aenscyn,  8265.  Sijn  hovet  ane  hare  anscyn,  8282. 
Si  droghede  hem  syn  aenscijn,  8304.  Oghen,  oren 
ende  anschijn  recht  als  eens  menschen  mochte  syn. 
Nat.  Bl.  II,  2747;  verg.  Sp.  III»,  41,  83.  Siet  hiue 


137 


AENS. 


AENS. 


138 


int  anscijn ,  Nat.  BL  II,  2387.  Tanscyn  hebbense  na 
den  man,  III,  256.  (Als)  si  slet  dat  si  heeft  gedoet 
van  anscine  haer  ghenoet  {van  tuingezieht  haar  ge- 
lijke\  word  si  droevende  lanc  so  meer,  III ,  269.  Int 
anscbyn  als  die  maghet  ghedaen ,  VI ,  410 ,  verg.  419. 
Stellio  verdronken  in  wine,  ende  ghedwaghen  daer- 
mede  tanscine ,  doet  die  lelike  sproeten  ofgaen ,  YI , 
643.  Borax  met  honeghe  ^heminct,  dats  waer ,  maect 
des  menschen  anscli^n  claer,  IX,  97;  verg.  YII* 
249,  IX,  489.  Sijn  anschgn  was  eens  voets  breet, 
Sp,  iy>,  2,  19.  Sgn  ansc|jn  lanc  ende  gerecht, 
I',  12,  45.  Doe  warp  hi  tanscgn  ter  aerde,  III*, 
36,  86.  Doe  wart  sQn  anscijn  also  claer,  alse  oft 
die  sonne  ware ,  III*,  36, 86.  Hi  sette  s^n  anscQn  alse 
hi  in  Jhemsalem  sonde  gaen,  Rt.  v,  1348,55(7.  De 
mont  entie  lierwange  . .  in  den  anscine ,  Franc.  837. 
Te  hemele  waert  .  .  helden  b1  tansc^n,  935.  Dat 
hire  int  anscQn  cnme  kende  ene,  2450.  Spegelt  u 
in  myn  clare  anscijn,  Eote  5593.  Gri  seles  hebben 
blau  danscgn,  8077.  Zie  nog  L.  v.  J.  c.  126 
{patsim)  enz. 

b)  Aangezicht^  gelaat^  als  oitdnikking  van  het 
inwendig  gevoel.  ||  Datmen  niet  en  can  ghesconwen 
in  sgn  anschgn  teiken  van  rouwen.  Nat.  BI.  YI, 
333.  In  den  onnoselen  anscine  ne  vernamen  si 
gene  pine.  Franc.  9387.  Die  bi  hem  stont  ende 
hilt  een  swaert,  met  eenen  onsienliken  anscine,  ^. 
III*,  26,  102.  Met  bliden  anschine,  daermeninne 
alle  bliscap  mochte  scouwen,  I*,  65,  186.  Die 
ander  sprac  met  bliden  anscine,  11^,  9,  89.  Hoe 
menich  ronwich  anscyn  dat  daer  om  her  Evaz  was, 
JAmb.  YI,  268.  Hi  waert  gmwelic  int  aenschijn, 
Bein.  II ,  3620.  Alse  ons  Christus  vertoent  dat  aen- 
8chi|n  sijns  Yader  in  volre  glorien ,  Buusbr.  2 ,  97. 

3}  Overdrachteiyk.  De  uitdrukking  van  het  ge- 
laat^ bij  uitbreiding  opgevat  als  de  toeitandyftasm 
men  verkeert,  het  gevoel  dat  men  ondervindt,  en 
waarvan  het  gelaat  de  spiegel  is.  ||  Tytus  ende 
daertoe  die  sine  ghedoogdent  met  leeden  anschine, 
Bijmb,  29615.  jUs  si  nut  dier  dwange  sQn,  so 
leven  si  in  blyden  aenschijn,  MLoep  II,  2821.  Si 
was  in  zeer  bedructen  aensch^n,  II,  4096. 

4)  Bij   verdere  uitbreiding:   het  gezien  worden , 
de  aanblik^  dus  het  bijzijn,  die  tegenwoordigheid.  \\ 
Die   abt   die   sonde   altoes   sijn   in  sQnre  moncke 
aenschijn ,  ten  dormtre ,  ten  reeftre  ende  ten  chore, 
Teest.  3287.  Ygl.  voor  het  aangezicht  Gods. 

5)lndeuitdrukkinglnaen8cine(intaenscyn) 
heeft  aenscijn  de  oorspronkel^ke  beteekenis  van 
zichtbaarheid j  blijkbaarheid.  In  aenscine  (int 
aenscijn)  is  zooveel  als  zichtbaar,  blijkbaar, 
duidelijk.  Yerg.  het  volgende  art.  ||  Ie  bem  dulre 
in  aneschine  dan  die  gene  die  den  vlanden  ombe- 
dwongen  gaen  in  handen ,  Bijmb.  29344.  Want  veel 
te  trueren  int  aenschijn  is  onghenoechlgc  bj  te 
sijn,  Hild.  223,  67.  —  Yandaar  de  zegswijze:  In 
aenscine  doen,  hetzelfde  als  Aenscine  doen, 
in  welke  laatste  uitdrukking  aenscine  echter  een 
byw.  is.  Zie  Aenscine,  d).  ||  Hi  sout  hemdoen 
in  aenscine,  Stoke  X,  970,  var.  B.  (het  teksths. 
heeft  in  eeine,  de  var.  U  ameinen:  zie  Huyd.  Dl. 
2 ,  bl.  168). 

6)  Oneigenlgk.  Oelaat,  gecSaante,  stand,  van  de 
planeten,  als  vertaling  van  lat  aspectus.  ||  Als 
yement  siecheit  comt  to,  in  Satumus  quade  an- 
schyn,  sijn  onghemac  dat  moet  zQn  van  flenmen, 
Fersl.  en  Ber,  lY,  16,  270.  Comt  Maers  in  een 
quaet  anschgn,  hem  sal  die  maghe  worden  on- 
reine, 284. 

AEKSCIJN,  bijw.  Zie  Aenscine. 

A£NSCIN£ ,  of,  met  weglating  der  e ,  Aenscijn  , 


bijwoordelijke  uitdrukking.  Uit  het  voorz.  Aen  en 
den  3den  nv.  van  seijn,  hetzelfde  als  in  scine, 
in  Hcijn,  doch  meest  als  eene  eenheid  opgevat  en 
daarom  aaneengeschreven.  Ygl.  aenscouwe,  2de 
Art.  Sdnen  (zie  ald.)  beteekende  eertijds  niet 
videri ,  maar  appnerere ,  zichtbaar  zijn  ,  blaken  , 
en  evenzoo  was  scijn  ons  blijkbaarheid.  De  uit- 
drukking aen  seine ,  aen-  scijn,  allengs  tot  aen- 
scine, aenscijn  verbonden,  beteekent  dus  in  blijk- 
baarheid, d.  i.  blijkbaar,  klaarblijkelijk,  duidelijk, 
kennelijk.  Ook  het  mhd.  kende  in  dien  zin  het 
bijw.  anschin,  dat  echter  ten  onrechte  als  een 
znw.  wordt  opgevat  (Ben.  2* ,  146,  Lexer  1,  76). 
Oec  eist  van  naturen  anscine  vroet  boven  alle 
medicine ,  Nat.  Bl.  II ,  2895.  En  es  gheen  recht  an- 
schine, Disp.  122.  Die  vermaledide  kerstine,  die 
hier  Gode  deden  onwerde  anscine,  Lucid.  5857. 
Die  wapen  .  .  die  die  beste  sgn  anscine,  die  ie 
in  seven  Jaren  sach,  C.  en  El.  310.  Dat  toioe  an- 
schyn  aldus  maken  beestelike  vorme  aen  haren 
lichame,  Teest.  2697  (vgl.  Bloeml.2*,  bl.  226).— 
Yooral  gebruikelijk  was  aenscine,  aenscijn,  in  de 
uitdrukkingen : 

a)  Aenscine  (aenscgn)  werden,  blijkbaar 
worden,  blijken.  ||  Sün  macht  wordt  u  anscijn 
mids  den  doopsele  goed  ende  fijn,  Amand  1,1728. 
Wie  vader  ende  moeder  eert,  die  wert  oec  van  den 
kinderen  sijn  vervroudt,  dats  dicke  worden  aenscyn, 
Tien  Plagh.  678.  Dat  een  vreselic  vonnesse  sal  sijn 
op  den  mensch,  dat  wert  anscQn,  Lucid.  5563. 
Dat  es  dicke  worden  anscgn ,  Bein.  1 ,  1775.  Alstem 
wel  wart  anschine,  Sp.  III*,  8,  14.  Ende  deder 
toe  alsulke  pine,  datte  veste  wort  anscine,  zicht- 
baar werd,  Stoke  X,  479. 

b)  Aenscine  (aenscijn)  s^n,  blijkbaar  zijn, 
gebleken  zijn,  soms  nog  door  oyw.  versterkt.  || 
Nu  es  mi  die  quaetheit  anscine,  here,  ende  nu 
hebbics  rouwe,  ff^al  3994.  Dus  es  haer  ghelove 
anscine,  Nat.  Bl,  I,  224.  Dats  aenscine,  dats 
aenscijn,  dat  is  blijkbaar,  duidelijk  (gewone  be- 
vestigingsformule), ff^ap.  Mart.  I,  291,  Awtandll, 
3112,  Bose  {€)  1899,  V.  d.  Zielen  1^9, Belg.  Mus. 
5,  76 ,  7 ,  Lucid.  2615,  Hild.  176 ,  161.  Dits  anscine, 
Wap.  Bog.  1547.  Dit  is  openbaer  aenschyn,  Hild. 
16,  201;  104,  91.  Hets  anscine,  Sp.  III* ,  27,  51. 
Dus  eist  anscine,  I',  67,  12,  III»,  20,  12.  Alst 
es  anscine  (anscyn),  Nat.  Bl.  I,  197,  II,  3754, 
Franc.  5030,  Amand  1,  1593.  Als  es  aenschijn, 
Mask.  977.  Alst  was  anscijn,  JFVofk;.  9178.  Alst  was 
anscine,  Amand  I,  2760.  Als  wel  was  anscine, 
Bijmb.  19044  var.  Alst  (den  onsen)  was  anscine, 
Stoke  YIU,  150,  X,  519.  Also  het  was  anschine, 
Amand  II,  3364.  Alst  openbaer  is  anscine,  Stoke 
X,  811.  Als  alle  der  werelt  is  Muachijn,  MLoep I, 
14.  Dats  alder  werlt  wel  aenscbyn,  Hild.  253,31. 
Dats  nu  ter  weerelt  wel  anscine,  Belg.  Mus.  8, 
448,  7.  Dus  eist  openbare  anscine,  Bijmb.  2041, 
Sp.  I*,  42,  51.  Het  es  anschijne  openbare,  Belg. 
Mus.  6,  195,  305.  Dits  claer  genoech  anscine, 
ÏTap.  Bog.  1533.  Alsoot  voor  oogen  es  ende  an- 
schine, Amand  U,  2548;  enz.  —  Met  het  voorz. 
aen,  of  wel  met  den  3den  nv.,  ter  aanduiding  van 
de  zaak  of  den  persoon,  waaraan,  waartfiï of  waer- 
door  iets  blijkt.  ||  Dat  ghi  ons  lief  hebt,  dat  is 
aenschün  aent  conijn  ende  aen  Corbout,  Bein.  II, 
4352.  Dats  noch  aenscQn  an  menegen ,  Wap.  Mart. 
1,  505.  Hi  adde  .  .  gheweset  in  herde  groter  pine , 
dats  sinen  wapinen  wel  anschine ,  die  so  ghescuert 
s^n  ende  ghetrect,  Wal.  828.  God  heeflse  lief, 
dats  hom  aenscine,  Parth,  2580  (bij  Maszmann 
36,  23;  bij  Bormans  wel  a). 


439 


AENS, 


AENS. 


140 


c)  Aenscine  (aenscijii)  sijn,  zich  voordoen^ 
zich  vertooneHy  zich  laten  aanzien^  ook  in  de  ge- 
wijzigde opvatting  van  Aantoezig  zijn,  te  vinden 
zijn.  II  Ons  is  een  ewich  licht  anschgn,  Uild.  82 , 
2.  Hoe  hem  die  reyse  daer  behaechde,  die  zorche- 
liken  was  aenschijn,  147,  328.  Ne  gene  weelde 
was  daer  aenschiuef  Belff,  Mtit.  3,  280,  6.  Waer- 
waert  men  den  anderen  keerde,  daer  wysheit  ane 
was  anschine,  dat  was  al  verlorne  pine,  Heim.  (6*) 
1643. 

^  Aenscine  comen,  zich  vertoonen \ya,n  wind, 
opzetten.  \\  Doe  quam  een  vreselijc  wint  anschine, 
die  hem  verdreef  entie  zine.  Brand.  1151. 

e)  Aenscine  (aenscyn)  doen,  blijkbaar  ma- 
ken ^  doen  blijken^  bewijzen,  betoonen.  \\  Die  waerheid 
sal  hi  doen  anscine  of  mijn  kint  ghenesen  can, 
Rijmb.  12250.  Alse  Matheus  doet  anschine ,  23350. 
In  alre  t|jt  doedi  aenscine  .  .  ,  Vrouwe,  uwe  ghe- 
nadichede,  Clam.  293.  Mindi  mi  iet,  nu  doet 
aenschijn,  Troyen  f.  113rf.  Dat  (hi)  sine  macht  doe 
anscine,  Sp.  lY^  55,  20.  Doe  hi  sgn  leeren  daer 
dede  anschyn,  II*,  29,  8.  Hi  woude  voert  ende 
deet  anscine,  Stoke  III,  1435.  Dat  deedi  wel  te 
passé  auschijn,  Salad,  273.  £en  gedachte  quaet . . 
doet  quade  werke  aenschijn,  X  Flagh.  1223.  Ende 
doet  met  uwen  werken  aenscijn,  soe  blijfdi  van 
der  hellen  vri,  X  Gheb.  11.  Dat  dede  die  meester 
wel  aenschyn,  Hild.  165,  63.  DAvontuer  die  doet 
aensch^n,  dat  si  te  liever  mit  hem  sj,  184,  95. 
Alsoe  sy  deden  wael  aenschyn,  MLoep  II ,  138.  —  Ook 
met  den  3den  nv.  of  oen.  Enen  aenscine  (aen- 
scijn) doen,  iemand  iets  toonen ,  het  hevi  laten 
zien,  II  Doet  an  desen  Joden  anschine  dyns  selves 
eere  ende  mine,  Heim.{C)  2043.  Ende  leedden 
tfolc  in  die  woestine  om  hem  teken  te  doene 
anscine,  Rijmb.  27383  var.  Na  dat  gi  mi  doet 
anscine ,  Roêe(C)  2560.  Dat  dede  hi  ons  wel 
anscine,  doe  hi  leet  die  zware  pine,  Lucid.  4237. 
Alsoe  Ysayas  ons  doet  aenscijn,  X  Plagh.  1762. 
Si  daden  hem  oec  alle  dinc  anschine  van  sconincs 
sone,  hoe  daer  was  gevaren,  Sp.  11^,  25,  46. 
Dede  hoop  my  hulp  aenschyn,  Hild.  92,  4.  — 
Enen  iet  aenscine  doen,  het  hem  toonen  of 
laten  zien,  euphemistisch  voor:  het  hem  betaald 
zetten,  het  hem  leeren,  zooals  wij  thans  zeggen.  Ygl. 
Rein.  1 ,  424 :  het  sal  hem  seinen ,  het  zal  hem  op- 
breken. II  Dat  dedi  hem  also  anscine,  dat  hire  IIII** 
vinc,  Sp.  III*,  87,  18.  Hi  sout  hem  doen  anscine ,  hi 
soude  hem  nemen  lyf  ende  goet,  Stoke  X,  970 
(var.  U).  Het  hs.  heeft  eigenlijk  anscinen  (rijmend 
op  sinen) ,  doch  ten  onrechte.  Het  teksths.  in  scine , 
de  var.  B.  in  aenscine.  Zie  Huyd.  Dl.  2,  bl.  168, 
en  verg.  boven  by  Aenscijn,  5). 

/)  Aenscine,  als  versterkend  bijwoord,  in  de 
zegswijze:  6el|jc  aenscine,  blijkbaar  gelijk, 
volkomen  hetzelfde.  \\  In  distorie  van  MeerUne 
vinden  wi  tgelijc  anscine,  Stoke  Y,  437.  Dies 
gelike  recht  anscine  gesciede  te  Sinte  Severine, 
Franc.  8919  (Lat. :  simiU  qttiddam).  —  In  bij- 
zondere opvatting,  elliptisch  voor  ge  lij  c  aen- 
scine, leest  men  in  Vad.  Mus.  2,  410,  47:  Dat 
water  wert  den  sioete  anschine,  die  wijn  wert  ons 
Heren  bloet,  d.  i.  aan  het  zweet  gelijk,  in  zweet 
veranderd. 

AENSCINEN  {sceen,  scenen,  gescenen),  st.  ww. 
bedr.  Beschijnen.  \\  Alse  die  mane  comt  in  Leo, 
ende  si  anschijnt  Satumus  daer  to  van  sinen  vier- 
den anschyn,  van  fleumen  dat  e  vel  sal  sijn,  Cracht 
d.  M.  151.  Es  die  mane  in  Libra ,  .  .  anscyntse 
Mars,  80  sterft  hi  emmer;  beschyntse  Jupiter, 
sone  sterft  hi  nemmer,  209 — 216.  —  Ook  flg.  ||  Ie 


peise,  dat  hem  vroude  anescynt,  voor  hem  opdaagt, 
aanlicht,  Hadew.  1,  178,  76. 

AENSCOT,  -scote,  znw  onz.  Mnd.  anschot.  Yan 
Aenseieten  (by  Kil.  ad^ieere).  Aangeschoten  of  aan- 
geslibde grond,  aanwas.  Ook  Aenval  en  Aenwerp 
genoemd :  zie  ald.  ||  Lange  tyt  twydrachtich  ge- 
west .  .  van  eenen  werdt  .  .  ende  oeck  van  aen- 
scoete  hoers  cloesters  erffenis  {erf,  land)  .  .  Dat 
malUck  syn  aenscot  hebben  sall  teghen  syn  oude 
erve  .  .  Yan  aenscot  hoere  erffenysse,  Nyh.  2, 
220,  222  (o.  1368).  Yerg.  Noordewier  49,  235  en 
De  Yries ,  Mnl.  Wdb.  88. 

AENSCOU  (aenscau,  aenscouw),  scomoe,  znw. 
m.  Yerg.  mha.  scou,  st.  m.  (Lexer  2,  775).  By 
Kil.  Aenschouw.  Yerg.  Achterscouw,  m.  Het  aan- 
schouwen, in  actieve  opvatting. 

1)  Het  aanschouwen,  het  aanzien,  de  aanblik.   \\ 
Die  so  helich  es  ende  so  goet ,  dat  so  hemele  ende 
eerde  voet  mids  haren  aenscouwe,  Wap.  Rog.  927. 

2)  Het  schouwen,  de  schouw,  het  toezicht.  \\  De 
buerchmeesters  ende  scepenen  .  .  zullen  altyds 
regard  ende  anschau  hebben  op  tvors.  hof,  ZVl. 
Bijdr.  1 ,  325. 

3)  Het  aanschouwen,  de  aandacht.  \\  De  meeste 
last  hebben  zy  geleden  by  de  300  knechten  van 
den  lande,  die  daer  lagen  15  weecken  lanck,  tot 
grooten  verdriete,  cost  ende  laste  van  denselven 
dorpen,  daerup  zy  begeren  anschouw  te  hebben, 
Inform.  290.  —  Aenscouw  nemen,  acht  sloom, 
in  aanmerking  nemen.  \\  Nemende  anschouw  up 
die  felheid  van  wapene,  enz.  K.  en  O.  v.  Del/t 
63 ,  4.  Sonder  anscouw  te  nemen  van  waen  de  selve 
goeden  gecommen zy n ,131,  7.  —  Sonder  anscon, 
hetzelfde  als  sonder  anscou  te  nemen.  \\  Sonder 
anschouw  van  hoerl.  staete,  67,  2. 

AENSCOUWE,  znw.  vr.  Mhd.  anschouwe,%i.YT. 
By  Kil.  Aenschouw.  Het  aanschouwen,  in  passieve 
opvatting,  en  dus:  de  wijze  waarop  iets  gezien 
wordt  of  zich  voordoet,  het  aanzien,  het  uiterlijk, 
uiterlijk  voorkomen.  \\  Oec  docht  hare  syn  in  ane- 
scouwe  een  stare  riddere  ende  wel  ontploken ,  Lome. 
III,  13390. 

AENSCOUWE,  byw.  uitdr.  in  denzelfden  zin 
als  aenscine  (zie  ald.)  Aenscouwe  syn,  duide- 
lijk zijn,  blijken.  \\  Dan  wy  leven  in  den  rouwe  die 
ons  dagelikes  es  anscouwe,  Merl.  22248. 

AENSCOUWELIJC ,  -like,  bnw. 

1)  Aenscouweiyc  syn,  omschryving  voor 
aanschouwen.  Mar.  v.  Nijm.  8,  165. 

2)  Aanzienlijk,   vertaling  van  lat.  spectabilis.  || 
Ende  hebt  my  gemaect  aenscouwelic  boven  allen 
menschen,  D.  B.  I  Chron.  17,  17. 

AENSCOUWEN  (aenscauwen,  aenscuwen), 
zw.  WW.  bedr.  Scheidbaar  eu  onscheidbaar  gebruikt. 

1)  Aanschouwen,  aanzien,  ||  Want  men  hevet 
dicke  ghescouwet  an  dat  die  mindren  den  meren 
verwan,  Doctr.  III,  811.  Die  desen  draghet,  M 
scan  wen  ane  tileke  bi  sonne  opgane ,  Nat.  Bl.  XII, 
943.  Entie  duvel  hi  voer  dane,  alse  een  rooc  te 
scouwene  ane,  ^.  V,  66,  217.  Droeve  wast  te 
scouwene  an,  Stoke  II,  1410.  Om  dat  wonder  te 
scouwen  an,  Yelth.  III,  23,  20.  Ghenoughelyc  te 
scouwen  ane,  Heim:  1800.  Dat  wonder  was  te 
scuwen  an,  Edew,  1242.  Doe  dese  siele  dese  tor- 
menten gheanscout  hadde ,  Tondal.  41a.  Dits  emmer 
een  scone  anscouwen ,  X»»id.  III,  1179.  Dyeewelike 
pine  .  .  dat  is  Goods  aenscuwen  te  derven,  Fass, 
W.  234<r.  —  Ook  als  znw.  gebruikt,  in  de  bet. 
aangezicht,  in  de  uitdr.  —  In,  voor  iemens 
aenscouwen,  d.  i.  voor  zijn  aangezicht.  ||  Men 
leide  broot  voert  in   syn  aenscouwen,  D.  B.  Gen. 


141 


AENS. 


AENS. 


142 


24  f  33  (Yttlg.  in  conapecfu  eins).  Die  here,  in 
wies  aensüouwen  ie  wander,  ald.  40.  Hem  ge- 
noghedet  al  wel ,  dat  die  coninc  dede  in  des  toIcs 
aenscouwen,  II  Kon,  (Sam.)  3,  36  (Ynlg.  „in 
contpectu  totins  popnli";  St.-B.  ^in  de  oogen^''), 
Hi  sende  boden  vor  sgn  ansconwen,  Ha,  v.  1348, 
55<r.  —  Ook  als  znw.  gebezigd,  in  passieve  op- 
vatting. Dat  — ,  de  toijze  waarop  iets  gezien  wordt 
of  zich  voordoet  y  het  uitzicht  j  het  voorkomen,  Yerg, 
Aenscouwe  en  Aenoescou.  ||  Syn  aensconwen, 
zonder  waen,  was  alB  een  blixeme  gedaen.  Lep. 
II,  36,  879.  Het  hadde  een  liefleecs  wifs  ane- 
sconwen,  Roee  1204.  Al  s^n  si  behagel  int  aen- 
scauwen,  Roee  (6*)  8341.  Wes  gheslachte  hogher 
is,  .  .  syn  aensconwen  scoenre,  Paee,  W,  182(?. 
—  Ook  van  zaken.  ||  Die  daer  sat,  was  ghelijc 
den  ansconne  jaspidis  ende  sardinis ,  Re,  v,  1348 , 
165»   (Openb,   4,  3). 

2)  Iemand  of  iete  aanschouwen j  er  op  letten^ 
zijne  opmerkzaamheid  er  op  vestigen,  ||  Ie  sal  n 
aensconwen  ende  doen' wassen,  J).  B,  Levit.  26,  9. 
Ën  aenscouwe  baer  sacrificie  niet,  Num,  16,  15. 

AENSCREIEN,  zw.  ww.  bedr.  Schreiend  ^  onder 
tranen  aanroepen.  Vgl.  Ned.  Wdb.  1,  303.  ||  Aen- 
screyen  die  ontfermherticheit  Goeds,  Hs,  v,  1423, 
80  a. 

AENSCRIVEN  {screef^  screven^  gescreven),  st. 
WW.  bedr.  Met  den  3den  nv.  des  persoons  of  met 
eene  bepaling,  ingeleid  door  een  voorz. 

1)  Enen  iet  — ,  iets  aan  iemand  schrijven. 
Verg.  Aenspreken  bedr.  1).  ||  Entie  panes  Gre- 
g^rins  screef  hem  ane,  ende  riet  hem  dies  af  te 
stane,  Sp,  III*,  63,  27.  Ay  hoort  dese  valsche 
treken,  ende  dat  grote  onghelimpe,  die  dit  wij  ff 
in  bosen  schimpe  den  edelen  vorst  heeft  anghe- 
screven,  MLoep  I,  2818  (t.  w.  in  haren  brief), 
Seggic  waer,  volcht  mi  der  leren,  maeghden  enoe 
goede  wiven,  want  ie  n  allen  dit  anescrive.  Vod, 
Mus.  1 ,  371 ,  34. 

2)  Enen  iet  — ,  iets  aan  iemand  toeschrijven^ 
toekennen,  \\  Wat  duechden  dat  de  mensche  doet 
dat  hi  Gode  de  eere  an  sal  scriven,  Belg,  Mus, 
6 ,  361 ,  79.  Die  derde  wise ,  die  wi  onsen  hemelscen 
Vader  anescriven,  Rnusbr.  4,  105.  —  Hem  iet 
aenscriven,  aan  zich  zelven  toeschrijven^  meenen 
dat  iets  hem  toekomt,  \\  Een  sondaer  sal  hem  selven 
aenscriven  die  gueden  woorden  eens  belovers  ende 
een  ondanckelgc  van  sinne  sal  laten  den  ghenen 
die  hem  verlost,  D.  B,  Jes   Sgr,  29. 

3)  Enen  in  iet  — ,  iemand  in  een  register  aan- 
teekenen  en  daardoor  tot  zekere  klasse  krengen,  || 
Die  daer  aengescreven  waren  int  boeck  des  levens 
metten  heere ,  syn  nn  gecondampneert ,  Blisc,  v.  M, 
78.  Uwer  waerdicheit  brengen  wi  desen  untvercoren 
jongelinc,  .  .  np  dat  hi  in  onsen  ridderliken 
geselscip  waerliken  mach  angescreven  werden, 
Clerc  90. 

AENSCUDDEN,  zw.  ww.  bedr.  Van  kleederen 
en  wapenen;  mnd.  aneschiUen ,  vgl.  schüten  bg  Ben. 
2*,  229.  Aandoen^  aantrekken,  ||  Sine  coisen  hi 
doe  bant,  sinen  halsberch  scnddi  ane,  Lane,  III, 
22906. 

♦AENSCUREN.  Verkeerde  lezing  voor  aenstaren^ 
Lett,  N,  W,  6»,  100,  11.  „Die  edel  aren,  die 
hoech  aenscnert  (1.  aenstaert)  der  zonnen  licht." 
Belg,  Mus.  5,  360,  42  heeft  aenstaret  en  in  een 
anderen  tekst,  l)enkm,Z^  122, 42,  leest  men  anscauwet, 

AENSEGELEN,  zw.  ww.  bedr.  Van  een  vaartuig 
of  de  opvarenden.  Het  aanzeilen^  aanvaren,  er 
zeilende  tegen  stooten  en  het  beschadigen.  Hd.  an- 
segeln,  ||  Waert  sake  dat  eenich  onser  borgher  den 


andem  anseghelde  om  reden  de  te  voren  gheschiet 
waren  wilmoeds  oft  van  hovart  in  der  zee,  dat  is 
bi  eene  pene  van  lyve  ende  van  guede,  Overijs. 
Recht,  I»,  24,  verg.  128.  —  Vgl.  Segh.  11259, 
waar  aenseilen  gebruikt  wordt  in  den  zin  van 
ergens  heen  zeilen.  Doch  beter  verbindt  men  daar 
daer  met  aen  en  vat  men  daeraen  op  in  den  zin 
van  derwaarts. 

AENSEGELEN,  zw.  ww.  bedr.,  hd.  ansiegeln. 
In  de  uitdr.  Enen  iet  an-  of  afsegelen.  Eene 
akte  onder  zijn  zegel  opmaken,  krachtens  welke 
iemand  iets  verkrijgt  of  moet  afstaan.  ||  Eyn  leen- 
heer off  eyn  scholte  en  mach  nyemant  an-  off  aff- 
zegelen,  dat  stantafftich  is,  buyten  mannen  offt 
gerichtsluyden,  R,  v,  Zutf  98,  21. 

AENSEÖGEN  {seide,  geseget,  geseecht  oï  geseit), 
zw.  WW.  bedr.  Mnd.  anseggen.  Veelal  met  den  3den  nv. 
des  persoons,  aan  of  van  wien  iets  gezegd  wordt. 

1)  Enen  iet  — ,  iemand  iets  bekendmaken, aan- 
kondigen, melden,  \\  Daer  na  seide  hi  hem  an 
waeromme  men  hemelrike  sal  minnen,  Tst,  BI. 
2410.  Voirt  zo  sal  de  greve  van  Vlaenderen  hem 
gheloven  te  houden  ghepayt  ende  vemoncht  met 
alznlcken  segghen,  alse  hem  dese  vorseide  acht 
persone  anesegghen  zuelen,  Brab,  Y.  Dl.  2,  bl. 
478  {a.  1356).  —  Hem  aensegghen,  zich  aan- 
melden, zich  aankondigen.  \\  Alse  die  woekenere 
leeght,  ende  hem  die  doot  aneseecht,  soe  wert  al 
tsine  . .  in  drien  ghedeilt  optie  stat,  XPlagh. 2062. 

2)  Enen  iet  — ,  iemand  door  zeggen  of  spreken 
tot  iets  opwekken  of  bewegen,  het  hem  aanraden. 
Verg.  ons  {iemand  iets)  aanpraten  en  aanpreeken, 
in  de  17de  eeuw  ook  aanspreken.  Zie  Ned.  Wdb.  || 
Omme  dat  soe  hare  seide  an,  na  sine  doot  te  nemene 
man,  Sp.  I*,  55,  59  (Vinc.  suadebaf). 

3)  Enen  iet  — ,  iemand  iets  aantijgen,  aan- 
wrijven, te  laste  leggen.  Bij  Kil.  imputare.  Verg. 
Aenspreken  bedr.  2)  en  Aentien  (1ste  art).  || 
Sulc  hietene  verradere,  sulc  bloot,  ende  seiden 
hem  an  lachter  groot,  Rijmb,  29527.  Dat  hi  on- 
sculdich  was  ende  daer  van  al  dat  men  hem  seide 
an,  Sp.  in*,  92,  20.  Datti  hem  enich  wort  an- 
seggen sonde  ende  bringen  vort,  daer  die  prgs  bi 
worde  testoort.  Franc,  2832.  Gi  seit  mi  dieft  an, 
soect  onder  myn  gesin,  B.  v.  1357,  19(;.  Dien  men 
die  sake  aenseit,  de  beschuldigde,  MLoep  11,  3216. 
Men  en  sal  niemant  dieft  anseggen,  men  sallem 
dief  maken,  of  die  gene  diet  hem  aenseyt,  moet 
selver  een  dief  blyven ,  Mieris  2 ,  SOb  {a.  1303) , 
V.  d.  Wall  119.  Heeft  die  rechter  eenen  poirter 
gevangen,  dien  hy  moirt  enz,  aenseit,  Matth.  325 

8>ij  Alkemade;  in  de  nieuwe  uitgave  108  aenleit). 
f  wii  dan  siin  rekeninge  kalengieren  of  enich 
gebreck  of  broeken  him  aenseggen  wouden,  Nijh. 
3,  344  (a.  1418).  Van  eniger  boosheit,  die  hem 
yemant  anseggen  mocht,  Matth.  Anal,  3,  344. 
—  Ook  met  een  persoon  als  object.  ||  Dat  hi 
(Petrus)  en  wilt  no  hi  en  geert  niet  te  wetene  van 
desen  man,  dien  hem  die  Joden  seiden  an,  L,  o, 
H.  2271,  d.  i.  met  wien  de  Joden  hem  aanwreven 
in  betrekking  te  staan. 

4)  Met  een  persoon  als  object.  Enen  — ,  iemand 
in  rechten  aanspreken.  ||  Worde  een  beclaghet  ende 
angezeyt  voer  tgerecht,  dat  hy  gheen  verjaert 
poerter  en  waer.  Dingt,  v.  Delft  5. 

5)  Aenseggen  wordt  ook  absoluut  gebezigd ,  zon- 
der vermelding  van  het  object,  voor  Aankejfen  of 
beginnen  te  zeggen.  Verg.  Aenspreken  onz.  1)  en 
Aensinoen.  II  Pylatns  sprac:  rt^^S^  ^^  {'^9  ^)' 
Xychodemus  sprac:  „Ic  segt  u  dan",  Lsp,  11, 
36 ,  435, 


ud 


AENS. 


AENS. 


144 


AENSENDEN,  aensinden  (sendde^sindde, tandde, 
of  sende^  sind^,  sande;  gesenty  getint ,  getant),  zw. 
WW.  bedr.  In  de  15de  eeuw  begint  het  als  st.  ww. 
te  gelden  {tont  of  tont^  tonden,  getonden).  Zie 
Sënden   en   verg.  ohd.  anatantjan  (Graff  6 ,  237). 

1)  Met  een  persoon  als  object  en  een  ander 
persoon  in  den  3den  nv.  Enen  enen  — ,  iemand 
aan  of  naar  iemand  zenden,  ||  Ende  sendde  boden 
ende  man  den  coninc  van  Borgoenyen  an ,  ^.  III*, 
3,  61.  Te  siene  den  nienwen  man  van  Gode  gesent 
der  werelt  an,  Franc.  6641. 

2)  Met  een  zakelijk  object  (t.  w.  eene  stoffelijke 
of  onstoffelijke  zaak)  en  den  pers.  in  den  Sdennv. 
Enen  iet  — ,  iemand  iett  toezenden,  doen  ge- 
worden. II  Hi  was  een  rike  man ,  ende  sendde  hem 
een  goet  cleet  an,  Sp.  III^,  61,  56.  Tallen  tiden, 
die  Here  vri  soe  confermeert  zielen  hi  van  son- 
derlingen  gedane,  ende  sentse  den  mensche  ane, 
Lucid.  2915.  God  hevetse  {de  itrijdert)  my  ange- 
sant  dor  siner  doget  wille,  Merl,  17844. 

3)  Met  een  zakelijk  object  (t.  w.  eene  ervaring ,  toe- 
stand of  handeling)  en  den  persoon  in  den  3den  nv. 
Enen  iet  —  iemand  iett  toezenden ,  doen  geworden, 
verleenen,  hetzij  goed  of  kwaad;  bijzonder  van  de 
Godheid  gezega.  ||  Entie  goede  man  wart  blent: 
dit  heeft  hem  God  aneghesent,  Rijmb.  15303. 
Tongheval  maketse  blent  dat  hem  ane  was  ghesent, 
32877.  Ter  doot  gerede  hi  hem  echt,  so  hi  best 
mochte,  als  die  tontfane  welctijt  datse  hem  God 
sende  ane ,  Franc.  5884.  Sine  gesel  e  hi  (Ood) 
hem  anesende ,  Sp.  I  * ,  16 ,  44.  Gods  hant  quam 
np  hare  mettien,  die  hare  een  evel  anesinde,  lY', 
76,  50.  Onse  Here  hare  anesende  een  zwaer  evel, 
ni* ,  28,  2.  Een  wint,  dien  God  den  vianden 
ansint ,  III  * ,  22 ,  64.  Een  wint  is  hem  crechtich 
aenghesent ,  Troyen  f.  63d.  Dien  God  desen  droem 
anesint,  Sp.  lY',  6, 10.  Als  tleven  ent,  wert  die  lanc 
slaep  angesent ,  I* ,  52 ,  58.  Dien  God  den  slaep  sende 
an,  Eleg.  1068.  Di  mi  sendes  vele  scone  ane  die 
macht  van  hemelrike,  L.  o.  E.  1983.  God  onse 
Here  heeft  dicke  gescint  de  werelt,  ende  hare 
anegesint  loen  van  haren  treken ,  Fierde  Mart.  444. 
Dien  hi  ene  hemelsche  crone  anesent,  Rincl.  625. 
Als  wy  Goede  te  verre  ontgaen,  soe  sent  hi  ons 
een  lyden  aen,  Hild.  50,  185.  Ende  alle  dene 
hebben  leet  .  .  God  onse  Here  sende  hem  an  dat 
ie  den  pape  her  Florens  an,  Stoke  X,  1125.  — Is 
het  object  niet  eene  ervaring ,  maer  eene  handeling, 
dan  wordt  aentenden  gevolgd  door  dat  met  een 
zelfstandigen  bijzin,  waerin  die  handeling  is  uit- 
gedrukt. II  Nu  hevet  hem  God  anegesent  dat  hi 
sdleene  hilt  dat  rike,  Sp.  III»,  1,  14.  So  sindde 
God  enen  sceper  aen,  dat  hi  sijn  scape  op  dvelt 
liet  staen,  Lutg.  II,  882. 

4)  Met  een  zakelijk  object  (t.  w.  eene  boodschap , 
een  bericht)  en  den  persoon  in  den  3den  nv.  Enen 
iet  — ,  iett  aan  iemand  (door  het  zenden  van  een 
bode)  laten  weten ,  boodtchappen ,  berichten ,  bekend- 
maken. II  Wat  wondre  hem  God  anesinde,  Rijmb. 
8514  (I  Sam.  3,  17).  Maer  hi  sende  haer  an  met 
beden  ende  met  letteren  ghescreven  sinen  staed, 
Amand  1 ,  4729.  —  Ook  gevolgd  door  een  zelfstan- 
digen bijzin  met  dat.  \\  Pylatus  wijf  die  sendem 
an,  dat  hi  hem  niet  en  bewonde  van  dien  rechten 
man  tier  stonde ,  -§?.  I ' ,  28 ,  22.  —  Is  de  inhoud 
der  boodschap  een  verzoek,  dan  staat  aentenden 
gelijk  met  aanzoek  doen  {bij  iemand),  gevolgd  door 
eene  bepaling  met  om,  ter  aanduiding  van  het 
verlangde  voorwerp.  ||  Ende  sende  den  Fransoysen 
ane  om  de  dochter  coninx  Segebrecht,  Sp.  III*, 
62,  6. 


AENSETTEN  (verl.  deelw.  getet  of  getat) ,  zw. 
WW.  bedr.  Mnd.  antetten. 

1)  In  de  tegenwoordige  beteekenis  van  am^^/^^ 
vattmaken,  vatthechien  (aan  iets).  ||  Men  bantsyn 
hendeken  mit  sletten,  die  die  sterre  anesetten, 
doe  hi  den  hemel  wrachte,  Van  der  Moeder  Oodt, 
in  Buddingh,  fTettl.  364.  Onse  here  nam  die  ore 
van  den  knecht  .  .  ende  settese  hem  ane  al  gesont, 
L.  o.  E.  2209.  Doe  nam  Jhesus  dat  selve  oer  ende  set- 
tet  an,  alst  stont  te  voer,  O.  E.  Pattie  14,  296. 

2)  Enen  — ,  iemand  ergent  plaatten ,  of  wel  in 
flguuriyke  toepassing ,  hem  aanttellen  (tot  eene  be- 
trekking). II  Yan  den  volke  dat  hi  brochte  sette 
hi  ten  tween  porten  an  telker  porten  viertich  man, 
Wal.  7658.  Ende  in  plaatse  dergeenre  die  afgestelt 
sgn  sesse  andere  dergelyker,  by  ons  oft  onsen 
scoutiten  met  rade  der  voorseider  scepenen ,  sollen 
aengesat  werden ,  alsoe  dat  deerste  jaer  deser  af- 
settingen  ¥ry  busscop  twee  van  den  leechluyden 
ende  eenen  van  den  ambachtslnyden  sullen  aen- 
setten;  ende  dander  dry  daer  ghebrekende  ¥ry  abt, 
Oew.  V.  St.  Truyen  §  16.  —  Yooral  verbonden 
met  het  tegengestelde  Afsetten  ,  in  de  vereenlgde 
uitdrukking:  Af-  ende  aensetten.  ||  Dese 
heemraden  .  .  sullen  sy  off  ende  an  mogen  setten, 
Y.  d.  Wall  466  {a.  1421).  Die  officiers  van  den 
closter  of  ende  aen  te  setten,  Dial.  Creat.  63a. 
Den  bosen  prior  af  te  setten  ende  enen  anderen 
.  .  weder  an  te  setten,  ald.  Dycgrave  ende  hyem- 
raden  af  ende  aen  te  setten ,  Zwijndr.  W.  98. 

3)  Iet  — ,  iett  ttijf  drukken ,  het  vatt  zetten 
tegen  iett ,  vattklemmen.  \\  Mettien  sette  hi  sjn  spere 
an,  Lanc.  II,  41196.  Doen  si  die  crucke  setten  ane, 
omme  also  tontfliene  dane ,  iSJp.  lY  * ,  67 ,  23.  Als 
men  se  {de  bhedzuigert)  an  wil  setten,  dansalmen 
de  stede  vaste  wriven,  so  dattet  roed  werde,  .  . 
ende  dan  sal  men  ansetten  de  lieken,  Lanfr.   75p. 

Ygl.  AENSTELLEN. 

4)  Enen  iet  anesetten,  iemand  iett  op  het 
gemoed  drukken,  gelat  ten,  aanbevelen.  \\  (Hi)heTet 
den  lieden  anegeset,  dat  si  souden  houden  die  wet, 
die  dapostelen  setten  hem,  Sp.  I*,  19, 17.  —  Ook 
met  eene  zaak  &\a  ondw.,  tot  noodzakelijkheid  maken^ 
opleggen.  ||  Off  di  dijn  vader  aldaer  lettet  om 
enige  saken  die  hem  ansettet  {leet:  diet  hem  an- 
settet,  d.  i.  die  het  hem  tot  een  plicht  maakt,  hem 
die  noodzakelijkheid  oplegt,  vgl.  De  Yries,  Mnl. 
Wdb.  90),  MLoep  II,  247.  —  Ook  met  een  stof- 
felüke  zaïüc  als  obj.,  die  de  verplichting  van  het 
onderhoud  vertegenwoordigt.  ||  Dat  ghenen  d^ck 
op  eenighen  poorter  aengebrocht  of  aengeset  sal 
mogen  worden,  nee  eidem  imponi,  Y.  d.  Wall  38 
{a.  1270) ,  en  de  aant.  ald.  (=  Mieris  1 ,  445a). 

5)  Enen  finBeiien,ie7nandin  het  nauw  brengen^ 
drukken.  ||  (Si)  streden  tegen  hem  gemeenlike 
ende  namen  hem  vele  van  sinen  rike  ende  zetten 
hem  an  met  alder  cracht,  Merl.  4723. 

6)  Iet  — ,  iett  aanleggen.  \\  Hier  en  binnen 
ginc  si  mit  horen  rade  te  rade,  hoe  dat  si  hoer 
oirloge  best  ansetten  sonde ,  Clerc  101.  Daer  onse 
heren  raeds  begheerde  van  den  steden,  hoe  h|jt 
ansetten  soude  mitter  Yriesker  reise ,  Oorl.  v.  Albr. 
425.  Dat  hyt  nu  voertaen  wat  gadeliker  of  wat 
safter  aen  wil  setten,  Bern.  S.  99d.  Ende  nam 
raet  met  hem,  hoe  hi  sinen  wech  ansetten  soude, 
Patt.   W.  102a. 

7)  Een  pant  — ,  {den  tchuldeitcher)  in  handen 
of  ter    betchikking  ttellen.  Yerg.   mhd.  tetzen,  te 
pand  geven  (Ben.  2*,  349  vlg.),  en  ons  verzetten.  \\ 
Yierscatte  pande  wysen  ende  aensetten.  Mieris  4, 
765a,  766*  {a.  1425). 


145 


AENS. 


AENS. 


146 


8)  Iet  —  tot  ere  dinc,  ieü  op  eene  zaai 
setten^  het  er  op  stellen,  ||  Tot  allen  gheboden  ons 
Heren  hair  horen  des  herts  willichltjken  an  te 
setten,  Pau.  W,  238a. 

9)  Yan  eene  geijkte  maat.  Tot  de  geteekende 
maat  vullen,  ||  Ende  so  wat  Tlesschen  der  poirte 
teyken  hebben  ende  om  wQn  comen,  zal  men  an- 
zetten  ende  yol  meten,  op  XY  se,  O.  K,  v.  Bott 
39,  110.  Dat  een  ygelick  tapper,  het  sQ  yan  w^n 
of  yan  bier  die  Injden  haer  yoUe  mate  te  huys 
senden  in  haer  gheycte  mate  of  stoope,  ende  die 
sullen  sy  den  Inyden  ansetten ,  by  XXX  p. ,  O.  JT. 
V,  Delft  II,  40,  2. 

AENSBTTINGE,  mw.  yr.  Zie  Aensetten. 

1)  Aanetellvng  ^  benoeming  tot  een  ambt  of  eene 
bediening.  ||  Ten  anderen  nae volgende  jare  ¥ry 
abt  twee  van  den  leechluyden  ende  eenen  van  den 
ambachslnyden  snllen  aenstellen ,  ende  wy  bnsscop 
dander  dry;  ende  alsoe  hiemae  versceiden  onder- 
lingen  naer  der  manieren  voerseit,  ende  dat  byn- 
nen  XX  dagen  van  Dertyendach  eens  yeghelijcks 
jaers,  anders  sal  alsnlcke  aensettinghe  ton  voer- 
seiden  scepenen  gevallen  sgn,  Oeio.  t;.  St.  Truyen 
§   16. 

2)  Oplegging^  plaatsing  aan  of  op  iets.  ||  Dat  die 
heiUghe  gheest  overmits  der  ansettinghe  der  apos- 
telen hande  ghegheven  wort,  Es.  76  f.  140<;. 

AENSICHTE  (aensight)  ,  znw.  onz.  Yan  aensien. 
Ohd.  anasikti ,  anasikt ;  mhd.  anesihte ;  mnd.  ansiehte. 
Eigenigk,  in  actieve  en  abstracte  opvatting,  het 
aansnen^  de  aanblik \  maar  vervolgens,  passief  en 
concreet  genomen,  datgene  wat  (aan)gezien  wordt y 
of  de  toijze  waarop  iets  zich  aan  het  oog  vertoont  ^ 
het  voorkomen  y  de  gedaante  \  in  toepassing  op  het 
menscheiyk  lichaam ,  het  aangezicht  of  gelaat.  Bij 
Xil.  „ Aen-ghesicht,  aen-sicht,  aspectus^ 
conspeetus ,  et  facies ,  m." 

1)  Gezicht  y  aanblik ,  het  aanschouwen.  ||  Die 
hemelen  en  sgn  niet  reyn  in  sinen  aensichte. 
Stemmen  92.  Alse  de  meyere  doet  de  gebode  in 
dat  ansichto  van  der  kerken,  Gends  Chtb.  34 
(a.  1230).  Qt>de  tansichte ,  voor  het  aangezicht  Gods^ 
Torec  3414. 

2)  Aanblik  t  uitzicht  ^  voorkomen.  ||  Daer  sal  hi 
oec  toghen  .  .  tonsen  verwite ,  sine  wonden ,  die  hi 
ontfinc  voer  onse  sonden,  metten  vreesliken  aen- 
sichte (d.  i.  „die  er  zoo  vreeselgk  uitzien^'')  ^  Teest. 
3840. 

3)  Aangezicht y  gelaat.  \\  Al  met  bloede  soe  was 
sQn  ansichte  bevaen,  Ferg.  3991.  Een  man,  dien 
soe  in  daensichte  niet  en  can  bekinnen  van  sinen 
langhen  hare,  Farth.  2671.  Een  droeve  aensichte, 
Sp.  I*,  34,  66.  Syn  aensichte,  daer  die  god- 
licheit  nut  lichte,  I^,  22,  53.  Ute  sinen  an- 
sichte een  schyn  ginc ,  Vod.  Mus.  1 ,  52 ,  88. 
Ende  warpen  hem  int  ansichte  water,  Wal.  8208. 
Ende  vaget  van  tranen  u  ansichte,  Éose  6966.  Oei 
en  selt  mQn  ansicht  niet  sien.  Stemmen  74.  Sijn 
aensicht  wort  rimpich,  JHal.  Creat.  %id.  Die  den 
Heer  sach  van  aensicht  tot  aensicht,  Bern.  W. 
dOd?.  Die  ypocriten  onteetton  haer  aensicht,  113^. 
Toech  hem  een  r^pe  aensicht,  Sp.  d.  M,  \^  106a. 

—  Meerv.  ||  Aensichte  ende  nuesen,  VI.  Bijmkr. 
8051.  Die  ansichten  wit  alse  een  blat.  Par M.  8041. 

—  Ook  in  de  uitdr.  dat  aensichte  togen 
ende  bieden,  m  persoon  verschijnen.  \\  Yoort 
dat  de  voorseiae  Symoen  taenzichte  teghen  ende 
bieden  zal,  ende  waert  dat  hy  taenzichte  niet  en 
bode,  zo  zullen  de  borghen  betalen,  Invent.  v. 
Brugge  5,  227  vgl. 

4)  By  uitbreiding,  hoi  gezien  worden ,  de  aanblik^ 


dus  het  bijzijn  y  de  tegenwoordigheid.  Ygl.  aen- 
SGUN.  II  Over  hare  pine  dat  sy  wachten  hem 
tween  die  saten  in  den  stee,  ende  die  sluetele 
in  hare  aenzichte  gheset  waren,  Rek.  v.  Gent 
1,  454. 

—  Aanm.  —  Belg.  Mus.  6,  307  in  een  ouden 
almanak  leest  men  op  3  Januari:  „Te  ansichten 
syn  de  liede  milde."  De  zin  dezer  woorden  is  niet 
helder  en  het  woord  ansichten  is  onverklaarbaar. 
Misschien    schuilt   er   eene  corruptie  in  het  vers. 

AENSIEN  {sachy  sagen ,  gesien;  gebied,  wys, 
enk.  sichy  mv.  sie^^  onreg.  st.  ww.  onz.  en  bedr. 
Yeelal  onscheidbaar  gebezigd. 

Onz.  —  1)  Met  het  voorz.  te  ^  tot.  Zien  op^ 
letten  op ,  aanzien  (iemand  of  iets).  —  Ende  die 
Heer  aensach  tet  Abel  ende  tet  synre  giften,  mer 
tot  Cayn  ende  tot  synen  giften  en  sach  hi  niet, 
D.  B.  Gen.  4,  4.  Also  dat  ie  niet  en  sal  aensien 
voertmeer  tot  u  sacrificie,  D.  B.  Malach.  2,  13. 
Aensich  te  deser  uren  ten  werke  van  mynen  handen, 
B.  B.  Judith  13,  6.  Letteriyke  vertaling  van 
respicere  ad.  —  Elders  gevolgd  door  op,  waar  de 
Yulg.  respexisti  super  heeft.  ||  Wie  bin  ie,  dyn 
knecht,  dattu  aensien  hebste  op  enen  doden  hont, 
myns  geiyc?  2>.  B.  II  Sam.  9,  8. 

2)  Met  het  voorz.  te^  tot.  Overdrachteiyk ,  by 
plaatebepalingen.  Het  uitzicht  hebben  of  gericht  zijn 
(naar  deze  of  gene  zyde) ;  weder  eene  te  letterHjke 
vertsding  van  respicere  in  de  Yulg.  ||  In  allen 
lantscapen  die  ansien  totten  oosten  Galaad,  B.  B. 
I  Chron.  5,  10.  —  In  dezen  zin  ook  een  enkele 
maal  als  bedr.  gebezigd.  ||  Tot  die  speluncke 
{Aldus  f  Yulg.  ad  speeulam^  Stetenb.  tot  den  wacht- 
toren) die  ansiet  die  woestenie,  D.  B.  II  Chron.  20, 24. 

Bedr.  —  1)  Aanzien ,  aanschouwen  y  de  heden- 
daagsche  opvatting.  ||  Dat  eyselic  was  taensiene, 
Rijmb.  32889.  Aensiet  dat  wilde  vogelkiin,  Rosé 
fr.  bl.  250,  92.  Ende  anesach  die  scone  maghet, 
Idmb.  I,  233.  Scone  te  ansiene,  III,  1177.  Al 
aertrike  sal  beven  dan  om  die  vrese  die  men  sal 
sien  an,  Lucid.  5667.  Alle  den  ghenen  die  desen 
brief  anesien,  Ned.  Proza  3.  Syn  doeghen  es  son- 
derlinghe  groene  ende  gracioes  te  anesiene,  Ruusbr. 

I,  244.  Sich  my  ane  fdsoe  ie  dl  sie,Y,  21;  verg. 
23 ,  29.  Aensich  den  hemel  ende  tellet  die  sterren, 
2).  B.  Gen.  15,  5  (Yulg.  suspice).  —  Zoo  ook 
RiJmb.  11446,    Franc.  474,  Melib.  97,  365,  Stoke 

II,  480,  Y,  1308,  Limb.  I,  63,  YI,  1846,  XI, 
1196,   Brab.    Y.   I,   1585,  YI,  6375,  9987,  enz. 

—  Ook:  Als  toeschouwer  of  ooggetuige  bijwonen.  \\ 
Also  alsict  bescreven  las  van  Josephuse  diet  anesach, 
Bijmb.  34386.  Alst  Josephus  scryft,  diet  anesach, 
33604.  Also  de  heiige  man  broeder  Monaldus  sach  an, 
Franc.  7359.  Nu  vare  woch,  ghedinc  van  dien 
dattu  heves  aneghesien ,  Sp.  I^ ,  82 ,  76.  —  A  e  n  - 
siender  ogen,  genit  abs.,  zegswyze  by  latere 
schryvers.  Terwijl  men  het  met  de  oogen  ziet;  voor 
de  oogen  der  aanwezigen.  \\  Ende  terstont  aensiender 
ogen  is  hi  verdorret,  Boeck  v.  d.  L.  J.  209a.  — 
Zoo  ook  Aensiens  hare  alre,  terwijl  zij  allen 
het  zagen,  omnibus  conspicientibus ,  Limb.  Serm.  78a. 

—  Aensien,  als  znw.,  in  passieve  opvatting, 
het  gezicht,  de  aanblik,  het  uitzicht,  voorkomen.  \\ 
Soe  overscone  was  danesien,  JAmb.  III,  1237. 
Dite  een  scone  anesien,  Y,  2021.  Ende  alsoe  es 
Gods  anesien,  Yelth.  YIII,  31,  41.  Hi  hadde  een 
vreesselic  aensien  welken  tyt  hi  wart  erre,  Brab. 
T.  Y ,  140.  Ende  ie  sach :  ende  sich ,  die  gelikenesse 
als  dat  aensien  van  vyere.  Yan  den  aensien  synre 
lendenen  ende  beneden  wort  een  vyer;  ende  van 
synen    lendenen    opwaert    als   een   aensien   eenre 


447 


AENS. 


AENS. 


148 


claerheit ,  als  dat  aensien  van  electere ,  D.  B.  Ezech. 
8,  2  (Valg.  tupeciut  en  vitio  eleciri), 

2)  Aanzie»^  sien  op,  letten  op,  in  V  oog kot^den, 
inzien,  bedenken,  overwegen.  \\  Ie bem onschuldech, 
ghi  giet  an,  des  bloets  van  desen  rechten  man, 
Sp.  V ,  28,  27.  Anesiet  redene  ende  doet  wale, 
Lorr.  \,  1984.  Hier  bi  so  sie  ie  an,  dat  hi  ware 
een  doet  man,  II,  3912.  Als  hi  ansach  so  Ener- 
ghelike  sQn  lant  ende  zine  macht  vergliden,  VL 
Rijmkr.  9736.  Nu  meret  wel  ende  anesiet,  Velth. 
Prol.  24.  Ie  aensie  die  wile  dat  mijn  lijf  int,  L. 
o.  H.  3221.  Ende  aensaghen  vele  meer  uwen  wille 
dan  u  eere,  Melib.  2096.  Anesich  dit ,  dore !  üm^/. 
243;  verg.  490.  O  rike,  anesich  dienen  armen 
fijn!  544.  Sich  ane  die  enecheit,  Ruusbr.  1,  167. 
Als  die  mensche  dan  aensien  wil  die  groetheid 
Gods  ,3,3.  Verveert  di  die  arbeit ,  sich  aen  dat 
loen.  Stemmen  80.  Ie  ansie  dat  dit  vole  van 
harder  necken  is,  B.  B.  Exod.  32 ,  9  (Vuig.  <rw»ö). 
Dat  wi  aensien  hebben  den  menechfuldegen  dienst , 
Brab.  Y.  Dl.  1,  bl.  747  («.  1311).  Ten  waer  dat 
die  gene  also  arm  waer  dat  hys  niet  vergelden 
en  mocht,  dat  zelmen  anzien,  O.  K.  v.  Bott.  10, 
3.  Ende  wairt  dat  die  misdadighe  zinen  wedersake 
also  veel  bode,  datten  gerechte  redelge  dochte, 
dat  zei  men  anzien  in  den  coste,  11,  6.  (Si)  an- 
sagen  des  voirscr.  Florfjs  manlfjchede ,  Clerc  49.  — 
Zoo  ook  Dranc.  6021,  Melib.  1443,  Teett.  1227, 
Hild.  68,  59;  Belg.  Mus.  1,  113,  3;  enz. 

3)  Enen  — ,  letten  op  iemand,  acht  op  hem 
elaan.  \\  Enen  peis  maken  daer,  sonder  weten  der 
Brabantren  van  dien,  ocht  sonder  hen  des  aen  te 
sien,  Brab.  Y,  VI,  10516.  Ende  dede  eenen  yege- 
lyeken  recht  ende  josticie  rycke  ende  arme,  ende 
sach  niemant  aen  {gebruikte  geen  aanzien  des 
persoons),  want  hi  een  rechtveerdich  justicier  was, 
Exc.  Cron.  2184. 

AENSIENRE  (aensienkr),  znw.  m.  Van  Aen- 
sien. Iemand  die  aanziet,  aanschouwer,  besehouwer, 
II  Soe  wat  ie  doe,  Hi  staet  der  mede  bi,  als  een 
ewich  aensienre  al  mijnre  ghedachten ,  mjjnre  mey- 
ninge  ende  m\|nre  werken,  Stemmen  32  (Geest,  L, 
31  r). 

AENSINGEN  (sanc,  songen,  gesongen),  st.  ww. 
bedr.  Zingend  aanheffen,  beginnen  te  zingen.  Verg. 
Aenskgoen  4)  en  Aenspreken  onz.  1).  ||  Nu 
sinet  hi  ane  dat  ierste  wort,  dat  ter  heileger 
missen  hort.  Bed.  d.  M.  251. 

AENSINNEN  (son,  sonnen,  gesonnen),  st.  ww. 
bedr.  Hetzelfde  als  Aenoesinnen  (zie  ald.)  Mnd.  an- 
sinnen,  In  de  uitdrukking:  Iet  aensinnen  van 
enen,  iets  van  iemand  verzoeken ,  hem  tot  iets 
uitnoodigen,  \\  Wairt  saeeke,  dat  onse  richter, 
scepen  oft  ennich  guet  knaep  eyschede  ofte  aen- 
sunue  van  ennige  man ,  die  nyet  te  huys  en  waerre , 
unde  wie  den  vreede  breecke,  die  weer  op  lij  ff 
ende  guedt ,  Np.  1 ,  239  (a.  1328). 

AENSITTEN  {sat,  saten,  geseten),  st.  ww.  onz. 
Met  den  3den  nv. 

1)  Enen  — ,  nevens  of  nabij  iemand  gezeten  zijn 
of  wonen,  aangrenzen.  \\  Die  Samaritane  die  den 
Joeden  sitten  ane ,  Bijmb,  27294.  Een  here  sat  den 
Vriesen  ane,  dien  men  hiet  Heinric  de  Crane, 
Stoke  II,  1133. 

2)  Enen  — ,  aan  iemand  zitten,  hem  aankleven. 
II  Heer,  ghi  selt  van  alre  smette  reyne  ende  wit 

sgn  als  een  zwane,  dat  u  gheen  archeit  aen  en 
sitte,  Salad.  119.  (In  de  variant:  „Ende  dat  hi 
gheen  aercheit  besit,^^  Denkm.  3,  88,  127).  Dat 
engheen  borgher  uter  stad  varen  en  solde  in  dier 
noet  die  der  stad  anzat,  Stadr.  v,  Zwolle  175, 


AENSLACH,  znw.  m.  Van  Aenslaen,  in  de  bet 
bedr.  3)  Mnd.  anslach,  In  de  uitdrukking:  Aen- 
slach  doen  aen  enen,  iemand  aantasten,  in 
hechtenis  nemen.  \\  Dat  sheeren  dienaers  anslach 
doende  an  huerlieden  ghevanghene,  schuldich  zyn 
te  verclaersene  ende  jeghen  wie,  ende  dat  anders 
tvanghen  quaet  es,  Cout.  v.  Brugge  2,  169  (a, 
1445). 

AENSLACHT  (aenslachte,  ook  aensclacht), 
b(jw.  uitdr.  Uit  het  byw.  Aen  en  het  znw.  Slaehte , 
slacht,  geslacht,  ohd.  slakta,  slaht  (Oraff  6,  799).  Met 
den  3den  nv.  Door  geslacht  of  door  a/komst  aan- 
geboren, door  a/komst  kenmerkend  eigen.  \\  Dat  si 
vroet  es,  here,  syt  seker  des,  dat  es  hare  wel 
anslachte  nu.  Hare  vader  was ,  4at  seggie  u ,  die 
vroetste  die  hier  was  int  lant,  Lanc.  II,  7388  (in 
den  tekst  verkeerdeljjk  onslachte).  Hy  (Achilles) 
is  die  goen,  die  (d.  i.  dien)  grote  daet  wel  is  aen- 
slacht ,   Trogen  f.  35<?. 

AENSLAEN  {slaet  of  sleet;  sloech ,  sloegen; 
geslagen  of  gestegen),  st.  ww.  bedr.  en  onz.  Mnd. 
ansldn. 

Bedr.  —  1)  Enen  — ,  iemand  slaan ,  op  iemand 
toeslaan,  hem  a/rossen.  ||  Doe  .  .  quam  daer  een 
aem  ende  sloechse  met  sinen  vlogelen  aen  ende 
wecse  ende  sloechse,  Dial.  Creat.  12a.  Mittien 
sloech  hi  den  onsalighen  an  mit  enen  stock  om 
s^n  lijff,  MLoep  II,  3722.  Daer  sloegen  hem  dese 
heren  an  ende  staken  menegen  Senne  doet,'if(pr/. 
30737.  Si  sloegen  hem  an  in  eiker  stede  ende 
doden  syn  ors,  29172. 

2)  Iet  — ,  op  iets  slaan.  Van  den  Calcaphams, 
een  kostbaren  steen  ,  heet  het  ||  Alsmene  met  yser 
anslaet,  soete  gheluut  van  hem  gaet,  Nai.  Bl. 
XII,  351;  vgl.  Huge  v.  Bord.  28:  Hi  sloech  aen 
dat  een  beckln,  datmen  den  clanck  boven  hoorde 
op  dat   slodt. 

3)  Enen  of  iet  — ,  de  hand  sletan  aan  iemand 
o/  iets,  dus  Aantasten,  aangrijpen.  Kil.  invadere^ 
occupare ,  manus  injicere.  ||  Entie  duvel  slouch 
hem  an,  diene  doodde  cortelike,  l^.  III*,  18,  12 
var.  (in  den  tekst:  trac  hem  an).  Vele  riepen:  „Ten 
pauwelioenen !  laet  ons  die  aneslaen ,"  Heelu  5309. 
Ende  oec  heeft  hi  hem  ondergaen  die  zee  in  deerste 
aneslaen,  ende  haer  scepe  doen  verberren,  Velth. 
II,  24,  33.  Somegen  <Uen  dat  anslaet,  ende  dat 
bi  humoren  quaet,  J^.  IV,  4,  71. 

4)  (Die)  hant  an  iet  — ,  de  hand  aan  ieU 
slaan,  er  beslag  op  Z^^^^i».  ||  Ende  hoe  comen  waren 
na  dien  tijt  Mordrets  soenen  ende  slogen  an  die 
hant,  sonder  enegen  wederstoet,  ant  lant,  Lanc. 
IV,  12376.  Die  slouch  hant  an  met  gewelt  andat 
lant  van  Over  Schelt,  Sp.  IV»,  56,  75.  Ende  van 
(/.  an?)  desen  voerschreven  goede  ende  renten  sal 
Willaem  voersz.  anslaen  syn  hant,  joff  doen  an- 
slaen  van  sinen  wegen,  ende  innemen  toter  wile 
dat  Willaem  voersehr.  syn  geit  vol  ende  al  inheeft , 
Mieris  2,  178a  (a.  1316). 

5)  Van  kleederen,  boeien  enz. 

a)  Een  cleet  — ,  aandoen,  aantrekken:  verg. 
ons  otnslaan.  ||  Dat  hi  dye  zeepye  (zee-pij)  of  roe 
ansloech  ende   om   hem   dede,  Gesta  Bom.  c.  153. 

b)  Enen  die  i se  re  — ,  iemand  de  boeien  aam- 
klinken.  II  Daer  dedene  Bave,  die  felle  man ,  wech 
leeden  ende  hem  slaen  an  vele  ysers,  Amamd  I, 
3793. 

6)  Laken  — ,  laken  aan  het  raam  slaan  oj 
spijkeren.  Verg.  Aen  slag  ER.  ||  Van  der  hoechster 
cuer  selmen  gheven  te  duechtghelde  van  den  helen 
laken  4  gr.  Ende  hiervoir  sullen  die  knapen  mitten 
meester  tot  alre  tijt  bereet  wesen  .  .  an  te  slaen 


449 


AENS. 


AENS. 


150 


ende  of  te  nemen,  Leid,  Keurb,  78,  40.  Wat  laken 
hl  reedt,  die  sel  hi  aenslaen  upten  eersten  streec 
ende  dat  kenlic  mit  syn  teyken  gheteykent, 
618,   2. 

7)  Van  iets  dat  geeongen  of  (hardop)  gelesen 
wordt,  vooral  van  kerkelijke  gesangen  ongetijden. 
Aanheffen ,  aanvangen ,  beginnen  (met  gingen  of  lezen) . 
Kil.  ineipere,  Vgl.  onze  uitdr.  een  toon  aanslaan  en 
Ndl,  Wdb,  Doe  mochtemen  horen  aneslaen  ende 
beginnen,  harde  ho,  dat  „Flaeebo  Domino j"*^  Hein, 
I,  442.  Die  pape  slonch  an  sinen  zanc,  Sp.  iy>, 
38,  59.  Die  sequentie  slonch  men  echt  ane,  lY' , 
47,  56.  —  Inzonderheid  gezegd  van  het  aan- 
heffen der  Mis.  \\  Het  ware  wel  gevoege,  dat  men 
die  messe  anesloege,  Sp,  III  ^,  39,  33.  Doe  hiet 
hem  die  bisscop  gaen  in  de  kerke  de  misse  an- 
slaen,  II*,  74,  50.  Alse  die  wile  gelach  dat  men 
messe  sonde  anslaen,  III  ^,  7,  S.  Eermen  die 
messe  aneslaet,  —  Alse  die  priester  dan  ane  sal 
slaen  die  messe,  —  Alsmen  aewangelie  aneslaet, 
Lsp.  II,  52,  1,  9,  78.  Zoo  ook  ^,  I»,  68,  4ee.e. 
—  Ook,  in  ruimere  opvatting :  Beginnen  te  spreken 
(van  iets),  iets  aanroeren,  ||  Hier  latic  van  den 
here  staen,  ende  wille  u  vort  aneslaen  van  den 
goeden  man  van  Ardenen,  lamb,  II,  1747.  Hier 
latic  van  EcMtes  staen,  ende  willen  vort  aneslaen, 
hoe  em.<i  lY,  1855.  Hier  naer  begonste  men  an 
te  slane,  hoe  men  torloghe  sonde  beleeden,  VI, 
Rijmir.  6742. 

8)  Beginnen ,  t.  w.  iets  te  doen ,  aanvangen  in 
't  algemeen.  ||  Alse  vrouwen  haer  crijch  aenslaen, 
dat  moet  emmer  voerwaert  gaen,  Segh,  4619.  Wat 
hy  anslaet,  tis  al  mit  hem  achter  die  hant, 
S^preuken  33. 

9)  Enen  iet  — ,  iemand  iets  opleggen^  op- 
dragen, II  Dat  een  ygelic  die  buert  te  waken  ende 
die  die  waec  angeslagen  wordt,  dat  die  savonts 
selve  voir  sün  wake  comen  sall  bynnen  der  tilt 
datmen  die  wake  set,  K,  v.  Brielle  51,  23.  So 
wye  die  wake  angeslagen  wort,  die  niet  selve 
ter  wake  en  quame,  ald,  24. 

Onz.  —  1)  Beginnen  te  slaan,  \\  Ende  die 
metalen  mannen  sloeghen  doen  weder  aen  als  si 
te  voren  hadden  ghedaen,  Huge  v.  Bord,  28. 

2)  Jifet  snelheid  op  iets  a/komen.  Ook  verbonden 
met  het  ww.  comen,  Aengeslagen  comen,  in 
denzelfden  zin.  ||  Die  kerstine  sloegen  coenlijc 
an  ende  soccorsden  den  goeden  man,  Flovent  88. 
Entie  coninc  Ban  sal  comen  dan  met  groten  ge- 
ruchte slaende  an  ende  uwe  viande  zullen  .  .  sere 
werden  vervaert,  Merl,  14115.  Maer  doe  quam 
ghesleghen  ane  die  coninc  van  Egypten  wert  met 
meneghen  Torc  onververt,  lAmb,  Vil,  780.  —  Sp, 
I* ,  51,  24;  „üptien  oevere  ginc  hi  staen  daerdie 
zee  an  ginc  slaen"  behoort  an  (d.  i.  tegen)  bij 
daer  (d.  i.  oever), 

3)  Beginnen  te  zijn^  een  aanvang  nemen,  aan- 
vangen, Yerg.  Bedr.  8).  ||  Alse  die  nacht  anslouch, 
Sp,  lY*,  74,  91.  Yinc.  prima  noctis  hora, 

AENSLAGrEBE  (aenslager),  znw.  m.  Zie 
Aenslaen  bedr.  6).  In  de  lakenweverg.  De  hand- 
werkman  belast  met  het  aanslaan  of  spükeren  van 
het  laken  aan  de  ramen.  ||  Tyelman  van  den  Werve, 
Peter  van  den  Slike,  sceres  ende  aenslaghers  van 
Antwerpen,  Brab,  T,  Dl.  2,  bl.  566  («.1358).  Die 
ghemeine  guldebrueders  voirsc.  ende  daenslagers 
(suelen  hebben)  enen  gesworen,  die  wevers  mit 
haren  guldebrueders  enen  gesworen ,  .  .  die  cleder- 
makere  ende  daenslaeger  mit  haren  guldbruederen 
enen  gesworen,  Dl.  2,  bl.  571  (a.  1360). 

AENSLECHTEN  ,  zw.  ww.  onz.  Met  den  3den 


nv.  Uit  het  bijw.  Aen  en  het  znw.  Slachte  y  slacht , 
geslacht.  Yerg.  Aenslacut  en  Aenaerdën,  van 
aerty  aard.  Aenslechten,  op  dezelfde  wij  ze  gevormd, 
is  dus:  genere  vel  origine  insitum  esse.  Door  geslacht 
of  door  afkomst  aangeboren  zijn,  ||  En  aneslecht 
hem  niet  qualike,  es  hi  goet  ridder,  sgt  seker 
das,  want  sijn  vader  een  van  den  besten  was, 
Lanc,  II,  26171. 

AENSNIDEN  {sneet,  sneden,  gesneden),  st.  ww. 
bedr. 

1)  Yan  laken.  Knippen.  \\  Dat  die  scout  den  bur- 
germeesteren  ende  den  scepenen  sulck  laken,  als 
hem  ghegheven  wort  van  der  stede  totter  stede 
cledinghe ,  datsy  van  dat  selve  laken  enen  tabbairt 
sullen  doen  ansnyden  ende  draghen.  Leid,  Keurb, 
165 ,  10.  Men  geeft  exch^'s  van  laicken ,  . . . .  dat 
binnen  der  stede  aengesneden  wert,  Inform,  179. 
Yan  Westvaels,  Donck  of  anders  dat  men  ansnyt 
tot  zeylen,  ald,  Gheen  puycken  te  reden  dan  een 
des  jaers  dat  hy  selver  ansnyden  wil,  Handv,  v. 
Weesp  446. 

2)  Uitsnijden,  beeldhouwen.  ||  Daer  waren  aen- 
ghesceden  cherubinnen  ende  palmen,  D,  B,Ezech. 
41,  25. 

AENSOEKEN,  aensouken,  aensoken  (sochte, 
gesocht),  onreg.  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  ansoken, 

1)  Iet  — ,  iets  zoeken  te  verkrijgen.  \\  Ende 
anesochte  die  blyscip  groot  van  daer  boven  van 
hemelryke,  Amand  I,  1355. 

2)  Iet  — ,  iets  {van  iemand)  zoeken  te  verkrijgen , 
dus  verzoeken,  bidden;  waarvoor  thans  noff  aan- 
zoeken om  iets  of  aanzoek  doen  gezegd  wordt.  Hd. 
ansuchen.  ||  (Ie)  anesoeke  dat  ghi  gaet  voert  na 
dese  woorde  die  ghi  hier  hooit,  Mask.  731.  En 
doedi  niet  dat  ie  aensoeke,  soe  plaent  mi  uut  des 
levens  boecke,  757. 

3)  Enen  iet  — ,  iemand  iets  verzoeken,  om  iets 
aanzoek  bij  hem  doen,  ||  Ine  rade  niet  dat  so  lange  een 
man  beide ,  dat  hem  een  w\jf  soket  an  sine  vrient- 
scap  ende  sine  minne,  Bose  7129.  Dat  hi  gistren 
margen  quam  tot  hare ,  ende  sochte  hare  ane  orlof 
al  dien  pat  te  gane,  10046.  Die  vrouwe  die  mi 
souct  ane  te  ontbiedene  haren  sone  vri ,  lAmb.  I Y , 
222.  Ghi  souct  hem  onrecht  ane,  II,  953.  Die 
vrouwe  en  waer  niet  wjjs,  die  u  dat  ansochte  .  ., 
dat  tegen  u  ere  sonde  wesen ,  here ;  dat  en  soekic 
an  u  nu  noch  nembermere,  Merl,  29588.  Die 
u  ansoeket,  een  verzoek  {om  hulp)  tot  u  richt, 
ombe  enege  noet  van  enegen  onrechte,  dat  men  hem 
doet,  28571.  De  bescermenesse  ons  heerlics  hoe- 
ren .  .  sbisscops  van  Doemike,  wies  hulpe  ie 
oemoedelike  aneroupe  ende  anesouke  in*  allen  desen 
vorseiden  dingen,  Vod,  Mus,  4,  359  {a,  1372). 
Ende  datte  tallen  tiden,  dies  ansocht  synde,  te 
doen  versilveren  tsynen  coste ,  Diericx ,  Mem, 
2,  339. 

4)  Iet  — ,  iets  zoeken  te  volbrengen,  dus  be- 
proeven, ondernemen,  Yerg.  Be  soe  ken.  ||  Die 
davonture  hebben  anesocht,  die  hebbic  allen  tlyf 
genomen,  Ferg.  2844. 

5)  Yan  een  persoon,  een  land  enz.  Aanzoeken oï 
bezoeken  met  slechte  of  vgandige  oogmerken,  dus 
belagen,  bestoken,  aantasten,  aanvallen,  \\  Segt 
here,  wat  soucti  mi  an?  Ie  hebbe  minen  goeden 
man  lief,  mochti  an  iemen  el  comen . . ,  dat  ware 
mi  vele  bat  bequame,  lAmb,  YI,  1317.  Dede 
gadren  mage  ende  man  ende  wonde  Zeelant  soeken 
an,  Stoke  III,  999  var.  (in  het  teksths.:  stoken 
an).  Die  gene,  die  in  zijn  eygen  woninge  wort 
aenghesocht  of  angestreden,  Meylink ,  Dtf//f.  Bijl, 
bl.   52,   n».   24  (a.  1246).  Soo  verre  iemant  een 


151 


AENS. 


AENS. 


152 


ander  binnen  zyn  hnys  alleen  of  met  meer  anderen 
aensochte  ende  hem  versloeffh ,  ^üeris  1 ,  600Ó  (a. 
1298).  —  Verg.  het  volgende  art. 

6)  Enen  lande  recht  aensoeken,  reehUn 
op  een  land  doen  gelden,  \\  Dat  Lotharis  enwelike 
verswoere  Lorreine  ende  Lottrike  an  te  soukene 
enech  recht,  Sp.  IV»,  26,  71. 

Aanm.  —  Behoort  tot  ditww.  ook  angesocht, 
dat  men  leest  Ht.  Yp.  28Ó:  „Orine  boyen  ylie- 
tende  een  cleine  rincsk^n  angesocht  betekent  lange 
siecheit^^?  Het  woord  is  dnister  en  de  beteekenis 
twijfelachtig. 

AENSOEKEBE  (aensoeker),  znw.  m.  Zie 
Aensoeken  6).  Aanvaller^  aanrander,  \\  Den  aen- 
soecker  .  .  met  alle  sgn  medehnlpers.  Mieris  1, 
600Ó.  —  Elders :  „  den  anvichter  ende  alle  sine 
helpers,"   Meylink,  t  a.  p.  Vgl.  ook  aenleider. 

AENSPANNEN  (tfien^  spienen ^  gespannen),  st. 
WW.  onz.  Met  enen — ,  met  iemand  samenspannen , 
zich  met  iemand  verbinden,  ||  Soe  dat  die  heeren 
te  dien  tide  hertoghe  Jan  ter  eender  zide  metter 
stat  van  Mechele  spien  an,  ende  hertoghe  Antho- 
nys ,  dedel  man ,  met  die  van  Antwerpen ,  Brab. 
Y.  VII,  2231.  Grave  Dirc  .  .  OTerviel  die  gene 
die  mitten  Vriesen  angespannen  waren  tegens 
hem,  Clerc  48.  Dat  here  Reynont  heimelic  van 
daer  meende  te  trecken  om  metten  coninc  aen  te 
spannen ,  Exe.  Oron.  126d. 

AENSPRAKE,  znw.  st.  vr.  Zie  Aenspreken 
bedr.  2)  en  3).  Mnd.  ansprake. 

n  Gerechtelijke  eisch.  \\  Des  Martijn  Toirsz.  mit 
Snellaert  Dnyc  .  .  boven  den  oerdele  ende  sententie 
voirgenoemt  weder  vervolch  ende  aensprake  ge- 
daen  heeft  op  Gheryt  voemoemt  van  den  scroed- 
ambocht,  V.  d.  Wall  488  («.  1424}.  Ende  waert 
dat  om  deser  koeren  yemandt  wye  hy  waer,  scout, 
borgemeester,  scepenen  of  raedt  .  .  eenige  last, 
cost,  scade,  aenspraeck  of  eenige  hinder  aen  wor- 
den gedaen  van  yemanden  .  .  ,  dien  last,  cost, 
scade,  hinder  ende  aenspraeck  snllen  wy  gesaem- 
lyck  .  .  met  malcanderen  helpen  honden,  weder- 
staen  ende  nntdragen,  623  (a.  1434).  Dat  onse 
lieve  broeder  van  Cleve  .  .  vele  heyschen  ende 
aenspraken  maect,  Nj|h.  4,  162  [a.  1437).  (Dat  si) 
om  eneghe  zaken  .  .  die  hen  te  Bruessele  ghe- 
sciet  waren,  aensprake  en  souden  doen  enegber- 
leiden,  Brab.  Y.  VII,  13683.  Ende  verliet  hen 
alle  voorledene  dinghen , . . .  aenspraken ,  tichten , 
calaengien,  VII,  14166—68.  —  Inzonderheid  in 
tegenstelling  van  antwoorde:  Aensprake  ende 
antwoorde,  eiscA  en  anttooord  op  een  eisek, eisch 
en  verdediging,  ||  Waert  dat  enich  of  meer  van 
onsen  ondersaeten ..  tot  onsen  lieven  neve  voirscr. 
.  .  enich  rechtlike  aensprake  hed,  des  selen  wy 
mechtich  wesen  dat  hoen  wedervare ,  na  aensprake 
ende  andwerde ,  Nijh.  3,  171  (a.  1390);  verg.  216. 
Nae  aenspraiken,  antwerden  ende  wairheit  te  bey- 
den  syden,  3,  301  (a.  1409).  Na  welke  aensprake 
ende  antwoirde,  also  by  ons  ende  onsen  raide 
oversien,  gehoirt  ende  wael  verstaen,  4,  162  (a, 
1437).  ^ 

2)  Aanklacht,  beschuldiging.  ||  Waent  die  gene 
.  .  dair  aensprake  of  lyden  van  den  heer,  Matth. 
210.  Datter  sommighe  waren  die  besculdichden  een 
ridder  .  .  Si  daden  die  aensprake  aldus,  Oesta 
Bom.  169Ó. 

AENSPBAKEBE  (aenspraker),  znw.  m. 

1)  Van  Aenspreken  bedr.  3).  Eischer,    Hetzelfde 
als  aenspreker.  Vgl.   mnl.  achterspraker  en  achter- 
spreker en  ons  aansprakelijk,  Ned,  Wdb,  1,  342.  || 
Ist  saeck ,  dat  die  voorhouder  sgn  wed  daer  tegens 


den  aenspraker  overgeeft,  soe  is  een  vul  seeven- 
taych.  Dingt,  v.  Water l.  20.  In  alle  saeken,  daer 
dye  anspraker  myt  orkenschip  spreekt,  nae  ayt- 
wysinghe  der  punten,  die  daer  van  roeren,  dat 
zall  nyemant  met  sgns  selfs  eedt  ontgaen,  Schwartz. 
1,  666Ó,  29  («.  1466). 

2)  Aanspraak,  troost,  trooster ,  vgl.  aenspreken 
bedr.  1).  ||  Hi  sal  wesen  een  aenspraker  mgns 
ghepeyns  ende  myns  verdriets,  Hs.  v.  1423,  213a 
{Boec  der  W,  8:  locntio  cogitationis  et  taedii). 

AENSPREKELIJC,  -like,  bnw.  Ytai  Aenspreken 
bedr.  3).  Vgl.  Ndl.  Wdb.  op  Aansprakelg k. 
Aansprakelijk,  in  rechten  vervolgbaar  wegens  onrecht- 
matig aangebrachte  schade,  \\  Dat  de  bezitteghe  aen- 
sprekelic  es  voor  tg^ent  dat  zoe  in  de  wettelicke 
deelroUen  den  aldinghers  van  hueren  man  over- 
ghegheven  heift,  Cout,  v.  Brugge  l,  668. 

AENSPREKEN  {sprac,  spraken,  gesproken),  st. 
WW.  onz.  en  bedr.  Mnd.  anspreken, 

Onz.  —  1)  Aanheffen  oi  beginnen  te  spreken.  Verg. 
Aenseggen  4)  en  Aensinoen.  |)  Nu  spreect  hier 
an  {var.  nu  spreket  an),  Rijmb,  8036.  Die  vrien- 
delic  te  hem  sprac  an,  iSp,  IV*,  41,  42.  Maunis 
van  Moriane  en  dorste  niet  spreken  ane,  JUmb,  XII, 
1040. 

2)  Met  den  3den  nv.  Enen  — ,  iemand  aam- 
spreken,  het  woord  tot  hem  richten,  de  hedendaag- 
sche  beteekenis.  II  Onse  Here  Abrahamme  anesprac, 
Rijmb.  1981.  Van  Mes  die  stoute  Jan  sprac  aldus 
Ogiere  an ,  Lorr,  1 ,  423.  Sprac  hi  sinen  gesellen 
an ,  IV ,  102.  Die  hertoghe  sprac  der  maghet  ane , 
Limb,  I,  649.  Hi  sprac  hare  weder  in  Walsce 
ane,  767.  —  Zie  ook  Stoke  V,  160,  Umb.  XII, 
108,  1226,  Segh,  9696,  Bose  fr.  bl.  267,  293, 
Sp,  V,  41,  29;  —  Ook  met  den  2den  nv.  der 
zaak ,  waaroptfr  men  iemand  aanspreekt.  ||  Wj 
woudens  u  geme  spreken  ane,  Orimb,\,  1439  var. 

Bedr.  —  1)  Enen  iet  — ,  van  woorden  of 
gezegden  die  men  tot  iemand  richt,  iets  aan  of 
tot  iemand  spreken ,  hem  daarmede  aanspreken,  Yerg. 
Aenscriven  1).  II  Si  aensprac  haer  lieve  kint: 
sone,  ie  weet  wel,  enz,  Mask.  672.  Die  heleg'e 
man  .  .  sprac  hem  an  dustane  wort.  Franc,  6602. 
Ende  sprac  hem  an  dusdane  tale,  Sp.  III*,  16, 
46.  Sprac  hi  hem  an  vriendelike  tale,  III*,  2,42. 
Ende  sprac  hem  an  grote  overtale,  III*,  34,  36. 
Hi  seide  hine  daets  niet,  sonder  waen,  ende  sprac 
hem  an  groot  overmoet,  III ^,  18,  64.  DeshiGode 
genaden  groot  in  siere  bedingen  sprac  ane,  I**, 
86,  80,  d.  i.  waarvoor  hij  tot  God  sprak  van  de 
groote  {hem  bewezene)  genade ,  m.  a.  w.  ^voor  welke 
genade  hij  God  dankte'\  Aldoot  spraken  si  hem 
{Titus)  lof  an,  de  Romeinen  kenden  hem  lof  toe ^ 
spraken  met  lof  van  hem,  Sp.  II*,  6,  37.  Zie  ook 
II*,  77,  46. 

2)  Enen  iet  — ,  van  een  misdrijf  gezegd, 
iemand  iets  aantijgen,  te  laste  leggen.  Verg.  Aen- 
seggen 3)  en  Aentien  (1ste  art.),  die  beide 
dezelfde  gedachte  op  volkomen  gelüke  w^ze  uit- 
drukken. II  Ende  anehoren  al  dat  dies  men  hem 
anespreken  woude,  Lorr,  I,  1612.  Dat  hi  onscol- 
dich  is  van  dien  stucken,  die  men  hem  heeft 
aengesproken,  Belg.  Mus,  6,  302  {a,  1284).  Waer 
op  wij  eendrechtich  gewgst  hebben  na  der  aen- 
sprake ende  na  der  tichten  voerscr. ,  die  die  richter 
voerscr.  van  des  heren  weghen  aengespraken  ende 
geteghen  heeft  heren  Brusten,  Njjh.  3,  122  (o. 
1386). 

3)  Aanspreken  in  rechten,  een  eisch  instellen.  Bg 
Kil.  actionem  intendere.  Verg.  Aentalen  2).  Als 
znw.    in    den   zin    van  gerechtelij  ken  eisch,  \\  Van 


153 


AENS. 


AENS. 


154 


allen  gescille ,  orloge ,  heisch  of  aenspreken ,  ochte 
enegerhande  gebreken,  die  si  gehaat  hebben  tot 
deser  stont,  Brab.  Y.  VI,  8304.  —  Enen  te 
campe  aenspreken,  iemand  lot  een  tweekamp 
mtdoffen,  Rein.  II,  7216. 

a)  Enen  — ,  iemand  in  rechten  aanspreken ,  Aem 
aanklagen ,  Kil.  aceutare.  \\  Dat  soese  (Maria  haar) 
moeste  beyrien  vanden  viant  diese  anespreect,  Sp, 
P,  66,  176.  Die  broeder  ne  zullen  niet  wildelike 
noch  ombillike  noch  verdachtelike  niemen  moeyen 
noch  beclaghen  noch  aenspreken.  End  van  wen  si 
beclaghet  of  aensproken  werden,  enz,^  D.  Orde 
216.  Wie  den  anderen  an  lyf  ansprect  ende  OTer 
ghewelt  ende  ghebroken  yrede  claghet,  Overijt. 
Reehtj  I',  21.  Ende  die  anspreker  hem  aenspreket 
mit  eenre  slichter  claghe,  ende  neet  en  vermet  te 
betnghen,  Stadr.  v,  Zwolle  85,  110.  Als  yemant 
zynen  yiant  mitten  hoechsten  recht  beclaghen  ende 
aenspreken  wille,  Dingt,  v.  Delft  82. 

b)  Enen  —  van  iet,  iemand  in  rechten  be- 
trekken wegens  iets^  hem  aanklagen  van  iets,  \\ 
Brieve  an  dieghene,  die  die  van  Borselen  .  .  an- 
spreken  als  helpers ,  dat  si  comen  souden  . . ,  haer 
onscoude  te  doene.  Rek,  v.  Zeel.  2,  217.  Die 
hebben  gevanghen  dien  simplen  man,  ende  van 
dieften  gesproken  an,  Brab.  Y.  YI,  4469.  God, 
die  ons  noch  van  dien  anspreken  sal,  Rincl.  669. 
Dien  men  anesprake  van  misdade,  Belg.  Mus.  6, 
301  (a.  1284).  Enich  man  of  vrouwe  die  anghesproken 
wort  van  schulde  de  roert  van  enen  doden,  Stadr. 
V.  Zwolle  85,  110. 

é)  Iet  — ,  aanspraak  maken  op  iets^  eischen.  \\ 
Dattie  Ylaminghe  spraken  an  de  Westérzide ,  entie 
man  soude  de  grave  daer  of  wesen,  Stoke  IX, 
1340.  II  Al  hebben  sijt  (dat  recht)  weder  aneghe- 
sproken,  dat  is  somwile  op  hem  ghewroken,  lY, 
27.  Yan  den  tienden,  die  aie  voorseyde  Inde  ane- 
spreken,  Mieris  2,  356  (a.  1303).  Enich  onse 
burgher  die  des  anders  erve  anspreket  binnen  onser 
vriheit,  als  men  die  ansprake  doet,  so  sal  elcsinen 
koer  besetten,  Stadr.  v.  Zwolle  119,  199.  Waerdat 
sake ,  dat  eenich  man  landt  aenspraecke ,  soe  soude 
uyt  elcken  weer  lants  zeven  wesen  die  daer  meest 
in  geland  waer,  Eando.  v.  Weesp  4a.  Als  yemant 
eenich  huys  of  erve  mitter  gadinghe  aenspreken 
wil,  D'mgt.  v.  Delft  23. 

i)  Enen  iet  — ,  bij  iemand  aanspraak  maken  op 
iets^  het  in  rechten  van  hem  eischen.  \\  Ende  een 
poerter,  die  zQn  erve  aldus  aenghesproken  worde , 
die  mach  hem  verantwoerden ,  Dingt.  v.  Delft 
23.  Alsmen  yemant  zijn  huys  of  zyn  erve  aen- 
spreect,   24. 

4)  Enen  — ,  iemand  aanspreken ,  lastig  vallen.  \\ 
Si   sloten   mit  een  ghemeen  raet,  dat  hi  voirtan 
van   hoir   niet  an  en  soude  ghesproken  werden, 
mer  hi  soude  trecken  daer  hi  woude,  Ned.  Proza 
242. 

AENSPREKEBE  (aenspreker),  znw.  m.  Yan 
Aenspreken  bedr.  3).  Eischer  in  rechten.  Yerg. 
Aensprakerk.  II  Soe  wi  den  aenspreecker  weder- 
seyde  in  pandinghe  ende  hem  dat  scepenen  an- 
wijsden,  verbuerdeYI  |9.,  O.  K.  v.  Delft  I,  10, 
15.  Enich  man  of  vrouwe  die  anghesproken  wort 
van  schulde  de  roert  van  enen  doden,  ende  die 
anspreker  hem  aenspreket  mit  eenre  slichter  claghe, 
ende  neet  en  vermet  te  betughen,  Stadr.  v.  Zwolle 
85,  110.  Soe  bedinghet  die  talman  den  anspreker 
sijn  verhal.  Dingt.  v.  Delft  42. 

AENSPREKINQE ,  znw.  vr.  Aanspraak.  ||  Alle 
recht,  voorwaerden  ende  aensprekinge ,  die  wy 
op   de  heerlichede  .  .  gehadt   hebben,  Schwartz. 


1,  223a,  b.  Geenrehande  recht,  voorwaerde  noch 
ansprekinge  ....  om  die  landen  ....  hebben, 
ald.  b. 

AENSPBINGEN  (sprane,  sprongen,  gesprongen), 
st.  WW.  bedr.  Bespringen.  Kil.  „Aenspringhen, 
assilire.'*''  ||  Die  portier  sprongense  ane  ende  mes- 
handeldense  met  slane,  Merl.  3375.  Ende  sien  si 
yet  voerbi  hem  trecken,  ist  dier,  ist  voghel  of 
oec  man,  die  springhen  si  met  crachten  an,  Nat. 
BI.  II,  3200  (van  Pardus).  Hi  salse  willen  ane- 
vaerden  ende  anespringen  ende  assaelgieren ,  Rosé 
((J)  12680  (van  een  hengst,  die  eene  merrie 
ontmoet). 

AENSPBONC,  -spronge,  znw.  m.  Aanval,  overval. 
Kil.  „Aen-spronck,  assultus.**  Mnd.  ansprunk. 
Yan  Aenspringen  (zie  ald.)  ||  So  is  die  stercheit 
een  doecht,  die  den  aenspronc  alre  becoringen 
gedoget,  Sp.  d.  Vole.  f.  222. 

AENSTADEN,  zw.  ww.  bedr.  Yan  Staden,  be- 
vestigen, verzekeren.  Zie  Staden  en  Opstaden. 
Enen  des  — ,  van  eene  beschuldiging  gezegd, 
ze  tegen  iemand  staande  houden,  volhouden,  des- 
noods met  de  wapenen.  ||  Maer  om  dat  gi  een 
morder  s^'t,  gine  moget  ontseggen  camp  no  strijt 
ter  werelt  negenen  man,  dies  u  wille  staden  an, 
EUg.  1261. 

AENSTAEN  (stoet,  stoeden,  of  stont,  stonden, 
gestaen),  st.  ww.  onz.  By  Kil.  instare,  imminere. 
Yerg.  Instaen  en  Bestaen.  Mnd.  anstdn. 

1)  Yan  personen.  Met  een  dden  nv.  Enen  — , 
bij  iemand  aandringen,  sterk  aanhouden.  ||  Doe  hi 
dese  dinghen  .  .  seide ,  begonden  die  Phariseen . . 
hem  swaerlic  aen  te  staen  ende  sinen  mont  te 
stoppen ,  Hs.  71 ,  Lue.  11 ,  53.  ^In  Hs.  Evang.  zonder 
den  3den  nv.  absoluut  gebruikt:  Doe  .  .  begonnen 
die  Phariseen  .  .  swaerlike  an  te  staen). 

Aanm.  —  D.  B.  Esdra  3,  9:  Dat  si  aenstaen 
souden  op  die  geen  die  twerc  deden  in  den  tempel 
Gods,  d.  i.  dat  zij  zouden  opzicht  of  toezicht  over 
hem  houden,  is  niets  dan  eene  letterlgke  vertaling 
van  lat.  instarent  super  eos. 

3)  Yan  den  tyd,  of  van  gebeurtenissen  die  in 
den  tyd  voorvallen.  Ophanden  zijn,  zóózóó  zullen 
gebeuren,  naken.  Yandaar  ons  bnw.  aanstaande.  || 
Om  hoer  groot  hoechtyt  die  anestont,  O.  ff. 
Passie  30,  861.  Doe  die  tyt  synre  passien  ende 
vechtinge  anstont,  Gesta  Rom.  e.  155.  Des  eersten 
dages  dat  der  Joden  feestdach  anstont,  aangeh.  bij  De 
Yries ,  Mnl.  JTdb.  95.  Dat  in  den  lesten  daghen  an 
stillen  staen  vreeslike  tiden ,  Es.  75  /.  89^.  Judas 
omsiende  sach  den  stryt  aenstaende  van  voer  ende 
achter  rugre ,  D.  B.  II  Chron.  13,  14  (Yulg.  instare). 
Die  toom  des  gramscaps  sHeren  aenstaet  op  Israhel , 
II  Chron.  28,  13  (Yulg.  imminef).  —  Ook  met  den 
3den  nv.  des  persoons.  ||  Grote  toem  des  Heren 
u  anstaet,  D.  B.  U  Chron.  28,  11.  Off  ons  of 
onsen  vrienden  enige  noet  aenstoinde,  NSh.  4,  72. 
(a.  1431).  Wat  den  genen  anstaet  te  liden,  die 
God  hier  verwerpet,  Boeck  v.  d,  L.  J.  l^Od.  Aen 
alle  siden  staen  mi  striden  an ,  staan  mij  te  wachten, 
aen  allen  siden  so  bin  ie  in  sorgen  groot,  Bern. 
r.  llld. 

Aanm.  —  Stoke  III,  1063:  „Oec  waren  daer 
coene  man  van  buten  lants  die  hem  an  in  staden 
stonden  van  alre  dinc"  schynt  aenstaen  in  plaats 
van  het  simpl.  staen  te  staui.  Doch  men  zal  wel 
moeten  lezen  „die  hem  an  j  staden  stonden*';  vgl. 
stade. 

AENSTAL,  -stale,  znw.  m.  Yerg.  mhd.  anstal 
(Lexer  1 ,  78) ;  nhd.  anstall,  statio ,  induciae. 
Even  als  uit  stal,  ohd.  stal,  statio,  zich  de  be- 


155 


Aens. 


AENS. 


i5Ö 


teekenis  ontwikkelde  van  atiUtantl  van  wapenen ,  kon 
aan  den  anderen  kant  die  van  rtutpunt  ontstaan , 
dos :  AanUgpUuUt.  \\  In  andere  wateren  nemen  wy 
onse  recht  in  sluysen  ende  anstalen ,  die  onse  zijn , 
Mieris  1,  537a  (a.  1291),  Lams  4.  In  anderen 
wateren  sullen  wy  onse  recht  nemen  in  sluysen 
ende  anstalen,  die  onse  syn,  Lams  46.  In  het 
Oor  kb.  2,  3766  leest  men  evenwel:  an  stalen,  in 
twee  woorden  geschreven,  hetwelk  misschien  de 
ware  lezing  is.  De  zin  is :  „op  plaatsen  door  houten 
staken  ter  vischvangst  afgezonderd".  Zie  Stael. 
Bevestigt  zich  dit,  dan  vervalt  hiermede  het 
woord  aerutal. 

AENSTEKEN  {ttac,  ttaken,  getteken),  st.  ww. 
bedr.  en  onz.  Mnd.  anateken  en  atuticken, 

Bedr.   —    1)  Een  cleet  — ,  aantrekken,  aan- 
tehiêten.  \\  Si  stac  ane  haer  hemde  sidgn  ende  ene 
pelse  hermeryn,  ¥erg.  1437.  —  Enen  een  cleet 
— ,  iemand  een  kleed  aandoen,  doen  aantrekken.  || 
Hi  stac  hem  goede  clederen  an,  Sp.  V ,  11,  38. 

2)  Van  personen.  Enen  — ,  iemand  beleedigen, 
tlecAt  bejegenen.  Verg.  Aenstoten  2).  ||  Alse  hem 
die  Joden  te  sere  anstaken  ende  verweten  hem 
dat  hi  sot  ware  oft  beset«n,  Doctr.  II,  616  var. 
(teksths.  anttieten). 

3)  Enen  brant  — ,  brandstichten.  \\  Als  de 
Vriesen  hadden  verloren  .  .  ,  ghinc  men  doe  an- 
Hteken  brant  ende  verbernden  altehant  dat  dorp  te 
Vronen,  Stoke  V,  1016. 

4)  Van  een  land.  Bestoken ,  aanranden ,  aanvallen. 
Verg.  Aenstoken  3).  ||  Wart  dat  die  Grave  van 
Vlaendre  jof  sine  kinderen  .  .  onse  lant  erghent 
anesteken  jof  versoeken  wilden,  zo  soude  Rey- 
nottd  .  .  ons  te  helpe  comen  om  onse  land  helpen 
te  verwaren,  Mieris  2,  278^  {a.  1322). 

6)  Ook  fig.  met  eene  ondeugd,  een  zedelijk 
kwaad  als  ondw.  Aantasten ,  in  beroering  brengen  , 
lat.  tentare.  \\  Coringe  .  .  sinen  (Jezus'*)  zin  niet  an 
en  stac,  Sp.  V ,  6,  12.  Eist  dat  donder  der  ho* 
varden  di  roert  of  ghierechede  of  achtersprake  of 
nidecheit  of  ander  ghebreke ,  die  di  anesteken ,  Hs. 
V.  1348,  17*. 

Onz.  —  1)  Opsteken,  opkomen,  van  het  weder 
en  den  wind.  ||  Daer  stack  een  groet  onweder  an. 
Pass  W.  11 4d.  Dye  wint  stac  daer  na  weder  an, 
17öa. 

2)  Van  vuur  of  brandbare  stoffen.  Ontsteken, 
beginnen  te  branden,  vlam  vatten,  gelijk  aansteken 
nog  heden  als  bedr.  ww.  voor  doen  branden  gezegd 
wordt.  II  Dat  midden  in  dat  vier  een  vese  van  een 
linen  cleet  lage ,  soe  en  ware  die  vese  niet  alsoe 
bereet  te  aensteken ,  als  enx. ,  Ruusbr.  3 ,  104. 

AENSTELLEN,  zw.  ww.  bedr.  Iet  — ,  iets 
aanleggen.  Kil.  Aen-stellen,  instituere.  Mnd. 
anst/llen.  Verg.  Ned.  Wdb.  op  Aanstellen  bedr.  B). 
1)  Iet  — ,  Iets  vast  tegen  iets  drukken,  aanleg- 
gen. II  Si  (de  bhedzuigers)  wonen  in  gueden  watere , 
daer  velen  pudden  siin  ende  men  sal  se  doen  vasten , 
eer  mense  anstellet,  Lanfr.  Ibv.  —  2)  Aanleggen, 
ordenen,  regelen.  \\  Om  te  ramen,  hoe  men  die 
saken  mit  die  van  Utrecht  soude  anstellen,  Bel, 
V.  Leid.  189. 

AENSTERKEN,  zw.  ww.  bedr. 

1)  Enen  — ,  iemand  sterken,  kracAtig  maken, 
hem  kracht  geven.  \\  En  daet  hare  welgheraectheit , 
die  mi  altoes  vore  oegen  lelt  ende  anesterot  soe 
hovesschelike ,  Limb.  VII,  7. 

2)  Met  den  3den  nv.  des  persoons.  Enen  iet 
— ,  iemand  iets  bevestigen,  hem  iets  plechtig  beloven, 
zich  plechtig  verbinden  tot.  ||  Voert  een  man  die  eenre 
joncfrouwen  of  eenre  weduwe  trouwe  anesterkede. 


B.  V.  Vtf.  47.  Desgelijx  sel  wesen  van  ene  vrouwc- 
naem,  die  enen  man  trouwe  aensterkede,  dat  si 
bloethoefts  comen  sel  ter  clocke  ende  gheven  vyf- 
tich  pont  of  tien  jaer  uter  stat  wezen,  aXd.  Een 
man,  die  eenre  joncfrouwen  of  eenre  weduwen 
mit  eniger  famen  ofte  geruchte  trouwe  aenstarkede, 
ende  .  .  die  trouwe  nyet  bewysen  en  mocht  als 
recht  is,  158,  6. 

3)  Iet  — ,  klem  op  iets  leggen,  met  nadruk  op 
iets  wijzen.  \\  Die  jongheren  mochten  vraghen  : 
Here,  wat  meenstu  hiermede,  dattu  aldus  dicke 
dine  minne  anesterkes,  mestrouwestn  ons?  Hs.  v. 
1348,  232^. 

AENSTERVEN  {starf,  staerf  of  sterf-,  storven , 
gestorven) ,  st.  ww.  onz.  Mnd.  ansterven.  Met  den 
3den  nv.  Van  goederen  of  rechten.  Enen  — ,  in 
iemands  eigendom  overgaan  door  den  dood  van  een 
ander,  door  versterf  aan  iemand  ten  deel  vallen; 
thans  aanbesteroen.  Verg.  Aenbesterven  en  Aen- 
VERSTERVEN.  ||  Want  Scotland  was  hem  ange- 
storven,  Stoke  IV,  795  var.  B.  (A.  anverstorven , 
U.  anbestorven).  Sjjn  steden  .  .,  die  min  no  mee 
sinen  kindren  aneghestorven  weeren  bi  dode  des 
edelen  heeren  sgraven  van  Saintpol ,  haers  ouderva- 
der ,  Brak.  Y.  VII ,  4704.  Ende  dat  men  van  renten 
met  allen,  die  verscenen  waren  ende  ghevallen  op 
enen  anderen  bi  siinre  doot,  engheene  clein  ofl 
groot  sluten  en  soude,  wats  mocht  ghescien,  sonder 
consent  ende  bevel  van  dien,  dien  si  aenghestorven 
waren,  VII,  17805.  Hoir  leen  .  .,  dat  hoir  van 
hunne  liever  suster  der  grevinnen  van  Vlaenderen 
wilen  was . .  aengestorven  ende  vervallen  is,  Brab, 
Y.  Dl.  2  bl.  65:^  («.  1383).  Van  alsulken  guede 
ende  erfnys  alze  Pelgrims  kinderen . .  anghestorven 
ende  gheervet  is  van  Katherinen  van  Zinderen , 
Nyh.  3,  212  {a.  1399).  Die  verbanden  sterven  hem 
aen,  Matth.  125.  Alle  die  gene,  dien  poirterrecht 
aengestorven  is,  126.  Goeden,  die  niement  ange- 
storven  sijn,  176.  Storve  hem  enich  goet  an , /S/SocdTr. 
V.  Zwolle  155,  282.  Dat  die  graefscip  van  Hollant 
na  joncher  Jans  doot,  grave  Florys  zoon,  den  rgck 
angestorven  waer,  Clerc  150.  Coninc  Karel  syn 
broeder  gaf  hem  thertochdom  van  Bourgondien, 
dat  der  cronen  was  aengestorven,  want  die  her- 
toge  van  Bourgondien  sonder  manlic  oor  was 
ghestorven,  Exc.  Cron.  136rf.  —  Zie  nog  NJh. 
4,  9,  Rek.  V.  Zeel.  2,  113,  Cont.  v.  AsUw.  1, 
322  enz. 

AENSTICHTEN,  zw.  ww.  bedr.  Hd.  ansHften. 
Veroorzaken,  teweegbrengen,  stichten,  t.  w.  van 
roof,  brand  enz.  Verg.  Ned.  Wdb.  op  Aanstichten, 
II  Dat  elc  soude,  jeghen  sinen  cant,  anestichten 
roef  ende  brant,  al  omme  ende  omme,  tenen  male  , 
Brab.   Y.  V,  2721. 

AENSTIX,  byw.  Hetzelfde  als  ontwee  en  fe 
sticken  (z.  a.)  Aan  stukken,  stuk,  kapot.  \\  Als  die 
jonghe  aat  sach,  nam  hi  sinen  boghe  endestacken 
teghen  der  aerden  anstickx,  Matth.  52. 

AENSTOKEN ,  zw.  ww.  bedr.  Verg.  Stoken  en 
mnd.  anstoker. 

1)  In  de  tegenwoordige  beteek enis.  Aanstoken^ 
aanleggen.  \\  Ënde  dede  vier  anestoken,  Heelu 
2550. 

2)  Bestoken,  aanranden,  aanvallen.  \\  Niemene 
en  quets,  hoe  soet  vare,  noch  en  stoke  ane  met 
twiste,  Sp.  !• ,  35,  32.  Dede  gadren  mage  ende 
man,  ende  woude  Zeelant  stoken  an,  Stoke  III, 
999  (var.  soeken  an).  Die  [stede]  ghinc  hi  vaste 
anestoken  daer  die  Dunouwe  vore  vliet,  ende  wanse 
op  dat  Honghersche  diet,  Brab  Y.  III,  356  (In 
den  tekst  ontbreekt:  stede;  doch  in  den  Sp.  IV*, 


157 


AENS. 


AËNS. 


158 


2,  68)  leest  men  op  de  gelijkluidende  plaats:  „Die 
ttedê  80  ginc  hi  stoken'*).  — Een  huus  metten 
brande  anstoken,  eigenlek  met  brandatichHng 
bêttoken^  dns  bij  een  vijandeUjken  aanval  in  brand 
iteken,  \\  Dies  men  zindert  zach  anstoken  menech 
huns  al  metten  brande ,  ende  menegen  doeden  bin- 
nen den  lande,  Tl.  Rijmtr.  9320.  —  MLoep  IV, 
623  wordt  yan  de  mannen  gesproken,  die  in 
't  geheim  „doen  by  tijden  dat  hoir  wiven  niet 
gaeme  en  lijden. "  En  de  dichter  laat  er  op  yolgen : 
„Trouwen ,  in  sulck  aenstoken  en  wort  die  ech^cap 
niet  gebroken".  Aenttoken  schijnt  hier  de  beteekenis 
te  hebben  van  aanslag^  tlechte  behandeling^  nage- 
noeg dezelfde  opvatting  als  der  yar.  aenttoten.  Zit 
Aenstoten  2). 

Afl.  Aenstokinge,  aanprikkeling  ^  het  in 
beweging  brengen  der  hartstochten.  ||  Als  hy  tot- 
ter  begheerlicheyt  des  yleysches  met  brandighen 
aenstokinghe     ontsteken    wort,     Devoet    B.    (30) 

1419. 

AENSTONDEN,  bfiw.  Verkorte  uitdrukking, 
gelijk  staande  met  aen  deten  ttonden,  te  dezer 
tijd.  Aanstonds  f  terstond.  Verg.  Aen  yoorz.  I,  8. 
I)  Die  heren  gingen  aenstonden  daer  sy  mijn 
heer  Wouter  yonden,  Orimb.  I,  1116.  —  Aen 
corte  stonden,  binnen  kort.  leest  men  ald.  vs. 
2603. 

AENSTOOT  (aenstoet),  -stote,  znw.  st.  m. 
Zie  Aenstoten  3).  Aanval,  aanranding ,  Kil.  aggres- 
sio.  Mnd.  anstót]  ygl.  Ned.  Wdb.  op  Aanstoot.  || 
Dat  haer  lieden  sulck  eenen  str^t  ende  aenstoot 
hadden  gheleden,  Grimb,  II,  6683  yar.  Dat  si 
Israhels  aenstoet  niet  en  souden  mogen  gedogen, 
2>.  B.  Ntm.  22,  3.  In  tflde  yan  orloghen  altoos 
den  eersten  aenstoot  hebben  .  .  yanden  yianden, 
Handv.  v.  Weesp  13a.  Alle  die  anstoet  des  strides 
wart  gekeert  tegen  Jherusalem ,  D.  B.  II  Chron.  86 , 

2.  (Vuig.  iinpetus).  Daer  na  also  si  uut  Spanghen 
dagelix  veel  anstoots  hadden,  CUre  9.  Om  dat 
si  yeel  anstoets  leden  yan  den  Noormannen  ende 
Denen,  die  yeel  lande  wonnen,  23.  Na  desen  .  . 
deden  die  Westyriesen  HoUant  menigen  anstoot, 
48.  So  dat  hi  yoir  der  Vlamingen  anstoet  niet 
yersaecht  en  was,  181.  Dye  stede  was  seer  yast 
ende  starck  .  .,  wel  yoorsien  ende  bescermt  yan 
allen  aenstoot,  Exe.  Cron.  204d.  Soe  wye  an 
yemandes  huysen,  doer,  yeynstere  ofte  glaeze 
geweldelicken  ende  uyt  arrenmoede  anstoot  doet, 
K,  en  O.  V.  Bel/t  68,  6.  —  Ook  yan  de  aanvech- 
ting der  zonde  gezegd.  ||  Die  aenstoot  der  ondoechde , 
Ruusbr.  8,  82.  Die  aenstoot  ende  die  beweginge 
der  ondoecht,  3,  86.  Neyginee  ende  aenstoot  der 
souden,  ald.  Die  sal  sinen  luden  yerlossen  quader 
anstote,  Fass.  W.  168a. 

AENSTORMEN,  zw.  ww.  bedr.  Verg.  Stormen 
en  Clerc  76:  Daer  quamen  si  totter  burch  tot  Leyden, 
.  .  daer  die  bisscop  mit  sinen  yolke  an  stormde. 
Bestormen,  stormenderhand  aantasten.  j|  Ditcasteel 
wert,  met  crachte,  door  broec  ende  door  diepe 
grachte,  aenstormet  ende  toegheronnen ,  Heelu 
1647.  Dat  casteel . .  wert  al  yan  bloten  knechten  . . 
anegestormt.  ende  bestaen,  6173.  Dat  si  anders 
mergens  betide  die  stat  mogen  stormen  an,  Velth. 
11,13,  66.  Ende  stoermden  an  die  stede,  ^.IV*, 
6,  46,  yerg.  Brah.  Y.  III,  681.  Daerom  besat 
die  coninc  dat  casteel  ende  stormdet  an  mit  meniger- 
hande  instrumenten,  97.  Als  onse  borgers  dat 
huys  solden  anstormen,  Matth.  Anal.  1,  76.  Dat 
heel  bisdom  mit  dagelix  anstormen  te  bedroeyen, 

3,  160.   Als   die   Graye  yan   Qelre  .  .  mit  desen 
yoerseideu  Princen  .  .  al  gemeen  dat  Bisdom  yan 


Utrecht  hadden  angestormt,  164  (ygl.  83).  Ende 
dit  aldus  ghedaen  wesende  wert  die  stede  nacht 
ende  dach  aenghestormt  met  me&igerley  geschutte, 
Exe,  Cron.  210c.  So  wie  een  huys  aenstormt  by 
dage,  die  waers  op  yijff  pont  Holl.;  by  nachte,op 
thien  pont,  Jlandv.  v.  Weesp  16.  Zoo  nog  Belg. 
Mus.  4,  204.  —  Ook  fig.  yan  de  aanvechtingen, 
de  lagen  des  duiyels.  ||  Tot  yfjf  poerten ,  dat  zQn  die 
yyf  sinnen,  soe  stormt  hi  mi  aen,  Bern.  S.  94r. 
AENSTOTEN  (stiet,  stieten,  gestoten),  st.  ww. 
bedr.  Scheidbaar  en  onscheidbaar  gebezigd.  Verg. 
Aenstoot.  Mnd.  anstoten. 

1)  In  den  hedendaagschen  zin,  ook  onscheidbaar 
gebezigd.  Aanstooten,  aanpakken.  ||  Hi  anstietse 
ende  yerwrectese ,  Oesta  Eom.  c.  81.  Die  borstkyns 
machmen  wel  anstoten,  sijn  sy  niet  te  yast  be- 
sloten, MLoep  II,  1313.  Als  my  noch  wel  ghe- 
dencket,  soe  aenstiet  die  g^ede  heer  myn  hert, 
Bern.  S.  93<?.  —  In  sterkere  opyatting: 

2)  Beleedigen,  slecht  bejegenen.  Kil.  offendere, 
offensare.  Verg.  ons  aanstoot  geven  en  aanstootelijk. 
Zie  Stoten  en  yerg.  Aensteken  bedr.  2),  Aen- 
STRiDEN,  Aenvechten  euz.  ||  Alse  hem  die 
Joden  te  sere  anstieten  ende  hem  yerweten  dat  hi 
sot  waer  oft  beseten,  Doctr.  II,  616.  Om  der 
nyderen  anestoten,  MLoep  I,  1812.  —  In  de  uit- 
drukking sulc  aenstot,en,  zulk eene beleedigende 
handeling  of  aanstootelijke  bejegening ,  MLoep  IV , 
623  yar.  Zie  de  plaats  by  Aenstoken.  —  In  ver- 
sterkte, maar  gewyzigde  opyatting,  waarin  het 
met  aenvechten  en  aenstoken  geiykstaat: 

3)  Bestoken,  aanranden,  aanvallen,  met  daden 
of  woorden.  Kil.  ineurrere.  ||  Al  woud  hy  met 
eenighen  oyermoede  ons  yet  aenstooten,  dat  wy 
mogen  met  eeren  weeren  ongheloghen,  Orimb.  I, 
2266  yar.  Ie  versta  dat  hier  voor  u  anstoten  es, 
ende  seer  tonrechte,  al  dat  menschelike  gheslechte , 
Meuk.  328.  Hoe  seer  dese  arme  oerden  anghestoten 
sellen  worden,  ie  selse  altoes  staende  houden, 
Hs.  88  f.  86a.  Die  . .  mallec  den  anderen  mit  also 
groter  vromicheit  ende  eeren  bistonden ,  .  .  dat  se 
te  vergeefs  niet  en  werden  aenstoten  noch  aen- 
vochten,  Brab.  Y.  Dl.  2,  bl.  707  {a.  1408).  Dat 
die  gravinne  van  Vlaenderen  Walcheren  anstoten 
woude ,  Clerc  101.  Jegen  allen  den  genen ,  die  hair 
fortsen  of  overlast  doen  wilden,  hoir  ende  hoiren 
lande  anstoten  off  beschadigen.  Mieris  4,  1016a 
{a.  1433).  Soe  wie  een  huys  van  buyten  aenstoet, 
aats  huysstootinge.  Balen,  Beschr.  v.  Bordr.W.  11 
en  422  (By  V.  d.  Wall  114  voor  aenstoet-.  anestnjd, 
en  bL  26:   Soe  wie  eens  anders  huus  anevecht*^). 

—  Ook  van  de  aanvechting  der  zonde.  ||  In  den 
eersten  haerder  bekeringhen  wert  si  aenghestoten 
mitten  alreswaersten  becoringhen  der  duvelen, 
Bienb.  96Ó.  Die  ene  si  alsoe,  dat  hem  gheen 
ghebrec  aen  en  stote  of  luttel;  mer  die  ander  si 
alsoe ,  dat  hem  aenstoten  die  ghebreke  eng.,  Ruusbr. 
3,  82.  Ende  ist  dat  ons  die  ydel  glori  in  enighen 
goeden  werken  anstoet,  so  en  sellen  wy  haer  niet 
consentieren,  Stemmen  76.  Dat  een  sterc  schoen 
man,  die  edel  ende  ryc  is,  vander  schiemen  der 
ydelre  glorien  aengestoten  wert,  S^.  d.  M.  1,119c. 

—  Afl.  Aenstotinge,  aenvechting.  ||  Ane- 
stotinghen  selker  passieu ,  die  si  wederstaen  mach, 
Hs.  V.  1848,  286e. 

AENSTRECKEN,  zw.  ww.  onz.  Met  den  8den 
nv.  Toekomen,  toebehooren  {als  wettig  aandeel).  || 
De  helft  van  den  erve  die  si  gemeynlic  samen 
gewonnen  hebben,  die  den  levenden  aenstrect, 
mach  die  levende  vrylic  vercopen,  Brab.  Y.  Dl.  1, 
bl.  783  (a.  1880).  Vgl.  De  Vries ,  Mnl.  Wdb.  98. 


459 


AENS. 


AENT. 


160 


AENSTRIDEN  {street^  ttretUn,  gettreden),  st. 
WW.  Oorapr.  onz.  en  met  den  3deii  iit.  gebezigd, 
als  b.v.  „Hoe  si  den  rike  an  gingen  striden  van 
Rome,"  Sp.  III»,  8,  50.  Doch  gewoonlyk  wordt 
het  met  den  4den  ny.  en  das  als  bedr.  gebruikt. 
Verg.  Aenvechten. 

1)  Eigenlijk.  Met  itrijd  aanvallen,  hettrijden, 
bevechten,  \\  Die  Qriecken  streden  (d.  1.  stredene, 
streden  hem)  seer  an ,  mer  hy  weerden  hem  als  een 
man,  Troyen  f,  76tf.  In  corten  tiden  sal  Alexander 
hem  anestriden,  Sp,  1%  11 ,  29.  Dat  sise  dicken  ane- 
streden  .  .  met  mogendheden,  III' ,  4,  37.  Omdat 
hi  sonde  striden  an  yan  Ponten  coninc  Mitridaet, 
I*,  68,  44.  Dus  streden  si  ane  yromelike  nu 
Almaengen,  nu  Vrankerike,  IV*,  40,  19.  Ende 
hebben  Nantes  angestreden ,  IV  > ,  41 ,  86.  Wat  soet 
gemoet  stridet  an,  Nat.  BI,  II,  2729.  Want  hi 
wilde  hem  striden  an,  Rijmb.  9688.  Wonde  men 
doe  oec  anestriden  Brabant  mede  in  allen  siden, 
Velth.  1 ,  41 ,  48.  Ende  dan  met  behendichede  haer 
striden  an,  IV,  66,  62.  Waert  dat  een  heeste 
mede  ene  andre  beest  anestrede,  Doctr,  II,  3187. 
Ende  streetse  doe  met  crachte  an,  Stoke  IV, 
1016.  Een  deel  lieden  .  .,  de  men  anestreet  met 
crachte,  V,  672.  Si  stredense  an  met  groter cracht, 

VI,  978.  Daer  mense  anestreet  met  nide,  VII, 
896.  Dat  Jan  .  .  had  angestreden  dat  huns  met 
genendicheden ,  VII,  609.  Ende  streden  ane  thuus, 

VII,  738.  Den  tempel  streden  si  an  daema, 
Rijmb,  33266.  Voor  Lonsies,  dat  si  asselgeren 
daden  seere  ende  anestriden  met  evenhogen  ende 
met  bliden,  Heelu  3168.  Dat  huus  anestredense  met 
machte ,  ende  wonnent  doen  met  crachte ,  Brab.  Y. 
IV,  263.  So  wie  een  huns  van  buten  anestrjd, 
dat  es  huustotinghe,  V.  d.  Wall  114  (a.  1303). 
Viende  ane  te  stridene,  JD,  Orde  229.  So  wie  eerst 
anstrijt  die  yan  Amon ,  die  sal  onse  hertoge  wesen, 
B,  V.  1367,  %ld.  Ie  bem  Jhesus,  dien  dn  strgts 
an,  i^.  I»,  46,  48  {verg,  vt,  46).  Zoo  ook  Merl, 
23436,  26374.  —  Ook  van  het  bestrijden  met 
woorden,  dus:  Beleedigen ,  uittehelden,  ||  Alse  hem 
die  Joden  te  sere  anestreden  ende  verweten  dathi 
sot  waer  oft  beseten,  Doctr,  II,  616  var.  In  het 
teksths.  anetieten,  in  een  andere  variant  anstaken. 
Verg.   Aenstoten   2)   en   Aensteken  bedr.  2). 

2)  Overdrachtelijk.  Enen  met  beden  — , 
iemand  met  dringende  beden  bestormen.  \\  Nochtanne 
sal  ie  te  hare  tiden  ende  hare  met  beden  anestriden, 
dat  soe  ml  in  staden  sta,  Sp,  III»,  36,  19. 

AENSTRIKEN  (ttreec,  streken,  gestreken),  st. 
WW.  onz.  Ook  verbonden  met  comen.  Verg.  Striken. 

1)  Recht  op  iemand  of  iets  afgaan,  \\  Het  streec 
an  ten  selven  male  die  ammirael  met  eenre  galei- 
den, Stoke  IX,  1274  (var.  Hem  streec  an).  De 
heydenen  comen  anghestreken ;  siet  dat  ghy  groote 
slaghe  slaet,  Saer.  620. 

2)  Met  den  3den  nv.  Enen  — ,  op  iemand  aan- 
komen, recht  op  hem  afgaan,  hem  op  't  lijf  komen, 

II  Hem  quam  die  grave  Diederic  ane  van  Trieren 
entie  sine  gestreken,  Sp,  IV* ,  68,  6.  —  Later  ook 
met  het  voorz.  tegen,  \\  Die  Hollanders  streken 
stoutelic  tegen  den  Heere  van  Arkel  an  om  met 
hom  te  striden,  Matth.  Jnal.  3,  318. 

3)  Iet  — ,  Platstrijken,  gladstrijken,  aanstrijken. 
II   Dan  nemet  {de  zalf)  in  die  palme  ende  legget 

opten  steert  vander  ogen  ende  men  saelt  oec  aen- 
striken  metter  palmen  duwende  toten  slape  van 
den  hoofde,  Hs.  Yp.  36i. 

AENSWIPPEN,  zw.  ww.  onz.  Een  Duitsch  ge- 
kleurde vorm,  overeenkomende  met  ags.  svipjan, 
citp  agere,  agitare,  volvi  (Ettm.  764),  een  afge- 


leiden zwakken  vorm  van  ags.  svipan ,  ohd.  svifan  , 
mhd.  sweifen,  nhd.  schweifen.  Met  een  zwaai  aan- 
komen, aansnellen,  \\  Men  siet  oec  uut  dorren 
struken  wel  bloemen  gaen,  die  soetelic  raken. 
Die  somer  comt  hier  angheswipt,  Vrouw,  en  M. 
VU,   27. 

AENT  (haent),  aende,  znw.  vr.  Verg.  Aent- 
VOOEL.  Lat.  anas  {anat-is)',  ohd.  anut,  anit;  mhd. 
ant;  nhd.  ante,  ente\  mnd.  dnt;  mv.  dnde.  Eend. 
II  Anas  ..  es  in  onse  Dietsch  een  aent,  Hat. BI. 
III,  400.  Wilde  aende,  III,  407.  Tvleesch  van 
der  wilder  aent,  III,  410.  Swart  gevoet  alae 
aende,  III,  727.  Ganzen  no  aenden,  Livr.  d,  Mkst. 
8.  Wat  zieke  dien  houdt  ganssen  of  haenden ,  Cout. 
V,  Brugge,  1,  376.  Men  salt  ondertusschen  salven 
met  heeten  smoutte  van  binnen  ende  haenden  ver- 
gadert, Jan  Yp.  160.  Ie  verbeet  haenden  ende 
hoener  ende  gansen ,  Rein.  1 ,  2094.  —  In  de  varr. 
op  de  Nat.  BI. :  haent ,  haende ,  en  zelfs  haside. 

AEXTALE,  znw.  vr.  Zie  Tale,  Aentalen  en 
verg.  Aensprrken  bedr.  4)  en  Aenticht.  Aan- 
spretak  in  rechten ,  eisch  of  beschuldiging.  Kil.  A  e  n- 
taele  hetzelfde  als  Aenspraecke  „jdoj/m/W/m  , 
juridica  aetio,  diea,  aceusatio,^^  ||  Up  dit  goed  heb 
icse  {ver  Hadewyen)  ghebrocht  vri  ende  quite  sonder 
aentaie  van  allen  mannen,  Oorkb,  2 ,  347^  {a,  1290). 
Te  vrien  van  allen  aentale,  880^  {a,  1292).  Daer 
of  si  an  beyde  ziden  voer  ons  verteghen  van  allen 
letteren,  previlegien  ende  antalen,  die  elc  van 
anderen  hadden  ende  scoudense  quite,  4105  (a. 
1296).  Dat  voersz.  goet  .  .  quite  ende  vry  van  alre 
antale  of  calenfie,  ald.  Soe  willecoren  wi  hen 
ende  geloven,  dat  wi  niemanre  en  selen  moghen 
van  desen  gelde ,  van  desen  dienste  bewisen ,  noch 
bestaden  aen  onse  stat,  tot  dier  tgt  dat  ons  ghe- 
vallen  es,  uteghenomen  den  greeve  van  Berghe, 
also  verre  alse  hare  aentale  strect,  Brab.  Y.Sï.  1, 
bl.  776  {a,  1327).  Dat  hem  na  dier  tyt  gheenre- 
hande  antale  noch  gheenrehande  calaingie  deeren 
en  sal  an  suilken  goede ,  V.  d.  Wall  143  {a,  1316). 
Dat  sullen  die  rechte  erfhaemen  behouden  sonder 
aentaele  van  ons,  Mieris  4,  66a  {a,  1407).  Sonder 
alrehand  aentale  des  guets  van  onsentwegen,  Ngh. 
1 ,  237  {a.  1328).  Van  allen  veeden ,  scelinge  ende 
aentale ,  die  . .  (si) . .  onderlinge  hebben  gehadt ,  2 , 
274  {a,  1371).  4u|jt  scelt  van  alre  aentale  die  hy  op 
hem  hebben  mochte ;  —  Van  allen  twyste  ende  aen- 
tale, Oorkonden  {a.  1330  en  1329),  aang,  bij  Nyh. 
1 ,  309.  Alzulke  trouwe  ende  aentale ,  alse  ie  Joncfrou 
Hevlwighe  .  .  anegheteghen  hebbe ,  alse  dat  libelle 
ende  dat  eysche  begrijpt ,  en  can  ie  noch  en  mach 
niet  toebrenghen  noch  proeven,  R,  v,  Utr.  76,  8. 
Went  ie  niet  gheeme  en  zaghe  dat  die  Joncftt>a 
van  dusdanigher  aentale  ende  van  mi  arghent  ver- 
aftert  worde,  dat  ghi  mit  uwer  sentencye  die 
Joncfrou  .  .  qwyt  scelt  ende  absolveert  van  zulker 
trouwe  ende  aentale,  ald.  Also  dat  wi  der  aentale 
des  duvels  moeten  ontgaen  ende  ons  selven  also 
oerdelen ,  dat  wi  dat  grote  oerdel  ontgaen  moeten, 
Oeest.  Leer,  82p.  Zie  nog  Mieris  2,  113^  enz. 

AENTALEN,  zw.  ww.  bedr.  en  onz.  Mnd. 
antalen.  Verg.  Aentale  en  talen. 

Bedr.  —  l)  Aanspreken  (in  eigeniyken  zin), 
het  woord  riekten  tot  iemand.  \\  Die  scone  .  .  ,  die 
gi  niet  dorst  talen  ane.  Rosé  {C)  2339.  Ghi  hebt 
mi  soe  vriendeiyc  anegetaelt  met  hoveschen  woor- 
den ende  met  sconen ,  Lansl.  476. 

2)  Aanspreken  in  rechten.  Aentaelen,  by  Kil. 
hetzelfde  als  Aen -spreken,  y,aecusare,  aetioneies. 
intendere^\  Verg.  Aenspreken  bedr.  4).  In  twee- 
ledige opvatting,  naar  gelang  van  het  object. 


i64 


AENT. 


AEt^T. 


16^ 


a)  Van  personen.  Enen  — ,  iemand  m  rêektên 
betrekken^  een  eiach  tegen  hem  instellen  of  Aem  be- 
eehuldigen,  \\  Ende  gelaven  in  fneden  trouwen  .  . 
dat  nnmmer  an  oen  te  wreken,  noch  oen  daer  om 
ane  te  spreken,  noch  te  anetalen,  Nyh.  2,  281 
{a.  1371).  Dair  nnsse  here  yan  Gelre  uns  yan 
antaelt  off  bescnldigt  heeft,  Oork.  van  1329, «mm^. 
bij  Nyh.  1,  309.  Wy  gheloyen  .  .  der  stede  yan 
Leyden  ende  haren  poorteren  .  .  nymmermeer  .  . 
daer  af  aen  te  talen  of  toe  te  spreken ,  mit  gheenen 
recht,  geestelgck  of  waerlic,  Bel,  v.  Leid,  472  (a, 
1421).  —  Het  yerl.  deelw.  luidde  oorspr.  aengetaelty 
doch  men  schreef  ook  geaentaelt^  door  inyloed  yan 
aentale.  ||  So  sal  dieghene,  die  aenghetaelt  is, 
des  sine  unscnlt  doen  mit  sinre  enre  hant  allene, 
i2.  V.  Zutf.  16,  46.  Her  worde  yemant  angetaelt 
yan  ondaden ,  de  men  nyet  certeyn  en  weet ,  Racer 
6 ,  87.  Worde  een  porter  geaentaelt  in  die  gedinge , 
Srab,  T.  Dl.  1 ,  bl.  783  («.  1330).  Die  besitter  .  . 
en  sal  niement  na  dien  tiden ,  al  worde  hi  oic  geaen- 
taelt, dair  af  sculdich  s^n  tantworden,  ald.  786. 

b)  Van  saken.  Iet  — ,  aanspraak  maken  op  iets, 
eiseken.  ||  Dat  lant  dat  die  Hertoghe  ende  siin 
yoersaters  altoes  aenghetaelt  hebben  opten  Graye 
ende  siin  yoersaters,  Y.  d.  Wall  16  (a.  1200). 
Wi  .  .  yerthien  Nardingherlant  met  al  sire  behorte , 
die  wi  daer  an  hadden,  dat  onse  here  yanHoUant 
ghecoft  heyet  .  .,  dat  nemmermeer  aen  te  talen, 
Oorkb.  2,  249^  (a,  1286).  Yan  goede  dat  hy  aen- 
taelde.  Mieris  2,  36a  {a.  1303);  yerg.  3,  774a. 
Die  mochte  .  .  sulc  goet  aentalen  ende  recht  daer 
of  yordren,  Y.  d.  Wall  143  (a.  1316).  Dat  miin 
here  yan  Beyeren  des  Stichts  palen,  die  sii  mit 
horen  stolen  (/.  sloten)  gehouden  hadden,  aen- 
taelde  ende  ontname,  £el,  v.  Leid.  367.  Eenstuck 
lants  .  .,  dat  Gerard  yan  Sweten  Hermans  yader 
yoerseyt  yercofte  Hughen  yeren  Bertruden  soon  . ., 
ende  Herman  yoerseyt  noch  anetaelde,  dat  syne 
eygen  wesen  soude,  Oork.  van  1326,  in  Matth. 
Jnal,  3,  212  Aant. 

II)  Onz.  —  Aentalen  aen  ene  dinc,  aan- 
epraak  maken  op  ieti,  Ygl.  ons :  niet  naar  iett  talen, 
II  Alt  goed,  .  .  daer  die  Here  yan  Arcle  an  ane- 
talende  was,  Mieris  2,  266a  (a.  1321). 

AENTALINGE,  znw.  yr.  Zie  Aentalen.  Jan- 
spraak  in  rechten^  eisek,  in  tweeledige  opyatting. 

a)  Tegen  personen  gericht.  Aanklacht^  beschuldi- 
ging, II  Yan  allen  anthalyngen  ende  yan  allen 
brueken  .  .  ,  de  wy  tegen  se  te  seggen  hadden, 
Np.  1,  309  (a.  1333). 

b^  Op  saken  toegepast.  Aanspraak^  eiseh^  vor- 
dering, II  Ende  hiermede  es  alle  anetalinghe  yan 
den  Here  yan  Yoirne . . .  quite  yan  gheloyenessen , 
yan  brieyen  ende  yan  scouden,  Mieris  2,  206^ 
(a.  1319).  Yoirt  zegghen  wi  .  .  elc  mananbeyden 
siden  op  sQn  goed,  .  .  ende  des  yriliken  ghebru- 
ken  sonder  enigherande  si  jof  anetalinghe ,  273d 
(a.  1321).  Alle  recht  ende  antaellinge ,  die  ick  ende 
myne  yoeryaeders  daerin  yoortQts  plagen  te  hebben , 
Meylink,  Delfi,  Bijl,  14  (a.  1369).  Heeft  eerste 
dairaf  jair  ende  dach  int  besit  gheweest  ende  dat 
mstelic  ende  sonder  aentalinghe  ghebruket,  O,  W, 
V,  Amst.  21,  22. 

AENTAME,  bnw.  Yan  het  vrw.  aaifMim,  dat 
weliswaar  mnl.  niet  yoorkomt,  doch  in  het  mhd.  be- 
kend is :  anezëmen ,  anstehen ,  geziemen  (Lexer  1, 66). 
Ygl.  yoor  de  yorming  aewtame.  Betamelijk,  gepast, 
voegzaam,  \\  Dese  {tor)  wasscoenrealstanthame(C.an- 
tame)  der  scoenre  coninghinnen  was,  Rijmb.  31342.  Als 
umet  rechte  es  antame,^Ma«i0/iaéi^(;^^,  83882.  Ygl. 

BETAME. 


AENTANGIEEEN,  zw.  ww.  onz.  Met  den  3den 
ny.  Enen  — ,  iemand  van  rechtswege  toekomen ;  eig. 
aangaan,  raken.  \\  Alle  deel  ende  recht,  dat  ons, 
als  Ropmsch  ende  Beemsch  ooninc,  .  .  behooren 
mochte  oft  aentangieren ,  Brab.  T,  YII,lö69 — 78. 

AENTAST,  znw.  m.  Yan  Aentasten  4  en  6). 
Mnd.  antast.  Aanval  of  inhechtenisneming,  \\  Dat 
oick  .  .  yan  den  here,  noch  yan  sijnen  amptlnden, 
geen  antast,  wille  noch  gewalt  gedaen  en  werde 
an  den  ondersaten  des  lands  yan  Gelre,  NQh.  4, 
132  (a.  1436);  in  andere  teksten  antastinge  en 
aentastingé).  Die  dat  yeryolcht  off  antast  deden  off 
doen  wolden,  261  (a.  1460). 

AENTASTEN,  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  antasten. 

1)  Enen  of  iet  — ,  iemand  of  iets  aanraken,  \\ 
Datten  een  besondecht  wQf  antast,  Bijmb,  23213. 
Enen  jongelinc ,  .  .  die  mi  lieyelyc  ontboot  yrede, 
ende  taste  mi  ane  ter  steden,  S^.  lY' ,  6,  34; 
yerg.  Brab.  T,  II ,  1917.  Den  crucifize  hi  anetaste, 
lY',  23,  33.  Die  mitten  slechten  antasten,  de  een- 
voudige aanraking,  zijnder  handen  die  lazarie  yer- 
jagede,  Bern,  W,  6e.  Christus  heyet  hem  laten 
antasten  yan  enen  gebrekeliken  wiye,  Bern,  S. 
103^.  —  Ook  had  het  aanraken  met  de  band  plaats 
als  symbolische  handeling  bij  leenhulde.  ||  Soe 
hebben  die  stede,  groot  ende  smfd  yan  Brabant 
alle  samentlike,  den  keiser  yan  den  Boemschen 
rike».  .  bi  trouwen  geloeft,  als  goede  mannen,  bi 
der  hulden  die  si  hadden  gedaen  ende  sculdich 
waren,  ende  tasten  aen  des  keisers  hant,  met 
ripen  sinne ,  .  .  dat  si  dese  yorseide  pointen  al , 
ende  elc  yan  hen  houden  sal,  Brab,  T,  YI, 
1182—92. 

2)  Iet  — ,  iets  ter  hand  nemen  (om  er  aan  te 
beginnen) ,  ondernemen ,  beproeven.  \\  Maer  nu  proeft 
ende  tast  ane  of  ghi  mi  yerwinnen  moget,  Limb, 
YII,  760. 

3)  Yan  goederen  of  rechten.  De  hand  aan  iets 
slaan,  iets  in  bezit  nemen,  het  aanvaarden,  of 
het  in  beslag  nemen,  zich  toeëigenen,  ||  Si  dede  haer 
Igf  ende  haer  goet  aentasten,  cort  daer  nare,  als 
si  iet  bruecten  jegen  hare,  Brab,  T,  YI,  11810. 
Ende  en  sullen  oec  w^  noch  onse  nacomelingen 
yoirtmeer  onss  nyet  onderwynden  noch  antasten 
der  tienden  des  hoyes,  Np.  1,  407  (a.  1339). 
Weder  die  ghene,  dien  dat  goet  te  pande  ghe- 
geyen  is ,  sgn  scult  op  die  pande  wair  maken  ende 
houden  sal,  ende  aentasten,  Matth.  133.  Ende  dat 
si  dat  die  dan  leyeden  yerborgen  sullen  weder  uut 
toe  eryen  tendes  des  yoirss.  persoens  doede  mit 
gueden  wairliken  borgen  eeir  sie  antasten,  Overijs, 
Becht,  V,  100.  Ende  wanneer  dat  enich  persoen 
geestlic  habp  draeget  ende  niet  professijt  en  is, 
die  sal  dat  oic  yerborgen  eeir  hie  antastet,  weert 
sake  dat  hie  dair  nae  professye  dede,  dat  guet 
weder  uut  toe  eryen ,  ald,  Zoedat  zy  niet  en  wilden 
haer  goet  mitten  lasten  aentasten,  al  gaye  men 
hem  200  Rh.  gl.,  In/orm,  61. 

4)  YjMi  personen  en  hunne  goederen.  De  hand 
aan  hen  slaan,  ze  in  verzekerde  bewaring, hechtenis, 
nemen.   ||    Die  coninc  liet  hem  aentasten  ende  mit 

Sroter  ninen  uutpersede  hi  die  sake,  Bienb,  128r. 
f  hi  die  {C  en  D)  antasten  ende  yanghen  mocht 
sonder  yerbueren,  Dingt.  v.  Amst,  24.  Dat  Jan  yan 
der  Maelstede  .  .  ende  anderen,  die  in  syn  lieyer 
moyen  .  .  scade  geweest  hebben,  sullen  mit  horen 
liye  ende  goede  aengetast  worden,  Brab.  Y,  Dl.2, 
bl.  683  (a.  1394).  Dat  men  as  dan  die  gheyne, 
die  dat  aede,  ende  oer  guet,  in  wat  hornick  of 
steden  men  die  of  oer  guet  betreden  kan ,  antasten 
ende   halden    sal,    Ngh.   4,  134  (a,  1436).   Ende 

6 


463 


AENT. 


AENT. 


i64 


dat  nyemant  die  selve  oick  en  huyse,  en  hove, 
en  herberghe,  noch  sterken  in  enigher  wijs  .  .  , 
ende  dat  een  yegeliken  van  onsen  ondersaten,  op 
sgn  lijff  ende  goet,  waer  hy  die  bekomen  kan, 
vervolghe  ende  antast  ende  lever  die  in  uwen 
handen  tot  onser  behoeff,  250  (a.  1450).  Zie  nog 
ald.  en  251. 

5)  Aanvallen,  bettoken.  \\  Ende  taste  syn  heer- 
licheyt  aen  hooch  ende  laech ,  Matth.  Anal.  3 ,  246. 

6)  Van  bezittingen.  Vrijelijk  of  m  ruime  mate 
gebruiken,  aanspreken.  Ygl.  ons  toe  toeten,  \\  Raet  hi 
sinen  heere  dan,  dat  hi  syns  selves  goed  taste 
an  ende  sine  rente  versette,  so  eist  een  raet  dan 
van  onwette,  Heim,  (C)  1716. 

AENTASTINGE,  znw.  vr.  Van  Aentatten  4). 
Inhecktenieneming ,  het  nemen  in  verzekerde  betoa' 
ring.  Verg.  Aentast.  ||  Off  in  der  vervolghingc 
off  antastinghe  .  .  enighe  broken  ghevyelen,  het 
si  van  u  off  enighe  onsen  ondersaten ,  .  .  dair  en 
snllen  si  noch  ghi,  die  dat  vervolcht  off  antast 
deden  off  doen  wolden,  van  onser  weghen  alsdan 
teghen  ons  .  .  nyet  ghebroict  hebben  noch  broken, 
Nijh.  4,  250   (a.  1450). 

AENTELLEN,  zw.ww.  bedr.  Niet  mhd.  of  mnd. , 
doch  in  de  ogerm.  talen  moet  een  ww.  bestaan  heb- 
ben, waarvan  het  ndl.  en  mnd.  aantal,  hd.  amahl, 
is  afgeleid.  Vgl.  Grimm  Wtb.  1,  522.  Tellen, 
eene  som  opmaken.  Het  deelw.  aengetellet  staat  in 
beteekenis  met  de  bjjw.  nitdr.  in  aantal,  mnl.  bi 
getale,  gelijk.  ||  Vier  legyoene,  alse  elc  hadde 
getellet  an  6666  man,  i^.  I*,  32,  4. 

AENTERDEN  {tart,  torden ,  getorden) ,  si,  ww. 
onz.  Zie  Terden. 

1)  Absolnut.  Aantreden,  aanvallen.  \\  Ende  dandre, 
die  syns  begheren,  si  torden  an  metter  vaert, 
Wal.  7302. 

2)  Met  den  3den  nv.  of  met  het  voorz.  o;?.  E  n  e  n 
(op  enen)  — ,  op  iemand  aantreden,  hem  aan- 
vallen, aantasten.  \\  Maer  hi  haeste  hem  ende  trac 
sijn  swaert,  ende  tert  hem  bet  an  ter  vaert,  Wal. 
331.  Si  vinghen  ten  swerden  ende  ten  cniven 
ende  torden  hem  an  metter  vaert,  6184.  Si  sei- 
den,  si  souden  mi  ontliven,  ende  trocken  swerde 
ende  cnive  ende  torden  mi  an  met  omminne ,  6269 
(verg.  6301).  Doe  torden  si  an  metter  vaert  up 
Waleweine  met  groter  crachte,  7322.  Ende  nam 
sijn  sweert  in  sijn  hant  binnen,  ende  tart  den 
heere  van  Ytterne  ane,  Qrimb.  II,  3443. 

3)  Enen  — ,  iemand  aangaan ,  raken,  betreffen.  \\ 
Wetbrekere,   dese  redene  terdt  di  aen,  want  ghi 
syt  als  vee  ghedaen ,  X  Tlag.  2360. 

AENTICHT  (aentichte)  ,  znw.  vr.  Zie  Aentien 
(l8t«  art.)  en  Ticht.  Aanspraak  in  rechten,  aan- 
tijging, betichting,  beschuldiging.  \\  Hier  bi  segghen 
wi  hem  luden  voerscr.  also  van  diere  aentichte 
onderlanghe  versoend.  Mieris  2,  298<ï  {a.  1322). 
—  Veelal  in  vereeniging  met  andere  synonieme 
woorden.  ||  Ende  hi  mi  gheeft  syne  hulde,  ende 
al  mine  broken  ende  sculde  ende  alle  aenticht  wil 
vergheven,  Rein.  11,2533.  Van  allen  broicken  ende 
misdaden  ende  aentichten,  die  sy  tegens  hem  ge- 
broict  off  misdaen  mogen  hebben ,  off  die  sy  hem 
thyende  mochten  wesen,  Oed£nkst.\,2^0{a.\i\^). 
Van  alsulker  aenticht  ende  heysche,  alse  heer 
Wenselaus  .  .  aentyende  of  heyschende  is  heren 
Edewarde,  Nijh.  2,  225  {a.  1368).  (Wi)  vergeven 
ende  quijtscbelden  met  desen  brief  alle  alsulcke 
brueken ,  misdaden ,  overhoericheit  ende  aentichten, 
als  .  .  onse  stede  van  Dordrecht  ende  hoer  in- 
gesetenen  .  .  misdaen  mogen  hebben,  Mieris  4, 
ïOOfl   {a.   1414).  Van  snlcken  breucken  ende  aen- 


tichten, als  sy  teghens  ons  ghebroeckt  mochten 
hebben ,  ald.  h.  Van  allen  zaken  ende  aentichten , 
roerende  den  dijcrechte ,  141a  (a.  1410).  Om  enige 
aentichte  of  breuke,  471a  {a.  1418^.  Waerom  heeft 
Moyses  dan  bevolen  dat  die  gene  aie  van  syn  wyf 
wilt  sceyden,  dat  hi  een  boecxken,  dat  is  sgn 
aentichte  op  haer,  in  een  gescrifte  van  afsceydin- 
gen  overgeven  sid?  Boeck  v.  d.  L.  JAesu  11  Sd. 
Item  sullen  de  vorseyde  butenborgeren  quiit  vry 
ende  los  wesen  van  alre  aenticht  ende  ansprake 
ende  van  allen  brueken,  R.  v.  ütr.  239,  2. 

AENTIËN,  AENTYEN  (tiet,  tyet  oi  tijt,  teech, 
tegen ,  gelegen) ,  st.  ww.  bedr.  Hd.  onzeiAen ,  ons 
aantijgen.  Zie  TiËN  (1ste  art.),  Taalk.  Bijdr.  2, 
159  y^g.  en  Aenticht,  en  verg.  Aenseggen, 
Aenspreken  en  Aentalen,  die  geheel  dezelfde 
beteekenis  hebben,  daar  tien,  hd.  2^tA^ii,lat. dfc-o, 
Or.  Sslx'PVfii' ,  eigenlyk  zeggen  beteekent  Al  deze 
vier  WW.  beteekenen  dus:  iets,  door  het  te  zeg- 
gen, aan  een  ander  toeschrijven  of  aanwrijven.  — 
Enen  iet  — ,  eigenlyk  in  *t  algemeen:  Iets  van 
iemand  zeggen,  wordt  soms  in  een  goeden,  maar 
doorgaans  in  een  kwaden  zin  toegepast,  en  wel 
in  drie  verschillend  gewyzigde  opvattingen. 

1)  Iets  van  iemand  zeggen  of  verhalen,  het  hem 
toeschrijven.  \\  Dat  si  hem  willen  tyen  ane,  dat 
die  ridder  metten  zwane  siere  moeder  vader  was, 
i^.  IV*,  6,  7.  Int  boecskün  .  .  dat  ewangelista 
sente  Jan  screef,  als  men  hem  tiet  an,  Lsp.  II, 
57,  5.  Doe  began  sijt  haer  antien,  ende  bat  haer 
dat  sijt  sonde  lien,   of  si  kint  droech.  Flor.  219. 

2)  In  goeden  zin.  Toeschrijven,  toekennen.  \\ 
Eenre  vrouwen  wert  doch  anegetegen,  dat  si  Gk>d8 
toren,  met  oetmoet,  met  hare  dueget sachten doet , 
Vad.  Mm.  1,  318,  34.  Als  men  mi  enege  vroescap 
aentyt,  337,  26.  Wint  een  lanthere  metter  hant 
enen  andren  af  sijn  lant ,  men  thyet  sire  vroemheyt 
an.  Wrake  II,  126.  —  Enen  ere  — ,  iemand  lof 
toekennen,  toezwaaien.  \\  Ende  tyen  snlken  ere  an, 
dies  noit  scout  en  gewan,  Lsp,  III,  15,  97. 

3)  In  kwaden  zin.  Aantijgen,  te  kiste  leggen, 
wijten,  verwijten.  \\  Alein  segt  node  quaet,  ende 
sonde  yement  node  anetien  dies  hi  niet  en  hadde 
gesien,  Lorr.  I,  52.  Want  si  ducht  dat  die  coninc 
haer  tyen  sal  an  dat  si  ontginc,  I,  473.  Nu  comt 
Otte  ende  sal  dit  ons  anetien,  II,  2631.  Ende  tiet 
minen  vader  an,  .  .  dat  hi  hier  logene  dede 
verstaen,  II,  3192.  (Die  mort),  die  hi .  .  aneteech 
Yoene  den  coninc,  II,  3689.  In  wiste  noit  van 
suiker  daet,  alse  gi  mi  hier  tietan,  Lanc.  III, 
22866.  Want  hüt  Keyen  antyt,  III,  20425.  Dan 
si  namaels  eneghen  man  mine  overdaet  teghen  an , 
Rein.  I,  2057.  Of  hi  wonde  die  (/.  dien)  verranesse 
tien  an,  I,  2234.  Dat  mi  myn  vrouwe  tyet  ane. 
Wal.  5583.  Den  lachter  dien  gi  hem  tyet  ane, 
5813.  Ghi  tiet  mi  aen  dat  ie  falgiere,  ParM.6991. 
Men  soude  der  moeder  tien  an,  dat  soet  an  enen 
vremden  man  ghewonnen  hadde ,  Nai.  BI.  I,  409 
var.  Als  of  hi  Gode  sine  mesdaet  wilde  antyen 
ende  sijn  quaet,  Rijmb.  671.  Ende  teghen  hem 
vaste  ane  dat  hi  tote  Vaspasyane  boden  sendde, 
30331.  Daden  of  ne  daden,  men  teecht  hem  an, 
32407.  Verraetnesse  teechmen  hem  ane,  32483. 
Dese  zake,  jonfrouwe,  die  si  u  antien,  Limb.  I, 
1855.  Die  qnaetheit  entie  ontrouwe,  die  hi  anetyt 
der  conincghinne,  III,  856.  Ende  hebben  hem 
gheteghen  an  dies  si  herde  onsculdich  waren , 
VIII,  360.  Want  men  hem  anteechdemort,  ^.  I», 
55 ,  29.  So  hadde  men  haer  angheteghen  overspel , 
Es  V.  1348,  14(7.  Om  dinc  die  men  hem  teech  an, 
Lsp.  II,  49,  31  var.  Die  paues  purgeerde  hem  dan 


d65 


AENT. 


AENT. 


466 


van  dat  men  hem  teech  an,  II,  49,  31  var.  Men 
hadde  haer  gelegen  an,  dat  sijt  in  overspele  wan, 
II,  8,  68.  Dit  ende  ander  vele  werren  tegensiane 
deser  sterren,  Velth.  II,  2,  61.  Ende  tiet  hem 
ane  oec  syn  leet,  II,  11,  48.  Ënde  tiet  mi  verraet- 
nesse  an,  II,  13,  36.  Ie  heb  vernomen  dat  mgn 
volc  al  es  versiegen,  ende  het  syn  liede  diet  n 
antegen,  lY,  42,  6.  So  tydt  men  hem  tferwoede 
an,  zoo  legt  men  hem  het  ongerijmdste  te  laste ^ 
Teett.  3456.  So  tbyen  si  malcander  an  . .  dobbelen, 
drincken,  overspel,  Hild.  233,  161.  Die  mi  dat  wil 
tien  an,  Etmor.  981.  War  omme  tyddi  {voor  tijdi) 
mi  ane  dat  ie  blasphemie  spreke,  L.  v.  /.  c.  182. 
—  Ook  met  een  pers.  als  obj.  ter  uitdrukking  van 
dengene,  met  wien  men  overspel  gedaan  heeft. 
II  Wat  hebdi  hem  mesdaen?  Here,  hi  teech  mi 
sgn  wyf  an,  Torec  684.  Beghindi  mi  anderen  man 
ane  te  tien?  lApp.  169.  —  Ook  met  weglating  van 
het  object  der  zaak,  welke  men  iemand  te  laste 
legt.  II  Wive,  die  dickent  den  man  antien,  syn 
selden  selve  sonder  vrien,  Belg,  Mm.  10,  119, 
31.  Die  valschelike  tiet  enen  anderen  an,  XP/a;^^. 
1716  (in  den  tekst  verkeerdelijk  tiet). 

4)  Met  een  persoon  als  object,  als  wederk.  vrw. 
gebruikt.  Hem  enen  — ,  zich  aan  iemand  toe- 
zeggen^ toewijden,  overgeven,  lat.  addicere.  In  deze 
opvatting  is  aentiën  bet  tegengestelde  van  vertiën, 
afstand  doen.  ||  Wildi  u  desen  goden  antien,  oft 
weder  wildi  hem  ontflien?  .^.  1%  32,  67. 

=  In  de  14de  eeuw  begon  aentiën ,  eyen&lB  tien , 
ook  zwak  vervoegd  te  worden,  zoodat  naast  de 
sterke  vormen  ook  tide ,  tyede ,  getyet  ontstonden. 
II  Wiet  hem  aentide,  Belg,  Mui,  3,  111,  108. 
Weer  dat  zake ,  dat  wi  .  .  yemant  . .  enegerhande 
broeke  aentyeden ,  Nijh.  1 ,  216  («.  1327).  —  Door 
invloed  der  verbogen  vormen  teech ,  tegen ,  getegen, 
waerin  de  keelletter  bewaard  was  gebleven,  werd 
tien,  eigeniyk  tihen  (verg.  hd.  zeihen),  allengs 
door  tigen,  tijgen  vervangen.  Nevens  aentiên  komt 
dan  ook  in  *t  Mnd.  aeniigen  reeds  voor.  Zie 
Aentiokn. 

AENTIEN,  AENTYEN  (tiet  of  tget;  toech  of 
tooch,  togen,  getogen),  st.  ww.  bedr.  Mnd.  anten; 
hd.  amiehen.  Zie  Tien  (2de  art.). 

1)  Aantreicken,  van  kleederen  of  wapenrusting 
gezegd.  II  Hemde  ende  broec  hi  anetiet,  Ferg, 
2264.  Twee  cousen  toech  si  ane  ende  twee  scoen 
cordewane,  Beatr,  277.  Een  sneewit  hemdeken 
tooch  si  an.  Hor,  Belg.  2,  106,  12;  O VI,  Ided, 
266.  Een  haren  hemde  so  tooch  si  aen  seer  scharp 
al  naest  haer  lijf,  Hor,  Belg,  10,  89,  2.  —  Ook 
tig,  van  hetgeen  met  kleederen  wordt  vergeleken.  || 
In  dei*  dopen  hadden  wij  onsen  ouden  rock  uut- 
ghedaen,  mer  .  .  wg  hebben  mit  onsen  quaden 
sunden  veel  quader  weder  aenghetoghen ,  Bern,  W, 
86r.  —  Spreekw.  ||  Wan  men  een  soch  een  galden 
stuck  antoege,  soe  lecht  si  sich  doch  midden  in 
den  dreck.  Spreuken  34. 

2)  Hem  iet  — ,  zich  iets  aantrekken,  het  niet 
van  zich  kunnen  zetten,  \\  Door  al  dat  hi  was  so 
suver  een  man  van  souden ,  so  moghen  wy  dan 
ons  so  lettel  vreesen  antien,  Amand  II,  5792.  Dat 
ander  luden  bescaemt  worden,  dat  toech  si  (Maria) 
haer  an,  kon  zij  niet  verdragen,  Bern,  S,  84c. 
Dat  hij  hem  die  versmadinghe ,  verwitinghe  ende 
tertinghe  van  Godes  weghen  antoech  ende  soe  daer 
van  beruert  wert,  87c. 

3)  Hem    iet  — ,  iets  tot  zich  trekken,  tot  zich 
nemen,  zich  /ö^^«i«».  Verg.  Aentrecken  bedr.  || 
Ende  sulke  goeden  en  sal  hem  niement  bewinden 
dan  die  Heerlicheit  alleen;  want  wair  hemyement 


anders  dier  bewonde,  hy  misdede  der  Heerlicheit , 
ende  toghe  die  hem  aen  onbevolen,  Matth.  176* 

4)  Ook  van  personen ,  strijders ,  bondgenooten  enz. 
Hem  enen  — ,  tot  zich  trekken,  lokken,  aan  zich 
toevoegen,  lat.  sibi  conciliare.  \\  Doe  Artur  .  . 
sine  liede  getogen  hem  hadde  an  in  allen  steden  .  . 
met  sinen  groten  gichten,  Jtf<?r/.  11370. 

AENTIGEN  (tiget,  tijcht,  teech,  tegen , getegen), 
st.  WW.  bedr.  Jongere  vorm  van  Aentiën  (Iste  art.), 
door  invloed  der  verbogen  vormen  ontstaan,  evenals 
ons  dijgen ,  rijgen ,  zijgen  (ziften)  uit  dien ,  riên ,  siën. 
Enen  iet  — ,  iemand  iets  aantijgen ,  te  laste  leggen, 
verwijten.  Verg.  Aentién.  ||  Tleecke  volc,  wijf 
ende  man,  willen  elc  andren  tyghen  an  haers 
selves  ghebreken,  Vap,  Rog,  108.  Men  tycht  mi 
ane  die  daet,  Esm.  389. 

AENTORSEN.  Zie  Aentrossen. 

AENTREDEN  (trat,  iraden,  getreden),  st.  ww. 
onz.  Hetzelfde  als  Aenterden:  zie  ald.  Mnd. 
antreden. 

1)  Voorttreden,  toetreden,  \\  Innocentius  die 
paeus  trat  an  ende  nam  den  brief  saftelic  uut  syn 
hant,  Oesta  Bom.  f.  19«.  Doen  trat  die  Engels 
capitein  an  ende  geboot  den  Ghenteners  te  volgen 
om  die  stede  te  pionderen,  Exc,  Cron.  188c. 

2)  Ook  met  den  3den  nv.  Enen  — ,  op  iemand 
aantreden,  hem  aanvallen,  \\  Treet aen , ghi heren , 
ende  slaet  sere:  laet  ons  bejaghen  heden  ere, 
Orimb,  I,  4993.  Om  dat  hi  met  machticheden 
Philipse  wonde  anetreden,  Brab,  Y,  V,  3941. 

AENTR  EFFEN  (de  verbogen  vormen  traf,  ge- 
troffen komen  niet  voor),  st.  ww.  bedr.  Verg. 
Aendrepen  bedr.  Betreffen,  raken,  aangaan.  \\ 
Wat  sich  dair  van  vergangen  heeft  ende  dat  antreft, 
Nijh.  3 ,  333  (a.  1416).  Alle  punten  dis  vurgen. 
verbontz,  so  wie  ons  die  aentreffen  mogen,  352 
{a.  1418).  Dese  hilichs  voirwerden  .  .,  soe  woe 
die  .  .  hem  antreffende  moegen  werden,  4,  12 
(a.  1423).  Also  dat  ich  .  .  mynen  lieven  gnedigen 
here,  sine  erven  ende  nakomelinge,  ende  wen  dat 
antreffen  mach,  dair  van  gentzliken  loss,  ledich 
ende  quijt  gescholden  hebbe,  17  (a.  1423).  Mitte 
hantveste,  die  voorsz.  goeden  antreffende,  Mieris 
4,  1058a  (a,  1434).  In  allen  saecken  aencleevende 
ende  aentreffende  de  voersz.  officien,  Oudenh. 
Heusden  274  (a,  1447).  Zie  nog  Nyh.  3,  362; 
4,  29,  96,  322,  323,  378,  422,  enz. 

AENTRECKEL ,  bnw.  Aantrekkelijk,  aanlokkelijk. 
Zie  Aentrecken  bedr.  2,  a).  \\  Antreckel  es  der 
zonden  rei,  OFl.  Lied.  en  Ged.  39,  283  (=  J), 
War.  11,  656,  283). 

AENTRECKELIJC  (aentreclijc)  bnw.  Zóó  dat 
men  iemand  aantrekt,  aanlokt;  welwillend,  voor- 
komend, aangenaam,  ||  Hi  (Jesits)  is  antreclike 
ende  suete  gheweest  van  woerden,  claer inder unt- 
sprake  ende  crachtich  inder  wijsheit ,  Brugm.  2 ,  321. 

AENTRECKEN,  ook  aentreken  (trac ,  traken, 
getreken ,  of  trocken ,  getrocken ;  en  trecte ,  getrect) , 
st.  en  zw.  ww.  onz.  en  bedr.  Zie  Trecken. 

I.  Onzijdig. 

1)  Optrekken,  aanrukken,  van  eene  legermacht 
gezegd.  II  Daer  naer  so  traken  si  an  voer  eene 
stat  staerc  ende  fijn,  Sp.  III»,  22,  10.  Eer  men 
den  stryt  began  entie  scaren  traken  an,  IV»,  67, 
27.  Hier  na  quam  Peter  die  heremite  aneghetrect 
met  groten  vlite,  IV^  2,  59;  Brab,  T,  III,  347. 
Ende  trac  te  Rome  waert  an ,  IX  Bett,  214.  Ende 
elke  partye  trac  stoutelic  an,   VI.  Rijmkr.  9534. 

2)  Met  een  persoon  in  den  .Sden  nv.  Enen  — , 


167 


AENt. 


AENT. 


168 


naar  iemand  optrekken  ^   hetzij  aU  vriend  en  bond- 
genoot ^  hetzij  aU  vijand.  Verg.  Aen wassen  II,  2). 

a)  Zich  bij  iemand  aansluiten  ^  zich  aan  zijne  zijde 
scharen  als  bondgenoot  ^  partij  voor  hem  trekken.  || 
Tfolc ,  dat  woende  orer  die  Jordane ,  dat  trac  meest 
Davite  ane  ende  dadem  ere,  Rijmb.  10501.  Ende 
traken  hem  ooc  mede  daerane,  16110.  Die  Hollan- 
ders trocken  den  coninc  ane ,  Yelth.  1 ,  38 ,  36.  Alse 
die  coninc  dit  gesiet,  so  trac  die  gemeente  hem 
ane,  II,  14,  40.  Waest  banroets,  oft  ridder,  of 
gersoen,  dat  hem  ginder  so  trac  an,  al  ontfinct 
die  edelman,  Y,  3,  62. 

b)  Op  iemand  aantrekken ,  tegen  hem  aanrukken.  || 
Hier  naer  saen  so  traken  hem  ane  met  groter 
macht  die  Acqnitane,  Sp.  I*,  3,  9.  Die  Fransoyse 
traken  hem  ane,  III*,  16,  36.  Deen  trac  den 
anderen  ane,  Orimb.  II,  4383.  —  Zoo  ook  Ere 
stat  — ,  in  denzelfden  zin.  ||  Judas  beval  in 
theer  te  ropen,  dat  elc  der  stat  an  sonde  trecken 
in  dier  stede  daer  hy  stonde,  D.  £.  I  Machab. 
6,  61  (49). 

3)  Met  eene  zaak  indenSdenny.  Ere  dinc  — , 
naar  iets  trekken ,  er  toe  overhellen.  Van  een  kind , 
dat  reeds  bg  de  geboorte  tot  iets  is  voorbeschikt, 
heet  het:  ||  Dat  eer  der  dieften  trect  ane,  indien 
dat  het  hadde  stade ,  dan  het  anders  dingen  dade , 
Natuurk.  1334. 

4)  Met  een  persoon  of  eene  zaak  in  den  3den  ny. 
Enen  of  ere  dinc,  iemand  of  iets  aangaan^  be- 
treffen^ in  betrekking  staan  tot  iemand  of  iets.  || 
Dese  prophecie ,  .  .  .  Propheteerde  Merl^jn  in 
Ingelant,  .  .  .  ende  noemt  daerna  der  heren 
teken:  nu  siet,  wien  iet  ane  mach  treken,  Yelth. 
YII,  11,  69.  Nu  sal  ie  vord  die  prophecien  van 
Daniele  een  deel  lien,  die  opscuer  sijn  te  verstane 
wien  dat  si  u  (nu  ?)  trecken  ane ,  YII ,  1 ,  15.  Dat 
laten  wy  staen,  ende  voirt  van  desen  dat  onser 
materien  anetrecket,  MLoep  I,  2706. 

II.  Bedrijvend. 

1)  Aantrekken^  van  kleederen  of  wapenrusting 
gezegd:  de  hedendaagsche  beteekenis.  ||  Nieuwe 
maniere  trac  soe  an  van  cleden,  Sp.  I*,  42,  23. 
Si  traect  an  haestelike,  Beatr.  809.  Hi  treckede 
dierbaer  cleder  an,  Bloemt.  3,  26,  136;  Belg. 
Mus.  3,  112.  Die  vrouwe  .  .  trecte  oetmoedighe 
clederen  an,  Ned.  Proza  89.  Priesterlij ck e  orna- 
menten, ghelijc  men  die  bisscoppen  aentrecket, 
Pass.   V.   263*. 

2)  Met  een  persoon  als  object.  Tot  zich  trekken^ 
tot  zich  nemen  ^  zoowel  met  goede  als  met  kwade 
oogmerken.  Derhalve  in  tweeledige  opvatting: 

a)  Enen  — ,  iemand  met  vriendschappelijke  be- 
doeling tot  zich  trekken^  aanhalen  of  wel,  aan  zich 
verbinden.  \\  Ende  ginc  liggen  bi  Lanceloets  side 
ende  trecken  hem  bet  an,  ende  begonsten  cussen 
dan,  als  die  waende  dat  sijn  wijf  ware,  Lanc.  II, 
14012.  Dien  hy  niene  conde  bekeren  met  gevechte, 
die  trac  hi  an  met  worden  ende  met  gichten  dan, 
Yelth.  I,  2,  64.  Entie  hi  staerc  ende  dapper  vant , 
of  scalc  van  zinne,  die  trac  hi  an,  Sp.  III",  16, 
66.  Dat  gi  die  goede  trecket  aen  ende  gont  hem 
uwer  minnen  croen,  MLoep  II,  2182.  Of  my  sulc 
een  ruter  wilde  antrecken,  Ned.  Kluchtsp.  94,  16. 
Die  manier  onser  verlossinghe  was  . .  seer  werckende 
om  dat  menschelike  gheslachte  an  te  trecken, 
Pass.  W,  268<?.  Die  Heer  en  sal  nyemcnts  persoen 
aentrecken,  die  here  is  van  alle,  noch  hi  en  sel 
nyements  groetheit  ontsien,  Hs.  v.  1423,  210^. 
—  In  denzelfden  zin  als  het  enkele  Aentrecke  , 


zeide  men  ook,  met  toevoeging  van  den  3den 
pers.  van  het  wederk.  vnw.  Hem  aentrecken, 
zich  aantrekken y  d.  i.  tot  zich  trekken.  \\  Omdat 
soe  sach  haren  man  tander  wjjf  hem  trecken  an, 
Sp.  I^,  72,  11.  Die  S waven  entie  Allane  entie 
Borgenyoene  trac  hi  hem  ane,  III*,  1,  48.  Die 
Lottrikers  trac  hi  hem  ane,  om  grave  Robbrechte 
te  bestane,  lY»,  4,  29;  Brab.  Y.  II,  6474.  Daer 
hi  mede  sijn  volc  hem  wilde  trecken  an,  11^, 
7,  26. 

d)  Enen  — ,  iemand  met  vijandige  bedoeling  tot 
zich  trekken^  zieh  van  hem  meester  maken.  ||  Entie 
duvel  trac  hem  an,  diene  doodde  cortelike,  S^. 
m*,  18,  12  (De  var.  heeft  slouch  hem  an:  verg. 
Aenslaen  2). 

3)  Met  eene  zaak  als  object.  Iet  — ,  iets  tot 
zich  trekken^  tot  zich  nemen.  \\  Ende  eist  dat  ie 
verheven  si  van  der  erden,  ie  sal  te  mi  alle  die 
saken  trecken  an,  Rijmb.  25216 (LtA. omnia traham 
ad  meipsum).  Ochte  daer  iemen  comen  sonde,  die 
de  bande  so  verre  stake ,  dat  hi  die  rosen  anetrake, 
Rosé  2890.  Die  nachte  so  lanc  bleven,  datmenech 
man  seide  met  monde ,  dat  si  van  des  dages  stonde 
harde  vele  traken  an,  Sp.  I*,  66,  28.  Doe  trac  ane 
die  gewelt  een,  hiet  Maximus,  III*,  10,  68.  Sine 
sonen  namen  in  dele  syn  lant;  elc  trac  tsine 
an,  III»,  66,  3.  —  Ook  met  toevoeging  van  den 
3den  nv.  van  het  wederk.  vnw.  (sibi)  als  bg  2 , «) : 
—  Hem  iet  — ,  iets  tot  zich  trekken ,  in  drieledige 
opvatting,  t.  w.: 

a)  Iets  tot  zich  nemen ,  er  zich  meester  van  maken  ^ 
het  zich  toeeigenen.  Yerg.  Aentien  (2de  art,  2).  || 
Dat  hem  niemen  sonde  antrecken  anders  lof  no 
anders  prfls,  Alex.  YI,  114  (verg.  96).  Ende  hem 
daertoe  trecken  ane  dbeste  van  Gallen  tonser 
onneren,  Sp.  III',  10,  12.  GhaleriuS  .  .  trac  hem 
Orienten  an,  11^,  66,  16.  Al  den  roof  traken  si 
hem  ane,  lY*,  4,  82.  Leo  .  .  trac  hem  an  .  .  dat 
keyserrike,  III»,  59,  2  (verg.  II»,  1,24; 23, 18). 
Bonden  trac  hem  de  stat  ane,  lY*,  11,  62.  Earel 
trac  hem  die  crone  an,  Vod.  Mus.  3,  442,  120. 
Die  rike  vrecke  trecken  hem  ane  van  den  gemeinen 
goede,  meer  dan  hem  behoirt,  Ruusbr.  6,  130. 
Hy  en  trecket  hem  niet  an  dat  hem  niet  toe  en 
hoert ,  Hs.  80  /.  66r.  Dat  wy  des  vermetens  van 
zoute  noch  der  corenmaten  nemmermeer  an  hem 
begaren  sullen  te  hebben,  noch  dat  wy  ons  dies 
niet  sullen  anetrecken  noch  onderwinden,  Y.  d.  Wall 
81  {a.  1290). 

b)  Iets  tot  of  op  zich  nemen ^  aannemen^  onder- 
nemen^ veelal  in  ongunstigen  zin,  zich  aanmatigen^ 
zich  vermeten^  onderstaan.  \\  Gelyc  dat  si  mesdoen 
dan,  die  hem  tgerechte  trecken  an  ende  niet  daer 
toe  sijn  geset,  Melib.  2903.  In  bem  van  roeme 
niet  so  stout,  dat  ie  mi  trac  an  die  ghewout  uwes 
kints  moeder  tsine,  Diep.  123.  Wat  tekene  doestu 
dan,  dattu  di  dit  dus  trecst  an?  Rijmb.  26129. 
Omme  dat  een  wyf  hare  trac  an  keyser  te  sine 
als  een  man,  Sp.  III»,  92,  39;  Brab.  T.  11,1645. 
Die  patriaerc  Jan  wildem  met  crachte  trecken  an , 
dat  hi  ware  in  sine  tale  patriaerc  universale,  III', 
12,  13.  So  wien  dat'quaetheit  groot  anlach  ende 
hem  des  duvels  doen  trac  an,  tot duivelsche werken 
in  staat  was,  S^.  II»,  27,  30.  Ende  trecken 
an,  dies  niet  bestaet,  hem  meer  cracht  ende 
overdaet ,  Stoke  X ,  146.  Al  was  dat  hi  hem 
trac  ane  te  glorieme  boven  allen  goede  int 
previlegie  der  armoede.  Franc.  3696.  Om  dat 
gi  u  oec  antrecken  soudt  die  paepscap,D.  ^.  i^^f»/v. 
16,  10  (Yulg.  vendicetis).  —  Hem  kerstine 
wort  aentrecken,  de  Christelijke  belijdenie aan- 


469 


AENT. 


AENV. 


170 


neme».    ||    Die  kerstine  wort  hem  traken  ane,  S^. 
I^  46,  40. 

e)  Met  eene  zaak  als  ondw.  Ontvangen , 
krijgen,  \\  In  wies  tiden  Ylaendren  began  eerst 
hem  grave  trecken  an,  Sp.  Dl.  1,  bl. 460,ts. 201. 

4)  Hem  lemen  (lemen s)  of  ene  (ere) 
dinc  — ,  zicA  met  iemand  of  iele  afgeven^  zich  er 
mede  bemoeien.  \\  Soe  sullen  wy  .  .  in  geenre 
wijs  onss  onderwjnden  noch  aentrecken  deryeten, 
Nijh.  4,  46  (a.  1426).  Hy  en  is  niet  vrQ  yan 
sonden  die  ander  Inden  ambocht  hem  antrecket. 
Ofln  een  monic  biste,  wat  doestu  dan  onder  dat 
volc?  Hs.  80/.  38tf. 

6)  Hem  ene  of  ere  dinc  — ,  seieh  iets  aan- 
trekken, in  de  hedendaagsche  beteekenis,  doch 
zoowel  yan  aangename,  tia  onaangename  gewaar- 
wordingen. II  Mi  ware  leet  dats  hem  andronghe 
eenich  knecht,  of  des  antrake,  Denkm.3, 100, 174. 
Om  een  goet  woert  datmen  him  gaf,  dat  sy  him 
billicz  niet  en  sonden  aentrecken  noch  aen  honden, 
MLoep  I,  812.  Trecti  n  deser  talen  an,  OFl.  Lied. 
en  Oed.  360,  1334. 

AENTEOSSEN,  (aentorssen),  zw.  ww.  bedr. 
Eig.  opladen  (ygl.  TROSSEN),  en  yeryolgens  yan 
alles  wat  als  een  pak,  een  yracht,  een  last  wordt 
beschouwd,  dien  opnemen.  \\  Hi  {Het  lichaam)  is 
wel  sculdich  zQn  last  mede  daer  of  te  dragen, 
want  hi  sal  ant  goet  wel  willen  deelen.  Dus  wilten 
weeder  antorssen.  .  .  Ter  stont  als  Reden  dat  ge- 
selt hadde,  so  keerde  ie  weder  ende  troste  myn 
lichaem  weder  an.  Pelgrim  38e. 

AENTRECEENT,  -de,  bnw.  Eigenlijk  tegenw. 
deelw.  yan  Aentrecken  bedr.  3).  Naar  zich  toe- 
trekkend, inhalig.  \\  Cromme  naghele  ende  ghe- 
boghen  plegen  ons  de  liede  te  toghen  antreckende , 
on.  Oed.  2,  62,  169. 

AENTYOGEL,  znw.  m.  Eendvogel.  Zie  Aent. 
Mnd.  dntvogel.  \\  Hoenre ,  duyen ,  aentyoghelen 
ende  alrehande  wiltbraet,  Coren  v.  Jntw.  25,  80. 
Aendyoghels  no  butoers,  Livre  d.  Meet.  8.  Einen 
aentyoghel.  Hor.  Belg.  9,  78,  562. 

AENTRÜCKEN,  zw.  ww.  bedr.  Hetzelfde  als 
aentrecken,  zie  ald.  en  ygl.  Trucken.  Aantrekken, 
aandoen.  \\  Tpellen,  dat  die  ridderen  ende  haer 
ghesellen  deden  onse  (1.  onsen)  Here  anetrucken, 
£ed.  d.  M.  221. 

AENV  AEN  (uaet  of  veet]  vine,  vingen,  gevaen), 
st.  WW.  bedr.  Zie  Yaen  en  yerg.  Aenvanoen. 

1)  Met  de  hand  aanvatten,  aangrijpen , aantasten, 
aanraken;  de  oorspronkelyke  beteekenis,  doch  ook 
als  een  intr.  ww.  met  sijn  yeryoegd.  ||  Mettien  hi  dat 
yel  aneyinc  dattem  uptie  scoudere  hinc,  J^.  III*, 
37,  27.  Ende  yinc  an  die  dochter  doot.  Franc. 
8479.  Dus  lietse  Moyses  daer  staen ,  hine  dorstese 
niet  aneyaen ,  F.  d,  Houte  335  yar.  (in  het  teksths. : 
„Hine  dorste  niet  ane  vaen''').  Si  sgn  den  bisscop 
anegeyaen,  Sp.  II",  51 ,  5.  Die  ter  yaert  geyaen 
sijn  an  Eusebius,  ende  woerpenne  met  steenen 
doot,  ald.  49. —  In  ruimere  opyatting  behoort  hiertoe 
ook  de  uitdrukking:  —  Gods  name  idelike 
aneyaen,  in  den  mond  nemen ,  gebruiken.  ||  Dijns 
Gods  name  ende  dijns  Heren  ne  saltu  niet  te  spotte 
keren  noch  aneyaen  idelike,  Rijmb.  4583. 

2)  Iet  — ,  yan  goederen  of  rechten  gezegd. 
De  hand  aan  iett  slaan,  dus  iets  in  bezit  nemen, 
aanvaarden,  gelijk,  yolgens  het  oud-Germaansche 
rechtsgebruik ,  men  door  handtasting  of  aanraking 
zich  sds  eigenaar  deed  gelden  {manum  injicere). 
Zie  Grimm  R.  A.  589  ylg.  en  yerg.  AsNyANC  2).  || 
Hi  heeft  Amoude  te  doet  geslegen,  Boudins,  sijns 
broeder  sone  ende  mede  angeyaen  sine  eryachtichede, 


VI.  Rijmkr.  1816.  Julius  Cesar  .  .  die  met  ge  welt 
aneyinc  ende  nam  den  (1.  der)  Romeinen  mogenthei  t 
ende  ere,  i^.  I*,  1 ,  54.  Vele  manne  siin  nuweloep  ,  . . 
ende  anyaen  den  nuwen  coep,  ende  laten  doude. 
Vrouw.  e.  M.  I,  425.  Daer  elc  dat  sine  aneyaet, 
Yelth.  II,  4,  84.  Soo  wanneer  eenigh  mensche 
sterft  .  .,  soo  sullen  sgn  erfgenamen  s^jn  goet 
aenyaen,  Mieris  2,  271ó  {a.  1322).  —  Een  rik  e 
(rijc),  lant  of  lantscap  — ,  in  bezit  nemen, 
aanvaarden.  \\  Dat  conincrike  yinc  soe  ane ,  22(;md. 
20425.  Ooc  so  hebdi  dorperlike  met  crachte  ane- 
gheyaen  dat  rike,  21813.  Die  tonrechte,  ende 
anders  niet  el,  haren  here  hadden  yerdaen  ende 
trike  wilden  aneyaen,  Sp.  III*,20,30. Hiyerdreef 
den  broeder  Yrcane,  ende  yinc  dat  lantscap  ane, 
ende  wilde  s^n  coninc  met  gewelt,  I*,  75,  23. 
Si  wilden  hem  in  staden  staen,  opdat  hi  tlant 
wilde  aneyaen,  Stoke  III,  19.  Merct  nu  an  dit 
conincrike ,  daer  menich  om  wonderlike  geyaren  es 
diere  quam  ane,  het  es  altoes  yan  irst  taneyane, 
ende  metten  swerde  te  houden,  Yelth.  lY  ,  1,  9. 
Darius,  die  na  Sogdiane  tlant  yan  Persen  yinc 
ane,  Sp.  Dl.  I,  bl.  4,  ys.  29.  Seleucus,  die  eerst 
Babyionen  yinc  an,  Sp.  1*,  10,  2.  Ende  yingen 
tlant  yan  Spaengen  ane,  III',  17,  66.  Die  yinc 
ane  beede  die  lande,  III*,  89,  207.  Omme  meer 
lants  taneyane,  lY',  12,  18.  Ende aneyingen dlant 
al  omme  ende  omme,  Lanc,  lY,  12356.  —  Yan 
een  rechtsgebied  of  rechterlijk  ambt  Het  aan- . 
vaarden.  \\  Ende  dit  (Seout-ambochf)  sel  Tideman 
yoirsz.  aneyaen  den  yersten  na  den  tween  naesten 
jaren,  die  Heer  Jan  yan  der  Poel  yan  ons  nu  daer 
of  heeft  beseghelt ,  mitten  BaUiuscap  yan  Aemster- 
lant ,  of  dat  Her  Jan  yoirsz.  hierenbinnen  yan  den 
Bailiuscap  quame,  .  .  so  sonde  hijt  rechteyoert 
aenyaen ,  ende  ten  eersten  dat  Tideman  desen  yoirsz. 
dienst  aenyaet,  so  sel  hi  ons  .  .  betalen  neghen 
hondert  pont.  Mieris  3,  488a  {a.  1388).  ~  Als 
rechtsterm  gold  Aenyaen  inzonderheid  yoor: 
Aantasten,  zich  toeeigenen,  in  bezit  of  in  beslag  nemen, 
II  Ende  goet  ende  rente,  die  hi  yant  .  .,  heeft  hi 
al  anegeyaen,  Brab.  Y.  lY,  174.  Wie  dat  kerkelQc 
goet  yinge  an  also,  dat  hl  ware  in  den  ban,  Sp. 
lY*,  80,  29.  Wesekindre  goet  niemene  ane  te  yane, 
hine  hebd  beset  alse  recht  es,  Y.  d.  Wall  114 
{a.  1303).  Dat  onse  lyeye  here,  her  Edwart,  .  . 
sal  mogen  aenyaen  ende  aengripen  alle  onse  goet, 
merende  ende  onruerende,  Nyh.  2,  90  {a.  1356). 
So  wie  enighe  ketelen  off  emmers,  .  .  daer  men 
mede  te  brande  quame,  .  .  in  de  brant  aenyinghe 
off  thuys  droghe,  O.  K.  v.  Rott.  40,  117.  Soe 
wye  der  stede  goet  anyaet  onghewaert  yan  den 
poirtmeesters ,  yerbuerde  3  f6,  tetd.  Keurb,  157, 14. 

3)  Met  een  persoon  als  object. Enen — , iemand 
in  verzekerde  bewaring  nemen ,  aanhouden ,  gevangen- 
nemen. Yerg.  Aenvangen  3).  ||  Dat  sy  die  aenfaen 
ende  aentasten  ende  houden  by  oeren  liye  ende  by 
oeren  guede,  Ngh.  2,  57  (a.  1352). 

4)  Enen  — ,  iemand  aanklampen,  aanspreken. 
Yerg.  Aenoaen  onz.  7,  a.  a,  1«.  ||  Bayen  so  eerst 
aneyinc ;  boyen  den  anderen  al  te  yoren  yraeghdeso 
hem,  als  ghi  sult  hooren  enz.,  Amand  I,  5167. 

5)  Enen  — ,  iemand  tot  zich  nemen,  opnemen, 
in  yriendschap,  g^nst  enz.  ||  SQn  wgf  die  yinc 
hi  weder  an,  i^.  lY',  47,  36.  Karel  die  Simpel 
desen  aneyinc  ende  gaf  hem  Bloys,  lY',  66,  4. 

6)  Iet  —  eene  zaak  in  zich  opnemen,  aannemen. 
II  Onthier  ent  rode  yaerwe  yaet  an ,  iV«A  ^/.  YIII , 
788  yar.  (tekst  neemt  an). 

7)  Yan  eene  handeling,  een  besluit  enz.  Ter 
hand  nemen,   aanvatten,    aanpakken,    ondernemen^ 


17i 


AENV. 


AENV. 


172 


annneMen^  aanvanyen.  \\  Die  boeme  die  gehloyt 
8Uen  en  doen  mi  dit  gedichte  niet  anevaen  te  toI- 
makene ,  Limh.  V ,  3.  Ie  hebbe  snlke  dinc  nu  angaen , 
die  ie  node  hadde  anevaen,  Larr.  I,  836.  Die  lie- 
den si  en  wisten  wat  anevaen ,  si  en  rnnmden  tsat 
(sUt?)  II,  173.  Dat  hi  orioge  anevaen  sal ,  11,2780. 
An  hem  heefti  versocht  den  raet,  hoe  hi  dat  best 
anevaet,  Franc,  1077.  Maer  die  Lnmbaert  en  wilde 
niet  aneyaen  dat  Karel  riet,  Sp.  III*,  82,  81. 
Dien  ract  so  ringen  si  ane,  IV",  30,  75.  Wat 
selen  dan  anevaen  arme  sondaren,  Teeat.  3853. 
Das  pensede  de  jonghe  man,  ende  vinc  de  saken 
scerper  an ,  Stoke  VII ,  689.  Wat  gi  anegaet,  aneva- 
wi  alle,  Velth.  II,  4,  53.  Amand  hevet  dit  wel 
verstaen  te  sinen  VII  jaren  ende  aneghevaen, 
Amand  I,  179.  Grote  dinc  anevaen,  Franc.  230. 
Quaet  anevaen,  Ltp.  III,  27,  30.  Dat  belof  anevaen. 
Wal.  110.  Hi  vinc  an  dat  bidden,  Sp.  II»,  74,  98 
(op  deze  plaats  is  ook  het  ww.  vaen  oen  mogelijk). 
Jonc  vinc  hi  dat  leeren  an,  II •,  77,  6.  —  Ook 
van  stoffelijke  zaken,  die  eene  handeling  vertegen- 
woordigen. II  Want  wapene  en  betamen  di  niet; 
du  heefse,  alse  die  rovere  pliet,  kindNcelike  ane- 
ghevaen,  Sp.  I*,  17,  21.  Den  selven  wech  hi  ane- 
vinc,  Amand  1^  5846. —  Een  getal  — ,  bjj  eene 
berekening,  nemen ^  in  rekening  brengen.  \\  XXX 
sal  men  laten  gaen  ende  dat  ander  daer  boven 
anevaen,  Natuurk.  209. 

8)  Van  een  godsdienst  en  zijn  plechtigheden, 
een  leefregel,  een  beroep  enz.  Ter  hand  nemen ^ 
aannemen^  op  zich  nemen.  \\  Dat  si  Gods  wet 
anevingen,  Sp.  P,  8,  65.  Ende  vingen  kerstijn- 
doem  daer  an,  I',  41,  47.  Dat  hi  dat  heilege 
doepsel  vinc  an,  Lanc.  II,  24188.  Vaet  doepsel  an, 
ende  ontfaet  den  Heilegen  Geest.'  Sp.  P,  41,  42. 
Wie  syn  vrihede  wil  ontfken  die  moet  dat  dopsel 
anevaen,  Lucid,  1726.  Soe  ne  willen  (l.wille)  niemant 
ontfaen  die  gene  doepsel  anevaen,  4233.  Die  dat 
heylige  sacrament  vaet  an,  Velth.  I,  24,38.  Oftie 
on  werd  am  bocht  vingen  ane,  Rijmb.  5392.  Up  datti 
bleve  in  svaders  woenste,  hine  sonde  de  hoocheit 
anevaen  moeten ,  ende  ten  dienste  staen  der  weerelt 
fel  ende  loos,  Amand  I,  303.  Of  die  hordom 
anevaen,  Lucid.  3539.  Als  mense  (de  ;7/è»)  geckelic 
aenvact  sonder  voerdacht  ende  beraet ,  MLoep  I , 
3215.  Int  anevaen  van  goeder  minnen  zoet  gewelt, 
II,  766.  Besniden  es  swaer  anevaen,  ^S^.  I",  13, 58. 
—  Sp.  IP,  2,25,  komt,  zeker  door  eene  slordig- 
heid van  den  dichter  of  afschrijver,  de  uitdrnkking 
aenvaen  aen  iet  voor,  en  wel:  „So  sal  hi  an 
treligioen,  dattu  di  nu  pijns  onderdoen,  anevaen^ 
dat  es  kerstenheit."  Men  zeide  een  religioen 
aenvaen  of  vaen  an  een  religioen,  doch 
door  den  tnsschenzin  ontsnapte  het  hem  wellicht, 
dat  hij  het  voorz.  an  reeds  gebmikt  had ,  en  zoo 
schreef  hy  aenvaen  in  plaats  van  vaen. 

9)  Van  moeite,  ontberingen,  lasten  enz.  Op  zich 
nemen  of  wel  ondergaan^  lijden.  \\  Du  ne  souts 
niet  allene  dese  grote  pine  dus  anevaen ,  Rijmb. 
4468.  Hets  recht,  der  (1.  die)  pinen  anevaet ,  dat  hi  die 
bate  daer  af  ontfaet,  Lucid.  5751.  Die  passie,  die 
hi  aneviuc,  1681.  In  der  vorhoede  selense  dan  so 
grote  abstinencie  vaen  an,  Velth.  VII,  32,  25. 
Met  rechte  souden  wi  sgn  ghereder  omoedichede 
an  te  vane,  Belg.  Muê.  8,  449,  61.  Ende  selen  in 
Gode  geloven  dan ,  ende  om  hem  die  doet  vaen  an, 
Velth.  VIII,  8,  29.  Vele  kerstinen  moesten  dat 
selve  {den  dood)  anevaen ,  i^.  III  * ,  5 ,  68. 

10)  Van  vergiffenis,  verzoening  enz.  Aannemen^ 
aanvaarden.  \\  Want  die  Roraeyne  . .  vergheven  u 
datter  es  mesdaen,  eist  so  dat  ghijt  wilt  anevaen, 


Rijmb.  32094.  Dat  men  die  soene  sonde  anevaen  , 
Velth.  III,  2,  14. 

11)  Aanvangen  (in  de  hedendaagsche  beteekenis), 
beginnen.  \\  Ende  om  datter  goede  mede  waren 
ghevaen,  dies  moeten  wi  na  anevaen,  ende  sullen 
der  goeder  ghewaghen ,  Rijmb.  16233.  Nu  eist  tyt 
dat  men  aneva  den  strijt,  28725.  Niemen  ne  durst 
eerst  anevaen,  want  wie  soot  dade,  storve  saen, 
32951.  Nu  latewi  die  tale  staen  van  Lancelote, 
ende  anevaen  van  Bohorde  te  hondene  tale,  Lanc. 
IV,  3533.  Nu  latic  van  desen  Graven  bliven;  ie 
saelt  wel  weder  anevaen ,  Stoke  1 ,  800.  Ende  wille 
de  redene  anevaen  te  segghen  wat  de  coninc  dede, 
III,  958.  Van  haren  geesten  laet  ie  staen:  daer 
om  heb  les  niet  anevaen  te  telne,  VII,  1069.  Met 
spreken  heefti  dit  anevaen ,  so  dat  hi  een  andwerde 
gewan,  Velth.  V,  8,  34.  Ende  dit  laet  ons  eer 
anevaen,  dat  wi  niet  vervaren  saen,  VII,  21,  49. 
Alse  die  priester  die  misse  reet,  tierst  dat  hidan 
aneveet ,  dats  dat  hi  sine  hande  dweet ,  Bed.  d.  Jf. 
153.  Ende  hier  met  modijs  mi  wale,  here,  verlaten 
tesen  male,  ende  vawi  een  ander  an,   VII,  1749. 

=  Blijkens  de  aangehaalde  voorbeelden  staat  a^i»- 
vaen  in  vele  opzichten  gelijk  met  aengaen  (zie  ald.) , 
waarmede  het  in  verschillende  opvattingen  overeen- 
komt en  niet  zelden  als  variant  afwisselt ,  als  b.  t. 
Lip.  III,  27,  30,  enz.  In  de  boven  aangehaalde 
plaats  van  Velth.,  III,  2, 14,  leest  men:  „die  soene 
anevaen  ^^^  overgenomen  uit  Heelu  3980,  waar 
anegaen  staat. 

AENVAERDEN ,  aenverden  ,  aenveerden 
(verl.  deelw.  aenvaer(eiïgeaenvaert;(yokaengevaert)y 
zw.  WW.  bedr.  Ohd.  anafartón.  Of  van  Vaerde  ^  vaert  ^ 
gang,  tocht,  reis,  en  dus  zooveel  als  aengaen  (zie 
ald.),  waarmede  het  in  verschillende  opvattingen 
nagenoeg  overeenkomt,  öf  van  een  mul.  niet  voor- 
komend WW.  vaerden.  Verg.  JVrf/.  Wdb.  op  Aan- 
vaarden en  hier  Aenvaerdigen. 

1)  Met  eene  plaatsbepaling  als  object.  J>e  vaart 
of  den  tocht  er  gene  heen  oiulernemen^  zich  £>p  weg 
begeven  naar;  de  oorspronkelijke  beteekenis.  ||  Si 
daden  hem  alle  up  die  vaert:  Ermeline  ende  here 
Reinaert,  ende  hare  jonge  welpkine,  dese  anevaerden 
die  woestine.  Rein.  I,  3333. 

2)  Met  een  persoon  als  object.  Enen  — ,  tot 
iemand  komen y  hem  naderen.,  zich  tot  hem  wenden ^ 
met  toespraak,  verzoek  of  bede,  of  ook  op  on- 
vriendelijke wijze ;  fr.  aborder.  \\  In  wat  manieren 
hi  mi  aenvaerde ,  als  ie  hem  bi  was  comen , 
Pelgrim  31c.  Die  hem  ansprake  met  onwerden,  8i 
soudense  vriendelijc  aneverden,  Rote  (C)  8141. 
Doe  ickene  horde  dus  antworden  en  dorsticne  meer 
aneverden,  3491  (verg.  C.  3449).  Alse  God,  so 
wilt  God  sijn  gewerdt;  alse  Vader,  met  minnen 
aneverdt;  alse  Here,  ontsien,  dat  wel  betaemt , 
Rincl.  879.  Die  gecken  sijn  lichtelic  aen  te  vaerden, 
mer  quijt  machmense  qualic  waerden,  MLoep  I, 
815.  Omb  dat  die  vurscr.  renthen  all  gemeynlick  .  . 
versett  ende  verpant  weren  an  diverse  voill  per- 
soenen, soe  anferden  ende  antasten  elck  besonder 
die  selve ,  dair  die  renthen  an  verschenen  weren , 
d.  i.  zoo  spraken  zij  ^^wo/im,  Nijh.  5, 193  (a.  1486). 

3)  Enen  — ,  met  vijandige  bedoeling ,  op  iemanei 
af  kamen ,  hem  te  lijf  gaan ,  aantasten ,  aanvallen , 
aanranden.  Kil.  arripere^  aggredi.  ||  Ende  doen  dat 
dier  ward  sijns  geware,  quanit  gevlogen  in  dier 
gebare  oft  die  duvel  hadde  gewesen ,  ende  aneverde 
Lancelote  binnen  desen,  Lanc.  II,  46551.  Want 
als  men  slaet  dat  een  doet ,  tander  heeft  den  rouwe 
so  groet,  dat  et  navolghet  den  mordenare:  hine 
stonde   nemmer  in   suiker  scare,  en  sallen  willen 


473 


AENV. 


AENV. 


174 


anevaerden,  Nat.  BI,  VI,  117.  Sarrasine,  .  .  diese 

fellike  aneyaerden,  Franc,  5129.  Soe  wort  hi  op 

den  wech    aonvert   van    den    baillin   met   wreet- 

hede,   Brab,   T.  VI,    9120.  Soe  wert  hi  haestelic 

aenveert  van  Janne  den  Jode,  VII,  4092.  Dat  si 

OToreendroegen  daer  naer  den  bisscop  taneverden 

aldaer,  so  dat  hi  vlien    moeste  doe,  Velth.  VI, 

26,  14.  Qualic  mochtene  iemenne  aneverden,  Bjote 

13228.  Dns  dorsten  sine  qualic  aneverden,  lAmh, 

III,  383.  Doen  si  sach  dat  si  en  can  niet  comen 

van  den  jongen  man,  die  hare  altoesanevert,  sette 

si   vore  therte  tswert,   XII,  407.   So  wie  bi  hem 

selven  ocht  bi  ander  liede  yement  binnen  sijnre 

woningen  aenveerdt  ende  Men  doot  sleet,  5r«l  J. 

Dl.   1 ,  bl.   782  (a.  1330).   Die  ieniant  met  eenige 

wapens  anders  als  met  blooten  handen  naejaegt  of 

aenvaert,  Oork,  aang,  bij  V.  Hasselt  op  Kil.  Ware 

dat  onsede  ghesciede,  ende  tsheren  cnapen  .  .  die 

ghene  aneverden  die  onsede  daden,  CAart.  v.  Waelhem 

12.   Hi  gincse  daer  vaste  anvaorden,  Merl.  29290. 

Soo  wie  den  anderen  stoot  ofte  slaet  of  aenvaert 

in   toome,  Hando.   v.   Alkm.  15b.  —  Ook  van  het 

aanvallen  of  bettormen  van  vestingen  of  kasteelen.  || 

Met  pieken ,  met  hantaezen ,  met  swerden ,  gingense 

tgravensteen   anverden,    ende   optie   porten   slaen 

ende  houwen,  Velth.  IV,  9,  11. 

4)  Aantasten,  te  lijf  paan,  in  erotische  toe- 
passing. II  {Een  henx^  loept  te  blassen  ende  te 
lierde ,  ende  salse  alle  willen  aneverden ,  ende  ane- 
springen  ende  assellieren,  Base  12861.  Mettien 
toech  hise  te  hem  wert,  entie  ridder  onververt 
aneverde  die  maget  scone:  dat  haddi  van  hare  te 
lone,  Umb,  III,  669. 

5)  Enen  — ,  iemand  vriendelijk  aanvatten,  om"  \ 
helzen.  \\  Daer  elc  anderen  aneverde  met  meerre 
vronden,  met  meerre  lieve,  dan  men  gescriven 
sonde  in  brieve,  Sp.  II»,  46,  36  (Vinc:  seinvieem 
eomplexi  sunt).  Dat  soe  noit  was  geanevaert  van 
genen  ridder,  daer  iet  awih,  Jltd.Blatter  1,206. 
—  In  den  zin  van  (gastvrij  opnemen,  besehennen, 
van  een  asyl  of  vrypUiats  gezegd,  sch^nt  aen- 
vaerden  voor  te  komen  Handv.  v.  Alkm.  936:  |j 
Onser  ondersaten  huysen  binnen  Hoorn  bv  nachte 
bestoken  .  . ,  ende  dat  gedaen  z^nde ,  weder  opten 
Kerckhove  gaen ,  niet  anders  wetende  dan  dat  him 
luyden  die  vryheit  der  Heyligher  kercken  wederom 
schuldig  is  aen  te  vaerden  ende  sy  daer  inne  vry 
te  wesen  ende  te  berusten  {a.  1469). 

6)  Enen  of  iet  — ,  de  hand.  slaan  aan  iemand 
of  iets,  aanvatten,  aanpakken,  aanraken.  \\  Ende 
lietenen  alsoe  liggen  daer  int  velt  met  dier  qnetsueren 
swaer,  bloedende  seere  over  doot;  ende  niement, 
clein  noch  groot,  .  .  en  dorstens  aenverden  niet, 
mUlus  audebat  contingere,  Brab.  T.  VI,  9129—35. 
Tsacrament  begost  zere  jammerlick  te  bloen ,  doent 
Jan  Bautoen  metter  hant  aenverde,  Sacr.  bl. 
77,  16.  Gaet  weder  tot  den  vissche  ende  aenveert 
hem  met  der  caken,  ende  trecten  opt  droghe, 
Exc.  Cron.  16a.  Dat  een  (m  den  hof)  te  plucken 
ende  te  aenveerden,  ende  dat  ander  verbi  te  gaen. 
Fase.  Temp.,  Frol.  Iv.  Der  weerelt  temptacie  es 
al  niet,  dan  elke  dinc  hare  biet  ten  meinsche 
onderdaen,  weder  hise  anevaert  so  vliet,  Wap. 
Bog.  1780. 

7)  Met  eene  zaak  als  object  Iet  — ,  iets  onder- 
nemen, aanvajtgen,  beginnen,  van  handelingen  ge- 
zegd. II  Eer  ie  aneverde  enege  sake,  daer  ie  u 
mede  doe  tongemake ,  Bose  3279.  Weet  oec,  gheselle, 
die  huwelijc  maken,  dat  si  aneverden  zorghelike 
zaken,  Bose  {(f)  8113.  Ene  die  mi  lichte  ene 
grote  pine  aneverden  doet,  Limb.  III,  8.  Nu  en 


weet  die  grave  Gaidoen ,  wat  aneverden  no  wat 
doen ,  Belg.  Mus.  7 ,  445 ,  147.  Ie  vinde  ene  grote 
(aventure),  ende  die  ie  oec  sal  aneverden,  Torec 
1122.  Noch  vragic  oft  hier  enich  man  dit  ane- 
verden der  oft  can,  Velth.  in,  28,  21.  Dies  gi 
hadt  bi  uwen  aneverden  geeocht  die  dinc  boven 
haerre  warde,  Bose  7721  =  C.  7617.  (De  beide 
hss.  hebben  aneverde,  ter  herstelling  van  het  rijm. 
Doch  kenneiyk  is  de  infinitief  bedoeld  (als  in  bi 
uwen  doene),  en  niet  een  znw.  anevaert,  dat  dan 
ook  vr.  zou  moeten  zijn).  —  Een  boec  — ,  een 
boek  beginnen,  ondernemen  het  te  schrijven.  \\  Maer 
op  u,  Vroawe,  ben  ie  gereet  taneverdene  dese 
boeke  nu,  Velth.  VI,  31,  64. 

8)  Van  goederen  gezegd.  Iet  — ,  iets  aanvaar- 
den, in  beslag  nemen,  in  bezit  nemen,  zich  toeëige- 
nen.  ||  Sone  willic  langer  beiden  niet  tanevaerden 
dinc ,  die  behort  te  u ,  Bose  fr.  bl.  255 ,  120.  Dien 
scat  dien  oec  die  here  aenveert,  hemelrike  hire 
omme  ontbeert,  X  Flagh.  2074.  Ende  slouch  met 
crachte  an  tlant  sine  hant,  ende  aneverdet  al  te 
hant ,  VI.  Bijmkr.  1062.  Ende  (hi)  den  appel  opt  doode 
rijs  niene  hadde  aneveerdt  int  paradijs ,  i2tf»r/.  135. 
Hertoghe  Reinout  .  .  als  hertoghe  Willem  aflivich 
waert,  sijn  brueder,  hadde  gheaenvaert  stat  ende 
slot,  Brab.  Y.  VII,  411.  Sonder  taenverdene enege 

S ronden,  Heelu  5988.  Die  behaeht  guet  aneveert, 
at  metten  rechte  es  behaeht,  Willems,  Meng. 
444.  Als  die  vier  schouwen  van  desen  voirge- 
noemden  amboehten  op  die  Goude  comen  met  hoiren 
geswoiren  den  waterkeer  te  deelen,  eer  men  ane- 
vairt  voor  elcken  rechter  tsgn  ontfange  mergen  mor- 
gens gelijeke,  Oorkb.  2,  2326  (a.  1284^.  Soe  hebben 
wi  anevaert  de  stat  van  Heehelne ,  ende  dat  daertoe 
behoert,  in  onse  handen  te  sine  den  tyt  dat  die 
orlogh  duren  sal ,  Brab.  Y. ,  Dl.  1 ,  bl.  820  {a.  1840). 
Alle  hoir  goeden  laten  anvairden  ende  gebruken, 
V.  d.  Wall  387  {a.  1404).  Dat  sii  .  .  hore  coep- 
lude  lyve  ende  goede  .  .  sullen  mogen  berden  ende 
aenvaerden,  496  {a.  1425).  Waert  dat  (hi)  enech 
hout  daer  in  vonde  ende  ligghende  bleve  boven 
den  derden  dach,  dat  selen  deghene  die  hiertoe 
gheordeneert  sijn  aneverden,  wechdoen  ende  be- 
houden moghen ,  Coren  v.  Antw.  40 ,  137.  Dat  zoe . . 
tgoed  van  haren  voorseyden  man  gheanneveert 
heeft,  Cout.  v.  Brugge  2,  42  («.  1461).  Van  wol- 
len, die  zine  vriende  upten  vlaemsehen  stroom 
anevaerden,  Bek.  v.  Zeel.  2,  208.  Dat  Boudin  Jansz. 
dat  goet  van  mijns  heren  weghen  gheanevaert  hadde, 
210.  Clais  Willems,  die  een  scaep  gheanevaerd 
hadde,  dat  Aeghten  was,  345.  —  Ook  van  het 
innemen  eener  plaats,  in  de  uitdrukking:  Eens 
rechter  hant  — ,  aan  iemands  rechterhand  plaats 
nemen.  \\  Daerna  so  is  die  aertsche  biscop  van 
Mense,  Cancellarius  van  Germanien,  ende  aenvaert 
stjn  reehterhant,  Ned.  Proza  112.  —  Soms  wordt 
het  WW.  ook  scheidbaar  gebezigd:  aen  te  vaer- 
den, aengevaert',  \\  Dat  goet  waert  al  aengevert 
van  tsheeren  wegen  van  Breda,  Mieris  2,  3586 
{a.  1325).  Macht ,  dese  voorseide  Graeffelykheden , 
heerlijkheden,  ende  alle  hare  toebehooren  .  .  aen 
te  vaerden,  Pnv.  v.  Brielle  40  (a.  1366).  Doe 
heere  Jan  van  Boesendael  .  .  die  roede  van  de 
schoudambacht  angevaert  hadde,  V.  d.  Wall  427 
{a.  1411).  In  wat  manieren  dattu  dat  lant  geeoft 
hebste,  dattu,  oft  u  waer,  aengevaert  hebste, 
Oesta  Bom.  c.  128.  Dat  Huge  tonrechte  die  Eran- 
sche  crone  aengeveert  hadde ,  Exc.  Cron,  93<^.  Lude , 
die  den  dijc  van  Mannee  aneghevaert  hadden ,  Bek. 
d.  Gr.  2,  208. 
9)  Van  onaangename  gewaarwordingen ,  rampen 


175 


AENV. 


AENV. 


176 


enE.  f  ze  aa»Hemen ,  droffen ,  er  zich  in  tchikken, 
II  Maer  hi  seide  hi  ware  gereet  dor  hem  tanver- 
dene  lief  ende  leet,  Lorr,  II,  2226.  Dat  hi  ane- 
verden  aal  dat  qnade  ende  sine  mage  orlogenf  II, 
2565. 

AENVAEBDIGEN  (aenveerdioen,  aenver- 
DiGEN,  aenvierdigen),  ew.  WW.  bcdr.  Jongere 
verlengde  vorm  van  Aenvaerden  (zie  ald.) ,  vooral 
in  Gelderland  en  Overjjsel  gebruikelijk.  Mnd.  an- 
verdigen. 

1)  Aantatten^  aanvallen^  aanranden.  Zie  Aen- 
vaerden 3).  II  Wy  sullen  voirt  alle  coeplude ,  die 
onse  ondersaeten  sijn ,  veyligen  ende  gheleyen  na  all 
onser  macht;  ende  weert  dat  sy  (=  ze)  ymant  bekum- 
merden  off  met  ghewelltliken  saken  aenvaerdichde , 
dair  sullen  wy  mit  all  onser  macht  samentliken 
over  vallen,  Njjh.  3,  74  {a.  1378).  Worde  hi  an- 
gheverdighet  die  verdecket  ware,  Overijs.  Recht. 
I  > ,  19,  vgl.  199.  We  daer  boven  in  dat  hnus 
stormede  oft  dat  huus  anvierdeghede  mit  verboden 
wapen,  alse  manech  man,  also  manighe  XL  pont 
sal  hi  gheven  ter  stat  behoef ,  I  ^ ,  42 ,  verg. 
146.  Weert  sake  dat  de  wachter  noetwere  dade  op 
den  die  oene  anvierdeghede,  dat  ware  brokeloes 
tghighens  de  stat,  I*,  62.  Waert  sake  dat  twen 
partien  een  vrede  gheboeden  woerde,  ende  daer 
nae  de  eene  partie  de  anderen  aenvierdegheden 
ende  de  anghevierdeghet  woerde  noetwere  daede, 
I>,  64.  Wat  were  dat  die  gheno  weder  dede  die 
angheverdighet  worde,  Stadr,  v.  Zwolle  70,  68. 
Soe  wie  den  anderen  mit  eenige  wapen  dan  myt  blo- 
ten handen  jaghet  ofte  aenveerdiget,  Schwartz. 
1,   578^.  Zie  nog  Racer  3,  200;  6,  67. 

2)  Aantasten^  in  bezit  nemen ^  zich  toeeigenen. 
Zie  Aenvaerden  8).  ||  Want  ouders,  voirvaders 
ende  brueders  Heeren  Sweders  voirsz.  .  .  aller 
wegen  hem  geset  hebben,  so  sy  hem  noch  setten 
tegen  der  kercken  voirsz. ,  derselver  kercken  rechten 
ende  heerschappyen  geweldelic  an  te  veerdigen 
ende  te  becommeren,  Matth.  Anal.  3,  634.  Bat 
gene  dat  iement  hadde  aengetastet  oft  aengevier- 
diget ,  dat  nyemant  anders  in  sijn  beholt  en  hadde , 
Racer  3,  189.  Aentasten  noch  aenvierdighen ,  B. 
V.  Zutf,  113,  10. 

AENVAERTEN,  zw.  ww.  bedr.  Hetzelfde  als  aen- 
vaerden 8) ,  waarvoor  het  wel  eene  verkeerde  schrgf- 
wijze  zal  zijn.  jj  Die  guede  souden  die  heilighe- 
geestmeesters  totter  armer  behuef  eyghentlic  an- 
vairten  ende  antasten.  Leid.  Keurb.  493,  19. 

AENVAL,  'Valle,  znw.  m.  Van  Aanvallen.  HLndi. 
anval. 

1)  De  wijze  van  naar  iemand  toe  te  komen  of 
zich  bij  hem  te  vervoegen^  de  manier  of  toon  bij  het 
aanspreken.  Verg.  Aenvallen  I,  2).  —  Spreekw. 

II  Soeten  aenval  maect  soete  antwoorde ,  Spreuken  81. 

2)  Aanloop y  bezoek  van  gasten^  toeloop.  Verg. 
Aenvallen  I,  2)  en  Toeval.  Vooral  in  de  Gra- 
felijke en  Stedelijke  Rekeningen  wordt  herhaaldelijk 
melding  gemaakt  van  onkosten,  aan  lands  of  stads 
afgevaardigden  vergoed  wegens  den  aanval  of  het 
bezoek  van  personen,  die  zij  als  gasten  ontvingen. 

II  Doe  Symon  ende  Hughe  . .  dese  voerscr.  \V^  hoet 
tarwen  coften,  waren  si  uut  vijf  daghe ,  verteert 
mit  horen  knechten  ende  mit  aenval  van  alrehande 
Inde  .  .  VII  ffl  II  d.,  Oorl.  v.  Albr.  102.  Verteert 
mit  horen  knechten  ende  mit  alrehande  anval  van 
luden,  103,  104,  105,  enz.  Mids  anval  van  veel 
goeder  luden,  Bel.  v.  Leid.  405,  406,  407,  430, 
431 ,  444.  Mit  anderen  anval  van  goeden  luden , 
405.  Mids  anval  van  veel  goeder  luden,  die  si  ten 
eteQ  laadden  {of  die  dair  mede  aten),  402,  403, 


411.  Mids  anval  van  .  .  (jenoemde  pereonen)^  die 
over  maeltyt  quamen  {of  die  hem  over  quaneo) , 
402,  403.  Verteert  in  den  Hage  mit  veel  anvals, 
201.  Van  cost,  mit  anval,  enz.^  235.  Boven  sgnre 
leveringe,  overmits  sgns  aenvals  dat  (/.  diei)  hi 
hadde,  347.  Ende  bi  wilen  anval  hadden  van  den 
Capiteyns  ende  van  anderen  goeden  luden ,  438. 
Somty  t  laten  sij  die  steden  . . ,  om  een  beter  itede 
of  om  meer  anvals  van  den  volke ,  Ht.  88  /.  75^. 

3)  Aanval^  vijandelijke  aantatting ,  de  hedendaag- 
sche  beteekenis ,  die  ook  reeds  in  't  mnl.  geToon 
was.  Verg.  het  aangemerkte  bg  Aenvallen  1,4). 

4)  Van  goederen  of  rechten  gezegd.  Het  toe- 
vallen^ ten  deel  vallen^  aankomen  (aan  iemand), 
de  aankomt t^  de  eigendomeovergang.  Verg.  Aen- 
vallen II,  1).  II  Vermits  anvalle  in  eygendoms 
rechte.  Racer  4,  199. 

5)  Uit  de  vorige  beteekenis  ontwikkelde  zich  de 
concrete  opvatting  van  het  woord,  dus:  Hetgeen 
iemand  ten  deel  ie  gevallen^  inzonderheid  bg  erfe- 
nis; erfdeel:  „Hereditatie  portionem,  quae  vulgo 
an  ual  dicitur ,"  Oork.  van  1292 ,  aangeh.  by  Lubben 
1,  112.  Verg.  Koseg.  1,  417;  Ben.  3,  222; 
Lexer  1,  84.  ||  Voirt  sall  jonffh)uwe  Kathr^n  .  . 
witlike  vertichnisse  doen  op  alle  medegaven  ind 
op  allen  anvalle  ind  versterffhisse ,  die  hoir  .  . 
ansterven  moegen,  Nyh.  4,  9  {a.  1423). 

6)  Een  recht  aan  eene  zaak  verknocht^  dat  ale 
bijkomend  voordeel  met  die  zaak  overgedragen  wordt 
of  aan  iemand  ten  deel  valt.  ||  Dat  cleyne  weer- 
deken .  .  mit  alsulken  sanden,  die  tusschen  den 
Voeren  ende  den  weert,  geheiten  die  Ontrouwe, 
gelegen  sgn,  ende  dair  tusschen  namaels  vallen 
mogen,  mit  hoeren  toebehoeren  ende  anvalle  erftike 
te  besitten,  Ngh.  3,  155  {a.  1393).  Onze  land  Tan 
der  Scellinge  .  .  mit  allen  renten,  profiten,  aen- 
valle,  ende  mit  anders  allen  sinen  toebehoeren. 
Mieris  4,  413a  {a.  1417).  Renten  ende  alle  aenvall , 
die  die  vleyschouwer  hadden,  R.  v.  CT/r.  1 , 306 , 1. 

7)  Aanwas  van  grond  door  aanslibbing.  Verg. 
Aenvallen  II,  3)  en  Aenscot.  ||  Oock  soe  veer 
als  die  aenvalle  van  opcommender  erffenis  neder- 
waert  ginck,  verby  die  maelscap  van  Aefferden, 
Nyh.  2,  223  {a.  1368).  Men  zal  in  deze  woorden 
6f  aenval  6f  gingen  moeten  lezen. 

AENVALLEN  {viel^  vil  of  vel-,  vielen^  gevallen)^ 
st.  WW.  onz.  Mnd.  anvallen. 
Vï  Met  een  persoon  als  onderwerp. 

1)  Met  den  3den  nv.  Enen  — ,  voor  iemand 
nedérvallen^  t.  w.  als  smeekeling.  ||  Ende  viel 
hem  te  voeten  ane,  Sp.  II*,  37,  158. 

2)  Met  den  3den  nv.  Enen  — ,  eigenUjk,  ziek 
bij  iemand  vervoegen^  naar  hem  toekomen,  kern 
bezoeken.  Verg.  Aenval  1)  en  2).  ||  Ende  quamen 
alle  them  gelopen,  want  si  kenden  den  horen  wel, 
so  datter  hem  anevel  omtrent  C  ende  meer,  i^. 
rV',  25,  36.  In  een  cleene  husekyn,  daer  hem 
heilech  geselscap  fijn  ane  viel,  sinen  leven  volgende 
naer,  II*,  82,  5.  Dair  him  onderwegen  aen vielen 
heren  Jan  van  Heemstede  ende  here  Jan  die 
bastart  van  Bloys  mit  anders  myn  heren  gesinde, 
Oorl.  V.  Albr.  196.  —  Uit  deze  algemeene  be- 
teekenis ontwikkelde  zich  eene  tweeledige  op- 
vatting, naar  gelang  het  komen  tot  iemand  met 
vriendschappeiyke  of  vyandige  oogmerken  ge- 
schiedt; t.  w. 

3)  Enen  — ,  iemand  bijvallen,  toevallen,  ale 
vriend  of  bondgenoot  tot  hem  komen,  zijne  zijde  of 
partij  kiezen.  Verg.  Vallen  (an  enen).  \\  Oec  so 
viel  hem  groet  volc  ane,  Vl.  Rijmkr.  9428.  Des 
derden  dages,  eer  leet  noene,  hadde  hi  wel  drie 


in 


AENV. 


AENV. 


178 


dnsent  man,  die  hem  alle  vielen  an,  Stoke  Y, 
544.  So  datter  hem  so  vele  vielen  an  ende  hem 
manscap  daeden,  Lane,  II,  4696.  Hoe  groet  hem 
anviel  die  meysniede,  Yelth.  Y,  4,  34.  Want  al 
tfolc  gemeenlek  dan  aal  hem  met  herten  vallen 
an,  Z«{9.  lY,  3,  9.  Doe  in  der  tijt  .  .  was  veel 
twydrachten  binnen  Utrecht,  dattie  geen  .  .  seer 
toegebracht  hebben  mitten  ghenen  die  hem  an- 
vellen ,  Matth.  Jnal.  3 ,  342.  Doe  vielen  hem  die 
Joden  an,  dat  hi  wel  X**  man  hadde,  B.  v. 
1357,  284^.  —  Ook  zieA  wijden  aan  den  dienst 
eener  godheid,  \\  Ende  nochtan  so  vielen  si  afgoden 
an,  Sp,  11^,  21,  5.  —  Ook  met  het  voorz.  met. 
Met  enen  — ,  ienutnde zijde  kiezen.  ||  Yele  prencen, 
die  te  voren  metten  keyser  hadden  gesworen,  sijn 
metten  panes  ange vallen,  Sp,  lY',  73,  41.  Die 
gnede  Joden ,  die  daer  int  lant  waren ,  die  vielen 
mit  Judas  an,  £.  v,  1357,  2Mc, 

4)  Aenvallen  gold  echter  evenzeer  in  den  tegen- 
overgestelden zin  van  al*  vijand  tot  iemand  komen^ 
hem  aanvallen,  aantasten^  de  thans  gewone  be- 
teekenis.  Zoo  b.  v.  Heeln  6222,  enz.  Yerg.  het 
aangemerkte  by  Aen wassen  II,  2).  Evenzoo  had 
Aenval  zoowel  de  beteekenis  van  vriendschappelijk 
bezoek  als  van  vijandelijke  aantasting, 

II)  Met  eene  zaak  als  onderwerp. 

1)  Met  den  3den  nv.  Enen  — ,  van  goederen, 
rechten  of  verplichtingen  gezegd,  aan  iemand  ten 
deel  vallen,  \\  Tote  dien  dat  elc  apostel  nam 
sgn  lant,  dattem  aneqnam  in  te  predekene,  nam 
Jan  Ephesnm,  want  het  viel  hem  an,  j^.  I^, 
48,  22.  Dus  es  hem  heerscap  angevallen,  II*, 
22,  34.  So  war  ons  dat  goit  vri  ende  leydich 
onsen  wille  mede  t«  doene,  ende  also  vort  van 
dien  anderen ,  dien  dit  goit  anevallen  mach , 
Oorkh,  2,  4266  {a,  1296).  Dat  .  .  allen  anderen 
hout  ende  bate,  van  den  voirscr.  bossche  dair  en 
boven  comende,  sal  aenvallen  ende  toebehoiren 
sinen  genedigen  here,  Brab.  T,  Dl.  2,  bl.  631 
(a,  1376).  De  stad  van  Antwerpen ,  met  allen  haeren 
toebehoirten ,  van  ons  in  leene  merende ,  ende  hem 
aenghevallen  ende  toecomen  nae  doode  .  .  sQnre 
moeder,  bl.  731  {a.  1404). 

2)  Met  den  3den  nv.  Enen  — ,  overvallen^  over- 
komen  ^  van  niteriyke  omstandigheden  of  inwen- 
dige aandoeningen.  ||  Een  storm  viel  hem  doe 
an.  Brand,  425  (Brand,  (H.)  408:  „Een  storm  hem 
anviel").  Of  geene  temptacie  viele  an  den  mensche , 
H^ap,  Bog,  1704.  Scaemte  viel  hemlieden  an,  690. 
Eest  dat  hem  gheen  ongheval  aen  en  valt,  Stadr. 
V,  Zwolle  141,  239.  Dat  hem  alsnlc  ongheval  anghe- 
vallen  waer,  ald, 

3)  Yan  den  grond  aan  den  oever  der  rivieren. 
Aanwassen  door  aanslibbing  ^  aanspoelen.  \\  Opcom- 
mende  erffenis  {grond)  nnt  ryvieren  aengevallen, 
sonder  enych  dyep  tusschen  te  gaen,  neempt  een 
yegelick  myt  recht,  die  daer  neven  geërfft  is, nae 
breyden   syns  erffs  np  die  ryvieren  schijtende  (/. 

schietende). Dat  dese  gront  van  desen  kQff- 

weerdt  hoere  erffenis  is  eyrst  aengevallen ,  Nijh.  2 , 
223  (a.  1368).  Ende  so  wes  van  ennigen  sanden 
anviele  an  mgns  ghenedigen  heren  voirscr.  weerdt , . . 
dat  sal  minen  genedigen  here  voirscr.  bliven,  3, 
186  (a,  1393). 

AENYAN6EN  (vinc^  vingen^  gevangen)^  st.  ww. 
bedr.  Mnd.  anvangen.  Byvorm  van  Aenvaen 
(ogerm.  ^fanhon  en  fdhan)\  zie  ald. 

1)  Aanvatten^  aangrijpen^  aantasten,  de  hand 
slaan  aan,  zoowel  in  vflandelijken  als  vriendschap- 
peigken  zin.  Yerg.  Aenvaen  1).  ||  Die  sijn  mes 
vnystede   of  eenige   ander  dlnge  .  .   in  toemigen 


moede  anvenge,  Racer  5,  368.  Een  man  sal  aen- 
vangen  die  hant  syns  naesten,  D,  B,  Zaeh.  14, 
13  (Ynlg.  apprehendeé),  —  Ook  met  eene  zaak  als 
ondw.  II  Dese  bescamenisse  en  sal  ons  niet  aen- 
vangen,  D.  B,  Mich,  2,  6  (Ynlg.  eomprehendet), 

2)  Yan  goederen  of  rechten.  Aantasten,  en  dns: 
in  bezit  nemen,  aanvaarden,  zich  toeeigenen ^  of 
zich  als  eigenaar  er  van  doen  gelden,  Yerg.  Aen- 
vaen 2)  en  Aen  VAN  c  2).  ||  Ende  wilde  die  crone 
vangen  an,  Sp,  III',  7,  42.  Entie  Roemsce  crone 
te  vangen  ane,  lY* ,  19,  60.  Zo  moegen  wi  onsen 
tolle  tot  Huessen  weder  aenvangen  ende  gebmken , 
Nyh.  3,  49  (a.  1377).  Dat  gnet  of  ghelt  en  sal 
hi  niet  an  vanghen,  hy  en  doe  dat  bi  den  scepen, 
Stadr,  V,  Zwolle  139,  232.  Yan  den  erve  .  .  dat 
hy  aenvangen  wil,  ende  slaen  sQn  handt  daer  met 

recht  an. So  wanneer  den  aenvanck  geschiet 

is,   soo   sal   een  yegelQck  ten  gelycken  kost  daer 

tegens  mogen  aenvangen,   dien  dat  belieft. 

Daer  sal  den  eersten  aenvanger  wesen  den  eersten 
aenlegger  der  saken,  ende  den  lesten  aenvanger 

verweerder. Soo  wient  belieft . .  goeden  niet 

aen  te  vangen ,  die  sal  dat  aenvangen  by  den  heer 
ende  by  den  gerechte  enz,,  Ondenh.  Z,  Holl.  495 
(a.  1433).  Want  si  qnamen  om  aen  te  vangen  hoer 
besittinge,  D.  B,  I  Chron,  7,  21  (Ynlg.  ut  invaderent), 

3)  Met  een  persoon  als  object.  Enen — , iemand 
in  verzekerde  bewaring  nemen,  aanhouden,  gevan- 
gen nemen,  Yerg.  Aenvaen  3).  ||  Wair  datyemant 
den  anderen  over  dief  anevenghe  binnen  sinen 
hnse,  Privil.  v,  Brielle  17  (a.  1330).  Die  sonde 
die  rechter  aenvangen  ende  in  hechtenis  honden. 
Mieris  3,  2016  (a.  1366).  Solcken  openbaren  mis- 
dadiger sonder  vervolch  van  recht  aenvangen  nnd 
te  hove  brengen,  nmb  by  den  heer  gestraft  te 
worden,  Landr,  v.    Vel,  6.  De  openbare  misdedi- 

fers  .  .  op  des  heeren  kosten  aen  te  vangen  nnd 
en  drost  ofte  richter  te  leveren,  ald.  8. 
4^  Met  een  persoon  als  object,  die  eene  waardig- 
heid of  een  ambt  vertegenwoordigt,  als:  graven 
aenvangen,  graven  krijgen,  ze  als  bestuurders 
ontvangen,  \\  Dns  begon  Hollant  grave  te  vanghene 
an,  Stoke  I,  445;  verg.  395:  „dattet  grave  ont- 
finc." 

5)  Yan  eene  handeling,  een  besluit,  een  leefregel 
enz.  gezegd.  Ter  hand  nemen,  aanvatten,  aanpakken, 
ondernemen,  aannemen,  Yerg.  Aenvaen  6),  7)  en 
8).  II  Des  radic  minen  vrienden  dan,  dat  si  de 
waerheit  vangen  an  ende  laten  de  boerden  varen. 
Franc,  45.  Ende  welke  strate  gi  mi  wilt  sinden, 
ie  derse  anevangen  wel,  al  waer  so  noch  also  fel, 
Lane,  II,  43721.  Doe  moesti  enen  raet  vangen 
ane,  Fl,  Bijmkr.  6988.  Wat  rade  selen  wy  vangen 
an,  daer  wy  dese  overdaet  mede  keeren?  Grimb, 
II,  76  var.  (in  den  iékBligaen  an).  Alse  aenvinghen 
een  deel  der  liede  kersten  ghelove  met  niede, 
Teest.  538.  Ende  vangen  dat  doopsel  ane,  ^.11', 
16,  105. 

6)  Aanvangen,  beginnen,  ergens  toe  overgaan,  on- 
geveer  de  hedendaagsche  beteekenis.  Yerg.  5^  en 
Aenvaen  10).  ||  Dat  die  goede  man  die  dinge 
wilde  vangen  an,  Sp,  II*,  33,  74.  Ende  om  dat  dit 
rike  hanget  an  u,  ende  es  sonder  berechtere  nu, 
hets  wel  noet  dat  vanget  an  te  nemene  enen 
weerden  man,  Lane.  TV,  7975.  —  Yandaar,  in 
bgzondere  toepassing  op  de  bebouwing  van  den 
grond,  de  afgeleide  beteekenis: 

7)  Ontginnen,  d.  i.  aanvangen  of  beginnen  te  be- 
bouwen. II  Dat  werdeken  (de  kleine  waard),  dat 
gelegen  is  in  den  Wael  tusschen  Daemic  ende 
Haelderen  .  .  dat  her  Jacob  van  Ambe  aengevangen 


179 


AENV. 


AENV. 


180 


hadde,  Nijh.  2 ,  36  (a.  1348).  —  Verg.  de  aant.  ald. : 
„Zoo   komt   dit  woord,  ia  de  registers  der  han- 
delingen Tan  de  Yoormalige  Rekenkamer  van  Gelder- 
land, nog  in  veel  lateren  tijd,  dikwyls  voor.** 
AENVANGERE  (aenvanger),  znw.  m. 

1)  Hij  die  ieU  in  bezit  neemt  of  zich  alt  eigenaar 
doet  gelden.  Zie  de  aanhaling  by  Aenvangen  2). 

2)  Hij  die  iett  in  heelag  neemt  of  oenAaalt^  als 
verboden  waar  of  wegens  onwettig  vervoer  enz.  || 
Geen  torff  uuten  Overstichte  gcvuert  te  werden 
op  die  verbnerte  van  scep  ende  torff,  die  twee 
deelen  tot  proffyte  van  den  keyser  ende  tderdendeel 
tot  proffyte  van  den  anvanger,  Racer  2,  294.  De 
oorkonde  is  van  1527,  doch  het  woord  in  deze 
beteekenis  blijkbaar  van  oude  dagteekening. 

AENV  ANC,  -vange^  znw.  m.  Yan  ^^poéw.  Mnd. 
at¥Hmk^ 

1)  Het  aanvatten^  aangrijpen^  aantasten;  de  aan- 
val. Zie  Aenvaen  1)  en  Aenvangen  1).  ||  Als 
die  coninc  meende  sinen  meesten  aenvanck  te  doen , 
80  qnam  hi  mit  sijn  volc  in  haer  gheschnt,  Exe. 
Cron.  294a. 

2)  Het  aanvaarden  of  in  bezit  nemen  (van  goederen 
of  rechten),  ook  de  hand  leggen  op  eene  zaak  (alt 
Aandeltng  waarmede  een  geding  begint)^  en  in  verband 
hiermede  Aet  proces,  met  die  handeling  begonnen.  Zie 
Aenvaen  2)  en  Aenvangen  2).  ||  Als  twye 
mannen  twisten  omme  anevanc  van  erven.  Oor  kb. 
2,  375Ó  {a.  1292).  Yan  een  onrechten  anevanc 
van  turve  ....  Yan  een  onrechten  anevanc  an 
zoden,  B£k.  d.  Graf.  1,  278.  Van  aenvangen  van 
erven.  —  Alle  aenvangen  van  erven  snllen  gedaen 
werden  .  .  elck  in  synen  ambacht,  met  schoat 
ende  ten  minsten  vier  heemraden,  Oudenh.  Z.  Holl. 
495  (a.  1433).  Zo  zal  men  alle  zeventnghe  binnen 
der  stede  honden  ten  eersten  dage  np  dat  erve, 
dair  men  dien  anevanc  eerste  bestaet  ende  anevaet, 
O.  W,  V.  Amst.  17,  15.  Yan  allen  zeventnghe  zo 
zullen  die  houders  ende  die  aenclaghers  comen  te 
aenvanghe  binnen  vlertien  daghen,  ald.  Waert 
datter  eenen  aenvangh  viel  van  tilbare  goederen, 
Handv.  v.  Enkh.  Aa.  Die  den  aenvangh  verliest, 
die  verbeurt  10  schellingen,  ald.  (a.  1346).  — 
Aenvanc  doen  aen  iet,  iets  in  bezit  nemen, 
zich  toeëigenen ,  de  hand  er  aan  slaan.  \\  Die  anevanc 
doet  an  een  pard,  an  ene  coe,  ofte  diergelijcke,  die 
verboert  twee  schellinghe.  Oor**.  2,  282*  (a.  1289). 
Die  onrechten  aenvanc  dede  aen  eens  anders  beest^ , 
Mieris  1,  6176  (a.  1299).  Yan  allen  goeden  daer  men 
onrechten  anevanc  ane  doen  mach,  Y.  d.  Wall  119 
{a.  1303);  Mieris  2,  30*.  So  wie  een  aenvanc  doet 
teghens  yemande,  O.  K.  v.  Kott.  a.  59.  Waert 
dat  eenigh  een  onrecht  aenvangh  dede  aen  eens 
anders  beest,  Handv.  v.  Enkh.  2a.  —  Ookvereenigd 
met  andere  woorden  van  soortgelijke  beteekenis.  j| 
Hier  op  begheert  hy  selfs  vaers  aenfanx,  toeganx 
ende  oiganx ,  ende  al  dat  hy  mit  een  eyghen  recht 
sculdich  is  te  begheren ,  Westfr.  Dingt.  9.  —  In  de 
onde  keuren  vindt  men  herhaaldelijk  artikelen, 
handelende  Van  aenvanc  of  Van  onrechten  aenvanc , 
in  welke  de  woorden  Aenvanc ,  Aenvaen ,  Aenvangen 
en  Aenvanger  telkens  voorkomen.  Zie  b.  v.  Mieris 
t.  a.  pi.,  Oudenh.  Z.  Holl.  468,  471,  476,  495 
vlg..  Racer  3,  188  enz. 

3)  Uit  deze  beteekenis  ontwikkelde  zich,  in  con- 
crete opvatting,  die  van  het  in  bezit  genomene,  de 
bezitting,  het  goed.  \\  (Hi  sal)  zweren  an  den 
heilghen ,  dat  hi  anders  enghenen  anevang  en  heeft 
daer  hi  mede  betalen  moeghe  dan  sijn  erve,  Stadr. 
V.  Zwolle  95 ,  135.  So  wie  dient  om  der  minnen 
danc,   hope  es  sijn  hoochste  aenvanc,  O VI.  Lied 


en  Ged.  303,  2061.  —  In  figuurlijke  toepassing 
op  een  persoon  in  den  zin  van  schat.  \\  In  dgn 
bedwanc  .  .  .  so  moe  tic  bliven ,  .  .  .  mjjn  hoochste 
aenvanc,  mijn  hoogste  goed,  vor  alle  wiven,  O VI. 
Lied  en  Ged.  181,  11.  Al  waert  ooc  al  der  werelt 
leit  sonder  di,  myn  hoochste  aenvanc,  191,  31. 

4)  Het  aanhouden   of  gevangennemen  (van  per- 
sonen).  Zie  Aenvaen  3)  en  Aenvangen  3).    || 
Wert   saeke   dat   die   richter   ofte  die   schepenen 
solden  doen  een  aenevanck  . . .  soe  dat  sie  yemande 
woendeden,  Racer  5,  296.  Zie  ook  5,  76. 

5)  Aanvang,  begin;  de  hedendaagsche  betee- 
kenis. II  Yan  Juliane  die  ierste  anvanc  was  dat 
hi  ter  scolen  ghinc,  Sp.  II*,  22,  28.  Een  haestich 
anevanc  ter  minnen,  MLoep  I,  727.  Een  haestich 
anevanc  van  liefden,  I,  1077,  enz. 

AENYAREN  (voer,  voeren  (voren),  gevaren),  st. 
WW.  onz.  Zie  Yaren.  Mnd.  anvaren. 

1)  Aanrijden,  voortrijden  (naar  een  bepaald  doel). 
Hetzij  absoluut,  hetzij  vergezeld  van  eene  bepa- 
ling met  te.  \\  Ie  wille  vergadrep  die  vrienden 
mijn,....  ende  varen  te  Bajoene  an,  Lorr.  II, 
264.  Die  van  binnen  voeren  an,  Ferg.  5363.  Jonc- 
here  Willem,  dat  jonghe  kint,  voer  al  mede  ter 
hoefsteden  an,  Stoke  YII,  1124.  —  Inzonderheid 
aanrijden  met  een  vijandig  doel,  aanvallen.  \\  Die 
lieden,  die  dat  versaghen,  voeren  vromeliic  ane, 
lAmb.  II,  1565.  Onder  alle  die  Gryffoen  en  was 
so  stout  no  so  coen,  die  yerst  aen  dorst  varen, 
Trogen  f.  234*.  Hi  voer  an  al  sonder  raet,  Stoke 
YII,  61.  —  Comen  aenvaren,  komen  aanrijden.  || 
Ooc  quam  daer  gevaren  ane  die  grave  Diederic 
van  Yiane,  Grimb.  II,  3131. 

2)  Met  den  3den  nv.  Énen  — ,  op  iemand  <um- 
komen,  aanrijden  of  aanvaren,  hetzg  met  vriend- 
schappelijke of  met  vQandige  oogmerken,  en  dus 
in  tweeledige  opvatting: 

a)  Zich  bij  iemand  aansluiten  als  bondgenoot.  \\  Dese 
voeren  den  anderen  ane ,  ende  die  Turken  worden  ghe- 
scofflert ,  Brab.  Y.  III ,  1544  (verg.  Sp.  lY»,  18 ,  32). 

*)  Op  iemand  afkomen,  als  vijand,  hem  aanvallen 
of  bestoken  (te  paard  ofte  scheep,  ook  te  voet).  || 
Si  worden  der  andere  geware  ende  voer  hen  ane 
met  haerre  scare ,  Lanc.  II ,  46970.  Nu  vart  hem 
ane  gereet,  II,  34068.  Dus  voren  si  den  coninc 
an  van  Yrlant,  dise  wederstoet,  III,  17709.  Alse 
mense  dan  verjagede  yet,  ofte  met  scepen  hem 
voren  an,  Yelth.  III,  22,  18.  Dandre,  die  den 
ridder  vri  valsceliic  voeren  an,  lAmb.  III,  402. 
Ende  voeren  heer  Aernoult  ane ,  Grimb.  II ,  3561 , 
verg.  5008.  Ende  voeren  den  ridder  ane,  Iaw^. 
II,  1549.  Swaerliic  voeren  si  hem  ane,  Y,  llö. 
Ende  voer  heren  Heinriic  ane,  YII,  1341.  Mettesen 
voer  hi  hem  an,  ende  gaf  hem  enen  slach  op 
thoeft,  XII,  720.  Ende  voer  der  conincginnen  an , 
XII ,  307.  Daer  dese  C  voemoemt  B  zgnen  broeder 
aenvoer,  hy  vachten  daer  an,  hij  stieten  daer, 
hij  bloetwonden  daer.  Dingt.  v.  Amst.  17.  Yerg. 
het  aengemerkte  bij  Aenwassen. 

3)  Varende  naderen,  landen.  ||  Met  enen  sconen 
gheselscepe  voer  hi  bi  Westcappel  an.  Daer  ont- 
scepede  menich  man,  Stoke  III,  1086. 

4)  Nu  en  dan  vindt  men  anevaren  in  de  bei. 
van  anevaerden,  b.  v.  Rek.  v.  Zeel.  1,  144:  Unt- 
gegheven  om  die  Meeneweyde  te  diken,  die  soo 
zere  ghewalet  was  dat  se  die  Inde  niet  anevaren 
en  wilden;  ald.  242:  Yan  8  spade  lants  te  dike- 
ne  .  . ,  die  waren  laten  varen  ende  niemant  ane- 
varen wilde,  niemand  wilde  er  aan,  ende  Jan 
Heyurix  s.  anevarde  ende  dede  diken  van  mijns 
heren  weghen. 


181 


AENV. 


AENV. 


182 


AENVATEN,  zw.  ww.  bedr.  Zie  Vaten. 

1)  Aanvatten^  opvatten.  Weder  — ,  weder  op- 
vatten, hervatten  (een  onderwerp).  ||  Nu  wil  ie 
dese  materie  laten  ende  weer  die  texte  aneyaten, 
O,  E.  Patne  29,  821. 

2)  Iet  — ,  van  goederen  of  rechten  gezegd.  Be 
hand  aan  iets  slaan,  dus  iets  in  bezit  nemen,  aan- 
vaarden. Verg.  Aenvaen  2).  ||  Als  een  brant 
gelescht  is,  so  sal  elc  man  sijns  selfs  reescip 
anvaten  ende  niements  anders,  Leid.  Keurb.  469, 
3,  1.  So  waer  dat  si  twe  quamen  ende  een  goet 
beyde  anevaten,  V.  d.  Wall  117  {a.  1308).  —Ook 
in  den  zin  van  cuinvaarden,  overnemen,  van  een 
gemaaJtt  werk.  ||  Soe  wye  sijn  bruggben  tot 
tgberechts  besceydenheyt  also  wel  gemaect  ople- 
vert ,  die  sel  die  stede  anvaten  ende  houden  staende , 
Leid.  Keurb.  139,  30. 

3)  Enen  — ,  iemand  in  verzekerde  bewaring  ne- 
men ,  aanhouden ,  gevangennemen.  Verg.  Aenvaen  3). 

jl  Voert  soe  sal  die  scout  den  sculdenaer  aenvaten 
ende  leggen  in  den  ouden  steen ,  Dingt.  v.  Delft  8. 
AENVECHTEN     (vacht,    vochten,   gevochten), 
st.  WW.   bedr.,  scheidbaar  en  onscheidbaar  gebe- 
zigd. 

Bedr.  —  Hetzelfde  als  Aenstriden:  zie  ald. 
en  verg.  Aenbevechten  en  Aengevecht.  Mnd. 
anvechten.  Thans  alleen  overdrachtelijk  van  den 
strijd  der  zonde  gebruikt;  vroeger  in  deeigenlQke 
en  algemeene  beteekenis  van:  Met  strijd  aanvallen, 
bestrijden,  bevechten,  aanranden.  \\  God  sal  met  u 
plechten  ende  selve  u  viande  aenvechten,  Melib. 
3172.  Die  u  huus  anevochten  ende  met  lederen 
besochten,  2539.  Daer  vochten  hem  anne  met 
grooter  cracht  die  Almanne,  Sp.  11^,  2,  25.  Dlant 
van  Daelheem  wert  aenvochten  van  lieden,  die  te 
Heme  lagen,  Heelu  2072.  Die  dese  stat  selen 
zwaer  .  .  bezitten  ende  vechten  an ,  Wrake  I , 
1836.  Rome  sal  met  scarpen  swerden  aenvochten 
ende  ghewonnen  werden,  I,  1946.  Die  in  Brabant 
sere  van  haren  wedersaken  aenvochten  waren,  Lutg. 
II ,  408.  Die  hometen  ende  wespen  vervolghen  oec 
die  bien,  ende  si  aenvechtense  uut  natuerliken 
hate,  Bienb.  168^.  Die  Romeine,  verre  endewide, 
vochten  hem  an,  Sp.  I*,  73,  27.  Waer  sise  moch- 
ten anevechten ,  Heelu  1152.  Si  waren  so  aenvochten, 
Brab.  Y.  VI ,  6034.  Engiene  .  .  ,  om  die  stat  daer 
met  te  aenvechten,  VI,  9384.  Ende  die  heylighe 
kerke  anevechten.  Wrake  I,  483.  Soe  wye  eens 
anders  huys  anvecht,  Oorkb.  2,  125a  (o.  1275). 
Voert  ghelovewi  haren  Willaem  .  .  te  helpene 
jeghens  eiken  man,  diene  anevechten  of  soeken 
wille,  458*  {a.  1297).  Waert  dat  een  poorter  van 
Leydeu  buyten  Leyden  aengevochten  worde  ende 
hem  verweerde ,  Leid.  Keurb.  222 ,  36.  Dat  si  .  . 
mit  heerkracht  aenvechten  ende  destrueren  alle 
tWalschelant,  Clerc  6.  Veel  goeder  mannen ,  die 
den  storm  ende  dat  anvechten  manlic  wederston- 
den ,  57.  Sinen  broeder . .  die  van  menigen  Grieck 
aengevochten  was,  Troyen  Vb.  19<r.  Hi  omleidese  ende 
anvachtse  ende  wanse  in  enen  dage,  D.  B.  Jos. 
10,  35.  Hoe  mochten  wi  striden,  of  men  ons  niet 
aen  en  vochte?  Ruusbr.  3,  83.  Geen  wilt  beest 
en  mach  hem  aenvechten,  Ned.  Frosa254.  Doe  die 
stat  van  Riemen  van  hem  luden  met  groter  craft 
in  allen  siden  aengevochten  wort,  Pass.  W.  265a. 
Zie  nog  N.  Doet.  811;  Wrake  III,  924;  Brab.  Y. 
VII,  8885;  Matth.  Anal.  3,  41,  70,  102,  147; 
Bxc.  Cron.  134rf,  181*,  183*;  enz.  —  Ook  met 
weglating  van  H  object,  en  dus  schijnbaar  onz.  j| 
Die  Gallen  sijn  die  niet  en  spareu,  sine  vechten 
ane   nacht   ende  dach,  Sp.  I",  5,  30.  Worden  oec 


vriende  anvechtende  in  eenre  vryer  taverne,  dien 
verboerden  niet  meer  dan  off  sy  op  eenen  vryen 
velde  vochten,  Mieris  2,  90tf  {a.  1310).  —  Ook 
reeds  overdrachteiyk  gezegd  van  de  wereld,  het 
vleesch,  de  zonde,  den  duivel  enz.  ||  Van  den 
viant,  die  tallen  stonden  mi  anevacht  met  feilen 
souden,  Amand  II,  3842.  Van  Sinte  Stevens  een 
clusennersse  had  groet  aenvechten  ende  grote  persse 
van  sware  coringen  diese  aenvacht,  Lutg. 11, 1632. 
Die  alle  aenvechten  conste  wederstaen,  met  rechte 
droughe  hi  dat  palmerfjs,  Belg.  Mus.  5,  360,  35. 
Saken,  die  mi  self  anvechten.  Rein.  11,7734.  Den 
viant  .  .  ,  want  hise  aenvacht  ende  quelde  gereed, 
Littg.  II,  615.  Als  mi  die  viant  aenvecht  met  sijnre 
behendicheyt ,  soe  bescermt  hi  mi  mit  sijnre  oet- 
moedicheit.  Als  mi  die  werlt  anvecht  met  hare 
ghiricheyt,  soe  bescermt  hi  mi  mit  s^nre  armoede. 
Als  mi  m^n  vleisch  anvecht  mit  sgnre  boser  lust, 
soe  bescermt  hi  mi  mit  sijnre  bittere  pinen , 
Stemmen  135.  Dat  dye  vyant  die  heyligen  anvecht 
overmits  die  wyven,  Ptus.  W.  bba.  Vecht  u  ane 
onkuscheit,  die  verdrift  met  arbeide  .  .  ,  vecht  u 
ane  toren,  die  verdrift  met  gutheide,  vecht  u  ane 
ongedout ,  die  verdrift  met  gedout.  Wat  ondogeden 
u  anevicht ,  die  verdrift  met  dogeden,  Xtm*.  Serm.  86c. 

AENVECHTERE  {aenvechter,  ook  aenoichter), 
znw.  m.  Mhd.  anevêhtare.  Zie  Aenvechten.  Aan- 
valler, aanrander,  bepaaldelijk  van  den  persoon, 
die  een  gevecht  begint  ofer  aanleiding  toe  geeft.  || 
Den  anvichter  ende  alle  sine  helpers,  Handv. 
V.  Delft,  bij  MeyUnk,  Delfl.  Bijl.  52,  24  («. 
1246).  Worde  yemant  angevochten  ende  dair  niet 
verby  en  mochte ,  hy  en  moste  hem  verweeren ,  soe 
sonde  dat  weezen  sonder  enyghe  bueten  te  ver- 
bueren,  al  waret  dat  hy  int  verweeren  den  an- 
vechter  quetste,  O.  K.  v.  Delft  II,  10,7.  H^rtoe 
zei  die  aenvechter  voer  zijn  brueken  onser  stat 
te  beterlnge  geven  V™  steens ,  B.  v.  Utr.  1 ,  323 , 
2.  Soe  wie  vecht  tusschen  den  tween  brucgen  . . , 
so  sel  die  aenvechter  des  selven  dages  byder  son- 
nen  opt  vleyshuis  gaen  ende  daeropbliven,a^.  4. 
Soe  wie  den  aenvechter  aenbrengt . . . ,  die  zeil 
daer  of  hebben  dat  v^ftedeel  van  den  koeren, 
ald.  324,  5.  Diesel ve  aenvechter  oft  quaetdaeder 
met  synen  helper  die  sullen  wesen  in  onsen  ghe- 
welt,  Handv.  v.  Water l.  7  a.  Van  den  anvechters 
die  tegen  mi  oprisen,  verlosse  mi,  Heer,  Dial. 
Creat.  32rf.  Den  aenvechter  ofte  geweldenaer, 
Handv.  v.  Enkh.  10  *,  vgl.  Handv.  v.  Alkm.  7  *. 
Die  voirs.  smerte,  by  aen  voirs.  anevechter  ge- 
daen ,  sal  gebetert  worden ,  den  verwerrer  .... 
vierscatte;  ende  die  verwerrer  voirscreve  van  der 
smerten,  die  hy  doen  sal,  den  aenvechtere  sal  dat 
beteren  eenscatte,  Priv.  van  Brielle  88,  21  {a. 
1477).  Die  alle  anvechtere  can  wederstaen,  met 
rechten  dracht  hy  palmen  rijs,  Lett.  N.  W.  6* , 
99.  In  de  variant  (Belg.  Mus.  5,  360,  aangeh.  op 
Aenvechten)  staat:  aenvechten.  —  Ook  van  den 
duivel.  II  Doe  quam  die  temptiere  of  die  aenvechter 
tot  hem,  Hs.  Evang.  Matth,  4,  3. 

AENVECHTINGE ,  znw.  st.vr.  Zie  Aenvechten. 
Aanval ,  bestrijding.  Mnd.  anvechiinge.  jj  Omme 
te  weren  ende  te  wederstane  alle  crot,  crgch, 
viantscap  ende  aenvechtinge ,  Brab.  Y.  Dl.  2, 
bl.  707  (a.  1403).  Sy  hebben  groote  anvechtinge 
gehad  van  grooten  oorloge  tegen  dat  Sticht  van 
Utrecht,  Matth.  Anal.  1 ,  67.  Een  onvervaert  Prince , 
die  syn  lant  merclic  bescermde  tiegens  der  Denen 
aenvechtinge ,  3 ,  58.  Dat  hi  mi  voert  alle  broeken , 
sculden ,  beclaech  ende  anvechtinge  vergeven  wille , 
Prosa-Rein.  33  v. 


183 


AENV. 


AENV. 


184 


AENYëëRDEN,  Aenveerdigen.  Zie  Aenvaer- 

DEN,  AeNVAERDIGEN. 

AENVERDEN,  AENVEBDIGEN.  Zie  Aenvaer- 

DEN,   AeNVAERDIOEN. 

AENYEBEBYEN,  ew.  ww.  onz.  Met  den  Sden 
DT.  Van  goederen  of  rechten  gezegd.  Enen  — , 
iemands  eiffendom  worden  door  erfenit^  op  iemand 
bij  erfenis  overgaan.  Hetzelfde  als  Aen erven  onz. 
(zie  ald.).  |j  Mit  allen  anderen  erffenissen  ende 
gneden , .  . .  fl;elijck  hoen  die  ainyererfft  ende  ver- 
storven moghen  sQn,  Nijh.  4,  352  (a.  1464). 
Welc  gheestelic  mensche ....  dien  enich  erve , 
hnsinghe,  rente  of  erftins  anverervet  wort  binnen 
onser  stad  vriheit,  Stadr.  v.  Zwolle  153,  276. 

AENVERSIEN  {versacht  versagen^  vertien)^%i.  ww. 
bedr.  Janxien,  \\  Als  hi  dien  anversach ,  die  ziele , 
die  in  hem  lach ,  versmalt  van  jammere  alte  male , 
Franc,  447. 

AENVERSOEBLEN  {vertochte,  vertocht),  onreg. 
z  w.  WW.  bedr.  Enen  iet  — ,  iett  van  iemand  Moeken 
te  verkrijgen.  Verg.  Aensoeken.  ||  Daerom  sal 
dieghene ,  diet  gheleide  anversocht  wordt ,  loftocht 
van  sinen  vrienden  hebben,  Matth.  217.  — Enen 
lande  recht  aneversoeken,  rechten  er  op 
doen  gelden.  \\  Dat  Lothar^s  ewelikeverswoerLoreine 
ende  Lothrike  ane  te  versoekene  enich  recht,  ^ra^. 
F.  II,  5682  (var.  ane  te  soekene). 

AENVERSTERVEN  {verstarf,  verstaerf  of  ver- 
sterf'^ verstorven \  verstorven)^  st.  ww.  onz.  Met 
den  3den  nv.  des  persoons.  Enen  — ,  iemands 
eigendom  worden  door  het  sterven  van  een  ander  ^ 
door  versterf  op  iemand  overgaen\  ook  Aensterven 
(zie  ald.),  en  Aenbesterven ^  welk  laatste  nog  in 
gebroik  is,  vooral  in  het  deelw.  aanbestorven.  Zie 
Ned,  Wdb.  \\  Ende  al  dat  mi  verstaerf  oec  an , 
gavic  minen  broederen  dan,  Sp.  I',  32,  17.  Of 
jemene  erfnisse  anvorstirft  ende  vnrvelt,  iZ.  v.  Zutf. 
17,  56.  Want  Scotlant  was  hem  anverstorven ,  Stoke 
IV,  796  (varr.  angestorven  en  anbestorven). 

AENVESTEN,  zw.  ww.  bedr.  Zie  Vesten.  Hd. 
anfesten, 

1)  Eigenlijk.  Vastmaken^  vasthechten  ^aanhechten. 
il  Die   vloere  .  .   waren   aengevestet  .  .,  dat  die 

ene  plancke  an  den  anderen  ^clQi^^Ned.Froza  105.  Als 
die  doeme  aengevest  wart,  Hs.  Ps.  3bv.  Die  armen 
(van  Chriitiu)  nutgerect . .  die  handen  doerboert . . , 
aie  side  geopent  . . ,  dat  aenvesten  der  voeten  enz. 
Boeck  V.  d.  L.  J.  287^. 

2)  By  uitbreiding.  Iet  — ,  iets  euin  zich  verbin- 
den^ het  zich  aanhechten ,  dns  zich  toekennen,  zich 
toeschrijven,  aannemen.  \\  Die  meesters  name  ane 
hevet  gevest,  Sp.  II «,  87,  60.  —  Met  den  3den 
nv.  Enen  aengevest  sijn,  aan  iemand  verbon- 
den zijn,  hem  aankleven.  \\  Want  di  hier  onlanghe 
staet  te  levene,  du  die  stervelic  best,  ende  dates 
ons  allen  anghevest,  Amandl,  4323.  Wanttn  ster- 
velijc  best  dat  ons  allen  es  anegevest,  Sp.  W , 
23,  45.  (God)  Die  altoes  dien  in  hulpen  best,  die 
di  bi  minnen  ane  sijn  gevest,  II',  35,  75. 

AEN  VESTIGEN,  zw.  ww.  bedr.  Hetzelfde  als 
AENVESTEN.  Ferbinden,  Met  den  3den  nv.  en  vooral 
in  't  pass.,  dus:  Verbonden  sijn  met.  \\  Om  grote 
perikels  wil  datter  in  verholen  is,  ende  mede  om 
grote  difficulteit,  die  hem  aengevesticht  is.  Fase. 
Temp,  Iv.  Dat  die  plant  is  der  aerde  aengevesticht , 
Barthol.  516a. 

AENVIERDIGEN.  Zie  Aenvaerdigen. 

AEN  VLECHTEN,  st.  en  zw.  ww.  bedr.  Slechts 
in  het  pass.  ingebruik.  Iet  is  eenre  dinc  ane- 
gevlochten  (of  -gevlecht),  iets  is  om  iets  heen 
gevlochten;  in   fig.  opvatting:  het  is  nauw  met  iets 


verbonden.  \\  Der  sielen  eist  (tfleesch)  anghevlecht , 
Wap.  Bog.  771. 

AENVILTE,  znw.  m.  Limburgsche  dialectvorm 
voor  aenbilt  (zie  ald.).  Aanbeeld.  ||  Danvilte  dar 
dese  crone  op  gesmeet  wart,  lAw^b.  Serm.  199a. 
Danvilte  des  smets,  ald. 

AENVLEYEN,  zw.  ww.  onz.  Hd.  anfehen, doch 
in  gewyzigde  beteekenis.  Met  den  3den  nv.  des 
persoons.  Enen  — ,  iemand  vleiend  naderen,  met 
vleierij  bejegenen.  \\  Alse  di  die  aventure  es  hout, 
80  vleyt  di  an  weilde  ende  gout,  Sp.  I*,  56,  23 
var.  (in  het  hs.  verkeerdelijk :  die  an).  In  het  teksths. 
luidt  het  tweede  vers  aldus:  „so  wast  die  ane 
selver  ende  gout."  Geen  der  beide  lezingen  is  in 
orde,  want  noch  de  ééne  noch  de  andere  geeft  de 
woorden  terug  van  Ovidius:  ^Indelibatas  euneta 
sequuntur  opes^  De  Vries  {Mnl.  Wdb.)  verbetert 
dan  ook  de  lezing  der  variant  aldus:  „So  vleit 
di  an  jone  ende  out,*^  waardoor  de  woorden  van 
het  origineel  worden  weergegeven.  Hoe  het  ook 
zQn  moge,  de  variant  bewijst  het  bestaan  van 
aenvleien,  omtrent  welks  beteekenis  geen  twgfel 
kan  bestaan. 

AENVLIEN  {vlo  of  vlce,  vloen,  gevloen),  st. 
WW.  onz.  Zie  Vlien  en  verg.  Aencomen  3),  Aen- 
RiDEN  3)  en  4),  enz.  Met  den  3den  nv.  des  per- 
soons. Enen  — ,  tot  iemand  vlieden ,  zijne  toevlucht 
nemen.  \\  Paeus  Leo  hevet  versien,  dat  menne  ver- 
raden wille  mettien,  ende  vlo  den  kevser  an,  Sp, 
IV»,  20,  39.  Vinc.  y,ad  imperatorem  fugU.'' 

AENVOEREN  (aenvueren^,  zw.  ww.  bedr. 

1)  Iet  — ,  van  kleederen  of  wapenen  (ook  wa- 
pens), met  zich  voeren,  dragen  aan  het  lijf,  aam^ 
hebben.  \\  Alse  hy  thuys  weert  gaen  wil,  die  te 
voet  gaet,  hi  sal  sijn  wapene  op  sinen  hals  dragen , 
sonder  aendoen,  tot  buyten  der  vryheit  Ende  die 
rijdt  thuysweert,  hy  machse  aenvoeren  rgdende. 
Keur  van  1342,  in  Belg.  Mus.  1,  250  {Keur  v. 
1361,  ald.  7,  296:  aenvueren).  Een  ridder  .  .  die 
Lanceloet^  wapene  vorde  an ,  Lanc.  II ,  1667.  Oec 
voerde  die  ander  man  des  conincs  Arturs  teken 
an,  Mor.  1025. 

2)  Met  den  3dennv.  Enen  ere  stat — ,ieaumd 
naar  eene  plaats  voeren,  hem  ergens  heenbrengen.  \\ 
Om  dat  huerden  si  desen  verman ,  dat  hise  voerde 
Bertangen  an,  Lanc.  III,  18037. 

3)  Iet  — ,  het  beheer  over  iets  voeren,  het  be- 
heeren.  \\  Dat  die  stat  van  den  Grave  den  toU 
mitten  renthen  ende  thienden  . .  nu  ter  stont  voirtaen 
aenvueren ,  heffen ,  boeren  ende  truwelich  verwaeren 
sullen,  Nljh.  5,  77  (a.  1477). 

4)  Wederk.  Hem  — ,  zich  brengen  tot,  sicJk 
stemmen,  zich  opwekken.  \\  (De  haan)  slaet  sgn 
vedren  dan,  als  die  hem  te  sanghe  vort  an,  iVio/. 
BI.  III,  1967  var.  (andere  var.  weet  an). 

AEN  VOLGEN,  zw.  ww.  onz.  Van  Volgen,  oud- 
tijds verbonden  met  het  voorz.  aen  (vgl.  nog  ons 
daaraanvolgende),  gelijk  thans  met  op :  ziebg  Volgen. 

1)  Absoluut,  zonder  vermelding  van  den  persoon 
of  de  zaak,  waarop  iemand  of  iets  volgt.  Volgen^ 
achtemakomen.  \\  Alst  hier  volget  an,  Sp,  lY'  , 
50 ,  5.  Gedeon  leet  die  Jordane ,  ende  volgde  met 
CCC  ane,  Rijmb.  7619.  Maer  doe  si  dat  sonden 
beghinnen,  quam  dat  volc  van  Chanaan  ende  van 
Amalech,  ende  volgden  an,  ende  sloeghense  ende 
daden  hem  pine,  5738.  Trecter  enech  achterwaert 
.  .  so  roept  hi  dan  ende  troestse  datsi  volghen 
an.  Nat.  BI.  III,  1906.  Daer  quamen met gevolget 
an  die  graven,  die  laatsheren  tsamen,  Grimb.  II, 
1371.  Doe  ghingcn  vliegheu  die  heydine,  entie 
inghelen  volgheden  an,  Segh.  10522.  —  Gewoonl^k 


485 


AENV. 


AËNW. 


186 


echter  ging  Aenvolgen  vergezeld  van  den  3den  nv. 
des  persoons,  en  wel  in  verschillende  opvattingen, 
naar  gelang  van  het  oogmerk,  waarmede  men 
iemand  volgt;  t.  w. 

2)  Enen  — ,  iemand  volgen^  acktemagaan.  Lat. 
tequi^  insequi.  \\  Vaert  voren  dan,  ende  ie  sal  n 
volgen  an,  Lanc.  II,  200.  Volgt  hem  an,  ende  of 
hys  noet  hevet,  helpt  hem  dan,  II,  265.  Niet 
lange  daer  na  volgedic  hem  an,  daer  hi  eens  ter 
kerken  ginc,  Sn.  III  ^,  39,  4.  Ende  es  te  scepe 
waert  gegaen ,  daer  hare  anevolgeden  saen  broedere, 
swagre  ende  mage  ende  kinder  met  groter  clage, 
III*,  26,  86.  Onse  Here  die  ginc  dane,  ende 
Pieter  volgedem  ane ,  Bijmb.  27029.  Sinen  hanghe- 
man ,  de  hem  altoes  volghede  an ,  Stoke  Y 1, 1060. 
Daer  toe  volchde  hem  menich  man  van  sgraven 
LodewQcs  lieden  an,  VI.  Rijmkr.  9688.  Dat  hi  hem 
anvolghen  sonde,  Lane.  II,  28556.  So  volghet  hem 
dat  dier  dan  an,  Nal.  BI.  lY,  112. Dits Amijs,die 
mi  volget  an,  mün  geselle,  i^.  III*,  80,  64.  Die 
van  Israël  volgden  hem  ane,  Bijmb.  7276.  Wel 
XXX"  man  .  . ,  die  hem  volgden  an ,  27393.  Menech 
ander  volchdem  an ,  29645.  Een  sgn  onecht  volgedem 
an,  Yelth.  II,  41,  4.  Dapperlike  volget  mi  an, 
lY,  30,  31.  Mgn  heer  Jan  volgde  hem  ane,  Orimb. 
I,  3666.  Ende  volgede  den  riddre  an,  lAmb,  YI, 
1967.  Meer  dan  dertich  hondert  man  volgheden 
Segheline  an,  Segh.  7196.  S^n gheselschip  volghde 
hem  vromelic  an,  Cron.  v.  Flaend.  2,  2. Denman, 
die(n)  dit  ghewerke  volghet  an,  Amand  I,  1089. 
—  Ook  van  het  volgen  met  vijandige  oogmerken, 
b.  V.  II  Daer  volgeden  hem  die  Goten  ane . .  ende 
hebbense  echt  danen  geslegen,  Sp.  III',  17,  63. 
Ie  neme  best  XII>'  man,  ende  volghe  dinen  vader 
an:  hi  es  moede,  ie  salne  ontliven,  Bijmb.  10466 
var.  Alse  hem  die  heeste  volghen  an ,  werpen  sise 
in  den  weghe  ghint.  Nat.  BI.  II,  3630.  Yandaar 
de  overgang  tot  de  gewijzigde  beteekeuis,  t.  w. 

3)  Enen  — ,  iemand  9^90^^}», soms  met  wegla- 
ting van  het  obj.  Lat.  persequi.  ||  Nochtan  di^en 
hem  tien  tiden  swaerre  torment  die  Arriane,  die 
hem  met  vlite  volgeden  ane,  !^.  III*,  40,  60. 
Donaet,  spare!  twi  volgestn  mi  an  so  sware?  II*, 
33,  38.  Ende  volgeden  met  here  ane,  I*,  60,  19. 
Vloe  hi  ende  ie  volgede  an,  I*,  27,  18.  Dattem 
die  Fransoyse  volgeden  ane,  III*, 83, 29.  Yaren  wi 
jegen  die  ons  volgen  an,  II*,  27,  61. 

4)  Enen  — ,  iemand  navolgen.  Lat.  imiiari.    || 
Dese  sant  hadde  so  groten  gare  om  te  sine  martelare, 
dat   hi   den  martelars  volgede  ane,  Sp.  II*,  48, 
129.  Edesins,  die  heilege  man,   wert  pape  ende 
volgede   an   Frnmentinse,   II*,   61,   95. 

6)  Enen  —  ,  iemand  opvolgen.  Lat.  sueeedere.\\ 
Hyrcanus  die  volgede  hare  an,  haer  sone,  S^-l*, 
62,  30. 

6)  Enen  — ,  iemand  volgen^  acAtemalocpen ^  sAa 
aanhanger  of  gnnstbejager.  Lat.  atteetari.  \\  Dan 
selen  alle  die  Joden  nn  an  desen  geloven,  secgic 
n,  ende  selen  hem  volgen  ane,  Yelth.  YIII,  6,9. 
Bie  dus  den  riken  volgen  an,  meenen  den  roof 
ende  niet  den  man,  Sp.  I*,  48,  13. 

7)  Des  — ,  het  met  iett  een*  gijn^  zijne  goed- 
keuring schenken  aan  iett^  gijne  instemming  met  iet* 
betuigen.  Lat.  obtequi^  obteeundare.  \\  Minne  moer 
den  rechten  man  dan  eenen  dies  al  volget  an ,  Sp, 
I«,  36,  71. 

8)  Met  eene  zaak  als  ondw.  en  eene  zaak  in  den 
3den  nv.,  volgen  op^  een  gevolg y  uitvloeisel  zijn  van. 

II  Als  der  dnechden  ende  qnaetheyt  gheen  loen  an 
en  volcht,  Sehaakep.  69a. 

9)  Met  eene  zaak  als  ondw.  en  een  pers.  inden 


3ennv.,  in  eigendom  toebehooren^  iemand*  deel  zijn ^  ook 
ten  deel  vallen.  ||  Alse  hi  die  gelike  (quaet  «/.) 
verstaet  of  argere  in  anderen,  hem  dnnct  dan, 
dat  hem  die  doget  volget  an,  Sp,  II*,  74,  144. 
Den  prQs ,  die  den  helighen  man  met  redenen  ende 
met  rechte  volghet  an,  Amand  II,  6997. 

AENWAYEN,  aenweyen  {vagde^  vegde^  ge- 
wayt,  geweyf),  zw.  ww.  bedr.  Met  den  3den  nv. 
des  persoons :  Enen  wint  — ,  iemand  een ioeltfe 
aanbrengen.  Ygl.  Ndl,  ^(E^.  op  aanwaaien.  ||  (Si) 
ontletste  den  helm  saen,  ende  heeftene  hem  van 
den  hovede  ghedaen  om  dat  soe  hem  den  wint 
an  wilde  wayen,  JTal.  9839.  Dander  vloeghele  in 
dander  syde  weyder  (l.  weyde)  heme  den  wyntan, 
Serv.  I,  1913.  —  Ook  in  fignurl^ke  toepassing. 
Enen  iet  — ,  iemand  tot  iet*  brengen,  hem  onver- 
wacht* doen  komen  tot.  \\  Als  hoverde  ende  hare 
partie  den  mensche  anwayen  snlke  sticke,  dat  hi 
vergheet  de  ziele  viye,  Praet  627. 

AENW ASSEN  (une* ^  wiesen,  gewassen),  st. 
WW.  onz. 


I)  Met  eene  zaak  als  onderwerp. 
1) 


Aangroeien ,  toenemen ;  de  hedendaagsche  be- 
teekenis.  Ook  met  den  3den  nv.  ||  Dat  vier  wasset 
emmer  ane,  Sp.  III ^,  43,  4.  Ie  sal  d^n  volc  doen 
wassen  ane ,  Bijmb.  3216.  Die  boem  die  groyt  ende 
wasset  an,  Yelth.  YIII,  3,  40.  Dievmcnten  wast 
nemmer  an,  Natuurk.  1102.  Oorloghe  wies  hem 
aen,  Brab.  T.  I,  1066.  Alse  hem  sgn  rike  an 
was  gewassen,  Sp.  III',  66,  81.  Die  storm  wies 
hem  ommer  an,  Troyen  f.  253<^.  Zie  nog  Sp,  1*, 
33,  67  vgl.,  Bijmb.  29630,  Doet,  II,  2927. 

2)  Met  den  3den  nv.  Enen  — ,  iemand  aan- 
groeien, in  drieledige  opvatting,  naar  gelang  van 
het  subject. 

a)  Yan  vleesch,  vet,  uitwassen  enz.  Iemand  aan 
het  lijf  groeien.  \\  Al  dat  vette  dat  onsen  live 
anewast  overmids  voetsel  van  buten,  Ruusbr.  2, 
28.  Hi  verdrivet  oec  die  wanne ,  die  den  menschen 
wassen  anne,  Nat,  BI.  XII,  416. 

b)  Yan  hoedanigheden,  gewoonten  enz.  Iemand 
aangroeien,  en  dus  aankomen,  eigen  worden.  ||  Yan 
den  Deenen  es  hem  angewassen ,  dat  si  drinken 
sonder  gront,  i^.  lY*,  17,  60.  Die  suverhéit  fijn 
sal  mi  menechfout  wassen  ane,  II*,  2, 96.  Amand, 
dese(n)  vercoorne  man ,  was  van  joncs  ghewassen 
an,  dat  hi  plach  eene  costume  goet,  Amand  1, 
3604.  Ende  die  overmoede  wies  hem  an ,  Parth,  23. 
Dat  hem  anewies  der  vroeiscap  name,  ^.11*, 32, 
10.  Wie(n)  alle  duechden wiesen  an,.i0ia9u^  1,717; 
vgl.  n,  4276.  Die(n)  in  lanc  so  moer  gracien  wiesen 
an,  I,  3736. 

c)  Yan  goede  of  kwade  voorvallen,  ervaringen 
enz.  Iemand  aankomen ,  ten  deel  vallen ,  overkomen.  \\ 
Ende  sine  helpe  wies  hem  an,  Stoke  X,  1001.  Hem 
wies  ane  commer  ende  sorghe.  Van  ghevene  40. 
Maer  emmer  wies  hem  soccors  an,  lAmb.  IX, 
647.  Dien  altoes  wies  helpe  an,  IX,  712.  Mer 
want  Eaerlen  alt^t  swaer  orloge  aenwies,  Exc, 
Oron,  62c. 

II)  Met  personen  als  onderwerp;  t.  w.  uitslui- 
tend van  eenige  personen  gezegd,  die  te  samen 
een  min  of  meer  aanmerkel^k  aantal  uitmaken. 
Enen  — ,  zich  om  of  nabij  iemand  scharen,  hem 
omringen,  hetzn  met  vriendschappeiyke,  hetzg  met 
v^andelijke  bedoeling,  en  dus  in  tweeledige  op- 
vatting, evenals  by  Aenyallen.  Yerg.  Aenco- 
HEN,  Aentrecken  onz.  en  Aenvaren. 

1)  Zich  bij  iemand  aansluiten,  zich  aan  zijne 
zijde  scharen ,  zijne  partij  kiezen ,  en  hem  daardoor 
aangroei  van  macht  bezorgen,  Yerg.  on%  aanhangen  ^ 


187 


AENW. 


A.ENW. 


188 


aankleven,  enx.  ||  Mordreit,  syD  neye,  meiten  Sas- 
sen, die  hem  an  waren  gewassen,  Sp.  III",  29, 
71  (verg.  Ts.  16  ylg.)-  Hem  wiesen  an  dies  dages 
Yh  man,  I*,  41,  79.  Dus  wiesen  Fransojsen  kindre 
an,  80  datter  hem  ses  yolchden  mede,  franc.  1112. 

2)  Ziek  aoMluiten  tegen  iemand,  ziek  tegen  kern 
oper  sekaren,  gezamenlijk  op  kern  afkomen.  Verg. 
Aenstriden  ,  AcNVECiiTEN  enz.  II  Die  ander  baden 
genade  met  trouwen,  maer  dat  besloet  niet  een 
pere:  si  hadden  verloren  al  die  were,  want  dat 
volc  hem  anewies,  daerom  dochtense  te  mere  ver- 
lies ,  Velth.  I V ,  9 ,  14.  Oft  sake  were ,  dat  ennige 
heren  . .  mit  veden  of  mit  belege ,  Wilhem  vnrscr. , 
sgn  slot,  stat  ende  ondersaten  vurscr.,  anwy essen 
off  ayerryelen,  Ngh.  4,  73  (a.  1431). 

=  I>e  geheel  tegenstqjdige  opvatting  in  beide 
beteekenissen  is  het  natnuriyke  uitvloeisel  der 
oorspronkeiyke  mediale  kracht  van  in  grooten  getale 
oflinii^^;»,  evenals  dit  by  Aenvallen  {lai.  aggredi)  plaats 
had,  dat  zoowel  van  vrienden  als  vganden  gezegd 
wordt,  naarmate  de  handeling  met  vriendschappelijke 
of  vijandige  bedoelingen  geschiedt. 

AENWËDDE,  znw.  Het  geslacht,  dat  reeds 
twQfelachtig  is  by  het  g^ndwoord  toedde,  big  kt 
niet.  Verg.  Wedde.  Pand,  onderpand.  Te  aen- 
wedde,  te  pand,  Vgl.  het  volg.  art.  ||  Is  dat  zake , 
dat  een  burgher  goet,  dat  hem  taenwedde  gezet 
is,  besidt  sonder  wederroepen  jair  ende  dach,  K. 
en  O,  V.  Delft  256,  63  (Meylink,  Delfi.  Bijl, 
69,  61;  Mieris  1,  236).  In  het  Latgn  (t.  a.  pi. 
240;  Mieris  1,  286,  40):  „bona  sibi  titulo;D^M<?rtf 
obligata";  in  de  onde  vertaling  der  Alkmaarsche 
handvest  van  1264:  te  pande  (ald.  1,  289a). 

AENWEDDEN,  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  anwedden 
en  antoeddinge.  Hetzelfde  als  aenpanden  (zie  ald.). 
Beslag  leggen  op  {onroerende)  goederen  voor  tckuld. 
II  Die  eerve  ofte  ander  dinghe  aneweddet,  hi  moet 
hebben  twee  ervachteghe  man  te  orconden,  *  Sta- 
tuten van  Oent  (Hs.). 

AENWEGEN  {tooock ,  loogen,  gewogen),  st.  ww. 
onz.  Met  den  3den  nv.  Enen  —  ,op  iemand  vegen, 
kern  drukken,  kem  zwaar  vallen.  \\  Dat  cmys  ons 
Heren  dat  was  swaer  ende  seer  verdrietelgcken  te 
draghen  .  .  ,  gheiyc  een  haer,  niet  meer  en  salt 
ons  oeck  aenweghen,  Oesta  Rom.  f.  h6a. 

AENWEYEN.  Zie  Aenwayen. 

AENWECKEN  {wackede,  wecte ,  gewecf) ,  zw.  ww. 
bedr.  Hem  — ,  ziek  opwekken,  ziek  aanzetten  tot 
hetgeen  in  de  bepaling  is  uitgedrukt.  ||  Wilen  (^ 
wen)  bi  nachte  ende  bi  daghe  wiset  hi  (die  kane) 
met  sanghe,  ende  slaet  sine  vedren  dan,  alse  die 
hem  ten  sanghe  weet  an ,  Nat.  BI,  III ,  1968  (uitg. 
Bormans).  Vgl.  aenvoeren  4. 

AENWELVEN  (walf,  wolven,  gewo hen),  si.  ww. 

onz.   Zie   Welven,  st,  doch  dat  ook  reeds  zwak 

werd  gebezigd.  In  een  kring  ten  aanval  aanrijden. 

II  Der  heydenen  macht  is  ons  te  groot,  zy  commen 

met  hoopen  aenghewolven ,  Sacr.  642. 

AENWENSCEN,  zw.  ww.  bedr.  Iet  — ,  ieti 
voor  ziek  wetueken.  Verg.  hd.  anwünschen.  \\  Nu 
willic  anewenschen,  sprac  die  coninc  Gontier,  ie 
wildic  in  enen  sconen  woude  moeste  wesen  em- 
mermeer. Vier  Heren  Wenteken  37.  Zie  nog  ald.  66, 
89,  141  {Ori,  Qed.  2,  114—116). 

AENWERDEN,  aenworden  [wart ,  worden ,  ge- 
worden) ,  st.  WW.  bedr.  Mnd.  anwerden.  Enen  — , 
op  iemand  afkomen,  iemand  aantasten , aanvallen.  \\ 
Waert  dat  yemant ,  die  woent  buten  der  poerte 
van  Leyden ,  . . .  .  enen  poerter  van  der  stede  .  . . 
aneworde  of  anevochte  met  ghewelde, . . .  Soe 
yerleene  wi  onzen  ghemeenen  poerters  . . .  dat  si 


dien  poertier,  die  aneghevochten  es  of  aneghe- 
worden  is,  sullen  moghen  bistaen.  Mieris  2,  56« 
(a.  1306) ;  verg.  149a.  —  Ook  waar  niet  bepaald 
een  openlijke  aanval  plaats  heeft,  maar  slinksche 
middelen  gebezigd  worden.  ||  Doe  worden  si  hem 
ane   met   venine,   <^.  I*,   70,  26. 

Aanh.  Nat.  BI.  III,  1968:  „Als  die  hem  ten 
sanghe  wort  an"  is  eene  verkeerde  lezing.  Men 
leze  met  de  Var.  vort,  d.  i.  voert,  voeret  an.  De 
ware  lezing  zal  wel  voeret  zijn,  om  de  maat. 

AENWERC,  -werke,  znw.  onz.  Ags.  andpeore  en 
anveore  beide,  „matter,  material,  eause"  (Bosw. 
23,  Ettm.  94).  Bouwstof,  inzonderheid  voorhereide 
bouwstof  tot  den  arbeid,  voorwerk.  \\  Ende  sult 
weten  dat  dit  boeck  niet  gemaect  en  is  uut  wgs- 
heid  des  geens  diet  te  samen  geset  heeft,  want  hi 
daerioe  niet  gedaen  en  heeft  dan  hi  getymmert 
heeft  mit  vreemden  aenwerke,  Spiegel  der  Leken, 
in  Lsp.  Bijl.  D.,  Dl.  3 ,  bl.  343. 

AENWERP  (aenworp)  ,  -werpe  {worpe) ,  inw.  m. 

1)  Aangeworpen  of  aangeslibd  land,  aanwtu,  aan- 
spoeling. Kil.  „Aen-worp, alluvio." Verg. Aenscot 
en  Aenval  7).  ||  Anders  al  vujrtdgc ,  anewerp ,  see- 
drift ,  tolne  oft  geleede  op  die  Honte  jof  op  die  Schelte , 
Mieris  2,  128a  (a.  1312).  Heynkensant,  Ovesant, 
Amemuidesant  mit  allen  aenwerp,  die  daer  aen 
vallen  moghen ,  3 ,  636Ó  (a.  1396).  Behaudelick  onse 
here  den  hertoge  .  .  .  alre  anderre  weerde ,  sande , 
aenworp  ende  visceryen,  die  dair  nu  sgn,  offnai- 
maels  comen  off  werden  moegen,  Ngh.  1,  438  (a. 
1342).  Een  cleyn  weertken  .  .  .  mit  alle  hoeren 
toebehoren ,  anwurpe ,  zegenworp  ende  vysscherien , 
die  daer  aen  vallen  mogen,  3,  111  (a.  1383).  Een 
uutgors  .  .  .  mit  allen  den  hillen  die  daer  toe  be- 
horen, ende  mit  allen  den  aenworpen,  die  tossen 
den  gorsen  voorn,  ende  den  hillen  voors.  comen 
mach,  Deljt.  Bijl.  396  (a.  1421). 

2)  Aangeworpen  land,  dam,  krib.  ||  Omme  dies- 
wille  dat  diversche  persoonen  . . .  hemlieden  .  .  . 
vervoordert  hebben  in  de  zelve  riviere  thneren 
voordeele  te  nemene  ende  ooc  te  makene  anwoor- 
pen ,  weerven ,  pylinghen ,  platinghen,  overspronghen 
van  huusen  .  .  .  ende  andere  gnerieven  ter  benan- 
winghe  ende  verminderthede  van  den  rechten 
stroome,  Cont.  v.  Oent  680  (a.  1492);  verg.  ald. 
„  zulke  anwerpen",  en  681:  „eeneghe  anwerpen.** 

3)  Van  personen:  zij  die  de  gildebroeders  aanstek 
toevoegen,  zg  die  niet  tot  het  eigenlgke  gild  be- 
hooren  of  nog  geen  leden  er  van  zyn,  die  er  ais 
het  ware  het  aenworp  (Kil.  aenworp  =  appendix), 
aankangsel  van  vormen.  ||  Alle  brouwere  die  buten 
woenen  .  . . ,  die  sellen  anworpe  {adiecti)  wesen , 
B.  V,  Utr,  1 ,  306 ,  2.  Item  zeilen  in  desen  gilde 
mede  anworpen  wesen  alle  der  brouwer  knapen, 
die  te  brouwen  plegen  ende  gehilict  syn ,  307 ,  3. 
Dat  eyn  ygelic  onderman  in  zgnen  ghilde .  . .  den 
raide  van  der  stat  by  brengen  zeilen  alle  hoer  aen- 
worpen, die  zy  in  hoeren  gilde  hebben,  om  die 
borgere  te  werden,  317,  1.  Enige  andere  manne- 
personen,  die  in  onser  stat  woenaftich  zyn  ende 
engheen  borgere  noch  anworpen  in  enigen  gilde  en 
zgn,  ald.  3  (vgl.  2). 

AEN  WEBPEN,  aenworpen,  (warp,  waerp  of 
werp;  worpen,  geworpen),  st.  ww.  bedr.  en  ons.  Mnd. 
anwerpen. 

Bedr.  —  1)  (Enen  ofhem)eencleet  — , 
iemand  of  ziek  zelven  inderhaast  een  kleed  aan  V  lijf 
werpen,  omwerpen.  Eene  jonkvrouw  en  een  knecht 
waren  beide  „van  allen  clederen  bloet:**  ||  Metten 
selven  datse  Cefalus  sach,  ende  warp  hare  sine 
cappe  an,  Lane.  III,   16160.   Alse  Symon  Petrus 


189 


AENW. 


AENW. 


190 


dat  hoerde,  so  warp  lii  eoen  rocane,  want  lii  bloei 
was,  Lev.  v.  J.  e.  241. 

2)  Enen  iet  — ,  van  verschillende  zaken  megd, 
het  zóó  werpen ,  dat  het  aan  iemand  blyft  kleven ; 
Aet  op  iemand  toerpen,  hem  aantorijüen^  of  wel, 
het  iemand  aandoen^  het  hem  bezorgen,  \\  Dat  ie  bi 
der  lust,  die  ie  can,  den  coninc  warp  enen  wille 
an ,  dat  hi  voer  jaghen  in  Ardenoys ,  Farth,  837. 
Dijn  verwgt  ende  dine  schame  hevet  hi  gesien 
ende  dine  mesqname,  die  men  di  tonrechte  warp 
anne,  -Sj?.  !•,  29,  16. 

3)  Enen  let  — ,  iemand  plotseling  tot  iets 
brengen^  er  hem  toe  drijven.  \\  Doe  die  in  love 
syn  aenropen  verhief,  soe  warp  hi  Oorglas  ridderen 
die  vlucht  an,  D,  B.  II  Maeeab.  12,  37. 

4)  Enen  — ^  iemand  aanzoeken^  eigenlek  aan- 
klampen^ aan  boord  komen.  Verg.  hd.  anwerfen 
(Grimm,  D.  Wtb.  1,  620,  en  vooral  Diez,  ïfdb. 
op  Luther  1,  107).  ü  Had  ie  woert  in  mighehat, 
ie  hadda  dicke  in  alre  stat  di  aengheworpen  ende 
ghebeden,  .  .  dattu  mi  hads  vergheven  sonde, 
OVL  Oed.  3,  134,  299. 

0N2.  —  Aanslibben^  aanwasten.,  van  land.  Zie 
Aenwerp.  II  Die  erfnesse,  ghediket  ende  onghe- 
diket,  die  daer  nu  es  of  emmermeer  aneworpen 
mach  buten  den  ouden  Zwene,  Oor  kb.  2,  206tf 
{a.  1282\  Alle  dat  ambacht,  dat  wy  hebben  in 
Westbarfant,  .  .  met  alder  schonnesse,  die  hem 
toecommen  magh,  of  commen  is,  of  aen werpen 
mach.  Mieris  2,  124a  (a.  1312). 

6)  Van  iemands  land  of  erf.  Ook  met  den  3den 
nv.  des  persoons.  Enen  lant  (erve,  huse) 
aenwerpen.  jffy  gemeensehappelijken  eigendom 
iemand  noodzaken  tot  overneming  tegen  taxatie  van 
het  hem  niet  toebehoorende  gedeelte.  Zie  aenbrin- 
OEN  11)  en  de  daar  genoemde  plaatsen.  ||  Soo 
wie  by  den  anderen  gelant  is  mit  meere  lande, 
die  mach  den  anderen  offrnden  oft  an  werpen 
ander  halve  hondert  lants  off  daer  beneden  .  .; 
maer  weduwen  ende  weesen  machmen  geen  lant 
anwerpen  of  offryden.  .  .  Soo  wie  aen  een  huys 
off  an  een  hoffstede  heeft  een  vierendeel  off  daer 
beneden,  soo  wie  dat  begeert,  die  mach  ofl^den 
tot  des  rechters  seggen,  off  oock  mach  hy  an- 
werpen tot  des  rechtes  seggen ,  uytgeseyt  weduwen 
ende  wesen;  desgeiyx  en  sullen  weduwen  ende 
weesen  oock  niemants  huyse  off  erve  ofry  den  noch 
anwerpen,  O,  K,  v,  Enkh,  20,  98  en  99. 

*  AENWERVEN ,  verkeerde  lezing  by  Ngh.  1 , 
113  voor  antwerden  (zie  ald.). 

AENWETEN,  onreg.  st.  ww.  bedr.  Slechts  in  de 
uitdr.  Enen  ondanc  an  weten,  iem,  iets  kwalijk 
nemen  f  hetzelfde  als  ondanc  weten  (z.  weten.)  || 
Ie  ne  does  niet,  bi  mire  waerheide;  gi  souts  mi 
ondanc  weten  an,  Lane,  II,  6664. 

AENWEVEN,  st.  ww.  bedr.  {waf,  geweven). 
Inweven,  nl.  in  een  doek ,  eene  stof ,  \\  Ander  beesten 
ende  ander  worme  van  so  wonderliker  vorme  stonden 
ghinder  angheweven,  Alex,  V,  998. 

AENWIJS  (annewijs),  znw.  vr.  Y&n  Jenwisen, 
De  bet.  is  niet  duidelgk  en  ook  het  vr.  geslacht 
baart  verwondering,  doch  vermoedeiyk  zal  de  be- 
doeling zün:  eene  geldsom  (yg\.  bewijs  en  be- 
wisen)  of  althans  de  aanwijzing  eener  geldswaarde , 
uit  welks  renten  eene  bepaalde  uitkeering  geschie- 
den kan,  zooals  in  het  hier  beschreven  geval  door 
erfgenamen  in  de  zyiinie  schynt  te  moeten  ge- 
schieden. Ygl.  AENWisEN  3).  II  Waert  dat  deene 
broeder  storve  zonder  wetachtighe  gheborte,  soe 
soude  dandere  naer  syns  broeders  doot  die  tiende 
yersoeken   met  eenre   annewys,   die  hi  met  eren 


gheven  mochte  binnen  twee  maanden  daer  naestco- 
meude  aen  ons  selven.  Mieris  2,  124<k  {a.  1312). 
AENWILLEN    (wil  of  wilt,   woude,  getoilhf), 
onreg.  ww.  onz.  Met  den  3den  nv. 

1)  Enen  — ,  iemand  te  lijf  willen.  \\  Allen 
dieren  wil  si  {de  vlieg)  bh,  ende  alre  bontste  byt 
si  den  man.  Nat.  BI,  Vil,  740. 

2)  Ere  dine  — ,  iets  begeeren,  er  mede  te  maken 
willen  hebben.  \\  Een  die  mensch  is  ende  man  ende 
emmer  wil  der  lieften  an,  MLoep  II,  2336. 

AEN  WINDEN  {want,  wonden,  gewonden),  st. 
WW.  bedr.  Verg.  Bewinden  en  zich  onderwinden, 
Mnd.  anwittden, 

1)  Opwinden,  een  dak  b.  v.,  met  een  windas 
omhoog  brengen.  \\  Van  dat  hy  mit  hem  anderen 
die  loedze  aenwant,  die  van  der  mner  gesegen 
was  mit  bussen  (?),  Rek.  d.  Buurk.  72. 

2)  Hem  iet  — ,  eig.  iets  aan  of  om  zich  winden , 
d.  i.  ^  zich  in  wikkelen,  insteken,  derhalve  er  zich 
mede  inlaten,  bemoeien.  \\  Maer  van  soenen  noch 
van  vrede  en  wonde  hi  hem  niet  (d.  i.  niets)  ane- 
winden,  Heelu  2667. 

3)  Hem  ere  dine  — ,  iets  aannemen,  ||  Soltwy 
van  beyden  partyen  macht  hebben ,  datse  to  samene 
gaen  und  loven  in  trouwen . . ,  datse  sich  aennemen 
und  anewinden  der  breve  van  eersten  compro- 
misse,  Mieris  2,  366a  {a,  1326). 

AEN  WINNEN  {wan,  wonnen,  gewonnen),  st. 
WW.  bedr.  Mnd.  anwinnen. 

1)  Winnen,  verwekken,  van  kinderen.  ||  Cen- 
tauroen syn  ghewonnen  ter  werelt  an  van  den 
beesten  ende  van  den  man.  Nat,  BI.  I,  124. 

2)  Enen  iet  — ,  van  iemand  iets  voor  zich 
zelven  winnen  in  den  strijd,  het  op  hem  toinnen, 
veroveren,  het  hem  af  winnen.  \\  Daer  beghincse 
op  een  velt  de  Keyser,  ende  wan  hem  an  haer 
scepe  ende  menighen  man,  Stoke  I,  66.  Daema 
wan  hi  borch  ende  grachte  heeren  Janne  van 
Blaesvelt  aen  met  machte,  Brab.  T,  YI,  7819. 
Ende  hadde  hem  die  porte  wel  nare  al  vechtende 
aengewonnen  dare,  YI,  8193.  Die  coninc  van 
Oest  .  .  wint  hem  an  van  sinen  volke,  ende  ver- 
slaan vele  sal  hys  ende  oec  vaen,  Yelth.  YII,  9, 
62  (vere.  Vaniel  11,  11 — 12).  Daer  om  besat  die 
coninc  dat  casteel  ende  stormdet  an  .  .,  so  dat 
hi  den  casteleyn  die  voirpoirte  anwan,  Clerc  97. 
—  Uit  enkele  der  voorbeelden  biykt  ten  duideiykste 
dat  de  3de  nv.  niet  den  persoon  aanwgst  die  iets 
voor  zich  zelven  wint,  maar  den  persoon  euin  of 
op  welken  men  iets  wint,  wien  men  iets  o/wint. 
Even  als  men  zeide  iet  toinnen  aen  enen ,  gebruikte 
men  ook  in  denzelfden  zin:  enen  iet  aentoinnen, 

3)  Enen  iet  — ,  iets  van  iemand  winnen  of 
verkrijgen,  t.  w.  eene  bekentenis,  dus  zooveel  als: 
het  hem  doen  bekennen,  afdwingen.  \\  Alsoeenlasic 
niet  van  minnen,  alse  gi  mi  nu  ane  wilt  winnen, 
datmen  iemenne  sonde  haten,  Eose  6633  (var.  C. 
wilt  doen  bekinnen), 

AENWINNINOE,  znw.  vr.  Hetzelfde  als  saem- 
winninge  (zie  ald.)  Boedelgemeenschap,  \\  Alsoo  man 
ende  wyff  te  saemen  in  echte  gaen  sitten,  soo  is 
de  vrouwe  uytter  aenwinninge  van  vader  ende 
moeder  ende  broeder  ende  suster  ende  gaet  met 
den  man  syn  vrenden  in  aenwinninge,  nochtans  sal 
sy  eens  uytgeboelt  syn  van  haer  olders  goet  by 
vrende  raet.  Racer  4,  232.  So  nemen  de  kinder 
elck  syns  moeders  goet  ende  blyven  mitten  vader 
in  an  winninge,  234. 

AENWISEN  {wisede,gewiset,  of wijsde , gewijst)^ 
zw.  WW.  bedr.  Zie  Wisen.  Mnu.  anwisen, 

1)   Aanwijzen,   verkondigen,    voorspellen.    \\   Dat 


191 


AENW. 


AER. 


d92 


gradael ,  dat  ie  noemede  eer ,  dat  betekent  ons  noch 
meer,  hoe  dat  die  goede  sente  Jan  mede  wijsde 
Cristum  an,  Bed,  d.  M.  408. 

2)  Ondenoijzen,  \\  Ie  sal  hem  also  binnen  ses 
jaren  leren  ende  aenwisen,  dat  hi  also  veel  con- 
nen  sal  als  ie  ende  alle  m|jn  ghesellen ,  Seven  W.  2r. 

3)  £nen  iet  — ,  ieU  atM  iemand  hij  rechterlijke 
tiiUpraak  toewijzen.  Van  Wisen  als  reehtsterm, 
waarvan  ons  gewijsde.  \\  Saeu  daer  na  staerf  conine 
Edwi,  ende  om  sine  mesdaet  wart  hi  den  vianden 

fhewiset  ane,  Sp.  IV*,  14,  43.  Voert  soe  wie 
en  aenspreecker  wederseyde  in  pandinghe  ende 
hem  dat  scepenen  anwysden,  verbuerde  VI  j^,, 
O.  K.  V.  Delft,  I,  10,  16. 

4)  Aanwijzing  van  betaling  doen,  fondsen  aan- 
wijzen ,  waaruit  de  betaling  geschieden  kan ,  ygl.  Kil. 
aenwisen,  Assignare.  Vgl.  assignatie  d.  i.  order- 
briefje.  II  Als  ¥ry  .  .  volle  bewisinghe  hebben  .  . 
van  den  X**  flor.  sjaers,  die  ons  onse  neve  van 
Heneganwe  aenwijsde,  Brab.  Y.  Dl.  2,  bl.  660 
{a.  1368). 

AENWISPELSTAERTEN  (aenwispelsteer- 
ten),  zw.  WW.  onz.  Met  den  3den  nv.  Enen  — , 
iemand  aankwispelen ,  kwispelstaartende  aanhalen.  \\ 
Als  op  mijn  schouder clopt een  heer,  .  .ende my  een 
non  biet  naren  mont ,  ende  my  aenwispelsteert  een 
hont,  so  heb  ick  noch  gewonnen  noch  verloren, 
maer  blijf  ak  ick  was  te  voren,  Matth.  Anal.  3, 
664. 

AENWORP,  AENWORPE,  AENWORPEN.  Zie 
Aenwerp,  Aenwerpen. 

AEP,  znw.  m.;  vr.  Ajnnne\  mhd.  aj^e\  mud.  ape, 
hd.  af  e ;  vgl.  verder  Grimm ,  Wtb.  1 ,  182  ;  Ndl.  Wdb. 
op  AAP,  enhier  AKFE.  De  gewone  bet.,  \tX.simuis, 
simia.  Daar  naast  komt  mnl.  voor  s{c)imminkel , 
(z.  ald.), verbasterd  uit  «{inü(»«</a,  oi^s scharminkel.  \\ 
Mertnn  die  aep.  Rein.  II,  4411.  Een  groot  aep 
(onz.  ?)  6612.  Vrou  Rukenau  .  .  . ,  Reinaerts  moeie , 
die   apinne,   4726.    Zoo  ook  6779  e.  e. 

AER,  znw.  m.,  oorspronkelijk  van  de  zwakke 
verbuiging,  doch  mnl.  gewoonlijk  sterk  verbogen 
{des  aers,  den  are,  mv.  die  are).  Aan  de  zwakke 
verbuiging  herinnert  de  jongere  afgeleide  vorm 
Aren  of  Aern  (zie  ald.  en  verg.  Aerne),  waar- 
uit het  hedendaagsche  Arend.  6oth.  ara]  ohd.  aro; 
mhd.  ar\  alle  zwak  verbogen.  Het  woord  leeft  nog 
voort  in  adelaar,  d.  i.  adel-aar.  ||  Want  hi  vloech 
hem  allen  boven  den  ewangelistisn  daer,  rechte 
alse  doet  die  aer  boven  andere  vogele,  Tst.  Bl. 
748.  Hier  up  sal  vlieghen  de  edel  aer,  die  hoeghe 
anstaret  der  sonnen  licht,  Belg.  Mm.  6,  360,  41. 
Mijn  herte  dat  vlieght  gheiyc  den  are  boven  alle 
yronwenminne,  Glor.  178  (en  418).  Noit  men  van 
gheenen  so  stouten  en  sprac,  hine  wart  ghevelt 
ghelyc  den  are,  O VI.  Lied.  en  Oed.  447,  185. 
Die  aer,  den  aer,  erande  aer.  Nat.  Bl.  III,  240, 
118,  227  (uitg.  Bormans).  Een  leu  ende  een  aer, 
Hein.  Naber,  384,  2.  Biden  aer,  ald.  21.  Van 
der  locht  quam  eyn  aer,  Serv.  I,  1903.  Doe  von- 
den sy  den  aer  over  Sinte  Servaesswevende,  1930. 
Den  are  danne  dryren,  1937.  Des  aers,  Ruusbr. 
2,  128.  Die  are  {meerv.),  L.  v.  J.  e.  199.  Sente 
Jan  de  ewangeliste,  die.  .  .  sonderlinge  geiyc  es 
den  vliegende  are,  ald.  c.  1.  Wie  dat  har  sinte 
Jan  Ewangelista  oppebarde  in  eens  ars  gelike, 
Lutg.  I ,  c.  16  Tit.  Hi  gelfjct  den  edelen  mt,  adelaar, 
die  sonder  wiken  scouwet  ende  staert  in  die  claerheit 
der  sonnen,  Ruusbr.  6,  141.  —  Bg  Heelu  7073  on- 
juist in  H  enkelv.  die  witte  are.  Het  moet  öf  aer 
öf  aren  wezen.  —  Ook  in  de  wapenkunde  en  als 
yeldteeken  was  Aer  in  gebruik.   ||   Want  hi  den 


aer  in  sinen  scilt  dragen  soude,  Velth.  Y,  22, 
38.  In  den  schildeken  boven  in  den  voors.  hoec 
sal  staen  eenen  aer,  ende  in  elc  van  anderen  schil- 
dekens  eenen  leeuw,  Brab.  Munt-Ordonn.  bij  V.  d. 
Chy»  1 ,  134  (zie  Plaat  XIII,  bij  Jan  IV,  n».  1). 
Die  standart  van  Rome  . .  . . ,  dar  een  guldgn  aer 
boven  stont,  Lanc.  II,  34162.  Ende  den  a«r  ge- 
velt  int  sant,  IV,  10036. 

AER  (met  de  Vlaamsche  aspiratie  haer),  snw. 
vr.  Mnd.  dr,  are.  Korenaar.  \\  Want  dat  coren 
stont  in  sine  are,  Alex.  I,  778.  Daema  aaghic 
VII  aer  vul  van  coorne,  Rijmb.  2997  var.  (tekst 
haer).  Entie  VII  idele  haer  bedieden  andre  VII 
jaer  also  hongerich,  3009.  Hem  hongherde,  ende 
si  wreven  die  haer,  ende  aten  van  den  coome  al 
daer,  23297.  Si  plocten  haer  ende  wrevense  ende 
atense,  Hs,  v.  1348,  169r. 

AER,  voor  haer,  haer.  Niet  een — ,voUtrekt 
niet,  Rijmb.  1892  var.,  34637  var. 

AER,  samentrekking  van  Ander  (zie  ald.).  \\ 
Die   een   die   sloech   hem   an   sgn  wang,  die  aer 
bespoechen,  O.  H.  Passie  17,  396. 

AER,  voor  eer.  ||  So  soude  dat  land . .  an  ons 
comen  in  alsulker  manieren,  alst  te  voren  was. 
aerd  tland  ghedget  was,  Mieris  2,  229Ó  {a.  1319). 
AERBEIDEN,AERBEIT.Zie  Arbeiden,  Arbeit. 
AERCH,  AERCHEIT.  Zie  Arch,  Archeit. 
AERD.  Zie  Aert. 
AERDBEVE.  Zie  Erdbeve. 
AERDDIJC.  Zie  Erddijc. 
AERDE.  Zie  Erde. 

AERDEN ,  ter  aarde  bestellen ,  begraven.  Zie  E  rden. 
AERDEN    (arden),   zw.   ww.   onz.   Zie   Aert 
(2de  art.)  en  verg.  Aenaerden.  Mnd.  arden.  Thans 
geaard  zijn,   den  aard  hebben,  vroeger  in  mimere 
opvatting,    voor  eene  zekere  gesteldheid ,  manier  of 
wijze  hebben.  \\  Wie  thaer  na  overmoet  doet  arden, 
het  haar  op   weelderige  wijze  draagt,  Rinel.  1122. 
AERDELIJC.  Zie  Erdelijc. 
AERDERIKE.  Zie  Erderike. 
AERDERSC,  AERDICH,  AERDICHEIT,  AER- 
DIJN,  AERDSC.  Zie  Erdsc,  Erdich,Erdicheit, 
Erdijn,  ërtsc. 

AëRDINGë,  (ardinoe),  znw.  vr.  Verg.  Aert 
(Ie  art.).  Mnd.  ardinge,  hetgeen  op  het  land  ge- 
bouwd is.  Lubben  1,  124:  ^^ ardinge  eder  saet"), 
van  ohd.  artén,  colere;  mhd.  arten.  In  concrete 
opvatting,  datgene  waarmede  het  land  bebouwd  is, 
veldvruchten ,  en  by  uitbreiding  bestaan,  voedsel 
in  't  algemeen,  vooral  van  dieren.  Lettel  meerre 
danne  musscheu  es  die  voghel  ende  broet  in  bns* 
schen;  maer  syn  aerdinghe  ende  syn  leven  es  hem 
ane  vissche  ghegheven.  Nat.  Bl.  III,  781  (var. 
ardinghe).  Talre  stont  neemt  hi  syn  aerdinghe  op 
den  grout,  V,  306  (van  den  karper).  Haer  aer- 
dinghe leght  onder  die  stene,  V,  332.  Ende  alsi 
omme  aerdinghe  beten,  III,  1862. 

AERFGENOOT,  Aerfcoren,  Aerfname.  Zie 
Erfgenoot,  Erfcoren,  Erfname. 

AERGELIEUS ,  bnw. ,  trotsch ,  van  ïx.orgeuilUnjr, 
De  eerste  lettergreep  luidde  oudtyds  ar  in  verschil- 
lende Romaansche  talen  en  tongvallen.  Zie  Dies  1, 
297.  II  Van  moede  soe  aerghelyoes,  Ohr.  202. 
AERGEN.  Zie  Aroen. 
AERGER.  Zie  Arch,  bnw. 
AERGEREN,     erger    worden    of    maken.     Zie 
Argeren. 
AERGEREN.  Zie  hergeren. 
AERM,  znw.  Zie  Arm,  znw. 
AERKEN,  AERKET.  Zie  Arken,  arket. 
AERM,  bnw.  Zie  Arm,  bnw. 


193 


AERM. 


AERT. 


194 


AEBMAN.  Zie  Arm,  bnw. 
AERMBORST.  Zie  Arhborst. 
AERMELIKE.  Zie  op  armelike. 
AERMINC.  Zie  Arhinc. 
AERMOEDE.  Zie  Armoede. 
AERN,  arend.  Zie  Aren. 
AERNASC.  Zie  Harnasc. 
AERNBORST.  Zie  Armborst. 
AERNE   (arne),   snw.    m.    Mnd.  ame.  Latere 
vorm  Toor  Aern,  m.,  arend  ^  adel^uvr.   Zie  Aren 
en   verg.  Aer.   ||   Dye  aerne  vlieghet  hogher  dan 
alle   voghelen,   IPa»»,    W.  140*.  Een   aerne  plach 
daer  te  comen  ende  nemen  .  .  een  van  die  hennen, 
189^.    Als    een   aerne,    die   daer   verwecket   sine 
jongen   te   vliegen,    fl>.    P*.    177.   Dat  solde  een 
aerne    syn    jonghen    niet   gheven,    Spreuken   11. 
Dair  Jnlius  eenen  aerne  schoot  al  vliedende ,  iS'ire;. 
Cron,   4Ö<?.   Als   een    aerne   die  wert  gedwongen 
door  den  honger  sgnre  jongeren  een  roof  te  halen, 
99c.  Enten  aerne  gevelt  int  zant,  Sp.  III», 63, 93 
(var.    Ende   den   aer).    Dat   hi    met    sinen    zinne 
vloech  boven   allen  bergen  hooch,   geiyc  alse  die 
ame  doet,  Sp.  UI»,  49,  73.  Godt  den  aerne  daertoe 
vercoren   heift  te  vlieghene  boven  alle  vueghelen 
hooghe,  Zri.  Bijdr.  6,  324,  321. 
AERNEN.  Zie  Arnen. 

AERNST,  znw.  en  bnw.,  Aernstachtich , 
Aernstelijk,  Aernstich,  Aernsticheit.  Zie 
Ernst  ens. 

AERNT,  arend.    \\   Des  conincs  wapen  .  .,  dair 
een   aemt   van   swarter  verwen  in  gemaect  was, 
Matth.  Anal.  3,  170. 
AERPE,  voor  harpe,  harp.  Rosé  (O)  14009. 
AERPOEN,  voor  harpoen.  Nat.  BI.  IV,  984; 
V,  1036. 
AERSATRE.  Zie  Arsatre: 
AERSBILLE.  Zie  Ersbille. 
AERSC.  Zie  Ertsc. 
AERSEDIE.  Zie  Arsedie. 
AERSELEN.  Zie  Erselen. 
AÈRSELMAENT.  Zie  Erselmaent. 
AERSOEN.  Zie  Artsoen. 
AERST,    voor    harst,   hartt,  braadstui,  Heim. 
1173.  Zie  Harst. 

AERT  (aerd,  art,  ard),  aerde,  znw.  m.  Mhd. 
art ,  akkerbouw ,  land ;  osaks.  ard  in. ,  woonplaats , 
verblyf;  mnd.  art  vr.,  akkerbouw,  bouwland;  ags. 
eard  vr. ,  fnndus  arabilis ,  terra  culta ,  regio ,  patria 
(Ettm.  29);  verg.  nhd.  artbar,  artaeker,  artfeld, 
artland.  Van  aran,  arare,  mhd.  aren.^  mnl.  aren 
(zie  ald.)  werd  het  znw.  art  gevormd,  uit  welks 
grondbeteekenis  aratio  (Graff  1  ,•  403  vgl.)  zich  bj 
uitbreiding  de  afgeleide  van  terra  aratn  ontwik- 
kelde, dus  ploegland,  bouwland,  bebouwde  of  be- 
woonde grond,  en  verder  in  * 't  algemeen  grond, 
woonplaats  enz.  Over  de  afleiding,  zie  verder  Ned. 
Wdb,  op  Aard  (2de  art.). 

1)  Beploegde  of  bebouwde  grond,  bouwland.  Verg. 
Aertgatte ,  Aertoracht  ,  Aertlant  ,  Aert- 
wiNRE.  II  Alle  den  art  ende  alle  die  wildert,  die 
men  vroente  heet,  Oori,  van  1311,  in  Belg,  Mue. 
2, 417.  Dat  si  van  desen  (l.deser)selver  vroenten  ende 
arde  alsoe  vele  vercopen  moghen,  ald.  Item  eenen 
aerd  tAdighem,  die  men  van  den  meyere  houdt, 
Oork,  van  1366  by  Diericx ,  Oende  Cktb,  38. 

2)  Land  (in  't  algemeen),  grond,  vaste  grond,  in 
tegenstelling  van  het  water,  Fr.  terre,  Hi  deedt 
zeilen  an  den  aert.  Ferguut  maecte  hem  uut  ter 
vaert,  Ferg.  3273.  (Vgl.  4) 

3)  Land,  landstreek,  Fr.  j»ay*.  Verg.  Aertwklp. 
II  Daer  regneerdi  in  den  aert  overeen  sestien  jaer. 


1^.  III",  10,  102.  Dat  gelove,  dat  nie  en  waert 
ghepredect  in  haren  aert,  III^,  10,  27.  Dat  een 
kemel  levet  C  jaer,  eist  dat  hi  in  sinen  aert  bli- 
vet.  Nat.  BI.  II,  602.  Dat  den  coninc  volchde  al 
neder  in  den  Vlaemsche  aerde,  VI,  Bijmkr.  9977. 
In  Grieken,  den  zoeten  aert,  daer  ie  in  geboren 
waert,  Limb.  VI,  41.  Si  lieten  indien  aert  Marce- 
sica,  Sp.  I' ,  38,  74.  Sente  Jan  quam  daer  inden 
aert.  II*,  24,  20.  Doet  mi  verstaien  watditbediet 
in  desen  aert,  Denkm.  3,  87,  102.  In  desen 
aert,  Teest,  806.  Daermen  vaet  in  sinen  Mrt,  Nat. 
BI.  V ,  762 ;  verg.  V ,  763.  Quamen  te  Poperinghen 
in  den  aert,  Fl.  Bijmkr,  9378.  Dan  selen  si  comen 
in  den  aert,  Binel.  709.  Die  magerste  aert,  on- 
vruchtbaarste landstreek,  Limb,  X,  73.  In  den 
aert  keren,  VI,  406.  Dat  hem  oncondich  was  de 
aert,  Serv,  II,  1606.  In  vreemden  aert,  liXoep 
ni,  1008.  In  desen  wilden  woesten  aert,  Sacr. 
966.  —  Sinen  aert  of  den  aert  rumen,  het 
land  ruimen,  zijn  land  verlaten;  bi)  uitbreiding, 
ziek  verwijderen  in  't  algemeen.  ||  Noch  doe  sone 
was  gene  bedevart,  ende  niemene  en  ruemde  sinen 
art,  die  enich  ander  lant  besochte,  Bose  8941. 
Cortelike  ruumdi  den  aert.  Wal,  10861.— Figuurlijk. 
II  Die  fierlike  dorevaert  al  der  minnen  aerd ,  Hadew. 
I,  138,  49.  —  Ook  vrouwelijk  gebruikt,  als  in 
het  Mhd.  en  Mnd.  |i  Ende  voer  mit  him  in  synre 
aert,  MLoep  I,  2169.  Medea  doolde  in  vreemder 
aert,  IV,  630. 

—  Aanm.  By  Maerlant  leest  men ,  dat  Elizabeth 
tot  Maria,  die  haar  in  een  visioen  verscheen,  de 
vraag  richtte:  ||  Hoe  lange  soe  was  in  desen  aert 
na  haer  soens  Jhesus  upvaert,  Sp,  V,  63,  18, 
ter  vertaling  van  „super  terram,"  bg  Vinc.  Is 
hier  aert  m.,  voor  aerde  vr.  bedoeld,  dan  is  dit 
niet  goed  te  keuren;  doch  het  kan  ook  worden  op- 
gevat als  in  dit  land» 

4)  Uit  Aert,  land,  grond  (zie  2)  laat  zich  ge- 
reedeiyk  het  Vlaamsche  aerd,  aert  verklaren,  de 
gewone  benaming  van  een  plein  of  werf,  waar 
men  goederen  lost  (De  Bo  12),  by  uitbreiding, 
eene  markt  aan  of  by  een  water  gelegen,  en  dus 
eigeniyk  de  vaste  grond  of  wal,  de  kade.  Verg. 
nog  Belg.  Mus.  8,  414,  426,  enz.  ||  Ter  steen- 
brucghen  an  den  art.  Bek.  v.  Gent  1,  100.  Van 
48  roeden  wercs,  die  hi  wrochte  an  den  art  der 
steenbrucghen,  101.  Meester  Boidine  gheleent  up 
syn  werc  an  den  art  ter  niewerbrucghen  40 
fR,  102.  Meester  Boidine  van  den  arde  te  ma- 
kene,  ald.  De  garsoen  die  ten  arde  ter  steen- 
bricghen  versiet,  42.  Saeden  die  men  levert 
binnen  der  selver  stede  also  wel  ten  aerde  als  in 
den  huusen  van  den  insetenen ,  Diericx ,  Mém.  1 , 
679.  Een  huus  ende  stede  ghestaen  ende  gheleghen 
up  den  reep  by  de  houtuie  bruggho  jegen  den 
wyden  aert  over ,  2 ,  326.  Een  stuc  land  gheleghen 
buyten  de  petercelle-poorte  an  den  witten  aert, 
366.  —  In  't  algemeen  voor  plein,  stuk  grond,  || 
Ende  quam  gereden  op  eenen  aert  buten  den  woude 
in  enen  dale,  Lane,  UI,  18828. 

AERT  (aerd,  art,  ard),  znw.  m.  Door  Dirc- 
Potter  en  anderen,  vooral  in  lateren  tyd ,  wordt  het 
veelal  vr.  gebruikt.  Ook  in  't  mhd.  loopen  der  art 
en  diu  art  dooreen:  zie  Ben.  1,  60*.  Hoogstwaar- 
schyniyk  van  denzelfden  oorsprong  als  het  vorige 
aert,  solum.  Orond  en  herkomst,  geslacht,  soort 
zyn  verwante  begrippen ,  geiyk  o.  a.  duideiyk  biykt 
uit  de  vergeiyking  met  mnl.  gront  (zie  ald.),  dat 
volkomen  dezelfde  overgangen  van  beteekenis  ver- 
toont. Zie  verder  over  de  afleiding  Ned.  JFdb.  op 
Aard  (2de  art). 


495 


AERT. 


AERT. 


196 


1)  Afkomst^  get lacht.  ||  Gi  wart  vao  den  goeden 
arde  van  den  coninc  Gadiflere ,  Lorr.  fr.  III, 
354.  Heren  g^oet,  edel  ende  van  groeten  aerde, 
Edeto.  1538.  Ende  soe  sy  beter  is  van  aerde,  so 
sy  snoder  is  van  waerde,  MLoep  I,  3127.  Comen 
van  goeden  aerde,  Teeat.  1004.  Brabantre  van 
aerde,  Heelu  5935.  Van  edelen  arde  ende  ghe- 
slachte,  MLoep  IV,  2043  {hetgeen  in  vs.  2040 
van  hogher  boort  heette).  Den  bogen  aert,  1,2089. 
Van  rechten  arde  uut  dien  van  Troyen,  Orimb.  I, 
61.  Vai^  ridders  arde,  I,  1544.  Wy  en  soelen 
ghenen  manne  dat  ampte  ingeven,  hi  en  sy 
eyn  gnet  man  van  aerde  ende  van  geruchte,  Nijh. 
4,  10  («.  1423).  —  Elders,  vooral  door  Potter 
vr.  gebruikt.  ||  Si  was  van  edelre  rycker  aert  ^ 
ende  hi  was  van  slechter  coonute^  MLoep  II, 
2628.  Van  slechter  burgh^r  aert  gheboren, 
MLoep  I,  1181.  Van  slechter  ridder  aert  gheboren, 
I,  2772.  Een  man  van  goeder  aert,  11,3528.  Een 
wijf  van  hoger  aert,  IV,  1190.  Edele  vrouwen  van 
hoger  aerde,  IV,  1292  (waar  het  in  vs.  1289  af- 
wisselt met  coomsty  afkomst).  Den  jonghelinc  van 
hogher  aert,  Esm.  112;  verg.  472,  612.  Hi  heeft 
een  dochter  van  hoger  aert,  766.  Sijn  vorders  van 
goeder  aert,  Glor.  75.  —  Den  aert  hebben  in 
een  lant,  uit  een  land  afkonutig^  er  inheemsch 
zijn.  Nat.  BI.  VIII,  852,  wordt  van  de  wilg 
gezegd:  ||  Een  nuttelec  boem  van  groter  vrame 
int  lant  daer  hi  den  aert  in  hevet. 

2)  Geslacht^  soort.  ||  O  edel  reyne  wijflic  aert! 
MLoep  II,  4125.  Ende  men  biet  Kerstijn  onsen 
aert,  de  menschen  aU  wij,  de  Christenen,  Sp.  V, 
95,  62.  Wi  sijn  van  der  Joden  aert,  wi  en  eten 
vander  heyden  spisen  niet,  B.  v.  1357,  206*.  Om 
dat  sy  sijn  van  wives  aerde,  II,  3501.  Lucht  des 
edels  wivelics  aert ,  als  ie  di  zie ,  ie  hem  verclaert, 
O  VI.  Lied  en  Oed.  89,  1.  Nyemant  in  mijnre 
aert,  van  mijne  soort,  van  mijn  slag,  MLoep  IV, 
879.  —  Ook  toegepast  op  zaken,  in  de  algemeene 
beteekenis  van  soort.  \\  Dese  cappen  van  grauwen 
aerde,  Rosé  {€)  10898  (var.  arden).  Daer  wast 
peper  ooc  te  waren.  Het  es  wit  van  rechten  aerde, 
Afer.  VII,  928.  Steene  van  meneghen  aerde,  Sp. 
IP,  5,  38. 

3)  Aard,  geaardheid,  natuur,  wezen,  inborst, 
karakter,  van  levende  wezens  en  van  bezielde 
voorwerpen,  geheel  de  hedendaagsche  beteekenis, 
doch  in  toepassing  soms  verschillende.  ||  Al  es 
Gelloen  valsch  van  arde,  Lorr.  II,  3520.  Die  van 
aerde  geme  scelden,  van  nature,  Lsp.  1X1,3,151. 
Welke  dichters  sijn  van  aerde,  III,  15,  324.  Van 
arde  quaet,  IlI,  9,  76.  Van  dorpers  aerde ,  ^^a/r. 
352.  Man  van  soe  goeden  aerde,  Limb.  II,  762. 
Een  Vriese  ruut  van  aerde,  Hild.  3,  181.  Een 
dief  van  aerde,  9,  352.  Gieren  van  aerde,  MLoep 
III,  110.  Van  getruwer  aerde,  IV,  1572.  Van 
quaden  aerde ,  II ,  3050.  Wijf  van  hogher  aerden , 
Vroitw.  e.  M.  VI,  29.  Den  valke  van  hogher  aert, 
Glor.  617.  Al  dat  u  edel  herte  begheert  in  reinen 
aerde,  671.  Want  die  erde  es  haren  {der  beesten) 
^ert,  htmne  natuur,  Amand  II,  720.  Oftu  wils 
volghen  sijnre  aert  {van  het  vleesch),  X.  Plagh. 
2455.  —  By  uitbreiding  ook :  ||  Die  ridder  was  van 
ouden  aerde,  een  oud  man  (Vinc.  senes),  Sp.  IV*, 
6 ,  61 ,  Brab.  Y.  II ,  1933.  Dat  hi  {de  mensch)  des 
vleesch  overdaet  niet  alleene  ne  boude  over  quaet, 
maer  dat  bijt  hebbe  ouwaert,  so  wat  dat  smaect 
naden  aert  (nl.  des  vléesches-,  Vinc:  luxurienonadvecsus 
tantum,  sed  etiam  infestns) ,  iSjp.  I»  ,  61 ,  51.  Hi  heft 
u  wel  sinen  art  getoent.  Rosé  3013  {C.  2973: 
aert).   Si   connen   wel   haren   aert  bedecken,  Rein. 


II,  6921.  Want  sijt  van  arde  heeft,  het  behoort 
tot  hare  natuur,  Rincl.  1093.  Sinen  aert  doen, 
naar  zijne  natuur  handelen ,  Vad.  Mus.  1,1b,  dO. 
Dat  clergie  van  den  arde  es ,  dat  si  den  mensche 
boven  al  zalegher  ende  beter  maken  sal,  Doet. 
II,  3328.  Zie  nog  Glor.  69;  Belg.  Mus.  10,  56, 
160;  Nat.  BI.  II,  804,  VI,  476.  —  Sinen  aert 
laten,  zijne  natuur,  geaardheid,  verloochenen.  || 
Maer  dies  {des  wijns)  te  vele  wilt  nemen  inue, 
hine  can  sinen  aert  ghelaten ,  Vad.  Mus.  2,  175, 
166. 

Aanh.  —  Sp.  II», 27,  68:  „Maer  die  sone  W  Gods 
aerd  antwerdde  hem  te  poente  wale,"  bet.  dixfr 
Gods  wezen ,  dat  in  hem  was.  De  variant  heeft :  die  Gods 
aerd,  dat  ook  een  goeden  zin  oplevert,  t.  w.  in 
overdrachtelijke  toepassing  voor  een  persoon  van 
zekere  geaardheid.  —  Spreekw.  ||  Aert  es  ecu 
vast  cleet,  Limb.  XI,  364.  —  In  bijzondere  toe- 
passing op  het  kenmerkend  en  erfelijk  karakter 
van  edele  geslachten.  ||  Dat  Brabant  nataerlike 
es  die  coenste  aert  ende  die  getrouste  die  ye  waert , 
Heelu  6226.  Den  hogen  aert  van  Limborch  laten , 
6734,  en:  Uten  (hogen)  aerde  van  Limborch 
keren,  6894  {verg.  6903  vlgg.),  Velth.  III,  10, 
48 ,  den  edelen  aard  van  het  gesUxht  van  L.  ver- 
hochenen. 

4)  Aard,  hoedanigheid,  eigenschap,  yan  onbe- 
zielde voorwerpen.  ||  Dats  den  aert  van  Reinaerts 
speel.  Rein.  Il,  3901.  Hen  es  in  al  die  werelt 
steen  van  so  harden  aerde  engheen  ,  Parth.  7444  (vgl. 
boven  by  2).  Die  sin  mijns  dichtens  es  selc  van  arde , 
Rijicl.  127.  Lucht  van  also  zoeter  aert,  OVl.  Lied. 
en  Oed.  304,  2095.  Dat  toocht  wel  harer  naturen 
aert,  Praet  1449.  Die  naturen  .  .  ende  oec  al  den 
art  van  minnen.  Rosé  2008  {C  1999).  Na  const 
ende  ooc  na  werkens  aert,  OVl.  Lied.  en  Ged. 
469,  89.  Omdat  ene  maghet  pure  Gode  droech 
sonder  blame  in  haren  edelen  lichame  boven  der 
naturen  aert,  Teest.  2239,  d.  i.  tegen  den  aard, 
den  loop  der  natuur. 

5)  Wijze  of  manier  van  handelen.  Yerg.hd.  art.  \\ 
Wildi  u  keren  ane  die  minne,  ie  wille  u  leren 
den  art  van  minnen  altemale.  Rosé  11973  (ver^. 
11978 — 82).  Dat  hi  dien  aert  entie  crachte  leeren 
mochte,  die  Philip  dede,  Sp.  V,  45,  34.  Want  hi 
visierde  eenen  aert,  daer  hi  bi  ghevlogelt  waert, 
IV*,  61,  65.  Want  sy  soeken  die  den  aert,  hoe 
si  u  tot  hem  trecken  mogen,  MLoep  IV,  446. 
Doe  visierdi  nieuwen  aert,  Sp.  I>,  9,  56.  Gier- 
beert  conste  menegen  aert,  IV*,  29,  30.  Ënde 
vant  den  aert,  daer  die  stat  bi  verwonnen  waert, 
IV*,  14,  47.  Ie  hebbe  vonden  selken  aert,  daer 
slJn  sin  bi  sal  ter  vaert  verkeeren,  IP,  25,  15. 
Waert  dat  si  den  aert  wel  conden ,  Rein.  II ,  3890. 
Eer  hi  vernemen  coude  den  aert ,  hoe  ment  weder- 
keren dede,  II,  6622.  Van  palleeme  den  art  »\ 
vint,  Rincl.  1201.  Sy  bliven  al  opten  ouden  aert, 
MLoep  I,  2447.  Dat  soude  qualijc  sijn  mijn  aert, 
want  ie  des  ambachtes  twint  en  can,  Cass.  Inl. 
XVIII,  la.  (Si)  willen  leren  haren  Wachters  sul- 
ken aert,  datsi  niet  en  doghen  ter  vaert,  Nat.  Bi. 
UI,  1919  (zie  de  Aant.). 

AERT  (aerd,  art,  ard),  znw.  m.  Verg. 
Aerdinge.  Datgene,  waarmede  het  land  be^ 
bouwd  is,  veldvruchten ,  en  bij  uitbreiding  voedsel 
in  H  algemeen,  vooral  van  dieren.  ||  Karabo 
neemt  au  die  moder  sinen  aert.  Nat.  BI.  IV,  677. 
Op  den  grond  neemt  hi  sijn  aert,  V,  163  (var. 
sinen  ard).  Het  hevet  selke  maniere ,  dat  het  neemt 
sijn  aert  int  vier,  Parth.  662.  In  daerde  neemt  si 
haren   aei-t ,  die    si  nochtan  so  nauwe  spaert ,   dat 


IQ? 


AERT. 


AEftV. 


198 


siere  nemmeer  te  live  en  doet  sdaghes  dan  si 
beluuct  onder  den  voet ,  omme  dat  si  vrnchtet  al , 
dat  haer  aerden  ghebreken  sal,  Nat.  BI.  Vil,  293. 

Aanh.  —  Wanneer  Aert  in  dezen  zin  van  eene 
behendige,  slimme  of  listige  wijze  van  handelen 
gezegd  wordt,  treft  de  beteekenis  samen  met  die 
van  het  gelijkluidende  Aert  voor  Aerte ,  Arte ,  kunst , 
kunstgreep  (zie  Arte),  zoodat  het  soms  moeiiyk 
uit  te  maken  is,  welk  van  beide  woorden  bedoeld 
is.  Het  onderscheidend  kenmerk  is  dan  het  ge- 
slacht: Aert^  wijze,  m.,  Aert  voor  Aerte ^  kunst, 
vr.  Doch  het  kan  ons  niet  bevreemden,  dat  men 
wel  eens  de  beide  woorden,  die  elkander  in  vorm 
en  beteekenis  zoo  gelijk  waren ,  dooreen  gebruikte, 
zoodat  men  b.  v.  somtyds  dien  ctert  vindt,  waar 
niet  anders  dan  die  aerte  bedoeld  kan  z^n.  Zie 
rerder  bij  Arte  en  vgl.  Ndl.  Wdb.  op  aardig. 

AERT,  voor  aerte,  ktmêt.  Zie  Arte. 

AERTACHTICH,  aardich.  Zie  Erdachticii. 

AERTE.  Zie  Arte. 

AERTGATTE  (aertgat),  znw.  vr.  Van  Aert, 
bouwland ,  en  Gatte ,  Gate ,  straat ,  weg  ;  got. 
gatvo,  ohd.  gaza^  mhd.  gaste  y  nhd.  gaase.  Zie  Aert 
(1ste  art.,  1)  en  Gatte.  Een  weg  over  een  bouwland.  || 
Een  aerdgat  ofte  een  coutergat  moet  oepen  staen 
over  tyt,  wynter  ende  zomer,  Belg.  Mus.  10, 
100  {a.  1368).  —  Aerdgat  en  coutergat  zijn  ver- 
schillende benamingen  voor  dezelfde  zaak.  Yerg. 
Couter,  Coutergat. 

AERTGRACHT,  znw.  vr.  Zie  Aert  (1ste  art.,  1). 
Eene  gracht  of  sloot  tusschen  twee  bouwlanden , 
sc/teisloot.  II  Al  oost  over  den  aertgracht,  ZFl. 
Bijdr.  1 ,  222  (verg.  232).  De  n  van  den  staat  om 
de  volgende  vocaal,  doch  het  woord  is  vr. 

AERTHUÜS ,  znw.  onz.  Zie  Aert  (1ste  art.,  4). 
Het  huis ,  waarin  de  boeren  het  onverkochte  graan  in 
bewaring  gaven.  Zie  Diericx,  Mém.  1,  580;  2, 
126  enz. 

AERTITIKE.  Zie  Artitike. 

AERTLANT  (Artlant)  -lande,  znw.  onz.  Zie 
Aert  (1ste  art.,  1).  Mnd.  artlant;  nhd.  artlant. 
Bouwland.  ||  93  morgen  aertlants.  Mieris 4, 406^ 
{a.  1417).  Mit  busschen ,  mit  broeken ,  mit  artlande, 
mit  beemde  enz.,  Nnh.  3,  267  {a.  1405).  Mit 
artlande ,  water ,  visscheryen ,  holt  ende  weyde ,  4, 
111  {a.  1434).  Mit  busschen,  mit  bruecken,  mit 
artlande,  mit  beemden,  mit  visscherijen ,  3,  322. 
Mit  holte,  mit  artlande,  beemde,  enz.,  3,  269. 

AERTRIJC,  AERTRIKE.  Zie  Erderike. 

AERTSC.  Zie  Ertsc. 

AERTSIER.  Zie  Archier. 

AERTSOEN.  Zie  Artsoen. 

AERTVAST.  Zie  Erdvast. 

AERTVEST.  Zie  Erdvest. 

AERTWELP,  znw.  onz.  Uit  Aert,  land,  en 
fTelpi  eig.  het  long  van  een  dier,  blj  uitbreiding 
ook  van  menschenkinderen  gezegd.  Verg.  Aert 
(late  art. ,  3)  en  Welp.  Landskind,  inboorling. 
Rechte  aertwelpe,  rechte  lands  inboorlingen; 
uitdrukking  in  Overjselsche  rechtsoorkonden.  || 
Ejn  schotbaer  man,  mit  twen  sinen  buren,  de 
rechte  artwelpen  weren,  Landbrief  van  Twente 
van  1365,  bij  Racer  3,  73.  Ygl.  Wimhof  451. 

AERTVOGEL,  znw.  m.  zie  Aert  (Ie  Art.,  2) 

Landvogel,    het  tegenovergestelde  van   watervogel. 

II    Als  dit  die  aert  vogelen  hoerden  die  om  hoer 

gnlsicheit   die   waterspisen  hebben  wouden,  Dial. 

Cteat.  56tf. 

AERTWINRE,  znw.  m.  Zie  Aert  (1ste  art., 
1)  en  Winnen,  en  vgl.  Lantwinre.  Landbouwer. 
II     Dattet  lant  niet  woeste   en  worde,  ist  dat  die 


aerdwinre  verderve,  J).  B.  Gen.  47,  19  (Vuig. 
pereunte  cultore).  Vgl.  Navorscher  20,  106.  — 
Elders  in  hetzelfde  werk  staat  Aertwinre  ter 
vertaling  van  cohnus ,  waar  de  Statenb.  vreemdeUngh 
heeft.  De  beteekenis  blijft  evenwel  dezelfde :  colonus 
is  door  den  vertaler  al  te  letterlyk  opgevat  in 
den  oorspronkeiyken  zin  van  cultor.  \\  Ende  hi 
was  vele  dagen  een  aertwinre  van  der  Philisteën 
landen ,  B.  B.  Gen.  21 ,  34.  Beide  ingeboren  ende  aert- 
winre die  woent  onder  u  luden,  Levit.  18,  26.  — 
In  de  Ghss.  Trevir.  in  Hor.  Belg.  7,  8  leest  men: 
Artwlnneman,  colonus. 

AERVACHTICH,  AERVE,  AERVEN.  Zie  Er- 
VACHTiCH ,  Erve  ,  Erven. 

AERWETE.  Zie  Erwete. 

AES  {des  ases  of  des  aes ,  den  ase),  znw.  onz. 
Ohd.  ds;  mhd.  ds;  mnd.  ds.  Over  de  afleiding  zie 
Ned.  Wdb.  op  Aas  (1ste  art.).  Verg.  Asen. 

1)  Spijs,  voedsel,  vooral  van  dieren  (visschen , 
vogels  enz.).  Nat.  BI.  III,  1255,  1374,  1532, 
1562,  1568,  1587,  1600,  1640,  1655,  1704, 
2901 ,  enz.  —  Figuurlijk.  ||  Ghi  zondaricghen ,  ghe- 
voedt  met  zondeliken  aze,  OVl.  Lied.  en  Ged.^9, 
244.  —  Inzonderheid  gezegd  van  een  dooden  romp  of 
dood  vleesch,  aan  dieren  tot  spijs  verstrekkende; 
nog  heden  de  gewone  beteekenis.  ||  Die  welpkine 
liepen  ten  ase.  Rein.  I,  3136.  Ghinder  leit  een 
doot  aes  vol  maden,  II,  4487.  —  Ook  met  spot 
of  minachting  van  menschelijk  voedsel ,  van  levens- 
middelen gezegd;  vgl.  ook  het  Overijselsche 
uaoenaes.  II  Of  enich  a^s  in  soccorse  van  den 
Vr&nken  sonde  comen,  Velth.  IV,  43,  66. 

2)  Frooi  of  buit  (van  dieren).  ||  Dus  sach  die 
liebaert  om  sgn  aes,  Velth.  I V ,  51 ,  43.  Ghy  laeght 
my  liever  in  de  Mase,  soo  diep  als  dit  huys 
hooch  is,  teenen  ase  van  alle  de  visschen  dier 
inne  vlieten.  Mar.  v.  Nijm.  5,  110. 

3)  Lokaas,  eigenlyk  en  overdrachtelijk.  ||  Geeft 
mi  aes ,  ie  salne  (den  sperwer)  vaen ,  Lane.  III , 
25243.  Dits  taes  daermen  bi  mach  verdoeren  die 
viande  min  no  me ,  dan  als  die  vische  in  die  zee , 
Nat.  BI.  VII,  1033.  So  ie  meer  nam  dat  solaes, 
80  mine  herte  meer  viel  op  daes  ende  vaster  in 
den  strecke  van  minnen.  Rosé  3457  (C  3415).  Sine 
volghen  anders  niet  dese  blasé,  en  doet  die  soetheit 
van  den  ase  ,  OFl.  Ged.  1,  79,  438.  Van  aze  .  ., 
dair  die  viskers  van  Sceveninghe  mede  viskeden, 
Rek.  d.  Graf.  2,  172.  —  Overdrachtelijk  voor  ge- 
win. II  Ende  ghierlic  hebben  veel  verswolghen,  miede 
ende  aes ,  om  recht  te  mencken ,  Hild.  96 ,  92.  Ende 
sulc,  om  dat  si  mede  lecken  van  den  ase,  so 
helpen  syt  decken,  ende  ontsculdighen  haer  bose 
dade.  Rein.  II,  7511.  —  Een  quaet  aes,  een 
verachtelijk  lokaas,  een  vuig  gewin.  ||  Judas,  die 
Gode  verriet  om  een  quaet  aes  van  dertich  penningen, 
Tst.  BI.  4210.  Ruddren  moeten  varen  reysen,  te 
veine  alle  onrechte  peysen,  gheeiis  quaets  aes 
selve  roucken,  fTap.  Rog.  1239. 

AES  (des  ases  of  des  aes ,  den  ase) ,  znw. 
onz.;  verkl.  aesken.  Van  lat.  as,  de  benaming  der 
eenheid  bQ  getallen,  gewichten  enz.  Fr.  Af(Littré 
1,  209);  verg.  Ned.  Wdb.  op  Aas  (2de  art.). 

1)  J)e  eenheid  of  het  laagste  getal  in  onderschei- 
dene spelen ,  als  dobbelspel ,  verkeerspel  enz.,  zooals 
nog  heden  in  het  domino-  en  kaartspel.  ||  An  die 
yerste  side  (van  den  dobbelsteen)  suldy  setten  een 
punt,  datmen  heyten  sal  een  aes,  Versl.  en Ber.'Y , 
37 ;  Ned.  Froza  217.  Ie  wedde  cinc  contre  sijs ,  nochtan 
eysch  ie  toe  twee  aes,  Boerd.  IX,  30.  —  Veelal 
in  tegenstellinc  met  sijs  (zes  oogen) ,  den  hoogsten 
worp.  IjDiet  ghevroedt,    ende    willens    werpt  voor 


i9Ö 


AES. 


AESS. 


200 


isijs  een  aes ,  hels  recht  dat  hi  de  canse  boedt ,  OVl. 
lAed.  en  Oed.  412 ,  282.  Op  twee  tarninghen  van  deu8 
aes  8oe  loopt  wel  menichwerf  een  s^s ,  Hild.  179,  C8. 
Want  dAventnre ,  die  spelen  can ,  zoe  worpt  wel  een 
aes  voor  een  sUs ,  Praet  1324  (Lat.  dat  varia*  Farttma 
vicet).  Den  selken  gevet  si  al  aes  van  sisen ,  selcken 
maecse  van  aes  al  sys,  Hadew.  1,  149  {van  de  Min- 
ne). —  Syn  aes  verdoen,  sijne  kans  vertpelen^ 
verliezen.  \\  Hets  enech  dorpere  cume  so  dwaes, 
hine  weet  wel  wanneer  hi  sal  winnen  8|jn  goet 
ocht  verdoen  sQn  aes,  Hadew.  I,  104,52.  —  Dens 
aes  met  cysase,  schijnt  in  waarde /im,  blijkens 
een  „  tweespraecke  *\  waarin  Aemont  de  cijfers 
telt  „met  teerlingen."  ||  Meett.  Aernont,  spelt mjj 
tien  —  Aem.  Het  ware  al  te  sot  om  sien.  Acht  blinden 
aen  eenen  dis,  die  voor  hen  hadden  eenen  vis, 
tot  eent  blinden  mans  taveeren;  sy  sonden  won- 
derlick  ghebeeren  eer  sy  die  graten  uutghelasen: 
ick  spel  n  dexur  aes  met  cysase ,  Ned.  Kluehtsp.  48 , 
60.  Of  is  de  plaats  misschien  bedorven,  en  moet 
men  lezen:  IcR  spel  II  deuxaes  met  cysatey  d.  i. 
twee  tweeën  met  zes  =  10.  Men  behoeft  dan  slechts 
voor  u  (u)  te  lezen:  ii.  — Li  ede  van  dens  aes, 
geringe  Zieden  ^  lieden  van  geringe  zedelijke  toaarde. 
II  Ghi  ionfranwen  van  deus(h)ase,  in  n  vindic 
gheene  auecht,  Denkm.  3,  llö,  50.  Volcxkin  van 
deus  aes,  van  cleender  weerden,  moeten  by  hu 
ooc  somtijts  ghevuet  zijn,  ZVl.  Bijdr.  6,334,212. 
Het  syn  luiden  van  dues  aes.  Spreuk.  43.  Het 
was  een  pelgrijn  van  deus  ase,  BAn.  II,  3030. 
een  pelgrim  van  ^tjaar  nul.  Zoo  ook  Froza  -  Rein. 
40.  Vgl.  Ned.  Wdb.  op  Aas  (2de  Art.). 

2)  Do  eenheid  in  gewichten ,  het  laagste  of  kleinste 
geioicAt,  het  328te  van  een  engels.  ||  Behoudelijck 
dat  sy  (die  gouden  penninghen)  sullen  moigen  weesen 
twee  aeskens  lichter  dan  hoir  rechte  gewichte, 
Belg.  Mus.  3,  89.  —  Vooral  gebruikelijk  in 
de  figuurlijke  spreekwijze:  —  Niet  een  aes, 
niet  het  allerminste^  volstrekt  niets.  \\  £nde  en 
prijsde  niet  een  aes  sijn  gewin,  Stoke  VIII,  1026. 
£nde  om  mi  niet  geven  een  aes,  Melib.  3064. 
Daer  gi  niet  of  en  hout  een  aes ,  3718.  Soe  dwaes 
dat  hi  niet  en  dochte  {deitgde)  een  aes  ^  anders  dan 
hi  dranc  ende  at,  Brab.  Y.  I,  732.  Een  dwaes, 
die  den  here  nien  doech  {niet  deug  f)  een  aes. 
Boet.  III ,  714.  Algader  dese  dinc  en  bescoet  daer 
niet  van  enen  ase,  Velth.  II,  47,  29. 

AESAGE.  Zie  Asage. 

AESAC.   Zie  Aessac. 

AESDOM,     AESDOMICH,    AESDOMSC.     Zie 

ASICHDOM. 

AESEN.  Zie  Asen. 

AESGELT,  -gelde,  znw.  onz.  Zie  Ae.s  (Iste 
art.).  Het  geld  voor  het  aas  of  voedsel  van  dieren. 
II  Item  .  .  twee  valkenairs  .  .  voir  hoir  aesgelt  voir 
horen-  vogelen,  6  se.  8  gr.,  Bel.  v.  Leid.  168.  Heyn- 
ric  uter  muyte  . .  om  aesghelt  12  se. ,  Bek.  d.  Graf. 
2,  192.. 

AESGBAVE,  znw.  m.  Zie  Aes  (1ste  art.) 
en  Grave.  Stedelijk  ambtenaar,  belast  met  ds 
rechtspraak  in  zake  van  verseh  vischaas  voor  de 
kabeljauuwangst.  \\  Van  eenrehande  dienres,  die 
heeten  aesgrave ,  tolnair ,  scriver  inder  havenen , 
etc.  Matth.  7.  Alrehande  onderdienres ,  dien  by 
consente  des  rechters,  ende  principale  ghezworen 
diemres,  gheordineert  sijn  den  luden  recht  te  doen 
ende  te  bescheiden  van  sonderlinghen  dinghen, 
elcs  na  den  eesch  sijns  dienst,  als  sijn  aesgrave, 
biertolnaer  ende  desgheljjcs,  Matth.  249  (uitg. 
Alkemade).  Dat  zweer  ie,  aesgrave  te  wesen  in 
der  steden  van  den  Briele  ende  in  den  lande  van 


Voren,  ende  ygelic,  dies  geert,  recht  te  doen  van 
verschen  aze,  120  (uitg.  der  Verccniging).  Zie 
verder  t.  a.  pi.  over  den  aard  der  bediening  van 
den  Aesgrave. 

AESSAC  (Aesac)  -sacke,  znw.  m.  Zie  ^ES 
(Iste  art.).  Spijszak,  knapzak  {Hor.  B.  7,  11, 
£seale\  Kil.  pera),  en  by  uitbreiding,  tascA,  hu- 
del.  II  In  den  aessack  heeft  hi  gesteken  beide 
broet  ende  capoen,  SegA.  3156  var.  David  nam 
vijf  berde  stenen  ende  hi  stacse  in  sinen  aesac, 
B.  V.  1357,  120a.  Tobias  nam  uut  sinen  aeaac 
een  stuc  van  der  lever,  ald.  202a.  Altoes  hadde 
hy  ghegort  eenen  aeszac ,  om  te  ghevene  den  armen 
die  tot  hem  quamen ,  Cron.  v.  Vlaend.  1 ,  48.  An 
sinen  hals  hanghende  sinen  rieme  met  eenen  baes- 
sacke ,  vul  cleender  penninghen ,  ald.  55.  Aessacken 
van  siden  ende  van  ledere ,  lAvre  d.  Mest.  15.  Eenen 
haessac  met  eenen  zelverin  ringhe ,  Cmtt.  v.  Brugge 
1,  569.  Twee  aessacken,  O.  R.  v.  Dordr.  2,86(11. 1441). 

AESSEM  (asem),  znw.  m.  Adem.  ||  Hi  cnste 
mi  heden  voor  minen  mont,  sinen  aessem  is  90 
soet,  Huge  v.  Bord.  37.  Sinen  sueten  aseme  heeft 
mi  myn  herte  doorwont,  45. 

AEST,  znw.  Waarschijnlijk  een  eigennaam,  en 
wel  van  de  stad  Asti  in  Noord-I  talie.  ||  Die  Lom- 
barde  van  aest  (/.  Aest)  die  wonen  of  wonen  sullen 
toter  Ameyde,  Oor  kb.  2,  432»  {a.  12%). 

AESTEB.  Zie  AEXTER,  Nat.  BI.  m,  78  var., 
3129,  3139,  3141. 

AESVAT.  Zie  OOSVAT. 

AET  (haet),  des  aets,  den  aie,  znw.  m.  De 
echte  vorm  des  woords ,  waarnaast  men  echter  ook 
At  E  vr.  vindt:  zie  ald.  —  Ohd.  mhd.  dz,  onz.; 
nhd.  aasz  onz.;  mnd.  dt\  ags.  at  m.  (Ettm.  33); 
van  den  stam  van  got.  itan,  ons  eten.Yerg.  Over- 
AET.  Eten,  spijs,  voedsel.  ||  Als  een  swyn  dat 
altoos  gaet  in  den  slike  zoeken  sinen  aet ,  i«i«;fD.  III, 
26,  97.  Daer  hadde  die  visch  sinen  haet  ghenomen 
wel  menich  jaer ,  Brand.  302.  Hi  {de  draak)  moet  op 
eiken  dach  hebben  enen  mensce  tsincn  ate,  lAsmb. 
X,  1020.  Zuvel  ende  ooft  was  al  haer  aet,  Lsp. 
1 ,  31 ,  9.  Een  swijn ,  dat . .  al  den  dach  socket 
syn  aet,  Melib.  1284.  Vuile  mate  van  haren  aelte, 
Praet  3312.  Zijn  aet  die  zij  mitten  beesten,  Hs.  f. 
1423,  96é?  {van  Nebiicadnezar).  —  Vooral  gewoon 
was  do  samenvoeging  Aet  ende  dranc.  j| 
OvertoUech  aet  ende  dranc  maect  sin  ende  lichame 
cranc,  Doet.  III,  1067  (in  den  tekst  verkeerdelijk 
ate).  Mit  ghetemperde  ate  ende  drancke  (mv.),  Lanfr. 
72r.  Men  diende  daer  so  wel  te  danke  beide  van  ate 
ende  van  dranke,  Cass.  Inl.  XVI ,  2a.  Beide  in  dranke 
ende  oec  in  ate.  Nat.  BI.  VI,  777.  Dat  hem  ge- 
brac  aet  no  dranc ,  Amand  1 ,  407.  Aet  ende  dranc 
sal  bliven  saen,  L.  o.  H.  1000.  OvertoUechede  van 
ate  ende  van  dranke,  JJoct.  II,  164  var.  Gemate 
van  dranke  ende  van  ate ,  Teest.  3779 ;  M.  en  Fr.  Heim. 
1106.  Dienen  .  .  van  ate,  van  dranke,  PartA.  S60. 
Dat  hem  niemen  en  sonde  beraden  noch  van  dranke 
och  van  ate,  S^.  II*,  47,  42.  In  ate,  in  dranke,  in 
cleederen,  II«,  74,  177.  Ongemate  beide  van  dranke 
ende  van  ate,  M.  en  Vr.  Heim.  1202;  Heim.  485.  (Die) 
daerboven  sinen  lieven  lechame  hem  lieden  ^i  in 
ate  ende  siin  ghebeuedide  bloet  in  dranke,  Hs.  r. 
1348,270a.  Aet,  dranck,  clederen  ende  schoen,  O.  IL  r. 
Dordr.  2,  28  (a.  439).  Genuechte  van  dranke  ende  van 
ate,  Limb.  X,  383.  Van  ate  ende  dranke  als  gewoat , 
Amand  II,  464.  Bede  van  ate  ende  van  dranke 
waersi  gefesteert  te  danke,  tVal.  8799.  Altoes  sat 
van  dranke,  van  ate,  Velth.  VII,  32, 9.  Daer  waren 
si  dien  nacht  lanc  sonder  aet  ende  sonder  dranc, 
Brab.    Y.   V,   3606;   verg.  3632.  In  beden  soudcr 


201 


AET. 


AEXT. 


202 


aet  ende  dranc,  Sp.  II  %  32 ,  56.  Zie  nog  Jft^r.  3676. 
—  De  2de  nv.  wa8  aeta  (ohd.  en  mhd.  dzes^  ags. 
ates).  II  Dat  hi  nonbeet  no  aeU  no  drancs ,  X.  o,  H, 
984.  In  het  li8.  leest  men  at*  en  ne  èeei,  dooreen 
afschryyer  verknoeid  nit  nobeet  Zie  Vermenlenbl. 
195.  Dat  hi  en  onbeet  aets  no  dranx,  Ferff,  2468 
(in  het  hs.  verkeerdelgk  aet).  Yan  vele  aets  ende 
dranc  daer  word  af  een  masse  bloeds  gemanc,  M, 
en  Vr.  Heim  141S,  —  In  eens  ate  ende  drank  e 
8  ij  n ,  bij  iemand  in  den  kost  zijn,  \\  By  horen  wifen . . 
oft  denghenen  die  in  horen  ate  ende  drancke  sgn, 
Coren.  v.  Antw,  §  93.  Dat  gheen  portere  oft  die 
binnen  Antwerpen  bnycvast  sitten,  rocke,  wam- 
beyse  .  .  gheven  en  mach  noch  nemen  dan  den- 
ghenen die  in  sinen  ate  oft  dranke  sijn ,  §  192. 
Die  met  yemen  in  sinen  huyse  buycvast  wonen  ende 
in  sinen  ate  ende  dranke  sijn,  Oesch.  v.  Jntw.  2, 
485.  Zyn  vadere  in  wiens  aet  ende  dranc  hy  was, 
Couf.  p.  Gent  663.  Verg.  V.  Hasselt  op  Kil.  in  Aet. 

AETSCARE,  znw.  tf.  Eetwaar,  Kil.  „Aet- 
schaere,  vetus.  Edulia,  ret'edulety  Zie  Aet  en 
ScARE.  II  So  wie  die  Tercoopt  aetscare  tusscen  sente 
Marien  kerchove  ende  Willem  V erdebrechts ,  hine 
vercooptse  in  huse  of  in  kelnaers ,  hi  verbaert  twee 
SC,  word  hys  begrepen.  Boek  met  den  Knoop ^  in 
Taalgids  8,  229. 

AETSEMANT ,  AETSEMEBEN.  Zie  Achemant  , 

ACHEHEREN. 

AETTE.  Zie  Ate  m. 

AEX  (AECS  ,  AECSE ,  AX ,  HAEX  ,  HAECS ,  HAECSE), 

znw.  vr.  Oorspronkelijk  samengetrokken  nit  akee^ 
onl.  acue  {Ps.  73 ,  6) ;  Got.  aqizi ;  ohd.  acAiu ;  mnd. 
ackes ,  oje;  uhd.  ajrt\  ags.  aeas^  ax^  eax  (Ettm.  2);  mnd. 
exe ;  zie  verder  Ned.  Wdb.  op  Aaks  ,  en  Kluge ,  Etym, 
Wtb.oy  axt.  Bijl,  zoowel  timmerbijl  als  strijdbijl, 
ook  heden  nog  wel  aaks  of  aks  geheeten.  ||  An  die 
wortele  van  den  boom  so  es  die  aex  geset  al  nu, 
Rijmb.  22034,  Amandl,  1685.  Ende  sloech  tserpent 
met  ere  aex ,  Bsop.  XXXIY ,  5.  Een  scaerpe  aex ,  ene 
baerde.  Rein,  I,  701.  Met  ere  scaerper  aex ,  1 ,  735. 
Slach  van  hamere,  van  aexse,  Rijmb,  11284.  Alle 
meynewercken  myt  scnppen,  axen,  houwen  ende 
anders  des  ghelijcx,  Overijs.  Recht,  II',  19.  Het 
gesciede,  doe  die  een  hout  hieuwe,  dat  tyser  van 
der  aex  int  water  viel,  J),  B.  II  Kon.  6,  5.  Zoo 
ook  ald.  DetU,  19,  6;  20,  19,  Riekt,9,^^\l  Sam. 
13,  20;  I  Kon,  6,  7,  enz,  —  Vooral  gewoon  van 
de  strijdbijl,  meermalen  te  zamen  genoemd  met 
andere  benamingen  van  wapenen  verbonden,  als 
tjysarme,  glaye  (glavie),  baerde  e.  a.  ||  Mettier 
gysaermen  sloech  hi  haerde ;  alse  nu  vachthi  metten 
gescotte,  nu  metter  aex,  gelijc  den  Scotte,  Alex. 
III,  178.  Hi  was  geslagen  mettier  aex,  185. 
Noch  tan  verhief  hi  sine  aex ,  204.  Daer  hi  die  aex  uut- 
trecken  soude ,  213.  Die  aex  voer  in  den  scilt ,  209.  Si 
riepen  om  aexen  ende  baerden ,  IX ,  483.  Met  aexen 
ende  met  zwerden ,  Lane.  II ,  932.  Ene  aex  nam  hi 
daer  naer ,  962.  Hi  nam  die  aex  in  die  hant,  964.  Diere 
COC  .  .  met  ere  aecs  liede  versloech ,  Rijmb,  10679. 
Beide  met  aexen  ende  met  swerden  sloegen  sine 
daer  ter  erden,  Velth.  III,  12,  23.  Een  aecse 
bruun  stalijn,  Segk.  8553  e.  e.  Doe  begonste  hi 
zeere  te  roupene,  ende  riep  omme  sQn  wicx,OFl, 
Ged.  2 ,  32*.  (Wie) . .  een  aecxe  . .  ten  twiste  brochte , 
die  verbuerde  III  pont,  O.  K.  v.  i>(w<^.  19,31. — 
Zeer  gewoon  was  de  schrijfw^ze  haex ,  haees ,  haecse , 
die  telkens  als  variant  met  a^.r  afwisselt,  en  waerbp 
gemeeniyk  de  zwakke  verbuiging  wordt  aangetrof- 
fen. II  Die  haex  hief  hi  metter  spoet,  Lett.  N. 
R.  7',  148,  142.  Een  swaert,  een  haex  ende  een 
fauchoen   hadde  an  hem  de  Sarrasiju,  Flandr,  V, 


120.  Ende  hinc  an  syn  archoen  ene  haecse,  Zanc, 
II,  17228.  Met  ere  haecsen,  7643.  Metter  haecsen, 
7648.  Met  haecsen  ende  met  swerden,  Heelu 
6193.  Met  glayen,  met  haecsen,  met  swerden  baer , 
Brab,  T,  VI,  5890.  Als  men  wout  eenen  mensch 
.  .  metten  becke  van  eenen  haexcs.  Jan  Yp.  61, 
enz,  —  Niet  alleen  de  gewone  vervoeging  der  aspi- 
ratie was  hier  in  't  spel ,  maar  ook  de  verwarring 
met  fr.  haehe,  dat  ook  zelf  in  de  vormen  kaehe 
en  haetsee  voorkomt.  Zie  Hache. 

AEXTER  (aester  ,  ecster)  ,  znw.  vr.  Aak- 
ster  ,  thans  Ekster  geheeten,  corvus  pica.  || 
Pica  dats  der  aestren  name,  van  plumen  scone 
ende  bequame  es  si  ende  die  vele  scalcheit  can. 
Nat.  BI,  III,  3129.  Van  verre  soe  sach  Reynaert 
staen  een  aexter  op  een  hoghen  boom ,  Hild.  33 , 
25.  Die  aexter  die  sach  nederwaert,  daer  si  sach 
staen  den  vos  Beynaert,  ald,  39.  Craeyen, 
aexteren  ofte  wuwen,  31,  87.  Cray  oif  aexter, 
ald,  110.  —  Spreekw.  |l  Die  aexter  can  haer 
huppen  niet  laten.  Spreuken  9.  Hy  solde  wel  een 
doocle  aexter  verschalcken ,  43.  Visch  vanghen  voor 
svisschers  deure;  der  extere  een  ey  nemen,  87. 
—  Der  exter  is  een  ei  ghestolen,  de  bedrieger 
wordt  bedrogen.  Hor  Belg.  9,  13,  185.  Die  altoes 
sgn  scalcheit  toent,  wert  hi  een  werf  ghehoent, 
hi  seyt  dies  hem  nye  en  wart  bevolen:  Der  aexter 
is  hair  ey  ontstolen,  Vrouw,  e,  M.  III,  19,  4. 
Een  -^t  pilaer  recht  van  albaestre;  diene  maecte 
en  was  geen  aestre,  O  VI  Lied,  e.  Ged.  252,  569. 
De  bedoeling  is  biykbaan  *t  was  geen  stumper 
die  zoo  iets  maakte;  hij  kon  meer  dan  snappen 
als  een  ekster,  of  wel,  hij  kon  meer  dan  nadoen 
alleen. 

AEXGBAU,  minder  goede  lezing  yoor  ascgraeu, 
aschgrauw,  Rosé  8570. 

AF  (ave,  of,  later  ook  aff,  off  gespeld), 
bijw.  Gk)t.  a/;  ohd.  aba,  ab;  mhd.  abe,  ab;  mnd. 
*/»  *^-  o/'i  e^-  OLitó,  lat  ab  en  op  (in  apage). 
De  oudste  mnl.  vorm  was  ave,  over  in  avereckten 
aefgunsticA  (zie  ald);  daarnevens  was  af  het 
meest  algemeen  in  gebruik ,  of  vooral  in  Holland 
gewoon.  Doch  de  drie  vormen  ave,  af,  of  worden 
ook  bij  denzelfden  schrgver  in  hetzelfde  werk, 
geheel  onverschillig  door  elkander'  gebezigd.  Af 
komt  in  H  mnl.  in  tegenstelling  met  de  verwante 
oude  talen  niet  als  voorz.  voor,  daarvoor  gold 
van,  dat  ook  een  enkele  maal  in  samenstellingen 
voorkomt. 

Aanm.  Men  wachte  zich  met  dit.biiw.  af(of) 
te  verwarren  het  voorz.  of  (ob),  dat  slechts  voor- 
komt in  de  uitdr.  of  {ob)  eene  side,  en  of  (ob) 
ander  side  en  een  geheel  ander  woord  is.  Zie 
Taalk.  Bijdr.  1,  201  vgl.;  Tijdschr.  2,  11—18, 
75—77. 

l)Ave,  af,  of  was  oudtyds  vooral  gewoon  in 
verbinding  met  de  vnw.  bfjw.  kier,  daer,  er,waer, 
ter  vorming  der  aanw.,  betr.,  en  vrag.  uitdr.,  die 
thans  kiervan,  daarvan  enz.  luiden;  zoo  nml.  ook 
met  iewer,  iewerinc,  iegerinc,  ergens,  en  niewer, 
enz.,  nergens.  ||  Den  camp  die  hier  ave  es  ghe- 
nomen,  Parth.  7179.  Die  rike  grave  was  herde 
blide  hier  ave,  Umb.  IV,  2038.  Ende  sal  die 
poort  hier  ave  reynen,  Rijmb.  33148.  Gi  hebt  u  wel 
gequQt  hier  af,  Lanc.  II,  9591.  Dine  salgedinken 
hier  of,  9240.  Ende  nam  hier  ave  raet,  StokcYI, 
108.  Daer  ave  sceden.  Rein.  II,  5305.  Daer  ave 
clagen,  Lanc.  II,  7762.  Daer  ie  wel  seker  ave 
bem ,  Rijmb.  1072.  Daer  ne  was  weenen  no  screyen 
ave,  32670.  Segt  mi  uwen  wille  daer  ave,  JAmb, 
XIX,  1135.  Dair  ghi  beide  schande  had  ave,  Hild, 


203 


AEXG. 


AEXG. 


204 


97,  60.  Werdech  daer  ave,  Teest.  1367.  Die  soet- 
heit  daer  of,  Rtjmb.  60.  Onvroet  daer  of,  Lanc.  II, 
16709.  Daer  af  spreken,  MLoep  I,  2446.  So  wat 
daer  of  gesciet,  Stoke  IV,  1298.  Daer  al  die  werelt 
ave  dranc,  Lsp.  I,  23,  128.  Daer  8i  niet  meer  af 
en  weten.  Rein.  I,  21.  Daer  men  af  leest,  Rijmb. 
746.  Diegene  .  .  daert  Arrius  ende  Ënsebius  af 
wilden,  Sp.  II*,  2,  13.  Daer  si  of  natten  die 
bederve ,  Stoke  1 ,  22.  Daer  si  yet  en  twint  bemert 
mocht  wesen  ave,  Lutg.  I,  694.  Zjjn  siele,  daer 
derde   den  lichame  had  beloken  af,  II,  198.  Alsi 

3uamen  daer  af  verre ,  II ,  1360.  Dine  diere,  aldaer 
n  af  waers  geleet,  Sp.  II*,  23,616.  £1  en  wondire 
niet  ave,  Parth.  6826.  God  gevere  mi  af  al  goet, 
Rein.  I,  1042.  Bedi  ben  icker  af  in  vare,  Ferg. 
2033.  Niewer  een  .  .  diere  af  conste ,  Rijmb.  9662. 
Diere  node  soude  liegen  ave,  Lorr.  I,  40.  Diere 
ave  condich  was  ende  wijs,  L.  o.  H.  4060  (in  den 
tekst:  ané).  Waert  sijn,  hy  deelter  zeker  of ,  Hild. 
89,  43.  Daer  hi  toechde  Gods  wet  ende  wasser  af 
gevaen,  Sp.  II*,  29,  29.  Offer  af  plie  ghemac  te 
comen,  Overzee  141.  (Hi)  verhogheder  af,  Parth. 
7203.  De  moster  emmer  vallen  ave,  Stoke  Vil, 
919.  Waer  af  die  pais  sal  comen,  Parth.  7992. 
Yegerincs  af,  Lorr.  II,  3993.  Niegerincs  ave,  II, 
104.  Niewerinc  af,  Lane.  II,  14648;  enz.  —  Meer- 
malen vindt  men,  vooral  in  Zeeawsche  stukken, 
bij  dit  of  het  vnw.  by w.  daer  verzwegen ,  althans 
schijnbaar,  immers  het  ende  ^  waarmede  steeds  de 
zin  begint,  moet  als  daer  worden  opgevat.  Zie 
Taalk.  Bijdr.  1 ,  132.  ||  Ende  die  dach  of  was 
ad  Martini,  Rek.  v.  Zeel.  2,  48;  310.  Ende  die 
daghe  of  waren,  waarvan  de  termijnen  waren ^  49 
driemaal,  vgl.  311:  daer  die  daghe  of  waren, 
terwQl  op  dezelfde blz. driemalen  ende  voor  daer 
wordt  gebruikt.  Zoo  ook  401 ,  waar  men  beide  uit- 
drukkingen vindt,  e.  e.  —  Ook  gewoon  in  ver- 
binding met  de  bijwoorden  van  plaats :  doen  en  waen, 
in  de  uitdrukkingen  danof,  daarvan ,  en  wanof,  waar- 
van. Il  Volghende  den  ouden  wettelicheden ,  die  zy 
danof  hebben ,  Belg.  Mtu.  7 ,  26.  Van  allen  andren 
sticken  danof  dat  scepenen  sullen  syn  ghesworen, 
Cout,  V.  Bnigge  1 ,  249.  Ende  danof  van  mijns 
gheduchten  Heeren  weghe  den  register  te  hondene , 
Diericx ,  Mém.  1 ,  280.  Van  persoenen  die  in  van- 
ghenessen  sgn  danof  es  de  Clerc  schuldich  te 
hebbene  vier  groeten,  281.  Ende  danof  hemlieden 
ghegeven  brieve,  ZVl.  Bijdr.  3,  276  (a.  1379). 
Danof  zullen  betalen  cooper  ende  vercooper  elc 
deen  helt,  3,  278.  Danof  te  gheldeue  deene  helt- 
Hcheede  tOnser  Vrauwen  daghe,  4,  322  {a.  1410). 
65  ffi  14  s.  6  d.  gr.,  waen  af  hemlieden  betaelt 
was..  36  ffi  4  s.  6  d.  gr.,  Rek.  v.  Gent  1,  467. 
Van  32  wagheuen,  waen  af  de  twee,  die  scepenen 
kisten  voerden,  adden  8  gr.  sdaghes,  1,  473.  81 
sergante ,  waen  af  dat  waren  . .  3  banieredraghers , 
480.  Van  der  claghe,  wanof  dat  hie  sal  sijn  ghe- 
vanghen,  Cout.  v.  Brugge  1,  262.  Wanof  het  leste 
als  nu  geschiet  is  te  kersavont ,  Belg.  Mm.  1 , 
42.  —  Zie  verder  bij  Da  en  en  Waen  en  Danof 
als  bijw.  van  plaats.  —  Overtollig  wordt  af  na 
van  gebruikt  in  Grimb.  I,  4060:  „  Fan  der  ierste 
was  leitsman  ave  van  Vianen  die  stoute  grave," 
en  in  Jjiitg.  1 ,  393 :  „  Dat  van  de  cleerheit ,  die 
hi  gaf,  de  werelt  al  verderen  mocht  a/".  Vgl.  ons 
van  '  aj\  ook  in  de  uitdr.  ergens  niets  van  af  weten. 
2)  In  de  volgende  uitdrukkingen:  —  Af  ende 
a  n  e  (a e n ,  an) ,  nu  en  dan ,  van  tijd  tot  tijd.  \\  Ende 
men  af  ende  an  bi  rade  heren  core  bi  den  senaturen , 
Sp.  I«,  1,  8.  (1«,  18,  16  en36  behoort  a/eytafe a»  bij 
doen).  Dits  wonder,  dat  af  ende  ane  dus  doet  tweerhandc 


ghedane,  nu  op  twater,  nu  op  tlant,  Na/.  Bl.lV , 
33.  —  Of  toe  of  of  (af),  nuofdan,biJdeeeneof 
andere  gelegenheid.  Vgl.  onze  uitdr.  af  en  toe.  || 
Niemen  en  houdem  an  dat  belof,  daermen  es  oft 
toe  ofl  of  anecomende  .  .  met  looshede  of  met  be- 
dwange,  Sp.  I",  8,  6.  —  Af  no  an  (toe),  de 
ontkenning  der  vorige  uitdrukkingen,  dus :  noch  nm 
noch  dan ,  d.  i.  volstrekt  niet ,  in  7  geheel  niet.  || 
Melioer ,  diere  af  no  toe  gheen  woort  niet  ne  seide 
doe,  Parth.  4633.  (Dat)  sire  niet  in  en  driven 
woert   no   lettere,   af  no   an,    Wap.  Mart.  III,  6. 

3)  Af  drukt  ook  den  grond  uit  voor  de  eeiie 
of  andere  handeling.  ||  Waer  af,  op  welken  ^ond^ 
uit  welken  hoofde ,  sal  ie  u  dit  geven?  Limh.  V, 
86.  Ui  diende  sinen  here  niewaer  af  el,  maer 
datti  hem  gaderde  scat,  Parth.  140.  Sine  weten 
noch  niet . . ,  waer  ave  dat  si  syn  gespard ,  Velth. 
V,  48,  18  (in  den  tekst  verkeerdelyk  ane). 

4)  Jf  op  zich  zelf  genomen  of  in  verbinding 
met  WW.,  die  eene  beweging  uitdrukken,  ge«ft 
eene  verwijdering  te  kennen  en  staat  dan  in  betee- 
kenis  met  ons  byw.  weg  geiyk.  Zoo  in  Afgmen^ 
Af  comen  ^  Afriden  enz.  ||  Tors  maectem  dapperl^c 
daer  of,  ¥erg.  606  {verg.  2769).  Dat  tekgn  noit 
af  en  quam,  ging  nooit  weg,  verdween  nooit,  Sp. 
III»,  80,  83.  —  Ook  expletief  by  een  ww. ,  dat 
reeds  eene  beweging  naar  beneden  uitdrukt.  ||  (Hi) 
stacken  weder  dat  hi  ave  van  sinen  orsse  neder- 
vel ,  Grimb.  II ,  3170.  —  Vooral  gewoon  was  de  uit- 
drukking: —  Bat  af,  bet  af^  verder  af,  op 
eenigen  afstand,  Ferg.  967;  Maget  van  Gent  171; 
Sp.  III',  26,  76;  38,  66;  49,  22;  IV»,  10,  23; 
24 ,  66 ;  enz.  Zie  verder  Bet.  —  Vandaar ,  in  verbiB- 
ding  met  de  ww.  sijn,  wesen  oï werden,  de  uitdrukkin- 
gen :  —  Afsyn,  wesen,  of  werden,  van  dat- 
gene gezegd,  wat  verwijderd  of  weggedaan  is,  Tooral  in 
tweeledige  opvatting,  naar  gelang  het  van  aaken 
of  van  personen   gebezigd  wordt  Verg.  Afdoen. 

a)  Van  zaken.  —  a)  Van  lichaamsdeelen.  Van 
het  lichaam  gescheiden  zijn,  afgeslagen  zijn.  \\  Die 
een  coc  is  ghelopen  ter  saten,  dien  die  arme 
waren  of,  Segh.  987.  Mine  arme,  des  hebic^rief, 
si  waren  af  eer  iet  besief,  1003.  —  Ook  met 
ellips  van  het  ww.  sijn.  \\  Alsoo  van  Ytterne  die 
heere  sach  synen  arm  af,  Grimb.  II,  3462. 

^  Van  vlekken  ,  smetten ,  in  eigenlyken  ain  en  fi- 
guurlijke toepassing.  Verdwenen  zijn.  Ook  met  den 
3den  nv.  des  persoons:  Enen  af  }i\]Vi,vaniewumd 
weggenomen  zijn,  iemand  niet  aankleven.  \\  Sone 
waren  haer  niet  de  souden  af,  OVl.  Lied.  en  Ged. 
498,  216. 

y)  Van  instellingen  ,  wetten  ,  verordeningen  , 
vorderingen,  aanspraken  enz.  Af  gedaan ,  af  gesteld , 
afgesc/taft,  ingeti'okken ,  vervallen  zijn.  ||  Dat  dat 
regiment  van  den  negenen  of  wesen  soude,  V.  d. 
Wall  667,  aant.  17  {a.  1430).  Alsulck  recht  .  . 
dat  sal  oflF  wesen ,  Mieris  4 ,  6644  {a.  1420).  Alle 
rechtvorderingeu  . .  sullen  aen  beyden  syden  claer- 
lijck  af  wesen,  4,  6864  (a.  1423).  Hiermede  sel 
die  oude  kuer . .  dan  of  ende  te  niet  wesen ,  Lei^. 
Keurb.  153 ,  6.  Dat  alsulcken  yrste  verbodingen  . . 
afT  sijn  soelen,  Nijh.  4,  130  {a.  1436).  Aff  ende 
quijt  weseu,  afgesteld  en  vervallen,  320  {a.  1461). 
Aflf  ende  te  niete  wesen,  O.  R.  v.  Dordr.  2, 106.  —  Ook 
met  ellips  w&nYiei'W'w.  sijn.  ||  Dat  men  heeren  Eduwart 
. .  tolle  ende  tolhuys  te  Lobede  . .  weder  sal  leveren , 
ende  alle  onrechte  tollen  af,  Nijh.  2,  106  (a.  1358). 

d)  Van  zaken,  die  niet  meer  bruikbaar  agn, 
ons  op.  II  Mits  dat  de  oude  orane  met  allen  af 
was  ende  versleten,  Invent.  v.  Brugge  6,  319. 

ó)    Van    personen.    Afgezet,   ontslagen    zijn   (uit 


205 


AEXG. 


AFBE. 


206 


een  ambt).  ||  Soe  selen  si  af  sijn  ende  nimmermeer 
riclitere   werden   daer   na,    Willems,   Meng.  464, 
455.   —  Met  den  2den  nv.  Des  af  sfjn,  des  af 
wesen,    van    ieta    af  sijn,    van  iets  oniêlagen  of 
beroofd  zijn,   \\   Alse  gi   des  al  ave  sijt,  Lorr,  I, 
909.   Sijns  scoenheits  ware  hiere  met  ave,  Limb. 
I,   904.   Na   es   die   maget  dies   ronwen  ave,  I, 
2221.  Ine   wane  niet  hine  waers  na  ave,  y,648. 
Nu    es    Heinriic  .  .    siere   pinen   af,    XII,    1389. 
Want  hi   des  riken  was  al  af,  Sp.  III»,  52,  58. 
Die  coninc  van  Ynghelant  es  alles  af,  Parth.  5939. 
Sekerlijc   so   es   hi  of  eere  goeder  hulpen,  Belg, 
Mus.  7,  447,  212.  Dat  ie  deser  werelt  mach  wesen 
af.  Hor.  Belg.  10,  249,  9.  Dat  sie  van  oirre  eren 
wegen   des   nyet   aff  wesen  en  moiohten,  Nijh.  4, 
206  (a.  1445).  —  Later  werd,  in  Holland  althans , 
de   genit.   verwaarloosd   en   door  den  ace.  vervan- 
gen.   II   Wye  siin  poirterscip  na  dyen  drye  jairen 
off   wesen    wille,    O.  K.    v.   Brielle  8.  Hadde  hijt 
mogen    of    wesen,     Aet   hmnen   ontgaan,    Matth. 
217.  Als  hy  begeert  sijn  poirterrecht  ofte  wesen, 
127.   —  Des  af  werden,  van  iets  afkomen,  van 
iets  ontslagen  of  beroofd  worden.  \\  Hoe  werdic  dus 
mijns  levens  ave!  Belg.  Mus.  7,  445,  134. 

AFBERNEN  (afberenen,  afberrenen),  zw. 
WW.  bedr.  Zie  Bernen.  Mnd.  afbernen. 

1)  Door  branden  wegnemen,  afbranden.  \\  Dat  si 
hem  in  haerre  kintschede  die  rechter  borst  af- 
bernden  mede,  Sp.  I*,  38,  60.  Ie  dede  hem 
bemen  af  dat  haer,  B>ein.  I,  1506.  Den  16  Juni 
was  hy  up  pellorin  ghestelt,  aldaer  hem  sijn  haer 
afgheberrent  was ,  Cannaert  51.  Ghi  sult  dat  vleisk 
of  bernen  mit  een  scerp  bernende  wapen,  Lanfr. 
123p.  Dan  suldi  of  bernen  datter  vervuult  is  van 
den  bene,  ald. 

2)  Door  branden  verwoesten,  afbranden,  tot  den 
grond  toe  verbranden,  platbranden.  Ook  met  den 
3den  nv.  van  den  persoon,  ten  wiens  nadeele  het 
geschiedt.  ||  XXX  scepe  noch  myn  noch  mee 
werden  hem  af  bernt  in  die  zee ,  Troyen  f.  233*. 
Die  grave  Boudin,  die  heelt  coene,  berende  af 
des  keysers  palays,  VI.  lUjmkr.  635.  So  dat  hem 
Florens  ter  stonde  of  bernde  sine  veste  Lexmonde , 
Stoke  II,  303.  Ende  bernden  torp  al  ave,  Heelu 
2095.  Ende  bernde  Lomelle  een  dorp  ave,  Velth. 
II,  47,  58.  Ende  bernede  hem  zijn  palais  ave, 
VI.  Rijmkr.  362.  Hi  bernt  hem  of  die  woenstede 
sine,  Lucid.  5013.  Die  .  .  bisscop  .  .  tooch  in 
den  gestichte  van  Munster,  daer  Jan  van  Raesfelt 
geseten  was ,  ende  bernde  hem  of  al  dat  hy  buten 
slants  hadde,  Matth.  Anal.  3,  294.  Van  den  torre 
van  Westcappelle ,  die  bi  den  Ingelschen  afgeber- 
rent  heeft  gezijn,  ZVl.  Bijdr.  4,  317.  —  In  de- 
zelfde beteekenis  gold  ook  het  grondwoord: 

AFBERREN  {bar,  borren,  geborren),  st.  ww. 
bedr.  Zie  Berren  en  verg.  het  vorige  art.  Af- 
branden, platbranden.  \\  Ende  salre  u  toe  met 
crachte  .  .  dwingen  ende  dat  lant  af  berren,  Grimb. 

I ,  619.  Dat  men  on.s  in  corter  stont  af  sal  berren 
in  den  gront,  opdat  wy  den  strijt  verliesen,  I, 
4975,  óf  de  personen  {ons)  op  te  vatten  als 
hunne  bezittingen,  óf  voor  af  te  lezen  al  (var. 
Ende  men  ons  bernen  sal  in  den  gront).  Ende 
wilt  hijs  niet  doen  in  tide,  ende  hy  ondergaet  in 
den  stride,   men  sal  hem  sijn  goet  af  berren  saen, 

II,  1176.  Ende  maken  wi  vore  die  porte  een  vier, 
dat  vreeseliic  si  ende  onghier,  ende  berren  wi 
dene  porte  ave,  Limb.  V,  345. 

AFBETEN    (afbekten),    zw.    ww.    onz.    Zie 
Beten.  Afstijgen,  vooral  van  paard  of  wagen.    || 
Doe  beti  of  mettesen  dinghen  ende  vergorde  vaste 


sijn  paert,  Wal.  4970.  Daerwaert  reet  hi  sinen  draf ; 
voor  den  palayse  beetti  af,  Parth.  536.  Hine  wiste 
waer  beten  ave  noch  waer  sine  paerde  doen,  Limb. 
y,  264.  Ende  mit  tien  so  qnam  .die  heer  inghereden, 
ende  hi  beet  af.  Vrouw.  e.  M.  VIII,  128.  ïiersten 
dat  geënt  part  was  mat,  het  sprac  ten  man,  die 
op  hem  sat:  soete  vrient,  beet  of,  ie  ben  moede, 
gef  mi  orlof,  Esop.  XX ,  19.  Dies  es  hi  vroet ,  eist 
wyf  of  man,  die  hier  te  tijt  of beeten. can,  Praet 
1493.  Betet  af  ende  cornet  naer,  Ferg.  4422.  De 
jonckers  van  der  jonckerie  behooren  te  stellene 
den  steghereep  in  den  voet  van  den  Prince,  ende 
hem  helpen  omme  op  te  sittene  ende  af  te  beetene 
van  synen  peerde,  Matth.  Anal.  1,  291.  De  doot 
es  .  .  taf  beeten  van  eenen  verwoeden  peerde, 
tuytcommen  van  eenen  vallenden  huse,  Vert.  v. 
Boet.  f.  2,  aang.  bij  Huyd.  op  Stoke  2,  bl.  587. 

AFBEUREN  (afbueren,  afbüren,  afboeren), 
zw.  WW.  bedr. 

1)  Af  beuren,  afiichten,  af  tillen,  de  hedendaag- 
sche  beteekenis.  ||  Si  sach  den  steen  ofgheboert 
van  den  grave ,  Es.  71 ,  Joh.  20 ,  1.  Jhesus  seide : 
Buert  of  den  steen;  doe  buerden  si  den  steen  of, 
Hs.  Evang.,  Joh.  11,  39  en  41. 

2)  Van  geld,  als  pacht,  schatting  enz.  Beuren, 
in  afbetaling  ontvangen.  \\  Soe  wie  dattet  lant ,  dat 
gelegen  is  in  den  nyebrueck  voors.,  van  dien 
daegen  dat  wy  onsen  ersten  pacht  affgebeurt  heb- 
ben, coept  oft  vercoopt,  Ngh.  1,  237  {a.  1328). 
Dat  zy  die  eyne  schattinghe,  die  in  den  lande 
van  Zutphen  avergegeven  is  ind  deels  verwesen, 
voirtan  sullen  off  mogen  doin  boeren,  5,  144* (a. 
1481). 

3)  Korten,  inhouden.  \\  Na  Sente  Pieters 
daghe . .  zalmen  zine  knape  betalen  sonder  yement 
daer  of  af  te  buren,  voer  dat  hem  die  drie  hon» 
dert  pont  alvol  betaelt  sijn ,  Mieris  2 ,  191*  {a.  1317). 

AFBITEN  {beet,  beten,  gebeten),  si.  ww.  bedr. 
Mnd.  afbiten. 

1)  De  hedendaagsche  beteekenis:  Enen  sijn 
hooft,  die  oren  — ,  Nat.  Bl.  VI,  828;  Bijmb. 
20763,  enz. 

2)  Figuurlijk.  Die  logene  — ,  de  leugen  af- 
snijden, verre  verwijderd  houden.  ||  Dat  ie  na  alle 
mijn  vermogen  die  rechte  waerheit  hebbe  vertogen , 
ende   die  logene  afghebeten,  Brab.  Y.  VI,  11951. 

AFBLIVEN  {bleef,  bleven,  gebleven),  st.  ww. 
onz.  Bij  Kil.  abesse,  deesse. 

1)  Wegblijven.  \\  Dat  si,  mit  dicke  totten heilighen 
sacrament  te  gaen,  niet  meer  verblindet  en  werden 
alset  dicwyl  geschiet.  Ende  het  soude  hem  beter 
geweest  hebben  dat  si  daer  ofgebleven  hadden. 
Stemmen  113. 

2)  Achterwege  blijven,  onvermeld  blijven.  W^fdxen 
die  Inden  niet  bekent,  ie  sette  horen  name  int 
perkement;  mer  tis  beter  affghebleven,  Mloep  IV, 
(var.  af tergeb leven). 

3)  Met  den  2den  nv.  Des  — ,  er  verwijderd  en 
verre  van  blijven,  dus  er  van  beroofd  of  verstoken 
blijven.  \\  Gi  blivet  van  Henegouwen  grave,  ende 
mijn  soen  sals  bliven  ave,  Stoke  III,  1379.  Ie  ben 
onder  die  Sarrasine!  wat  sal  seggen  die  moeder 
mine  ende  miin  vader  die  grave?  vortmeer  bliven 
si  miins  ave,  Limb.  V,  1681  (Men  kan  ave  hier 
ook  als  onafhankelijk  bijw.  opvatten ,  vgl.  af  4  b). 

4)  Met  den  2den  nv.  Des  ^ — ,  zich  er  niet  mede 
inlaten,  zich  er  van  onthouden.  \\  Ende  siedi  eenich 
quade  teekine,  soe  blift  af  der  curen,  op  dat  ghi 
moght,  ofte  en  ware  dat  jou  de  vrienden  baden. 
Jan  Yp.  88. 

AFBORGEN,   zw.  ww.  bedr.  Met  den  3den  nv. 


207 


AFBR. 


AFBR. 


208 


(les  persoons.  Enen  iet  — ,  ietê  van  iemand  borgen , 
iemand  ieti  afieenen.  ||  Overmits  dat  veel  van  den 
burgers  hnere  portie  inhilden  tegens  de  sculden, 
die  de  knechten  hem  afgeborcht  hadden,  Inform. 
414.  Wat  si  den  lieden  of  borgen  of  ontbonden 
connen,  dat  denct  (1.  dnnct)  hem  al  ghewonnen 
wesen,  Con.  Som.  270. 

AFBRANDEN,  zw.  ww.  bedr.  Verg.  Afbernen 
en  Afberren.  Met  den  3den  nv.  Door  branden 
verwoesten,  ten  nadeele  van  iemand  platbranden.  || 
Ënde  die  hertoge  .  .  brande  hem  af  derghelike 
haer  lant  tot  Grimbergen  toe ,  Orimb.  1 ,  2719.  Dat  si 
hem  ofbranden  beyde  winterhuns  ende  somerhuys , 
Matth.  Anal.  3 ,  102.  Molens ,  die  hem  ofgebrant 
waeren,  Enq.  667. 

AFBBEC  (afbreec)  -breke,  znw.  onz.  (en  ml.). 

1)  Afbrokkeling ,  aftlag  van  land  door  water.  Zie 
Afbreken  onz.  2).  ||  Dat  heer  Daniel . .  den  nieuwen 
dijck  niet  langer  honden  en  wonde,  overmits  noot 
ende  afbreek,  die  daer  geschien mochte ,  Miens2, 
744^  (a.  1347).  (Die  polder)  heeft  groete  last  van 
dijckaege  overmits  tofifbreeck  van  hnere  gorssingen, 
Enq.  291.  12  haertsteden  . .  zyn  vergaen  overmits 
den  ofbreck  van  den  lande  by  de  meeren ,  Inform.  66. 

2)  Afbreuk,  tekortdoening,  schatting,  korting, 
door  iemand  meer  te  laten  betalen  dan  het  ver- 
schuldigde. Zie  afbreken  bedr.  3)  en  verg.  Af- 
BREKiNGE  en  ons  afbreuk.  \\  Hier  mede  sullen 
hoir  burgers  veylich  varen  ende  keeren  over  al 
in  onse  landen  mit  hoirren  gueden  .  .  sonder 
anders  enich  afbreeck,  of  *  enich  ander  rechtop 
hen  oft  hoirre  goeden  te  leggen,  Mieris  3,  683^ 
{a.  1398).  Sonder  eenige  tollen  of  ofbreck  te  geven 
of  te  betalen  van  horen  scepen,  726«  (a.  1400). 
Van  de  marcktoUen  .  .  vrye  varen  ende  keeren 
sonder  eenig  afbreeck,  ende  sonder  jet  daer  af  te 
geven,  4,  211a  {a.  1412).  Sonder  eenich  afbreek 
of  lette,  3, 209«ra.  1367.)  Enen  penninc  vrfles  gelts  . . 
zonder  enighernande  afbrec,  O.  W.  v.  Amst.  21,' 
19.  Vrij  wesen  .  .  van  te  mogen  koopen,  sonder 
eenigh  ofbrec,  Handv.  v.  Alkm.  26*. 

3)  Aftrek,  het  gedeeltelijk  onvoldaan  of  onvervuld 
laten  y  van  eene  schuld  of  verplichting.  ||  Alle  ons 
liefs  vaders  scult  .  .  te  betalen  ende  te  houden . . 
sonder  enigerhande  ofbreck,  Mieris,  4, 343a (a.  1416). 
Alle  dese  voirsz.  punten  .  .  volcomelic  te  houden  . . 
sonder  enich  afbreek,  ald.  b.  var.  Dat  alle  die 
ghene  die  exciseners  siin ,  van  enen  ygeliken  vollen 
excijs  nemen  sullen,  sonder  offbreck  van  eiken 
vollen  vate,  O.  K-  v.  Brielle  73,  3. 

AFBREKEN  {brac,  braken,  gebroken),  st.  ww.  onz., 
bedr.  en  wederk.  Verg.  Aftebreken.  iind. afbreken. 

Onz.  —  1)  Met  een  persoon  als  onderwerp  en 
een  ander  persoon  in  den  3den  nv.  Enen  — ,  van 
iemand  afvallen,  zich  afscheiden,  iemand  ontgaan. 
Kil.  desdscere,  deficere.  \\  Dat  den  keyser  sine 
liede  vele  afgingen  ende  afbraken,  Sp.  IV»,  11, 
•  48,  Dat  hen  die  joncvrouwen  afbraken,  daer  si 
ane  hadden  gewaent  genaken,  II',  44,163.  —  Ook 
met  weglating  van  den  3den  pers.  Hier  bi  waest 
dat  Home  brac  af,  ende  bi  hem  enen  keyser  coos, 
Sp.  IV',  1,  8  (d.  i.  y^zich  (van  het  Grieksche  rijk) 
afscheidde'*'').  Dat  onse  vorderen  af-braken  tier  tijt 
dat  tlant  gaf  die  keyser  van  den  Roomschen  rike 
enen  Godevaerde  van  Lothrike,  Grimb.  I,  6347. 

2)  Met  eene  zaak  als  onderwerp.  Losbreken, 
zich  afscheiden  van  datgene,  waaraan  het  verbonden 
was.  II  Bi  des  heren  jegenwordichede  braken  of 
al  daer  ter  stede  sine  boeien,  Franc.  9329.  Weert 
dat  enich  stoer  {steur)  ghemeex't  weer  ende  aff  brake , 
Ooerijs.  Becht.  I',  224, 


3)  Met  eene  zaak  als  onderwerp,  t.  w.  eene 
v/arking.  Plotseling  ophouden,  jj  Men  begrijpt  lachier 
(/.  lachen)  alsemen  spreect,  dat  kintscelyc  es  oft 
cort  afbreect,  Sp.  !•,  36,  77. 

4)  Opbreken.  \\  Dat  die  Turckx  Keyser  .  .  af- 
gebroken was  van  Ween,  omdat  .  .  die  stadt 
hem  tribuyt  hadt  gelooft  te  geven,  Ere.  Cran. 
SOSc, 

6)  Met  den  2den  nv.  der  zaak:  iels  staden, 
uitrusten  van.  ||  Vort  salie  u  doen  verstaen  van 
den  bonken  die  hier  na  gacn,  cortelike  waer  si 
af  spreken,  eer  ie  der  pinen  wille  afbreken,  Sp. 
Dl.  1,  bl.  467,  VS.  1.  Vgl.  bedr.  1. 

Bedr.  —  1)  Van  werkingen  en  toestanden  gezegd. 
Iet  — ,  iets  afbreken,  staken,  doen  ophouden,  de 
hedendaagsche  beteekenis.  j|  Een  heer  hadde  bem 
gegheven  ene  heerlycheit,  die  tzens  galt  sinte 
Servaes,  ende  mit  ghewalt  wolde  hy  dat  breken 
aff,  alsoe  dat  hjjs  nyet  en  gaff,  Serv.  Il,  2012. 
Dien  dienst  brac  hi  ai  daer  na,  Rijmb.  lA22S;en£. 
—  Sonder  afbreken,  zonder  zijn  voornemen  te 
laten  varen ,  zonder  van  zijn  besluit  terug  te  kom^m, 
dus  met  vastbesloten  plan.  Kil.  verklaart  Af- 
breken o.  a.  door  abstinere,  eontinere  se.  Het  zal 
wel  als  bedr.  ww.  te  beschouwen  zyn ,  als  elliptiachc 
uitdrukking,  b.  v.  voor  sinen raet  afbreken.  \\  Dathi 
sonder  afbreken  dat  emmer  wonde  wreken,  Melik. 
3344.  Ende  hi  dat  sonder  afbreken  ende  sonder 
beraden  wilde  wreken ,  3774.  Doe  in  Christus  minne 
ontsteken  therte  myn  sonder  afbreken,  Bel^.  Mns. 
3,  462,  28. 

2)  Van  verbintenissen,  beloften  enz.  let  — , 
iets  verbreken.  \\  (Giericheit)  brectal  of  vorwaerde, 
segelinghe  ende  ghelof,  Grimb.  II,  6464.  Soc 
pijuden  si  hem  af  te  breken  alle  manscap,  hnlde 
ende  eet  van  trouwen ,  Brab.  T.  VI ,  2426.  —  Ook 
met  den  3den  nv.  des  persoons.  ||  Want  doen  die 
heren  hier  ave  die  waerheyt  wisten  ende  sijn 
mesval ,  brakense  hem  af  groot  ende  smal  manscap 
ende  sekerheide,  Orimb.  I,  330. 

3)  Met  den  3den  nv.  des  persoons.  Enen  iet 
— ,  iemand  iets  {met  geweld  of  list)  afnemen ,  ont- 
rooven,  of  wel  ontstelen.  Verg.  Afbrec  en  ons 
afbreuk  doen.  \\  Die  hem ,  sonder  waen ,  swaerlikere 
afbreect  siin  geit  met  siere  dorperliker  gewelt ,  dan 
hem  noit  die  Goten  daden,  ^.  III",  40,83.  Wanen 
comt  di  80  dul  die  wille  te  comene  in  tRoemsche 
rike  stille,  mine  ridders  mi  afbreken?  II*,  17,  3. 
Die  verteren  nacht  ende  dach  so  wat  mendencon- 
vente  afbreken  mach ,  Teest.  3309.  Doe  brae  hy  hem 
die  croen  af,  Troyen  f.  45c.  Wilde  men  hem  sd  hare 
coustumen  teersten  afbreken  ende  ontscumen,  Sp. 
I*,  25,  30.  Marteel  .  .  .  brac  hem  af  haer  doen, 
ende  alle  die  steden  daer  int  lant,  III",  65,  44. 
Ende  hem  trike  avebrac,  III",66,  56.  Daer  hi  hem 
dat  rike  af  brac,  IV «,  38,  12.  Al  eist  dat  si  ter 
noot  afbreken  haren  ondersaten  me  dan  recht , 
Heim.  616  {var.  meer  dan  r.).  Om  andren  of  te 
breken  sjjn  lant  ofte  sine  pale,  Lsp.  III,  26,  96. 
Die  wapene ,  die  de  felle  gebure  ser  Wouters  lieden 
eer  af broken  {voor  afbraken),  Brab.  Y.  III , 
364.  Den  grave,  die  men  tsine  wonde  breken 
ave ,  V ,  674.  Wie  so  hem  was  viant ,  dien  brac  hi 
of  huns  ende  veste,  Stoke  III,  468.  Ende  die  hem 
dat  wilt  afbreken ,  dien  willense  sien  ende  op  hem 
wreken,  Velth.  IV,  10,  77.  Nyemene  af  en  brick 
sijn  goet  met  valschen  listen,  X  Plagh.  1656.  Den 
lieden  breken  ave  beyde  haer  goet  ende  haer  have , 
1626.  Die  hem  den  loeu ,  dien  si  hem  souden  gheven , 
afbreken,  1661.  (God)  sine  claerheit  hem  daer  af  brac^ 
Rtncl.  10G3.  Voert  verbieden  wi,  dat  nochBaeliii, 


209 


AFBR. 


AFBR. 


210 


noch  Rentemeister  .  .  yemand  enich  goed  afdrieghe 
of  ofbreke,  MierU  2,  2126  (a.  1319).  Alsoe  en 
moghen  vi  niemant  tsine  onthouden  noch  afbreken , 
Ned.  Proza  62.  Ende  al  diere  ghelike  breken  zijt 
hemlieden  af  alt  jaer  dore ,  Be^.  Mw,  7 ,  86.  Die 
den  armen  wichteren  dat  hoir  of  breken  mit  onrechte 
scattinghe,  mit  mergengelt  of  riemgelt,  Ctm, 
Som,  21a,  Maendghelt  .  .,  1  welke  hemlieden  eenen 
zekeren  tijt  afghebreken  heeft  ghesjn,  ingehouden 
üf  Invent  v.  Brugge  ^^  113.  —  Ook  met  weglating 
van  den  Sden  ny.  des  persoons.  ||  Doet  der  kerken 
recht,  ende  en  brect  niet  haer  goet  ave,  XPlagh. 
749.  Dat  8V  tonrecht  syn  beschoren,  off  hoir  goe- 
dekyn  offghebroken,  Hild.  18,  182. 

4)    Met   een   persoon   als   voorwerp.  Enen  — , 
iemand  afbreuk  doen^  hem  te  kort  doen,  bettelen.  || 
En  steelt  nyemant  sijn  have  met  valscher  list,  en 
brect  nyemen  ave ,  X  Plagh.  1570. 

Wederk.  —  Hem  afbreken  van  ere  dinc, 
zich  van  iete  losmaken ,  er  van  scheiden,  a/stand 
doen,  II  Om  dat  hoor  dye  voerspoet  deser  werelt 
niet  te  seer  boenen  en  sonde,  soe  brack  si  hoor 
selven  een  luttel  of  van  den  dryen  ghenoochliche- 
den,  Pass.  W,  21b,  Een  pelgrim  pQnt  hem  .  .  of 
te  breken  ende  van  hem  te  ontslaen  die  menigher- 
hande  dinghen  die  hem  alle  daghen . .  hinderen, 
Bern,  W,  12bc. 

AFBEEKEBE  (afbrekre,  afbreker),  znw. 
m.  Zie  Afbreken  bedr.  3.  Afzetter,  iemand  die 
een  ander  afbreuk  doet.  ||  Afbrekeren,  persemeers 
ende  dieve,  alle  in  des  duvels  dienste  si  leven, 
X  Plagh.   1660. 

AFBREEIN6E ,  znw.  vr.  Hetzelfde  als  Afbrec  : 
zie  ald.  Afbreuk,  tekortdoening,  korting , schatting , 
bijzonder  afpersing,  door  iemand  meer  te  laten 
betalen  dan  het  verschuldigde.  ||  Bi  den  vergelden 
van  den  vorseiden  penningen  zeilen  zi  vri  bliven 
van  alre  bede,  ende  van  alre  ofbrekinge  bi  bede, 
Meylink,  Delfl.  Bijl,  67,  62  {a.  1246).  Veylich 
te  varen,  te  reysen  enz.  .  .  sonder  enich  afbre- 
kinge.  Mieris  4,  7836  {a.  1425).  Dat  dese  voirsz. 
poirt^rs . .  vrg  sallen  wesen  van  tolle  ende  van 
allen  of  brekinghen  van  tolle,  K.  en  O.  v.  Delft 
245,  1.  Vrij  bliven  van  alre  bede  ende  van  alre 
ofbrekinghe  bg  bede,  256,  63. 

AFBRINGEN,  afbrengen  {brachte,  gebracht, 
of  broehte ,  gebrocht),  onreg.  zw.  ww.  bedr.  Mnd. 
afbringen, 

1)  Van  personen.  Iemand  brengen  in  den  toe- 
stajid,  waarin  hjj  van  iets  af,  d.  i.  van  iets  ver- 
wijderd of  beroofd  is. 

eC)  Enen  — ,  iemand  van  zijne  partij  afbrengen , 
er  kern,  ontrouw  aan  doen  worden.  \\  Doe  maecti 
an  Dietsce  vort,  dat  si  waren  an  s^n  accort,  ende 
geloefdem  mede  ende  gaf;  ende  aldus  bracht  hise 
af  al  heymelike  ende  met  liste,  dats  die  coninc 
niet  en  wiste,  Velth.  I,  47,  43. 

b)  Enen  des  levens  —  of  des  lijfs  — , 
iemand  om  het  leven  brengen,  ombrengen.  Terg. 
Afdoen.  ||  Ende  hadde  mettem  enen  grave,  die 
hem  broehte  des  levens  ave,  Sp.  III',  19,  9 
(v8.  16:  vermort).  Diederic,  de  vjjfte  grave,  wart 
gebrocht  des  levens  ave,  IV*,  65,  56  (Stoke  I, 
1040  :  vermoorf),  Ende  brochten  slflfs  af,  IV»,  39, 63. 
Beter  wellicht  beschouwt  men  a/ op  deze  plaatsen  als 
een  afzonderlijk  woord  met  de  beteekenis  r(m</^.  Vgl. 
des  af  werden,  kol.  205. 

2)  Van  zaken.  Iets  brengen  in  den  toestand  dat 
het  af,  d.  i.  verwijderd  of  afgesteld  \&,a)  —  Enen 
iet  — ,  iemand  iets  afdoen,  uittrekken,  er  hem  van 
ontdoen.    \\    Den  roe,  die  die  heilege  manmenigen 


dach  gedregen  hadde  an,  .  .  heeft  hem  Anthonijs 
afgebracht,  Sp,  II»,  32,  Vlh,^b)\^\,  —  ,ieU af- 
schaffen, doen  ophouden,  in  onbruik  brengen,  het 
tegengestelde  van  Opbrengen.  Zie  ald.  en  verg. 
Af  (Af  sijn)  en  Afdoen.  ||  Men  mach  met  lichten 
dingen  die  quade  gewoente  niet  weder  afbringen, 
N.  Voet.  635.  Dat  ie  nu  noch  zey,  was  goet  opset. 
Ie  zal  haer  quaetheit  nu  afbrynghen,  NunochlTÓ, 
II  Nog  in  de  17e  eeuw,  b.  v.  V.  Heiten ,  Bemagie  38 : 
dat  die  vuile  gewoonte  af  werd  gebragt, 

AFBROEYEN,  zw.  ww.  bedr.  Zie  Broeyen. 
Met  den  3den  nv.  Enen  iet  — ,  van  iemand  iets 
door  schroeien  wegnemen ,  het  hem  af  schroeien,  \\  Drie 
ysere  hadde  hi  ghegloeit,  daer  hi  tvleesch  hem  mede 
afbroeit,  Segh.  11723. 

AFDALEN,  zw.  ww.  onz.  Afstammen,  Verg. 
Ned.  Wdb.  'op  Afdalen  2,  b),  \\  Van  sinte 
Bertrada  des  groeten  Karels  moeder,  epdevanden 
selven  Kaerle,  ende  van  meer  ander  heylighendie 
hertogen  van  Brabant  afghedaelt  sQn ,  Exc.  Cron.  4c. 
Dye  hertoge  van  Lothrgc  was  als  affghedaelt  van 
den  grave  van  Ardennen,  106c. 

AFDEELACHTICH,  -ech,  -tige  of-  tege,  bnw. 
Zie  Afdelen,  2).  Met  den  2den  nv.  Des  — 
maken,  vervallen  van  iets,  ||  Soe  wat  joncvrou- 
wen  .  .  ontloept  mit  eenen  man  beneden  haren 
vijftien  (zie  het  voorbeeld  bg  afdelicii)  jaren ,  .  . 
die  maken  wy  affdeelachtich  alre  erven  ende  alles 
goeds ,  dat  haer  van  rechte  ancomen  mach ,  Mieris 
2,  169a  {a,  1315). 

AFDELEN  (afdeelen  ,  afdeilen),  zw.  ww, 
bedr.  Mnd.  afdelen» 

1)  Iet  — ,  iets  afscheiden,  iets  afnemen  vaneen 
geheel,  waaraan  het  verbonden  is.  ||  Ghiseltheilech 
maken  ...  die  scoudere  die  ghi  van  dien  wedere 
avedeilet,  Ruusbr.  1,  262. 

2)  Van  goederen,  scheiden,  verdeden.  \\  Alsoo 
verde,  als  sy  (de  goederen)  voort  recht  van  hoeren 
ouderen  niet  ghescheyden  ende  ofghedeylt  zyn. 
Mieris  4,  200a  {a.  1412). 

3)  Enen  — ,  iemand  afscheiden,  hem  ver- 
vallen verklaren  van  iets,  ||  Die  hier  in  bliven,  si 
werden  ghesceiden  ende  afghedeilt  van  den  rike  des 
ewichs  scouwens,  ghelikerwijs  dat  Saul  was  van 
den  rike  van  Israël,  Ruusbr.  6,  242. 

4)  Hem  — ,  zich  afscheiden.  \\  Alle  die  ghene 
die  hem  selven  afdeylen,  ende  in  enighen  punten 
contrarie  sijn  der  heyligher  kerken,  Ruusbr.  3, 
244.  Alle  afghedeilde  menschen  ende  verdorvene 
lede,  die  niet  en  leven  in  enicheit  der  heyligher 
kerken,  246. 

AFDELICH  (afdelech)  -ige  of  -ege,  bnw.Van 
Afdelen,  in  den  zin  van  (iemand)  het  deelgenoot- 
schap (aan  iets)  ontzeggen;  zie  Afdelen  2)  en  verg. 
mnd.  afdelen.  In  de  uitdrukking :Enen  —  maken 
ere  dinc,  ietnand  het  deelgenootschap  aan  iets 
ontzeggen,  van  het  aandeel  van  iets  berooven.  \\ 
So  wUke  jonckvrouwe  of  joncw^f  ontloept  beneden 
haren  v^nien  jaren,  die  hoert  tot  deser  vriheyt, 
die  maken  wi  ofdelich  alre  erven  ende  alles  goets 
dat  haer  aen  mach  comen  mit  rechte ,  Oorkb.  1 , 
246*  (a.  1248).  Vgl.  afdeelachticu. 

AFDELVEN  (dal f,  dolven,  gedolven),  st.  ww. 
bedr.  Afgraven.  \\  Alle  erve  sal  men  meten  ter  halver 
dilven  opten  doelpitte,  ende  ofghedolven  weghe 
daer  yement  over  weghet,  die  salmen  gelden  half 
lant  weghinghen;  die  niet  ofghedolven  eu  siin, 
die  salmen  gelden  half  lant  eenre  roeden  breet, 
Oorkb.  2,  'S40a  (a.  1290).  Datter  omtrent  geheel 
lants  es  100  mergen ,  ende  tander  es  al  ofgeuolven 
landt ,  ende  alsoe  snoode  dattet  niet  en  dooch ,  Injorm. 


211 


AFDI. 


AFDO. 


212 


486.  Tland.  .  .,  tvrelke  de  stede  of  dede  delven  ter 
niewer  veste  bonf,  Invent.  v.  Brugge  3,  407. 

AFDIKEN,  ïw.  WW.  bedr.  Van  een  land.  HeC 
door  middel  van  een  dijk  afsluiten^  af  dij  ken.  Zie 
Ned,  Wdb.  op  Afduken.  ||  Wair  dat  zake  dat  dat 
lant  becontede  ende  ment  diickede  te  cellande, 
dat  sal  men  him  lichten  van  horen  syse  also  groet 
alsment  ofdiicte,  Oorkb.  2,  36U  (a.  1291). 

AFDINGEN,  zw.  ww.  bedr.,  mn^.  af  dingen.  Het 
tegenovergestelde  van  aendingen  2),  dat  niet  jnist 
verklaard  is.  Het  aendingen  aldaar  bet.  hetzelfde 
als  aenwerpen  of  aenbrengen^  en  afdingen  is  dus 
hetzelfde  als  afriden.  Zie  die  woorden,  en  twee 
voorbeelden  van  afdingen  op  Akndingen  2). 

AFDINKEN  {doekte,  gedocht),  onpers.  ww.  Met 
den  3den  nv.  des  persoons  en  den  2den  der  zaak. 
Van  Dinken,   danken   (videri).   Mishagen,  grieven, 
deren.  Ags.  ofthyncan ,   displicere ,  taedere  (Grein , 
Gloii.    2,    321),    het   tegenovergestelde    van   goet 
dinken   (goed  dunken),  placere.  Verg.  hd.  abdenken 
(über  etwat),  afkeurend oordeelen,  en  gr.  dnodoxsl, 
dat  minder  sterk   is  van  beteekenis,  doch  op  de- 
zelfde wjze  gevormd.  Zie  ook  Verdinken.  — Mi 
dinct  des  af,  het  griejt,  het  deert  mij,  in  sterke 
opvatting,    van   iets   ontzettends   gezegd:   het  ver- 
wekt  mij  afichrik    (over   de    daad)    en   deemi*  of 
medelijden   (met  het   slachtoffer).    ||    Ende  dedem 
sonder  genaden  afsniden  alle  sine  lede :  nese ,  lippen 
ende  oren  mede ,  so  dats  eiken  man  afdochte ,  aiene 
anescouwen    mochte,    Sp.   I*,   36,    12.   Daer  men 
snlc  torment  an  wrochte,  dats  menighen  hedinen 
afdochte,  II»,  14,  183.  Hi  swoer  dat  bi  siere  wet, 
tote  Tituse ,  dies  ofdochte ,  dat  men  te  siere  poorten 
brochte   dode   C  dnsent  man,  Rijmb.  32848.  Dats 
dien    Romeynen    afdochte,    miserati  tunt,   32873. 
Dats  enen    afdinken    mochte,   ut  miseranda   esset 
(tanta  mutatio),  34043.  —  Elders  wordt  Af  dinken , 
in  zwakkere  opvatting,   blooteiyk  van  een  gevoel 
van     deernis,     medelijden    of    ontferming    gezegd, 
zonder    bijdenkbeeld    van   afschrik.    ||    Ende    bat 
hertelike  onsen   Here,    so  dats  Gode  van  hemel- 
rike  afdochte,  ende  brachtene  in  siin  rike,  Rijmb. 
14508.  Mettien  quamen  daer  vele  del  fine ,  die  snchte- 
den  sere  ende  mesbaerden ,  als  of  si  ghenade  begaer- 
den ,  80  dats  die  {d.  i.  dien)  coninc  ofdochte ,  ende 
hiet  datmen  dat  dier  ontknochte,  iVaA  J?/.  IV,390. 
Sodatssinen  vrienden  ofdochte,  Rijmb.  18823  var. Die 
(datieO  ofdochte  der  aventure ,  20781  var.  8o  dats 
Gode    onsen    Here     afdochte,    ende   hevet    sinen 
inghele  ghesent,  Amand  I,  929.  Hiet  hi  dat  men 
sonder  afdinken  in  die  see  soude  verdrinken  Cesa- 
reus,   Sp.  II»,  37,  69.  Een  hedijn  man  zachse  te 
bant,   dien   ofdochte   hare   armoede    (rf.   i.  haerre 
armoede),  Franc.  1834.  —  Ook  vereenigd  met  het 
WW.  ontfermen.   ||   Mamet!   deser  mort  moet  u  af- 
dinken ende  ontfermen!   W'ittek.  v.  Sass.  70.  Want 
en  mochte  niet  gescien,  dat  soes  hare  onthouden 
mochte,  hare  nontfaermde  ende  afdochte,  die  hare 
lijf  dor  hare  niet  en  sparen,  Sp.  I',  78,  70.  Vinc. 
„  Neqne  enim  continere  se  potest . .  quin  compatiatur 
eis  in  suis  laboribns**. 

Aanm.  Sp.  I»,  9,  36,  waar  het  hs.  heeft:  „Te 
bant  verkendijt,  ende  hem  dochte  dat  so  vele 
gedogen  mochte" ,  moet  voor  hem  dochte  gelezen 
worden:  hem  afdochte,  of  hem  verdoekte.  Vinc. 
„  quem  recognoscens  et  miserans'\  Ook  Rijmb.  29652 
var.  6',  staat  verkeerdelijk  inheths.:  „Men  sloecht 
al  dat  men  geslaen  mochte,  onthier  dat  Titus 
ofcochte."  Men  leze:  Tituse  ofdochte:  verg.  den 
tekst:   Tt/tnse  verd^ychte. 

AFDOCHT,  znw.   vr.   Van  Afdinken:  verg.  ons 


Achterdocht  voor  achterdocht^  van  Aehlerdemkeu. 
Deernis,  medelijden,  ontferming.  ||  Haerre  tweer 
hebben  si  afdocht  ende  hebbense  haren  coninc 
brocht,  Sp.  II»,  61,  29.  Vinc.  «paemli  .  .  barbt- 
romm  miseraüone  servati". 

AFDOEN  {dode  of  dede,  gedaen,  geb.  wgs  doe 
en  doek  af),  onreg.  ww.  bedr.  en  wederk.  Verg. 
Afgedoen.  Mnd.  afdSn. 

Bedr.  —  I)  Met  eene  zaak  als  voorwerp. 

1)  Van  kleederen  en  wapenen.  Uitdoen,  uittrek- 
ken, afleggen,  de  hedendaagsche  beteekenis.  ||  Eade 
dede  hem  af  alle  sine  cledere ,  Lanc,  UI ,  5926.  Been- 
harnas  ende  coppen  mede  dede  sj  af  daer  ter 
stede,  Troyen  f.  82Ó.  Doe  af  dine  scoen,  Rijmb. 
3677.  Ende  hevet  haer  handscoen  afgedaen,  Sp. 
V,  65,  205.  Doe  dine  diere  cleedere  ave,  II', 
3,  63.  (Hi)  ginc  afdoen  cleedre,  conseii  ende 
scoen ,  Boerden  \\ ,  126.  Doch  of  dat  ghescoejte  djnie 
voeten ,  Hs  76  /.  138tf.  —  In  byzondere  opvatting : 
—  Sine  wapine  afdoen,  de  wapenen  neder- 
leggen,  den  strijd  staken.  \\  Hare  wapenen  hebben 
si  afgedaen,  ende  maecten  pays  jegen  die  stede, 
Sp.  V,  67,  40.  —  Den  caproen  afdoen,  de 
muts  afnemen,  uit  eerbied  of  beleefdheid.  ||  Om 
die  reverentie  daer  af  doetmen  den  caproen  af, 
Lsp.  II,  62,  70.  Ghi  sult  ooc  n wen  caproen  jeghea 
den  betren  ofdoen,  III,  4, 101.—  Sine  toveringe 
afdoen,  zijne  toovenarij  afleggen,  met  zijn  toover- 
kunsten  ophouden.  \\  Si  sal  avedoen  hare  qnade 
toveringhe,  Limb.  I,  2046. 

2)  Iet  afdoen,  iets  wegdoen ,  verwijderen^  weg- 
nemen. Hetzij  absoluut,  hetzij  vergezeld  van  eene 
bepaling  met  het  voorz.  van,  ter  aanwyzing  vaa 
het  voorwerp,  waarvan  men  iets  wegneemt.  Ook 
met  den  3den  nv.  des  persoons ,  ter  aanwijzing  van 
den  persoon ,  van  wien  men  iets  verwijdert. 

a)  Van  stoffelijke  zaken ,  in  eigenlyken  zin  en  fi- 
guurlijke toepassing.  ||  Wie  sal  ons  den  steen  doen 
ave  van  der  dore  van  den  grave,  Rijmb.  26723. 
Peper  ofghedaen  die  buut.  Nat.  BI.  IX,  511.  Als 
al  ofghedaen  es  tfel,  IX,  614.  Oec  ghingen  si  alle 
ten  grave  ende  daden  die  erde  ave,  Limb.  Y\, 
2165.  Herman!  doet  u  bant  af  ende  laet  minen 
vogel  staen,  Velth.  III,  44,  46.  Alse  die  vrowen 
totin   grave   auamen,    so   saghen   si  din  steen  af- 

fhedaen  van  den  grave ,  Lev.  v.  J.  e.  234.  Avicenne 
ie  wyst  ons  een  experment  dicke  ghepronft  om 
warten  {wratten)  of  te  doene ,  Jan  Yp.  146.  Si  Terbant 
al  heymelic  een  steecswaert,  dat  tot  des  conincs  hoefde 
hinc,  so  datment  niet  nuttrecken  en  mochte  noch 
ofdoen.  Pass.  /T.  Tld.  Doch  af  die  roestheit  ran 
den  sulver,  Hs.  v.  1423, 184*  (Proverb.  25,  4).  Ende 
bat  sinen  vader  met  groter  droefheden ,  dïat  hi  hem 
den  bitteren  kelc  af  dede,  Fad.  Mus.  2 ,  418 ,  102.  Doe 
verkeerdi  die  dine,  ende  dede  die  mort  af  alle- 
male,  Sp.  IV*,  45,  106  (d.  i.  „nam  alles  weg  w^ 
er  in  den  brief  over  den  moord  was  geschreven*"). 
—  Enen  sijn  hooft  afdoen,  iemands  Aoofd 
van  het  lichaam  scheiden,  hem  onthoofden.  \\  Die 
coninc  dijn  hoeft  ofdoen  sal,  D.  B.  Gen.  40,  19 
(vuig.:  „aujeret  Pharao  caput  tuum").  —  £nen 
doden  man  die  hant  afdoen,  eenen  dooeU 
de  hand  af  houwen,  ten  einde  met  de  doode  Mmmd 
te  klagen.  Verg.  Afwinnen  1,  b,  ^).  Zie  Grimm , 
R.  A.  627  en  880.  |i  Voort  vraecht  die  rechter , 
wat  hy  daer  met  recht  is  schnldich  mede  te 
doen,  ende  dan  soo  wijset  vonnis,  dat  men  hem 
sijn  hant  met  recht  ofdoen  sal.  Voort  soo  vraecht 
die  rechter  an  eenen  vonnis,  welcke  hant  dat  men 
hem  ofdoen  sal ,  ende  dan  zoo  wyset  vonnis , 
zyn   rechter  handt,   Mieris   2,   29a   (a.  1308).  — 


213 


AFDO. 


AFDO. 


214 


Sine  hant  des  afdoen,  de  Aand  van  ieU 
aftrekken.  \\  Maer  hi  es  nu  al  versmord,  ende 
ie  does  mine  hant  nu  ave,  Velth.  VI,  3,  62.  — 
Die  hande  afdoen  van  ere  dinc,  de  han- 
den van  ieiê  aftrekken^  het  laten  varen.  ||  Ende 
wien  80  ghesciet  den  ramp ,  hi  sal  afdoen  die  hande 
▼an  Ingelant  te  siere  scande,  J^.  lY*,  66,  108. 
—  Enen  eens  onrechte  hant  afdoen,  van 
iemand  eens  anders  onrechte  hand  wegnemen ,  iemand 
onttrekken  aan  eens  anders  onrechtmatige  macht.  \\ 
Behondelic  datmen  ons  ofdoen  sal  die  onrechte 
hant  Tan  den  Here  van  Sevenberghen ,  Mieris  3, 
426;  V.  d.  Wall  331  U.  1385).  Dat  wi  dien  van 
Dordrecht  die  onrechte  nant  van  den  moeren  (over 
de  veenen)  ofdoen  sullen  van  den  Here  van  Seven- 
berghen, Mieris  3,428;  V.  d.Wall  382  — Fruut 
afdoen,  vruchten  afplukken.  ||  Lambrecht  ende 
syn  sone  .  .  bevalen  haren  cnapen,  dat  men  al  dat 
fruyt  affdoen  sonde,  Cron.  v.  Vlaend.  1,  61.  — 
Eens  lichame  tLfdoen ,  iemands  lichaam  af nevten, 
i.  w.  van  kruis  of  galg.  Yerg.  II ,  1).  ||  Ie  ben  Jhesus, 
dien  ghi  hier  ziet,  wies  lichame  ghi  daet  af,  Lsp. 
II,  36,  1168.  Te  vespertyde  was  afghedaen  Jhesus 
lichame,  Amand  II,  915.  Josef,  die  syn  jonger 
was,  an  Pilatus  dat  hi  bat,  dat  hi  den  lichame 
mochte  doen  af,  Fad.  Mus.  5,  321.  —  Iet  af- 
doen, iets  afnemen,  t.  w.  van  het  vuur.  ||  Die 
olie  sal  men  setten  op  dat  vier  metten  wasse,  .  . 
ende  alst  ghesmolten  is,  dan  doet  of ,  Jan  Tp.  176. 
Dit  minghet  al  over  een  ende  siedet  in  een  luttel 
wgns  altoes  roerende,  ende  dan  doet  of,  191.  Dit 
salmen  sieden  in  III  stoepe  waters  eene  langhe 
wile  ende  dan  doent  of,  192. 

b)  Yan  onstoffelgke  saken.  ||  So  dat  God  al 
vergaf,  ende  sine  verbolghentheit  dede  af  van  al 
den  ghenen,  die  enz.,  Lsp.  I,  29,  29.  Ende  wert 
dat  hi  sine  hoede  afdade  also  langhe  alse  een 
ogheopslaen,  het  soude  al  te  nieute  gaen,  Teest. 
1530.  Waer  dat  zake,  dat  hem  .  .  enighen  last  of 
binder  quame ,  .  .  om  des  willen  datsi  . .  Frederic 
▼an  Blanckenheim  ontfanghen  hebben  tot  enen  bisscop 
tUtrecht,  dat  wi  hem  .  .  dat  willen  ofdoen,  Nyh. 
3,  184  (a.  1393).  —  Die  souden  afdoen,  de 
zonden  wegnemen,  uitdelgen.  \\  Dat  geen  oefeninge 
hebbeliker  en  is  die  souden  mede  of  te  doen, 
Ruusbr.  3,  107.  Nae  den  anderen  Pater  Noster 
ofdede  hi  alle  sunden.  Stemmen  26.  Nochtans  so 
mochten  si  wel  al  soe  groten  rouwe  hebben,  dat 
sy  al  horen  sonden  daer  mede  ofdoen  souden. 
Pass.  ïf.  86.  Dat  vulcomenheit  der  minnen  een  af- 
doen der  sunden  is ,  Sp.  d.  M.  \,  99f .  Doe  hi  sijn 
sonden  ghebyecht  hadde  ende  ofghedaen,  Pass.  W.  81tf. 
'- —  Inzonderheid  gezegd  van  \l^ uitdelgen  der  zonden 
door  Christus  of  de  Heiligen.  ||  Cristus  ne  ware 
niet  noch  en  woude  comen  in  der  werelt  oude, 
dan  om  zonden  af  te  doene,  <^.  III*,  55,  65.  Ende 
om  die  zelve  zonden ,  twaren ,  so  most  al  ter  helle 
varen,  en  dadet  ons  dat  doopsel  niet  af,  dat  ons 
Christus  passie  gaf,  Lsp.  I,  23,  93.  De  minste 
sonde,  sonder  waen,  en  hadde  alle  werelt  niet 
ofgedaen ,  sonder  Jhesus  Kerst  alleine ,  Lucid.  1268. 
Ende  stortes  dynre  herten  medicine,  om  af  te  doene 
de  sonden  mine,  Inst.  2de  kl.  Ferh.  YI",  17  (var. 
of  te  dwane,  OFl.  Lied.  en  Oed.  2,  42).  Doe  of  al 
mine  quaethede ,  OVl.  Lied.  en  Ged.  2 ,  30.  Dyn  soeten 
name,  die  ons  die  werre  van  Adams  sonden  al 
offdede ,  Hild.  92 ,  48.  Quame  hi  ten  doemsdage  om 
of  te  doene  tsmenschen  plage,  Litcid.  1541.  Na  de 
menechte  dynre  ontfarmecheit  soe  doech  af  (voor 
doch  rt/)mine  quaetheit,  doech  af  alle  mine  ongherech- 
ticheiden ,  Vad.  Mus.  2 ,  440.  Dese  sonde  . .  heeft  seute 


Jacop  afgedaen,  Sp.  lY»,  50,  67  (verg.  vs.  55). 
Here,  doet  af  goedertierlic  haer  vlecken  ende 
geweerdicht  haer  sielen  te  verlossen ,  Exc.  Cron.  83a. 

—  Eens  vriheit  (ere)  — ,  iemands  vrijheid 
(eer)  wegnemen,  te  niet  doen.  \\  Ende  daerom  alle 
vriheit  saen  ende  u  ere  werd  afgedaen,  Yelth. 
YII,  31,  56. 

c)  Iet  afdoen,  iets  verre  van  zich  afzetten, 
afwijzen,  versmaden.  \\  Soude  ie  tgoet  vercopen 
dan,  dat  mi  aventure  gaf?  Neen  ie,  twaren,  dat 
doe  ie  af,  Alex.  lY,  2^.  —  Inzonderheid  in  den 
imperat. :  dat  doet  al  af,  d.  i.  dat  zij  verre.  \\ 
Die  rike  waent  datmen  priset,  alsemenne  metten 
vingre  wiset,  dat  dat  si  eere  ende  lof:  neentniet, 
dat  doet  al  of,  Sp.  III»,  5,  99.  Zoo  ook  Sp,  III«, 
27,  63,  enz. 

^  Iet  afdoen,  iets  verbieden,  \\  Zoeystdatwi 
ofdoen  ende  verbieden,  dat  men  nemmermeer  enz. 
Invent.  v.   Brugge  4,  299. 

3)  Iets  brengen  in  den  toestand ,  dat  het  af,  d.  i. 
afgedaan  is;  dus  Afschaffen,  doen  ophouden,  in- 
trekken, van  instellingen,  wetten,  gebruiken  enz. 
gezegd.  Yerg.  Af  (Af  sijn  ,  1)  en  Afbrengen,  2). 
„Afddn,  aholere,''  glosse  by  Graff,  JHut.  2,196. 
II   Dat  hi  de  kore  niet  soude  doen  af,  de  hem  de 

coninc  Willem  gaf,  Stoke  X,  181.  Dien  ban,  die 
een  bisscop  gaf,  en  mach  een  ander  niet  doen  af, 
Sp.  II',  27,  61.  Ende  doe  af  die  costume  daer, 
Lanc.  III,  2163.  Alle  biddende  oerdenen  werden 
afgedaen,  Vad.  Mus.  3,  427,  4.  Wetten  afdoen, 
!^.  III»,  26,  36.  Scattinge  — ,  lU*,  49,  78. 
Onrecht  — ,  Heim.  571.  Dat  men  ofdoe  alle  ghiften  . . , 
die  men  langhe  gheploghen  heeft  te  ghevene, 
ZVl,  Bijdr.  4,  6.  Nochtan  zolden  sie  dat  verbont 
afdoen ,  also  veer  als  dat  scepen  ende  raet  wolden , 
StAdsr.  V.  Zwolle  113, 179.  Ene  verbodinge  (dagvaar- 
ding) afdoen  ende  machteloos  maken,  Nüh.  4,130 
(a.  1436).  Ende  doe  die  was  (/.  was  die)  ordenan- 
tie  afghedaen,  dat  men  nemmer  alsoe  commen  en 
soude  ghewapent  om  ghelt,  Eek.  v.   Gent  1,  219. 

—  Ook  van  personen,  als  de  instelling  vertegen- 
woordigende. [|  Doe  begonden  die  van  Rome  hare 
coninge  te  doene  of,  ende  hadden  raetgevers  int 
hof,  Rijmb.  17888.  Tien  tiden  so  daden  af  mede 
hare  raetgevers  die  Romeine ,  ende  maecter  af  tri- 
bune al  reyne,  18362.  (Hist.  Schol. :  „tribuni  milita- 
res  pro  consulibus  esse  coeperunt.)"  Dat  men  vort 
die  keysers  afdade,  1^,  I',  1,  7.  (Dat)  hi  alle  daf- 
gode  afdede,  I*,  10,  18. 

4)  Uit  den  weg  ruimen,  doen  ophouden,  een  einde 
maken  aan,  van  schulden,  moeilykheden,  twisten 
enz.  Ygl.  eene  schuld  afdoen  en  Flor,  186i0:  „Doe 
si  haren  tol  hadden  afgedaen.  ||  So  wie  poirter 
ontfanghen  worde  te  Leyden,  die  sel  ofdoen  alle 
dat  hi  upheeft  (alle  schuldren,  waarmede  hij  belast 
is)  tot  aien  daghe  toe,  Leid.  Keurb.  16,  15. 
Hl  oft  yemant  van  sire  weghen,  daer  der  stat 
last  of  swaernesse  of  comen  mochte,  de  sel 
der  stat  dat  ofdoen  buten  der  stat  cost ,  of  hi  sel 
uut  der  stat  wesen  .  .  out  der  tijt  toe  dat  hi  der 
stat  dat  ofghedaen  heeft,  R.  v.  Utr. ,  27.  So  wie 
binnen  Antwerpen  gheseten  es  ende  van  yemene 
ghequetst  wordt,  die  sal  selve  sine  ersaterie  af- 
doen ende  sine  meester  loenen ,  Cout.  v.  Antw. 
I,  72,  194.  Wat  hi  teghen  sinte  Martijn  misdaen 
hadde ,  dede  hi  of  mit  peniteneie ,  Pass.  W.  26  c. 
Waer  dat  zake,  dat  hem  .  .  enighen  last  of  hin- 
der quame,  .  .  dat  wi  hem  .  .  dat  willen  ofdoen, 
Nijh.  3 ,  184  (a.  1393).  Die  eire  scove  gave  dan 
den  genen  die  hier  genoemt  zyn,  hi  hadde  ver- 
boert XX  SC,  ende  diese  eyscht  XX  se,  nochtan 


215 


AFDO. 


AFDO. 


216 


moet  hi  hem  avedoen,  bovendien  moet  kij  ken 
tekadeloo*  stellen  voor  het  verlies  van  de  eens  ont- 
vangen sehooven  (?),  Belg.  Mits.  6,  300  (a.  1284); 
Ned.  Proza  14.  I>Eit  hi  hem  pijnde  metten  Graye  de 
grote  Yeete  te  doen  ave ,  Stoke  IV ,  185.  Dns  worden 
.  .  alle  die  vede  afghedaen,  W^rake  III,  1951. 
En  hadden  die  veede  afghedaen ,  Srab.  Y. 
VII,  13646.  Dat  wi  onsen  bnider  heren  Edwart 
(datief)  yan  Gelren  af  doen  schadeloos  stellen  (?) 
soelen  ende  (nl.  doen)  weder  hebben  die  stat  van 
Embric  ende  alle  guet,  dat  enz.,  Nyh.  2,  79  {a. 
1365). 

5)  Afbreken^  opbreken^  t.  w.  huisen,  tenten, 
brnggen,  belegeringswerktnigen  ens.  ||  Diebrac- 
gen,  die  tier  tyt  yan  yresen  af  waren  gedaen, 
iMnc.  III,  15985.  Met  een  hnsekinne,  .  .  dat  de 
yoorseyde  weduwe  af  heeft  doen  doen,  Diericx, 
Mém.  2,  261  (a.  1447).  Soe  wie  dat  ghequetst 
worde  .  .  yan  hnsen,  dair  mense  op  ochteafdade, 
(Jout.  V.  Waelhem  18.  Van  den  selyen  springalen 
ende  pawellioenen  af  te  doene  ende  te  scepe  te 
yoeren,  Bek.  v.  Gent  1,  349.  Van  den  tenten  en- 
de pauwelioenen  .  .  te  yoeme  met  scepen,  ende 
springalen  af  te  doene,  in  de  scepe  te  doene  ende 
weder  nte  te  doene,  475  Aani.  7  daghen  die  sij 
piinden  .  .  an  de  engiene  ende  pawelioene  af  te 
doene  ende  te  ladene,  496. 

6)  Vertooesten^  vernielen^  verdelgen^  t.  w.  eene 
vgandeiyke  stad,  plaats,  landstreek,  legermacht 
enz.  II  Dat  si  t Akers  qoamen  gereet,  ende 
dat  ofdaden  in  den  gront,  Sp.  IV»,  37,  22. 
Dede  yan  HenegonWe  die  graye  sente  Amants 
ende  OrsQs  aye  met  brande  ende  mitten  swaerde, 
Edew  1555.  Dat  hi  yergaderde  mogendelike  groet 
yolc,  om  met  machte  af  te  doene  die  yier  Am- 
bachte,  Vl.  Rijmkr.  10127  (zoo  ook  10184).  Hi 
brac  beelde  te  hand  aldare,  ende  dede  af  dat  in 
den  temple  gheyen  mochte  qnade  exemple ,  Amand 

1,  3549.  Der  onghenadigher  huys  sel  werden  af- 
ghedaen,  B.  v.  1423,  174c  {Proverb.  14, 11).  Ende 
verbranden  ende  daden  of  yan  Walecoert  myns 
heren  Diederics  hof,  Brab.  T.  V,  3041.  Doen  voren 
dander  tot  Witham  .  .  ende  wilden  dat  afdoen 
tsamen,  Velth.  II,  51,  58.  Dattie  grave  van  Gelre 
Tielne  wilde  doen  ave,  II,  50,  47.  Wat  dat  bin- 
nen mure  stont  dede  men  af  tote  in  den  gront, 
V,  41,  63.  Vilvorden  sal  .  .  al  afgedaen  werden 
clein  ende  groot,  Orimb.  I,  5452.  Dat  sy  .  .  met 
ons  derwaert  varen,  ende  afdoen  dat  wy  vinden 
daer,  I,  5463.  Offer  vijf  men  is  dan  vijftich  ghe- 
rechtighe,  salstn  alle  die  poerten  ofdoen  om  die 
vijf  ende  veertich?  Ende  die  Here  seide:  Ie  en 
salse  niet  ofdoen,  D.  B.  Oen.  18,  28.  Die  onse 
lant  hevet  afgedaen  ende  veel  Inden  versiegen, 
Bicht.  16 ,  24.  —  Ook  van  een  op  steen  gehouwen 
geschrift.  ||  Doen  zwoer  hi,  hi  sout  doen  ave, 
y'an  ghevene  44. 

II)  Met  een  persoon  als  voorwerp. 

1)    Afnemen^   t.  w.  van  kruis  of  galg.  Verg.  I, 

2,  cl).  II  Bi  der  crucen  waest  in  een  hof,  daer 
sine  hadden  gedaen  of,  Sp.  I\  33,  13.  Laet  ons 
afdoen  dese  dieve  ende  desen  man,  soe  doedi  ous 
lieve,  L.  o.  E.  3743.  Men  lyeten  .  .  hanghen  an 
die  galghe.  Ende  die  rechter  gaf  sinen  vader  ende 
moeder  oerlof,  dat  si  hem  ofdeden  ende  groeven, 
Pass.  W.  34  d.  Ende  deden  daerna  an  enenbalcke 
hanghen  .  .  ende  daer  na  dede  hi  hem  ofdoen  en- 
de onthoefden,  50  b.  Doe  sinte  Andreas  sach  dat 
hem  dat  volck  ofdoen  wonde,  soe  dede  hi  ant 
cruce  dese  bedinghe,  92  d.  Ten  seveuden  daghe 
.  .  .   deden    die  vroede  sonder  sparen  hangen  bi 


sinen  langhen  hare  .  . ;  hi  deden  of  ende  deedt  hem 
mee.  Om  te  tormenten  den  kejtijf  dedine  of,  Segh. 
11740—48. 

2)  Afzetten^  ontslaan  (uit  een  ambt  of  ecne  be- 
trekking). Verg.  Af  (Af  sijn  2).  jj  Hierna  wart  hi 
afgedaen,  ende  wart  bedwongen  tiere  dinc,  dat  hi 
clergie  daer  ontfinc,  i^.  III',  22,  102.  Dat  hi 
siere  moeder  afdede  van  des  rikes  mogenthede, 
III",  89,  33.  Ander  dages  woudi  ontien  mire 
manscap  ende  syn  afgedaen,  uit  den  dienst  der 
minne  ontslagen  word-en^  Bose  9714  (Var.  afgegaen). 
So  wart  paues  Gregoriua  afgedaen,  Sp.  IV' , 
32,  37.  Hi  {de  Paus)  wart  saen  yan  den  stoele 
afgedaen,  II",  74,  48.  Componius  wart  afgedaen 
van  der  baillien,  I",  51,  16.  Baliuwen ,  jugen  Wet 
hi  te  dien,  die  kersten  waren,  datmense  afdoe, 
II",  27,  24.  Sident  so  dede  Anthyoous  Jaaon  of 
{amovit  Jasonem),  Bijmb.  18747.  {Een  hoofdman 
werd  gekozen)^  maer  curt  wart  hi  afgedaen,  Fl. 
Bijmkr.  10105.  Die  gheene  die  meer  genomen  had- 
den dan  hier  voirszeid  is,  die  soude  onse  bailju 
.  .  ofdoen  van  dien  ambocht  eeuwelgcke  te  blyven , 
Oorkb.  2,  191  b  {a.  1281).  Es  yement  van  den 
scepenen  der  poerte  onnutte  int  scependoem ,  dien  sal 
men  ofdoen  sonder  wedersegghen ,  ende  enen  ande- 
ren weder  setten  in  sine  stede.  Mieris  2,  56« 
(a.  1306).  Svridages  .  .  waren  ghemaect  .  .  2  ont- 
fangers  van  renten,  .  .  ende  doe  waren  afghedaen 
Jacob  Deinoet  ende  Cl.  de  Keyser,  diet  gheweest 
adden  tote  doe.  Bek.  v.  Gent  1,  108.  Worde 
yement  .  .  scepen  ghecoren ,  .  .  die  .  .  anders  am- 
bocht hadde  van  der  poirte,  die  sel  ofghedmen 
worden  bi  den  gherecht  ende  een  ander  in  syn 
stede  gheset,  I^.  Keurb.  12,  2.  Afdoen  yan 
sinen  dienste,  Willems,  Meng.  448.  Dese  mogewi 
avedoen  alse  wi  willen ;  ende  alse  wise  ave  hebben 
gedaen,  die  si  dan  selve  kiesen,  die  selewi  hen 
geven ,  454  vlg.  Hier  om  so  wort  hi  valschelic  ghe- 
wroeghet  over  den  keyser  ende  wort  ofghedaen,  Pius. 
W.  72a.  Theophilus  die  bisscop  van  Alexandrien 
wonde  Johannem  ofdoen ,  ende  hi  pynde  hem  daer  in 
te  steken  een  pape  dye  Ysidorus  hyet ,  197rf.  —  Dat 
aweit  afdoen,  de  wacht  afdanken^  ontslaan.  \\ 
Doe  was  dat  aweit  afghedaen,  Bek.  v.  Gent  1,^19, 

7  cnecht  die  ommeliepen  .  .  4  nacht,  .  .  3  S,  6  s, 

8  d,  ende  doe  was  dat  aweit  afghedaen,  220.  — 
Ook  in  de  vereenigde  gelykluidende  uitdrukking: 
Enen  verlaten  ende  afdoen,  iemand  o»/- 
sUan  en  afzetten.  Zie  by  Verlaten.  ||  Daer  was 
eene  inquisicie  ghedaen  op  spaus  Jans  onnutte 
bestier  ende  onreynen  levene,  als  waeromme  dat 
hi  wart  verlaten  ende  afghedaen ,  Cron.  v.  Vlaend.  2 , 
22.  Waert  so  dat  scepenen  .  .  alle  verlaten  ende 
afghedaen  worden,  so  soude  bi  den  yoeght  yoraeit 
de  een  scepene  van  den  eersten  drien  ghemaecht 
moeten  wesen,  Gendsch  Chtb.  23  {a.  1361).  — Ook 
in  de  vereenigde  uitdrukking  Af-  ende  aan- 
doen, afzetten  en  aanstellen.  Zie  bg  Aendoen  4). 

3)  Voldoen^  betalen.  \\  Item  Clais  Brawen  van 
den  zeevont  te  verwaren  in  die  Wike,  omdat  hi 
ofghedaen  es  van  sinen  lone  1  scilt.  Bek.  d.  Graf. 
2,  474. 

4)  Verjagen^  verdrijven ^  afslaan ^  en  in  sterkere 
opvatting  uitroeien^  verdelgen^  vooral  in  den  i).  J?., 
altyd  ter  vertaling  van  delere  in  de  Vuig.  (Verg*.  1, 
6).  II  Qaam  hi  met  machte  harewart  om  af  fe  doene 
in  sine  vart ,  die  hem  wederseiden  syn  lant ,  Lome. 
II,  33699.  De  porters  dedense  of  met  cracbte, 
ende  deden  hem  dicke  scade  groet,  Stoke  IX,  170. 
Die  grave,  die  occ  die  rovere  wonde  doen  ave, 
Heelu  4112.  Ie  sal  ofdoen  alle  dat  ie  gemaectbeb 


217 


AFDO. 


AFDR. 


218 


boven  der  aerden,  D.  S.  Oen.  7,  4.  Wi  sijn  luttel, 
ende  si  snllen  hem  vergaren  ende  slaen  mi,  ende 
ie  sal  worden  ofghedaen  ende  mgn  hnys,  34,  30. 
Om  dat  hi  ons  leveren  sonde  in  des  Amorrens 
hant  ende  afdoen,  DeuL  1,  27.  Ende  Moyses 
sloechse  ende  deedse  af,  Jos.  13,  12.  So  zwere 
mi,  .  .  dattn  minen  saet  niet  afdoen  en  snltste  na 
mi,  I  Sam.  24,  22.  —  Evenzoo  Ge».  6,  7;  7,23; 
Richt.  21,  17;  II  Kon.  10,  28;  SsfAer  S,  11;  enz. 

6)  Met  den  2den  nv.  Enen  des  — ,  iemand  van 
iets  afhelpen ,  dns  hetzij  ontslaan ,  bevrijden ,  hetzg 
berooven.  \\  Den  dnllen  hope,  dien  hi  draghet, 
dies  doet  hem  af,  eer  hi  verdoort,  Parth.  7733. 
—  Enen  des  Igfs  afdoen,  iemand  van  het 
leven  berooven.  \\  Up  dat  ghi  mi  gheeft  die  macht, 
ie  doe  hem  tslgfs  af  sonder  yser  ende  sonderstaf, 
mjmb,  17080. 

Wederk.  —  1)  Hem  afdoen,  zich  zelven 
ontslaan,  t.  w.  uit  een  ambt  of  eene  betrekking; 
sijn  ontslag  nemen,  zijn  ambt  nederleggen.  Yerg. 
bedr.  II,  2).  ||  Daer  nae  soe  bekende  hy  sinen 
misdaet  enoe  bi  des  keysers  rade  dede  hi  hem 
selven  of,  Pass,  W.  81a. 

2)  Met  den  2den  nv.  of  met  het  voorz.  van. 
Hem  des  (of  van  ere  dinc)  afdoen,  zich  er 
van  afmaken,  er  aan  onttrekken,  er  van  ont- 
slaan. II  Metten  minsten  wilt  Gelloen  hem  des 
camps  avedoen,  Lorr,  II ,  39%.  Ist  dat  ghi  dinghen 
mint,  daer  ghi  nwen  orbaer  niet  in  en  kint,  .  . 
dies  doet  n  of  metter  spoet,  Lsp.  III,  3,  203. 
Hoe  dat  de  gheheele  wet  ende  de  notabele  van 
der  Slnns  hem  gheexcnseert  hadden  ende  afghedaen 
van  dies,  Invent.  v,  Brugge  4,  359.  Vorcoeps, 
persemens  doet  u  ave ,  X  Plagh.  1984.  Ende  mi 
Janne  niet  {in  den  tekst:  met)  af  te  doene  van  der 
manborscepe  toter  tyt  dat  Niclans  kinder  mondich 
worden,  Oor  kb.  2,  134*  {a.  1276).  —  Hem 
lemen 8  afdoen,  zich  van  iemand  afmaken,  ont- 
slaan-, hetzy  door  hem  van  kant  te  helpen,  als: 
Wi  moeten  ons  derre  pnten  doen  ave,  Idmb.  I, 
1708.  Des  anders  dages  wonde  die  grave  hem  des 
kints  doen  ave,  IV,  1604  (verg.  vs.  1631);  hetzg 
door  zich  aan  hem  te  onttrekken,  als:  Hi  hadde 
hem  daer  der  coninginnen  avegedaen  ende  harre 
minnen,  Lanc.  lY,  327  (naar  de  lezing  van  den 
corrector). 

AFDOENINÖE,  znw.yr.  Het  afdoen,  afleggen.  || 
Die   ofdoeninghe   der   vnlnisse  des  vleisches,  Hs. 
76  /.  116rf  (I   Petr.  3,   21,  in  de  Staten-overz. : 
„een  aflegginge"). 

AFDOM(?)  OFDOM,  znw.  m?  o?  ITinst.  \\  Dat 
zy  elc  anderen  belooft  hadden  te  ofdomme  ende 
te  verliese|,  Invent.  v.  Brugge  3,  380.  Ende  mids 
desen  so  siülen  de  vorseide  G.  ende  J.  ghemeene 
bliven  te  ofdomme  ende  te  verliese,  381. 

AFDRAGEN  (droeeh ,  droegen ,  gedragen  of  ge- 
dregen),  st.  ww.  bedr.  Mnd.  afdragen, 

I)  Met  eene  zaak  als  voorwerp. 

1)  Wegdragen,  wegvoeren,  met  zich  voeren.  \\  Dat 
die  ghene ,  die  dair  dan  np  ziin ,  afdraghen  moghen 
hoir  cleder  ende  hemasch,  dat  tot  horen  live  be- 
hoirt,  Nijh.  2,  275  («.  1371).  Alle  die  dair  op 
waren  souden  haer  lijf  behouden,  ende  alle  dat 
sy  opten  huse  hadden  ofdraghen,  Matth.  Anal, 
3,  273.  Sij  hebben  genomen  die  steden  ende  afge- 
dragen grooten  roof,  D.  B.  II  Chron.  14,  14 
(Vuig.  asportaverunt). 

2)  Wegnemen ,  ontnemen ,  afnemen ,  benemen.  Ook 
met  den  3den  nv.  des  persoons.  ||  Dorpers  worde 
connen  afdraghen  scamelheit  ende  goede  seden, 
Doet,    1 ,   275  •  var.   Tfolc  was  blide  ende  vro  om 


heren  Lodewyc  haren  grave ,  maer  één  dinc  drouch 
hem  den  zanc  ave ,  d.  i.  ^benam  hun  den  lust  tot 
zingen;'  Stoke  III ,  302.  Du  biste  gelike  der  Eufrate , 
want  du  droges  (d.  i.  droeges)  ons  af  die  bate , 
daer  ons  die  nacht  helt  in  den  ban,  O.  H,  W.  88. 
(1.  dwoeges?  y^\.  vs.  66).  Verlichte  der menschenherte 
ofdrugende  (1.  ofdragende)  des  ghepeins  onreinicheit, 
Hs.  Ps.  143  r.  Alsoe  vele  alst  in  di  is ,  soe  hevestu 
.  .  die  bedinghe  ofghedraghen  voir  den  heer,  Hs. 
V,  1423,  138c  {Job  15,  4).  —  Sonder  afdra- 
gen, zonder  er  ief4  aj  te  nemen,  zonder  mankeer  en, 
Bloote  bevestigingsformule.  ||  Ghelovende  alle  en- 
de elc  van  hem ,  .  .  ghestentich  van  weerden ,  son- 
der afdraghen  te  hondene  tot  eeweliken  daghen , 
wes  die  vijf  segghers  .  .  nntspreken  ende  segghen 
souden,  Brab.  Y.  VII,  13514—29. 

3)  Afslaan,  af  houtoen,  vooral  van  ledematen  of 
deelen  der  wapenrusting,  die  in  den  stryd  door 
het  zwaard  worden  weggenomen.  ||  Dien  hevet 
Hector  so  ghesleghen,  dat  hy  hem  af  hevet  ghe- 
dregen  sijn  hovet  van  den  halse  aldare,  Troyen 
2619.  Want  hi  enen  syn  hoeft  afdroech  ende  enen 
anderen  dire  bi  was  half  den  hals,  Lanc.  II, 
38986.  Ende  sloech  den  libart  thoeft  af  met 
enen  slage,  die  hi  hem  gaf:  die  vorste  vote 
hi  met  afdroech,  II,  39703.  Met  sinen  swerde  hi 
afdroech  half  den  helm  ende  tbeckineel,  Perg, 
2396.  Metten  swerde  hi  hare  afdroech  van  den 
buke  die  rechterhaut,  3404.  Dat  hi  hem  dbeen 
boven  den  knie  metten  slaghe  dien  hi  slonch  oec 
mede  avedrouch,  lAmb.  III,  370.  Die  slach  ghinc 
neder  ende  droeeh  hem  den  scinkel  af,  Merl, 
18268. 

II)  Met  een  persoon  als  voorwerp.  Enen  — , 
afwerpen,  van  't  paard  stooten,  nedervellen.  Ge- 
wooniyk  afsteken  genoemd:  zie  ald.  2.  ||  Daer 
was  gesteken  ende  geslegen  ende  afgedregen 
menech  stout  degen,  Lanc.  IV,  2303. 

AFDRAGENDE,  Afdraoent,  bnw. 

1)  Eig.  deelwoord  van  het  ww.  afdragen,  als 
vertaling  van  het  Lat.  detrahere,  afnemen  van  anderer 
roem,  knagen  aan  anderer  goeden  naam  en  ver- 
diensten. Door  nijd  en  afgunst  ingegeven,  kwaad- 
willig, boosaardig,  ||  Van  vuylen  ende  van  afdra- 
ghenden  loghenachtighen  oft  ydelen  woerden ,  Boeck 
V,  d.  L.  J.  30*.  Die  mün  vrienden  syn,  moeten 
verdraghen  meneghe  afdraghende  worden  vander 
werelt  ende  meneghe  mnrmuracie  achter  hem 
Hofk.  V,  Dev.  23  r. 

Afl.  het  by*  Kil.  vermelde  afd  rag  entheid, 
obtrectatio,  detractatio,  contemptus,  ignominia. 

2)  Schuin  afloopende,  hellend.  ||  Heur  wallen 
declyff  ende  affdraghende  te  maecken,  Reg.  d. 
Plac,  Ib. 

AFDRAGER  znw.  m.  Van  afdragen  (z.  ald.  1). 
Hij,  die  wegdraagt,  verplaatst.  Als  benaming  voor 
die  leden  van  het  lichaam,  welke  de  levenssappen 
door  het  lichaam  verspreiden.  ||  Dese  instrumenten 
bewisen  den  anderen  leden  haer  spise,  die  ander 
leden  sgn  afdraghers,  als  sgn  die  zeenen  diesieli- 
ken  gheest  ontfang^n  vander  herssen  ende  voerent 
voert  tot  alle  den  leden  om  die  beroeringe  ende 
sin  te  maken,  Barth,  92a. 

AFDRAYEN,  zw.  ww.  onz.  Zich  ter  zijde  draaien , 
zich  zijwaarts  verwijderen,  ||  Werp  ommeendezay, 
niet  of  en  dray,  bljjf  bi  der  plouch,  OVl.  Lied, 
en  Oed.  381 ,  41. 

AFDREIGEN  (afdregen),  zw.  ww.  bedr.  Met 
een  persoon  in  den  3den  nv.  £  n  e  n  iet  — ,  iemand 
iets  door  bedreiging  afpersen,  afzetten.  Verg.  Af- 
DRIEOEN.  II  Heeft  een  gewelt  gedaen  aen  een ,  dien 


249 


AFDR. 


AFDR. 


220 


hy  sijn  geit  of  ander  dinck  ofgedreecht  heeft, 
Matth.  209.  Die  biscop  .  .  dede  een  reyse  in  Aemster- 
lant ,  om  daer  in  te  bernen ,  ende  heer  Ghgsbrecht 
tvoers.  huys  also  of  te  dreygen ,  Clerc  123.  Den  gtMS- 
den  lieden  thuer  afdreygen ,  Vod.  Mut.  3 ,  24.  Dat- 
men  armen  Ineden  thoer  ofdwinghet  of  drey- 
ghet,  Con.  Som.  Slb.  —  Het  woord  verdiende  te 
herleven. 

Afl.  Afdreiginge,   afpertvng  met  bedreiging. 

II   Exceptien   van   valscheijt,  vreese,  affdaeginghe 

(1.  ajfdreginge) . .   ende  diergeiyckef  Cout.  v.  Anho. 

4,   366.  In  een  ander  hs.  affdringinghe,  met 

dezelfde  beteekenis. 

AFDRINÖEN  (dranc,  drongen ^  gedrongen)^  st. 
WW.  bedr.  Mnd.  a/dringen. 

1)  Met  een  persoon  als  voorwerp.  Wegdringen, 
tenig dringen  y  aehteruitdringen.  Verg.  het  volgende 
art.  II  Drongen  met  crachte  ave  van  Luthsenborch 
den  coene  grave ;  ende  doen  hi  wert  achtergedrongen , 
riep  .  .  een  Brabantsoen,  ens.^  Heeln  5533.  Hy 
wolder  toe  tyde  mede  by  wesen ,  hy  mocht  anders 
afgedrongen  hebben  worden,  Spreuken  22. 

2)  Enen  —  van  ere  dinc,  iemand taegdringen 
van  iets  j  hem  er  van  scheiden.  ||  Op  dat  dat  voorseyde 
keyserijc  niet  ofgedrongen  en  werde  van  der  dant- 
scher  nacie,  Exe.  Oron.  94b. 

3)  Met  eene  zaak  als  voorwerp  en  een  persoon 
in  den  3den  nv.  Enen  iet  — ,  Aem  met  geweld 
van  iets  berooven^  het  hem  afpersen.  \\  Den  vader 
wert  sgn  gereide  afgedrongen  in  die  porsse ,  Heeln 
7912.  Die  hertoge  van  Loreine  hi  doet  dien  van 
der  stad  grote  pine,  want  hi  dronghe  hem  af 
gherne  tsine ,  Limb.  II ,  430.  Alle  goed ,  dat . .  den 
laden  ofghedronghen  es,  Mieris  2,  208d  (a. 
1319).  Dat  sommigen  persoenen  onsen  onderseten 
ende  poirteren  van  Leyden  scatten  ende  hem  thoir 
afdringen,  Bel.  v.  Leid.  468  {a.  1420). 

4)  Iemand  iets  afpersen  ^  met  geweld  van  hem 
gedaan  krijgen y  het  hem  afdwingen.  \\  Want  hi  .  . 
Johan  Krolle  .  .  een  oervede  mit  bedwange  afge- 
drongen heeft,  Nyh.  3,  121  {a.  1386).  Enich  man 
of  vronwe  die  enen  anderen  hyelde  ende  lofuis 
ofdronghe  sfjns  ondankes,  die  verloer  teghen  die 
stad  hondert  scillinghe,  Stadr.  v.  Zwolle  65,  55 
(2  maal). 

—  Afl.  Afdringinge.  Zie  Afdreioen. 

AFDRINKEN  {dranc,  dronken  ^  gedronken)  ^  st. 
WW.  bedr.  en  onz. 

Bedr.  —  Van  een  drank.  Dien  afdrinken  van 
de  drinkschaaly  opdrinken.  ||  Alexander  die  deg«n 
fijn  nam  eiken  nap,  dien  hi  hem  gaf,  .  .  .  ende 
dranc  den  w\jn  af,  ende  staken  in  sinen  boesem 
dan,  Jlex.  IV,  1332  Hs.^  doch  beter  in  de  nitg. 
van  Franck:  „ende  dranc  den  wijn  daer  af.'* 

Onz.  —  Met  den  3den  nv.  des  persoons.  Enen 
— ,  verdrinken  tot  schade  van  iemand  ^  voor  iemand 
door  verdrinken  verloren  gaan.  \\  Als  de  Venechianen 
den  groten  scade  hadden  gehadt,  ende  dat  hem 
afghedroncken  waren  XL  schepen  van  oorloge  met 
groot  volc  door  storm  ende  onweder  op  die  zee, 
JSxc.  Cron.  S02d. 

AFDRIVEN  {dreef  y  dreven  ^  gedreven)  ^  st.  ww. 
onz.  en  bedr.  Mnd.  afdriven. 

I)  Onz.  —  Wegdrijven  y  door  den  stroom  mede- 
gevoerd  worden.  \\  Haer  cleder  waren  ofghedreven; 
si  seide:  Om  Gode  die  syn  leven  liet  voer  ons 
sondighe  keitijf,  dect  mi,  here,  ie  bin  een  wgf, 
Segh.  11261. 

II)  Bedr.  —  1)  Met  eene  zaak  als  voorwerp. 
Doen  wegdrijven  y  met  den  stroom  medevoeren.  \\  Op 
een  tijt  soe  wies  die  Tyber  also  seer  dat  hi  vloeyde 


op  die  mneren  van  Roemen ,  ende  dat  si  veel  htuen 
ofdreef,  Pass.   W.  230rf. 

2)  Met  een  persoon  als  voorwerp.  Wegdrijven ,  te- 
rugdrijven ^  verdrijven.  Verg.  Afdrinoen  1).  IjDaer 
laghen  dan  np  de  were  sHertoghen  man :  daer  ghin- 
ghense  toe  enae  drevense  ave,  Stoke  VIII,  1 157.  Doen 
ute  W|jc  her  Waelrave  «ade  sgn  heer  weder  ave 
worden  gedreven  met  gewont ,  Haela  2045.  —  Over- 
drachtelijk gebmikt.  ||  An  horen  raet,  in  horen 
banc ,  is  ghiericheit  ghedreven  off,  Hild.  41 ,  92.  Dat 
wyf  mach  wel  sachte  leden,  die  allen  anxt  heeft 
afghedreven,   Fad.  Mus.  1,  71,  13. 

3)  Met  den  3den  nv.  des  persoons.  Enen  iet 
of  enen  — ,  iemand  met  geweld  van  iets  ofiemtaiè 
berooven.  Verg.  Afdrinoen  2).  ||  Maer  Castor 
ende  Pollnx  hebbense  {Helenen)  hem  weder  afge- 
dreven, ende  hebbense  Menelanse  gegeven,  Sp. 
I»,  13,  46. 

AFDRUCKEN,  zw.  ww.  bedr.  Met  een  persoon 
in  den  3den  nv.  Enen  iet  — ,  iemand  iets  met 
geweld  afpersen  ^  hem  met  geweld  er  van  berooven. 
Verg.  Afdreigen,  Afdringen  2),  en  Afdriven 
bedr.  2).  ||  Dat  nyemant  den  anderen  en  scatte  noch 
hem  tsyn  af  en  dmcke ,  Bel.  v.  Leid.  469  (a.  1420). 
Hy  meende  .  .  dat  casteel  mit  dreygen  ende  mit 
vervaren  Gisebrecht  of  te  dmcken ,  Matth.  jinal.  3 , 
180.  Dair  toe  dat  hy  des  Bisscops  Inden  afgedmet 
hadde ,  most  hy  allen  den  Inden  weder  geyen ,  3 , 
282.  Daer  na  heeft  hy  .  .  den  selven  dair  in  der 
kercken  doen  leggen ,  ende  hem  een  groote  somme 
gelts  ofgedmct ,  3 ,  641.  Die  ons  onse  goet  afdmcken 
ende  benemen,  Hs.  v.  1423,  37d. 

AFDUWEN,  zw.  ww.  bedr.  Van  een  boog.  Af- 
drukken ^  overhalen.  \\  Maximiliaen  spande  den  boghe 
ende  wilde  schieten  na  den  vogel ,  ende  int  afduwea 
so  brack  den  .  .  boghe,  Exc.  Cron.  29Sd. 

AFDWAEN   {dwoeeh ,  dwoegen ,  gedwagen  of  ^e- 
dwegenj  later  ook  gedwogen\  imper.  dwach) ,  st.  ww. 
bedr.  Verg.  mnd.  afdwagen  en  zie  Dwaen.  Afwasseh^n, 
II  Dattet  alle  smetten  afdwaet ,  die  een  wnlign  cleet 
ontfaet,  Ifat.  BI.  III,  2059.  Men  secht  dat  water 
is  so  claer,  dat  avedwaet  alle  onreinicheit ,  Vrouw, 
e.  M.  V,  14.   Hy  goet  wat  water  in  een  becken, 
om  dat  hi  woud  ofdwaen  die  vlecken ,  O.  H.  Psu- 
sie   9,    126.    Ende    ofdwaen    sine   vnnlnesse,    Lep. 
1 ,  23 ,  90.  „  Ganc  ter  beken  van  Syloa  ende  dwmch 
dit  ave";  ende  ie  ginc  ende  dwoegt  ave,  L.  v.  J. 
c.  179.  Dese  .  .  keyser  .  .  ginc  in  een  rivier  sjn 
sweet  af  te  dwaen ,  Matth.  Anal,  3 ,  108.  —  Veelal 
overdrachtelijk   gezegd    van    het   afwasschen    van 
zedelijke   onreinheden,  het  zuiveren  van  den  door 
zonden  besmetten  mensch.  ||  Die  bliscap ,  daer  men 
wilen  in  lach ,  sal  men  afdwaen  met  langen  wene , 
Sp.   III*,    27,    50.   Ende  met  synre  doet  ofdwaen 
dat    Adaem    hadde  misdaen,  Lsp.  IV,  1,  35.   Dal 
doepsel,    .    .    daer    men   ons  mede   afdwaet    die 
abolghe    al    tenen    gader,    die    verdiende     onae 
yrste   vader,  Teest.   1866.  Die  sonden  afgedweg^n 
waren   in  den  bloede  der  martelaren ,  Vl.  Bij-mJcr. 
3726.   Weenen    dwaet  of  alle  zonden,  Hs.  v.  1348, 
241a.  Die  sonden  afdwaen,  ÜEi/md.  22198,  ^.I^,  5, 
36;  11%  56,  45;  Theoph.  252;  Lueid.  3471;  Hild., 
194 ,  155  enz.  Die  erfsonde  afdwaen ,  Lsp.  II,  16  ,  52 ; 
Teest.  1878.  Die   sonden  die  en  werden  niet  afj^e> 
dwegen,  Sp.  IV>,  24,  98.  Hi,  diet  al  afdwaet ,  der 
werelt  sonde  ende  mesdaet ,  Rijmb.  22295.  die  vonte 
die   onse  sonde  afdwaet.  Nat.  BI.  III,  1314.    Om 
af  te   dwane  onse  scout,  Amand  II,  6426.  Tselve 
bloet  dat  afdwaet  .  .  .  alle  onse   misdaet,  Lucid, 
3451.  Die  bcke,  die  die  dorpcrhede  ons  afdwoech , 
O.  H.  W.   66  (vgl.  90).    Bedevaert  .  .    die  dwaet 


221 


AFDW. 


AFFE. 


222 


zonden  ende  ziecheit  af,  Hild.  21,  28.  Christus  in 
der  Jordanen  hoer  sonden  ofged wogen  heeft,  Rs. 
80  ƒ.  Ö6e^.  —  Ook  van  het  afwasschen,  het  uit- 
wisschen,  het  van  zich  doen  van  andere  zaken  ge- 
zegd, di«  iemand  aankleven  of  hem  eigen  z^n.  || 
So  mach  hl  pr^js  ende  ere  ontfaen  ende  den  andeten 
name  ofdwaen ,  Stoke  X,  125. Die edelhieit  machmen 
afdwaen,  Wap.  Mart,  I,  579.  Ghi  sijt  so  vaste  in 
sine  latsnre,  al  hat  gezworen  die  scrifture,  ghine 
soudet  niet  af  mogen  dwaen ,  Maleg,  1066.  Maer  als 
mi  mp  goet  afgaet ,  .  .  soe  en  vindic  niement  die 
mi  befltaüst:  die  maechscap  es  al  afghed weghen , 
on.  Ged.  3,  147,  26. 

Afl.  Afdwaïnge,  afiooMehing.  \\  Een  af- 
dwainge,  een  segheninghe,  enz.  Bi,  Pi,  2009. 

AFDWINGEN  (dwanc ,  dwongen,  gedwongen 
en  -dwongen)^  st.  ww.  bedr.  Mnd.  afdwingen. 
Met  den  3den  nv.  van  den  persoon.  Enen  iet 
— ,  iemand  ieti  ontrukken^  ontweldigen,  met  ge^ 
weid  afnemen.  \\  Lottrike  heefti  hem  afgedwon- 
gen, Sp,  lY',  28,  20.  Comt  een  die  sturker  es 
over  hem ,  deghene . .  dwingt  hem  af  al  dat  hi 
heft,  L,  V.  J,  e.  78.  Ende  hoe  dat  hy  spelen 
sonde  metten  wreden  lybaerts  jonghen,  die  hy 
den  dieren  had  afdwonghen,  Trayen  f.  1  e,  — 
Ook  met  een  afhankelhken  b^zin.  Iemand  dwin- 
gen ieti  t£  doen,  ||  Ende  dwanc  hem  met  ghe- 
welde  af,  dat  Almaengen  tsens  gaf,  Sp,  III*, 
63,  67. 

AFEIGENEN  zw.  ww.  bedr.  In  rechten  den 
eigendom  van  ieti  aan  iemand  ontnemen,  Ygl.  EIGENEN 
en  AENEiGENEN.  ||  Waert  dat  yemant  gheey- 
ghent  worde  indes  anders  ghoet . . ,  zo  mach  die 
ghene,  diet  ofgheeyghent  wort,  dat  ghoet  binnen 
jaers  ende  binnen  daghe  weder  losenen  mitten 
derden  penninc,  B,  v,  XJtr,  1 ,  99 ,  7.  Ende  waer 
lat  sake  dat  dit  ghoet  niet  ghelosent  en  worde 
binnen  jare  ende  dach,  .  .  zo  blevet  verloren  den 
ghenen  diet  of  gheeyghent  ware,  ald.  (Zoo  nog 
iriermaal  bl.  177,  49).  So  wanneer  een  mensch 
in  eenich  lant  gheeygent  of  ghepant  heeft,  noch- 
;ans  so  kent  die  rechter  mitten  hemeraders  den 
nensch ,  diet  lant  ofghepant  is  ende  ofgheeyghent , 
nden  leggenden  eygheaom,  ende  dat  also  lange 
lis  hi  daer  niet  uutghevroont  en  is,  O.  K  v. 
Oordr.  1 ,  221 ,  40.  Vgl.  afpanden. 

AFETEN  {eet  of  et,  at,  aten;  geëten  of  geten), 
t.  WW.  bedr.  Af  eten,  van  ieti  wegnemen  door 
\et  op  te  eten,  Be  Nijd  spreekt:  ||  Mjjn  ma- 
^er  vel,  dat  ie  dus  na  heb  liggen  verbiten, 
s  -  nu  soe  vrolic,  het  waent  spliten  om  dies, 
lat  ie  den  mensce  verheven  met  (ïode  dus  heb 
gebracht  int  sneven,  hadde  hi  de  vroude  beseten 
o  soete,  ie  hadde  afgheeten  hande  ende  voete, 
IJiic,  V,  M,  435.Desen  visch  heb  ie  afgheten, 
leiever k,    ,v.   Joann.   de  Hese,  in    Venl.  en  Ber, 

I,  4. 

AFFAL.  Zie  Afval. 

AFFALGIEREN.  Zie  op  Affelgieren. 
AFFARE  (afpere),  znw.  vr.  enonz.  Ofi,  af aire 
1.  en  vr.  (La  Cnme  1 ,  172) ;  nfr.  affaire,  van  h  faire. 

1)  Zatde,  aangelegenheid.  \\  Hi  .  .  mercte  wel 
.arer  alder  affare,  Amand  I,  3199.  Al  die  affare, 
y  3428.  Uwe  (sine,  hare)  affare  of  affere,  uwe 
zijne,  hunne)  zaken,  hetgeen  u  {hem,  hen)  betreft, 
rrake  I,  1289,  Roee  667,  8363,  10311,  13610, 
dmb.  IX,  309.  Daffere,  Vad.  Mm.  4,  82,  646; 
DSfi.  —  Elders  onz.  gebruikt.  ||  Al  taffere  van  haren 
one,  Roie  (C)  13424.  Gi  wert  verboet  van  dinen 
ffere,  Limb.  X,  764;  ens„ 

2)  fTiJse  van  doen.  In  de  uitdrukking:  Affare 


driven  na  enen,  iemande  manier  van  handelen 
nadoen,  \\  Daema  ghel^c  den  esel  hi  dede,  doe 
grong^erde  hi  alst  een  soghe  ware,  so  dat  hi  na 
alle  beesten  affare  dreef.  Amand,  II,  1282. 

3)  Karakter,  inhorit.  In  de  uitdrukking:  van 
goeden  affere.  Verg.  fr.  étre  de  bon  affakre 
(La  Cume  t.  a.  pi.)  |i  Gi  dinct  mi  van  goeden 
affere ,  lEUae  11623 ;  'B^e',  „vous  semblés  bone  gent." 

AFFE,  znn.  m.  Dwaee  naaper,  onnoozele  zot. 
Blijkens  den  vorm  uit  het  Hoogd.  overgenomen. 
Yan  ohd.  affo,  mhd.  en  nhd.  ajfe,  aap.  Ook  in  het 
mnd.  is  de  vorm  afe  bekend,  verg.  Teuth.  y,Aff, 
doir,  gheck,  iot^"*  en  „Af  f  en,  lehympen,  ipotten,^* 
Zie  ook  Lubben  1,  23;  Koseg.  1,  146,  en  verg. 
Affenheit,  Veraffen.  II  Dies  simpele  geloven , 
dat  sijn  affen,  Sp.  III',  44,  42.  Die  sulken  oirbair 
moghen  scaffen,  ende  des  niet  en  doen  als  affen, 
si   moghen   billics  bieten  dwaes,  Hild.  249,  177. 

AFFECTIOES ,  bnw.  van  fr.  ajeetiteux,  lat.  afec- 
ttwiui,  zie  verder  Littré  1,  67.  Vatbaar  voor 
indrukken,  ontvankelijk,  \\  Alsoe  langhe  als  die 
mensche  es  onder  sine  40  jaer,  soe  is  hi  sere 
neyghelic,  affexioes  ende  onghestadich  in  der  na- 
turen, Ruusbr.  4,  286. 

AFFELGIEREN,  AFFALGIEREN,  zw.  ww. 
bedr.  V.  h.  fr.  afflire,  d.  i.  affHger,  lat.  affligere. 
Het  woord  affUger  is  volgens  de  fr.  taalgeleer- 
den (Littré  1,  71)  van  jonger  dagteekening ,  maar 
zou  het  mnl.  affelgieren  niet  een  bewgs  zijn  voor 
den  hoogeren  ouderdom  van  het  fr.  woord  ?  Weliswaar 
komt  affalgieren  als  var.  voor  van  affoleren  (z.  ald.) , 
b.  V.  Parth,  (Massm.)  77,  28,  en  zoo  zou  Merl. 
23466  geaffelleert  ook  als  geaffolleert  kunnen  wor- 
den opgevat,  doch  dan  biyft  altgd  nog  Lane,  IV, 
6061  over,  waarop  deze  verklaring  volstrekt  niet 
van  toepassing  is. 

1)  Kwellen,  in  het  nauw  brengen.  \\  Baar  was 
die  Koninck  Rioen  .  .  seer  geaffelleert  (tekst  ge- 
affelgiert),  eer  bi  bescut  was,  Merl.  234)54. 

2)  Temeerilaan,  ontmoedigen.  \\  Latewi  ons  dus 
lange  sinten  ende  wi  niet  en  varen  buten  .  .,  si 
selen  ons  houden  nu  gerede  over  gealfiügiert  ende 
quaet,  Lanc.  IV,  6047. 

AFFEN,  zw.  WW.  Schimpen , ipotten.  VLel^. affen; 
nhd.  affen,  In  de  samenst.  Veraffen:  zie  ald. en 
verg.  Affe,  Affenheit. 

AFFENHEIT,  ook  EFFENHEIT,  en  -hede. 
znw.  vr.  Zie  Affe.  Mhd.  en  mnd.  affenheit.  Aperij, 
dwaaiheid,  zotheid.  \\  Oec  eest  al  loghene  ende 
ghedwas  van  Pont-Mantribele  mede ,  van  bere  Wise- 
lauwe  die  affenhede,  Brab.  T.  II,  1710-12  var. 
Hets  ene  grote  affenheit,  dat  die  mensche  sinen 
troest  leit,  ende  al  sinen  hope  set  ane  selverende 
aen  gout,  Doetr.  II,  2479,  waar  de  var.  C. 
en  E.  iotheit  hebben ,  en  H,  effenheid,  hetzelfde 
als  affenheit,  evenals  m\iA.effenlichiitimsafenlich 
(Ben.  1,  10.) 

AFFERE.  Zie  Affare. 

AFFLEEREN,  zw.  ww.  onz.  V.  h.  fr.  afflner 
(Littré  1,  71).  Overvloeien,  overvloed  hebben,  ||  Die 
conincghinne  van  Saba  .  .  .  afflcerde  in  rueken, 
si  gaf  hem  {Salomo)  al,  Hadew.  1,  99,  24. 

AFFOLEREN  (affolieren,  affolleren), zw. 
WW.  bedr.  Mlat.  affolare;  prov.  afolar;  ofr.  afoler 
(La  Cume  1 ,  209,  op  Affouler) ;  verg.  Diez,  Etgm, 
Wtb,  1,  183.  Vaneen  lat.  ww.  fullare,  dat  nevens 
/fi/^  mag  aangenomen  worden,  mlat.  ook  f olere  (Duc. 
3,  338),  d.  i.  vollen,  trappen,  treden,  vanwaar  fï*. 
fouter  en  foule,  gedrang.  BQ  uitbreiding  ging  de 
beteekenis  over  tot  ver&appen,  kneuzen  en  knotten , 
miihandelen,  beichadigen,  verderven.  Y erg.  Foleren, 


223 


AFFO. 


AFGA. 


224 


\i-  1)  Van  meiutchen  of  dieren  gezegd.  Aa»  /ij/  of 
leden  betehadigen^  twetsen,  verwonden.  ||  Daer  viel 
menech  ter  eerde,  die  geaffoleert  waren  tier  stont 
ende  som  toter  doet  gewont,  Lane.  II ,  34560.  Per- 
chevael  sloech  op  die  ketene  doe ,  dat  8i  brac  neven 
den  halsberch,  soe  dat  die  ridder  na  bi  desen  ge- 
affolleert  hadde  gewesen,  Il ,  36155.  Lanceloet  sloech 
hem   af  den    scilt  ende  die  hant  daer  hine  mede 
hUt.  Tierst  dattie  gene  gevoelde  das ,  dat  hi  alsoe 
geaffolleert  was  .  .  IV,    12559.  Doe   ghise  beide 
asselgieret,  dat  ghise  niet  en  affolieret  beide,  dat 
was  n  wel  leet,  Parth.  7047  {in  de  uitg.  van  Mass- 
mann  77,  28:  afalgiteC).  LX  man..,  diere  lieten 
dieven,    ocht    diere    gheaffoleert     bleven,    Lanc. 
II,    27439.    Rndders  die  af  gesteken    lagen    ende 
geaffoleert   met   groten   slagen,    II,  34579.  {Zulk 
een   ilag)   dat   hem   deerde   in    den   rechten   arm 
ende  affoleerde,  II,  8136.  Menegen  afoleren  ende 
dringen  onder  voet,  Brah,  Y.  VI,  5902.  Menigen 
man  affolleren,   YII,   3232   var.  \tekit',    ooc  fael- 
geren).    Die   in   sgn   here   waren   geaffoleert,  Sp, 
1*,  3,  44.  Dat  hi  den  sinen   affoUeerde,  D.    Wear. 
9,  145,   127.   So  wie  yemene  affolert,  es  schnl- 
dech  den  heere   Y   pont,    ende  den   geaffolerden 
mensche  V   pont;  ware  de  affoleringe  buten  mae- 
ten    groet,    dat   zoude   hi   beteren   den  gequeUten 
bi  raede  van  scepenen,  Diericx,  Oend»  ChÜt.   149; 
Cannaert  71.  Die  mans  quic  sloege  ende  affoleerde , 
hi   gelde   den    man    sine   scade,    Heeln    bl.   544 
(a.    1292);  Willems    Meng.  446;   enz.    Des  waren 
si  jammerlike   vertreden   daer  by   ende  geslagen 
ende  geaffoleert,  Merl.  12709. 

2)  Yan  zaken  gezerd.  Vertreden^  verderven^ ver- 
woeiten.  \\  Sone  sal  daer  bliven  staende  geel  (ge- 
heel) eruit,  noch  rosé,  noch  praiel,  ine  salt  al 
doen  affoleren,  Bate  14043  (C  13857  verkeerdelgk 
atsaelgieren), 

AFFOLERINGE,  znw.  vr.  Kwetsuur ^  verwonding. 
Zie  Affoleren  ,  en  met  name  de  aldaar  aang.  plaats 
uit  Dieric?,  Chtb.  149. 

AFGADEREN,  zw,  ww.  bedr.  Met  den  3den  nv. 
van  den  persoon.  Enen  iet  — ,  iemand  iets  door 
gaderen  afhalen^  het  van  hem  innen.  \\  Want  die 
stede  in  corten  jaren  groten  cost  ende  onraet  ghe- 
leden  heeft  overmids  dienste,  die  wi  onsen  here 
ghedaen  hebben,  twelke  men  vervallen  heeft  mit 
scote,  die  den  poirteren  ofghegadert  sijn.  Leid. 
Keurb.  14 ,  9.  Wairt  sake  dat  enich  man  of  wyf . . 
eenigherhande  overdrachten  maecten ,  tsi  mit  cueren 
of  mit  verbanden  of  mit  enighen  omghesetten  ghelde 
{hoofdelijken  omêlag)  yement  of  te  gaderen,  60,28. 

AFGAEN  (ffinc^  gingen^  gegaen)^  Mnd.  afgdn\ 
verg.  Afgangen. 

V)  Absoluut,  zonder  beheersching. 

1)  Met  een  persoon  als  onderwerp. 

a)  Weggaan^  heengaan^  vertrekken^  zich  verwij- 
deren. II  Waar  so  die  coninc  hilt  hof,  wie  so  wil- 
de ginc  in  ende  of,  Lanc.  II,  42585.  Die  drossate 
ginc  af,  III,  19560.  Castor  bat  hem  dat  hi  ont- 
finge  van  hem  z^n  ghelt ,  eer  hi  ofginghe ,  Bijmb. 
31849  var.  Hi  hiet  den  borchsaten  gaen  of,  34566. 
Want  mün  vrienden  ende  oec  m^n  maghen,  die 
mi  te  recnte  bi  souden  staen ,  sie  ie  van  mi  schei- 
den ende  afgaen,  Lett.  N.  W.  5»,  201,  42.  — 
Wanneer  een  scoute  .  .  een  oordeel  vraghet  den 
scepene,  ende  hem  de  scepene  daer  op  beraden 
willen,  80  en  sel  der  de  scoute  nyet  toe  segghen 
tot  horen  beraden,  of  hi  sel  ofgaen  out  deer  tyd 
dat  hem  de  scepene  beraden  hebben,  B.  v.  Utr. 
1,  30.  Enich  scoute  .  .,  alse  hi  ene  bootscappe  te 
doen   heeft   voer   die  scepene  .  .,  soe  sel  hi  sine 


bootscappe  doen,  ende  alse  hi  sine  bootscappe 
ghedaen  heeft,  so  sel  hi  rechtevoert  afgaen,  aU. 
Wanneer  die  raet  affghaet,  soe  soelen  die  scepei 
samentlic  bi  den  borgermeisteren  bliyen  ter  t|t 
toe  dat  die  leste  antworde  ghegeven  ia,  Cherifs. 
Becht.  I',  172.  Wie  affghenge  eer  der  tgt,  aU. 
—  Ook  in  den  zin  van  uit  het  leven  seJketden^  ster- 
ven. II  Offt  sake  were  dat  wjj  van  doids  wegea 
affgingen,  dat  Got  lange  versten  wille,  NgK  4, 
10  (a.  1423).  —  Ook  van  iemands  partij  weggaan , 
afvallig  worden.  \\  Dus  es  valschelgc  ghegaea 
ave  van  Almaengen  die  coninc,  VI.  Bijmkr.  6718 
(verg.  6542). 

b)  Aftreden^  een  ambt  of  bediétiitêg  nederleggem^ 
hetzy  tydeiyk,  hetzg  voorgoed.  ||  Soe  wanneer 
dat  de  sevene  geswome  af  selen  gaen,  Willems, 
Meng.  461  (a.  1303).  Item  alle  kercmeeaters  .  . 
te  ynnen  alle  scult,  die  men  hem  sculdich  is, 
eer  zQ  affgaen,  O.  K.v.Bott.A6^  151.  Ende  sullei 
de  dekin  ende  de  geswoemen  vorseit  thaerlieder 
afgane  (1.  afganc?)  gehauden  wesen  rekeninge  t€ 
doene  van  haerlieder  beleet,  Vad,  Mua.  5,  227 
{a.  1462).  Waren  der  stat  knapen  in  den  banne 
die  sellen  ofgaen  ende  nyet  in  den  raet  comei, 
si    en  syn  eerst  absolviert,  36. 

c)  Uitscheiden^  ophouden  met  eene  handeling, 
een  werk.  ||  So  wie  .  .  dit  voirseyde  ambacht 
doen  of  hantiren  sal,  die  sal  metter  clocken  te 
wercke  gaen  ende  afgaen,  Belg.  Mus.  4,  70  (c 
1388).  Met  den  welken  oerconden  ghehoert,  Hoste 
voemoemt  .  .  afging  van  meer  oercontscepen  te 
doen  hoeme,  Qendsch  Chtb.  21  {a.  1361).  Vanhier 
ook  de  uitdrukking:  —  Sonder  afgaen ,  zonder 
ophouden^  in  de  bepaalde  opvatting  ytJivoor eUUjdy 
voor  eeuwig.  Yerg.  sonder  afkeren ,  sonder  afeceéem. 
en  sonder  af  staen.  \\  Dat  gi  den  lieden  daedt  Ter- 
staen,  dat  gise  minnet  sonder  afgaen,  Bose  5158. 

rf)  Naar  beneden  gaan,  komen ;  van  iets  afgaam,  afko- 
men ,  t.  w.  van  een  berg ,  huis ,  kasteel ,  boom  enz.  || 
Doen  hi  dus  hadde  gheseten  tot  dat  sjjn  cmut  wa.s 
gheten ,  ghinc  hi  af  in  den  woude ,  Wrake  III ,  2085. 
Sie  dattu  gheene  dinc  andraghes,diedu  gheleestea 
niet  en  maghes ,  daer  du  met  sorgen  in  souts  staea 
ende  met  groter  hoeden  afgaen,  ^.  I",  34,  163; 
Yinc.  „m  qua  tibi  stanti  tremifndum,  descendenli 
eavendum  sit.^^  Dus  stilde  Moyses  onsen  Here, 
ende  ghinc  af  bedroevet  sere  (van  Sinai)y  Bijmk. 
5053.  Die  keiserinne  quam  ofghegaen ,  Parth,  5593. 
Ende  ghinghen  af  ter  cameren  waert,  8024.  Alse 
Jhesus  bi  dire  stat  quam,  daer  Zacheus  op  dea 
boem  stont ,  so  sach  hi  opwert  ende  .  .  seide  aldus : 
Zachee,  ganc  vollec  af,  L.  v.  J.  e.  166.  Die  op 
har  hus  sitten ,  dat  si  nit  af  en  gaen ,  omme  it 
ut  haren  hus  te  dragene,  <;.  196.  Boude wiin  Tan 
Naeldwijck  .  .  van  node  den  Yriesen  thuys  npgaf , 
mit  voirwaerden  dat  hi  ende  alle  dier  up  waren 
behouden  hoirs  lyfs  ofgaen  souden  ende  in  Hol- 
lant  trecken,  Clerc  143.  —  Ook  in  den  «in  van 
afkomen,  t.  w.  van  het  kruis.  ||  Bestu  coninc  van 
Israël,  so  verlosse  di  selven  wel:  ganc  af,  wi 
gheloven  an  di,  Bijmb.  26483.  Ende  wilden  dat  hi 
af  ware  ghegaen,  26492;  Hist  Schol.  „«/  deeeem- 
deret  de  cruce.^^ 

2)  Met  eene  zaak  als  onderwerp. 

a)  JTeggaan,  verdwijnen.  ||  Stellio  verdronken  in 
wine . .  doet  die  lelike  sproeten  ofgaen ,  Jfaf,  Bl. 
YI ,  645. 

b)  Weggaan,  afnemen,  verminderen.  ||  Dat  dan 
die  liefte  beghint  te  dinnen  ende  die  zueticlieit 
gaet  aff,  MLoep  II  ,  1618.  Mine  daghen  a^n 
afghegaen  als  ene  scaduwe,  ende  ie  ben  droghe 


225 


AFGA. 


AFGA. 


226 


worden  als  hoye,  Vad.  Mus,  2,  443.  Datter  zgn 
260  commanicanten ,  die  oock  alle  daghen  yermin- 
deren,  wantet  dorp  afgaende  es  zoe  langes  zoe 
meer,  Inform,  532.  —  Ook  met  by voeging  van 
een  persoon  in  den  3den  nv.,  die  echter  niet  recht- 
streeks door  het  ww.  beheerscht  wordt  ||  Migaet 
sere  mijn  leven  af:  ine  can  gegaen  niet  sonder 
staf,  Rosé  11764.  Dat  doen  die  dage  die  mi  ave- 
gaên  {klacht  van  een  ottd  man),  Limb,  Y,  1202 
{verg.  987).  Mi  sonde  afgaen  mün  Igf,  droechicse 
{die  hare)  enen  halven  dach,  Vod,  Mus.  1,53, 108. 
—  Het  tgw.  deelw.  afgaende  als  bnw.  Zwak, 
afnemend  in  krachten.  ||  Dat  hi  oudt,  traech  ende 
afgaende  is,  O.  R.  v.  Dordr.  2,  77. 

c)  Ophouden,  eindigen,  zijne  grenzen  hebben.  || 
Daer  die  van  Scager  ambocht  afgaen ,  Mieris  2 , 
614  a.  Daer  Hontwouder  ambocht  of  gaet,  ald.  b. 
Daer  die  van  Gheestman  ambocht  ofgaen,  ald.  a. 
Daer  die  van  Niedorp  ofgaen,  tote halver Wisende 
toe ,  ald.  b.  —  Het  tegenovergestelde  is  aengaen ,  be- 
ginnen. II  Daer  die  van  Oterleke  anegaen ,  ald.  b.  — 
Ook  in  de  vereenigde  uitdrukking:  af-  ende 
aengaen,  ophoitden  en  beginnen.  \\  Een  leen  .  . 
twelke  hem  zo  verdonkert  ware,  dat  hi  niet  en 
wiste  al  dat  er  toe  behoerde  ende  waert  af-  ende 
anginghe,  Oendsch  Chtb.  20  {a.  1361). 

d)  Zich  afscheiden  van,  afvallen,  t.  w.  van  het 
lichaam.  ||  Soe  wie  vingher  ochte  tee  afsloeghe , 
ochte  also  verre  dat  afgaen  moeste,  Cout  v. 
Waelhem  12.  Dat  hi  gheraecte,  dat  ghinc  af,  er 
af.   Wal.  7072. 

e)  Naar  den  grond  gaan,  verwoest  worden.  ||Het 
ginc  al  af  sekerlike  toter  kerken,  die  daer  stont, 
Velth.  IV,  64,  32. 

II)  Met  den  2den  nv.  en  een  persoon  als  onderwerp. 

1)  Des  — ,  van  iets  af  gaan,  er  van  afstappen, 
er  een  einde  aan  maken.  \\  Eer  wi  des  boucs  avegaen , 
Sp.  III-,  92,  86. 

2)  Des  — ,  van  iets  afstand  doen,  het  laten 
varen,  prijsgeven.  ||  Ie  wille  wel . .  dore  uwen  raet 
dies  mijns  afgaen,  Parth.  7966.  Ie  ga  uwer  ghe- 
selscap  af,  ende  die  willic  altoes  scnwen,  Lsp. 
III,  3,  918.  Hi  werpt  wech  scarpe  ende  staf, 
des  gelts  gaet  hi  algader  af.  Franc.  1013.  Dus 
soe  sijn  si ...  al  haers  goets  afghegaen ,  Srab, 
r.  IV,  117.  Die  greve  van  Saint  Pol  (es)  afghe- 
gaen srewaertscaps  ende  heeft  overghegheven , 
VII,  13156.  —  Inzonderheid  van  het  prijsgeven 
of  verloochenen  van  het  kerkgeloof,  of  van  het 
laten  varen  der  zonde  gezegd.  ||  Doe  ghinc  hi 
siere  wet  af  daer  naer,  ende  dedem  doopen  ende 
kerstijn  doen,  Parth.  5733.  Hets  beter  die  doet 
ontfaen,  dan  des  geloefs  avegegaen,  Doet.  II, 
3215  (in  de  var.  D  minder  juist  tgelove  in  den 
4den  nv.).  Waert  dat  ie  doepsel  ontfinghe  ende 
mijnre  wet  dan  afghinghe.  Brand.  218  (zie  ook 
227).  Rechts  geloves  afgaen,  Melib.  3540.  Der 
wet  — ,  /J5p.  ni«,  17,  12.  Der  waerheit  — ,  CAm^. 
187.  Uwer  kerken  — ,  Theoph.  456.—  Ook,  als 
rechtsterm,  van  het  afstand  doen  van  goederen  en 
rechten.  ||  Dat  wi  comen  soelen  voer  den  gerichte , 
daert  goet  gelegen  is  ende  des  af  soelen  gaen 
ende  vertien . .  alle  dies  wi  met  den  rechte  afgaen 
soelen  ende  vertien ,  sonder  argelist,  Njjh.  1 ,  242  {a. 
1328).  Of  mjjn  wgf  daer  aen  enighe  lyftochte 
heeft,  dierre  vertijt  si,  ende  heeft  vertegen  ende 
afgegaen,  1,  256  {a.  1331).  So  hebbic  ofghegaen 
ende  renonchiert,  ga  of  ende  renonchiere ,  (?«£^^#^. 
1 ,  246  (tf.  1355).  —  De  2de  nv.  wordt  ook  ver- 
rangen  door  eene  bepaling  met  het  voorz.  van .  ||  Af- 
gaen van  den  huwelike,  Invent.  v,  Brugge  4,  487. 


Dat  Jnstaes  ende  vrauwe  Alise . .  zijn  afghegaen . .  van 
alt  goet  dat  ter  hoeftmeyerien . .  toebehoerde,  Oendsch 
Chtb.  108  {a.  1296).  Wi  gaen  of  ende  scheeden  van 
allen  den  rechten  enz . .  ende  renuntieren  te  dien 
ende  wederroupense ,  ZVl.  Bijdr.^,  74  {a.  1389).  — 
Ook  van  hem  selven  afgaen,  afstand  doen 
van  zich  zelven,  zich  verloochenen.  \\  Uwe  inwen- 
dicheit  en  ruste  niet,  hent  ghi  altemael  in  my 
verwandelt  syt  ende  temael  van  u  selven  afghegaen 
sijt,  Qerl.  Peters  235.  —  Soms  werd  de  2de  nv. 
verwaarloosd  en  door  den  accus.  vervangen.  || 
Sine  sonden  afgaen,  Theoph.  1546.  Ende  ginghe 
af  hare  wet,  Sp.YV,  34,  20.  Endehi  thertogerike 
ginc  af,  Velth.  I,  43,  47.  Dat  ie  mit  mynen  vryen 
eyghen  wille  mynen  gheuadighen  Heer  voorschre- 
ven . .  die  burchgrafschap  van  Leyden  . .  mit  handen 
ende  mit  monde  afgheghanghen ,  quijtgheschonden 
ende  overghegheven  hebbe,  ende  mit  desen  brieve 
ooc  afga,  quijtschelde  ende  overgheve ,  Mieris  4,  556 
{a.  1420).  Dat  hy  renunciere,  affgae  ende  quite- 
schelde  Sent  Omars  .  .  ende  dlandt  van  Ghyzen, 
Cron.  V.  Vlaend'.  1,  98.  —  In  den  gedrukten 
tekst,  Lanc.  IV,  327:  „Hi  hadde  hem  daer  der 
coninginnen  avegegaen  ende  harre  minnen ,"  schijnt 
hem  afgaen  als  wederk.  ww.  te  staan,  met  het 
hnlpw.  hebben  verbonden,  en  in  gelijken  zin  als 
het  enkele  afgaen.  Doch  de  ware  lezing  is  avegedaen , 
zooals  de  corrector  aanwijst.  Zie  Afdoen. 

3)  Des  — ,  iets  (eene  belofte ,  een  verbond ,  enz.) 
laten  varen,  prijsgeven,  breken,  er  ontrouw  aan  wor- 
den. II  Want  die  coninc  met  vorerade  niet  en  wilt 
breken  no  gaen  af,  datti  den  ridder  te  voren  gaf, 
Limb.  X ,  1208.  Dien  vrede  dien  ie  u  gaf,  dies  ne  gaet 
men  u  niet  af,  VIII ,  149.  Hoe  wi  dit  best  bestaen , 
of  si  ons  des  gheloves  afgaen ,  VI ,  985.  Wildi  uwes 
lieves  sekersijn,  ende  soe  u  houden  soude  ju  belof, 
ende  nemmermeer  dies  gaen  of.  Vrouw.  e.  M.  III , 
52.  Ende  hout  mi  vort  mjjn  belof,  enties  ne  moeti 
niet  ofgaen.  Wal.  3402.  Si  ghinghen  haers  woords  af, 
om  dat  wi  hem  gaven  ghichte ,  Lsp.  II ,  36,  1028.  — 
Ook  met  weglating  van  den  2den  nv. ,  die  evenwel 
uit  het  zinsverband  blijkt.  ||  Uwen  wille  sekerlike 
dien  willic  doen  euwelike,  ende  nemmermeer  ave- 
gaen, d.  i.:  d^s  avegaen,  daaraan  ontrouw  worden, 
Limb.  X,  605. 

4)  Des  (eens)  — ,  van  iets  of  iemand  afstand 
doen,  hem  {heC)  verlaten ,  begeven.  \\  Ende  nemmer- 
mere  uus  dienst  af  te  gane,  OVl.  Lied.  436.  Wi  .. 
sijn  des  viants  afghegaen,  Ruusbr.  1,  9. 

III)  Met   den  3deu  nv. 

1)  Met  eene  zaak  als  ondw.  en  den  datief  v.  d.  pers. 

a)  Van  stoffen ,  die  zich  in  het  lichaam  bevinden. 
Enen  — ,  bij  hem  weggaan,  zich  bij  hem  ontlasten. 
Vgl.  ons  afgang.  \\  Alse  den  wiven  menstruum 
afgeet,  so  comt  een  ander  dat  hem  doet  menich 
leet ,  ende  dat  es  gheverwet  al  wit  . .  Vrouwen , 
die  dit  witte  ghedoeghen ,  dats  die  waerheit  onge- 
loghen,  dat  hem  dit  witte  noede  afgeet.  Vrouw. 
Eeim.  215 — 223.  Met  spekelen  die  hem  afgaet, 
M.  en   Vr.  Eeim.  1165. 

b)  Van  zaken ,  die  zich  aan  het  lichaam  bevinden. 
Enen  — ,  hem  ontgaan,  ontvallen,  begeven.  Mi 
gaet  af,  mij  ontvalt,  mij  begeeft,  staat gelgk  met 
ik  verlies,  ik  raak  kwijt,  evenals  nog  heden  in  het 
Hoogd.:  es  geht  mir  ab.  ||  Want  heme  sijn  vleesc 
al  aveghinc.  Flor.  545.  Ende  dat  gheswel  ghinc 
hem  af,  Brab.  Y.  III,  94.  Dat  hem  sijn  haer  offghinc 
mit  allen,  Hild.  91,  113.  Dat  serpent  heeft  eene 
manier  dat  hem  het  vel  ofgaet,  ende  alst  out  es 
dan  wasset  hem  weder ,  ende  eist  soe  dat  hem  sijn 
l^f  ofgaet  ende  magher  genouch  is,  Jan  Tp.  150. 

8 


227 


AFGA. 


AFGA. 


228 


e)  Iemand  geen  dientt  meer  kunnen  doen,  in  het 
by  zonder  van  paarden ,  onbruikbaar  voor  ievuind  wor- 
den ,  fr.  étre  fourbu ,  doch  ook  de  alg.  bet.  van  verlie- 
zen, kwijtraken,  kan  hier  gelden.  Vgl.^)  ||  Van  eenen 
grawen  henxte,  die  hem  afghenc  in  mijns  heren  graven 
dienste  f  Rek.  v.  Zeel.  2,  802.  Van  eenen  paerde 
dat  hem  bedaerf  ende  ofghinc,  als  hi  ghesendt 
was  in  enz.  Invent.  v.  Brugge  3,  216.  Van  eenen 
valnwen  perde ,  dat  hem  ofginc  ende  bedaerf  int  here , 
4,  102.  Item  ghaven  sij  meester  Janne  aten  Hove 
80  6i  Qver  sine  parde,  die  hem  af  sijn  ghegaen 
binnen   desen  jare,  Bek.  v.  Qent  1,83.  Van  eènen 

Saerde ,  dat  den  her  Janne  den  Costere  afghinc  daer 
ijt  reet  inder  stede  orbore ,  1 ,  336.  Zoo  ouk  Bek. 
d.  Gr.  S,  123  en  167. 

d)  Van  al  wat  ophoudt  in  iemands  bezit  te  zijn. 
Enen  — ,  Aem  ontgaan,  ontvallen,  begeven,  voor 
hem  verloren  gaan,  ophouden  zijn  eigendom  te  zijn. 
Mi  ga  et  af  staat  geheel  gelijk  zoowel  met  ik 
verlies,  als  met  mij  ontbreekt.  ||  Ënde  hem  gaenof, 
te  sire  onbate,  die  herten  van  sinen  ondersaten; 
ende  die  sire  lieder  herten  verlieset,  dats  een 
lantshere  die  rieset,  Heim.  1501.  Ënde  noyt  sint 
van  der  stont  .  .  so  ne  voer  die  man  wel  van 
goede ,  ende  ginc  hem  af  met  groten  spoede ,  ende 
werd  arm,  Velth.  IV,  56,  68.  Drie  gichten  .  . 
die  mi  nu  syn  al  afgegaeu ,  Bate  4094  {verg.  4097). 
Alse  n  die  joeget  afgeet,  so  seldi  hebben  groten 
toren,  4538.  Als  mi  mijn  goet  avegaet,  vindic 
niemen  die  mi  bestaet,  Belg.  Mue.  6,  195,  309. 
So  gaen  hem  cracht  ende  zinne  af,  Ltp.  1,  16,  53 
var.  Waert  dat  yemant  sine  breve  verloere  of 
mit  ongevalle  ofghenghen,  Stader.  v.  Zwolle 
126,  211.  Ofte  di  dit  afgaet,  dattu  mitü  bracht 
heefste,  D.  B.  Judith  12,  8  (Vuig.  deficiaf). 
Menech  man  dicke  ghescent  es  om  dat  hem  dat 
ghinc  ave,  ontbrak,  Tofl?.  ifw.  1,  357, 11.  Qhinghe 
hem  daer  na  tot  enighen  tiden  onse  munte  ave 
ende  zi  niet  te  wercken  en  hadden,  V.  d.  Wall 
286  {a.  1367),  d.  i.  hield  de  munt  op,  hun  werk  te 
geven.  Maer  den  vrede,  die  hem  gaf  mijn  vader, 
die  geet  hem  niet  af  tote  dien  tide  dat  wi  sceden , 
Lorr.  II,  1471,  d.  i.  „die  zal  hem  niet  begeven, 
die  zal  in  stand  blijven.'''*  —  En  hieruit  is  te  ver- 
klaren het  vers,  dat  eenigszins  duister  schijnt: 
Wat  ginc  u  der  saken  ave  ?  Lanc.  III ,  26664,  d.  i. 
„wat  verloort  gij  daarbij ,  wat  deerde  het  u  ?" 

2)  Met  een  persoon  als  onderwerp  en  een  ander 
persoon  in  den  3den  nv.  Enen  — ,  iemand  verhten 
begeven,  vooral  tegen  recht  en  plicht,  en  dus, 
van  hem  afvallen ,  hem  ontrouw  worden ,  hem  verzaken , 
verloochenen.  \\  Sterven  moetic  quader  doet,  sprac 
Maurus,  oftic  u  af  sal  gaen,  in  sal  u  hier  in  staden  staen , 
Lanc.  III,  12126.  Altoes  is  hi  gereet  wieue  mint  met 
herten  heet  hem  te  helpen  ende  bi  te  stane ,  ende  hem 
niet  af  te  gane,  Lucid.  239.  Nu  heeft  Clytemnestra 
verstaen,  dat  hoir  hoir  man  is  afghegaen,  ende 
brinct  een  ander  wijf  te  huns,  ifXo^y  IV,  319. 
Die  om  lief  no  om  leet  sinen  vrient  af  en  geet, 
Doet.  II,  1445.  Die  goedertierenheit  van  onsen 
Here,  die  den  sinen  niet  af  en  gaet,  Brab.  Y. 
IV,  130.  Die  hem  waren  onderdaen,  die  sijn  hem 
nu  afgegaen,  Bijmb.  13489.  Het  sal  mi  nu  al  af- 
gaen  dat  mi  te  voren  stont  in  staden,  Umb.  VII, 
368.  Die  anderen  ter  noot  afgaet,  die  vrienscap 
die  ne  es  niet  groot,  Denkm.  3,  137,  199.  Ende 
dien  hi  meest  scoenheden  gaf,  ghinc  Gode  alder  yrst 
af,  Teest.  284.  Si  ghinghen  Gode  dicwile  af,  Lsp. 

I,  48,  35.  Die  Cristum  ende  sire  moeder  ginc  af, 

II,  48,   609.  Dat  si  Gode  onsen  Here  afghinghen 
ende  aenbeden  andre  dinghen,   334.  Dat  hi  sinen 


rechten   here   afginc   in   desen   doene,   Stoke  X, 
252.    Enen    afgaen    in   der  noot,  Lorr.  II,  4632; 
Limb.  VII,  1539;    Doet.   I,  566;  Beatr.  680,908. 
In  ga  u  of  in  gere  noet,  Velth.  II,  20,  52.  Vader 
ende  moeder  ofgaen,  Lsp.  l,  28,  19.  Malcanderea 
afgaen ,  Orimb.  II ,  4945.  Hi  en  sal  u  niet  avegaen, 
Ruusbr.    3,    131.    Om    dat  die    Fransojse   groot 
worden  mitter  Walscher  nacie,  also  si  den  Vranckea 
afgingen   daer   si    of  gecomen    waren,    Clere   lO. 
Ie    en    sal    di    niet    laten  noch   ofgaen,   D.  B. 
Jos.    1,    5.    —    Zie    verder   Lorr.    H,  82,    4665; 
Bijmb.  14667,  19743,  19995;  Sp.  I»,  23,  29;i^. 
II,    36,   6;    38,    46;  39,  2;  Limb.  III,  598;  V, 
1798;  VI,  2064;  VII,  374;  VIII,  383;  Stoke  X, 
290;   Melib.  2672;    fTrake  III,  2072;  ChrUt.  179; 
MLoep  IV,  956;  enz. —  Deze  beteekenia  was  in  de 
17de   eeuw   nog  zeer  gewoon:  zie  Ned.  Wdk.  op 
Afgaan,   942.  —  Somtijds  wordt  aan  afgaen  in 
deze    beteekenis   de   pronominale  genitief  e  {des) 
toegevoegd ,  doch  zonder  verandering  in  den  zin.  || 
Stillicoen,    die   valsche   grave   gines    den    keyaer 
Honorius   ave,    Sp.   III*,    1,    11.  Daer  hijs  Gode 
driewaerf  ginc   of,    V ,   27,   20.    Daer  hijz  onsen 
Here  ginc  af,   II-,    7,   42.   Sullen  sijs  Antekerst 
ofgaen   ende  vlien    ende   scuwen  sire  leren ,  Lep. 
IV,    8,    20.    Om    Wassenberghe    ginc    hijs   hem 
af,    dat   men   hem   over  geit  gaf,  Velth.  II,  44, 
53.  Ende  hi  ghincs  den  Vriese  of,  dat  hi  hem  niet 
te  staden  wilde   staen,    VI.  Bijmkr.  1518.  Vrient 
ende  mage  gaens  mi  ave ,  Belg.  Mus.  1 ,  295.  fflldijs 
mi    ter   noet  afgaen ,    Vad.  Mus.   1 ,  391 ,  72.   Na 
biddic    u,    dat  ghijs   mi   niet  af  en  gaet,  Eemor. 
861.  Niement  gaet  so  verre  van  huns,  roupt  hi  up 
u,  vrouwe,  dat  tuus  hem  ofgaes  jeghen  tsriand^ 
slach,  on.  Oed.  2,  58,  112. 

3)  Met  een  persoon  als  onderwerp,  een  ander 
persoon  in  den  3den  nv.  en  eene  zaak  in  den  2den 
nv.  of  met  het  voorz.  van.  Enen  des  afg'aen, 
iemand  iets  ontzeggen,  weigeren,  of  wel,  van  eene 
belofte  enz.,  iemand  iets  verbreken,  het  niet  honden 
ten  opzichte  van  hem.  Yerg.  de  mhd.  uitdmkkiug 
abegdn  einem  eines  dinges,  iemand  iets  weigeren 
(Lexer  1,3;  Grimm ,  Gramm.  4 ,  677).  Si  gaen  mi 
af  al  mire  dingen,  die  si  mi  geloefden  ere,  Velth. 
I,  30,  38.  Vrouwe,  wat  radi,..  hoe  wi  dit  best 
bestaen ,  of  si  ons  des  gheloves  afgaen  ?  Idmb,  VI , 
983.  Dien  vrede  dien  ie  a  gaf  dies  ne  gaet  men 
u  niet  af,  VIII,  149.  Gevet  mi  ene  gichte  nu, 
die  ie  n  eischen  sal,  des  biddic  u,  ende  gi  mi 
niet  afgaet  van  desen,  Lanc.  IV,  7381. 

Aanm.  „Gheet  u  nu  al  folende  af",  Belg.  Mms. 
10,  55,  131,  is  eene  verkeerde  lezing  voor  M»  w<. 
Zie  Tijdechr.  1,  141. 

AFGANGEN  (ginc,  gingen , gegangen),  st.  ww.  ons- 
Oude  bijvorm  van  Afgaen.  Zie  ald.cn  verg. Gangen. 

1)  Weggaan,  heengaan,  vertrekken.  Verg.  Af- 
gai!:n,  1,  a).  II  So  sal  die  ghene  van  ons  beiden, 
dien  dat  geboert,  terstont . .  eenen  of  also  mennigen 
alst  noet  were  gelijke  goede  manne  ende  mit  g'el^ke 
vele  perden  ende  luden  yn  des  afgegangens  of  der 
afgegangere  stat  ynseynden  yn  dier  voirscr.  stat, 
Nyh.  3,  302  {a.  1409). 

2)  Aftreden.  Verg.  Afoaen,  I,  1,  *).  ||  Weert 
dat  ennich  van  den  ghesworen  scheitsluden  eng^hen 
stoet  of  sceel  onderlinghe  ereghen,  soe  soelen  die 
ghesworen,  die  dien  sceel  onderlinghe  hadden, 
afghanghen,  ende  die  ghesworen  sceytslnde,  die 
daer  dan  bliven . . ,  die  soelen  van  dier  saec  ^he> 
swoeren  seeytslnde,  in  der  geenre  stat  die  daer 
afgheganghen  weeren,  weder  setten  ende  kyesen, 
ald.  35  {a.  1377). 


229 


AFGA. 


AFGE. 


230 


3)  Des  — ,  van  iets  afstappen.  Verg.  Afoaen, 
I,  1).  II  Bedi  willix  aldus  afganghen ,  TAeopA.  122. 

4)  Des  — ,  van  iets  afstand  doen;  later  ook 
net  den  4den  nv.  Iet  af  ga  en.  Verg.  Afoaen, 

I,  2).  (I  Soe  wanneer  die  burchgreve  voirss.  die 
)urchgreef8cap  afgegangcn  ende  OYergegeven  sal 
lebben,  £el,  v.  Leid.  392  (a.  1420). 

5)  Enen   — ,   iemand  ontvallen,  ophouden  zijn 
igendom  te  wezen.   Verg.  Afoaen,  III,  1,  d).  \\ 
Lrlem  is  my  affghegangen  al  segen  mynen  danck, 
^ad.  Mm.  4,  187,  7. 

6)  Enen  — ,  iemand  verlaten ,  begeven ,  van  kern 
if vallen,   hem   ontrouto    voorden.    Verg.    Afoaen, 

II,  2).  II  Can  ie  enighe  valscheit  verstaen,  dat 
li  ons  willen  ofganghen ,  so  sallic  doen  haer  kindre 
langhen,  Segh.  10052. 

AFGANG,  -gange,  znw.  m.  Mnd.  afgank.  Zie 
Lfgaen. 

1)  Het  heengaan,  tegenover  toeganc;  toeganc 
inde  afganc,  het  recht  om  ergens  te  gaan  en  te 
romen  naar  welgevallen.  ||  Hier  op  begheert  hy  selfs 
^aers  aenfanx,  toeganx  ende  ofganx,  Westfr.  Dingt.  9. 

2)  Aftreding.  ||  Die  homans  vanden  huzen  die 
lellen  hoer  rekeninghen  brenghen  voer  den  raet 
>innen  vier  daghen  na  horen  afganc,  B,.  v.  Vtr. 
. ,  83 ,  23.  Zoe  zeilen  zij  die  nacomenden  libelmeys- 
eren  overgeven  terstont  na  hoeren  affganck  die 
ibellen  voerseyt,  312,  183.  Dat  gy  engenen  tap- 
>er  .  .  meer  oirloff  gegeven  en  hebt  .  .  in  den 
loppensijs . .  the  wanen  off  op  te  steken,  meer 
lan  van  eiken  bier  .  .  eiken  tapper  een  tonne, 
lair  die  tap  in  steken  sell  in  den  offganck  mijns 
lijs  voirscreven,  288,  7,  d.  i.  bij  het  neerleggen 
fan  mijne  betrekking. 

3)  Dood,  overlijden.  Zie  Afoaen  I,  1,  a).  || 
^ae  affganck  ind  doede  onss  zeligen  lieven  heeren , 
^ijh.  5,  103  {a.  1479). 

4)  Het  tegenovergestelde  van  Aenganc  in  den 
;in  van  begin  (zie  ald.) ,  en  dus  zooveel  als  einde , 
liteinde.  Zie  Afoaen  I,  2,  e).  ||  Alsoe  den  af- 
^nck  van  der  haven  ende  den  lande  van  Arckel 
eer  hoocht  ende  verdroocht  voor  in  den  montvan 
Ier  haven,  Inform.  410.  —  Inzonderheid  in  het 
Üjkswezen  in  de  vereenigde  nitdmkking:  Aen- 
ganc ende  afganc  of  Opganc  ende  afganc, 
ie  gebrnikelgke  term  voor  het  begin  en  einde  van 
len  dijk  of  van  eiken  hoefslag.  ||  Dat  si  sheren 
IQc  van  Egmonde  besien  hadden,  den  aenganc 
nde  den  afganc,  ende  dat  si  dair  geen  gebrec  in 
:evonden  en  hadden,  Hondsb.  a.  1392.  Om  elc  am- 
tocht  op  sinen  dike  te  brengen,  ende  in  eiken 
mbochte  eiken  kerspel  sinen  opganc  ende  sinen 
fganc  tewisen.  Mieris  2,  2116  (a.  1319).  Zoo  ook 
beuren  v.  Delfland,  art.  9. 

6)  Afstand,  hd.  abtretung.  Zie  Afoaen  II,  2). 
I  Dese  voorschreven  overgevinge,  afgangh,  qnijt- 
cheldinghe   ende  gelofte,  ald.  4,  5566  {a.  1420). 

AFGEBIDDEN  Qebat ,  gebaden ,  gebeden),  st.  ww. 
•edr.  Met  den  3den  nv.  van  den  persoon.  Hetzelf- 
e  als  Afbidden.  Enen  iet  — ,  iemand  iets  af- 
idden,  het  door  bidden  van  hem  krijgen.  \\  T welke 
lijn  Heere  .  .  met  weenenden  ooghen,  noch  sQn 
aet,  haer  te  voeten  vallende  tien  stonden,  gheens- 
ins  afghebidden  en  conden,  Brab.  T.  YII,  6275. 

AFGEBIEDEN  {geboot,  geboden),  st.  ww.  bedr.;yf- 
ieden  ietj  weg  te  doen  of  te  veranderen.  \\  So  wie  mit 
iede  of  mit  weecdac  decte  . . ,  dat  sonde  die  goede 
uden  terstont  affghebieden ,  ende  hy  sonde  dan  mit 
ard  dack  moeten  decken ,  O.  R.  v.  Dordr.  1 ,  310 ,  1. 
ille  dieghene ,  die  hair  riede  . .  daken  offgeboden 
gn  off  die  affgebroken  hebben,  ald.  2,  vgl.  311 ,  3. 


AFGEDOEN  (gedade  oi  gedede,  gedaen),  onreg. 
WW.  bedr.  Hetzelfde  als  afdoen:  zie  ald.  Wegdoen, 
uit  den  weg  ruimen.  ||  Ware  dat  saeke,  datter 
enege  calange  af  qname  .  . ,  dit  geloveden  si  af 
te  doene;  ende  ne  mochten  sise  niet  afgedoen, 
enz..  Vod.  Mus.  5,  293  (a.  1289).  Of  gi  den  nagel 
niet  en  moget  afgedoen  hier  met,  so  doeten  af 
aldus,  Hs.  Yp.  126  a, 

AFGEDWAEN  (gedwoech ,  gedwoegen ,  gedwagen 
of  gedwegen) ,  st.  ww.  bedr.  Hetzelfde  als  Afdwaen  , 
zie  ald.  Afwastchen.  \\  Daer  sal  die  snlcke  sijn 
bedretst:  hine  saelt  niet  connen  ofghedwaen,  O  VI. 
Lied.  en   Qed.  181,  14. 

AFGEKEKEN,  zw.  ww.  bedr.  Hem  af  ge- 
keren,  zich  afkeeren.  jj  Bij  hoers  selfs  cracht  en 
konnen  sy  hem  niet  afghekeeren  van  horen  qnaden 
begheerten ,  Boeck  v.  d.  L.  J.  223  b. 

AFGECNOCHT.  Zie  bij  Afcnopen. 

AFGELDEN  {jgout,  gouden,  gegouden),  st.  ww. 
bedr.  Mnd.  afgelden.  Met  den  3den  nv.  van  den 
persoon.  Enen  iet  — ,  iemand  iets  afkoopen.  \\ 
Enich  onse  burgher  die  enen  oelden  graven  heeft 
die  sijn  all  ene  is,  dien  sal  hem  syn  nabuer  of- 
ghelden  elke  roede  voer  enen  pacht  groten ,  Stadr. 
V.  Zwolle  80 ,  97.  Die  sal  den  anderen  s\jn  erve  en- 
de sine  mare  ofghelden  ter  scepene  zeggen,  144, 
243.  Wanneer  dat  hi  die  mare  mede  becostet,  of 
hem  die  mure  afgheldet,  ald.  245.  So  wie  dat  ene 
mare  allene  leghet  heeft,  ende  hem  sijn  nabaer 
die  afghelden  wil ,  147 ,  255.  Waert  oec  dat  yen 
den  anderen  sine  mare  ende  sine  druppe  ofgulde 
ofte  ofgolden  hadde  ende  tymmerde  hi  ghelike 
hoge  den  stienhais  of  hoger ,  so  sal  elkerlyck  van 
hom  twiën  syn  water  leyden  up  syns  zelves ,  R.  v. 
Zutf.  65 ,  62.  Afgilt  hoem  dygene  sine  mare ,  dy  sien 
erve  bi  hoem  geleegen  is ,  66 ,  63.  Zoo  ook  74 ,  90. 

AFGELEGGEN  (geleget,  gehecht  of  geleit;  ge- 
leide', geleget,  geleecht,  geleght  of  geleit),  onreg. 
zw.  WW.  bedr.  Hetzelfde  als  Afleggen  :  zie  ald.  Van 
een  strijd  of  geschil  enz.  Uit  den  weg  ruimen,  bijleggen. 
II  Daer  sijn  die  heren  te  rade  gegaen  om  dese  dinc, 
of  men  conde  afgeleggen  metten  monde,  dat  men  den 
campe  en  vochte  niet,  Belg.  Mus.  1 ,  29 ,  108 ; 
Yelth.  1 ,  30 ,  8.  Ende  dier  om  spreken  menigerhandc, 
hoe  ment  mochte  geleegen  af,  Yelth.  Yl,  22,  24. 

AFGERAKEN,  zw.  ww.  onz.  Hetzelfde  als  af- 
raken. Met  den  2den  nv.  der  zaak.  Des  — ,  van 
iets  afkomen,  er  van  bevrijd  worden.  ||  Eer  ghi 
van  den  haren  ghecrijcht  een  pennewaert,  selc  die 
nu  swijcht  sal  daer  omme  die  doet  smaken,  en 
mach  sijs  anders  niet  afgeraken,  Limb.  IX,  499. 

AFGESCEDELIJC  (afgesceidelijc),  bijw.  Af- 
zonderlijk, op  zich  zelf.  \\  Als  die  siel  die  simpele 
eenvoldighe  inrelike  verstaudenisse  der  sinliker 
teykene  ofghesceydelic  verstaet  ende  die  sinlicheit 
dier  inreliker  kennisse  dan  toeghevoeghet  wart. 
Stemmen  159. 

AFGESCEDEN  (afoesceiden),  hnw.  Afgeschei- 
den, afgezonderd,  eenzaam.  \\  Ie  sal  ghevriet  war- 
den van  allen  beelden,  die  my  nedertrecken  van 
Gode  ende  sel  ofghesceyden  bliven  ende  verbeiden 
denghenen  in  enicheit,  die  enz..  Stemmen  171.  So 
wye  dat  minne  heeft  dicke  totten  sacrament  te  gaen , 
die  moet  hem  setten  tot  enen  afghescheydenen 
leven,  115.  Soe  wie  een  afghesceiden  leven  hebben 
wil,  hi  moet  wonen  in  die  stat  van  Jherusalem, 
Ruasbr.  3,  62.  Want  afgesceiden  leven  en  is  niet 
allene   van    baten,  mer  van  binnen,  ald. 

AFGESCEDENHEIT  (afoesceidenheit),  en 
-HEDE,  znw.  vr.  Zie  Afoesceden.  Toestund  van 
afscheiding,  afzondering,  eenzaamheid,  \\  Boven  al  so« 


231 


AFGE. 


AFGE. 


233 


hoet  u  onweerdicheit  te  hebben  op  nwen  even- 
kersten  ,  want  dat  is  een  groet  hinder  tot  afghe- 
sceydenheden ,  Runsbr.  3,  66.  God  Mas  yeghen- 
woirdich  te  hebben,  en  mach  die  mensche  niet 
leeren  met  vlien,  dat  hi  die  dinc  vliet  van  baten, 
ende  een  afgesceidenheit  der  menschen  maect  in 
eenvondicheden ,  75.  Willighe  armoede  ende  afghe- 
sceydenheit,  Bnigm.  1,  278;  Bevoel  B.  (30)  70  r. 
AFGESCEET,  -scede^  of  afoesceit,  sceide, 
znw.  onz.  Verg.  Gesceet.  üitkeering  van  goed  bij 
erfenissen ,  aldus  genoemd  als  strekkende  tot  schei- 
ding of  afrekening  met  de  medegerechtigden  tot 
den  boedel.  ||  Weert  sake,  dat  Derich  Turscr. afli- 
vich  warde,  ende  geen  manlich  gebuerte  after  en 
lyet,  soe  sall  dat  slot  ter  Barch  .  .  erven  up 
Steven  vorser  .  .  ende  die  solde  dan  Derichs 
vurscr.  dochter  gaeden  ende  hem  eyn  afgescheit 
doen,  Nijh.  3,294  (a.  1409).  Die  solde  die  w|jf- 
like  gebuerte  .  .  eyn  afgescheit  doen  ende  voert 
gaeden,  ald.  Van  die  rest  sal  hy  s\jn  andere  broe- 
ders ende  susters  .  .  eea  afgescheyt  doen  met  an- 
der lant,  geit,  of  eenige  belydonge  van  jaerlixe 
rente  ^  Har  d^rw.  2,3,  laaar  het  woord  nog  een  paar 
malen  voorkomt.  Verstervet  eyn  leen  van  synen  al- 
deren,  soe  is  hie  (die  oldste  soen)  synen  susteren 
ind  broiders  sculdich  eyn  affgescheyt  to  doin,  ind 
van  anderen  verstarff  nyet,  R,  v.  Zutf.  98,  22 
Verg.  Afgoedinoe. 

AFGëSëT,  eig.  deelw.  van  Afzetten,  doch  met 
een  znw.  verbonden  gebruikt  als  absolute  nv.,  in 
de  bet.  uitgezonderd ,  behalve.  Vgl.  UUTGESET  en 
UUTGESEIT.  II  Allen  anderen  oncost  offgheset  van 
eten,  van  drincken  ende  van  lijfcoop,  O.  R.  v. 
Dordr.  49,  1,  149. 

AFGESETTEN,  bw.  ww.  bedr.  Hetzelfde  als 
Afsetten:  zie  ald.  Enen  — ,  iemand  van  een 
plan^  een  voornemen  doen  afzien,  afbrengen.  ||  Met 
al  wat  hi  daer  toe  sede,  soe  en  const  hi  Petren 
daermede  niet  bewegen  noch  afgesetten,  noch  syn 
opset  oec  beletten,  Brab.  Y.  VI,  4635. 

AFGESTAEN,  onreg.  st.  ww.  onz.  Met  den  2den 
nv.  Hetzelfde  als  Afstaen:  zie  ald.  Des  — ,  af- 
stand doen  van  iets ,  het  laten  varen ,  er  med-e  ophou- 
den, uitscheiden.  \\  Nochtan  condier  niet  afghestaen , 
der  wandelinghe ,  noch  begheven ,  Belg.  Mus.  7 , 
319,  28. 

AFGESTEKEN  i^estac ,  gestaken ,  gesteken) ,  st. 
WW.  bedr.  Hetzelfde  als  Afsteken  :  zie  ald.  Enen 
— ,  t.  w.  eenen  ridder  in  den  strijd,  afstooten, 
uit  den  zadel  lichten  en  ter  aarde  werpen.  \\  Nu 
vart  hem  ane  gereet:  dine  nu  af  mach  gesteken, 
ie  ne  late  hem  niet  gebreken,  ie  ne  makene  rike 
man,  Lanc.  II,  34068.  Ende  magicken  afge- 
steken,  II,  10441.  Conde  hise  alle  gesteken  ave, 
III,  26237.  Ende  magicse  afgesteken,  111,26259. 
AFGESUVEREN,  zw.  ww.  bedr.  Hetzelfde  als 
Afsuveren ,  waarvan  tot  heden  geen  voorbeeld  in  een 
mnl.  geschrift  gevonden  is.  Zuiveren,  reinigen,  verzoe- 
nen. II  Op  di  sal  vallen  ellendicheit,  die  du  nieten 
sultste  moghen  ofgesu veren,  D.  B.  Jesaia  47,  11. 
AFGKTRECKEN  {getrae,  getraken,  getreken), 
st.  WW.  onz.  en  bedr.  Hetzelfde  als  Aftrecken. 

Onz.  Aftrekken,  wegtrekken,  zich  onttrekken  {aan 
iets).  II  Menech  die  mint  daer,  daer  men  een  haer 
om  hem  niet  en  gave,  ende  en  kan  niet  .  .  ghe- 
trecken  ave,  Belg.  Mus.  1,  124,  17. 

Bedr.  —  1)  Enen  — ,  iemand  aftrekken  {van 
iets),  er  aan  ontrukken.  \\  Alsoe  wert  die  vrecke 
mensche  .  .  verbonden  tote  ertschen  goede  alsoe 
vaste,  datten  niemen  dan  God  allene  aveghetrecken 
en  mach,  Ruusbr.  2,  6. 


2)  Iet  — ,  iet4  uittrekken,  wegtrekken^  L  w. 
van  iets,  waaraan  het  vastzit  |[  Hiiie  mochte  niet 
hebben  gereet  syn  zwert,  dat  in  den  scilde  cUf, 
dat  h|jt  conde  getrecken  af,  Lane.  III ,  1132.  Dat  si 
haer  voeten  ontbonden  ende  afgetrecken  kan  van 
den  steenen,  Hofk.  r.  Dev.  4  r.  Mettien  hi  vor 
den  monster  quam ,  daer  die  steen  lach  ende  tswaert 
daerin  .  .;  hi  dachte,  mochtict  getrecken  ave, dat 
hy t  den  broeder  geme  gave ,  Merl.  10012.  Die  homo- 
ren  hebben  so  belemmert  die  zenewen  daer  wi  bi 
horen ,  dat  mense  niet  en  mach  afgetrecken  no  bi 
medicinen  die  men  geeft  eist  ten  mont  no  bi  dat 
men  giet  in  die  oren,  Hs.  Tp.  135  e. 

AFGEWASSCEN  {^ewiesc,  gewatseen),  st.  ww. 
bedr.  Hetzelfde  als  Afwasseen.  AfweuseJken  ii 
eigeniyken  zin  en  figuuriyke  toepassing.  ||  Dmt  ie 
myn  souden  met  penitencien  niet  lichteliken  ei 
sonde  connen  afgewasschen,  Exe.  Oron.  S2d, 

AFGE  WINNEN  (gewan ,  gewonnen ,  gewmmen) ,  st 
WW.  bedr.  Hd.  abgewinnen.  Hetzelfde  als  afwinnex  : 
zie  ald. 

1)  Winnen  in  de  oudere  en  sterkere  opTmtüng 
van  in  den  strijd  winnen,  veroveren.  Met  eene  aak 
als  voorwerp  en  een  persoon  in  den  Sden  nv. 
Enen  iet  — ,  iets  op  iemand  in  den  strijd  winnen 
of  veroveren.  ||  Bartaengen  was  meest  sgn  algmder, 
souder  dats  hem  afgewonnen  dingelsche,  S^.  III*, 
34,  50.  Die  hem  afgewinnen  conde  dat  lantac^ 
IV',  40,  30-,  Brab.  T.  II,  4734.  Sine  moga 
afgewinnen  onse  mure,  Rijmb.  30078.  In  X  jarea 
en  soude  men  henlieden  dat  casteel  niet  afgewin- 
nen, Huge  V.  Bord.  71.  Si  sullen  in  n  lant  af- 
gewinnen, Merl.  6825. 

2)  Winnen  in  de  jongere  opvatting  van  per  krijgen, 
gedaan  krijgen.  Iets  afkrijgen,  losmaken,  t  w. vaa 
datgene  waaraan  het  was  vastgehecht  ||  Sgn  hela 
was  soe  vaste  gebonden ,  datten  nyman  af  ne  mochti 
gewinnen ,  Lanc.  II,  28745. 

AFGLIDEN  {gleet,  gleden,  gegleden) ,  xw.  ww. 
onz.  Afwijken,  den  rechten  weg  verlaten.  \\  Dn  ei 
suis  in  des  armen  menschen  vonnisse  niet  ofglideiL, 
D.  B.  Exod.  23 ,  6  (vuig.  non  declinabi*.) 

AFGODIE  (afgoddie)  znw.  vr.  Afgoderij.  \\ 
Ghiericheyt  is  dienst  der  afgodien  (/.  afgoden?), 
Bienb.  72  d.  Gheen  waersagherie  en  is  in  Jacob ,  noch 
afgodie  in  Israhel,  D.  B.  Num.  23,  23.  Ie  sal  ofhalei 
die  afgodien  van  dynre  haut,  Mich.  5, 11.  Yerhardet .. 
in  ouder  ghewoente  der  afgodyen.  Pms.  W.  16e. 
Hoeveel  hoverdien,  giericheden,  onsuver  afjgodiea, 
sweeringe  enz..  Fase.  M.  10  v.  Overmits  alre 
menscen  afgodie  ende  ongherech tichelt ,  Hs.  75, 3i. 
Valssche  ghyericheyt  welc  dat  afgodie  is ,  Berm.  W. 
101  c.  Der  afgodyen,  ald.  DoePaulus  .  .  sacli,  dat 
alle  die  stat  tot  afgoddien  ghegheven  was ,  Hm,  N.  f. 
42r  {Hand.  17,  16). 

AFGODIËR,  znw.  m.  Afgodendienaar,  keiden. 
Die  sotte  afgodyers  mit  wonderlike  verblintliejt 
missaken  dat  hi  {Satumus)  mensch  geweest  is, 
Fase.  Temp.  16r.  Die  rasende  dwaling  der  afgo- 
dyers, 33r. 

AFGODINGE ,  znw.  vr.  Afgoderij.  \\  Omdat  fi 
vreemt  is  ende  verre  is  van  aenbeden  der  afgo- 
dinge   ende  van  der  heyden  erve,  Pass.  W,  96  s. 

AFGODINNE,  znw.  vr.  Mnd.  afgodinne.  Vrou- 
welijke afgod.  II  Dat  Venus  die  afgodinne  was 
een  overspeelinne ,  Pass.  W.  62a.  Al  dat  volc  vaa 
Arabien  oefenden  Venerem  met  Machnmeth  Toer 
hoor  afgodinne»  743.  Die  afgodinne,  gehieten  Veans, 
Fase.  Temp.  18r. 

AFGOEDËN  (afgueden^,  zw.  ww.  bedr.  Mnd. 
afguden.    Iemand  voldoen  aoor  üitkeering  vam  foed 


233 


AFGO. 


AFGR. 


234 


..  w.  aan  medeërfgenamen  bij  boedelscheiding,  6f 
lan  voorkinderen  by  een  tweede  huwelgk.  Een  af- 
^egoet  kint,  ee»  Hnd^  waaraan  uitkeering  {uit 
len  boedel)  gedaan  it,  ||  Van  affghegaeden  kyn- 
leren  die  nae  vader  off  moder  doet  mede  te 
leele  ghaen  willen,  Overijs,  Hecht y  I*,  96. 

AFGOEDINGE,  znw.  vr.  Van  Afgoeden,  zie 
dd.  Uitkeering  van  goed.  ||  {Leengoederen)  die  snc- 
cederen  op  den  outsten,  mits  dat  hy  daer  van 
ijne  andere  broeders  ende  susters  afgoedinge  doen 
noet  van  de  derde  voet,  Hard^rw.  2,  2.  Zie  ald. 
L,  30  en  verg.  Afgesceet. 

AFGRAVEN  {groef  y  groeven ,  gegraven),  st.  ww. 
i>edr.  Met  den  3den  nv.  Enen  iet  — ,  iets  af- 
fraven  ten  nadeele  van  iemand,  het  door  graven 
Jan  zijn  goed  wegnemen,  ||  Int  jair  van  LXII  wort 
lie  grafte  gewQdet  van  Swanen  poirte  thent  aen 
lie  weteringe,  .  .  dair  worden  den  borgem  af- 
gegraven van  haern  haeven ,  dair  die  wal  of  gemaket 
8.  Ende  den  hielen  graven  tusschen  den  haven 
mde  der  weteringen  hoirt  der  stat  toe ;  dair  is  den 
}orgeren  afgegraven  van  haern  haeven  11^  ende 
SILIX  roeden  ende  XI  Toei,OveriJ*,Reeht.V,211. 

AFGRIJS,  znw.  ons.  Afgrijzen,  hevige  schrik.  \\ 
tlisquaem  haer  iet  door  eenich  afgr^s,  ie  storve 
londer  hope  of  troost,  want  dat  mejsken    is  al 
nyn  toeverlaet.  Mar.  v.  Nijm.  14,  330. 

AFGRISEN  {grees,  gegresen),  onpers.  en  wederk. 
^w.  Zie  Grisen,  en  verg.  Afgrijzen  in  Ned. 
Wdb.  1,  996. 

Onpers.  Mi  griset  af,  ik  heb  af  schuw  of 
if grijzen,  \\  Hl  wert  also  houde  ghefengnt  van 
ienen  diere  qnaet,  so  dat  die  knecht.  .  .  swaL 
10  groot,  dat  eiken  man  ofgrees,  diene  daer 
MCh  an,  Amand  I,  124.  Bedi  mach  ons  wel  of- 
^isen,  als  ons  toecomen  sal  de  doot,  Praet  3943. 
tfi  wondert  dat  di  niet  ofgrijst,  .  .  wat  dat  dl 
laer  sal  ghebnren,  4727.  Dat  uwer  eere  es  contrare, 
veidt  {wee£)  dat  mi  daerof  seere  afgrgst,  OVl. 
Lied.  e.  Oed.  413,  309. 

Wederk.  Hem  afgrisen  van  iet,  afschuw 
ïeèben  van  iets.  {\  Want  lichtelike  dat  si  bjsen, 
lie  hem  van  zonden  niet  afgrysen,  Benkm.  3, 203, 77. 

AFGRONDE.  Zie  Afgront. 

AFGRONDICH  (afgrondech),  -dige  oï  -dege, 
mw.  Mnd  afgrundieh.  Grondeloos,  onpeilbaar,  peil- 
'oos,  eigeniyk  en  overdrachteiyk.  ||  Die  afgrondighe 
>at  vol  vuers,  Devoet  B.  (30)  153p.  Die  dgrondige 
bnteyne  van  allen  goeden,  die  men  niet  en  mach 
rersceppen,  Es.  Fs.  214r.  O  afgrondighe  wijsheit, 
rol  caritaten,  T  Maagd.  483.  Ghedachten  ende  spre- 
Len  ende  werken,  daer  een  ewich  afgranaich 
Inboet  mede  versmaet  is,  G.  Groote  57.  Die 
mgemetene  wgsheit  ende  die  afgrondige  diepheit 
goalies  wesens ,  Ned.  Proza  49*.  Die  fiolen  der  af- 
grond iger  oetmoedicheit.  Stemmen  150.  Met  af- 
prondepr  rgcheit,  Ruusbr.  1,  126.  Verdolen  in 
kfgrondeger  onbekinder  dnusternessen ,  1,  133. 
Doergaen  met  afgrondigher  minnen,  4,  128.  Maer 
rant  si  alle  beghinnen  ende  inden  .  .  in  een  af- 
prondich  wesen,  243.  Die  afgrondighe  claerheit, 
S64.  Dat  hi ,  na  sijnre  godheit ,  onghemeten  is  ende 
>nbegripeiyc ,  ende  ontoeganclifc ,  ende  afgrondich , 
\,  50.  Ontoeganclike  hoecheit  ende  afgrondighe 
llepheit,  107.  In  uwer  atoondigher  oetmoedicheit, 
^eest.  L.  53p.  Zoo  ook  Knusbr.  3,  250;  4,  127, 
!23,  225,  235;  Ned.  Proza  40;  enz. 

AFGRONDICHEIT ,  en   -uede,   znw.   vr.    Zie 
Lforondich.    Grondeloosheid,  peillooze  diepte.   \\ 
Sne  ontvlotene  verlorenheit  in  dies  voerworps  af- 
prondicheit,  Rnosbr.  4,  134.  Endes^n  hem  selven 


ontsonken  in  die  afgrondicheit ,  227.  Dat  si  {die 
minne)  ons  verteere  ende  verslinde  in  hare  afgron- 
dicheit, 285.  De  gheest  .  .  wilt  .  .  dorevaren  alle 
die  afgrondicheit,  6, 160.  Dat  wesen  is  een  afgron- 
dicheyt,  daer  alle  die  ander  namen,  die  men  Gode 
geven  mach ,  in  besloten  s^n ,  Stemman  160.  Ie  gae 
totti  als . .  een  beanxt  mensche  tot  die  afgrondicheit 
des  betrouwens.  Gulden  Troen  He.  Dat  hy  die  af- 
grondicheit der  heiligher  scriftueren  mit  wonderlike 
scarpheit  des  verstants  placht  te  soeken  ende  te 
vinden ,  Rs.  88  ƒ.  47c.  Die  afgrondicheit  der  god- 
liker  ordinancien ,  Sp.  d.  M.  1,  HSd.  Dan  sellen  si 
eten  nutter  dieper  afgrondicheit  Gods,  100b. 

AFGRONT,  znw.  m.  en  onz. ;  ook  Afgronde,  vr. 
en  onz.,  mhd.  abgrunt {m) ,  mnd. abgrund-e ,  abgrunt 
(o.,  soms  m.),  ohd.  abgrunti  (o).  Afgrond,  diepte, 
eigenlijk  en  overdrachtelgk.  {|  Int  afgront  der 
hellen,  Sienb.  Qb.  Dat  afgront  van  der  hellen, 
ald.  c.  Dat  afgront  inroept  dat  afgronde  inder 
stemme  dijnre  cataracten,  G.  Groote  62  {Ps.  42, 
8).  In  desen  oetmodeghen  gronde  so  inropt  de 
afgront  den  afgronde  .  .  Ende  dat  afgront  der 
nederheit  inroepet  dat  afgront  der  hoocheit,  ald. 
63  {Bern.  W,  121  b).  Een  afgront  is  in  verdiepene 
ende  een  afgront  is  in  verhogene,  ald.  So  inroept 
dat  afgront  den  afgront,  a/^.  In  dit  diepe  afgronde. 
Brand.  663.  O  afgront  des  onbegripeliken  ordel 
Gods,  Sp.  d.  M.  1,  125rf.  Dat  afgront  der  ver- 
borgenheit  Gods ,  Bern.  W.  ZOb.  In  al  desen  (d.  i. 
bovendien)  so  es  ene  grote  afgronde  ghevest  tusscen 
a  ende  ons,  Hs.  v.  1348,  158^  {Luc.  16,  26). 

AFHALEN,  zw.  ww.  bedr. 

1)  In  ruimere  opvatting  dan  de  hedendaagsche , 
voor  wegnemen,  weghalen,  lat.  auferre.  Zoowel 
onscheidbaar  als  scheidbaar  gebruikt.  ||  Eerst 
waren  bedreghen  .  .  Henderick  Coels  .  .  ende  Jan 
de  Smet,  van  dat  zy  costnmelick  der  lieder  haudt 
afhaelden,  Gendsch  Chtb.  127  {a.  1489).  Tribu- 
lacie  is  een  voetster  der  oetmoedicheit  .  . ;  si 
ofhaelt  den  roest  der  sonden,  Devoet  B.  (36),  llv. 
Hi  is  of  halende  alle  vervaerlicheit ,  Barthol.  12a. 
Hi  is  suver  in  hem  selven  ende  is  van  den  anderen 
of  halende  die  smettinge,  ald.  Mer  ymmer  haelt 
si  af  haesteliken  den  sin  ende  dat  beroeren,  76^. 
Een  droge  leepicheit  van  den  ogen,  want  haer 
voedende  vuchticheit  is  hem  afgehaelt,  250^. 
Overmits  den  bloede  des  onbesmetten  Lams,  die 
af  haelt  die  sonden  der  werelt,  3713.  Ie  sal  of  halen 
dyn  paerden  van  dijn  middel ,  2).  ^.  ifü?A.  5,  10.  Ie 
sal  of  halen  die  afgodien  van  dijnre  hant,  11.  Si  en 
bat  nie,  dat  hoer  God  die  becoring  soude  of  halen, 
Devoet  B.  (36)  24r.  Gi  haelt  die  sonden  ende 
qnaetheit  of  ende  gi  spaert  die  onnoselen,  B.  v. 
1357,  49e.  Ofhaelt  mi  van  der  aerden,  199r.  Dine 
oerdelen  warden  ofghehaelt  van  sinen  aensichte, 
Hs.  Ps.  lOr.  Confuust  ende  onneert  moten  si 
warden  te  samen  die  sneken  mgn  ziel  om  se  of 
te  halen,  48r.  (God)  die  daer  ofhaelt  die  striden 
totten  einde  der  aerden,  54r.  Die  here  sel  of  halen 
die  vangenisse  Sjjns  volcs ,  629.  Si  sellen  ofgehaelt 
worden  als  dat  was  datter  vloyt,  64p.  Hent  die 
mane  ofgehaelt  wart,  77?.  Hi  haelde  of  sgn  volc 
als  scapen,  85r.  Du  selste  of  halen  hoer  geest  ende 
si  sullen  ontbreken,  109r.  Mijn  barmherticheit  en 
sal  ie  niet 'afhalen  van  hem,  als  icse  heb  afghe- 
haelt  van  dien  die  voer  dy  was,  D.  B.  1  Chron. 
17,  13.  Een  juck  sal  hem  te  samen  opgheleit 
worden,  dat  niet  ofghehaelt  sal  worden,  Èosea  11, 
4.  Afhael  dat  decsel,  reynighe  dat  ghesichte ,  Gerl. 
Peters  234. 

2)  Van  boeten.  Invorderen,   \\   Ende  die  boeten 


235 


AFHA. 


AFHO. 


236 


rechtevoirt  of  te  halen,  oft  van  swairttrecken  wair , 
O.  K,  V,  Delft  I,  30,  13.  By  nachte  dubbelde 
boeten,  rechtevoirt  of  te  halen,  12.  Voirt  soe  en 
moet  niemandt  gheen  pairden  .  .  wateren  in  der 
vesten ,  .  .  by  X  ^. ,  rechtevoirt  af  te  halen ,  oft 
van  swairt  trecken  wair ,  1 ,  31 ,  15.  Zoo  ook  O,  "R,  v. 
Dordr,  1.  336,  162. 

AFHANDICH  bnw. ,  mnd  afhendich ,  abhanden , 
nicht  vorhandcn,  verloren.  Vooral,  als  thans,  met 
het  WW.  maken  verbonden.  Vgl.  Ndl.  Wdb.  op 
AFHANDIG.  ||  Van  die  gouwen  kelc,  die  die  stat 
ons  kerc  ofhandic  makede ,  Rek.  d.  Buurk.  214.  — 
Meer  gewoon  in  den  vorm  afhendich,  zie  ald. 

AFHANGENDE,  tegenw.  deelw.  van  Afhangen, 
als  znw.  onz.  gebezigd.  Dat  afhangende,  d-e 
helling  (van  een  berg).  Verg.  hd.  der  abhang.  Ook 
dat  hangende^  dat  heldend^  en  dat sigende genoemd.. 
Zie  bij  Hangen,  Helden  en  Sigen.  ||  Ant  af- 
hangende van  den  berghe  was  noch  een  kerchof, 
Rijmb.  11603.  Tytus  ende  ooc  somech  baroen  bleven 
up  taf  hangende  staende ,  30966  (Lat.  acclivitat). 

AFHANG ,  znw.  m.  Van  Afhangen.  Het  afhangen , 
de  afhankelijkheid.  Genen  afhanc  hebben 
(van),  niet  af  h ankelij k  zijn  {van).  \\  Dese  engelike 
natuer  en  heeft  genen  afhanc  van  der  materien, 
Barthol.  13Ó  (Lat.  „nullam  habet  dependentiam 
a  materia"). 

AFHEFFEN  {hief,  hieven,  gehaven  of  geheven)  ^ 
st.  WW.  bedr. 

1)  Iemand  of  iets  wegnemen  door  op  te  heffen , 
dus  Af  tillen,  aflichten,  afnemen.  Hd.  abheben.  \\ 
Daer  na  niet  lanc,  doe  hi  was  doet,  wert  hi  ghe- 
heven  af,  ende  gheleit  in  een  graf.  Bed.  d.  M. 
968.  Ende  dede  tkint  af  heffen  weder  metter  wiegen 
gemackelike,  Grimb.  II,  1305  (t.  w.  van  de  ros- 
baar, verg.  VS.  1289  vlg.).  De  Panetier  doet  open 
ende  heft  af  tdexele  van  den  gerechten ,  Matth.  Anal. 
1,260. —  Die  tafle — ,  de  taf  el  af  nemen ,  naden 
maaltijd  de  overgeschoten  spijzen  wegnemen.  \\  Dat 
hi  sine  tafle  afhief,  ende  hi  hare  gaf  sijn  relief, 
Sp.  III*,  30,  13.  —  Enen  die  wapen  e  — , 
iemand  van  ds  wapenen  ontdoen.  \\  Daer  mocht 
men  menghe  smeete  sien ,  daer  men  hem  die  wapen 
afhief,  Troyen  f.  99a. 

2)  Enen  — ,  iemand  van  het  paard  af  tillen, 
aflichten.  \\  Si  waren  ingelaten  daer,  ende  Lioneel 
afgehaven  dar  naer  soetelike,  Lanc.  II,  24461 
(verg.  24168).  Die  riddre  beete  alsoe  houde,  ende 
hief  die  vrouwe  af,  Limb.  VI,  349.  Hi  hiefse 
af  met  bliden  moede,  Flandr.  I,  194.  (Hi)  hief 
die  vrouwe  van  den  paerde;  .  .  die  camerieren 
hief  hi  af  mede,  Segh.  8797. 

AFHELDICH  (afheldech),  'digeo{-dsge,hnw. 
Zie  Afbelden.  Af  hellend,   steil.  Mnd.  afheldich. 
II   Ende  riidt  te  desen  watre  waert,  daer  dbortes 
afheldich  sere,  Limb.  VI,  1630. 

AFHELPEN  (halp,  holpen,  geholpen),  zw.  ww.  bedr. 

1)  Enen  — ,  iemand  van  het  paard  helpen,  hem 
helpen  afstijgen.  ||  Na  dien  zede  neghen  si  hem, 
ende  holpen  hem  of,  Sp.  I',  48,  28.  Doe  riep  die 
dwerch  aie  joncfrou  daer,  dat  sine  afholpe,  Merl. 
35458.    (Si)    wonden    hare  afhelpen  thant,  Lanc. 

II,  14621. 

2)  Met  eene  zaak  in  den  2den  nv.  E  n  e  n  des  — , 
iemand  van  iets  afhelpen ,  er  hem  van  bevrijden ,  ont- 
slaan.   II    Nu  moets  hare  God  helpen  ave,  Limb. 

III,  185. 

AFHENDICH  (afhendech),  -dige  of  -d^ge , 
bnw.  Afhandig,  d.  i.  uit  iemands  hand  of  macht 
geraakt.  Mnd.  afhendich ,  en  nog  bij  Kil.  afhendigh, 
evenals   nog   heden    behendig  van  hand.  Vgl.  af- 


handigh.  —  In  de  uitdrukkingen:  —  Enea 
afhendich  werden,  voor  iemand  verloren  gun, 
hem  ontnomen  worden.  \\  Onse  stat  van  Amen- 
foirt,  omme  die  te  bezorgen,  dat  sy  niet  affheo- 
dich  en  werde,  Nyh.  4,  44  («.  1426.)  Want 
onse  stat  van  Amersfoirt  onsen  neve  van  (rchc 
affhendich  geworden  ende  hem  ontweldiget  is, 
4,  50  (a.  1427).  Mit  vorwerden,  dat  hy  ons  die 
stat  80  sulde  doen  verwaren  ende  versorgen,  dit 
sy  ons  niet  affhendich  en  worde. . .  Welke  stat 
hy  80  niet  en  heeft  doen  verwaren,  zy  en  ii 
hem  ende  ons  verloren  ende  affhendich  geworden, 
4,  61  {a.  1429).  Eyn  verduncken . .  sijns  rechtea 
apenynge  ind  vurwcrden  dairby  verechtert  off  af- 
hendich to  werden,  396  (a.  1467).  —  Iet  afhendich 
maken,  iets  van  de  hand  doen,  vervreemden. \\  Dat 
onse  geuedlge  here  geynrehande  lande , . .  guede  nock 
^Ide,  die  hy  had  of  verkregen  heeft,  nyet  en 
versette,  verpande,  vercope,  enwech  gheve,  noch 
anders  in  geynre  wys  afhendich  en  make,  ald.  4, 
132  (a.  1436).  Ten  weer  zake,  dat  here  Johtn... 
dat  voirgen.  slot  mitten  leengueden  in  synen  lerea 
verandersaetten,  vercofft  off  afhendich  meckten, 
240  (a.  1449).  —  Hem  ere  dinck  afhendicli 
maken,  zich  van  iets  ontdoen.  \\  Dat  ick  mj.. 
desz  slaets  ende  herlicheit  van  Hymmen  njet 
affhendich  maken  off  yet  dair  aff  vercopen,  ?«• 
setten,  verpanden,  versollen,  aff  brengen  . .  en  sal, 
296  (a.  1454).  —  Hem  afhendich  houden, 
zich  weg  houden,  niet  voor  den  dag  komen.  \\  Die 
by  tyden  twist  ende  vechtelic  maken  bynnen  der 
stede,  ende  hem  offhendich  houden  ende  bajiea 
bliven,  O.  R.  v.  Dordr.  2,  118,  156.  — -  Enei 
iet  afhendich  maken,  iemand  van  iets  6eroo9e%. 
II  Syus  vaders  vader,  die...  geweltlicker  hait 
ind  buyten  veden  affhendich  gemacht  wart  tu 
wilnere  dem  alden  Derick  heren  to  Wisch,  Ngb. 
4,  400  (o.  1467). 

AFHORTEN  (afhurten),  zw.  ww.  bedr. 
Afrukken,  afslaan,  afstooten.  ||  Maer  haer  telghea 
.  .  comen  van  berghen  ghevallen,  .  .  also  abe 
ofhurt  die  wint,  liat.  BI.  IX,  47.  Zie  de  aant. ald. 

AFHOUDEN,  st.  ww.  bedr.,  mnd.  afhoUe%. 
Het  tegenovergestelde  van  ophouden  (nl.  de  ha»tv 
Wegnemen,  weghouden,  terugtrekken.  ||  Heer  reek- 
ter  ,  heeft  hy  dan  oerloff  op  te  houden  ?  -Ja.  -Soe 
staeft  hem  die  rechter  een  eedt,  —  Heer  rechter, 
heeft  hy  nu  oerlof  sijn  hant  of  te  houden  ?  -Ja, 
Westfr.  Dingt.  7. 

AÉ'HOUDEN,  onjuiste  vorm  voor  afhoüwek 
Zie  houden  (2de  art.)  ||  Armen,  voeten  ende 
andere  leden  aff  te  houden,  V.  d.  Wall  566  (<• 
1444).  So  sellen  wi  desen  boem  of  houden,  Pm*- 
W.  22c.  Item  soe  sullen  die  vinders  . .  van  des 
visschers  drie  salmen  nioghen  nemen  . .  ende  boa- 
den  den  staert  af,  K.  v.  Brielle  38,  20.  Die  voete 
afhouden,  B.  v.  1357,  lS2c.  Daer  een  steen  ras 
den  berch  afgehouden  sonde  werden,  Sp,  d,  M.  l^ 
Sld.  Si  sullen  of  houden  dynen ..  cederboem,  D.B. 
Jerem.  22,  7. 

AFHOU  WEN  {hieu ,  hieitwen,  gehouwen) ,  st  wv 
bedr.  In  de  nog  heden  gewone  beteekenis,  Rij^^- 
24202;  Lev.  v.  J.  c.  141;  D.  B.  Exod.  34,  IS; 
Deut.  7,  5;  Richt.  6,  25;  enz.  —  Ook  fig.  || 
Hou  of  myn  laster,  üs.  Ps.  131  v.  —  Op  eigenaardige 
wijze  gebezigd  met  den  3den  nv.,  in  den  zin  van  v«> 
iets  af  houwen,  er  in  uithouwen.  \\  Een  nieuwe  graf,  dat 
der  roedsen  gehouwen  was  af,  S^.  I» ,  33,  11. 

AFHOF.  Slechts  in  de  uitdr.  ten  opkove  etM 
ten  afhove.  Zie  OPHOF. 

AFHURTEN.  Zie  afhorten. 


237 


AFJA. 


AFKE. 


238 


AFJAGEN,  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  afjagen. 

1)  Ia   de  tegenwoordige  beteekenis. 

fl)  Eigeniyk.  Enen  — ,  iemand  —  menaeh  of 
dier  —  wegjagen ^  wegdrijven^  verdrijven.  \\  Recht 
als  wy  de  vlieghen  mit  enen  wayer  oQaghen ,  Stem- 
men 67  {Devoet  B.  (SO)  llOr). 

b)  Figuurlijk.  Iet  — ,  iete  verdrijven ,  verwijd-eren 
{van  iete  andere),  t)  Men  sal  emmer  daer  toezien, 
datmen  scuwen  sal  ende  vlien  ende  .ofjagen  talre 
stonde  van  den  lachame  dongesonde,  Sp.  I',  13, 
1.  Sye  dattu  tfuule  afjaghes ,  Denkm.  3,  24,  286. 

2)  Enen  iet  — ,  het  hem  afhandig  maten, ont- 
rooven.  \\  Serianten  senddi  metter  spoet ,  die  Yenuse 
tfingerlyn  aflagen,  S^.  IV« ,  58,  139. 

3)  Een  paert  — ,  het  door  hard  rijden  af- 
matten, af  jakkeren.  \\  Al  had  een  man  een  willich 
paert ,  .  .  wordet  sonder  hoede  reden ,  men  jaghet 
of  in  corten  tyden,  Hild.  197,10.' 

AFJOCKEBEN  (afjockieren),  zw.  ww.  bedr. 
Zie  JOCKEREN.  I>oor  den  ichok,  door  het  samen- 
treffen  van  twee  ridder  e  wegnemen,  afetooten.  \\ 
Daer  na  quamen  si  te  samen  beide  met  hoeden 
ende  met  lichamen ,  dat  si  tvel  aQockierden ,  Orimb. 
II ,  5127. 

AFJONNEN  (tegw.  tfld  hijan,  H  jonnen;  verl. 
tijd  jonste),  onreg.  ww.  bedr.  Zie  Jonnen  en  verg. 
Afjonste.  Enen  iet  — ,  iemand  iets  misgunnen, 
benijden.  \\  Want  hi  {die  duvel)  den  mensce  oflan 
altoesdie  salicheit  die  ni  Terloe8,iSJp.  II* ,  14,  115. 
AFJONSTE  (Afjonst),  znw.  vr.  Zie  Af  jonnen 
en  verg.  Jonste.  Afgunst,  wangunst,  vijandschap, 
In  afyonsten  ende  in  envie,  Sp.  IV',  50,  64. 
Op  Oressuse ,  oft  hi  yonde  were ,  te  danckene  sine 
grote  oQonst ,  Sp.V  ,  1 ,  Z% var. Het tekst-hs. heeft 
ten  onrechte  sinen  groten. 

AFCAERDEN ,  zw.  ww.  bedr.  Eigenigk :  met  de 
kaerde  of  wolkam  af  kammen,  af  hekelen  \  overdach- 
telijk  afschrapen,  af  hal-en,  ontrooven  (door  laster- 
lijke of  hekelende  taal).  ||  Quade  tonge  ,  met  sconen 
waerden  gaet  si  mi  mine  eere  afcaerden,  Rincl. 
1359. 

AFKEER,  -kere,  znw.  m.  —  1)  Afkeer,  de 
tegenwoordige  beteekenis  ||  Ende  daghen  onse 
ontrouwe  .  .  met  gherechten  avekere  der  sonden, 
Buusbr.  1 ,  10. 

2)  Afval,  afwijking,  af  dwaling,  mei  my.  \\  Sos- 
thenes  was  die  den  apostel  die  bootscap  brochte 
van  haren  ofkeer,  Hs.  ƒ75,  21a.  Dit  sgn  afkere 
van  Gode  ende  principale  wortelen  van  allen  son- 
den ,  Buusbr.  4 ,  35.  Nader  menichvondicheit  boers 
ofkeers,  Hs.  Fs.  6r  {Hs.  Souter  4a:  ofkerens).  Ie 
scame  mi  uwer . .  van  uwen  ofkeer ,  Hs.  Epist.  7Se. 
AFKEBEN ,  zw.  ww.  onz.  en  bedr.  Ook  onscheid- 
baar gebezigd.  Zie  Keren.  Mnd.  afkeren. 

onz.  —  1)  Zich  afwenden,  keeren,  terugkeeren, 
teruggaan,  a/trekken.  \\  Want  die  joncfrouwe  van 
Salestroet  es  afgekert  met  haren  here,  Lane.  III, 
L2458.  Hier  met  keerden  die  heren  of  van  den  rade, 
ande  s^n  comen  daer  si  den  hertoghe  hebben  verno- 
men, Orimb.  II,  6433.  Doe  die  helle  was  ghestoort, 
.keerde  die  ziele  wederaftenlichamein  dat  graf, 
Lsp.  II,  39,  35.  Doe  keerdi  af  .  .  bi  den  coninc, 
r/.  Rijmkr.  6656.  Doe  keerde  hi  af:  des  dede  hem 
loet,  D.  War.  7,  384,  29.  Doe  keerde  hi  af  al 
mghevaen-,  ende  vloech  op  eenen  boem  staen, 
\ld.  43.  Int  afkeeren  van  Luke  in  Tuscanen,  daer 
ly  ghetrocken  was ,  omme  te  visiteme  zine  vriende , 
lout.  V.  Brugge  1,  464.  —  Inzonderheid  van 
lene  legermacht  gezegd.  Doe  keerde  hi  weder 
if  ende  voer  te  lande  als  hiwoude,StokeIII,886. 
rar.  B ,  26.  Die   Hertoge  onboet  den  Marcgrave, 


dat  hi  die  sine  dede  keren  ave,  Yelth.  II,  8,  5. 
Nochtan  en  keerde  die  Hertoge  niet  of,  n,  51, 
10.  Dat  die  coninc  es  afgekeert,  VI,  20,  21.  Int 
af  kieren  verbarden  sy  sonder  wederstant  te  hebbene 
van  yemande  Frave  .  .  ende  meer  andre  plaetsen, 
Cron.  V.  Flaend.  2,  172.  Dat  partien  voerschreven 
voertane  in  faiten  van  orloghe  alleene  sullen  uut- 
trecken  ende  weder  afkeeren  met  hunne  banieren, 
Dicricx,  Mém.  1,  65  {a.  1405).  —  Als  rechtsterm, 
van  schepenen  en  raden  gezegd.  Zich  uit  de  schepen- 
bank verwijderen,  als  in  de  saak  betrokken,  of  als 
bloedverwanten,  en  dus  niet  mede  het  vonnis  uit- 
spreken. II  Wanner  .  .  vor  ons  comet  een  clagher 
mit  zinen  vrienden ,  ende  enich  van  ons  scepen  dan 
staet  of  sittet  by  den  clagher  oft  bi  de  weder- 
partie,  ende  keret  daermede  af,  soe  sal  hi  irst 
seggen  vor  ons  s|jn  guetduncken  van  den  sak  en, 
Overijs.  Jtecht.  V ,  64.  Wye  van  scepenen  ende  raede 
sijnre  vriende  wordt  holden  in  zwoene  off  in  dedingen, 
daer  scepenen  to  ghesat  sijn ,  dat  die  afkeren  zoelen , 
wanneer  men  in  den  Baede  daer  van  spreken  sal, 
sonder  argelist.  Ende  wat  der  stat  aengheet,  dat 
z^j  koer  off  anders  enige  punten,  daer  en  sal  noch 
scepen  noch  raet  van  affkeeren  dan  die  ghene  den 
die  saken  selven  aenghaen,  I',  170.  Dat  achter- 
susterkynderen  sullen  aff  kieren  ende  niet  vorderen 
van  malkandems  saken,  I',  171.  Van  scepen  af  te 
keeren,  ald.  Beholtliken  oiek  aff  to  keren  diehoir 
vremde  dagen  holden,  ald.  Vader,  k^nt  ende 
broeder  sullen  oic  afkeren,  ald. 

2)  Zich  afwenden,  ter  tijde  keeren,  afwijken.  \\ 
Wi  en  sullen  niet  afkeren  in  den  ackers  noch  in 
den  wijngaerden,  2>.  B.  Num.  21,  22  (Vuig.  „non 
declinabimus*^).  Die  afkeerden  tote  hem  selven,  in 
behaghene  hare  natuerliker  edelheit,  die  sijn  on- 
salich,  Buusbr.  4,  128. 

3)  Afwijken ,  den  rechten  weg  verlaten,  afdwalen.  \\ 
Waerheit  niet  of  keren  en  sal  nemmermeer:  dus 
blijft  si  naer;  die  afkeeren  sijn  loghenaer,  OVl. 
Oed.  3,  137,  562.  Alle  die  persone  die  gheboren 
werden  in  mensceliker  naturen,  dien  gheeft  God 
ghelijc  edelheit  ende  vriheit,  dat  si  met  vrien  wille 
moghen  afkeeren  ofte  toekeeren,  Buusbr.  5,  146. 
Die  afghekeerde ,  die  anebeden  ende  eren  stoc  ende 
steen,  .  .  die  sgn  verdoemt  in  ewicheit,  255.  Si 
moghen  noch  afkeren  ende  in  sonden  vallen,  6, 
218.  U  afkeren  vergrammet  hem  sere,  Hor.  Belg, 
10,  42,  4. 

4)  Met  den  2den  nv.  Des  — ,  zich  van  iets  af- 
wenden, er  van  afwijken,  en  dus  het  nalaten  of  er 
mede  ophouden.  Verg.  Afcomen  en  Afsceden  onz.). 

II  Dese  en  wonde  gevens  niet  of  keren ,  maer  milde 
sijn  met  groter  eren,  Lsp.  III ,  23, 47.  Of  si  mi  mint, 
of  si  mi  haet,  ie  sal  wonen  in  hare  herte,  ine  keers 
niet  af  dor  en^heen  smerte,  ParM.  6425.  Dat  cruus 
Christi  is  .  .  den  lichaem  een  af  keren  alles  quaets 
ende  een  toekeren  alre  doechden.  Stemmen  20. 
—  Ook  reeds  met  eene  bepaling  met  het  voorz. 
van.  II  Sine  wilden  niet  afkeren  van  dat  si  geloeft 
hadden  den  coninc,  Velth.  II,  23,  60.  Nu  ben  ie 
afgekeert  van  desen  {t.  w.  van  der  werelt  ge- 
nuechde),  N.  Doet.  22.  Nochtan  en  sel  men  bi 
caritaten  niet  of  keren  van  der  minne  Goods,  Ned. 
Proza  134.  Een  aveghekeert  moet  van  alre  ver- 
gankeleker  ghelost,  Buusbr.  1,  250.  Vandaar  de 
zegswQze:  — Sonder  afkeren,  zonder c^houden, 
voortdurend.  Verg.  sonder  afsceden  en  sonder  af- 
staen.  —  Die  Denen  daden  hem  grote  ere  altoes 
sonder  afkeren,  VI.  Rijmkr.  1887. 

5)  Met  een  persoon  in  den  3den  nv.  Enen — , 
zieh  van  iemand  afkeeren ,  van  hem  afvallig  worden,  \  \ 


239 


AFKE. 


AFCN. 


240 


Aen  enen  andren  pans  te  vallen ,  ende  dien  te 
latene  ende  af  te  keeren  dien  si  oyt  plaghen  te 
obedieren,  Brab.  Y.  VII,  968. 

Be  DR.  —  1)  Met  een  persoon  als  voorwerp. 
Enen  — ,  iemand  af  keeren  ^afweren.  ||  Wasser  een 
ander  op  mi  ghestelt,  ghi  soudt  hem  met  uw 
swaert  afkeren,  Hor.  Belg,  2,  19,  7. 

2)  Met  eene  zaak  als  voorwerp.  Iet  — ,  iet4 
af  keeren^  afwenden.  \\  Afkeer  dijn  aensichte  van 
minen  sonden,  Fs.  50,  in  Anzeiger  6, 209.Vervolle  niet 
die  begheerlieheit  dijns  herten  ende  ofkeer  dinen 
wille, dat  du  niet  en  vervolste,  Con.  Som.  190a. 

3)  Ook  wederk.  gebraikt.  Hem  —  an  enen, 
zich  af  keeren ,  afwenden  tot  iemand ,  t.  w.  door  zich 
eerst  af  te  wenden  van  een  persoon ,  en  zich  daarna 
te  wenden  tot  een  anderen.  ||  Als  si  sullen  ghe- 
gheten  hebben  ende  ghesadet  sijn , .  .  soe  sullen  si 
hem  of  keren  an  vreemde  goden ,  1).  B.  Deut.  31,  20, 
vertaling  van  Vuig.    ^avertentur  ad  deos  alienos". 

AFKëRëR,  znw.  m.  Hij  die  een  ingeslagen 
goeden  weg  verlaat  ^  afvallige.  ||  Alle  dese  sijn 
princen  van  afkerers,  loeslyc  wandelende,  D.  B. 
Jerem.  6,  28. 

AFKERINGE,  znw.  vr.  Het  verlaten  van  den 
goeden  weg  y  afdwaling.  ||  Wort  bekeert  .  .  ende 
ie  sal  genesen  uwe  afkeringhe,  i>.  B.  Jerem.  3, 
22.  Haer  afkeringhe  sijn  ghestarct,  5,  6.  Zoo 
ook  8,  6. 

AFKERVEN  {carf^  corven,  gecorven)^  zw.  ww. 
bedr.  Zie  Kerven.  Afsnijden  ^  doch  in  ruimere  toe- 
passing, afleggen  y  wegdoen.  ||  Wy  willen  nu  allen 
druck  afkerven,  Belg.  Mus.  9,  156,  90  («.  1497). 

AFCLAREN,  zw.  ww.  bed!r.  Zie  Claren.  Met 
een  persoon  in  den  3den  nv.  Enen  een  ordeel 
— ,  iemand  een  vonnis  door  de  klaring  ^  de  hoogere 
rechtbank  doen  verliezen  ^  het  hem  doen  verliezen 
in  hooger  beroep.  \\  Wie  dat  een  ordel  ghevraghet 
wart  vor  schuiten  o£f  vor  scepen,  die  sal  dat  wisen 
also  vere  als  hy  dat  weet,  ende  weert  enich  van 
den  partyen  die  des  ordels  niet  en  volgede  ende 
hem  dan  dat  ofgheclaert  worde,  die  verlore  een 
pond,  Stadr.  v.  Zwolle  72,  77. 

AFCLIMMEN  {clam^  elommen,  geclommen)^  st. 
WW.  bedr.  Enen  ene  poort  (eenhuus  enz.) — . 
eene  poort  {een  huis)  door  beklimming  der  muren  — 
dus  stormenderhand  —  op  iemand  veroveren  of  aan 
hem  ontweldigen.  \\  Al  is  Trouwe  uu  verdreven  en- 
de Reden  hoer  poert  ofgheclommen ,  noch  soe  radio 
ons  arme  dommen ,  dat  wy  noch  onsen  toem  sinten, 
Hild.  207,  277  (var.  ofbeclommen).  Weert  sake 
dat  onser  liever  geminder  zuster  ende  moyen  .  . 
dat  .  .  tolhuys  tot  Lobede  afgeclommen  wurde, 
of  afgewonnen ,  of  ontweldicht  in  enyger  wys ,  Nijh. 
3,  69  {a.  1379). 

AFCLOVEN,  zw.  ww.  bedr.  Zie  Cloven.  Door 
klooven  verwijderen  van  iets,  afsnijden ^  in  figuur- 
l^ke  toepassing,  evenals  afsnijden ^  als  onwaardig 
lid  verwerpen.  Yerg.  Ndl.  Wdb.1,  1463  op  Afsnj- 
den,  Bedr.  I,  1,  ^,  ^).  ||  Deen  munt  boven,  en- 
de dander  onder,  daer  ie  niet  over  hem  gheloofk; 
al  omme  bem  ie  ofghecloofl:  in  mach  nieuwer 
mede  gaen,  OVl.  Lied  en  Ged.  273,  1180. 

AFCNAGEN  {cnoech^  cnoegen^  geknagen)^  st. 
ww.  bedr.  Zie  Csxqeü.  Af  knagen  ^  knagend  afbijten. 
II  Die  levende  kinder  .  .  zogen  der  doder  moeder 
borsten ,  ende  hadden  hem  die  spenen  ofgeknagen , 
Clere  163.  —  Enen  iet  — ,  iemand  langzaam  iets 
afnemen,  allengs  ontrooven,  bg  vergelijking  met 
knagend  gedierte.  ||  Verre  mi  van  verraders  pla- 
ghen,  die  enen  sün  welvaert  afcnaghen,  Fad,  Mus. 
2,  404,  40. 


AFCNAVEN  st  ww.  bedr.  {enoefr)  g, 
verwant  met  cnagen  en  enauwen,  zie  Tijdsckr.  1 ,  19. 
Afbijten,  af  knagen.  \\  Die  levende  kynder  .  .soe- 
ken  hoere  doder  moeder  borsten,  ende  haddei 
haer  die  spenen  afgeknaven,  Matth.  Anal.  3,  20& 

AFCNOPEN  (cnochte,  gecnocht),  onreg.  «w.  ww. 
bedr.  Zie  Cnopen. 

1)  Afbinden.  \\  Snlke  meesters  gebieden  datmeiiae 
(de  spenen  d.  z.  de  aderen)  afcnope  met  gewastoi 
araden ,  Hs.  Yp.  144^.  Waert  dat  mense  aTecnochte, 
eer  die  lichame  gepurgiert  ware,  ald. 

2)  Enen  — ,  iemand  ontknoopen,  ontbindem ^  los- 
maken .  II  Dat  hi  haren  vader  sonde  doopen  ea- 
do  van  der  quader  wet  afcnoopen ,  Avumd  1 ,  4422. 

3)  Iet  — ,  iets  ontknoopen ,  ontbinden ,  lonmmken, 
II     Wat   hi   raet   datmen    metten   perden  doe;  ki 

antwerdde:  Gi  sult  afcnopen  die  breidele  ende 
laetse  lopen,  Lanc.  II,  28127.  Wilt  dese  qnade 
wet  afcnopen ,  ende  laet  die  afgoden  vallen ,  Awssnd 

II,  3122.  —  Het  verl.  deelw.  Afgecnockt 
gold  vooral  in  den  overdrachtelgken  zin  yukafgedooM, 
uitgemaakt,  boven  alle  bedenking  verheven.  \\  Al 
waert  dat  alle  die  ingle  qnamen,  sine  consten  die 
godheit  gehamen:   dits  al  afgecnocht,  Wap.  Mart. 

III ,  59.  Hier  om  isset  offghecnocht ,  dat  men  beghe- 
ren  niet  en  moet  nyemants  beddenoet  ofte  gnei, 
Hild.  11 ,  550.  Al  saghen  die  joden  vrouch  ende 
spade  teyken,  myrakel,  die  hi  dade,  twar  in  hen 
al  offgheknocht:  sy  hebben  totter  doot  ghebrocht, 
67,  117.  —  In  het  gedicht  Van  den  vagkevi^r  dei 
sente  Patricius  vertoghet  was  (Fersl.  en  Ber,  V, 
12  vlgg.)  lezen  wij  vs.  156  vlgg:  ||  „Seide  boer 
pine,  torment  ende  arbeit  der  hellen,  ende  des 
paradys  vroude  maecte  hi  hem  wijs,  of  hi  met 
anxt  of  met  hopen  hem  die  qnaetheit  of  mocht 
copen.^^  Hoewel  enen  iet  afcopen  in  debeUvaa 
door  zeker  loon  iemand  van  iets  losmaken ,  hier  door 
bedreiging  met  de  hellestraf  of  toezegging  Tan  de 
hemelvreugde,  geen  verkeerden  zin  opleTert,  Ter- 
dient  de  lezing  cfiopen  de  voorkeur.  De  sin  is:  of 
hij  hen  van  de  boosheid  mocht  losmaken.  In  de 
Poésies  de  Marie  de  France,  II,  409,  Y8.  403, 
vindt  men  voor  deze  verzen:  Lur  bestial  cors  non 
estables  Voleit  faire  k  Den  covenables. 

AFCOMEN  (quam,  quamen,  gecomen  of  camsefC), 
onreg.  st.  ww.  onz.  Mud.  afkomen. 

1)  Van  eene  hoogere  streek  naar  eene  letgere  ko- 
men, komen.  In  dezen  zin  is  Afkowien  nog  in 
Vlaamsch-België  in  gebruik.*  Zie  Ifed.  Wdb.  op 
afkomen,  1,^,1, *,y).  II  DatconincEobbrecht.. 
van  Heylsberge  {Heidelberg) . .  afquam  met  g^ter 
moghenthede ,  om  hertoghe  Anthonise . .  te  Tei^ 
drivene  altehant,  Brab.  Y.  VII,  391.  Dat  Hnge 
noch  leefde  ende  dat  hi  in  kerstenrgcke  waer  ende 
afquame,  Huge  v.  Bord.  74. 

2)  Met  eene  bepaling  met  het  voorz.  van.  —  «)  Yaa 
personen.  Afkomen  van  ere  dinc,  van  iet»  te- 
rugkomen. II  Binnen  desen  so  was  comen  of  die 
keyser  van  siere  besichede,  *§?.  II* ,  4,  76.  —  b)  Vaa 
eene  som  gelds.  Afcomen  van  ere  dinc,  mm 
iets  komen,  als  opbrengst.  ||  Van  den  exch^ns 
van  den  drancke . .  es  afgecommen . .  2918  £,, 
Inform.  470. 

3)  Wegkomen,  weggaan,  verdwijnen,  van  aakea 
gezegd.  Verg.  bij  af.  ||  Omme  haer  halskgn  so 
lach  een  tekyn,  alst  een  root  draet  ware,  dies 
wart  hi . .  in  vare ,  want  dat  tekyn  noit  af  ea 
quam,  Sp.  III",  80,  80. 

4)  Met  den  2den  nv.  of  wel  met  het  Toora. 
van. 

a)  Met  een  persoon  in  den  2den  nv.  Eens  — , 


241 


AFCO. 


AFCO. 


242 


pan  iemand  afkomen ,  Aem  laten  varen^  verzaken. 
II  Dane  comst  haers  {der  afgodé)  af,  ie  segdi 
dan ,  dattn  selt  in  der  helle  gront  wesen,  Tst  BI. 
1976. 

b)  Des  — ,  van  iete  afkomen^  er  van  onttlageny 
bevrijd  worden.  \\  Ja,  dade  men  goede  gheloeitef 
men  mochti  wel  comen  of,  opdat  jeghen  redene 
ware,  Melib.  545.  (Dat)  men  der  plaghen  avecome, 
des  orloghens  ende  der  elinden ,  des  torments  ende 
diere  seinden,  Troyen  f.  216  a.  Ie  wille  der  minnen 
comen  of,  Ferg.  1532.  Dat  sgs  {der  minne)  niet 
mach  comen  ave ,  4515.  Dus  quam  hi  des  orloghen 
af,  Stoke  II ,  922.  Hi  waers  herde  ghemeofcomen 
met  eren  ende  tsinen  yromen,  III,  1048.  Daer  met 
quam  hi  der  yeeten  aye,  Brab.  T.  II,  7850.  Dus 
qnam  des  orloges  af  ten  lesten  met  eren  die  Graye 
here  Öi,  Yelth.  I,  45,  82.  Goeden  tQt  soe  comie 
EiYe  mijn  (/.  mijns?  miere?)  ghevanckenes ,  Limb. 
[I,  850.  Eist  dat  ie  come  dies  met  yreden  ave, 
711,  1734.  Sine  mochtens  anders  comen  af,  Stoke 
[X,  111. 

e)  Des  — ,  van  iete  terugkomen,  er  van  afzien,  \\ 
k.j  soete  Walewein,  lieve  here,  hlivet  hier  ende 
bedinct  u!  .  .  kj  lieye  Walewein,  comet  des  af, 
Lanc.  m,  18788^93. 

d)  Des  — ,  van  iete  afkomen,  het  kwijtraken, 
verliezen.  \\  Die  ridder,  die  so  grote  have  ende 
rycheit  hadde,  hi  quams  so  ave  ende  wards  so 
luite  allinschelinge ,  Im^.  II,  1253.  Noehtan  so 
loet  hem  {den  vogele)  so  onsochte ,  dat  sire  yriheit 
SS  comen  af,  Eote,  fir.  bl.  250,  101.  Tander  toIc 
rercochte  hi  al:  .  .  .  dus  qnam  hfjs  af,  B4jmb, 
29683.  Hoe  bistn  dus  ofcomen  yandesenP^SIp.  lY', 
)3,  48. 

é)  Des  — ,  van  iete  afkomen,  er  een  einde  aan 
naken,  er  mede  ophouden,  er  mede  uitscheiden 
Terg.  Afkeren,,  onz.).  „Afcomen,  deeinere,^* 
glosse  by  Grair,  JHut.  11,211.  ||  Salomon  wrochte 
bouwde)  XX  jaer,  eer  hi  sgns  makens  afqnam, 
ïijmb.  1 1878.  Nn  comt  uwes  smekens  af:  in  werde 
)i  smekene  niet  u  vrient.  Rein.  1 ,  1804.  Dat  hi  bi 
ïode  swerens  afquame,  ende  swoere  alleene  bi 
iere  name,  Sp.  III*,  46,  63.  Twee  dage  stont  hi 
inde  twee  nacht  ^  dat  hi  dies  niet  af  en  qnam, 
n*,  32,  22.  Hondi  met  mi  juwe  ghile?  cornets 
tf  ter  quader  wile,  oft  jn  naket  droufheit  vele, 
Val.  8572.  Sidermere  dat  u  es  jeghen  therte  soe 
lere,  soe  sal  ics,  vrouwe,  gherne  afcomen,  Idmb. 
n,  223.  Al  wenende  quamics  ave,  Farth.  2971. 
line  ware  des  niet  afcomen,  ne  haddent  niet  de 
)arone  benomen ,  Lane.  II ,  34707.  Ghine  comes  af 
esen  male,  u  magher  quaet  af  comen  wale,  7i^.  ^/. 
»67.  Comen  wi  des  sceldens  ave,  Idmb.  II,  1022. 
}od  en  does  mi  avecomen,  Y,  1436.  Daer  om  me 
addic  u,  jonchere,  dat  ghQs  afcomt  vortmere. 
Tl,  2521.  Gomt  ave  dies  ende  laet  onsejoufrouwe 
^en,  I,  2462.  Ghi  heren,  comes  ave,  III,  913. 
Snde  segghen  hen  dat  sijs  avequamen ,  Teett.  728. 
loe  hi  ende  Lodewgc  die  grave  beide  haers 
crivens  quamen  ave,  Brab.  7*.  Dl.  2,  bl.  424, 
'S.  183.  Ende  vielt  dat  .  .  dies  clage  quame  voer 
•ns  hertog^,  soe  mochten  wi  hem  twee  van  onsen 
ade  oft  vrinde  daer  toe  scicken,  ende  bi  dien  so 
ouds  die  greve  .  .  of  moten  comen ,  Brab.  T.  Dl. 
!,  bl.  460  {a.  1348).  —  Des  met  men  — ,  met 
tinder  ophouden,  het  bij  minder  laten.  ||  Want 
ladde  hi  vervart  gewesen,  hi  en  hadse  beide  niet 
genomen:  hi  waers  met  men  avecomen,  Lorr.  II, 
1983. 

f)  Des  — ,  van  iete  afkomen,  er  mede  aan  een 
inde  komen,  klaarkomen,  het  gedaan  maken.  ||  Ghi 


geeft  Silvestere  lof,  als  oft  h^s  al  ware  comen  of, 
Sp.  II*,  23,  339.  Nu  neemt  raet  die  n  mach 
vromen,  ende  des  ghy  moghet  avecomen  tuwen 
vromen  ende  tuwer  eeren,  Troyen  f.  26ó  (in  het 
hs.  avereomen).  Wildi  beginnen  te  josteeme  jegen 
mi,  so  comets  af,  laet  sien  wat  si:  het  gaet  sere 
ten  avonde  waert,  LatM:.  III,  19800.  Varen  wi 
wech,  comen  wQs  ave,  Limb.  II,  922.  Nu  comes 
ave  soeghi  ierst  moget,  YI,  1372.  Nu  segghetmi 
ende  comes  af,  3  Dag.  Jïirr^  319.  Maect  u  bereescap 
en  {l.  ende)  comes  af,  Blitc.  v.  M.  667.  Si  voeren 
wech ,  en  (1.  ende)  qnamens  ave ,  Yet.  Bl.  1558.  — 
Ook  met  betrekking  tot  een  verhaal  dat  men  doet: 
des  — ,  er  mede  ten  einde  komen.  ||  Soudic  u 
al  der  stucken  gewagen,  die  gescieden  wide  ende 
side,  in  quaenis  niet  af  in  lange  tide,  Yelth.  1, 
42,  78.  Soudic  tellen,  hoe  menich  baenrots,  hoe 
menich  grave  bi  hem  hilt,  in  quaems  uiet  ave, 
Heelu  4356.  Daer  was  menegherande  tale,  die  ie 
qualec  vertrecken  soude,  al  waert  oec  dat  ie  wonde, 
ie  souts  qualec  comen  af,  Limb.  IX,  536. 

AFCOMEN  ,  eig.  verl.  deelw.  van  Afcomen  in  den 
sin  van  afstammen,  als  znw.  gebruikt,  vooral  in 
het  mv.,  in  de  uitdrukking  sine  afcomene, 
zijne  afstammelingen,  zijne  nakomelingen.  \\  Hem 
selven  ende  hare  afcomene  (Vinc.  „se  et  posteros 
suos''),  Sp.  III»,  46,  65.  Alle  hare  afcomene,  IV», 
80,  104.  Sinen  afcomen,  Bijmb.  1682  var.  —  Ook 
in  het  enkelv.  als  onz.  znw.,  in  collectieven  zin. 
SQn  afcomen,  zijne  nakomelingschap.  \\  Ende 
haer  afcomen  ende  haer  geslachte  soude  oec  emmer- 
meer  daer  bi  wesen  voerwaertmecr  vri,  i^.  lY', 
19,  24.  Zoe  gheve  ie  desen  selven  Wolfarde  ende 
sinen  erfnamen,  in  rechteft  erfleene  van  mi  te 
hondene  ende  van  minen  ofcomene,  Oorkb,  2,  2063 
(fl.  1282).  —  Verg.  ook  het  volgende  art. 

AFCOMENDE ,  tegw.  deelw.  van  Afcomen  in 
den  zin  van  afstammen,  als  znw.  m.  gebruikt 
Afstammeling.  Verg.  het  vorige  art  ||  Over  Sems 
gheslachte  was  hooftman  een  snn  afcomende, 
Bijmb.  1411.  Abram  scied  uten  lande  niet  dat 
God  sinen  afcommenden  behiet,  1581  var.  Sgn 
afcomende  verloost  echt,  8586.  Si  ende  hare 
ofcomende,   Vod.  Mus.  3,  63. 

AFCOMER,  znw.  m.  Afstammeling.  Verg.  de 
twee  vorige  art.  ||  Die  van  Ghistele  met  huer- 
lieder  .  .  afcommers,  die  ghecommen  zQn  van  die 
van  Moerkercke,  Fad.  Mus.  5,  307.  Die  van 
Halewijn  met  huerlieder  .  .  afcommers,  308. 

AFCOPEN  {cochte,  gecoch£),  onreg.  zw.  ww. 
bedr.  Verg.  Copen.  Mnd.  afkopen.  Met  een  persoon 
in  den  3den  nv.  Enen  iet  — ,  iets  door  koopen 
van  iemand  verkrijgen.  \\  Manahem  cochte  hem  af 
te  hant  met  scatte,  dat  hi  keren  soude,  Bijmb, 
13998.  Hi  cochte  af  trecht  van  miere  ouden, 
Bijmb.  2395.  Als  coninc  Eduwaert  wel  een  jare 
ghebeyt  hadt  na  die  hulpe  van  den  keyser,  die 
niet  en  quam  noch  en  seynde ,  want  coninc  Philippus 
hem  meer  gelts  gegeven  hadt,  somen  seyde,  ende 
hadt  hem  afgecocht,  Exc.  Cron.  1323. 

AFCOREN  (Afcueren)  zw.  ww.  bedr.  1)  Af- 
keuren. II  Van  der  brug,  dat  seit  mjn  heer  te 
niete  overmids  datse  trecht  afghecoert  heeft  ende 
dat  doen  moghen  mit  rechte,  V.  d.  Wall  389. 

2)  Bij  eene  keur  onteigenen.  Verg.  Ned.  iFdb, 
op  Afkeuren,  XVIIde  E.  ||  Van  yements  erve 
of  te  cueren.  Item  wat  den  rechter  ende  den 
seepenen  goet  dochte  bi  hoire  zielen ,  dat  si  wouden 
hebben  eens  mans  huys  ende  erve,  steghen,  straten 
of  hallen  of  anders  yet  of  te  maken  totter  stede 
oirbair  of  behoef,   ende   dat  te  ghelden   bi  der 


243 


AFCO. 


AFLA. 


244 


scepene  eede  ende  bi  hoire  zielen ,  wie  dat  w^eder- 
seide  verbeurde  10  ff,  nochtans  sel  der  scepene 
settin^he  voirti^n,  Leid.  Keurb.  3,  8. 

AFCORTEN  (afcurten),  iw.  ww.  bcdr.  Mnd. 
afkorten. 

1)  let  — ,  ieU  koii'ter  maken  door  er  eenifttkaf 
te  nemen.  De  hedendaagsche  beteekenis.  |l  Als  men 
die  mate  heeft,  so  rort  men  den  draet  of,  also 
lang  als  hy  rontom  die  smarte  gcleit  ende  gemeten 
wort,  Matth.  97.  Doe  dedi  elke  tee  daernaer  .  . 
afcorten  met  eenre  bile,  Segh.  12694. 

2)  Verkorten^  minder  maken  van  dunr.  ||  Die 
meester  cort  of  die  corte  quale,  //#.  p.  1423,  235rf. 

3)  Enen  — ,  iemand  aftnijden^  t.  w.  uit  het 
midden  van  zijn  volk;  hem  uitroeien^  verdelgen.  \\ 
Ie  sal  mijn  aensichte  jeghen  dien  setten ,  ende  ie 
sallen  ofcortten  van  midden  synen  volke,  D.  B. 
Levit.  20,  3  (Vuig.  tuecidamqne  eitm).  Ie  sallen 
ofcorten  ende  alle  die  ghene  die  mit  hem  hielden, 
ald.  6.  Sich,  ie  sal  opti  qnaet  brengen  ende  ie 
sal  afcorten  dijn  achterste,  I  Kon.  21,  21  (Vuig. 
demetam  posteriora  tua ;  Statenb.  „uwe  nakomelingen 
wechdoen"). 

4)  Aftrekken^  afhouden^  van  een  gedeelte  eener 
schuld.  De  hedendaagsche  beteekenis.  ||  So  soud 
men  dairvoir  een  yegelijck  een  scoff  ofTcorten,  O. 
R,  V.  Dordr.  1,  319,  114.  Zoo  ook  Brab.  Y.  VII, 
13304;  Brab.  Y.  Dl.  2,  bl.  484;  Nijh.  4,  49; 
Leid.  Keitrb.  105;  Exc.  Cron.  146rf;  Inform.  241; 
Bek.  V.  Zeel.  2,   391. 

Afl.  Afcortinge,  korting^  mindering^  Handv. 
V.  Alkm.  29fl.  Rek.  d.  Buurk.  62;  64.  O.  R.  v. 
Dordr.  2,  63,  81;    Nijh.  2,  139. 

AFCRAUWELEN,  zw.  ww.  bedr.  Zie  Crauwel 
en  Grauwen.  Met  ijzeren  krauweU  of  haken 
afkrabben.  \\  Doe  hebben  die  vleyschouders 
alsoe  langhe  haeren  vleysche  ofghecrauwelt  ende 
ghevilt,  tot  dat  si  tot  dve  beenen  qnamen,  Poit. 
W.  179a. 

AFCRÏGEN  {creech  y  cregen^  geeregen)  ^  st.  ww. 
bedr.  Met  een  persoon  in  den  3den  nv.  Enen 
iet  — ,  iett  van  iemand  door  geweld  verkrijgen ^ 
het  hem  ontnemen ^  hem  er  van  berooven.  \\  Soe  een 
lange  tijt  her  onse  lande  ende  ondersaeten . .  hoere 
geit  ende  guet  affgekregen  is  geweest,  Nijh.  4, 
326  (a.  1461). 

AFLAET,  -latCy  znw. ,  veelal  onz. ,  doch  ook 
m.  gebruikt.  Het  woord  dobberde  oudtijds  tusschen 
de  beide  geslachten.  Got.  aflét  onz.;  onr.  afldt 
onz. ;  ohd.  abldz  m.,  nevens  abidzi  onz. ;  mhd.  abldz 
m.;  mnd.  afldt  onz.  Luther  nam  het  onz.  [das  ablasz). 
Later  is  het  m.  geslacht  heersehende  geworden ; 
dit  is  thans  zoowel  in  het  Hoogd.,  het  Deensch 
en  Zweedsch,  als  in  onze  taal  aangenomen.  Zie 
Ned.  Wdb.  op  Aflaat. 

1)  Nalatigheid,,  verzuim,  In  de  uitdr.  sonder 
aflaet,  hetzelfde  als  ionder  aflaten  (zie  ald.  7). 
Onafgebroken  y  voortdurend.  \\  Vier  manieren  van 
souden  .  .  . ,  die  voirden  aenschijn  Gods  sonder 
aflaet  altoes  ropen  om  wrake,  Matth.  190. 

2)  Kwijtschelding  ^  ontslag  ^  t.  w.  van  eene  straf 
of  zekere  verplichting  die  men  op  zich  heeft  ge- 
nomen. Zie  Aflaten  8).  ||  Maer  teerst  dat  si 
werden  gheware ,  dat  die  vaert  een  deel  wert 
sware,  eischen  si  aflaet  ende  willen  keren,  Nat. 
Bl.  III,  1917.  Heefstu  die  cruse  ontfaen.  God 
heescht  sijn  ghelof  voldaen:  en  soeker  of  negheen 
aflaet,  III,  1957.  Doet  hys  niet,  so  en  sal  hy 
binnen  enre  maent  niet  tappen  bi  vgf  punden, 
uytgesat  jaermerkede   ende  ons  oflat,  R.  v,  Zntf. 

.     8 ,  13. 


3)  Kwijtschelding  of  vergijfenu  pmm  somden.  ZU 
Aflaten  9).  In  H  algemeen.  FergiJ^eni*  vom  xaudem, 
van  schuld y  lat.  aèsoltitio.  \\  Aflaet  groet  van  harea 
Bonden  es  hem  altoes  ghereit,  ffap.  Mart.  III, 
38H.  Com  te  hem  .  .  ende  bit  an  hem  omme  aflaet, 
Sp.  I* ,  3 ,  53.  Dn  snit  dan  van  Gode  ontOaeii  val 
aflaet,  I*,  4,  67.  Ende  bat  aflaet  van  allen  acoi- 
den,  II',  37,  108.  Hem  aflaet  bejagen  rmn  haerre 
mesdaet,  Rijmb.  5169.  Maria,  die  ona  Tan  Teven 
misdade  bejaghede  aflaet  ende  ghenade,  Lap.  I, 
23,  107.  Maria..,  die  ons  sent  ten  cmce,  willea 
wi  winnen  aflaet  van  sire  minne,  Disp.  466.  Dese 
vinden  voer  Gode  oflaet,  Lucid.  3918  (w»/^.  ofelaetV 
Predeken  in  sinen  name  penitentie  ende  aflaet  vaa 
den  sunden,  L.  v.  J.  c.  240.  In  haere  hulde.. 
80  sochtic  aan  hare  trouwe  afflaet,  Hadew.  I. 
134,  37.  Want  smenschen  grote  misdaet  moeste 
hebben  vleeschelike  aflaet  van  des  Gods  sone  doot , 
vergiffenis  door  den  dood  van  den  tot  vleesek  ge- 
worden zoon  GodSy  Lucid.  1481. —  Enen  aflaet 
doen,  hem  vergiffenis  schenken.  \\  Die  Here  .  . 
doe  n  van  souden  vul  aflaet ,  Rein.  1 ,  2769.  Hea 
doe  ie  aflaet  van  sinen  souden,  van  siere  mesdaet, 
L.  o.  H.   4722. 

b)  In  *t  bijzonder.  Kwijtschelding  van  kerkelijke 
straffen y  door  de  kerkelijke  overheid  den  zondaren, 
na  de  vergetnng  hunner  zonden ^  verleend'^  lat.  t»- 
dnlifentia.  Met  rav.  Dikwijls  verbonden  met  Pardoen. 
Zie  M.oH,  Kerkgesch.  v.  Ned.  2*,  184  vlgg.  ||  Die  papa 
oec  .  .  priHen  den  volke  dat  aflaet,  maermen  sietse 
selden  lopen  yegherinc  om  aflaet  te  copen ,  g-helijc  dit 
die  leke  liede  dat  aflaet  halen  ende  gheven  miede , 
Teext.  3638.  So  dat  si  {de pausen)  aflate ende paerdoeoe 
mede  hebben  ghclaten  te  menigher  stede ;  maer  ea 
aflaet  boven  algadcr  gaf  een  paeus,  een  helich  vader, 
Jmnnd  I,  1476.  Ie  gheve  hem  jaer  ende  dach  vml 
pardoen  ende  aflaet  van  al  re  sondeliker  daet,  Bern. 

I,  834.  Ghi  sult  an  hoghen  aflate  delen,  ende  ai 
alt  pardoen ,  lieve  moie ,  dat  ie  in  n  scoen  sal 
bejaghen  over  se,  I,  2916.  Gheeft  mi  aflaet, 
dat  biddic  u,  I,  1670.  Morghin  .  .  .  willic  t« 
Rome  om  aflaet,  1 ,  2723.  Eer  hi  heeft  vul  afliet 
van  alre  sondeliker  daet,  I,  2801.  Dat  hi  gheene 
ter  keerken  gaet  oft  ten  pardoene  om  aflaet ,  Amtamd 

II,  144.  Groote  aflate  ende  pardoene,  I,  3578.  — 
Enen  aflaet  doen,  iemand  aflaat  scAenken,  \\ 
Ende  hi  hem  ooc  up  genade  oflaet  ende  bedinge 
dade.  Franc.  4241.  Doen  dede  hi  hem  aflaet  daer, 
Yêt.  Bl.  1066.  —  Lettere  van  aflate,  a/Uat- 
brief.  II  Ende  noch  en  quam  hem  niet  te  bate  Tas 
Rome  letteren  van  aflate.  Nat.  Bl.  III,  1945  Var. 
—  In  aflaet  eens  sielo,  ter  verkrijging  m» 
spoediger  ontheffing  van  de  pijnen  van  het  vagevtnr 
voor  de  ziel  eens  afgestorvenen.  Zie  Moll ,  KerkgescJk.  r. 
Ned.  2*,  69,  189.  ||  In  den  sel  ven  jaer  ..  stichte 
joncfrou  Rijchaert . .  een  nonnecloester  in  oflaet 
haers  broeder  siele,  Clerc  114.  —  Ook  in  toepas- 
sing op  den  vollen  grooten  aflaat y  door  de  Pansei 
verleend  of  „uitgezonden"  voor  een  kruistocht 
tegen  de  ongeloovigen.  Zie  Moll,  Kerkgesch.  2*, 
189.  II  Overmids  den  paues  Urbane,  die  te  Cleer- 
mont..  utesendde  dat  aflaet,  Sp.  IV',  2,  25. 
Dander  Urbaen . .  ,  die  onsen  here  dat  aflaet  gaf 
van  over  niere,  IV',  29,  78.  Doen  men  untsende 
dien  aflaet,  Brab.  Y.  III,  315.  Ende  voor  u  gaea 
ten  heilighen  grave,  ende  werven  u  groot  oflaet 
daer,  II ,  7180.  Dat  hy  int  lant  van  AllMuiea  woode 
strijden  in  den  dienst  van  der  kercken  omt  oflaet 
dat  daer  toe  stont.  Pass.  W.  12c. 

4)  By  uitbreiding. 

a)  Be  plaats  waar  de  aflaat  verleend  werdL  Ver;g. 


245 


AFLA. 


AFLA. 


246 


Moll,  Kerkgêich,  2\  189,  aant.  6).  ||  Men  siet 
tfolc  bat  gaen  ter  kerken . .  ende  ten  aflaet  wert 
lopen»  Teest.  471 — 74,  vgl.  Amand  II,  145. 

b)  Groot  oflaet,  kruittaart^  kruUtoeht^  waar- 
voor de  YoUe  aflaat  werd  gegeven.  Ook  Pardoen 
genoemd.  Zie  MoU,  Kerkgetch,  2\  33.  ||  Yrederic, 
de  in  de  vaert  verdranc  tAntiochen  waert,  hadde 
drie  sonen,  ende  deene  bleef  doot  voor  Akers  in 
den  oflate  groot,  Stoke  II,  1209. 

Samenst.  —  Aflaetskist,  de  kist  waarin  de 
aflaatspenningen  bewaard  worden.  \\  4  sloet  an  die 
nywe  oflaetskisten ,  Itek,  d.  JBuurk.  142;  datbeelt, 
dat  svridages  op  die  aflaetkist  staet ,  156 ;  a  f  1  a  e  t  s- 
stoel,  biechtstoel  (immers  door  de  biecht  ontving 
men  absolutie).  ||  Yan  die  2  oflaetsstoelen ,  die  in 
der  kercken  aen  elcke  sideldoer  een  of  staet,  ald. 
156. 

AFLATEN  {liet^  lieten,  gelaten),  st.  ww.  bedr. 
en  onz.  Ook  in  samengetrokken  jongeren  vorm, 
AVELAEN:   zie  by  laen.  Mnd.  aflaten. 

Bedr.  —  1)  Enen  — ,  iemand  laten  gaan,  weg- 
zenden, aftchaffen,  ontslaan.  \\  Yoirt  bebben  wy 
hem  Yorder  ontmymt  om  den  cost  van  onsen  lande 
te  minderen,  dat  men  die  twee  hoech  waerslude 
oflaten  sal ,  ende  die  zeven  heemraders  sallen  enen 
onder  bem  kiezen,  Y.  d.  Wall  373  (a.  1400). 

2)  Enen  — ,  iemand  laten  varen,  laten  gaan, 
hem  toelaten.  \\  Sibelie  die  scone  ghedane  werde 
hare  sere  ntermaten ;  sine  heeft  hem  niet  aveghe- 
laten,  sine  scoret  hem  al  uat  altoter  bloter  hunt, 
Umb.  YI,  2724  (Of  te  lezen  anegelaten?). 

3)  Wijn  — ,  wijn  a/tappen.  Yerg.  verlaten. 
II    Yoord  mach    elc  coopman  .  .  .  bi  zijns  scives 

mesnieden  zine  wine  oflaten  ende  zine  wgn- 
vaten  weder  binden  laten,  ZFl.  Bijdr.  5,  152 
(a.   1360). 

4)  Iet  — ,  iets  laten  varen,  ver  Uien.  ||  Waert 
dat  eenich  van  desen  dienres  voorsz.  haren  dienst 
oflieten ,  ende  in  den  gherechte  quamen . . ,  die  en 
zullen  daer  na  in  der  stede  dienst  niet  comen, 
O.  K.  V.  Dordr.  58,  194. 

5)  Iet  — ,  iets  laten  varen,  het  nalaten,  staken. 
II  Hets  een  swaer  dinc  ntermaten,  oude  ghewoen- 

ten  aflaten,  Doctr.  III,  343.  Dat  hl  de  dinc  wil 
laten  ave ,  ende  hi  haer  recht  late  behouden ,  Stoke 
YI,  588.  Harde  goet  waert  ofTghelaten,  dat  men 
besuyrt  buten  baten ,  Hild  93 ,  97.  Laet  ofif  vrecheit 
ende  n^t,  89,  71.  Mer  sinen  ghecken  dommen 
waen  woude  hi  daer  om  niet  laten  aff,  MLoepl, 
914.  Dat  men  tpruefsel  aff  sal  laten,  II,  1809. 
Wilstn  dijn  souden  niet  laten  af,  die  helle  die  is 
d^n  eighen.  Har.  Belg.  10,  247.  Nu  wilwi  treuren 
avelaen,  Ovl.  lAed.  en  Oed.  76,  7,  verg.  61,  7. 
Laet  of  d^  spel,  dn  hebstes  geuoech  gespeelt, 
Clerc  29.  Daerom  laet  of  uwe  dwase  luntsheit, 
B.  r.  1357,  226Ó.  In  dat  sevende  jaer  selgi  dat  of- 
laten ende  rusten,  45a.  Doe  liet  hi  s\jn  timmeren 
ende  sijn  mueren  of  ende  toech  in  Ysrahel ,  165^. 
Sy  sullen  .  .  so  hem  informeren ,  dat  hijt  (het  on- 
recht) oflate ,  Matth.  31.  Laet  of  dit  qnade  opset , 
Oesta  Bom.  c.  9.  Doe  hi  dat  spreken  afliet,  seide 
hi  tot  Symon,  Hs.  71,  Litc.  5,4  (Statenvert.  „af- 
liet van  spreken").  Also  dat  sommighe  van  den 
Yriesen  begonsten  of  te  laten  haer  ongelovicheit, 
Matth.  Jnal.  3  ,  25.  Ofte  laten  des  duvels  maniere , 
ald.  —  Het  object  wordt  ook  uitgedrukt  door  een 
afhankelfjken  bQzin,  in  welk  geval  Aflaten  dege- 
wgzigde  beteekenis  van  r^zffim^i»  aanneemt.  ||  Dat 
hi  niet  woude  laten  ave ,  hine  woude  wreken  sinen 
vader,  Stoke  lY,  190  var. 

6)  Iets   laten   varen ,    laten   loopen ,  ergens  geen 


ï 


werk  van  maken.  |l  Die  eyscher  mach  thnys  blyven 
ende  dat  recht  oflaeten  sonder  verboeren.  Dingt.  v. 
Delft  2. 

7)  Met  weglating  van  het  object  en  dus  schijn- 
baar onz.  gebezigd,  staat  Aflaten  in  den  zin 
van  Ophouden,  uitscheiden,  t.  w.  met  datgene  dat 
uit  den  zin  vanzelf  bljjkt.  ||  Wij  hebben  averge- 
vloeit  in  die  genuechte  der  werlt  ende  wg  heb- 
ben afgelaten  ende  hebben  ons  bekiert  totpeniten- 
cien,  Brugm.  1,  238.  Si  volchden  talre  tijt  ende 
en  lieten  nimmermeer  af,  MLoep  1 ,  810.  Bevint 
men  dat  het  (het  verbond)  jegen  gaet  mijns  heeren 
rechten  in  eneger  mate ,  soe  selen  die  stede 
aflaten ,  d.  t.  er  mede  ophouden ,  er  een  einde  aan 
maken,  Brab.  T.  YI,  6700.  Om  al  dit  en  selen 
si  niet  avelaten  (Lat.  desistere) ,  noch  haer  ambacht 
opgeven,  Ruusbr.  3,  191.  —  Sonder  aflaten, 
zonder  inhouden,  onophoudelijk,  voortdurend;  verg. 
sonder  afkeren,  sondeer  afsceden,  sonder  afUiet,  en 
het  volgende  art.  ||  Yervolgheden  si  zeere  langhen 
tyt  den  hertoghe  sonder  avelaen,  Brab.  T.  YII, 
4240.  Die  andere,  sonder  aflaen,  die  souden  hel- 
pen wederstaen ,  YII ,  5640.  Dat  si  .  .  hier  bi 
souden  moeten  bliven  sonder  sceiden ,  sonder  aflaten , 
YII ,  5659.  Dat  hi  hier  bi  bliven  sonde  moeten 
sonder  aflaten ,  JSra*.  T.  Dl.  2,  bl.  474  (a.  1354).  (Hi) 
bat  den  .  .  grave  Florijs  vriendelijc  sonder  oflaten , 
dat  hi  hem  te  hulpe  quame,  Clerc  bl.  Als  her 
Wouter  den  lof  .  .  .  van  den  herauden  hoerde  roe- 
pen sonder  oflaten,  82.  Seer  vierich  sonder  aflaten 
was  si  in  haer  ghebet,  Exc.  Cron.  24<?.  So  dat  hy 
daghelijcz  anstormde  sonder  aflaten,  Belg.  Mm, 
4,  204.  Hem  te  dienen  sonder  oflaten,  Barthol. 
2ib.  Ende  waren  nacht  ende  dach  in  die  weer  sonder 
aflaten,  Matth.  Jnal.  3,  358.  (Si)  roepen  toe  di 
sonder  oflaten,  incessabili  voce.  Gr.  Groote  84. 

8)  Met  een  persoon  als  object  en  ecne  zaak  in 
den  2den  nv.  Enen  des  — ,  iemand  van  iets  vrij- 
laten, er  hem  van  ontslaan,  vrijstellen.  ||  Quaemt 
op  ende  hadt  sinen  tijt,  so  soudic  altoes  hebben 
strijt  tusschen  heme  enten  grave:  daer  bi  so  lates 
mi  ave,  Lorr.  II,  1715. 

9)  Iet  — ,  iets  laten  varen,  vrijlaten,  en  dus 
kwijtschelden ,  vergeven ,  welke  beteekenis  reeds  aan 
got.  aflétan  eigen  was.  Yerg.  Aflaet  en  Yer- 
laten.  II  Ende  maecten  pays  jegen  den  grave, 
diet  algader  doe  liet  ave,  Stoke  lY,  775.  Den 
sielen  heipet  oec  oflaten  van  der  kercke.  Pass.  W, 
12b.  Ende  dreffen  in  der  hellen  schoot  sonder 
euich  avelaen,  zonder  genade,  Hild.  174,  212.  In 
den  eersten  so  zullen  alle  die  ban  ofghelaten  wezen , 
Y.  d.  Wall  368  (a.  1400).  —  Ook  zonder  obj.  || 
Selich  sijn  die  vredsamige  ende  die  afgelaten  hebben, 
want  sg  sullen  kynder  Godes  geheiten  werden, 
Brugm.  1,  238.  Misschien  is  ook  hier  de  bet  6) 
bedoeld,  doch  bij  vreedsamich  past  beter  de  bet. 
vergeven,  kwijtschelden. 

UO)  Enen  — ,  iemand  neder  laten,  laten  zakken, 
nog  heden  gewone  beteekenis.  ||  Daer  henck  die 
eersaem  hoefsche  knape,  .  .  ten  lesten  wart  hi 
affghelaten,  MLoep  l,  2593—97.  —  Ook  Hem 
aflaten  ||  Bestu  die  Gods  zone,  so  laet  di  of 
ter  neder,  Hs.  v.  1348,  6Sd. 

11)  Uitlaten,  van  kleederen.  ||  Sine  cleedere  hi 
afliet,  want  hi  hinc  ant  crucenaect,i^.I', 29,22. 

Aanm.  Onfi^ewoon  en  met  den  aard  van  het  woord 
in  strijd  is  de  beteekenis  van  toelaten,  lat  sinere^ 
die  er  door  den  vertaler  van  Bartholomeus  den 
Ingelsman  aan  wordt  toegekend.  ||  Die  lufterhant 
hiet  men  smistra,  dairom  dat  si  gehengdt  ende 
goet  laet  wesen  so  wat  die  rechterhant  doet,  a 


247 


AFLA. 


AFLE. 


248 


imOf    n$nt ,   sinere ,    dat   is   aflaten   of  gehengen , 
Barthol.  133a. 

Onz.  —  Uit  de  beteekenis  bedr.  7)  ontwikkelde 
sich  het  gebruik  van  Aflaten  als  ons.  ww.  Eerst 
werd  het  object  weggelaten  en  was  het  schnnbaar 
onx.f  yeryolgens  werd  het  object  door  een  2(ten  nv. 
verrangenf  waardoor  het  ww.  werkelijk  onz.  werd. 

1)  Met  een  persoon  in  den  2den  nv.  Eens  — , 
van  iemand  aflaten ,  kem  laten  varen ,  xich  van  hem 
verwijderen,  \\  Ie  wil  dat  ghi  sult  laten  alle 
blyschap  ende  gemack,  der  creataren  aflaten  ende 
ylien  der  werelt  wrack,  Belg.  Mm.  6,  444. 

2)  Met  eene  saak  in  den  2den  nv.  Des  — ,  van 
ieti  aflaten^  het  laten  varen ^  nalaten^  er  mede  op- 
houden. II  In  wil ,  in  caens  niet  avelaen ,  al  mochtic 
leren  dusent  jaer,  ie  moet  di  bliven  onderdaen, 
on.  Ued.  en  Oed.  188,  27.  Hoe  mochtic  das 
avelaen,  OVl.  Lied.  en  Oed.  60,  19.  Wi  willen 
tmerens  avelaen,  231,  22.  Als  hi  sach  .  .  die 
Hollanders  hoirs  stormens  an  den  casteel  niet  of 
en  lieten,  Clerc  46.  —  Ook  sonder  den2dennv.  || 
Ie  begeer  dattn  noch  niet  af  en  laetste.  P.  AVilstn 
hoeren ,  enz. ,  Sp.  d.  M.  1 ,  77^. 

AFLATENEN,  zw.  ww.  bedr.  Frequentatieve 
vorm  van  Aflaten.  Iet  — ,  iets  laten  varen ,  nalaten, 
II  Binnen  corten  tiden  herwaerts  so  heeit  onse  voirscr. 
geminde  brueder  den  voirscr.  eerweerdigen  vader 
in  Gode  ongebmyck ,  stoernisse  ende  letsel  gedaen 
.  .  in  sijnre  voirscr.  possessien,  versnekende  dat 
onse  voirscr.  geminde  brneder  tot  sijnen  behoefif  by 
ons  worde  gedoémpt  ende  gewast  die  af  te  latenen 
ende  hem  des  voirtaen  te  verdragen,  Np.  4,  147 
(tf.  1437). 

AFLATINGE,  znw.  vr.  Zie  Aflaten  7).  Mnd. 
aflaOnge.  Sonder  aflatinge,  zonder  ophouden^ 
onophoudelijk^  voortdurend.  \\  Ende  leert  oec  sonder 
oflatinge,  Barthol.  20a  (Lat  „docet  etiam  in- 
eettabile^^).  Dye  gedenckeuisse  der  passien  ons 
Heeren  droech  hy  sonder  aflatinge  in  sijnre  herten, 
Exe.  Cron.  38f. 

AFLEDEN,  zw.  ww.  bedr.  Van  Let,  lid.  Mnd. 
aJUden.  Met  een  persoon  in  den  3deu  nv. ,  en  een 
lichaamsdeel  als  object.  Enen  een  let  (die 
hant  enz.)  — ,  iemand  een  lid  (de  hand  enz.)  van 
het  lichaam  scheiden.  \\  Mer  Capis  die  wel- 
gheraecte  .  .  stac  daer  Mesapus  al  dner  die 
Bcoaderen,  dat  hy  ter  nyer  hem  aflede  die  rechter 
hant,  Troyen  f.  211b. 

AFLEDEN,  AFLEDINGE.  Zie  afleiden,  Af- 

LEIOINOE. 

AFLEGGEN  {leget,  leecht  of  leit\  leide,  lede\ 
gelegety  geleecht^  geleght  of  geleif)^  onreg.  zw.  ww. 
bedr.  Mnd.  afleggen. 

1)  Van  zaken,  die  op  iets  anders  liggen.  Ze 
daarvan  afnemen  en  eldert  nederleggen.  \\  Hi  hiet 
ontdecken  tgraf  ende  den  serc  legghen  af,  daer 
dat  graf  mede  was  bevaen ,  Bed.  d.  M.  724.  Als 
die  steen  is  offgheleecht,  soe  moechdi  rysen  ende 
verclaren,  Hild.  133,  90. 

2)  Tan  zaken,  die  men  bQ  zich  draagt  of  met 
zich  voert.  Ze  van  zich  afnemen  en  nederleggen^ 
zich  er  van  ontdoen.  \\  Willen  sij  haere  wine  af 
doen  legghen  in  Antwerpen,  in  hnyse  ocht  in 
kelre ,  dat  moghen  sy  doen  sonder  mesboren ,  Coren 
V,  Antw.  14,  40.  Als  die  coventbroedere  die  voer- 
ghenoemde  penninghe  aldus  ontfaen,  die  en  zolen 
niet  over  nacht  behouden,  zi  en  zolen  zi  weder 
gheven ,  of  zise  niet  en  hebben  aveghelecht ,  D. 
Orde  246.  Die  sonden  afleggen,  ze  laten  varen ^ 
Hild.  106, 147 ,  vgl.  P«#,  W.  13«.  —  Ook  met  wegla- 
ting van  het  object.  ||  Die  nederste  stat  dat  is  niet 


eyghens  te  behouden  .  .;  ende  want  wi  altoes  af 
te  legghen  hebben,  alsoe  langhe  ala  wi  sterfelic 
sgn,  soe  sgn  wi  altoes  staende  na  die  nederste 
stat ,  Buusbr.  3 ,  22.  Ende  want  wi  altoes  af  ie 
legghen  hebben  alsoe  langhe  als  wi  leven,  ende 
niet  hebben  af  te  legghen  is  die  nederste  stat, 
ald.  —  Ook  met  weglating  van  het  object ,  en  das 
schijnbaar  onz.,  in  de  bijzondere  opvatting'  vaa: 
de  wapenen  nederleggen.  Verg.  mnd.  aJUfffe»  ea 
nhd.  ablegen  (Grimm,  Wtb.  1,  71).  1|  Hadde  a 
quartiermeyster  voor  u  geleyde  begeert,  ie  hadt 
u  gegheven ,  mar  ghy  moet  nu  afleggen  ende  g'hevea 
n  gevangen ,  Matth.  Anal.  1 ,  477. 

3)  Iet  — ,  iete  wegbrengen ^  ter  zijde  legden.  || 
Item  Enghel  van  hoyen  ende  van  oflegghen,  vaa 
der  morgen  2  se. ,  Rek.  d.  Oraf.  2 ,  68.  Zo  en  aell 
geen  vleyschouwer  mit  enigen  vleysch  meer  daa 
drie  male  houden  ende  dan  selment  offleg^n,  JL 
V.  Utr.  1 ,  310 ,  9.  Dat  vleysch ,  dat  alzo  offgelejt  is, 
dat  selmen  thuys  dragen  ende  niet  weder  int 
vleyschuys  brengen,  311,  10. 

4)  Yan  landerijen  zoowel  als  water  gezegd.  Af- 
bakenen ,  eene  bepaalde  richting  door  bakena  oéutfeven, 
fr.  ' traeer  y  jalonner  ^  in  welken  zin  tegenwoordig 
afzetten  in  gebruik  is.  Zie  Ndl.  Wdb.  1 ,  1970.  |1 
Over  de  moynesse  die  hi  hadde  . .  ,  de  chingelea 
of  te  legghene  ende  te  metene,  Invent.  v.  J^rwfft 
3,  203.  Van  dat  hi  mat  ende  afleyde  de  place 
vander  voorseider  bane,  4,  616.  Tan  dat  hy  of- 
gheleyt  ende  ghemeten  heift  4067  ghemeten  lands , 
6,  461. 

6)  Van  muren,  gebouwen  enz.  Ze  afbreken^ 
tlechten.  ||  Hi  beleyde  Pampilonien  ende  wanse 
met  groten  arbejrt  ende  dede  haer  mueren  afleggen, 
Exe.  Cron.  683.  So  wert  daer  besproken,  dat  dye 
mueren  ende  poorten  van  Yalckenburch  afgeleyt 
sal  werden,  1263. 

6)  In  het  dgkswezen.  Enen  dgc  afleggen, 
de  verplichting  tot  onderhoud  van  een  dijk  opAejfem. 
Zie  G.  De  Vries,  Het  dijke-  en  molenbeeiumr  in 
Holland"*  Noorderkwartier  212.  ||  Dat  her  Diederie 
van  Breedderode  onse  bayliu  van  Kenemerlant  .  . 
van  onsen  weghen  heeit  ofgheleyt  den  d^c  Ont- 
gotskoghe  ende  Limmen  bi  der  heemrader  ejt  ende 
met  al  den  recht  dat  recht  es,  Oorkb.  2,  279« 
{a.  1288).  Aelbrecht  enz.  doen  kond  allen  Inydea 
ende  ondersaten  van  Waterland,  overmidts  onsen 
bevele  ende  gebede  overgedgckt  hebben  die  Pnrmer- 
Ye,  ende  daer  mede  afgeleyd  veele  swaren  d^cx 
van  onsen  lande  van  Waterlandt,  die  in  groote 
vreese  placht  te  staen ,  soo  hebben  wy  onsen  ondex^ 
saten  gemeenelijck,  dien  die  ouden  dgck,  die  af- 
geleydt  is,  toe  te  hooren  placht,  gratie  gedaen. 
Mieris  3,  745a  (a.  1401);  verg.  787a  (a.  1403). 

7)  Doen  ophouden^  doen  eindigen^  in  verschillend 
gewijzigde  opvattingen  naar  gelang  der  verschillende 
objecten  Ygl.  afdoen,  a)  Yan  een  stryd  of  geschil, 
een  oorlog,  eene  veete,  gramschap  enz.  Doen  ifp- 
houden^  bijleggen^  te  niet  doen.  \\  Ende  mids  desen 
. .  wort  die  sake  afgeleit  van  den  geschille  vore  vex^ 
claert,  Brab.  T.  YI,  11667.  Dat  een  bestant  goet 
ware,  oft  afgeleit  tgeschille  van  der  saken  Torseit, 
YI,  10166.  Daer  mede  die  twist,  die  tnsscentlnnt 
hinc  ende  den  elect  vorseit,  ghesaet  wert  ende 
afghelcit,  Brab.  T.  Dl.  3,  W.  697,  va.  192, 
Zwert  ende  oorloghe  hevet  hi  ofgheleghet,  fl«.  v. 
1348,  244^.  So  dat  al  den  onvrede  vriendelike 
waert  afgheleyt,  Vl,  Rijmkr.  6393.  Doe  wildi  nf- 
leg^hen  dat  stryden  ende  maken  tusachen  hem 
beeden  zoene,  Denkm.  3,  119,  24.  Om  dit  oriogc 
af  te  leggen,   Brab.   T.  YI,  9689.  Op  dat  tglie- 


24d 


AFLE, 


AFLE. 


250 


Rchille  worde  afgheleit,  YI,  10840.  Om  af  te 
legghene  die  gheschille,  YII,  3638,  13866.  Dus 
was  afgheleeght  gheheelljc  datjammerlikescisma, 
YII,  7874.  In  den  payse  ende  afleggen  tnsschen 
de  hertoghe  ende  hertoginne,  Brab,  T.  Dl.  2,  bl. 
422,  YS.  115.  Die  grote  vete  te  leggen  ave ,  Stoke, 
wUg.  van  Donxa,  ƒ.  316  (bg  Huyd.  lY,  186:  te 
doen  ave).  Du  salt  breken  den  bant  Adaems ,  ende 
Belt  avelegghen  den  abolge  dyns  vaders,  Ès.  bij 
Bormans  op  Chritt,  bl.  439.  Hi  leyde  oic  of  mit 
grave  Jan  van  Ayennes  die  vede  ende  die  kijf, 
Clere  121.  Dat  tusschen  onse  capitel  ende  scolaster, 
ende  tnsschen  onse  poorters  hier  na  alle  onminne 
blive  afgeleit,  Belg.  Mm.  1,  22  (a.    1320). 

b)  Yan  eene  schuld,  eene  boete.  J/doen,  ver- 
efenen,  betalen.  ||  Dat  ghl  .  .  mi  (wilt)  helpen 
ende  versien  Tan  eenen  deel  ^ereeds  gelts,  dairic 
myn  schout  eens  deels  mede  betalen  ende  afleggen 
mach,  Brab,  T.  Dl.  2,  bl.  649  {a.  1382).  Ende 
ware  enich  man  de  dit  verharden  wilde ,  so  sal  de 
olderman  tho  hem  ghaen  .  .  ende  hem  beden  bi 
eene  pene  van  XX  schell,  dat  hi  synen  broke 
aflegge,  Overijt.  Bêcht.  I',  28.  Wanneer  .  .  dat 
geviele,  des  willen  wy  ons  an  sQn  IQf  ende  an 
sijn  guet  gehalden  heboen,  thent  ther  tnt  dat  hg 
dat  affleyt  ende  ons  gebetert  hefft,  Nyh.  3,  156 
{a.  1389).  Om  dese  vorsz.  commer  ende  scalde 
bet  te  vervallen  ende  metter  minster  scade  af  te 
leggen,  Y.  d.  Wall  306  (a.  1371).  —  Ene  mort 
afleggen,  een  moord  zoenen  door  betaling  der 
geeteUle  boete.  ||  En  si  dat  si  {die  mort)  .  .  met 
ghelde  af  si  gheleghet,  Brab.  Y.  lY,  783.  —Ook 
met  weglating  van  het  object  en  das  schgnbaar 
onz.  II  Tot  wi  .  .  aen  hem  hebben  afgheleit  metter 
selver   somme   van  ghelde,  Brab.   T.  YII,  2532. 

=  Afleggen  komt  in  dezen  zin  nog  in  de  17de  en 
18de  eeuw  en  thans  nog  bg  Ylaamsche  schryvers 
voor:  zie  Ned.  Wdb.  1,  1131. 

è)  Yan  eene  gewoonte,  een  gebruik ,  eene  handel- 
wQze  enz.  Aftehaffen ,  in  onbruik  brengen ,  een  einde 
maken  {aan  iéiê) ,  te  niet  doen.  In  H  Mnl.  niet  alleen  in 
betrekking  tot  den  persoon  zelven ,  maar  ook  tot  de 
gewoonten,  gebruiken  enz.  vanafM^^.  ||  Somaecten 
si  daer  toe  enen  voocht,  die  spade  ende  vroe  cracht 
ende  fortse  soude  leggen  ave ,  so  dat  elc  andren  tsine 
gave,  Ltp,  I,  35,  37.  Danse,  spele,  sanc,  al  ri veel 
wart  afgheleeght  in  desen  daghen,  Brab.  T.  Y, 
834.  (Of  ghi)  qnade  tale  van  hem  hoort  segghen, 
dat  ghi  die  sult  aflegghen  ende  alle  quaetheit 
beteren  na  uwe  macht,  Amand  II,  5208.  Die 
wiste  hoe  node  ie  hore  quaet  seegen  van  minen 
lieve,  hi  soudt  afleggen,  Belg.  mus.  1,  103,  15. 
Hem  waer  beter  .  . ,  dat  hi  dese  poente  aflede , 
Wrake  I,  1216.  Die  hertoge  hadde  corten  raetom 
af  te  leggene  ondaet,  Heelu  4151.  Den  brief  daer 
mede  die  scoepen  ende  ander  cledere  van  geselscappe 
afgeleit  sgn,  Belg.  Mm.  5,  93  {a.  1375).  Dat  alle 
dinghen  ende  sticken  die  ghesciet  ende  ghedaen 
sin  in  dit  orloghe  .  .,  dat  die  van  nu  al  te  niete 
xin  ende  ofgheleit,  Cout.  v,  Brugge,  1 ,  364.  —  Het 
yerl.  deelw.  Afgeleit  of  Afgeleecht  stond 
gelijk  met  het  tegenwoordige  a/gescAaft,  te  niet 
gedaan  of  ti»  onbrmk  geraakt.  \\  So  sijn  die  afgode 
afgeleit  over  al  in  aertrike,  Ltp.  II,  19,  130. 
AUelke  wgsheit  .  .  es  nu  sere  afgeleit,  Boet.  in, 
685.  Eendrachtecheit  .  .  dits  afgeleght  sere,  III, 
992.  Ere  ende  gherechticheyt  ende  Gods  vresen 
8)1  n  afgheleyt,  Wrake  II,  393.  Gestadecheit  .  .  es 
nu  afgeleecht  ende  al  geworpen  onder  voet,  Fad, 
Mus.  1,  859,  5.  —  Zie  verder  1,  318,  212;  Ztp. 
m ,  14 ,  241 ;  26 ,  185 ,  enz.  —  Haer  eer ,  haer  croen, 


haer    rgcheit,    haer   edelhei t    was    nu    afgheleit, 
te  niet  gedaan ,  Troyen  f.  33^. 

ét)  Yan  wetten,  instellingen,  belastingen,  tollen 
enz.  Aftehaffen,  \\  Die  oude  beestsiis  is  ofgeleyt 
om  des  nywen  beestsys  wylle ,  E.  v.  Zutf.  272 ,  8. 
Yoorts  hebben  wy  hen  gegeven,  dat  sy  haer 
ezcysen  af  mogen  leggen  ende  aendoen,  als  sy 
willen ,  Mieris  2,  3056  {a.  1323).  Yan  allen  onghelde 
dat  men  heesch  ten  porten  van  der  stede  halven, 
dat  men  dat  oflegghe  sonder  van  rechter  calsiede, 
Cout.  V.  Brugge  1,  386.  Welke  costume  es  ende 
sal  zgn  te  nieute  ghedaen  ende  afgheleghen ,  Cr  on, 
V.  Vlaend,  2,  204  (/.  afgeleit,  welke  vorm  hier 
de  ware  is ;  doch ,  zooals  uit  deze  plaats  blgkt ,  ver- 
warde men  toen  reeds  Afleggen  en  Affliggen',  zie 
Aenleooen).  — Met  een  persoon  in  den  3dennv. 
Enen  iet  — ,  ten  behoeve  van  iemand  iets  af- 
schaffen, er  hem  van  ontheffen.  \\  Yoert  sullen  wir 
huen  alle  onrechte  toUe  affleggen,  Nyh.  3,  7 
{a.  1372).  Dat  wy  oen  alle  tollen  ende  unrecht  aff 
sullen  doen  leggen,  10.  —  Ook  met  eene  nadere 
bepaling  met  het  voorz.  van.  \\  Yoert  sullen  wy 
oen  affleggen ,  ind  afleggen  oen  als  nu ,  den  tol  tot 
Moudgck  .  .  van  den  opslaege ,  alsoe  dat  zy  aldaer . . 
nummermeer  hier  naemaels  in  geenre  tgt  tolle 
geven  en  sullen  van  geenen  haeren  goede,  2, 
277  (tf.  1371). 

e)  Yan  overheidspersonen ,  enz.  Aftetten,  ||  In 
Brabant  worden  bi  desen  valle  die  meentncht  gheleet 
af  alle,  soe  dat  meneghen  coste  sgn  leven,  die 
overdaet  hadde  ghedreven,  Brab.  «T.  Y,  495  (var. 
afgheleghen^ 

f)  Yan  eene  verbintenis,  een  koop  enz.  Te  niet 
doen,  verbreken,  \\  Nochtan  solde  hi  dat  verbont 
afleggen  tot  alsulker  tgt  als  des  scepen  ende  raet 
avercb*ogen,  Stadr,  v.  Zwolle  113 ,  178.  Soe  wanneer 
hi  soude  afleggen  dien  coep ,  dien  hi  hadde  ghedaen 
ons  vorseiden  neve ,  soude  hi  ontfaen  sesentachtich 
dusent  v^f  hondert  ryale ,  Brab.  T.  Yl ,  1846. 

g)  Yan  een  verzoek  of  eene  bede.  Afslaan,  van 
de  hand  wijzen,  zich  er  afmaken.  \\  Wildgt  hem 
ooc  ontseggen,  dat  wilt  so  hovescheiyc  ofleggen 
ende  so  bedectelgc,  dat  hire  hem  niet  omme  en 
sconfire,  Lsp.  III ,  4 ,  135.  —  Afleggen  was  in  desen 
zin  nog  in  de  17de  eeuw  in  gebruik:  zie  Ned, 
Wdb,  1,  1137,  3). 

AFLEGGINGE,  znw.  vr.  Afschaffing  (vgl.  Af- 
leggen Qd),  bepaaldeigk  afschaffing  van  tollen, 
accynsen,  beUstingen  enz.  ||  So  sidl  ende  mach 
sg  {de  stad)  die  (^de  zes  stuivers)  noch  nemen  in 
affslach  der  driehóndert  riinsche  gulden  die  wQ 
hoer  om  der  afflegginge  wille  der  sess  stuyvers 
.  .  geven  solden ,  Y.  d.  Wall  550.  Zoo  ook  553, 554. 

JJPLEIDEN    (afleden),    zw.  ww.    bedr.    Zie 

LEIDEN. 

1)  Enen  — ,  iemand  wegleiden,  wegvoeren^ 
wegbrengen.  \\  Leed  af  tfolc  dattu  heves  begrepen , 
B4jmb.  5104.  Al  waerdy  ofgheleit  tot  die  uterste 
des  hemels ,  D.  B.  Nehem.  1,9.  —  Soe  wat  poorter 
van  den  baelyu  of  van  yemant  belast  wort,  of  te 
rechte  geset,  ende  die  de  colfdraghers  plaghen 
of  te  leyden ,  dat  voertan  dese  twee  boden  .  .  die 
ofleydinghe  sullen  doen,  ende  niet  die  colfdragers , 
O.  R.  V,  JDordr.  2,  33,  46.  —  Ook  met  weglating 
van  het  object  ||  Mer  hi  verstaet  afleyden  ende 
toeleyden,  Buusbr.  4,  259;  by  Surius:  „Ba  quaea 
Deo  vel  abducant ,  vel  ad  Beum  addueant.  ** 

2)  Enen  — ,  iemand  afleiden,  aftrekken,  t  w. 
van  iets  dat  hem  bezig  houdt,  tevredeMtellen.    || 
Ie  hope  ghi  wert  ghestilt  ende  met  redenen  afge- 
leyt,   Amand  II,   2358.   —  Doch  beter  misschien 


251 


AFLE. 


AFLE. 


252 


leidt  men  afgeleit  hier  af  van  afleggen  in  de  bet.  ver- 
toenen  (ald.  6a),  toegepast  op  een  persoon :  iemand  met 
eene  meening',  een  gevoelen  verzoenen,  m.  a.  w.  overtui- 
gen. Evenzoo  weet  men  soms  niet  te  kiezen  tasschen 
beleiden  en  beUggen  (z.  ald.)  —  Ook  met  weglating 
van  het  object.  ||  Dies  worden  die  clercke  in 
vare,  ende  ondersochtem  wat  hem  ware,  maer 
Amand,  die  gbeerne  afleide,  sprac  vriendelike  al- 
dus ende  seide:  enz.^  Amand  I,  216. 

3)  Met  den  3den  nv.  des  persoons  en  eene  zaak 
als  object.  £nen  iet  — ,  ieU  van  iemand  afleiden  ^ 
er  hem  van  berooven.  \\  Een  man  die  hem  wel  be- 
dochte,  die  mochte  node  bringhen  voert  daer  hl 
mede  in  liden  brochte  een  wijfleec  wgf,  daer 
doghet  toe  hoert,  so  wie  haer  afleit  dat  edel  wort, 
bi  lode !  hi  jagbet  een  evel  jachte ,  Fad.  Mits.  1 , 
79 ,  41 ,  d.  i.  loie  Jüiar  van  haren  goeden  naam  berooft. 
—  Ook  hier  kan  afleit  gebracht  worden  tot  afleggen. 

4)  In  jnr.  zin.  Iemand  renvogeeren  naar  een  andere 
rechtbank^  dan  waar  hij  op  dit  oogenbiit  te  recht 
ttaat.  II  So  wanneer  een  poorter  aengheHproken 
wort  binnens  bans  ende  hi  hem  dan  laet  of- 
leyden  met  eenen  borghemeestersbrief,  so  sal 
dan  die  ander  man  zeggen :  ghi  heren ,  also  ghi 
gescreven  hebt  om  nwen  poorter,  hadde  daer  ye- 
ment  op  te  spreken,  men  zonde  hem  goet  recht 
doen,  ende  also  icker  nu  op  te  spreken  heb,  so 
beghere  ie  een  onvertoghen  recht ,  want  hi  hem 
heeft  of  laten  leiden,  O.  R.  v.  Dordr.  1,  219,  33. 
Om  onsen  poorter  van  desen  recht  off  te  leden, 
ende  bynnen  onser  stede  te  recht  te  Htaen,  2, 116, 
162.  Dair  nochtans  Willem  voirsz.  hem  by  Willem 
syn  soen  heeit  laten  offleyden  van  boven  tot  be- 
neden in  der  cameren  by  den  bnrghemeester,  1, 
316,  111. 

AFLEIDINGE  (afledinoe),  raw.  vr. 

1)  Van  Afleiden^  1).  Het  wegbrengen  van  het  ge- 
recht. Zie  een  voorbeeld  bij  Afleiden  1). 

2)  Van  Afleiden y  4).  In  jar.  zin:  Het  zcTuien  of 
brengen  of  renvoyeeren  van  iemand  naar  zijn  eigen 
rechter ;  het  betoog ,  dat  iemand  niet  behoort  gevon- 
nist te  worden  daar  waar  hij  t^echtstaat.  ||  Seeckere 
pertinente  exceptien ,  als  van  ofleidinghe ,  voirgaende 
gewysde,  enz.  K.  en  O.  v.  Delft  28,  9.  Exceptie 
van  renvoy  ofte  ofleidinge,  omme  voir  hoere 
rechtere  gerenvoyeert  te  wordene,  zoe  verre  hem 
de  selve  competeert,  30,  3. 

AFLENDEN ,  zw.  ww.  bedr.  Vgl.  mnd.  lenden , 
eindigen  (Lubben  2 ,  663) ,  dat  ook  als  trans,  voor- 
komt. Het  woord  lenden  zal  wel  een  afgeleide  vorm 
zijn  van  denzelfden  stam  als  het  ogerm.  linnan^ 
eindigen,  waarmede  ook  samenhangt  het  bnw. 
lens^  leeg  (Vgl.  belenden  2de  Art.).  Aflenden\i9X. 
dus  een  einde  maken  aan^  doen  ophouden,  krach- 
teloos maken  en  is  een  synon.  van  vernietigen.  \\ 
Alle  sijn  bewijs,  schyn  and  bescbeyt  daer  mede 
hy  vermejmt  des  aenleggers  aenspraeck  aff  te  lenden 
und  te  vernietigen ,  Landt.  v.  Vel.  42.  —  Het  woord 
zal  in  \  mnl.  wel  tot  de  oostelijke  dialecten  be- 
perkt zijn  geweest. 

AFLENEN,  zw.  ww.  bedr.  Met  een  persoon  in 
den  3den  nv.  Enen  iet  — ,  iets  van  iemand 
leenen.  Vgl.  afborgen.  ||  Penninghen  die  zy  hem 
ofgeleent  hebben,  Inform.  378.  —  Ook  met  een 
persoon  als  object.  Enen  — ,  van  iemand  leenen. 
II  Ende  zijn  daeren boven  noch  schnldich  diversche 
persoonen,   die  zij  afgeleent  hebben,  Inform.  344. 

AFLENGHEN,    zw.    ww.  bedr.    De   lengte   van 
iets  inkorten   door   er   iets  af  te  snijden^  afkorten. 
Vj^l.   de  opmerkingen  over  af  bij    derg.  ww.  Ndl. 
op  AFZOETEN.    ||    Om  te  tormenten    den 


vgl. 
fdb. 


keytijf  dede  hyen  aflengheo  sijn  Igf;  doe  dede  M 
hem  villen  af  sQn  vel,  Segh.  11747  Var.  Het  Hi. 
heeft  eene  betere  lezing,  nl:  Dedine  of  ende 
lan^hedem  tiyf. 

AFLESEN  {las^  lasen,  gelesen)^  at.  ww.  bedr. 
Aflfzen^  afplukken  en  bijeenverxamelen.  ||  Ende 
aise  die  vracht  was  afgelesen ,  j)».  I* ,  47 ,  &3. 

AFLIDEN  (leet^  leden,  geleden),  st.  ww.  btdr. 
Zie  Liden.  Ten  einde  toe  doorgaan ,  geheel  doorheen 
gaan.  \\  Alse  dat  swert  den  hals  afleet,  voert 
in  den  bouc  vort  ende  sneet  metten  slage  vele 
blade,  Sp.  III  ^,  6,  19.  In  de  onde  uitgave  staat 
verkeerdelük  afseet  gedrukt ,  waarvoor  Halbertsma 
{Aantt.  11)  afsceet  giste;  doch  de  xin  eischt  een 
imperf. 

AFLIGGEN  {leget,  leecht  of  leit;  larh,  lagen, 
gelegen),  st.  ww.  onz.  Afzitten,  van  het  pamri 
stijgen,  bepaaldelyk  met  het  doel  om  M^dln*  te  liggea 
en  te  rusten,  of  om  aan  te  liggen  en  te  eten.  || 
Om  dat  van  Lusenborch  die  grave  heeftse  alle 
doen  liggen  ave,  ende  heeftsedoen  eten  met  heme, 
Limb.  II,  645. 

AFLIJF,  -live,  znw.  onz.  Van  Lijf^  leven,  en 
Af.  Verg.  Aflijven  in  Ned.  Wdb,  1, 1158.  Hootf, 
ove  f  lijden.  ||  In  orber  sgns  here  des  heitoge 
ende  vrouwe  der  hertoginne  vurscr.,  ende  naer 
hnere  beider  aflijve  der  rechten  erven  ende  naco- 
melingen  sijns  heren,  BraJb.  T.  Dl.  2,  bl.  633 
{a,  1378).  Ende  ter  doot  so  moet  men  ghevea 
dobbel  ghelt . . .  ende  waert  so  dat  yement  süa 
afliif  coopen  wilde  binnen  sinen  levenden  live,  m 
sal  hy  ooc  gheven  XII  s.  par.,  ten  profite  vaa 
der  Gulde,  Belg.  Mus.  4,  420  (a.  1482). 

AFLIVICH   (aflivech),  -ige  ot  -eg e,  hiïw.  Vaa 

Lijf^    leven,    en    Af  met   het  achterv.  -ieh.  Mnd. 

afl'ivich.   Verg.    Ned.    Wdb.    op    AFLiJVio.     VU  het 

leven  gescheiden,  gestorven,  dood,    \\    Als  vron  Jo- 

hanne    aflivich    waer,   Brab.   T.  VI,  11391;  verg. 

11448.  Als  hertoghe  Willem  aflivich   waert,    VII, 

413.    Dat    vrou     Jacop    syn    ghesellinne    aflivich 

worde    .  .  .    sonder   wetteghe   gheboorte  te  laten, 

VII,    1.5878.    Die    nu  aflivich  worden  ware,  VII, 

17870.  Bynnen  6  weken  nadat  die  vader  of  moeder 

oflivich  geworden  is.  Leid.  Keurb.  158,   20.    £nde 

die   binnen   der  vrijhede  van  Leyden  oflivich  wort 

ende  erfnisse  afterlaet,  169,  65.  Ende  die  raetslnde 

sullen    raetslnde    bliven    dat  jaer  lang   nnt,     ten 

waer  dat  hore  enich  afly vich ,  bruekich ,  untlandich 

of  Hcout   worde,    Oorl.    v.    Albr.    612    {a.     1399). 

Wanrt  sake  dat  enich  man . .  eenen  onsen   borg-her 

aflivich   ghemaect    heeft   oft  aflivich  make<ie,  den 

leg^ewi  uyt  onser  stat,  O  verijs.  Recht.  V  ,  36.  Al^e 

dese  Bisscop  Rixfridus  oflivich  was,  Matth.  An^L 

3,    34.    Ende   begeerde    van  hem,    of   hy  oflivich 

worde,    dat   sy  dan  siinre  dochter  behulpich  ende 

bystandich  wezen  wouden,  354.  Als..  Pippijn  haer 

vader  aflivich  geworden  was,  so  bleef  dit  heilich 

kint   bi   sijnder  moeder,    Exc.    Oron.   6rf.    Daer    si 

voort  bleef  wonende  ende  een  heylich  leven  leydende, 

tot  dat  si  wert  aflivich,  16b. 

A FL.  A  f  l  i  V  i  c  h  e  i  t ,  dood ,  overlijden.  Kil.  14  e.  e. 
AFLODEN,  zw.  ww.  bedr.  Met  het  pHl lood  de 
projectie  afmeten.  Vgl.  Ned.  Wdb.  op  AFLOODEN.  || 
Noch  eens  afgheloot  ende  ghenomen  de  juiste  mate 
van  toverhangen  vanden  torre  van  der  haJle ,  Inv^nt, 
V.  Brugge,  Int.  67. 

AFLOPEN  {liep,  liepen,  gelopen),  st.  ww.  onm.  en 
bedr.  Mnd.  aflopen. 

Onz.  —  1)  Van  iemand  of  iets  ajloopen^  9Pe^ 
hopen,  op  de  vlucht  gaen.  \\  Ende  toghen  Toirt 
voir  Muden,    daer   si  meer  van  den  selven  laden 


553 


AFLO. 


AFLO. 


254 


ip  gevonden  waenden  hebben;  mar  si  waren  ofge- 
open,  Clere  141. 

2)  Met  een  persoon  in  den  3den  nv.  Enen  — , 
etnand  afvallen,  ontrouw  worden^  hem  verlaten \ 
igenlgk  van  hem  wegloopen.  Ongeveer  hetzelfde  als 
Lfgaen  enAFRiDEN^z.ald.  ||  Waer  zijn  mijn  vrienden 
inde  groet  ghezinden?  .  .  zg  zijn  my  nu  al  af- 
^heloopen,  V  Maegd.  646.  Waer  sijn  sijnjoncheren 
mde  mesnieden ,  die  hem  navolgeden  met  groten 
lopen?  sy  s^n  hem  nn  allen  afifgelopen,  Vertl.  en 
BêT,  V,  39. 

3)  In  de  uitdrukking  Af  comen  gelopen, 
bomen  aanloopen,  naar  iemand  toe  hopen.  Hoewel 
%f  en  aan  lijnrecht  tegen  elkander  over  stuenf 
Eomen  aanloopen  en  ajloopen  toch  in  dit  geval  op 
letzelfde  uit,  daar  het  eerste  ziet  op  de  plaats 
iraarheen  men  loopt;  ajloopen  daarentegen  op  het  punt 
Fan  uitgang.  ||  Yredegont  die  quam  te  hant  jegen 
len  coninc  gelopen  of,  Sp.  III',  44,  80. 

4)  Met  eene  zaak  als  subject.  Nedervloeien.  ||  Dat 
A    by)et    te   vüf  steden  liep  af,  Sacr.  727. 

Beor.  —  Met  eene  zaak  als  voorwerp  en  een 
persoon  in  den  3den  nv.  Enen  iet  — ,  iemand 
Iets  afnemen^  het  op  hem  veroveren^  t.  w.  door  er 
ttorm  tegen  te  loopen  of  door  een  aanval  te  voet. 
Verg,  Afridkn.  ||  Dattem  (den  Romeinen)  vele 
&f  wart  gelopen  hare  macht  oec  in  Europen  ende 
eerst  oec  van  den  Yranken ,  die  dat  rike  begon- 
sten  cranken,  Sp.  III',  4,  7.  Omtrent  den  mid- 
dach  so  hebben  die  knechten  van  Yselstejm  dat 
huys  te  Gheyn  .  .  den  ghenen  ofgelopen,  die  daer 
op  waren ,  Matth.  Jnal.  1 ,  467.  Mittien  quamen 
die  Hollanders  toe,  ende  liepen  hem  datvoirborch 
af,  3 ,  307.  Ende  hadde  hem  vele  landen ,  steden 
ende  sloten  afghelopen  ende  gewonnen,  Ejtc.  Cron. 
181a.  Die  hem  grote  schade  dede  in  den  lande  van 
Oostenr^ck,  hem  aflopende  die  steden  van  Ween 
ende  Nyeustat,  186^. 

AFLOSEN ,  zw.  ww.  bedr.  Zie  Losen.  Mnd.  af- 
laten. 

1)  Yan  goed,  dat  voor  eene  schuld  verbonden  of 
verpand  is.  Afloteen^  van  dien  band  losmaken^  door 
het  afbetalen  der  schuld.  ||  So  wie  die  min  danne 
XII  deniers  heeft  an  ene  hofstede,  datse  die  be- 
zittere moghe  oflozen  bi  taxatien  van  deelmannen , 
Cout.  V.  Brugge  1 ,  343.  Beholtlick  der  landtschap 
vurscr.  der  vrgenbanck  in  der  walfaert,  tor  tyt 
men  on  de  myt  dusent  olden  schilden  weder  aff- 
geloset  hevet,  Nyh.  6,  110  {a.  1479). 

2)  Yan  een  persoon.  Enen  — ,  iemand  af ioopen  ^ 
iemand  losmaken  van  een  bezit  door  hem  eene  som 
gelds'te  betalen.  )|  Daer  ne  wilde  men  hem  gheene 
redene  doen,  noch  yet  gheven  van  sire  versterf- 
nesse,  dat  waert  was  daernaer  te  hoorne;  maer 
boot  hem  ghelt  om  hem  of  te  losene,  ende  sine 
erve  sins  ondanx  te  doen  vercopene,  Brab.  Y.  Dl. 
2 ,  bl.  416. 

AFLOSSEN,  zw.  ww.  bedr.  Zie  Lossen. 

1)  Qeheel  lossen,  afladen,  nl.  eene  vracht.  ||  Dat 
waghenen,  geladen  mit  boy,  cooren  ofte  cruyt  in 
den  ougst  ende  oick  die  afgelost  sullen  hebben, 
wel  sullen  moegen  draeven ,  K.enO.  v.  Delft  206,  2. 

2)  Hem  — ,  gich  losmaken,  losgaan,  loslaten, 
t.  w.  van  iets  daar  het  aan  vast  zit.  ||  Wonder  g^oot! 
int  eerste  belof  loste  hem  de  vinger  of,  ten  andren 
belove  noch  een,  Franc.  10027,  t.  w.  van  de 
Qzeren  vork,  waaraan  de  hand  vastzat. 

AFL08ENEN  (aflossenen),  zw.  ww.  bedr. 
Frequentatieve  vorm  van  J/hsen  {aflossen)-,  zieald. 

1)  Yan  eene  schuld.  Aflossen,  afbetalen.  Zie 
Aflosen,   1).  llWairdat  sake  dat  enich  mensch 


gheestelike  renten  besprake  up  erven, . .  so  moghen 
des  doden  erfnamen,  so  welc  tijt  si  willen,  die 
renten  ofiossenen.  Leid.  Kenrb.  30,  23.  Item  in 
Noirtigherhout  bi  Boudijn  Voet  van  Clare  Diedwijs 
doyt,  van  hare  dochter,  omdatse  verdict  wa8,diet 
oflossende  ,  40  se,  B^k.  d.  Graf,   2,  115. 

2)  Yan  een  persoon.  Enen  — ,  iemand  afkoopen, 
iemand  losmaken  van  eene  zaak,  die  hij  bezit,  door  hem 
eene  som  gelds  te  betalen.  Zie  Aflosmn  2).  ||  Yoert 
zo  moegen  wi  onsen  neve  den  here  van  Genp 
voerscr.  afloesenen  van  onsen  huze  ende  uut  onsen 
ampte  tot  Huessen  mit  vierhondert  auden  scilden, 
Nijh.  3,  49  (a.  1377). 

AFLÜKEN,  st.  WW.  bedr.  Afscheiden ,  afsluiten, 
II   Met  welken  dike  de  vaert  .  .  .  ofgheloken  ende 
verscheden  es  van  .  .  .,  enz.  Invent.  v.  Brugge  4, 
213. 

AFMATEN,  zw.  ww.  bedr.  Met  een  persoon  in 
den  3den  nv.  Enen  iet  — ,  eigenlijk,  het  door 
maaien  afsnijden,  doch  figuurlijk,  ieinand  van  iets 
berooven  door  het  als  af  te  maaien.  \\  Dus  clene  te 
samen  ende  soetelike  mayede  hi  den  man  sijn  goet 
af,  Sp.  III',  62,  14. 

AFMAKEN,  zw.  ww.  bedr.  Met  den  2den  nv. 
der  zaak.  Iemand  van  iets  berooven,  maken  dat  hij 
het  niet  meer  bezit.  \\  Soudic  u  bringhen  in  suiker 
noot ,  ende  maken  ave  beede  mi  ende  u  der  bliscap 
die  wi  hebben  nu?  Parth.  1876. 

AFMETSEN,  zw.  ww.  bedr.  Zie  Metsen.  Af- 
metselen.  ||  In  eenen  viercanten  steenen  put  die 
nu  afghemets  es,  Diericz,  Mém.  2,  549. 

AFMIEDEN,  zw.  ww.  bedr.  Zie  Mieden. /^ma»<^ 
afkoopen  door  loon  of  geschenken.  ||  Die  vrouwe 
sach  oec  te  desen,  ende  miedene  af  met  ghelde, 
Brab.  Y.  lY,  1154. 

AFMINNEN,  zw.  ww.  bedr.  Hetzelfde  als  ont- 
minnen,  zie  ald.  Ontvrijen.  \\  Dat  eerste  is  dat  hy 
zinen  leenheer  zijn  wyf  afminde ,  O.  K.  v.  Dordr, 
218,  30  var.  (in  den  tekst  ontminde). 

AFMOORDEN,  zw.  ww.  bedr.  Met  een  persoon 
in  den  3den  nv.  Enen  sijn  volc  (sinen  here 
enz.)  — ,  iemand  zijn  volk  (zijnen  heer  enz.)  doen 
verliezen  door  ze  te  vermoorden.  \\  Ende  gaven  den 
coninc  te  kennen  clageliken,  hoe  dat  hem  hoir 
lantsheer  mit  groter  verraderie  ofgemoort  waer, 
Clerc  144.  Hoe  dat  hem  zijn  neve  . .  moordelingen 
ofghemoort  is ,  B.  v.  Dordr.  1 ,  360. 

AFNEIGEN,  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  abnegen;  hd. 
abnetgen. 

Onz.  —  Afwijken,  zich  afwenden.  ||  Oucuyscheit . . 
is  een  ghebrukelic  aveneyghen  des  gheests  van 
Gode,  Ruusbr.  6,  40.  Afncyghe  van  den  quade 
ende  doe  dat  goede,  Bmgm.  1,  290,  Devoet  B, 
(30)  59r.  Die  afneigen  .  .,  die  seltu  bringen  mit 
dien  die  boosheit  werken ,  Hs.  Ps.  140r  (Ps.  125,  5). 
Mijn  dagen  sijn  ofgheneygh et  als  een  scheme,  Bern. 
W,  30rf. 

Bedr.  —  Afwenden.  \\  Neyghe  af  dijn  oren  van 
uutwendighen  dinghen,  Brugm.  1,  290;  DevoetB. 
^30)  88r.  Du  hebste  ofgheneighet  ons  toepade  van 
ainen  wege,  Hs.  Ps.  52v.  Ofneighetnietmynherte 
tot  bosen  woerden  my  te  ontschuldighen  in  minen 
sunden ,  Bern.  W.  48^.  —  Ten  onrechte  leest  men 
Rs.  V.  1348,  86^:  Si  nijchden  ave  haer  oghen ,  dat 
si   niet  ne  saghen  den  hemel.  Men  leze  neichden. 

AFNEMEN  (nam,  namen,  genomen),  st.  ww. 
bedr.,  wederk.  en  onz.  Bij  latere  schrgvers  ook 
onscheidbaar  gebruikt  (vgl.  Sp.  I»,  27,  12).  Mnd. 
afnemen» 

Bedr.  —  1)  Afnemen,  ontnemen,  de  tegen- 
woordige beteekenis.    ||    EnJe  als  hi  uut  Sittert 


AFNE. 


glietrocken  wts ,  so  ^Ten  die  tu  binnen  die  stadt 
op  den  kinderen  Tin  Vakken borch ,  ende  daer  na 
afnaemt  bem  dye  grafe  Tan  Qélre^Exe.  Cron.  130<f. 
Het  en  es  geen  dinc,  dat  der  mensce  gelofl,  men 
neme  beme  dat  wale  ave  ende  sette  beme  een  ander 
daer  Tore  sonder  die  knscbeit ,  lAmb.  Serm.  1  \d.  So 
dat  bi  afnam  den  man  der  Jneden  lant,  Sp.  I*, 
27,  12.  Zie  nog  R.  v.  Vtr,  383,  5  (tweemaal). 

2)  Ifefnewun^  afwiueken.  \\  Die  Heer  nam  of 
alle  tranen  Tan  baren  ogben.  Stemmen  12. 

3)  Van  ieta,  dat  iemand  bezwaart.  Wegnemen^ 
ophef  en  ^  en  daardoor  den  persoon  dien  bet  dmkt 
er  Tan  Terlossen.  ||  Waerd  dat  die  acbte  scepenen  . . 
omme  recht  ofte  om  ordeel ,  dat  zy  te  recbte  gewijst 
badden ,  jegbens  yemende  qnamen  in  Tiantscepen , . . 
wi  .  .  amllense  in  deser  saken  tronwelike  bescermen 
ende  dat  ofnemen,  Mieris  2,  149a  (a.  1315). 

4)  Met  een   persoon   in   den   Sden   nT.    Enen 

iet  ,  iewtand  iet*  verhinderen ,  het  hem  beletten.  || 

Voert  waer  enicb  man  de  bem  enigberbande  stucken 
onderdade,  de  dien  Raed  Tan  der  stat  bestaen  te 
berecbten ,  dien  selment  also  ofnemen,  dats  bem  een 
ander  boet,  R.  v.  Utr.  1, 24.  Waer  enicb  onser  borgher 
de  broekich  ende  misdadich  worde  nnt  der  stat 
ende  bem  de  stat  dat  ofnemen  wonde,  in  wat 
manyeren  dat  dat  ware,  27. 

6)  Van  land.  £r  een  deel  afnemen ,  het  doen  ver- 
minderen, II  Om  tperijckel  Tan  de  meeren,  die 
tlant  alle  jaeren  wel  26  mergen  ofnemen,  Inform. 
67.'  Dat  de  zee  baer  landen  dagelycz  affneemt  by 
storm  ende  anders,  Enq.  6. 

6)  In  de  nitdmkldngen.  Scade,  last  af- 
nemen, en  dgl.,  schade  vergoeden tviz,\\^9i  last 
die  bode  off  die  rechts  begbeerde  . .  daer  ofquaeme, 
dien  last  sonde  bem  die  beer  entie  stede  affnemen , 
O,  K,  V.  Rott.  24,  63.  Weert  saec,  dat  yement  .  . 
engbe  brieTe  Tan  gbelde  bedde,  .  .  ende  by  die 
brieTe  yement  binnen  den  palen  des  Terbonts 
gbeseten  oTerghegbeTen  bedde  of  OTergbeve,  die 
en  sal  gbenen  scade  weder  afnemen  noch  laten 
nemen,  dan  Tan  der  scout,  die  bier  bescreven 
steet,  Ngb.  3,  42  («.  1377). 

7)  Van  eene  boete.  Innen ^  invorderen.  ||  Dese 
boete  sullen  hebben  half  mgn  beer  ende  baiff  die 
stede ,  rechteToirt  off  te  nemen ,  sonder  meer  rechts, 
K.  V.  Brielle  36,  11.  So  wye  siin  Tisch  .  .  Tan 
der  marct  gewiist  wort,  die  sal  Terbueren  een 
boete  Tan  S^  se.  bollans,  recbtevoort  off  te  nemen, 
sonder  meer  rechts,  totter  Tynders  bebouif,  37, 
16.  Item  so  wye  TOgelen  te  Toren  cofle,  dat  wair 
op  een  boete  Tan  X  se.  bollantse,  rechteToirt  ofT 
te  nemen  Tan  den  bailiu,  scout  off  boir  dyeners 
off  der  stede  boden,  42,  12. 

Wederk.  —  Met  eene  zaak  in  den  2den  ny. 
In  den  rechtsterm:  Hem  des  — ,  zich  van  eene 
beêchnldiging  losmaken  door  een  eed  te  doen,  zich 
door  een  reinigingteed  zuiveren,  zijne  onschuld  be- 
wezen door  een  eed.  In  denzelfden  zin  als  Hem 
des  onseuldich  maken.  \\  Voort  soe  sal  baer  Flo- 
rens  ende  baer  Boidin  hem  des  afnemen,  dat  zy 
baren  Claysse  Tan  Cats  niet  en  laegbeden,  noch 
laegben  en  daeden  binnen  zoene,  Oorkb.  2,  190a 
(a.  1281).  Off  wolden  wy  ons  des  mit  onsen  ede 
affnemen,  soe  solden  wy  ende  onse  erTen  dair  aff 
qngt  wesen,  Nyb.  4,  114  (o.  1434).  Mochtmens 
bem  niet  Terwinnen,  elc  die  soldes  bem  ofnemen 
met  sgnre  eenre  bant,  Stadr.  v.  ZufolleiQ,  l.Ende 
lyede  onse  burgber  des,  so  solde  bi  den  Trede 
beteren,  of  bi  solde  bem  des  ofnemen  met  bem 
tweleften,  48,  6.  Also  manichwerTe  als  bi  dat 
dede,  so  Terloer  bi  elkea  daghes  twintich  pond; 


AFNE. 


256 


mochtmens   hem   niet   Terwinnen,    hi  soldea  beia 
afnemen   met  hem   Tgften,  60,   10.   Ende  die  oa- 
scbult  mach  hi  daer  doen  met  sgnre  eenre  haat; 
mer   die  gbene  die  den  anderen  gbescsTen  beTet, 
die   sal   den    koer   gbelden;   machmens   bem  niet 
Terwinnen,  bi  sals  bem  ofnemen  met  sjnre  eenre 
band ,  52,  16.  Mochtmens  niet  Terwinnen ,  elc  aoldes 
bem   ofnemen   met   hem   Tjjften,    67,   31    (éy  A: 
hem  onseuldich  wtaken).  Sloeghe  bi  oerre  enick,  so 
Terloer   hi    teghen  die  stad  twintich   pond,  eiide 
wonde  bi  oerre  enicb,  so  Terloer  hi  teghen  die  stad 
Tiertich  pond;  mochtens  niet  Terwinnen,  bi  solde 
hem  der  woerde  of  des  buers  ofnemen  mit  «gan 
eenre  bant,   ende  der  wonden  met  bem  tweleftca, 
100,   146  (Tar.  em  onseuldich  wtaken).  Die  woerde 
sal   hii  seggen  .  .  off  bii  zals  bem  affnemen,  dat 
biis  niet  gedoen  en  kan ,  R.  v.  Zutf.  140 , 9.  Eade 
wart  sake  dat  men  si  niet  Terwynnen  en  mocbte, 
soe  mochten  si  hem  des  afnemen  mit  oem  rechte, 
Over  ijs.  Recht.  I ' ,  28.  Ende  wel  ( Wie)  dies  onachnldick 
wesen   wil   dat  hi  ghedobbelt  oft  gbespelt  hebbe, 
des  zal   bi  hem  afnemen  myt  zgre  bant  ende  nit 
tween  Tolghers,   I',  63.   Ende  wolde  bj  bem  dei 
onschnldich  seeghen  dat  by  gbien  geit  ghewonnea 
en  hadde,  des  sal  by  hem  sfnemen  mit  ains  aelli 
bant  ende  mit  drien  Tolghers,  I*,  70.  —  Zie  no^ 
Stadr.  V.  Zwolle  §  1,   2,   3,   7,   13,    16,  18,  19. 
20,  21,  23,  32,  33,  38  Tar.,  42,  46;  Overijs.  BethL 
1\  28,  29  passim,  162. 

Onz.  —  1)  J/nemen,  in  krachten  verwtimdlerrÊ, 
Met  hebben  TerToegd.  ||  Si  (Gods  alwtaeAf)  a 
ofnemet  noch  en  toenemet,  GuUen  JVoen  30c.  Mmb 
die  Trome  jonghe  man  hadde  aTegbenomen  sec 
sere ,  dats  outfarmde  menegen  here ,  Limè.  YI ,  6^ 
(verg.  120  Tigg.). 

2)  A/nemen,  in  prijs  verminderen.  ||  Dat  eens  qua 
te  Loven  binnen  een  mudde  corens  op  een  dack, 
XV  sol.  nam  af  den  slach ;  int  leste  bleeft  al  over 
niet ,  Velth.  IV ,  64 ,  94. 

AFNEMENTHEIT,  znw.  Tr.  Een  term  tii 
latere  ascetische  schryvers.  Het  afnewsen^  ver- 
minderen, verslappen  in  iets,  ||  Ofnementheyt  ii 
doechden,  Con.  Som.  22a.  Verslappinghe  of  afne- 
menheyt  in  doechden ,  ald.  23a. 

AFNIPEN  {neep,  nepen,  genepen),  st.  ww.  bedr. 

1)  Af  nijpen,  afknijpen,  met  een  schaar,  mijptmÊf 
of  snuiter  van  iets  wegnemen,  afsmtUen,  \\  Ma 
sal  oec  maken  .  .  vier  schaerkens  daermen  in  blas- 
schen  sal  datmen  ofnypen  sal,  D.  B.  Exod.  25, 
38.  Ses  licbtvaten  mit  haren  tangeskens  ende  Tatei, 
daermen  in  binsschede  datmen  afgbenepen  bad, 
27 ,  23.  Die  gbene  die  cleene  ende  scarp  sijn  . . 
dalende  op  de  tonghe,  die  soe  nipt  men  of  met.. 
eener  tanghe.  Jan  Yp.  110. 

2)  Met  een  persoon  in  den  3den  nv.  Enen  iet 
— ,  iemand  iets  af  nijpen  of  -knijpen,  \\  Een  eggke 
Tan  stale  claer.  ende  snidende  alse  een  schen, 
ware  een  man  daer  tusscen  begrepen ,  tdecsel  bad- 
de  hem  afgbenepen  sijn  hoeft  ende  hadde  rerlorea 
tlijf,  Segh.  6228.  — Figuurlijk.  Iemand  iete  afkmk- 
belen,  afpersen,  hem  op  onrechtvaardige  wijze  er  vm 
berooven.W  Dat  sine  weten,  hier  no  gbinder,  bes 
weder  te  gbeven ,  dien  sijt  afnepen,  N.  Doet.  2601 

AFONNEN  (tegw.  tijd  hi  on,  si  ommem;  Teri 
tijd.  onste) ,  onreg.  ww.  onz.  Zie  Onnen  en  reif. 
Afjonnen.  Enen  — ,  op  iemand  afgunaü^  sijn, 
hem  benijden.  ||  Van  den  orloge  dat  wonderiike 
die  gbene  van  den  conincrike  Tan  Logres ,  die  oe 
afonnen,  alst  wel  scynt,  hebben  begonnen,  Lane. 
II,  33641.  —  Sonder  afonnen,  zonder  deU  kei 
mij  misgund  werd.   \\   Ie  waende  hebben  soe  Tck 


2r.7 


AFOR. 


AFPL. 


258 


for  nu  dor  uwen  vader  gedaen  ende  dor  u,  divtic 
1  wel  hadde  gewonnea  tenen  wive  sonder  afonnen 
bi  dien  wille  van  uwen  vader,  II,  24521. 

AFORDINEREN,  zw.  ww.  bedr.  Door  een  order 
)f  bevel  afstellen^  afkommandeeren.  \\  Item  was 
^heordinert  daweite  af,  ende  men  sette  liede  ten 
porten,  die  daer  staen  souden  dach  ende  nacht, 
nek.  V.  Oent  1  ,  221 ,  aant.  3). 

AFPACHTEN,  zw.  ww.  bedr.  Zie  Pachten  en 
A.KNPACHTEN.  Met  een  persoon  in  den  3den  uv. 
Ëuen  iet  — ,  van  iemand  iets  Inngt  gerechtelij  ken 
veg  voortehuldin  bezit  nemen.  \\  Soe  wie  vuirt  an  eenich 
'oerende  gnedt  mit  recht  angepacht  of  angheeygent 
w^ordt,  die  en  sal  dat  guet  niet  langher  laten  staen 
n  den  huysen,  diet  ofgepacht  is,  dan  ses  weken, 
0.  K.  V.  Delft  1 ,  25 ,  39. 

AFPANDEN,  zw.  ww.  bedr.  Zie  Panden.  Mnd. 
ifpand-en.  Met  den  3den  nv.  des  persoon. 

1)  Enen  iet  — ,  op  iemand*  eigendom  door  ge- 
rechtelijke pandneming  beslag  leggen.  \\  Maer  hy 
nach  zijn  erve  verliesen  in  dijckaetgien,  ende  men 
nacht  hem  ofpanden  met  schepenen  brieven  of  met 
;rilcoeren.  Mieris  2,  29*  {a.  1303) ;  V.  d.  Wall  117. 
Snde  dat  sal  die  scout  mltten  scepenen  mit  recht 
len  burgermeesteren,  die  der  stede  sculde  niet  in 
sn  maenden  noch  in  en  haelden , . .  mogen  ofpanden, 
Leid.  Keurb.  162,  34.  Tot  wat  tijden  die  scout 
^emant  pant  an  sijn  ymboel  of  beesten  ofpande, 
lie  men  driven  ende  dreghen  mach,  dair  sel  die 
icout  sekerheit  of  nemen,  198,  24.  Diet  lant  of- 
^hepant  ende  ofgheeyghent  is,  O.  R,  v.  Dordr, 
L,  221, 40.  Van  den  lande  in  Hoekenesse,  dat  Pouwels 
?an  Striene  of  was  gepand  20  se,  Èek.  d.  Oraf. 
L,  123.  Ende  en  wolden  hem  onse  burghere  dan 
niet  borghen,  so  mochten  si  dat  goet  daervoer 
bolden ,  ende  dat  en  mocht  men  hem  niet  ofpanden 
>f  bezetten,  Stadsr.  v.  Zwolle  99,  142.  Item  enich 
^t  .  .,  die  onsen  borgher  enich  dinc  to  makene 
srochte,  die  mochte  dat  hoelden  voer  sijn  verdiende 
oen,  ende  dat  en  mocht  men  hem  niet  ofpanden 
)f  besetten,  hi  en  hadde  te  voren  sün  verdiende 
oen  daer  of,  ald.  144.  Item  so  en  sal  gheen  onse 
jurgher  enen  anderen  burgher  haernasch  of  wapen 
)fpanden,  100,  147.  Wair  enich  poorter,  die  sijn 
icot  niet  en  gave  binnen  ses  weeken,  nae  datter 
^egaert  is,  noch  en  bewijsde  dairment  hem  of  mach 
janden,  die  verbuert  sijn  poortrecht,  O.  K,  v.  Delft 
[,  6,  17. 

2)  Enen  geit  — ,  van  iemand  geld  door  ge- 
'echtelijke  pandneming  innen  ^  zich  zelf  betalen  uit 
len  verkoop  van  in  beslag  genomen  panden.  \\  Ende 
;geldt  daer  af  gaderen ,  dat  sy  den  onwilligen  afpan- 
len  sullen  uyt  haren  gereedsten  goeden.  Mieris  4, 
Jötf ;  JJandv.  v.  Medembl.  58fl  {a.  1406).  Die  en  soude 
^an  synen  magen  . .  niet  meer  maechgelts  nemen ,  of 
lun  luden  dair  om  mogen  ofpanden ,  Mieris  3 ,  643« 
'a.  1396 ;  verg.  637«).  Weert  sake ,  dat  sij  des  niet  en 
ïeden ,  soe  sal  men  hom  dat  ghelt  afpanden,  Nijh.  3, 
12  {a.  1377).  Een  pene  van  drie  ponden,  die  men 
lioen  affpeynden  sal  (Oeldersch  dialect  voor  hem 
ifpanden),  2,  66  («.  1353).  Dies  andern  daeghs 
lar  nae  soldemen  hem  afpanden  twivolde  bote, 
Overijt.  Recht.  I ' , 80.  —  Figuurlyk.  Enen  iet  — , 
7an  iemand  iets  vorderen^  verlangen.  \\  Soe  wye  dat 
recht)  wel  in  eren  hout,  hemelryc  mit  rechter 
«chout  moghen  zy  Gode  dan  panden  ave,  Hild. 
126,  245. 

AFPEKEN,  zw.  ww.  bedr.  Zie  Pekkn.  Af  bikken, 
tit hakken.  \\  (Iloittoeelen ,  waar  zij)  den  muer  met 
«ouden  breken  ende  houwen  ende  afpeken,  Orimb. 
[,  3108. 


AFPLAMEN,  zw.  ww.  bedr.  Zie  Plamen.  Uit- 
vegen, nitwisschen.  Hetzelfde  als  Afplanen.  ||  Ende 
plaem  af,  Here,  mijn  quaethede  dor  dine  grote 
oetmudechede ,  Boetps.  51 ,  39.  Ie  salae  ofplamen 
van  haren  volke ,  delebo  eam  de  populo  suo ,  D.  B. 
Levit.  23,  30. 

AFPLANEN,  zw.  ww.  bedr.  Zie  Planen.  Uit- 
vegen, uUwisfchen,  en  bij  uitbreiding,  uitroeien. 
li  Dijn  gheschrift . .  soe  affgeplaent  dattuut  nyet  en 
salt  moegen  vergaderen  (1.  lesen ,  lat.  legere  ?)  Vaderb. 
228<r.  Wil  ie  die  oghen  mijn  bedouwen  mids  dijnre 
ghenaden  zo  met  tranen,  dat  ie  mijn  quaetheit  of 
wil  planen,  OVl.  Lied.  en  Ged.  3,  60  (Var.:  „mijn 
souden  af  mach  planen,"  Inst.  2de  KI.  Verh. 
6» ,  18).  Grheft  mi  rechte  boete  van  souden  te 
reinen  mi  met  tranen ,  dat  mine  sonden  of  moge 
planen ,  Vad.  Mus.  5 ,  335 ,  44.  Rouct  onser , 
so  dat  onse  nacie  in  hac  lacrimarum  valle  spacie 
crighe  de  zonden  of  te  planen,  OVl.  Lied.  en  Oed. 
35,  165.  Dus  laet  haer  minne  afplanen,  t,  w.  bij 
wufte  minnaars ,  Wap.  Mart.  1 ,  442.  Om  dat  si  niet 
en  volstaen  tot  in  die  doot,  so  werden  haer  namen 
verdeluwet  ende  afgheplaent  uten  boeke  des  levens , 
Ruusbr.  6,  215.  Ende  bad  hem,  dat  hi  die  sonde 
woude  doen  vergeven  ende  ofplanen ,  Fass.  S.  1 13rf. 

AFPLECKEN,  zw.  ww.  bedr.  Van  PUcken, 
intens,  van  Pieken  (zie  ald.)  Afnemen,  wegnemen, 
t.  w.  datgene  wat  iets  anders  dekt,  en  daardoor 
het  gedekte  om/*/o(7/^;(.  ||  Daer  hevet  hi  die  weege 
ontect ,  entie  taflen  afgeplect ,  die  waren  van  latoene 
fijn,  Sp.  III",  38,  101.  Vinc.  „basilicam..  tegulis 
discoopennt.^^ 

AFPLUCKEN ,  zw.  ww.  bedr.  Afnemen,  af  kapen, 
wegrooven.  Verg.  ons  plukken  voor  berooven.  ||  Die 
u  versmaden  ofte  verdrucken,  ende  u  goedeken 
hier  afplucken,  Teest.  3475. 

AFPÜREN,  zw.  WW.  bedr.  Zie  Puren.  Van 
vloeistofifen.  Af  gieten,  afscheppen.  Nog  in  West- 
Vlaanderen  Af  peuren  (De  Bo  32).  ||  Nemt  doderen 
van  eyeren  enz.  Dit  sal  men  wel  cleen  stampen  ende 
sieden  in  water,  dan  pueren  dat  water  of,  ende 
siedense  met  een  lettel  olie  van  rosen.  Jan  Yp.  198. 

AFQUITEN,  zw.  en  st.  ww.  bedr.  Zie  Quiten. 

1)  Iet  — ,  iets  te  niet  doen,  vernietigen.  ||  Dit 
wert  ghevorwaert  ende  besereven,  ende  soe  vaste 
ondercnocht , . .  dat  niemen  en  mochte  afquiten, 
hine  woude  den  hertoge  onrecht  witen ,  Heelu  1494 
(Velth.  II,  44,  27). 

2)  Ene  scout  — r,  eene  schuld  te  niet  dven 
door  ze  te  betalen,  afbetalen,  aflossen.  ||  Dat  die 
voirgen.  stede  ende  ondersete  van  den  lande  van 
Gelre  tenen  mael  afquiten  ende  solen  loesen  die 
lijftocht  voir  verclaert,  Nijh.  3,  236  («.  1401). 
Desgelijxs  sal  men  mogen  affquyten  alle  renten 
ten  lyve  ende  erfelijcke . .  met  sulckene  gelde  als 
in  der  constitucien  van  den  selven  renten  gegeven , 
Belg.  Mus,  3,  87;  verg.  86.  Renten  afquiten, 
Cout.  V.  Antw.  1 ,  248.  Metten  affgequetenen  rent- 
brieven,  ald-.  Worden  eenighe  renten  afgequeten, 
300.  Afghequeten  oft  gelost . .  Die  afgequeten  com- 
meren,   322.  Zoo  ook  320,  866  {driemaat)  enz. 

3)  Enen  iet  — ,  iemand  iets  afkoopen.  \\  Waer 
dat  sake,  dat  een  man  hnerde  een  erve  jegen 
eenen  anderen ,  ende  hijt  dan  binnen  zynen  termpte 
cochte,  soe  waer  die  hueringe  uyte,  ende  worde 
hem  dan  zijn  erve  afquyt  van  naerscepe,  die  gene 
die  derve  ontquijt,  soude  behouden  al  dat  hy  op 
derve  vonde,  (Jout.  v.  Uccle  §  127. 

Afl.  Afquitere,  hij  die  aflost.  \\  De  afquitere 
blijft . .  soe  vele  renten  op  syns  mede  portionaris 
deel  heffende,  Cout.  v.  Antw.  1,  248. 

9 


259 


AFRA. 


AFRI. 


260 


AFRADEN  (riety  ribden,  geraden)^  st.  ww.  bedr. 
Met  een  persoon  in  den  8den  nv.  In  den  rechU- 
term  Enen  sgn  goet  — ,  iemandê  goed  in  rade^ 
d.  i.  bij  rechterlijk  vonnit,  doen  verbettrdver klaren, 
II  Dat  ki  tgoed  aresteerde  met  onrechte,  ende 
dat  hi  den  baillin  s^n  goed  of  wilde  raden  boTen 
rechte,  ZVl,  Bijdr.  6,  201. 

AFRADICH  (afradech),  -dige  of  -dege^  bnw. 
Het  tegenovergestelde  yan  Okradich:  zie  ald. 
Van  Af  en  Roet  in  de  beteekenis  van  gezindheid^ 
zie  by  Raet.  Met  een  persoon  in  den  3den  nv. 
Enen  — ,  kwalijk  gezind  jegens  iemand ,  vijandig , 
besloten  om  hem  in  ridderlijke  veete  (aan  lijf  eer 
en  goed)  te  deren.  \\  Ware  iemen  die  hare  mesdade , 
sgt  seker  dat  hi  ware  jegen  mi  soe  mesdadich, 
dat  ie  hem  sonde  sgn  afradich  van  live ,  van  eren , 
van  goede,  lAmb.   I,    1297. 

AFRECHENEN,  zie  Afrekenen. 

AFREIKEN ,  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  afreken.  Van 
eene  mimte.  Met  uitgestrekten  arm  bereiken ,  zóóver 
reiken^  dat  men  iets  raakt ^  peilen.  \\  Men  solde 
sgn  grondt  mit  ghien  spietse  afreycken,  Spreuken 
61. 

AFREKENEN,  in  gewestelyke  taal  ook  afre- 
CHENEN,  ZW.  WW.  bedr.  Enen  iet — ^  Afbetalen^ 
vereffenen.  Ofgherekent  haren  Costin  van  Renisse 
ende  Janne  ende  Costine  van  Renesse  in  die  jaer- 
beden  van  20,  24  ende  28  1  mare  sjaers,  die  hem 
mUn  here  bekennede ,  i2tf^.  v.  Zeel.  1 ,  601.  Wat  scade 
joi  wat  coste  die  Heer  Gheraerd  voemoemd  daer 
omme  dede,  dien  beloven  wi  hem  of  te  rechenen 
{in  den  tekst:  recheken)  met  den  hoeftghelde ,  Mieris 
2,  181   b  (a.  1317). 

AFRESEN,  zw.  ww.  bedr.  Zie  Rese.  Afristen, 
van  de  rist  afstroopen.  \\  Oondic  enyoen  of  looc 
ofresen ,  ie  wonne  mijn  broet  doch  alle  dage ,  D. 
War.  8,  86,  60. 

AFRIDEN  {reet^  reden ^  gereden)^  st.  ww.  onz. 
en  bedr.  Ook  onscheidbaar  gebruikt  ^Hnïi.afriden. 

Onz.  —  1)  Afrijden ,  wegrijden  ,  de  tegenwoordige 
beteekenis.  ||  Dat  comt  bi  dien  dat  si  afreden,  D. 
War.  9,  147,  194. 

2)  Met  een  persoon  in  den  3den  nv.  Enen  — , 
iemand  afvall^^  ontrouw  worden^  zijne  partij  ver- 
laten. Ongeveer  hetzelfde  als  Afgaen.  ||  Die  Ara- 
biene  ende  van  Surien ,  Armenië  met  anderen  landen , 
afreden  den  Romeinen  met  scanden,  Sp.  III",  26, 
60. 

Bedr.  —  1)  Met  een  paard  als  voorwerp ,  de 
tegenw.  bet.  Uet  door  rijden  onbruikbaar  maken. 
Vgl.  lied.  Wdb.  op  Afriden.  jj  Van  eenen  heynste 
die  hi  ofreet  in  mijns  heren  dienste.  Rek.  v.  Zeel. 
2,  294.  Van  eenen  paerde  dat  hi  ofreet  in  mijns 
heren  graven  dienste,  392.  —  Van  het  paard  zelf 
heet  het  afgaen  (zie  ald.). 

2)  Met  een  persoon  als  voorwerp.  Enen  — , 
t.  w.  eenen  ridder  in  den  strijd,  hem  nederrijden^ 
op  hem  aanrijdende  hem  uit  den  zadel  lichten  en 
ter  aarde  werpen.  Hetzelfde  als  Afsteken  2).  || 
Laet  onse  daregerden  ontwee  sniden,  so  mach  hi 
ons  lichte  afriden,  Lanc.  III,  26417  (verg.  26423). 
Deus !  wat  wartere  afgereden  ende  geworpen  onder 
voet,  Lorr.  fr.  I,  667.  Ducke  hebn  sy  van  den 
heelden  afghereden  van  den  velde,  Troyen  f.  lOOÓ. 

3)  Met  een  persoon  als  voorwerp.  Enen  —  van 
enen  anderen,  iemand  van  een  ander  verwijderen 
door  op  hem  aan  te  rijden.  ||  Die  ter  vaert  metter 
porssen  den  grave  van  Gelre  reden  af  van  den 
riddere ,  die  menne  gaf,  om  dat  hine  van  den  vel- 
de soude  leiden,  Heeiu  6634. 

4)  Met  eene  zaak  als  voorwerp.  Een  lant  — , 


een  land  rijdend  doorkruisen  om  oversl  te  room 
en  te  plunderen.  ||  Eer  si  keren  te  desen  tiden  vil- 
len si  woesten,  afriden  tlant  van  Grimbergen, ode 
roven  ,  Grimb.  1 ,  3996. 

6)  Met  eene  zaak  als  voorwerp  en  een  penooi 
in  den  3den  nv.  Enen  iet  — ,  iewtand  iets  tfv- 
men^  het  op  hem  veroveren,  t.  w.  bij  vijmtdelijtn 
aanval  te  paard.  \\  Die  grave  volgeden  au  dea  staat, 
ende  reet  hem  vele  af  sijns  carinen ,  Sp.  IV',  ^i 
102.  Nu  siet  hier  dit  goede  pert ,  het  nl  o  vd 
in  staden  staen;  mer  die  van  binnen, tonder vm, 
ghy  en  huet  u,  sy  sullent  n  afryden,  7Vwj«/ 
127r. 

6)  In  jur.  zin.  Zie  de  verklaring  en  voorbeelda 
op  Aenbrengen  11)  en  Aen werpen  5). 

AFRINNEN    (ran,    ronnen,   geronnen),  st  w. 
onz.    Verg.   Rinnen.    Met   den  3den  nv.  despff-i 
soons.    Enen    — ,    van    iemand    afstroome%y  tj' 
vloeien.  \\  Hem  allen  drien  ran  af  dat  bloet,  Tnf* 
f  91f. 

AFRITEN,  zw.  ww.  bedr.;  mud.  a/ritên,^ 
abreiszen.  Afrukken ,  met  geweld  van  iets  s»itn, 
waaraan  het  bevestigd  is ,  verwijderen.  ||  Via  dtf 
stillecameren  an  die  norder  camere,  die  tib  iff 
cameren  ofghegaen  ende  ghereten  (d.  i,  ofgkercta 
was    met  den  winde.  Bek.  v.  Zeel.  2,  361. 

AFROVEN,  zw.  ww.  bedr. ;  mnd.  a/Vow»».  Ei«i 
iet  — ,  het  hem  door  roof  ontnemen ,  het  kern  «/; 
handig  maken.  \\  Dat  goet  datmen  eerst  voer  ai 
gaf,  het  was  geroeft  den  aermen  af,  Sp.  I"V»,W, 
36.  Dat  gordel  aen  synre  syde,  dat  hy  P»Um* 
af  had  gheroeft ,  Trogen  f.  283*. 

AFRÜMEN,  zw.  WW.  bedr.;  mnd.  afmmen.  ÏÏtr 
ruimen ,  opruimen  door  iets  weg  te  nemen.  \\  Item  ^ 
men  alle  messien,  die  te  straten  ligghen,  ifraaa 
sal,  Cont.  V.  Antw.  1,  60,  168. 

AFSAET,  'Sate,  znw.  m.  Hd.  absatz.  Kil.  4^^ 
sa  et,  af-hanck,  over-spronck ,  podium,  proj^- 
antes.^^  Term  in  de  bonwknnde. 

1)  Lijstwerk  met  hellend  bovenvlak.  In  eene  Ai» 
werpsche  rekening  van  1404,  waar  gesproken  worfc 
van  eene  afsluiting  door  paalwerk ,  leest  men  t» 
de  „nagelen ,  daer  de  spangen ,  de  drayboem  «^ 
de  afsaten  mede  genageld  sijn",  Geseh.  r.  i*/»- 
2,  621.  In  eene  andere  rekening  van  hetieU^ 
jaar:  „den  pntstijl  ende  putroede  metten  afuten'j 
624.  Elders :  „8  houten  omme  de  lenen ,  12  ofsatea; 
Invent.  v.  Brugge  6,  624  {bij  het  bouwen  vsn  tft* 
brug).  Vgl.  het  by  Oudem.  1 ,  72  uit  den  SUtflh 
Byb.  (Ezech.  43,  14)  vermelde  afsetsel  voer 
uitstekend  lijstwerk,  en  Ned.   Wdb.  1,  1965. 

2)  Doorloopend  voetstuk  voor  suilen.  ||  Dese  ttl' 
en  hadde  ghene  hele  wande,  mer  hi  was  oreril 
gbesticht  op  calumpnen  ende  afsaten  ala  een  bbob)- 
kencloester,  Ned.  Proza  98  (in  den  tekst  verke«^ 
delijk:  aflaten). 

AFSCADEN,  zw.  ww.  bedr.  Zie  Scadkx.  M«^ 
een  persoon  in  den  3den  nv.  Enen  iet  —  ,^ 
hem  tot  zijne  schade  ontnemen ,  hem  voor  eene  zekf» 
waarde  benadeelen.  \\  Dat  Fillips  claghet,  dat « 
hem  ofghescaet  hebben  IX^  oude  scilde  van  d» 
Hcoutambocht,  want  si  hem  ballinc  maecten,  ^• 
d.   Wall   338   {a.  1389). 

AFSCAMPELEN,  zw.  ww.  onz.  Zie  scampeies. 
Van  een  zwaard.  Bij  het  raken  af  glippen  en  t*^ 
zijde  uitschieten;  thans  afschampen.  ||  Tsweeit 
scampelde  af  haestelike  in  den  scilt,  dien  hi  voor 
hem  droech ,  dat  hi  wel  die  belicht  afsloech ;  tsweei^ 
op  de  plate  ontscoet,  Grimb.  II,  2283.  Ende  hifi 
tswert  ende  gaf  enen  clop  her  Fromonde  optel 
helm    boven,    dat  hi  hem  hadde  thoelt  geclovea, 


2Gi 


AFSC. 


AFSC. 


262 


m    waert   niet   ghescampelt    af,    Limb.  III,   365.    | 
[>emophoii ,  die  coninc  Tri ,  sloech  den  stonten  Ber- 
)eryn  optenhelm;  en  hadde  gesyndatafscampelde» 
li  ware  bleven,  YIII,  1610. 

AFSCATTEN,  sw.ww.bedr.  Zie  ScATTEN.Mnd. 
t/scAatie». 

1)  Met  een  persoon  in  den  3den  nv.  Enen  iet 
— ,  iemand  ieü  bij  wijze  van  ichatting  of  rantêoen 
ioen  beialen  of  geven ,  af  vorderen,  ||  Dat  hi  dien 
ran  Harderwgc  gheven  sal  zeven  hondert  pond 
Tomoys  payments . . ,  die  hi  hem  ane  reden  ghelde 
lam  ende  ofscatte,  Mieris  2,  208  a  (a.  1319).  Dat 
lem  afgescat  sonde  zijn  twee  honaert  schilde, 
\,100  b  (a.1359).  Alle  onbetaelt  geit,  dat  hoerre 
snnich  afgeschat  mach  wesen ,  Nijh.  3 ,  300  {a,  1409). 
Oat  zalmen  mit  eenen  bode  terstont  ofscatten  ende 
int  der  hnjse  halen  van  den  reetsten  goede ,  K.  v. 
Brielle  166,  41.  Daertoe  zonde  hi  den  ghenen 
»ine  wedergheven,  dien  hijt  ofghescat  ofte  ofghe- 
lomen  hadde,  R.  v.  TJtr.  216,  79.  Had  oecyemant 
n  ZuuthoUand  den  goeden  Inden  aldair  thare 
Lffgeschadt,  Y.  d.  Wall  442  (a.  1417);  verg.  466. 
Snde  heeft  him  betaelt  alsnlc  geit,  als  horen 
rarger  ofgescat  was  ende  genomen,  Bel,  v.  Leid, 
168.  Ende  seyden,  of  sy  den  Bisscop  gevangen 
hadden,  ende  sy  hem  dese  punten  (vredesvoorwaarden) 
ïfscatten,  et  waer  genoech,  ICatth.  Jnak  1,  495. 
Dat  hem  afgeschat  es  meer  dan  eenige  dorpen, 
Inform.  281. 

2)  Iet  — ,  de  door  gerechtelijken  verkoop  verkre- 
^en  torn  geheel  en  al  besteden  oi  gebruiken ,  ten  einde 
de  tehuldeieehert  te  voldoen,  \\  Wat  huys  ende 
erve ,  datter  aldns  vercoft  worde . . ,  die  sel  men 
>fscatten  na  den  ontsten  brieven,  ende  en  mocht 
men  sgn  scnlde  niet  betalen  mit  sgn  huys  of  sgn 
goede,  so  sal  hy  terstont  die  stede  rnymen  ende 
»ntpoirtert  wesen.  Leid,  Keurb,  199,  26. 

AFSCATTIGEN,  zw.  ww.  bedr.  Hetzelfde  als 
A.FSCATTEN  1),  sio  ald.  II  Die  baelyn  qnam  daer 
$n  vencken  selve  en  schattichde  hem  of  tot  m^ns 
leren  behoef  300  pont ,  Nijh.  JBijdr.  voor  Vad.  Oeseh, 
N,  R,  Dl.  2,  bl.  198. 

AFSOEDEN,  afsceiden  (teiet,  eeieden,  ge- 
teeden  of  getcetden)^  st.  ww.  ons.  en  bedr.  Mnd. 
zfteheden, 

Onz.  —  1)  Zijn  aficheid  nemen,  scheiden y heen- 
foan,  vertrekken.  ||  Ane  den  vader  nam  hi  orlof 
inde  es  henen  gesceden  of,  Lorr.  II,  1811.  Ende 
lier  met  scieden  ave  beede  de  partien,  Fl, 
fiijmkr,  6772.  Mettesen  sciet  Fromont  ave,  Lorr, 
'r.  I,  287.  Hoe  gi  van  mi  sciet  ave,  Limb,  lY, 
L610.  Dat  den  tijt  haers  afscheydens  van  deser  werlt 
lakende  was,  Sjre.  Cron.  la,  Nae  den  affscheyden 
ran  den  belegge  van  Montfoerde,  Sontendam,  Arch, 
f.  Delft  98  (fl.  1490).  So  seer  veel  bleven  daer 
Ier  Tnrcken  doot  int  afscheyden,  Exc,  Cron.  308a. 
ESnde  dat  salmen  teykenen  eer  scepenen  ende  borge- 
neisters  affscheiden,  Overijs,  Recht.  I*,  \1%  Za 
irie  tgeselschip  wil  verlaten ,  . .  zal  geven  tzynder 
ifscheedene  XYI  se,  Vad.  Mus.  6,  228  (a.  1462). 
donder  letten.  .  .  .  sonden  hem  haestelike  doen 
>f8ceden  die  twee  graven  sonder  beden,  VI, 
Hijmk.  6530  (In  den  tekst  staat  of  steden ,  doch 
He  Taal-  en  Ltbode   6,  293). 

2)  Met  den  2den  nv.  Dezelfde  beteekenis  in  ver- 
ichillende  opvattingen  gewijzigd.  —  a)  Heengaan 
»f  vertrekken  van,  verlaten  (eene  plaats).  ||  Het 
ras  der  joncvronwen  sede,  alsoe  sciet  der  kerken 
if,  dat  soe  gerne  dner  Gode  gaf,  ^.  III*,  4,  18. 
Sen  man  sciet  8ijn^(/.  sgns)  hnns  af,  Rijmb.  25679 
Ynlg.  j,reliquit  domnm  snam").  Maer  sonder  oerlof 


sciet  hijs  ave,  Stoke  III,  8  (t.  w.  van  zyns  broeders 
graf).  —  Des  lives  (des  levens)  — ,  uit  het 
leven  scheiden ,  verscheiden ,  sterven,  jj  Daer  hi  sciet 
des  lives  ave,  Sp,  lY',  26,  87;  Brab.  T.  II,  3912. 
Des  selfs  daechs  .  .  so  schleden  des  levens  ave . . 
Digna,  Emenia,  Euprepia,  Sp.  11^,  69,  28.  — 
Ook  werd  hierbij  de  genitivns  wel  onjnist  door 
den  datief  vervangen.  ||  Ende  schiet  ave  den 
lyve,  Vad.  Mus.  3,  443,  156  (nit  een  stuk  van 
omstreeks  1430,  doch  het  hs.  is  „wel  mim  150 
jaar  jonger:*'  zie  bl.  437).  —  b)  Van  iets  afstand 
doen,  het  laten  varen  (eene  bezitting,  een  recht  enz.) 
II  Maer  Mechelen  en  creech  men  noch  den  Grave, 
noch  dlant  van  Cnyck:  des  schiet  men  ave,  hoe 
wel  ment  voortij ts  hadde  ghecreghen ,  Brab.  Y.  YI , 
11505.  —  Der  werelt  — ,  van  de  wereld  afstand 
doen,  een  geestelijk  leven  gaan  leiden,  ||  Daer  hi 
deser  weerelt  sciet  of,  Amand  II,  5985.  —  r) 
Van  iets  afgaan,  het  laten  varen  (eene  handeling, 
eene  levenswijze,  eene  meening,  een  plan  enz.). 
Ygl.  Stoke  lY,  1211:  De  verradenisse  van  den 
grave ,  daer  si  niet  wouden  sceden  ave ;  en  Grimb.  I , 
1865 :  Wy  houden  ons  ane  de  yerste  tale , . .  daer  en 
sceden  wys  niet  ave,  d.  i.  daar  gaan  wij  niet  van 
af,  daar  blijven  wij  bij,''''  (De  .pronominale  ge- 
nitief-«  in  wijs  is  hier  expletief,  evenals  in  vs. 
1880.  Yerg.  by  Afga  en  ,  en  zie  ook  straks  by  Bedr. 
de  aanhaling  uit  den  JVap,  Mart,),  ||  Dat  si  altoos 
dor  gene  noot  .  .  des  aermoeden  ne  scieden  of, 
f^ane,  1528.  Nochtan  en  sceden  si  niet  af  der  wet, 
die  hem  Moyses  gaf,^/i.  I",  24,  31.  Doe  hi  hadde 
XII  jaer,  wildi  hermiten  leven  leden,  ende  hine 
waers  niet  afgesceden ,  maer  dat  hi  was  te  cranc  van 
jaren  ,111*,  28, 18.  —  ^  Van  iets  afstappen ,  het  laten 
varen  (een  onderwerp).  ||  Ie  sceide  des  af,  hetdunct 
mi  best ,  Brab,  T.  YI ,  77.  Hier  met  wiUics  avesche- 
den, YI,  11519.  Dus  sceidics  af  te  desen  stonden, 
YII ,  6437.  —  e)  Uitscheiden ,  ophouden  met  iets  (eene 
handeling  enz.).  ||  Ende  alse  hi  schiet  der  be- 
dingen ave,  so  es  hi  in  slape  comen,  Sp.  II ',  37, 
4.  Ende  hi  sciets  af  sonder  eere,  IY%  59,  41, 
d.  i.  y^hij  gaf  het  op,  hij  scheidde  er  mede  uit.''^ 

3)  Uitscheiden,  ophouden,  zonder  bepaling  in  den 
2den  nv.  ||  Doch  al  hadde  soe  enen  man,  ne 
sciet  soe  niet  af  nochtan,  soene  droech  naest  der 
hnut  ene  hare,  Sp,  III*,  37,  71.  Die  moenc  was 
ende  afsciet,  ende  hem  keyser  noemen  dede,  III*, 
10 ,  50.  —  Yanhier  ook  de  uitdrukking :  —  Sonder 
afsceden,  zonder  ophouden,  in  de  bepaalde  op- 
vatting van  voor  altijd,  voor  eeuwig.  Yerg.  sonder 
afkeren  en  sonder  afstaen.  ||  Om  te  bliven  in 
ewicheiden  aen  Brabant,  sonder  afscheider;,  Brab.  T, 
YI,  11503.  Ende  dedem  manscap  sonder  afsceden, 
Sp.  lY*,  28,  55  (Yinc.  jPtfr/^^^Mf m  homaginm).  Dat 
ghi  .  .  Marien  .  .  volstandich  bibliven  selt  emmer- 
meere sonder  afsceiden ,  Blise,  v,  M,  2087.  Zie  nog 
Belg,  Mus,  10,  88,  146,  enz. 

Bedr.  —  1)  Met  eep  persoon  of  eene  zaak  in 
den  3den  nv.  Enen  of  ere  dinc  iet  — ,  iets 
van  iets  anders  scheiden,  het  er  van  losmaken.  \\ 
Yier  qnam  van  den  hemele  snel,  dat  neven  der 
borst  dat  heelde  sciet  hoeft  ende  hals  af,  ^.  II*, 
25,  45. 

2)  Yan  personen  oï  taiken.  Af  scheiden  {van  iemand 
of  iets),  afzonderen,  verwijderen.  \\  Maer  ander 
vriende  sciet  hi  of,  Belg,  Mus,  10,  77,  27.  Dat 
onse  gheduchte  heere  meende  de  palen  van  sinen 
lande  te  hondene,  ende  dat  hy  meende  de  stede 
van  Grevelinghe  .  .  te  hondene , . .  ende  negheensins 
te  ghedoeghene ,  dat  men  die  afscheeden  ende  ver- 
mindren  sonde,  1,  93  {a.  1405). 


ÖG3 


AFSC. 


AFSC. 


AFSCEDINGE  (aksceidinok),  znw.  vr.  Zie 
Afsckdkn,  betlr.  1).  Uifkferinff  van  goed.  y^\. 
AKdFscEKT.  II  De  oeltsle  van  hem  dreen,  de  dan 
in  der  tijt  levede,  .  .  de  solde  dan  horen  .suHteren 
een  ofscheidinghe  doen  by  den  maghen  ende 
vrenden,  Nijh.  3,  214  (a.  1399). 

AFSC  E  ET  (afsceit),  -seede^  -sceidé'^  snw.  onz. 
Verg.  Ge  SC  E  FT. 

1 )  Het  vaarwel  zeggen  ,  het  afttand  doen  van  iett.  \\ 
Dat  ongetemperde   minne   der   werelt  een  afscheit 
ende    een    doit   is   Tan   den   oversten   dingen,   Sp. 
d.  M.  1,  76*. 

2)  Betlitif,  betlUsing  ^  uitwijzing  ^  waardoor  eene 
zaak  geëindigd  of  afgedaan  wordt.  ||  Nae  den  af- 
Kcheyde  van  uwer  genaden,  Nijh.  4 ,  433  («.  1470). 
—  Nog  in  de  17de  eeuw  was  afscheid  in  deze 
beteekenis  in  gebruik:  zie  Ned.  /fa^A.  op  Afsciieii», 
XVIIde  E.,  2). 

AFSCEPEN    (afsceipfn),    zw.    ww.   bedr.  Zie 

Sc F PEN. 

1)  Van  goederen.  Inschepen  en  wegzenden.  \\  Off 
dat  hem  dair  off  enige  wine  overbleven,  so  sall 
hy  die  weder  mogen  affscepen  ende  wechvoeren, 
V.  d.  Wall  648  {a.  1444).  Wat  zelzout  datmen 
(en  Brielle  brengen  zal,  dair  zal  die  panneman  af 
«weeren  ten  heylegen  voor  die  stad,  daer  dat  zout 
gezoden  is,  hoe  veel  zouts  hy  afgesceipt  heift, 
ende  in  wat  scepe,  K.  v.  Brielle  lö8,  B.  Ten  wair 
dat  men  enich  guet  up-  of  afscepede,  O.  W.  v.  Amst. 
20,  17.  Ende  en  sal  die  voersz.  brouwer  tselve 
bier  niet  moegen  afsceepen,  voerende  aleer  dat  die 
voersz.  excynaer  (1.  excysenaer)  die  weete  daer  van 
gehadt  sal  hebben,  K.  en  O.  v.  Delft  164,  7. 

2)  Van  schepen.  Uitreed^n.  \\  Dat  zij  voortijts 
machtioh  waren  wel  16  coggeschepen  ofdaerontrent 
ter  maendt  te  zenden  met  petk ,  terre .  .  .  ende 
andere  waren,  ende  nu  ter  tijt  niet  machtich  en 
zijn  twee  schepen  ofte  schepen,  Enq.  13. 

AFSCEREN  st.  ww.  bedr.  {afscoer  en  afscar^ 
afgescoren)^  in  onze  bet.  ||  Dalida  .  .  .,  die  hem 
alscoer  {var.  ofscar)  sijn  haer,  Sp.  I*,  21,  39. 
Siju  hoell  wert  hem  gheschoren  mit  een  scheermes 
thayr  off,  Matth.  8ö. 

AFSCIETEN   {scoot  ^  scoten^  gescoten)^    st.   ww. 

bedr. 

1)  Van  kleederen,  wapenrusting,  wapenen  enz. 
Ze  schielijk  uittrekken ,  er  zich  haastig  van  ontdoen^ 
ze  van  zich  af  gooien.  \\  Alexanders  name  .  . 
maecte  so  blode  mencghen  man ,  .  .  dat  si  waenden 
sijn  verwonnen.  Si  scoten  hare  wapen  of,  ende 
vloen  al  dor  dat  ghestof,  Alex.  VII,  35ö. 

2)  Neerschieten ,  wonden ,  door  schieten  onlrrnikbaar 
maken.  \\  Also  dat  die  van  Yselsteyn  die  van 
Utrecht  vijf  reyssegers  peerde  ofwonnen,  ende  scoten 
oock  omtrent  XVI  peerde  of,  die  gewont  binnen 
Utrecht  quamen,  Matth.  Anal.  1,  480. 

3)  Met  een  persoon  in  den  3den  nv.  Enen  s  ij  n 
volc  — ,  iemand  door  schieten  zijn  volk  doen  ver- 
liezen. II  Oec  wert  Hertoge  Jan  menige  man  of- 
gescoten,  die  mit  hem  dair  waren,  ald.  3,  383. 

4)  Door  schieten  verwoesten^  platschieten.  \\  Ende 
namen  die  groote  bus  ende  scermen  mede,  ende 
quamen  voer  der  Eem,  ende  scoten  den  sael  heel 
af  ende  meer  anders  ontwee,  also  dat  die  ghcen, 
die  daer  op  laghen,  dat  huys  opgaven,  Matth. 
Anal.  1,  408.  Een  groot  constenaer,  die  daer 
eugienen  stelde  ende  schoot  den  toren  af,  Kwc. 
Cron.  288^.  Si  schoten  ten  III  plaetnen  die  mueren 
soe  slecht  af  ghelijc  der  straten,  289/i. 

AFSCIFELEN,  zw.  ww.  onz.  Van  Seifelen,  in 
Voc.  {llor.   Belg.  7,  65;:  „S.hifelen,    vallen, 


s  c  h  r  a  n  k  e  1  e  n  ,  dilabi."  Bij  het  raken  afglippen  n 
ter  zijde  uitschieten  ^  afschampen.  jj  M.  Daer  rakict 
met  der  griflle  ten  beginne.  Esser  gotheit  esde 
menscheit  inne,  het  salem  baren  sonder  twjfekL 
J.  B.  Dats  myn  ghelove.  M.  Al  maecht  affscifelei, 
Sacr.  507. 

AFSCOREN  (Afscueren),  zw.  ww.  bedr.  Zk 
Scoren.  Mnd.  afschoren.  Ook  met  een  persooi 
in  den  3den  nv.  Afscheuren^  met  geweld  afnkkn. 
II  Ende  scorde  hem  sinen  halsberch  af ,  ende  sWb 
hem  met  gewilde  grote  sticken  van  sinen  scildc, 
ÏAinc.  IV ,  9390.  Doet  Esechias  hadde  verstaen, 
scuerde  hi  af  sijn  ghegare,  ende  dede  an  enen  m 
openbare,  Rijmb.  14272.  Ende  men  gel  him  («/«n 
takene)  sijn  lijst  ende  haecgaern  offschoren,  ini. 
Keiirb.  521 ,  9.  Doe  quam  daer  die  duvel  .  .  emif 
scoerde  haer  die  bant  of,  Devoet  B.  (30)  42r. 

AFSCRAIJ13EN,  zw.  ww.bedr.,  ook  in  den  freq. 
vorm  AFscRAliBELEN.  Zie  De  Jager,  Freq.  X/sn^ 
vlg.  Afkrabben  met  de  nageU.  ||  Soe  begonde  . . 
dat  was  of  te  scrabben  ende  die  verborghen  he3^u^ 
like  letteren  begonden  sich  te  openbaren ,  Gtst.  i- 
c.  21  (ƒ.  36a).  Als  si  noch  meer  {was)  ofgescrabbelt 
heeft,  hoe  hem  dat  scrift  meer  openbaenie,  «M. i 

AFSCRAPPEN,  zw.  ww.  bedr. 

1)  In  onze  hei.  ^  af  schrappen.  \\  Op  datdieonm- 
nicheyt  mitten  scarpen  messe  ofghescrappet  soaüt 
worden,  Bern.  W.  159«. 

2)  Uitschrappen^  wegdoen.  \\  Scrappen  wine  if 
vander  levender  lant,  D.  B.  Jerem.  11,  19. 

AFSCREPEN  [scrap^  scrapen^  gescrepen)yS\..yf^ 
bedr. ;  doch  ook  de  zwakke  vormen  screepte^  gescrt^ 
komen  voor.  Zie  Screpen.  Nog  in  West-Vlaandem 
in  gebruik  (De  Bo  35). 

1)  Iet — ^het  afschrapen^  afschrappen.  ||  Ed^ 
cleefter  yet  ane  van  den  vleesche,  dat  screjiet  of, 
Jan  Yp.  104.  Dan  mach  den  fistele  niet  gheneiei. 
die  verrotte  beenen  ne  werden  erst  uteghedan, 
ofgescrepet  ende  ghesuvert  van  den  gansen  beae 
met    instrumenten,    167.    Daer  met    sal    men  (Ut 

3uade  been  ofscrepen  van  den  goeden,  ald.  IW 
uer  boven  ant  vat  hanget,  salmen  afscrepen  esüf 
dat  pulveren  ende  dan  in  doge  werpen,  Hs.  ÏF 
36rf.  Des  conincs  dochter  Leonidesscrapofdatwis, 
Sp.  I',  19,  40  var.  (tekst-hs.  screepte  af). 

2)  Iet  — ,  iets  uitschrappen ^  uitwitschen.  \\  Siw 
alemoesenen,  die  hi  gaf,  ne  laet  niet  syn  gbeiU'T^ 
pen  af,  Rijmb.  16061.  Andere  hss.,  waaronder  krt 
tekst-hs.,  hebben  min  juist  gescreven. 

3)  Enen  — ,  iemand  uitzchrappen ,  schrappen  sh 
lid  o{  deelgenoot^  afsnijden.  ||  Die  mine  wet  niet  iK 
houden,  salie  ofscrepen,  Rijmb.  5102. 

AFSCRODEN,  zw.  ww.  bedr.  Zie  Scrodf.v 
Afsnijden.  ||  Hi  souden  dan  sciere  doden,  mette» 
engiene  thoeft  afscroden,  Segh.  6246.  Nu  hout  dat. 
heer  Sarrasijn,  ie  scrode  di  tonneffen  of,  8586.  —  War» 
dat  het  kennelicke  ware,  dat  hij  (de  munter) d,\soi 
varde  niet  ghegaen  en  conde  tot  inder  munte,  so* 
sal  hij  alle  daghe  eens  oorlof  doeu  bidden  de« 
morghens  goedtstijts  eer  hy  offghescroot  is  end' 
dat  altoos  sonder  sinen  stock  te  verbueren,  V.  d. 
Wall  788  (de  juiste  bet.  blijkt  niet  op  deze  pl^uittl 

AFSCROEMEN,  zw.  ww.  bedr.,  wel  vergaat 
met  den.  #XT<r»iw/',  zw.  *Xr/>wf<r,  verschrikken,  weg- 
jagen, vooral  van  vogels,  en  met  ons  schroom, 
schromen.  Onr.  bet.  afskrame  ontsieren,  hatelgk 
maken,  deformare.  Ook  dat  geelt  hier  een  goedes 
zin ,  doch  het  natuurlijkst  is  hier  de  opvattin|: 
wegjagen^  verjagen.  \\  (ihierecheit  hevet  haer  b^ 
roemt;  trouwe  ende  ere  es  afghescroeiut,  scaeinte 
ende  ere  mede,    1'ad.  Mus.  2,  185,  2Gy. 


265 


AFSC. 


AFSE. 


266 


AFSCÜVEN  {scoofy  acoven^  gescoven)^  st.  ww. 
bedr.  Mnd.  afschuven.  Van  schepen.  Met  d^n  sckeeps- 
boom  vooriituwen  langs  een  waterweg^  hoornen.  || 
Ënde  es  sculdich  den  wech  noordt  over  twater 
en  de  grachten  voorseyt  alzo  groot  ende  alzo  breedt 
dat  men  mach  soufflssantelic  gaen  omme  de  scepen 
t«  treckene  ende  dien  selven  wech  of  te  schuven  ten 
Bcependomme  van  Brugghe ,  Cou,t.  v,  Bnufge  1 ,  205. 

AFSEGELEN.  Zie  aensegelen. 

AFSEGGEN  {seget^  seeckt  of  9eit\  teide-^  geseget^ 
geseecht  of  geseif)^  onreg.  zw.  ww.  bedr.  Mnd. 
afseggen, 

1)  Iet  — ,  zeggen  dat  iets  a/zal  zijn ,  d.  i.  dat  het 
afgeschaft ^  higetrokken ^  vervallen  zal  wezen;  van 
instellingen,  wetten,  verordeningen  enz.  gezegd, 
dus :  Bij  sckeuUrechterlijke  uitsprauk  vervallen  ver- 
klaren^ afschaffen  ^  intrekken.  Verg.  Af  (Af  sijn), 
Afbrenoen,  Afdoen  en  Seggen  (uitspraak  doen). 

II  Ende  seggen  die  gulde,  die  wy  der  gemeinten 
van  onser  stad  van  Bruessele  gegeven,  ave  ende 
te  nieute ,  ende  datse  te  nieute  selen  bliven  emmer- 
meer, Brab.  Y.  Dl.  1,  bl.  725  («.1306).  Item  alle 
gemene  vake  an  dike  ende  an  wegen  zeggen  wi  of, 
ende  mallic  sijn  hoefslach  daer  of  te  hebben, 
Mieris  2,  215«  {a.  1319). 

2)  Met  een  persoon  in  den  3den  nv.  Enen 
iet  — ,  iemand  bij  scheidarechtm'lijke  uitspraak  iets 
ontzeggen^  er  hem  vervallen  van  verklaren ^  of  ook 
van    eene   geldsom,   hem   veroardeelen   tot  betaling. 

Il  Ende  heeft  Mechelen  ghegeven  dïe  twee  raercten 
vorscreven ,  ende  Antwerpen  der  stat  afgheseght, 
dwelke  dat  si  van  over  langhe  tiden  hadden  ghe- 
houden,  Brab.  Y.  VI,  4391.  Soe  bleef  hijs  met 
hertoghe  Janne  in  segghers  ende  middelaers,  die 
welcke  hem  de  stat  ende  tlant  van  Huesden  geheel 
affseydeu  ende  toeseyden  den  hertoge  van  Brabant, 
Ejcc.  Cron.  125b.  Dander  drie  blevens  aent  gerecht 
ende  hem  wart  afgeseit  30  gulden ,  den  heren 
ende  der  stede  elck  sijn  andeel ,  O.  R.  v.  Bordr.  1, 103. 

AFSENDEN  (afseinden),  zw.  ww.  bedr.  Af- 
zenden^ toezenden  j  wegzenden.  \\  Men  seint  de  ant- 
woorde  van  den  grave  met  enen  bode  den  keyser 
ave,  Grimb.  1, 1923.  —  Ook  absoluut,  met  weglating 
van  het  object,  jj  Ogier  die  stoute  borchgrave 
heeft  weder  gesent  ave  ende  heeft  den  coninc  ontboden 
dat ,  e>iz.  Lorr.  1 ,  607 ,  t.  w.  d^n  bode;  verg.  vs.  571. 

AFSETEN ,  bnw.,  eig.  deelw.  van  het  onscheidb. 
WW.  afsitteti  (zie  ald.  3).  Elders  gezeten  of  vooon- 
achtig.  \\  Alle  die  vervallen  ende  rechten ,  die 
vallen  ofte  comen  van  den  opzetenen  ende  afzetenen 
laten  van  der  meyericn,  Gendsch  Chtb.  123  {a.  1402). 
—  Ook  als  znw.  jj  Soowel  op  afsetene  als  insetene 
ofte  poorters,  Cout.  v.  Gent  262. 

AFSETTEN,  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  afsetten, 

1)  Enen  — ,  iemand  uit  den  zadel  lichten  en 
hef  onderspit  doen  delven.  Verg.  Afsitten,  1).  || 
„ïorec,  nu  weert  u:  Ie  sal  u  afsetten  nu."  Ende 
Torec  weerdem  dat  hi  can ,  maer  daer  ne  was  geen 
weren  an,  die  coninc  settene  van  den  perde  al 
gcraackelijc  saen  ter  erde,  Torec  3665  (verg.  de 
volgende  verzen).  Al  waren  si  metter  hant  vromich 
ende  van  herten  stout,  si  worden  nochtan  met 
gewont  al  sciere  afgeset,  Heelu  1308  (Velth.  I, 
46,  73). 

2)  Enen  — ,   iemand  wegzetten^  verwijderen,    jj 
Set   af  van    mi    de    vianden    mijn,    Boetps.   25, 
48.    Ende    dat    rechte    bloet    van    Vrancrijck  is 
ter  zyden  afgeset,  ende  Puppijn  ende  sijn  geslacht 
sijn  coningen  gebleven,  Matth.  Anal.  1,  604. 

3)  Enen    — ,    iemand  verwijderen   uit  eene   be- 
trekking^  een   ambt   enz.,  hem  doen  aftreden^  ont- 


slaan^ ook  zonder  de  ongunstige  beteekenis,  die 
thans  aan  Afzetten  gehecht  wordt,  jj  Datmen  den 
hoge  heemraet  alle  jair  verwisselt  ende  afset, 
V.  d.  Wall  372  {a.  1400).  Item  soe  sullen  voirtan 
alle  die  goidshuysmeesteren  .  .  alle  jair  hoir 
rekeninghe  doen  bynnen  12  weken,  nadat  öy  of- 
gheset  sijn.  Leid.  Keurb.  155,  6.  Ende  suspen- 
deerde of  ofsettede  hem  selven  van  sine  officien, 
Pass.  W.  143«.  Dair  om  laet  ons  raet  soecken  om 
den  man  te  doden ,  want  comt  hi  bi  onser  princessen, 
wi  worden  al  afgesette  sancten,   Exc.  Cron,  244r. 

4)  Enen  — ,  iemand  gewelddadig  aanranden  en 
berooven;  de  hedendaagsche  opvatting.  ||  Twe 
pilgerijms  die  syn  verdreven  ende  van  den  rovers 
afgeset,  Esinor.  872. 

5)  Iet  — ,  iets  verwijderen,  ter  zijde  zetten, 
afschaffen,  jj  Ende  by  desen  soe  sullen  geset 
ende  ofgesct  weesen  alle  rechten  ende  alle  materien 
van  den  geschill,  die  tusschen  den  parthien  voor- 
screven  roerende  geweest  heeft,  V.  d.  Wall  34 
{a.  1252).  Nadat  die  eendrachticheit  tusschen  him 
lude  gemaict  was  doe  troedergelt  ofgeset  wordt, 
184  (a.  1339).  Van  den  cleedingen  van  den  burger- 
meester ,  scepenen ,  tresoriers,  pensionaris  oft  anders, 
die  hebben  tselve  ofgeset,  zoedat  nyemant  van 
hemluyden  yet  daerof  heeft,  Inform.  472.  Die 
vleysbancken  plegen  te  gelden  8  of  10  oC  sjaers , 
zijn  ofgeset  by  de  nyeuwe  reformatie,  428. 

6)  Geit  —  j  de  waarde  er  van  verminderen ,  den 
koers  er  van  verlagen,  jj  Soe  wairt  die  voirs. 
valuacie  verandert,  als  dat  die  halve  stnvers, 
Philippus  ende  Karolus,  weder  afgeset  worden 
op  i  stuver,  9  mijten,  Belg.  Mus.  3,  85.  Ende  want  die 
munten  .  .  allencxkens  so  hoge  clommen  was  dat 
een  gonden  gulden  dede  IX  schellinc  vlaems  oft 
meer,  so  was  grote  armoede  onder  dierenticrs.  So 
wert  bi  den  heren  van  hove  .  .  daerop  raet  ge- 
houden om  af  te  setten.  Ende  al  wast  so  dat  veel 
wise  lieden  goet  dochte,  datmen  dye  munte  ten 
tween  malen  afsetten  sonde  om  tvolc  niet  te  seer 
te  quetsen ,  Exc.  Cron,  2603.  Tgelt  wert  tot  eenen 
male  afgeset  int  aldemederste ,  te  weten,  de 
gouden  gulden  op  drie  scellingen  vlaems,  ald. 

7)  Met  den  3den  nv.  van  den  persoon.  Enen 
iet  — ,  ten  behoeve  van  iemand  iets  afslaan, 
minderen,  jj  Van  der  gruyte  aldaer  Wiggher  Dirx 
s.  64  ^.  Dair  of  gaen,  die  him  ofgheset  worden 
bi  mijns  heren  luden,  omdat  men  ghien  bier  uyt- 
voeren  en  moste,  16  ®,  soe  blijfts  ontfaen  48  H,*, 
Bek.  d.  Graf.  2,  30.  —  Zoo  ook  met  het  voorw. 
dijc.  Iemand  minder  dijk  te  ond-ei'houden  geven, 
Zie  G.  De  Vries,  Bijk-  en  Molenbestuur  147. 

8)  Iet  — ,  iets  met  verschillende  kleuren  be- 
schilderen, kleuren,  nog  afzetten  genoemd.  Zie 
Ned.  Wdb.  op  Afzetten,  IV,  3,  a  en*).  iJ  Alle 
beede  de  enghelen ,  die  de  waepenen  houden  ghelijc 
eenen  witten  guldinen  lakine,  .  .  ende  thaer  van 
fynen  gaude,  ende  afghesedt  van  verwen  alsoet 
behoert,  Diericx,  Mém.  2,  256  {a.  1434). 

9)  Iet  — ,  iets  uitzonderen.  Zie  afgeset. 
AFSETTINGE,    znw.   vr.   Zie   Afsetten,  6). 

Verlaging  van  koers,  waardevermindering.  \\  Dese 
afsettinge  van  den  ghelde  so  seer  neder  dede  den 
lande  groter  scade  dan  die  voorgaende  oorloge, 
Exc.  Cron.  260*. 

AFSIEDEN  {soot ,  soden,  gesoden),  st.  ww. 
bedr.  Zie  Sieden.  Van  laken.  Afkoken,  in  kokend 
water  afwasschen.  Verg.  Scouwen.  jj  Item  so  en 
moet  ghien  meesterverwer  of  verwersknaep  binnen 
Leyden  ghien  laken  ofsieden  of  doen  ofsieden, 
Leid.   Keurb.   532,   43;   verg.    529,  32   §  1  en  2. 


267 


AFSI. 


AFSL. 


268 


AFSIEN  {»acA,  togen ^  gesien;  gebied.  wij8  enk. 
sieAy  mr,  sUt),  onreg.  st.  ww.  bedr. 

1)  UU  de  verte  zien,  beipeuren,  ||  Men  moet 
bem  scbnwen,  soe  veer  als  men  een  wit  peert 
afsiet,  Spreuken  48. 

2)  Met   een   persoon   in   den   3den   dt.   Enen 
iet  — ,  iemand  iet*  door  zien  afhandig   vutken,    || 
Ghy  snit  my  langhe  snyr  ansien ,  eer  ghy  my  eenen 
stnyrer  sult  nut  den  bnydel  afsien,  Spreuken  20. 

AFSIÊN,  AFSYEN  (seecA,  tegen,  getegen),  st. 
WW.  bedr.  Van  Siën  (2de  art.),  obd.  tiAan,  mbd. 
itAen ,  nbd.  seiAen ,  waarvan  later  ons  zijgen  (colare). 
Verg.  ook  het  snw.  Sie,  aeef.  J/zijgen,  af  zeven, 
t.  w.  de  dikkere  bestanddeelen  van  een  vocht  af- 
scheiden door  middel  van  doorzyging.  ||  Wiesyn 
si,  die  daer  tvette  afsyen?  Overzee  160  (Ook 
kan  men  af  met  daer  verbinden  en  zyen  als  het 
WW.  beschouwen).  Nog  heden  in  H  Ylaamsch  in 
gebmik  (De  Bo  40). 

AFSIT,  znw.  m.  Verg.  Besit.  Waarscbijnljlk 
goed  dat  men  niet  in  eigendom  bezit,  maar  dat  aU 
leengoed  iemand  afgestaan  is,  leengoed.  ||  lek  rade 
u  dat  ghi  die  selve  vorsten  kieset  nnt  den  ghenen 
dye  int  rijck  geseten  sgn,  ende  die  van  den  r(jc 
beveel ,  ampten  ende  afsit  hebben  ende  honden , 
£jrc.  Cron,  276a.  —  Heeft  men  hier  met  eene  ver- 
keerde vertaling  te  doen,  b.  v.  van  pottestio,  of 
gelden  hier  voor  af  de  opmerkingen,  gemaakt 
Taalk.  Bijdr,  1 ,  201  en  TiJdtcAr.  2,11  rgg.  en  76  ? 

AFSITTEN  (sat,  taten,  geteten),  st.  ww.  onr. 

1)  Af  Hijgen  van  Aet  paard,  a/rt/^m.  ||  Walewein 
sat  af  ende  hi  bant  sgn  part  an  ene  side  thant, 
Lanc.  II,  3649.  Hi  sat  af  ende  heeft  sijn  part 
gebonden,  II,  12642.  Si  jaechden  so  lanc,  tpeert 
wart  mat,  ende  sprac  toten  man  die  op  hem  sat: 
„Ie  wil  mi  rusten  nn:  sit  of,"  Rein,  II,  6671. 
Gheraert  sat  ave,  Stoke  Y,  60.  Als  hi  af  was 
gheseten,  Brab,  Y.  VU,  16679. 

2)  Met  den  3den  nv.  E  n  e  n  — ,  Iemand  niet  bijblij- 
ven, zicA  van  iemand  verwijderen,  t.  w.  door  van  hem 
af  te  gaan  zitten,  en  by  uitbreiding:  iemand 
ontrouw  worden.  ||  Soe  wenschene  ie  u  bi  te  sine 
in  suverliken  state,  al  dat  leven  mine,  ende  ie 
u  niet  af  en  saté,  OFl,  Ged.  2,  111,  62. 

3)  Ergens  af  gezeten  zijn,  eldert  gaan  wonen, 
eldert  woonacAtig  zijn.  ||  So  waer  dat  een  twist 
gbescied  .  .■ .  van  lieden  van  diversen  wetten ,  eist 
portre  jeghen  vrylaet,  of  jeghen  eiken  andren  of- 
sittende  laet,  Cout.  v.  Brugge   1,  389. 

AFSLACH,  -tlage,  znw.  m.  en  onz.,  mnd.  aftlag , 
hd.  abtcAlag. 

1)  Het  wegslaan  van  land  door  den  golfslag. 
Ygl.  AFSLAEN  2).  II  600  mergen  lants,  daerof  dat 
wel  60  of  70  morgen  gemindert  zyn  by  den  off- 
slach  van  den  Schermer-  ende  Beemstermeeren , 
Inform,  139. 

2)  Verkoop,  vooral  van  viseA,  vgl.  Afslaen  ^). 
By  uitbreiding  Aet  geld  dat  de  verkooper  aan  den 
af  roeper  of  afslager  scAuldig  is.  ||  Van  den  afslach 
van  den  visch  ende  vischbancken  is  innegecomen 
binnen  6  jaeren  261  ^,  Inform.  168.  Men  geeft 
van  den  afslach  van  den  visch ,  te  weten ,  van  eleke 
coopmanscip  van  den  visch  geeft  de  ofslaeger 
1  deuyt,  176.  Dien  afslach  ofte  exchys  van  den 
visch  heeft  gegouden  binnen  6  jaeren  2932  cC  t 
373.  Zoo  ook  324. 

3)  Mindering,  korting.  Vgl.  Afsla  EN  10).  ||  In 
afslage  van  der  sommen  vorseit,  Brab.  Y.  VI, 
1916.  Daer  mede  Elizabeth  .  .  .  ghelost,  ghequyt 
hebben  sal  sonder  afslach  groot  of  smal  der 
vruchten,  renten  ende  vervallen,  VII,  1381. Totcr 


sommen  prineinael ,  sonder  minderBease  ofte  aüilack, 
1471.  In  betalinghen  .  .  .  der  sdbout  .  .  .  toidcr 
mindemesse  oft  afslach  voloomel|c  betalci  ea^ 
gheven ,  1497.  In  afslaghe  van  der  voora.  soumi, 
Exc.  Cron.  lA2b,  In  afslage  ende  mynriBghe  iLralkcr 
schout,  Nyh.  2,  136  (a.  1369).  Sonder eaick a&lack 
ende  afcortinghe  synre  alinger  somnen,  139.  Soidcr 
ennige  rekenschap  ons  te  doen  ende  soader  if- 
slach,  4,  44  («.  1426).  Zoo  ook  Bek.  r.  leeLi, 
77,  118  e.  e. 

AFSLAEN  (slaet  of  sleet;  sl4>ecA,  sloegen;  ft- 
slagen  of  gestegen ,  geb.  wys  enkv.  slacA ,  mv.  tUei\, 
st.  WW.  bedr.  en  onz.  Mnd.  afsUtn. 

Bedr.  —  1)  Afslaan,  met  een  slag  van  iets  ter- 
wijderen,  met  een  mk  afscAeuren.  \\  Kindre,  die 
in  haren  monde  eten  hadden,  nmttraken  sgd  du, 
daersi  dan  hingen  daer  an  so  acudden  siM  if 
onwerde  ende  sloeghense  af  jeghen  derde,  Bijmi 
82464.  Al  soudmen  hen  haer  hoed  afslia, 
Christ,  138.  Ofte  een  boem  daer  buten  steet,eide 
een  wint  sine  vrocht  afsleet,  O VI,  (r^.  1,80,6% 
Die  scilde  waren  afgeslagen,  Lanc.  III,  18391.- 
Dan  afslaen,  eig.  den  dauw  van  Aet  gras  ë/ik^ 
en  by  uitbreiding,  als  ons  dauwtrappen  tninfro- 
duinen  gaan,  Rinkelrooien ,  bij  nacAt  en ontiji mi- 
zwalken.  II  Dat  si  dese  gebude  yrouwen  leid» 
met  hem  .  .  achter  bossche  den  dan  tCilia, 
Bose  8609. 

2)  Lant  — ,  Uitvreten,  doen  wegslaan,  ioe%*j- 
brokkelen,  van  het  water  gezegd.  ||  Ende  hebba 
groote  meeren  an  elcke  zyde  vanheurlnyderlioda 
leggende ,  ende  slaen  die  meeren  dat  laat  leer  if, 
Inform.  206  {bl.  51  wardtditdoorotnemtnmtgedmkfi 

3)  Afslaan ,  afAouwen,  ||  Wat  hi  binnen  sli^ 
bevart  sloechi  ave  met  ge  wout,  waest  stael,  Jiff 
ot\e  hout ,  Lorr.  II ,  4316.  Eist  datti  diin  Ttiet 
scent,  slachene  of,  Hs.  v.  1348, 170c.  Menscloacka 
af  arm  ende  bene ,  Wittek.  v.  S.  27.  Hande  fsk 
voete  —  ,  Bijmb.  7116  vg.  Lede  — ,  Sp.  nP,ll. 
112;  Cannaert  33,  34.  Dat  hooft  — ,  ^.  P,i 
92;  III*,  11,  111;  Stoke  VI,  563;  Edew.m\ 
enz.  Daaruit  is  te  verklaren  de  verkorte  uitdnkkiif  ^ 
^Ënen  afslaen,  elliptisch  voor tAovei aftUt^ 
en  dns  geHjkstaande  met  ontAoofden,  \\  Siworpa 
tlot.  Men  sloech  af  hem  deent  daventnre  gaf,  Stoke 
VI,  269,  hetgeen  in  vs.  274  herhaald  wordt  Kt 
onthovede.  Het  is  dat  hooft  van  uwen  dienaer  . . 
dyen  heb  ie  afgheslaghen ,  Huge  v.  Bord.  44 

4)  Afslaan,  omAouwen,  vellen.  ||  Hi  sloeclidk 
beelden  ontween  ende  die  busschen  af,  ü-  ^ 
2  Kon.  23 ,  14  (Vuig.  snccidU  lucos).  Slachene  of 
(den  vijgenboom),  wat  bedmet  hi  die  erde,  Ht.t. 
1348,  191rf  [Ltic.  13,  7). 

5)  Afslaan,  afnemen,  t.  w.  een  voorwerp  to 
datgene,  waaraan  het  met  nagels  vastgehecht  win 
b.  v.  den  lichame  van  den  cruee  — ,  enz.  Yindtf 
Afslaen  alleen ,  elliptisch  voor  afnemen  van  ketkrm 
van  de  galg.  ||  Doen  quam  St.  Marcellus,  een  ^ 
jongde,  biet  aldus,  snachts,  ende  deden  tfo)«B 
ende  groefne  met  eren,  Yst.  Bl.  339 (van Fetrti^-^ 
Dats  te  verlatene  op  sele  gheniet ,  alse  die  hta^ 
beide  dat  menne  afsla,  Hadew.  I,  168,  30. 

6)  Met  een  persooniyk  object.  Enen — ,iens» 
afslaan ,  terugslaan ,  verslaan.  Verg.  ags.  o/*^' 
occidere  (Ettm.  699) ;  os.  oslaAan  (Eeyne ,  Hél,  SW^ 

II  Want  si  vochten  binnen  so  seer,  dat  si  dieea 
den  anderen  mit  groten  hopen  ofsloeghea,  ^'''- 
S.  2Sd.  Si  sloegense  af  ende  overredense  nier  9f^ 
horen  paerden,  Merl,  29230. 

7)  Met  een  persooniyk  object  en  een  m^^ 
persoon  in  den  3den  nv. 


269 


AFSL. 


AFSL. 


270 


a)  Met  een  collectief  object.  Enen  sijn  volc  — , 
iemand  (een  veldheer ,  een  leger)  zijne  manschappen 
doen  verliezen  door  ze  te  venlaan,    ||    Men  sloech 
sijn  Tolc  hèm  of  so  sere ,  dat  Segheline  den  groeten 
here  cume  tweehondert  man  en  bleef,  SeffA.  10397  var. 
Ende  sloech  hem  af  up  enen  dach  een  legyoen  alte- 
male,  iS^.  I",  6,  6.  Hi  sal  den  keyser  afslaen  drie 
coninge  van  tien  saen ,  Rijmb,  16666.  Hi  salne  vaen 
ende  sine  liede  hem  al  afslaen ,  Lanc,  III ,  21623.  Hi 
sloech  dies  dages  den  Grieken  af  menegen  ridder, 
Troyen  4469.  Dat  volc  dat  daer  quam  te  voet  sloeg 
hen  af  so  menighen  man ,  Grimh,  1 ,  5100.  Pippijn 
sloech  hen  haer  volc  ave ,  Brab.  T.  1 ,  1442.  Ende 
slouch  hem  af  in  enen  strijt  tien  man,  Sp,  I',33, 
8.  Si  slougen  af  met  gewelt  dien  Romeinen  Y »  man, 
I»,  40,  10.  Sijn  volc  wart  hemgeslegenof,  I',22, 
13.  Ende  sloech  hem  hare  ridders  of,  Bijmb.  2798. 
Hoe   dat  hem  die  van  Bmgghe  sQn  heere  zeere 
afghesleghen    hadden    ende    ghemindert,   Cron,  v. 
Vlaend.  1,   184.   Den  grave  van  Namen  waren  af- 
^hesleghen  meest  alle  sijn  eedele,  ald.  —  Zie  ook 
Stoke  II,  441;  Lorr.  II,  8Ö3;  Lmr.  fr.  III,  322; 
Grimb,    II,   5347;    Sp,   I«,    3,   8,   IH»,   11,  63; 
Rijmb,  7893,  8543,  28065;  Umb,  IX,  754;  enz. 

b)  Met  een  enkelvoudig  object.  Enen  sinen 
naech  (broeder,  man  enz.)  — ,  iemand  zijn 
naag  {broeder^  man  enz.)  doen  verliezen  door  hem 
'e  verslaan.  ||  Et  waren  hem  met  moghentheden  hare 
nanne  al  ofgesleghen.  Nat.  BI.  I,  210.  Als  men 
lem  ghesleghen  af  hadde  sinen  broeder  Alexander, 
^ijmb.  20730.  6i  sloecht  mi  minen  broder  af, 
Lano.  III,  16022.  Ende  sloech  den  here  enen 
>roder  of,  III,  16955.  Ende  sloegen  hem  oic  daer 
Lve..  sinen  maech,  Edew.  854.  Slongemenafsine 
nage,  Sp.  IV',  41,  87.  Dat  grote  verlies  van 
«ninc  Willem  sinen  vader,  die  hem  die  Vriesen 
fgeslaghen  hadden ,  Clerc  125.  —  Ook  zonder  het 
lijdenkoeeld  van  geweld.  Enen  sinen  maech  — , 
rmand  door  den  dood  van  zijn  maag  berooven^  in 
iet  passief.  ||  Dat  haerlieder . . .  vader  hemlieden 
fghesleghen  was  langhe  eer  tvoorseide  Maertine- 
:ene  gheboren,  CotU.  v.  Brugge  1,  432. 

e)  In  toepassing  op  vee.  Enen  sfln  vee  — , 
tmand  van  zijn  vee  berooven  en  het  laten  slachten.  || 
Toert  soe  en  sal  die  greve  voirs.  in  Twente 
lyement  coyen,  verken  oflf  enige  vaerende  have 
lemen  off  affslaen,  noch  holte  aff  doen  houwen, 
lacer  2,  219  (a.  1433). 

8)  Bij  a/slag  verkoopen.  \\  Gheen  of  val  daer  of 
n  quam  van  smeer  noch  van  huiden ,  dat  Floerkijn 
;elve  behelt  ende  ofsloech  bi  den  meesters.  Rek. 
f.  Gr.  2,  111.  Alle  de  visch  slaet  men  of,  Inform. 
181.  Van  alle  visch,  die  aldaer  ter  merct  comt 
inde  ofgeslegen  wert,  624.  Waert  dat  die  gheen . . 
ign  zout  gelijc  den  anderen  affsloige,  R.  v.  ütr. 
L,  336,  12. 

9)  Met  eene  zaak  als  object.  Afnemen,  weglaten, 
verkorten,  verkleinen,  vooral  een  gedeelte  van  iets, 
»m  daardoor  het  geheel  te  verminderen  of  te  be- 
korten. II  Ie  slaes  af  vele  meer  dan  die  helt,  om 
lats  n  vemoyen  mochte,  Rijmb.  31524.  Sulc  volc 
10  dom  gedaen,  dat  u  ontherven  waende,  Here 
Tod ,  ende  uwe  macht  afslaen,  Flandr.  II,  110. 
—  Vandaar  de  gewone  beteekenis  van 

10)  J/trekken,  in  mindering  brengen,  korten,  t,  w. 
ran  het  totale  bedrag  van  iets,  inzonderheid  van 
{ene  rekening.  Verg.  Afslach,  alsmede  afslaen 
onz.  2)  voor  verminderen  van  prijs ,  en  a/slag  voor 
oaardevermindering.  ||  Daer  soude  hi  in  ligghen  alse 
anghe  vrile  dat  men  heme  elkes  daghes  afsloeghe  XII 
Irs.  hollausche  toter  wile  dat  die  voerseide  tien  pont 


quite  waren ,  V.    d.   Wall  84  (a.  1291).   Dese . . . 
twie  hondert  pont,  die  sullen  wi  ofslaen  in  uwer 
eerste   rekeninge,  Mieris  2,  265a  (a.  1321).  Dat 
soude   men    hem   ofslaen   van   desen  580   fi^  tor- 
noys ,  3096   {a.  1323).  Zes  dusentich  pond . . ,   die 
wy   onser   stad  voirs.  geloeft  hebben  af  te  slaene 
van   den   assijsen   van  der  stad,  Braè.  T.  Dl.  1, 
bl.   821    {a.   1340).    Dat   zy   afslaen  .  .   de  vers. 
vichtich   ponden   groten  .  .  van  den  ■  pachten  van 
haren   assise,    ZVl.  Bijdr.   2,  346  p^.  (a.  1.341). 
Gerebateirt   ende    afgeslegen .  .   van  dies  dland . . 
vorseit  hem  sculdich  mach  zijn ,  4 ,  70  (a.  1389). 
Dat   vleesch  mach  de  clager   halen . .  ende  slaent 
of  van  der  scult,  6,  174  {a.  1441).   Ende  affge- 
slagen    ende   gecort  te   werden  van  den  ophoeren 
van  den  voirscr.  rentmeester,  Nijh. 5,  22 (a.  1473). 
Wat    butter   men . .   vercoopt   by   helen   vaten  . . , 
dair  of  selmen  ofslaen  ende  van  tgewechte    corten 
van   elc    vat   32    ®,  Leid.  Keurb.  247,  70.    Ende 
sal  dat  ter  lester  doot  corten  ende  afslaen  van  den 
goeden ,  dies  des  eersten  oflivigen  erfnamen  . .  dan 
sculdich   sullen  wesen  te  nemen,  186,  80.  Dit  is 
dat  bier,  dat  Symon  ende  Hughe  voerg.  ghecoft 
hebben,   betaelt   ende  ofgheslegen  mit  mijns  liefs  « 
heren  quitancye  op  den  steden,  Oorl.  v.  Albr.  106. 
—  Zie   ook  Ngh.  2 ,   182 ;   Rek.  d.  Graf.  1 ,  141 , 
266,    454;    Oorl.   v.  Albr.  324,  825;  K.  en  O.  v. 
Delft  100,    12,  Rek.  v.  Zeel.  2,  68,  60,  92,  93; 
1,  147,  177,  179  enz. 

9)  Overwegen ,  als  vertaling  van  ft.  débattre.  Verg. 
ons  Verslag.  ||  Ie  hebbe  wel  vergadert  ende  af- 
geslagen te  wat  somma  van  penninghen  mach 
comen  ende  clemmen  sjaers  den  grooten  cost, 
Matth.  Anal.  1,  320  („que  i'ay  bien  calculé  et 
debatu " ,  01.  de  la  Marche ,  Vestat  du  duc  Charles 
Ie   Har  dg). 

Onz.  —  1)  Van  den  weg  afslaan,  in  eene  andere 
richting  gaan,  zich  verwijderen.  \\  Doen  sloech  hi 
vore  hen  af  besiden  tote  in  sproefst  battaelge  van 
Aken,  Heelu  6792.  Maer  elck  man  schuwet  si  (/. 
se)  in  den  dans  ende  seit:  „Slaet  off,  si  en  is  niet 
gans,"  d.  i.  maak  u  weg,  bemoei  u  niet  met  haar, 
MLoep  I,  2429. 

2)  In  prijs  verminderen,  afslaan.  \\  De  cleyne 
visschen  doen  de  grooten  afslaen,  Spreuken  98. 

AFSLITEN,  st.  ww.  bedr.;  mnd.  afsliten.  Enen 
iet  (bepaaldelijk  eene  geldsom) — ,  iemand  door  de 
beslissing  van  een  rechtsprekend  lichaam  {een  von- 
nis, vgl.  SLITEN.)  tot  het  betalen  eener  geldsom 
veroordeelen.  ||  Van  dat  hem  die  raet  afgesleten 
heeft  totter  tymmeringe  9  gul..  Rek.  d.  Buurk. 
75.  Aemt  van  der  Meer  wert  ofgesleten  ter  tymme- 
ringe . .  18  gul.,  ald.  Dat  hem  ofgesleten  wert  van 
den  raet  van  die  zake  die  hy  had  tegen  Willam 
van  Oestrum ,  18  gul. ,  ald.  Acht  ryns  gul.  van  dat 
geit,  dat  hem  de  raet  afsleet,  103.  Die  twedeel 
van  100  postulaetsgul. ,  die  de  raet  hem  ofsleet 
ter  kerken  behoef,  111. 

AFSMITEN  {smeet,  smeten,  gesmeten),  st.  ww. 
bedr.  Zie  Smiten. 

1)  Afslaan,  af  houwen.  \\  Fergunt  heeft  echt 
tswert  verheven ,  die  luchter  hant  hi  hem  afsmeet , 
Ferg.  3600.  Als  dit  vernam  die  bewaerre  des 
tuyns  . . ,  soe  smeet  hi  den  beer  sijn  lufter  oer  of, 
Gest.  Rom.  f.  106b.  So  heeft  hi  hem  sinen  start 
ofghesmeten,  ald.  Den  rechter  voet  des  knechts 
smeet  hi  of,  1596.  Ten  derden  slach  so  smeet 
Gwyde  des  tyrans  arme  of,  226a. 

2)  Terugwerpen,  afslaan,  een  aanvallend  vgand. 
II  Die  Turcken  hebben  weder  op  die  plaetsen..  de 

stadt  bestormt,  mer  si  werden  cloeckelgc  wederom 


271 


AFSN. 


AFST. 


272 


af^hesmeten ,  Ejcc,  Cron.  308</  (Eenige  regels  lager 
wordt  in  denzell'den  sin  afghesl^hen  gebruikt). 

AFSNIDEN,  {sneef  ^  tneden,  ffetned^m;  ook  on- 
scheidbaar: afêfiêet).  Aftnijden^  aj knippen^  de 
hedendaagsche  beteekenis,  eigenlijk  en  overdrach- 
telijk gebruikt.  Zie  o.  a.  Rosé  5830;  Lev.  v.  J.  e. 
04.  II  Toe  desen  seven  lampten  hiet  onse  Hare 
maken  VII  guldene  scaren,  den  brant  mede  ave 
te  snidene ,  Ruusbr.  1 ,  176.  Onse  guldene  scaren , 
daer  wi  den  brant  mede  avesniden,  177.  £nde 
het  en  sy  dat  wyse  {f/ie  gebreken)  binnen  onsen 
leven  ofsniden  ende  ofwerpen ,  Stemmen  51  (in  den 
tekst:  ofsinden).  Of  te  snyden  die  hovaerdicheyt 
van  den  oghen,  Bern.  W.  4%d.  Si  nam  een  scare 
ende  afsneet  haer  hare,  Ëxc.  Cron.  üd.  Omdat  hy 
den  luden  hair  budels  mit  gelde  atfgesneden  had, 
O.  R.  ü.  Dordr,  1,  312,  1(»6  (Vandaar  ons  henr- 
zensnijder). 

Aanm.  —  Grimb.  I,  4608:  „  Sijn  tornekeel  .  . 
was  van  den  selven  afgesneden "  zal  men  wel 
moeten  lezen  al  gesneden  (var.  wel  gesneden). 

AFSNIDINGE,  znw.  vr.  In  fig.  zin.   Verzaking. 
II    Den    enghen    wech    aal    dij  wijsen . .  versmaet- 
heit,   belachinge,    bespottinghe ,  ofsnidinghe  dijns 
eygen  willen,  Ms.  tü)/.  10b. 

AFSOENEN,  zw.  ww.  onz.  Mnd.  afsonen.  Vgl. 
Akswoenen.  Tevredens  f  ellen  door  ititkeenng , 
ttilkoopen.  ||  Of  daer  een  arve  verstor ve  tot  eiueu 
vryen  anval,  dat  sal  by  den  oldesten  blyven  und 
die  anderen  broederen  und  susteren  afsoenen  na 
vrende    raeth,    Pro  Exc.  4»,  194. 

AFSPANNEN  (spien^  spienen ^  gespannen)^  st. 
ww.  bedr.  Mnd.  af  spannen.  Zie  Spannen. 

1)  Van  zwaard  of  sporen.  Aflnnden^  losmaken 
en  afdoen.  \\  Eer  hi  swaert  of  sporen  afspien 
ghinc  hi  te  sijnre  camere  inne,  Segh.  11896. 

i)  Van  ledematen.  Afbinden^  door  afbinding 
doen  versterven  en  afvallen^  doodbinden.  ||  Voor 
sine  smerte  ende  leemte ,  dat  him  zyne  bene  afge- 
spannen  zijn,  Mieris  3,  100*  (a.  1359). 

AFSPLITEN  {spleet,  spleten,  gespleten),  st.  ww. 
bedr.  Zie  Spliten.  Mnd.  af  spitten.  Afscheiden, 
verwijderen.  Ook  met  den  3den  nv.  Enen  iet  — , 
iets  van  iemand  verwijderen.  ||  Wat  hem  aen  sijn 
ere  mesquame ,  dat  waer  beter  afghespleteu ,  Salad. 
218.  In  de  andere  lezing  naar  het  Comb.  Hs. 
{iJenkm.  3,  91)  vs.  224:  Want  dat  hem  an  sijn 
ecre  quame,  ware  hem  beter  afghespleten. 

AFSPLIÏTEN  (AKSPLETTEN),  zw.  WW.  bedr. 
Zie  Splitten.  Iet  (van)  ere  dinc  — ,  iets  van 
eene  zaak  afnemen,  het  er  van  scheiden.  ||  So 
onse  ondersaten  van  Apeldoeren  van  der  heiden, 
by  broder  Steven  Doys  molen  naist  gelegen,  aff- 
gespleit  ende  uden  voirscr.  gegeven  hebben  twelif 
morgen  heiden,  Nijh.  4,  165  {a.  1438).  Die  camp, 
die  autikeu  (?)  afsplit  is,  Rek.  d.  Graf.  1,  386. 
AFSPOTTEN,  zw.  ww.  bedr.  Met  een  persoon 
in  den  3den  nv.  Enen  iet  — ,  iemand  van  iets 
door  spot  berooven.  \\  Du  moetst  myner  al  lange 
spotten  ,  eer  du  my  een  ore  afspottest ,  Spreuken  22. 
AFSPREKEN  {sprac,  spraken,  gesprokeii) ,  st. 
WW.  bedr. 

1)  Ten  einde  toe  bespreken,  af  praten,  afhande- 
len. II  Doe  dat  conincspel  was  leden,  daermen  van 
der  minnen  seden  hadde  afgesproken  menich  wart, 
Cass.  1667. 

2)  Afzeggen,  ontzeggen,  verbieden.  \\  Dese  epis- 
tel die  totten  Romeynen  ghescreven  is,  is  daer 
omme  eerst  gheset,  want  si  alle  vermetelheit  of- 
spreket  ende  nederleit,  Ms.  75  /.  2<r;  Hs.  Epist. 
U. 


AFST  AEN  (stoet,  staeden,  of  stonf ,  ilanée», 
gestaen),  onreg.  st.  ww.  onz.  en  bedr.  Mnd.  «/1/411. 
Bij  Kil.:  absistere,  desistere,  abstinere,  supersedere, 
cessare ,  desinere. 

Onz.  —  1)  Zich  verwijderen,  weggaan,  rijke*. 
II  So  dat  alle  die  dieve  thant  afstaen  moestca 
ende  rumen  tUnt ,  i^.  I  ^ ,  66 ,  83.  Dat  sg  soidei 
afstaen  en  hua  vechten  laten,  Heemsk.  175.  Dit 
de  goeder  liede  kindre,  die  nayen  leeren,  Toor 
huer  meestersen  nayen  . .  mogheu ,  aUe  si  vao  der 
scolen  ghesceden  selen  sijn  oh  afgeataen ,  Brab.  Y. 
Dl.  2,  bl.  647  {a.  1381).  Die  metten  swaerde 
gaeme  slaen,  metten  swaerde  wert  hi  verslaghcB; 
die  niet  en  wil  in  tijts  afstaen,  die  noot  sal  hem 
doen  venlraghen ,  Spieg.  d.  Jong.  107.  —  Spreekw. 
Vrouwen  hert«  en  is  gheen  steen ,  niet  afstien  b 
mannelick.  Spreuken  104. 

2)  Afstaen,  zoowel  absoluut  als  verhield 
van  de  bepaling  van  denpaerde.  AfstiJ^n, 
afstappen.  \\  Ende  dat  hi  op  die  greve  (gracht)  af- 
Hioni,  Brab.  Y.  Vil ,  15212  (verg.  15233:  stout  ..m 
siueu  peerde).  Item  17  dage  in  Augusto,  ils 
Leyden  upgegeven  was ,  ende  miin  .  .  heere  ii 
der  kerken  afstont,  aldair  .  .  te  offergelde  geg. 
1  holl.  SC. ,  Bel.  V.  Leid.  352.  Als  si  quamen  tor 
den  oven,.,  stonden  si  of  van  den  paerden,  Ssl. 
en  Mare.  52.  Dit  al  ghedaen ,  saten  weder  np 
hare  perden  de  nieuwe  Grave  van  Vlaenderen  end; 
sijn  eedele  ende  reden  ter  Vrindachmarct ;  dier 
stout  af  mijn  .  .  heere  van  sinen  perde ,  Cf&*.  '• 
Vlaend.  2,  258.  Siet  daer  staet  een  hertc,  wildi 
dat  hebben,  so  staet  af  van  uwen  peerde,  Kk. 
Cron.  238^.  Als  die  K.  M.  quam  an  die . .  trappei. 
so  is  hi  afghestaen  van  den  peerde,  309r. 

3)  Met  den  2den  nv.  Eens  — ,  zich  vanieuuai 
afmaken,  van  hem  scheiden,  zich  niet  meer  met  ha 
inlaten.  \\  Beide  vremde  ende  vriende,  dien  ie  i< 
voren  diende,  ben  ie  afghestaen,  Hadew.  I,  92,  51. 
Doe  hem  hare  cleeder  dwaen  enter  wivc  00c 
avestaeu,  Rijmb.  4503. 

4)  Met  den  2den  nv.  Des  — ,  zich  van  U(' 
afmaken,  zich  aan  iets  onttrekken.  ||  Dochenwillii 
niet  afstaen,  in  wille  dine  bede  ontfaen,  fff 
Mart.  1 ,  46.  Ende  (ghi)  doet  mi  dan  een  groet  bclof; 
daer  na  stadijs  varinghe  of,  als  ie  a  hebbe  uwen 
wille  ghedaen,  Theoph.  559.  Si  stondens  mettei 
scoensten  ave,  maakten  zich  er  zoo  goed  mo^Hj^ 
af,  Stoke  V,  690. 

5)  Met  den  2den  nv.  en  het  hulpww.  zijn.  Des  — , 
afstand  doen  van  iets,  het  laten  varen,  naUte». 
opgeven,  er  mede  ophouden,  uitscheiden.  \\  CarmilU 
die  vercoes  der  ene,  dat  was  om  syu  rycke  gbe* 
gare ,  mer  ie  waen ,  haer  beter  ware ,  dat  sj  des 
waer  afghestaen,  Troyen  f.  2774.  Vele  qaiedi 
hadden  wi  gedaen,  in  dinde  moest«wijs  afstirt, 
Ferg.  4909.  Hoe  mochti  met  goeden  moede  ghedon 
dat  hijs  avestoede  ende  ontoghe  hem  der  minncB. 
Limb.  XI ,  793.  So  hadden  si  des  afgestaen  ende 
beyde  peniteucie  gedaen,  MLoep  III,  429.  D"* 
heb  ie  mede  te  danse  gegaeu ,  mer  onheyl  doets 
my  avestaen,  I,  173  (hs.  rfo<?/).  Menech  wil wiedca 
eens  anders  hof,  dies  met  redenen  bet  stonde  of, 
Lett.  N.  /T.  6,  150.  Quaetheit  hevet  gheen  deughet 
in:  bedi  staets  of,  het  sal  di  vromen,  Praet  85T. 
Dus  es  mens  sculdech  af  te  stane.  Nat.  BI- 
UI,  746.  Hi  saels  lichte  dan  avestaen,  Flor.fM- 
Ende  doens  hem  sekerlike  afstaen,  Bloetul.  3, 
27,  166.  Ende  heves  die  joncfrouwe  niet  verdienl, 
staets  af,  La?tc.  II,  43964.  Des  willic  avesUci; 
ie  wils  avestaen,  Vad.  Mus.  1,  61,  137;  64,  *53. 
Dies    hi    namaels    stout    al    af,  Velth.  IV,  1,^^ 


273 


AFST. 


AFST. 


274 


(Hi)  moets  met  scanden  afstaen,  Doet.    I,  61.   Soe 

eest    best  dat  ics   avesta,  OVl.  Ged.  3,   128,    46. 

Ende  riet  hem  dies  af  te  stane,  Sp.  III*,  63,  28. 

Want    die   weldoet   ende   dies  afstaet ,  III» ,    41 , 

117.  Stont  hys  af  ende  sochte  raet,  L,  o,  H.  1046. 

—    De    handeling,    die   men  opgeeft  of  nalaat^  of 

de   zaak  waarmede   men  opAoudt  «ch  in  te  laten, 

wordt    veelal   uitgedrukt   door   een    abstract  znw. 

II    Die    myns   gebods    dus  staet  af,  Rfjmb.  9040. 

Dat    hi    sijns  orlogens  stont  af,  18677.  Dus  es  hi 

ridderscaps    afgestaen,    Sp.    III*,   30,    1.  Dat  si 

des    vechtens  stonden  ave ,  IV  * ,  66 ,  60.  Verraets 

ende    mort  stont  ie  ave,  £leff.  1247.  Gi  staet   bat 

af  derre  sotheit,  Lanc.  III,  26206.  Dat  hiafstoede 

derre  dine ,    III,  26828.    End«    stont    strijds   ave 

jegen    den    broeder,    Stoke   K,   1130.  Dat  hi  der 

dinc    wilde    staen    ave,    III,    1284.    Nochtan    en 

stonden    si    niet    of   haers    vastens,   JSraó.  T.  II, 

776.  Ende  stoeden  haers  rovsus  af,  IV,  95.  Dattu 

afstaes  haerre  gebode,  Sp.  II',  27,  64.  Nu  willic 

der    complexien  avestaen,  OVl.  Qed.  2,    63,  261. 

Der  sonden  afstaen,  Tarth.  2022;  Doet.  III,  1566; 

iMtg.  II,  1605;  Chr'ut.  271;  L.  o.  H.  1442;    verg. 

Rijmb.  24086.  Sire  quaeth«it  afstaen,  Lsp.  III,  3, 

1138;     Wal.    4307,    4343.  Rcgnerens  afstaen,  ^. 

II»,    1,   22.    Dese  conim  .  .   was  siere  dompheit 

afgestaen,  IV» ,  29,  24.  Dat. .  hi  des  heidynscaps 

stont  af,  IV*  ,  65,  70.  —Der  werelt  afstaen, 

van  de  wereld  afstand  dten ,  zicA  aan  een  geestelijk 

leven    wijden.    ||    Ende   rtont  derre  werelt  af  ende 

alder    quaetheit ,    Sp.    P  ,    31 ,    80.   Dat  soe  hare 

nonne  begaf  ende  stont  deser  werelt  af,  III*,  30, 

7.    —    Ook    van   een  onderwerp   van   gesprek    of 

geschrift,    waarvan    msn   afstapt.    \\    Daer    omme 

willics    nu   avestaen,  Velth.  VI,  25,  100.  Amen! 

Ie    staes    af  mettesei,    Rijmb.   27102.   —   In   de 

woorden    van   Stoke.  bij  het  opnoemen  der  zeven 

keurvorsten    (I,    98i):    „Die   derde    diene   staets 

niet  ave,  dats   vap  Brandenborch  die  marcgrave, 

dats  des  riken  canerlinc,"  is  de  uitdrukking  niet 

veel   meer   dan  e<n  stopwoord.  „Hij  hotidt  niet  op 

die   betrekking  \i  bekleeden;  hij  pleegt  ze  te  be- 

kleeden. "    Verg.  pkget  in   vs.  979.  —  Bij  latere 

schrijvers  wordt  :1e  2de  nv.  reeds  vervangen  door 

eene  bepaling  me  het  voorz.  van.    \\    Die  roevers 

ende  die  moerdediren ,  die  van  roevene  afghestaen 

waren,  VI.  Rijmk.  3840.  Een  staerc belofte staene 

wel  van  dieften  <",  Praet  4692.    Bedi  waert  beter 

ofgestaen    tilikcn  van    quader   daet,  4695.  —  De 

2de  nv.  wordt  inlateren  tijd  ook  reeds  vervangen 

door   den    4den.   ||     Ende  elck  sel  anderen  sincn 

last  helpen  draden  totter  doot,  entat  om  weelde 

noch   om   noot   :ymmermeer  te   staen   ave,  Hild. 

108,  68. 

6)  Ook  absoliit  gebezigd ,  zonder  bepaling  in 
den  2den  nv.,  f  gevolgd  door  eene  onbep.  wijs 
met  te.  Ophotien^  uitscheiden,  jj  Enen  man 
dravende  ene  Hb  ende  afstaende  als  van  der  pine, 
5jp.'ll*,  12,  62  Die  kerstene  te  pinene  afsta,  II», 
49,  87.  Ende  ia  dat  si  daer  afstonden,  worden 
hare  opten  rug^  gebonden  de  hande,  II*,  62,61. 
—  Sonder  t^staen,  zonder  ophouden^  voort- 
durend^ aanhouend^  met  volharding.  Verg.  sonder 
afkeren  en  soner  afsceden.  jj  Eenpaerlike  waren 
si  daer  ter  stde  sonder  ofstaen  in  haer  gebede. 
Franc.  1561.  Ik  sonder  afstaen  minne  groot  leget 
an  dit  erdsch»  goet,  Sp.  I»,  69,  68.  Al  de  scade 
ende  alle  de  scande,  die  hi  den  Vresen  hadde 
gedaen,  wrac  li  op  hem  sonder  ofstaen,  Stoke  I, 
1140. 
BeüR.    —  klet    een    persoon    in    den   3den  nv. 


Enen  iet  afstaen,  viaken  dat  iemand  afstand 
van  iets  doet^  er  hèm  van  berooven.  \\  Ander  die 
met  onrechten  vonden  haer  ghebueren  haer  goet 
afstonden,  N.  Doet.  2597. 

AFSTAL,  -stale,  znw.  m.  Hetzelfde  als  fl/>/rt»rf, 
het  afstaan  (van  iets).  Afstal  en  afstand  beide 
hebben  hunnen  grond  in  ogerm.  stdn ,  staan.  Evenzoo 
wisselen  ook  Aenstal  en  Aenstand'.  zie  Aenstal. 
—  Afstal  doen,  afstand  doen  (van  iets),  jj  Ende 
dese  ofstal  ende  oirvede  sellcn  thans  doen  alle 
die  gene,  die  hier  tegenwoirdich  zijn  van  beyden 
syden,  Mieris  2,  105Ï  (a.  1310).  Dat  J.  Duuc  enz. 
ofstal  gedaen  hebben  van  G.  van  Kuuvre  ende 
W.  Baernts  soens  doot ,  d.  i.  afstand  gedaan  van 
de  veete  wegens  den  dood  der  genoemde  personen , 
V.  d.  Wall  407  (a.  1408).  Renuntiereu  ende  offstal 
te  doen  van  den  selven  processe,  653  (a.  1475). 
Oick  en  sal  heere  Jan  van  Arkel  .  .  nymmernieer 
uut  onser  vangenisse  comen  hy  onsen  wille ,  hi  en 
sal  erst  .  .  afstal  ende  quijtsceldinge  doen  van  den 
lande  ende  goeden  voirscreven.  Mieris  4,  413* 
{a.  1417).  Ende  hi  ofstal  dairof  gedaen  ende  ons 
die  overgegeven  heeft,  356  (a.  1415).  Overgegeven 
ende  gewilcoert  mit  sulken  ofstal,  als  die  brieve 
dairaf  begripen ,  537a  {a.  1419).  Si  most  eerst 
een  ofstal  doen  van  den  lande  van  Henegouwen, . . 
ende  dat  grave  Jan  van  Avenues  .  .  overgeven  mit 
horen  bezegelden  brieven,  Clerc  108.  —  Der 
werelt  afstal  doen,  hetzelfde  als  der  wereld 
afstaen,  dus  de  wereld  verzaken,  zich  aan  een. 
geestelijk  leven  wijden ,  zich  in  een  klooster  begeven. 
II  Verzuymt  hy  lijf  of  Ut,  hy  is  sculdich  der 
warelt  ofstal  te  doen,  ende  verbonden  tot  ewigher 
penitencien,  Matth.  101;  verg.  106.  —  Ook  met 
een  ontkennenden  bijzin.  Plechtig  en  ond^r  eede  ver^ 
klaren,  dat  men  niet,  enz.  ||  Dat  hi  mit  zinen  ede 
ofstal  dade  van  Sanders  zinen  broeder ,  dat  hi  hem 
niet  helpen,  raden,  huzen,  hoven  noch  niet  toe- 
spreken ....  en  zei,  iZ.  v.  JJtr.  1,  88,  29. 

AFSTALLINGE,  znw.  vr.  J/jr^a»Mf.  Hetzelfde  als 
Afstal'.  zie  het  vorig  art.  —  A  f  s  t a  1 1  i n  g e  doen, 
afstand  doen  (van  iets).  ||  Dat  alle  deze  handadige 
kiuder,  broeder  ende  magen  ofstallinge  doen  sullen 
van  den  hantdadigen.  Mieris  2,  105«  {a.  1310). 
Voort  sullen  sy  ofstallinge  doen  den  van  Everdingen, 
die  onversoent  zijn,  ald. 

AFSTEECSTER.  Zie  Afstkker. 

AFSTEKEN  {stae,  staken,  gesteken),  st.  ww. 
bedr.  Mnd.  afsteken.   Zie  Steken  en  verg.  Afge- 

STEKEN. 

1)  Met  een  persoon  als  voorwerp.  Enen  — , 
iemand  afstooten,  nederstooten ,  naar  beneden  doen 
vallen.  ||  Ende  sijn  broeder  her  Walraven  stac 
daer  van  den  berge  ave  selken,  dat  hem  die  hals 
brac,  Velth.  V,  12,  29.  Een  kint,  dat  dat  delfijn 
dicke  reet ,  so  dat  et  ofstac  een  stoerm  groet  ende 
dat  kint  bleef  dus  doet.  Nat.  BI.  IV,  437.  Nu 
maact  u  henen,  ende  gaet  neder  den  graet  van 
vrienscepen  ende  van  minnen,  of  ie  roepe  hier 
sulken  binnen  die  u  hoefdelike  af  sal  steken.  Rosé 
fr.  bl.  256,  257.  Dat  die  weech  niet  en  brac,  of 
dat  si  u  niet  af  en  stac  {van  de  ladder),  Belg.  Mus. 
3,  113,  195  {Bloemt.  3,  28,  195).  Datmen 
sculdich  wair  dat  levende  kint  opter  brigghen  te 
bringen  op  die  selve  stede,  dair  dat  ander  kint 
ofi'ghesteken  wort,  ende  die  vader  vanden  doden 
kinde  soude  dat  levende  kint  ofsteken,  dattet  viel 
in  den  Tiber,  Matth.  28. 

2)  In  't  bijzonder,  in  riddertaal.  Van  7  paard 
s  toot  en,  uit  den  zadel  lichten  en  ter  aarde  werpen, 
nedervellen ,  zoowel  in  het  tornooi  als  in  den  strijd. 


275 


AFST. 


AFST. 


276 


II  Si  jo8t«rden  daer  tier  stonden ,  soe  dat  hi  afstac 
den  swerten  Belyas,  Lanc.  II ,  27005.  Sijn  daregarde 
was  ontwe  gesneden  ende  al  der  andere  die  quamen 
daer:  dies  stac  hise  lichte  af  daer  naer,  III,  26Ö04. 
Dattie  meesterscinke  ware  afgesteken  ende  sijn  ors 
verloren,  lil,  21441.  Meneghen  hebben  sire  af- 
ghesteken ,  die  daer  doot  bleef  ofte  mat ,  Troyen 
6239  Yar.  Wel  hondert  Griecken  staken  sy  ave, 
6110.  Rudders  die  afgesteken  lagen  ende  geaffoleert 
met  groten  slagen,  Lanc,  II,  34579.  Ënde  stac 
enen  knape  ave,  (7ni»3. 1 , 3630.  Om  te  hermonteren 
weder  van  Loen  den  stouten  grave,  die  dair  lach 
gesteken  ave,  II,  2787.  Donde  grave  reet  ende 
stac  den  coninc  ave,  Umh,  IX,  691.  So  vreeselic 
dat  hine  avestac,  ende  viel  dat  hem  sijn  been 
brac,  XII,  183.  —  Zie  nog  Lanc,  II,  131,  151, 
165,  162,  1640,  1643,  1647,  3214,  7731,  19950, 
19994,  20061,  25746,  III,  16526,  23771,  26486, 
26503,  '17,  '60,  '54;  Grimh.  I,  4413;  Tarth, 
5532,  enz.  —  Ook  met  eene  saak  als  subject.  || 
Als  hi  dat  neert  metten  thoom  weder  oprechten 
wilde ,  so  vernief  hem  dat  peert  rechtop  ende  viel 
achter  rugge  over  metten  coninc,  so  dat  hem  dat 
hamasch  afsteek  ende  viel  in  dat  maras,  Exc. 
CroH.  294Ó,  d.  i.  ^  zwaarte  van  het  harnas  deed 
hem  van  het  paard  vallen, 

3)  Met  eene  saak  als  voorwerp.  Iet  — ,  iets 
afstooten^  toegstooten^  nederstooten.  \\  Den  saerc 
stac  hi  boven  of  metten  voeten,  Sp.  IV»,  54,  96. 
Also  reet  hi  daer  tien  tiden  op  genen  scilt  die 
daer  hinc,  ende  staken  ave  na  dese  dinc,  Yelth. 
III,  28,  52. 

4)  Verstoofen^   verdrijven^  verwijderen^  verjagen, 
II  Alse   hem  Fokas  dat  tempel  gaf,   stac  hi  met 

heiligen  worden  af  alle  die  dnvele  van  dier  stede , 
üp.  III',  69,  69.  Entie  baillia  wanedse  vervaren 
ende  oec  afsteken  van  den  haren,  ende  hiet  dat 
mense  sonde  vaen,  III',  46,  41.  Maer  Damaes 
hadde  die  meeste  pertie ,  die  den  anderen  afstaken, 
II*,  46,  9.  De  beste  gheboerne  van  den  lande  .  . 
de  stac  hi  of  al  ghemene,  ende  wilde  wesen  raet 
allene,  Stoke  VI,  879-84.  Van  quaet  achterspraken 
in  der  stat  ende  van  afsteken  des  volcs,  tts.  v. 
1423,  270*  {Jes.  Sgr.  42).  —  Ook  met  eene  bep. 
met  van.  ||  Die  ghespeent  is  vander  melc  ende  afghe- 
steken  vanden  borsten,  D.  B.  Jeaaia  28,  9.  Elc 
pijnt  den  andren  te  steken  of  van  sijnre  ere  ende 
stemmen ,  Rein.  II ,  7686.  —  I  e  t  — ,  m'/'*  wegstooten, 
van  zich  doen.  \\  Dat  eiken  bisscop  betamen  mochte 
helich  te  sine,  simpel  ende  vroet,..  al  afgheste- 
ken  die  weerlichede,  Amand  II,  6067. 

5)  Met  een  persoon  in  den  3den  nv.  Enen 
iet  — ,  iets  van  iemand  wegnemen^  het  hem  ontne- 
men^ afnemen.  \\  Oec  maect  si  menigen  makelare, 
die  beide  heren  ende  vrouwen  hare  goet  afsteken 
met  ontrouwen.  Rosé  192.  Dese  eere  ende  desen 
lof  stac  mi  uwe  aermoede  of,   Sp.  IV» ,  51 ,  29. 

6)  Afnemen^  afzetten^  fl/ofo^fn ,  van  hoofddeksels , 
inzonderheid  uit  beleefdheid  of  eerbied.  ||  Mijn 
here  Walewein  stac  af  daer  sinen  helm  ende  alle 
dandre  naer,  ende  ondercust«ïn  hen  int  sceden, 
Lanc.  II,  2911.  Ende  hi  stac  sinen  helm  af  ende 
ginc  met  hen  sitten  ter  vart,  II,  3556.  Si  sta- 
ken alle  hare  helme  of  ende  namen  elc  an  an- 
dren orlof,  II,  29014.  Den  helm  — ,  Lanc.  II, 
10135,  IFal.  2369,  10115.  Sinen  caproen  — , 
de  muts  afnemen,  Wap.  Mart.  II,  46,  OVl.  Lied. 
e.  Ged.  272,  1146;  352,  1098;  360,  1330.  Du 
moets  caproen  ende  hoet  afsteken,  Bouc  v.  Sed. 
264.  —  Enen  orse  den  breide]  — ,  afdf)en^ 
Wal.   513G.  —  Sijn   broec  — ,  zijn  broek  af  strij- 


ken. II  Marcel  f us  . .  hadde  sijn  broeck  ofghestekea , 
so  datmen  al  sijn  lelicheit  sien  mocht«,  Sal.  e% 
Mare.  52.  Dat  deselve  Jacob  ziin  brouc  afstac  eode 
toeghde  .  .  Joose  Scevael  sinen  een ,  Cannaert  99 
{a.  1435). 

7)  Met  een  persoon  in  den  3den  nv.  en  eei 
lichaamsdeel  als  voorwerp.  Enen  die  kele  (die 
storte,  thersenbecken)  — ,  iemand  de  keel^ 
de  strot,  de  hersenpan  afsteken,  hem  dooden  door 
het  doorsteken  of  afsteken  dier  lichaamsdeelen.  \\ 
Ende  stac  hem  . .  .  . ,  thersenbecken  af,  Ysi.  BI. 
3741.  So  sal  ie  my  selven  de  kele  afsteken  mat 
spijt.  Mar.  v.  Nijm.  18,  416.  Hy  veldeae  met 
sinen  stave  ende  stac  hemlieden  de  stortte  af,  Crom. 
V.  Vlaend.  1 ,  162.  Van  dien  van  der  Slans  was 
hy  doot  ghesleghet  ende  stortte  afgesteeken,  2, 
89.  Vgl.  Akstkcke>. 

8)  Van  schepen.  Afsteken,  van  den  wal  verwij- 
deren, doen  afvaren.  \  Tierst  dat  mens  hem  oerlof 
gaf   staken    sy    haer  scepe   af,   Troyen  f.  231^. 

9)  Van  wijn  of  b'er.  Aftappen.  —  Spreek v. 
Die  vele  kennesse  het  ft ,  dooght  veel  afetekens  ^ 
moet  veel  tappen,  Sprmken  109.  Verg.  Ned.  Wdh. 
op  Aksteken,  bedr.  I,  A,  2,  *). 

10)  Van  wol.  Afschepen,  scheren.  \\  Wie  binnen 
Leyden  Enghelsche  wole  ofsteken  of  reeden  wil. 
Leid.  Keurb.  67,  5.  Dal  hi  ander  wolle  ofjgheste- 
ken  of  ghereet  hadde,  >8,  7.  Alle  dieghene,  die 
binnen  Leyden  drapeniiren  jof  ofsteken  wolle, 
die  totten  Enghelschen  stapel  behoirt,  68,  8. 
Wair  dat  sake,  dat  enich drapeniere  enichjoncwff 
wonne  in  dachhuyeren  tsy)  of  te  steken,  wolle  te 
verscieten  of  te  noppen,  102,  128.  —  Met  ver- 
wisseling van  object,  van  de  huiden  of  Tellen. 
Van  de  wol  ontdoen,  scheien.  ||  Item  so  sel  die 
rechter.,  anspreken  alle  dü  ghene,  die  Scotsche 
veile  .  .  ofsteken,  ende  seg^hen  hem  an,  dat  si 
hoir  wolle  vercoft  hebben  lide,  die  Enghelsche 
wolle  drapenieren.  Leid.  Ketrb.  69,  10.  Item  ca 
moet  niement  binnen  Leyden  brenghen  noch  off- 
steken  Scotse  veile,  521,  11.  Vie  binnen  Lfejdea 
eenighe  Enghelsche  veile  offsttjct,  dair  hi  Toir- 
woUe  off  vercopen  wil,  522,  11,  2.  Zie  nog  623, 
14;  524,  15;  K.  en  O.  v.  Delft204,  3. 

AFSTEKERE  (aksteker),  znr.  m.;  vr.  aksteec- 
STEll.  De  arbeider  of  arbeidster  wier  werk  kei  is 
de  wol  te  scheren.  Verg.  Afsteien  10).  ||  Item  so 
en  sel  niement,  die  in  dachhieren  werken,  als 
ofsteecsters  ende  verwersknapei  noch  kemsters 
drapenieren.  Leid.  Keurb.  82,  5i.  Item  so  en  sel 
gheen  joncwijf,  die  in  dachhu^ren  werct,  laken 
moeten  reyden ,  tsye  stic  of  hei  laken ,  die  kem- 
ster  is  of  nopster  of  ofsteecsterende  wolverscict- 
ster,  102,  128.  Noch  ghien  offÉeker  en  sal  pnic 
laken  reeden,  522,  11.  Wair  dt  sake  dat  enick 
ofstecster  pnic  worpe  jof  maect  om  loen  of  om 
gunst,  die  verboerde  een  jair  de  stede,  ssld.  3. 
Drapenyere  noch  ofsteker  noch  ymant  anders ,  IL 
V.  Utr.  1,241,  133.  Enich  wyeste  off  ofsteker ,  die 
hem  besceden  (/.  besteden)  te  weken  daer  sy  njct 
en  quamen,  242,  11. 

AFSÏECKEN  (AFSTICKEN) ,  zw.  ww.  bedr. 
Intensief  van  afsteken,  met  dezcfde  bett.  ||  Toi 
kanten  vanden  ryvieren  salmen  hoy  afstecken , 
Hs.  V.  1423,  268r.  Dat  men  enetman  afstiet  die 
kele  int  wout  of  mort  om  syn  jhelt ,  ü.  Boei. 
1817.  (Ui)  dede  hem  afsticken  . .  dtdicke  Tleesch, 
tes  hi  sach  dat  calu  been,  Segh.  1708. 

AFSTEL,  -stelle,  znw.  onz.  Blemwterin^^  ver- 
hindering, waardoor  eene  htmdeMn^  afgesteld .^d.i. 
belet   of   onmogelijk   gemaakt   wolt.   Verg.    onze 


in 


AFST. 


AFST. 


278 


legswijze  Van  uitstel  komt  a/stel.  ||  Waert  dat 
lenich  poorter  .  .  .  eenigen  vrijlaet  ...  in  zine 
-oopmanscepe ,  ambacht  of  neeringe  .  .  eenich  belet 
if  ofstel  dade,  ZFl.  Bijdr,  4,  72  («.1389).  Verg. 
iet  volgende  art. 

AFSTELLEN  (verL  deelw.  gettelt  of  gestalt) , 
;w.  WW.  bedr.  Mnd.  afstellen, 

1)  Met  eene  zaak  als  voorwerp. 

a)  Iet  — ,  iets  van  zich  afzetten ,  het  als  V  ware 
'an  zich  verwijderen,  \\  Affstellende  van  onsen  herten 
ille  achterdencken  ind  onwille,  Nijh.  5,  147  (n. 
481). 

b)  Van  handelingen ,  overeenkomsten,  instellingen, 
metten,  gebmiken  enz.  Afschaffen^  doen  ophouden ,, 
e  niet  doen,  \\  Yoirt  soelen  alle  voirverbontenisse , 

.  dragende  tegen  ons,  onse  lant  off  tegen  dit 
erbont,  genslich  affgestalt,  doet  ende  van  egeenre 
rerden  sijn,  Nfjh.  4,  181  (a.  1441).  Met  desen 
s  die  vergaderinge  der  menschen  afghestelt  ghe- 
reest,  Exc,  Cron.  ISlb.  Dat  si  snlke  qnade  abasen 
nde  gewoonten  afstellen  wilden,  201c.  Int  op- 
tellen van  denselven  exchijs  is  de  gemeene  poor- 
eren  toegeseyt  .  . ,  dat  men  die  mitten  eersten 
reder  afstellen  sonde,  Inform.  168.  Andere  ex- 
hijsen  .  . ,  die  zy  afgestelt  hebben ,  237.  Zie  nog 
ld.  323,  460. 

c)  Iets  afdoen^  doen  eindigen^  doen  ophouden^  meestal 
gezegd  van  gepleegd  onrecht  of  wettige  redenen 
an  beklag,  waaraan  een  einde  wordt  gemaakt  door 
;oed  recht  te  doen.  ||  Also  verre  alst  nytter  selver 
tat  vervolgh  van  stonden  an  nyet  affgestalt  en 
vurde.  —  Ter  tgt  toe  snllix  affgestalt  ind  den 
ileger  verricht  sy.  —  Off  hierin  tot  enniger  tijt 
^breck   geviele  .  .   ind   syne  gnaden  dat  terstont 

.  nyet  aff  en  dede  stellen  .  .  dat  wy  asdan  sijnre 
piaden  in  g^nen  dienste  .  .  to  willen  wesen  en 
uilen,  syne  gnaden  en  hedde  dat  yrst  affgestalt, 
nd  den  kleger  van  synen  schade  verricht,  Njjh.  4. 
t48  vlg.  (a,  1471).  Affgestalt  ende  verricht  (van 
en  onrecht),  d.  i,  afgedaan  en  hersteld,  6,  lhhis\ 
}ewelt  afstellen  en  straffen,  Oedenkst.  2,  236. 
Xvergrepen  af  te  stellen  ende  te  repareren,  236,  enz. 

2)  Met  een  persoon  als  voorwerp.  Iemand  (uit 
en  ambt,  eene  betrekking  of  bediening)  ontslaan. 
Terg,  Afdoen  II,  1).  ||  Datallejare,indiefee8te 
an  Dertyendach,  sesse  van  deil  voerseiden  raets- 
nyden ,  die  by  twee  jaren  dat  officie  der  raetslnyden 
^hehalden  hebben ,  sullen  werden  afgesteld ,  te 
reten :  dry  van  den  ledigen  borgeren  ende  dry  van 
[en  anderen  ambachslnyden ,  ende  in  die  plaetse 
Ier  geenre  die  afgestelt  sijn  sesse  andere  derge- 
yker,  by  ons  oft  onsen  scoutiten  .  .  sullen  aenge- 
at  werden ,  Oew.  v.  St.  Trugen  §  16.  Dat  hi  binnen 
enen  jare  daemaer  geenen  leercnape  nemen  en  zal, 
ip  de  boete  van  3  fB  p&i*.,  ende  die  leercnape 
fgestelt,  ZVl,  Bijdr.  6,  162  («.  1441).  —  Ook  in 
.e  nitdr.  af-  ende  aenstellen  (Ygl.  aendoen 
:).  II  Dat  men  die  voorseide  vier  personen  verma- 
len ende  vernieuwen,  of  ende  aenstellen  sal, 
landv.  V.  Enkh,  AAa. 

3)  Af  zetten,  berooven,  plunder  en.  ||  Quaden  bonven 
. . ,  die  den  goeden  lieden  (dat.)  berooven  ende 
fstisUen,  Invent.  r.  Brugge  6,  351. 

AFSTELLINGE ,  znw.  vr.  Het  doen  ophouden  of 
indigen.  Verg.  Afstellen  1).  ||  Nyet  te  willen 
:ehengen  .  .  dat  yemant  voir  by  den  Tolhuyse  to 
iObede  vnrscr.  enich  guet  vuer  off  doe  vuren,  .  . 
is  tot  affstellinge  sulcker  ongenaden ,  Nijh.  5, 
16  {a,  1479). 

AFSTERVEN  {star f,  staerf  of  sterf,  stierf  \ 
torven]  gestorven).  Mnd.  afsterven. 


1)  Met  den  3den  nv.  des  persoons.  Enen  — , 
heat  door  den  dood  ontnomen  worden ,  hem  afsterven , 
de  hedendaagsche  beteek enis.  ||  Weert  dat  enen 
manne  sijn  wij  ff  afstorve,  Overijs,  Recht  1*,  102. 
So  dat  hem  in  corter  wile  vele  volx  afstierf,  Matth. 
Anal,  3,  351.  Hem  storven  of  doe  ter  tyt  veel 
goeder  heerlicker  mannen,  403.  Of  hem  altemael 
dat  hem  aengaet  ofghestorven  waer,  Con,Som.2^b. 
Enen  goeden  prelaet  .  . ,  die  ons  afstervet ,  Bienb. 
31r.  —  Ook  met  een  zakelijk  subj.  Boor  den  dood 
ophottden  iemands  bezit  of  ook  negatief  bezit  (schuld) 
te  zijn.  II  So  wanneer  een  bed  gheschoert  is  ende 
man  of  wijf  daerof  te  live  blijft ,  ende  dan  tot  haren 
onwil  blijft  zitten  int  gheheel  goet  ende  dan  die 
schuldenaers  (=.schuldeischers) . . ,  willen  die  gheheel 
schuit  an  haer  winnen  . . . ,  so  mach  dat  wijf  zeggen , 
datsi  schiftinge  ende  deilinge  altoes  doen  wil,  als 
ment  begheert,  ende  daermede  sal  si  quijt  wezen  ^ 
want  haer  die  een  helft  offghestorven  is,  O.  R.  v^ 
Dordr.  1 ,  224,  51. 

2)  Met  den  3den  nv.  der  zaak.  Sire  menscheit  — , 
ophouden  te  leven  naar  den  mensch,  ||  Ten  heilighen 
grave,  dair  God  sijn  menscheit  starf  ave,  C'/io^A^  48. 

AFSTERVINGE ,  znw.  vr.  Het  afsterven ,  versterf 
dood.  II  300  Rh.  gl.  tsjaers  losrenten  . .  die  alsnu 
gecommen  z^jn  npte  224}  £,  voors.  by  ofstervinge 
van  den  pensionarissen,  Inform.  145. 

AFSTICKEN.  Zie  afstecken. 

AFSTORMEN,  zw.  ww.  bedr.  Door  stormloopen 
winnen,  machtig  worden,  door  bestorming  overmees- 
teren. II  Heer  Gysbrecht  (quam)  .  .  voer  Snoyen 
toem  te  Geyne ,  die  also  vast  was ,  datmen  sonder 
werck  niet  ofstormen  en  mochte ,  Matth.  Anal,  3, 249. 

AFSTORTEN  (afsturten),  zw.  ww.  bedr.  en 
onz.  In  de  hedendaagsche  beteekenis,  maar  in 
ruimere  toepassing. 

Bedr.  Afwerpen,  nederleggen,  van  eene  wapen- 
rusting. II  David,  die  snel  was  ende  rasch,  enten 
wapenen  niene  conde,  sturtese  af  al  daer  ter  stonde, 
lUjmb,  9226  (in  den  tekst;  Sturte  hise,  in  de  var. 
sturtedse  af), 

Onz.  Afstorten,  afvallen,  ||  Ende  sach  doen 
dat  sijn  heere . .  van  den  orsse  storie  ave,  Heelu  5620. 

AFSTRIKEN  (streec ,  streken ,  gestreken) ,  st.  ww. 
onz.  en  bedr. 

Onz.  —  Met  den  3den  nv.  en  een  persoonlijk 
subject.  Van  iemand  van  daan  gaan,  zich  heimelijk 
van  hem  verwijderen ,  hem  in  V  geheim  verlaten. 
Vgl.  STRIKEN.  II  Mits . .  alle  zyn  knechten  hem 
afgegaen  zyn . .  ende  daegelix  afstrycken  by  ge- 
breke van  betalingen,  Qedenkst,  3,  30. 

Bedr.  —  1)  Af  strijken,  door  strijken  wegnemen, 

II    Dan  nemt  die  scorsse  ute  ende  strijct  dat  water 

of,  ende  op  dat  ghi  der  ofstrQct,  daer   mede  be- 

striket  dat  seer,  Jan  Yp.  174.  Strijct  of  dat  vette 

met  uwe  vingeren,  ald. 

2)  Den  hoet  of  den  caproen  — ,  den  hoed 
of  de  muts  afnemen,  uit  eerbied  of  beleefdheid. 
(Verg.  Afsteken  5).  ||  Ende  wille  striken  af 
minen  caproen ,  Wap.  Mart.  Il ,  46.  Miltheit  doet 
haren  man  wiken^  hoet  ende  caproen  ofstriken', 
Up,  III,  23,  179. 

AFSTUVEN  (stoof,  stoven,  gestoven),  st.  ww. 
onz.  Met  eene  snelle  beweging  van  iets  afgescheiden 
worden ,  af  vliegen ;  van  een  hoofd  gezegd ,  dat 
door  een  z  waren  slag  van  den  romp  af  vliegt.  Verg. 
Afvaren.  ||  Ende  sloech  enen  anderen  doe  rechte 
ten  scouderen  boven,  dat  hem  thooft  af  quam 
gestoven,  Grimb.  II,  2205. 

AFSWEREN  (swoer ,  swoeren ,  gesworen) ,  oureg. 
st.  WW.  bedr.  Mnd.  afsweren. 


279 


AFSW. 


AFTE. 


280 


1)  Iet  — ,  het  ajzwei'eyty  onder  e  ede  er  afstand 
van  dven^  bij  aitbreiding ,  afschaffen.  \\  Al  galt 
zoe  lettel  hier  te  voren ,  de  coMtame  es  ofghezwo- 
ren,  Praet  2112. 

2)  Hemselven  — ,  ond^r  aflefjtjing  van  den 
gevorderden  eed  zijn  ambt  neder  leggen  ^  zijn  ontslag 
nemen.  \\  Wanneer  dattet  gevallet  datter  eenich 
hieniraet  van  Schielant  aflyvich  wort  ofhimselven 
offsweert ,  soo  sullen  onse  hiemraet  voors.  enen 
anderen  kiesen  by  hoeren  eede ; . .  ende  wie  hem  sel- 
ven  offsweeren  sal ,  dat  sal  hy  doen  voor  vier  hiera- 
raden  van  Schielant,  Mieris  3,  509^  {a.  1390). 

AFSWOEN,  znw.  m.  Uit keering  van  goed  ^  schade- 
loosstelling ^  van  afswoenen^  vgl.  afsoknkn.  ||  Neme 
de  ene  van  den  tweyn  liiftucht  van  den  godc  tot  of- 
swone,  so  wisewi  dat  voereyn  recht,  R.  v.  Zutf.  72,  H2. 

AFSWOENEN,  zw.  ww.  onz.  Van  Swoene{z\Q  ald.), 
hetzelfde  als  Soene,  zoen,  verzoening.  Verg.  aksok- 
^'KN  en  mnd.  afswoeninge.  Eenen  zoen  aangaan^  zich 
verzoenen^  om  daarmede  de  zaak  af  te  maken.  \\  Dat 
ich  niet  aflfzwoenen  norh  vreden  en  sall ,  der  wile  dat 
desen  vurgen.  vede  duerd,  Nijh.  4,  122  (a.  1435). 
Die  een  van  ons  en  sall  buten  den  anderen  nyet 
bestanden,  vreden  noch  affzwoenen,  6,  83  [a,  1477). 

AFT,  ACHT,  -/<?,  buw.,  Friesche  (ook  We.stfriesche) 
vorm  van  Echt  (zie  ald.),  d.  i.  wettig^  rechtmatig. 
Oud-friesch  aft  (Richth.  589)  ,  nfri.  aft  (Hal- 
berstma  13),  hd.  ücht .^  echt.,  mhd.  êhaft^  rand. 
echt^  ons  echt\  vgl.  ook  os.  eft  (bijw.)  =  mnl. 
echt.  Aft  komt  voor  in  Westfriesche  oorkonden 
in  de  bet.  rechtmatig ^  wettig^  lat.  legitiinns.  \\ 
Waert  dat  ie  woerden  voer  hem  sprake,  die  hem 
nut  ende  goet  waren  ende  hij  daeran  lijde,  ende 
die  (d.  i.  dat  die)  afte  ende  stade  bleven.  Dingt. 
V.  Amst.  9.  —  Vooral  in  de  uitdrukkingen  Afte 
dach;  Afte  stoel,  ook  Aftendach  en  Aften- 
stoel  geschreven,  en  Afte  clage.  —  Afte 
dach,  Aftendach,  wettige  rechtsdag ,  de  wettige 
dag ,  de  dag  bij  de  wet  bepaald  of  door  de  gewoonte 
vastgesteld ,  hetzij  voor  de  rechtspraak ,  hetzij 
voor  elke  andere  gerechtelijke  of  wettelijke  han- 
deling, als  b.  V.  de  dijkschonw.  Friesch  ajte- 
thing  y  placita  legitima.  ||  Alsoo  verre  als  hy  niet 
mit  aften  dagen  gedaegt  heeft,  Mieris  2,  723a 
{a.  1346) ,  in  de  uitg.  verkeerdelijk  asten.  —  Indien 
hi  verwonnen  wort  mit  aften  dagen,  soe  sel  men 
panden  aen  sijn  lijff,  ^Keuren  van  Hoorn ^  van  1429, 
§  81.  Heer  rechter,  ghy  waert  Evert  Oudcrsz. 
een  aftedach  van  recht,  Westfr.  Dingt.  12,  vgl.  3. 
Voirt  van  enighe  scoude  die  yement  den  anderen 
verliet  of  dair  hi  of  verwonnen  wort  mit  aften 
daghe  up  die  dinghdach  voirscr. ,  die  sel  men 
betalen  binnen  14  daghe  dair  nae ,  Leid.  Kenrb. 
83 ,  6.  Die  niet  voirt  en  quame  tot  sineu  derden 
aften  daghe  na  dien  dat  hi  anghesproken  worde 
van  den  rechter,  95,  83.  Ende  als  die  zevenen 
op  horen  rechten  aften  dach,  als  him  die  rechter 
mit  rechte  geleit  hedde,  horen  tuuch doen  zouden, 
so  en  quam  Symon  van  Zaenden  niet  te  werve, 
ende  versumede  sinen  aften  dach,  Mieris  3,  389ó 
(a.  1382).  Item,  soe  en  sullen  die  schouten  geen 
tuych  leggen  op  dijeken  noch  op  dammen  of  op 
wegen ,  si  en  sullen  eerst  kennen  mit  twe  schepenen 
of  mit  meer,  dat  si  mit  rechte  opten  eersten  dach 
onder  banne  gecomen  sijn  op  hoeren  afften  dach, 
4,  5643  {a.  1421).  Als  die  schout  op  die  dijck 
compt  daer  hy  schouwen  wil,  soo  sal  die  schout 
een  vonnis  vragen,  ofte  het  synen  rechten  dag 
is  ende  synen  aften  dag  is ,  dat  hy  daer  op  schou- 
wen mach ,  dan  en  mach.  —  Soo  wysen  schepenen  , 
dattet    synen   rechten    ende    aften   dag  is,  dat  hy 


daer  wel  op  schouwen  mach,  Wvidc.  v.  WeU*^rUuki , 
lïs.  f.V2(}  r.  {Dingt.  v.  l^aterl.'S^,,  vgl.  16).  fleer 
Schout,  ghy  waert  mijn,  dat  ghy  nign  een  dack 
van  eygeainge  geleyt  hebt,  eude  dattet  boydea 
mijn  aften  dach  is ,  Dingt.  v.  Wai€ri.  16.  — 
Afte  clage,  wettige  aanklacht.  \\  (Of)  hj  mit 
dier  kennisse  van  rechter  ende  van  scepenen  cU- 
ghen  mach  een  stade  claghe  ende  een  afte 
claghe.  Dingt.  v.  Amst.  6  (2  maal)  en  22  (2  maal;. 
Waert  ghij  desen  A,  dattet  huden  is  xgn  afte 
dach  eude  zijn  gheleide  dach  te  daghen  u  zgnea 
doden  broeder?  Dingt.  v.  Amst.  10.  Up  sijn  rechte 
afte  daghen  ,  ald.  23.  —  De  bnw.  aft  en  reckt  werda 
ook  reeds  in  't  Oudfriesch  verbonden ;  „  alle  aft€ 
thing  and  alle  riuchte  thing,"  Richth.  t.  a.  pi.; 
zoo  ook  echt  en  recht  in  't  mnd. ;  vgl.  Lubben  1 ,  6üL 
—  Afte  stoel,  Aftenstoel,  de  wettige  reckter- 
stoel.  II  Heer  rechter . . ,  ghy  sijt  sculdich  morgen  . . 
den  dinghen  . .  te  bannen ,  den  aftenstoel  te  besitta 
ende  hem  daer  te  rechten,  Westfr.  Ding  f.  7.  Dil 
ick  den  dinghen  bannen  mach,  die  aftenstoel  be- 
sitten  mach,  houder  ende  clagher  rechten  raack 
ende  mijn  Heer  sijn  boeten  winnen  mach  ,  sild.  8, 
zoo  ook  5.  —  Nog  gebezigd  door  Lams,  bl.  451 
AFTEBREKEN  {.tebrac,  tebraken,  /ebroJtei») ,  »i. 
WW.  bedr.  HetzellUe  als  Afbrkken  (bedr.):  xie 
ald.  en  verg.  Tkhrkkkn  en  Uuttebrkken.  De 
samenstelling  aftebreken  luidt  alsof  men  in  't 
lloogd.  abzerbrechen  zeide. 

1)  Af  breken  y  in  den  gewonen  zin.  ||  Bi  wette.. 
so  waren  hem  die  cuien  aftebroken,  Sp.  II*,  55, 
23.  Entie  brucge  was  aftebroken,  Velth.  II,  51 
69  (Heelu  3535).  Daer  plach  een  capella  te  staea. 
mer  si  is  oftebroken,  Mandev.  16a.  Ker  twe  oA 
drye  hueren  daer  naer  sone  stontter  niet  eenci 
steen,  want  het  was  al  aftebroken  ende  weck, 
('ron.  V.   Vlaend.  2,  157. 

2)  Afbreken   (in  't  schrijven),  ophouden^    stabe%. 
II  Hier  dinct  mi  best  aftebroken,  Sp.    I*  ,    10,33. 

3)  Doen  ophouden  ^  opheffen.  \\  Dat  eigijndoea 
was    hem  gequijt  ende  aftebroken,  Sp.  !•,  51 ,  7. 

4)  Met  den  3den  nv.  des  persoons.  Enen  iet 
— ,  iemand  iets  {niet  geweld  of  Ust)  afnetmen^  oni- 
rooven.  \\  Die  steden,  die  met  genende  hem  die 
Tuerken  af  hadden  tebroken,  ^.  IV»,  8,  6<X 
Dat  hi  sint  e  Petere  wedergave,  dat  hi  hem  hadde 
tebroken  ave,  Brab.  Y.  II,  713  en  738  {Sp.  III-, 
82,  60).  Steden  ende  lant,  die  hare  aftebroken 
waren,  Sp.  III*,  84,  25.  Alse  hem  af  worden  te- 
broken hare  ceptren,  I*,  20,  44.  Al  sijn  recht.., 
dat  hem  was  tebroken  af,  Lsp.  II,  48,  1155.  llaor 
lant  voeren  si  verherghen,  so  dat  hem  al  of  wc«t 
tebroken ,  Stoke  II ,  232.  Dat  hi  den  Romeinei 
wedergaf  dat  hi  hen  hadde  tebroken  af,  3rak.  7. 
1 ,  1392.  Dijn  steert  {nasleep ,  gevolg)  es  u  aftebro- 
ken. Ziele  en  L.  21. 

AFTELLEN,  zw.  ww.  bedr.  Zie  Tellen.  Mhd. 
abezellen.  Door  tellen  van  iets  toegnemen^  bij  uit- 
breiding uitsluiten  y  buiten  rekening  laten.  \\  Mi 
dunct  dat  alle  herten  vellen  edelheit  ende  aTetellen. 
ende    en    volgen    niet   der  eren,   Vierde  Mevrt.  387. 

AFTENDACH,  Aftenstoel.  Zie  bij  Aft. 

AFTER,  voorz.  en  bijw. ,  met  de  samenstellingen. 
Zie  Achter  enz. ')  —  Bij  Achter,  bijw.  1).  ||  Dat 


•)  Enkele  toevoegselen  aan  Achter  en  zijne 
samenstellingen,  geput  uit  boeken  en  hss. ,  eerst 
na  het  afdrukken  der  eerste  vellen  gelezen,  aS. 
gevonden  in  de  collectie  van  De  Vries ,  znllen  hier 
eene    l)etere   plaats  vinden  dan  in  het  supplement 


281 


AFTE. 


AFTE. 


282 


ichter  dat  vooren,  het  achterste  voren ^  in  den 
sin  van  het  onderste  boven  ^  waarvoor  in  *t  innl. 
B^ebmikeiyk  is  de  op  dezelfde  ¥rijze  gevormde  uit- 
Irnkking  dat  up  dat  neder.  Zie  neder.  || 
stelde  ie  niet  Jobs  huns  dat  vooren  dat  achtere, 
laer  zyn  kynders  in  bleven?  ZVl.  Bijdr.  5,  319, 
L59.  — Bij  Achter,  bijw.3).  (|  Tafter  sijn,  van 
tchuldeischers :  nog  gelden  te  vorderen  hebben.  (Wij 
souden  deze  nitdr.  eer  van  de  schaldenaars 
gebruiken).  ||  Nochtans  worden  die  luden,  die 
laeran  taffter  sijn  vander  hayshaeren  off  anderen 
ichulden,  sommels  gewaer,  .  .  .  dat  sy  op  hacr 
•eyse  ende  vlucht  leggen ,  O,  R.  v.  Dordr.  1 , 
120.  Daer  mach  een  man,  die  daeraen  tafter  is, 
recht  aen  gheren  aen  huse,  aen  erve,  215,  22. 
—  Tafter  (tachter)  rekenen,  te  weinig  be- 
'uilen^  tafter  (tachter)  bliven,  nog  schuldig 
blijven.  II  So  rekende  Pieter  up  minen  here  Florens 
tachter  van  den  selven  3  se.  van  den  mete  .  . 
[tem  soe  blivet  Pieter  tachter  voer  tfoerseyde 
imbocht  van  108  m. ,  ...  16  ©,  Rek.  v.  Zeel. 
2,  29.  —  Bij  Achter,  bijw.  5).  ||  Dat  deel  van 
lesen  dage  dat  noch  after  is,  ende  een  deel  des 
;oecomenden  nachtes,  Bern.  W.  46(7  (niet  37).  Wij 
noeten  oec  mede  wat  seggen  daer  van  datter  oec 
loch  achter  (=  over^  is,  94i.  —  Eerende(no)after 
achter)  en  after  ende  voren,  voor  en  {noch) 
Mj  altijd y  bij  alle  gelegenheden^  en  nooit.  ||  Bewerd 
tiaren  lachter  daer  gi  moget  eer  ende  achter ,  Lanc. 
II ,  43473.  Dat  rumoer  datter  ludet  after  ende  voir, 
MLoep  III ,  647  (of  plaatselijk  op  te  vatten  in  den 
sin  van  aan  alle  kanten  ?  Beide  verklaringen  geven 
ien  gezonden  zin).  Dat  toende  hi  achter  ende  voren 
n  swaren  verwoedden  seden,  Sp.  II*,  66,  44.  Vgl. 
Segh.  3119. 

AFTERBILLEN  (achterbillen)  ,  hetzelfde  als 
nllen,  Graff,  IHutUea  2,  224. 

AFTERDORE,zw.  vr.,  Achterdeur.  \\  Diejongelinc 
^inc  des  morgens  vro  wech  die  afterdore  uut, 
^even   W.  25r. 

AF-TEREN,  zw.  ww.  bedr.  Zie  Teren.  Hd. 
ibzehren.  Afleren^  afeten^wegvreten.  \\  Quaetsprekers, 
lie  in  haren  done  afteren  ende  verbiten  tgrone, 
^at.  BI.  VII,  377  var.  Dat  de  ghezellen  van 
>orloghen  .  .  den  zelven  vele  rudicheden  ghedaen 
lebben  ende  afgheteert  .  .  .  alle  huerlieder  vitaille 
lis  dat  zy  lettel  of  niet  behouden  en  connen, 
Invent.  v.  Bntgge  6,  369. 

AFTERHALEN  (achterhalen).  Bij  2).  ||  Dat 
ly  dair  off  achterhaelt  es  tfait  doende ,  Wiel.  Instr. 
)6,  102.  Achterhaelt  van  valschen  eede,  104,204. 
Tan  moorde,  van  straetroove,  van  vele  dieften, 
mz.  Zie  ald.  h\.  206. 

AFTERHEIT ,  (tachterheit),  Fad.  Mus.  3 , 
J69  in  den  zin  van  achterstand.  \\  Voor  bruecken 
mde  andere  tachterheyt,  die  hy  der  gulden  sculdich 

AFTERHOUDEN  (achterhouden)  alsintr.  Vgl. 
Limb.  XII,  508  Var.  Halt  achter  ind  siet  tzü, 
irar  man  strijt  ind  wie. 

AFTERHOÜW  (achterhouw),  znw.  m.  £en 
7an  achteren  toegebrachte  houw.  \\  Menesthus  .  . 
iette  hem  daer  tegens  ende  sloech  hem  doe  met 
ïenen  achterhouwe,  dat  hi  neder  storte,  Troyen 
Vb.  '11b. 

AFTERJAGEN  (achterjaoen),  ook  iS/>.Il«,8, 
51.  Deen  jagede  achter,  dander  jagede  "^ovi ^  f ugabat 
ilius  et  alius  fugabatur. 

AFTERLIGGEN  (Achterligcen),  st.  ww.  bedr. 
V^an  schepen  gezegd :  de  achterhoede  doen ,  achteraf 
liggen  y  om  den  toegang  ofdoortocht  af  te  snijden.  || 


Van    den   galeyden    quam   dese    bate,   de   somme 
achterlagen  doe,  Stoke  X,  58. 

AFTERNA  (Achterna),  ook  als  voorz.  in  den. 
zin  van  achten' ,  lat.  pone.  ||  Sathanas  ,  ganc  achterna 
mi,  Hs.  Evang.^  Mare.  8,  33. 

AFTERNAER  (Achternaer)  ,  bijw.  Later, 
daarna.  \\  So  wie  .  .  yet  ontfaet  of  neemt  om  te 
bewarene ,  [ende  hyt  achternaer  loochent.  Wiel.  Instr. 
150,  614. 

AFTERSETTEN  (Achtersetten).  Bij  2).  Ook  in 
den  zin  van  terugsluan,  t^erugdrijven.  \\  Doe  quam 
ene  grote  batalie  derwaert  van  der  brucgen,  die 
se  ter  vaert  achtersette,  Merl.  28873. 

AFTERSOEKEN  (Achtersoeken)  ,onr.  zw.  ww. 
bedr.  Eene  verkeerde  vertaling  der  lat.  woorden 
I>.  B.  Jes.  Sgr.  4,  6:  „et  non  relinquas  ^Ma^^»^ó?<« 
tibi  retro  maledicere."  Ook  Hs.  v.  1423,  229<r. 
Achter  moet  als  bijw.  worden  opgevat  in  den  zin 
van  achter  den  rug. 

AFTERSPRAKER  (Achterspraker).  Ook  Hs, 
V.  1423,  183r,  d.  Il  Een  quaet  afterspraker  is  den 
menschen  te  veronwaerden ;  mitten  quaden  after- 
sprakers  en  menghe  di  niet. 

AFTERST  (achterst).  Bij  1).  ||  Die  te  vorst 
was,  hin(e)  beide  segterstes  nit,  Limb.  Serm,  IbSa. 
Vgl.  de  uit  Velth.  aangeh.  plaats.  —  Aen  den 
aftersten  sijn,  het  tegenovergestelde  van  an 
den  voren  sijn  (Zie  Leid.  Kettrb.  Gloss. op  voren). 
de  lijdende  {passieve)  partij  zijn  bij  eene  rechts- 
handeling, de  tegenpartij  zijn  {van  wien  niet  d-e 
rechtshandeling  uitgaaf).  \\  So  mach  dan  die  ander 
brueder  seggen,  die  aen  den  aftersten  is,  dat  hi 
bliven  wil  aen  alle  goeden,  daer  hi  in  bestorven 
is,  O.  R.  V.  Dordr.  1,  215,  23  Var. 

AFTERSUSTER  (Achtersuster),  znw.  vr. , 
schijnt  nergens  voor  te  komen,  doch  zooveel  te 
meer  aftersusterkint,  dat  men  behalve  op  de 
bij  Achtersüsterskint  aangeh.  plaatsen  nog  leest 
Óverijs.  R.  I',  11;  104;  171;  V.  d.  Wall  118,  521, 
542,  593,  617  e.  e. 

AFTERTRECKEN  (Achtertrecken).  By  Bedr. 
1).  II  Treek  aft«r  dijn  voete  van  dijus  naesteu 
huyse,  Hs.  v.  1423,  lS4d  {Proverb.  25,  17). 

AFTERVERTRECKEN  (Achtervertrecken)  , 
st.  WW.  onz.  Achteruittrekken j  terugtrekken.  \\  De 
Pickarde  siende  tfolc  te  hem  waert  comen,  ver- 
trocken  achter  ende  staken  tfier  in  eenen  molene, 
Cron.  V.  Flaend.  2,  155. 

AFTERWAERT  (Achterwaert).   In  de  uitdr. 

Acht  er  waert  denken  (vgl.  Kol.  49  onderaan). 

II   Sijn  vader  reet  altoes  vorwaert  ende  en  dachte 

niet    achterwaert,    denken    om    hetgeen   achter  is. 

Merl.  30133. 

AFTERWENTELEN  (achterwentelen),  zw. 
WW.  bedr.  Hetzelfde  als  achterke^ren  (zie  ald.  bedr. 
1).  Na^ir  achteren  keeren  of  wenden,  afwentelen.  \\ 
Die  ingel  ons  heren  daelde  vanden  hemel  e  ende 
hi  quam  ende  wentelde  achter  den  steen  ende 
satter  op,  Hs.  v.  1348,  129a;  vgl.  129(r:  si  sagheu 
den  steen  ofghewentelt. 

AFTICHT ,  znw.  vr.  ;  mnd  afücht  (ook  af- 
tichten  en  aftichtinge).  Van  af  tien ,  dat  niet 
voorkomt.  ||  Afstand,  hd.  verzicht.  \\  Reyuier 
van  Tetwijc  sel  ofticht  doen  vanden  genen  die. 
daer  uut  siin  geset  ende  voirseyt  staen ,  R.  v.  XJtr. 
1,  270,  2. 

AFTIEN,  ten  onrechte  ook  aftven,  (^i^/ [/"y*?/] ; 
tooch  of  toech,  togen,  getogen),  st.  ww.  onz.  en 
bedr.  Mnd.  aften.  Zie  Tien. 

Onz.  —  1)  Aftrekken,  wegtrekken,  weggaan, 
inzonderheid   van   eene   legermacht  gezegd.  ||  Die 


283 


AFTI. 


AFTO. 


284 


Torseide  heere  van  Gaesbeke  was  afgheioghen  in 
dien  daghe,  om  troest  te  sneken  aen  sUn  niage, 
Brah.  T.  Vl ,  9280.  Ende  voer  wech  sonder  letten 
ten  Louwen  wert  ende  toech  ave,  Limb.  V,  456. 
Ende  van  daer  togen  si  af  te  Gyronville,  Lorr. 
fr.  II,  234.  Doen  togen  die  gene  saen  af  ende 
achterwerd  in  hare  veste,  Yelth.  Y,  12,  40.  Om 
dit  80  es  hi  getogen  af,  lY,  65,  57.  Ende  toech 
ave  met  haesten  herde  groet,  Heeln  2776.  Twi 
si  avetogen,  dies  en  wisti  niet  te  waren,  Lorr. 
I,  1148.  Diere  wille  moet  emmer  ghesciea,  ende 
anders  gheens  sens  avetien,  Limb.  II,  1293. 

2)  Met  eene  laak  in  den  2den  nv.,  of  met  het 
voorz.  van.  Ere  dinc  — ,  zich  aan  iett  onttrek- 
ken^ ziek  er  niet  mede  inlaten^  het  laten  varen  ^  er 
afkeerig  van  zijn.  Yerg.  AcilTERTlEN,  onc.)  en 
ACHTERTRECKEN,  onz).  |(  Die  der  afgode  willen 
aftien  ende  geloeven  in  Jhesum  Christe,  Sp.  II*, 
57,  81.  Dor  haren  wille.,  ben  ie  miere  wet  ave- 
getoghen,  Limb.  XII,  909.  Of  dyn  herte  yet  meer 
ofghetoghen  is  van  al  dien  dat  God  niet  en  is, 
Ned.  Proza  191.  —  Ook  met  weglating  van  den 
2den  nv.,  die  den  schrgver  in  de  pen  bleef,  waar- 
Hchijniyk  wegens  het  aanw.  vnw.  in  den  vorigen 
regel.  II  Ende  die  sal  men  scuwen  altoes,  ende  af- 
tien  met  goeden  staden,  Doet.  II,  2138.  —  Ere 
dinc  afge togen  sijn,  van  iet*  afkeerig  zijn^  er 
mede  in  strijd  zijn.  ||  Ende  dese  versameninge  der 
scriften,  die  der  waerheit  niet  afgetogen  en  siin, 
wil  hi  .  .  sinen  gednchten  here  te  love  scenken, 
Clere   2. 

Bedr.  —  1)  J/trekken,  uittrekken ^  a/doen,  van 
kleederen  of  wapenrusting  gezegd ;  hetzij  aan  zich 
zelven,  hetzij  aan  een  ander  persoon,  die  in  den 
3den  nv.  wordt  uitgedrukt.  ||  Dander  (leeuw)  gegre- 
pene  mettien  tanden ,  ende  togene  Hoe  mettien  scilde , 
dat  hine  aftoech,  wildi  oft  ne  wilde,  Lane.  II, 
25179.  Ende  vingene,  ende  toegen  hem  den  helm 
af  saen,  II,  17420,  verg.  18702.  Hi  sloech  an 
dien  helm  die  hant,  ende  togene  hem  af,  II, 
22002.  Doen  gingen  si  aftien  wapenroc  ende  bra- 
chieren,  Heelu  7286.  Mijn  gewant  wonde  hy  mich 
avetyen,  Serv.  II,  1952;  enz. 

2)  A/trekken,  a/rukken,  inzonderheid  van  de 
huid  of  van  lichaamsdeelen  gezegd.  Met  een  per- 
soon in  den  3den  nv.  ||  In  dien  slinken  arm  hi 
vloech ,  dien  hi  hem  al  avetoech ,  Belg.  Mm.  7 , 
445,  131.  Es  hem  sijn  vel  afghetoghen  ende  an 
ene  want  ghesleghen,  Nat.  iBl.  III,  2322.  Doe  si 
den  vale  in  die  handen  had ,  soe  toech  si  den  hals 
voer  sijn  oghen  of,  Oesta  Éam.  f.  lOQd. 

3)  Met  eene  zaak  als  voorwerp  en  een  persoon 
in  den  3den  nv. 

a)  Enen  iet  — ,  iemand  iets  af  trekken  ^  ontruk' 
ken^  afhandig  maken  ^  ontrooven.  ||  Ende  ginc  alte- 
male  in  hant  watter  was,  borge,  lant,  ende  hevet 
heme  avegetogen,  Lorr.  I,  1511.  Dat  dat  heilige 
rijck  altoes  eeregiert  sonde  wesen  van  den  Duut- 
Hchen . . .  zeder  dat  dat  ryck  der  (/.  den)  Grieken 
ofgetogen  wort  bi  gemenen  rade  der  heyliger 
kerken  ende  des  heyligen  rycx,  Clerc  10. 

b)  Enen  iet  — ,  iemand  iets  onttrekken,  wei- 
geren, opzeggen.  ||    (Twi)  die  drie  staten  des  lants 

sinen   lieven    Heere    ende    broeder   allen 

dienst  ende  ghehoorsaemheit  afghetoghen  hadden 
ende  wederseit,  Brab.  Y.  YII,  12557.  Al  is  dat 
sommige  coningen  ende  vorsten  mit  onbekentheit 
ende  mit  wille  den  heylighen  ryck  hoir  onder- 
danicheit  afgetogen  hebben,  Clrrc  3. 

4)  Iet  — ,  iets  aftrekken,  afnemen  van  eene 
hoeveelheid.  \\  Ende  dat  zy  niet  meer  dan  14  schot- 


ponden eerst  geseyt  en  hebben ,  dat  hebbei  n 
gedaen  omdat  zy  aftoegen  de  reiteu ,  Jm/orm.  68. 
De  wedden  van  den  gaerders  afgetogen,  168. 

5)  Als  reflexief  gebuikt  Hem  aftiei  ere 
dinc  (dat.),  ziek  aan  iets  onttrekken,  ziek  erwt 
mede  inlaten.  Hetzelfde  als  de  bet  onz.  2).  ||  Die 
hem  aftien  den  souden  clein  no  groet,  Belg.  Mn. 
1,  183,  4. 

AFTOGELIJC  (aftogelic),  -like,  biw.  Yn 
Aftien,  aftrekken:  zie  ald.  Afgetrokken,  t  w.  i)s 
grammatische  term ,  letterlgke  vertaling  vai  ektrui 
in  tegenstelling  van  concreet,  tn  van  woorden goegé. 
die  een  begrip  in  het  afgetrokkene  uitdnkkei 
II  Dese  nomina,  al  ist  dat  si  abstractiva  sga,  dii 
is  aftogelic,  si  dienen  onderwilen  voer  dei  ^- 
sonen,  Barthol.  6«. 

APTORNEN,  zw.  ww.  bedr.  In  onze  bet  Tfl. 
Ifed.  Wdb.  op  Aftornen.  Naden  laswuken,  êftf- 
nen.  \\  (Hi)  began  een  sticke  daer  onder  liiarK 
ghevoedert  was,  of  te  tornen,  Ms.  88/.  81^ 

AFTREDEN  (trat ,  traden ,  getreden) ,  st  wv.  flit 
Mnd.  aftreden. 

1)  Weggaan,  heengaan ,  verdwijnen;  overdnclitel|L 
van  gewoonten  of  hoedanigheden  gezegd,  voor» 
onbruik  raken.  ||  Tusschen  der  see  ende  dei  R|i 
es  trouwe  al   afgetreden,  Fad.  Mus.  4  ,  86, 749. 

2)  Met  eene  zaak  in  den  2den  nv.  Des  —  ,^ 
afstand  van  doen.  Verg.  hd.  abtreten  (D.  ÏÏtk.  L 
143).  II  Souden  si  ons  thertoghedom  Toorscreveini 
Lutzenborch  weder  overgheven,  .  .  entie  voogtö 
van  Elzaten  .  .,  ende  des  vertien  ende  aftnda, 
Brab.  Y.  YII,  2559— C4.  —  Ook  reeds  met  e» 
zaak  in  den  4den  en  een  persoon  in  ^ 
3den  nv.  Enen  iet  — ,  aan  ieaumd  iets  afitt», 
verg.  hd.  einem  etwas  abtreten.  Hier  staat  h^  vocrJ 
reeds  op  de  grens  tusschen  intransitief  en  trüfi- 
tief.  II  {Si)  en  selen  die  selve  voorscrevcn  dn* 
slote  niement  innegheven  noch  aftreden  in  gbeeyi 
keere,  Brab.  Y.  VII,  2887. 

AFTRECKEN  {trae,  traken, getreken,  of trodn- 
getrocken ;  en  trert€ ,  getrect) ,  st.  en  zw.  ww.  flit 
en  bedr.  Mnd.  aftrecken.  Zie  Trecken. 

Onz.  —  1)  Aftrekken,  wegtrekken,  ziek  «r- 
wijderen.  \\  Dus  ghevielt  so,  dattie  grave  wedr 
achterwaert  trac  ave,  Stoke  VII,.  1089.  D» 
heren  syn  afgetrect  doe  in  hare  paweiioer, 
mttek.  v.  Sass.  142.  —  Als  znw.  ||  Soe  heeft  fci 
haers  goet  onberen  ende  sijn  aftrecken  ten  be*t«t 
Limb.  I,  1642. 

2)  Zich  onttrekken  (aan  iets) ,  zich  er  niet  ntk 
inlaten,  er  afkeerig  van  zijn.  Met  eene  bepaling n^ 
het  voorz.  van.  Yerg.  Achtertien,  onz.  2),Ach- 
tertrecken,  onz.  3)  en  Aftien,  onz. 2). || AÜa 
dengenen  die  tallen  stonden  aftrecken  van  boefi- 
zonden,  Lanc.  III,  6351.  Ofgetrocken  van  ^ 
souden  seden,  Amand  II,  6063. 

Bedr.  —  1)  Aftrekken,  uittrekken,  afdcen,^- 
doen,  van  kleederen  of  wapenrusting  gezegd;  betq 
aan  zich  zelven,  hetzy  aan  een  ander  persoon, d» 
in  den  3den  nv.  wordt  uitgedrukt  Verg.  Aftiex, 
bedr.  V\.  \\  Want  'alsemense  te  bedde  leet,  a» 
trecket  nem  altegader  af  so  wat  men  hem  teerst» 
angaf,  Sp.  I«,  71,  39.  Ende  trac  af  sine  8C0«<" 
Sp.  III»,  28,  38.  Die  sine  scoen  te  hant  tnc  «• 
III',  50,  15.  Doe  trac  hem  Bohort  den  helm  «, 
Lanc.  II,  17688;  verg.  6969.  Trac  hi  sinen  helm  of 
ter  stede,  Wal.  6547.  —  Ook  in  den  zin  wi 
afdoen,  wegdoen,  wegnemen.  \\  Dattu  mine  «^^ 
niet  afdoen  en  snltste  na  mi ,  noch  dat  gi  mi"** 
uaem  niet  of  en  trect  van  mijns  vader  hny»,  **• 
B.  I  Sam.  24,  22. 


!85 


AFTR. 


AFTU. 


286 


2)  Aftrekken^  afrukken \  van  saken  die  aan  iets 
aders  bevestigd  syn ;  inzonderheid  lichaamsdeelen. 
I  Ende  trac  hem  dien  helm  af  so  fellike,  dat  hi 
em  hadde  wel  nalike  sinen  nese  afgetrect  daer 
lede  ,  Lanc.  II ,  2621 .  Ende  trac  hen  (d£n  tlangen) 
lioft  af  thanden ,  II ,  18763.  Doen  quam  een  nevel, 
iene  {den  vnjnêtok)  stac  ende  dat  bloysel  avetrac , 
'elth.  VI,  7,  41.  Soe  dede  hij  haer  borsten  of- 
recken,  Pats.  W.  48^.  —  Ook  met  een  pers.  obj. 

I  Want  het  ware  onschone  dinghe,  dat  iemene 
in  die  galghe  hinge,  baden  die  Jueden  dat  men 
den  gekruisigden)  brake  hare  been  ende  mense 
ftrake,  Sp.  l\  31,  63.  —  Figuurlijk  ook  van 
igenschappen ,  die  iemand  aankleven.  ||  Aftrec- 
;ende  die  wreethejt  sijns  moedes,  Pass.  W.  162^. 

3)  Met  eene  zaak  als  voorwerp,  t.  w.  eene 
»ezitting,  die  aan  iemand  toebehoort  of  aan  iets 
erbonden  is.  Ook  met  een  persoon  of  eene  zaak 
Q  den  3den  nv.  Enen  of  ere  dinc  iet  — , 
iemand)  iets  ontrukken ,  afhandig  maken ,  ontrooven ; 
\et  van  eene  zaak  losmaken ^  er  van  scheiden^  weg- 
xemen.  \\  Want  hi  die  den  voorspoet  gaf,  machen, 
ril  hi,  weder  trecken  af,  Lsp.  I,  31,  57.  Dat  die 
lertoghe  Anthonys  tlant  van  Lutzemborch  trac 
len  hem,  ende  den  rike  van  Behem  aftrecken 
v^oude,  Brab.  Y.  VII,  3448.  Die  scouwende 
nensche  die  syns  selfs  ende  alle  dinghen  verteghen 
leeft,  ende  gheen  aftrecken  en  ghevoelt,  om  dat 
u  ne  gheene  dinc  met  eyghenscape  en  besit, 
iuusbr.  6,  199.  —  Ook  met  weglating  van  het 
»bject.  II  Jeghen  gulsicheit  selen  wi  minnen  ende 
rerkiesen  mate  ende  soberheit,  ende  altoes  ons 
iel  ven  avetrecken,  ende  min  nemen  dan  ons  ghelust, 
ftuusbr.  6 ,  1  (by  Sur.  nobis  semper  subtrahendo). 
—  Als  znw.,  in  den  zin  van  afleiding,  aftrekking, 

II  Het  is  een  vlien..alre  dinghe  die  onsindesen 
leven  een  oftrecken  of  een  wederwerc  maken  mo- 
fhen van  der  naester  volcomenheit ,  Stemmen  96. 

4)  Reflexief  gebruikt:  Hem  aftrecken,  in 
lenzelfden  zin  als  het  onz.  Zich  verwijderen,  zich 
terugtrekken  {van  iemand).  Verg.  Achtertrecken, 
t>edr.  4).  ||  Some  traken  si  hem  bet  af  in  die 
«rilde  foreesten  bet  uut,  J^.  III» ,  41 ,  14.  Maer 
ammer  trecke  di  bet  of  van  sconinx  dochter  telker 
stede,  III»,  77,  8. 

Aanm.  Bg  Ruusbr.  6,  209  vinden  wy  het 
tegen w.  deelw.  avetreckende,  naar  het  schijnt, 
idverbialiter  gebezigd:  ||  Ende  dese  salicheit  vreest 
hi  te  verliesene;  want  hi  mint  hem  selven  meer 
dan  Gode ;  ende  hi  mint  die  salicheit  avetreckende 
om  syns  selfs  wille;  by  Sur.  blootelyk:  sua 
duntaxat  causa.  Waarschynlyk  bedoelt  Ruusbr., 
dat  hij  de  zaligheid,  ze  op  zich  zei  f  beschouwende, 
in  het  afgetrokkene ,  om  zijns  zelfs  wil  bemint, 
m.  a.  w.  uitsluitend  om  zich  zelven. 

AFTRECKERE,  znw.  m.  Beroover,  roover.  Zie 
Aftrecken  ,  bedr.  3).  De  Bedelmonniken  worden  by 
Velth.  VII,  20,  63,  aldus  aangesproken:  ||  Pre- 
dicaren  der  behaechiyehede ,  ende  avetreckere  der 
rychede,  ende  wechwerpers  die  (1.  der^arme  goet 

AFTRECKINGrE,  znw.  vr.  Verg.  Aftrecken. 
Onz.  l).Het  aftrekken,  verwijderen,  verdwijnen ,  h^ 
uitbreiding,  vermindering,  afneming,  ten  aanzien 
van  kracht  en  bloei.  ||  Want  natuere  faelgieren 
begonste  met  oftreckinghen  harer  woenste,  ende 
die  oude  hem  anequam,  die  hem  siereci^ht  benam, 
Jmand  II ,  5385. 

AFTRONC.  „Af-tronck,  vetus  Flandr.,  j. 
basterd.    Nothus ,    spnrius. "    Kil.    Verg.    Avont- 

TRONC. 

AFTUGEN,  zw.   ww.  bedr.  Mnd.  aftngen.  Met 


een  persoon  in  den  3den  nv.  Enen  iet  — ,  iemand 
door  getuigenis  voor  den  rechter  zijn  goed  ontnemen. 

II  Wie  met  liste  den  armen  sijn  goet  afwint,  seker 
dat  es  des  duvels  kint,  omdat  sijt  ghewinnen  met 
haren  valschen  sinnen,  ende  tughen  hen  ave  haer 
goet,  X  Plagh.  1888. 

AFTÜUSCEN  (aftuyscen),  zw.  ww.  bedr.  Mnd. 
aftuschen.  Zie  TuuscEN.  Met  een  persoon  in  den 
3den  nv.  Enen  iet  — ,  iemand  iets  op  bedrieglijke 
wijze  afhandig  maken,  afzetten.  Verg.  AfdriEOEN. 

II  Dat  si  tfolc  aldus  bedriegen,  haer  geit  aftuyschen 
ende  ontliegen,  N.  Doet.  413. 
AFVAGEN,  zw.  ww.  bedr.  Zie  Vagen. 

1)  De  tegenwoordige  beteekenis  Afvegen.  \\  Vaecht 
uwe  nueze  al',  Han.  H.  66.  Dan  vaghet  of  met 
stoppen  ofte  met  eenen  cleenen  cleede ,  Jan  Yp.  60. 

2)  Wegvagen,  uitvegen,  uitwissehen,  en  bij  uit- 
breiding uitroeien,  ||  Die  ghevet  ende  hem  na  be- 
claecht,  den  danc  siere  gichte  hi  afvaeght,  Vod. 
Mus.  2,  176,  20.  Saulus,  die  met  z waren  plagen 
kerstin  gelove  waende  afvagen,  Wap.  Rog.  1037. 
O  Maria,  weerde  maecht,  hoe  es  edelheit  dus  af- 
gevaecht!  Vierde  Mart.  321. 

AFVAL  (affal),  znw.  onz.  Toevallige  of  bij- 
komende bate,  tegenover  rente  of  vaste  inkom- 
sten; thans  emolumenten  geheeten.  ||  Sine  rente 
ende  syn  affal,  Heim,  119  var,  In  het  Comb. 
hs.  (vs.  125)  afval,  het  tekst-hs.  by  Clarisse 
ttpval.  Zie  Opval.  —  Afval  tan  vee.  Vgl.  Ndl. 
Wdb.  1,'  1714.  II  Mense  van  smere  van  desen 
5  rindren  .  .  16  se.  Item  Floirkyn  van  offalle, 
van  den  stic  12  d..  Rek.  d.  Graf.  2,  4.  Van  scapen 
ende  van  den  of-  valle  van  den  scapen.  Rek.  v. 
Zeel.  2,  50.  Van  ofvalle  van  24  scapen,  ald, 

AFVALLEN  {viel,  vil  of  vel;  vielen,  gevallen), 
st.  WW.  onz.  Mnd.  afvallen.  In  de  hedendaagsche 
beteekenis,  doch  in  gewyzigde  opvattingen. 

1^  Nedervallen,  naar  beneden  vallen, 

a)  Eigenlyk.  —  a)  Met  een  persoon  als  onder- 
werp. II  Ende  doe  hi  ghehangen  was,  .  .  te  hant 
brac  syn  seel  ende  hi  viel  of,  nochtan  soe  en 
quetste  hi  hem  niet.  Pass.  W.  Zbb.  Doe  al  dat 
ghesinne  .  .  .  vernomen  hadden,  dat  de  wachter 
ofghevallen  was,  Hs,  87,  f.  91  rf.  —  Inzonderheid 
van  V  paard  vallen.  \\  Maboen  viel  af  ende  tpaert 
stont  stille.  Letter k.  N.  W.  7',  133,  131.  Miteres 
die  viel  af  te  waren,  Troyen  6077.  Nu  was  Tumus 
yerst  ververt:  hi  viel  af  in  die  rjrvier,  Troyen 
f.  268r.  Sijn  ors  snevede  ....  ende  hi  viel  af 
ende  brac  syn  been,  Velth.  II,  33,  52. 

^  Met  eene  zaak  als  onderwerp.  ||  Namels  soe 
viel  dit  of  {een  sieraad)  ende  daer  om  bleef  boven 
opten  tempel  een  open  gat,  Pass.  W.  3r.  Doe  si 
die  paerle  int  midden  een  gulden  cruus  gheset 
hadden,  so  vielen  die  ander  stenen  of  die  an  dat 
cruus  stonden,  lid, 

b)  Overdrachtelijk.  Met  een  persoon  als  onder- 
werp. Afstammen,  voortspruiten,  gelijk  de  vrucht, 
die  van  den  boom  valt,  uit  dien  boom  is  voort- 
gesproten, II  Geboren  ute  Gallen,  van  maten  lieden 
afgevallen,  Sp.  III»,  19,  65. 

2)  Met  eene  zaak  als  onderwerp.  Afgelegd  worden , 
ophouden,  van  hartstochten  of  driften  gezegd.  || 
Alle   die  nide  die  vallen  af,  Rijmb.  9918  (Vuig.  II 
Som.  3,  13:  j^faeiam  tecum  amicitias^^). 

AF  VANGEN  {vi$$c,  vingen,  of  vengen ,  gevangen) , 
st.  WW.  bedr.  Met  een  persoon  in  den  3den  nv. 
Iemene  enen  — ,  iemand  een  ander  ontrooven 
door  hem  krijgsgevangen  te  maken,  \\  Dat  die  ge- 
vangene, die  her  Johan  van  Moersse  an  synre 
hant  heeft,  niet  as  goet  en  weren  alse  die  ghene, 


287 


AFVA. 


AFVK. 


288 


die  hem  afgevangen  sjjn,  Nyh.  2,  187  (a.  13G3). 
Van  den  gevangenen,  die  ons  .  .  binnen  deHen 
lesten  orioge  afgevangen  sijn,  3,  218  (a.  1399). 
Alle  gevangenen,  die  die  eyn  parthie  den  anderen 
affgevangen  hebn,  4,  391  (a.  1467).  Alle  ge- 
vangenen, die  onsen  genedigen  heren  .  .  bynnen 
de.ser  veden  .  .  affgevangen  syn,  5,  134  (a.  1481). 
Die  Gelresche  .  .  vengen  hem  by  wylen  of  een 
deel  arme  Inden,  Matth.  Jnal.  3,  399.  Dieghene, 
die  die  van  Tartarien  den  Romeynen  of  hebben 
ghevanghen,  zijn  jonghe  .  .  inden,  mer  die  van 
Romen  hebben  die  van  Tartarien  ofghevanghen  .  . 
goede  vroede  princen,  Sehaahp.  Ma. 

Aanh.  —  Hs.v.  1348,  264<?:  „God  8alo/rfl;i^^<?» 
alle  tranen  van  haren  oghen",  leze  men  ofvayhen, 
Vgl.  Openb.  21 ,  4. 

AFVAREN  {üoer^  voeren ^  gevaren)^  st.  ww.  onz. 
en  bedr.Mnd.ö/pör^;».  Zie  Varen  en  verg.  Afvokukn. 
Onz.  —  1)  Met  een  persoon  als  onderwerp. 
Afrijden ^  wegrijden^  inzonderheid  met  vijandige 
oogmerken.  ||  Die  ghene,  die  des  namen  goem , 
mochten  sien,  ende  hi  voer  af.  Tronen  4539. 

2)  Met  eene  zaak  als  onderwerp.  Met  eene  tneUe 
beweging  {van  iets)  afgaen  of  afgescheiden  word^fn , 
afvl%egen\  van  lichaamsdeelen  gezegd ,  die  door  een 
zwaren  slag  van  den  romp  afvliegen.  ||  Ende  verhief 
enen  slach  so  groet,  dat  avevoer  dat  hoet,  Zwr.  II , 
1995.  {liet  zwaard)  dar  hi  hem  met  enen  sloch  gaf,  dat 
thoeft  van  den  slage  vor  af,  Lanc.  Il,  18927. 
Tgoede  swert  metten  tween  ringhen,  dat  het  ghe- 
rochte  dat  voer  af.  Wal.  6193,  (vgl.  7072:  Dat  hi 
gheraecte,  dat  ghinc  af^.  Enen  slach  dat  hem  her 
Hector  gaf,  dat  hem  aie  kraghe  voer  af,  Troyen 
6480  (var.  die  arm). 

Bedr. — Afvoeren^  uitvoeren  van  waren.  \\  Ende 
wa.s  aldaer  verboden  eiken  upvarens ,  ofvarens , 
an varens,  Invent.  v.  Bntgge  6,  50. 

AF  VECHTEN  {vacht,  vochten,  gevochten) ,  st.  ww. 
wederk.  Hem  enen  — ,  zich  door  vechten  aan  iemands 
macht  onttrekken,  zich  van  hem  vrij  maken.  ||  Si 
vochten  hem  selven  mltter  hant  den  vianden  af, 
D.   JTar.  9,  150,  304. 

AFVEGEN,  zw.  ww.  bedr.  Wegvegen,  bij  uitbr. 
ook  b.  V.  van  hettf/itajojD^n  van  boomtakken.  ||  Die 
derde  joncfrowe  besnit  die  boeme  ende  vegt  af 
dondragtege  twige,  Limb.  Serm.  llSc. 

AFVELLEN ,  zw.  ww.  bedr.  1)  Met  een  persoon 
als  voorwerp.  Doen  ned^rvallen,  door  een  slag  met 
geweld  van  V  paard  doen  valhn.  Verg.  Afvallen. 
II  Van  Loen  die  stoute  grave  velde  menigen  man 
dair  ave  met  sinen  sweerde,  datseresneet,  (7/nm3. 
II,  2854  var. 

2)  Met  eene  zaak ,  t.  w.  eene  stad  enz.  als  voor- 
werp. Nedervellen,  omverhalen,  verwoesten.  ||  Ende 
voer  alsoe  in  haren  lande,  beide  met  rove  ende 
met  brande ,  ende  velde  hen  af  vesten  ende  steden, 
Brab.  Y.  I,  1424. 

AFVERBRANDEN ,  zw.  ww.  bedr.  Hetzelfde 
als  Afbranden.  Geheel  verbranden,  door  brand  ver- 
woesten. II  Ende  verbranden  die  stede  in  den 
gronde  toe  af,  met  XVII  dorpen  daer  omme 
leggende ,  Exc.  Cron.  1893. 

AF  VERMOORDEN,  zw.  ww.  bedr.  Enen  enen 
man  — ,  hem  door  moord  berooven  van ,  hem  doen 
verliezen  door  moord.  Vgl.  Afmoorden.  ||  Die 
hem  sijn  waerlike  scat  stael  of  die  hem  die  sijne 
ofvermoerde,   Con.  Som.  460. 

AF  VERRADEN  (verriet,  verrieden,  verraden), 
st.  WW.  bedr.  Met  een  persoon  in  den  3den  nv. 
Enen  iet  — ,  iemand  iets  door  verraad  ontiarldigen  , 
op    verraderlijke    wijze   ontnemen.    \\    Of    my    ende 


mijne  erven  dat  selre  mijn  huyn  mit  gmntxer  gewtll 
affgewonnen  off  .  .  affverraden  ende  soe  gnmoemaa 
wnrdc,  Nijh.  4,  254  (a.  145(»). 

AFVERHCEIDËN,  st.  ww.  bedr.  Hetxelfde  ab 
Afscheiden.  ||  Ist  dat  die  splinter  is  ofTerseheidei 
van  dat  ander  been ,  dan  salmen  dat  vleisk  opUka 
ende  doent  unt,  Lanfr.  137  v. 

AFVERSLAEN  {verstoet  of  versleet',  versU>erh. 
versloegen ;  verslagen ,  versiegen) ,  st.  ww.  bedr.  Jlet 
een  persoon  in  den  3den  nv.  Enen  sgn  volc— . 
iemand  (een  veldheer ,  een  leger)  zijne  wusmscJk^fet 
doen  verliezen  door  ze  te  verslaan.  Hetzelfde  ib 
Afslaen  3).  II  Daer  worden  hem  afversle^s  br 
V«  goeder  liede,  Belg.  Mus.  4,  201.  Ende  lii 
versloech  den  heydenen  of  twee  coningen  «^ 
ontallike  veel  volcx.  Ere.  Cron.  62c. 

AFVERTEGEN  (afvortegen),zw.  ww.  omx.  Yu 
vertieh  (vortich),  d.  i.  rot  (z.  ald.).  Afroftm,  tty 
rotten.  \\  En  hevet  niet  so  vele  gehele  sledes, 
datter  tfoetsel  dore  mach  comen  met  den  geesta. 
so  verderft  dat  stuc  ende  vertecht  af,  Hs.  Yji. 
118*. 

AF  VERVREEMDEN,  zw.  ww.  onz.  Eene  niet 
aan  te  bevelen  samenstelling,  die  men  leest  D.I. 
Jesaia  1 ,  4 :  Si  blasphemeerden  den  heylighea  w 
Israël ,  si  syn  afvervreemt  achterwaert ,  ter  ver- 
taling van  lat.  :  abalienati  sunt  retrorsutm. 

AFVILLEN,  zw.  ww.  bedr.  In  onze  bet, ,  doek 
minder  eigenlijk  gebruikt  van  een  baard:  Met  re' 
en  al  afrukken.  ||  So  sal  ie  te  dy  ember  kona 
ende  dinen  baert  nemen  .  . ,  want  ie  salne  dv  »i 
doen  villen  dines  ondankes,  Merl.  34009.  —  V^ 
Afvlaen. 

AFVLAEN  {vloech,  vloegen,  doch  de  vcrl.  ^ 
komt  niet  Yoor ;  gevlegen  of  gevlogen) ,  si.  w^w.  bedr. 
Zie  Vlaen.  Af  villen,  afschaven.  ||  Dit  sacht  en^ 
ghenest  alle  verberrenteit  ende  gheneest  daer  è^ 
vel  ofghevloghen  es.  Jan  Tp.  174.  Hi  dede  éf 
slinkerhant  afvlaen ,  Segh.  11669.  Doe  dede  ki 
ofvlaen  sijn  vel,  11749. 

AFVLAGEN  (vloech,  vloegen, gevlogen  offfevlege»: 
vlaechde,  gevlaecht),  st.  en  zw.  ww.  bedr.  Wis«l- 
vorm  van  Vlakn  :  zie  ald.  Bij  Kil.  YlaeB. 
vlaeden,  vlaeghen,  Flandr.  villen.  AfriIIe%. 
Zie  het  vorige  art.  ||  Doe  sy  hem  achter  wd 
bezaghen,  hoe  hem  die  swaerde  wasoffghevlaeckt. 
doe  worden  sy  bloede  ende  versaecht,  Hild.  91, 
126  (var.  afgeblaect). 

AFVLIEGEN  (vlooch,  vlogen ,  gevlogen)  ^  sLww 
onz.  Mnd.  afvlegen).  Met  eene  zaak  als  onderwer^^ 
Met  eene  snelle  beweging  (van  iets)  afgaan  of  afgf- 
scheiden  worden.  Verg.  Afvaren.  ||  So  dat  hi  hea 
enen  slach  gaf,  dat  hem  dat  mnseel  yloech  at 
Lanc.  II,  4615.  Dat  hi  hem  thoofd  dede  vliegies 
af,  Grimb.  I,  446.5,  verg.  4519.  Dat  hemthoeflaf 
vloech  verre,  II,  2819.  Men  sloech  hem  thoefl  01' 
tien  stonden.  Doent  afvloech,  ten  selve  male  Xove. 
God  in  Ebreuscher  tale,   Yst.  BI.  627. 

AFVLOYEN ,  zw.  ww.  onz.  Wegvloeien^  wef- 
stroomen,  door  den  stroom  wegslaan.  \\  Ende  hebbêt 
nu  groote  scade  geleden  by  den  stormen,  esdf 
hem  zijn  2  huysen  ofgevloyt,  Inform.  631. 

AFVOEREN,  zw.ww.  bedr.  Met  eene  zaak  al^ 
voorwerp. 

1)  Iets  met  eene  krachtige  of  snelle  he^egmg  vmê 
iets  anders  doen  afgaan  of  afscheiden',  aftlaam, 
afstooten,  doen  afvliegen.  Verg.  Afvaren  en  Af- 
dragen. II  Maer  Ritsart  geraecten  weder  op  dci 
bokel  van  den  scilde ,  weder  hi  wilde  ocht  es 
wilde,  hi  voerden  hem  af  altemale,  £orr.  II,  4227. 
Ende    slouchene    opten    scilt ,    dat    hine     tsiere 


289 


AFWA. 


AFWE. 


290 


ongpewilt  hem  afvoerde  altemale,  Lhnè.  II,  1201. 

2)  Ene  bootscap  — ,  eenen  last  overbrengen^ 
d.  i.  er  mede  afvaren  of  vertrekken.  ||  Dat  men 
enen  anderen  bode  name ,  die  dcse  bootscap  voerde 
ave,  Qnmb.  I,  1983.  Vgl.  De  Vries,  Mnl.  Wdb,  157. 

AFWAERTS,bijw.,  hd.  abwartê.  Weg,  heen, af- 
waart*.  \\  So  en  sal  gheen  poorter  afwaerts  varen 
noch  gaen  ...  om  wijn  te  drincken  of  bidden  te 
drincken  of  comenscap  daer  of  te  maken ,  buten  der 
vriheit,  O.  K.  v,  Bordr.  1 ,  33,  99. 

AFWA  YEN,  zw.  ww.  onz. 

1)  Wegwaaien,  vervliegen.  ||  Sulc  prijs  ende  sulc 
lof  waeyt  mitten  winde  of,  3Ialeg.  364. 

2)  Naar  beneden  waaien,  omwaaien.  ||  Als  nu  es 
heurl.  molen  afgewaytende  naer  afgebrant, /M/orm. 
146. 

AFWASSCEN,  st.  ww.  bedr.  {afwiesc,  af  gewas- 
teen), mnd.  afwoichen.  Afwassehen  in  eig.  en  fig. 
sin.  II  Dat  God  ofwiesch  de  overmoede  aldus  met 
Serstinen  bloede,  Stoke  II,  823.  Dat  de  here 
)fwassce  die  onreinecheit  der  dochteren  van  Syon, 
Re.  V.  1348,  147a. 

—  Afl.  Afwasscinge.  ||  Die  avewasscinghe 
les  vleesch  onreinecheit,  ald.  133c. 

AFWEGES  (afweeos,  afweechs),  bijw.  Van 
len  weg  af,  op  eene  verborgene  plaats,  in  ^t  ver- 
torgen.  II  Daer  si  misse  zouden  lesen,  dat  moeste 
leymelike  wesen  in  kelren  ofte  in  crochten,  ofte 
►fweges  in  hagedochten.  Lep.  II,  46,  75  (var. 
ifweges  en  afweegs).  Lichameliken  absent  ende 
fweechs,  Hofk.  v.  Dev.  13r.  / 

AFWEIGÈRINGE ,  znw.  vr.  Waarschijnlijk  ge- 
'ormd  in  navolging  van  lat.  denegatio.  Ontkenning , 
et  niet  toekennen  van  iets.  \\  Ommetelic  beteykent 
.at  godlic  wesen  ende  beteykent  een  ofweygeringe 
er  stedeliker  maten,  Bartkol.  Qa, 

AFWEKEN  (Afweiken),  zw.  ww.  bedr.  Af  wee- 
ën ,  voorzichtig  afscheiden  door  te  bevochtigen  en 
wek  te  maken.  \\  Ie  nam  laeu  water  ende  ie  suverde 
'el  van  den  bloede,  ende  ie  wecte  die  plasteren 
aer  mede  of,  Jan  Yp.  189.  Als  gijt  af  wilt  doen , 
)  suldyt  afweiken,  dat  die  huut  niet  en  volge, 
r*.  Yp.  39tf. 

AFWENDEN,  zw.  ww.  ovlz.  Aftrekken,  wegtrek- 
en, van  eene  legermacht  gezegd.  Verg.  Aftien 
az.  1).  Il  Hier  naer  zgn  si  afghewent  ende  quamen 
I  Ghend  sonder  letten,   VI.  Rijmkr.  6875. 

AFWEREN,  zw.  ww.  bedr.  Van  getuigen  bij 
m  rechtsgeding.  Weren,  aU  zoodanig  niet  toelaten, 
raken.  ||  Van  die  getuyghen  en  sal  men  nyemant 
fweeren  dan  viande  van  dootslage  oflf  die  ghyene 
ie  onwittachtich  sijn  off  die  onse  mannen  redelick 
iinct  dat  men  billick  weeren  sal ,  V.  d.  Wall  436 
t.  1417). 

AFWERPEN,  afworpen  {warp,  waerp,  werp  of 
orp ;  worpen,  geworpen^,  st.  ww.  bedr.  Mnd.  afwerpen. 

1)  Iet  — ,  iets  van  zich  werpen,  t.  w.  een  last 
e  op  iemand  drukt.  ||  Doe  dat  water  uten  vate 
srteert  was,  so  worp  si  dat  kint  of  onder  een 
in  den  bomen  die  daer  waren,  D.  B.  Oen.  21, 
>•  —  Figuurlijk  van  verplichtingen,  zonden, 
irkeerdheden,  enz.  die  iemand  aankleven.  ||  Konden 
i  .  .  om  Gods  willen  uutwendighen  troest  ende 
shaechlicheit  der  menschen  ofwerpen ,  Stemmen  59. 
^erp  of  die  wercken  der  donckerheden ,  Pass.  W. 
\c.  Dese  vrie  wille  .  .  .  heeft  afghe worpen 
ide  ontseghet  dienst  des  viants,  Ruusbr.  4,  197. 

2)  Iet  — ,  iets  verwerpen,  versmaden.  ||  En 
erp  minen  raet  niet  off,  Hs.  v.  1423,  232a.  Die 
[jsheit  of  discipline  ofwerpet,  hy  is  onsalich, 
)Sa.    Die   discipline    ofwerpt,    hi    versmaet   sine 


ziele ,  B.  B.  Proverb.  15 ,  32.  Dat  ander  deel 
wert  geworpen  af,  als  oft  die  sant  dat  onwert 
heeft,  Sp,  !!•,  48,  36  (van  eene  ojferkcuirs). 

3)  Enen  — ,  iemand  met  geweld  van  eene  plaats 
werpen,  terugwerpen,  afslaan.  \\  Sy  lieden  comen 
seylende  voer  Gayetten ,  wordden  daer  afgheworpen 
ende  gheschoffiert  van  den  Jenevoysen,  Cron.  v. 
Vlaend.  2,  35. 

4)  Enen  of  iet  — ,  iemand  of  iets nederwerpen. 
a)   Met   een   persoon  als  voorwerp.   Enen  — , 

t.  w.  eenen  ridder  in  den  stryd,  nederwerpen,  uit 
den  zadel  werpen.  Verg.  AFDRAGEN  en  Af- 
steken. II  Menegen  ridder  warp  hi  ave ,  Terg. 
5265.  Daer  om  moeten  wi  .  .  toesien  dat  dye  prince 
afgheworpen  werde  in  enich  van  den  passagien , 
die  wi  te  bewaren  hebben,  Exc.  Cron.  236b. 

b.  Met  eene  zaak  als  voorwerp. 

«)  In  't  algemeen,  van  staande  voorwerpen. 
Nederwerpen,  omverhalen.  \\  Datmen  die  afgode 
ofwerp ,  Lsp.  II ,  44 ,  445.  Men  warp  af  also  houde 
den  swarten  libaert  onder  de  voet,  Stoke  IX, 
1306.  Werpt  of  die  afgoden  die  in  midden  uwen 
luyden  sijn,  B.  B.  Oen.  35,  2. 

^  In  't  by zonder,  van  gebouwen  enz.  Neder- 
werpen, omverhalen,  gewelddadig   afbreken.    ||    Oec 

hebben    si    af die    borch    geworpen    te 

Nettelaer,  Grimb.  I,  3875.  Ferrant  .  .  .  werp  de 
brugghe  bachten  hem  aff,  om  dat  hem  die  van 
Ghendt  niet  volghen  en  souden  moghen,  Cron,  v. 
Vlaend.  1,  125.  Dat  my  mijn  huyss  tot  Nyell  .  . 
van  den  Brabanderen  affgeworpen  ende  verwuyst 
worden  is,  Nijh.  4,  17  {a.  1423).  Die  oude  huysen 
afwerpt  ende  nveuwedaer  opmaeckt,  CbwA  p.  u<»/w. 
1 ,  360.  Item  hebben  de  voimoemde  van  Dordrecht . . 
voir  Bommele  ende  elswaer  meulnen  afgeworpen, 
V.  d.  Wall  569  («.  1444).  Die  porte  van  der  stat, 
die  hi  metten  mueren  van  der  vesten  .  .  afwerpen 
dede,  Exc.  Cron.  123&.  Anno  1466  was  tquelloot 
huus  afgheworpen ,  Diericx ,  Mém.  2 ,  401.  —  Veelal 
met  de  bepaling  in  den  gront,  toten  gronde, 
d.  i.  slechten.  \\  Dat  beide  borch  ende  sale  af  was 
geworpen  in  den  gront,  ende  verberrent  al  daert 
stont,  Orimb.  II,  38.  Die  hertoge  dede,  na  dien 
doene,  die  porten,  die  muere  onghespaert  .  . 
destruweren  in  corten  stonde  ende  afworpen  toten 
gronde,  Brab.  Y.  VI,  3045—50.  Was  Herkendeel 
ghewonnen  ende  afgheworpen  in  den  gront,  Brab. 
T.  V,  4834.  Die  borch  van  Grimbergen  .  .,  die 
afgeworpen  was  in  den  gront ,  VI ,  2727.  Daerna  . . 
werp  men  tslot  af  in  den  gront,  ende  destrueeret 
altemale,  VI,  9319.  Die  hebben  een  sterc  huus.. 
afgheworpen  tot  in  den  gront,  VII,  13849.  Meer 
andere  slote  ghewonnen  .  .  ende  afgheworpen  in 
den  gront,  VII,  17560.  Ende  worpent  .  .  algader 
af  tot  in  den  gront,  Grimb.  I,  3929.  Om  dat  noch 
niemant  hinder  voortaen  van  der  borch  crigen  en 
sonde,  so  dede  hise  verderven  ende  in  den  gront 
afwerpen,  Exc.  Cron.  126rf.  Verg.  ald.  109a,  136^; 
enz.  —  Figuuriyk  van  iemands  hoogheid.  Neder- 
werpen, vernederen,  verlagen.  \\  In  desen  tiden  dat 
dit  es  selen  den  Keyser  oec  nades  sine  machte 
werden  genomen,  ende  afgeworpen . .  sine  hoecheit 
ende  sal  neder  vallen,  Velth.  VII,  27,  1. 

AFWESEN  {was,  waren,  gewesen  of  geweest), 
onreg.  st.  ww.  onz.  Met  een  meervoudig  onderwerp. 
Van  elkander  af  zijn,  afzonderlijk  geplaatst  zijn, 
op  verschillende  plaatsen  berusten.  \\  Naer  tverclaers 
ende  uutwisen  van  den  drien  cyrographien ,  van 
den  annemene  ende  leveme  van  den  zelven  sticke 
wercx  mentioen  makende  ende  afwcsende ,  alle 
deene    uutcr  andre   ghesnedcn  .  . ;  rustende  deene 

10 


291 


AFWE. 


AFWI. 


292 


onder  de  neeringhe  van  den  scilders,..  ende  de 
derde  onder  den  zelven  Inghelbert,  Vod.  Mm,  5, 
365  (a.  1492). 

AFWESEN,  WW.,  Matth.  217,  voor  af  wesen. 
Zie  by  Af  (aan  H  slot). 

AFWESINGE,  inw.  Tr.  Afwezen,  afzijn,  het 
niet  aanwezig  zijn.  Lat  aètentia.  ||  Als  die  enwech 
gewazemt  sgn,  wortet  (het  lichaam)  beswaert  over- 
mits hare  afwcsinge  wil,  Barthol.  67a. 

AFWESSCEN.  Zie  afwisscen. 

♦AFWIEGEN,  Chimè,  I,  44G6Var.  Verkeerde 
lezing  voor  af  vliegen  (z.  ald.). 

AFWINDEN  st.  ww.  bedr.  Met  een  wimUu  naar 
beneden  brengen,  af  winden  Vgl.  Ndl,  Wdb.  op. 
Afwinden.  II  Boe  hy  die  houtsagers  den  groten 
balck  opte  scragen  halp  wynden  ende  weder  of 
te  wynden,  Kek.  d.  Buurk.  210. 

AFWINNEN  (wan,  wonnen,  gewonnen),  st.  ww. 
bedr.  Mnd.  af  winnen.   Zie  Winnen  en  verg.  Af- 

GEWINNEN. 

1)  Winnen  in  dé  ondere  en  sterkere  opvatting 
van  in  den  strijd  winnen,  veroveren, 

a)  In  een  werkelyken  strijd  of  in  een  beleg. 

a)  Met  eene   zaak  als  voorwerp  en  een  persoon 
in  den  3den  nv.  Enen  iet  — ,  iets  op  iemand  in 
den    strijd   winnen   of   veroveren.    ||    Dus    wan    hi 
dien    coningen    ave    hare    volc  ende    hare   have, 
Rijmb,  1643.   Ende  orlogede  den  goeden  man ,  dien 
hi   som   sijn   goet  afwan,  Sp,  IIP,  32,  59.  Want 
die  es  vele  eren  wert ,  die  sinen  viant  afwint  sijn 
swert,   II*,    23,    100.    Ende  wan  hen  af  menich 
velt,    daer   hise   afsloech  met  ghewelt,  Brab.    V. 
II,   651.    Dat    hi   met   gewelt   den  Saissen  afwan 
dat  velt,    S^,  III*,  49,  68.  Ende  wonnen  hem  af 
die   stat,  III*,    93,    129.   Ende   wan   hem  af  die 
veste,  IV*,  4,  7.  Die  wan  of  den  Philistinen  ene 
veste,   Rijmb,   8861.    Ende   wonnen    hem    af   met 
spoede  hare  tenten  metten  goede,  Sp.  IV*,  4,  41. 
{De  tenten)  worden  daer  hen  afgewonnen,  Heelu 
6209.    (Hi)    Street  jegen   die    kinder   van   Ysraël 
ende  wan  hem  een  roef  of,  B,  v,  1357 ,  63r.   Oec 
hadden  si  hem  na  bi  nachte  tcapitool  afgewonnen 
met  crachte,    Sp,   I*,   45,    20.  Daer  die  brugge 
hem  enten  sinen  afgewonnen  was  met  pinen,  IV*, 
26,    101.   Ende   wonnen  den  coninc  af  sijn  lant, 
Brab.    F.    II,   4728.    Ende    wint    hem   af  borghe 
ende   lant.    Wrake   II,    1174.  Dat  ie  hem  al,  sijn 
goet,   sijn   lant,    afwinnen   sal,  Lanc,   II,  31747. 
Ende    wint   den    andren    af  sijn  goet,  Teest.  168. 
Enen  lant  ende   leven  afwinnen,  Sp,  I*,  53,  44; 
IV»,   4,   88.  Enen  trike  afwinnen,  Uijmb,  20393, 
20449.   Ende   wonnen   hem  of  de  were,  Stoke  V, 
766.   Weert  sake  dat  onser  liever  geminder  zuster  . . 
dat . .  tolhuys  tot  Lobede  afgeclommen  wurd ,  of 
afgewonnen,  of  ontweldicht,  Nijh.  3,  69  {a.  1379). 
Doe   sy   daer   quamen,    doe   wonnen  sy  hem  die 
lantweer  af,  die  te  Barnevelt  gemaect  was,  Matth. 
Anal,  3,  400.  —  Enen  den  wijch  — ,  op  iemand 
den   strijd  winnen,   de  zege  behalen.   ||    Maer  dln- 
gelsche    wonnen    den    wych   ave    den   Walloysen 
enten    Scotten,    Sp,    III*,   4,    18.   Die   hem   den 
wijch  afwan,  I*,  3,  7.   —  Ook  met  een  persoon 
—    mensch  of  dier  —  als  voorwerp,  die  dan  als 
eene  zaak  beschouwd  wordt.  ||  Want  mi  berouwet  ere 
zaken ,  dat  ie  Alexandre  gaf  miere  dochter :  ie  winse 
hem  af,  entu  salse  te  wive  ontfaen,  Rijmb.  19856. 
Dat  die  crevitse  met  groten  sinne  dien  visch ,  dien 
si  hebben  inne ,  hem  ofwinnen  ende  verteren ,  Nat, 
BI.   V,   819  {van  de  oester),  —  In  figuurlijke  toe- 
passing, Rijmb,  2186—2214,  vcrgeiykt  Maerlant  de 
Joden  met  Esau,  die  door  Jacob  van  zijn  eerslge- 


boorterecht  {sine  ouderdoeme)  was  beroofd,  ea  de 
Christenen  bij  Jacob.  ||  Wi  hebben  bem  met  grot«i 
roeme  afghewonnen  hare  ouderdoeme ,  ende  al  han* 
recht  ende  al  haer  ere,  2207. 

P  Met  eene  zaak  als  voorwerp,  zonder  b^ vo^ng 
van  den  persoon  in  den  3den  nv.  Iet  — ,  iets  m 
den  strijd  winnen  of  veroveren ,  overmeesteren.  \\  0« 
wonnen  si  af  in  den  nijdspele  die  sale,  daer  Jta 
in  lach,  Rijmb,  30656.  Al  sinergcheid  si  afwinnei, 
30660.  Hoe  vaste  si  in  veste  saten,  si  wonncffi« 
af,  Sp.  IV*,  19,  41.  Dat  hi  sijn  lant  afwinnei 
sonde ,  Flandr,  IV ,  9.  —  Ook  met  een  persoon  al^ 
voorwerp ,  die  als  eene  zaak ,  als  de  boit ,  beschouwd 
wordt.  II  Die  van  Dordrecht  .  .  .  besaten  ...  dit 
casteel  .  .  .  ende  voerden  Aloude  hoeren  baljn,  dies 
sy  dair  ofwonnen,  ende  sloegen  doot,  Mntth.  ^««^. 
3,  190.  —  Ook  zonder  bngevoegd  object  voor  w- 
nemen,  overmeesteren,  \\  uot  die  van  binnen  hrs 
ontsagen  jegen  afwinnen,  Sp.  I*,  45,  4^.  Daer 
binnen  sloot  hi  hem  selven  jegen  afwinnen ,  I*,38, 
70.  Dat  si  hem  ontsaghen  der  Joden  afwinnen  met 
viere,  zij  vreesden  dat  de  Joden  de  nieusce  werke» 
zonden  overmeesteren  en  door  vuur  vernielen ,  Bijnk 
32904. 

b)  In  een  gerechteljjken  stryd. 
a)  Met  eene  zaak  als  voorwerp  en  een  persooi 
in  den  3den  nv.  In  den  rechtstenn.  Enen  iet  (of 
des)  — ,  een  vonnis  tegen  iemand  verkrijgen  ,  w€tarhij 
hij  veroordeeld  wordt  tot  verlies  of  betaling ,  L  w. 
van  datgene  dat  in  het  object  is  uitgedrukt,  ||  Sö 
wie  80  andren  syne  erve  afwinnen  wille  bi  der  wet 
van  Ghend,  hy  moeter  jeghen  setten  dobbel  crvf. 
Cout,  V,  Gent  476.  Niemene  ne  mach  andren  af- 
winnen erve  no  huns,  hyne  moghe  tog^ben  éaU 
hem  toecommen  es,  477.  Ende  bekennet  die  gbast 
op  dien  dach  onsen  burgher  wcs,  of  winnet  hi  bea 
wes  of  met  rechte ,  dat  sal  hem  die  borghe  betalea 
binnen  viertien  daghen  ende  dat  breefghelt,  ead« 
en  kennet  hi  hem  niet,  of  en  wint  hi  hem  hwi 
rechte  niet  af,  so  sal  onse  burgher  ghelden  dal 
breefghelt,  Stadr.  v,  Zwolle  92,  129.  (Enen)  sinei 
kore  afwynnen ,  gelikerwyss  off  hie  daer  antworde» 
stonde,  R.  v.  Zutf.  36,  125.  Of  ons  dat  selve  goei 
met  vonnis  ende  met  recht  afgewijst  weer  end* 
afgewonnen,  Nijh.  2,  90  (a.  1356).  Wes  hun  d» 
rait  rechte  ofgewonnen  wordt  of  datsii  mit  genoe§« 
bedadingen,  dair  of  sullen  wii  hebben  die  tweedeel , 
V.  d.  Wall  414  (a.  1409).  So  wie  erve  besit  e<a 
jair  ende  ses  weken  over  eyghen  of  in  poirtrecht. 
die  en  mach  mens  niet  ofwinnen.  Leid.  Kenrh. 
1 ,  1.  Die  rechter  en  mach  hem  geen  boeten  af- 
winnen, Matth.  166.  Als  hem  die  schout  ofgewoa- 
nen  wort,  als  bij  vonnis  wordt  uitgemaakt  dat  hij 
de  schuld  behoort  te  betalen,  d,  i.  ah  de  tckmli 
deugdelijk  verklaard  wordt,  151.  Eer  hy  hem  boetea 
offwinnen  mach.  Dingt,  v.  Watert.  21.  —  Vandaar 
de  uitdrukkingen:  Enen  sine  ere,  sijn  lijf, 
sjjn  hovet,  lijf  of  lit  — ,  iemand  eer,  lij  f  of 
lid  bij  rechterlijk  vonnis  doen  verliezen ;  hem  eerlvot 
doen  verklaren,  ter  dood  —  tot  verlies  van  lijf  of 
lid  —  laten  veroordeelen ,  laten  brengen,  \\  Hca 
somen  hi  hare  ere  afwan,  Sp.  IV*,  37,  14.  Of 
wi  hem  dat  lyf  afwinnen,  I*,  9,  81.  Herodes, 
die  sente  Jan  Baptisten  sgn  hovet  afwan,  I^, 
28,  5.  Enen  lijf  of  lit  of  te  winnen,  Matth.  64. 
Daer  sprac  hy  hem  aen  mit  waerliken  rechte  ende 
wan  hem  tlijf  of,  85.  Heeft  hy  geleide,  men  mach 
hem  lijf  noch  lit  ofwinnen,  185.  Als  een  angetast 
wort  van  dieften,  is  hy  poirter,  ....  lit  noch 
lijf  ofwinnen,  208.  Nu  ghinct  hier  op  een  per- 
lement;  die  dieren,  die  Reinaerl  stonden  omtrent, 


>03 


AFWI. 


AFWI. 


294 


rillen  hem  sgn  IQf  ofwinnen,  Rem,  II,  1891.  — 
Snen  doden  man  die  hant  — ,  van  de oordeel- 
njzers  ten  vonm*  verkrijgen  ^  bepalende  dat  den 
loode  de  hand  zal  afgehouwen  worden^  ten  einde 
net  de  doode  hand  te  klagen.  \\  Tan  manslacht  te 
)erechten  met  des  Graven  mannen ,  dats  te  verstaen, 
lat  die  Heer  .  .  den  dooden  man  sgn  rechterhant 
»fwinnen  aal  met  recht  ende  met  yonnis ,  Mieris  2 , 
J9« ,  V.  d.  Wall  116 ,  Oudenh.  Z,  Holl.  466  (a.  1303). 
^aer  die  Schnlte  enen  doden  man  die  ofwinnet, 
ran  dier  hant  sal  hi  hebben  een  pont,  Stadr.  v, 
Zwolle  168,  326.  Zie  Noordewier,  R.  0.277,  416. 
fi)  Met  eene  zaak,  bep.  een  onroerend  goed  als 
'oorwerp,  zonder  bg  voeging^  van  den  persoon  in 
len  3den  nr.  Iet  — ,  iets  gerechtelijk  voor  schuld 
n  bezit  nemen.  \\  De  welcke  afghewonnen  hadde 
Ie  looge . .  orer  de  achterstellen  van  renten  van 
\  jaren,  Invent.  v,  Brugge  6,  320.  By  fante  ende 
^hebreke  yan  betalinghe . .  wettelyc  afghewonnen . . 
ie  ven  ghemete  lands,  6, 646.  De  voorsejde  Lanwers . . 
leeft  in  den  .  .  steen  ghevanghen  gheweest  vier 
)t  yyf  jaer,  binnen  welcken  tyde  zijn  hnns  daer 
ly  woonde  ende  zine  catheylen  ofghewonnen  waren 
inde  vercocht ,  CmU.  p.  Brugge  2, 43.  Van  naerrenten 
ip  huusen  die  ofghewonnen  zijn  by  de  voorrentiers . . 
Lenghesien  dat  de  voorseide  naerrentier  hant  an 
voorseide  hnns  slaen  en  wilde,  de  voorrentiers 
liet  ofghewonnen  hadden  behouden  zonden  thnns 
roorscreven  bi  der  virtnnt  van  den  voorseiden  of- 
irinninghen ,  2 ,  140  aant.  Wat  men  onsse  Patroon, 

.  off  onsse  Gasthnyse  ghevet,  dat  en  mach  men  niet 
»ffwinnen,  Schwartz.  1,  663,  109.  Het  ne  ware 
lat  yemen  spreken  wilde  te  gronde  van  leene  om 
if  te  winnene ,  Oendsch  Chtb.  88.  Yan  den  lande  dat 
nen  achterhaeldt  ende  afwindt  by  vonessen  van 
icepenen ,  126.  —  Ook  met  weglating  van  het  voor- 
verp,  en  alleen  met  een  persoon  in  den  3den  of  4den 
IV.  Énen  — ,  een  vonnis  tegen  iemand  verkrijgen^ 
üaarbij  hij  veroordeeld  wordt  iets  te  verliezen  of  te 
'fetalen.  Verg.  1,  b,  a).  Ten  sy  in  een  sterf  hnus, 
lair  sal  die  ghene ,  dies  gheert ,  spreken  ende  winnen 
len  weezen  af  mit  sinen  eede,  alst  recht  is,  .  . 
en  sy  dat  die  heisscher  behoerlike  kennisse  heeft, 
ifatth.  104;  verg.  164.  Also  dat  Jan  vanden  Sande 
liet  offghewonnen  en  is  voir  zQn  schnlt,  O.  B,  v. 
')ordr.  1,  107. 

2)  Winnen  in  de  jongere  en  zwakkere  opvatting 
^an  verkrijgen  y  gedaan  krijgen. 

a)  Iemand  of  iets  afkrijgen ,  afnemen ,  t.  w.  van 
latgene  waaraan  de  persoon  of  zaak  was  vast- 
^hecht.  Van  de  aftieming  van  het  kmis  wordt 
gezegd:  ||  Doe  wonsi  Jhesnm  of  ter  stont,  O.  R. 
?ass.  31,  898. 

b)  Iet  — ,  iets  wegnemen,  weghalen,  t.  w.  van 
Ie  plaats  waar  het  ligt.  ||  Item ,  wien  dattet  alsoe 
gelegen  is,  dat  hy  mist  voer  zgn  doer,  dye  sa.1 
nissen  op  zün  eyghen ,  ende  salt  ofFwinnen  binnen 
lerthien  daghen ,  Schwartz.  1 ,  663, 107 ;  verg.  689a. 

AFWINNINGE,  znw.  vr.  Zie  Afwinnen,  1,  i, 
T),  Het  door  eene  rechterlijke  uitspraak  wederver- 
rijgen  der  goederen,  waarop  men  recht  heeft, 
'eechtelijke  inbezitneming ,  eigening ;  ook  het  rechter- 
ijk  vonnis  zelf,  waarbij  dit  geschiedt-,  de  afwin- 
i  i  ng  e  doen,  den  eisch  daartoe  instellen.  \  \  Welcken 
preffler  zal  gehouden  wezen  te  hondene  registre .  • 
^an  allen  verghiften  landen  ende  van  allen  anderen 
icten  van  justitie,  als  bezettynghen ,  npdrachten, 
andtrumynghen , . .  ofwinnynghen  ende  allen  anderen 
loedanich  die  zQn,  Gout.  v.  Brugge  1,  225.  In  de 
i'winninghe,  die  de  vorseide  Raessdoen  sonde 
'an    den   voirseiden    goede,   zouden  uteghenomen 


wesen  uutlandsche  liede  ende  onbejaerde  kindere, 
Ck>ut.  V.  Gent  696.  Segghende  voert  dat  de  voir- 
seide  afwinninghe  overleden  zgnde,  zgn  voirseide 
wyf  nemmermeer  ontfanghelic  zoude  zgn  daer 
jeghen  te  segghene  te  wette,  696.  Dat  hy  als 
vooght  ende  man  de  afwinninghe  doen  sonde  uter 
name  van  hare,  697.  Waert  so  dat  zy  eeneghe 
huusen  oft  erve  voor  principael  of  acnterstellen 
afwonnen,  .  .  dat  zy  in  dat  cas  de  zelve  huusen 
ende  erve  weder  vercoopen  weerlyke  persoonen 
binnen  drie  maenden  naer  de  afwinninghe,  669. 
Soo  vermach  partye  voorts  te  procederen  ten  laste 
van  de  selve  hypoteque  by  eygendomme,  afwinninghe 
ende  decrete ,  270.  Chaertre  van  ofwynninghe ,  acte 
d'éviction,  Invent.  v.  Brugge  6,  442.  Wettelyc  af- 
ghewonnen .  .  zeven  ghemete  lands  ende  dat  voor 
eene  somme  van  penninghen  begrepen  inde  wettelyke 
afwinninghe,  646. 

AFWISEN  (wisede,  aewiset,  of  wijsde,  gewijsf) , 
zw.  WW.  bedr.  Mnd.  afwisen.  Zie  Wisen. 

1)  Wisen  in  den  zin  van  rürA/^,#^tfrA».  Enen — , 
iemand  afwijzen,  terugwijzen,  wegsturen.  \\  Achter- 
waerts  ghedronghen  ende  verre  ofghewï[)st,  Hs. 
87  /.  68tf. 

2)  Wisen  in  den  zin  van  eene  gerechtelijke  uit- 
maak doen,  als  rechtsterm,  yfdATYva otïs gewijsde \ 
verg.  Aen WISEN. 

o)  Enen  iet  — ,  iets  aan  iemand  bij  vonnis  of 
rechterlijke  uitspraak  ontzeggen.  \\  Of  ons  dat  zelve 
goet  met  vonnis  ende  met  recht  afghewyst  weer, 
Ngh.  2,  90  (a.  1366).  Op  de  selve  submissie 
hadden  wy  .  .  heuren  medepleghers  by  onse  sen- 
tentie ende  vonnisse  verklaert  ende  afghewijst  alle 
hare  rechten  enz.,  teghen  ons  verbeurt  te  wesen, 
Lams  69;  Handv.  v.  Medembl.  42a.  Van  broken 
wert  hem  miter  ende  staf  ofghewgst,  Matth.  84. 
Daima  wort  hem  ofghew^jst  die  casuffel ,  ald, 
Doe  worden  hem  slotel,  boeck  ende  ampullen 
offghew^'st  .  ,  ;  doe  wert  hem  dat  choircleet 
ofghewgst,  ald.  —  Enen  den  hals,  iemand  bij 
vonnis  veroordeelen  om  den  hals  te  verliezen,  hem 
veroordeelen  om  onthoofd  te  worden.  \\  Daer  wgsde 
hem  die  rechter  den  hals  of,  Clerc  31  {Ned. 
Proza  66). 

b)  Enen  iet  — ,  iets  aanwijzen  om  het  aan 
iemand  te  geven  of  het  hem  vit  te  betalen.  \\  Overmids 
desen  sal  mgn  genedige  heer  .  .  my  betalen  uut 
sinen  renten  der  stat  ende  meierien  van  den  Bosch, 
die  hi  my  sal  doen  af?risen  van  sinen  rentmeester, 
Nijh.  3,  324  (o.  1412).  Yoert  en  selmen  gheen 
recht  doen  van  wetslegghen  (van  wedde,  pand)  of 
van  verspeelde  ghelden.  Ende  wat  sekerheden 
dat  men  dair  of  maket  en  selmen  niet  offwijsen, 
uutgheseit  van  geoirlofde  spoelen,  dair  selmen  of 
rechten,  O.  K.  v.  Delft  I,  14,  6. 

3)  Afwijzen,  ontzeggen  in  ruimeren  zin.  Ygl. 
Ndl.  Wdb.  op  AFWIJZEN.  II  Ghebenedijt  si  God, 
die  niet  ofghewiset  en  heeft  mQn  bedinge ,  ^«.  P«. 
70r.  Dat  men  mit  sonderheiden  den  eenen  toeleit, 
dat  wort  den  menichten  afgewist,   i^.  d.M.1,  7c. 

AFWISSCEN  (afwesscen),  zw.  ww.  bedr. 
Afwisschen,  in  dezelfde  beteekenis  als  thans, 
doch  in  eenigszins  verschillende  toepassingen. 

a)  Yan  een  glans  gezegd.  Vitdooven ,  verduisteren. 
II   bie  claerheit  wort  zeer  affgewesschet,  MLoep 

II ,  1622. 

b)  Overdrachteiyk  van  menschen  gezegd.  Vit- 
vagen  uit  de  rij,  verdelgen  ^uitroeien.  \\  Endedaerom 
waren  si  afgewischt  van  den  kinderen  van  Ysrahel , 
Barthol.  492  {fuerunt  deleti). 

AFWOEKEREN ,  zw.  ww.  bedr.  Mnil.  afwokern^ 


295 


AFWO. 


AGIN. 


296 


Met  den  3den  nv.  van  den  persoon.  Enen  iet  — , 
iemand  iêt*  door  icoeker  ontrooven.  ||  Ende  luidde 
hi  meer  dat  hi  meer  g^ve  den  i^henen,  den  hijt 
ghewoekert  heeft  ave,  N.  Doet.  2^iH0. 

AFWONINGE ,  niw.  vr.  Van  a  f  w  o  n  e  n ,  d.  i.  ra» 
tooonplaaU  veranderen ,  elders  tconen ^  vgl.  Afsrtkn. 
Verandering  van  domieilie.  \\  Ten  ware  int  ca« 
Tan  afwoninghe,  latitatie,  absentatie  ende  ylncht, 
Cowf.  V.  Gent  24,  13. 

AFWORPEN.  zie  Afwerpen. 

AFWRINGEN  (wranc,  wrongen^  gedrongen) ^  Ht. 
WW.  bedr.  Met  aen  3den  nv.  van  den  pernoon 
Enen  iet  — ,  iemand  iets  door  wringen  afrukken , 
met  geweld  van  het  lijf  wringen.  \\  Ende  hiel  tlat 
men   hare  die  borsten  avewringe,  Sp.  II*,  5,  10. 

AFWRIVEN  (wreef  ^  wreven^  gewreven)^  st.  ww. 
bedr.  In  de  hedendaagsche  beieekenis,  doch  in 
gewijzigde  opvattingen. 

1)  Af  wrijven^  aj  schuren.  ||  Doe  dese  man  was 
in  die  molen,  soe  begreep  met  ongheval  sijn  hant 
den  molensteen  ende  ver{>ersteKe  soe ,  dat  hi  daer 
vel  ende  vlejsch  ende  senen  in  beyden  siden  of- 
wreef  totten  been,  P«#.   W.  '6hc. 

2)  Af  wrijven  y  uitwisschen,  overdrachtelijk  gezegd 
van  eene  smet  of  iets  dat  als  eene  smet  of  blaam 
op  iemand  kleeft.  ||  Dat  een  .  .  al  sijn  smitte 
afwrive,  daer  syn  ziele  es  mede  belast,  N.  Doet. 
2305.  Doen  syt  oec,  hem  sal  becliven  myn  ban, 
ende  sine  salne  afwriven  mogen  oec  niet  nochtan, 
trap.  Mart.  III,  7. 

3)  Met  een  persoon  in  den  3den  nv.  Enen 
iet  — ,  iemand  iets  ontnemen  of  betwisten.  \\  Rei- 
naert  die  sel  Reinaert  bliven:  dat  en  can  hem 
niemen  ofwriven,  Bein.  II,  7555. 

AGEDOCHTE.  Zie  Hagedochte. 

AGEER,  znw.  m.  Vermoedelijk  eene  verbastering 
van  atgeer ;  ohd.  aziger ;  mhd.  aziger^  atiger ;  ags.  atgdr 
(Ettm.  435);  ofri.  etger.  Volgens  Grimm.  Gr.  2, 
717,  nit  Geer  (zie  ald.)  en  het  voorz.  az,  got. 
at  ter  versterking  der  beteekenis.  Bij  Kil.  nog  in 
den  vorm:  „Xg gher,  j.  eggher,  terebra.^^ 
Korte  werpspies.  ||  Mit  sclingheren  consten  sy 
werpen  seer,  elc  man  had  twee  agheer  ende  enen 
scarpen  harden  steen ,  Troyen  f.  261  ff. 

AGËLEEN,  Ageleer,  znw.  Benaming  cener 
kleine  buitenlandsche  munt.  ||  Tc  offeren  5  aghelenen, 
enen  dukaet  voer  60  aghelenen  gherekent,  valent 
1  gr.  4  miten.  Rek.  d.  Gr.  3,  87.  Negheu  aghelenen 
valent  2  gr.  3  miten,  ald.  Om  een  halten  horen, 
die  mijn  heer  selve  cochte  10  agheleren,  1  ducas 
voer  60  agheleren,  ald.  135. 

AGELEN.  Zie  Achelem. 

AGERSTE ,  omzetting  voor  Agester^  thans  Ekster. 
Zie  Aexter.  ||  Alsmen  an  dagherste  siet  wale. 
Nat.  BI.  III,  78  var. 

AGET ,  znw.  m.  of  onz.  Mnd.  aget ;  verg.  ohd. 
agistein ;  mhd.  agestein ,  agetstein.  By  Kil-  „  A  g h  e  t , 
j.  ghet,  gagates y  gangitis.  Swertghet,  Thradus 
lapis y  gagatidis  species  nigri  coloris]"  eug.jet^  git, 
zwar  te  barnsteen  (Muller  I* ,  634) ;  ofr. j'ayet  (Littré 
3,  166  op  Jais).  Barnsteen.  ||  Wouter  de  pa- 
trenostremakere  vercochte  ter  kermissen  alle  sine 
patrenostren  van  kerstalle ,  van  ammere ,  van  glase , 
van  hoome,  van  aghette,  Livr.  d.  Mest.  39. 

AGGERE.  Benaming  van  een  oud  ambacht  op 
Zuid-Beveland ,  dat  na  herhaalde  overstroomingen 
eindeiyk  aan  de  kust  van  Noord-Brabantaangedijkt 
werd  en  den  polder  van  den  „Grooten  en  Kleinen 
Agger''  uitmaakte,  Oorkb.  1,  204i ;  Mieris 2,  128/i 
(a.  1312)  „buiten  dycs  den  agghere. "  Over  den 
vermoedelijken    oorsprong   der    benaming  zie  Ndl. 


Wdh.  1 ,  2067  vg.  en  vgl.  Tegenwooréife  Stsat  rci 
Zeeland  1  ,  319. 

A(iINE  (V.  d.  Wall  325).  Zie  Exgiene. 

AGOëN,    -ne,    znw.   m.  Lat.  agom    {mÊortis}  bf 

Duc.    1,   147,  van   gr.   a^iör,  worst^lstr^d ,  vn- 

waar   ook    fr.    agonie.   De  doodstrijd,   het  sterftntr. 

II    Daer  hi  lach  in  sinen  agoene,  Sp.  IV',  42:,  15. 

AGOY.  II  Wine  van  agoyen  ende  Spaen^W 
wyne,  Invent.  van  Brugge  4,  159.  —  Wel  dezelfde 
wynsoort,  welke  gewoonlyk  wgn  van  asov^ 
noemd  wordt.  Zie  AsoY. 

AGRESTE ,  znw.  vr.  Van  denzelfden  stjui  als 
het  volgende  woord.  Wrangheid.  \\  Die  mu-nte.. 
verkeert  die  zuericheit  ende  die  agresten  in  so»- 
ticheit,  alsmen  sien  mach  in  den  vrachten  ende 
in  den  wyndruven,  Barthol.  67Ó. 

AGRET,  -tte,  znw.  onz.  Mlat  agresf^  (Dnc  1, 
150);  ofr.  (ügret  (La  Curne  1,  282);  it.  m^restv, 
van  lat.  aeer ,  zuur  (Diez  1 ,  11).  liet  wramge  smp ,  iéi 
uit  de  onrijpe  wijndruif  geperst  wordt,  wrjvu, 
II  Jonghe  gansse  met  eencn  groenen  looke,  g^e 
maect  van  surkele  getempert  met  agrette ,  KeukemL 
II,  14. 

AGT,    znw.   vr.  Verkorting  van  den  eigeni 
Agatha,  ndl.  Aagt,    zie    üdl.    Wdb.    \\     Mi    (i 
leest  van  Sente  Agten ,  si  hadde  enen  mmnentlikei 
siccdach,  Limb.  Serm.  21a. 

AGULGOUDE,  znw.  vr.  |i  Lelycn  wit  end* 
eglentiere,  aculeyen  ende  agulgouden ,  die  dat  plm 
wael  scone  houden ,  Pgr.  en  Th.  232.  Waarschgnlyk 
is  met  het  nergens  elders  voorkomende  agulgcmii 
bedoeld  de  aloé^  welke  in  H  lat.  agallockum  heet. 
en  waarvan  een  der  Arabische  vormen  laidt 
lugen,  zie  Dodon.  1546Ó. 

Al,  of  AY  (welke  laatste  spelling  in  de  hsa.  de 
gebruikelyke  is) ,  tusschenw.  Zeer  gewone  nitrocf, 
ons  hedendaagsche  ei\  doch  meestal  in  eenigsziis 
verschillende  opvatting  als: 

1)  Van  droefheid,  ontroering  of  aandoeniaf- 
Arhl  helaasl  Ay  Blancefloer!  seit  hi,  Blanceflofr! 
rivr.  1136.  Verg.  ald.  1178,  2224;  Reim.  I,  142«, 
1815;  Ferg.  4435,  4502;  enz.  —  Ay  mi!  r*.'. 
9118;  Flor.  1085,  1104;  enz.—  Somtijds  eltel^ke 
malen  herhaald,  als:  ||  Ay  mi!  scget  hi,  aj  mi! 
ay  mi!  ay  mil  wel  sondich  man,  tewi,  ay  mi!  tvi 
wordic  ie  geboren!  Theoph.  707.  Verg.  ald.  725, 
vg. ,  759,  775.  Ay  mi  lase!  Tart.  8322.  Aj 
arme.  Flor.  776,  1113.  Ay  deus!  Ferg.  349?!^', 
4849;  enz. 

2)  Van  bevreemding,  verwondering  of  bewoa- 
dering.  Ei\  och]  wel\  \\  Ay  here!  seit  hi,  lieve 
here!  mi  wondert  utermaten  sere  .  .,  Part.  6834. 
Ay  God ,  hoe  scone  te  siene  waest !  OVl.  Ged.  2 ,  lu7, 
160.  Verg.  Troyen  2608;  -B^a^.  620;  Flor.  1894;  enx. 

3)  Van  opwekking,  aanmaning,  verzoek  ot  ge- 
bed. Ei\  och\  toe\  ||  Ay  vrient!  mochtine  mi  doea 
scouwen ,  dat  soudic  di  bidden  geme ,  Ferg.  3296u 
Verg.  Rein.  I,  2597,  2599;  enz.  —  Vooral  gewooï 
zijn  Ay  God!  Ay  here!  Ay  vrouwe!  ena.,  b§ 
ootmoedige  bede,  als  b.  v.  Wal.  8296;  Bemtr. 
383;  Lanc.  II,  2045;  Limb.  I,  2146;  X,  461, 
679,  717.  Ay,  edel  riddre!  Lanc.  II,  659;  ent. 

AYAMANT.  Zie  Adamant. 

AYBOY.  Zie  AvoY. 

AYEN,  met  de  Vlaamsche  weglating  der  aspi- 
ratie,  in  OVl.  Lied.  e.  Ged.  125,  19.  Zie  Haten. 

AYEREN   (aieren),   zw.   ww.  bedr.  Ofr.  aier, 

wisselvorm  van    aider  (La   Curne  1 ,  277).    Verf. 

De    Bo    42    op    Ajieren.    Helpen,    ond^rrstemnen 

II    Welken   tyt   dat   si    den   dach  wonden  settea, 

hi   ware   diene  soude  hayeren  ende  bringhen  datf 


297 


AILA. 


AISE. 


298 


vroede  persooneu  van  scriftueren  waer ,  Amand 
II,  1495.  In  te  ayhierene  ende  te  eeghene  (d.  i. 
koesteren ,  hd.  kegen ;  t.  w.  sine  ouders) ,  als 
Valerius  .  .  verhaelt  van  een  dochtere,  de  welcke 
henr  moeder,  nu  verwesen  wesende  in  den  karcker 
van  hongher  te  stervene,  met  huer  borsten  onder- 
houden heeft,  C.  van  Dordrecht,  ttang,  bij  De  Bo. 

AILACEN,  AYLACEN.  Zie  Alaes. 

AILAS,  Aylas,   Aylase.  Zie  Alaes. 

AIMANT  ,  AYMANT.  Zie  Adamant. 

♦AINSTERINGHE,  bedorven  lezing,  On.  Lied, 
e.  Ged.  250,  498.  Zie  Avisieringiie. 

AISE  (ayse  en  eise,  eyse  en  ookAEis),  znw 
(het  geslacht  blijkt  niet).  Fr.  aise,  over  welks 
afleiding  zie  Diez,  W(6.  1,  10  op  Agio;  Gachet 
13.  In  aise  ontmoeten  elkander  de  opvattingen  van 
ffemak^  rust  en  blijdschap^  evenals  in  mnl.  gerruic 
[te  gemake) ,  dat  volkomen  hetzelfde  beteekent. 
Rtut^  kalmte.  \\  Die  mi  wil  minnen  moet  beghinnen 
spreiken  jeghen  meenen,  sal  hi  gewinnen  daeis 
ran  zinnen,  OVl.  Lied.  en  Qed.l^by^.  —  -^«^komt 
inzonderheid  voor  in  de  uitdrukkingen:  —  Taise 
[te  aise  en  teise)  sijn  of  leven,  hetzelfde  als 
(e  gemake^  fr.  h  son  aise^  dus  welgemoed ,  blijde^ 
TToofijk  zijn  of  leven.  \\  Dat  die  hertoge  metter 
itede  acorderen  soude  in  payse ,  dies  si  sere  waren 
»yse,  VI.  Rijmkr.  10261.  Waren  blide  ende  wel 
:ayse,  10331.  In  alle  voye  mach  men  wel  byliden 
in  payse  met  soeten  woorden  ende  leven  tayse, 
dmand  II,  5771.  Die  coepman  nes  oec  niet 
tayse,  no  ne  levet  in  genen  payse,  Kose^C)  4861 
\A.  4907 :  Die  c.  hine  leeft  met  aise).  —  Qualike 
;aise  sijn,  slecht  op  zijn  gemak  zijn^  droevig 
resteld  zijn,  in  groote  verlegenheid  verkeeren.  \\ 
)ienich  wasser  qualic  tayse,  beede  buten  ende 
)innen,  VI.  Rijmki:  10195.  —  Hem  taise  (te 
)ise)  houden,  op  zijn  gemak  zijn ,  vroolijk 
:ijn.  II  Maer  die  meester  en  can  niet  el  dan 
lem  te  houden  te  eyse,  want  gheme  levedi 
net  peyse,  Limb.  VII,  144.  —  Met  aise  sijn 
»f  leven,  op  sijn  gemak  zijn,  zich  verlustigen. 
II  Tote  Aken  in  sinen  palayse,  daer  hi  geme 
vas  met  ayse,  Brab.  T.  II,  1842  var.  Die 
toepman  hine  leeft  met  aise,  Rosé  4907.  —  Hem 
net  aise  maken,  zich  vroolijk  maken:  zie  in 
iet  volgende  art.  het  aangemerkte  op  de  plaats 
lit  Velthem. 

AISE  (ayse  en  eise,  eyse),  bnw.  Fr.  aise. 
Velgemoed,  blijde,  vroolijk.  Verg.  het  vorige  art.  || 
klsic  om  dat  cussen  pel  se,  dat  wesen  dede  mi  so 
jyse,  Rosé  3783.  Tote  Aken  in  sinen  palayse,  daer 
li  geme  was  ayse,  Brab.  T.  II,  1841.  Entie ridder 
li  doet  hem  te  gemake  ente  peyse ,  ende  was  uter- 
naten  eyse,  Limb.  IV,  1598.  Dan  sijn  dingele 
lyse,  ende  nemen  die  ziele  met  feesten  groot, 
Lsp.  I,  20,  42.  Die  in  haer  lant  altoes  syn  ayse. 
Rosé  (C)  8828.  —  Hem  aise  maken,  zich 
froolijk  maken,  zich  verlustigen.  \\  In  eten ,  in  drinken 
jnde  in  feesteren,  in  bruloften  ende  in  hoveren, 
snde  om  te  stichtene  grote  palayse,  daer  si  hem 
n  maken  ayse ,  Lsp.  IV ,  5 ,  17.  —  In  de  woorden  van 
iTelthem  1 ,  19,  49:  „Moeder,  suster,  dochter,  alle, 
nrelc  dat  hem  best  bevalle ,  die  brnden  si  in  haren 
)alayHe,  ende  maken  hem  daer  met  ayse",  is  het 
liet  uit  te  maken ,  of  aise  als  bnw. ,  dan  wel  als 
snw.  moet  worden  opgevat.  In  't  eerste  geval  is 
iet:  j^zij  maken  zich  daar  vroolijk  mede-^"*  in 
iet  tweede:  zij  maken  zich  d4iar  met  aise,  d.  i. 
ry  verlustigen  zich  daar.  —  Ook  de  comparatief 
liser  was  in  gebruik.  ||  Want  ie  mi  ligge  ende 
lisiere  met  groten  rasteu  bi  den  viere,  ende  bade 


mine  lede  in  warm  water:  dus  bem  ie  ayser  dan 
een  cater.  Rosé  10971. 

AISEMENT  (aysement,  ook  asement,  asiment 
en  asument)  ,  -mente ,  znw.  onz.  Van  Mlat. 
aisamentum ,  aisiamentum ,  aiiamentum ,  aasamentum 
(Duc.  1,3,  156  vlg.,  431);  ofr.  aisement  (Roquef. 
1,  44,  en  Suppl.  13;  La  Curne  1,  303).  Verg. 
De  Bo  41. 

1)  Gerief,  gemak.  ||  Den  waterloep  duer  de 
selve  sinus  orbueren  ende  useren,  met  scepe  ende 
andersins ,  tharen  aysemente  ende  meesten  prouffyte 
Diericx,  Mém.  1,  397.  Om  het  waeter  van  de  oude 
Leye  daer  met  te  schuttene  ende  te  leedene  binnen 
haren  propressen ,  te  haren  ayse  meuten  ende  orbore , 
398  (a.  1466).  Elck  mag  sgn  erfve  binnen  der 
stede  behnysen  ten  hemelwaert  op,  tsijnen  besten 
aisemente,  Cost.  v.  AeUt  IX,  A,aangeh.  bij  De  Bo. 
Een  bailliu  die  dinghet  met  den  laten ,  ende  leghet 
zine  vierschare  te  zinen  aysemente  up  de  plecken , 
daer  men  hem  rente  ghelt ,  Briev.  v.  Aertrike  1468, 
aang.  bij  De  Bo. 

2)  Recht  van  gebruik;  gebruik,  bezit.  ||  Mids  den 
aysemente ,  ghebruucke ,  maintenanchen  ende  prouf- 
fyte, die  zv  van  der  zelver  sinus  hebben  zullen, 
Diericx ,  Mem.  1 ,  397.  Hoewel  de  prochiepapen  . . 
van  de  voorseyde  kerken  .  .  hemlieden  toegheseit 
hadden  ghelijcke,  ende  aysement  ende  prerogativen 
van  capellen  te  doen  hebbene  ende  gebrukene  ter 
plaetsen  daer  sy  een  ander  huys  voer  de  neeringhe 
coepen  ende  vercrieghen  zouden,  2,  221  (a.  1502). 
Dat  jonckvrauwe  Marie  Corremans  .  .  in  de  voer- 
seyde  cluse  wesen  ende  commen  mach,  .  .  ende 
tselve  aysement  van  vryhede  daer  in  hebben  van 
dake  ende  van  weghen,  435  {a.  1404). 

3)  Huisraad,  meubelen,  al  wat  in  een  huis  behoort. 
II  Een  palays  dede  hi   doe  maken,  dat  scoenste 

dat  men  conste  visieren ,  van  aysemente  so  meneger- 
tieren ,  dat  iet  niet  gescriven  en  conde ,  i^.  II',  2 ,  38. 

4)  Gerieflijkheid,  gemak,  in  concrete  opvatting, 
in  't  algemeen ,  al  wat  tot  een  erf  of  huis  behoort ; 
toebehooren-,  veelal  in  't  mv.  ||  Ende  waert  dat 
Jan  vornoemt  eenighe  aysemente  ofte  nieuwighede 
dede  maken,  Diericx,  Mém.  1,  409  {a.  1416). Met 
allen  den  ghelaeghen  ende  aisementen  den  selven 
hulaete  toebehoerende ,  2,  5  {a.  1463).  Ende  alle 
andere  aysementen,  ende  de  steghers  ende  solders 
zullen  zy  houden  ende  doen  houden  te  ghereke, 
244  {a.  1422).  Deene  heelt  van  eenen  huns  ende 
stede  .  .  met  sulcken  ghelaghen  ende  aysementen 
alser  toebehoeren,  237  {a.  1465).  Sijn  huns  ende 
woenste  .  .  metten  lochtinghe,  plaetze,  ghelage 
ende  aysemente  dier  toe  behoeren,  ald.  238.  Deen 
heeltschede  van  den  vorseiden  goede ,  huusen  ende 
steden ,  met  allen  den  plaetsen ,  rechten ,  aysemente 
ende  ghelaghen  dat  toebehorende  an  allen  zyden, 
Cotit.  V.  Gent  629. 

5)  Huisvesting,  herberg.  Deze  beteekenis  komt 
in  het  mlat.  en  ofr.  niet  voor,  doch  laat  zich 
gemakkelijk  afleiden  van  aisieren ,  huisvesten ,  ver- 
zorgen, herbergen,  evenals  logement  van  logeeren, 

il  Voert  moet  zoe  doen  repareren  ende  maken  in 
het  vorseyde  huns  al  sulcke  wercke  als  haer  be- 
hoeven zal  tharer  woeninghe  ende  aysemente, 
Diericx,  Mém.  2,  224  {a.  1437).  Dat  de  selve 
behuusde  stede  van  nu  voertan  eenwel  ie  duerende 
schuldich  es  te  syne  ende  blivene  ten  aysemente 
van  den  susteren,  227  {a.  1411).  Ende  so  wanneer 
dat  de  voorseyde  vinderen  den  solder  voorseyt  niet 
en  oirboiren,  zo  zullen  J.  ende  C.  den  selven 
solre  moghen  oirboiren  mitsgaeders  der  cave ,  ende 
haer   aysement   daer  inne  hebben,  237  {a.  1413). 


299 


AISE. 


AlSl. 


300 


Doe  si  des  Leviten  stemme  bekenden  des  jongelincs , 
ende  si  besichden  sün  asument,  D.  B.  RicAt  18,  3 
(Yalg.  utentesque  illius  «Kr^jono).  Ende  macbscien 
80  spreect  bi  mit  yemande ,  of  bi  is  in  asimente ,  I 
Kan.  18,  27  (Vnlg.  ant  in  diversorio  est). 

6)  Oeheim gemak^ bg  Kil.  Append.  „Aeysement, 
latrinay  \\  Een  conduit  onder  de  straete  loopende 
tot  in  de  riviere  .  .  ,  dienende  ten  aysemente  van 
baren  beeden  basen ,  Diericx ,  Mém,  2 ,  184  (a.  1432). 
Bacbten  der  dnere  yan  den  aysemente  staende  op 
tleen  van  Jan  de  Meester ,  549.  Met  eenen  gbemeenen 
aysement  toebeborende  desen  yorseiden  bunse  ende 
den  bunse  toebeborende  den  aeldingbers  van  den 
Yors.  Jan  yan  den  Steene,  Ckmt  p.  Brugge  2,  188. 
Gbefondeert,  gemaect  ende  gbeyanteert  een  nieu 
aisement,  Bek,  van  den  Vrijen^  1438,  aang,  bij 
De  Bo.  Om  de  groote  aysemente  te  rnmmeneende 
te  screpene,  ald, 

AISEMENTELIKE ,  byw.  Van  ofr.  aitéement, 
aitément  (La  Cnme  1 ,  303).  Op  eene  gemakkelijke 
wijze,  II  Dat  de  yoorseide  plaetse  bemlieden  .  . 
gbegbeyen  was  omme  daer  eenen  steegbere  te 
stellene  omme  bemlieden  also  aysementelic  ende 
gbemackelic  te  waeter  te  gaene ,  Diericx ,  Mém.  2 , 
496  (a.  1464). 

AISEMENTCAMERE  (asementcamere),  znw. 
yr.  Eene  kamer  ^  ingericht  om  zich  rutt^  gemak  of 
uerkvikking  ie  bezorgen^  logeerkamer.  \\  Daer  waren 
oec  .  .  alte  cyerlyke  asementcameren  ende  slaep- 
cameren ,  Hitt  v,  Alex,  f.  32r. 

AISIEBEN  (aysieren,  ayseren),  «w.  ww. 
bedr. ,  wederk.  en  onz.  Ofr.  aiter^  aisier  (Dnc. 
1,  166;  7,  20;  La  Cumel,  304);  proy.  aisar , 
aizir  (Bayn.  2,  42).  Van  AiSE,  snw.  en  bnw.  Zie 
ald.  en  yerg.  Aisement.  De  ecbte  mnl.  nitdmkking 
was  te  gemake  doen, 

Bedr.  —  1)  Eigenlek:  Iemand  op  zijn  gemak 
zetten^  docb  in  de  bijzondere  opyatting  yan yo^/pn/ 
onthalen  en  verzorgen ,  te  goed  doen,  Yerg.  de  glosse 
bij  GrafT,  JHut.  2,  209:  Geaisirt,  copiosusy 
II  Walewein  bleef  den  nacbt  daer  in,  ende  die 
goede  man  dede  sine  macbt  om  bem  taysieme  dien 
nacbt,  Zane.  II ,  4252.  Hi  riep  riddere  ende  seriante, 
dat  si  aisierden  Galarante  ende  leidene  ter  conin- 
ginnen,  Ferg,  4973.  Dat  men  nam  enen  jongelinc, 
die  men  aysierde  yan  alre  dinc,  die  sijn  berte 
begberen  mocbte,  II*,  37,  11.  In  eene  bayene, 
daer  bi  sijn  yolc  aysieren  dede,  Sp.  P,  37,  28. 
Alle  die  manieren ,  daer  men  goeden  man  met  macb 
aysieren,  Lanc.  lY,  620.  Si  sal  u  ayseren  met  al 
baerre  macbt,  lY,  1012.  —  Ook  yerbonden  met 
de  gelijkluidende  uitdrukking  :te  gemake  doen. 
II  Dies  déde  bi  sijn  yolc  Ie  gemake  ende  aysieredse 
daer  jegen,  Bdjmb,  29974.  —  Ook  met  bet  licbaam 
als  object.  ||  Haer  yleescb  peystereu  ende  aysieren, 
Wap.  Bog,  1201.  Sine  derme  ende  sine  mage 
aisieren  met  brode  ende  met  yleescbe,  Belg.  Mm, 
7,  321,  99. 

2)  Iemand  op  zijn  gemak  zetten ,  in  de  ruimere 
opyatting  yan  geruststellen,  van  alle  vrees  ont- 
heffen, beveiligen,  \\  Wel  was  die  dorpere  geaisiert, 
die  den  torre  gebatalgiert  so  wel  badde  op  die 
boge   zee,   Ferg.  279. 

3)  Iet  — ,  iets ,  t.  w.  eene  plaats  van  het  noodige 
voorzien.  Yandaar  bet  deelw.  Geaisiert,  als  bnw. 
gebezigd,  in  den  zin  yan  versterkt,  van  ver- 
sterkingen voorzien.  \\  Marocb,  daer  menege  stede 
wel  geaisiert  binnen  es,  Alex.  YII,  1754. 

Wederk.  —  Hem  aisieren,  in  twee  opvat- 
tingen. 

1)  Zich  gemak  en  genoegen  verschaffen,  uitrusten 


en  zich  verkwikken,  zich  verlustigen  of  t€  goed 
doen,  II  Nu  bleef  die  coninc  liegende  daer,  want  bem 
goet  docbte  ....  dat  si  bem  aysieren  ginder, 
Yeltb.  II,  36,  1.  (Die)  yan  bem  selyen  bont 
te  yele  ende  bem  selven  te  zere  aysiert,  j^.  III, 
20,  60.  Torec  aysierdem  sere  met  gerre  sooenre 
joncfrouwen,  Lanc,  UI,  26272.  Heken,  cnssen, 
ben  aisieren  met  quader  genoecbte,  Bose  4335. 
Want  ie  mi  ligge  ende  aisiere  met  groten  rasten 
bi  den  yiere,  10971.  Dat  ie  wille  maken  ene  nuwe 
zale,  om  mi  daer  in  taysieme  wale,  10815. 

2)  Zich  geruststellen,  alle  vrees  laten  varen.  || 
Yrient,  ie  wille  gi  u  aisiert  dore  sridders  wille: 
u  si  yergeyen,  Ferg.  4924. 

Onz.  (afgeleid  yan  bet  gebruik  als  wederk.  ww., 
door  weglating  yan  bet  object  hem  (zich).  YgL 
onze  op  dezelfde  wijze  ontstane  onz.  ww.  rusten^ 
vreezen  ,  biechten ,  neigen ,  steigen ,  enz).  Zich  op 
zijn  gemak  zetten,  uitrusten,  \\  Sy  yoeren  ter 
berbergben  om  taysieren,  ende  om  bare  dinc  te 
yisieren.  Trog  en  3661.  Si  sacbse  moede  ende  yerelent, 
ende  deedse  ontcleeden  saen,  ende  in  baers  selfs 
bedde  gaen,  omme  taysieme  ende  wel  yercleeden, 
Sp,  H',  83,  84. 

AISIGE,  Aysige.  Zie  bij  Asichdoem. 

AISIJL  (aysijl,  ook  aisel  en  eisel,  eysel), 
-sile,  znw.  onz.  Oude  bijyorm  yan  AisQn,  a;aj%. 
Ofr.  aisil,  aissil  (Boquef.  1,  44;  La  Curne  1, 
305);  reeds  in  ^t  ags.  aisil,  eisile  (Bosw.  17  en 
101);  eng.  eisel.  Yerg.  Diez,  Wtb,  2,  201.  || 
Doet  onderwilen  daer  in  doderen  yan  eyeren  ende 
onderwilen  aisgl,  Jiln  Yp.  97.  Mingbet  dit  pulver 
yorseit  met  aisele,  113.  Maer  aisijlenisnietgoet, 
114.  Ende  den  aisijl  doorelooptse  {die  tande)  over- 
mits sine  groete  subtileteit,  115.  Nemt  wijn  een 
deel,  aisijl  een  deel,  116.  Ende  dan  minghet  met 
puren  wijn  aisijl,  119.  Tempert  dat  vorseit pulver 
met  aisyle,  123.  Olie  van  rosen  ende  een  lettel 
eisels,  68.  Eysel  een  deel,  seem  een  alf  deel, 
ende  siedet  te  gader,  110.  Dese  doet  sieden  in 
twee  deel  water  ende  dat  derdendeel  eysel,  112. 
Warme  olie  van  rosen  gbemengbet  met  h-  deel 
eisels,  117. 

AISIJN  (aysijn,  aisin),  -sine,  znw.  onz.Asijn, 
edik,  Yerg.  AisUL  en  AisiNiCii.  ||  Hem  scincte- 
men  galle  ende  aysijn  omme  te  mtü^ene  onsen  fijn, 
Kerk.  Cl.  11.  Alle  erdscbe  dinge  dinct  bem  zgn 
bitter,  zuur  ende  fel  aysijn.  Franc.  387.  Galle 
boden  si  bem  ende  aysyn,  ^.  III',  73,  17.  Ge- 
minget  galle  met  aysine,  Jmand  II,  898;  Bijmè. 
26593  vlg.  Men  gaf  bem  aysin  met  gallen,  Fad. 
Mus.  5 ,  320.  Ysopen  vul  yan  aysine ,  Btjmb.  26597. 
Calf vlees  met  aysine,  ^ini».  1115.  Ghebemet  loec.. 
met  aisine,  Nat,  BI.  YII,  926.  Siede  bofmente 
in  aisine,  X  ,  377,  enz.  passim.  Galle  gbetempert 
met  aysine,  Praet.  4246.  Eenigbe  mesters  nemen 
water  ende  aisyne  ende  si  netten  der  in  die 
plasteren.  Jan  Yp.  44.  e.  e. 

AISILICH  (aysilich,  aysilech),  -lige  oï -lege , 
bnw.  Yan  Aisijl,  azyn:  zie  ald.  Azijnachtig,  suur. 
Hetzelfde  als  Aisinich:  zie  bet  volgende  art  || 
Dese  corts  comt  van  aysileger  fleumen,  van  zure 
slijm,  die  toget  sine  orine  bleec  ende  middelike 
dunne,  Rs.  Yp.  bbb, 

AISINICH (aysinich ,  aysinech),-»^^  oï-nege, 
bnw.  Yan  Aisijn,  azijn:  zie  ald.  Azijnig ,  azijnach- 
tig, zuur.  Hetzelfde  als  Aisilich:  zie  bet  yorlg  art 
II  So  es  sine  rupsinge  aysinecb,  zijne  oprisping 
is  zuur,  Hs.  Yp.  aangeb.  bij  De  Vries ,  Mnl. 
Wdb.  163. 

AISUER   (aysuer,    asuer),    -sure,    znw.  onz. 


301 


AISU. 


AKEL 


302 


Eigenlijk  lasuer,  van  het  Perzische  Idjoeward^ 
hlauw,  de  kleur  van  lazaursteen  hebbende.  Verg. 
Dozy,  Oost.  24.  Azuur  ^  hemeUblauto^  bijzonder  als 
term  in  de  wapenkunde.  |1  Mot  tween  libarden 
van  aysure  gecroent,  Lanc.  IV,  1797.  Den  scilt 
van  aysuere  ende  van  goude,  Amand  II,  1590. 
Enen  scilt . .  ghevarwet  met  goude  ende  met  asure , 
Wal.  4726.  Letteren  van  sabel  ende  asuur,  Rein. 
II,  6326. 

AYUEN  (ayuun),  znw.  ouz.  Ajuin.  \\  Alrehande 
provyancy,  alse  tarwe,  rogge,  bier,  butter,  case, 
visch,  loec,  aynun,  Oorl.  v.  Albr.  264. 

ACAET,  -cate^  znw.  m.  Gr.  axótxijg^  )ié..achat\ 
thans  agaat.  \\  Den  steen  die  heet  acaet,  Sp.  I' , 
33,  26.  Den  Camachien  ende  den  Akaet,  Stoke 
I,  619.  —  Nat.  BI.  XII,  46  e.  e.:  achaet-,  bij 
Runsbroec  1,  218:  acAates;  vgl.  Troyen  bl.  36. 

ACARE  (later  accare),  znw.  vr.  Jongere  vorm 
voor  N  AC  ARE  (zie  ald.),  h^i  oir.  nacaire^  naquaire, 
mlat.  naeara^  nacaria  (Roquef.  2,  223  vlg. ;  Burguy 
260;  Duc.  4,  Ö96).  Verg.  de  volgende  artikels. 
Pauk^  keteltrom^  een  muziekinstrument  door  de 
Westersche  volken  aan  de  Saracenen  ontleend.  || 
In  herpen,  in  vedelen,  in  rebebien,  in  acaren,  in 
luten  en  in  giteren.  Hor.  Belg.  6,  bl.  2,  vs.  28. 
Enen  menestrele  met  enen  riethoern  ende  mit 
eenre  ackare.  Bek,    bij   Jonckbl.  Geêch.  649. 

ACAREN,  zw.  WW.  onz.  Van  Acare.  Op  de  pauk 
of  keteltrom  slaan,  \\  Bonghen,  akaren,  vedelspel 
gheuoucht  den  jonghen  hertzen  wel,  O VI.  Lied. 
en  Ged.  201 ,  13.  Akaren  dat  es  wel  also  zoet,  202, 30. 

ACARIJN  (accarijn),  -rine,  znw.  m.  Zie  Acare 
en  verg.  Nacarijn.   Fauk-  of  keteltrom-slager.    \\ 
Twee  pyperen  ende  enen  ackarjjn ,  Bek.  bij  Jonckbl. 
Gesch.  629. 

ACARISE  ^accarise),  znw.  vr.  Afgeleide  vorm 
mn  Acare  (zie  ald.),  in  dezelfde  bet.  Pauk^ 
keteltrom.  \\  Eenen  man  die  op  die  ackarise  ge- 
(peelt  hadde.  Rek.  bij  Jonckbl.   Gesch.  622. 

ACATOEN,  'toene,  znw.  onz.  Eene  soort  van 
kiardf  bepaaldelijk  een  lastpaard.  \\  So  vele  daden 

li , dat   si    hare   acatoen ,    daer    up 

ach  haer  venisoen,  bonden  an  der  porten  rinc, 
^agm.  Carl.  364.  Vgl.  Invent.  v.  Brugge  2,  218 
in  Fragm.  Carl.  vs.  28  en  138,  waar  het  last- 
lier ,  waarop  het  wildbraad  geladen  was ,  somerptiert^ 
in  VS.  118,  waar  het  enkel  somer  genoemd  wordt. 
)e  beteekenis  kan  dus  niet  tw^felachtig  zyn,  en 
iet  woord  is  kennelyk  van  Romaanschen  oorsprong, 
kl  is  het  nergens  in  dien  vorm  vermeld.  Denkelijk 
8  het  eene  afleiding  van  sp.  haca ,  een  klein 
)aard,  ofr.  Aagne,  demin.  haquet  (Roquef.  1,  734, 
f35,  Diez  Wtb.  1,  234),  een  woord  dat  men 
tredervindt  in  eng.  hack^  huurpaard,  vanwaar 
ackney  (d.  i.  Aack-nag ,  Muller  1  •,  660) ,  fr.  haquenée^ 
ms  hakkenei.  Uit  haquet  kon  een  afgeleide  vorm 
\aquet4m  ontstaan  (verg.  mousquety  mousqueton;  valet, 
aleton),  en  ons  acatoen  staat  dan  voor  hacatoen^ 
erbasterde  mnl.  uitspraak  van  haqueton.  In  vs.  299 
'an  hetzelfde  fragment ,  waar  men  leest :  Hare  sporen 
lat  si  roerden  in  die  lanken  hare  ...  is  een 
v^oord  weggevallen ,  dat  paarden  beteekenen  moet 
in  rijmde  op  coene  ^  waardoor  het  vermoeden  ont- 
taat,  dat  het  vers  moet  aangevuld  worden  met 
xatoene ,  hier  evenwel  niet  in  den  zin  van  lastpaar- 
len ,  maar  van  strijdrossen.  Waarschijnlijk  bezigde 
Ie  dichter  het  woord  in  den  zin  van  pcuird  in  't 
Igemeen. 

AKEL,  znw.  m.  Leed^  onrecht^  schade.  Verg. 
gs.  acan^  dolere  (Ettm.  2),  en  acol^  agitatus, 
lerterritus,  miser,  turpis;  oudeng.  aken^  p\jndoen; 


nieuweng.  ache  (E.  Muller  1*,  5);  nnd.  aeken 
{Brem.  Wtb.  1,  9),  en  ons  bnw.  akelig  en  znw. 
hekel.  Vgl.  Ndl.  Wdb,  op  Akelig.  ||  Mer  worde 
hi  quijt  ghewijst,  so  heeft  die  clagher  dese  X 
pont  verbuert,  ende  daertoe  zoude  hi  hem  zijn 
akel  ende  zijn  amadenisse  beteren  rechtevoort,  bi 
den  goeden  luden  van  den  gherecht ,  O.  K.  v. 
Dordr.  61  (O.  R.  v.  Dordr.  1,  60),  179.  Die  tot  dier 
tijt  ghene  veede  van  hem  vermoedende  en  was, 
daer  hi  hom  confuse,  akel  ende  lelicheide  aen 
dede,  Nijh.  2,  226  {a.  1368).  —  Nghoff  wU  hier 
cUcet  lezen,  doch  de  beteekenis  van  dat  woord 
(z.  ald.)  is  hier  minder  gepas  t ,  daar  een  sjmoniem 
van  confuus^  lelicheit^  smadenisse  door  den  zin 
vereischt  wordt. 
AKELEIE.  Zie  acoleie. 
AKEN.  Benaming  van  een  water  bij  Beverwijk , 
waarnaar  ook  Akendam  (aldaar)  en  Akersloot  ge- 
noemd zijn.  De  grondbet.  zal  wel  water  zijn,  en 
de  k  voor  de  oorspr.  aspirata  in  de  plaats  staan 
evenals  in  't  ww  naken.  \\  In  Reidwijc  diegheir, 
dair  die  Kerke  op  staet,  vindewi  {vijzen  wij  toe)  den 
grave ,  nede  den  anderen  gheyr ,  bi  den  Akene  dair 
toe,  het  en  si,  of  yemandbetoghenmoghe  met  lette- 
ren rechte  dat  syn  si.  Mieris  2,  63a(  a.  1306). 
AKEN.  zie  Akun. 

AKER  (Haker,  ook  eker),  znw.  m.;  of  van  d 
=  water,  en  ker  =  got.  kas ,  pot,  vat,  6f  van  lat.  aqua- 
rium ;  het  laatste  is  het  waarschijnlijkst.  7V»7,  metalen 
wateremmer^  waterval \  nog  heden  in  verschillende 
streken  in  gebruik.  Zie  Ndl,  Wdb,  op  aker.  Mud. 
aker.  \\  Beckine,  hakers  ende  emers  behoerende 
ter  selver  stove,  Diericx,  Mém.  2,  6  {a.  1451). 
4  groote  houte  beckene,  ende  drie  eemerhaeckers , 
ald.  7  {a.  1464).  Die  stac  hi  in  den  aker,  in  die 
pot  of  in  die  panne,  D.  B.  I  Sam.  2,  14  (Vuig. 
„in  lebetemf  Staten-Vert.  „i»  de  teyW%  Also  vele 
the  volleren  beker  schiepsi  met  haers  herten  eker 
aen  der  rivyeren  der  godlecheit,  Lutg.  I,  427. 

AKER,  znw.  m.  Fikel.  Onrd.  akam  (Jonsson 
13);  deensch  agem\  ags.  acem^  accom  (Ettm.  2); 
eng.  acom;  nhd.  ackeran,  ecker.  De  grond  des 
woords  is  got.  akran,  vrucht,  later  in  bijzondere 
toepassing  op  die  des  eikenbooms.  Zie  Diefenb. , 
Fergl.  Wtb.  1,  31.  B|j  Kil.  „Aecker,  aker, 
Holl.  j.  eeckel,  glans.^^  Nog  heden  is  aker  de 
gewone  volksbenaming  van  den  eikel.  Zie  Ndl. 
Wdb.  op  Aker  en  Aardaker.  ||  Van  den  koe- 
kampe ,  van  4  morghen  te  eeme ,  dar  men  de  akeren 
poete.  Rek.  d.  Graf.  1,  63.  Soe  wert  hi  gelycdie 
beesten,  die  dat  gras,  akeren  ofte  vruchten  uter 
aerden  nemen,  Gesta  Rom.  f.  107a. 
AKER  (uitspr.  akèr)^  b|jw.  Zie  Akerre. 
AKERBOOM,  -bome  znw.  m.  Eikeboom ^  eik. 
Zie  Kil.  Uit  Aker  (2de  art.)  en  Boom.  \\  Hoe 
Absolon ,  sinen  vader  vervolgende ,  verwerrede  met 
sinen  haer  in  enen  akerboem ,  Gesta  Rom.  c.  18.  Ende 
groeven  die  gebeente  onder  een  akerboom,  D.  B. 
I  Chron.  10 ,  12.  Onder  den  akerboom  ende  populier- 
boom ende  terpentij nboom ,  Hosea  4,  13.  Hl  was 
stare  als  die  sikerboeme,  Amos  2,  9.  Huylt,  gi 
akerbomen  van  Basan,  Zach.  11,  2{yv\g,quercus\ 
Staten-Vert.  eyckenboom,  eycke).  Si  wort  in  Betel 
begraven  onder  een  akerboem,  B.  v.  1367,  21d, 
(Hi)  dede  water  in  een  pot  ende  sette  dat  onder 
een  akerboem,  94(7. 

AKERICH,  -rige,  bnw.  „Aeckerigh,  vetus. 
QiterceuSy  quemus.**  Kil.  Blykens  de  beteekenis 
niet  van  Aker,  de  vrucht,  maar  van  Aek^  een 
dialectvorm  van  eik,  afgeleid.  Verg.  Ned,  Wdb.  op 
Aak  (2de  art.)  en  hier  Akun. 


303 


AKER. 


ACKE. 


'M 


AKERRE  (AKfcR,  AENKERRK),bijw.  Mnd.  ^*-ttfr, 
ekarre ;  eng.  ajar.  Oorapr.  enktrre ,  ekerre ,  in 
Vlaanderen  tot  akerre  geworden  (De  Bo  43)  en 
allengs  in  aenkerre  overgegaan »  dat  sedert  tot  aem 
ker^  tien  keer  of  in  keer  ^  aenkieToXinkxer'Stx\\f.\t^ 
waaruit  weder  ons  aan  of  op  een  kier  ontstond , 
als  ook  het  verklw.  kiertje  en  het  ww.  kirren^ 
afgel.  van  het  gewaande  rnw.  kier.  De  oudste 
vorm  enkerre  is  gevormd  uit  en  of  in ,  en  kerre 
(stridor) ,  van  kerren  (stridere),  het  kraken  of 
piepen  eener  deur.  Zie  kkrren.  Enkerre  »taen 
beteekende  dus  eigenlijk  »tare  in  stridore^  op  het 
kraken  staan,  op  het  punt  staan  van  een  piepend 
geluid  te  geven,  gelijk  eene  Aanstaande  deur  al 
licht  doet.  Zie  De  Vries  in  De  Jager's  Archief 
4,  187 — 201.  —  Akerre  staen,  van  eene  deur, 
op  een  kier  staan ^  aanstaan,  een  weinig  openstaan. 
Bij  Kil.  „Aen-staen,  Aen-karre  staen, 
eonnivere,  nonpiene  c/ausutn  esse ,  stare  semiapertvmy 
II  (Si  quamen)  tenen  stalle  saen,  ende  vonden  die 
dore  akerre  staende.  Wal.  9362.  Nochtan  croep  hi 
in  den  stal,  ende  liet  die  dore  aker  staen,  Bflg. 
Mus.  10,  63, '83.  Alsic  vore  die  dore  bencomen, 
hadsi  van  binnen  mi  ondaen,  ende  heeflse  aenkerre 
laten  staen,  Rosé  fr.  bl.  254,  41. 

AKET  (acket),  mv.  akette,  znw.  (het  geslacht 
blijkt  niet).  Slimme  streek ,  listige  vond,  bedrieglijke 
kunstgreep.  „Acket,  j.  aket,  aguet.  Insidiae, 
obsidiae."  Kil.  Append.  831 ,  832.  Van  fr.  aguet,  ofr. 
agnait,  agait  (Roquef.  1,  35,  38;  La  Cume  1, 
225);  prov.  agach,  aguait  (Rayn.  3,  417);  waar- 
nevens  fr.  guetter  {en guet-apens)  bespieden,  loeren; 
alle  woorden  van  Duitschen  oorsprong,  van  ohd. 
waAta,  wacht.  Zie  Diez  1,  231,  Duc.  6,  901, 
Gachet  9,  en  verg.  by  Aweit.  Uit  de  oorspr.  be- 
teekenis  van  insidiae,  lagen,  ontwikkelde  zich  die 
van  slimme  streken,  evenals  in  het  ofr.,  waar  agait 
mede  voorkomt  in  den  sin  van  subtilité,  surprise, 
artifice,  piége  (zie  Roquef.  1,  35  en  Burguy  179). 
II  Die  dan  mochte  horen  die  akette,  die  si  daer 
voertbringhen  bi  wette,  ende  diere  den  sin  toe 
woude  keren,  mochter  reinaerdie  ane  leren.  Rein. 
Bijl.  bl.  295  (in  andere  afschriften :  okette  en  ockette). 
Nuwe  assisen  ende  scalke  acketten  op  tfolc  visieren 
ende  insetten ,  iV.  Doet.  515  var.  (tekst-hs.  ocketten). 
Cossedraghers  ende  zulcke  cadetten,.,  die  preken 
om  hebben  met  nauwen  acketten,  Vad.  Mus.  5, 
83.  —  Het  woord  oket  staat  wel  in  beteekenis  met 
aket  gelijk,  maar  is  in  oorsprong  daarvan  onder- 
scheiden. Zie  Oket. 

AKIJN  (Aken),  stoff.  bnw.  YüXiaak,  bekend  als 
naam  van  een  boom ,  die  Spaansche  aak ,  of  Spaansche 
eik  genoemd  wordt,  een  soort  van  eschdvorn  of 
ahorn.  Doch  daar  aak  waarschijnlijk  een  dialect- 
vorm  van  eik  is  (zie  Ndl.  Wdb.  1,  47),  zdXakijn 
wel  beteekenen  Eikenhouten.  \\  Van  een  akijn 
pontkijn,  dat  men  bezeghede  int  fondament,  Rek. 
V.  Zeel.  2,  356. 
ACCARE,  ACCARIJN,  ACCARISE.  ZieAcARE, 

ACARIJN,   ACARISE. 

ACKELEN.  „AcKELEN,  vetus,  j.  schroomen. 
Horrere:'  Kil. 

ACKELIJC,  -like,  bnw.  „Ackelick,  vetus. 
Ilorribilis:'  Kil. 

ACKELEIE.  Zie  acoleie. 

ACKER,  mv.  ackere  oïackre,  znw.  m.  Akker,  land, 
lat.  ager,  in  de  hedendoagsche  beteekenis.  ||  Die 
ackre,  Rijmb.  13148,  enz.  Ten  acker  waerd,  29648. 

ACKERBOÜWINGE ,  znw.  vr.  Uit  Acker  en 
Bouwinge.  Eigenlijk  akkerbouw ,  landbouw,  in  con- 
crete   opvatting    voor    akker.     ||     Wi    siju    Godes 


hulpers,  ghi  sijt  Gods  wckcrhouwimghc ,  ghi  s|t 
Gods  tymmeringhe,  Hs.  75  f.  23m  (I  Car.  3. 
9,  in  de  Staten- Vert.  aekerwerck). 

ACKERKN',  zw.  ww.  onz.  en  bedr.  Tam  Acker 
Nog  in  West- Vlaanderen  io  gebruik:  xie  De  Bo41 

Onz.  —  Ploegen,  den  akker  beploefem^  èehomwen 
|l  Si  mo.sten  den  clooster  laten  staen ,  ende  wekt- 
ren  ende  roden  gaen,  Lsp.  I,  25,  113  Tmr.  Esea 
cnecht,  ackerende  of  weedeode  oasen,  Hs.  w.  1348 
159<f  (Lue.  17,  7).  Dmer  wiessen  np  die  reldea.. 
alle  vruchten  die  moghen  z^n,  sonder  ackera 
ende  graven.  Brand.  1604-07.  Een  lattel  tfts 
voer  Cristns  geboerte  . . ,  soe  ackerden  sonuügbe 
Inden ,  Pass.  W.  1323.  Ackerea  noch  oe^^en ,  D. 
B.  Gen.  45,  6.  Te  ackeren  ende  te  oochstei. 
Exod.  34,  21.  En  haddi  niet  geackert,  RieAi.  14, 

18.  Ackerende  in  twalef  jocken  van  ossen,  I   EmL 

19,  19.  Die  ossen  ackerden.  Joh  1  ^  14  (Til|:. 
ar  ar  e ;  Hs.  v.  1423 ,  128a  heeft  hierroor  U 
onrechte:  Die  ossen  atcorden). 

Bedr.  —  Beploegen,  bebouwen,  l|  Die  heft  eaa 
knecht,  die  siju  lant  ackeft,  ochte  die  sgn  qau 
huedt,  L.  V.  J.  e.  162.  Dese  cleine  Inden  a 
ackeren  noch  en  bouwen  geen  lant ,  Mandev.  50r. 
Sonder  yser  mach  men  .  .  geen  lant  ackera. 
Barthol.  549Ó.  Men  sal  Syon  ackeren  als  eaa 
acker,  D.  B.  Jer.  26,  18.  Also  veel  als  een  paer 
ossen  plagen  te  ackeren  in  enen  dage,  I  Smml.  14. 
14  (Vuig.  arare).  Sommige  wonnen  koren  en  ak- 
kerden tlant,  Heemsk.  55. 

ACKERMAX,  mv.  -manne  en  -lied'e  ^  raw.  ■. 
Mnd.  ackerman.  Landman ,  landbouwer.  ||  Die 
ackermanne ,  Lucid.  5811.  Ackerliede,  Sp.  1V^ 
42 ,  24.  Ic  ben  die  ghewareghe  wgngart ,  ende  m|x 
vader  es    akkerman,    diene  wynt,  L.  v.  J.  e.  21i 

ACKERMENTE,  znw.  vr.  Akkermenf,  velémewi, 
veldmunt',  Mentha  arvensis  L.  Zie  De  Bo  43.  Bof^ 
mente  es  beter . .  dan  die  ackermente  si ,  Nat.  K. 
X,  373.  Calamentum  of  nepita  of  ackermente,  &. 
Yp.  96a.  Jegen  den  huur  in  die  kele  salmea 
ackermente  sieden  met  rosen  in  asine,  dit  sal  Ut 
sieke  honden . .  in  sinen  mont,  ald.  b. 

ACKERNERINGE,   znw.   vr.  Uit  AcJker  en  3V 

ringe.   Alles   wat  tot  de  nering  of  het  bedrijf  vu 

den    landman     behoort ,     landbouw ,    boerenbedrijf. 

II    Soe    leerde    hem    vele   ackemeringen    {%de  ns. 

mv.),  Rijmb.  2311. 

ACKERNOOT,  znw.  vr.  Okkernoot,  wetlnooL 
Westvlaamsche  vorm,  nog  in  gebruik  (De  Bo  43v 
II  Olie  van  oliven  ofte  van  ackemoten  2  pont. 
Jan  Yp.  63.  Alse  eenige  wormen  sin  in  de  oem, 
soe  stoet  die  groene  scorse  van  den  ackemotea: 
daer  of  drupet  in  den  oeren ,  122. 

ACKERSIEC,  bnw.  „Acker- sieck ,  veL 
Flandr.,  j.  veld-sieck ,"  en  „Veld-sieck,  Acker- 
sieck,  leprosus,  elephanfiactis ,  qui  seorswm  » 
campis  extra  castra  et  civitatem  habitare  debet ^ 
Kil.  Zie  Van  Hasselt  in  deaant. ,  en  verg*.  Diexin, 
Méin.  1 ,  578.  ||  Ter  causen  van  dat  de  voerscyde 
vocht,  ten  voemoemden  ackersiecke  behonf,  ver- 
sochte  ende  begheerde  den  voerseyden  Gillis  be 
dwonghen  te  hebbeno,  hemlieden  te  laeten  gh^ 
brukene  de  woeninghe  ende  besit  van  den  selvei 
sieckhuuse,  Diericx,  Mém.  2,  475  (a.  1451).  Ornne 
de  ackersiecken  voorseit . .  de  voornoemde  capelle  . . 
te  hebbene  ende  paysibel  te  besittene,  509  («.  1459i. 
Zoo  ook  Invent.  v.  Brugge  4,  319. 

ACKERSIECTE,  znw.  vr.  „Veld-sieckte . 
Acker-sieckte,  lepra ,  elephantia , elepkeuUiasis:' 
Kil.  Verg.  het  vorige  art.  ||  Tusschen  Janne  Viliw 
als   vocht   iii   desen   tijt   van  den  ackersiecten  vu 


}05 


ACKE. 


ACCO. 


30(> 


leser  stede,  Diericx,  Mem.  2,  475  (a.  1461).  Als 
roecht  van  den  ackersieckten  ende  lazaryen  binnen 
mde  ontrent  de  stede  van  Gendt,  Ö09  (a.  1459). 

ACKET.  Zie  Aket. 

ACKET,  znw.,  mv.  ackette,  bij  Diericx,  Mém. 
S,  105.  Zie  Arket. 

ACCOORT.  Zie  AccoRT. 

ACCORDEN  (acoorden),  ïw.  ww.  onz.  Met 
iet  voorï.  met  Accorden  met  enen  of 
re  dinc,  met  iemand  of  iet^  een  verdrag  maken ^ 
»ij  uitbreiding,  zich  er  mede  afgeven^  zich  er 
tede  bemoeien  ^  er  mede  omgaan^  ze  hanteer  en 
van  eene  zaak).  ||  Want  die  met  wapene 
«oert,  sal  honden  eendrachtechede ,  Vad,  Mus. 
,  353,  53. 

ACCORDEREN  (acorderen),  zw.  ww.  bedr. 
m  onz. 

Onz.   —    1)    Accorderen    met    enen,    met 
rmand  eene  overeenkomst  ^  een  verdrag  maken.    \\ 
)at  die  hertoghe  metter  stede  acorderen  sonde  in 
)ayse,  Fl.  Rijmk.  10261. 

2)  Accorderen  tot  iet,  in  iets  toestemmen.  \\ 
[)at  hi  daer  toe  geme  wilde  acorderen,  Lane.  II, 
795.  Hir  toe  acordeerde   Claudas  als  hi  hoerde 
lat  haer  raet  was ,  II ,  33565.  Hier  toe  accordeerden 
1  geel  Hestor  ende  mede  Lyoneel,  IV,  1921. 

Bedr.  —  1)  Overeenkomen y  bepalen.  ||  Ditacor- 
leerden  al  dare  beede ,  die  coninge  ende  die  grave, 
^/.  Bijmkr.  6770.  Ende  accordeeiSen  in  haren  sin, 
e  pilgieme  de  stede  van  Ghend,  6780. 

2)  Antwoorden ,  bij  Kil.  App.  831  o.  dk.r esponder  e.  \\ 
c  wedde  om  een  zesken ,  ghy  en  ziet  dat  draeyken 
tiet;   eyst  wit  of  zwart?  Willet  my  accordeeren, 
ïan.  H.  96. 

ACCORDICH  (accoordich),  bnw.  Van  Accort. 

1)  Eensgezind,  ||  Kaerle,  edele  van  gheeste,.. 
leifx  ghehouden  sün  landen  accoordich  met  wysen 
aede  ende  voordachticheit ,  ZVl.  Bijdr.  5, 323,  279. 

2)  Accordich  sjn,  het  eens  zijn,  overeenge- 
'omen  zijn.  ||  Ie ,  Jan  Bautoen ,  hier  teghenwordich , 
nde  dese  vrouwen  s^n  accordich,  dat  wijt  sullen, 
est  u  begheren,  op  thelich  cruis  ons  Heeren 
weren,  Sacr.  472. 

ACCORT  (acort,  accoort,  accoert),  -orde, 
9orde  of  -oerde^  znw.  onz.,  bij  Hild.  ook  vr. 
^r.  accord;  niet,  als  men  veelal  meent,  van  ad 
n  ehorda,  maar  met  het  ww.  aceordare  gevormd 
aar  de  analogie  van  concordare  en  discordare, 
n  dus  van  cor  (Diez,  fTtb.  1,  6).  Evenals  vele 
lastaardwoorden ,  waarvan  men  den  juisten  zin 
iet  begreep ,  een  woord  van  zeer  uitgebreide 
n  niet  altyd  nauwkeurig  afgehaakte  en  bepaalde 
»e  teekenis. 

1)  Eensgezindheid,  eenstemmigheid.  ||  Daer  es 
igt  ende  groet  onwerde,  ende  selden  es  daer 
£ort,  Doet.  III,  404  var.  Goede  gunste  ende 
nete  woerde,  vriendelic  sien,  gelike  accoerde, 
louden  die  rechte  minne  staen,  MLoep  II,  715. 
Sy)  ghinghen  deilen  te  samen  tgoet  dat  sy  wonnen 
e  Vilvoorde ,  blidelike  met  goeden  accoorde ,  Orimb. 
,  5624.  Ende  daden  met  vriendeleken  woorden, 
lat  si  ondercusten  met  acoorde,  Amand  II,  4639. 

—  In  accorde  b ringen,  tot  eensgezindheid 
rengen,  verzoenen.  ||  Dat  en  was  in  gheere  maniere 
e  doene,  .  .  dat  hise  bringhen  mochte  in  acorden, 
Oenkm,  3,  119,  26  {Bloemt.  3,  29,  26).  — 
Te  eens  accorde  bringen,  met  iemand  m 
ensgezindheid  brengen,  met  hem  verzoenen.  ||  Ont- 
érmicheit  wilten  (Adam)  te  minen  acoerde  bringen 
inde  sjjn  geslachte  gemeene,   Blisc.   v.  M.  1310. 

—  Accort  houden  in   iet,  eensgezindheid  be- 


waren tn  iets,  van  gelijke  gezindheid  er  in  blijven, 
er  in  volharden.  ||  Ontdaen  so  es  hem  die  poort 
(des  hemels),  die  in  weldoene  houden  accoort,  fTap. 
Bog.  1102.  —  Sonder  accort,  zonder  een- 
stemmigheid, dus,  in  verwarring,  dooreen.  \\  Tfolc 
liep  al  sonder  acort  handen  slaende,  treckende 
haer.  Witte k.  v.  Sass.  160. 

2)  Samenstemming ,  instemming,  overeenstemming. 
II  Te  rechte  voegen  die  woorde,  elc  na  sinen  scoonsten 

accoorde,  Lsp.  III,  15,  17.  Tsaed  bi  der  ewangelien 
acoorde beteekent  der  heligher  scriftueren  woorde, 
Amand  II ,  5302.  Dan  so  sal  sekerlike  ene  vrienscap 
sijn  ende  een  accoort  in  al  die  werelt,  Lsp.  IV,  4, 
68.  Ende  soe  sal  sijn  voort  onder  die  heren  groot 
accoort,  IV,  4,  36.  Ende  die  heilighe  kerke  sal 
daer  boven  sgn  versament  al  in  éne  glorie,  inéén 
accoort,  II,  39,  245.  Doch  sel  elck  die  sine 
(kinder)  minnen ,  dat  doet ;  het  is  ghemeen  accoert, 
Hild.  108,  124.  Doe  die  inghel  hadde  dijnacoort, 
doe  seide  hi:  Benedicta,  O VI.  Ged.  2,  58,  95. — 
Accort  houden  met  enen,  samenstemmen met 
iemand.  \\  Metten  ouden  hout  alt^t  accort,  die 
God  ontsien  waer  hi  verkeert,  Spieg.  d.  Jong.  65. 
—  Haer  accort  sceden  (van  twee  of  meer 
personen),  hunne  samenstemming  verbreken,  uiteen- 
loopen.  II  Wildi  weten  wye  si  sien  (d.  i.  sijn), 
die  dus  scheiden  hoer  accoert?  Hild.  196,  13.  — 
Van  accorde  s^n,  samenstemmen,  overeen- 
stemmen (met  iets  anders).  \\  Dies  laet  varen  telker 
tijt  tghewerke,  alst  niet  en  es  van  acoorde,  ende 
achtervolghende  den  woorde,  dat  men  van  den 
priester  hoort,  Amand  II,  2750.  —  Van  énen 
acoorde  sijn,  samenstemmen,  overeenstemmen  met 
elkander.  \\  Dat  sine  herte  ende  sine  worde  bede 
sijn  van  enen  acorde,  Heim.  1795.  Dat  die  gewerke 
entie  worde  altoes  sijn  van  enen  acorde, /^.I',  60, 
41;  Amand  I,  1906.  Zi  moghen  niet  te  gader 
wandren  ende  wel  van  eenen  accorde  wesen,Praet 
2882.  —  Accort  doen  te  iet,  instemmen  met 
iets,  er  medeplichtig ,  deelachtig  tuin  zijn.  \\  Hoe 
dat  recht  mach  wesen,  dat  up  ons  daelde  dat 
zoort  der  eerster  souden,  want  acoort  daden  wi 
noint  te  desen,  Wap.  Bog.  159.  —  Sonder 
accort,  zonder  overeenstemming  ^  t.  w.  met  iets 
anders;  dus,  zonder  weerga.  \\  Want  also  ghi 
vooren  hebt  ghehoort,  so  vaut  hp  hart  sonder 
acoort  te  Maestricht  als  hiere  binnenquam ,  Amand 
II,  1021.  —  Ook  van  de  samenstemming  der 
verschillende  deelen  van  een  voorwerp,  en  dus 
verband,  samenhang.  \\  Waermen  gheselscap  pleghen 
sal,  daer  moet  eendrachticheit  wesen  al,  ghelyc 
den  boghe  in  sijn  accoort,  Hild.  229,  37. 

3)  Samenstemming  van  gevoelens  en  meeningen, 
en  bij  uitbreiding,  (overeenstemmend) gevoelen ,  mee- 
ning. II  Ten  Joden  sien  wi  nu  vort,  wat  van 
Gode  es  hare  acort,  Sp.  11^,  21,  1  (Vinc. 
quid  sentiant  de  Deo).  Ende  hadde  met  eenen 
woorde  al  tfolc  brocht  te  sinen  accoorde,  Amand 
II,  2602. 

4)  Uit  de  vorige  beteekenis  ontwikkelde  zich 
die  van  vereeniging  van  personen,  die  dezelfde  gevoe- 
lens toegedaan  zijn ,  en  dus  partij.  In  verschillende 
zegswyzen:  —  Van  eens  accoorde  sijn,  tot 
iemands  partij  behooren;  enen  van  sinen  ac- 
corde hebben,  iemand  tot  zijne  partij  rekenen , 
tot  bondgenoot  hebben.  ||  Ik  reettene  doot  van  sinen 
wrene  ende  tien  die  waren  van  sinen  accorde , 
Flandr.  1 ,  560.  Om  dat  zi  waren  van  zinen  accorde 
die  daer  met  hem  (Lucifer)  vielen  neder,  so  biense 
God  met  zinen  worde ,  Praet  2387.  Ende  hen  gaf 
grote   coenhede , . .    dat   si    dus  hadden  van  haren 


307 


ACCO. 


ACCO. 


308 


accorde  mijn  her  Lancelote  ende  Bohorde,  Lanc. 
IV,  6079.  —  Aen  eens  accort  vallen,  tot 
iemands  partij  overgaan,  \\  Dat  si  vielen  aen  8ijn 
acort ,  ende  hem  swoeren  trouwe  ende  hulde , 
Brab.  Y.  YI,  962.  —  Enen  crigen  (werven, 
trecken)  aen  sijn  accort,  iemand  tot  zijne  partij 
overhalen^  voor  zich  vinnen,  hij  uitbreiding,  tot 
zich  lokken,  verlokken.  ||  Als  van  Vlaendren  Lode- 
wijc  Mechelen  aldus  suptyllijc  ghecregen  hadde 
aen  sgn  acort,  Brab.  T.  VI,  971.  Ende  heeft  aldus 
gheworven  vort  die  ghemeinte  aen  syn  accort, 
VI ,  4589.  Alsmen  noch  vele  wiven  vint ,  die  helsen , 
cusseu  ende  blecken  ende  met  haren  samblanten 
trecken  die  mannen  aen  haer  acoert,  Sei/h.  182. 

5)  Bij  verdere  uitbreiding,  gezelschap.  ||  Diefft, 
verraderi  ende  moort  vintmen  al  in  hoir  accoert, 
t.  to.  van  de  overspeligen ,  Hild.  11,  477.  Waent  u 
heere  so  vele  lieven  alleen  te  houden  te  sinen 
acoerde?  Segh.  4040.  Ie  waende,  hi  soude  mijn 
man  hebben  gheweest,  so  heeft  hi  dan  seven  wive 
te  sinen  acoerde,  7986.  Hi  mach  wel  sijn  van 
groten  accoert,  die  so  scone  her  berge  hout, 
Merl.  33272. 

6)  Vereeniging  van  overeenstemmende  tonen,  ak- 
koord, bij  uitbreiding,  toon.  \\  Daer  es  der  belle- 
kine  gheclanc,  daer  jeghen  te  horne  den  soeteu 
acort,  H^al.  7807.  Nu  gcift  mi  vort,  so  mi  behoort, 
dat  recht  accort,  OVl.  Lied.  en  Ged.  96,  11.  Hier 
niet  ghesonghen  zi,  joncheer  Lust  en  werter  bi, 
want  zijn  acoort  vulbringhet  al,  260,  818.  Ic  wils 
gheselle  zQn ,  want  daer  ghebreict  een  derde  accort , 
157,  31.  Dus  gaen  wy  met  soeten  acorden  .  .  om 
dit  heilich  sacrament  te  halen ,  Sacr.  188.  —  (G  e  e  n) 
accort  dragen,  {niet)  overeenstemmen,  {niet) 
harmoniéeren.  ||  Dat  ic  met  enen  esel  songhe,  ic 
wane  en  droeghe  gheen  acort ,  Vad.  Mm.  2 ,  185 ,  252. 
—  letvoegen  aensjjn  accort,  iets  met  iemand 
doen  overeenstemmen,  in  figuurlijke  toepassing.  || 
Sonde  hi  niet  sijnre  herten  staet  voeghen  aen  mijn 
acoert?  Segh.  1366  (var.  vesten  aen  m.  a.)  —  In 
concrete  opvatting,  speeltuig,  dat  accoordsn  voort- 
brengt. II  Nemwi  de  harpe  dat  zoete  acoort,  daer 
David  Gods  lof  in  brochte  voort,  OVl.  Lied.  en 
Ged.  421,  212: 

7)  Overeenkomst ,  verdrag,  akkoord,  inzonderheid 
tusschen  vijandelijke  partijen  gesloten.  ||  Bi  accorde 
ende  oec  bi  rade ,  Rosé  10895.  Ic  rade  te  makene  ac- 
coort,  eer  dat  meer  tedesertijt  verwerre,  Grimb.  I, 
5370.  Ende  maecte  daer  een  goet  acoort,  so  dat 
si  bleven  ghevrienden  voort,  Jmandl,  3726.  Selc 
acoort  houdic  wes  ghi  wilt  raden  mi ,  OFl.  Lied. 
en  Ged.  405,  63.  Dits  goet  accoort,  op  dat  ic  bet 
na  mijnre  onschulde  mocht  verdienen  vrouwen 
hulde,  Hild.  180, 136.  Acoort  ende  pays,  T/.  Rijmkr. 
10151.  Pays  noch  acort,  6981.  —  T accorde 
bringen  (stellen),  tot  overeenkomst  brengen , 
vereffenen.  ||  Daer  hi  alle  die  discoorde  . .  brochte 
tacoorde,  VL  Rijmkr.  9243.  Dat  ment  bringhen 
couste  tacoorde,  10198.  (Si)  hebben  .  .  tacorde 
brocht  die  dissencie,  Brab.  Y.  VI,  10350.  —  T ac- 
corde (in  accorde)  stellen,  vereffenen.  \\  Dat 
si  den  twist  ende  tdiscort  tusschen  den  hertoge 
ende  sijn  steden  stelden  tacorde  ende  tevreden, 
Brab.  Y.  VI,  6640.  Ompaeis  stellen  in  acoorde, 
OVl.  Lied.  en  Ged.  289,  1645.  —  Van  accorde 
vallen,  in  tweeledige  opvatting: 

a)  Van  personen.  Het  eens  worden.  \\  Doe  zy 
hoorden  van  desen  doene,  si  vielen  stappans  van 
acorde,  Denkm.  3,  119,  46. 

b)  Van  zaken.  Tot  stand  komen.  \\  Dus  viel  de 
sake  van  acoerde,  VI.  Rijmkr.  7985. 


8)  Aard,  natuur.  \\  Der  linden  telghcn,  hoer 
accoert,  wil  ic  u  wat  onderscheiden,  Hild-  215, 
164.  Hoer  leven  ig  van  dier  accoerde,  si  hora 
selden  metten  singhen  ,  173,  112.  Troeren  is  fa 
dier  accoort :  dies  veel  wil  doen ,  die  quct«t  da 
sin,  222,  26.  —  Na  sijn  accort,  na4tr  zijnaari, 
naar  den  eisch ,  naar  behooren.  \\  HiUc  is  ea 
salicheit,  daer  menich  eer  ende  bate  «»  Icrt, 
alsment  regiert  na  sijnre  accoerde,  Hild.  108,  <3 
Op  dat  ghi  dcse  twee  wilt  houden  elkcrlgc  lae 
sijn  accoort,..  soe  moechdi  in  eren  comcn  voert, 
169,  65.  —  Bi  accorde,  naar  den  aard,  mt 
behooren.  jj  Dat  elc  exemple  nemen  mochte  ra 
allen  die  ter  kerken  behoorden  an  hem ,  ende  bet 
doen  bi  acoorde ,  Amand  II ,  1092.  I>ie  achtersj 
sillebe  van  den  woorde,  daer  minen  »«»«"»  «» 
bi  accoorde  heeft  in  drie  letteren,  II,  6398. 

9)  Handeling,  handelwijze,  eigenlgk  van  persiOM 
onderling,  waaruit  zekere  betrekking  on  be^aUk 
gevolgen  ontstaan,  bij  uitbreiding,  zaak.  \\  ^oA 
is  eeu  dom  accort,  Hild.  116,37.  „Ducchtlrai 
es  goet  avijs."  Dit  dochte  den  heere  goet  acoort, 
Denkm.  3,  182,  21.  ^.„      _ 

Aanm.  1)  —  Gelijk  wy  uit  de  verschiUendeTiW- 
beelden  zagen,  paste  men  op  het  bastaard wowti, 
waarvan  men  den  rechten  zin  niet  duidel^k  begrwf. 
vele  zeer  uiteenloopende  beteekenisscn  toe ,  en  wet 
de  juiste  zin  van  het  woord  hoe  langer  zoo  oak^ 
paalder  en  weifelender.  Segh.  4745  Var.  komt  te 
ook  voor  in  den  zin  van  melding,  fr.  reeort:  ,Vfi 
minnen  daden  si  acoerde'',  doch  daar  is  ket  T«r- 
wisseld  met  recoerde,  gelijk  de  tekst  heeft.  Wur- 
schijnlijk  moet  acoorde  ook  inreeoordey  vermeldaf 
veranderd  worden  Amand  II,  5691:  „Dat  h«a 
een  bode  was  ghesand ,  welke  hem  hadde  g'hoe'- 
in   woorden,    bi    den    beveelne  van  Gods  acoort 

eene  boodscip."  ,       ^ 

Aanm.  2)  —  Ook  wordt  «rror/ als  bnw.  gebcii^, 
in  den  zin  van  eenstemmig,  overeenstemmend,  wwr- 
schijnlijk  als  vertaling  van  een  in  het  Frawti 
origineel  voorkomende  d^aecord,  of  wel,  dat  & 
fransche  uitdrukking  étre  d'accord  bij  ons  algem» 
luidde:  accort  sijn.  Zoo  OVl.  lAed  en  Ged.  34r 
938:  „Die  vrede  gheven  ende  daer  na  hrek^^ 
men  sal  hem  groten  lachter  spreken :  woort  esè 
weere  sal  sijn  accort."  —  Vgl.  ook  ons  akkoet% 
in  de  bet.  ik  stem  met  u  in,  ben  het  met  u  eem. 
ACCOTOEN.  Zie  Acotoen. 

ACOLEIE  (ACOLIE,  AKELEYE,  ACULEIE  ,  AGKE 
LEIE),  znw.  vr.  Lat.  aquilegia,  fr.  ancolie,  mnd. atelep^ 
thans  Akelei ,  eene  plant  tot  de  familie  der  ranm^ 
culaceae  behoorende,  met  blauwe  of  paarse  bloe»ea 
II  No  acoleie,  no  lelie,  no  rosé,  no  violc,  TUs 
2868.  Van  acoleien ,  van  eglentieren ,  2565.  Acoleja 
ende  violetten,  IVal.  5115.  Violetten,  leliën,  n»ei 
ende  acoleyen,  L.  o.  H.  55.  Die  acolye  vokfe 
hier,  naer  mijn  leeren,  die  vijflfoudich  es  onder 
slaghen,  Denkm.  3,  124,  85,  verg.  Letterk.S.f 
5»,  102,  22.  Acoleyen,  lelyen ,  tidelosen ,  VI  Verwt^ 
56,  in  N.  Versch.  4,  86.  Daer  stonden  d^ 
alrescboenste  ackeleien,  Brugm.  1,  236.  Acnl^ei 
ende  agulgouden,  Pgr.  en  Th.  233.  —  Ook  in  i< 
geneeskunde  gebruikt.  |1  Si  salfdene  ende  maedci 
hem  eeu  bat :  si  waren  vroet  van  eersatrien ,  worpö 
in  rosen  ende  acoleien  ende  ander  cruut  dat  si  dae 
vonden ,  omme  te  sachtene  sine  wonden ,  fer^ 
4186.  —Als  benaming  der  H.  Maagd.  t|  God  groeti 
u,  acoleye  fier.  Moeder,  scone  ende  welgheda^. 
Vn  Bloem.  3,  in  Inst.  "Zde  kl.  Ferh.Q*,  65l  - 
Als  zinnebeeld  van  den  ootmoed  komt  de  «00^ 
voor    in    Vad.   Mus.    1,    385,   47—56.     (j      De» 


309 


ACOL. 


ACQU. 


310 


naghet  die  es  yrome,  in  exemple  wel  gheseit, 
lat  soe  es  acoleye  blome  om  hare  grote  omoedicheit , 
?raet  257 ;  vgl.  134.  —  Ook  als  bnw.  gebezigd , 
is  benaming  der  blauwe  of  paarse  kleur.  ||  Dat 
ran  nn  voirtan  gheen  yerwer  binnen  der  stede  van 
!)elf  yemwen  en  sal  scharlaken,  roen,  roeseven, 
ikeleyen  ofte  taneeten ,  anders  dan  Jan  Ysbrandsz. , 
7.  K.  p.  Del/i  I,  24,  38. 

ACOLIJT  (accolijt),  -lite,  znw.  m.,  mhd. 
icolUe,  Yan  Mlat.  acolytus,  van  gr.  axo'Xov^o;, 
)egeleider.  Zie  Duc.  1,  57.  Geestelijke  van  lagere 
trde,  in  rang  volgende  op  den  subdiaken.  \\  Diene 
rjjede  acolijt,  i^.  III',  30,  4.  Tiene  diakene  .  . 
inde  tiene  subdiakene,  ende  tiene  acolite,  VI. 
lijmkr.  395  vlgg.  Dyakene  ende  subdiakene, 
iccoliten  ende  costren,  Livre  d.  Mest,  16.  Dyaken, 
inbdyaken,  acoliten  ende  clercken,  Matth.  84. 
)oe  sadt  hy  dair  9X9  etïidJC;zo]^i  {en eindelijk^  nadat 
ïem  ook  het  attribuut  daarvan ,  het  koorkleed ,  was  af- 
gedaan)  .  .  .  doe  sat  hy  aldair  als  een  leeck,  85. 

ACOLISSIEHOÜT.  Zie  Colissiehout. 

ACONISCIEREN,  zw.  ww.  wederk.  Prov.  aconoys- 
er  (Rayn.  4,  334),  yan  lat.  aceognoscere.  Hem 
aet  enen  — ,  zich  bij  iemand  bekend  maken y 
ich  aan  hem  voorstellen.  \\  Herde  geme  ie  den  conine 
prake,  ie  wille  mi  met  hem  aconiscieren ,  ende 
aren  met  hem  in  rivieren,  Ferg.  636.  Vgl.  acquen- 

'lEREN  en  BECONDEN. 

ACOORT,  AcoRT.  Zie  Accort. 

ACOTOEN  (acottoen,  accotoen,  aücotoen), 
toene^  znw.  onz.  Prov.  alcoto  (Rayn.  2,  52);  ofr. 
mcoton^  auqueton,  nfr.  hoqueton^  eng.  aeton. 
Sen  woord  van  Oosterschen  oorsprong,  met  de 
;aak  zelve  door  de  Westersche  volken  tydens  de 
kruistochten  van  de  Saracenen  overgenomen.  Yan 
krab.  al-coton ,  al-cotn ,  katoen ,  boomwol.  Zie  Diez, 
Vtb.  I,  143,  op  co  ton  e;  Engelmann  39;  Dozy, 
laster L  52.  De  Nederl.  naam  was  Wambeis:  zieald. 
Sen  wambuis ,  dat  de  ridders  onder  het  harnas  droe- 
gen, veelal  van  zijde ,  met  borduurwerk  of  gouddraad 
'ersierd,  en  van  binnen  met  katoen  gevoerd.  || 
li  dede  hem  an  een  acottoen;  daer  boven  hiet  hi 
lem  andoen  enen  halsberch  sambelijn,  ende  daer 
laer  een  curiekgn  van  enen  veile  van  serpente, 
^erg,  4603.  Wi  wilden  hebbeu  groet  ende  clene, 
>rs ,  halsberch  ende  acottoen ,  Ferg.  2958.  Halsberch 
inde  acottoen ,  3896.  Ende  reet  hem  int  herte  voren 
lore  halsberch,  dore  a^otoen,  JUmb.  XII,  412. 
{cilt,  halsberch  no  accotoen,  Lorr,  II,  321,  449. 
>or  halsberch  ende  aücotoen ,  Lelt.  N.  iS.  7 ' ,  133, 
.27.  Aucotoene,  halsberge,  coucen,  Mose  fr.  248, 
.7.  Een  acotoen  dat  wale  sat,  Troyen  4337  var. 

ACOÜTER  (ascouter),  znw.  m.  Yan  aseouter^ 
scouter  (La  Curne  2,  213,  Burguy  140),  van  lat. 
wscultare,})^ Kil, SSl:  „Achauteren, achauten, 
icouten,  ac  OU  te  ren,  attscultare,  prospicere^ 
mimadvertere  y  insidiari,^^  vanwaar  „Acouter, 
'xplorator ,  corgcaeusj**  Verspieder,  \\  De  hoorn- 
)lasers  upte  toornen  ende  poorten,  ende  van  den 
icouters  die  zy  by  nachte  houden ,  dat  . .  draecht 
(mtrent  100  <^,  Inform.  331.  Uteghesent  als 
iscouters  bi  nachte,  Invent.  v.  Brtigge  2,417  e.  e. 
Iscouters  ute  ghesendt  jeghen  uutlopers  van  Ghent, 
I,  38.  Yan  ascouten  ute  te  sendene  bi  nachte, 
5,  417. 

ACQUENT,  znw.  m.,  mv.  acquente.  Ofr.  acoint, 
teeoint  (Roquef.  1,  12),  van  lat.  aceognittu.  Yerg. 
mg.  acquainted.  Zie  Acquentieren.  Bekende ^ 
temeensame  vriend.  \\  Dat  ie  woude  sekerlike ,  dat 
^i  acquente  waert,  secgic  u,  des  heren  van  den 
gastele  nu,  Lanc.  II,  27329. 


ACQUENTANSE  (aquitanse),  znw.  vr.  Prov. 
acoindansa  (Rayn.  2,  466);  ofr.  acointancey  accoin- 
tanse  (Roquef.  1,  12);  eng.  acquaintance.  Zie 
Acquentieren.  Bekendheid ^  kennis  (met  of  aan 
iemand).  Aquitanse  maken  ane  enen,  kennis 
met  iemand  maken.  ||  Ende  wilt  na  den  riddere 
riden  om  hem  sien ,  ende  wille  met  sinen  spraken 
aquitanse  ane  hem  maken,  LaM.  lY,  988. 

ACQUENTIEREN  (acquinteren,  ook  acqui- 
tieren  ,  ACQUiTEREN ,  aqüiteren)  ,  ZW.  WW.  bedr., 
wederk.  en  onz.  Prov.  acoindar,  ofr.  acointer,  ac- 
cointer,  acointiery  van  't  bnw.  cointCy  d.  i.cognitttSy 
dus  lat.  accognitare.  Yerg.  Diez  1,  137  op  Conto. 
De  weglating  der  n  in  acquiteren  en  aquitanse  ge- 
schiedde naar  het  voorbeeld ,  reeds  in  de  Romaansche 
talen  gegeven :  ook  bet  oudere  eng.  kende  acquittance 
voor  acquaintance  (Halliwell  17).  De  echte  mul. 
uitdrukking  was  Beeondigen:  zie  ald. 

Bedr.  —  Enen  — ,  iemand  gemeemaam  leeren 
kennen  of  kennen  ^  vertrouwelijk  mêt  hem  omgaan.  || 
Ende  hi  ginc  besien  daer  naer  die  gesellen  van 
der  tafelronden,  alse  die  haers  blide  was  tier 
stonden,  ende  diese  woude  in  allen  manieren  sere 
eren  ende  acquentieren,  Lanc.  II,  27717.  Wine 
hebben  geen  kinnesse  te  hem  werd,  wine  mogen 
in  gere  manieren  soe  groten  here  acquentieren, 
het  ne  dade  onse  grote  vromichede  dat  wine 
acquentlerden  daer  mede,  27339.  Ie  salne  wel 
acquinteren  mogen,  22536.  Dat  hi  noit  en  acquiteerde 
u,  15775,  waarvoor  4  regels  vroeger',  kinnesse 
jegen  u  maken. 

Wederk.  —  Hem  met  of  legen  enen  — , 
kennis  met  iemand  maken.  \\  Ghi  selt  u  met  ons 
aqüiteren  .  .  wel  vriendelike ,  ende  wi  met  n , 
Parth.  7345.  Dat  hi  een  die  beste  ridder  si,  daer 
ie  noit  acquiteerde  jegen  mi,  Lanc.  lY,  8463. 

Onz.  (aiigeleid  van  het  gebruik  als  wederk.  ww. , 
door  weglating  van  het  object  hem ,  zich).  —  Jegen 
enen  of  met  enen  — ,  met  iemand  kennis  maken 
of  bekend  zijn,  vooral  van  gemeenzame  kennis  of 
vertrouwelij  ken  omgang  gezegd.  ||  Alsi  die  beelden 
siet,  die  visieren  Galeouts  ende  Lanceloets  acquitiren 
jegen  Genoevren  der  coninginne  .  .  {sprac  hi)  al 
stillekine  daer:  „es  dese  betekenesse  waer  van 
desen  heelde ,  so  heeft.,  sonder  waen ,  Lanceloet  mi 
grote  scande  gedaen  van  minen  wive :  ie  sie  oppen- 
bare dat  hi  acquiteert  met  bare,"  Lanc.  lY,  2533 — 
46.  —  Geacquentiert  jegen  enen,  ^^m^^i»- 
zaam  met  iemand  bekend.  \\  Waerdi  geacquentiert 
iet  jegen  hem ,  hine  liete  u  niet ,  Lanc.  II ,  27334. 
—  Ook  met  den  3den  nv.  gebezigd.  ||  Soe  dat 
hi  acquiteerde  daer  binnen  Galyoute  den  conine, 
Lanc.  lY,  2632. 

ACQUITEREN,  acquitieren.  Zie  Acquen- 
tieren. 

ACTROYEREN.  Zie  octroyeren. 

AL  (OL,  Vod.  Mus.  5,  293  tweemaal)  vnw., 
zoowel  byvoegiyk  als  zelfstandig  gebruikt,  deels 
verbogen,  deels  onverbogeu. 

L  Als  bijvoeglijk  voornaamwoord. 

In  het  enkelv.  zoowel  in  de  beteekenis  van  totus 
(fireheel)  als  van  omnis  (elk),  in  het  meerv.  alleen 
in  die  van  omnes  (alle). 

Verbuiging.  Enkelv.  m.  alle^  alles  (als) ,  allen, 
allen]  vr.  alle,  alre,  alre  {aller y  alder),  allc\  onz. 
al  {alle),  alles  {als),  allen,  al  {alle).  Mv.  alle, 
alre  {allmr,  alder),  allen,  alle.  —  Yan  het  onz. 
enkelv.  was  de  oorspronkelijke  vorm  (1ste  en  4de 
uv.)   allet,   in  Limburg  alet  (Uets  al  et  openbare 


311 


AL 


AL 


312 


*/  ^ 


vor  Gots  oegen,  Limb.  Serm.  26b);  got.  allata^ 
ohd.  allaz;  mhd.  allez\  doch  al  spoedig  verliep  die 
vorm  door  wegvalliug  der  t  tot  alle  (zie  straks  bij 
If  2f  6),  en  verder  tot  al,  dat  het  meest  gewoon  is. 
Waar  allet  nog  na  en  dan  in  de  hss.  gespaard  bleef, 
werd  het  door  de  uitgevers  vaak  voor  eene  font  aan- 
gezien en  in  a//«f  veranderd.  ||  Allet,  datysersond 
wesen ,  was  gnldijn ,  Troyen  f.  56«.  Allet  dat  bjnnen 
Troyen  was,  ƒ.  176*.  Van  allet  des  sy  hebben  noot , 
lö8rf.  Allet  dat  sjjn  ors  gelopen  mochte,  Troyen  1502. 
Allet  dat  men  op  haer  jaget.  Nat.  BI.  III,  3396. 
Allet  dat  hi  wont  ende  bijt,  IV,  321.  Het  moet 
allet  vor  mi  beven,  Scalc  e.  Clere,  c.  26.  Allet 
derve ,  Brab.  T.  Dl.  1 ,  bl.  477.  Allet  dat  hi  sculdich 
es  te  hebben,  bl,  478.  Allet  dat  hem  anegeseit 
sel  worden,  ald.  Alsoe  dat  na  allet  geboren  van 
rechtswegen  sonde  behooren,  5rai.  Y.  VII,  16373.  — 
Vooral  in  min  of  meer  hoogdnitsch-geklenrde 
stukken.  ||  Ende  hyt  allet  dwonge,  ^/^jr.  11,4,  (ui tg. 
Snellaert)  Allet  dat  men  can,  III,  472.  Allet  dat  si 
bediede,  III ,  1226.  Allet  dat  hij  sprack ,  Serv.  1, 670. 
Allet  dat  ich  ye  gedede ,  II,  2766.  Allet  dat  dair  toe 
behoert,  Nijh.  3,  ^31.  Allet  dat  dar  tuwe  behort, 
1,  112.  Dat  welke  allet  wy  .  .  nyet  lyden  .  .  en 
moegen,  4,  43.  Allet  sonder  argelist,  4,  274. 
Allet  tgoet,  Vad.  Mus.  1,  378,  36.  —  Zie  meer 
voorbeelden  van  lateren  tijd,  in  Geldersche  oorkonden, 
bij  Nijh.  3,  76,  215,  220;  4,  222;  Van  Vloten, 
Ned.  Geschiede,  1,  87;  enz.  —  Allel  staat  ook  als 
bgw.  voor  al  {Serv.  I,  93,  155),  en  vandaar  in 
Scalc  e.  Clerc,  c.  37:  „den  scalken  alleiyader" 
welk  woord  niet  is  samengetrokken  uit  all€  tegader , 
maar  geheel  met  algad^r  geiykstaat  —  Hiertoe 
behoort  mede  de  vorm  allenf,  met  ingeschoven  n 
vóór  de  l  (verg.  nakend  voor  naked,  borendevol, 
boekende  gort;  ochtend;  hd.  fitgend,  tttgend), 
die  vooral  in  de  14de  en  15de  eeuw  voorkomt.  || 
AUent  geblas  dat  daer  was,  Roel.  I,  213.  AUent 
dat  hy  ye  bescreeflf,  Hild.  48,  293.  AUent,  dat  ie 
ye  gedede,  51,  200.  AUent  dat  hy  ye  besat,  73, 
72.  AUent  dat  my  toebehoort,  92,  34.  AUent  dat 
hem  salich  es,  159,  197.  AUent  dat  hi  ye  gewan, 
163,  173  (m  het  Briisê.  h^.  overal ,  behalve  48, 
293,  de  oudere  vorm  allet).  AUent  dat  ons  toecomt, 
Ruusbr.  3,  57.  AUent  dat  wi  begeren,  249.  Dat 
gi  .  .  hem  doet  allent  dat  gi  onse  scout  aldair 
sculdich  sijt  te  doen,  V.  d  WaU  426  (a.  1411). 
Allent  dat  hi  van  hem  ontfangen  heft,  Ovei-ijs. 
Recht.  I',  4.  Allent  dat  des  schiepers  geniet, 
I',  69.  Allent  dattu  moges  willen,  Spieg.  d.  Folc, 
f.  223.  AUent  dat  wi  Uden  mogen,  /.  226.  AUent 
dat  ie  ummermeer  vermach,  Gerl.  Peters  211. 

I.  ENKELVOUD. 

1)  In  de  beteekenis  van  omnia  (elk)  geldt  al  in 
het  enkelv.  bij  abstracte  begripen.  Het  komt 
echter  ook  voor  bij  woorden  van  concrete  be- 
^«  teekenis ,  die  dan ,  ondanks  den  vorm  van  het 
i.  enkelv. ,  in  het  meerv.  gedacht  worden.  Al  staat 
onmiddellijk  vóór  het  znw.  of  vóór  het  daarbij 
behoorend  bnw. ,  en  wordt  geregeld  verbogen. 
M.  II  Alle  lof,  Boet.  I,  912.  Alles  troestes , 
Ruusbr.  3,  182,  259.  AUes  rouwen,  Lanc.  II, 
11436;  Terg.  3671.  Als  coeps,  zie  bij  Coep.  Uut 
aUen  rouwe.  Wal.  4614.  Boven  allen  man,  Lanc. 
II,  4777;  Fergi  84.  Boven  allen  manne,  Lanc. 
II,  6010.  Van  allen  commere,  Christ.  1866.  AUen 
waen,  Sp.  I",  21,  60.  AUen  roof.  Rein.  I,  1443. 
Allen  tijt,  Lanc.  IV,  7652.  AUen  eet,  Sp.  III*, 
11,45.  Allendien8t,Gr/OT*.I,1857.  — Vr.  ||  Alle 


ere,  Limb.  II,  879.  Alle  aercheit,  alle  quaetheit, 
alle    wijsheit,    alle    doeght,    aUe    eertsche  mo- 
genthede.    Boet.    II,    2236,   2245;    III,    1407, 
1687,   1406.   Alle    smette.    Nat.   Bl.  I,   82.  Alle 
smette    ende   alle   blame,    Claut.  321.   Alre  dinc. 
Rein.    I,    1341.  Alre   ere.   Wal.  4554,  5629.  Alre 
weldaet,   Heim.   432.   Alre  scanden,  alle  w^sheit, 
al  der   archoit,   alder   doeght.    Boet.   III,    1126, 
1290;    II,   1389;   III,   622.    In    alre  wis«  (wgg), 
Lanc.   II,   5125;    Wal,  5762,  11003;  Naf,  Bl.  D, 
2011;  Rijmb.  601.  In  alre  maniere ,  Z««?.  II ,  5124, 
Wal.  872.  In  alre  stont,  Heim.  837.  Van  alre  pine, 
Wal.   3548.    Van    alre   sondeliker   daet.    Rein.  I, 
2802.  Van   alre    tgt ,   Rijmb.   96.  Talre  tgt ,  Lsp. 
III,    11,  62.  Talre  noot,  Heim,  247.   Alle  dicfte, 
Rein.   1 ,  1443.  Alle  traecheit ,   Franc,  4605.   Alle 
mesdaet,   alle   ere.    Wal.   4021,   4582.    Alle  tjt, 
Rijmb,   8855;  Ned.  Proza  185;  Stemmen  6.  —Al, 
in  de  beteekenis  van  elk,  komt  echter  ook  enkele 
malen    onverbogen    voor.    ||    Dien    soude   al  ere 
genaken,    Bisp.    51.    Al    ander   liefde,    al   ander 
vrientschap.  Hor.  Belg.  10,  191.  —  Onz.    ||  Al 
leet ,  Limb.  1, 1915.  Al  goet,  II,  879 ;  Lanc,  II,  46488; 
III,  1066;  Rijmb,  16113;  Boet,  II,  2570,  3079.  Al 
geselscap,2)o<r^.II,  1391.  Al  volc,  Sp.  m*,37,56. 
Al  woort ,  Stemmen  7.  Al  ongeluc ,  Teest.  2946.  Al  on- 
gelijc ,  Wrake  1 ,  696.  Al  dat ,  Lanc,  U ,  14723.  AUcj 
goets ,  Rein.  1 ,  102 ,  Lanc.  III,  18796.  Alles  gemakes, 
Brand.  (H)  582.  Alles  verUes ,  Ltp,  II ,  36, 1754.  Al- 
les levens,  Ruusbr.  3,  208.  Alles  heiUchs  levens,  5, 
135.   Alles    des,    Lsp.   III,   26,   81;   Teesi,  2807. 
Allen    twifelen    {Sde  nv.  onbep,  vnjs),  Sp.  I",  21, 
60.   In    allen    dinge,    Christ,   927.   In  allen  sere, 
Wal.   8343.    Van    allen   goede,   lerg.   3557.   Vin 
allen  geesteliken  doene.  Boet.  I,  497.  Tallen  spelc. 
Rein,  I,  672;  Lsp,  I,  31,  66.  Boven  aUea  wive, 
V  Vroud,  61.  Met  allen  anderen  leengoede,  Oorkh. 
2,  308«.  Al  hout,  Rijmb.  471.  Al  goet.  Wal.  4582; 
Rein,   I,    1042;   Limb.  V,  1900;    Boet,  II,    2590; 
Melib.  1418;  V.  d.  WaU  172.  Al  recht,  Heim.  224. 
Al    argdoen.   Boet.   II,   2305.    Al    quaet,   Rijmb. 
5096.  Al  ongeval.   Wrake  III,  128.   Al  dit,  Lanc 
II,  4197. 

2)  In  de  beteekenis  van  totus  (geheel),  «opwel 
bij  abstracte  als  bij  concreete  begrippen,  die  indi- 
vidueel gedacht  worden. 

a)  Al  wordt  door  het  lidwoord  van  bepaaldheid 
of  door  eenig  ander  determinatief  van  zijn  znw. 
gescheiden,  en  blijft  onverbogen.  ||  Al  die  werelt, 
Sp.  I«,  7,  10;  Nat,  Bl.  V,  923.  Al  die  wamme, 
Nat.  Bl.  II,  1996.  Al  Aerturs  rike.  Wal,  62.  Al 
die  soetheit,  Rijmb.  42.  Al  dat  gebet,  Ruusbr.  6, 
208.  Al  hare  vyte,  Teest,  2205.  Al  tfolc,  Rijmk. 
22012.  Al  een  lantvolc,  Lanc.  III,  26543.  Al  dit, 
Rein.  II,  5885.  Al  sgns  goets.  Franc.  355.  In  als 
{d.  i,  al  des)  volx  jegenwerdecheit ,  Lsp,  Il ,  44 , 
300.  Als  volcs,  Rijmb,  1939.  Met  al  sinen  sinne, 
Flor,  385.  Met  al  haerre  macht,  Lane.  IV,  1012; 
II,  22821.  Van  al  der  werelt,  II,  28239.  Van  al 
dien,  Grimb.  I,  2303.  Bi  al  der  bendecheden. 
Flor.  2353.  Met  al  minen  volke,  Lane,  III,  12129. 
Tal  uwen  live,  III,  3012.  Al  den  Rijn,  Heelu 
4220.  Al  de  zee ,  Gnmb.  1,91  Al  den  dach ,  Lsf. 
II,  11,  76.  Al  dien  nacht.  Rein.  I,  1602.  Al  die 
stede,  Rijmb,  8397.  Al  die  wile,  Brab,  F.  VII, 
2346;  L.  v.  J.  c.  201,  c.  224.  Al  haer  gedochte, 
Ferg.  1198.  Al  sine  mesquame,  3066.  Al  tselves, 
Praet  818,  898,  1018,  1450;  enz. 

b)  Nevens  al  vindt  men  ook  alle,  dat  hier  echte' 
niet  als  verbogen  vorm,  bg  het  znw.  behoorende, 
moet   beschouwd  worden ,  daar  het  bij  alle  naam- 


il  3 


AL 


AL 


SU 


rallen  en  geslachten  gelijkeiyk  past,  en  volkomen 
net  al  gelijkstaat  Verg.  straks  by  II,  I,  Aanm.  2). 
II  Alle  haer  inwendige  leven,  Ruusbr.  6,  208. 
Ule  dat  broet,  3,  154.  Alle  dat  volc,  Hitge  v. 
Bord.  73.  Alle  dat  huys ,  Exc,  Cron,  21b.  Alle 
lant,  686.  Alle  sQns  rouwen,  Lsp.  I,  ö,  64. 
üle  des  ovels,  Serv.  I,  3155.  Alle  der  werelt, 
}fLoep  I,  2594.  Alle  des  goets,  Bnnsbr.  3,  114. 
Ule  dies,  4,  180.  In  alle  den  rechte,  Brab.  T. 
n,  8469.  In  alle  sijn  goede,  VI,  8506.  Over  alle 
iwen  rike.  Rein,  I,  364  (As.)  Bi  alle  dien,  Sleg. 
.194.  Mit  alle  dien,  Gerl.  Peters  223.  Om  alle  dat 
roet,  Httffe  V.  Bord.  37.  Alle  den  sin,  C^m^.1307. 
Ule  den  raet,  Brab.  T.  ¥1,11612.  Alle  den  dach, 
ïeeln  7585;  Serv.  II,  769.  Alle  dien  nacht, 
Srab.  Y.  VI,  11618.  Alle  die  nacht,  &rf^.II,  773. 
Ule  die  wijsheit,  Doet.  III,  702.  Alle  de  scande, 
;toke  II,  1140.  Alle  sine  tale,  QHmb.  I,  847. 
Ule  onse  leven,  Lsp.  I,  23,  66;  enz.  —  In  den 
^Serv.  vindt  men  enkele  malen  ook  all^n^  een  min 
uisten  vorm,  waarsch^niyk  een  eigenaardigheid 
ran  het  dialect.  ||  Allen  die  selve  gewalt,  I, 
S738.  Baer  dien  dat  volc  toesach,  I,  2744.  Allen 
lie  nacht  lange,  II,  330. 

c)  Wanneer  het  hoofdwoord,  waarby  a/ behoort, 
ien  plaatsnaam  is  of  een  woord  dat  met  een  plaats- 
laam  gelgkgesteld  wordt,  staat  al  of  alk  onmid- 
leliyk  daarvoor,  maar  biyft  evenzeer  onverbogen. 
II  1ste  nv.  Al  Vranckerike,  Heelu  7596.  Al  Hon- 
dene . .  ende  al  Bnlgerie ,  Flor.  3966  vl§f.  —  Sde 
tv.  Al  Holland,  Stoke  II,  154.  Van  al  Duutschen 
ant ,  II ,  378.  Van  al  Grimbergen ,  Orimb.  1 ,  52 
rlg.  In  alle  Ingelant,  Heelu  938.  —  ^de  nv.  Al 
aolland,  Stoke  II,  167.  Al  Zeelant,  IV,  11.  Al 
?olsbroec  doer,  Oor  kb.  2,  309a;  enz.  —  Evenzoo 
)g  de  woorden  erderike  en  Aemelrike,  diealseigen- 
lamen  besclionwd  en  dus  zonder  lidwoord  gebruikt 
vorden.  ||  Al  aertrike,  Lsp.  I,  8,  36.  In  al 
Tderike,  Wal.  8865.  Al  hemelrike,  Lsp.  I,  2, 
17;  ens. 

d)  Ook  wanneer  het  hoofdwoord ,  waarby  al 
>ehoort,  een  tydsbenaming  is,  die  als  eigennaam 
vordt  beschouwd,  als  by  maandnamen  en  derge- 
yke,  staat  al  onmiddellyk  daarvoor,  en  blyft 
ivenzeer  onverbogen.  ||  Al  Tiertsetide,  lieve  Here, 
raerdi  ontcleet  al  moedemaect,  OFl.  JAed.  en  Ged, 
t2,  76. 

e)  Waar  al  te  staan  komt  achter  het  hoofdwoord , 
lat  voorafgegaan  wordt  door  een  determinatief, 
)iyft  het  mede  onverbogen.  jj  Die  waerheit  al, 
Hein.  I,  2156.  Die  werelt  al,  Lanc.  II,  11614. 
[n  die  werelt  al,  II,  4139.  Van  sinen  scatte  al, 
[V,  7566;  enz. 

3)  Al  in  den  zin  van  totiu  wordt  ook  praedicatief 
l^ebezigd ,  waarvoor  thans  alleen  geheel  in  gebruik 
8.  II  In  yegewelken  is  hi  al  ende  ongedeylt, 
Eluusbr.  3,  160. 

II.  Meervoud. 

1)  Wanneer  het  onmiddellyk  vóór  het  znw.  of 
róór  het  daarby  behoorend  bnw.  staat,  wordt  al 
j^eregeld  verbogen.  ||  Alle  manne ,  lAmb.  1 ,  2419. 
Llle  scriften,  Doet.  I,  31.  Alle  vogele,  alle  diere. 
Nat.  BI.  II,  37,  38.  Alle  dinc,  Xij».  I,  32,  88. 
Aille  erdsche  dinge,  Franc.  387.  Alre  Heilegen 
lach,  ^.  IV',  89,  ol.  Alre  dinc.  Rein.  I,  1347. 
iUen  menscen,  Doet.  II,  1575.  In  allen  saken, 
Nat.  BI.  Prol.  99.  In  allen  dagen,  2;ö«c.  II ,  5203. 
Tallen  dagen,  Doet.  II,  1628.  Tallen  saken,  Wal. 
r843.  Van  allen  sonden,  Doet.    III,   1772.  Tallen 


staden  ende  tallen  inden ,  Heelu  477.  Allen  dingen, 
Lsp.  I,  8,  30.  In  allen  goeden  dingen,  Doet.  III, 
1753.  Met  allen  ambachten,  Lsp.  III,  14,  133. 
Boven  allen  dieren.  Nat.  BI.  I,  5.  Boven  allen 
bomen,  I,  425.  Alle  dage,  Limb.  V,  984.  Alle 
jaer,  Franc.  1779.  Alle  paerde,  Wal.  139,  3637. 
Alle  wege,  Ned.  Proza  185;  enz^ 

2)  Wordt  het  van  zyn  znw.  gescheiden  door  het 
lidwoord  van  bepaaldheid  of  door  eenig  ander 
determinatief,  dan  biyft  al  onverbogen.  j|  Al  de 
liede,  Christ.  1693.  Al  die  dinc,  Lanc.  IT,  26486. 
Al  die  gene,  Oorkb.  2,  96tf.  Wine  hebben  al  der 
kinder  meer  dan  hem ,  Flor.  1293 ;  vgl.  Vad.  Mtts. 

I,  66,  2:  „Die  alre  kinder  en  hadde  meer  dan 
enen  sone."  Al  synre  werken,  OFl.  Lied.  en  Oed. 
539,  587.  Al  der  gerre,  Sp.  III',  41,  41.  Al  den 
andren,  Ferg.  1062.   Van  al  den  broederen,  Lanc. 

II,  5188.  Met  al  sinen  slnnen.  Rein.  I,  2777. 
Voor  al  u  magen,  II ,  3814.  Al  sine  lede,  I,  2893;  enz. 
—  Het  onverbogene  al  wisselt  ook  hier  met  alle 
af,  dat  even  veelvuldig  gebruikt  wordt  Verg.  by 
het  enkel V.  2,  b).  \\  Alle  die  heren,  Limb.  XII, 
1235.  Alle  de  liede.  Rosé  4989  var.  Alle  die  goede 
liede,  Lanc.  IV,  3547.  Alle  gene  duvele,  Limb. 
1,  2668.  Alle  die  prochiane,  Rein.  I,  764.  Alle 
ser  Beiyns  mage  I,  3449.  Alle  die  lande ,  iVa^.  ^/. 
I,  455.  Alle  die  questien,  Christ.  1308  (hs.)  Alle 
dorlogen,  Doet,  III,  93.  Alle  die  diere.  Rein.  I, 
49.  Alle  u  ridders,  Ferg.  4919.  Alle  mine  sculde. 
Rein.  I,  2511.  Alle  sine  mesdade,  I,  1675.  Alle 
sine  dage,  I,  1682.  Alle  die  grote  sonden,  I, 
1714.  Voor  alle  dandre,  I,  1408.  Door  alle  die 
baroene,  II,  4280.  Alle  die  vriheden,  Oorkb.  2, 
307^.  Alle  die  oude  letteren ,  311^,  enz.  — By  deze 
en  dergeiyke  voorbeelden,  waar  het  znw.  in  den 
Isten  of  4den  nv.  staat,  is  het  twyfelachtig  of 
alle  de  verbogen  is,  by  het  ww.  behoorende,  dan 
wel  als  by  woord  te  verklaren,  als  een  bloote 
wisselvorm  van  al.  Dat  alle  op  een  aantal  plaatsen, 
waar  het  znw.  in  den  2den  en  3den  nv.  staat,  als 
by  woord  moet  verklaard  worden,  is  ontwyfelbaar ; 
doch  daartegenover  staat  een  misschien  nog  grooter 
aantal  plaatsen,  waar  de  verborgen  vorm  allen 
voor  het  determinatief  in  den  3den  nv.  voorkomt, 
zonder  dat  men  met  De  Vries  (Mnd.  Wdh.  op  Al, 
als  byv.  vnw.,  Il,  2,  Aanm.)  behoeft  te  besluiten, 
dat  daar  „de  hand  der  afschryvers  het  oudere  a//^ 
naar  later  taalgebruik  door  het  verbogene  allen 
heeft  vervangen,  evenals  nieuwere  uitgevers  in 
onzen  tyd  maar  al  te  vaak  hetzelfde  hebben  gedaan." 
Dit  moge  met  de  mnl.  teksten  hebben  kunnen  ge- 
schieden, zeer  zeker  niet  in  de  oorkonden,  voor 
zooverre  deze  geene  kopieën  zyn.  In  de  door  ons 
aangehaalde  oorkonden,  alle  uit  de  13de  eeuw, 
komt  de  verbogen  vorm  allen  op  een  grooter 
aantal  plaatsen  voor  dan  alUy  en  het  ligt  dus 
voor  de  hand  te  vermoeden,  dat  beide  vormen, 
het  onverbogen  alle  als  by  woord,  en  het  verbogen 
allen  nevens  elkander  in  den  3den  nv.  werden 
gebruikt.  Opmerking  verdient  nog ,  dat  de  2de  nv. 
alre  nooit  voor  een  determinatief  voorkomt. 

a)  AlUy  als  by  woord,  vóór  den  2den  en  3den 
nv.  II  Alle  der  lieden,  Rijmb.  572  var.  Alle  diere 
heren,  Heelu  1698.  Alle  den  heren,  1555.  Alle 
den  lieden,  Kat.  BI.  II,  2005;  FUyr.  1043,  3585. 
Alle  den  genen ,  Fkr.  949.  Alle  den  moenken ,  Sp. 
III*,  89,  15.  Alle  sinen  magen,  Fiein.  I,  1024, 
3457  {hs.).  Van  alle  sinen  sonden,  I,  2007  (^*.). 
Van  alle  sinen  mesdaden,  I,  2811  {hs.).  Van  alle 
den  dingen ,  Stemmen  155.  Met  alle  dinen  kindren, 
L^.  Il,  36,   1844.  Met  alle  haer  gebeden  ende 


nis 


AL 


AL 


316 


met  alle  haren  goeden  werken,  Rausbr.  6,  208. 
Boven  alle  desen ,  Nat  BL  Y ,  432.  In  alle  desen, 
Exe.  Cron.  S\b.  Alle  sinen  gezellen ,  LaTtc.  II , 
1898.  Alle  uwen  mannen,  Flor.  3787.  Alle  dien 
( joncfrouwen) ,    Fhr.  724;  enz.  —  In  het  Oarib. 

0.  a.  komt  dit  onverbogen  alle  vóór  een  deter- 
minatief  herhaalde  malen  voor  aan  het  begin  der 
stukken  by  het  ww.  cont  doen ,  en  dus  in  den  3den 
nv.,  als:  Alle  den  genen  of  Alle  dien 
genen,  II,  84,  127,  146,  168,  174,  198,  210, 
216,  231,  270,  276,  278,  279,  282,  283,  284, 
296,  300,  301,  303,  304,  307,  311,  324,  enz. 
(a.  1269—1290).  Ook  in  den  D.  B.  komt  alle 
tallooze  malen  voor. 

b)  Allen  in  den  verbogen  vorm  vóór  het  deter- 
minatief  in  den  3den  nv.  ||  Met  allen  sinen  sin- 
nen,  Doet.  II,  1576.  Van  allen  den  genen,  Flw. 
3414,  3803  (Af.)  Van  allen  sinen  broederen,  Lane. 
II,  6222.  Tallen  sinen  dagen,  II,  5242.  Allen 
synen  vrienden,  Orimb.  II,  3487;  enz.  —  In  het 
Oorkb.  komt  het  tallooze  malen  voor  aan  het  begin 
der  stukken  bn  het  ww.  cont  doen,  in  Allen  den 
genen  of  Allen  dien  genen,  als:  II,  96, 
100,  112,  116,  135,  138,  144,  162,  164,  166, 
171,  172,  176,  189,  191,  204,  205,  216,  221, 
234,  238,  246,  249,  263,  254,  266,  268,  260, 
261,  263,  271,  272,  273,  274,  277,  278,  279, 
287,  298,  299,  801,  303,  304,  806,  307,  308, 
311,  313,  315,  323;  enz.  («.  1271—1290). 

3)  Achter  het  hoofdwoord,  voorafgegaan  door 
een  determinatief,  blyft  al  onverbogen.  ||  Die 
kindere  al,  Lsp.  II,  16,  67.   Die  andre  al,  Lane. 

II,  12624.  Hare  peerde  al,  II,  4848.  Die  letteren 
al ,  FartA.  7628.  Dese  woorde  al ,  Ltp.  II ,  41 ,  23. 
Metten  genoten  al ,  Grimb.  1 ,  389.  Met  sinen 
lieden  al,  I,  618.  Onder  dandre  al,  Sp.  I', 
61,  6.  Mine  man  al,  Lanc.  IV,  6680.  Die  ie 
niet  al  en  can  genoemen,  Grimb.  I,  1636;  enz. 
—   Doch   ook    hier   is   alle  niet  minder  gewoon. 

II  Die  manne  alle,   Bose  8287.  Dander  alle,  Lfp. 

1,  4,  23.  Die  gerechten  alle.  Flor.  2198.  Sine 
someren  alle,  1  802.  Die  cameren  alle,  Lanc.  II, 
26800.  Di  e  ie  alle  niet  en  can  genoemen,  Grimb. 

I,  1545;  enz. 

4)  Wanneer  al  niet  met  een  znw.,  maar  met 
een  persoonlijk  of  aanwijzend  vnw.  verbonden  is, 
wordt  het  op  de  gewone  wijze  verbogen.  ||  Alle 
dregen  si,  Ferg.  1723.  Si  alle,  Lanc.  II,  16966, 
26796.  God,  onser  aller  here.  Wal.  2696.  Onser 
aller  wille  {var.  ons  alre),  Grimb.  1,  1925.  Die  is 
onse  alre  gemeine,  Rnusbr.  5,  116.  Uwer  aller 
raet,  Grimb.  I*  1441.  Bi  uwen  alder  raet,  I, 
868.  Harre  alre  vrouwe ,  Lanc.  III ,  15066. 
Hare  alre  heer,  Heelu  2483.  Haer  alre  namen, 
8647.   Ons   allen.    Wal.  Ibbl.  Met  u  allen,  Doet. 

III,  1246.  Hem  allen,  Bein.  I,  844,  1388;   Lanc. 

II,  3662,  6189;  Sp.  l\  101,  16;  I",  2,  2. 
Van  hen  (hem)  allen,  Lanc.  II,  18696;  Heelu 
4169,  4962.  Se  alle,  6006;  Sp.  I*,  64,  5.  Die 
alle,  Lanc.  II,  11633;  enz.  —  In  den  Isten 
nv.  komt  al  evenwel  ook  onverbogen  voor.  ||  Al 
riepen  si ,  Parth.  6250.  Doese  . .  al  van  hem  vlogen , 
Stemmen  26. 

6)  Over  de  uitdrukkingen  Alre  dage  gel  ik  e, 
alle  dagelike,  alle  dages;  Alle  jaer  ge- 
like,  allejaerlike.  Alle  nachtelike,  alle 
nacht  es,  zie  bij  Dach,  Jaer,  Nacht,  en  bfi 
Dagelike,  Jaerlike,  Nachtelike,  inzonderheid 
by  Gelïke,  en  vgl.  Taalk.  Bijdr.  2,  223  ygg. 

6)  De  2de  nv.  alre  {aller,  aldér)  was  vooral 
gewoon    tot    versterking  van   den  superlatief,  als 


nog  heden.  Zoo  b.  v.  alrebett,  alremeest,  alrenaast , 
alrescoonst,  alderstarest ,  alreerst  (allereerst),  enz. 

n.  Alfl  zelfstandig  voornaamwoord. 

Als  zelfst.  vnw.  wordt  Al  st.  onz.  gebroikt 
Thans  is  het  als  zoodanig  nagenoeg  verouderd  en 
door  alles  vervangen,  dat  uit  al  des  is  samenge- 
trokken ,  evenals  iets  en  niets  uit  iet  des  en  niet  des. 

I.   VERBUIGING,   ENZ. 

Iste   en  4de  nv.  al.    \\   Al  dat  ye  was,  Lsp.  I, 

I,  56.  Doe  bijt  al  hadde  gescapen,  I,  1,  16.  Al 
des  vaders  quam  hem  niet  ane,  ^.  I",  10,  50. 
Al  sloegen  si  dat  was  in  die  stede,  Bijmb.  6637. 
Geven  sal  hijt  dinen  knechte,  maer  niet  al,  12016. 
(Die)  al  weder  ontmaken  sal,  Teest.  1458.  Ende 
vragede  hem  of  hi  hadde  gedaen  also  als  hi  hem 
beval.  „Here,"  sprac  hi,  „ja  ie,  al,  2876.  Hi 
sloech    al   ende    hinc,   Brab.    T.    II,    2664;  en:. 

—  De  2de  nv.  was  alles  of  als,  waarvoor  wj 
thans  van  alles  zeggen,  dat  men  vooral  niet  met 
het  mul.  alles  ver  warre.  Het  mnl.  At  at  alles  b.  v. 
bet.  niet  hij  at  alles  op ,  maar  hij  at  van  alles.  \\  Die 
jongelinc  at  ende  dranc  genoech  alles,  dies  sQn  herte 
gedroech,  Parth.  1194.  Venisoen  ende  alles  genoech, 
2111.  Die  coninc  van  Yngelantes  alles  af,  6939.  Si 
aten  alles  dies  si  visieren  mochten,  Ferg.  3687. 
Alles  dies  men  conde  geweten,  Lane.  III,  11330. 
Alles  dies  ie  behoeve,  Brand.  {H)  487.  Bevelen 
Gode,  die  als  geweldech  is,  Limb.  Serm.  136i. 
Ane  Gode  die  alles  machtich  es,  Lsp.  II,  36,  1636. 
God  allene  alles  machtich  es,  Teest.  \^Ab\Bem.S. 
^U.  (God)  es  alles  wgs,  Vad,  Mus.  1,  312,  163. 
Dien  hi  erfgename  geset  hevet  alles  Hs.  75f.9ic. 
Broet  ende  wijn  ende  als  te  vullen.  Flor.  1628. 
Daer  was  als  genoech,  wilt  ende  tam,  3902. 
Die  Here  die  als  heeft  macht,  Christ.  581.  Goet 
berou  mach  als  gewonden,  Beatr.  648.  Van  ate 
ende  drancke  als  gewout,  Amand  II,  464.  Ende 
gaf  hem  dat  hi  verteerde  als  genoech ,  Brab.  Y.  Il, 
624.  Die  Gode  drouch  ende  als  heeft  macht,  Sp. 
I',  91,  16.  Om  te  volcomene  als  van  dien,  Belg. 
Mus.  9,  86,  731.  God  .  .  die  alles  mechtich  ii, 
Ruusbr.  6,  124.  Si  sfln  alles  ledich,  III,  200; 
^f^-  —  Verg.  straks,  bij  de  zegswijzen,  onder  2) 
en  4) ,  en  zie  ook  Als  (bijw.).  —  De  3de  nv.  was 
oorspr.  allen.  ||  Van  allen,  Brab.  T.  II,  1685; 
D.   B.    Gen.   39,   23.  Van  allen  tal,  zie  straks  bij 

II,  9).  Met  allen  dat  hem  anehanget,  Oorkb.  2, 
308«.  Met  allen,  zie  straks  bij  II,  6).  Met  orssen 
met  allen,  met  paarden  en  al,  Grimb.  I,  4229.  — 
Doch  elders:  „Met al  met  den  gonfanone,"  I,  3662. 

—  Veelal  werd  ook  hier  de  onverbogen  vorm  gebe- 
zigd, als:  II  Van  al,  Lsp.  U,  41,  38,  III,  1, 169;  lieim. 
1960;  Franc.  7677;  Grimb.  I,722,212S',  Belg. Mus. 
1 ,  128,  12.  In  al,  Sp.  II»,  36, 11;  Hadew.  I,  74, 11; 
Stemmen  26.  In  al  noch  in  deele,  Brab.  T.  VI, 
1966,  verg.  1978.  Vor  al,  Melib.  1140.  Over  ijs 
ende  over  al,  Stoke  III,  1633;  enz. 

—  Aanm.  —  1)  In  latere  teksten  vindt  men 
ook  van  als  en  in  als,  nieuwerwetsche  vormen, 
die  in  zuiver  mnl.  zeker  niet  te  rechtvaardigen 
zgn,  daar  ze  eene  ongepaste  vermenging  zyn  van 
twee  verschillende  uitdrukkingen:  van  allen,  in 
allen  en  den  2den  nv.  alles  of  als.  Doch  bij  het 
verloop  der  taal  kwam  allengs  als  in  de  verbogen 
vormen  voor  al  in  gebruik.  ||  Van  als  ..  genoech, 
Rein.  II,  6699.  Van  als  gewonden,  II,  7686.  En 
brengen  ons  water  nut  oestlant  van  als,  Playeric. 


M7 


AL 


AL 


31 8 


'4.  Yan  als  moet  God  gebenedijt  sijn,  Saer,  290 
}ode  yan  als  dancken  ende  loven,  1215.  Nu  heb 
c  van  als  dat  ons  gebrac,  Mar.  v,  Nijm.  3,  45. 
>e  menschen  sullen  haer  betren  van  als,  34,  820. 
Tan  als  genocb,  Hitge  v.  Bord.  33.  In  als  CCC 
nde  vijftich,  Brab.  T.  III,  1362.  Daer  bleven 
vel  in  als  XXX  dusent  menschen,  Exc.  Cron. 
35tf.  In  als  10  schotponden,  Inform.  47.  In  als 
1  haertsteden,  592.  —  Ook  in  den  Isten  nv. 
chijnt  als  reeds  in  gebruik  geweest  te  sijn ,  zooals 
aen  zon  opmaken  nit  Eleff.  63:  „Tlant  es  algader 
aijn  tote  Coelne  opten  Rijn,  ende  tote  Bomen  vort ; 
.  1 8  den  keiser  toebehort."  (Doch  de  varianten  lezen 
oor  aU:  aUt  qm  geitje.  Karel  zal  dus  wel  dit  zeggen : 
Al  dat  land  hoort  mij  toe ,  ali  keizer  ,'*  en  voegt  er 
ater  bij:  „Nochtan  hebbic  goets  mee:  Galissien 
nde  Spaengieu  lant ,  dat  ie  wan  met  miere  kant  ,^'  en 
at  dus  niet  den  keizer  toebehoorde  aU  keizer, 
laar  aan  hem  als  veroveraar. 

2)  Nevens  al  (1ste  en  4de  nv.)  komt  ook  de 
iidere  vorm  alle  voor,  waaruit  al  bij  afkorting 
iit8taan  is.  Verg.  ook  bij  Al  (bijw.),  dat  even- 
eer met  alle  afwisselt.  ||  Diet  alle  nemet  ende 
:evet,  Nat.  BI.  XII,  1165.  Onthier  ent  Fransoys 
leeft  verheest  alle  bi  den  heiegen  geest.  Franc. 
1312.  Dat  willic  alle  anevaen,  Sp.  111%  36,  21. 
\o  latent  si  alle  staan,  Lanfr.  80r.  Alle  dat  die 
iele  te  hebben  pleget,  Ludd.  4262.  Alle  dat  des 
ms  zoude  zijn  te  bat.  Lap.  I,  6,  11.  Alle  dat  si 
rigen  conde,  MLoep  I,  704.  Alle  dat  levet,  IV, 
»28.  Alle  dies  dat  hi  om  onsen  wille  geleden 
leeft ,  Ned.  Proza  78*.  Een  .  .  vruchtbarich  maken 
tl  Ie  dies  dat  in  ertrike  is,  Ruusbr.  4,  196.  Alle 
lat  si  doen,  VI,  208.  Ende  benam  hair  alle  dat 
li  hair  benemen  mochte,  Matth.  Anal.  3,  326. 
}o  dede  hi  alle  dat  hi  wilde,  Exc.  Cron.  144a. 
LUe  dat  hi  mach,  l^bd.  God  sach  alle  dat  hi 
^emaect  had,  D.  B.  Gen.  1,  31.  Ie  sal  ofdoen 
die  dat  ie  gemaect  heb  boven  der  aerden,  7,  4. 
\o  wat  dat  si  geroeft  hadden,  alle  bracht  Bavid 
ireder,  I  Sam.  30,  18.  Van  alle  dat  hem  van 
oden  was,  üitge  v.  Bord.  54.  Met  alle  dat  wi 
^eleysten  mogen,  Ruusbr.  5,  130.  Mit  alle  dat 
aen  mocht,  Matth.  Anal.  3,  326.  Boven  alle,  dat 
1  Gode  kennen,  dienen  ende  dancken  sal,  Ned. 
^roza  84.  Op  alle  dat  manket  (=  (1.?)  manlec) 
reder  den  ander  gedaen  hadde,  Nijh.  1,  180. 

3)  Al  wordt  gewoonlgk  gevolgd  door  dat\  men 
indt  echter  ook  wat  gebezigd,  hetgeen  door  het 
l^emeene  en  onbepaalde  van  het  begrip  evengoed 
e  rechtvaardigen  is.  ||  Diet  n/ sage  wel  ter  curen , 
mt  ware  in  sinen  creaturen,  Heim.  2043.  Alle 
tatier  was ,  Christ.  925.  Alle  wat  hi  gedaen  hadde , 
>.  B.  Oen.  24,  66. 

II.  ZEGSWIJZEN. 

Bij  al  verdienen  opmerking  de  volgende  zegs- 
ryzen. 

1)  Niet  dan  al,  gevolgd  door  een  znw.,  in 
len  zin  van  niets  dan,  eene  dubbele  en  versterkte 
litdrukking,  waarin  al  blijkbaar  niet  als  bgw. , 
naar  als  zelfst.  vnw.  moet  worden  opgevat.  i| 
)oemen  niewerincs  an  al  sijn  lijf  niet  sien  en  mochte 
ïan  al  wonden,  Alex.  VIII,  762.  Meer  no  min 
lan  al  scade,  Wap.  Mart.  II,  198.  Ende  daer 
f  en .  mach  men  hebben  niet  dan  al  scande , 
cade  ende  verdriet,  Lsp.  III,  9,  87.  Die  hem 
nders  niet  en  dede  dan  alle  doeght  ende  waerde, 
^rah.  r.  V,  2058.  En  was  in  de  stad  niet 
gedaen    dan    al    goet    ende   alle    ere,   lAmb.   II, 


878.  Ie  ne  doe  meer  no  min  anders  dan  alle  goede 
saken,  Amand  I,  1541.  —  Ook  met  een  andere 
ontkenning.  ||  Dat  niemen  doet  in  hemelrike  dan 
al  goed,  Rijmb.  22735.  Men  sal  u  doen  maer  alle 
ere,  niets  dan  eer^  Limb.  II,  723.  Haer  en  sonde 
maer  al  goet  gescien,  enz. 

2)  Alles  te  voren  of  Als  te  voren,  waarin 
als  de  2de  nv.  is  van  al,  afhangende  van  te  voren, 
en  dus: 

a)  Vóór  alles,  fr.  avant  tettt.  ||  Des  morgens 
vroech,  alles  te  voren,  selen  lantsheren  misse 
horen,  Teest.  1012. 

b)  Vooral,  bovenal,  fr.  sur  tont.  ||  Ende  dancte 
Gode  alles  te  voren,  dat  syn  sone  ye  was  geboren, 
Sp,  n*,  32,  29.  Alles  te  voren  om  ene,  die 
Jhesum  droech  van  Nazarene,  Teest.  2100.  Doe 
groeten  si  altemale  die  si  vonden  in  die  zale, 
ende  Echites  alles  te  voren,  Limb.  VII,  1521. 
Here,  dat  gi  coenlec  alles  te  voren  rgdt  in  uwer 
viande  scaere,  Sakid.  149.  Dat  si  bidden  alles  te 
voren  voor  die  hertogen,  Brab.  T.  VII,  18150. 
Urake  si  was  utevercoren  van  alre  scoenheit,  als 
te  voren,  van  den  genen  die  daer  quamen,  Parth. 
8124.  Clarette  was  blide  als  te  voren,  Lane.  III, 
17756.  Die  waerdste  riddere  als  te  voren  van 
alder  werelt  utevercoren,  IV,  8687.  Tbloet  sal 
hem  lopen  ten  sporen,  endeEcgerickeals  te  voren, 
Eleg.  1099.  Sonder  keyen  als  te  voren , /Vry.  2746. 
Wildi  met  Gode  sijn  vercoren ,  soe  viert  den  sondach 
als  te  voren,  X  Plag.  570.  Grote  heren  ende 
mechtich,  die  in  sinnen  syn  bedechtich,  .  .  syn 
te  prisen  als  te  voren,  Belg.  Mus.  \0,  61,  1 — 5. — 
Zoo  ook  Stoke  IV,  817;  Masi.  886;  Lsp.  I,  27, 
27;  II,  23,  39;  Doei.  I,  80;  Vierde  Mart. 
104;  enz. 

3)  Al  te  voren,  ook  Alte voren  geschreven, 
meae  in  den  zin  van  vooral,  bovenal,  waarin  a/ de 
4de  nv.  is,  afhangende  van  te  voren.  ||  Walewein 
groetetse  altemale,  ende  altevoren  die  coninginne , 
IVal.  2720.  Dat  gelovet  mi  altevoren,  4345.  Het 
ware  lachter  groot  ons  beden,  ende  mi  altevoren 
mere,  4648.  Vader  ende  here  mede  van  den 
goden  altevoren,  Alex.  IV,  128.  Tetene  ist  een 
soete  dinc,  maer  die  levere  soetst  al  te  voeren. 
Nat.  BI.  V,  168.  Want  men  moet  lyen  .  .  al 
te  voren  in  dit  leven  die  gratie,  die  God  heeft 
gegeven,  Sp.  V,  32,  6.  Die  minde  de  keyser  al 
te  voren,  II*,  66,  74.  Met  desen  nam  hi  orlof 
daer  an  die  abdesse  al  te  voren,  Amand  I,  5644. 
Lieden  harde  vele  .  .,  die  rouwe  dreven  ende 
sericheide  doer  haer  joncfrouwe ,  die  was  verloren , 
ende  Justiniaen  alte  voeren,  Flandr.  I,  174 — 177. 
Hi  was  behudere  van  den  swerde  van  kerstenhede 
al  te  voren,  Belg.  Mus.  10,  58,  24.  Nu  hevet  die 
coninc  gezworen,  bi  siere  crone  al  te  voren ,  i/a/éf^. 
413.  Hine  sout  al  te  voren  niet  winnen,  Limb. 
VIII,  438.  —  Ook  vindt  men  Boven  al  te 
voren,  bovenal,  in  welke  uitdrukking  boven 
een  pleonastisch  toevoegsel  is.  ||  Maer  boven 
al  te  voren  so  verhoget,  vroech  ende  spade,  die 
ziele  van  des  goeds  vrients  rade,  Melib,  1639. 
God  boven  al  te  voren  hadder  af  willen  sijn 
geboren,  Teest.  2246.  Ende  boven  al  te  voren  soe 
duchten  die  heeren  enz  ,  Brab.  Y.  VI,  9882. 

4)  Alles  boven  of  Als  te  boven,  bovenal, 
hetzelfde  als  Als  te  voren.  Verg.  2,  b).  ||  Dats 
te  dagene  alles  boven.  Feest.  2362.  So  leget  vele 
verlies  daer  an  sinen  here  als  te  boven,  Vierde 
Mart.  81. 

5)  Met  allen  (mit  allen),  eene  uitdrukking 
waarin   allen   te   beschouwen   is   als   de   3de  nv. 


319 


AL. 


AL. 


320 


enkeW. ,  dus  met  al^  d.  i.  m  het  geheel.  Het  mhd. 
heeft  mit  alle,  waarin  alle  de  ohd.  instmmentalis 
allé  is :  zie  Ben.  l ,  19  vlg.  |  Ook  mnl.  vindt  men 
met  alle:  zie  voorbeelden  bij  Al  met  alle. 

a)  Geheel  en  al,  te  eenen  male,  volkomen,  de 
gewone  beteekenis.  |1  Ende  si  tellede  hare  met 
allen  also  alse  daer  was  gevallen ,  Lanc.  II,  16636. 
Hi  lach  in  onmacht  met  allen,  II,  20869.  Hi  ont- 
wapendene  met  allen,  III,  320.  Gaudijn,  die  met 
allen  opgaf  Parthonopeus  sinen  prijs,  Farth.  6940. 
Doataer  sal  scoren  nu  met  allen,  Bijmb.  12177. 
Den  scinkel  ontwee  met  allen  ende  in  den  hals 
gequetst  sere,  Heim.  2054.  Den  eersten  stac  hi 
dat  op  derde  met  allen  viel  met  sinen  perde ,  Limb. 
IV ,  1449.  Mamet  geets  mi  af  met  allen ,  IX ,  750. 
Een  gat,  dat  door  aentrike  ginge  mit  allen,  Ltp. 

I,  11,  33.  ü  schoon  aensicht  ware  met  allen 
geschent !  Han.H.  70.  Dat  ingewant  soude  mit  allen 
uutvallen,  B.  War.  3,  84.  Mit  allen  anders  dan 
die  luyde  van  den  lande  zjn,  Bienb.  78c.  Dat  hi 
u  .  .  mit  allen  onnutte  make  tot  allen  dingen, 
Ned.  Proza  289.  Dat  conincrijc  van  Vrancrijck  te 
verwoesten  ende  met  allen  te  vernielen ,  Exc.  Cron. 
178a.  —  Zoo  ook  Lanc.  II,  5948,  7093,  17266, 
20890,  29292;  Sp.  111%  1,  51;  9,  76;  III«,  43, 
49;  45,  107;  Ltp.  I,  7,  3;  18,  62;  36,  43;  II, 
36,  946;  IV,  9,  36,  71;  Teest.  3607;  Amand  I, 
3536,  6818;  II,  4806;  Nat.  BI.  III,  1640;  VI, 
813;  XII,  784;  OVl.  Lied.  en  Oed.  248,  446; 
Lett.  N.  W.  6',  214,  18;  Glor.  949,  VroMO.e.M. 
Vil,  79;  Hadew.  I,  15,  69;  em.  Later  ook 
Medallen  en  Met  dallen  geschreven.  ||  Een 
kint ...  dat  int  dwater  scheen  verdroncken  medallen, 
Sacr.  584.  Ie  lach  te  bedde ,  in  ie  sey  ie  was  met 
dallen  cranc,  VUyeno.  215. 

b)  Bij  uitbreiding  ging  met  allen  over  tot 
eene  bloote  verzekeringsformule:  Voorzeker , inder- 
daad. II  Die  Spaensce  paerde  entie  van  Gallen 
leven  onlange  met  allen,  Nat.  BI.  II,  1605.  Dus 
verteert  hise  met  allen,  IV,  234.  Die  gene  daer 
met  allen  Gods  lot  op  sal  vallen.  Lep.  II,  6,  77. 
Ende  dertsche  dyaken  es  doot  gevallen,  alse  oft 
hi  tfenijn  dronke  met  allen,  Sp.  III»,  66,  27. 
Ie  eten  met  allen  wel,  V  Maegd.  238.  —  Zoo 
ook  Nat.  BI.  VII,  760;  IX,  131;  XII,  831;  ÏAp. 

II,  36,  1069;  Taal-  en  Ltb.  3,  74,  94;  enz.  Zie 
verder  talrijke  voorbeelden  in  Bijmb.  gloss.  op 
Met  (allen),  enz.  —  Met  allen  wel,  geheel 
en  al,  volkomen.  \\  De  ghesellen  hebben  dat  be- 
weerp  wel  ghevisiteert  ende  ghenoucht  hemlieden 
met  allen  wel,  Belg.  Mm.  7,  27.  —  Met  de  ont- 
kenning: Met  allen  niet  of  Niet  met  allen 
(later  niet  met  al,  in  de  volkstaal  niemendal), 
volstrekt  niet  of  volstrekt  niets.  \\  In  wille  u  met 
allen  niet  verdriven,  Limb.  IV,  336.  Ende  en 
comt  hi  mit  allen  niet,  so  verbuert  hi  10  ffi. 
Leid.  Keitrb.  39,  21.  Hi  en  conste  in  dier  be- 
derven met  allen  niet  goets  verwerven,  Brab.  Y. 
VII,  663.  Want  mit  allen  niet  dat  groeyende  was 
bleef  in  thout,  D.  B.  Exod.  10,  16.  Mit  allen  niet 
hebbende  in  sine  hant,  Bicht.  14 , 6.  Hy  en  beterden 
hem  mit  allen  niet  in  ghenen  dinghen ,  Bienb,  7Sb. 
Daer  en  ghebreket  mit  allen  niet,  Gerl.  Peters 
226.  Een  lit  dat  van  den  lichaem  gesneden  is ,  dat 
en  voelt  niet  mid  allen,  Barthol.  bSa.  Daerof  de 
3  niet  medallen  en  hebben  dan  zy  en  winnen  mitter 
handt,  Inform.  663.  —  Geen  met  allen,  vol- 
strekt geen,  geen  enkel.  ||  Mer  van  die  (/.  der) 
kinder  van  Israhels  beesten  en  starf  der  geen  mit 
allen,  B.  B.  Exod.  9,6.  —  Met  al  of  alle  ver- 
sterkt :  Al  met  allen,  geheel  en  al,  te  eenen  male. 


11  Dat  zijt  hoerden  borlen  ende  wallen  dien  langen 
dach  al  met  allen,  Brand.  {(T)  366.  Ende  hi 
heeftene  in  zine  stede  al  met  allen  ooc  geset, 
Huge  V.  Bord.  IV,  180.  So  dat  hi  doot  al  met 
allen  vor  sine  voete  quam  gevallen,  Benont  690. 
Doe  moesti  al  met  allen  swigen ,  Flor.  1090.  Metten 
wachters  al  met  allen,  Btjmb.  29874.  Datti  mure 
al  met  allen  an  die  westzide  waren  gevallen, 
34061.  Voeren  si  woch  al  met  allen,  Sp.  1*,  45, 
62.  Al  met  allen  in  Almaengen  ende  in  Gallen, 
IV ' ,  37 ,  59.  Daer  na  ten  inde  al  met  allen  die 
stat  van  Dordrecht  bevallen,  Brab.  Y.  VII,  8561. 
—  Ook  in  den  vorm  Al  met  alle  of  Alle  met 
alle,  waarin  alh  de  oude  instrumentalis  is.  || 
Eer  hijs  iet  weet,  es  hi  al  met  alle  onder  die 
voete  geworpen  neder.  Flor.  3186.  Ende  nam  dat 
rike  al  met  alle  dien  van  Argos,  Bijmb.  2248. 
Ondoe  den  visch,  ende  al  met  alle  hout  hert«, 
levre  ende  galle,  16573.  Bestriker  mede  alle  met 
alle  dijns  vader  ogen,  16772.  Die  verwonnen  had- 
den Galle  ende  Grieken  al  met  alle ,  27542.  Die 
ontseiden  si  alle  met  alle,  18799  var.  Noch  ei 
wach  {var.  was)  in  ongevalle  dese  onwille  al  met 
alle  grave  Willem  niet  swaer  genoech,  Stoke  III, 
241.  —  Vooral  met  de  ontkenning:  Al  met  allen 
niet,  of  niet  al  met  allen,  in  het  geheel  niet, 
volstrekt  niet  of  volstrekt  niets;  al  metallei 
geen,  volstrekt  geen.  ||  Dat  daer  die  loTer  niet 
en  vallen  van  dien  bomen  al  met  allen,  Alex.Yïl, 
1765.  Maer  sine  mochten  al  met  allen  den  muur  met 
hem  niet  doen  vallen ,  Bijmb.  31663.  (Hi)  sliep  so 
vaste  ende  so  wel,  dat  hi  van  dien  tween  vallen  niet 
ontwiec  al  met  allen ,  Franc.  8712.  Gi  en  sult  al  met 
allen  niet  eten  ,  D.  B.  Levit.  3 ,  17.  Soe  en  Terwtrp 
icse  alle  met  allen  niet,  26,  44.  Ende  dat  men 
ooc  van  siere  gewelt  al  met  allen  niet  en  helt, 
Brab.  Y.  VII,  8411.  Ende  hi  en  sal  al  mit  allen 
tot  genen  doden  ingaen,  D.  B.  Levit.  21,  11.  Oi 
en  saget  al  met  allen  gene  gelikenesse,  DeuL  4, 

12  (Vuig.  omnino  non,  penitus  non).  Mit  ghenen 
vremden  wiven  en  sit  al  mit  allen  niet,  noch  en 
legge  mit  haer  op  een  bedde  niet ,  Hs.  v.  1423 ,  234^ 
Ich  en  hadde  all  mit  allen  hier  negheen  water, 
raderb.  272». 

6^  Albedalle,  mnd.  albedalle.  Bedalle, 
mha.  betalle  is  de  lustrum.  allH,  mhd.  alle,  met 
het  oude  voorz.  bet,  bit,  in  beteekenis  nagenoeg 
met  met  overeenkomende:  zie  Grimm,  Or.  1', 461; 
3 ,  268.  De  t  van  bet  ging  mnl.  vóór  den  klinker 
in  d  over,  evenals  niet  met  allen  ook  geschreven 
werd  niet  mid  allen.  In  beteekenis  is  Albedalle 
niet  volkomen  gel^k  aan  Al  met  allen  niet, 
volstrekt  niet.  \\  Die  bisscop  en  was  niet  gewone 
van  hem  te  wetene  albedalle,  Yst.  BI.  1174.  Des 
en  doewi  niet  albedalle ,  Farth.  6294.  Dat  allebedalle 
daer  ter  stat  alle  die  soetheit  niene  can  die  (/.  den) 
minsce  geselen ,  Velth.  VIII ,  29 , 2.  Dat  si  albedalle 
niet  doen  en  wouden,  Sp.  II >,  46,  47.  Ende  en 
wiste  albedalle  niet  wat  dit  bediede ,  I).  B.1  Som. 
20,  39.  Anna  sprac  in  haer  herte,  ende  allene 
ruerden  haer  lippen ,  ende  men  hoerde  haer  stemme 
albedalle  niet ,  al4. 1, 13.  —  Wordt  niet  substantive 
en  dus  als  niets  opgevat,  dan  staat  Albedalle 
niet  gelijk  met:  In  het  geheel  niets,  niets  hoe- 
genaaind.  ||  Ende  si  en  lieten  albedalle  niet  in 
Israhel ,  datter  lyftochte  toebehoerde ,  B.  B.  Bicht. 
6,  4.  Soe  en  verloren  niet  albedalle,  I  Som.  26, 
16.  Die  arme  man  en  hadde  niet  albedalle  sonder 
een  cleyn  scapelkijn,  II  Sam.  12,  3  (Vuig.  nihil 
omnino).  —  Desgelgks  Niemant  albedalle, 
volstrekt  niemand.    ||    Ende  niemant  albedalle  en 


321 


AL. 


AL. 


322 


itac  jegen  hem,  D.  B.  Richt.  18,  7  (Vuig.  j^nullo 
si  penitus  resistente").  —  Over  alle  als  wisselvorm 
7an  aly  in  alU  met  all^n  en  alUhedalle  (zooals  het 
in  enkele  der  boven  aangehaalde  voorbeelden  luidt), 
Eie  boven,  bg  de  verbuiging  van  Al^  en  verg.  bij 
E,  bijv.  vnw.,  enkelv.  2,  d).  —  Vóór  bed  all  e 
komt  alle  evenwel  ook  als  mv.  voor:  Alle  be- 
dalle,  d.  i.  penitus  omnes,  dus  allen  zonder 
onderscheid^  allen  te  zamen.  ||  Want  hi  ons  alle 
heeft  gemaect,  ende  weder  verlost  van  den  valle, 
dien  wi  vielen  alle  bedalle  overmids  die  verboden 
Rpise,   Tst.  BI.  3274. 

7)  Al  gevolgd  door  het  aanw.  vnw.  dat  of  dit, 
in  den  zin  van  gedurende  al  dien  tijd,  onder tusschen. 

II  Comt  al  dat  in,  ie  sal  u  wachten  ende  salse  u 
openen  sonder  wanc.  Rosé  fr.  bl.  254,  vs.  23.  Al 
dat  so  riepse  te  gader  Fransoys  haer  helege  vader, 
Pranc,  1217  (Lat.  tune).  Die  al  dit  was  in  groten 
sere ,  L.  o.  H.  2316.  —  Ook  gevolgd  door  het  voegw. 
dat:  Al  dat,  gedurende  al  den  tijd  dat,  zoolang 
als.  II  Al  dat  men  den  tempel  maken  dede, 
Jtijmö.  11286.  Hoetse  in  den  staet  al  dat  gilevet, 
daerse  God  in  geroupen  hevet.  Franc.  3097.  Al 
dat  hi  was  in  die  woestine,  Sp.  II*,  69,  4.  Al 
dat  si  uten  lande  vlien,  sie  ontraden  al  dat  si 
horen  ende  sien,  L.  o.  É.  688.  Al  dat  si  op  hem 
riepen  dan,  hi  stout  als  een  seerich  man;  al  dat  si 
.sloegen  hi  sweech  stille,  2805.  Cruce,  du  waers 
tote  nu  gehaet,  .  .  voert  meer  so  saltu  sijn  gemint 
al  dat  ie  sal  sijn  bekint,  2991 — 94. 

8)  Van  al,  van  overal ,  van  alle  kanten.  \\  Doe 
quamer  tfolc  toe  van  al,  Sp.  IV',  60,  84.  De 
raenichte  quam  groot  ende  sochte  van  al  omtrent 
hoer  kerstinhede,  Amand  I,  3355. 

9)  Van  allen  tal  of  Van  al  tal,  van  al  tot 
al,   d.   i.  van  overal  tot  overal  (verg.  8),  en  dus: 

a)  Aan  alle  kanten,  over  de  gansehe  uitgestrekt- 
heid.  II  Ende  dan  vort  swoeren  si  dat  ouse  lant 
van  Hosden,  borch  ende  stat,  desgelgc  van  allen 
tal  beset,  versekert  werden  sal ,  ^rad.  T.  VI,  2193. 
.  h)  Aan  alle  kanten ,  in  ieder  opzicht,  geheel  en  al.  || 
Dat  ie  wel  cortelike  sal  ju  telivereren  van  al  tal, 
Wal.  7883  {tiitg.  al[len]tal).  Als  die  coninc  up  ende 
neder  van  al  tal  hadde  sijn  gevouch,  VI.  Rijmkr. 
5719.  Van  allental  tevreden,  Brab.  Y.  VU,  1631. 
Wij  .  .  renoncheren  ende  gaen  af,  als  in  dit  stic 
geheel  ende  van  al  tal,  Brab.  Y.  Dl.  2,  bl.  504. 
Overmids  dat  hi  van  sier  orlogen  .  .  van  al  tal 
bleven  es  up  ons ,  ald.  bl.  538.  Hiermede  van  al  tal 
wel  verzoent ,  Cannaert  379.  Verzoent  ende  van  al 
tal  gepayt,  382.  Ende  elc  by  hem  sonderlinge  s(jn 
bleven  van  al  tal,  389.  Dat  hi  hem  ontpoorteren 
sal  van  al  tal,  Cout.  v.  Gent  592.  Ende  bi  also 
datter  kerken  eenich  grief  quame,  .  .  dat  souden 
zy  der  kerken  uprechten  ende  restaureren  van  al 
tal,  Diericx,  Mém.  2,  106. 

c)  In  den  gansehen  omvang,  van  het  begin  tot 
het  einde,  van  A  tot  Z.  \\  Daer  verhaelden  metter 
spoede  die  bisscop,  ende  Jaquenaert  vomomt,van 
al  tal  in  curter  stont  des  paues  sentencie  voer 
waerhede,  VI.  Rijmkr.  6902.  Ende  vertrac  hem 
van  al  tal,  Amand  I,  3867.  Ie  sal  di  leeren  van 
al  tal  hoe  men  den  zonder  minnen  zal,  O VI.  Lied. 
en  Qed.  511,  525.  —  Ook  in  de  uitdrukking  Al 
tal,  alles  in  elk  deel.  \\  Dat  hy  heeft  angenomen  . . 
te  makene,  te  werckene  ende  leveme  int  gheele, 
al  tal  vulwrocht  sijnde,  eene  zelege -gheests  scrine, 
Diericx,  Mém.  2,  217. 

10)  Over  al,  en  in  versterkten  vorm,  Al 
over  al. 

a)  Doorgaans  in  de  nog  heden  gewone  opvatting 


van  ubique,  als:  Lanc.  II,  16192;  Stoke  V,  1053  ; 
Rijmb.  2587;  Sp.  I«,  42  44;  enz.  —  k\  over  al, 
Flor.  3636;  Rijmb,  14558,  23043,  34328;  Lsp.  II, 
36,  38;  541;  IV,  9,  48;  56;  Teest.  3677,  4158; 
Doet.  II,  533,  3183;  Rosé  fr.  bl.  248,  II,  29; 
Brab.  Y.  VI,  6263;  Amand  I,  3156;  II,  3127; 
Belg.  Mus.  10,  343,  19;  enz.  — Somtijds  echter  in 
de  gewijzigde  opvattingen  van 

d)  In  elk  deel,  in  ieder  opzicht,  geheel  en  al.  \\ 
Van  sinen  live  was  hi  overal  die  beste  gescepene 
jongelinc.  Flor.  3595.  Over  die  scouderen  was  si 
smal  ende  wel  gescepen  overal,  i'Vry.  1193. Hoort, 
ende  swiget  over  al,  wat  ie  u  voort  seggen  sal, 
Grimb.  I,   357   (var.  „Nu  hoort  dan  al  over  «/"). 

c)  In  het  geheel,  alles  te  zamen',  eigenlijk  „de 
zaak  over  het  geheel  beschouwd."  ||  In  elke  side 
hi  ridders  scaerde,  diere  haddi  M  over  al,  Sp. 
I«,  12,  22. 

11)  Dore   al,   gevolgd  door  het  voegw.  dat. 
Eigenlijk:    bij   dit  al,   dus:  Niettegenstaande,  on- 
danks dat,  alhoewel,  evenals   wij  nog  heden  met 
dat  al  gebruiken  voor  desniettemin,  des  ondanks, 
toch.    II   Also  wale  plegic  noch  te  dienne  hem  dor 
al  dat  ie  geesteleec  ben ,  Lanc,  III ,  10374.  Dore  al 
dat  hi  sgns  was  in  vare,  daer  hi  sine  scone  amie 
sach  .  .  sette  hi  sgn  lyf  op  aventure,  Parth.  4812. 
Den  amirael  jammerde  selven  so  sere,  dor  al  dat 
hi  was  verbolgen  so,  Flor,  3713.  Ende  leiden  int 
palas,  doer  al  datti  kerstyn  was,  Flandr.  I,  200. 
Maer   hi   streec   verre   voren    allene,   dor  al  dat 
men  grote  stene  up  hem  warp,  Rijmb.  32971.  Dor 
al  dat  hi  dus  heeft  gewracht ,  behilt  hi  sine  ierste 
cracht,  ^.  II*,  55,  53.  Nochtan  mogedi  leren  van 
mi,  door  al  dat  ie  een  kint  zi,  Lsp.  II,  23,  49. 
Dor  al  dat  aldus  was  gedaen  met  vonnesse ,  en  liet 
hijs  niet  gaen,  Brab,  Y,  VI,  4485.  Nochtan  haere 
bedevard  overwaer  en  wilden  si  achterlaten  niet, 
dor  al   dat  si  hadden  verdriet,  Velth.  II,  3,  40. 
Ende   dor  al  datter  tyser  in  stac,  ne  wrochte  hi 
niet,    OVl.  Lied.  en  Oed.  358,   1271.  Door  al  dat 
hy  daer  bet  dan  XL  dage  gelegen  hadde ,  nochtan 
roec  den  lichame  oft  een  specerye  geweest  hadde , 
Cron.   V.   Vlaend.  1,   64.  Philips  van  Elzaten  hilt 
Vlaenderen  in  groeter  yeeren  (d.  i.  eeren)  ende  payse , 
doer  al  dat  hy  drye  warften  over  zee  dat  Heylige 
landt  hadde  helpen  beschudden,  109.  Zo  moet  hij 
zijns  gevouchs  doen  vor  siin  bedde,   dor  al  dat 
dander  zieke  daer  bi  sitten,  Belg.  Mus.  7,  92.  — 
Zoo   ook   Lanc.  II,   23916;  Parth.  633;  i^.  III», 
11,  71;  IIP,  5,  65;  U\  40,  104;  Brab.  Y.  VI, 
6270;    GHmb.  I,   2847;   Amand  l,  4725;  II,  96, 
3054,    3665,    5792;    Troyen  1823,   vgl.  de  Aant. 
ald.;   enz.  —   In  denzelfden  zin  ook    doer  alle 
dat.    II    Doer   alle  dat   sy  hem  daden  vryen  alle 
dander  . . ,  hy  toenden  haer  saen  die  mynne ,  Troyen 
f.   41^.  Nochtans   doer  alle  dat  so    moesten    die 
Grieken    wyken ,    Troyen    Vb.    33c. ;    doer   alle 
desen,  Lanc.  III,  26613;  en  tallen  dien  dat, 
in    welke   uitdrukking   echter  al  niet  als  zelfst. , 
maar  als  bijv.  vnw.  staat.   ||   Ende  tallen  dien  dat 
si  nochtan  so  mager  was,  sone  hadsi  an  marenen 
roe.  Rosé  215. 

12)  Al  noch  half,  heel  noch  half,  dus  in 
H  geheel  niet.  \\  Ende  en  bekendens  al  noch  half, 
Teest.  364. 

13)  Al  vore  al  setten  of  wagen,  ook  Al 
jegen  al  setten  of  aventuren,  alles  op  het 
spel  zetten,  het  uiterste  wagen,  ||  Ende  coenlike 
setten  al  voer  al,  Velth.  II,  6,  16  {initg.  ver). 
Dese  setten  al  voer  al,  Edew.  907.  Ie  sonde  al 
vore   al   wagen,   1772.  Hi   outsach   meer   ongeval 

11 


323 


AL. 


AL. 


324 


ende  sette  al  jegen  al,  Bein.  1, 737.  Ie  sal  proven  omme 
geval  ende  avonturen  al  jegen  al,  Lanc,  11,42927. 

14)  Al  omme  al,  alles  om  alles,  ^txb  geheel  en 
al,  met  lijf  en  ziek  \\  Die  hoger  minnen  dienen 
sal,  hi  ne  mach  ontsien  engene  pine,  hi  sal  hem 
geven  al  omme  al ,  omme  hoeger  minnen  genoech 
te  sine,  Hadew.  I,  123,  17. 

AL  (alle),  als  by woord,  eigenlijk  de  4de  nv. 
enkelv.  van  het  onz.,  jo  nav^  omne,  en  dus 
omnino,  fr.  du  toiU.  Mhd.  a/,  mnd.  a/,  alle.  Geheel, 
geheel  en  al  (in  welke  laatste  uitdmkking  het  oude 
al  in  dezen  zin  nog  voortleeft).  ||  Alse  die  dinc 
al  was  gedaen,  Sp.  I',  90,  45.  Alse  die  vrouwe 
al  was  genesen,  I',.70,  22.  Dicken,  alsic  al  was 
bi,  hem  te  hebbene,  ontginc  hijs  mi,  I^,  73,  55. 
Die  sciuke  vergat  Josephs  al,  Rijmb.  2977.  Diese 
verteerden  al,  2995.  Was  tfolc  van  Gabaa  al 
verslagen,  8394.  Bespringet  al  met  bloede,  Clatis. 
478.  Een  bedde  dat  al  es  hout,  DocL  II,  483.  Alse 
die  al  verwoede  dor  das,  LaTtc.  II,  26786.  Al 
gewapent,  II,  8090.  Al  ontwapent,  Wal.  4600. 
Hi  sal  sire  sericheit  vergeten  al.  Flor.  1289.  Al 
gereet,  1498,  505  var.  Al  ro,  geheel  rauw,  Heim. 
993.  Al  ripe ,  Rijmb.  2946 ;  enz.  —  Schijnbaar  staat 
het  onverbogen  al  als  bijvoeglijk  vnw.  vóór  zelf- 
standige naamwoorden,  terwijl  het  werkelijk  bij- 
woord is  in  den  zin  van  geheel  en  al,  of  wel  van 
niet  dan,  dat  wij  in  de  dagelijksche  spreektaal 
veelal  door  allemaal,  heelemaal ,  allegadr  uit- 
drukken. II  Dat  es  al  sotheit,  Melih.  215  var. 
{in  den  tekst:  algader).  Die  werelt  te  dienen  is  al 
verlies.  Hor.  Belg.  10,  115,  3.  Tote  noch  waest 
sekerlike  al  een  keiserike  Constantinobele  ende 
Romen,  Brab.  Y.  II,  1599.  Al  wit  so  haddi  an, 
niet  dan  wit,  Amand  II ,  3917.  Al  die  gelike 
AmpetrQs,  Parth.  5942.  Dan  gaen  si  derwaert  al 
den  telt,  Teest.  3221.  Dat  en  es  al  maer  een  caf, 
1491.  Dit  en  sijn  maer  al  dromen,  Brdb.  Y.  II, 
1560.  God  gevere  mi  af  al  goet.  Rein.  I,  1042. 
Haer  en  soude  maer  al  goet  ghescien ,  enz.  —  Ook 
in  den  vorm  Alle.  \\  Hi  was  alle  den  raet  van  vrou 
Aleyt,  Ezc.  Cron.  111  d  (d.  i.  geheel  en  al,  in  alle 
opzichten).  Hi  sprac:  tis  alle  volbracht.  Hor.  Belg. 
10,  191,  8.  Dus  es  u  geloove  alle  twifelinge, 
Amand-  II,  2389.  —  In  vereeniging  met  het  bijw. 
vol,  in  de  uitdrukking  Alle  ende  vol,  vol 
ende  al,  geheel  en  al,  volledig.  ||  Gelikerwys 
of  hij  alle  ende  vol  bezegelt  ende  nyet  gebroken 
en  wair,  Oorkb.  1,  271*.  Dat  hi  XII  jaer  vol 
ende  al  out  waer ,  R.  v.  JJtr.  1 ,  91 ,  33.  Vol  ende 
al  betaelt  hebben ,  Racer  2 ,  209 ;  zoo  ook  Racer  7 , 
2893  R.  v.Utr.  2,  96;  119.  Dat  Meynolt  den  schade  vol 
en  all  beleget  {vergoed)  hevet,  Warfsconstit.  2.  — 
Ook  wel  ende  al,  in  denzelfden  zin ,  V. d.Wall 222. 
—  Verbonden  met  de  ontkenning  niet:  Al  niet 
of  Niet  al  (alle),  niet  geheel,  oï  geheel  niet, 
volstrekt  niet  of  niets.  \\  Entrouwen,  soe  en 
benic  al  niet  blint,  lApp.  124.  Sonder  dese  so  en 
can  die  werelt  al  niet  gestaen,  Teest.  2281.  Doe 
dit  kint  niet  al  seven  jaren  olt  en  was,  nog  geen 
volle  7  jaar,  Bienb.  84a.  Der  werelt  scoende  es  al 
niet,  X  Plag.  2204.  Dat  lant  hiet tien  tiden  Galle , 
dat  goede  voeren  niet  wist  alle,  Parth.  232.  — 
Niet  anders  al,  volstrekt  niets  anders.  \\  In 
darke  was  niet  anders  al  dan  Aarons  roede ,  Rijmb. 
10094.  —  Vooral  gebruikt 

a)  By  bijvoeglijke  naamwoorden.  ||  Men  salt 
{ijzer)  steken  al  heet  {heet  en  /wel) ,  over  een  yseren 
plate,  Laufr.  112v.  Al  heel  (geheel  en  al,  heelendal) 
gheuesen,  173».  Al  bleec,  Lanc.  II,  11480.  Al 
bleut,  Rijmb.  24361.  Albloetroot,  26072.  Al  naect. 


1326,  26121;  Parth.  2075.  Al  waer,  Rijmb.2i3Si. 
Al  eigen,  Parth.  7657.  Algeheel,  7210.  Al  warm, 
f  erg.  3674.  Al  gesont,  Sp.  III*,  40,  53.  Al  bloot, 
Rijmb.  1305.  Al  doot,  Christ.  195.  Al  steendoot, 
Rein.  I,  1695  Al  luttel,  Lsp.  III,  17,  102  vtr. 
Al  wit  yserijn,  Lanc.  II,  17891.  —  Ook  b§  het 
vnw.  afider  en  het  telw.  een.  \\  AI  ander,  Rijmb. 
4654.  Al  een,  aleen  (verg.  Allene),  Sp.  I',  52, 
30;  11%  10,  70;  Rijmb.  3002,  33627;  Doei.  H, 
487;  Velth.  Prol.  18.  Al  moederene,  Ferg.  2791, 
2957,  4951. 

b)  By  verl.  deelwoorden.  ||  Al  behouden ,  £»/«£. 
29816.  Al  gecleet,  16410.  Al  verdinget,  1861.  Al 
verdreven,  10565.  Ontgangen  al,  7632.  Al  vcrwoet, 
19265;  Sp.  II*,  53,  65.  Al  ongesocht,  Lsp.  U, 
9,  87.  Al  onverbolgen ,  Heim.  1706.  Al  onvervaert, 
Rijmb.  17.  Al  ongelogen,  Grimb.  I,  91;  ens. 

c)  By  tegenwoordige  deelwoorden,  bi)  welke  al 
nog  heden  in  gebruik  is,  om  de  geiyktydigheid 
der  handeling  met  eene  andere  uit  t«  drukken,  jj 
Al  roepende,  Christ.  1764.  Al  bedende  endf 
droevende,  1685.  Al  dukende  vlien.  Wal.  10586. 
Al  drivende  wel  groot  mesbaer,  5065;  ens. 

d)  By  by  woorden.  j|  Al  dare,  Heim.  1056.  Al 
ginder,  Sp.  III»,  53,  33.  Al  nu,  Bern.  W.  hU. 
Lanc.  n,  26603;  Alex.  II,  744;  III,  227;^.P, 
60,  55;  Grimb.  I,  2293,  2924,  3298,  5295.  Al 
noch,  Stoke  I,  575;  II,  25;  Sp.  I«,  30,31; 
I»,  41,  45;  Lsp.  II,  48,  1088;  Brab.  T.W ,  250. 
Al  doe,  Lanc.  U,  21740;  Hs.  v.  1348,  222a,  lis. 
Evang.  Joh.  19,  33;  Sp.  I',  85,  8.  Al  dan,  al 
danne,  Rijmb.  8892,  2162.  Al  voort,  2387;  Lip. 
I,  48,  65.  Al  saen,  Chnst.  1188.  Al  dicst,  1538. 
AI  even  dicke ,  Rijmb.  5582.  Al  slecht ,  Christ.  U6. 
Al  omtrent ,  Lanc.  II ,  3855 ,  24796 ;  Nat.  BI.  VIII, 
195;  fTap.  Mart.  II,  171.  Al  dorentore,  /Wy. 
1806.  Al  harentare,  Heim.  1841.  Al  bloot,  1328; 
Sp.  1%  9,  20.  Al  openbare,  1663.  Al  heel,  Dw/. 
Oreat.  7b;  Rijmb.  152,  9537;  S^p.  V,  52,  30.  Al 
plat,  Rijmb.  32981.  Al  willens ,  25255.  AI  geheellike, 
Lorr.  II,  2035.  Al  scoenkine,  Wal.  6549.  Al  te 
beter,  Wrake  I,  283.  Al  te  mere.  Rein.  I,  1298. 
Al  hoe  suer,  hoe  zuur  ook.  Kal.  3,  88.  Al  re, 
alreeds,  Sacr.  335.  Al  een  like,  Lorr.  II,  3966; 
Lanc.  IV,  4205;  Sp.  IIP,  36,  119;  III',  40, 
29.  Al  enwech,  Barthol.  ö44a;  enz..  —  Alom, 
al  omme.  Al  over,  Al  toe,  Al  uut,  zie  bj 
Om,  Over,  Toe  en  Uut;  Al  op,  zie  ald. 

e)  By  adverbiale  spreekwyzen.  ||  Al  over  waer, 
Rijmb.  6660;  Christ.  1868.  Al  sonder  beiden ,  Wel. 
130.  Al  sonder  sparen,  Christ.  422;  Stoke  V, 
667.  Al  ongespaert,  Belg.  Mus.  10,  59,  64.  Al 
sonder  vaer.  Al  sonder  waen,  Lanc.  II,  11382, 
15999.  Al  (alle)  uut  ende  uut,  WaLS9^',Limb.X, 
1935;  -§?.  III*,  8,  34.  Al  over  luut.  Wal.  3954. 
Al  uten  spele  Rein.  I,  1882.  Al  bloter  hnut,  I, 
1256.  Al  open  doren,  Rosé  fr.  bl.  252,  vs.  240.  AI 
noch  heden ,  Rijmb.  6557.  Al  omme  ende  omme ,  414, 
658,  14310.  Al  omtrent  omme,  29845.  Al  wel 
naer,  3551.  Al  vorwaert  mere,  Sp,  III»,  45,  12. 
Al  te  maellen  D.  War.  5,  387;  enz  —  Over  al 
ter  versterking  van  het  by  woord  te  zie  by  Alte. 

/)  By  voorzetsels.  ||  Al  in  den  brant,  Christ, 
415.  Al  omme  there,  Rijmb.  5583.  Al  omme  des, 
5728.  Al  sonder  kint,  1705.  Al  sonder  dese 
martelaren,  Sp.  Il",  64,  13.  Al  omtrent  hem, 
Ferg.  4119.  Al  dore  dat  lant,  Al  dure  dat  here, 
Lanc.  II,  12528,  32889.  Van  den  ruggebeen  al  to 
den  eersce,  Lanfr.  52r.  Al  tote  seven  jaer,  ^. 
I' ,  60,  79.  Al  opten  Ryn,  Fl^.  5  var.,  enz. 

g)  By  voegis'oorden  en  voegw.  uitdr.  ||    Al  dacr 


$25 


AL. 


AL. 


32G 


li  lach,  Lanc.  II,  5025;  EUg,  11;  i2«>»i*.  2992.  Al 
ochtan  dat,  ofschoon^  <^.  111^,43,  24.  Altotedien 
lat,  totdat y  Rijmb.  18520.  Al  hoe  menich  jaer,  Grimb. 
,  200,  214,  verg.  130;  enz.  —  Ook  in  den  vorm  alle. 

I  Hebt  danc  dat  gi  hier  qnaemt,  doe  gi  mijn  bootscap 
emaemt ,  alle  dat  ie  u  spreken  wonde ,  Grimb.  I , 
295  (var.  dat).  —  Inzonderheid  ter  versterking 
an  het  voegw.  o/,  in  de  uitdrukking  Al  of,  ook 
loor  verwarring  van  o/,  hd.  ob,  met  ofte,  hd. 
deTy  in  den  vorm  Al  o  ft,  al  ofte,  al  ocht, 
n  de  beteekenis  van  Alsof,  eigenlijk  geheel 
f.    Verg.    Ned.    Wdb.    op    Of    (2de   art.),   Etym. 

II  Al  of  et  wonde ,  datmene  al  daer  vinden 
oude.  Nat.  BI.  II,  2003.  Ende  hi  bode  haer  lief 
nde  ere,  al  of  si  niet  en  hadde  mesvaren,  Vad. 
yfns.  1 ,  59 ,  55.  Dat  die  mensche  boven  sit ,  al  of 
li  opten  oversten  swingel  van  der  molen  saté, 
Ved.  Proza  154.  Si  siju  gedaen  al  oft  si  biten 
ouden  die  liede  die  si  sien,  Alex.  VII,  857.  Du 
rebeers  al  oft  ware  dijn  wille,  L.  o.  II.  3122. 
Hgn  een  ooge  die  is  my,  al  oftse  waer  uutgesworen, 
Har.  V.  Nijm.  8 ,  150.  Om  welke  dine  loefstu  Grode 
:o  hoechlike,  al  ofte  hi  di  gemaect  hadde  rike, 
sjp.  II',  11,  24.  Al  ocht  were  in  enen  stride ,  ^/^jr. 
T\l ,  180.  —  Zoo  nog  Huygens  bl.  263,  reg.  1,  e.  e. 

—  Al  wordt  menigmaal  als  een  bloote  bevestiging, 
m  dus  bijna  expletief,  aan  het  einde  van  eenen 
:in  geplaatst,  vooral  in  het  rijm.  ||  Die  monster 
itaet  op  enen  berch  al,  Lane.  II,  11379.  Here, 
aet  ons  hem  volgen,  hi  sal  dese  bataelge  ver- 
vinnen al,  II,  33493.  Dese  V  steden  worden  mat, 
inde  worden  gesconfiert  int  dal,  voor  die  IIII 
(oninge  al,  Rijmb.  1614.  Maer  dit  was  verraetnes 
londer  waen,  dat  hi  ende  dander  daden  al,  als  ie 
1    hier   secgen    sal,  Velth.  V,  8,  82. 

—  Al,  als  bijwoord,  gevolgd  door  een  stofnaam, 
^eeft  te  kennen  dat  een  voorwerp  geheel  het  voor- 
komen van  die  stof  heeft ,  één  en  al  er  als  die  stof 
litzict.  II  Doe  hine  sach  liggen  al  een  bloet, 
^tein.  I,  932.  Si  waren  al  een  swel  (eelf),  ^.11»,  8, 
19.  Ie  sie  u  aenschyn  al  een  bloet,  Troyen  f.  80r. 
>oen  sach  si  voer  haer  liggen  neder  den  scoenen 
aantel  int  gras,  dien  Tysbee  ontfallen  was.  Si 
etter  op  haren  voet,  ende  maecten  allen  bloet, 
Hehj.  Mm.  10,  94,  178  (d.  i.  één  en  al  bloed). 
ïlnde  als  si  hem  naecte  bi,  sach  si  die  sweerde 
ill^fn  bloet,  dat  hem  ter  herten  utewoet,  96,  238 
in  den  tekst  verkeerdelijk',  tsweert:  de  zin  is:  den 
f  rond  één  en  al  bloed).  De  andore  redactie  van 
iet  gedicht,  Taalk.  Bijdr.  1,  244  vlgg.,  heeft 
)p  de  hier  aangehaalde  plaatsen  eene  geheel  andere 
ezing,  en  kan  dus  niet  ter  vergelijking  dienen. 
5e  Vries,  Mnl.  Wdb.  op  Al,  bijw.,  zegt:  „Aan 
tene  verbastering  uit  al  een  bloet  valt  niet  te 
leuken,"  en  verstaat  de  uitdrukking  als  al  en 
Moet,  „waarin  en  het  oude  voorz.  is,  met  in 
relijkstaifinde ,  dat  ook  in  enwege  {enweeh) ,  entrouwen 
snz.  wordt  aangetroffen."  De  eigenlijke  beteekenis 
sou  dus  zijn  geheel  in  bloed,  terwgl  door  misver- 
itand  van  het  verouderde  en  de  uitdrukking  al  en 
verliep  tot  allen.  Doch  plaatsen  als  Sp.  II*,  8, 
)9:  al  een  swel,  maken  hot  raadzaam  als  oorspron- 
kelijke uitdr.  al  één  aan  te  nemen,  waarmede  onze 
litdrukking  één  en  al  geheel  overeenkomt.  Vgl.  Ver- 
lam op  Troyen  4109.  —  Ook  bij  abstracte  znw.  || 
Dit  maecten  si  vast  onder  hem  tween ,  so  dat  al  ene 
menscap  sceen,  Stoke  IV,  835.  (Troyen  4109  leze 
nen  voor  al  een  met  Franck  allen  (dat.  plur.). 

Aanm.  —  Brab.  Y.  II,  1932:  „Die  helm . .  sceen 
;laer  al  een  gout",  zou  kunnen  beteekenen  „de 
belm   sclieen   volkomen   één  en  al  goud."  Doch  al 


zal  hier  wel  op  te  vatten  zijn  als  voegw. ,  in  den 
zin  van  als  (zie  Al  als  voegw.,  2,  r),  daar  men 
Sp.  IV',  6,  50,  waaraan  het  hoofdstuk  is  ontleend , 
leest:  "Die  sceen  claer  aU  een  gout." 

—  Al,  als  versterkend  bgwoord,  maakt  deel 
uit  van  een  aantal  samengestelde  uitdrukkingen, 
als:  Aldore,  Algemene,  Allene,  Alleenskine,  Alna , 
Alop,  Airene,  Alte,  Altehant,  Altemet,  Altenen,  Altoe 
enz. ,  die  in  do  hss.  nu  eens  aaneengeschreven 
worden,  dan  weder  in  hare  deelen  gescheiden 
big  ven.  Om  de  eenheid  van  begrip  is  het  raad- 
zaam, ze  als  één  woord  te  schrijven.  Men  zie 
derhalve  de  verklaring  op  de  woorden  zelve.  — 
Over  Al  in  een,  zie  bij  Een.  . 

AL,  als  voorzetsel,  in  zijne  opvattingen  ge- 
makkelgk  te  verklaren  uit  de  adverbiale  beteekenis 
van  geheel,  geheel  en  al.  Doch  ook  het  fr.  h  V 
zal  niet  zonder  invloed  gebleven  zijn  op  deze  bet. 
van  aL  Zie  Franck  in  zgne  Aantt.  op  den  Akxander. 
—  Bij  werkwoorden  van  beweging,  zoowel  onzijdige 
als  bedrijvende,  wordt  dikwijls  eene  bepaling  van 
plaats  gevoegd  in  den  4den  nv. ,  om  den  weg  uit  te 
drukken ,  langs  welken  de  beweging  geschiedt ,  of  de 
ruimte ,  door  welke  zij  plaats  vindt.  Dergelijke  bepa- 
ling van  plaats  werd  in  het  mnl.  veelal  verstrekt 
door  het  bijwoord  al,  om  uit  te  drukken,  dat  de 
beweging  geschiedde  hetzg  l-angs  de  aangewezen 
ruimte  in  al  hare  uitgestrektheid,  hetzij  door  de 
geheele  ruimte  in  al  haren  omvang.  Nog  heden 
is  het  gebruik  van  al  als  voorz.  in  Vlaanderen 
gewoon,  in  den  zin  van  langs,  door,  in  de  streek 
van,  als:  „Geheele  dagen  al  strate  loopen,  fr. 
courir  la  rite.  Al  de  strate  loopen  (zijne  richting 
nemen  langs  de  straat,  en  niet  door  de  akkers,  enz.). 
Al  ons  geweste ,  al  onze  kanten ,  fr.  de  nos  cdtés ,  d^tns 
nos  parages.  Hij  is  al  Frankrijk  weggegaan.  Men 
spreekt  al  Brugge  anders  dan  al  Kortrijk ,"  De  Bo  46. 
Vgl.  Ndl.  Wdb.  op  Al  ,  voorz.  —  Al  als  voorzetsel 
komt  voor  in  do  volgende  opvattingen: 

a)  Langs.  ||  Al  die  roetse  neder,  Merl.  27900. 
Alst  Alexander  hadde  verstaen  ,  voerde  hi  there 
al  een  ander  strate,  Alex.  IV,  1658.  Van  bloede,  neder- 
lopende  al  sinen  lechame ,  Hs.  v.  1348 ,  297d.  Al  die 
Mase ,  Velth.  1 ,  45 ,  59.  Quam  Perchevael  in  hare  ge- 
moet  al  enen  sijtwech  die  daer  stoet,  Lanc.  II,  37752. 
Ende  keerde  over  die  brucge  weder  ende  rechtevort 
alt  water  neder,  II,  39277.  Soe  vard  mi  dan  al  desen 
pat,  II,  39295.  Daer  hi  al  die  straten  vaert,  Limb.  IV, 
566.  Mgn  heer  Melancolie  cam  neder  al  den  wen- 
telsteen, on.  Lied.  en  Oed.  268,  1050.  Dit  voer- 
seyde  leen  .  .  lieght  zuudewest  van  der  keereken 
van  Desselghem,  also  men  vaert  al  de  straete 
ter  muelnen  waert  streckende,  Gendsch  Chtb.  119. 
Dyo  coninghen  dye  keerden  al  enen  anderen  wech 
in  horen  rgck.  Pass.  W.  lAXa,  Si  keerden  al  een 
anderen  wech  in  hoer  lantscap,  156<^.  Gaet  wech 
in  der  wildernissen  al  den  wech  van  der  Roder 
zee,  B.  B.  Deut.  1,  40  (Vuig.  per  viam).  Al  enen 
wech  sullen  si  tot  di  comen ,  ende  al  seven  wegen 
sullen  si  vlyen  van  dinen  aenscouwen ,  28 ,  7 
(Vuig.  per  unam  viam).  Veel  volcs  quam  al  den 
wech  die  butens  weges  lach,  II  Sam.  13,  34 
(Vuig.  per  iter).  Al  welken  wech  snllen  wi  optrec- 
ken !  II  Kon.  3 ,  8  (Vuig.  per  quam  viam). 

b)  Door,  over,  in  den  omvang  van.  \\  Ende  voer 
al  dlant  van  der  Moreien,  Sp.  II',  6,  23.  Diene 
souden  voeren  sciere  al  die  zee  hemelike,  Lorr. 
II,  2098.  Die  ginc  soe  hi  best  can  den  rechten 
wech  te  Limborch  wert  al  die  zee  nederwert, 
Limb.  I,  2486.  Alsoe  maecte  hi  hem  bekint  alt 
Dietsche    laut ,    Hcelu     1281.    Het   es   gesayt    al 


327 


AL. 


AL. 


328 


kerstinrikef  Denkm.  3,  196,  15.  Om  dit  trac  in 
Ylaendren  mijn  her  Jan  van  Namen  Uilen  steden 
.  .  .  endo  begarde  tfolc  gerede  al  Ylaendren , 
ffeheel  Vlaanderen  door,  Velth.  IV,  68,  47.  Mijn 
vader  liep  al  dat  lant,  Rein.  I,  2412  (//f.  in  al, 
doch  vgl.  Tijdschr.  v,  Ned.  Taal-  en  Lett.  1,  23, 
en  Rein,  1 ,  2421 :  Doe  m^n  vader . .  hadde  ghelopen 
al  dat  lant). 

AL  (ook  alle)  ,  ala  voegwoord.  Mhd.  al  (Grimm, 
Gr,  3,  286);  mnd.  al,  alle,  In  verschillende 
opvattingen : 

1)  Ofschoon,  hoezeer,  alhoewel,  de  nog  heden 
gewone  beteekenis,  reeds  in  *t  Mnl.  even  gebrui- 
kelijk. II  Al  was  hi  hier  te  voren  fel,  hi  en  es 
nn  niet,  Rein.  I,  2622.  Al  ware  dijn  beloven 
swaer,  hout  emmer  vaste,  al  gaet  te  naer,  lleim. 
687.  Verg.  Flor.  79,  496,  664,  919,  1225,  2091, 
2173,  2345,  3742,  3746;  L.  o.  JJ.2017,  2026;<w.r. 
—  Ook  in  den  vorm  alle.  \\  Ende  alle  es  dit 
wonder  groet,  boven  alle  desen  so  draget  privilegie 
die  scone  maget.  Nat,  BI.  V,  432. 

2)  Gelijkstaande  met  AUe,  Alt,  en  daarmede 
afwisselende.  AUe,  als  («ie  ald.)  is  een  verzwakte 
en  verkorte  vorm  voor  aUo,  al  so.  Het  gebruik 
van  het  bloote  al  in  gelijken  zin  is  dus  inderdaad 
niets  dan  de  weglating  van  so,  die  ook  elders 
niet  zelden  voorkomt.  In  't  Mnl.  zQn  de  volgende 
opvattingen  in  gebruik: 

a)  Toen.  \\  Ende  al  die  vrouwe  was  cranc  ende 
out,  verloes  si  haer  horen,  LtUg.  II,  1157.  Ende 
al  sgt  teken  hadde  verstaen,  beweende  si  haer 
doefheid,  II,  1163.  So  dat,  al  wert  bereet  die 
dinc,..  Cesareus  heeft  den  volke  geseit,  ^.  II', 
37,  33.  Ende  al  tfolc  sach  dat  hi  hem  keerde  te 
suiker  duecht,  so  volgden  si  naer ,  Amand  II,  984. 
Rouwe  hadden  wi . . ,  al  moest  comen  tenen  gescede , 
Vrowo.  e,  M.  I,  865. 

b)  AU,  indien,  nog  in  Groningen  gewoon 
(Swaagman  49).  In  dezen  zin  wordt  al  terstond 
door  het  werkwoord  gevolgd ,  niet  door  het 
.subject.  II  Al  ginc  ie  achterwaert,  ie  wane  ie 
soude  mine  scène  steken,  Va/.  4998.  Hens  geen 
wonder,  al  sgn  wi  in  droefheden,  Lan^,  II,  1405. 
Al  was  hem  sQn  herte  swaer,  die  dus  wa.s  te 
gereke  daer,  dan  was  wonder  no  vremthede,  II, 
45337.  En  was  gheen  wonder,  al  waerstu  versaecht , 
Hs.  Souier  189r.  Wat  wonder  wae.st  al  dorste  hem 
sere ,  Ferg.  3045  {vffl.  vs.  5300 :  hets  wonder,  blivic 
in  den  sinne,  waar  de  voorwaardelijke />ar/i>^/,  zooaU 
vaak  geschiedt ,  is  weggelaten).  Hen  es  niet  wonder  al 
vruchtic  des,  al  vruchtic  mine  passie  sere,  L.  o.  H. 
1997.  Wat  wonder  eest  al  suchtic  sere?  3838.  Al 
hadde  hi  geweest  een  man,  hine  hadde  niet  bat 
striden  mogen,  dier  al  sijn  leven  hadde  geplogen 
wapenen  ten  stride,  Heelu8114.  Al  had  si  vaer,  des 
ne  wondert  mi  oec  niet,  Segh.  8844.  Al  op  een  bedde- 
ken soete  ende  sachte  liggen  ende  slapen  twee  ge- 
lieve, . .  daer  wert  oec  gespeelt  der  minnen  aert.  Wint. 
e.  S.  172.  Eest  wonder,  vrouwe,  al  es  si  verbeent 
van  selken  tormente  ?  Blisc.    v.  M.  1041 ;  enz. 

c)  AU,  gelijk,  zooaU.  \\  Al  dien  dochte  in  sinen 
wane,  dat  hi  die  minste  si,  Sp.  II« ,  65,  26  (Var. 
als).  Mettien  wert  si  in  weene  groot  bevaen,  dat 
hi  al  devocie  heeft  verstaen,  Sp.  II',  49,  96. 
Recht  al  vogel  die  gevaen  sijn  ende  liggen  onder 
tnet,  Fragm.  Carl.  250.  Si  plach  tontfane  Gods  lichame 
alle  sondage ,  al  sint  Austijn  maent  dat  doen  sal  elc 
goet  kcrstijn,  Dttg.  II,  761.  Daer  leet  si  heite 
menechvoude,  al  ieman  van  ons  liden  soude,  Chris  f. 
407  {in  de  uitg.  als;  doch  zie  hl.  \24  en  511).  Om 
kinder  te  crigene,  al  Geraert  segt,  Glar.  109. 


3)  Voor  Al  of,  eigeniyk  geheel  (ƒ ,  ia  dca  ni 
van  alsof.  Zie  Al  (bijw.),  g).  Al  in  deiei  ci 
wordt,  geiyk  ons  aU  in  de  beteekenis  inatli^, 
terstond  door  het  werkwoord  gevolgd ,  liet  d^ 
het  subject.  ||  Si  sochten  met  cleenre  msekt,  il 
hadden  si  ongedeelde  cracht,  AUx.  VII,  337.  Die 
snee  viel  op  hem  in  den  dale  also  breet . .  il 
haddent  geweest  vliese,  X,  459  (Franck  yeiaèr 
al  onnoodig  in  aUe).  Datmer  ter  middeniackt  iii 
zach,  al  hadt  gewezen  scone  dach,  Fre^  Cr^ 
167.  Alse  dit  die  coninc  verstoet,  was  hi  bii^ 
in  sinen  moet,  al  haddet  al  geweest  sgn  ^ 
goet  dat  vloit  opten  Rijn ,  Eleg.  483.  Dier  i 
songen  moelne,  al  hadden  si  tongen,  Brmi.  \i 
1708.  {Hs.  C  1783,  of  si  hadden).  Al  hidde  t 
in  therte  rouwe, . .  te  weenne  si  doen  be^,  ^^ 
202.  Hy  en  woude  hoir  niet  verb«jden,al  hiddfi^ 
angst  voert  bose  wyf,  MLoep  I,  2334.  Datwui» 
claer . .  al  hadt  gesy n  int  paradys ,  O  Fl.  Lied.  n  (k 
243 ,  223.  Syn  gelaet  was  so  fier,  al  hadde  geween 
hem  belanc  al  der  werelt  ombevanc,  241 ,  246.  E»* 
houden  leggende  in  voochdien,  al  waert  eeo  bc 
van  enen  jare,  356,  1220.  Menige  quike  wu^ 
gegeven  over  tafel,  die  hi  wel  ontfinc,  il  ij^ 
hyt  over  spel.  Vrouw.  e.  M.  VUI,  162.  Van beifl 
alsoe  mat,  al  haddic  se  ven  baken  gegeten,  U^ 
242.  Ende  keerde  syn  anschyn  omme  van  mi.L 
haddic  geweest  een  stinckende  hont,  334.  Die^(- 
natoren . .  verdreven  hem,  ontkeyscrden  hem,** 
dat  hi  vlyen  most  al  hadt  een  arm  mensch  gtf«& 
Gesta  Rom.  c.  164.  Zie  ook  Lipp.  165 ;  Ruhè.  126;  %f 
V.  Nijm.  6,  109;  8,  149;  enz.—  Het  gebruik « 
al  voor  alsof  bleef  nog  tot  de  17de  eeuw  in  w« 
zie  Huyd.  Proeve  1,  384,  en  De  Vries  op  Warct 
bl.  136 ;  en  zelfs  nog  heden  te  Kortrijk.  Zie  Sné^- 
op  Alex.  Dl.  2,  bl.  438. 

4)  Ook  wordt  Al  gevolgd  door  het  bjw.K^ 
dat  van  al  door  het  ww.  gescheiden  is,  ^ 
zulks  vroeger  ook  het  geval  was  met  of-t^ 
(zie  Ned.  Wdb.  op  Ofschoon),  en  ook  a*^ 
Middeleeuwen  met  aUchoon,  in  de  beteekenis  w 
ofschoon,  al'Ook,  \\  Een  ryck  man  moet  vf 
syn,  al  int  schoen  een  sot,  Spreuken  9. 

ALABASTER  (albakster),  znw.  oni.  ^■ 
dla^aatQOVy  thans  albast.  ||  Een  graf .  •  ^ 
alabaster  stene  gehouwen,  Lutg.  Il,  1513.  I* 
ander  van  albaster  was ,  Fragm.  Carl.  178.  Tta 
vate  dat  alabaster  was,  Brab  Y.  II,  2172  ii«l 
Sp.  IV»,  9,  3:  alabastre).  In  enen  tor  . -^^ 
albaestre  scone  ende  wit,  O VI.  Lied  en  Ged.-^ 
289.  Men  hout  in  een  marberen  vat,  in  aliba^ 
Nat.  Bl.  X ,  201  var.  B  (var.  V.  A.  W.  alabaasffei 

ALABASTRIJN  (alabalstrijn,  alabastw> 
-ine,  bnw.,  albasten,  van  albast.  ||  Men  ^ 
in  een  maerbarin  vat  jof  alabastren.  Nat.  Bl-^ 
201.  Hebbende  enen  alabaustrinen  bnsse  prede«f 
salven,  Hs.  v.  1348,  105tf.  Enen  busse  Ma»^ 
van  zalven  van  naerdebladen ,  lllr. 

ALABONDINE  (alabandine)  ,  inw.  tt.  ^ 
soort  van  edelgesteente,  aldus  genoemd  naar-»^ 
banda,  eene  stad  in  Carië.  Mlat.  alabandt»»,^ 
alavandina ,  en  veelal  alamandina  (Duc.  1 ,  ï^, 
ofr.  alamandine  (La  Cume  1 ,  312).  Verg.  >'^  *' 
XII,  181  vlgg.  il  Van  brasinen,  van  sanli^ 
van  carboncleu  ende  alabondinen  waren  die  II*** 
al  beset,  Troyen  5432. 

ALAEM.  Zie  Allame. 

ALAEN  (Allaen),  zuw.  m.  Naam  ecner g«a«^ 
krachtige  plant  Alant,  Alanfsworiel ,  mnd.  <^ 
hd.  alant,  lat.  innla.  \\  Wortele  van  bism*»^- 
alaen    niit    wives    melc,  Lanfr.    125r.  Dan  »■' 


129 


ALAE. 


ALDA. 


330 


at  lit  betten  .  .  ende  dan  legter  op  allaen,  151r. 
AliAES  (allaes,  en  aylas,  aylaes,  aylase, 
YLACE ,  AYLACKN,  aylayse),  tüsschenw.  Eigenlijk 
wee  yerschillende  vormen,  uit  de  Tereenigde  uit- 
mkking'en  Ak  laes!  of  Ach  laesl  en  Ay  laes! 
ntstaan,  doch  in  geheel  dezelfde  beteekenis  en 
:oor  elkander  gebeiigd.  Eng.  ala»!  thans  kelacu! 
Terg.  Olas.  ||  Alaes !  als  hi  hem  dan  bedinct ,  hoe 
li  sijn  geldeken  hevet  verloren,  Vod.  Mtts.  1,  83, 
»7.  Allaes!  wat  hebbic  n  mesdaen?  Esop.  LIX, 
l,  &n  evenzoo  XL VIII,  36;  LXI,  öO.  AylasI  dat 
aach  luttel  vromen ,  Rosé  7881.  Maer  suchte  ende 
eit:  Aylas!  L.  o.  IL  2140.  Aylase!  o  wach! 
tO02.  Aylase!  caitijf!  4009.  Aylace!  wat  segdi? 
Wal.  9421.  Aylacen!  wat  sal  mijns  ghescien? 
Seatr,  500.  Aylacen!  nu  blivic  onberaden!  Limb. 
iTII ,  370.  Aylayse !  sprac  Lanceloet ,  Lanc.  IV , 
t707.  —  Ook  als  znw.  gebruikt,  in  eene  woord- 
;peling  met  solaet,  \\  Die  hier  met  vruechden 
naect  zQn  nest,  sijn  solaes  dat  werdt  ailaes! 
IVl.  Lied,  en  Ged,  412,  279. 

ALAME.  Zie  Al  lam  E. 

ALB,  albe^  znw.  m.  Lat.  albut  (Dnc.  1,  172). 
in  ^t  fr.  ölanc,  hier  te  lande  ook  Witpennmg  of 
Blank  genoemd.  Eene  kleine  zilveren  munt,  aan 
len  Rijn  en  by zonder  te  Keulen  gebruikelijk , 
sijnde  yV  ^^^  c^n  Rijnschen  gulden ;  in  ons  vader- 
and  vooral  bekend  in  het  hertogdom  Gelre.  || 
Anderhalve  Rijnsche  gulden  ad  20  stuvers,  off 
24  alb  to  rekenen  voir  enen  gulden,  Nljh.  5,  79 
'a.  1477).  Rader  alb,  met  het  rad^  het  wapen  van 
Mainz;  kroenderalb,  met  de  kroon;  jontter  Eatherynen 
ilb,  Nuysser  alb,  Zutphensche  alb,  enz.^  bij 
Y.  d.  Chgs  2 ,  423  vlg. ,  en  verg.  3 ,  81 ,  93  en  97. 

ALBAESTER.  Zie  Alabaster. 

ALBE.  Zie  Alve. 

ALBEDALLE.  Zie  Al  als  zelfst.  vnw. ,  II  >  4. 

ALBEDI.  Zie  bedi  en  vgl.  Aldaerom. 

ALBERADERE  (alberader),  znw.  m.  Zie 
Beraden.  Alvenchaffer  ^  albezorger  ^  de  bron  van 
tlles  goeds,  \\  Hier  es  geven  alberader,  geven  es 
j^od  selve  in  loene.  Van  gevene  80. 

ALBERËIT  (albereits),  bnw.  en  bijw.;  mhd. 
ilèereite;  vgl.  hd.  bijw.  allbereit{s). 

Als  bnw.  —  Geheel  en  al  gereed.  \\  Si  weken 
xldaer  in  twee  starcke  huisen  .  .  .,  daer  si  hoer 
reetscap  ende  hore  were  vonden  albereit,  V.  d. 
Wall  395. 

Als  bgw.  —  Aireede  y  alreeds,  \\  Beheltelick  dat 
die  saecken  die  albereydts  aenhengich  gemaeckt, 
and  anders  dan  voorsz.  bedingt  zijn,  oeren  voort- 
ganck  genieten.  Land/r.  v.  Vel.  43,  2. 

ALBESTIERT,  znw.  m.  Bestieral,  besttmral , 
een  die  alles  bestuurt.  ||  Van  zeden  was  soe 
gerangiert,  recht  als  een  manheer  Albestiert, 
O  VI,  Lied.  en  Ged.  263,  883. 

ALBLOOT.  Zie  Bloot. 

ALBE,  alt,  bnw.  Gewestelijke  vorm  voor  out, 
ottd,  II  Nae  usantie,  gewoente  ende  privilegie  der  sel- 
vér  stadt,  goede,  alde  ende gepruefdo ,  ^^te^.  9.  Sint- 
Trugen  §  6.  Nae  die  alde  ghewoente  der  stadt,  §  7. 

ALDAER,  bgw.  Behalve  de  vroeger  evenzeer 
gewone  opvatting  als  bijw.  van  plaats,  ook  als 
bepaling  van  tyd  gebezigd,  en  dus  gelijkstaande 
met  alêtoen ,  alsdan ,  evenals  hd.  da.  Zoo  b.  v.  Sp. 
V,  41,  10;  111%  39,  29;  IIP,  51,  63;  III»,  30, 
28;  SHZ,  —  Aldaer  was  ook,  evenals  daer^  zeer 
gewoon  als  relatief,  in  den  zin  van  het  tegen- 
woordige alwaar y  waar,  als  b.  v.  aldaer  hi  lachy 
aldaer  Ai  saty  aldaer  wi  sijn,  enz.  Zoo  b.  v.  „Ter 
slinker  siden  aldaer  sente  Jacob  leghet,"  i^.  I*, 


5,  69;  vgl.  Franc,  895,  1932,  2080,  enz.,  waar  het 
min  juist  alder  gespeld  is.  Misschien  staat  in 
het  hs.  ald*. 

ALDAEROM  (aldaerombe),  bijw.  Bloote  ver- 
sterking van  Daerom,  daarom.  Nog  in  sommige 
streken  in  gebruik  in  antwoorden  op  vragen  met 
waarom.  ||  Aldaerom  soe  antwoirde  Jhesus  den  duvel, 
Brugm.  2 ,  279.  Dat  hebbic  aldarombe  gesproken , 
opdat  gi  wet,  Idmb,  Serm.  56d.  Die  duvel,  die  mi 
castiet  an  die  ene  side,  heb  ie  aldaerom,  want  ie 
miin  man  heymelike  plach  te  ontrecken  die  goeden , 
Ned,  Proza  87.  Aldaerom  en  halpt  mi  niet,  88. 
ALDAN  (aldanne),  bijw.  Bloote  versterking 
van  Dan,  en  dus  alsdan y  toen.  j|  Heer  Willem 
van  Rees,  die  aldan  hem  sekerde  s|jn  gevangen 
man ,  Brab.  T,  VI ,  5959.  Daer  maecte  de  keiser  . . 
coninc  Eduwaerde  vicarjjs  des  heilichs  rijcs  aldanne, 
Edew.  393,  e.  e. 

ALDANICH,  -nige,  bnw.  Indien  de  lezing  juist 
is,    hetzelfde   als   Alsdamch,    Alsedanich,  en  dus 
Zoodanig,  dusdanig,   evenals   al   ook   in  bet.  van 
also  voorkomt.  Zie  Al,  voegw.  3,  <;).   ||   Die  soe 
nipt  men   of  met   aldanigher  eener  tajighe,  Jan 
Yp.  110. 
ALDEMAN.  Zie  Alehan  (2de  art.). 
ALDER,  znw.  m.  Gewestelflke  vorm  voor  Ouder, 
steeds  in  het  mv.  Alderen,  voorouders,   \\  Alle  die 
rechte,  die  onse  alderen  ende  wij  .  .  gehat hebben 
an  desen  dach  toe ,  Nijh.  1 ,  260  (0.  1331). 
ALDER,  bgw.  Zie  Aldaer. 
ALDER-,  in  samenstellingen,  als  aldernaest, 
aldertiere  enz.  Zie  die  woorden  op  Alre-. 
ALDERLÜDE,  Alderhan.  Zie  Ouder—. 
ALDERVOUDEN.  Zie  bfl  VoüT. 
ALDIEWTLE.  Zie  bij  Wile. 
ALDO.  Zie  Aldoe. 

ALDOCH,  voegw.  Versterkte  vorm  voordoek, 
^ch,  echter.  \\  Aldoch  sijn  si  dinne,  Wap,  Mart, 
I,  337  var.;  enz, 

ALDOE  (aldo,  aldoen),  bijw.,  veelal  in  twee 
woorden  geschreven.  Versterkte  vorm  voor  doe, 
toen,  thans  alstoen;  doch  somtüds  in  geheel  ver- 
zwakte beteekenis  en  bijna  expletief  gebruikt.  || 
Hi  was  ongewapent  aldoe ,  Zone.  II ,  4427.  Moyses 
sprac  te  Gode  aldoe,  Rijmb.  5117.  Haer  afgode 
lieten  si  aldo,  10048.  Hi  dankets onsen Here aldo , 
10170.  Die  sjjn  vicarijs  was  al  doe.  Franc,  7273. 
Parthonopeus  was  aldoe  buten  comen,  Parth, 
7817.  —  Zoo  ook  Rijmb,  18025,  21441,  24920 
var.,  25996;  Franc,  8344;  -^p.  I«,  1,  40;  Grimb. 
I,  884,  II,  553;  Stoke  II,  554;  Velth.  VI,  10, 
41;  23,  6;  Amand  II,  29;  Fragm.  Car.  289;  enz. 
—  Aldoen,  Brugm.  2, 366;  O T/.  0*^.2, 112, 122; 
Brab,  Y.  V,  614;  VI,  1588;  O VI,  Lied,  12%; enz, 
ALDORE  (aldure,  alduere,  ook  al  dore, 
AL  DURE  geschreven),  bnw.  Uit  het  b^jw.  Al  en 
Dore,  Dure,  thans  door;  dus  eigenlijk  Geheel  door, 
door  en  door.  Het  werd  gebruikt  als  bQw.  van 
plaats  zoowel  als  van  tyd,  in  verschillende  op- 
vattingen. 

1)  Van  plaats, 

a)  Geheel  door,  door  endoor,  \\  Der  slage  hebbic , 
vrouwe,  ontfaen,  die  mi  sijn  int  herte  gegaen, 
ende  daer  in  gemaect  ene  cure  (/.  scure?),  maer 
noch  en  eist  niet  aldure,  Limb,  XI,  203.  Dat  hijt 
stac  aldore,  JVal.  407.  Het  ginc  aldure  ende  ont- 
fync  die  bittre  doot  datti  gerechte,  Maleg,  866. 

b)  Door,  door  heen.  ||  Sijn  halsberch  hadde 
menige  scure,  men  sach  sijn  scone  lijf  aldure, 
Wal,  759. 

c)  Immer  door,  recht  door.    \\    Hi  voer  aldorfl 


331 


AI.DO. 


ALDU. 


332 


tote  an  die  stat,  Terg.  3938.  Hi  reet  so  verre 
aldare,  dat  hi  in  een  woeste  velt  qnam,  Lanc, 
III,  2654. 

d)  In  alle  richtingen  door,  overal  heen,  naar 
alU  kanten,  of  wel:  Overal,  aan  alle  kant.  ||  Alse 
gedient  was  int  gemene  van  den  irsten  gerechte 
aldnre,  Lane.  III,  272.  Dat  grael  sciet  uter  zale, 
alst  aldore  gedient  hadde  wale,  III,  653.  Alsi 
qnamen  al  daer  voren ,  si  vernamen  aldare  staende 
taflen  gerecht,  Wal.  8741.  Tscaecbart  dat  was 
lasure ,  ende  van  gonde  gedeilt  aldare ,  Ca»9. 1689. 
Bi  skeysers  gebode  oppenbare  worden  in  tRoemsche 
rike  harentare  der  gode  tempele  besloten  aldare, 
5/7.  II»,  22,  381.  —  Ook  voorafgegaan  of  gevolgd 
door  een  znw. ,  de  ruimte  aanduidende,  binnen 
welke  zich  het  subject  beweegt.  ||  Perchevael 
reet  die  lande  aldare,  Lanc.  II,  36263.  Tpalais 
aldare,  III,  648.  In  den  wonde aldure , III ,  15832. 
Int  hof  aldore,  II,  13943.  Die  van  dien  castele 
aldure ,  II ,  2273.  Ende  dat  lant  aldure  besochten , 
mjmh.  27383.  Dat  Roemsche  rike  aldure, ^.III», 
8,  90.  In  sijn  rike  aldore,  UI»,  20,  67;  IV',  4, 
5.  Die  port  alduere,  IV',  33,  41.  Dbisscopdoem 
aldure,  III»,  45,  51.  Die  stat  aldore,  II*, 44, 45. 
Aldure  in  dlant,  II«,  60,  7.  Diese  sochten  aldore 
in  dlant,  11^,  49,  49.  Hi  ginc  predicken  ende 
castien  alduere  int  land,  Amand  II,  4172;  enz. 
t\   Van  tijd. 

a)  Altijd  door,  aldoor,  aanhoudend, steeds.  ||Dat 
hi  met  zwete  ende  met  labore  sijn  droeve  broot 
winne  aldore,  Mask.  1087.  Die  heiligeest,  die  hier 
opter.  aerde  uwen  lichame  heiligede  aldure,  Clavis. 
242.  6i  hebt  tot  deser  ure  quaet  seriant  geweest 
aldure,  Lane.  III,  2510.  Yan  soe  flerre  nature 
ende  van  soe  hoger  aldure,  II,  24332.  Dus  lach 
die  coninc  in  groter  clage  aldore  toten  dage ,  lAmh. 
VIII,  1665.  Gevet  ons  God  gesonde  aldure,  -SJd. 
III*,  92,  84.  Dat  si  hem  te  helpen  geven  twee 
man  alduere  van  der  heven,  Stoke  V,  691.  Ende 
aldus  eist  te  verstane  alduere  van  vremden  Inden , 
Tolbrief  van  Aardenb.,  in  Lett.  JV.  IK  S,  81.  — 
Ook  voorafgegaen  of  gevolgd  door  een  znw.,  de 
tijdsruimte  aanduidende ,  binnen  welke  de  handeling 
aanhoudend  geschiedt,  en  dus  gedurende,  onafge- 
broken door.  II  Die  met  Ingelbeerte  den  Zas  sine 
maent  alduere  was,  Flandr.  V,  61.  Dien  (den) 
dach  aldure,  Sp.  IV»,  24,  95;  Stoke  IX,  417; 
Amand  II,  4305,  4322.  Dien  nacht  ende  den  dach 
aldure,  LaTtc.  IV,  5146.  Achte  dage  aldure,  II, 
2692.  Een  jaer  aldure,  II,  35827.  XXXIX  jaer 
alduere,  %).  I*,  1,  65.  Aldore  dien  dach,  Lanc. 
III ,  4503.  Aldure  drie  dage ,  Rijmb.  10809.  Aldure 
een  half  jaer,  18109;  etus. 

b)  Tot  op  het  laatst  toe  door,  ten  einde  toe.  \\ 
Alse  die  van  binnen  die  aventure  van  den  sweerde 
sagen  aldure  te  hoefde  bracht,  Lanc.  III,  10255. 
ALDORENTORE.  Zie  Dorentore. 
ALDOS ,  bijw. ,  voor  het  gewone  Aldtis.  L.  v.  J. 
passim-,  Limb.  III,  1271, "VIU,  167,  981  (in  het 
rijm);  Doet.  II,  1638  (in  't  rijm);  enz.  Verg. 
Bormans  op  Christ.  bl.  214. 

ALDOSGEDAEN.  Zie  Aldusgedaen. 
ALDOSTEN.  Zie  Aldusdaen. 
ALDUERE.  Zie  Aldore. 
ALDULC,  -Ike,  ook  alduc,  -cke,  bnw.  Samenge- 
trokken vorm  uit  J/<^im/(;>  :  verg.  Dusc  en  mnd.  al- 
dtisk,  aldussik,  alduslik.  Zoodanig,  dusdanig.  \\  Ist, 
dat  yemant  aldulcke  luyden  guet  heymentlik  ontholt, 
Stad^b»  V.  Bolsward,  bij  Schwartz.  1 ,  555a.  Aldulken 
recht  sullen  dye  burgers  .  .  weder  hebben  mogen, 
1,  16Gb.  Over  alducke  spill,  561«.  Wie  aldulcke 


onreynicheit  uutvoert,   Stadb.  v.  Sneek,  ald.  589*. 

ALDUS  (aldos),  bijw.  en  voegw.  Mnd.  aldus. 
Als  bijw.  in  de  gewone  opvatting  van  ahoo,  op 
deze  toijze  {ita,  sic),  die  oudtgds  evenzeer  de 
meest  gebruikelyke  was;  doch  somtgds  in  geheel 
verzwakte  beteekenis  en  bijna  expletief  gebruikt, 
als  Natuurk.  561 ,  1210 ,  1222.  Ook  als  redengevend 
bgw.  en  voegw.  gebezigd  in  den  zin  van  itaqite, 
ideo,  propterea,  waarvoor  thans  alleen  dus  als 
voegw.  gebruikt  wordt  Verg.  de  glosse  in  Grafs 
Diut.  2,  220:  Aldos,  itaque."  Dus,  daarom^  nil 
dien  hoofde.  ||  Heefse  God  aldus  vercoren?  KCL 
117.  Aldus  slouch  hi  sijn  getelt  but«n  Lengres 
up  dat  velt,  Sp.  III»,  53,  26.  —  Op  aldus,  op 
die  voorwaarde.  Vgl.  bi  aho  op  ALSO.  ||  Tc  Cob- 
stantinoble  in  de  stede  maecti  sinen  sone  Archadim 
keyser  te  sine  up  aldus,  dat  hijt  bleve  in  Grient, 
Sp.  III»,  20,  24.  —  Zie  verder  bg  Op. 

ALDUSDAEN  (aldustaen,  aldusten,  al- 
DOSTEN)  ,  -dane  {-tane ,  -tene) ,  bnw.  Mnd.  aldusdéiu 
Hetzelfde  als  aldusgedaen*.  zie  ald.  Dusdamig, 
zoodanig.  \\  Aldusdane  wort  sprac  die  coninc, 
Lanc.  IV,  11613.  Aldusdaen  leven  lede  \ii,Renofit 
1969.  Met  aldusdare  (=daenre)  aventure,  lUjmk. 
31688  var.  Met  aldusdanen  treken,  33338  var. ;  enz.  — 
Veelal,  met  verscherping  der  rf  door  den  invloed  der 
s,  Aldustaen  geschreven.  ||  In  aldustanen  gebede, 
'Rein.  1 ,  862.  Bi  aldustanen  dingen ,  Nat.  BI.  UI , 
1618.  Met  aldustaenre  onwerden,  Rijmb.  30320. 
Aldustane  moort,  33349.  Met  aldustaenre  doget, 
franc.  211.  Aldustanen  raet,  D.  B.  II  Sam.  17, 
15.  Aldustane  eyschelike  dingen,  Jerem.  18, 13.— 
Door  verplaatsing  van  den  klemtoon  werd  de  laatste 
lettergreep  toonloos,  en  Aldustaen  verliep  tot 
Aldus  f  en,  Al-dosten.  \\  Die.,  aldosten  getnge  g&f, 
L.  V.  J.  c.  21.  Aldostene  gewout,  c.  229.| —  Verg. 
Alsosten. 

ALDUSDANICH  .(aldusdanech,    en    aldis- 

TANICH,   ALDUSTANECII,   OOk  ALDUSTENICH)  , -wi^ 

of  -nege ,  bnw.  Mnd.  aldusdamch.  Zie  bij  het  vorige 
art.  Dusdanig,  zoodanig.  \\  Aldusdanech  {en  aldus- 
tanich)  mesfal,  Rijmb.  33342  var.  Alle  aldns- 
tanige  huysraet,  D.  B.  Num.  3,  31.  Aldustanige 
letteren ,  Mandev.  38(7.  Aldustanige  reden  callende, 
Gesta  Rom.  c.  153.  Aldustenige  poirter,  Ned. 
Proza  265. 

ALDUSGEDAEN  (aldosgedaen),  -dane,  bnw. 
Zie  by  Gedaen.  Dusdanig,  zoodanig.  \\  Metaldas- 
gedanen  prise.  Rein.  I,  3054.  Aldusgedane  da«t, 
Rijmb.  7120.  Met  aldusgedanen  treken ,  33338.  Met 
aldusgedaenre  penslngen ,  Lanc.  VI ,  196.  Bi  aldns- 
gedaenre  dinc,  Parth.  7703.  Met  aldusgedanen 
teken ,  Wrake  III ,  1665.  Aldusgedane  liede ,  Runsbr. 
2,  12.  Aldosgedaen  werc,  L.  v.  J.  e.  128.  Aldos- 
gedane  werke,  c.  179;  enz. 

ALDUSGEDANICH  (-danech),  -nige  of -nege, 
bnw.  Zie  Aldusdanich.  Dusdanig,  zoodanig.  || 
Soe  wie  met  aldusgedanegen  wiltbraet  omgaet, 
Belg.  Mus.  7,  314.  Aldusgedanegen  dienst  ende 
bede,  Brab.  Y.  Dl.  2,  bl.  593  [a.  1362). 

ALDUSSULC,  -Ike,  bnw.  Versterking  van  stik 

door  Aldus,  evenals  ook  geschiedde  door  Also  in 

Al  s os  ui  c:   zie   bij   alselc.   Dusdanig,  zoodatüg. 

II   Dat  een  puer  leec   aldussulc    leringe    vyndcn 

mocht,  Ned.  Proza  344. 

ALDUSTAEN,    ALDUSTANICH.    Zie    Ai.Di?- 

DAEN,  AlDUSDANICH. 

ALE,  bijw.,  bijvorm  van  al,  waarover  zie  Ael, 
3e  Art.  Behalve  in  de  daar  genoemde  woorden ,  komt 
deze  bijvorm  ook  voor  in  de  Limburgsche  uitdr. 
al  e    cort,   d.   i.  geheel  kort,  zeer  kort.    \\    D«t 


J33 


ALE. 


ALEM. 


334 


aeriHoen)  sprect  van  vier  vronden  die  di  sele  (flfe  ziel) 
mifeet  alse  dronken  wert  vander  Gotheit  ende  es 
ile  cort,  lAmb.  Serm,  Ir.  Ende  (dit  sermoen)  es 
fat  ende  orberlic  ende  ale  cort,  2r.  Dit  sprect 
fa,n  twerehande  geesteliken  levene  ende  es  ale  cort, 
lid.  —  Het  woord  zal  wel  als  eene  samenstelling 
»p  te  vatten  zijn  en  alecort  geschreven  moeten 
vorden. 

ALE  (ael,  hale),  znw.  onz.  Ags.  ealu^ 
mlo  (Ettm.  9);  eng.  ale\  deensch  en  zweedscb  öl. 
Verg.  Ned.  Wdi.  op  Aal  (4de  art.).  Eene  soort 
ran  moutdrank  of  bier ,  met  minder  hop  dan  in  het 
gewone  bier,  en  dus  zoeter  van  smaak.  ||  Soe 
vat  man  die  ael  brouwet  binnen  Dordrecht,  V.  d.  Wall 
lö2  («.  1322).  Wair  dat  yemand  .  .  bier  of  ael 
ïrouwede ,  ald.  Van  hoppenbier.  Item  so  wie  binnen 
Dordrecht  hoppenbier  of  ael  brouwen  wil,  O.  K. 
}.  Dordr.  37,  116.  Dat  men  also  vele  brouwede 
iels  binnen  onser  poirte  van  Dordrecht,  Mieris  2, 
J90tf  (rt.  1322).  Van  ale,  die  jegens  hem  gecoft 
vordt  in  den  orloge  vor  Utrecht,  Rek.  d.  Graf. 
J,  641.  Een  tonne  aels,  II  d.  —  Een  vat  of  eene 
)ipe  aels,  jof  eene  pipe  biers,  IIII  d.,  ZVl. 
Bijdr.  6,  32  {a.  1262).  Inghels  hale,  mede  ende 
)ier,  lAvre  d.  Mest.  11  (fr.  goudale  d'EngUierre). 
iel  unde  bier,  Hor.  Belg.  9,  94  (fr.  goudale  et 
^ervoite).  Al  hadde  haer  moeder  .  .  ael  oft  bier 
gebrouwen,  Vad.  Mus.  1,  77,  12.  —  Eene  bg- 
sonder  goede  soort  heette  goed  ale,  goedale 
»f  go  dal  e,  welk  woord  in  het  Fransch  werd 
)vergenomen,  waar  het  goudale  of  godale^  vr. , 
uidde  (zie  boven  en  verg.  Gachet  243  vlg.  en 
Duc.  3,  636  op  Qodala).  \\  Hi  verhoed  alte- 
nale  te  bruene  bier  ende  goedale,  Vl.  Rijmkr, 
mi.  Wgn,  godale  ende  oec  bier,  Velth.  IV, 
>3,  36.  Ende  Joes  die  sal  de  goedhale  ofte  bier 
>etalen,  Cannaert  103.  —  Brassatores  potus , 
mi  vulgo  dicitur  goudale,  Oork.  v.  Kamerijk  bij 
DxLc.  4,  174tf  (a.  1233).  —  Van  dit  in  Vlaanderen 
gebruikelijke  godale  is  het  nog  heden  bekende 
'r.  godaille ,  braspartij ,  en  godailler ,  brassen ,  lastig 
Irinken,  dat  onze  vooronders  in  de  17de  eenw, 
net  woordspeling  tusschen  Aal  en  den  vrouwen- 
laam  Aaltje^  schertsend  van  Aaltje  zingen  noemdeiL 
zie  Ned.  Wdb.  op  Aal  ,  2de  art.).  Deze  etymologie 
vordt  ook  aangehaald  door  Littré  1,  1890,  die 
jvenwel  het  woord  „d'origine  incertaine"  noemt, 
m  is  waarschgnlijker  dan  de  door  Diez,  Wtb.  2, 
124,  gegeven  verklaring.  Ook  de  nog  bekende 
dgennaam  Öoedeljee  is  daarvan  afkomstig  (fr. 
^od€ullier). 

Samenst.  Alebronwer,  znw.  m.  bierbrouwer^ 
^.Hvent.  V.  Brugge,  Int.  292. 

ALEEN.  Zie  allene. 

*ALEENKINE,  verkeerde  lezing  voor  a//^»lt»^ 
z.  a.),  Sp.  I»,  41,  44. 

ALEGEREN.  Zie  Allegeren. 

ALEINDE.  Zie  Alende. 

ALEINSKEN.  Zie  Allenkine. 

ALECORT.  Zie  Ale  ,  1«  art. 

ALEMAN  (aelman,  aldeman),  volksnaam,  m. 
5oowel  voor  Al^manniër  als  in  ruimere  opvatting 
roor  Duitscher.  Mv.  die  Alemanne,  later  A 1  e  - 
nans,  lat.  Alemani,  fr.  les  Allemande.  \\  Deerste 
teyser  Aleman,  Sp.  IV*,  9,  3.  Menegen  Aleman 
T*,  64,  14.  Vranken  ende  Alemanne,  IV»  4,67. 
Jptie  Aelmanne,  IV»,  9,  74.  Den  Aelmannen, 
V*,  19 ,  93.  De  Scotten  ende  die  Alemans ,  Barthol. 
M^b.  —  Bij  laatstgenoemden  schrijver  ook  de  on- 
:uiverde  spelling  Aldeman.  \\  Een  swarte  verwe  in 
len  volc  dat  men  Moeriaens  biet,  ende  een  witte 


verwe  in  den  Aldemans ,  dat  is  in  den  Duytschen , 
Barthol.  816a.  —  Het  land,  door  de  Aelmanne 
bewoond ,  heette  Aelmaenge  of  Almaenge  (verb.  nv. 
•maengen),  fr.  All^magne.  Zie  Nat.  BI.  XII,  421, 
749;  Sp.  IV»,  40,  20;  43,  8;  60,  42;  61,  61; 
IV»,  7,  46;  43,  28;  ens.  —  Later  Aelmangen.  \\ 
Aelmangen ,  twelc  strect  totten  broeken  van  Meothedi 
(palus  Maeotis),  Barthol.  4996. 

ALEMAN  (aelman),  mv.  -manne,  later  -mans, 
znw.  m.  Uit  Ale  en  Man.  Eene  soort  van  plat- 
boomde  boot  of  schuit  voor  het  vervoer  van  ale  of 
bier,  dus  bierschuit',  doch  by  uitbreiding  schuit 
in  H  algemeen.  Man  voor  schuit  of  schip  is  eene 
bekende  benaming:  verg.  ons  beurtman,  eng.  man 
of  Kar  en  merchant-man.  Zie  V.  Lennep,  Zeemans- 
Wdb.  136;  De  Jager,  Versch.  317  vlgg.  ||  NavU 
dicta  aleman ,  Oorkb.  van  Margareta  van  Vlaanderen^ 
1262,  bij  Sartorius,  Vrk.  Gesch.  d.Hanse,  herausg. 
von  Lappenberg,  2,  81.  —  Van  altmannen.  Elc 
vremde  man  die  coopt  jof  vercoopt  eenen  aleman , 
ess.  II  d.*  Lidet  duer  die  poort,  elc  aleman  ess. 
I  d\ ,  Tolbrief  van  Aardenburg ,  in  Lett.  N.  W.  6, 
86.  Drie  gesellen  .  .  die  .  .  elcx  mit  enen  aelman 
bier  haelden  voir  Poelgeest,  also  als  men  van 
danen  mit  groete  scepen  niet  vloten  en  mocht, 
Bel.  V.  Leiden  388.  Wagenen ,  aelmans  ende  schuvten, 
439.  Dat  elc  huys  .  .  alle  jair  eens  een  aelman 
vol  baggers  aten  water  np  sel  doen  laken,  Leid. 
Keurb.  148,  60.  Twalef  aelmans  baggers,  149. 
Alle  turf  ende  hout  selmen  vercopen  bü  geijcten 
aelmans,  ende  so  men  veel  turfs  ende  hout  ver- 
coopt bij  scepe,  die  veel  meerre  sijn  ende  groter 
dan  geijcte  aelmans ,  so  hebben  die  scout  ende  achte 
scepenen  gekuert  .  .,  dat  so  wie  turf  of  hout 
brengt  binnen  Levden  in  meerre  scepen  dan  mit 
geijcte  aelmans,  die  sel  geven  van  eiken  scepe, 
dat  meerre  is  dan  enen  geijcten  aelman,  den 
dubbelden  exsgs,  224,  14.  Dat  alle  aelmans,  die 
mit  turf  of  mit  bamincxhout  binnen  Leydencomen, 
lanc  wesen  sullen  32|  roede  voet  ende  wijt  beneden 
in  den  boden  binnen  sceepsboort  4  roede  voet  ende 
een  quartier  voets,  ende  sij  sullen  diep  wesen  2 
roede  voet  ende  een  quartier,  238,41.  Desevoirscr. 
aelmans  .  .  sellen  geteykent  ende  ge^ct  wesen  mit 
der  stede  tevken,  ald.  Zoe  wanneer  parthyen  .  . 
versoecken  die  bescreven  goeden  gesequestreert 
ende  van  den  boom  gelicht  te  hebben,  zoe  sullen 
die  booden  daertoe  hnyeren  cruyers  ofte  aelmans , . . 
nae  gesteltenisse  van  den  goeden,  K.  en  O.  v. 
Delft  66 ,  16. 

ALEMBIJT  (iiALEMBic^,  znw.  o.,  eng.  alembic^ 
l^mbic;  fr.  alambic  (Littré  1,  101);  van  het  arab. 
al  anbiq ,  afgeleid  van  het  Gr.  oifi^il^ ,  vaas. 
Glazen  klok ,  distilleerklok  (Kil.  832 :  A 1  e  m  b  i  c  k , 
galea  sive  capitellum  stillatorium).  ||  Dit  stamyt 
al  overeen  ende  dit  sublimeert  dore  eenhalembic. 
Jan  Yp.  166.  Doet  boven  den  pot  een  alembijt 
dat  wel  gemaect  es  na  den  mout  van  den  potte 
ende  stopt  wel  tusscen  den  pot  enten  mont  des 
alembijts  met  bloemen  ende  met  witte  van  den  eye, 
Hs.  Yp.  6r.  Doet  dit  water  weder  daer  in  ende 
setten  (1.  setter)  weder  op  dat  alembijt,  a/£^.  Metten 
alembite,  ld.  In  een  glasiin  alembijt,  106a. 

ALEMOESENE.  Zie  Aelmoesene. 

ALENDE,  ook  aleinde  ,  znw.  vr. ,  voor  Ellende: 
zie  ald.  Sp.  IV,  24,  11;  27,  8;  K.Cl.  226; 
Melib.  2664 ;  Lsp.  l,  U,  41  {var.  Bijl.  A) ;  enz.  — 
Aleinde,  Etansbr.  6 ,  180  (var.  alende  en  elende). 
Verg.  Alende,  Alendicheit. 

ALENDE  (Aleinde,  alinth),  znw.  onz.  Uit 
het    bijw.    Al    en    Ende.    Uiterst   einde,  uiteinde* 


335 


ALEN. 


ffAel-eyndCf  exiremus  finis ^  extremita»y  ELil.  || 
Ter  stede  daer  die  flume  began,  was  si  soeiorbel 
te  scoawen  an  eude  dicke  alse  goer;  ne  mare  si 
was  in  die  middelt  clare,  ende  int  aleinde  daer 
naer  was  si  vele  claerre  dan  daer,  Lane,  III, 
5367.  Daer  aldus  bescreven  staet  int  alende  dese 
daet,  Sp.  IV*,  36,  71  (Vinc.  „in  cujus  scripti 
fine'').  Int  alende  ran  Endi,  Nat,  BI.  XII,  84 
(„in  ulHmit  partibiu  Indie").  —  Te  alinth,/^» 
einde  toe^  ten  volle ^  geheel  en  al,  eene  uitdr.  die 
misschien  ontstaan  is  door  den  invloed  van  bijw. 
als  alentliie  (zie  ald.) ,  waarmede  het  in  bet.  over- 
eenstemt. II  Wie  alsotymmert,  den  sal  de  stadt  den 
decsteyn  gheven  half.  Mer  wie  ejn  steynhnns  mit 
twen  stenen  gevelen  tymmert,  den  sal  onse  stad 
den  decsteyn  te  alinth  gheven,  R.  v.  Zutf.  31, 113. 

=  Ael-eynde,  in  dezen  zin  nog  bij  J.  Harduyn , 
Qodd.  Wenech.  469 :  „Uyt  't  aeleynde  van  de  wereldt." 

ALENDICH  (alenükcii),  -dige  en  -detje,  bnw., 
voor  Ellendick :  zie  ald.  en  verg.  Alende  (Iste  art.). 
3feli6.  1801;  Rumb.  Auondet.  25,  56;  Runsbr.  3, 
259  var.;  enz.  Vandaar 

ALENDICHEIT,  znw.  vr.,  voor  Ellendicheit , 
d.  i.  ellende',  zie  ald.  Alex.  VI,  523;  enz., 

ALENE.  Zie  Allene. 

ALENTLIKE  (allentlike,  allintleke,  ook 
-LiKEN,  -leken  en  -lic,  byw.  Verg.  Alinclike. 
Van  Al,  op  gelijke  wijze  gevormd  als  a//^nMa/r«i«, 
allenthenen  (Kil.).  Geheel  en  al,  gantchelijk,  ten 
volle,  II  Die  gene  die  dair  te  lyve  blijft,  salse, 
also  lange  als  hi  levet,  alentlike  besitten,  Brab. 
Y,  Dl.  1 ,  bl.  783  {a,  1330).  Die  alle  die  renten 
alentliken  hebben  ,  boeren  ende  ontfaen  suelen ,  Dl. 

2,  bl.  484  (a.  1356).  Van  welken  benieringen, 
discort ,  wangonst  ende  hatien ,  beide  de  vorscreven 
partien  allintleken  in  ons  bleven  sijn.  Dl.  2,  bl. 
596  {a,  1363).  Die  tienden  .  .  alentliken  ende  all, 
groot  ende  cleyn,  Nijh.  2,  21.  Op  dat  welke 
lant  .  .  die  selve  joncfr.  Johanne  van  Euyck 
alentlich  vertegen  heeft  mit  halme  ende  mit  monde , 

3,  234.  Die  .  .  ganslic  ende  alentlick  gebleven 
sijn  an  .  .  onsen  lieven  broeder  van  Ludiek,  286. 
Alintlick ,  voll  ende  all  te  mael ,  265.  Volkomentlich  , 
alentlich  ende  wael  betailt,  4,  53  {de  vormen  op 
-lich  zijn  hoogd.  gekleurd). 

ALEBM,  znw.  onz.,  \oot  Alarm.  ||  Tot  wapenen 
oft  alerm,  Oeio.  v.  Sint-Truyen  §  50. 

ALEVENSTE.  Zie  Ellevenste. 

ALEWEER.  Zie  aelwarich  en  alwaricii. 

ALEXANDRIJN,  -drine,  bnw.  Alexandrijnech , 
van  Alexandriè,  Bepaaldelgk  van  eene  kostbare 
purperen  stof,  aldaar  vervaardigd.  Zie  Parzival 
261 :  „zAlexandrfe  in  heidenschaft  was  geworht  ein 
pfellel  guot."  II  Gelu  ende  kersp  hadden  si  dat 
hoet ,  daer  op  stonden  twee  hoedekine ,  scone  ende 
claer  Alexandrine,  Bose  712.  Cleder  versch  ende 
nuwe  van  enen  purpure  Alexandrijn,  1108.  Diere 
pelne  Alexandrine,  Hor,  Belg.  12,  32,  76. 

ALF,  bnw.,  voor  Half.  Wal.  3486;  Natuur k. 
1023,  1043;  Rijmb.  32448  Var.;  Zn.BiJdr.6, 
368;  enz.  Vgl.  Verdam,  Teketcrii.  39. 

ALF,  znw.  m.  Mhd.  alp,  alf,  mnd.  alf.  Ook 
ü^// geheeten :  zie  ald.  In  de  Germaansche  mythologie 
een  soort  van  geesten,  die  later,  onder  den  naam 
van  lichtalven  en  donkeralven ,  als  goede  en  kwade 
geesten  werden  onderscheiden.  Zie  BrüderGrimm, 
IrUche  Elfenmarchen,  en  Grimm,  D.  Myth.  411 — 
440,  V.  d.  Bergh,  N.  Myth.  1—9,  enz.  Hier  te 
lande  bleven  zij  in  het  volksgeloof  alleen  bekend 
in  ongunstige  voorstelling,  als: 

1)   Booze  geesten,   duiveleche  of  heUche  tcezeue, 


A  LF. 


die  den  menteh  door  allerlei  bedrieglijke  hteUn 
kwelden  en  verbijeterden.  ||  Wat  duvel!  heeft Goj 
die  werelt  geplaecht  met  alven  ende  met  elTino^ 
Lippijn  104.  Wat !  ben  ie  dronken  van  deo  bicR. 
ochte  vliegen  dalven  achter  straten?  146.  Et^ 
seet  dat  mi  een  alf  heeft  bedrogen,  173.  Ditfv 
een  alf  oft  Sathanas,  Lane,  III,  23520.  Dit  kih 
alfs  gelike  es,  III,  26322.  Hi  donket  mi  een dini 
ocht  een  alf,  Merl.  34685.  Ofl  hem  alven  wiléa 
verleiden ,  Eleg,  879  (A.  B.  alven ,  JonckbL  ife- 
Dat  het  van  quaden  alven  ware ,  Har.  Belj.  11 
31 ,  62.  Coubouten ,  alven ,  nickers ,  maren,  AWwi 
719.  Ie  ben  hier  comen  metten  alven ,  iTif^e  r.  ^ 
33.  Hebdi  geloef  gehadt  .  .  aen  die  mirn  ^ 
nachtmerien ,  of  aen  alven ,  of  aen  die  witte  tItq? 
Moll ,  Bijdr.  tot  het  bijgeloof  2.  —  Later  bef« 
men  de  alven  met  de  Incubi  gelijk  te  stella  a 
hun  de  eigenschappen  van  dezen  toe  tekenoa.Zk 
de  laatst  aangehaalde  plaats  hier  boven ,  en  tst. 
Hor.  Belg.  7,  39:  „Half  vel  mare,  luait» 
Kil.:  nAlf,  alve,  Incubtu ,  epkialtet,  f  urn. 
êatyrui,  tylvanus,  daemon  ineultor  hominnmy  \\  Ff- 
loHi,  als  die  glose  bibrengt  over  Ysaya  XIII  \Ja.\y 
21  plloai,  Staten- Vert.  duyvelen],  agn  wonderüif 
dyeren  ter  gelikenis  oft  menschen  waren,  ende ■« 
hietse  wilde  Inden,  die  men  Fauni  ende  Sdf 
hiet,  ende  sommige  Latjjnsche  lude  hietensciiro. 
want  dese  alven  plegen  seer  gaeme  mitten  rcmn 
te  spelen ,  ya  so  vele  dat  si  de  vrouwen  dodo. 
Boven  sijn  si  of  si  menschen  waren,  endebeneda 
als  dyeren.  Item  een  glose  seyt  dattet  een  iep  fc 
of  een  simme,  Barthol.  7886;  in  het  Lat^nlLl^ 
c.  82)  incubi.  Een  wjjf ,  dye  . .  wort  onsnTcrt  ni 
een  alf. . .  Dese  alf  reetse  se  ven  jaren  ende  besmrt* 
met  onghelovigher  oncuuscheyt,  Pats.  S.  177«.- 
Uit  de  oude  en  oorspr.  opvatting  ontstondeo  ^ 
uitdrukkingen : 

—  Alfsgedroch,  znw.  onz.,  of  AlfsfJ' 
d  r  o  c  h  t  e ,  znw.  onz. ,  voor  Spookbedrog ,  bedritflip 
schijn  door  de  alven  veroorzaakt.  ||  Donre,  blix» 
mach  hem  niet  scaden,  toverie  noch  alfsgedroch,  i'* 
II,  5354.  Eest  alfsgedroch,  dat  mi  quelt  endei^' 
grote  wonder  telt?  Eleg.  51  (naar  A.  en  B. — JonckR 
gedrochte).  Ie  ben  verraden  na  myn  gedochte,  ofte» 
verleit  nu  alfsgedrochte,  777.  In  wane  niet  en  si»!^ 
gedrochte  oflie  quade  geest  die  mi  sochtc,  i«* 
ill,  25046.  En  hoordegi  noit  seggen  ytn  ^ 
gedrochte,  dat  die  liede  pleget  te  bcdrieyw' 
Lipp.  98.  Maer  talfsgedrochte  es  also  groot,  ^ 
den  menegen  maect  so  blint  dat  hi  hem  selres 
niet  en  kint,  114.  {Alfsgedrochte  nog  bij  Coöt»- 
hert  I,  306,  no.  62).  —  Alfsgedwas,  b 
denzelfden  zin  als  Alfsgedroch.  ||  Dcnsispw 
hi ,  eest  alfsgedwas  dat  ie  hier  ontmotende  a? 
Lanc.  III,  24447. 

2)  Overdrachtelijk  in  den  zin  van  een  zotoiJ**'*' 
die  zich  zelven  bedriegt.  Verg.  Alfsc.  ||  Eenfr«t 
geck  ende  een  versuinende  alf,  Ned.  Proza  17(1 

=  Op  het  landjuweel  te  Antwerpen  in  15*' 
werd  door  de  Redery kerskamer  van  's-Herto^ 
boöch  eeue  klucht  vertoond,  waarin  de  ^^ 
personen  waren  de  Patroon  van  den  Alven,  ke» 
hoofd  der  zotten ,  en  Alvinne ,  en  waarin  o.  «.  ^ 
de  volgende  zotten  voorkomen :  Coppen  w«  i^- 
Moes  van  Keyendael,  Heyn  van  Sotteghem.,  vi^ 
namen  hun  karakter  genoegzaam  aandnidt  (oiU 
door  Hermans,  Reder,  in  Noord^ab.  286— i^'^ 
Dat  uit  het  lied  aan  het  slot  dezer  klncht  ^ 
woorden:  ,^Ons  patroon  van  den  Alven''*  \i^ 
spottende  op  den  Hertog  van  Alva  werden  t^jegej*'' 
zooals  De  Vries,  3[nl.  Wdb.  op  alf  meent, bljkt 


337 


ALFA. 


ALGA. 


338 


liet  uit  de  plaateen  van  Bild.  Gesch.  6 ,  241 ,  en  7 , 
282  vlgg.  —  Nog  beden  bewaren  de  scbertsende 
(¥oordspelingeu  nommer  elf  ^  als  bet  gekkengetal, 
3n  zijn,  hoed  (pef)  staat  op  half  elf^  bij  scbgnt 
>nwijs,  de  berinnering  aan  alf^  in  den  zin  van 
sot  of  dwaas,  of  aan  de  alven,  die  iemand  van 
sijne  bezinning  konden  berooven. 

ALFAGIJNSPILLE,  znw.  vr.  Vit  Jlfagijn,  mlat. 
ilphachinut  en  alphoffuintts ,  sapiens,  doctor,  .  . 
ipud  Turcas  (Duc.  1 ,  204) ,  en  Pille.  Eene  soort 
raxL  pillen,  waarscbynlijk  naar  een  Arabiscb  recept 
gemaakt,  en  vandaar  Arabiscbe-doctorspillen  ge- 
loemd.  II  Dat  geen  apteecker..  eenige  medicine 
axative  .  .  vercoopen  sal,  .  .  njtgeseit  alfagijns- 
)ille,  pestilentiepille  ende  senepuer,  K.  en  O.  v. 
Delft  210,  3. 

ALFIJN  (alphijn),  -fine,  znw-  m.  J^e  raadsheer 
n  bet  schaakspel;  anders  gewoonlijk  Oud-e  ge- 
loemd ,  zie  ald. ;  van  mlat.  alphinus  (Duc.  1 ,  204) , 
lA*.  alfin ,  aujin  (La  Cume  1 ,  330) ,  aldus  genoemd 
laar  arab.  al  ftl,  olifant,  zooals  dit  stuk  in  bet 
!)08ten  beette;  vanwaar  de  Franseben  ook  ƒ /zeiden, 
lat  later  tot  /o/,  fou  verbasterde  (Littré  1 ,  1745, 
>p  Fou,  2;  HofFm.  op  Flor.  bl.  121).  ||  Die 
inderde  is  die  alpbijn,  dat  is  dye  ouwe,  die  loopt 
»f  springt  opt  derde  velt,  Gesta  Rom.  c.  167. 

ALFMAENT,  Naiuurk.  1121,  1127.  Zie  Half- 

«AENT. 

ALFONDER.  Zie  Halfonder. 

ALFSC  Ulfs),  'sce,  bnw.  Zot,  dwaas.  Van 
Ilf  znw.  2).  II  Dus  alfs  ende  esels  sgn  si  alle, 
lie  den  edelen  tgt  doer  bem  benen  laten  gaen, 
tonder  boer  ziels  orber  te  doen,  Ned,  Proza  176. 

ALFSGEDROCH,  ALFSGEDROCHTE ,  ALFS- 
5EDWAS.  Zie  by  Alf  znw.  1). 

ALFVASTINE ,  VI,  lUjmkr,  3890  (verg.  Kausler , 
)1.  509).  Zie  Halfvastine. 

ALGADER  (alleoader,  ook  algadere,  alle- 
sadere),  bijw.  Mnd.  algader.  Uit  bet  bijw.  Al, 
l^ebeel,  en  Gader,  Gadere;  dus  Geheel  te  zamen, 
fsheel  en  al,  ganschelijk ,  volstrekt.  \\  Ende  vergaf 
ieinaerde  algader  die  wanconst  wn  sinen  vader, 
ïWn.  I,  2545.  Nu  prisic  dat  algader  niet,  Parth, 
2213.  Aen  n  kerics  mi  algader,  2471«  Nietsonder 
ouwe  algader,  Sp,  I^,  34,  15.  Algader  om  niet, 
^^nc,  II,  4669.  Algader  te  niete  gaen,  Lsp,  Prol. 
.04.  Algader  onteerft,  Lanc.  III,  16371.  Der 
vaerbeit  lien  algader,  Flor.  2318.  Algader  bisijns 
lelves  rade,  Parth.  7119.  Een  dinc ,  daer  die 
nenscbe  in  algader  van  gepeinse  brect,  Frotw.  e. 
M.  1 ,  141.  Ie  bidde  u  {enk.)  met  inneger  bede 
klgader,  Vad.  Mus.  5, 318, 4 ;  zoo  ook  Lncid.  165, 172, 
'ns.  —  Aan  zelfst.  naamwoorden  of  voornaamwoorden 
vordt  algader  of  allegader  toegevoegd,  om  in  bet 
nv.  allen  te  zamen ,  in  bet  enkelv. ,  bij  een  collectief 
legrip ,  alUs  te  zamen ,  geheel ,  gansch  uit  te  drukken, 
^et  staat  dan  zoowel  vóór  als  na  bet  boofdwoord , 
8  altijd  onverbuigbaar  en  als  bijw.  op  te  vatten. 
ilhgader  is  een  wisselvorm  van  algader,  evenals 
%lle  van  al,  en  mag  niet  als  verbogen  vorm 
¥orden  bescbouwd,  ook  al  wordt  bet  door  som- 
nige  scbrijvers  by  voorkeur  by  een  meerv.  gebruikt. 
De  verbogen  vormen  algaderen  haren  lieden  in 
Lanc.  III ,  1536 ;  u  allengader ,  Mor,  1761  en 
illengaderen ,  2038 ,  zjjn  dan  ook  af  te  keuren. 

a)  By  een  enkelv.  ||  Algader  die  offerande, 
Hein,  I,  1271.  Algader  tlant,  Parth,  1255.  Algader 
line  antwerde,  6952.  Algader  sine  tale,  i^.  III*, 
14,  8.  Van  allegader  miere  mesdaet,  Èein,  I, 
1449  (bij  Joncbl.  algader).  Van  algader  minen  zere, 
Franc.  7493.  Van  algader  Oriënt,  Sp.  11%  26,  22. 


Van  algader  den  Roomseben  ryke,  Amand  I  ,  6« 
Van  algader  Rome  der  stede,  Zamr.  11,34164.  Van 
algader  uwen  geslacbte,  IV,  5066.  Van  algader 
derre  dinc ,  III ,  18712.  Met  algader  barre  maisni- 
den,  III,  4361.  Over  algader  sgn  abijt,  III,  16482; 
enz.  —  Ook  door  een  tusscbenzin  van  bet  boofd- 
woord gescbeiden.  ||  Dat  bi  algader  niet  bem 
somen  tvolc  bevet  verblent,  Wap.  Mart.  III,  281. 
—  Acbter  bet  woord.  ||  Mijn  geslacbte  alga- 
der, Parth.  2161.  Dit  wonder  algader,  Lanc, 
III ,  12532.  Hare  gevamesse  algader ,  II , 
15342.  Dat  lant  algader,  II,  9492.  Die  werelt 
algader,  BJjmb.  1937.  Mine  weelde  algader,  3176. 
Rome  algader,  34373;  enz-  —  Bij  de  aanwgzende 
voornaamwoorden  dat,  dit,  het  gevoegd,  beeft 
algader  bepaaldelijk  de  beteekenis  van  all^es  te 
zamen.  Dat  algader  staat  volkomen  met  dat 
alles  gelijk.  ||  Dat  moestese  gedogen  algader. 
Flor.  152.  Doe  bi  dat  vernam  allegader,  MLoeplV , 
469.  Dit  algader,  Lanc.  II,  9470.  Ie  seit  minen 
swager  algader,  II,  8604.  Dat  boudet  algader 
staende  stille,  Lsp.  I,  11,  9.  Hi  vermagbt  algader, 
Christ.  9;  enz. 

b)  Bij    een  mv.    ||   Algader  den   ridders,  Lanc. 

III,  18664.  Van  algader  sinen  leden,  III,  52. 
Van  algader  sinen  mesdaden ,  III ,  14964.  Allegader 
die  voeren  over  twilde  mere,  Lett.  N.  R.  5,  299, 
2.  Allegader  die  Gods  cnecbte,  Litcid.  2452  (de 
woorden  die  Gods  zijn  daar  bij  vergissing  berbaald). 
Sine  mage  algader,  Parth.  1229.  Amelants  liede 
allegadere,  Lanc.  III,  15830.  Wi  .  .  allegadere, 
dein  ende  groet,  IV ,  5434.  Sine  broedre  allegader , 
JUjmb.  2779.  Metten  patriaerken  algader,  <^.  I', 
39,  6.  Dandre  allegader,  Flor.  1055.  Oude  en 
jonge  all egadre,  Christ.  1335.  Broeder,  kint,  moeder 
ende  vader  .  .  algader,  Lsp.  I,  18,  85.  Die  met 
bem  qnamen  algader,  Lanc.  III,  17771.  Si  waren 
allegader  daer  ter  stat,  II,  4165.  Si  negen  beme 
allegader,  Parth.  6373.  Doe  reden  si  allegader  an, 
Ferg.  4156.  Hi  salse  allegadere  doet  slaen,   Lanc. 

IV,  4812.  Die  groef  bi  allegader,  Rijmb.  2715; 
gyts,  —  Men  vindt  ook  alletgader,  van  allet,  den 
ouden  grondvorm  van  al,  en  dus  met  algader 
gelijkstaande.  Zie  bij  Al  als  bgv.  vnw.  (in  *t  be- 
gin). II  Den  scalken  alletgader,  Sealc  e.  Clerc,  c. 
37.  —  Met  eene  ontkenning  verbonden :  al  1  eg  ad  er 
niet,  volstrekt  niets,  niemendal.  \\  Nocbtan  is 
dat  allegader  niet  bi  der  claerbeyt,  die  men  an 
Gode  siet,  Lucid.  61.  En  deerde  Josue  niet  alle- 
gader, dat  bi  badde  enen  quaden  vader,  3095. 
—  Somtijds  staat  bet  woord  algader  zonder  eenige 
beteekenis ,  om  een  rijmwoord  te  bebben ,  op  vader 
b.  V.  Zie  Z««rf.2919,  3080,  enz. 

ALGADER  (allegader),  zelfst.  vnw.,  onz.  en 
onverbuigbaar.  Uit  Al ,  als  zelfst.  vnw. ,  en  Gader. 
Verg.  bet  vorige  art.  Alles  te  zamen,  alUs  zonder 
uitzondering.  \\  Algader  wat  bi  badde  gesien, 
Sp.  W,  28,  16.  Algader  dat  bi  pensde,  RAJmb. 
34699.  Met  algader  dattu  beefs,  4600.  Wyf  ende 
kinder  ende  algader,  Lanc,  III,  3316.  Ferguut 
bem  algader  seide,  Ferg,  176.  Jalousie ,  die  maecte 
algader.  Rosé  fr. ,  bl.  253,  270.  Die  mi  wel 
copen  macb  algader  wat  sijn  wille  es  dat  ie  drage , 
Bloemt.  3,  25,  90.  Die  bere  van  algader,  Theoph. 
(Bl.)  573.  Algader  dat  ye  in  aertrike  quam ,  Lucid. 
5770.  Dat  ie  mi  van  algader  eer  balmen  soude. 
Wal.  7813.  Ie  soude  ju  saen  telivereren  van  al- 
gader, 7878. 

ALGAER,  bijw.  Uit  Al  en  Gaer  (zie  ald.); 
nhd.  gar.  Ten  volle,  geheel  en  al,  ganschelijk,  in 
welke  beteekenis  gaer  nog  bij   onze  scbryvers  in 


339 


ALGE. 


ALGE. 


340 


de  17de  eeuw  bekend  was,  en  waarran  Algaer  de 
bloote  Teraierking  U.  Zie  lied,  Wdb.  op  Gakr 
II).  II  Pharao  verdranc  algaer  met  al  sgnre  com- 
pagnien,  Alec.  lY,  633  (De  nitgave  heeft  algader^ 
in  stryd  met  het  rijm :  tonder  vaer.  Franck  leest 
aldaer).  Yloen  sy  achterwaert  algaer  in  de  borch 
te  Nettelaer,  Grimb,  I,  2533.  Énde  stont  viere 
jaer  tien  stonden  algaer  woeste,  Rijmb,  32229. 
(De  varianten  hebben  ook  hier  algeuier  ^  dat  wel 
dezelfde  beteekenis  heeft,  maar  een  geheel  ander 
woord  is.  Algaer  toch  is  geene  samentrekking 
van  algader-,  die  versmelting  der  d  tusschen  twee 
vocalen  was  in  Maerlant*s  tijd  nog  onbekend. 

ALGEBRA ,  «nw.  vr.  Het  Arab.  woord  al  djehr , 
d.  i.  het  vereenigen  van  deelen  tof  een  geheel  (Dozy, 
Oost,  8) ,  en  dit  toegepast  op  de  ontleedkunde.  \\  Dese 
leringe  siin  beide  van  algebra,  dats  to  seggen, 
van  brekinge  der  benen  ende  van  ontledinge  des 
lichaems,  Lanfr.  136p. 

ALGEDAEDS  (algedads),  bijw.  Uit  Al  en 
Gedaedt  (zie  ald.).  Gedurig^  aanhoudend,  altijd,  \\ 
Een  wyf  die  twelef  jaer  siec  hadde  gewest  van 
den  bloedevele,  so  dat  dat  bloet  vloede  van 
hare  algedads,  L.  v.  J,  c.  Ib.  Sone,  dn  best  al- 
gedads met  mi,  ende  al  dat  ie  hebbe  dats  dijn, 
c,  13Ö  (Vuig.  Luc.  16 ,  31 :  temper). 

ALGEEL,  bnw.  en  bijw.  Samentr.  uit  Algeheel 
Zie  ald.  en  verg.  Geel. 

Als  bnw.  —  Geheel,  gantch.  \\  Daer  van  der 
werelt  algeel  die  bloeme  van  ridderscape  es  in, 
Umb.  IX,  766. 

Als  bijw.  —  Qeheellijk,  geheel  en  al.  \\  Den 
casteel  ende  al  datter  toe  hoerde  algeel ,  Lanc.  III , 
2368.  Die  viant  .  .  voer  algeel  in  di,  III,  6053. 
Ende  ontecte  hem  daema  algeel  hoe  si  Torccke 
minde  sere,  III,  24081.  Ie  ware  algeel  in  haren 
sinne,  Ferg.  1180.  Enter  inglen  een  groot  deel, 
dies  mett«m  waren  algeel,  Sp.  I',  3,  33.  Dan 
doet  op  snbtilic  algeel.  Jan  Yp.  66;  enz. 

ALGEHEEL,  bnw.  en  bijw.  Gewone  versterking 
van  Geheel,  en  nog  heden  in  gebruik. 

Als  bnw.  —  Yeelal  onverbogen  achter  het  znw. 
geplaatst.  Geheel ,  gansch.  \\  Dit  erderike  algeheel , 
iUjmb.  220.  Hare  helpe  algeheel  starf  met  eren, 
19631.  Tfolc  algeheel,  21207.  Men  vant  dat  cleet 
daer  sinte  Aelbrecht  in  gewonden  was,  algeheel 
ende  onverteert,  Clerc  25. 

Als  bijw.  —  Geheellij k,  geheel  en  al.  \\  Algeheel 
ende  altemale,  Wap,  Mart.  III,  300,  verg.  303.  Te 
voren  hadden  sijt  algeheel ,  Rijmb.  310.  Eeu  casteel , 
daer  hi  mede  algeheel  al  West  Vrieslant  sider  dwanc , 
Stoke  I Y ,  539.  Algeheel  gewapent,  Parth.  7237.  Dien 
God  gaf  so  groet  voerdeel  gingen  hem  dicke  af 
algeheel,  Wrake  I,  154.  Te  betalen  .  .  die  somme 
van  den  voirgenoemden  gelde  algeheel  upten  eersten 
dach,  Zicijndr.  W.  43.  Yegewelcs  sonderlinge  ende 
algeheel,  Rnusbr.  5,  116  (Lat.  ^singnlatim  tota 
uniuscifjuslibet^^).  Alinge  ende  algeheel  ontschuldich , 
O.  R.  v,  Dordr,  2,  327.  —  Zoo  ook  Rijmb.  2288, 
19918;  Teest.  3791;  Stoke  I,  326,  II,  176;  enz. 

ALGEHEELIKE,  -luc  bijw.,  hetzelfde  als 
algeheel  (z.  ald.)  ||  Hy  sal  dat  den  gevangen  all- 
geheelick  laten  behouden,   O.  R.  v.  Dordr.  2,  129. 

ALGELIJC,  zelfst.  vnw.  Uit  Al  als  zelfst.  vnw. 
en  Gelijc  (zie  ald.)  Al  let  gelijkelijk ,  allet  te  zamen, 
allet  zonder  uitzondering.  \\  Als  hijt  siet  algelijc 
met  Earle  wesen,  gaf  hi  hem  sijn  lant  metdesen, 
Brab.  Y.  II ,  1495.  (De  lezing  geeft  een  goeden 
zin,  en  Algelijc  is  ook  in  vorming  volkomen  juist,  I 
als  overeenkomende  met  haergelijc ,  manlijc  enz. 
Doch   het  is  zeker  de  ware  lezing  niet,  daar  de 


plaats  uit  Sp.  III",  91,  29,  is  OTerg«B0«a, 
waar  men  aldus  leest:  „Alse  hi  siet  al  fftkewêi 
Earle  wesen.** 

ALGELIJN,  voor  Lagelgn,  lagelkïi, 
fleschje,  lat.  laguncula,  met  metathesis  der /.  & 
Lagelkijn.  II  Yan  eschen  bonte  een  algrifi. 
Nat.   BI.   YIII,   390  {var.  lagelkgn  «»  legelkfi 

ALGELIKE  (algelijc),  bijw.  Yan^/enfo&fc. 
gelijc,  dus  geheel  gelijk,  en  derhalve  Gelijieliji. 
evenzeer.  \\  Des  graven  sunse  {znllen  zij)  algelib 
bycosten ,  Stadtr.  v.  Zwolle  79 ,  94  var.  Geiteeik. 
golt,  silver  geslagen  ende  ongeslagen  endeudfli 
al  eygelic  goet  sal  men  algelike  deylen,  15, 
214.  Des  mannes  wapen  ende  cledere  salmen  dejla 
algelijc,  ald.  Of  si  mede  zijn  of  teghen  zgs,  ke 
is  hem  alghelijcke  wel,  Bern.  W.  126rf. 

ALGEMEEN,  ALGEMENE.  Zie  Geied. 
Gemene. 

ALGEMEENLANGE  (algemeknlinge),  bfi 
van  Al,  als  bloote  versterking,  en  Gemet»lm 
{-linge).  Zie  Gemeenlinge.  In  ket  algemeen.  ! 
Onse  vorscrevene  rechter ,  sccpenen  ende  algeawea- 
lange  onse  porteren  van  Zyriie,  OorkLty^^i 
(a.  1297). 

ALGEREET,  bijw.  Uit  Al  en  Gereet:  zie  lÜ 
Dadelijk,  aanttonds.  \\  Algereet  viel  hi  in  ghp. 
Sp.  II»,  57,  87. 

ALGERNE,  byw.  Uit  Al  en  Geme\  rie  iR 
Zeer  gaarne.  \\  Yerdragic  wel  algeme  in  ^ 
mesval,  Hadew.  I,  57,  64. 

ALGEWELDICH  (algeweldech),  -%<?  of-i* 
bnw.  Almachtig.  Zie  Geweldich  en  verg.  A^ 
WELDiCH.  II  So  biddic  u,  here  algeweldichll* 
6,  79. 

ALGINDER,  bjjw.  Gewone  versterking  w 
Ginder  (zie  ald.)  Gindt ,  daar.  Rijmb.  \%'ih\,WA: 
Sp.  III',  43,  91;  enz. 

ALHEEL,  bnw.  en  bijw.  Yeelal  in  twee  woorto 
geschreven.  Verg.  Algeel  en  Algeheel. 

Als  bnw. —  Geheel,  volkomen.  \\  So  vant  men  ie 
heyligen  Yaders  cleet,  daer  dat  lichaem  in  r^ 
wonden  was,  alheel  ende  onverteert,  Matth. i««- 
3,  52  (Clerc  25  heeft  algeheel). 

A\Hhiivr.  —  Geheellijk,geheelenal.  \\  HijleytalW 
vol,  Ned.  Proza  184.  Ende  keerde  hem  alhttln 
dat  lijden  Christi,  ald.  Ende  maket  hem  (J<« 
alheel  onderdanich,  185.  Ende  .  .  .  wert  bff 
lichame  vonden  alheel  ongequetst,  Exc.  CVw- -" 
Alsoe  zy  (de  duinen)  alheel  verstuyven,  /»/<?^ 
157.  Nu  mach  ie  mijn  leet  wreken  ende  hen  aUwt 
te  niet  maken,  JHal.  Creat.  Ib. 

ALHEIT,  -HEDE,  znw.  vr.  Geheelheid,  k^ir 
heele  wezen.  Een  philosophische  term.  ||  AUw^^ 
des  minschen,  dat  es  herte  ende  siele,  RunsbrJ. 
96  (Lat.  ^totnm  hominem'').  God  wilt  te  mile » 
eygen  sijn,  met  alheit  sijns  selfs;  ende  hi eysckt. 
dat  wi  .  .  sijn  eygen  sijn,  met  alheit  ons  sdfe 
5 ,  188.  Nochtan  es  die  geest  in  elke  enicheit  geh»' 
na  alheit  sijnre  substancie,  6,  56  (Lat  „wc*"^ 
tubttantiae  titae  integritatein"). 

ALHENT,  voegw.  Uit  Al,  als  gewone  versterkiif 
en  Uent:  zie  ald.  Totdat.  \\  Wül  hy  hwr » 
boven  in  onsser  stadt  blyven ,  soe  snllen  d^ 
schepenen  hem  leggen  in  vangenisse,  all  hentkj 
gebetert  heeft  syne  misdaedt,  Stadtb.  v.  Bokrf* 
82,  bij  Schwartz.  1,  560*.  Alhent  hy  alinge  r 
betert  hebbe  den  egge  ende  den  rechte,  Steéi-^ 
Sneek ,  ald.  575*. 

ALHIER,  bjjw.  Gewone  versterking  van  i*^ 
nog  heden  evenzeer  gebruikelijk.  ||  Alhier  foi^ 
gheheten    een  maeltijt  ende  aldaer  een  avontmif^" 


341 


ALTA. 


ALIN. 


342 


^reg.  Ham,  192r.  —  Opmerking  verdient  nog  de 
eigenaardige  aanwending  in  de  uitdrukking  Alhier 
;e  voren,  hiervoormaaU ^  voordezen ^  Hild.  154, 
109;  MLoep  IV,  1690;  enz. 

ALIANSE,  ALIANT8E,  ALIÈREN.  Zie  Aliet. 

ALICH  (aelich),  -lige^  bnw.  Waarschijnlijk 
iene  latere  verbastering  van  het  oude  en  echte 
nnl.  Alinc  (zie  ald.),  door  verloop  van  den  ver- 
}Ogen  vorm  alinge  tot  alige ,  waardoor  verder  alich, 
ilig  werd  uitgelokt.  Hoewel  in  beteekenis  volkomen 
feigk ,  kan  het  toch  niet  de  verbogen  vorm  van 
ilijc  rijn  (zie  Alijc),  dat  reeds  van  oude  dag- 
;eekening  is,  daar  de  overgang  van  ir  tot  ^  met 
iet  taaieigen  str^dt;  en  evenmin  afgeleid  van  Al 
net  het  achterv.  -ich  (-^),  daar  bg  nieuwere  af- 
eidingen  het  woord  al  niet  meer  volkomen  a-klank 
rerkreeg.  Alig  was  nog  in  de  17de  eeuw  in  gebruik, 
JU  daarnevens  Aallijk.  Zie  Uitlegk.  Wdb.  op  Hooft, 
>p  Aalig.  Geheel^  volkomen,  \\  Hi  {God)  alleen  is 
ijjns  selfs  bescouwer,  want  tot  synre  aeliger 
)egripinge  en  mach  geen ,  creatuer  genaken , 
BarlAol.  9a, 

ALIET  (alieut),  mv.  -/*,  znw.  m.  Bondgenoot. 
3fr.  alloiet,  ahyet  (bg  Nflh.  1,  14  en  277,  Heelu 
)1.  467);  nfr.  allié  (van  ofr.  alliier  ^  allayer  ^  aloyer 
La  Curne  1,  350);  lat.  aUigatM  (zie  Duc.  op 
illigarey  AlUgare  2)  en  vooral  op  Alloiare.  || 
^an  den  coninc  Edewaerde  voerseit  endevansinen 
ilieten  mede,  Fl,  Rijmkr,  8340.  Beede  coninge 
mde  hare  aliete,  8471.  Gent,  Brugge,  Ypers  .  . 
inde  hare  alieute,  9201;  enz.  —  Aldaer  ook  het 
vw.  Aliêren ,  8109 ,  en  meermalen  het  znw.  Alianêe, 
iliantse,  1212,  8222,  8601,  8687,  9172,  enz. 
3'r.  alliance,  —  Het  deelw.  gealiërt,  voor  ver- 
\ond^n,  i,  w.  van  twee  verschillende  wapens  op 
ien  grafsteen.  ||  De  wapene  van  Moerckercke 
l^ealiërt  met  een  wapene  van  farschen,  van  goudt 
inde  colenr  gebroken  met  lambeaulx,  Fad,  Mm, 
»,  300. 

ALIJC ,  'like,  bnw.  Uit  Ael,  bijvorm  van  al,  met 
len  volkomen  a-klank ,  en  -lijk.  Verg.  mhd.  allich, 
illich  en  Kil.  „Allick,  allicken ,  j.  alghe- 
i  e  e  1 9  c  k ,  prortM ,  omnino.  Zie  ook  Ned,  Wdb, 
>p  Aalluk.  In  de  17de  eeuw  niet  alleen  als 
)ijw.,  maar  ook  als  bnw.  gebruikt,  als  Hooft, 
9m/.  628:  „van  aalhjke  blussingh  des  Roomschen 
^loofs."  Geheel,  volkomen,  ||  Dat  wi  alle  veethen 
lederlechgen  solen  ende  zoenen ,  ende  afdoen 
Dit  aliker  zoene  van  allen  dingen,  die  gescieden 
n  den  volcwige  te  Lounen,  Oorkh.  2,  250a  {a, 
1285;  Mieris  1,  460a  staat  „mit  alcker  soenen", 
lat  wel  aliker  zal  moeten  zijn). 

ALINDICH,  -dige,  bnw.,  voor  ir7/«i</t>A:  zie  ald. 
m    verg.   Alendich.   Ruusbr.   4,    1891;  5,  262; 

ALINDICHEIT,  -hede;  znw.  vr.,  voor  Ellen- 
Ucheit;  zie  ald.  en  verg.  Alendicheit.  ||  Creatu- 
'en,   die   dolen  in  alindicheiden ,  Ruusbr.  4,  189, 

AL  IN  EEN.  Zie  bij  Ekn. 

ALINGE  (aelinge,  aellinge,  aling,  later 
K)k  ai.linge),  byw.  Mnd.  a/mi-.  Zie  Alinc.  G^^^^/ 
w  al,  ganschelijk ,  volkomen,  volstrekt.  \\  Dat  hi 
lem  alinge  beteren  wil,  Devoet.  B,  (36)  74  r. 
^ederleggende  plat  opten  buuc  alinge  mit  al  sijn 
ij  f.  Hm,  Fs,  21  Or.  Ende  worter  alinge  mede 
^eschent,  MLoep  I,  725.  Daer  wordi  alinge  mede 
>nteert,  IV,  2230.  Al  waert  dat  aellinge  die  zee 
laer  door  ginge ,  Lsp.  1,13,  39.  Onder  hem  waren 
lomige  van  goeden  sin,  die  alinge  verboden,  dat 
lese  dinge  souden  gescien,  Ned.  Proza  241.  Aleer 


de  ziechede  is  alinge  toeghecomen,  Lanfr,  12r. 
Dat  hi  des  alinge  onsculdich  es,  Mieris  2,  298a 
(a.  1322).  Die  sullen  alinge  onsen  here  .  .  toe- 
behoeren ,  Nijh.  1 ,  434  (a.  1342).  Des  maken  wise 
aelinge  machtich  van  onser  wegen,  Gedenktt,  1, 
240  (a.  1351).  Alinge  .  .  verlijct  ende  versoent, 
V.  d.  Wall  332  (a.  1385).  Die  hem  die  domproefst 
alinge  betailt  heeft,  Oorl,  v.  Albr.  39.  Alinge 
gescheiden ,  Over  ij*.  Recht,  1  * ,  59.  Dat  hem 
alinge  gebroken  wert,  Matth.  Anal.  'S,  381.  Die 
Heerlicheit  van  Abcoude  .  .,  die  alinge  in  den 
Sticht  .  .  gelegen  is,  384.  Dier  sal  hi  aellingen 
bliven,  Nijh.  3,  36  (a.  1377V  Dese  tolle  voerscr. . . 
aling  in  sijn  .  .  orbaer  enae  beste  te  keren,  2, 
139  (a.  1359).  Zoo  ook  Handv.  v,  Alkm,  92a.  — 
Ook  met  eene  ontkenning :  niet  alinge,  niet 
geheel,  j|  Snlke  spenen  .  .  ne  sgn  niet  soe  quaet 
allinge.  Jan  Yp.  196.  Dattet  niet  en  sj  alinge 
sonder  sweringe,  Lanfr.  22r.  Dattu  my  niet  alinghe 
ghelaten  en  hebbeste,  Gerl. Peters 211. —  Alinge 
ende  al  (alle),  geheel  en  al,  \\  Alinge  ende  al., 
quijt  gescouden,  Brah.  Y,  VII,  8305.  Alinge  ende  alle 

3uite  ende  te  niete,  O.  R,  v,  Dordr.  2, 11.  Ende  hy  . . 
ie  (/.  dier)  sake  alinge  ende  al  onsculdich  is.  Dingt. 
V,  Delft  51;  verg.  52,  58.  Aling  ende  alle  wael 
betaelt,  Nijh.  4,  171  (a.  1440).  Zoo  ook  Handv. 
V.  Alkm,  2\b',  O,  R,  v,  Dordr,  1,  90.  —  In  denzelfden 
zin  Gans  ende  alinc.  ||  Gans  ende  alinc  be- 
zegelt, Nijh.  2,  6  (a.  1348). 

ALINC  (aelinc,  aellinc,  later  ook  allinc), 
'linge,  bnw.  Geheel,  gansch,  Ohd.  alanc  (Grimm, 
Gr,  2,  707);  mhd.  alinc;  mnd.  alink.  Van  Al  mei 
den  volkomen  a-klank,  evenals  in  Alentlike,  Ael- 
foerich,  Alecort,  Aeleigen^  en  het  nog  heden  bekende 
aaloud.  Verg.  Ned,  Wdb,  op  Aal  (1ste  art.).  Inlateren 
tijd  werd  alinc  tot  alling, — Vooral  in  oude  oorkonden 
is  alinc  een  zeer  gewoon  woord.  ||  Ist  dat  dijn 
oghe  .  .  eenvoldich  is ,  so  sal  dijn  alinghe  lichaem 
.  .  lustich  wesen ,  Brugm.  1 ,  302.  (=  Devoet  B, 
(30),  16r.)  Die  alinge  somme,  Matth.  223;  Handv. 
V,  Medembl,  20b,  Die  helftsceidinge  van  den 
alingen  goeden,  Matth.  205.  Dat  alinge  gerecht, 
173.  Mer  ie  sal  sijn  alinge  lant  .  .  .  hebben 
ende  behauden,  om  die  alinge  summe  van  den 
pachte  voergenoemt,  van  welker  alinger  summen 
ie  alle  jaer  in  behauden  sal  twintich  pont  payments, 
Nijh.  1,  299  (a.  1332).  Alinge  pacht,  355.  Die 
alinge  gemeynte  der  stat  van  Arnhem,  2,  11.  Ons 
soens  alinge  goet ,  12.  Dat  alinge  broeck ,  1 ,  234. 
Dit  alinge  orloch  uut,  3,  17.  Bliven  in  sijnre 
alinger  macht,  41.  In  der  alinger  Veluwen,  2,79. 
Die  alinge  scepen  van  der  Capellen,  1,  236.  Die 
alinge  tolle,  2,  139.  Dat  alinge  huys,  174.  Eenen 
brief  .  .  gans  ende,  alyng,  221.  Berichter  sijns 
alingen  lands,  94.  Van  den  alingen  lande  van 
Gel  ren,  3,  69.  Ene  alinge  soene.  Mieris  2,  286a. 
Binnen  onser  alinger  stede  van  Texel,  4,  324a. 
Oer  alinge  loen,  Överijs.  Recht,  I',  129.  Mit  den 
alingen  tinse,  1%  118.  Mit  sijnre  alinge  bailiuscip, 
Oorl,  V,  Albr,  156.  Tot  onser  gonsten  ende  aelinger 
vrientschappe ,  V.  d.  Wall  430.  Mit  sijnre  alinger 
woenstat,  449;  verg.  Handv.  v,  Enkh,  20a;  O,  R, 
V,  Dordr.  1,  54,  164;  Leid,  Keurb,  171,  68;  Clerc 
66.  Van  desen  alingen  jaer.  Rek,  d,  Buurk,  123. 
Die  poerteren  ende  alinge  gemeynte  van  Leyden, 
Bel.  V.  Leid,  392.  Die  alinge  zoene ,  296.  Die  alinge 
scade,  Stadtr,  v,  Zwolle  89,  118.  Een  alinge  her- 
naseh ,  Leid,  Kettrb,  18 ,  19.  Die  alinghe  ghemeynte 
van  Broeck,  Handv,  v.  Water l.  2\b,  Dat  alinge 
lant  van  Drent,  Matth.  Anal,  3,  295.  Mit  sinen 
alingen  hoop,  364.  Mitten  alingen  gerechte,  K,  v. 


343 


ALIN. 


ALLA. 


34i 


Brielle  19 ,  37.  Op  hannen  allngen  renten ,  Brab.  Y. 
Dl.  2 ,  bl.  483.  Onsen  allnge  tiende  ran  Zwindrecht , 
Zwijndr.  W.  72;  enz,  —  In  den  lateren  Tonn 
alling.  \\  Die  allinge  lande,  MieriM  4,  537tf 
(a.  1419).  Allinge  tgene  dat  sij  mesdaen  ende 
gebruect  mogen  hebben ,  V.  d.  Wall  598  (a.  1466). 

ALINCHEIT  (naar  jongere  Hchrijfwgze  alino- 
HKIT,  en  -hedk),  mw.  vr.  Van  Mine-,  zie  ald. 
Geheel heid.  \\  Die  alingheyt  ende  die  volmaectheyt 
der  enicheyt,  Barthol.  862*. 

ALINCLIKE  (alkncmkk,  ook  -ijken  of  -lic 
en  allingleke),  bijw.  Geheel  en  al^  ganMcheüjk^ 
ten  volU.  Zie  Alinc  en  verg.  Alentlike,  dat, 
by  verschillende  vorming,  dezelfde  beteekenis  heeft. 
II  £nde  hiermede  sgn  wi  alenclike  versoent  met 
onsen  voirgenoemden  here ,  Mieris  2 ,  64rt  {a.  1306). 
Dat  men  alle  die  scout  .  .  vergelde  enae  betale 
alinclike  ende  onvertrect,  Nijh.  1,  339  (a.  1335). 
Van  allen  saken  ..  alinclike  gesceiden  ende  verlijct, 
364  {a.  1337).  Van  allen  cost  ende  schaden  .  . 
alinclike  tontheffen  ende  schadeloys  te  halden,  2, 
14  (a.  1344).  (Want  wi)  alincliken  rersnent  zjn 
mit  .  .  den  hertoge ,  52.  Gans ,  geheel  ende  alinclic 
besegelt,  99.  Aen  wilken  geswoemen  hi  occ  sijnre 
saken  alinclike  bliven  sal,  113.  Als  .  .  .,  den  .  . 
heren  Johan  van  Muerse  .  .  alencliken  genoech 
geschiet  is,  254.  Ende  schelden  onsen  lieven  heer . . 
alinclick  los ,  ledich  ende  qnjj t ,  3 ,  95.  Ende  weert 
dat  he  up  enich  jaer  dat  jaergelt  alinclich  {hoogd. 
vorm)  niet  geboeren  en  konde,  146.  Alinclike  quite 
gescouden,  V.  d.  Wall  210.  Wy  geloeven  allingleke 
end  altemale,  Oarkb.  2,  477«  {a,  1298).  In  din 
reinen  hert  gevaget  sich  6ot  also  sutellke  ende 
also  alinclike  in  dir  silen ,  Umb,  Serm.  25*.  Aling- 
lichen  ende  te  maele,  Hardeno.  2,  20. 

ALINSE.  Zie  Alleise. 

ALINTH.  Zie  alende  (2de  Art) 

ALIVUERE,  ALIVURE,  znw.  (?)  In  R,  v.  Utr. 
1 ,  191 ,  3  staat  in  eene  ordonnancie  op  de  goud- 
smederg*.  „Van  ghegoten  wercke,  van  metselrien, 
van  alivneren  ende  van  pertseringhe  en  zeilen  zi 
nyet  meer  van  lakinghe  nemen  dan  vander  mare 
een  loet,"  en  zoo  ook  bl.  294,8  met  bijna  dezelfde 
woorden.  De  lezing  van  het  Hs.  is  zeker,  maar 
het  woord  van  elders  onbekend.  Moet  men  ook  lezen 
aluvieren^  aluvieren^  d.  i.  beugelttuch^  waarop  ver- 
sierselen van  edele  metalen  konden  worden  aan- 
gebracht ? 

ALLAEN.  Zie  Alaen. 

ALLAES.  Zie  Alaes. 

ALLAME  (andlame,  anlame,  ai.ame,  later 
ook  aenlame  en  hallame),  znw.  m.  of  onz., 
mv.  alamen;  en  alaem  (allaem  ,  allam,  allem 
en  alem),  m.,  mv.  alame.  Ags.  and/vma  (m.),ook 
Idma,  geléma,  hnisraad,  werktuig  fEttm.  156), 
vanwaar  eng.  loom^  weefgetouw;  vgl.  ohd.  lómi^ 
luomi^  luami,  en  ohd.  kilómo^  ags.  gele  me  ^  ge- 
bruikelijk, gewoonlijk.  Zie  verder  De  Vries,  Mnl. 
Wdb,  180.  De  oorspronkelijke  vorm  van  het  woord 
was  andlame^  die  op  eene  merkwaardige  plaats  in 
de  Rek.  v.  Zeel,  1 ,  484  is  bewaard :  „Vau  waghenen, 
van  ploeghen  ende  van  anders  antiamen  (d.  z. 
werktuigen)  te  maken.  Deze  vorm  komt  volmaakt 
overeen  met  ags.  andlóma  (m.).  Ook  de  vorm  anlaem 
komt  voor,  nl.  Invent,  v.  Brugge,  Int.  187:  „Van 
yser  ybesecht  ten  anlame  {benoodigd heden)  van 
den  fornoyse,  daer  men  tselver  bernet",  als  ook 
aenUme,  V.  d.  Wall  289.  Uit  anlame  werd  door 
assimilatie  allame  of  alame  gevormd  en  dit  was 
in  *t  mnl.  de  gewone  vorm. 

a)  Jlttisraad,  alles  wat  tot  de  inrichting  van  hof, 


huis  of  schip  behoort;  benoodigdheden,  bg  utbrddiif 
ttuk  huitraad,  \\  Van  eenen  kelct  endevaoaadera 
allame  datter  outare  behort,  Invent,  v.  Brwfft. 
Int.  96.  Yser,  ybesecht  ten  anlame  vu  den  fer- 
noyse ,  ald.  187.  Monster ,  zalen  altesamen ,  te  doa 
dingen  die  allamen,  Sp.  I*,  27,  35.  Soylela, 
nappe,  stope,  al  te  samen  die  vate  vanderaUasa 
waren  goudin,  lUjmb.  11875  (in  plaats  mm 
der  vermoedelijk  te  lezen:  ende  ander).  Soec  din 
gode  alle  ghemene  overal  onder  mine  allame,  S5M 
{Gen,  31 ,  32).  Si  roveden  met  groter  scame  scoaiio 
scat  ende  sijn  allame,  Alex.  7,  179.  Vrieit,  kul 
suverlyc  ende  cnus  dine  hallame  binnen  bn*. 
Botte  V.  Sed.  603.  Alle  die  alame  van  dien  kort. 
Jlex.  II,  318.  Die  beste  panne,  roester,  tredl. 
crauwel,  brandyser,  hanghele,  ende  elcs  tÜMm 
een  dat  men  pleght  te  beseghene,  Coren  t.  Ml 
51 ,  186  {in  het  Hi.  ontbr.  elcs).  Een  TraBva 
potstove  met  allen  den  hallamen,  Dicricx,  ifr* 
2,  7.  Als  die  celle  volmaickt  was,  soc  leTöi 
hij  se  den  broeder  ghereyt  mit  alrehande  alaae. 
Faderb.  45a.  Alsoe  datter  nyet  en  ghebrack  m 
alame  ende  van  dien  dat  ter  lijftocht  toeho«rde,5f»t 
—  Samenst.  Huusalame,  AnMTflorf.  Bg  Ki 
„Huys-alame,  sttpellex,^^  \\  So  wie  bedden  fff- 
huert  ocht  enegherande  huysalaem ,  (Utren  v.  JmIm. 
41,  145.  —  In  het  Tolreglement  voor  de  scheepmfi 
op  het  Zwin,  van  1252,  komt  te  midden  w 
allerlei  beddegoed  een  hutalame  voor  (ZVl.  Bijè- 
6,  40,  verg.  68),  waarschgnlgk  een  groot  ftik 
huisraad,  en  wel  een  ledekant,  — Cokenalaae, 
kettkengereedtchap.  ||  Wagheneren,  die  voerden, 
vitalle  ende  cokenallam.  Rek,  v.  Gent  1,  S4 
Van  huringhen  van  amelakenen,  dwalen,  potta. 
croesen  ende  kuekenallame ,  1,  499.  —  Sceepi- 
alame,  scheepetttig ,  allerlei  benoodigdheden  W 
uitrusting  van  het  schip.  Onder  het  opschrift:  T» 
seeepg  allame  worden  er  eenige  genoemd  in  k^ 
boven  aangeh.  Tolreglement  van  1252  {ZVl,  Bijéi- 
5,  60). 

b)  Opschik,  twntel,  zaken  tot  dos  of  sieraad  «• 
hoorende.  ||  In  goude  ende  in  silvere  ende  ii 
clederen  ende  in  preciosen  stenen  ende  in  al^ 
hande  alame,  1).  B.  Jttdith  15,  14  (Volj^.  ,«* 
omni  ettpeHectili''*).  Scone  gesteente ,  cledere diere,- 
diere  allame,  grote  ju weele,  Sp,  1»,  2,  29  (nr. 
alame,  alemé).  Sine  clederen  ende  sine  allana 
waren  mate  altesamen  (Vinc.  „  veetee  ewt  ei  c^ 
ciamenta  et  lecttialia),  III»,  20,  49  (III»,  11,  SI 
allame). 

c)  Krijgsvoorraad j  ammunitie,  benoodigdheden W 
uitrusting  in  den  oorlog.  ||  Item  gaven  sy  Philip»* 
den  scachtmakere  van  hneringhen  van  allame  dil 
men  orbuerde  in  de  selve  hervaerd  .  .  36  f t 
Rek.  V.  Gent  1,  357.  CCC  scepe  .  .  .,  diedij 
voerden  spise  ende  dranc,  allune  ende  aarnaia 
gemanc,  Sp.  I*,  20,  8. 

d)  Werktttigen ,  gereedtchappen ,  tuig  in  H  algemeei 
nog  heden  in  Vlaanderen  de  gewone  beteekenis.  B 
De  instrumenten  of  halamen ,  daermede  de  ambtckts- 
lieden  weerken.  Wiel.  Inetr.  109,  232.  Die  ij» 
allem  ongereet  heeft,  die  seit:  ick  sal  hïatt^ 
bider  tijt  doen,  Sal  en  M,  15.  Den scipliedcn die- 
der  temmerliede  allam  voerden  ende  weder  brocfcte» 
te  Ghent,  JUk,  v.  Gent  1,  240.  Dat  elc  poortere 
vry  .  .  zal  om  zijn  theere  moghen  visschen  in  der 
stede  watre  .  .  met  zulcken  alamen  ende  enp*e»«" 
als  hem  ghelieven  sal,  Cout.  v.  Gent  615.  Oi* 
gruythuys  ende  die  alamen,  die  ten  gniytk«« 
horen  .  .  dat  huys  ende  die  alamen,  Kiens- 
290«  {a,  1322).  Dat  si  oec  tollenvry  varen  »og» 


345 


ALLA. 


ALLE. 


346 


met  horen  aenlamen  ende  cattelen,  Y.  d.  Wall 
289  («.  1367);  verg.  ald.  377  en  Mieris  3,  739ö 
(«.  1401).  Met  wagene  of  met  anderen  alame, 
VUuuueAe  keur  van  1242 ,  in  Aantt.  op  Maerlant's 
Sp.  Eist  (1ste  uitg.)  3,  bl.  44;  vgl  ook  Rek.  v. 
lefl.  1  y  484 :  antlame ,  boven  aangehaald. 

e)  Overdrachtelijk.  Werktuig  of  middel  om  iets 
9it  te  verken.  \\  Die  allame,  daer  die  siele  mede 
haer  werc  te  doene  pleget ,  Amand  1 ,  787.  Tmijne 
(m^  geld)  es  uut:  om  nyeu  te  ghecrijghene  willic 
mgo  haelaem  gaen  stellen  te  snede ,  Ned.  Kluchiap. 
82,  105.  8o  vele  dijns  alaems,  van  uwe  kunst- 
grepen ,  listen ,  Bind.  167  (van  den  duivel  gezegd). 
ALLAN6ËS.  Zie  Langes. 
ALLEEN.  Zie  Allene. 

ALLEENKEL ,  bijw.,  Rijmb,  20379  var.  In  betee- 
kenis  gelijkstaande  met  Alleenskine  (zie  ald.),  en 
op  soortgel^ke  wijze  gevormd,  t.  v.  nit  Al  en  Enkel  ^ 
ODS  enkel  (bnw.) ,  got.  ainakls ,  solns,  met  verdubbe- 
ling der  /  naar  het  voorbeeld  van  alleens  en  allene. 
ALLEENS  (ALLEINS),  h^w.^ud.  alléns,  LHhhen 
1 ,  55 ,  bg  A 1 1  é  n).  Uit  Al  en  Eens  (met  verdubbe- 
ling der  /,  als  in  alleenskine  en  allene) ^  en  dus 
Gekeel  eens.  Verg.  Allene  bnw.  1)  en  byw.  1)  en 
Ned.  Vdi,  op  aIleens. 

1)   Eveneens^  gelijk.    ||   Alse    men    die   brieven 

las  over  een,   waest  alleens  van  den  tween,  Sp. 

I',   39,   49.    Minne,   die   dat   wel   besiet,   en  es 

altoes  alleens  niet,    Doet.   I,  378.  Waer  de  moet 

in  allen  siden  alleens ,  men  mocht  te  sachter  liden, 

yad.  Mus,  2,  184,  237.  Dat  Gent  ende  Rome  niet 

sien  dan  alleens  die  sonne  op  ene  wile,  Natuuri. 

1588.   Waer   dat   alleens  .  .   coninc,  grave,  arme 

ende  rike  Gode  sal   dienen  van  hemelrike,  Lett. 

N.   W.  6,  208,   90.  Die   u   alle    alleens   rieden, 

Uelib.   2184.    Het   ware  alleens  (Franck;  al  eens) 

daer   van   hen   beiden,    AUx.  II,  610  (Lat.  pares 

illic  odes   ntriitsgue   tyranni),   Waerment  Duutsch 

te  rechte  spelt,  daer  staet  die  wil  alleens  genoemt , 

Hild.   153,  2.  Alleens  haer  wille  stoet,  Sp.  III*, 

33,  24.  Beedegader  alleens,  III*,  17,  14.  Alleens 

deed  hi   na  dees  maeltijt,    O.  H.    Pms.  10,  155. 

Alleens  gecleet,  Kal.  1, 182.  Alleens  hoge,  Rnnsbr.  3, 

22.  Hit  drie  wittachtige  poirters  kennesse ,  die  gelijc 

ende  alleens  kennen,  eveneens  getuigen ^  Matth.  136. 

Dese  drie  ommegangen  brengen  die  scepenen  alleens , 

161.  Al  hndder   veel   scaren  van  snlcken  volcke 

noch  togecomen ,  soe  plach  hi  hem  allen  ondertiden 

alleens  te  doene ,  Pass.  W.  l%lb.  Ende  zyn  de  kerven 

doe  ende   nu    genouch   alleens,    nagenoeg   gelijk^ 

Uform.  205.  Alleens  der  kueren  ende  hantvesten ,  K. 

V.  Brielle  12,  12.  —  Ook  in  den  oorspronkelijken 

Tonn  Al  eens  geschreven.    ||   Dus  wrachte  hare 

drier  sin  al  eens,  Yelth.  Prol.  12.  Maer  al  eens 

il  die  screde.  Natuurt.  540.  Sgn  wapenroc,  sijn 

coverture    was    al    eens,    Orimb.    II,    3318   {var. 

alleens).  Al  eens  {eenerlet)  wapen  hadden  sy  ane, 

II,  4146.   Vgl.   ANDERS   en  zie   eens.   Zoo  ook 

lüjmb.    11780;    Gnmb.    II,   2188;    Vierde   Mart. 

449;  Lsp.  I,  36,  26;  Vrouvf.  e.  M.  I,  782;  enx. 

2)  Eenerlei j  onverschillig.  Het  es  alleens, 
iet  is  om  het  even ,  hetzelfde.  \\  Die  smeker  seylt  mit 
allen  winden :  hoe  hi  weit,  tis  hem  alleens,  Hild.  82 , 
66.  Alleens  si  sterven  ochte  leven,  Hadew.  I, 
166,  94.  Waer  af  dat  si,  dat  is  alleens,  Runsbr. 
3,  129.  Het  is  mi  alleens  wat  gi  geeft,  Easc.  M. 
ƒ.  K^9.  Die  coninck  ofte  keyser  dat  is  alleens, 
^nt  een  keyser  hiet  mede  een  Roemsch  coninck, 
ÖmAi  fioT»,  f.  97*. 

ALLEENSKINE   (allkensken,    allinskene, 
Itterook  alleenskins,  alleinsken,  allensken), 


bijw.  Uit  Al  en  Een  met  het  deminutief-achterv. 
-kine^  strekkende  ter  vorming  van  bg  woorden  in 
verzwakte  beteekenis.  Zie  Grimm,  Gr.  3,  688.  De 
verdubbeling  der  /  geschiedde  evenals  in  alleens 
en  allene.  Bij  Kil.  „Alleensken,  Aleensken, 
singulatim,  unumquodque  seorsum  et  per  se"  dus: 
Een  voor  een^  elk  afzonderlijk ^  stuk  voor  stuk,  of 
elk  deel  af  zonderlijk,  bij  gedeelten.  Verg.  Alleenkel. 
II  Dat  ie  mijn  bloet  alleenskine  niet  offren  moete, 
maer  altemale  tere  goete,  Rijmb.  20379  (Lat.  „non 
pauUtim  —  sed  totum  simul" ,  d.  i. :  „niet  bij  ge- 
deelten ,  drop  voor  drop ,  maar  alles  in  eens").  Sint 
onse  liede  allinskene  dare,  Lanc.  II,  34113.  Ende 
dede  allinskene  nutvaren,  alst  hem  noet  dochte, 
van  sinen  scaren ,  II ,  34127  (d.  i.  ^bij  gedeelten , 
troepsgetoijzé*\  mnl.  tropmale).  —  Daar  Alleenskine  en 
Allenckine  elkander  zoo  gelijk  in  vorm,  en  in  betee- 
kenis gelijksoortig  zyn ,  is  het  geen  wonder,  dat  zij 
vaak  met  elkander  verward  werden,  en  niet  altijd  met 
juistheid  is  op  te  maken,  welke  der  beide  vormen 
en  beteekenissen  werd  bedoeld.  Dit  is  vooral  in 
de  15de  eeuw  het  geval,  toen  de  verschillende 
vormen  van  beide  woorden  dooreenliepen.  De  volgende 
voorbeelden  schenen  evenwel  bij  Alleenskine,  sin- 
gulatim, te  behooren.  ||  Omme  dat  begonste  te 
winterene  .  . ,  soe  dat  veele  serganten  van  couden  . . 
storven,  .  .  soe  dropen  sy  {dieenskins  heimelic 
aff ,  Cron.  v.  Vleiend.  1 ,  197  (d.  i.  y^een  voor  een"). 
—  Mnl,  Spreekw.  9 ,  6  (verg.  voor  het  eerste  Sprettken 
99,  waar  men  allinskens  leest):  Allensken  lappen 
leert  die  hont  dat  leer  eten,  Particulis  discit 
coreum  canis  esse  quod  id  scit.  Alleinsken  haren 
wort  die  man  cael,  nunc  ruit  hic,  post  hic 
pilus  et  calvus  sit  homo  sic,  Alleinsken  ene ,  vanct- 
mense  alle,  Singula  captentur,  sic  omnia  fine 
tenentur.  Verg.  verder  het  aangemerkte  bij  Al- 
lenkine. 

ALLEGADER.  Zie  Algader. 

ALLEGEREN  (allegieren,  allyeren),  zw. 
WW.  bedr.  Lat.  allegare,  fr.  alléguer.  Aanhalen, 
aanvoeren,  bijbrengen,  t.  w.  redenen,  bewijzen, 
aanspraken  enz.  ||  Yrstwerf  dunct  hi  mi  allegieren 
trecht,  datmen  den  geroefden  sal  tsine  wederkeren 
geheel  ende  al,  Mask.  516.  Daer  jegen  wort  .  . 
van  sconincs  wegen  gealegeert  dat  dat  niet  sculdich 
te  sine  en  waer,  Brab.  Y.  YI,  3631.  Indien 
yemende  dunct  dat  hij  .  .  eenige  prevelege  of  tytel 
daerentegens  allegieren  wille,  Zwijnér.  fT.  108; 
enz.  —  Ook  Allyeren  geschreven,  waarschijnlijk 
ten  gevolge  van  het  verwarren  der  twee  ww. 
alléguer  en  alleyer ,  lat.  adlegiare  (La  Curne  1, 348 ; 
Duc.  1,  81a),  dat  ook  voorkomt  in  den  zin  van 
onder  eede  verklaren.  \\  Met  meer  redenen,  die  de 
voors.  partien  an  beeden  zijden  daertoe  allverden 
ende  zeyden,  ZFl.  Bijdr,  6,  346  {a.  1441)."' 

ALLEINDE.  Zie  Allende. 

ALLEINKELIC.  Zie  Allenkelike. 

ALLEINKEN,  ALLEINCSKEN,  ALLEINSCEN, 
ALLEINSEN,   ALLEINSKEN.   Zie   Allenkine. 

ALLEISE,  znw.  vr.  Ofr.  alée,  allee,  gang,  reis 
(La  Curne  1,  389;  Duc.  1,  177c);  in  \  Mnl.  in 
overdrachtelgken  zin  voor  reis,  keer,  maal qÏ werf, 
om  de  herhaling  derzelfde  zaak  uit  te  drukken.  || 
Weert  dat  dat  wijf  starve,  ende  die  man  dander 
of  meer  alleysen  wittige  wive  name  ende  van  eiken 
kinderen  wonne,  Brab.  T.  Dl.  1,  bl.  784  («.  1330). 
—  Oudere  drukken  derzelfde  keur  hebben  allinsen 
of  alinsen:  zie  de  Proeve  van  Du  lees  a.  o,  M.  2, 
73.  Die  lezingen  ziln  echter  waarschg ulij k  onnauw- 
keurig afgeschreven  of  afgedrukt.  —  De  vorm 
alleyse  is   min   of  meer  vreemd,   daar  men  allege 


347 


ALLE. 


ALLE. 


m 


«OU  verwachten ,  zonder  s.  Waarschynlijk  werd  het 
woord  allee,  in  dezen  zin  gewoonlijk  in  het  mv. 
gebezigd ,  ook  in  dien  Torm  overgenomen ,  en  luidde 
dan  allees,  alleU,  waaruit  zich  een  nieuwe  meer- 
voudsvorm ontwikkelde ,  t.  w.  alleuen.  Als  vrouw, 
woord  nam  het  misschien  de  e  aan  en  werd  dus 
alleite.  Op  gelijke  wijze  werden  b.  v.  uit  een 
Fransch  mv.  in  H  Mul.  overgenomen  amnns,  van 
émaux  (zie  Amaus),  en  abrikoot'.  zie  Ned.  Wdh. 
op  dat  woord. 

ALLEISKINE.  Zie  Ali.enkink. 

ALLELENE,  bijw.,  verbasterd  vXi  Al-allene  ytisi 
Al,  als  bloote  versterking,  en  ^//^n<? bij w.,  waarin 
de  eerste  lettergreep  door  versnelde  uitspraak 
toonloos  werd.  Zie  het  volgende  art.  Keaiglijh , 
alleenlijk,  gleehU.  ||  Datter  geenrehande  exchijs 
en  is  in  heurluyder  dorpen,  dan  alleleene  nu 
nyeuwelinge,  Inform,  142. 

ALLELEENS  (allellekns),  byw.,  verbasterd 
uit  Jl-alUens,  van  Al,  als  bloote  versterking,  en 
Alleens  (zie  ald.).  Al-alleen*  was  nog  in  de  17de  eeuw* 
in  gebruik.  Zie  Vitlegk.  Wdh.  op  Hooft  1,  47, 
en  verg.  Taalk.  Mag.  3,  54. 

\)  Op  dezelfde  laijze,  op  denzelfden  f ijd,  fe gelijk. 
II  Singdi  alle  in  uwe  kerke  alleleens  ende  vast 
ghi  alle  alleleens?  Ende  die  monick  seide  hacr: 
Wij  synghen  alle  te  gader,  maer  elck  vost  alsoe 
hi  wilt ,  Fad^rb.  279rf.  —  Alleleens  sijn,  gelijk 
zijn.  II  Alre  lude  seden  en  sijn  alleleyns  nyet, 
Vadrrb.  162c.  Vgl.  ANDERS  en   eens. 

2)  Het  is  (comt)  mi  alleleens,  ^^/  w  wi»; 
eenerlei,  onverschillig ,  hetzelfde.  \\  Tquaet  met  goet , 
tes  alleleens,  Nu  noch  26.  Grod  oft  den  duyvel, 
het  is  my  alleleens.  Mar.  v.  Nijm.  8,  146.  Tcomt 
mv  alleleens  met  wien  ie  ga,  9,  188.  Dat  het  hem 
alleleens  was  aen  wat  houte  hi  gehangen  worde, 
Sal.  e.  Mare.  62. 

.3)  Verbonden  met  gelijc  en  of:  Alleleens 
gelyc,  evenals,  Alleleens  of,  even  alsof,  en 
dus  als  voegw.  gebruikt.  ||  Alleleens  gelijc  die 
duyvel  sijn  moeder  doet,  Mar.  v.  NiJm.  6,  114. 
Qecle  edt  in  sulcken  ge  bare,  alleleens  oftnu  Paesschen- 
dach  ware,  Ned,  Kluehtsp.  96,  112.  Alsoe  zy  upte 
frontieren  sitteu ,  zoe  moeten  zy  alle  dage  waecken 
allcllecns  ofte  openbaer  oorloge  waere,  Inform,  196. 

ALLEM.  Zie  Alame. 

ALLEMAN.  Zie  Alman. 

ALLEMOESSENE,  voor  Aelmoesene:  zie  ald., 
Praet  2705. 

ALLENDE,  ook  alleinde,  voor  Ellende:  zie 
ald.  Doet.  III,  120;  Brand.  ((?)  176,  404,  416, 
910,  920,  2261;  Amand  I,  338,  1154,  3079; 
Denkm.  3,  142,  30;  O  Tl.  Lied.  en  Ged.  3,  63; 
310,  2258;  Vad.  Miis.  1,  374,  47;  V  Maegd. 
571;  Ruusbr.  5,  273;  enz.  —  Alleynde,  Segh. 
224  var.;  Lett.  N.   W.  6»,  93;  Playerw.  216. 

ALLENDELIC,  bijw.,  voor  Èllendelike:  zie 
ald.  II  Wy  zyn  allendelic  hier  buten  gebleven, 
V  Maegd,  550.  Allendelic  versaeght  586.  Mit 
harden  selen  nydelic  gebonden  ende  allendelic 
geleet,  Hs,  Ps,  201  r. 

ALLENDICH  (-DECh)  ,  -dige  en  dege,  ook 
AiJ.EiNDicii,  voor  Ellendich:  zie  ald.  ||  OFl.  Ged. 
2,  31,  Titel;  Denkm.  3,  171,  183;  201,  39; 
220,  21;  on.  Lied.  en  Ged.  5,  87;  438,  67; 
Bag.  V.  Parijs  3,  60;  F  Maegd.  60;  Fad.  Mm. 
2,  423;  Ruusbr.  6,  269;  Dingt.  v.  Delft  11;  Exc. 
(iron.  Mc.  —  Alleyndich,  Playerw.  2,  3. 

ALLENDICHEIT  (-iiede),  voor  Ellendicheit , 
ellende.  Zie  ald.  en  verg.  Allende.  ||  Uut  deser 
allendicheit,  Denkm.  3,  194,  239.  Die  allendioheit 


die  ie  doge,  D.  B.  Job  6,  2.  In  die  mUeadicketk 
Auiand,U,  758;  enz. 

ALLENE  (alene),  eigennaam,  tt.  Volksti- 
spraak  voor  Helena.  \\  Ende  biet  die  bertogiBe 
Alene ,  Wal.  5720.  Die  keyscrinne  sente  Alleens,  diit 
cruce  vant,  Tst.  BI.  4265.  —  Behalve  de  H.  Heieu. 
de  moeder  van  Constantijn  den  Grooie,  wat  nf 
eene  andere  Heilige  vooral  in  Brabant  geieH. 
welke  dien  naam  droeg,  t.  w.  de  Maagd  a 
Martelaresse  Alena,  dochter  van  koning  LevoU. 
van  Dilbeke  geboren,  die  in  de  7de  eenw  lee£d<. 
en  wier  overbljjfselen  in  de  abdy  Tan  Vont  bf 
Brussel  zfjn  bijgezet.  Zie  Acta  Sanct.  d.  17  Jn., 
p.  388 — 398,  en  verg.  De  Busco's  artikel  ia  do 
Folks-Alm.  voor  Neder l.  Kaihol.,  1860,  bL  6-3i 
In  de  officiëele  bisschoppelijke  oorkonden,  ia  k 
Acta  Sanct.  aangehaald,  wordt  ay  SancU  HfUm 
genoemd ,  doch  nog  heden  ten  dage  is  zg  in  Bd^ 
onder  den  naam  van  Sainte  Alh%e  bekend.  Tm 
Reinsberg-Düringsfeld,  Calendriêr  Befye,  1,  404- 
406.  Waarschynlijk  is  het  de  laatate  Hólir 
welke  men  in  't  mnl.  als  Sente  AUna  of  Allene  vii^. 
aangeroepen.  ||  Also  helpe  mi  sente  Alene!  Fer* 
8201.  —  Aan  dien  naam  ontleende  men  descherUeid' 
uitdrukking:  —  Enen  sente  Allenen  b^ 
velen,  iemand  alleen  Uten ,  hem  ver  luiten ,  e» 
woordspeling  met  het  bnw.  allene,  af  leen  .^  ea  d« 
naam  der  Heilige,  welke,  volgens  de  legende,  i» 
nachts  door  een  woest  bosch ,  dat  door  ^Ide  beesta 
bewoond  werd,  naar  Vorst  ging,  om  er  de  m»- 
ten  bij  te  wonen.  Deze  nachtelyke  zwerftocktiü 
konden  haar  al  licht  als  patrones  der  eenimamkfti 
doen  gelden.  ||  Doe  beval  hise  sente  Allean. 
ende  keerde  weder  ende  lietse  gaen,  Fer^.  4dW. 
Die  ridder  doe  van  hem  sciet,  ende  beralne  seitr 
Allenen,  4838. 

ALLENE  (alleene,  alleen,  aleen,  ook 
ALLiEN,  alien),  buw.  en  byw.  Uit  Al  en  Een^wf^ 
verdubbeling  der  /,  als  in  Alleens  en  AUeentbai 
Allene,  al  ene  is  dus  eene  versterking  van  e%e. 
een ,  en  betcekent  derhalve  geheel  een ,  en  wel  ii 
twee  verschillende  opvattingen: 

Als  bnw.  —  1)  Van  twee  of  meer  personea  rf 
zaken  in  onderlinge  betrekking.  Geheel  een,  «r». 
of  volkomen  gelijk  (lat.  unus).  ||  Datti  heiige  Dri^ 
voudechede  alleen  es  in  die  godlichede,  Rijui. 
24677.  Want  si  drie  aleen  oyt  waren  ende  bliT« 
selen,  Velth.  Prol.  18.  Wort  ende  sin  ai  dsi 
(/.  dat  si?)  alleene,  Sp.  V,  52,  10  (Vinc.  mentea 
verba  sequantur.")  Herte  ende  ziele  was  alleene. 
I',  42,  6  (Vinc:  „erat  cor  unum  et  anima  wm"! 
Wil  ende  macht  is  niet  alleen ,  Hild.  92 ,  50.  Du 
si  allene  werden ,  gelyc  dat  wi  een  syn ,  L.  r.  J. 
c,  222. 

2)  Van  personen  of  zaken,  als  op  aich  zelve 
staande  beschouwd.  Geheel  een ,  of  eenig ,  onverzfU 
(lat.  soIm),  hetzelfde  als  ons  alleen,  en  ev« 
algemeen  in  gebruik.  In  de  eerste  beteekenis ,  di* 
van  unus,  wisselen  alUen  en  allene  met  elkander 
af;  in  de  tweede,  die  van  soIm,  is  allene  de  oor- 
spronkelijke vorm:  alleen  komt  echter  voor  in  hft 
rijm,  en  wordt  bij  latere  schrijvers  gebraikel^k. 
Allene  of  alleen  staat  in  dien  zin  veelal  achter  het 
znw.  of  vnw. ,  waarvan  het  afhangt ,  en  is  volstrekt 
onverbuigbaar.  ||  Gedenck  is  een  woert  allioi, 
Hild.  157,  109  (d.  i.  geheel  eenig).  Ie  sal  geloevn 
dat  God  en  geen  anders  en  es  dan  hi  aleen,  Sp, 
II*,  20,  75.  Ende  bleef  doot  staende  alleeiw, 
Rijmb.  1907.  Tlant  van  Jesse  allene,  3841.  Di* 
ene  dochter  heeft  allene,  15607.  Dese  vier  kindrv 
allecne,  16284.  Die  joncste  allene,  18858.  Nochta» 


49 


ALLE. 


ALLE. 


350 


IS  dierre  allene  tgewerke  dan  tgond  ende  alle 
B  stene,  18677;  enz.  —  Opmerking  verdient  de 
tdrukking:  Allene  sterven,  van  beesten 
Eegdf  waarschijnlijk  in  den  zin  van  een  eigen 
od  sterven ,  zonder  geslacht  te  worden ,  en  die  dus 
i  krengen  op  den  openbaren  weg  blijven  liggen.  j| 
it  niemene  geoorlooft  si  .  .  dode  paerden ,  no 
de  honden ,  catten ,  gescrap  van  baken ,  no  levere, 

van  eenigen  beesten  die  allene  sterven  te  viere 

doene,  Cotii.  v,  Brugge  1,  352. 
Als   bijw.    —   Verg.    Alleens.    Geheel  eent  of 
nglijk,  In  verschillende  opvattingen: 

1)  Geheel  eens,   d.   i.   op   dezelfde  wijze,  plaats 
tijd. 

a)  Op  dezelfde  wijze,  eveneens, gelijkelijk.  \\  Ende 
it  alleene  onder  die  clerke  temmerman  ende 
et  also  wale ,  Sp.  V,  11 ,  54  (t.  w.  in  het  Latijn , 

faber).  Ende  wanen  dat  ie  allene  die  goede 
itten  quaden  mene,  Teest.  3092.  Kerstine  haer 
derwarp  voer  den  outaer,  ende  lach  daeralseen 
ï  allene,  Christ.  1564.  Had  die  joncfrou  alleen 
swegen,  soe  mostn  mede  an  onsen  rinck,  Hild. 
7 ,  360.  Die  meester  dancten  oeck  allien ,  172 ,  50. 

b)  Op  dezelfde  plaats,  bijeen,  te  zamen.    ||   Alse 
sijn  goet  vernam  wederbrocht ,  groot  ende  clene, 

r  sente  Nyclaus  beelde  allene,  Sp.  III*,  30,  40 
nzij  men  airene  moet  lezen). 
e)  Op  denzelfd^n  tijd,  te  gelijk,  gelijkelijk,  tevens. 
Want  al  tfolc,  groot  ende  cleene,  sal  an  hem 
loven  alleene,  %  I',  36,  47  (d.  i.  „omnes  nww/", 
it  „in  illnm  solum^^ ,  zooals  uit  het  verband  blijkt), 
t  haer  Sone,  onse  Here,  mensche  ende  niet 
d  ware  alleene,  ^.  III»,  28,  20  (d.  i.  „niet 
éms  God").  Voirt  so  en  sel  nyement  int  vol- 
bocht voirscr.  wasschen  noch  vollen  aleen, 
'J.  Ketirb.  538,  58. 

2)  Eeniglijk ,  alleenlijk,  slechts  (lat.  solum,  tantum) ; 
nog  heden  gebmikeiyke  en  in  *t  mnl.  evenzeer 

HTone  beteekenis.  Zoo  ook  Niet  allene,  niet 
fen.  De  gewone  vorm  was  allene;  in  het  rijm 
bij  latere  schrijvers  vindt  men  ook  alleen.  j| 
i)  droech  crone  .  .  allene  VII  dage,  Rijmb. 
110.  Ende  voerde  met  hem  dan  allene  maer 
man,  20013.  Dat  alleen  niet  en  es  tot  afterdeel 
i  der  stede,  maer  tot  groote  scade  van  den 
de,  Inform.  411;  enx.  —  Ook  met  een  telw. 
bonden,  b.  v.  all  en  e  twee,  slechts  met  hun 
ien,  met  hun  beiden  zonder  ander  gezelschap.  || 
)  sachse  (Walewein  en  Isabele)  sitten  allene 
te  tere  scoeure  tafel  ende  nemmee.  Wal.  8043 
;n  kan  op  deze  plaats  allene  ook  als  bnw. 
atten:  aüeen  zijnde),  —  Uit  deze  beteekenis  is 
verklaren  de  eigenaardige  opvatting  van  Niet 
ene,  voor  niet  eens,  zelfs  niet:  verg.  ir.  pas 
lement,  hd.  nicht  einmal,  verschillende  wijzigingen 
hetzelfde  begrip.  ||  Sonne  ende  mane,  van 
ter  scame,  sterre,  ende  oec  diere  steene,  ne 
ilden  niet  alleene  van  haerre  cracht  dat  vijfte 
1,  Rijmó.  306. 

lLLENEEN,  bijw.,  latere  vorm  voor  al  in 
i.  Zie  bij  Een. 

iLLENKELIKE  (allevnkelic),  bijw.  Van 
mken,  jongeren  en  verzwakten  vorm  voor 
mkine  (zie  het  volgende  art.),  met  het  adverb. 
terv.  'like,  -lijc,  -lic.  Aüengsken* ,  ailengs.  \\  So 
ineer  yemant  uter  doechden  vallet,  so  en  ist 
.  te  vermoeden  dat  hy  met  enen  onversienliken 
e  gevallen  is,  mer  alleynkelic  overmids langer 
chtsamheyt  sijns  gemoets.  Stemmen  92. 
.LLKNKEN.  Zie  Allenkine. 

.LLKNKINK  (ALLENKIJN,  ALLENKEN,  ALLENCKE, 


\LLEYNKEN,  ook  ALLENCSKINE,  ALLENCSKEN  ,  AL- 
LÊYNCSKEN, ALLENSKENE, ALLENSKEN, ALLEYNS- 
KEN,  ALLEYNSCHEN,  ALLEYNSEN,  en  ALLEISKINE  , 

ALLEISKENE),  bijw.  Uit  Al  en  Lanc,  met  het 
deminutief-achterv.  -kine,  strekkende  ter  vorming 
van  by  woorden  in  verzwakte  beteekenis  (Grimm, 
Gr.  3,  688).  De  oorspr.  vorm  was  Al-lenc-kine  of, 
met  inlassching  der  s,  Al-lenc-s-kine ,  nit  welke 
beide  vormen  al  de  overige  ontsproten.  Hetzelfde 
als  ons  aUengskens,  allengs  (paulatim).  In  afleiding 
en  beteekenis  was  dit  woord  onderscheiden  van 
Aüeenskine  (singulatim) :  zie  het  aangemerkte  ald. 
Door  gelijkheid  in  vorm  en  gelijksoortigheid  van 
beteekenis  werden  z^  evenwel  licht  met  elkander 
verward.  Kil.  onderscheidt  beide  woorden  nog 
nanwkeurig,  maar  geeft  door  de  verschillende 
spellingen,  die  hij  op  Alleens kens  en  AUengskens 
vermeldt,  duidelijk  te  kennen,  dat  de  verwarring 
in  zgn  tijd  vry  algemeen  was,  en  voegt  er  zelfs 
bij:  „Varie  a  variis  haec  dictio  scribitur,  pronun- 
tiatur  et  explicatnr."  ||  Allenkine  bi  worden  gaet 
scaemte  nnt,  Sp.  I',  41,  44  (aldns  verbeterd  naar 
Vinc.  „paulatim  pudor  per  verba  discutitur."  Het 
hs.  heeft  Al  eenkine).  Ende  alsoe  souden  sy  allencken 
alle  hoir  genoechte  vorderen  mogen,  MLoep  III, 
496.  Veel  kinder  gingen  aen  die  selen ,  ende  togen 
alle  die  bussen  allenken  uyt,  Matth.  Anal.  1,419. 
Aldns  worden  die  voetknechten  allenken  ingelaten, 
1 ,  477.  Also  deden  daema  allencken  alle  die  landen, 
3,  309.  Dat  licht  ginc  allencken  wech.  Pass.  W, 
159^.  Dat  si  die  met  swaerden  alleyncken  of  souden 
slaen,  1086.  Mar  want  die  staet  verwandelt  die 
(tekst:  in)  zeeden,  so  begonde  hy  alleynken  onser 
lieven  vrouwen  raet  te  vergeten,  CÜrc  29.  Dat 
voirt  allencke  an  die  lantsyde  te  vervolgen,  O. 
R.  V,  Dordr.  1 ,  311,  3.  Also  beginnet  een  mensche 
allenken  die  souden  te  laten,  Devoet  B.  (36)  40r. 
Doe  wert  si  noch  allencken  sieker,  42r.  —  Zoo 
meermalen  in  den  D.  B.  ter  vertaling  van /?af«/^A'»t 
in  de  Vuig.,  als:  ||  Ie  sal  allencken  volgen  syne 
voetstappen.  Gen.  33,  14.  Dat  geluyt  van  der 
trompen  wies  alleincken  meerre,  Exod.  19,  9.  Ie 
salse  alleneken  verdriven  van  dynen  aensiehte ,  23, 
30.  Allencken  ende  bi  delen ,  DetU.  7 ,  22.  —  Evenzoo 
Richt.  20,  33;  II  Chron.  21,  15;  Job  14,  19;  enz. 
Elders  Allencxken ,  als  b.  v.  Gen,  40 ,  10.  Vgl.  Surin- 
gar,  Gloss.  op  Proverbia  Communia,  bl.  49.  ||  Hoer 
ordenanchen  ende  seden  .  .  gemaect  allenskene,  na 
ende  voren ,  Lsp.  II ,  50 ,  119 — 123  {var.  allencskinc). 
Also  men  een  kint . .  allencskine  smeken  moet,  II,  39, 
85  (var.  /.  Al  eenskene ,  H.  Allenskene).  —  Ook  in 
den  vorm  Alleis  kine,  voor  Alleinskine,  met  weg- 
werping der  n.  \\  Maer  an  Constantien,  diene 
hadde  waert,  heeft  hi  alleiskine  hem  gebaert,  Sp. 
II*,  52,  11.  Ende  als  alleiskene  dat  licht  tegine, 
onse  Here  die  Heilege  siele  ontfinc,  II»,  48,  17. 
—  Bij  Stoke  vindt  men  al  einsken,  al  enskijn, 
kennelijk  door  verwarring  met  het  bijna  eensluidende 
en  in  beteekenis  zoo  na  verwante  Alleenskine.  j| 
Ende  alsi  quamen  recht  an  Scouden,  voeren  si  al- 
einsken  vort,  IX,  654  (andere  hss.  al  enskijn). 
Hi  quam  al  eiusken  XIIII  dage ,  eer  hi  Beltenweerde 
leet,  IX,  704  (var.  allenkijn  en  allencken,  dat 
juister  is).  —  In  de  löde  eeuw  veelal  Alleincken, 
Allegncsken,  Allegnsken,  Alleynschen,  ja  zelfs 
Alleynsen  geschreven.  ||  Alleincken  als  die  hoernen 
vast  wassen ,  Barthol.  7536.  Dit  leste  sal  hi  alleyncs- 
ken  doen  ende  sonder  haest,  2910.  Daema  werpen 
sise  alleincsken  uut  ende  niet  tot  enen  mael ,  726a. 
Ende  bliven  dan  stille  staen,  ende  dan  alleyncsken 
so   gaen  si   derwaert  voer,   7646.  Soe  laettet  zyn 


351 


ALLE. 


ALLE. 


V. 


stamme  alleynnken  nat,  ende  vesticht  zgn  wortelen 
stijf  in  die  aerde,  676^.  Na  dat  die  deelen  alleynschen 
wassen,  so  werden  si  te  'samen  gebonden,  572a. 
Verscheyden  valuacien  op  vcrscheyden  munten  ende 
penningen,  eertijds  ende  alleynsen  gemaect  ende 
ordineert,   Be/^.    Mus.    3,    79.    Verg.   voorts  Ai.- 

LINSELINGE. 

ALLENCSKEN,  ALLENCSKINE,  ALLENS- 
KEN,  ALLENSKENE.  Zie  Allenkine. 
ALLENSELEN.  Zie  Allentelen. 
ALLENSELIKE.  Zie  allentelike. 
ALLENT.  Zie  Al  als  bljV.  vnw.  (in  't  begin). 
ALLENTELEN  (allensselen),  bgw.  Mnd. 
aüentelen ;  in  den  Teuth.  „Allentelen,  allentzen, 
alleynckede,  êuccesuve^  gradatim^  ceisim^  .  . 
palatim^'  eet.  Vgl.  Grimm,  Gr.  3,  95  en  770.  Een 
Nederduitsche  vorm  uit  Al  en  Entel^  met  het  adv. 
achterv.  -en  (verg.  gisier-en) ,  en  met  verdubbeling 
der  /,  als  bg  Allene.  In  het  nd.  wisselen  de  vormen 
entel  en  enkel  (zie  Grimm  t.  1.  a.  pi.).  De  mnl. 
vorm  zou  dan  ook  aHenkeUn  luiden;  doch  daar  ze 
waarschijnlijk  vooral  in  eenigszins  nederduitsch 
geklenrae  stukken  voorkomt,  vindt  men  aUenteUn^ 
aUentselen,  waaruit,  met  wegwerping  der  ^,  al- 
lensselen.  Aüengty  langzamerhand.  \\  (Der)  oversten 
goede  wanderinghe  .  .  climmet  allentelen  in  der 
ondersaten  herten,  Bienb.  2b.  Die  dunsternisse 
waert  allentelen  verstroy t ,  53c.  Van  grooter  droef- 
heit  verghinck  allentelen  sine  gedaente,  70a  e.  e. 
Die  duvel  waert  groter  allensselen  ende  waert  ten 
alrelaetsten  soe  lanc ,  dat  hi  roerde  dat  opperste  . . 
van  den  huse,  152c.  Die  byschop  hevet  die  pre- 
vilegie  gegunt  allensselen  wat,  Oork.  van  het 
klooster  Jernsalem ,  te  Venrag  in  Limburg ,  in  D.  War. 
7,  33.  —  Uit  het  woord  Aüentelen  is  ook  te  ver- 
klaren de  vorm  Allentelken  ^  Jllentelkens  ^  welks 
be.staan  door  De  Vries,  Mnl.  W^(!/A.  op  Allenkine, 
ten  onrechte  werd  ontkend.  Het  woord  is  niet  uit 
allen  en  telken(s)y  maar  uit  Al  en  Entel  met  het 
deminutief-achterv.  -kine  (in  plaats  van  met  het 
achterv.  -^»),  en  dus  All-en  tel- kine ,  later  verzwakt 
tot  AU-entel-ken  y  met  bijvoeging  der  «,  All-en  tel- kens. 
II  Doe  die  knecht  Gods  sach  dattet  getal  der 
broederen  allcntelken  began  te  wassen ,  Ned.  Proza 
194.  Als  die  geest  allentelken  vercout,  lis.  87  ƒ. 
113(?.  Allentelkens  mit  graden  op  te  dimmen,  /. 
4</.  Daer  na  soe  werdt  hi  allentelken  ghetoghen 
mit  genoecht  des  uutwendighen  levens,  Bienb.  I6a. 
Verg.  voorts  allinselinge  en  het  volgende  artikel. 

ALLENTELIKE  (allenselike),  bijw.  Lang- 
zamer/iandj  allengs  (zie  bij  allentelen).  ||  In 
die  ierste  saken  so  sinken  die  darme  allentelijc 
myt  zweringhe,  Lanfr.  171r.  Soe  doet  den  siecken 
zijn  diëten  allenselic  meerren,  Lanfr.  Incun.  6r. 

ALLENTOOS  (allentoes),  voor  Altoos.  MLoep 
III,  18(5  var. 

ALLER-,  in  samenstellingen.  Zie  Alre-. 

ALLES,  bijw.,  al  te  zamen.  Zie  Als  bijw.  Over 
Alles  als  2den  nv.  van  ai^  zie  Al  als  vnw. 

ALLENTHALVEN ,  bijw.,  mhd.  aüenthalben, 
mnd.  aüenthalven.  Zie  half.  Van  aüe  kanten.  \\ 
Doe  dat  die  heidene  becanden ,  dat  si  allenthalven 
waren  bestaen,  Merl.  7036.  —  Ook  in  all  en  t- 
halve.  II  Dassc  in  allenthalve  overvloyen,  Limb. 
Serm.  74i. 

ALLESCLACHTE.  Zie  bij  Slaciite. 

ALLESENS.  Zie  Allesins. 

ALLESINS  (ALLESENS),  bijw.  Eigenlijk  alles 
sins^  fr.  en  tont  sens,  in  iedere  richting.  Zie  Sin. 
Overal  of  van  overal  ^  aan  of  van  alle  kanten.  In 
den  D.  B.  meermalen  ter  vertaling  van  vbiqve  en 


undique  uit  de  Vuig.  ||  Ie  heb  allesins  gtiiöl 
figuren  ende  goede  exempel,  Hild.  81,  &  1^ 
woerden  ende  wereken  staen  geclooft ,  so  ist  allab 
contraer,  158,  74.  God, . .  doech  {=JlocJk^  doe^ow. 
dinen  knechten  ende  dinen  joncwiven,  allesens  vcréa 
bescermt  metter  heilegher  moeder  Gods ,  Fsd.  Ma 
2,  450.  Hollant  .  .  is  meest  een  broeclant,  oéf 
allesins  mitten  armen  van  der  zee  ende  des  Kysi 
gesalicht,  Clere  11  {bij  Beka:  cwreumfuU).  E^ 
doom  seerheit  inbrengende  allesins  al  omaie  e>& 
omme,  J>.  B.  Ezech.  28,  24.  Salke  tgt  sobene^ 
dat  vyer  int  water  allesins  boven  cracht,  ihxri 
Wijsh.  16,  19.  Int  aen vechten  der  viandei  ö 
allesins  ommestonden,  Jes.  Sir.  46,  19.  Hi  Tcrta 
allesins  die  viauden,  4,  8.  Si  ommegingea  m 
allesins,  51,  9;  enz.  —  Van  allesins.  w 
overal y  van  alle  kanten.  \\  Ie  salse  Tan  alle» 
vergaderen,  1).  B.  Ezeeh.  37,  21.  Anit  ts 
allesins,  Jerem.  20,  4.  Si  sijn  op  haer  cms 
van  allesins ,  51 ,  2.  Die  mans  qnamen  vaa  iL^ 
sins  om  dit  wonder  te  sien,  Ptus.  S.  (ed.  14§} 
238r  (bij  Oudem.  1,  143).  —  Tot  allesirr 
vermaert,  Pass. 

ALLESLACHTE.  Zie  bg  Slachte. 

ALLET.  Zie  Al  als  bijv.  vnvr.  (in  't  beci 

ALLETENEN.  Zie  Altenen. 

ALLETGADER.  Zie  Aloader  (lst«  art.). 

ALLETTEL  (alluttel),  bnw.,  als  znw.  oe. 
gebezigd.  Ook  in  deminutieven  vorm  allettelkuü 
alldttelkijn,  -ken.  Uit  Al  en  LefUl  {Uttd 
zie  ald.  Een  weinig,  \\  Een  arm  cleet  ende  alktu 
stroes,  Rincl.  464.  Dat  allettel  goets  beter  t 
gewonnen  met  eren,  .  .  dan  een  ong^etelt  sf* 
Doet.  II,  2452.  Den  gherechten  es  beier  ré 
alluttel  goets  te  sinen  dele,  II,  2515.  Allitk< 
blamen  hadde  si  an  haren  ganc,  Zamb.  VUI 
1148.  Want  die  zinen  vrient  begeeft  om  alliCt 
dat  hi  heeft  gedaen  jegen  sgn  gerief,  en  h«f 
den  vrient  niet  herde  lief,  Lsp.  III,  17,  101  w 
Van  Janne  Baptisten  sal  ie  u  alluttel  zeg:geB  n 
II,  16,  103  var.  Een  .  .  .  schaep  .  .  .,  dat  b^ 
alluttel  wollen  behouden  sal  mogen,  Ned.  Pr& 
2G7.  Ende  deets  hem  eten  allettelkyn  ,  Lome.  X. 
42663.  Als  si  allettelken  had  gesmaect ,  CJkrist.  1(571 
So  dat  si  allutt^lken  wgns  daer  nam,  771.  X«st» 
alluttel  tijts  te  leven,  Vad^rb.  36r.  AUattel  t««ö 
te  hebben,  ^M. 

ALLETTEL  (alluttel),  ook  in   deminutkrc 

vorm    ALLETTELKINE   (aLLETTELKIJN  ,    ALLETTO 

KEN,  alluttelkijn,  -ken),  bgw.  Zie  het  voiif» 
art.  Een  weinig ^  eenigermat^.  \\  Si  leidene  aB^ 
tel  vord  mettien,  Lanc.  III,  11877.  All<4^ 
ongesont,  III,  17523.  Hi  arselde  allettel  {f^^ 
eindje)  over  voet  tot  enen  berge ,  Il ,  38971.  Ife 
een  was  tier  tijt  boven  den  andren  allettel  doe,  IV 
9210.  Nu  swijch  alluttel  {een  oogenblik  ^  een  po^^ 
ende  hore  na  mi,  OVl.  Ged.  1,  83,756.  Nu  Iwrf 
alluttel,  Belg.  Mus.  2,  238,  42.  Allettel  ge^otf 
van  binnen,  Ltitg.  III,  524.  Si  was  alluttel  mav 
lAmb.  VIII,  1150.  Doen  wert  die  ma^et  allatt^ 
gram,  Belg.  Mns.  8,  97,  54.  Daer  na  niet  laar- 
alluttel  voert  ginc  si  ute,  Christ.  1007.  AJs  kj 
overmids  voirtganc  der  tijt  alluttel  gewassen  wi^ 
Ned.  Proza  263.  Dan  selstu  rusten  allettelkfi 
{een  oogenblik) ,  allettel  so  selstu  slapen ;  maer  s^J 
aaer  na  so  selstu  weder  opstaen,  CJkritt.  16Si 
Daer  na  so  ruste  si  alluttelkijn,  1606.  Doe  d» 
knecht  Gods  sach,  dattet  getal  der  broedem 
allutelken  (/.  alluttelken)  began  te  wassen,  3W 
Proza  194  var.  Here  waert,  hoert  mi  allettelkfi- 
een  oogenblik^  Ferg.  925. 


J53 


ALtË. 


ALLY. 


354 


ALLETTELKEN,  ALLETTELKIJN,  ALLET- 
CELKINE.  Zie  Allettel  (1ste  en  2(le  art.). 

ALLEYOT,  bijw.  Hetzelfde  als  allebot  (zie 
^dl.  Wdb.).  Eig.  slag  op  ilag ,  telkem ,  gedurig ,  en 
>g  uitbreiding  altijd  door.  Zie  tal  van  Yoorbeelden 
lit  Despars  aangeb.  by  De  Bo  1466. 

ALLEWEGE  (later  ook  alweoe),  b^w.  Knd. 
'Ilewegê ,  alwege ;  nd.  aüweg ,  alwegen ;  ags.  ealne  veg , 
emper  (Ettm.  90);  eng.  alioays, 

1)  Als  byw.  van  ^d.  Altijd ,  steeds  ^  in  twee 
'erscbillende  opvattingen : 

a)  Yan  eene  herhaling  in  alle  voorkomende  ge- 
tallen, dus  Altijd,  bij  alle  gelegenheden,  telkens, 
edurig.  ||  Die  geven  mach,  geve  allewege ,  ^tfim. 
..  Diedesen  (steen)  hevet,  men  weet  wel,  dat  hi  in 
rige  allewege  sonder  waen  winnet  den  zege,  Naé,  BI. 
CII,  642.  Die  daer  te  voren  allewege  gelnckech 
ras  in  sinen  verwinnen ,  Jtijmb.  20486.  Alstie  waren 
llewege  gewone  te  hebbene  sege,  31767.  Ende 
ach  omme  tkint  allewege,  15778.  Ende  vacht  zege 
•p  de  heidine  allewege ,  Stoke  II ,  936.  Hets  menich, 
Ie  hem  sonderlinc  saken  bewint  allewege,  lY, 
184.  Allewege,  hoet  met  mi  gaet,  come  ie  ter 
finnen,  Boss  4181.  WyA^c  list  soect  allewege 
lat  spillic  ist,  MLoep  I,  932.  Die  des  meest 
Lebben ,  dat  en  sQn  allewege  die  beste  niet,  Bnasbr. 

I,  90.  —  Zoo  ook  Alex.  IV,  1436,  1470;  iVii/.  JP/. 

II,  2002;  Rijmt.  16821,  28309,  29363,  30412; 
^.  II*,  30,  41;  en*.  — Alwege,  jongereschryf- 
rijze.  II  Yan  synen  erven  alwege,  Nyh.  4,  28 
a.  1426). 

b)  Yan  eene  onafgebrokene  voortduring,  dus 
iltijd,  immer,  aanhoudend.  \\  Gi  heet  allewege 
rys  te  sgn  onder  die  gene  die  u  kinnen,  Hein. 
I,  6940  (doch  de  ware  lezing  is  die  der  var. 
(/  toegewijs).  Soe  wie  daer  winnet  den  zege, 
il  blivet  voeget  allewege,  NcU,  BI.  II,  369. 
Men  God  daer  gevet  zege,  blive  here  vort 
llewege,  Sp.  III*,  61,  61.  Allewege  geduurt 
gn  striden,  III*,  27,  78.  Yorwaert  meer  alle- 
rege,  lY',  38,  76.  Alst  recht  doe  was  ende  alle- 
ft^^  lY',  26,  104.  Beide  nu  ende  alleweghe, 
^Amb.  lY,  686.  Ie  geefs  u  orlof  nn  ter  stede ,  ende 
llewege  vorward  mede,  Yelth.  1, 26, 49.  Allewege 
nde  die  tyt,  Benkm.  2,  669,  66.  Dat  allewege 
aeeret  die  begerlichelt,  Rnnsbr.  4,  181.  Daer 
langen  vele  bernende  lampen  mit  balsam,  die 
llewege  des  nachts  daer  bernende  syn ,  Ned,  Froxa 
'1.  Allewege,  erflic  ende  ewelic,  Nyh.  2,  66 
a.  1363).  —  Zoo  ook  Lorr.  Il,  4668;  tAlex.  lY, 
.424,  1494,  1603;  Boet.  n,  976;  Limb.  XU, 
J6;  Yelth.  YI,  1,  26;  Ruusbr.  6,  138;  enz.  — 
klwege,  in  jongeren  vorm.  ||  Dat  sal  ewelich 
tnde  alwege  duren,  Nyh.  3,  223  (a.  1400).  Ge- 
ivarich  coninc ,  staet  mi  by  alweege  in  mynre  noot. 
Kal.  6,  82. 

2)  Als    byw.    van    plaats.    Overal,    de   tegen* 


iroordige  beteekenis,  die  ook  reeds  in  H  Knl. 
l>ekend  was.  De  by  1,  a)  aangehaalde  voorbeelden 
loen  duideiyk  zien,  hoe  geleideiyk  de  overgang 
was  tot  de  beteekenis  van  overal.  ||  Bi  den  wine 
3S  ons  bediet  syn  helich  bloet  ende  anders  niet; 
noch  alle  wege  up  den  outaer  dientmer  mede  al 
>penbaer,  Amand  II,  2489.  Waert  dat  die  keiser 
3uame,  ende  hem  des  orloochs  anename,  ende  ons 
ötod  dan  gave  zege,  soe  sonde  men  hem  allewege, 
ui 80  lange  alst  volc  sonde  leven,  dere  van  der 
victorien  geven,  Edew.  601.  Ie  vorsach  den  here 
in  miere  jeghenwordecheit  alle  weghe,  Hs.  v.  1348, 
162a.  Dat  sy  allewege  tol  vrij  varen  sullen  te  water 
ende  te  lande,  Nyh.  3,  7  (a.  1372). 


3)  Als  byw.  van  omstandigheid.  In  elk  opzicht, 
in  allen  gevalle,  jj  Quade  cnechte,..  die  alleweghe 
aerm  waren  ende  keytyf,  Alex.  II,  749.  Nochtan 
weet  ie  wale  alleweghe ,  dat  wi  sullen  hebben  den 
seghe,  II,  793.  Men  sal  houden  dat  men  swert  den 
vianden,  so  wien  soet  dert,  ende  dit  niet  alle- 
weghe nochtan,  Sp.  I*,  8,  71.  Alleweghe  es  ooc 
te  verstane  als  hier  ombonden  es,  Hs.  v.  1348, 
244/f.  AUeweee  neemt  dat  zoete  kint  ende  siere 
moeder  diet  heeft  gemint,  vliet  tEgypten  ende 
scuwet  dit  lant ,  L.  o.  H.  660.  Die  mach  dat  ingelt 
to  zamene  losen ,  wil  hi ,  of  de  ene  helft  vure  ende 
die  andere  na,  alwege  to  Paschen  ende  to  Zant 
Ganchen,  K  v.  Zutf.  68,  38.  —  In  de  hss.  vindt 
men  doorgaans,  in  twee  woorden,  alle  v>ege  ge- 
schreven. Doch  om  de  eenheid  van  het  begrip  is 
het  noodig  allewege  te  schryven  en  het  als  één 
woord  te  beschouwen. 

=  Ook  komt  reeds  al  re  w  e  g  en  voor.  ||  Daer  omme 
werden  aireweghen  stricken  ghelecht,  Bienb.  lid, 

ALLYEREN.  Zie  Alleoieren. 

ALLIKE  ^ALLIKEN,  ALLIJC),  byw.  "HLüd.  alUke» 
Yan  Al  en  hke,  lije,  geiyk,  dus  geheel  gelijk,  en 
derhalve  Gelijkelijk,  evenzeer,  zonder  verschil ;  het 
lat.  perinde.  ||  Want  waart  recht  off  onrecht  sy, 
brengdi  ghelt,  soe  sidi  vry,  hoe  zwaerlic  dattist 
is  ghewonnen:  al  hadder  tarme  wyf  voer  ghespon- 
nen,  tis  aUiken  wel  ghecomen,  Hild.  113,  167. 
Aliycke  begheerlike  smlen  Noë,  Daniël  ende  Job 
daertoe  lopen,  Bern.  W.  63a.  Mer  worde  hi  ghe- 
boeden  bi  eenre  ame  wyns,  soe  verliest  hi  die 
ame  wyns,  mer  die  mach  syn  dode  bant  allike 
wal  bezueken  ende  braken  al  synsrechtes,  Stadsr. 
V.  Zwolle  89,  116.  Dat  alle  maten  allike  grote 
soelen  wesen,  Ouerijs.  Hecht,  I*,  10;  verg.  196. 
En  woent  hy  daer  oeck  niet  oppe,  dat  is  aliyck, 
aangeh.  bij  Y.  Hasselt  op  Kil.  bl.  19. 

ALLIEJIGOET,  byw.  Hetzelfde  als  allikewel 
(z.  ald.).  Evenwel,  toch,  ||  Doet  Johan  dat,  so  is  he 
qnyth,  ende  doet  he  dat  niet,  so  heft  Coep  syn 
clage  allikegoet  gewunuen.  Etst.  v,  Br.  30. 

ALLIKE YEEL,  zelfst.  vnw.  Uit  Allike  (zie  het 
vorige  art.)  en  Feel,  en  dus  evenveel.  ||  So  solde 
men  nochtan  die  beleggen  marck  marcklike,  elk 
nae  groetheit  synre  summen  allikevoel  te  boeren, 
Overijs.  Becht.  I»,  184. 

ALLIKEWEL  (allijcwei.,  Allikewol),  büw. 
Uit  Allike  (zie  ald.)  en  Wel.  Mud.  allikewol  (zie 
Lubben  by  Allike). 

-  1)  Even  wel,  evenzeer,  insgelijks.  \\  Ende  off 
dese  brieff . .  gebreke  off  hynder  krege,  aliyckewail 
sall  he  in  synre  volre  macht  wesen,  off  dair  an 
egeen  hynder  off  eebreke  en  were,  Nyh.  4,  118 
(tf.  1434).  Oick  of  dese  selve  brief  nat,  gaterich. . 
of  vleckich  were,..  dat  en  sal  desen  brief  nyet 
argeren,  .  .  mer  hy  sal  allikewael  wesen  ende 
bliveu  in  al  synre  volcomenre  macht,  136  fa.  1436). 
Aliyckwel  barbiers ,  surgienen  behouvan  aoucken , 
souden  se  pleesters  maecken  thuerlieder  baeten, 
ZFl.  Bijdr.  6,229,  83.—  Uit  deze oorspronkeiyke 
beteekenis  ontwikkelde  zich  weldra  de  adversatieve 
opvatting  van 

2)  Evenwel,  echter,  hd.  gleiehwohl,  in  de  17de 
eeuw  nog  zeer  gewoon.  Zie  Uitlegk.  fTdb,  op 
Hooft.  II  Waert  oec  niet  een  plomp  scaep,  die 
XL  jaer  of  L  over  een  lesse  leerde,  nacht  ende 
dach,  ende  en  konnender  doch  allikewel  niet, 
Ned.  Proza  177.  Yrou  Caritate  is  een  wgs  coepwyf , 
sy  copet  alle  die  goede  penwaerdeop,endemaect8e 
hoer  eygen;  allikewel  criget  si  denselven  penninc 
weder,  179.  Dat  men  den  messagiers  hair  liggelt 

12 


355 


AUA. 


ALMA. 


35« 


geren  sal  als  sie  buten  liggen,  al  wort  hem  hair 
coat  betaelt  of  anders  geachenckt,  allikewel  aal 
ment  hem  alhier  geren,  Overijs.  Recht  I\  174. 
Die  niet  en  arbeide . .  ende  om  die  aelmiaaen  oec 
niet  gaen  en  wonde,  ende  allikewel  mede  eten, 
Hi.  88  f.  79^.  Alament  nyet  en  mach  cnreren ,  so 
machment  allikewel  decken  ende  verhnden,  een 
palliatief  ^^M»,  Lanfr.  185r.  Hy  (y^rtf«)  wonde 
nochtans  allgckewel  ran  hem  ghedopet  wesen, 
Bern.  W,  l%a.  Dat  hi  wel  wist  wat  goet  waer  ende 
aliyckewel  niet  en  dade,  IZM.  Off  he  dan  niet 
komen  wolde,  so  salmeu  allikewol  w^cen,  Ettt 
r.  Dr.  110. 

ALLINDE,  Toor  Ellende:  sie  ald.  Bremd.  {(") 
633;  BUse,  v.  M.  1018;  Spiegel  d.  J.  11,  212; 
Exe.  Cnm.  28*. 

ALLINGE,  ALLINGLIKE.  Zie  Alinge,  Al- 

LINCLIKE. 

ALLINC,  snw.  Yoor  hallinc,  hedve  penning: 
zie  ald.,  Sp.  III*,  42,64;  T/.  iZt/wir.  2930 ,  2933; 
III,  171,  191;  Vod.  Mus.  2,  366;  Coul.  r.  Brvgge 
1,  234;  ens. 

ALLINC,  bnw.  Zie  Alinc. 

ALLINSCHELINGE.  Zie  Allinselinoe. 

ALLINSE.  Zie  Alleise. 

ALLINSELINGE  (allintselinoe,  allinsciie- 
LINOe)  ,  by  w.  Allengikem^  Alleng».  Van  AUentelen^ 
JUintelen  (zie  ald.),  met  het  adrerbiale  achtery. 
'Itnge^  thans  -Hngs.  De  schryfwyze  allinêelinge 
wordt  door  Kil.  op  Allengêken*  vermeld;  doch  de 
sniTere  vorm,  met  invoeging  der  #  na  de  ^,  komt 
voor  in  de  glosse:  „Allintselingen,»imtf^^in" 
(Graff,  Biut.  2,  223).  Uit  AUenteelen,  AUinttelen, 
AUintelen.  ||  (Hi  wart)  qnite  allinschelinge  syns 
gelts,  sier  haven  ende  alre  dinge,  Lutg.  II,  1265. 
En  ware  datse  allinselinge  van  minen  sconwene  verde 
ende  ginge,  III,  276. 

ALLINSKENE,  ALLINSRENS.  Zie  Alleens- 

KINE. 

ALLINTLEKE.  Zie  Alentlike. 

ALLINTSELINGE.  Zie  Allinselinoe. 

ALLOY,  znw.  onz.  Allodiaal  goed^  zonneleen. 
y an  ofir.  aUoy  (La  Cnme  1 ,  346 ,  verg.  346  onder 
de  varianteg).  ||  So  behielt  si  nochtan  ende  hair 
oor  dat  principaal  van  Brabant  als  eygen  goet  ende 
alloy,  Exc,  Cron.  140r.  Want  Loven,  Bruessel, 
Shertogenbossche ,  Thienen  ende  Leeuwe ,  met  veele 
andere  alloyplecken  ende  goeden  in  Brabant  werden 
gherekent  voor  des  hertoghen  alloj  ende  eygen 
goet,  161c. 

ALLOY.  Zie  Aloy. 

ALLÜTTEL,  ALLÜTTELKEN,  ALLÜTTEL- 
KIJN.  Zie  Allettel  (Iste  en  2de  art). 

ALMACHTE ,  bnw.  Voor  het  gewone  Almachtich. 
II  Cristns,  die  God  almachte,  i«fj9. 11,44, 168. — 
Verg.  Amechte  voor  Amechüch. 

ALMAENGE,  fr.  AUemagne.  Zie  by  Aleman 
(2de  art.). 

ALMAN  (alleman)  ,  onverbnigbare  woordvorm, 
als  zelfst.  vnw.  gebniikt.  Iedereen^  een  iegelijk. 
Uit  Al  en  Uan^  als  eenheid  opgevat,  evenals 
ieman  en  nieman.  Verg.  got.  alamans^  meerv.,  het 
geheele  menschengeslacht;  mnd.  alleman.  In  de 
17de  eenw  aüeman ;  thans ,  met  by  voeging  van  den 
meest  gewonen  eigennaam ,  Jan  {en)  Alleman.  \\  Wat 
alman  secht,  is  ghemeenlick  waer,  l^euken  26. 
Alman  die  niet  en  doet  die  wet  dyns  Gods ,  D.  B. 
Exra  7,  26.  Alman  zal  ten  menen  werke  conien 
op  den  dyc.  Mieris  2,  216a  {a.  1319).  Dat  naekte 
licham  lach  daer  bloet,  dattet  alman  zien  mocht, 
D.    War.   7,   31.   Hie   omtuyndeu   die  ghehofften , 


dat  alman  niet  by  die  snateren 
36.  Daert  alman  sach ,  Mmierie  d.  Stmdem  f.  %l 
Ende  en  solde  van  üman  niet  dwaes  eadc  «- 
aynnich  geachtet  werden,  /.  67r.  Als  die  tcct. 
vermoede,  dat  alleman  te  bedde  waer,  MLaefl^ 
1986.  —  Schertsende  spreekw.  xegsw.  ||  Tei  »e-« 
nieman  dan  allman,  Spreuken  11. 

ALMARIE,  znw.  vr.,  ook  almarijs,  vr.,  a 
ALMOR  (m.  of  onz.?).  JEiw,  keut.  Bö  KiL:  Ai 
maris,  Ammaris  en  Ammare.  Hd. 
mhd.  in  deminutieven  vorm  mlmertm ;  ofr. 
aumaire  (Roqnef.  Suppl.  18,  30);  ODd-«ag. 
aimery  (Halliwell  47);  mlat.  ai 
naast  armaria  ^  armarium  (Dnc.  1,  193;  397) ;« 
lat.  arwuirium^  thans  fr.  armoire.  \\  Soe  dat» 
conincs  almarie  was  vonden  een  boec  m  don 
Lane.  Il,  21228.  Die  maecte  ter  selver  are  ee 
almarys  in  den  mnre  in  sine  saactuwarie  na 
Sp.  III>,  13,  47.  —  Later  in  gelgken  ain  A1b«t 
II  Synen  antaertafele  metten  dneren  dier  toe  'W' 
hoeren,  ende  metten  tween  dneren  Tan  dea  ^ 
morre,  Diencx,  Mém.  2,  266  («.  1434).  De  dea» 
van  den  almore,    267. 

ALMATIKE  (aelmatike),  znw.  tt.  Aphaere» 
voor  dalmatike  (zie  ald.) ;  mlat.  dalmaiiea ;  fr.  ia- 
matique.  Een  opperkleed  of  pUchtgewMmd  ^  wt 
unjde  mouwen.  \\  Slepende  cledere  maecti  rike .  éa 
roe,  daerboven  ene  almatike,  ^.  IV*,  53,7(ViB. 
dalmatica).  —  Inzonderheid  van  het  gewnud,  ^ 
de  diaken  en  snbdiaken  dragen  bg  de  bediesm 
der  MiH.  ||  Een  goudyn  cmce  van  scoenre  maaifti 
ende  oec  ene  kasufle  diere,  ende  almatike  ofr 
een  missael,  Stoke  I,  676  (met  de  rmrianten;  kr 
tekst-hs.  heeft  aelmatike).  Dat  sine  almatike  ga» 
enen  die  beseten  was,  Sp.  IIP,  46,  29. 

ALME,  ALMEN,  Tkeoph.  763,  1096,  «e.  & 
Halme,  Halmen. 

ALMECHTICH  (aelmechtich,  -tech),  -ft? 
of  'tege,  bnw.  Almachtich.  Sp.  Il»,  6,  110;  £ 
608;  II«,  62,  12;  Kerk.  Cl.  27;  rad.  Mus.  t 
406     9*  419'  enz. 

ALMECHTICHEIT  (-hede),  znw.  vr.  AlmatM 
Ruusbr.  2,  7. 

ALMEEST,  byw.  Veelal  in  twee  woordea  ft^ 
schreven :  Al  meest.  Versterking  van  Meest  d«r 
by  voeging  van  ^/.  Foor  het  grootste  gedeelte  ^meert^ 
deels  ^  inzonderheid.  Mhd.  almeist.  \\  Want  al  es  dü 
ongeval  in  dordenen  bina  overal,  dat  ai  a&eaa 
ende  slappen  almeest,  Lutg.  I,  968.  Si  tonea  i& 
tnten  ende  ander  saken  .  .  ende  almeest  den  va^ 
iegen ,  Teest,  3168.  Ende  almeest  tfolc  vaa  4a 
lande  ontfinc  doopsel  van  Jans  hande ,  RijwU.  23^'^ 
Hild  almeest  tjnedsce  volc  een  bant,  29691  n: 
Het  regende  seere  almeest  den  tyt,  JSrak.  T.  TI 
10111.  Almeest  die  genote  van  Vrancrike  a^ie 
hem  jegen  desen  Lodewike,  II,  6666.  Die  voffi» 
ende  wat  daer  qnam,  almeest  het  die  doot  èae 
nam,  X  Plag.  2148  (m  den  tekst:  al  meeste).  &^ 
almeest  hebben  si  een  zwaer  wesen  Tan  bata. 
Ruusbr.  4,  278.  Almeest  alle  die  te  samen,  & 
waren  van  Kerstynre  namen,   Sp.  I"  ,  27,  3;  «t 

ALMELNIER,     A.LMENIERE.    Zie    Aelmoet 

NIERE. 

ALMET.  Zie  Altemet. 

ALMINIER.  Zie  Aelmoesniere. 

ALMISSE  (aelmisse),  znw.  vr.  Bg  Kil.  Al 
mutse,  amutse,  amiculum  pellieeuwt.^  van  ^ 
almuce  j  aumuce  (La  Curne  3,  319);  nCr.  ammurv 
ital.  almussa;  mlat.  almutia  (Dnc.  1,  183,  iSó^ 
Uit  dit  almusse,  almuise^  ontstond  later,  met wtf- 
werping  van  a/-,  hei  hedendaagsche  muts.  Een  V 


357 


ALMd. 


ALPÜ. 


3è8 


iêtchoudenafhamgendhoofddehielykap^  inzonder- 
lieid  Tan  geestelyken.  Zie  nog  Diez,  Wth.  I,  17; 
Weigind  op  Mütze.  ||  Hl  hadde . .  sghelijcx  ooc 
alsoe  een.c^pe  ap  sijn  hooft,  een  almisse,  dobbel 
ipghesleghen ,  ghevoedert  met  ermijuen  seer  rijcke- 
lic,  Vertl,  en  Ber,  IV,  62.  Up  sijn  hooft  haddy 
een  aelmisse,  ghevoedert  met  erm^nen,  npghe- 
ileghen,  ald. 

ALMOESNIERE,  ALMONIERE.  Zie  Aelmoes- 
MERE.  Almonier  komt  nog  voor  Merl,  33369  en 
a4628. 

ALMOR.  Zie  Almarie. 

ALMUEGENT,  -de,  bnw.,  voor  Almogent, 
Mhermogend^  almachtig.  \\  Gi  sijt  almnegende  in 
alder  tijt,  Amand  II,  4900. 

ALNEEN ,  samentrekking  yan  Alleneen ,  Al  in 
een.  Zie  bg  Een. 

ALNOCH.  Zie  Noch. 

ALNOOHTOE.  Zie  Nochtoe. 

ALNÜ.  Zie  Nu. 

ALOÊS,  anw.  yr.  Aloé.  ||  Wijn  gesoden  met 
aloës  segtmen  dat  al  desen  goet  es,  Nat.  BI.  IX,  67. 

ALOMBE,  ALOMME.  Zie  Omme. 

ALOMMEGAKC  (alombeganc),  bflw  ,  ver- 
gezeld van  eene  bepaling  van  tijd.  Eigenlijk  al  in 
den  ommegane^  in  den  duur,  t.  w.  van  zeker  tijds- 
verloop, en  dns  {tUen  tijd)  voluit,  van  het  begin 
tot  het  einde.  \\  Haddewi  seven  jaer  alombeganc 
onsergelijc  messen  sanc ,  wi  sonden  comen  te  hemel- 
rike,  Latie.  UI,  17628.  —  Zie  bij  Omme  en  Om- 

MEGANC. 

ALOP  (Alup)  ,  bijw.  Uit  Al  bgw.ien  op.  Ten  einde 
toe,  geheel  en  al.  \\  Ie  sal  al  np  ontsinnen ,  JD^n^i. 
3,  168,  91.  Dies  worden  si  al  np  verscroven, 
Amamd  II ,  1488.  Of  hi  al  np  es  ghenesen ,  Franc. 
8290.  Soe  "eraren  wi  alop  genesen,  Pgr.  en  Th. 
127.  So  oneerdi  hem  al  op,  Orimb.  I,  1335.  Daer 
quamen  die  ndder  vander  tafelronden  alop  gewapent, 
Merl.  17448.  Doe  telde  hise  (die  auenture) . .  alop , 
Theoph.  1434.  So  haddi  mi  al  op  ontbeert,  Bote 
fr.  256,  218.  So  is  hi  alop  verdoemt,  Segh.  2992. 
Dat  hi  Rome  al  np  verdoemt,  Sht.  I»,  76,  48.  Wij 
en  mogense  (dese  rechtvaerdicheit)  nimmermeer 
betalen  noch  alop  volbrengen,  Can.  Som.  VóSb. 
Si  slonghent  al  np  clene  ende  groet,  i^.  I*,  30, 39. 
ALORE  (aloere),  znw.  m.  Ofr.  aléoir  (Gachet, 
(Hou.  op  aléoiri).  Dnc.  alatoria,  alorium,  lat. 
tmbnlacmm.  Gang,  corridor.  ||  Van  een  hondert 
btrde,  die  ghebesicht  waren  ten  nienwen  alorenp 
tghiselhnns,  Invent.  v.  Brugge  1,  435.  Yan  enen 
tloere  te  enen  aysemente  te  gane  int  weghehnse, 
0id.  Int.  447. 

ALOÜT    (?).   In  de  R.  v.   Utr.1,  311,  11  leest 

Ben:  „Yoirt  en  sel  men  geen  gaerdatich  vleysch 

loch    gogen    noch   alouts  vleysch   int  vleyschnys 

vercopen."  Er  kan   in  het  Hs  alonte  staali,  maar 

dtt  maakt  het  woord  niet  dnidelijker.  Er  schgnt  een 

^er  bedoeld  te  zgn ,  doch  oorsprong  en  beteekenis 

▼u  het  woord   zijn   duister.    —   Als   mansnaam 

komt  Aloud  voor  Bek.  v.  Zeel.  1 ,  464  tweemaal,  e  e. 

ALOWIERB.  Zie  Aluwiere. 

ALOY  (Allot),  znw.  o.  Allooi,  de  Tnengingvan 

^^indere  metalen  met  goud  en  zilver.  Zie  Kil.  802 

«  OTcr  de  afleiding  Littré  1,  118;  Scheler  17.  i| 

Emb  penninck  van  gonde,  geheiten  enen  schilt, 

^e  bonden    sal   inden    aloye   vijftien  karaet  ende 

««  balff  fijns  gonts  op  die  toidse ,  O.  B.  v.  Dor  dr. 

2,  ^.  Zoo  nog  driemaal  ald. 

ALPE ,  (Alp)  ,  znw.  vr.  Kil. :  a  1  p  e ,  ala  tympani 
■oiae  aqnariae.  —  Yooral  in  de  nitdr.  Een  wiel 
▼*D  ilpen   of  een  alpwiel,  een  scheprad  aan 


een  watermolen,  \\  Yan  alpwiele  ende  van  banden, 
Bek.  V.  Zeel.  1 ,  146.  Yan  ere  asse  ende  alpwiele 
ende  dat  daer  toe  hort  te  timmeren,  147.  Yan  enen 
wiele  van  alpen ,  van  staerten  ende  van  allen 
dinghen,  die  ten  alpwiele  behoreden,  157. 

ALPHIJN.  Zie  Alfijn. 

ALRANDE,   voor  Alrehande.  Zie  bg  Hant. 

ALRANDESINS,  voor  Alrehandesins.  Zie 
bij  Hant. 

ALREDE  (alrEede),  bijw.  Thans  alreedt  en 
aireede,  ahreë.  MLoep  lY,  271;  ZFl.  Bijdr.  6, 
818;  enz. 

ALREERST  (alrerst,  alrierst),  bnw.  Samentr. 
uit  Alre-eerst,  thans  allereerst.  ||  Dalreerste  dach, 
Bijmb.  163;  enz.  —  Yerg.  het  volgende  art. 

ALREERST  (alrerst,  alrierst,  alreierst, 
ook  ALREERSTEN  enz.) ,  bijw.  Yerg.  het  vorige 
art.  Allereerst,  in  verschillende  gewijzigde  op- 
vattingen, als: 

1)  Allereerst,  het  eerst  van  allen;  de  oorspronke- 
lijke en  meest  gewone  zin.  ||  Men  diende  hem 
rijclic  alrerst,  want  hi  van  hem  allen  was  geherst. 
Flor.  1864.  Alreerst,  Bijmb.  14669,  26011.  Alre 
eerst,  19996.  Aireersten,  1634,  8306;  enz. 

2)  Foor  het  eerst,  eerst.  \\  Noweder  sider  no 
daer  voren  ne  qnam  Walewein  in  suiker  noot.  Nu 
alreerst  waendi  bliven  doot ,  iFal.  524.  Dan  alreerst 
so  moetet  belgen,  ende  gevet  een  vreselgc  Inut, 
Nat.  BI.  II,  920. 

3)  Berst,  eertijds,  vroeger;  gebezigd  bij  de 
herinnering  aan  iets,  dat  de  eerste  oorsprong  is 
van  hetgeen  later  is  geschied.  ||  Dat  hi  moeste  sgn 
vermaledijt,  doe  hi  alrerst  hare  moeder  vant, 
lïor.  1407.  In  groten  rouwen  ende  in  clage  om 
enen  Floris,  dien  si  minde,  daer  mense  alrerst 
omme  versinde  ende  vercoChte  in  vremden  lande, 
2279. — Yandaar  de  tantologische  uitdrukking:  — 
Sint  (dat)  .  .  alreerst,  sinds  .  .  het  eerst,  d.i. 
sedert,  van  den  tijd  af  dat.  ||  Sint  gise  alreerst 
saget,  so  dinct  mi  dat  gi  sijt  verhoget,  Flor. 
3067.  Sint  dat  sgs  alreierst  begonsten,  1790. 

4)  Ten  eersten,  aanstonds,  terstond.  \\  In  de 
flume  van  Joerdane  hine  leide  alrerst,  Z.  o.  iT.  958. 
—  Alreerst  dat,  terstond  dat,  zoo  haast  als, 
zoodra  als.  \\  Dat  hine  ant  lant  sette,  alrerst  dat 
hi  in  die  stat  van  Babylonien  mocht  comen.  Flor. 
1771.  —  Elders,  in  denzelfden  zin : —  Talreerst 
(=  dat  alreerst)  oftalre  eerst,  talre  eerste, 
en  talreersten  of  talre  eersten  (dat),  als: 

il  Talreerst  dat  die  tornoy  es  leden,  Parth.  4173. 
Talreerst  dat  hise  heeft  versien,  Bijmb.  17581. 
Talreerst  dat  si  inquamen,  31047.  Talre  eerst  dat 
was  dach,  31754  (verg.  2812,  20824).  Talre  eerste 
dat  soe  es  doot,  15438.  Taljeersten  dat  hi  was 
doot,  Sp.  III*,  48,  24.  Talre  eersten  dat  hire 
inquam,  III*,  9,  21;  enz. 

ALREHANDE.  Zie  bij  Hant. 

ALREHOOCHSTE ,  bnw.,  als  znw.  onz.  Dat 
alrehoochste,  het  hoogste,  de  top.  ||  Die  ree 
(ra),  daer  men  zeil  aen  slaet,  ende  boven  int 
alrehoechste  gaet  aen  den  mast  in  cruse  gewise, 
Aug.  Sceepk.  137. 

ALREIERST.  Zie  Alreerst. 

ALREINE.  Zie  Alrene. 

ALRECONNE ,  ALREKÜNNE.  Zie  by  Conne. 

ALRELEIDE.  Zie  bij  Leide. 

ALREMALC,  ALREMALLIJC.  Zie  Mallijc. 

ALREMEEST.  Zie  Meest. 

ALRENAEST  (alreneest),  bnw.  All^naast. 
Sp.  III»,  10,  35;   Wap.  Mart.  IIl,  243;  426;  enz. 

ALRENAEST  (alreneest),  bijw.  en  voorz.  met 


359 


ALRE. 


ALS. 


360 


den  Sden  ny.  AUenuuut,  in  denzelfden  sin  als  thanSf 
Rein.  I,  2585  e.  e.  —  Opmerkelgk  is  de  nitdmkking 
Alrenaest  sire  hunt,  vlai  op  het  bloote  lijf. 
Verg.  Naest.  ||  Ene  bare  droecn  hi  an  sine  lede 
ende  oec  aldernaest  siere  huut,  Yelth.  I,  32,  30. 
ALRENË  (alreene  ,  alreine  ;  in  de  hss.  veelal 
in  twee  woorden  geschreven),  bjjw.  Uit  Al  en 
Rene  (zie  ald.),  en  dus  eene  versterking  vanr<?^, 
mn,  d.  i.  prortut,  OTunino^  plane. 

1)  OeAeely  volkomen.  \\  Wat  dat  hi  van  ons  hout 
in  lene ,  in  dienste ,  dat  wjjt  hem  airene  in  gerechter 
erven  gaven,  Stoke  1,  723.  Si,  die  om  een  sien 
allene  al  haer  herte  geven  airene,  Ro9e  2175.  Dat 
si  alle  gepeyns  airene  mocht  verdriven,  Lutg.  Il, 
860.  Dyn  gont,  d^n  selver  algemene,  daer  dn 
Gode  omme  vergaets  airene,  Belg.  Mut.  2,  62, 
50.  Dat  gi  mi  dit  geeft  airene,  Lorr.  II,  4605. 
Doe  so  volget  nut  iSrene,  Sp.  IIP,  40,  50.  Dat 
si  doen  alreene  van  danen  der  martelaren  beene, 
II*,  28,  13.  Te  nemene  die  spise  airene,  IX,  758. 
Geslegen  .  .  bina  alreine,  Sp.  I«,  2,  46.  Tegaen 
alreene,  II*,  27,  50.  Alreine  verwinnen ,  Sp.  Dl.  1, 
bl.  9,  VS.  14;  Rijmb.  18400.  (Stat  ende  mnre,  die 
stede,  den  tempel)  vellen  alreine,  Sp.  I',  44,  28; 
Rijmb.  16935,  17176.  Alreine  den  vrede  breken; 
Sp.  Iir,  22,  13.  Mgn  kint  dat  geneset  alreene, 
Rdjmb.  22818.  Ontgoet  airene,  Stoke  I,  1208. 
Onteert  airene,  Wap.  Mart  1, 321.  Verdroogt  alreene, 
Rdjmb.  23360.  Vulmaect  airene,  31243;  em.  —  In 
het  r^m  vaak  slechts  een  bloote  versterking,  en 
niet  veel  meer  dan  een  stopwoord,  als  Rijmb. 
18364,  29572;  enz. 

2)  Al  te  tarnen  y  gezamenlijk.  ||  Doen  rumden  si 
tfelt  airene,  Velth.  IV,  37,  28.  Si  storven  op 
airene:  van  tien  bleeffer  cnme  ene,  Brab.  Y.  V, 
1297.  So  deed  hi  nter  kameren  gaen  tfolc  airene, 
CArist.  1437.  Dat  Lootrike  nu  heet  airene,  Stoke 
1 ,  288.  Dat  tnsscen  der  Elve  woent  enter  Seine , 
ende  van  den  berge  haer  neder  airene  toter  Nortzee 
algemene,  I,  641. 

ALRERST.  Zie  Alreerst. 

ALRESLACHTE.  Zie  bij  Slachte. 

ALRETIERE.  Zie  bn  Tiere. 

ALREWEGEN.  Zie  bij  Alleweoe. 

ALRIERST.  Zie  Alreerst. 

ALS,  znw.,  voor  hals,  F l.  Rijmkr.  2669]  Limb. 
VI,  1997;   Vad.  Mue.  5,  319;  enz. 

ALS  (alles),  bgw.  Got.  a/Zw,  oiwff,  Grimm,  Gr.  3, 
88^ ;  ohd.  en  mhd.  alles ,  omnino ;  ags.  eallet  (Ettm. 
22  K  Adverbiale  genitief  van  Al  als  zelfst.  vnw.  (zie 
ala.) ,  en  dns  in  beteekenis  overeenkomende  met  fr. 
du  totit.  De  oudste  en  oorspronkelijke  vorm  was 
allee ,  doch  de  meest  gewone  de  samentrekking  als. 

1)  In  ^t  geheel,  al  te  zamen,  geheel  en  al,  te 
eenenmale.  \\  Ende  regneerden  nemmeer  ginder  alles 
dan  XXII  jaer,  Sp.  I»,  47,  20.  Hine  verloes  ter 
selver  stont  alles  meer  dan  XX  man,  III*,  14,  54. 
Dat  hi  alles  verloren  ware,  Parth.  4001.  Alles 
enen  broeder  soe  hadde  hi ,  Belg.  Mus.  10 ,  77,  29. 
Alles  wasser  seven  ende  dertich,  D.  B.  II  Sam. 
23,  39.  —  Gewoonl^k  in  den  samengetrokken 
vorm  als.  ||  Want  si  ter  maeltyt  tharen  live  ne 
hadden  brode  als  maer  vive,  Sp.  III  ^,  29,  5.  Dat 
God  den  meinsche  ne  verboot  als  ware  (=  maar, 
slechts)  ééne  vrucht,  Wap.  Rog.  145.  Der  scepe 
hadden  wy  twewerf  tiene,  nu  en  hebben  wy  der 
mer  als  XIII  als ,  Trogen  f.  256*.  Dat  (rike)  hadde 
als  IX  coningen,  Sp.  I»,  24,  8.  Alse  (1.  als)  waer 
een  dach,  nonnisi  unus  dies,  V,  56,  70.  Dat  stont 
als  CCCC  jaer,  I*,  24,  41.  Ie  waenre  cume  M 
waren  als  van  der  Roemschcr  scaren,  P,  44,  13. 


HeidQnsche  paerde . .  waerre  als  CCXX^,  IT*,16.S. 
Ende  was  als  coninc  vier  jaer,  I*,  9,  40.  EIldeR^ 
neerde  als  twee  jaer,  Rijmb.  14536.  SeghereDierefiii- 
gaf  maectere  sint  toe  dat  proyeel,  ende  ili  m 
bataelge geel ,Sp.V,  14, 60.  (vgL  Trogen bl Sl.ils 
te  volgene  datti  riet,  Franc.  &90. ilsoeennlka 
nyemant  des  annemen  als  na  te  volgen,  ^edl Pm 
48  {d.  i.  Runsbr.  8,  115,  doch  in  de  uU^ntitu 
andere  lezing) ;  enz.  —  In  9k\s,  in  het gthel\ ii 
als  noch  in  deel»,  geheel  noch  gedeeUii^.l 
Nimmermeer  vervreemden  noch  verschejdea  iiii» 
noch  in  deels  van  der  . .  graeffellcheyt  vu  HoQtfL 
Handv.  v.  fTeesp  7b.  — Het  West- Vlaamüche  diikd 
bezigde  in  denzelfden  zin  ols  evenals  ol  im  i 
met  gelUken  overgang  van  «  tot  o,  als  in  ofm 
af.  II  Ols  31  «,  —  ols  869  ©.,  ZFl.  B^.i 
327.  —  Vaak  vergezeld  van  eene  ontkemii! 
als:  niet  als,  als  niet  (geen),  volitrHi 
niet  of  niets  (^een).  Verg.  goth  ni  —  tdUi,  ck 
nalles,  fr.  pas  du  tont.  \\  In  constn  niet  gese^ 
als ,  Beatr.  59.  Die  van  clercgien  als  niet  ea  & 
Sp.  II*,  33,  22.  Dat  als  geene  redene  ea^ 
11^,  22,  6.  Hi  sloech  hem  sinen  helm  in  sti^ 
ende  die  wapene  van  synen  lyve,  maer  ki  s 
quetsede  hem  als  niet  seere ,  Trogen  Vh.  S3J.  l 
(Lucifer)  smaecte  die  glorie  als  niet,  dser  hi « 
vannge  ute  sciet,  Lucid.  562.  —  Ook  ge'»^ 
door  een  telwoord  of  een  bijw.  van  tijd,  in  das 
van  m  V  geheel  maar,  maar,  slechts.  \\  Hierpf 
nnt  van  der  D,  ende  volget  als  eneinE,  3ïii^£ 

III,  1236.  In  F  esser  als  een  te  samen,  T,  ^ 
Daer  s^n  vrouwen  .  .  die  als  enewarf  kiiï^ 
dragen ,  1 ,  278.  Want  hi  als  eens  te  hare  fis^ 
Sp.  1%  25,  17. 

2^  Vooral  gewoon  was  Als  in  dezen  lin  Q  ^ 
veranbbelde  en  dns  versterkte  uitdrakkia;  - 
Als  ende  als,  in  de  volgende  gewjóg^f 
vattingen : 

a)  In  H  geheel,  aUes  te  zamen  genomen.  \\  ^ 
dan  ghy  sijt ,  als  ende  als ,  en  hinck  hodei  d 
aen  den  hals,  Trogen  f.  Q6c.  Dat  men  niet  en  stfT- 
als  ende  als  na  mine  jammerlike  doot:  Fki^ 
hi  hads  scande  groot,  Alex.  VIII,  622.  I^ 
waren  vele  meer  baroene  gevaen  dan  in  dien  ^ 
te  waren  als  ende  als  dier  Grieken  warea,  ^ 
454.  Welc  onser  heeft  meer  ongevals,  of  ^ 
joghet,  als  ende  als,  of  dijn  onder  (Fifl^ 
dine  oude)?  VIII,  725.  Dese  knape,  als»* 
als,  pijnde  hem  te  weerne,  ende  niementel,S^ 

IV,  1504. 

b)  Geheel  en  al,  te  eenen  male.  ||  EndesloBfb* 
achter  in  den  hals  met  eenen  swerde  als  eadf^ 
Sp.  \\  101,  53.  Dat  hy  hem  afsloech  alses^i^ 
thooft  van  den  buycke  herde  verre,  Örw^-  ^ 
3474.  Gi  sijt  die  havene  als  ende  als  sJnsTtn^ 
ende  syns  gevals,  Farth.  7612.  Dat  anders «« 
en  dede  dan  sine  goedertierenhede ,  sonder  ^ 
verdiente ,  als  ende  als ,  Lep.  1 ,  4 ,  53.  Ende  Tfff^ 
als  ende  als  haers  jammerlgcs  ongevals,  Wi^^ 
830.  Die  al  in  scalkheit  sijn  geboren,  alsei^^^ 
van  armen  geslechte ,  B.  War.  7 ,  378 ,  43.  —  Z»» 
Nat.  Bl.  II,  3643;  Sp.  111%  31,  84,  U*.  ^ 
100;  Barth.  1111',  Lanc.  II,  11293,  44065;f«^ 
1680,  3862;  Stoke  I,  245;  eng. 

c)  Volstrekt,  stellig.  \\  Ende  beval  hem  ali  ^ 
als,  dat  hi  die  lettren  niet  ne  sonde  bedes, J^ 
I,  2364.  Dits  te  lach  teren  als  ende  als,  ^»^^ 
XII,  901.  Ens  geen  noet  als  ende  als,  dat «^ 
den  sot  ane  den  hals  ene  belle  hange,  dat  vosti^ 
men   kenten   wel   aen  syn  gelaet,  Doet.  Ui  ^ 

(!)    Stellig,  ontwijfelbaar,  vooi'seJtei",  gewöi**^ 


Jöl 


ALS. 


ALSE. 


362 


restigingsformale.  ||  £s  si  van  rejnen  gedochte , 
li  Hal  slapende  als  ende  als  haren  man  nemen  om 
len  hals,  Nat,  BI.  XII,  828.  In  Dietsche  heetet 
lie  crevit  als  ende  als,  V,  252.  Alsoe  vindt  men 
ds  ende  als  int  lanc  lijf  vele  ongevals ,  Doet.  III, 
1439.  —  Zoo  ook  ald.  II,  3265;  Rei».  I,  3032; 
Hijmb.  18793;  29382;  Sp.  I^  100,  15;  I«,  4,  87; 
;il«,  36,  83;  Nat.  JBl.  II,  2115,  2799 ,  3418 ;  Hl, 
102  var.,  XII,  1393;  Lanc.  III,  1237;  Brab.  T. 
[II ,  80 ;  Velth.  VIII ,  11 ,  21 ;  «•*. 

Over  de   nitdr.   altte  in  den   zin   van   alte  zie 
>ij  AL  (h|jw.)  en  alste. 

ALS ,  voegw. ,  gelijkstaande  met  Al  als  voegw. , 
n  de  beteekenis  van  alhoewel^  oftehoa»^  hoêxeer. 
Sigenlgk  de  genitief  van  al  als  zelfst.  vnw.,  terwnl 
U  er  de  accns.  van  is.  Gelijk  alt  als  bgw.  ae 
»eteekenis  kreeg  van  geheel^  ontwikkelde  zich  bg 
iet  voegw.  aU  de  concessieve  beteekenis  van 
ofschoon ^  gelijk  mede  bij  al  plaats  had,  dat  met 
lU  afwisselt.  ||  Dat  ben  ie,  als  ben  ie  anders 
leen,  Sp.  11^,  9,  171  var.  {in  den  tekst:  al  ben 
c  els).  Als  es  dat  sake  dat  ggs  nien  sgt  nn  wel 
«  gemake,  Chriet.  813.  Beatrijs  was  te  doene 
^ereet ,  als  was  hare  haer  siecheit  leet ,  1715.  Dat 
lare  die  ingele  dienden  daer,  als  en  sachmense 
liet  oppenbaar,  1757.  Die  aeu  den  sundere  toent 
line  genade,  als  bekeert  hi  dicwQl  spade,  Lutg. 
lI,  734.  (Si)  moesten  met  har  wenen,  als  hadden 
li  herten  gehad  van  stenen,  in,  281.  —  Zoo  ook 
Ikritt.  838.  —  Meermalen  gevolgd  door  nochtan. 
II  Als  was  hi  innech,  .  .  hi  was  nochtan  herd 
}nde  wreed,  Lutg.  II,  185.  Als  was  dat  sake  — 
lochtan,  II,  454,  1805.  ~  Zoo  ook  Christ.  331 
ks.,  verg.  Bormans,  */.  124),  1018,  1089,  1301, 
[424;  enz.  —  Ook  zonder  het  ww.  zijn  komt  als 
roer  in  den  zin  van  al  ware  het.  \\  Waervan  dattet 
>c  sy,  als  van  enen  seer  cleynen  dinghe,  Gerl. 
?eter8  210. 

Aanm.  In  Edeto.  vindt  men  een  paar  malen  in 
tezen  zin  alsei  \\  Alse  waert  dat  hi  viant  ware, 
682.  Hi  nien  sonde  mogen  de  stat  ontsetten  metten 
inen ,  alse  wonde  hijs  hem  pinen ,  1800.  Alse  ware 
li  viant,  1826.  —  Doch  alse  is  hier  eene  font; 
rant  de  dichter  bedoelde  niet  het  gewone  voeg- 
woord als^  alse^  uit  a/#o,  maar  kennelQk  het  hier 
tedoelde  als,  zijnde  de  genitief  van  a/,  fr.  tout: 
f, fout  ennemi  quHl  était^''). 

ALS,  bijw.  en  voegw.,  voor  alse.  Zie  Alse. 

ALS  TE  BOVEN,  ALS  TE  VOREN.  Zie  Al 
nw.  II,  II,  2). 

ALSBERCH,  voor  halsbercii,  Lorr.  II,  321, 
L49;  FUmdr.  I,  816,  enz.  Zie  Halsberch. 

ALSAEN,  byw.  Zeer  spoedig,  aldra,  leeldra.   jj 
klijn  geest  sel  worden  gednnnet,  mine  dagesnllen 
:orten  ende  alsaen  is  mi  dair  boven  dat  graf,  Hs. 
?e.  178p. 

ALSDAN  (asdan),  bgw.  As  voor  a/s  komtmnl. 
neermalen  voor,  en  is  in  onze  tegenw.  spreektaal 
sven  gewoon  als  in  de  eng.  schrijftaal.  J)an,  in 
lat  geval,  in  onze  beteekenis.  jj  Alsdan  en  op 
lien  dach,  O.  R.  v.  Dordr.  2,  123.  Die  ghemeen 
lekens,  .  .  die  alsdan  daer  wesen  snllen,  ald. 
[>at  men  asdan  die  gheyne . .  antasten  ende  halden 
tal,  Nijh.  4,  134  {a.  1436).  Alsdan , a/t?.  250,  enz. 

ALSE  (als,  ook  as),  bijw.  Mnd.  alse^  als,  as. 
Verzwakte  vorm  van  Also ,  ons  alxoo ,  en  daarmede 
in  beteekenis  gelijkstaande.  Hoewel  de  eigenlijke 
Icracht  van  also  in  so  ligt ,  werd  door  het  verleggen 
ean  den  klemtoon  op  al  de  laatste  lettergreep 
toonloos  en  verzwakt  tot  een  stomme  e,  die  ook 
lUengs  wegviel.  Thans  is  als  alleen  nog  maar  als 


voegw.  in  gebrnik;  mnl.  ook  als  bijw.,  naast  het 
oorspronkelijke  Also,  Alse  is  de  ondste  en  meest 
gewone  mnl.  vorm;  later  werd  als  meer  algemeen. 
—  Men   verwarre  dit  als  niet  met  het  boven  be- 
handelde  bnw.   als,   dat   geene  samenstelling  is, 
maar  als  adverbiale  genitief  van  Al  is  afgeleid. 
Alzoo ,  zoo,  evenzoo,  evenzeer',  veelal  gevolgd  door 
alse  of  als,  als  voegw.,  by  vergeiy kingen,  jj  Alse 
lange  als   di   behouds  die  hitte  ende  wacheit  ge- 
tempert  in  di,  alse  lange  mogestn leven vri,i7W»i. 
1194.  Wine  hebben  onder  ons  genen  man  die  alse 
wel  josteren  can,  noch  die  alse  wel  werdich  si 
lant  te   hondene  alse  hi,    Lanc.  IV,    8037.    Elc 
visch   .  .   pleght  te  proien   .  .  alse  geme  op  sgn 
geslachte  als  op  andre.   Nat.  BI.  V,  11.  Appelen 
als  groet  als  mans  hovet,  VIII,  260.  udf/«^  ongelijc 
waren   si  van  liven  jegen  hem  .  .  als  jegen  ons 
een  crekel  es,  Rijmb.  5666.  Alse  verre  als  men 
met  enen  stene  werpen  mochte,  26040.  Alse  hoge 
te   makene   die   tinne  als   Sjon,   12051.  Niet  als 
Instech  als  Jan ,  30553  var.  Ende  hi  genas  eer  iet 
lanc  als  gesont  als  hi  was  eer,  Frane.  8272.  Maer 
met  hare  tvolc  gemene  riep  np  hem  als  wel  als 
twjf,  8620.  Als  ongemate  alsmen  seget,  Parth. 
5986.  Alse  mesdadech  niet  alsmen  hier  te  voren 
hiet,  Lorr.  I,  1953.  Dat  s^jn  vader  alse  vele  hadde 
als  de  mgn,  Lanc.  II,  17517.  Alse  goet  alsedese, 
III,  24148.  Alse  vele  alse  hi  wille,  Sp.  IV»,  14, 
16.  Als  vele  als  n  voegen,  Parth.  1138.  No  dat, 
no  geen  als  groot,   1319.  Dat  hi  mi  .  .  sonde  .  . 
verwerpen  alse  honde  ofte  noch  eer  dan  hi  hare 
dede,  7560.   Alse  willen  come,  Lsp.  III,  5,  36. 
Als  arm  —  als,  III,  6,  80.  Alse  wel  — als, III, 
12,  128;  Rijmb.  24576.  Als  wel  darme  als  de  rike, 
Lsp.  DL  3,  bl.  143,  var.  vs.  12.  Als  groet  als  dit 
erderike,  Rijmb.  220.  Alse  goeden  t^t  alse  enz,, 
11937.  Alse  goed  was  hi  alse  Joas,  18809.  Alse 
lange  als  leeMe  Joiadas,  13666.  Alse  lange  dat 
het  qname  te  jaregange,  Renout  1890.  SQn  ingel 
alse  sere  vervaert,  Sp.  Il*,  13,  22.  Alse  verre  als, 
Rijmb.  26040.  Alse  verre  als  recht  gedragen  mach, 
Heim.    647.    Als    vele  gevoelens,    zooveel  gevoel, 
Rnnsbr.  3,  90.  —  Ook  in  den  verbasterden  vorm 
as,  evenals  in   H  Eng.  en  in  onze  volksspraak, 
vooral  in   vele  oorkonden  by   Nijh.    ||    As  dncke 
alse,  II,  195,  263.  As  gneden.  II,  238,  263.  As 

Snaet,  II,  238.  As  vele,  II,  188;  enz.  —  Ook  in 
en  vorm  Asso,  met  assimilatie  der  /  aan  de  s, 
in  den  zin  van  voor  zooverre,  jj  Asso  veer  alsmen 
den  waker  niet  verwinnen  en  conde,  Stadsr.  v. 
Zwolle  71,  71.  —  Uit  deze  beteekenis  van  a/lr^,  als, 
zQn  te  verklaren  de  uitdrukkingen:  —  Alse 
goet.  Als  goet,  al  zoo  goed,  wel  zoo  goed; 
Alse  wel,  al  zoo  wel,  beide  in  de  versterkte  op- 
vatting van  ruim  zoo  goed,  ruim  zoo  wel,  en  dns 
Beter,  liever-,  en  Alse  lief,  ruim  zoo  lief, liever, 
II  Hem  hadde  geweest  alse  goet,  haddine  hem 
gegeven  niet,  Lanc,  III,  22546.  Ende  dat  men 
alse  wel  wreken  mochte,  Heim.  1496.  Als  lief 
haddic  in  die  helle  te  sine ,  Parth.  1845.  —  Noch 
alse.  Noch  als,  gevolgd  door  een  bnw.,  nog 
eens  zoo ,  dubbel  zoo ;  eene  uitdrukking  sterker  dan 
de  comparatief.  Verg.  by  Also  bijw.  ||  Beter  ende 
noch  als  goet,  Sp.  UI^,  51,  61.  Minder  ende  noch 
als  clene,  IV',  29,  50.  Dat  rechter  ware  ende 
noch  als  scone,  IV*,  11,  11.  —  Evenzeer  staat 
alse,  als,  voor  also,  gevolgd  door  een  conjunctief, 
b\j  verzekeringen  onder  aanroeping  van  God  of 
heilige  personen,  waar  men  thans  zoo  bezigt.  || 
Alse  helpe  mi  sente  Amant!  Renout  1147.  Alse 
helpe  mi  sente  Simoen!   1095.  Alse  geve  nu  Oo4 


3()3 


ALSE. 


ALSK. 


n 


pardoen!  1071.  Alse  behoadc  mi  God  in  eren! 
1151.  Vrouwe,  seiti,  als  helpe  mi  God!  Parth. 
1106.  —  Gevolgd  door  dat^  in  de  uitdrukking 
Alse  dat,  als  dat,  Toor  also  dat,  zoodat. 
II  Dat  si  alle  gereet  waren,  alie  dat  si  met  hem 
mochten  varen,  Lanc.  II,  40435.  Dat  si  rolleden 
harentare,  aU  dat  si  van  groten  vare  in  die  huse 
weken  tien  stonden,  Rijmb.  29767.  Leerende  tfolc 
met  grooter  minnen,  aU  dat  die  kerstindom  ontfingen 
begeerden  voor  alle  dingen  sjjn  geselscip,  Amand 
I,  3039. 

ALSE  (als,  ook  as),  voegwoord.  Verg.  Alse 
als  bijwoord,  in  het  vorige  art.  In  dezelfde  be- 
teekenis  van  ahoOy  doch  als  conjunctie  opgevat, 
in  geiyke  toepassing  als  gr.  wg^  lat.  t</,  fr.  coming, 

1)  AU^  zooaüj  gelijk'^  in  de  hedendaagsche  be- 
teekenis  van  a/>,  die  oudtyds  even  gewoon  was. 
Ook  in  den  vorm  As,  gelijk  nog  in  de  volksspraak 
en  in  *t  Eng.  ||  Claer  as  die  dach,  Alex.  Y ,  33H 
(Hs.).  As  een  vogel,  Flandr.  I,  151.  —  Opmerking 
verdienen  de  volgende  spreekwijzen : 

a)Alse,  als,  gevolgd  door  het  lidw.  die  met 
een  bnw.  als  znw.  gebruikt,  als  omschryvende 
adverbiale  uitdrukking.  Zoo  b.  v.  aUe  die  iciae  ^ 
waarby  volstrekt  niet  meer  aan  eene  vergelijking 
wordt  gedacht,  geljjk  thans  het  geval  zoude  zijn; 
maar  blootelijk  gelijkstaande  met  het  bgw.  wiselike^ 
dat  uit  unjs  en  (pe)Hjc  gevormd  is  en  dus  in  den 
grond  op  hetzelfde  uitkomt.  ||  Alse  (als)  die  wise , 
Rijmb.  24058;  Sp,  IV»,  24,  23,  II»,  3,  87; />/).  I, 
42,  97;  Eleff.  92.  Alse  (als)  die  (de)  vroede,  IFal. 
2368,  9955;  Lsp.  I,  24,  63;  Stoke  111,378;  Vad, 
Mm.  4,  147,  69.  Alse  die  sotte,  Lorr.  II,  2657. 
Alse  de  dore,  Sp.  I*,  46,  49.  Als  de  domme, 
Christ.  1892.  Alse  die  coene,  ^A?x.  111, 245;  IX,  190; 
Lsp.  II,  61,  38;  SegA.  6027.  Als  die  boude,  Rein. 
I,  1260;  II,  6506;  Rijmb.  9740,  7520;  Stoke  III, 
874;  Grimb.  II,  3803.  Als  donvervaerde ,  Rein.  I, 
1758;  Grimb.  I,  1084,  3693.  Als  die  (de)  blode, 
Lsp.  II,  61,  38;  Sp.  I»,  45,  29;  II»,  3,  97; 
Stoke  I,  151.  Alse  die  vrie,  i^.  111',  43,  83 
(vs.  103:  vrilike).  Alse  die  fiere,  I',  48,  11.  Alse 
aie  rasse,  IV*,  45,  112.  Als  die  vervaerde,  IV», 
28,  47.  Alse  die  keytive,  III*,  4,  41.  Alsdonwerde 
{hetzelfde  aU  onwerdelike),  met  minachting  ^  Belg. 
Mus.  3,  111,  128.  —  In  bijna  gelijke  opvatting 
wordt  alse,  als,  ook  gebezigd  met  het  niet 
bepalend  lidw.,  gevolgd  door  een  znw.,  vooraf- 
gegaan door  een  bnw. ,  of  wel  zonder  lidw. ,  waarbij 
echter  eenigermate  het  denkbeeld  der  vergelijking 
op  den  voorgrond  treedt.  ||  Die  broeder  seide  als 
een  goet  man,  Bloeml.  3,  24,  43.  Paulus  seidem, 
niet  alse  sot,  ^.  I",  21 ,  21.  —  In  dezen  zin 
wordt  a  1  s  e ,  al  s ,  ook  gebezigd  met  eene  omschr^  ving 
in  den  vorm  van  een  afhankelijken  bijzin,  jj  Als 
een  die  es  verloren,  Parth.  2422.  Alse  een  die 
wanet  bederven,  8202.  Alse  de  gene  die  gelike 
van  slape  doet,  8290.  Als  een  die  geme  wonne 
tswaert.  Wal.  2847.  Als  die  gone  die  niet  ne 
spaert  {volkomen  hetzelfde  als  sonder  sparen),  211. 
Enten  adem  (haddic)  alse  een  die  vliet  ute  minen 
live,  Sp.  III*,  36,  47.  Alse  die  gene  die  was  met 
vare.   Vod.  Mus.  2,  157,  18;  enz. 

b)  Alse,  als,  gevolgd  door  het  betrekk.  vnw. 
die  met  een  praedicaat,  in  verklarende  of  reden- 
gevende bijzinnen.  Lat.  utpote  qui.  jj  Dat  die 
Fransoyse  moesten  keren,  als  die  duchten  dat 
verseren  van  den  schieten  van  den  lode,  Wittek. 
V.  Sass.  97.  So  lachi  lange  .  .  stille,  alse  die 
hadde  sinen  onwille,  Lorr.  II,  1781.  Sech  mi,  alse 
diet  gerue  hoert,    Wap.  Mart.   I,  596.  Vro,  alse 


die  hoepten  sere,  Sp,  I^,  50,  15.  Hi  venUsi 
alse  die  wonde  leeren  snlke  dinc,  111*,  14,  £ 
Doe  sweech  hi  alse  die  droeve  was,  lII»,  27.0 
Aldaer  hebben  si  hem  gedaen  als  dierecktdi^ 
heeft  ontfaen,  II*,  36,  39.  Den  levendea  ^irs 
die  lede ,  als  die  waenden  saen  die  onnlege  k 
ontfaen,  II»,  10,  76.  Die  broeder  es  die  lot » 
rust,  als  die  ydelre  dneget  lust,  iV«tf .  XU 
Doen  dor  hem  als  die  sgns  rockte,  3^.£iè 
versamende  groot  heer ,  alse  de  wilde  ende  yè 
geer  te  wrekene  sine  grote  scade,  Stoke  IQ,  1h 
Nu  was  Lodew^c  tUtrecht  comen ,  ab  de  fio^ 
hebben  genomen  van  Hollant  de  mogentkede,  Dl 
545.  De  Vlaminge  .  .  sfjn  op  tlant  getmt,  ü 
diere  niet  op  hadden  gemect,  III,  1098.  Xü» 
Hollant  een  deel  siene,  alse  de  voort  treckaits 
genende,  111,  1106.  lek  ben  nu  alse  dieiieife 
na  vrage.  Mar.  v.  Nijm.  6,  123;  en:. 

c)  Alse,  als,  gevolgd  door  te  met  een  vds^ 
ter  aanduiding  van  het  doel  of  de  strekkiof «« 
handeling.  Alse  te  staet  dan  gelijk  metoi»« 
te  of  ten  einde  te.  jj  Agulant  bereit  sinenöti» 
te  comene  harewaert,  Lorr.  V,  299.  Niet  «■ 
hi  comen  uut  als  hier  te  halene  enebmnt,?!!^ 
3731.  Dus  gereden  si  hem  in  beden  siden..» 
te  stridene  gemeenlike,  Remmt  1752. Akte nni 
met  Renoude,  1393.  Doe  trac  hi  te  Somb  vtf'>. 
alse  dat  te  winne  metter  vaert,  ^.  1%50.  t: 
Ende  Bondene  trac  hem  de  stat  ane,alsesii 
broeder  up  te  gevene,  IV',  11,  62.  Ter  ^ 
gerede  hi  hem  echt,  so  hi  best  mochte,  aL<9 
tontfane ,  Franc.  5884.  Die  mensche  ttl  ts^ 
slapen  gaen,  als  te  sterven  sonder  opstiet,  i^ 
111,  1435.  Sijn  volc  viel  daer  omtrent  hes > 
te  stervene  met  haren  here,  Brai.  F.  y,36 
DAvonture  heeft  dit  begonnen ,  alse  n  te  vi0 
aue  die  galge.  Rosé  6176.  Si  alle  gereet  b^ 
alse  smorgens  te  bestormen  de  stad,  UmI" 
1374.  —  Zoo  ook  Rijmb.  26063,  28918, 2«^ 
32566;  Sp.  III*,  3,  49;  III»,  60,  31;  IT'? 
48;  53,  45;  IP,  9,  13;  48,  64;  11»,  41* 
II',  16,  45;  Franc.  5799,  8599,  9592;Stoke!r 
1071;  Doet.  I,  134;  Grimb.  I,  3976,  4012 J 
73,  729;  Lsp.  II,  58,  78;  IV»,  16,  78:  f* 
3938;  Melib.  1966,  4066;  fTrake  III,  264;  J^ 
257;  Velth.  I,  25,  14,  19;  JSdew.  333  ;JW^* 
1,  28,  75;  Merl.  31572;  enz, 

d)  De  uitdrukking:  Alse   hi   dede, 
deed^    als    bijzin   aan  het  slot  van  een 
toegevoegd,    in    de   gewgzigde   opvatting:  ff* 
deed   hij    ook   inderdaad ;  Lat.  ut  of  qnod  ei  f^ 

II  Ui  sal  in  sente  Remijs  dage  Vranchke  ^ 
sonder  sage ,  alse  hi  dede :  hi  quam  int  lant,  S^^' 
24,  47.  Maer  onse  Here  wilde  wreken  die  mw<* 
den  quaden  here  up  tRoemsche  rike ,  alsi  ieiif^ 
111»,  30,  36.  Ende  datsise  weder  woud roepo^ 
mede  te  penitencien,  als  si  dede^  Ckrist.  710:^' 
1001.  Dat  si  te  Toreos  tenten  souden  gia»** 
oec daden ^  metter joncvrouwen,  !ror«3406.— ï^ 
zoo  het  ontkennende:  Als  hi  oec  en  dede.' 
dat  deed  hij  ook  niet,  Christ.  1744.  —  Op  f# 
wijze:  Ende  gelden  dat  ie  hebbe  geborcht,«&' 
noch  sal,  in  weet  niet  hoe,   Fad.  J'Sm.  1,345.* 

e)  Alse,  als,  aan  het  hoofd  van  een  liü^ 
dat  de  verklaring  of  nadere  bepaling  van  hetv^ 
inhoudt,  en  dus  zooveel  als  namelijk,  te  t^ 
somtijds  ook  nagenoeg  expletief  gebruikt  |)  I^' 
van  wondre  vant  ende  weet,  tUs  van  mensche 
figuren ,  Nat.  BI.  1 ,  486.  Dat  hine  riede  gs* 
weldaet,  maer  zonde  ende  groot  quset,  i^ ' 
nemene   vreimden   scat,    Franc    3607.   End*  ^ 


365 


ALSE. 


ALSE. 


366 


acaldegede   hare  mede,  alsê  van  haerre  roekeloes- 
liede,   S^,  V,  68,  51.  Hier  end  dystorie  altemale 
van    den   Spiegle  Tstorialei  alsff  yan  der  eerster 
paertie,  I*,  31,  17.  Des  qnam  hi  talsulken  lone, 
a^e  ter  maertelaren  crone,  III*,  69,  91.  Die  neye 
gereeddem  mettien  alse  jegen  den  oem  ter  were, 
IV',  52,  74.  Ende  wart  aves  geset  np  een  paert, 
aUe  dat  anschgn  achterwaert,  IV*,  33,  37.Henric 
gereden  te  Hairlem  .  .  ahe  om  dat  dadinge,  Bêt. 
d.    Oraf,   2,   407.  Henric  gereden  te  Hairlem  .  . 
aUê  om  die  wine  van  sente  Jobans ,  ald,  Aichte  Cox 
gegeven  alse  van  mQns  herens  sgraven  cost . .  2  se.  8 
d.,  ald,  Alairt  gesent  te  Zwieten,  aüe  om  heren  Dieric 
van  Zwieten,  alte  om  heren  Dieric  van  Zwieten  te 
panden,  alte  van  gelde  dat  hi  minen here scnldich 
es ,  ald.  Dat  hi  coft  tiegen  den  here  van  Moerse . . 
ahe  hondert  twintich  pont ,  Nijh.  1 ,  35ö.  —  Zoo 
ook   Franc,   4893;   Velth.   V,   6,   3ö;  Melib,  649; 
Grimb,  I,  2626;  Praet  616;  D,Cat   369;   et%z.   — 
Later  vindt  men  de  woorden  te  weten  als  pleonas- 
tisch  verbonden.  ||   Hoe  droeve  dat  men  daer  af 
s^n   sal,   te  weten  als   vander  doot,  JBoeck  v.  d, 
L,  Jhesu  10%c.  —  Zoo  goed  als  expletief  staat  a/^^ 
b.  V.  II  Dien  hi  .  .  scnldich  vant  aUe  in  den  raet, 
^p,    III*,   90,    60.    Sendere   alse   van  siere  side, 
IV*)  14,  16.  £lc  brachte  na  sinen  state  offerande 
als  om  sine  bate,  II*,  3,  72.  Die  Felix  . .  als  in 
ellenden  wesen  daet,  II*,   10,  39.  —  Ook  in  de 
uitdrukkingen  Alse  van  en  Alse  te  die  de  be- 
tuekenis   hebben   van   wat  betreft^   wat  aangaat^ 
met  betrekking  tot  \\  Die  te  deser  werelt  plien  te  gane 
onzeker  als  van  haren  live,  Praet  419.  Dat  hem  de  rg m 
benemet  tgroeyen  als  va»  der  vmcht  al  sine  dracht , 
707.  Uwe  begeerte  als  van  dien ,  lief  kint,  die  sal  u 
wel    geselen,    Blisc.    v,   M,   1789.    Tuwer   beden 
souden  wi  ons  vnegen  als  van  dien,   1261.  Van 
rechter  geborten,  alse  van  der  moeder,  dan  des 
vader,  1^,  I*,  48,  20.  Dat  die  miere  es  die  naer- 
riekenste  heeste  die  sii  in  die  weerelt,  aU  van 
hare  cleenhede,  lAvre  d.  Mest.  42.  Invrilkerzoene 
ons   .  .  onse  lieve  neve   .  .   wel  ende  al  voldaen 
heeft  alze  van  doden,  van  gewonden  ende  van  alre 
broke ,  V.   d.  Wall  222.  Ende  is  een  rnck  lant , 
als  van  den  goede,  dat  bi  der  zee  ende  bi  den 
rivieren  raer  is,  Matth.  Jnal.  3,  10.  'Ende  als  van 
der  stadt  van  Mechelen  daer  af  en  wilde  coninc 
Philippus  sijn  seggen  noch  niet  nutspreken,  JS^c. 
Cron.    1'ólb.   Nu    als   te  desen  wille  ons  de  Here 
verlenen  spoet,  Blise.  v.  M.  1886.  —  Evenzoo  in 
de    uitdrukking    Alse    hoe,    die    in    beteekenis 
nauwelijks  verschilt  van  het  enkele  hoe.  Verg  by 
/".    II  In   sie   niet  aise  hoe  dat  dit  mach  sQn  in 
eneger  manire,   Lanc.   III,   4078.   Ënde  vraegde 
waeromme   ende   alse   hoe  dattie  brief  daer  lage 
alsoe,   Sp.  IV',   60,   59.   Nu  secht  my  alse  hoe, 
3ferl.  24333.  Nu  hoert,  ie  seggu  alse   hoe,  Doet. 
II,  3474.  Ende  telde  sinen  vader  alse  hoe,  Velth. 
]I,  27,  36.  —  Zoo  mede  in  de  vereenigde  uit- 
drukkingen Alse  hoe  ende  wat  en  Alse  wat 
ende   hoeveel.    ||   Jlse   hoe   ende  wat  si   daer 
mede   gedaen    hebben,    Nyh.    1,    340.    Dat  onse 
testamentore   .  .  alle  jaer  ene  warf  rekenen   .  ., 
als  wat  ende  hoeoele  si  van  onsen  renten  opgebort 
hebben,   346. —  Mede  expletief  in  de  uitdrukking 
Alse  dat,  geheel  overeenkomende  met  het  een- 
voudige dat,  in  de  spreektaal  nog  heden  in  gebruik.  || 
Twelc  een  uutnemende  grote  gracie  was,  als  dat  dye 
heylige  maget  so  veel  secreten,  den  gemeyuen  men- 
Hche  verborgen ,  geweten  conde ,  Exc,  Cron.  34a.  Als 
dat  hi  int  lant  van  Brabant  was,  336.  Hebben  .  . 
geloeft . .  as  dat . ,  den  lande  van  Gelren  . .  nummer- 


meer scade  geschyen  en  sal,  Nijh.  2,  90.  Doe  dat  sün 
wapendragher  sach,  als  dat  Saul  doot  was,  B,  B, 
I  Chron,  10,  6.  Ie  moet  ymmer  van  tween  een 
hebben,  als  dat  ie  ewelic  verdoemt  sal  wesen  of 
ewelic  behouden,  Bevoet  B.  (36)  39r. 

/)  In  verband  met  het  onder  é)  vermelde  exple- 
tieve gebruik  van  alse,  als  staat  de  uitdrukking 
Alse    nu.    Als    nu,    nagenoeg   gelgk   met   het 
enkele  n  u ,  evenals  thans  nog  alsnu  voor  nu ,  alsdan, 
alstoen  en  alsnog  voor  dan,  toen  en  nog  gebezigd 
worden.  ||  De  {ds  nu  met  sinen  z warde  Üant  van 
Wales  heeft  ondergedaen,  Stoke  II,  1330.  Alse  nu 
was  daer  perlement,  Limb.  VIII,  780.  Tes  goet 
te  zlene,  dat  gj  alsnu  daertoe  gestelt  zijt,  Ned. 
Kluchtsp.  97,   133;   enz.  —  Vooral  gewoon  was 
deze  vorm  in  de  herhaling  alse  nu  —  alse  nu, 
voor   hetgeen  thans  nu  —  nu,  ot  nu  eens  —  dan 
eens  heet.  ||  Jls  nu  sprongen  si  van  weedome,  als  m* 
crompen  si  te  gader  zome,  JUjmb.  28969.  Jlse  nu 
verwinnen,  alse  nu  verliesen,  alse  nu  welvaren, 
alse  nu  riesen,  alse  nu  qualec,  alse  nu  wel,  Alex, 
V,  696.   Jlse  nu  was   hi  hier,  alse  ni»  daer,  .  . 
alse  nu  was  hi  met  enen  here,  alse  nu  setti  hem 
ten  kere,  Velth.  VI,   16,  29—32.  Jlse  nu  bleec 
ende  alse  nu  roet  seldi  wesen,  Rosé  2240.  Als  nu 
volgen,    als    nu    vlien,    Bose    fr.    bl.  246,   VI. 
Alse   nu  hier  ende  alse  nu  daer,  Bdew.  26.  Alse 
nu   blsscoppen,    alse   nu  graven,    336.   Alse    nu 
steeden,  alse  nu  saten,  743.  Alse  nu  loepen,  alse 
nu  staen,   OFl.   Ged.  2,  61,   57.    Als  nu  bestu 
lelie ,  als  nu  bestu  scone ,  Belg.  Mus.  1 ,  338 ,  419. 
Alse  nu  langes,  alse  nu  dwers,  Boerden  IX,  93. 
Alse  nu  den  troest,  alse  nu  de  wonde  gevet  de 
minne,   Hadew.   I,   14,   37.   Alse  nu  coemt  die 
giericheit,   alse   nu   coemt  die  vermetelheit,  .  . 
alse  nu  coemt  die  hoverdie.   Stemmen  36.  Als  nu 
willen  wy  in  een  cloester  gaen,  als  nu  willen  wy 
alleen  Troenen ;  als  nu  willen  wy  ons  aldus  oefenen , 
als  nu  anders;  als  nu  willen  wy  den  enen  biechten, 
als  nu  den  anderen,   Bmgm.  1,  272  {Bevoet  B. 
(30)  62r).  Dat  hi  als  nu  spreect  van  den  rgc  van 
Juda,  ende  als  nu  van  den  rijc  van  Israhel ,  D.  ^. 
Jes.  Frol.  Verg.  ook  Bose  10360  vlgg.,  Jlex.  VI, 
219 — 226;   em.   Alse   nu  deene,  als   dander  nu, 
Grimb.  I,  2742  var.  —  Somtgds  wordt  alse  nu 
alleen  door  nu  gevolgd.  ||  Jlse  nti  vacht  hi  metten 
gescotte,  nu  metter  ax,  gelgk  den  Scotte,  Jlex. 
III ,   177.   Jlse  nu  appele ,  nu  colen ,  nu  -  peren , 
Vrouw.  Eeim.  1121.   Jlse  nu  roet,   nu  blau,  nu 
grone,  Velth.  UI,  23,  73.  —  Ook  gaat  nu  vooraf, 
en  wordt  door  alse  nu  gevolgd,   jj  Nu  hem  io 
meester,  alse  nu  scolier,  Bose  10493.  Nu  bem  ie 
abt,    alse  nu  abdesse,   10617.  —   Ook  waar  het 
eerste  der  beide  gevallen  op  eene  andere  wQze  is 
uitgedrukt,  kan  in  het  tweede  alse  nu  volgen, 
dat  dan  zooveel  is  als  dan  weder.  \\  Alse  hem  pine 
aneginc,  slouch  hem  de  puls  sere,  ende  alse  nu 
sette  hi  hem   ten  kere,  Sp.  I*,  18,  30.  Si  doet 
wenen  den  minnare,  alse  nu  so  doet  sine  singens 
garen,  Bose  2136.  —  In  plaats  van  de  herhaalde 
uitdrukking  Alse  nu  —  alse  nu  wordt  Alse 
nu  ook  gevolgd  door  eene  andere  bepaling,  als 
so    nu,    daema,  morgen,    in    de    uitdrukkingen: 
Alse    nu   —   so,  Alse  nu  —  daerna,  Alse 
nu  — morgen,  enz.  ||  Glorifier  sgn ors  vloech a2f 
nu  hier,  soe  nu  daer,  Segh.  7724  var.  Jlse  nu  so 
sal  u  suetheit  die  minne  tonen,    daema  arbeit, 
Bose  2236.  Jlse  nu  willen  si  dicke  ten  Sacramente 
gaen,    ende  daer  na   in  corten  tiden  achten  sQs 
luttel,    Buusbr.    6,    97.   Jlse  nu  kiesen  si  ene 
wisCf  alse  morgen  ene  andere;  ende  alse  in  des^a 


307 


ALSE. 


ALSE. 


368 


tide  willen  si  gwiren,  enen  anderen  tyt  willen 
si  spreken,  97;  Ntd,  Proza  35.  AUe  nu  wolden 
si  di  vanden  berghe  scnppen  .  .  aUe  éUm  wolden 
si  di  stenen  f  alse  op  een  ander  üjt  senden  si  hoer 
dienres  nut  di  te  vanghen,  Bmgm.  2,  343. 

g)  Alse  wordt  mede  expletief  gebmikt  by 
sommige  bepalingen,  inEonderheid  van  tgd.  i|  -Te 
hemele  waert  in  grote  mesbaren  helden  si  tanscijn 
aU  metfien,  d.  i.  terzelfder  tijd^  Franc.  984.  Dat 
hi  alt  in  allen  stonden  tvleesch  met  vastene  hadde 
gebonden,  4898.  Aü  heden  raet  hi  wel  daer  toe; 
ende  eer  dan  cornet  morgen  vroe  es  hi  andersins 
bedacht,  Stoke  YIII,  905.  AU  huiden  over  14 
dagen,  O.  ü.  v.  Dordr,  2,  329  (tweemaal).  Die 
coninck  . .  eysschede  borghen , . .  dat  si  aU  morghen 
beyde  ten  cride  sonden  comen,  Proxa-Rein.  94r. 
Wi  sceiden  van  n  nu  ale  in  desen^  d.  i.  hiermede^ 
Bliee.  v.  M.  1815. 

2)  AU,  toen,  b]j  tydsbepalingen ;  in  de  heden- 
daagsche  beteekenis,  doch  met  dit  onderscheid, 
dat  aUe,  aU,  niet  alleen  een  geval  in  H  algemeen 
stelde  of  de  t|idsaandnidingg^fvaneene^^i-ollM^tf 
handeling,  maar  —  gel\jk  nog  in  't  Hoogd.  — 
evenzeer  den  tyd  aanwees  van  eene  verledene 
handeling  en  ook  van  een  tegenwoordige  handeling 
of  toestand  en  dns  aan  ons  aU,  toen,  en  nu  be- 
antwoordt, il  Alse  hi  vernam,  Parth.  7760.  Alse 
hi  bliscap  sonde  togen,  8138.  Als  die  sonne  op 
was  gegaan,  1154.  Ende  sprac  in  erren  worde, 
alse  hi  geen  feeste  horde,  Sp.  P,  50,  37.  Sident, 
alst  cam  te  mans  staet,  hevet  Fransoisen  abüt 
ontfaen,  Franc,  9712.  Als  hi  qnam,  Stoke  III, 
1141.  Als  heer  Kaerle  dat  gesach,  III,  1418.  Als 
men  screef  ons  Heren  jaer  enz.,  III,  1165.  Nu, 
alse  ie  ont  bem ,  peinsic  al ,  hoe  dat  ie  wel  sterven 
sal,  Sp.  I»,  68,  43;  enz. 

3)  AU,  by  vergeiy  kingen,  sooals  nog  heden.  Hierby 
valt  op  te  merken,  dat  indien  op  dit  voegw.  een 
zin  met  óUit  volgt,  men  de  nitdr.  aU  dat  kan  ge- 
bmiken,  b.  v.  Mor.  1643,  öf  aU  weglaten,  b.  v. 
Mor.  1607,  bï  dat  weglaten,  b.  v.  Jfor.  2009,  het- 
geen o.   a.   ook   na  dan  geschiedt.   Ygl.  by  dan. 

4)  AUof,  nog  heden  gebmikeiyke  opvatting ,  doch 
in  den  regel  met  dit  verschil  in  de  woordvoeging ,  dat 
thans  onmiddeliyk  achter  aU  het  ww.  en  in  't  mnl.  in 
den  regel  eerst  het  ondw.  volgt  (b.  v.  thans :  aU  ware 
hij ,  mnl.  aU  hi  ware).  Alleen  in  ons  aU  het  ware  is  de 
oude  constructie  bewaard  gebleven.  Verg.  by  Al  als 
voegw.  3).  II  Moriaen  was  in  scine,  aU  hi  uter 
helle  ware  comen,  Lanc.  II,  44964.  Si  weenden 
ende  hadden  rouwe  also  groet,  aU  hi  vor  hem 
lage  doet,  Flor.  1588.  Maer  si  voer  in  diere 
maniere,  aU  si  verwonnen  ware  sciere,  Theoph, 
1819.  Te  hant  horde  men  in  die  lucht  een  luut 
met  wel  groter  vrucht ,  alst  leuwen  waren ,  wulven, 
beren,  Sp.  lY',  13,  75.  Soe  hilt  alst  haer  kint 
ware,  I^,  65,  108.  Syn  graf  in  diere  gebare  binnen, 
alst  verbemet  ware,  III",  65,  73.  Ende  dede 
cleden  alst  een  leec  man  ware,  lY',  69,  18. 
Gegerwet  als  hi  gewapynt  ware,  lY*,  77,  29. 
Geanscynt  alst  een  mensche  ware,  lY*,  29,  16. 
Si  traken  tere  scaren,  alst  alle  gebroedre  waren, 
Mijmb.  31631.  (Poorten)  alst  moneke  cloester  ware, 
11620.  Die  lantsheere  es  alst  een  herde  ware, 
Heim.  1514.  Hi  sliep  alset  ware  een  swyn,  AUx, 
lY ,  1033.  Wart  hi  .  .  als  hi  in  den  geest  dronken 
ware ,  Franc.  4795.  De  pile  vlogen  alst  waer  snee , 
Stoke  IX,  988.  Yerchiert  alset  bloemen  waren, 
Melib.  1212.  Gi  .  .  mochter  over  gebieden  wale, 
alst  uwe  ware  al  tenen  male.  Rosé  fr.  bl.  255, 
110.     Alse    hi    ware   God,    Sp.   I«,    10,  20.  — 


In  dezen  zin  komt  ook  o/aU  voor.  ||  Sine  nifak.. 
dochten  hem  also  sere  scaden ,  of  aUi  ae  btin 
ffewont,  ^.  I  * ,  53 ,  37.  (AUe  of,  ^.  1- ,  70 ,  62  nl  wl 
font  znn :  of  zal  daar  wel  moeten  worden  gescknpti 

—  Ook  versterkt  door  de  bg  voeging  vaa  gel|c« 
recht  en  rechts,  di.i.juist.  \\  Recht  alse  (=dbne, 
aUof  gij)  van  ere  vrouwen,  die  verdrogetwig,?» 
geboren,  Sp.  I*,  29,  30.  Steene  so  groot.  .  ^ 
als  het  berge  waren ,  Bijmb.  16674.  Gelgc  ik 
maer  een  man  ware,  8812.  6«iyc  alst  (nr.: 
gheiyc  off)  houdens  hadde  te  doene,  11% 
Gelgc  alst  waren  vierstene.  Franc.  4837.  Gcl|<iij 
(/.  alst)  staerke  senewen  waren ,  7783.  Eene  stow 
hordi  in  den  trone,  alst  ware  recht  een  lied^ 
scone,  Sp.  V,  68,  29.  Rechts  alst  eene  blo» 
ware,  lY»,  33,  15.  Een  tekyn  quam  hem  d«rte 
steden,  .  .  alset  rechts  een  root  draet  wire,  IT» 
8,  61  {verg.  III»,  80,  81).  Recht  als  hi  lo  b 
no  mee  gebieden  mochte  wint  ende  zee,  frac 
9195.   Recht  als  hem  God  leerde  de  zaken,  4K9 

—  Dezelfde  kracht  heeft  Alse,  als  ellijitisè 
uitdrukking  gebezigd ,  om  aan  te  dniden,  watieaaJ 
by  het  verrichten  eener  handeling  by  ziek  i^ 
denkt  of  door  die  handeling  wil  te  kennen  ^m 
De  gewone  uitdrukking  was  AUe  quantifi  m 
QuANSiJS),  doch  men  vindt  ook  AUe  of  JUtü^ 
gebezigd.  ||  Eer  hi  began  enige  tale,  maedrk 
een  gelaet  so  fier,  ende  sach  daer  ende  hier> 
„wie  wat  wil,  die  come  haer!"  Bein.  II,  4290. 

Aanm.  1)  —  De  woorden  uit  den  2>.  B.  Exi 
28 ,  2 :  ,fAU  du  een  mensche  sgtste  ende  w^ 
God,"  zyn  een  onhandige  vertaling  van  ^rwff 
homo"  uit  de  Yulg. ,  en  geven  geen  recht  cm  i 
besluiten,  dat  aU  ook  ads  redengevend  Toegf 
werd  gebruikt,  in  den  zin  van  ^oor  oï dewijl.^ 
beteekenis,  die  het  woord  elders  nergens  beeft 

Aanm.  2)  —  Over  AUe  onjuist  gebruikt  tw 
AU,  in  den  zin  van  al,  alhoewel,  zie  de  im^ 
by  Als,  voegw. 

Aanm.  3)  —  Het  gebruik  van  «/*  na  een  c« 
paratief,  voor  dan,  dat  in  de  tweede  helft  der  16^ 
eeuw  in  zwang  kwam  en  nog  in  onze  spreeba 
gewoon  is,  was  mnl.  nog  onbekend.  Men  befl|^ 
uitsluitend  dan  {groter  dan  enz.);  verg.  Hp^ 
Proeve  I,  288  vlgg. 

ALSEELS ,  by  w.  Uit  aU  heeU.  Met  eene  wi 
verbonden:  VoU trekt  niet.  ||  Dit  huwelick  « 
greyde  alseels  den  hertoghe  niet ,  Despai^  1 ,  ^ 
Die  de  Leliaers  alseels  niet  en  mochte,  2,  67. 

ALSEGEDAEN,  -dane,  bnw.  Uit  AUe,  i^ 
zwakten  vorm  voor  AUo  (zie  Alse  bgw.), « 
Oedaen.  Hetzelfde  als  AUogedaen  (zie  ald.),^ 
Zoodanig,  dusdanig.  \\  Alsegedaen  recht  alse hiflK 
volgt,  Willems,  Meng.  439  {a.  1292). 

*  ALSEGERS,  verkeerde  lezing  voor  aktfff^ 
Vierde  Mart.  131.  Ygl.  Taalgids  7,  51. 

ALSEL,  voor  Assel,  schouder.  Zie  Assel  I 
Haer  dat  op  esels  alsele  staet,  Nat.  Bl.  XH,  379 nr. 

ALSELIEREN,  verkeerde  schryfwgze  voor  As* 
lieren ,  bestormen ,  evenals  AUel  voor  JueJ, « 
AUtronomiJn  (zie  ald.),  voor  Astronomijn.  \\  ^ 
ons  die  stat  alselieren,  Ferg.  4202  {hs.). 

ALSELC  (alsulc,  alsuilc,  alswilc),  ^ 
Alsesulc  en  Alsosulc  (zie  ald.),  -lltt^  ^' 
Yersterking  van  Selc  of  Sulc  (suiU)  door  Al,  * 
dus  Zulk,  zoodanig.  Mnd.  aUulk,  alsolk,  «Z»^  ' 
Alsele  was  oic  syn  baniere,  Orimb.  II,  3269.  ><?' 
en  was  negeen  {ridder)  alsele  geslagen,  ^ 
1253.  Noch  es  alsulc  syn  spreken,  ff'rake  i^j^ 
138.  Wie  es  alsulc?  Melib.  lU.  Die  liede nn G«» 
alsulc  waren,  Lanc.  III,  3912.  Ander criiut,iL<w 


i60 


ALSE. 


ALSE. 


370 


kliii  vonden  daer  nut,  Jmand.  I,  1049.  Wrake 
ilsolke  als  ghi  snit  horen,  Bifmb.  18873.  Alsuilc 
ras  Jalins  paert,  Nat.  BI.  II,  1660.  Alselc  pre- 
aet,  Bincl.  1226.  Alselke  ene  maegt,  Ctus.  898. 
ilsnlcken  mensch.  Stemmen  163.  Alselken  pant, 
Tast.  208.  Alsnlken  vader,  Teest  2966.  Alsnlken 
«et,  Stoke  II,  766.  Alsiüken  sin,  Melib.  1062. 
üselke  salye,  Rnnsbr.  1,  243.  Op  alselke  sake, 
ïenaut  1023.  In  alselke  ere,  LivU.  XI,  614.  Al- 
ndke  voere,  Stoke  VI,  794.  Al^nlke  scande ,  ^^^. 
1080.  Alsnlke  ere,  Bipib.  17982.  Alsnlke  gelove 
l^i|h.  2,  102.  Alsnlke  erfnisse,  3,  69.  Alselc 
Mïjach,  Limb.  XI,  2326.  Alselc  mesbaer,  Moêk. 
r72.  Te  gane  talselken  groten  here ,  Yelth.  1 ,  22 , 
[.  Manscap  van  alselken  lene,  Éoie  4111.  Met 
ilselken  rouwen,  Limb.  XI,  846.  Met  alsnlken 
;ege,  lUJmb.  28310.  In  alsnlken  state,  Amand  II, 
^4.  In  alswilken  lene ,  Oorkb.  2 ,  323^.  In  alselker 
naniere,  lAmb.  IX,  864.  In  alsulker  vise,  Bijmb. 
(1261.  Te  alsnlken  coste,  ZFl.  Bijdr.  6,  367.  Te 
ilsnlcker  cnere  alst  voorseyt  es,  ald.  Bi  alsnilker 
K>ete,  Oorkb,  2 ,  431a.  Der  afgode  anebeders  alselke 
ds  de  dine,  Sp.  II',  19,  46.  Alselke  woerde, 
Haak,  1118.  Men  pliet  hier  alsulker  dinge,  Bijmb, 
{609.  Varen  talselken  spelen,  lap.  III,  10,  69. 
Tan  alzulken  seden,  Overzee  103.  Mit  alsokken 
'oirwaerden,  Nflh.  2,  66,  100,  101.  —Het woord 
rerd  nog  verder  versterkt  door  de  verdubbeling 
ran  een  der  beide  deelen,  waaruit  tule  (got. 
valeika)  is  samengesteld,  t.  w.  «o  en  {gé)lijk, 
Vandaar  de  uitdrukkingen :  Also  snlc,  ook  al  se 
ulc  en  als  sulc  en  Alsulc  gelQc,  ingelQke 
^eteekenis  als  Alsulc.  \\  Yan  wondere  also  selke , 
^jtp.  II,  9,  119.  In  dien  dat  die  saken  also  selc 
j|n  dat  die  scepenen  dair  af  w^s  s^n,  Chart.  v, 
Vaelkem  22.  Also  sulke  dinc,  Bijmb.  9498.  Also 
ulke  sierbeid,  18122.  Also  sulke  vliegen.  Franc, 
•687.  Hi  es  iilsoe  sulc  .  .  alse  riddere  te  rechte 
resen  sonde,  Lane,  III,  2408.  Also  sulc  een  spel, 
'itp,  I,  26,  6.  Also  sulcken  cost,  Oorkb.  2,  167a. 
f  et  also  sulken  gelage  alsoe  gelegen  es.  Vod.  Mue. 
,  369.  Also  suilc  recht  als  hi  heesschende  was , 
,  370.  In  also  suilken  paiemente,  2,  371.  Alse 
alken  man  alse  ie  ben,  Parth.  7109  var.  Ende 
Ise  snlc  alse  tonsen  si,  dat  neemt,  ^S^.  III',  2, 
O.  Privilegiën .  .  alse  sulc  alse  die  kerken  bega- 
en,  III*,  63,  67.  Als  sulke  queste  te  done  bestaen, 
'tonc.  II,  11076.  Als  suilke  sake  als  der  port 
acomet,  Oorkb.  2,  796.  Tot  alsnlken  geluen 
cade  of  kost,  Nijh.  2,  40  vlg.  —  Zoo  als  uit  de 
oorbeelden  bl^kt,  wordt  altelc  meestal  attrib., 
och  soms  ook  praedicatief  gebruikt;  vgl.  nog 
jp.  II',  33,  174:  Alselc  yn  sjjn  (zooalt  unj  zijn, 
oor  Alselc  als  wi  sijn)  onsen  onaersaten,  vinden 
fi  Gode  jegen  ons  gelaten. 

ALSELKERHANDE.  Zie  bQ  Hant. 

ALSELPE (alsulpe,  alselp,  alsu lp),  gewone 
amentrekking  van  de  woorden  AUe  Aelpe,  d.  i. 
Izoo  helpe,  bQ  verzekeringen  onder  aanroeping  van 
k>d  of  heilige  personen.  Zie  by  Alse  bijw.,  en  verg. 
ELPE.  II  Alselpe  mi  God  ende  onse  Trouwe! 
\eme.  III,  16946;  verg.  12641.  Alselp  mi  God, 
II,  12662.  Alsulp  mi  God!  III,  11630,  IV, 
708.  Alsulp  mi  God  onse  Here!  IV,  1686. 
Llselpmi  God!  Coê».  1628. 

ALSELX  (alsulx),  bijw.  Op  zoodanige  taijze, 
p  dezelfde  vfijze.  \\  Datmen  denselven  sanderen 
[aechs  alsulcx  leveringe,  nae  der  coope  voersE. , 
loch  sal  moegen  doen,  K,  en  O.  v.  Delft  197,  8. 

ALSENE  (alsine  ,  alsen)  ,  znw.  vr.  Het  bittere 
:raid,  thans  aleem  geheeten,  in  HLat.  abeintMum 


genoemd.  Ook  bij  KIL:  Als s en,  waarmede  ohd. 
aloAsan ,  zoowel  als  sp.  alotna ,  ofr.  aloiene  (Boquef. 
Suppl.  106a)  overeenstemt,  doch  a/lr^m is  de  oorspr. 
vorm,  ohd.  alahtémo,  tempelcaad,  heilig  kruid. 
Zie  verder  De  Vries,  Mnl.  Wdb.  208  en  Kuhn, 
Zeiteehr.  9,  74;  verg.  Diez ,  Wtb.  2,  202  op 
Aluin  e.  ||  Absinthium  .  .  dats  tcmut  datmen 
alsene  heet.  Nat.  BI.  VII,  798.  Men  sal  alsen 
in  olie  sleden,  ende  bestriker  mede  tfel  sgn. 
Alsene  es  der  vlo  venijn.  Alsene  blader  geworpen 
mede  omtrent  verdry itse  uter  stede,  VII,  801. 
Heeft  hi  Inse,  so  nem  dan  van  alsene  sap,  III, 
1719i  Met  alsine  sape,  X,'86,  213.  Bivoet  ende 
alsene,  M.  en  Vr,  Heim.  2092,  2097.  Sap  van 
alsenen,  1817.  Neempt  pappele  ende  alsene,  Jan 
Yp.  66.  Ie  salse  doen  eten  bittere  alsene,  1).  B. 
Jerem.  23 ,  16.  Ie  sal  dit  volc  spisen  met  bitteren 
alsenen,  9,  16.  Der  alsenen  ende  der  gallen, 
Klaagl.  v.  Jer.  3,  19.  Want  gi  verwandelt  hebt 
recht  in  bitterheit,  ende  die  vrucht  der  rechtvaer- 
dicheit  in  alsen ,  Amoe  6 ,  13.  Dat  men  alssen  ende 
ysop  coke  in  wgn,  Barthol.  6436.  —  Zoo  ook 
Nat.  BI.  VI,  660;  IX,  263;  X,  93. 

ALSENE ,  znw.  vr. ,  elt ,  priem,  Bjj  Kil.  „Alsene, 
iubula ;"  ofr.  aleene  (La  Cume  1 ,  328) ;  nfr.  alène. 
II  Eist  gescoten  met  eene  pyle  gecant  gelijc  der 
alsenen.  Jan  Yp.  86. 

ALSESÜLC ,  bnw. ,  hetzelfde  als  het  meer  gewone 
Aleelc  (zie  ald.)  ||  Dies  ghelfjc  eist  alse  sulc  man , 
die  nemmer  gemsten  en  can,  ^.  I*,  66,  19. 

ALSIJN,  'iney  voor  Aieijn,  atijn.  Verg.  Alsel 
en  Alselieren.  ||  Dan  drinket  met  alsine,  Nat. 
BI.  II,  626  var. 

ALSINT.  Zie  Sint. 

ALSMAER,  bfjw.  Uit  aU  moer.  Zie  Als  (bgw. 
1).  Eig.  In  het  geheel  slechts  \  met  de  ontkenning 
verbonden,  die  kan  worden  weggelaten, #/!f<7A^M»tf/ 
geheel,  d.  i.  bijna  geheel,  zoogoed  als  geheel.  \\  De 
speye  .  . ,  die  zeere  te  meskieve  stont  ende  alsmaer 
met  allen  te  nieuten  ghegaen  was ,  Invent,  v.  Brugge 
Int.  391. 

ALSO  (alsoe),  bgw.,  thans  alzoo  en  oudtyds 
even  gebruikelijk.  Mnd.  alto.  In  de  meeste  gevallen 
kan  men  in  H  mnl.  also  niet  meer  splitsen  en  zgne 
deelen  afzonderlijk  verklaren,  doch  eene  enkele 
maal  bl^kt  de  oorspronkel{|ke  kracht  der  samen- 
stellende deelen,  b.  v.  Wal.  6734:  „Constict  also 
quaet  ghedinken ,  dies  sone  sondi  missen  niet" , 
waarin  also  voor  ons  de  bet.  heeft  van  ook  nog 
zoo ;  de  bet.  is :  ^het  ergste  dat  ik  uitdenken  kan ,  zal 
uw  deel  zQn",  doch  men  kan  dezen  regel  ook  zoo 
verklaren:  „o/  kan  ik  iets  nog  «oo  ergs  uitdenken." 

1)  In  de  hedendaagsche  oeteekenis,  ofschoon 
minder  met  ons  alzoo,  dan  met  het  zwakkere  zoo 
overeenkomende.  —  Vooral  gewoon  was  het  gebruik 
van  also  bij  bgv.  naamwooraen  en  bQ woorden,  als: 
Also  groot  ende  also  clene,  Also  dicke 
als,  Also  verre  als,  voor  zooverre,  enz.;  in- 
zonderheid in  de  uitdrukkingen:  Also  houde, 
Also  saen,  Also  sciere,  Also  vollike 
enz.,  zoo  terstond,  aanstonds]  ook  gevolgd  door 
het  voegw.  alse,  als,  en  dus  zoodra  als.  Zie 
bij  Houde,  Saen,  Sciere  enz.  Also  wile  als, 
met  dat,  Christ.  1603,  zie  by  WiLE.  Ook  in  de 
minder  gebruikeiyke  voegw.  uitdrukkingen:  — 
Also  sere  als,  hoewel,  hoezeer.  \\  Alsoe  sere 
alst  (var.  nochtan  dat)  es  in  den  lenten,  selden  sal 
men  vinden  die  crude,  die  vergadren  selen  die  hude , 
Limb.  II,  282.  —  Also  vele  als,  voor  zooverre, 
II  Men  vinter  liede  genouch  gereet  sonder  alsoe 
vele   alst  nu   steet,   om  dat  van  Lusenborch  die 


371 


ALSO. 


graye  heeflfle  alle  doen  liggen  ave ,  Limb.  II ,  643. 
—  Ook  in  de  uitdr.  In  also  vele  als,  voor 
zooverre  als,  ||  In  also  veel  alg  bi  yermach,  in 
also  Teel  als  hi  ontfaen  heeft  die  gracie,  dreg. 
Hom.  llr.  Dat  hy  dus  Gode  bekent  in  alsoe  veelen 
als  den  menscbe  moegbeiyck  es  te  bekennen, 
Vaderb.  Sd.  Deerste  sonde  was  hoverde,  in  also 
Tele  als  hi  begaerde  gheiyc  Gode  sinen  scepper 
tsine,  Lucid.  1286;  enz.  —  Also  als  iet,  bg 
een  ww.,  met  de  ontkenning,  in  den  zin  van  Zoo- 
vetl  aU  niets  y  volstrekt  niet,  ||  Dat  een  here  boven 
n  es,  sonder  wies  hnlde  gine  moget  niet  staende 
bliven  also  als  yet.  Wrake  1,  797.  —  Also  wordt 
ook  elliptisch  gebezigd,  met  verzw^ging  van  het 
WW.  gaen,  als:  Sp.  III*,  28,  33;  30,  36;  47, 108; 
II",  13,  46;  24,  32;  II«,  66,  34;  IP,  24,  63; 
32,  99;  46,  19,  enz.  Zie  verder  bj  So.  —  Over 
de  uitdrukking  also  dat^  hetzelfde  als  so  dat,  d. 
i.  en  toen^  b.  v.  Sp.  I',  66,  13,  waardoor  bij  de 
voortzetting  van  een  verhaal  een  nieuw  onderdeel 
wordt  aangekondigd,  zie  b|j  So. 

2)  In  gewijzigde  opvatting,  met  sterkeren  nadruk 
op  fl/,  voor  evenzoo  y  ook  zoo^  insgelijks  ^  eveneens  ^ 
en  dus  byna  gelijkstaande  met  eng.  also.  \\  Die 
Dunouwe:  niet,  alsic  bescreven  scouwe,dieDunouwe, 
die  dor  Nichen  vliet,  maer  een  andere,  die  also 
hiet,  Sp.  III»,  7,  39.  Daer  wart  hi  verdreven 
tf/#o,  I»,  31,  16.  Dachterste  coninginne,  ende 
deerste  also^  I»,  66,  48.  Also  dewangelisten  ons 
leeren,  dat  gelgc  loen  wert  gegeven,  daer  dwerc 
al  wert  wel  voldreven,  II',  24,  14.  Alsoalsegire 
in  quaemt,  besiet  dat  gire  ute  coemt  aUo^  Lanc. 
II,  1636.  Walewein  sat  op  sijn  paert  doe,  ende 
Mathamas  op  ts\jn  alsoe  ^  II,  2666.  Hi  groetese, 
ende  si  hem  also^  II,  4826.  Sagrimor  seide  .  ., 
ende  Dodineel  seide  alsoe  ^  II,  1660.  Ende  tconinc- 
rike  na  sinen  live,  hets  mi  gelooft  alsoe ^  Limb. 
X,  1300.  Onderhalf  cubitus  breet,  ende  alsoe 
hoege,  Ruusbr.  2,  123.  Ook,  met  toevoeging  van 
Mfale,  wely  in  geleken  zin.  —  Also  wal  e  of 
also  wel,  insgelijks y  eveneens ^  somtijds,  vooral 
om  maat  of  rym,  geheel  overtollig  gebruikt.  ||  Bleef 
iemenc  in  tomoyes  spel,  dat  menne  grouf  daer 
also  wel,  Sp.  I',  74,  98.  Des  bisscops  Ananyas 
zale,  ende  Agrippen  huus  also  wale,  i2i;»ió.  27631. 
Den  hoofttor  van  Fanuel  velde  hi,  ende  sloech 
tfolc  also  wel,  7643.  Dalre  eerste  warf  in  Belleem, 
daema  in  Ebron  also  wel,  9986.  Die  Moabyten 
also  wel  nam  hi  hare  macht  ende  haer  lant, 
10176.  Menech  monster  .  .  ende  menech  afgod  also 
wel,  4134.  Dat  tien  tiden  een  Hely  rechtre  was . . 
ende  pape  was  hi  also  wel,  8434.  Des  coninxsale 
ende  al  die  stat  ooc  also  wale,  16019.  Zoo  ook 
836,  7166,  12373,12602,  13816;  enz.  — Dezelfde 
beteekenis  heeft  also  in  de  uitdrukking:  —  Noch 
also,  gevolgd  door  een  bnw.  of  bij w.,  eigenlijk 
nogmaals  zoo\  en  dus  Nog  eens  zoo,  teel  eens  zoo, 
dubbel  zoo;  eene  uitdrukking  sterker  dan  de  com- 
paratief. Verg.  Noch  alse  bij  Alse  bijw.  ||  Mi  is 
beter,  ja  noch  also  goet,  Melib.  3197.  Al  ware 
mijn  oom  noch  also  quaet,  Rein.  I,  1336.  Waer 
hi  noch  also  quaet,  II,  3705.  Al  waerdi  noch 
alsoe  quaden  wijf,  Busk.  160.  Dat  hem  die  zeghe 
ghegheven  was  om  dat  hi  bilt  ons  Heren  wet.  Doe 
hietse  Asa  houden  bet  al  den  sinen,  noch  also 
wel,  Rijmb.  12360.  —  Ook  gevolgd  door  dan, 
wegens   het  denkbeeld   van   den  versterkten  com- 

Saratief.  ||  Het  waer  nocA  also  scone,  coninge 
wingen  ende  jagen ,  dan  selve  de  crone  dragen , 
Stoke  I,  214.  Den  grammen  dunket  altoes  des, 
dat  hi  noch  alsoe  maehtech  es ,  dan  hi  mochte  vol- 


ALSO. 


bringen ,  Doet.  II ,  796.  Eeo  menscbe  die  op  i^ 
bedde  leget  in  sine  siecheit,  in  sine  quk,  b 
kint  hem  selven  noeh  mlsoe  waU ,  dam  te  strÜB 
op  water,  op  lant,  OFl.  Ged.  1,  76,  209. -5d 
also  icale  komt  in  beteekenis  overeen  met  nfn; 
beter,  en  daardoor  wordt  dan  gerechtnvAfi 
Doch  ook  als  wordt  gebruikt,  hetwelk  tJZkpi 
is ,  als  men  meer  op  den  vorm ,  dan  op  de  hdeAm 
der  zegswyze  let  ||  Want  verborgen  aijt  o  nei 
alsoe  swaer  als  np  die  men  dnegt  opeiktr. 
Doet.  111,  683.  Doch  andere  hss.  hebbea  kitr 
dan ,  evenals  bij  de  straks  aangehaalde  plnti  ni 
Stoke.  Verg.  verder  Huyd.  op  Stoke,  Dl. l.kL 
169  vlg.  —  Zonder  toevoeging  van  noch  heeft  <b 
bjj  een  bnw.  of  by  w.  de  beteekenis  van  —  s)  m, 
nog  wel  zoo.  \\  Ende  die  si  mochten  gecri|[B' 
meshandelden  si  onsochte,  ende  slongense  dootit 
also  quaet,  Amand  II,  41.  Dits  also  qoaet,.  ii> 
dat  ghi  Roges  hebt  geghe ven ,  ^a/.6744  — l)»r 
welke  bet  ook  «o  nebben  kan.  Zie  So.  |)  Bsi 
wet  hilt  soe  also  redelike ,  Flor.  W.  - 
Evenzoo  staat  also,  gevolgd  door  een  coijuctxi 
by  eene  verzekering,  waar  men  thans  segt. » 
waarlijk.  Verg.  Alse  bgw.  ||  Lippgn,  alioeiirt: 
met  eren  leven,  Lipp.  80;  enz. 

'S)  Ook  wordt  also  voorafgegaan  door  hetvon 
bi  in  de  elliptische  uitdrukking  Bi  also,  tf  ^ 
voorwaarde ,  met  dien  verstande.  Vgl.  ook  of  «* 
bij  Aldus.  ||  By  alsoe  nochtans  dat  myn  geaaiiP 
Her  sal  doen  vernemen,  ofte,  «*».,  Bacer  2,2* 
By  also  dat  hy  synen  eysch  sal  moegen  lam^ 
ren ,  .  .  mer  niet  te  vermeerderen ,  Ö.  JL  t .  I^ 
2,  261.  —  Ook  verbonden  met  een  tüdvantón 
sijn  en  gevolgd  door  een  afhankel^Ken  h^m.^ 
geval  dat,  hetzelfde  als  het  mnl.  waert  {eatin^ 
dat.  II  Ende  waert  bi  also,  dat  Manrissise  gdi^ 
met  den  eersten  jaere  af  te  stane,  datstaetisB* 
wille,  Oendsch  Chtb.  69.  Ende  waert  oec  if 
also ,  dat  in  ons  ofte  in  onse  naercommers  eevi 
gebrec  bevonden  ware  van  te  betaelne,  IHeia 
Mém.  2,  138.  Waert  by  alsoe,  dat  enige  i* 
de  vleyschouders  enige  scapen  ofte  andere  beef» 
cochten,  K.  v.  BrielU  149,  11.  Of  ist  by  il*' 
dat  hy  dat  niet  en  doet ,  syne  versinaingt  * 
sal  van  geenre  wairden  wesen,  O.  K.  »•  ^7 
I,  16.  —  Ook  gevolgd  door  dat,  enalsvoegw* 
gebezigd,  in  twee  verschillende  opvattingen: 

a)  Foor  het  geval  dat,  bijaldien,  indien.  \\  ^ 
alsoe  dat  sy  binnen  eenre  maent  binnen  den  f  oin^ 
landen  niet  en  sullen  comen,  Gedenktt  1,^ 
{a.  1419).  Ende  so  war  dat  dese  stickea  f 
vallen,  bi  also  dat  die  vrouwe  portighc  van  Bnp 
si ,  me  salt  berechten  metter  wet  van  der  ö* 
van  Brughe,  Cout.  v.  Brugge  1 ,  230.  Dat  de  yooW 
kindren  getrauwede  kindren  waren,  ende  d«M 
also  dat  haerlieder  voorseyde  moeder  geleift  W* 
zoe  gedeelt  zoude  hebben  van  .  .  .  Lysbetteki* 
moeder,  1,  4%.  Ende  by  alzo  dat  hy  int  *Jf 
noemde  godshuus  ontfangen  zynde ,  eenege  teat 
maecte,  daer  en  zal  tzelve  godshuus  niet  *• 
gehouden  zyn,  2,  113.  Ende  by  also  dat  the»« 
jare  de  voorseide  dochtere  bleve  in  haer  wopjjj 
omme  in  religioene  te  zine,  207.  Twelke  ■* 
geschien  en  zoude  by  also  dat  de  vorseidej*^ 
frauwe  Katheline  .  .  geen  consent  gedrcg»'' 
hadde  in  de  voirseide  quy tsceldinge ,  Cw/.»-^ 
694.  Ende  by  alzo  dat  in  toecommenden  ^ 
eenege  donckerheit  of  geschil  rese  . . ,  zo  ^^^ 
wy  daerof  an  ons  .  .  de  kennesse,  619.  Eaw' 
also  dat  ter  kerken  eenich  grief  quame,  DKn0 
Jtém.    2,   106.    Ende  hi   verbuert   3  £,  bi  «* 


373 


ALSO. 


ALSO. 


374 


datter  de  burghmeester  over  claget,  ZVl.  Bijdr. 
1,  240.  Ende  bi  also  datten  dandre  yaerwer  te 
wercke  stelde,  die  zonde  verbueren de gelike boete, 
6,  170.  —  Ook  met  bijvoeging  van  het  ww.^tyy».  || 
Bjj  alsoe  ist,  datstn  .  .  desen  wecb  bestaes,  het 
en  sal  niet  mogen  zijn  sonder  seer  gehaet  te  sijn , 
Felgrim  Bd.  —  Ook  zonder  dai.  \\  By  also  is  die 
?oirscreven  stat  mynen  heere  yet  scnldich,  sy  dat 
betalen  sal,  Oedenktt  1,  260. 

b)  In  geval  dat,  op  voorwaarde  dat,  mits.  \\ 
Lande  .  .,  by  alzo  dat  die  den  zelven  persoonen 
toebehooren  wien  de  {tekst  te)  steden  toebehooren 
iaer  in  zy  wonen,  Cout,  v.  Brugge  1,  689.  Bi 
ilsoo  dat  deelmannen  die  boete  zelven  innen,  1, 
H9.  Ende  bleef  in  sabs  van  sente  Baefs  loyael 
jeggen,  bi  alsoe  dat  hi  nemen  sonde  te  sinen 
rade  dien  hi  wilde,  Gendsck  Chtb.  12.  Elc  mach 
Doeme  planten  voer  zyn  huns  .  .  bi  alzo  dat  de 
trege  breet  genonch  bliven ,  166.  Van  desen  wercke . . 
sullen  de  vors.  twee  meesters  .  .  hebben  .  .  de 
lomme  van  negen  ponden  .  .,  bi  also  dat  zij  den 
¥isere  maken  staende  in  de  kerke,  ZVL  Bijdr,  1, 
L67.  Maer  up  dat  die  meester  wille,  hi  mach  wel 
^reden  tscip  .  .,  ^7  ^^o  ^^^  alsulc  es  dat  ment 
gereden  .  .  mach  in  corten  tiden,  3,  48.  Dat  men 
feenen  coopman  .  .  in  vangenessen  houden  sal 
>mme  vechten  iof  omme  striden,  bi  also  dat  hi 
nach  vinden  goede  .  .  borgen  dat  t«  betren,  6, 
160.  —  Ook  gevolgd  door  of  in  de  uitdr.  ten 
vare  bi  also  of,  behalve  voor  hêt  geval  dat, 
9.  B,  V.  Dordr,  2,  262. 

4)  Meermalen  wordt  aleo  in  plaats  van  een  object 
lan  een  trans.  ww.  toegevoegd ,  zoodat  dit  schQnbaar 
ntr.  is.  Ygl.  dus;  Esop,  Gloss  op  winnen  en 
Sng.  uitdrukkingen  als  /  hopeeo.  \\  Ie  ware  onvroet , 
ie  gheloofdic  niet  also.  Rein.  I,  2620.  —  Zoo  ook 
neerm.  „4»  dede  also"  enz.  Ook  thans  nog  is  dit 
gebruik  bekend,  waarmede  men  kan  vergelyken 
len  bepalingszin  met  hoe,  die  de  plaats  van  een 
ibjectszin  vervangt.  Ygl.  b.v.  Theoph,  610:  „hi 
lach  hoe  si  voer  hem  leden,"  enz. 

ALSO  (alsoe)  ,  voegwoord.  OorspronkelQke  vorm 
'an  het  voegw.  AUe,  ^/^  (zie  ald.) ,  en  in  nagenoeg 
iezelfder  opvattingen  gebezigd,  doch  met  eenige 
iryzigingen.  Mnd.  aUo. 

1)  AU,  zooaU,  gelijk,  \\  Men  salne  drie  waerve 
lagen,  also  men  doet  een  vrien  man,  Bein.  I, 
344.  Also  hi  menichwerven  dede,  Wal.  36.  Also 
lOge  liede  plegen,  46.  Alsoot  hem  best  dochte, 
Ujmb,  806.  Also  ons  een  wijs  man  seget.  Wrake 
,  1003.  Wanneer  dese  heylige  man  quam  bi 
;t>ede  religiosen ,  so  smalt  hi  uut  devocien . . ,  also 
lat  was  smelt  bi  den  viere ,  Exc,  Cron.  2,Bd. 
—  Ook  door  het  bgw.  a/!fo  voorafgegaan.  ||  (Hi)  sal 
i  alsoe  bereiden ,  aleoe  hi  dede  hem  beiden ,  IMnb. 
Tl,  2289.  —  Bg  verzekeringen  staat  Aleo  in  den 
in  van  zoo  waar  alt.  Verg.  Alse  bijw. ,  aan  het 
inde.  ||  Uwe  boetscap  en  sal  niet  sgn  verholen, 
Isoe  gi  mi  gewapent  siet,  Ferg.  4836.  —  Also, 
an  het  hoofd  van  een  zinslid,  in  den  zin  van 
Mtnelijk,  te  weten.  Verg.  Alse  voegw.,  1,  e).  \\ 
fensche,  en  nem  in  dinen  moet  nie  g^en  valsch 
gewonnen  goet ,  alsoe  woeker  ende  voorsat ,  X  Plag, 
044.  —  Expletief  staat  aUo  in  de  uitdrukking 
L 1  s  o  hoe,  aie  in  beteekenis  weinig  verschilt  van 
iet  enkele  hoe.  Verg.  Alse  voegw.  1).  ||  Ende  si 
elden  den  pape  also  hoe  si  daer  waren  geasselgiert 
oe,  Lanc.  III,  8979. 

2)  AU,  wanneer,  toen,  zoodra,  \\  Also  die  boden 
Itesamen  te  sente  Martjjns  te  Tours  quamen,  Sp. 
II",  10,  63.  Ende  bejaeght  ons  pardoen,  also  wi 


jegen  Hem  mesdoen,  Teeet.  2264.  Hi  wart  valu 
geiyc  der  eerde,  also  hem  dat  venyn  deerde,  S^^A. 
9049.  Also  du  die  vrucht  van  den  olyven  gaderen 
sults,  1).  B,  Leut,  24,  20.  Ook  gevolgd  door 
dat,  in  denzelfden  zin.  ||  Also  dattie  moeder  dede , 
onse  Here  ontseidse  hare  niet,  Bijmb.  24866.  Also 
dattie  dach  es  comen,  18119.  Oft  gevyele  .  .  dat 
onse  lyeve  here  .  .  des  vorgen.  huys  te  doen  hedde 
ende  behovede,  also  dat  hyt  hebben  wonde, . .  so  heb- 
bewi  . .  gesworen  . .  dat  vorser,  steenhnys  te  openen 
ende  te  leveren,  Nijh.  2 ,  90  («.  1366).  —Ook  gevolgd 
^ootaU,  in  gelüken  zin.  ||  Ende  also  als  s^t  vernam, 
gevielt  dat  si  daer  over  quam,  Christ.  1377. 

3)  Gevolgd  door  dat,  in  de  uitdrukking  Also 
dat,  zoodat,  \\  Ne  g^nen  raet  hi  vernam,  also  dat 
hi  te  Rome  quam,  Sp,  1%  86,61.  Also  dat  brueder 
Mar^n  wert  gesent  van  den  abt  syn  metterkerren 
te  someger  stont,  also  dat  hi  wert  namecont  in 
die  her^rge  daer  ie  af  seide.  Ende  des  weerds 
dochter  haer  vermeyde  met  enen  riddere,  die  si 
minde,  also  dat  si  wert  met  kinde, iSJp.  11^,48, 46. 
-^  Mede  gevolgd  door  aU ,  in  dezelfde  beteekenis. 
II  Den  enen  heeft  hi  die  hant  gehouden ,  den  andren 
dreegde  hi  alse  here ,  enten  derden  badt  hi  sere ,  also 
als  van  suiker  noot  elc  sonde  sijn  in  vreesen 
groot,  Bijmb.  29364.  —  Ook  zonder  dat,  in 
denzelfden  zin.  ||  Ende  noch  vele  ander  heeren 
aldaer  in  sgnre  hulpen  weeren,  alsoe  hi  in  deser 
reesen  drie  dusent  glayen  stère  mocht  wesen, 
Brab.  T.  VI,  9846. 

ALSODAEN  (alsoedaen),  -dane,  bnw.  Zoo- 
danig, dusdanig.  Mnd.  aUoddn.  Verg.  de  twee 
volgende  artt.  ||  Alsodaen  als  behoirlic  is,  MLoep 
IV ,  168  var.  Alsoedaen  goet,  NJh.  1 ,  340  («.  1336). 
—  Ook  samengesteld  met  wjjs,  wise:  Also- 
daenwgs,  op  zoodanig  wijze.  ||  Alsodaenwfls  wast 
beset,  omdat  varen  soud  te  bet,  Troyen  f,  60c. 

ALSODANICH(ook  alsotanich;  vgL  alsusta- 
NICH),  -danige,  bnw.  Zoodanig,  dusdanig,  Mnd. 
aUodanich.  ||  So  wanneer  du  an  eens  rgcs  mans 
tafel  sitste,  so  sich  nauwe  toe  hoesulke  gerechten 
di  voergheset  warden;  want  alsodanighe  moetste 
hem  weder  bereiden.  Stemmen  21.  Alsotanige  worten 
of  gezoden  wynen,  O.  B.  v,  Dordr.  1,  270,  3. 

ALSOGEDAEN  (alsoegedaen),  -dane,  bnw. 
Zoodanig.  Zie  bg  Geoaen  en  verg.  Alseoedaen. 
II  Die  .  .  wel  conde  genesen  alsogedane  wonde, 
Lanc,  IV,  1030.  Alsogedanen  name  hadde  hi,IV, 
9284.  Hi  souden  pays  maken  op  alsoegedane  zaken 
dat  si  nemmer  roeven  en  souden,  Limb.  V,  169. 
Dat  hiere  tiene  soude  verslaen  ridderen  alsoegedaen, . 
VI ,  867.  Alsoegedane  rycheit  als  ten  busscopdome 
getam,  Serv,  I,  2894.  Alsoghedaen  als  dese  pu- 
blicaen  es,  L.  v.  J.  c.  161.  Alsoegedaen  recht  als 
hier  na  gevolgt  ende  bescreven  is,  Belg,  Mus.  6, 
293.  Van  alsogedanen  gerichten,  Ngh.  1,  381 
(a.  1338).  Alsoegedaen  volc  en  heeft  nye geweest, 
B.  B.  Jes,  23,  13.  Alsogedaen  als  die  regeerre 
van  der  stat  is,  alsulc  sgn  oec  die  gene  dier  in 
wonen,  Jes.  Sir.  10,  2;  enz. 

AL80GELIJC  (alsoeoelijc,  alsogelike),  bijw. 
Uit  AUo  en  Geitje ,  gelike.  Veelal  in  twee  woorden 
geschreven  AUo  geitje,  doch  evenzeer  als  een 
samenstelling  te  beschouwen  als  desgelike, 
desgelijks,  en  ons  insgelijks.  Evenzoo,  insgelijks, 
desgelijks.  ||  Alsoegelijc ,  dat  verstaet,  can  minne 
in  hare  ouden  meeren  ende  menichfouden ,  Boet. 
II ,  260.  Alsoegelike  soe  can  vriends  raet  verbliden 
den  man,  II,  1169.  Elke  tafele  sal  hebben  in 
midden  twee  ringe  van  goude,  ende  in  dat  overste 
inde   alsoegelike,   Buusbr.   1,   118.  Alsogelike  so 


375 


AI^O. 


schindi  oc  van  buten  gerecht  vor  de  menschen, 
L,  V.  J.  e,  191.  Alsogelike  so  bespottene  oc  een 
van   dengenen   die   beneven   hem   hingen,  c,  230. 

—  Ook  gevolgd  door  het  voegw.  a/*,  in  de  nit- 
dmkking  Alsogelnc  als,  op  gelijke  wijze  aU^ 
evenaU^  zooale,  veelal  vergezeld  van  een  afhanke- 
lyken  byzin  met  Also  aanvangende.  ||  AUogelije 
aU  goede  vroawen  haer  lyf  setten  met  trouwen  voer 
haers  mans  salicbede,  aUo  settet  qnaet  wQf  mede 
haer  l(jf  met  emste  groet ,  om  toe  te  brengen  haers 
mans  doet,  Melib.  779.  AUoegeHjc  als  doeghet 
ende  goet  van  goeder  minnen  comen  moet,  alto 
moet  comen  . .  van  qnader  minnen  al  qnaet ,  Doet. 
II,  295.  Ahogelike  alee  de  vader  doet  opherstaen 
die  doede  ende  maktse  levende ,  aUo  makt  de  sone 
levende  die  hi  welt,  L.  v.  J.  c.  118.  Ahogelike 
aUe  ie  u  hebbe  gemint ,  also  motti  u  onderminnen , 
c.  208.  Alsogelijc  alse  gi  nn  hebt  horen  seggen 
mi,  Melih,  3424.  Dat  gi  dese  wart  .  .  hoert  met 
reverentien,  alsoegelijc  alse  ten  warden  van  der 
heileger  ewangelien  behoerlec  es,  L.  v.  /.,  bl.  3. 
Hoe  menechwerf  hebbic  willen  gedren  dinekinder, 
alsogelike  alse  ene  hinne  hare  kikene  onder  hare 
vlochgele,  c.  192. 

AL80GELIKERWIJS  (alsoegelikerwijs)  , 
bijw.  Uit  Also  en  Oelikenoijs y  en  dus:  Op  evenzoo 
gelijke  toijze^  d.  i.  Osiijkerunjs  ^  desgelijks  ^  evenzoo. 
Veelal  in  twee  woorden  geschreven ,  Also  gelikertoijs , 
doch  evenzeer  als  een  samenstelling  te  beschouwen 
als  Alsogeljjc:  zie  ald.  ||  Alsoegelikerwijs  es 
een  wgf,  Teest.  4151.  Alsoegelikerwijs  soe  moet  die 
werpte  al  onser  dogede  dobbel  onnosel  syn ,  Ruusbr. 
1 ,  63.  Alsoegelikerwijs  moten  wi  werken  elke  doget, 
66.  Also  alse  die  geite  scarp  syn  van  gesichte, 
.  .  .  alsoegelikerwijs,  boven  alle  dogede,  scerpt 
oetmoedecheit  onse  inwendege  gesichte,  76.  Alsoe- 
gelikerwijs, selewi  die  heilecheit  ontfaen,  .  .  . 
soe  mote  wi  onse  senne  .  .  .  Gode  offeren,  2,  38. 

—  Zoo  ook  1,  230;  5,  27;  enz.  —  Ook  gevolgd 
door  het  voegw.  als ,  in  den  zin  van  Evenals :  verg. 
Alsogeiyc  als.  ||  Alsoegelikerwijs  alse  vlamme 
ende  geensteren  opgaen  ute  den  viere,  alsoe  geet 
verlangen  op  enz.^  Ruusbr.  1,  87. 

ALSOLIJC ,  -like ,  bnw.  Uit  Al  en  solijc ,  d.  i. 
sulc.  Hetzelfde  als  Alsulc  (z.  ald.).  Zoodanig  ^  dus- 
danig. II  Mit  alsoliken  recht  als  in  der  Oeverbetau 
gelegen  were,  Nüh.  3, 110(tf.  1383).  Mytalsoeliken 
voerwendinge  ende  verscheide,  dat  dat  selve  mgn 
slot  van  Ulite  altyt  wesen  sall  open  huys  mijns 
voergen.  genedigen  heren,  317  (a.  1411). 

ALSONDER,  voorz.  Versterking  van  Sonder. 
Zie  ald.  en  verg.  Al  biJw. 

1)  Zonder  y  lat.  sii^;  zeer  gewone  vorm.  ||  Alsonder 
sage,  iSp.  IV»,  61,  46;  enz. 

2)  Behalve^  lat.  praeter.  ||  Alsonder  sgn  kersten- 
lijc  leven  .  .  .  so  was  hi  so  wys  nochtan,  enz.^ 
Sp.  III^,  27,  21.  Alsonder  die  mertelaren  vercoren , 
...  80  waren  vele  meer  van  dien  pliene  onder 
Valeriane,  II»,  30,  69. Duswaerre  XII..  alsonder 
dat  volc  van  Levi,  Rijmb.  6966.  Alsonder  diere 
ter  waerscep  waren,  bleven  doot  daer  in  der 
scaren  omtrent  111**,  8217.  8y  verbarrenden  Bou- 
weloe  alsonder  de  kerke,  Cron.  v.  Vleiend.  2, 
163.  —  Zoo  ook  Rijmb.  30591;  Stoke  IV,  977; 
Limb.  IX,  663;  enz. 

ALSONDER,  bgw.  Zie  het  vorige  art.  en  verg. 
Al  bgw.).  Behalve  dal,  bovendien.  ||  Gerechter 
w^f  haddi  in  sijn  leven  XV  edele,  .  .  ende  twee 
onnedele  te  siere  minnen,  ende  alsonder,  nacht 
ende  dach,  van  anderen  amien  sgn  bejach,  Sp. 
III»,  16,  72—78. 


ALSO. 


ALSOSTEN.  Zie  Alsustaen. 

ALSOSULC,  bnw.  Hetzelfde  als  het  meer  pm* 
Alselc.  Zie  voorbeelden  ald.  en :  jj  Wi  sella  ka 
sien  alsosulc  als  hi  is ,  Sp.  d.M.1,  100e.  Alfonif 
aermoede,  dat  no3rt  creature  en  leet,  És.  r.  1348. 30k 

ALSOTANICH  Zie  alsodanich. 

ALSTE,  hetzelfde  als  Alte  (z.  ald.).  Kaf  a 
gebruik.  ||  Dat  onse  bome  alsf^  vro  (=  »f*f 
willen  bloyen ,  Bern.  W.  128*.  (Op  dezelfle  k 
als  si  alU  vro  willen  vrucht  doen).  Ie  gtucnid 
alste  groten  berouwe,  Bienh,  146«. 

ALSTER,  voor  halster,  een  korenmail b 
Halster.  ||  3  alster  corens,  B£k.  r.  Gei^l 
464.  Vil  alstere  ende  anderalve  viertale  eraa 
Diericx,  Mém.  2,  691. 

ALSTRONOMIJN,    -viine,    «nw.   m.  Tcrterii 
schryfwljze   voor  Astronomijn^  sterpcnwicheliir. 
Dat  scriven  ons  die  alstronomine ,   Vr.  Heim.  & 

ALSULC.  Zie  Alselc. 

ALSULCDANIGH  (alsulctanich,  ALsrin 
NiCH,  ook  alsulcoedanich,  of  -nech), -«ff^ 
•nege,  bnw.  Zoodanig  ^  dttsdanig.  Verg.  SuLCDisfi 
II  Alsulkedanighe  brieve  ende  al^cghediiis^ 
lofnesse,  Oorkb.  2,  471a.  Die  hen  alraldisi^ 
forche  ende  gewout  aendoen,  Brab.  T.Uj^ 
Soe  wie  .  .  alsulcdanighe  vogelen  vingen,  ld 
Keitrb.  173,  61.  Al  Israhel  hoerde  alsuIcdiDS 
nieumare,  D.  B.  I  Sam.  13,  4  (Vnlg.  kujateem 
famam).  Dat  daer  alsulcdanigen  werck  in  ghewr^ 
wert,  Hs.  80  ƒ.  18^.  Op  alsulctanige  bof8 
Mieris  2,  212d.  Alsultenich  man,  Matth.  14^ 

ALSULP,  ALSULPE.  Zie  Alselpe. 

ALSULTENICH.  Zie  Alsulcdanich. 

ALSUS,  bgw.,  b8  Kil.  Al  sus;  verstak* 
van  Susy  ons  zus^  hetzelfde  als  xoo.  Hnd.  «^ 
Alzoo ,  aldus.  Verg.  de  drie  volgende  irtt  t 
Grimm,  Gr.  3,  169.  jj  Hi  screef  alsus,  Cknil,i^ 
Ende  sprac  haer  selve  alsus  toe,  797.  Doea  u^ 
werdde  hi  ende  sprac  alsus,  Lutg.  II,  341  Etf 
sprac  haer  lieflec  alsus  toe,  ÏI,  1122.  Dst  voci 
sal  men  alsus  verstaen ,  1 ,  718.  Gode  nemt  hi  sn 
recht  alsus,  X  Plagk.  1904.  Alsus  we  bè^ 
onbevreest,  Blisc.  v.  M.  1420.  Doe  alsus  G« 
gracie    alles jns    waert  ghespreyt,     Faderè.  1** 

—  Zoo  ook  CArisl.  1142,  Lutg.  I,  167,  474, TU 
722,   864,    lUnoui   1166,    P^y«?rfp.  31 ,  308;  * 

—  Alsiu   wisselde   met  alsos ,  evenals  eldëi  ^ 
aldos.  Zie  b^  Alsustaen. 

ALSUSGEDAEN,  -dane,  bnw.  Zie  bj  GEDAt^ 
Zoodanig  y  dusdanig.  ||  In  alsusgedainre  minic^ 
Nijh.  1 ,  208  (fl.  1327). 

ALSUSTAEN,  -iane ,  bnw.  Mnd.  ^Itmü»' 
Zoodanig ,  dttsdanig.  Door  verscherping  der  ^  > 
de  *,  voor  Alsnsdaen^  van  Alsus  en  doen,  i' 
gedaen.  Verg.  Aldustaen.  Door  verplaatsini  ^ 
den  klemtoon  werd  de  laatste  lettergreep  tooBli>* 
en  verliep  alsustaen  tot  alsusten,  alsosten.  \\  ^^ 
ie  wale  lye,  dat  ie  alsosten  were  te  volbreaj* 
noch  wijs  noch  goet  genoech  en  ben,  L.  '• 
Inl.  bl.  3. 

ALSUSTANICH  (alsustenich  ,  of -nech), 
of  -nege,  bnw.  Zoodanig,  dusdanig.  \\  AlsTtft 
tale,  Lutg.  II',  203.  Alsustenech  dinge,  11,^' 

ALTARIST,  znw.  m.  Mlat.  altarista  (V^c-^ 
209).  Onderpriester ,  die  een  altaar  te  hest^ 
heep.  II  Up  Ile  ar»»  sejt  heer  Claes  J»<»^»^ 
altarist  van  Rarop ,  dat  hy  verstaen  heeft  J»  ^ 
pastoer  aldaer,  .  .  datter  zjn  760  communicii^ 
Inform.  213.  ^ 

ALTE,  byw.  Versterking  van  2V  door  ni^ 
van  Al,  in  twee  verschillende  opvattingen. 


i77 


ALTË. 


ALTE. 


378 


1)  In  den  nog  heden  gewonen  Ein  van  te  veel^ 
'e  zêer^   lat.  nmu^  nimium,  tr.  trop,  eng.  ioo.    || 
llte  scaerp,  lUin,  I,  784.  Alte  swaer,  II,  6365. 
üte    ongeniere,    Nat,    BL    lY,   50.  Alte  spade, 
Ujmb.  80;  enz.  Alte  dicke,  £usk.  60. 

2)  Als  bloote  versterking  yan  een  bnw.  ofbijw., 
m  dns  in  den  zin  van  Zeer.  Alte  is  samengesteld 
lit  Al  en  het  voorz.  te ,  hd.  su ,  eng.  to ,  zooals  uit 
Ie  verwante  talen  biykt;  mhd.  ahe,  alsu,  nhd. 
'Jleu ,  mnd.  en  nnd.  alto ,  altgo ,  altze,  eng.  all-to , 
n  den  zin  van  entirefy  (Halliwell  46,  Nares, 
?&«.  14).  Vgl.  De  Jager,  VerseA.  211—226;  zoo 
rordt  nimie  lat.  gebruikt  voor  valde;  ofr.  trop 
oor  bien,/art  (Bnrgnj  Gr.  2,  331),  en  eng.  too 
3  slechts  een  andere  vorm  voor  to,  evenals  mnl. 
e  ook  zeer  beteekende  (zie  te).  Ygl.  onze  uitspraak 
Itee.  Ook  thans  nog  heeft  alte  de  bet.  van ;:^^,  als 
ene  ontkenning  voorafgaat ,  vgl.  Ned.  Wdb.  2 ,  65. 
Iet  is  eene  krachtiger  nitdmklung  dan  harde  of  eere , 
lOch  zonder  eenig  bij  denkbeeld  van  overmaat  of  te 
eel^  welk  begrip  thans  aan  te  en  al  ie  eigen  is  (naar 
Ie  bet  1).  II  Pennevare  was  alte  goet,  Ferg. 
»936.  Och  heer,  dats  alte  wel  geseit!  Rein.  II, 
1242.  Een  les,  dat  alte  segesalich  es,  II,  6782. 
ar.  Als  een  alte  wreet  tyrant,  Sp.  11%  10,  6. 
finne  wrachte  .  .  in  hem  wonder  alte  groet, 
^Amb.  y,  1311.  Die  coninc  .  .  hadde  den  rouwe 
Ite  groet,  YI,  1687.  In  ene  alte  scone  zale,  X, 
149.  Dat  gi  alte  emstlec  bid  voer  mi,  Lutg.  II, 
»95.  Yan  alte  claren  oliën,  Chritt.  644.  Een  alte 
proet  vri  edel  man,  1347.  Met  alte  groten  tranen , 
[446.  So  dat  si  alte  sueteleke  lachte,  1610.  Nu 
)iddic  u  alte  vriendelic,  MLoep  II,  3667.  Daer 
ilte  groten  gerucht  of  was,  CUre  31.  Een  alte 
tchone  nutget,  1).  B.  Gen.  24,  16  (Yulg.  „virgo 
mlcAerriwiar*).  Alte  overgroot.  Geest.  L.  259.  Zie 
rerder  Lep.  U,  28,  47;  Umb.  II,  1243,  1248; 
Y,  49;  VIII,  80,  82,  1243,  X,  166;  XII, 
M,    753;    Chriet.  405,  550,  765,  1117;  MLoep 

,  955,  1822;  II,  1203,  3179,  3674,  3860; 
V,  324  var.;  1284;  Glor.  1074;  lUibb.  121; 
!>.  War.  3,  84;  D.  B.  pattim;  enz.  Een  aantal 
ndere  voorbeelden  bn  De  Jager,  Vertch.  225  vlg. 

—  Alte  sere,  in  dubbel  sterke  opvatting.  ||  U 
;ebet  dats  alte  sere  ontfenclec  ind  anscyn  voer 
nsen  Here,  Lutg.  II,  894.  So  waest  hem  dancleke 
Ite  sere,  Chritt.  282.  Ende  mesliet  hem  alte  zeere , 
(mand  I,  518.  Tot  dat  hi  alte  seer  groot  was 
^worden,  D.  B.  Gen.  26,  13  (Yulg.  „magnus 
ehementer*^).  —  Alte  wale  (wel),  buitengewoon 
7el.  II  Daer  andwerdde  Kerstine  sonder  twifel  alte 
vale,  Latg.  I,  880.  Gi  genoecht  mi  alte  wale, 
^jontl.  439.  Dat  ie  u  alte  wel  sonde  genoegen, 
Sutk.  169.  Ie  sout  alte  wel  derven,  Plageno. 
.73.  —  Zoo  ook   Truw.  66;   Plagerw.  153,  enz. 

—  Alte  gerne,  bijzonder  gaame.  \\  Dese  joeste 
Isdic  alte  gerne,  Ferg.  5443.  Dat  willic alte  gerne 
loen,  on.  Lied.  en  Ged.  468,  360;  Etm.  723.  Ie 
fonts  alte  gerne  proven,  Flaigerv).  76.  —  Alte 
lode,  zeer  ongaarne,  hoogtt  ongaarne,  met  veel 
noeite.  \\  Dat  hi  al  te  node  neemt  wrake,  Chritt. 
)31.  Nochtan  so  deed  syt  alte  noede,  1313.  Dits 
lat  God  alte  noede  anesiet,  Bincl.  1019.  Den  potte 
ilte  noede  ontsinct  den  gore,  daer  hi  ierst  af 
Irinct ,  1083.  —  Naast  alte  komt  ook  de  vorm  aUte 
roor,  welke  nog  heden  in  dial.  voortleeft;  zie 
ff  dl.  Wdb.  2,  66  en  hier  Alste.  Alt  is  als  de 
2de  nv.  van  het  vnw.  al  op  te  vatten,  en  al  als 
\%  4de;  vgl.  veel  te  en  veelt  te,  got.  filaut.  —  In 
Ie  15de  eeuw  vindt  men  herhaaldelijk  den  vorm 
tlien,  die  bepaaldelgk  onjuist  is,  wanneer  er  een 


lidw.  aan  voorafgaat.  Alten  is  misschien  verdedigbaar 
als  de  samensmelting  van  alte  een,  hoewel  de  volg- 
orde der  woorden  bevreemding  wekt;  Alten  teone 
maget  kan  zijn  alte  een  teone  maget.  üit  zoodanig  ge- 
bruik vloeide  waarschynlijk  verder  de  verkeerde  toe- 
passing voort,  toen  men  gedachteloos  a//m  bezigde, 
ook  waar  het  werd  voorafgegaan  door  het  bepalend 
of  niet  bepalend  lidw.  ||  Daer  si  alten  groten 
heer  brachten ,  Clere  19.  Al  hebben  dye  martelaers 
alten  groten  p^ne  gedoget,  Patt,  Fl  9&.  Si  maecte 
alten  groten  huys,  29^.  In  alten  grgten  blQscap, 
31/^.  Si  sanck  alten  soeten  melodye ,  33a.  Mit  alten 
stareken  maecsel,  45c.  —  Deden  si  tymmeren 
enen  alten  vasten  casteel,  Clerc  6.  Enen  alten 
wonderliken  oirdel ,  28.  Enen  alten  devoten  priester, 
Patt.  W.  14^.  Een  alten  sconen  out  man,  25^. 
Meermalen  ook  in  het  Bienboec. 

ALTEEN.  Zie  Altenen. 

ALTEGADER  (altegadere),  byw.  Uit  Al  en 
te  gader,  en  dus  geheel  te  zamen,  geheel  en  al, 
Aan  zelfst.  naamwoorden  of  voornaamwoorden  toe- 
gevoegd, om  in  het  mv.  allen  te  zamen,  allen,  in 
het  enkel V.  of  b^  een  collectief  begrip  allet  te  zamen , 
geheel,  gontch  uit  te  drukken.  Yerg.  bg  Algader. 
II  Daema  gingen  here  ende  knapen  altegader  te 
bedde  slapen,  Lane.  II,  6395.  Mi  heeft  verdreven 
myn  stiefvader  van  minen  lande  altegader,  III, 
15906.  Ende  was  mettem  altegadere  ses  maenden, 
Sp.  III',  45,  22.  —  Somtjjds  als  bloote  bevesti- 
gingsformule gebezigd,  op  gel^ksoortige  wijze  als 
al.  II  Tote  Philippen  in  die  stede,  die  also  hiet 
altegader  na  Phillippe,  Alexanders  vader,  Sp.  I*, 
19,  30. 

ALTEHANT   (altehande,   altehanden,  al- 

TEHANTS,   ALTEHANS,   ALTHANTS ,   ALTHANT)  , 

bgw.  Yersterking  van  Te  hant  door  middel  van 
Al.  Zie  by  Hant.  Mnd.  altohandet,  altohant. 
Terttond,  aanttondt,  weldra.  ||  Bi  der  tale,  die 
Brune  heeft  begonnen ,  bekenden  altehant  Reinaert, 
Bein.  I,  538.  Ende  sietse  liede  van  verren  gaen, 
altehant  heeft  si  verstaen  oft  jagers  sgn ,  die  si 
siet  dan ,  Nat.  BI.  II ,  1035.  Die  brant  verbernde 
dat  volc  altehant,  Bijmb.  16411.  Altehant  viel  die 
vogel  op  dat  sant,  Limb.  X,  1089.  Eer  hoir  die 
heeste  conde  gesien,  was  si  gelopen  altehant  in 
een  hol  dat  si  daer  vant,  MLoep  II,  1034.  Ende 
altehant  so  sendde  hi  sine  knechte  te  Bethleem, 
L.  V.  J.  c.  18.  Doe  ontfarmde  Jhesum  hars,  ende 
leide  sinen  vinger  op  hare  ogen,  ende  si  worde 
altehant  siende,  e.  157.  Dat  dgn  .  .  leven  ver- 
ganclic  is  ende  cort  is  .  .  ende  altehant  eynde 
hebben  sal.  Stemmen  18.  Item  altehant  daema  bi 
IJsebouts  hant,  4  dukaet,  Bek.  d.  Graf.  4, 
174  {in  de  uUg.  Altehant,  en  verkeerdelijk  vooreen 
eigennaam  aangezien.).  —  Zoo  ook  Wal.  2617,  2920, 
4892;  Fhr.  193,  701;  Nat.  BI.  II,  976,  1021, 
lY,  218,  442,  458;  Y,  220;  YI,  714;  Stoke  II, 
187,  1054,  1075;  lY,  688,  990;  Limb.  IH,  77, 
1018;  X,  396,  1018,  1089;  Hild.  165,  83,  enz. 
Altehant  daer  naer,  Ltp.  II,  9,  155.  —  Nevens 
den  gewonen  vorm  Altehant  vindt  men  ver- 
schillende bijvormen,  als:  ||  Altehande,  Nat. 
BI.  II j  1521;  Rijmb.  12552;  Merl.  5142.  Alte- 
handen, Lanc.  II,  27036;  Bijmb.  11700;  i^. 
II*,  12,  20.  Altehants,  Ferg.  3616;  Bote  862; 
Ruusbr.  3,  125,  161,  200;  Nijh.  1,  245,  302. 
Altehans,  Lanc.  II,  44087;  lY,  4673;  Ruusbr. 
1,  121,  123;  5,  99.  Althant,  ^^.4039;  Hild. 
183,  49;  Np.  1,  173.  Althants,  Hild.  90.  90; 
Devoet  B.  (36)  Sv.,  41».,  99r.,  lOOr.;  i&.r.l348, 
236a.  —  Altehant  wordt  ook  versterkt  door  d^ 


379 


ALTE. 


toevoeging  Tan  andere  gelijkbeteekende  woorden, 
als  gereet  en  soruUr  wurre.  \\  Dien  soe  genaecte 
of  dien  soe  beet,  hi  staerf  altehant  gereet,  Heim. 
11b,  Altehants  sonder  merre,  Nijh.  1,  245. 

2)  Uit  de  beteekenis  ran  terstond^  oogenblikkelijk^ 
ontwikkelde  zich  geleidelyk  die  van  Voor  hêt  oogen- 
blik,  thans,  \\  Hoe  men  dat  hier  roortfj ts  plach  te  doene 
en  weten  sQ  niet,  mits  datter  altehants  nyemant 
int  ambocht  woent  diet  gedencken  mach,  Inform.  492. 

3)  Ook  gebmikt  yan  een  oogenblik,  dat  in  het 
verledene  ligl  Zoo  even,  nauwelijkê,  WKtürde  tileec 
in  enen  der  saterdaghen,  doe  die  zonne  althant 
upgheresen  was,  Hs.  v.  1348,  129c. 

4)  Ook  van  het  tegenwoordige  oogenblik.  Nu, 
reedt,  thans,  \kX.  Jam.  ||  Ie  bin  altehants  ontende 
ie  en  hebbe  genen  man,  B.  v.  1357,  106d. 

ALTEMALE,  later  altemael  en  alletrmaf.l, 
bgw.  Versterking  van  Te  male  door  middel  van  A/. 
Zie  bQ  Mael.  Mnd.  aJtomale;  hd.  allzumal. 

1)  Te  eenen  male,  geheel  en  al,  volkomênlijk.  \\ 
Somwyle  vergit  hgs  altemale,  Troyen  f.  170Ó.  Hi 
doet  die  minne  altemale  ute  sinen  sinne,  Parih, 
8162.  Van  diere  groter  qnale  waerstu  genesen  alte- 
male, 8275.  Dat  niemen  altemale  verstaen  mach, 
Bijmb,  48.  Van  Ysmaëlle  latic  altemale,  1972.  Die 
gemeente  achte  niet  altemale  ...  om  dese  tale, 
28711.  Der  Joden  mogenthede  es  vergaen  so  alte- 
male, Teest,  1925.  Eer  gise  altemale  verdoet ,  Zimd. 
I,  1743.  Die  dat  conincrike  na  recht  altemale  sonde 
hebben  verwonnen.  —  In  den  D,  B.  meermalen  ter 
vertaling  van  omnino  oï  penitus. 

2)  Orootelijks,    uitermate,    zeer;    met    dezelfde 
overdracht  van  beteekenis  als  in  heel  voor  zeer.  \\ 
Dat   hi   goet  was   altemael,  MLoep   II,  490.  Die 
mine  danck  ie  altemael,  IV,  1867. 

3)  Aan  een  znw.  of  zelfst.  vnw.  toegevoegd. 

a)  By  een  enkelv. ,  in  de  beteekenis  van  Geheel 
en  al,  gansehelijk;  nagenoeg  gelgkstaande  met  een 
bnw.  in  den  zin  van  geheel,  gansch,  \\  Algeheel 
ende  altemale  so  mste  in  die  maget  smale  die 
Gods  Sone,  Wap.  Mart.  III,  300.  Oite  seide:  „Gi 
segt  wale,  dit  willic  doen  altemale",  ende  heeft 
ontboden  ute  thant  met  hem  altemale  sijn  lant, 
Lorr,  I,  645.  Dien  dach  altemale,  I,  505.  Onsen 
lande  altemale,  I,  851.  Altemale  mijn  gescien,  I, 
891.  Van  Lorein  altemale ,  1 ,  1375.  Altemale 
tRoemsche  rike,  Bp,  III*,  22,  34.  Altemale  Bor- 
goenyen  lant,  IlI»,  18,  26.  Thovet  van  altemale 
Persi,  I*,  29,  2C.  Ende  slouch  hem  af  .  .  een 
legyoen  altemale,  I",  5,  7.  Altemale  hoe  dat 
verginc  dede  hi  scriven,  II* ,  25,  6.  Procureerre  . . 
van  altemale  der  helscher  scaren,  Mask.  92.  Dese 
werelt  altemale,  Farth.  6658.  Van  altemale  mine 
minne,  7545  (in  het  hs.  verkeerdelijk  altemalen). 
Dat  conincrike  van  altemale  Inghelant,  VI.  Rijmk. 
1118.  —  In  denzelfden  zin  ook  Alletemael, 
waarin  alle  de  gewone  wissel  vorm  van  al  is.  || 
Ende  dit  alletemael  ongedeelt  sonder  enige  gelike- 
nisse,  T^raet.  v,  d,  Car,  f.  89r. 

b)  BQ  een  mv.,  in  de  beteekenis  van  Allen.  \\ 
Die  heren  waren  altemale  gescofflert  van  derre 
sage,  Farth,  6781.  Walewein  groetetse  altemale. 
Wal.  2720.  Die  heren  .  .  scieden  altemale,  Lorr. 
I,  1400.  Den  coninc  .  .  entie  {uitg,  enten)  heren 
altemale,  I,  1601;  enz. 

ALTEMET,  ook  almet,  bijw.  Versterking  van 
Te  met  of  Temet  door  middel  van  Al.  Zie  bij  Met 
en  Temet.  Eene  uitdrukking,  die  te  kennen  geeft, 
dat  eene  werking  eelijktijdig  en  in  gelijken  voort- 
gang met  eene  andere  geschiedt. 

1)  Gevolgd  door  het  voegw.  dat.  Altemet  dat. 


ALTE. 


al  naarmate,  al  naar  gelang  dat;  vu  werkiipii 
gezegd,  die  in  verschillende  opeenvol^eade, ■» 
gelgksoortige,  momenten  geschieden.  ||  Inleito 
gevangen  daer,  altemet  dat  si  qnamei,  totitf 
mense  had  bi  namen,  Eleg.  1122.  Altemet  dit  m 
verwinnen,  so  seldise  tnwen  castele  biiueivMni 
in  gevancnessen ,  Lane,  III,  20001.  Eode  ah«t 
dat  sine  ontfingen,  cust  hise,  ^.  II*,89,S4.Ede 
altemet  dat  elc  quam  an ,  leide  hine  Tore  Dna 
voete  dan,  II*,  44,  301.  Ende  altemet  dit igtlfè 
80  wert  haer  dat  licht  gewgdt.  Lip.  1,9.^ 
Want  die  vrecheit  menichfout ,  altemet  dit  b 
mensche  wert  out ,  III ,  4 ,  407  var.  Tvelb  ■ 
becam  so  wale,  dat  ics  mine  becomte  dnc. 
altemet  dat  overspranc ,  O VI.  Lied.  en  Gd  3J 
128.  Ende  altemet  dat  eenige  wethovden  i 
officiers  qnamen  in  de  burch ,  men  sloaclue  it^- 
Cron.  V.  Vlaend.  1,  55.  —  Almet  dat,  ii  i» 
zelfden  zin.  ||  Doe  togen  gene  ridders  iit  tr 
velde  waert ,  met  groten  scaren ,  almet  dit  n  f^ 
wapent  waren,  StokellI,  638.— Altemet  difi 
mede  in  denzelfden  zin.  ||  Ende  altemet  diffè 
melc  begint  te  roome ,  soo  trect  die  matten  icktBi 
Keukenb.  1 ,  26. 

2)  Zonder  dat,  en  dus  elliptisch  gestelde 
verzwijging  der  gelgktijdige  werking.  Id  diiele^^ 
opvatting : 

a)  Allengs,  achtereenvolgens,  jj  Op  Mi»et^ 
si  riepen,  dat  hise  hulp  uten  diepen,  dies  si  bifa 
clein  te  bet,  want  si  verdronken  altemet,  A^'I 
426.  Si  worden  daer  in  gescrifte  geset  ni  kf 
vertellen  altemet,  Lane.  III,  11139. 

b)  Allengs,  langzamerhand,  gaandeweg.  \\  ^ 
altemet  passerden  de  dagen,  ende  de  leeAo^ 
wart  binnen  diere,  VI.  Rijmkr.  6610. Ende ilta^ 
heeft  hijt  ontspaert,  ende  droucht  tsiere  !«* 
vrouwen  waert,  Denkm,  3,  188,  65.  Die' 
Ghendt  quamen  altemet  toe  met  groeten  koQ» 
Cron.  V.  Vlaend.  1,  197.  Niet  .  .  vroech  ryk» 
werden  .  . ,  mer  dat  si  altemet  ende  ill«^ 
toenemen  moghen ,  Dial.  Creat.  67«.  Ie  en  wil  Ef 
haestelijke  werden  die  alrehoechste ,  mffif" 
altemet  ende  alleyncken  proficeren,  tUd. 

c)  Somtijds ,  sommjlen ,  nu  en  dan ,  d.  l  il  i* 
gelang  de  omstandigheden  het  medebrengen,  t<lk» 
als  er  aanleiding  toe  bestaat.  Nog  heden  de  ge** 
beteekenis.  Vgl.  De  Vries ,  Mnl.  Wdb.  214.  S^ 
mach  altemet  den  harync  gekeert  hebben,  Hm^" 

ALTENEN  (alletenen,  altene,  later alteP 
bijw.  van  tijd.  Mnd.  en  nnd.  altenen^  «^^ 
immerzu ,  stets.  Samentrekking  uit  Jl  t*  f^ 
hetzelfde  als  Al  in  een:  zie  bj  Een.  Jatksdei 
voortdurend ,  altijd  door ,  steeds ;  of  wel ,  met  gepiP 
wgziging ,  Gedurig ,  gestadig ,  telkens ,  d.  i  * 
voor^trende  herhaling  met  geringe  tus8chenpo«* 
II  Doenre  Torec  werd  ge  ware,  bleef  hi  ih«* 
siende  op  hare,  ZtfiM?.  III,  26183.  Si  sloegen ilw« 
slach  in  slach,  UI,  17298.  Snn  wert  vjs*» 
datti  altenen  vrouwen  ende  joncfrouwen  ere  ^ 
Ferg.  1218.  Soe  mesbaerde  ende  weende  ilt** 
fVal.  10149.  Aldusdaen  leven  ledde  hi  »lt««! 
Renout  1969.  Dat  hi  sdages  was  alle  tgt  ii  ^ 
keiserlec  abgt  .  .,  op  sijn  hoeft  die  croeneilteei* 
Sp,  II»,  1,  13.  Dat  si  luttel  goet  verteerde,»^ 
altenen  den  penninc  geerde,  Bose  210.  Niea^^ 
en  bilt  si  stille ,  maer  reet  altenen  ten  v# 
waert,  Umb.  I,  138.  A\ae  hi  was  daerindie^ 
so  quamen  altenen  liede  na  dat,  met  <^^'Jr 
vieren,  gewapent  wele,  Velth.  II,  13,  17-^ 
ofte  een  beke  diepe  uut  eenre  fonteinen  liepe,^ 
altenen    vol    ware,   Lsp.   II,   31,  .Sö.  Maer  k  ï» 


384 


ALTE. 


ALTO. 


382 


Iroeyen  ende  wenen  altenen,  Lutg.  Il,  218.  Si 
mogen  wel  vresen  dat  si  alteenen  bernen  selen  int 
lelflcbe  vier ,  D.  War,  3 ,  243 ,  39.  Ende  mi  God 
noete  yerleenen  goede  neeringe  alteenen ,  Vod.  Mut. 
>,  334.  Mi  dnnct  altenen  dat  ie  ride ,  ^o^<2m  IX , 
)2.  Dat  wi  den  wonsdach  nemen,  die  daernacomt 
ilteenen ,  Naiuurk.  49.  Gtel^k  dat  gi  mi  raet  altenen , 
Belg,  Mu».  10,  66,  169.  En  spreect  hy  anders 
liet' alteenen  dan  na  noch?  Nu  noch  201,  verg. 

18.  Aldns  est  metten  genen  die  alteenen  gadert 
mde  oplegt,  ende  die  in  Gode  niet  rike  en  es, 
L.  0.  J,  e,  144.  —  Zoo  ook  Zoftü.  III,  26365; 
Lorr,  II,  2649,  4324;  Sp,  II»,  60,  39;  5a#tf  2602, 
SG4d;  Lmb,  I,  316,  2092;  II,  1614;  V,  206; 
VU,  686;  X,  607,  721;  XII,  737;  Velth.  I,  3, 
)2;  III,  16,  37;  IV,  66,  33,  39;  V,  6,  66;  VI, 
J6,  86;  Brah,  Y.  VI,  4938;  Ltp,  II,  10,  67; III, 
>,  722;  Va»  gevene  116;  LeU.  N.  r.  6»,  93,  7; 
Vod.  Mut.  1,  82,  13;  Vap.Bog.^U]  lf^/.36206; 
*ftj».  —  Alletenen,  in  denzelfden  zin  (over  alle 
ds  wisselyorm  yan  «/,  zie  bij  Al).  ||  Alletenen 
)ereidde  si  hare,  als  ocbt  si  henen  yaren  soude 
ran  ertrike  tehant,  Lutg.  III,  287.  —  Altene, 
ten  min  jniste  yorm.  ||  Dat  si  bereet  altene  waren, 
ila  ocht  si  yan  ertrike  souden  yaren ,  Ckritt.  1936. 
Bnde  yaert  hi  daer,  dat  comt  altene  bi  uwen 
BOonden,  Belg,  Mus,  10,  88,  131.  —  Alteen 
was  mede  een  min  juiste  yorm,  die  yooral  in 
't  rijm  yoorkomt.  ||  In  die  persecncie  swaer  beliedic 
GNmIs  name  alteen  (  :  negeen),  Sp.  II*,  68,  92. 
Dns  wies  dit  kint  in  dnechden  lüteen  (  :  steen), 
Amand  1 ,  163. 

ALTENENGADEB  (alteneoader)  ,  bQw.  Van 
Al  en  Tene»  gader:  zie  by  Gader.  Oeheel  eu  al, 
tén  volle,  te  eeuen  male.  Hetzelfde ' als  Algaderi 
de  ald.  ||  Entie  Sone ,  die  den  Vader  eyengeweldich 
3S  altenengader,  Sp,  I*,  2,  6.  Ende  hilt  alteenen- 
j^er  die  goede  nsagen  z^ns  yader.  Lip,  I,  29, 

19.  Tw^f  dwinct  den  man  altenengader,  I,  32, 
37.  Om  dat  Cham  bespotte  den  yader,  so  wert  hi 
ilteenengader  om  die  zonden  yermaled^t,  I,  33, 
L9.  Viertich  dage  .  .  altenengader,  II,  39,  61. 
Ooe  starf  sine  menscheit  pure  an  den  cruce  altenen- 
^er,  n,  63,  67.  —  Zoo  ook  Rijmb.  29426 var.; 
IfeUb,  707;  Teest.  1868;  Stoke  IX ,  261 ;  Zimd.  IV, 
100;  Jlex.  V,  164;  £dew,  1109  ;ifirr/.  28636;  enx, 
—  Ook  aan  een  znw.  of  zelfst.  ynw.  in  het  my. 
oegeyoegd,  in  den  zin  yan  Allen  gezamenlijk.  || 
loe  God ,  die  hemelsche  Vader ,  den  goeden  altenen- 
gader bistaet,  mids  s^jnre  genaden,  Lsp.  I,  29, 
)6.  Dapr  yielen  si  oetmoedeleke  altenengader  op 
laer  knien,  Braè.  T,  VI,  11660.  Sust. r, broeder, 
noeder,  yader,  die  machtu  yerliesen  altenegader, 
OFl:  Ged,  1,  83,  767.  Altenegader  sinutqupnien, 
Brab.  T.  VI,  11870. 

ALTENENMALB,  b^w.  Van  Al  fan  Tenen  male-, 
sie  bg  Ma  EL.  Oeheel  en  al,  ten  volle.  Hetzelfde 
ils  Altemale:  zie  ald.  ||  In  hebbe  dinc  en  gene 
lo  goet,  .  .  gine  mochter  oyer  gebieden  wale, 
list  uwe  ware  altenenmale,  Boee  fr.  bl.  266, 
ra.  108—111. 

ALTEVOREN,  bijw..  Wal,  2721,  4346,  4649, 
sns.,  hetzelfde  als  Als  te  yoren:  zie  by  Al  als 
selfst.  ynw.  II,  2,  b). 

ALTHOEVICH,  ALTHUVICH.  Zie  Outhoevich. 

ALTIJTS,  by w.,  Han.ff.  42, 81 ;  Fad,  Mus,  6,  366, 
ynz,  Bgyorm  yan  Altijt,  thans  altijd  (in  de  17de  eeuw 
lOg  altijde),  met  de  adyerbiale  #,  die  in  eertijds, 
ntdtijds,  somtijde  en  p^tf//y<ffyoorgoed  is  aangenomen. 

ALTOE,  bijw.  Uit  Al  en  Toe,  eng.  too-,  yerg. 
ld.  dogu.  Zie  Toe  eu  yerg.  Intoe. 


1)  Ook,  mede,  insgelijks,  nog  daarenboven.  \\  Ende 
altoe  sochti  den  roden  riddre  doe,  Lanc.  II,  1313. 
Ende  hi  sette  sgn  swaert  altoe  ten  hoefde  yan  den 
bedde  doe ,  II ,  7906.  Gaherets  swert  brac  altoe ,  II , 
9638.  Ende  doersloech  m||n  gereide  doe  endemgn 
part  doer  die  scouderen  altoe,  II,  14721.  Altoe 
so  moesti  mi  doen  bate  yan  al  der  scade  die  gi 
mi  doet,  Ferg,  4264.  Hare  ontrouwe  brenctse  altoe 
in  den  rouwe,  Lorr.  IV,  112.  Een  sgn  geselle 
sachre  altoe,  Franc,  7274.  8oe  heeft  hi  scande 
ende  scade  altoe,  Melib,  3366.  Ie  wane,mennoint 
en  yemam,  dat  een  graye  eenen  keyser  yerdreef, 
ende  altoe  in  dat  scoenste  bleef,  VI,  Bijmkr.  763. 
Altoe  gelikerwgs,  alse  een  goet  mensche  steet  op 
sine  cleinheit  in  dat  nederste  sgns  selfs,  .  .  soe 
bekent  hi  s^jn  armoede,  Ruusbr.  6,  18.  —  Zoo 
ook  Lanc.  II,  982,  2869,  26892,  32636,  m, 
3330,  10926;  Franc,  6302;  Orimb,  I,  130;  Velth. 
IV,  31,  27;  V,  39,  24;  Hadew.,  I,  79,  49;  eng, 
—  Altoe  wordt  nog  yersterkt  door  ooc,  in  yol- 
komen  dezelfde  opyatting.  ||  Ende  dat  gi  u  oec 
snit  setten  in  des  jagers  genade  altoe,  Lanc,  II, 
610.  Dat  si  heiden  waren  .  .  ende  heidin  bleyen 
ooc  altoe,  Rijmb,  21441.  Sinen  sone  .  .  ende  sine 
dochtren  oec  altoe,  Sp.  IV*,  2,  71. 

2)  Tot  zoover,  zoover  (=  al  tote  dien) 
\\   (Hi)  heft  hare  menlgen  man  genomen.  Altoe 

eist  nu  op  hare  comen,  hi  heftse  beseten  in  haer 
stade,  Ferg.  4473. 

Aanm.  —  Lanc.  II,  664:  „Daer  gene  riddre 
sach  altoe, ^^  is  altoe  ongepast:  men  leze  al  toe, 
daar  toe  by  sach  behoort. 

ALTOE,  wel  yerkeerd  geschreyen  yoor  althaea, 
het  in  de  geneeskunde  bekende  kruid ,  wilde  malva. 
II  Water,  daer  in  ghesoden  die  wortele  yan  altoe, 
radix  althaeae,  Lanfr.  98r. 

ALTOEWAERT  ^altoewaerd),  bgw.  Uit  Al 
en  Toeieaert;  ags.  toveard,  futurus,  tóveardlice,  in 
fnturum  (Ettm.  107);  eng.  toward,  ophanden, 
aanstaande.  Zie  Toewaert  en  yerg.  Intoewakrt 
en  Itoewaert.  In  het  vervolg,  voortaan,  van  nu 
af,  II  Daer  Lanceloet  lange  hadde  gewesen, 
ende  was  een  deel  begonnen  genesen,  dat  hi 
wandelen  mochte  altoewaerd,  Lanc.  IV,  2383. 

ALTOOS  (ALTOES,  later  ook  ALLETOOS,  ALLEN- 

TOES),  b^w.  Mnd.  aüös,  alletds;  Vgl.  mnd.  alteges, 
en  adhier  emmertoos.  Samentrekking  uit  den 
oorspr.  yorm  altoges  (altohes) ;  ohd.  en  mhd.  alzoges 
(Grimm ,  Or,^,  129) ;  adyerbiale  genitief  yan  al  en 
ohd.  mhd.  sog,  zttg,  mnl.  tooeh,  yan  ogerm.  ^vAaf» , 
nml.  tien,  trekken.  Tooch,  eigenlijk  trek,  in  den 
oyerdrachtel^ken  zin  yan  keer  of  maal:  yerg.  ons 
reis  in  denzelfden  zin.  Altoges,  altoos,  is  dus 
zooyeel  als  telkenmale,  telkenreize,  en  het  mnl.  in 
allen  kere, 

VS  In  de  hedendaagsche  opyatting  yan  altijd, 
doch  niet  zoozeer  „om  den  duur  aan  te  duiden," 
maar  yeelal  „in  den  zin  yan  bij  iedere  gelegenheid , 
telkens,  gestadig -^  yerg.  Bormans  op  Christ,  bl. 
606.  II  Die  heyden  hadden  wale  XX  man  altoes 
tegen  eynen  den  synen,  Serv,  II,  681.  Dat  hi 
altoes  ende  heden  yoor  ons  allen  moete  beden. 
Brand,  (C)  2279.  Want  niemen  bat  yerraden  mach 
die  borch  altoes  dan  die  yan  binnen,  Limb,  VIII, 
410.  Onse  amman,  die  nu  es,  ende  altoes  sijn  sal 
ten  tyde ,  Brab,  T.  Dl.  1 ,  bl.  777.  —  Zie  ook 
Wal,  391;  Lsp.  I,  48,  42;  Rein.  II,  3933,  4262, 
4268; Ruusbr.  3,  33;  Rijmb.  en  77or.  (uitg. Hofftai.) 
gloss.,  enz.  —  Alletoes,  Lucid,  6398;  Brab, 
Y,  Dl.  1,  bl.  800,  802,  enz.  AUentoes,  MLoep 
III,  186  yar. 


383 


ALTO. 


ALUU. 


384 


2)  I»  allen  gevalle^  alleszins^  volstrekt \  somtyds, 
als  bloote  beyestigiBgsfonnule ,  voorzeker^  stellig^ 
als  behelzende  de  verzekering,  dat  het  gezegde 
in  elk  geval  of  alleszins  waar  zal  worden  bevonden. 
Hetzelfde  als  emmer  (z.  ald.).  ||  Keye  doe  ene  rivire 
sach ,  die  wide  was  ende  bodemloes ,  daer  hi  over 
moeste  altoes,  Lanc.  III,  22370.  Een  stare  riddere,  die 
altoes  den  swerten  riddere  haettesere,  III,  12218. 
(Hi)  nam  enen  hemenden  brant  sonder  altoes  iemens 
geheet,  Bijmb.  33646.  Hi  was  oec  die  eerste  altoos , 
die  uten  volke  riddren  coos,  Sp.  I*,  40,  29.  Dathi 
XII  jongers  coos,  voer  alle  dandere  lief  altoos, 
I',  5,  3.  Hi  was  altoos  sere  in  vare,  als  die  hem 
selven  sculdich  weet.  Rein.  1, 3003.  —  Vooral  gewoon 
was  dit  gebmik  van  Altoos  in  de  ontkennende 
uitdrukking:  —  Altoos  niet,  in  geen  gevolg 
volstrekt  niety  in  het  geheel  niet.  \\  Die  hadde  so 
groten  sin  torloghen ,  dat  hi  altoes  niet  sine  oghen 
te  lande  en  wilde  keren  weder,  Alex.1^  1107.  Deen 
wille  altoes  niet  dragen  meer  dan  hem  wille  behagen, 
Nat.  BI,  II,  561.  God  antwoord  mi  altoos  niet ,  Rijmb, 
9693.  Heren  ne  sullen  altoos  niet  breken  dat  si  belo- 
ven ende  spreken ,  Heim.  665.  Want  hi  altoes  niet  en 
wonde,  dat  die  dyaken  weten  sonde,  S^.  III^,  39,  61. 
Want  hen  reinde  altoes  niet,  III*,  41,  7.  Dienhi 
altoes  niet  ne  vant,  Lanc.  II,  4071.  Dat  en  mach 
altoes  niet  wesen,  II,  39758.  Dat  h\jt  altoes  niet 
en  dade,  Theoph.  282.  —  Zoo  ook  S^.  1%  13,13; 
III*,  32,  43;  IV»,  76,  60;  II»,  23,  SQO.Nat.Bl. 
1 ,  151 ;  Franc.  6722 ;  Heim.  716 ;  Lanc.  IV ,  1572 ;  enz. 

—  De  ontkenning  gaat  ook  vooraf:  Niet  altoos; 
of  wel  worden  de  beide  woorden  door  andere  ge- 
scheiden: Niet  —  altoos  en  Altoos  —  niet. 

II  In  dEwangelie  es  niet  altoos  hoe  God  dandre 
apostlen  coos,  Rijmb.  22597.  Dat  hi  ten  naesten 
dage  niet  altoos  te  scepe  vare  ho  ga,  Sp.  I*,  42, 
62.  Want  hi  en  lette  niet  altoes,  IV,  39,  20.  Die 
kennets  niet  altoes,  Stoke  IX,  822.  Als  hijs  niet 
en  hadde  altoes,  Nat.  BI.  XII,  649.  Dat  si  niet 
bestaen  de  pine  meerre  broeders  altoos  te  sine. 
Franc.  3093.  Datmen  altoes  in  een  vier  groet  sgn 
herte  verbemen  niet  en  can.  Nat.  BI.  XII,  964. 
Hoe  lange  sal  mi  tquade  diet  «//"oo^  willen  geloven 
niet?  Rijmb.  6697.  Nochtan  wildi  altoos  doen  niet, 
3785.  Dat  hi  altoos  daer  niet  quame,  5395.  Sceed 
altoos  van  Gode  niet,  8846.  Weent  altoos  om  mi 
niet  nu,  26423.  Die  gene  en  es  altoes  ridder  niet, 
die  gerne  dangier  ende  pant  doget,  LaM.  IV, 
6762.  In  liete  altoes  mfln  lief  ni^^ sterven.  Vrouw, 
e.  M.  III,  49,  5;  enz.  —  Ook  wordt  de  uit- 
drukking vergezeld  van  eene  tweede  ontkenning, 
en  dus  dubbel  negatief.  |j  AIsi  dat  in ^^m^h  dingen 
altoos  niet  conden  vulbringen,  Franc.  9081.  Ende 
men  so  ongetemde  scaren  altoes  met  genen  lichten 
dingen  te  wette  niet  mochte  dwingen,  Sp.  III*, 
15,  48.  —  Meermalen  staat  Altoos  ook  zonder 
niet,  maar  hetzij  blootelijk  met  en,  of  met  andere 
ontkenningen.  ||  Maer  altoes  hi  en  woude  crone 
daer  dragen  van  goude,  Brab.  T.  III,  1737.  Ie 
en  doere  toe  erom  no  recht  van  geesteliker  dinc 
altoos,  Rein.  I,  2946.  Een  here  ne  mach  altoes, 
min  no  mere,  dinc  berechten,  Rijmb.  1842.  Maer 
altoes  ne  wisti  waer  hine  verloes,  ^.  III*,  33, 
59.  Dat  hi  altoos  in  gere  wijs  Marten  ooc  n^seide 
mesprijs,  Rijmb.  23233.  Want  si  altoos  te  geenen 
stonden  water  daer  gewinnen  conden ,  14489.  Die^^ 
liet  altoos  in  geenen  dagen  enz.,   S>p.  IV',  31,  39. 

—  Inzonderheid  Altoos  ge  en  (engeen,  negeen), 
volstrekt  geen,  of  volstrekt  niet  een.  ||  So  hoge, 
dat  altoes  geen  man  sijn  nest  ge  vinden  can.  Nat. 
BI.  III    447.  Hoe  hi  mochte  scueren  doen  deu  finen 


haerden  maerbersteen  sonder  altoes  iser  engeent 
VII,  963.  So  datse  man  altoes  negeen  bekinnenu/ 
can,  Rijmb.  234.  Noch  altoos  geen  w^f  name, 
5396.  No  ne  verloos  noit  tant  negeenen  aUoot, 
6443.  Sone  hadde  altoos  Mycol  geen  kint,  10126. 
Dat  si  .  .  altoos  ne  genen  wuch  namen,  19159. 
Ne  drach  altoos  metti  geen  geit,  22773.  Nochtan 
ne  mochte  hi  na  hare  altoos  hebben  geen  ander 
wyf ,  24154.  Dat  hem  en  dede  altoes  ne  gene  pgn- 
lychede,  Sjp.  V,  40,  44.  En  moet  ^««i»  kerstjn  wgf 
weder  deelen  haer  Ijjf  altoes  genen  heidinen  man, 
III*,  4,  55.  Dat  altoes  geen  god  en  ware  dan  die 
anebeden  die  kerstine,  II',  29,  42.  —  Hiertoe 
behooren  ook  ontkenningen  als:  ||  Nemmermter 
altoos,  volstrekt  nooit  meer,  Rijmb.  3092;  Sp. 
m»,  17,  40;  IV»,  77,  31.  Altoes  nemmeer 
dan,  volstrekt  niet  meer  dan,  Sjp.  I"*,  84,  21. 
Niemen  altoos,  volstrekt  niemand ,  Rijmb.  13UB, 
33629;  S^.  I«,  53,  32;  en  in  denzelfden  uu: 
Altoos  niemen  (niemant),  Nat.  BI.  VI,  771; 
Sp.  I»,  41,  29;  Stoke  I,  211.  Altoos  niet, 
volstrekt  niets.  Franc.  3373.  Altoos  niewer, 
volstrekt  nergens,  Nat.  BI.  VI,  371.  Altoos 
maer,  in  het  geheel  maar.  \\  Elc  serpent m mach 
verslaen  altoes  maer  enen  man  te  samen.  Nel.  Bi 
VI ,  34.  Sine  wilder  altoes  maer  ene  hebben  onder 
hem  gemene ,  Rijmb.  34383.  Dat  altoos  maer  een 
God  ware,  ^.  I»,  39,  52. 

=  De  latere  opvatting  van  altoos  in  den  lii 
van  althans,  immers,  ten  minste,  die  vooral  in  de 
17de  eeuw  zeer  gewoon  was,  bleef  aan  het  Mnl 
nog  vreemd,  hoewel  de  beteekenis  2)  er  niet 
zelden  zeer  naby  komt. 

ALÜÜT.  Zie  Uut. 

ALUUTENDE,  znw.  o.  Het  uiteinde,  hetzelfde 
9.18  Alende  (zie  ald.).  In  de  uitdr.  int  alnutende, 
in  de  allerlaatste  plaats ,  bij  slot  van  rekening.  || 
Waert  .  .  dat  de  voors.  cooplieden  int  alhnntende 
daermede  niet  te  payene  waren,  Invent.  v.  Brugft 
3,  211. 

ALÜWIEBE  (aluwire,  alewiere,  alowierk), 
znw.  vr.  Tasch  of  buidel,  die  aan  den  gordel  werd 
gedragen.  Ofr.  alouière  (Roquef.  1,  61);  mltt 
alloverium  (Dnc.  1 ,  192).  ||  Doe  Arac  hi  uut  sire 
aluwire  een  cruet,  dat  was  also  goet  dattet  stelpte 
mans  bloet,  Lanc.  II,  42658.  Flandrgs  den  goeden 
steen  ontfync  ende  wierpene  in  sine  alowiere, 
Flandr.  I,  689  (in  het  hs.  goeten  en  alowerie).  In 
den  alewiere  heeft  hi  ghesteken  beide  broet  ende 
capoen,  Segh.  3155,  var.  Aessack;  (het  wordt  hier 
ten  onrechte  ml.  gebruikt).  Zie  ook  Alivuere. 

ALVE,  ook  ALBE,  znw.  vr.  Lat  alba,  ft.  eek- 
Zie  Duc.  1,  163.  Het  witte  linnen  kleed,  dat  ii 
dienstdoende  priester  aanheeft.  \\  Nu  trect  hi  ane 
een  linen  gewant,  dat  ene  alve  es  gênant,  Rf^- 
d.  M.  179.  Dalve,  dats  dat  lange  cleet  dat  hem 
tote  op  derde  sleet,  Lsp.  II,  51,  103.  Een  cleet, 
dat  men  noch  ene  alve  heet,  Sp.  V,  94,  22.  Dat 
hi  die  alve  oec  andede,  ald.  vs.  37  (in  de  Prosa- 
Vert.  albe).  Hi  hadde  een  alve  aen  met  eender 
stoole,  ghelijc  een  dyaken,  Fersl.  en  Jffw.  IV,52. 
Ende  deden  desen  valschen  bisscop  aUe  priesterUcke 
gewade  an ,  daermen  misse  mede  doet.  Ende  deden 
hem  eerst  weder  uyt  die  casufele,  na  die  stole, 
na  die  hantvane,  na  dat  gordel,  na  die  alve,  na 
die  amicte,  Matth.  Anal.S,  287.  Die  vrouwe . .,  die 
te  nacht  sgn  alve  naeyde,  B.  War.  5, 399.  Men  dede 
hem  af  alve,  amicte  ende  al  ghereetsel,  Matth. 84. 

ALVINNE.  Zie  Alf  (2de  art.). 

ALVONDERTIJT.  Zie  halfondertijt  en  vgL 

ONDEREN. 


85 


ALWA. 


AMAL. 


386 


ALWAER8  in  de  nitdr.  alwaers  wanen,  zie 
p  Waer. 

ALWARICH  (Alwerich),  hetielfde  als  ael- 
•TARiCH  (aie  ald.),  doch  met  het  bgw.  al,  en 
iet  ael  samengesteld,  hetgeen  ook  het  geval  is 
iet  de  onder  aelwarich  genoemde  voorbeelden. 
)o«»,  onnoozel,  hd.  albem.  \\  Ware  een  couinc 
i  heme  ....  ende  wencde  den  coninc  din 
rmen  mensce  te  heme  ende  var  dan  der  gene  also 
Iwereg ,  dat  hi  bo  blide  ware  van  din  wenckene , 
at  hi  ten  coninc  nit  en  qname,  dat  ware  een 
omp  mensce,  lAmb.  Sertn.  96<7.  Vgl.  Etst.  v.  Dr, 
08 :  ^So  alevjeer  ende  geck ,  dat  de  gheen  tuichnisse 
onne  doen." 

ALWEGE.  Zie  Allewege. 

ALWELDICH  (alweldech),  -dige  of  -degey 
uw.  Almachtig.  Mnd  alweldieh.  Verg.  Algewel- 
ICH.  II  De  alweldete  God,  L.  o.  H.  650,  813.  O 
Jreoverste,  want  dn  bist  alweldigh  ende  goet, 
toec  der  Minnen ,  f.  29. 

AMACHTICH  (aemachtich,  amechtich)  ,  of 
TECH,  -tige  of  -fege,  bnw.  Ohd.  amacAtig,  van  het 
nw.  fli«fltfA^  (ohd.,  mhd.),  onmacht ,  zwakte  (Grimm, 
?r.  2,  706),  gevormd  nit  moAt  en  het  voorv.  «,, 
at  de  ontkennende  kracht  heeft.  Zie  De  Vries ,  Mnl. 
Vdb.  6  en  beneden  op  Awech.  Later  ook  verbasterd 
ot  Aelmachtich  (zie  ald.),  en  tot  Aenmachiieh:  vgl. 
Lmachticheit  en  De  Vries  in  Taalg.  1,  247  vlgg. 
\[achtelooê,  afgemat,  uitgeput,  vertlagen,  t.  w.  van 
'ermoeienis  naar  lichaam  en  geest,  jj  Als  hi  den  swar- 
en  in  den  stride  amachtich  sach ,  was  hi  blide ,  Wal, 
►961  (verg.  vs.  9944).  Ende  selen  gaen  amechtech 
lan ,  dats  enech  cnme  gespreken  can ,  Velth.  VIII, 
11,  69.  Dat  herte  van  Egipten  sal  amachtich 
vorden  in  midden  hem  (Vnlg.  tabeteet) ,  J).  B.  Jet. 
9,  1.  8i  snllen  wandelen  ende  niet  amachtich 
rorden  {deficiënt),  Jes.  40,  31.  Doe  hij  dit  hoerde, 
o  wort  hi  aemachtich  van  rouwen  (eontternatut 
mimo  deficiebat) ,  I  Machab.  4 ,  27.  Mijne  ogen  snn 
imachtich  geworden  om  die  tranen  {defeceruni) , 
riaagl.  v.  Jer.  2,  11.  Ende  sloech  die Philistinen , 
ot  dat  sijn  hant  aemachtich  wort  {d-eficerei),  II 
^m.  23,  13.  Zoo  ook  Jes.  44,  12;  47,  13;  13,  7; 
9,  3;  Jerem.  6,24;I  &»f.  14,  29 ;  II  iSa»f.  16 ,  2, 
nz.  Si  liet  haer  amachtich  hoeft  vallen  op  haer 
oncwijf ,  D.  B.  Esther  16,  7.  Een  dorstich  ganger  tot 
lat  hij  amechtich  wert,  Hs,  v.  1423,  252rf  (223r: 
imachtich).  Doe  sj  dese  wachters  saghen  voer  die 
Loere ,  soe  woerden  sj  amechtich  ende  sonder  sen , 
mde  woerden  stom  ende  vielen  ter  neder,  Vaderb. 
\Sa.  lek  worde  amachtich  ende  verbarne  al ,  Peas.  W, 
\2a,  Ende  vanten  amachtich,  soe  dat  hi  tghebot 
liet  voldoen  en  mochte,  64c.  Hy  hadde  soe  groten 
[ust  van  dien  appelen,  dat  hi  volna  amachtich 
weri,  227a.  Amachtich  van  hongher,  184<?.  Amach- 
tich van  moetheden,  2206. 

AMACHTICHEIT(amechticheit),  -hede,  znw. 
^r.  Machteloosheid,  afgematheid,  uitputting,  verslagen^ 
keid.  II  Ende  worden  verwandelt  in  amachticheit 
ende  in  angst  (Vnlg.  in  dissolutianem) ,  1),  B,  II 
Machab.  3,  24.  Doe  si  .  .  van  amachtichejt  haer 
hooft  liet  vallen  in  een  joncwjjfs  scoet.  Pms.  W, 
31c.  Ie  lide  stedeliken  des  morghens  amechticheit 
des  herten ,  Bienb,  78Ó.  —  Zoo  zal  ook  wel  te  lezen 
EQn  ald,'.  Des  morghens  .  .  began  dat  ^iamtoch- 
tich  (1.  amachticheit?)  des  herten  te  liden.  —  Later 
ook  in  den  verbasterden  vorm  Aenmachticheit.  || 
Want  hy  (de  sojfraen)  is  sonderlinge  goet  tegen 
cranckichejt  der  magen  ende  tegens  aenmachticheyt 
(Lat.  defectum  eordis),  Barthol.  604a. 
AMALEEREN.  Zie  ameloieren. 


AMA(E)LGIEREN.  Zie  Amelgieren. 

AMANDELEIT ,  znw.  onz.  Van  een  mlat. 
amandaUtum,  ofr.  amandelet,  dat  niet  schgnt  voor 
te  komen.  Kooksel  van  amandelen,  amandelpodding, 
II  Amandelejt:  .  .  wrjvet  wittebroot  ende  tempert 
met  amandelen  melke ,  ende  doet  in  eenen  pot  een 
lettel  soffraens  ende  snkers  ghenonch  daer  toe, 
ende  doet  zoo  sieden,  Keukenb,  4,  14.  Een  aman- 
deleyt,  bl.  9. 

AMANDRE  (amandere),  znw.  vr.,  mv.  aman- 
d{e)ren.  De  bekende  vrucht,  thans  affioiM^/ genoemd. 
II  Om  amanderen,  AUx,  VI,  620.  Van  amanderen 
ende  van  allen  dinghen  die  behoren  te  scortsen, 
Tolbrief  v.  Aardenburg,  in  i^.  W,  Lett,  6,  89. 
—  Ook  gebmikt  van  het  ziekelijke  gezwel  in  de  keel. 
II  Van  branken  of  amandren.  Het  wast  onderwilen  in 
die  kele  ene  swillinge  ende  dat  achter  an  die  tonge 
alse  twee  amandren,  Hs,  Yp.  137c.  Ziedi  ten  ende 
vander  tongen  die  2  alse  amadren  (/.  amandren). 

*AMANS.  Verkeerde,  meermalen  voorkomenae, 
lezing  voor  Amaus  (z.  ald.). 

AMAUS ,  -se ,  znw.  onz.  (en  soms  vr^  Verbasterde 
volksuitspraak  van  fr.  émaux,  mv.  van  email,  evenals 
de  gewone  mnl.  vorm  voor  emailUeren  was  amel- 
gieren. Vgl.  ALLEISE.  Dat  de  term.  amau^  voor  émail 
gewoon  was ,  big  kt  uit  Chomel  (bl.  86 ,  verf.  626 
vlgg.) ,  die  Amausum  verklaart  door  „al  het  zodanige 
smeltglas ,  dat  tot  emailleeren  gebruikt  word" ,  en  bg 
het  ail.  Emailleeren  telkens  van  amaus  spreekt. 

Geëmailleerde  plaat,  veelal  met  wapens,  die  er  op 
stonden  afgebeeld ;  inzonderheid  die,  welke  herauten, 
trompers  van  gilden  enz.  op  de  borst  droegen; 
wapenschild.  Verg.  La  Cnme  6,  39,  op  Esmail; 
Littré  1,  1332,  alsmede  Van  Wijn,  Avondst.  2, 
160,  Taal-  en  Ltb.  3,  148;  226.  ||  Item.  .  . 
ghegheven  Scoenhoven  miins  heren  hyeraut,  tenen 
amause  te  helpe,  daer  miins  heren  wapene  an 
stonden,  dat  hi  voer  him  droech,  2  mare.  Bek, 
der  Oraven  v,  Blogs,  bg  Jonckbloet ,  Ö«c^.  rf.  Jtfi»/. 
JHehtk,  3,  628.  Item  ,  van  2  verhouden  amausen 
mit  raechen,  die  miin  here  ende  de  here  van 
Herlaer  an  den  hals  dragen,  4  mare,  ald,  629. 
Item  .  .  den  hyraude,  tot  eenen  amause,  dat  hi 
voir  hem  droech  van  mgns  heren  ende  sgnre 
broeder  wapene,  6  franke ,  a/of.  633  (by  Jonckbloet 
op  al  dese  plaatsen  verkeerdeiyk  amanse),  Janne 
den  Conckebackere  den  zilversmit,  van  dat  bi  laste 
van  den  Beurchmeester  hi  vergoud  heeft  damausen 
van  den  prijsscalen  van  den  scietspele,  .  .  betaelt 
bi  cedulen,  8  schell.  6  gr.,  Bek,  van  Sluis  van 
1443,  in  Taal-  en  Ltb,  3,  226;  verg.  ald.  149. 
Elcke  belle  was  gheamelgiert  ende  op  elc  amaus 
stont  gescreven  also  ghi  horen  snit,  Pelgrim  23c. 
Het  braseren  van  fijnen  goude  op  fijn  silver  nocb 
gheen  goudt  te  verwercken,  overladen  zijnde  mei 
sauduren  ofte  amanssen  (1.  amaussen),  Beg,  d,  PI, 
2a,  Draetwerken  ofte  cleyne  wercken  op  amansen 
(1.  amansen)  geladen,  ald.  Dat  deselve  (gouden 
werken)  oock  niet  onbehooriyk  en  sullen  mogen 
gesondeert  syn  ofte  met  ammusen  (1.  amausen) 
overladen,  Handv.  v,  Enkh,  274a,  Vgl.  emaus,  ald. 
276a.  Van  twee  amausen ,  die  ghestelt  waren  in  de 
vorseide  beckinen  met  scildekinen  van  sbisscops  wa- 

5 ene ,  Invent,  v.  Brugge  3 ,  263.  De  amausen ,  die  an 
e  waterstopen  ghemaect  waren,  4,  436.  Van  den 
amausen  metter  wapene  van  der  stede,  6,  76. 
Zelverin  scalen  met  eender  amause  in  den  bodem 
van  der  wapene  van  der  stede,  6,  484.  Frocx 
(fraks)  diemen  hiet  quenen,  voren  ghecnopt  met 
amausen  .  .,  oft  som  met  peerlen  knopen  .  .  ende 
scaerlakenen  capproenen  met  gheamalgierde  knopen 

13 


(  il 


387 


AMBA. 


yan  selvere  ende  van  tmaiueii,  Ese.  Oron.  v, 
Flaend,  ƒ.  66,  aangeh.  Gloss.  Invent.  v,  Bmgge%, 
Vgl.  De  Vries,  Mnl,  Wdb.  op  amanse. 

AMBACHT  (ambocht,  ambt,  ampt,  amt)  ook 
in  den  vorm  ammett,  ammet  (lie  ald.);  snw. 
m. ,  got.  andbakta ,  ohd.  ambaht ,  ags.  ambtht^  mhd. 
niet  meer  (Grimm,  Wtb.  1 ,  28,  doch  ygl.  Lubben  1, 
69)  bekend;  mnd.  ambaeAt,  ambeeht^  ammêckt^  ampt\ 
ygl.  08.  ambahteo.  Yoor  de  etymologie  yan  het 
woord  Eie  De  Vries ,  Mnl,  Wdb.  220  vg. ,  doch  ook 
Klnge ,  Eitfvg,  Wtb.  7 ,  alwaar  tegen  de  afleiding  nit 
het  Keltische  a$nbactut  gegrond  bezwaar  wordt  in- 
gebracht, en  Leo  Meyer,  IHe  Got.  »praehe  47.  Dienaar^ 
beéiende,  trawant,  beamte.  \\lc(de  hel)  yerloos  al  mine 
yirtnut,  ende  ooc  al  mine  ambachte  waren  berooft 
yan  haerre  machte,  Ltp.  II,  36,  1570.  Die  helle 
gheboot  haren  ambachten  datsi  die  poorten  wel 
wachten,  ald,  1606.  Segelaers,  rentmeesters,  bail- 
linwen,  rechters,  scepene,  tolnaers  ende  alrande 
ambochte,  die  ons  ende  onsen  lande  nntte  zijn,  te 
settene  ende  te ontsettene,  OorH.2,(^b (a.  1299). 
Des  donredaechs  .  .  bleef  m^n  here  noch  in 
Middelborch  .  .  3  daghe,  daer  die  sommeyanden 
cost  af  beliep  oyermids  alle  die  ambachte  zonder 

Sroyanchie  177  0,  Rek.  d.  Gr.  3,  305.  Deszater- 
aechs  .  .  leverde  men  alle  die  ambachten  mijnre 
yronwen  ghesinde ,  290.  Des  dinxendaechs  . .  bleef 
myn  here  noch  tot  sente  Gheerdenborghe  al  den 
dach  .  .  ten  eten ,  daer  die  somme  af  liep  van  den 
cost  yan  allen  ambachten  26  ^ ,  298.  —  Nog  heden 
is  in  Göttingen  en  omstreken  de  amte  de  naam 
yoor  j^af»^  (Schambach  9). 

AMBACHT  (ambocht,  anbocht,  soms  reeds 
ambt)  ,  znw.  o. ,  got.  andbakii ,  ohd.  ambahi{x) ,  mhd. 
ambakte,  mnd.  ambacht  (en  17  min  of  meer  af- 
wekende vormen  by  Lubben  1 ,  67^.  Ndl.  in  twee 
vormen:  ambacht  voor  lagere  bearyven,  en  amt 
(hd.  amt)  voor  hoogere  bedieningen. 

1)  Bediening,  beroep,  werkkring,  in  het  algemeen. 
II  Wi  dienen  (God)  met  ambachte  ogfte  sonder  am- 
bachte, lamb.  Serm.  Wat  wi  arbeit  ende  commers 
hebben  bit  {met)  ogte  sonder  ambachte,  dats  al 
een  dinst  vor  Gode,  ald.  (De  eenheid  met  God) 
vlojt  .  .  in  yeghe welken  sonderlinghe  na  sijn 
ambacht  ende  na  sine  weerde  ende  na  sine  wise 
daer  hi  Gode  in  dient,  Ruusb.  5,  190.  Ghelijcdat 
inden  lichame  s^n  vele  lede  .  .  die  alle  diverse 
werke  werken,  alsoe  syn  onder  die  menschen  .  . 
diverse  ambachte  gheset,  Doet.  II,  3468.  Van 
allen  ambochte  so  bem  icke  {van  hoogere  beleningen) , 
Rosé  104%.  Set  men  tenen  ambochte  mede  {een 
eerambt  (vgl.  3008  vg.) ,  hi  hont  zine  omoedichede , 
Franc.  3019.  Dese  {de  engelen)  dienen  dach  ende 
nacht  haren  scepper  .  .,  elc  van  sinen  ambachte, 
daerse  God  selve  eerst  toe  ach  te,  Lsp.  I,  4,  7. 
Sine  wonden  ghedoghen  .  .,  dat  men  heerscap, 
ambacht  of  ere  hen  of  haren  kinderen  gave ,  Teest. 
1364.  So  wie  scont,  scepen  of  raet  te  Leyden  is, 
die  en  sel  niet  ghecoren  worden  goodshuysberader, 
gasthuysmeester ,  berader  van  den  heylighen  gheest 
noch  in  gheenrehande  ambocht  datter  poirte  toe- 
behoirt,  Leid.  Keurb.  11,  2.  Si  en  setten  nieman 
tambocht«n  daer  hi  toe  niet  en  dochte,  1250.  —  Zoo 
ook:  „het  ambacht  der  Apostelen ,"  Runsb.  3,162. 
rMatthias)  was  ghelot  in  den  lotte  des  ambochts. 
Ut.  V.  1348 ,  212a.  Die  stat  des  ambochts  ende  der 
apostolQcheit,  212*.  —  Vooral  gewoon  in  de 
volgende  toepassingen: 

2)  De  kerkelijke  bediening.  —  a)  De  bediening, 
het  ambt  van  hoogere  en  lagere  geestel^ken.  ||  Ie 
wille  Q  segghen,  van  wat  ambachte  si  plach  te 


AMBA. 


wesen  langhen  tyt  int  cloester,  Beatr.  S6.  Dtik 
{TheophUu»)  qname  ende  sgn  ambacht (TUtf/bc^ 
wedemame,    Theoph.  611,  vgl.   ^.  Hl',  39,ü 
Hare  prelate  ende  die  ghene  die  ambachteB  béki 
Runsb.    4,   39.    Ist   dat   hi    {de  ordeinede]  a 
ambocht  hevet,   D.   Orde  264.  Die  wiledtiia 
die  vorghenoemde  lantcommendur  an  hore  us^mi 
liet ,  288.  Der  broedere ,  die  daer  groeter  labvk 
pleghen ,    ald.   Als   men    hont   groet  capetel.  i> 
sellen  alle   die  ambochtslude   die  men  iet  ai&s 
groten    capetel    hoer    ambocht    opgheveo  ii  ^ 
capetele ,  284.  Dat  men  n  in  enech  cloesta .  a 
enech   ambacht  setten  sal,  Lutg.  II,  20.  Anqi 
ambacht   reyne,  knyssche  ende  eemstacht,  Sm 
I,  746   {v.   e.   bitsehop).    Zoo    ook   Bijwi.  ISSil 
20806,  vgl.   Sp.   III»,   15,  8;  Ttt.  Bl.^sm,^ 
ambocht  dat  generale ,  generale  officium,  FtêêcIS^ 
Tambocht  nemen ,   de  geestelijke  bediening  (ii  i 
Minderbroedersorde)  aanvaarden ,  1964.  Met  ka 
ambachte,    kerkelijke   bediening,   Velth.  Til,  S 
40.   Doe  hi  dns  sgn  ambochten  bevolen  hid^ 
soeven  joncvrouwen,   Verel.  en  Ber,  V,  29.  Vuè 
zeven  diakenen,  Sp.  V,  43,  52.  Van  eenibtj' 
67,  146;  enz.  —  *)  Kerkdienst,  bediening  der kffi^ 
lij ke  plechtigheden.  ||  (Paus  Leo)  vemuwedeopïik 
neder   der  kerken   ambachte  gewQt,  Up.  11,^' 
286.  Op  enen  tyt,  dat  Zacharias  .  .  sgnsamk^ 
soude  plegen  in   den  tempel,  L.  v.  J.  c  tl 
stont    ghereet    sQns    ambachts    te   pleghene  o» 
toflfeme  wiroc  op  den  ontare  na  de  ghewoeatesni 
ambachts,  ald.  (Vnlph. //«/r.  1 ,  23:  dagot êndUHn 
ie).  Dat  Moyses  placn  te  doene  met  dencilTediti 
vore  sonden  offerde,  doe  hi  dat  ambacht  nsGtf 
weghen    dede,    Ruusb.   2,  55.   Eest  datmei  k« 
ambachte   beveelt   ofte  prelate  kiest,  3,  191-^ 
die  zalmen  {psalmen)  ende  aen  andren  dingbeiö 
ten  ambocht  behoren ,  D.  Orde  220.  Die  tmboei» 
der  priesteren,  D.  B.  II  Chron.S,U.Ï)ittB^ 
der  offranden,  Hs.  r.  1348,  191  d.  Sjjn  ambockt» 
sinen  priesterscepe,  214r  {van Zacharias).Ttviïï^ 
des  bisscops  ambacht,  /JywA.  13224. Dyeoffic»* 
ambochte  der  kercken  is  gedeylt  in  psalmody»^ 
sanghe  ende  in  lesen,  Pass.  W.  65a.  Dtt  laW 
der   wijnghe,    69r.   Zoo  ook  83^;  Ruusb.  6,13- 
D.  Orde  251;  enz.  —  Vooral  van  de  bedienmjtf 
mis.    II    Hi    begonste    dat   ambacht   onser  ItoJ 
te  vespertide,  Ruusb.  3,  153.  Eer  mendatimbedj 
van  der  missen  beghint.   Leid.  Keurb.  51^,^-*^ 
dat  ambacht  was  ghedaen   ende   hi  god«  lic*J 
hadde    ghenomen,    Serv.    I,    1468,   vgl.  Ut^ 
Ten    ambacht   vaen,    den   dienst   beginnen,  1* 
Dat  ambacht  spreken,  de  mis   bedienen,  ^^ 
249.  —  c)  Ook  in  de  concreete  bet.  van  ievc^ 
eener    mis.   \\   Mede    so   dichte    hg   een  beel» 
ambocht,  datmen  huden  des  daechssingetop^ 
Martij  ns  dach  translatio,  Matth.  Anal.  3,  61 

3)  De  rechterlijke  bediening.  —  a)  De  *^ 
van  den  ambtenaar,  wien  de  uitoefening  der  rec^ 
macht  en  de  waarneming  der  rechten  vii 
landsvorst  waren  toevertrouwd.  ||  «^^^^J 
potestatem,  in  Alcmere,  quae  ambacht  to^ 
Teotonice,  Kluit,  Rist.  Crit.  2,  126  (*•  l^" 
Jurisdictionem  quae  ambacht  dicitur,  ^^^*i 
206*  {a.  1230).  Dat  elc  rechtere  sgn  ambachtw» 
van  der  Gods  cracht,  Doet.  II,  3407.  l^ 
rechtere  hoert  toe  .  .  ende  dat  sinen  m^^ 
toehoert,  III,  716.  Tes  rechters  «mbwliw^ 
hoert,  dat  hi  dat  recht  altoes  voertsteke  o» 
onrecht  veile,  Lsp.  III,  11,  66.  Den  P^^ 
in  voordele  van  ambachte  setten ,  wtet  een  r^ 
ambt    bekleeden,    dat  geldelijk    voordeel  opitt^' 


\m 


AMBA. 


AMBA. 


39Ó 


II,  16,  142.  Dat  ie  niene  moeste  doen  enech 
mbocht  van  advocasien,  Masi,  441  vlgg-  Die 
age  na  sgns  ambachtfl  staet  moeste  selve  beteren 
lie  mesdaet,  705.  —  Meestal  van  de  lagere 
eehtsmaeht  gebruikt.  ||  Yan  den  ambachte,  daer 
i  af  dienen,  Heeln  4558  (v.  e.  amman^  schout 
in  meyer).  Dat  scontambocht  aenvaen,  Mieris 
I,  488  vl^,  pastim,  4d3a,  457a,  e.  e.  —  Soms 
K>k  van  de  Aooffe  reekttmaeht  of  haUheerlijkheid. 
II  Doen  was  haer  Molrepas,  die  drossate  tevoren 
v^as,  van  den  ambachte  gbedaen,  Heeln  1517. 
fQn  ambacbt  ontseggbic  di  te  hant  {God  tot  den 
luivel),  Matk,  774  (vgl.  Kerl,  2616:  Ie  ontsegge 
li  te  bant  mine  heerlicheii),  —  h)  Yooral  in  Hol- 
and, de  benaming  der  heerlijkheid  met  la^en 
echtedwang^  ambachtsheer  lij  kheid  ^  zooals  bet  ook 
genoemd  werd ,  of  ambochtsheerseip.  Vgl.  De  Vries , 
ïfnl.  Wdb.  223.  ||  Alle  dat  goet,  ambochten  ende 
^ericbten,  die  Willem  van  Herlem  van  ons  belt 
e  lene,  Meyl.  Deljl.  Bijl  »•.  130  («.  1318).  Van 
»n8  te  bonden  te  lene  dat  ambocbt  van  Zoeterwonde, 
n  znlker  manieren,  alse  andere  ambocbtsberen 
imbocht  in  HoUant  van  ons  honden,  Mieris  2, 
L6a  {a.  1305).  Dat  vorseide  lant  leget  binnen 
nijns  heren  ambochte  van  Fraet  in  Watervliet, 
^ad.  Mus,  2,  370.  Wil  yemant  vercopen  siin 
imbocht,  siin  sone  of  sün  dochter  .  .  .  moghent 
relden  elc  ghemet  om  een  fii,  Oorkb.  2,  331,  13 
a.  1290).  Elc  ghemet  ambochs  salmen  lossen  om 
richtien  scellinghe  ende  elc  ghemet  leenlants  om 
Irie  pont,  ald,  —  Ambocbt  heffen,  eene 
imbacAtsheerlijkheid  of  erfelijk  sehoutambacht  in 
'een  ontvangen.  \\  So  wat  portre  dat  ambocbt  hefd, 
li  mach  dat  ambocbt  ende  de  liede  dier  in  woenen 
rervogheden,  alsof  hi  zelve  in  tambooht  woende, 
Torkb.  1 ,  3136  (a.  1254).  Dat  ie  hebbe  ghegheven 
n  rechter  manghelinghe  Bondine  .  .  80  mergen 
^heëvens  ambochts  int  oude  lant  van  Dnvelant ,  2, 
\00a  (a.  1282).  Zie  nog  ald,  en  in  de  gelyksoortige 
>orkonde  n<».  465,  bl.  205,  waar  de  nitdr.  nog 
weemalen  voorkomt.  —  c)  Bechtsdistrict,  hd.  bezirk; 
echtskring,  door  een  afzonderlijken  ambtenaar 
»erecht.  Vlaanderen  en  Vlaamsch-Zeeland  telde  een 
;TOot  aantal  ambachte  of  districten;  het  Vr^e  van 
irngge  met  90  dorpen  was  verdeeld  in  35  ambachte, 
in  bekend  zijn  vooral  de  Fier  ambachte  in  Zeeuwsch- 
riaanderen.  Zie  Wftmkönig  1,  296;  Fl.  Rijmk. 
.0129,  10184,  enz.  Vgl.  verder  Kluit,  Hist.  d.Holl. 
^taatereg.  5,  272  vlgg.,  Oudenh.  Z.  Eoll.  449; 
feylink,  J>elfi.  86  vlgg.,  enz.  ||  Mees  die  wever 
ait  brieven  plackairt  uter  Hage  gezent  inZeelant 
len  allen  steden,  mannen,  ambochten,  heren  ende 
goeden  Inden,  Oarl.  v.  Albr.  50.  Dat  alle  goeden, 
eggende  binnen  die  vryheyt  der  steede  van  Delft 
laer  gheen  ander  rechte  ofte  usancie  van  den 
imbochte  geuseert  en  wordt,  erven  ende  besterven 
lullen  nae  aesdomssche  rechte,  K.  en  O.  v.  Delft  130 , 
r.  Onse  ambogthe ,  de  dar  doer  {de  sluis  te  Bridorpe) 
jleghen  te  wateren,  Oorkb.  2,  258a.  Syn  ambocbt , 
lat  hy  nu  ter  wilen  hevet  in  Cats,  ende  in 
Smelisse  enter  Wellen,  ende  houdt  jegens  elf- 
londert  mete,  Mieris  2,  253a  (a.  1321).  Dat  si  voir 
lem  voldoen  alle  dieghene,  die  in  den  twiste 
v^aren ,  daer  Jan  Veren  Beien  soen  doet  bleef,  ende 
imbocht  hadden  in  beyden  siden,  tot  verschillende 
'echtedisiricten  behoorden  (?),  2526  (a.  1321).  —  Vooral 
jrewoon  in  Zeeuwsche  stukken, oorkonden, rekenin- 
a^en  enz.  Zie  b.v.  Bek.  v.  Zeel.,  waar  het  woord  tallooze 
malen  voorkomt,  ook  in  den  zin  van  eigendom  in  land, 
>orspronkeiyk  onder  leen  verband  aanvaard,  ^^rr^f^- 
lenriale.  Vgl.  ook  oeambacht  en  ambachtsheer. 


4)  Ieder  burgerlijk  ambt,  elke  post  of  bedientng , 
door  den  landsheer  of  de  overheid  aan  iemand 
toevertrouwd  of  in  leen  opgedragen.  Vooral  in  samen- 
stellingen. II  Dat  scbrijfambacht  tot  Rotterdam, 
Mieris  2,  575  a  (bis).  Dat  clerckambocht ,  dat  bode- 
ambocht,  die  scbole,  die  costerye,  3,  613a, 620a. 
Scroedambocht  ende  soutmate,  497a.  Dat  roupam- 
bocht  .  .,  dat  brouambocht,  Inform.  460.  Clerc- 
ambochte,  costerye,  boedambochte  noch  gienen 
dienste  van  der  stede  weghen  langher  begheven 
of  verbuyren,  O.  W.  v.  Amst.  34,  ^\  enz.  —  Zie 
die  woorden. 

5)  Ambacht  in  den  nog  heden  gewonen  zin. 
—  a)  Handwerk,  nering ,  broodwinning ,  dagelij ksch 
bedrijf.  De  handwerkslieden  waren  oorspronkelijk 
dienstlieden  {ministeriales ,  vgl.  fr.  métier  van  minis- 
terium).  \\  Dat  hi  nemmermeer  en  gedijt  ane  s^n 
ambacht  diet  node  doet.  Boet  Hl,  256.  Riec, 
pike,  vlegel,  stocken,  hake,  sceppen,  swingen, 
rocken;  wat  dat  si  gegripen  conden,  also  alsi  in 
haer  ambacht  stonden,  Lanc.  U,  38381.  Leeft 
een  poertre  up  sine  rente  oft  heeft  een  neeringhe 
met  ambachte,  Benkm.  3,  214,  42.  XVc  bigetalle, 
die  van  ambachte  waren  alle;  sulke  lieden  wonnen 
wgngaerde,  mersche,  bossce  ende  boomgaerde, 
sulke  wonnen  coren  ende  lant ,  Ben.  768.  Dambacht 
van  surgyen ,  Melib.  265.  Den  scinekere  gaf  hi 
sQn  ambocbt,  Bijmb.  2973.  Van  een  wever,  Heim. 
1632.  Van  een  smid,  1655.  Van  een  monnik, 
MLoep  II,  671;  vgl.  4?.  III»,  38,  32.  Zie  ook  Fl. 
Bijmkr.  9198, 9205;  Lsp.  III,  14, 115 vlgg.;  MLoep U, 
665  vlgg.;  Sp.  H',  38,  28;  Fad.  Mus.  1,324,  2; 
Hor.  Belg.  9,  6,  52;  Ned.  Proza  163;  Heelu 
1872;  Bouc.  v.  Sed.  558;  Boerden  2,  17.  Dat 
bouweambocht  van  den  come,  Ned.  Proza  124.  — 
Een  ambacht,  amt  (ampt)  doen,  een  bedrijf 
uitoefenen,  Stader.  v.  Zwolle  172,  340.  Der 
stad  ampte  trecken(tien),  de  bedrijven,  ter 
begeving  der  stad  staande,  pachten,  Stadsr,  v. 
Zwolle  154,  279  (tweemaal).  —  b)  Bg  uitbr.^*^, 
de  personen,  die  hetzelfde  bedrijf  of  beroep  uit- 
oefenden; vgl.  Wamkönig  1,  295.  ||  Het  vleesch- 
ambocbt,  ZFl.  Bijdr,  3,  275;  Diericx,  Mém.  2, 
146.  Deken  van  den  ambachte  van  de  fruteniers, 
118.  De  goede  liede  van  den  tapgtambochte,  ^^i^. 
Mus.  4,  54.  Die  goede  enapen  van  den  wevers 
ambachte,  70.  Wy  deken,  die  geswoeme  knaepen 
ende  gemeene  ambacht  van  den  wollinwevers 
ambochte  in  Middelburg,  Mieris  2, 216a (a.  1319). 
Jacop  Deinot,  beledre  van  den  clenen  ambachten. 
Bek,  V,  Oent  1 ,  >  38.  Vanden  weve  ambachte  .  . , 
vanden  cleenen  ambachten  ende  .  .  van  den  vol- 
ambachte ,  B£k.  v.  Oent  1 ,  479.  Op  de  noene  sy 
ende  haer  enapen  trocken  eeten  met  haren  am- 
bochte in  taverne,  Oron.  v,  Flaend.  1, 228.  Dambachte 
van  der  stede  worden  onderlinffhe  vechtende  .  ., 
ende  eeneghe  ambochte  tonder  gnedaen ,  Fl.  Rijmk, 
9402.  Dekene  van  ambachten,  Cor,  v.  Antw.  54, 
195,  vgl.  27,  92;  Sacr.  1285.  —  Meermalen  met 
het  synouL  hanse  [ansé)  verbonden ,  ZFl.  Bijdr.  5 , 
163  vlgg. 

6)  Dienst,  werk,  bedrijf,  taak,  verrichting,  in 
't  algemeen,  blgvend  of  tijdel^k.  ||  Al  dambacht 
dat  ten  keyserike  stont  ende  horde  .  .  ,  hebben 
si  altoes  volbracht,  Velth.  V ,  3 ,  27.  Den  ambochten 
sgns  dienst.  Pass.  W,  122a.  Dat  ambocbt  eenre 
voesteren,  Pass.  S.  68^.  Altemet  dat  wise  ver- 
winnen, 80  seldise  tuwen  castele  binnen  voeren  in 
gevancnessen  .  .,  dit  sal  u  ambacht  wesen,  Lanc. 
III ,  20001.  Oi  hebt  geleert  soe  wel  u  ambacht  . . 
au   dat  clein  bondeken,   dat  wel  can  dat  ambacht 


394 


AMBA. 


AMBA. 


395 


sjjn,  yergi  848  {van  een  minneAandel).  Ie  des  \ 
ambachtes  twint  en  caiif  Cass.  Inl.  XVIII,  2,  8 
{van  het  ichaakepel).  Ie  hebbe  leden  die  sorge  Tan 
minnen ,  ie  lade  tambacht  ure  herten  binnen ,  Ca*i. 
1334.  In  tambacht  van  are  minnen ,  1638.  Menech 
ambacht  ea  mi  eont  . .  ,  ie  {de  ezel)  drage ,  ie 
hale,  ie  hebbe  wee,  Esop.  XYII,  12.  Dits 
ten  ambachte  goet,  voor  het  inbreken^  Eleg. 
686.  Ie  sal  n  aelcs  ambachts  doen  plegen ,  Lorr, 
I,  167  (yan  het  bedrijf  der  ontucht)^  vgl.  Roee 
8637.  Daerme  broeder ,  die  in  de  kerke  .  .  geen 
ambocht,  roeping^  taak^  hevet  te  winnen  kinder, 
Franc.  4089.  Syn  acalkerlike  ambacht,  van  een 
houthakker y  die  den  iabbat  schond,  9997.  Elc 
▼an  snnderlinghen  (var.  bevolenen)  ambachte, 
Troyen  3046,  van  riddert  die  aan  tafel  diertden. 
Als  tfole  ter  eerden  was  bracht  ende  Toldaen  al 
dat  ambacht  ende  alle  begrayen  was  ende  verbrant, 
rusten  sy  hem,  Troyen  /.  176c.  Elc  heeft  be- 
sceiden  ambacht,  van  de  bijen.  Nat.  BI.  YII, 
163.  Scuwet  dit  ambocht  ende  bose  spel  van  desen 
dobbelsteen ,  Versl.  en  Ber.  Y ,  38.  Het  van  rechte 
ons  ende  anderen  landsheeren  toebehoert  ende 
onse  ambocht  es ,  onse  land ,  onse  goet  te  beteren , 
Mieris  2 ,  166*.  Zie  nog  Rote  3131 ;  Nat.  BI.  VII ,  661 
(=  functie),  686;  Lanc.  II,  38283;  Boerden  II, 
94 ;  Hadew.  1 ,  36 ,  31 ;  e.  e.  —  Ook  van  roof  en 
doodslag  gebruikt,  doch  met  bittere  ironie.  ||  Hare 
ambacht  dat  is  roef  ende  moert,  N.  Doet.  634 
var.  (bl.  161).  —  Der  ontfaermicheit  ambocht, 
het  werk  der  barmhartigheid ,  Franc.  4061 ,  4296. 
—  In  den  sin  van  functie  staat  het  woord  Barthol. 
6b.:  dat  ambocht  der  nominum  concretorum  (lat. 
officium). 

6)  Bediendenkamer ,  (r.  office.  \\  Een  gesate  daarin 
.  .  ambachte,  paleerkamere  ende  kemenade,  .  . 
tretsore ,  kokenen ,  al  ambochte  selc  alse  enen  prince 
dochte,  Brab.  Y.  II,  2739  (vgl.  Sp.  IV*,  16,  76, 
waar  voor  het  eerste  ambachte  staat  officien). 

AMBACHTER(E),  ambochter,  znw.  m.  1)  Dientt- 
man ,  ambtenaar ,  fr.  officier ,  vooral  (of  uitsluitend) 
in  Brabantsche  oorkonden  gebruikelijk.  ||  Onsen 
ambachteren  ende  knechten,  Willems,  Meng.  353 
vlgg.  Bichteren ,  ambachteren  ende  anderen  getruwen 
des  hertogen,  Brab.  T.  Dl.  2,  bl.  470.  Richteren, 
ambachteren  of  dien  recht  te  doen  bevolen  waeren , 
ald. ,  vgl.  611 ,  626  tweemaal ;  626  passim ;  655 ;  656 
passim  (o.  a. :  Soe  wat  rechtere  oft  ambachtere  dien 
gevanghen  onder  hem  ofte  binnen  sinen  ambachte  . . 
gedoechde  te  sculene  ofte  te  blivene).  Die  grote 
ambachteren  (bij  V.  d.  Berg,  Gedenkst.  1,  258 
{a.  1419)  ambachters),  de  hooge  ambtenaren,  712. 
vlg.  Drossate,  rentmeistren ,  meyeren,  ammannen, 
scoutheten,  marcg^ven,  bailluwen  .  .  ende  alle 
andere  ambachteren,  711. 

2)  Lid  van  een  gilde,  Yg\.  AMBACHT,  2<ie  Art.,  5*). 
II  So  welke  tyt  dat  een  scepen  steerft,  dat  scepenen 
ghemeenlike  macht  hebben ,  enen  andren  te  kiesen 
.  .  es  hie  ambochtre,  onder  dambochters,  es  hie 
poortre ,  onder  die  poorters ,  Cout.  v.  Brugge  1 , 
316;  vgl.  Warnkönig  2«,  142.  Waert  alzo,  datse 
andre  lieden,  warent  ambochters,  iof  wie  dat  het 
ware ,  arresteerden ,  die  der  stede  toebehorden , 
ald.  386.  Vgl.  Te  Winkel,  Maerlant,  bl.  251  vlg. 

AMBACHTICH  (ambochtich),  bnw.  Eig.  dienst- 
doende. Slechts  in  de  uitdr.  de  ambochtige 
leden,  de  dienstdoende  leden  van  het  lichaam  en 
in  engeren  zin  de  leden ,  die  de  functies  der  armere 
leden  mogelijk  maken.  \\  Werden  de  ambochtige 
leden  ofgeslegen,  nemmermeer  sullen  si  werden 
restaureert ,  als  benen ,  vellekinen ,  coerden ,  Lanfr. 


209.  Evele  des  lichaems ,  dat«  to  weien ,  der  b- 
bochtiger  leden  ende  ziekten  der  coitsiiiiilrc  le» 
similium  ?)  leden ,  want  alle  dese  mogen  vu  da 
gheliken  leden  niet  om  die  ambochtige  ledeaesè 
die  ambochtige  lede  om  die  gellke,  ald,  19v. 

AMBACHTSBEWAERRE ,  -bewaerder,  m 
m.  Ambaehtsbevaarder  of  -verzorger ,  benamiif  tn 
gegoede  ingezetenen,  meestal  twee  in  getal.  ^ 
de  ambachtsgenooten  gekozen ,  om  met  en  tegeao*? 
den  Schout  des  ambochts  oirlnur  te  doen  (vgl  Ia 
20a :  Als  een  heer  beveelt  sinen  boden  sjn  ghenik 
of  syn  ambocht  te  vervaren) ,  het  ambacht  bk 
buiten  te  vertegenwoordigen;  dgken,  sIoImb,  vi- 
gen  enz.  te  bezorgen ,  en  vooral  de  zettiBges  g 
omslagen  over  de  belastingschuldigen  in  m^e  & 
brengen  en  het  bedrag  te  innen.  Hun  betzekkar 
kan  het  best  worden  vergeleken  met  die  der  &e 
gemeesters  (vgl.  Lams  740).  In  Holland  slechts  kic 
de  naam  Ambachtsbewaerre  voor,  doch  daaiBi£ 
ook  Varen ,  Waersliede  en  Waerseappen ;  naar  bx 
innen  der  belastingen  heeten  zg  ook  On.tfamgers\  bst 
hun  plicht  om  twistenden  te  verzoenen  Vredemêin 
(dus  min  of  meer  onze  Kanton-  of  VredereckiertVi 
Voome  heetten  zy  Lanf meesters ,  in  Brabant  Laaik»- 
ders  en  Bedesetters  (z.  ald.) ,  in  Vlaanderen  Pomin 
en  Ponters.  Zie  vooral  Van  Berckel  in  D.  War.  t 
325 — 333.  II  Onsen  dycgrave,  heemrade  ende  b- 
bachtsbewares ,  in  Z.  Holl. ,  Mieris  3 ,  815«  i 
1375).  Alle  die  ambochtsbewares  ende  schotTaafc? 
overal  binnen  uwen  bednve,  in  J>elfUmd  f» 
Schieland,  4,  202a  {a.  1412).  Allen  waelgebesv 
luyden ,  waerschippen  ende  ambochtsbewaerfkn 
over  al  in  den  dorpen  vanRijnlant,  747£  («.  14^ 
Bouwen  Jacobsz.  en  Aert  Joriszoon  . . ,  bedegard» 
Kers  Jacobszoon  (en?)  .  .  ambochtsbewaerée? 
(te  Liere),  Inform.  264.  Gerrit  Jansz. ,  amfaock- 
bewaerder,  Adriaen  Cornelisz. ,  schotTanger  ^ 
Monsterambocht  mitterheyde)  267.  Willem  Aert* 
ende  Gerrit  Hugezoon ,  ambochsbewaerders  vaa  ia 
ambochte  van  Suyck ,  274.  Zie  nog  Meylink ,  2i?'i 
Bijl.  no.  228. 

AMBACHTSGEVOLCH,  znw.  o.  V^l.  gevolcl 
Collectieve  benaming  van  alle  rechten  en  voordei^f: 
die  naar  herkomst  aan  eene  ambachtsbeerl^kkii 
verbonden  waren,  behalve  het  eigenlijke  amiae*^^ 
d.  i.  het  ambachtsheeriyk  gezag  met  de  bofsc 
en  voordeden  van  het  gerecht.  Zie  Ondenh.  Z.  &^~- 
450.  II  Vroen,  tyenden,  ambocht  ende  ambock?- 
gevolch.  Mieris  3,  119a  (a.  1360).  Alle  dat  ambfffe: 
met  sinen  gevolge  .  .,  molen  ende  middeldgct^ 
hofsteden  ende  voirhoven ,  alle  vronen  ende  rem 
vogelden  ende  vischerien  ende  alle  ambockt«- 
gevolch,  422fl  {a.  1385);  e.  e. 

AMBACHTSHEER.  Zie  ambachtshere. 

AMBACHTSHEERSCAP ,  -scip,  snw.  tt.  cb« 
1)  Ambachtsheer  lij  kheid,  welk  woord  reeds  Gedenkst^ 
1,  251  (<z.  1419)  voorkomt;  zie  Ambacht,  2de  Art 
2^).  II  Dat  wy  vercocht  hebben  ende  Tercoopei  ^ 
onsen  geminden  Willem  van  Couser  .  .  onse  ts- 
bochtsheerschip  ende  dagelijcx  gerechte  van  Heyk>.- 
metten  schoutambocht  aldaer,  Mieris  4,  lOöi 
{a.  1408).  Die  ambochtsheerschip  ende  dagel|<fs 
gerechte  van  onsen  dorpe  van  Uutg^eest,  41^' 
{a.  1417).  Zoo  ook  Oorl.  v.  Albr.  486,  487,  4ïi^ 
passim,  e.  e. 

2)  Ambachtsheer',  vgl.  ons  heerschap  in  dea  zit 
van  heer.  \\  Dat  sy  Willem  ontfaen  ende  hoa^ 
tot  heuren  ambochtsheere  ende  hem  doen  gelf^ 
dat  andere  onse  ambochte  in  Kennemerland  heaxs 
ambochtsheerschepen  doen ,  Mieris  2,  lOOó  («.  14061 

AMBACHTSHERE    (ambochtshere),    -nEEt 


J93 


AMBA. 


AMEC. 


394 


;nw.  ra.  Ambaehttheer,  Zie  Ambacht  (2d6  Arl.  2, 
>).  II  Wat  koren  die  gemeene  ambochtsberen 
naken  .  .,  die  sullen  wi  gestade  honden,  Mieris 
\ ,  bl%i  (a,  1331).  Zie  ook  Oorit.  2, 219a;  455a;  461». 

AMBACHTSHUUS,  znw.  o.,  mnd.  ambacAtAét, 
thd.  ambahthiu,  WerkplttaU^  lat.  officina.  \\  Dat 
nljthuafl  ende  alle  die  ambocbtshose ,  D.  Or&  288. 

AMBACHTSLUDE.  Zie  Ambochtsman. 

AMBACHTSMAN  (amboch(t)sman  ,  Anbochts- 
ian)  ,  znw.  m  ;  mv.  Ambachtsliede  ,  -lude  ,  mnd. 
imbacAtman,  Over  den  samengetr.  vorm  ambtman , 

iie   AHTMAN. 

1)  Ambtenaar ,  dienaar,  in  H  alg.  Vgl.  Ambachter. 
II  Des  bisscops  ambochtslude ,  (lat.  vilUci),  Matth. 
inal.  3 ,  135.  Die  ambochtslieden  yan  den  rike  (lat. 
>Meiales) ,  ald,  155.  Doe  qnamen  ooc  die  ambachts- 
lede  ende  daden  ben  doepen,  L.  v.  J.  e.  22,  van 
te  tollenaren.  Mijn  here  die  nam  sommicb  van 
inen  ambacbtslnden  met  bem  .  .,  om  airebande 
»roYancbie  te  bereiden.  Bek,  d.  G^.  3,  248,  vgl. 
186.  Ambocblnden  ende  knecbten,  a/^.  361.  Welke 
mbocbtslnde  men  mitten  groten  capetel  cetten 
iole. .  .:  den  groten  comendeur,  den  marscalc  ende 
len  spetelere,  ende  dien  drapier  enz,  D.Orde^l^, 
'gl.  228  ylg.  Maria  leerde  dambacbtlnde  (te 
tand)^  wie  si  dun  solden,  lAmb,  Serm.  lOdc, 

2)  JSandwerksTnan ,    de   bedendaagscbe    bet.    || 
rymmerluyden,   molenaren  .  .   ende   anders   vele 
Ier  anbochtsluden ,  MLoep  II,  672.  Zoo   ook  Ned. 
Uuehtep,  82,  93  e.  e. 

AMBACHTSRËCHT,  znw.  o.  Het  recht,  tot  een 
imbacht  (eene  ambachtsbeerl^kbeid)  beboorende.  || 
^t  ambochte  ende  ambocbtsrecbte ,  Zwijndr,  Oori. 
;0  (tf.  1374). 

AMBACHTSCAP,  znw.  o.  Hetzelfde  als  am- 
Soehttheerscap  (z.  ald.)  jj  Dat  ambocbtscap  ende 
lagelicx  gerechte  van  Eusamraga,  Oorl.  v.  Albr.  487. 

AMBACHTSWERCMAN ,  mv.  -lude,  znw.  m., 
letzelfde  als  ambaehttman,  tautologiscb  met  toere 
lamengesteld.   Zie   ald.   1).    Dienaar,  bediende,   \\ 
Uaven  ende  ambochtswerclude ,  D.  Orde  288. 

AMBACIAET  (ambassiaet),  mnd.  ambatiaie,  ab- 
^esate,  Yan  mlat.  ambateiatut.  Ygl.  Ambacht  (1ste 
Lrt.) ;  Amb AS ATE ;  Duc.  1 ,  220 ,  en  Diez ,  Wtb.  1 ,  19. 
l^ezanty  afgevaardigde,  jj  Een  ambaclaet  der  stat  van 
Lthenen ,  Dial,  Creat.  66  (t.  a.  p.  ook  ambacialor  ge- 
Loemd).  Als  dit  die  aren  sach,  sende  si  boer  ambacia- 
en ,  34c.  Syn  notabele  ambassiaet ,  Rrc.  Cron,  169d, 

AMBASATE  (ambasaet)  ,  znw.  Hetzelfde  als  bet 
rong  Art.  II  Daer  na  sgn  totten  kersten  princen  geco- 
nen  ambassaten  des  conincs  oft  sondaens  van  Babilo- 
lien,  Exc,  Cron.  101c.  Die  ambassaten  sijn  weder  na 
Babilonien  ghekeert,  ald.  d.  Zie  ook  Seemsk.  Qtloss. 

AMBLANT ,  bnw.  Fr.  amblant,  van  amb  Ier  (aller 
?amble),  lat.  ambulare.  Zie  La  Cume  1,  382.  Den 
fel  gaande,  telganger,  van  een  paard  of  muilezel 
gezegd.  II  Men  hiefse  op  enen  munl  amblant;  hl  hadde 
3nen  sachten  ganc ,  lïovent  140.  Up  enen  munl ,  fier 
mde  amblant,  Sp.  lY',  58,  111.  Entier  joffronwen 
iraeliant  brochtemen  enen  munl  amblant,  Aiol-fr,  244. 

AMBOCHT  en  de  samenstellingen.  Zie  Ambacht 
;2de  art.). 

AMBOCHTERE.  Zie  Ambachtere. 

AMBOCHTICH.  Zie  Ambachtich. 

AMBT,  znw.  onz.,  samengetrokken  uit  Am- 
bacht, kerkdienet,  officie,  Serv,  I,  1562.  Zie 
Ambacht  (2de  art.,  2). 

AMBTMAN.  Zie  Amtman. 

AM£,  znw.  vr.,  Aem,  onz.,  mv.  amen  en  ame, 
Ohd.  dma;  mhd.  ame  en  óme,  vr.  en  m.;  mnd. 
%me,  am,  onz.,    maar  ook   vr.   en   m.;   van   gr. 


afjtfj,  mlat.  ama  (Duc.  1,  215).  Voehtmaat,  in- 
zonderheid iw>»ïïkwi^,  houdende  vier  ankers.  ||  Yer- 
gave  God ,  dat  mi  nu  ware  also  bereet  een  goet 
gheval,  also  u  dit  honich  wesen  sal,  al  wildQs 
hebben  seven  amen.  Bain,  I,  615.  Dan  hi  dronke 
een  aem  wnns,  II,  6475.  Sine  gouden  niet  alsoe 
vele  van  biere  als  menre  amen  wgns  toe  dede, 
Binel,  1189.  Yan  eenen  sticke  wgns,  .  .  dat  bilt 
3  amen  ende  9  vierdel,  van  eiker  ame  6  se.  9  d. 
grote.  Bek,  d,  Qraf,  1,  235.  III  Dordr.  aem  wiins, 
die  ame  XII  scilden,  Oorl,  v.  Albr.  40.  Y  Dordr. 
ame  Riins  wiins,  .  .  coste  die  ame XIII  scilden, 41. 

AMECHTE,  bnw.  Hetzelfde  als  Ameehtich , 
AmackticA:  zie  bg  dit  laatste.  ||  Den  genen  die 
van  groten  rouwe  amechte  es  worden  altemale, 
ende  daer  af  lidet  pine  ende  quale,  Ckritt.   1628. 

AMECHTICH,  AMECHTlCHEIT.  Zie  Amach- 
tich,  -heit. 

AMEIDE,  Ameie.  Zie  Hameide. 

AMELAKEN  (ammelaken,  amlaken),  znw. 
onz.  Tafellaken.  Waarschflnigk  van  Ame,OJiBaam, 
de  bekende  wgnmaat,  in  den  zin  van  vat,  vaat- 
werk, en  dus  het  laken,  waarop  de  amen  of  het 
vaatwerk  geplaatst  werden.  Zie  nader  De  Yries, 
Mnl.  Wdb.  228.  ||  Doe  biet  hi  vouden  dat  amelaken 
ende  doen  woch,  Ferg.  2660.  Dat  over  tafel  wert 
gesproken,  sal  blyven  in  tamela  ken  geloken,  Spreuken 
107.  Maect  der  tafel  unde  brenc  dlange  ammelaken, 
Hor.  Belg,  9,  93  (ter  vertaling  van  fr.  „^orte  Ie 
longe  napé*^).  Ene  tafle  gherecht  met  den  besten 
ammelakene  dat  men  pleght  te  beseghene ,  Cor.  v. 
Antw.  bl.  51.  Te  Cnrterike  van  amelakenen  ende 
dwalen,  7  t?  10  s..  Bek.  v.  Gent,  l,  486.  Item 
van  XL  ellen  amlakens,  van  eiker  ellen  YIII  st., 
Fad,  Mus,  2,  295.  So  sach  daer  oock  Aygolant 
TTTTT  arme  menschen  op  een  side  ter  aerden  neder 
sitten  .  .  sonder  tafel  ende  ammelaken  ende  sobere 
spise  ende  dranck,  Ejse.  Oron.  77 b.  — Dat  ame- 
laken opdoen  of  —  o  pi  e  s  en,  A*^  tafellaken 
wegnemen,  de  tafel  afnemen,  \\  Als  si  der  spisen 
hare  gevouch  hadden  geten  ende  genouch,  hevet 
men  die  amelaken  upgedaen ,  Wal.  4631  (mv.  voor 
amelakene).  Si  aten  ende  men  biet  opdoen.  Doe 
quam  gelopen  een  garsoen,  ende  dede  op  dat 
ammelaken,  Ferg.  1281.  Men  las  op  damlaken, 
als  ment  biet.  Flor.  2257.  —  Later  ook  in  den- 
zelfden zin:  dat  amelaken  weren.  Zie  Weren 
en  verg.  De  Bo  1391:  „Weren,  verwflderen,  fr. 
écarter.^^  \\  De  Hoofmeestere  .  .  behoort  oock  op  te 
heffene  tscip  (tchotel  in  den  vorm  van  een  tchtp), 
daer  inne  dat  de  aelmoessene  is  voor  den  Frince, 
ende  dan  weeren  tamelaken  van  der  tafele,  Matth. 
Anal.  1 ,  237.  Ende  tammelaken  geweert  synde  de 
Panetier  ontwint  de  serviette,  262.  —  In  den 
Franschen  tekst  by  Ollv.  de  la  Marche ,  Mém.  658 
en  672,  luiden  deze  plaatsen  aldus:  „^^^moster 
la  nappe  de  la  table,^^  en  y,la  nappe  ostée." 

*AMELECH.  Yerkeerde  lezing  voor  Ameehtieh  (?) 
He.  V.  1423 ,  242a. :  Den  ghenen  die  penitencie  doen, 
gaff  hi  den  wech  der  gherechticheit,  ende  yer- 
sterctse  te  doghen  die  ghene  die  amelech  worden. 
Ygl.  Jet.  Syr.  17,  18:  conflrmavit  defieientes 
sustinere.  Ygl.  amachtich,  dat  meermalen  met 
tijn  verbonden  ter  vertaling  van  lat.  defieere  dient. 

AMELGIEREN  (ammelgieren,  amaelqieren, 
ook  AMALEEREN,  en  zelfs  MALEEREN  dooriuvlocd 
van  malen,  schilderen.  Zie  SegA.  Qloss.  op 
amaleeren),  zw.  ww.  bedr.,  mnd.  ambeleren, 
mlat.  ammaglare,  fr.  émailler\  van  émail,  ital. 
emalto,  smeltglas,  afkomstig  van  ohd.  emelzan, 
ogerm.   smaltjan,    ons    smelten.    Zie  Diez,    Wtb, 


1 


395 


AMEN. 


AMER. 


I,  384,  en  verg.  Amal'S.  Emailleerenj  brand- 
ichildereny  kleuren  op  metaal  tehilderen;  in  de 
wapenkunde  de  gewone  benaming  voor  kleuren.  || 
Van  flnen  goude  was  die  rinCf  ende  binnen,  dat 
tegben  den  vingber  gbinc,  stonden  letteren  in 
gbeamelgbiert,  van  sabel  ende  asnnr  visiert ,  J2^. 

II,  5322.  Die  yelde  sgn  gbescakiert,  van  sabel, 
van  kele  gbeamelgbiert,  van  sinoper  ende  van 
asnre,  II,  6497.  Onder  elc  bistorie  die  woorde 
gbegreven  ende  gbeamelgbiert,  II,  6640.  Yan 
gonde,  gbeamelgeert  groen,  MLoep  lY,  794.  Een 
scale  .  .  gbeamaelgiert  metten  teekene  van  den 
ambocbte ,  Belff.  Mue.  4 ,  64.  Die  scale  gbeammel- 
giert  metten  teeken  van  den  ambocbte,  65.  Drie 
silveren  scbaelen  .  .,  de  boorden  vergnlt  ende  in 
den  bodem  gbeamelgeert  metten  wapenen  van  den 
Yorseyden  ambacbten.,  Diericx,  Mém.  2,  111.  Een 
silvere  scale  .  .  gbeamelgiert  in  den  bodem  metter 
wapenen  van  der  selver  neeringbe,  112.  Elcke 
belle  was  ebeamelgiert  ende  op  elc  amans  stont 
gescreven  also  gbi  noren  solt,  P^/^rrtm  23c.  Scalen 
met  yergnldene  boorden  endegbeamalgiert, /wvmf. 
V.  Brugge  6,  294.  Yan  amelgierene  ende  yergondene , 
ald.  Ygl.  SegA.  4998  en  Maleeren. 

AMEN,  2W.  WW.  bedr.  bd.  ahmen^  ohmen,  mbd. 
amen^  aemen^  mnd.  amen.  Eene  inhoudemaat  voor  vloei- 
ito  ff  en  keuren ,  om  te  zien  of  zij  aan  de  wettelijke  voor- 
ichriften  voldoet.  Hetzelfde  als  by  maten  voor  droge 
waren  ijken  beet ,  mnl.  iken  of  branden.  Zie  Lubben  1, 
76  en  over  de  afleiding  by  Aminge.  ||  Twinticb 
olde  vleemscbe  Tander  ame.  Ende  den  wnnsijss 
sal  be  betalen,  wan  de  w^n  nte  is  of  wan 
si  dat  vat  tosteken  ende  de  s^smeisters  snllen 
dat  vat  amen  laten  bynnen  acbte  dagben,  Stadb, 
V,  Oron.  Y,  6.  Ende  dit  vat  salmen  amen  als 
Yoerscreven  es,  ald..  47.  De  scbrader  sal  amen, 
of  men  des  van  em  begeert;  de  wijnvaten  recbt 
amen;  alle  Rbijnscbe  vaten  en  brandewijns  vaten 
daer  ben  aen  twQfelt  wateramen  mitter  stad  mate , 
aangeh.  Pro  Exc.  5»,  104. 

AMEN,  snw.  onz.  Amen.  Gr.  dfiijv,  bet  slot 
van  een  gebed ,  en  bij  uitbreiding  eene  onametoote- 
lijke  waarheid,  als  zijnde  in  de  kerk  gesproken. 
Yerg.  Duc.  1,  225:  ^Jmen  .  .  idem  eet  qtiod 
Ferifoi.  In  de  zegswijze  to  waer  als  amen,  zoo  waar 
als  bet  in  de  kerk  gesprokene.  Zie  Harrebomeé  1 , 
14.  II  Ander  liede  wonen  daer,  die  kinder  dragen 
Y  te  samen.  Dits  al  waer  als  amen ,  Jlex.  YII,  975. 

AMEB,  znw.  m.  Een  soort  van  tarwe  of  weit 
(tritieum  amyleum),  na  verwant  aan  de  spelt 
(triticum  spelta).  Obd.  amar\  mbd.  amer,  amel\ 
tbans  nog  in  Zwitserland  ammer  (Stalder  1,  101), 
in  Zwaben  emer  (Scbmeller-Frommann  1 ,  73).  Amer, 
een  oude  wisselvorm  van  amel,  is  ontleend  aan 
gr.  afivXov , lat. amylum,  Bjj  Eal.  „A mei-koren, 
olyra ,  /ar  candidum ;  tbans  nog  eng.  amelcom,  bd. 
amelkom.  ||  Datter  veel  geslacbten  van  coemzijn, 
als  weyte  of  tarwe,  rog,  gerst,  amer,  spelt,  mylie 
ende deser geleken ,  Barthol.  619a  (lat.:  ^triticum, 
f  ar ,  ordeum ,  siligo ,  panicum  et  milium'^).  Yan  een 
boet  baver ,  amer ,  spelet ,  barscb,  saet  ende  wieken 
3  st.,  Inform,  381.  Teerv,  rogge,  gerst,  spelte, 
amer,  boecweyt,  enz.,  O.  R.  v.  Dordr,  2,184,222. 

AMERAEL.  Zie  Amirael. 

AMERDIJN,  znw.  o.  Heete  ascA,  mnd.  emere, 
amere,  bd.  ahmer  (amer).  Zie  Lubben  1 ,  76  en  de  daar 
aangeb.  scbrijvers  en  voor  de  andere  verwante 
germ.  vormen  Grimm,  Wtb,l,  192.  ||  Yan  leeuwscb 
{de  Léau)  steen  ende  van  verslagen  amerdijn, 
Jnvent.  v,  Brugge  5 ,  627.  Ygl.  bet  öloss.  o.  b.  woord. 

AMERIE,   znw.   vr.    sSuring  of  ijk  van  vaten 


enz. ,  van  amen ,  keuren ,  y  ken ;  betzelfde  als  Amingt 
(zie  ald.).  In  ZFl,  Bijdr,  3,  129,  onder  de 
stadsinkomsten  van  Middelburg  genoemd. 

AMERSADE,  AMERSAET,  AMERSATE,  m 
landmaat,  mnd.  amersdt.  Zie  Emmersade. 

AMETE,  znw.  vr.,  obd.  ameixa,  mhd.  amecey 
bd.  ameise,  amse,  emse,  ndd.  eempte,  amete,emete, 
ags.  aemete,  oeng.  emete,  ematte,  amete,  amtevni. 
eng.  emmet  en  ant.  Zie  Grimm,  Wtb,  1,  277;  E.  Maller 
1>,  386  en  vooral  Tijdsehr.  1,  302.  De  dav 
genoemde  emten  zijn  niet  gebeel  dezelfde  dieren 
als  onze  mieren,  zij  zQn  grooter  en  bgten  heri- 
ger: in  Gelderland  is  bet  woord  emte  nog  in 
gebmik.  Mier.  \\  Crevelinge  alse  roeringe  tu 
ameten  of  mieren  daer  in  cropen ,  Hs.  Yp.  6U. 
Alse  die  tranen  comen  aten  adren ,  die  siin  bnta 
den  bene  int  vleescb ,  dan  gevoelt  die  zieke  veselinge 
alse  of  ene  amete  liepe  daer,  126/^.  Ygl.  eemt, 
en  Hnyd.  Proeve  2,  358. 

AMETENEI,  znw.  o.,  mnd.  ametenei,  emetenii. 
Mierenei.  \\  Men  neme  amete-eyeren ,  blade  na 
raten,  enz.,  Hs.  Yp.  135^. 

AMETESTIS.  Zie  bet  volgende  art. 

AMETISTE  (ametist,  amestis,  am astis),zdv. 
m.  Gr.  dfié&vGjog-  Amethyst,  violetkleorig  edel- 
gesteente ;  aldus  (naar  men  zegt)  genoemd  vu  de 
ontkennende  a  en  fia&vsiv,  dronken  zgn,  omdtt 
men  oadtgds  aan  dezen  steen  de  kracbt  toeschreei 
van  tegen  dronkenscbap  te  behoeden.  ||  Some 
amestice  sijn  gbevaerwet  na  den  roeden  wijn  ^  Nat. 
BI,  XII,  25  {var.  ametisten).  Die  cracbt  die  hi 
bevet  in,  dats  dat  bi  dronkenscap  verdrivet, XII, 
34.  Jaspen,  crisoliten,  diamanten,  ametisten,  topasei, 
jocanten,  Flor,  1030.  Topaes,  die  beter  es  du 
gout,  crisoprassas  ende  ametiste ,  Troy en 6421. Dit 
ametist  beeft  parpar  varawe ,  geminget  met  violeite, 
ende  nte  beme  seinen  gracileke  blickende  vlammea 
alse  roede  rosen ;  ende  bi  es  sere  licbte  te  gnyene, 
ende  bi  wast  in  Indien,  Raasbr.  1,  221.  —  b 
Tondal.  14  vindt  men  ametestis  gespeld,  in  iVci. 
BI.  XII,  25,  bij  E.  amastice  (mv.). 

AMY,  tasschenw.  Uit^,ai,  en  i»i,  Sdennv. enk. 
van  het  pers.  vnw.  Ji  mij,  wee  mij.  \\  Amy,  m^a 
bant  doet  mij  zo  zeer.  Nu  noch  137.  Amy,  amj! 
myne  sasteren,  en  boort  ghy  niet  dat  vemrlic 
trompet?  V.  Maagd.  383.  Amy!  amy!  lacen!  wat 
ons  ghesciet!  387. 

AMIDOM  (amidoen),  znw.  onz.  Amelmeel,  td- 
meel ,  van  mlat.  amidum  (Dac.  1 ,  228) ;  fr.  amiden 
ook  mnd.  amedom,  verg.  Eoseg.  316,  317.  BgKil. 
„Amel-donck,  amel-bloeme,  amel-meel, 
s  t  ij  f  s  e  1.  Amylum ;  farina  sine  mola  facta ,  vulgo 
amidum.'''*  \\  Om  te  makene  pertricen  van  deeghe. . 
nemt  salm  ten  bake  waert  al  roa,  wel  gh^ 
wreven  ende  amidoms  ghenouch,  Keukenb.  8,  SS. 
—  Aldas  zal  wel  te  lezen  zün  voor  amyroen,  sU. 
14,  24:  Amyroen  (1.  amidoen)  in  den  pot  gemaed 
Wryft  wel  ende  tempert  met  amandelmelke  ende 
doet  zieden  in  eenen  pot.  Ygl.  Littré  1 ,  130. 

AMIE  (amte)  ,  'ien ,  znw.  vr.  Fr.  amie ,  lat.  ami» 
van  amare:  verg.  ons  vrijster  van  vrijen,  goi./rijo», 
beminnen.  Ook  mbd.  en  mnd.  dm(e.  Verg.  Amus- 

1)  Geliefde,  beminde,  in  goeden  zin.  ||  Al  dies 
gelike  bilt  Florijs  een  lilie  vor  sire  amien,  Fhr. 
935.  Es  Blancefloer  mine  wel  soete  amie  doet?  1065. 
Yan  sire  amien,  1047,  verg.  1058.  Hels  recht  dit 
niemen  verwonnen  lie,  no  bloetheit  tog'e  vore  sine 
amie ,  Ferg.  2423.  U  amie  die  joncfronwe ,  2451.  £^ 
ja  saster  jof  awe  amie?  Fa/.  8779.  Die  joncfronve 
badde  gewesen  sridders  amie,  Lanc,  II,  S81S; 
eriz,   —   Ook   in   geestelijken  zin   van  Maria,  de 


397 


A  MIG. 


AMIR. 


398 


hemelBche  geliefde.  ||  Staet  ons ,  Vrouwe ,  in  staden , 
soete  amie,  ]}Up.  692. 

2)  Minnaret^  bijzit^  fr.   maiiresse;   ook  bijmjf^ 

naar  Oostersche  opvatting.  ||  Ie  hadde  liever  in  dese 

noet  met   enen   man   te  ^ne  om  broet,  dien  ie 

hadde  wettelike ,  dan  sconinx  amie  van  Yrankerike 

tsine  al  mijn  leven  lanc ,  Lorr.  1 ,  187.  Ende  hadde 

kinder,  wet   vorwaer,  C  ende  XY,  .  .  .  som  van 

amien,    som    van    wiven,    Sp.   I*,    32,    10.   Hi 

hadde  vele  w^ f  ende  amien,  I",  32,  7.  Sine minne 

lach  an   ene  sine  amie,  in*,  43,  11.  Sine  amie, 

dat  scalke  w^f  (Yine.  eoncubina)^  III*,  44,  6.  Doe 

sine  amie  {Éagar)  hare  heffen  began  boven  haerre 

vrouwen,  Wap.  Mart,  II,  184.  Hem  moehte  therte 

bloeden  die  houden  die  amyen  fiere!    Overzee  161. 

Abner  .  .   bi  Sauls  amye  laeh,  lUjmb,  9907.  Des 

conincs  amje,  17702,  17822.  Sine  wive  ende  sine 

amyen,  16737.   Om  dat  hi  dorste  castien  Puppine 

van   zire   amien,    .  .    die   hi  hielt  .  .  boven  s^n 

getroude  wijf.  Lip.  II,  48,  943.  Ere  siere amien, 

Fl&r.  680.  Dat  ie  was  sijns  neven  amie,  Tarth, 

3743.    Hi    peinsde  noehtans   ende  hi   hoepte,   si 

soude  wesen  sgn  amye,    Vrouv,  e.  M,  YIII,   143. 

Gehuwet  man,  die  openbaerleke  amie  houd  boven 

siuen  wive ,  Geick,  v.  Jntw.   2 ,  481 ;  enz.  —  Zelfs 

in  zeer  verachteiyken  zin.  ||  Die  sgn  puten  ende 

amien  ende  vol  van  dorpernien,  Mote  3895. 

AMI6,  znw.  onz.  Zaad  van  ammi  of  ameos,  hd. 
ammey,  door  sommigen  ook  cuminum  Aethiopieum 
genoemd,  en  als  speeerQ  gebruikt.  Yerg.  Dodon. 
484a:  „Ammi  wast  ghemejmlijck  in  Egyptenlandt, 
ende  wordt  van  Alezandrien  in  Italien  ghebroght." 
II  Om  te  makene  clareyt  —  nemt  een  vierdonc 
caneels,  |  vierdonc  gingebaers,  ^  onsse  naglen, 
een  lettel  mastic,  een  lettel  amig  van  Alexandre, 
ende  spQc  ende  pype,  Keukenb.  8,  33. 

AMIJS,    2de   nv.   amijs^   mv.   amite^   znw.   m. 

Ofr.  amic^  amis^  lat.  amicut.  Mhd.  dmU.  Yerg.  Amie. 

1)  Geliefde^  beminde^  minnaar^  in  goeden  zin.  || 

Die  twee   hadden  amise,  maer  dat  was  in  goder 

wise :  dat  doe  amise  hieten  sonderlinge ,  dat  waren 

getrouwe  vrilinge.  Die  derde  hadde  geen  lief  ver- 

coren,    Lane.   III,   232Ö3.    Bi  minen  amise,    II, 

&386.  Tan  minen  amgs,  II,  5325.  Ie  rade  u  dat 

gi  henen  ridet  ende  mins  am^s  niet  ontbidet,  III, 

18881.    Mi  heeft  verloren  die  scone  Florijs,  mgn 

soete  lief,   mijn  soete  amgs.  Flor.  750.  Een  rosé, 

diese  boet  ende  kilt  vor  dansichte  haers  amQs, 

933.  Daer  soeken  si  ende  soeken  sullen  emmermeer 

ende   niewer  vinden  haer  amise,  die  si  minden, 

1263.  Ende  gewoech  dicken  eens  haers  amijs,  dien 

soe    harde   minde,    1686.   Yrouwe,'  seit   hi,  niet 

broeder,    maer   amQs,    2301.    Wel    soete    amijs, 

3551,   Ferg.  1361.   H{j  was  hare  amjjs  getrouwe, 

ende   weder  mindene  sere  die  vrouwe,  Soie  1047. 

Haren  lieven  amys,  Wal.  7847.  Om  Parthonopeus 

uwen    amgs,   Farth.   2964.   Die   keiserinne  quam 

ofghegaen  .  .  besorghet  om  haer  amijs,  5593.  — 

Ook  in  geestelijken  zin  van  Jezus ,  den  hemelschen 

geliefde.  ||  Soete  amijs,  ons  en  helpe  in  alre  wQs 

n  cmce,  wi  syn  verraden,  Ditp.  592. 

2)  Minnaar^  boel,  in  slechten  zin.  ||  Doet  hi  so 
vele  dat  hise  bevart  met  haren  amise,  JRose  fr. 
bl.  252,  261.  Dese  .  .  die  haren  amys  tijt  andre 
amien,  bl.  253,  276.  En  wrect  oec  in  geenre  wgs 
u  selven  over  uwes  wQfs  amQs,  Lsp.  III,  9,  117. 
Dat  syn  moeder  sinen  vader  hadde  gemoert  in 
suiker  w^s  mit  Egistus ,  horen  am^s,  MLoep  lY,  470. 
AMICT,  AMICTE.  Zie  Amit. 
AMINGE  (aeminge,  hamimoe),  znw.  vr.  Yerg. 
AmkRIE.   De  keuring  of  de  ijk  van  vaten,  tonnen 


en  andere  maten.  Ygl.  Amen  en  hd.  ahmer,  de 
keurmeester  van  vaten  (Adelung  1,  85;  Sanders 
1,  17tf),  zuidd.  dmen,  aemen  (Schmeller-From- 
manu  1 ,  74).  Waarschiinlgk  onder  invloed  van  aem , 
vat,  afgeleid  van  ofr.  aëemer,  asmer,  ctenur, 
aumer  en  etmer ,  schatten ,  keuren ,  van  lat. 
aettimarej  en  esme  zoowel  voor  eehatting,  keuring, 
als  voor  gewiekt.  Zie  Duc.  3,  94a,  d  en  7, 
155*;  Roquef.  1,  29,  517;  La  Cume  1,  170; 
6,  40;  Gachet  175,  en  vooral  etme  en  a;gfnar  by 
Rayn.  3,  219.  ||  Dat  alle  samencoop,  vergieringe 
(roeiing  van  vaten),  aminge,  ende  alle  maten  der 
stat  s^n,  Brab.  Y.  Dl.  1,  bl.  697  («.  1301) ;  verg. 
ald.  756,  waar  de  Latijnsche  vertaling  aldus  luidt : 
„  OMda,  quae  zamecoop,  verteeringe  (/.  vergieringe) 
et  haminge  Teuthoniee  naminantur^\  —  Die  amynge 
binnen  onser  stede  van  liiddelbureh  .  .  welke 
amynge  voirscreven  wy . .  geven  mit  desen  brieve  . . 
mit  sulken  nutscippen  ende  profiten  als  dair  to 
behoeren  .  .  dat  si .  .die  amynge  voirsz.  rustelike 
ende  vredeUke  laten  gebruken.  Mieris  4,  433  (o. 
1417).  Die  aeminge,  die  tonnegaederinge  ende  den 
afslach  van  der  vischmaret,  4  71  (a.  1418).  Aldus  zal 
elc  van  sinen  ampte  hebben:  .  .  wgnhem  tot  eiker 
amynghe  elc  twe  gulden,  Overijt,  BeeJkt,  I*,  81. 

AMIRAEL  (aherael,  ahmirael,  ammerael), 
znw.  m.  Yan  arab.  amlr,fOT^r,  vorst,  bevelhebber, 
waaruit  het  mlat.  amiratut,  amiraldus,  admralluê 
en  admraliue  vormde.  Over  de  afleiding  zieDiez, 
Wtb.  1,  16;  Dozy,  Oosterl.  5.  De  oorspronkeiyke 
beteekenis  is  die  van  bevelhebber  der  Ongeloovigen, 
emir',   verg.    Duc.    1,   229^:    ,^Amrae  ei  Jimiralü 
apud  Saraeenos  et  Turcos,  Satrapae  nempe  urbium 
vel  provinciarum  praefecti,  at^ue  adeo  Sultaniqui 
Caliphae  suberant*\  en:  ^Jdmtralli,  quisunt quasi 
Comités  et  Capitanei  exercituum."  —  In  *t  Mnl. 
was  de  oorspronkeiyke  beteekenis  nog  de  gewone, 
en   wordt  in   den  Flori*  de  vorst  of  emir  van  Ba^ 
bylon   altyd  de  amvdrael  genoemd.  Zoo  heeten  de 
bevelhebbers   in   het   Saraceensche  leger  amirale, 
ammirale,    als   b.    v.   Boel.  I,  545,  II,  23;  Lorr. 
II,  771,  813,  121  enz.;  Umb.  YI,  789,  823,  969 
enz  ;  Flov.  212;  Sp.  lY»,  14,  vs.  35 ,  57 ,  74 ,  enz. ; 
zoo  leest  men  in  Huge  van  Taberien,  dat  SaladQn 
door   24(14)   amerale  werd  opgewacht  (Belg.  Mus^ 
6,    102,    231;   Denkm.   3,    92,  236);  zoo  wordt, 
Oms.    1000,    Casseel   y^aTnerael  van  Sydone   ende 
van     Cyopin"     genoemd,    en      Qlor,     194     van 
^amerael  noch  soudan"  gesproken.  Potter  gebruikt 
ammirael  als  titel  van  het  hoofd  der  legerbenden 
van   Minos  van  Creta  {MLoep  I,  1448).  Doch  ook 
de  latere  opvatting  als  vlootvoogd  was  reeds  in  't 
Mnl.  bekend.  Bg  Stoke  IX  (115  en  paeeim)  heet  de 
Genueesche    vlootvoogd    Grimaldi    ammirael;    b^ 
Yellh.   lY,  67,    64  vlg.  „ammirael  van  der  Zee''; 
en   Fl.  Bijmkr.  8301,  8307  enz.  wordt  de  Fransche 
scheepsbevelhebber  amirael  genoemd.  ||  Item  voer 
Hughe   an   den   ammirael,   omdat  hi   hem   scepe 
leveren    soude,    Oorl.    v.  Jlbr.   113.   Item   Clais 
Heinricsz.   met   brieven  gezent  aen  heren  GherQt 
van  Egmonde ,  dat  hi  sonder  vertrec  in  den  Hage 
quame  overmits  die  scepinge  wille  ter  reysen  be- 
hoif,    dair   hi  ammerael   of  wesen   soude,    149. 
TEkelo,  daer  de  bisscoppe  ende  sconinx  amirael 
waren.  Bek.  v.  Oent  1,  178.  Die  eoninc  .  .  sende 
hem  Y  galeyen   mit  veel  groter  scepen,  dair  bi 
him  mede  besende  siin  ammirael  mit  veel  goeder 
manne  van  wapen,  Clere  158. 
*AMIROEN.  Zie  Amidom. 
AMIRAUDE.   Zie  emeraude. 
AMIT  (AMICT,  AMMIT,  amicte) ,  znw.  VT.  Lat. 


399 


AMLA. 


AMMA. 


400 


amietttê.  De  taiéte  doek^  waarmede  de  priester    bg 
de  Mis  de  borst  en  schouders  dekt.  Verg.  Duc.  1 , 
228.    II    Fan  der  Armeten.  Soe  nemt  hi  enen  doec 
wit,   die   geheten    es  amit,  die  hem  om  die  side 
strect  ende  sgn  hoeft  al  omme  bedect ,  Bed,  d.  M, 
161.  Die  amitf  die  ie  noemedeeer,  173.  Die  doec 
scone   ende   wit,   die   men    heet   een  ammit  {var. 
amict),    bediedt  die   doec,  alsict  yant,  dien  men 
Gode   yore  dogen   bant,   Lep.   II,   51,    97.  Ende 
deden   hem   eerst   weder  ajt  die  casnfele,  na  die 
stole,   na   die   hantvane,   na   dat   gordel,    na  die 
alve,   na   die   amicte,  ende   doe    scoirmen  of  syn 
hair    van   sinen    hoefde,    Matth.     Anal.    3,   287. 
Alve,  amicte  ende  al  ghereetsel,  Hatth.  84. 
AMLAEEN.   Zie  Amelaken. 
AMMAN    (ampman),  znw.    m.,    eig.    één    met 
ambachtman   en   amtman   (zie  die  woorden),  doch 
in  bet.  er  van  verschillende.  Mnd.  ambetman ,  amman , 
mnd.  amptman ,  hd.  amfmann.  Eig. :  hij  die  een  amèi 
in  dienst  yan  z^n  heer  bekleedt ,  dienaar ,  ambtenaar 
{pfficialiêy  ministerialiê)  ^   doch  bepaaldel^k  gezegd 
van  den  landsheerlijken  ambtenaar ,  wien  de  uitoefe- 
ning der  rechtsmacht  en  de  waarneming  der  rechten 
yan  den  yorst  waren  toevertrouwd.  In  Vlaanderen  en 
Brabant,  waar  het  woord  meer  bnzonder  gebruikt 
werd,    stond    amman  in    bet.    geneel   ge^jk    met 
êcouthete;  ook  de  schout  bekleedde  een  ambacAt^  het 
tchoutambachty  en  was  dus  inderdaad  een  ambachtman^ 
een  amman.  Elders  wordt  hQ  meyer  (ygl.  fr.  maire , 
eng.  mayor)  genoemd ,  dat  eig.  de  benaming  was  van 
den  vilUcus,  den  opzichter  eener  villa  of  landelijke 
bezitting;   z.   ald.  In  het  Vrije  van  Brugge  vindt 
men  vele  onderschouten,  die  den  naam  van  Amman 
droegen.  Zie  verder  over  het  onderscheid  tusschen 
den    amman   in   Vlaanderen   en   dien  in  Brabant, 
waar  hij    soms  de  attributen  van  den  baljuw  met 
zQn  ambt   vereenigde.   De  Vries,  Mnl.  Wdb.  233 
en  de  daar  aangehaalde  schrijvers.  ||  Dit  sonde  de 
meyer    bringen    vort  ende  ammanne,    scoutheide 
mede,  in  porten,  in  dorpen;  eiken  gerede  daema 
vonnesse   doen   ter   stat,   Velth.  VI,  3,  12.  Van 
Bruessele   die   amman   ende   die  daer  sijn  in  sine 
stede;    van    Antwerpen    die   scouthede    ende   die 
meyer  van   Thienen,   van  den  ambachte,   daer  si 
af  dienen ,  dede  elc  ene  banier  e  binden ,  Heelu  4554. 
Amman    ende  scepene  {yan  Gen  f),  Velth.  IV,  43, 
52.  Meyere ,  ammanne  ende  scouthede ,  VI ,  7 ,  69. 
Nog    drossate,    nog  meyer,    nog   scoutheit,    nog 
bailliu,  nog  amman,  Willems,   Menff.  455.    Allen 
onsen  richteren,  meieren,  ammannen,  scoutheten, 
baeliuwen   ende   allen   anderen,   die  gerichte  van 
ons    houden,    Brab.    7.  Dl.  2,  bl.  607  {a.  1364). 
Vgl.   Brab.    T.  VI,  11553—11662,  en  Dl.  1,  bl. 
697;   Dl.    2,  bl.  657  passim.   Ie  {Joh.  Bapt.)  hem 
amman,  dieghene  (Jezus)  es  juge;  ie  bem  cnecht, 
die  ghene  es  here,  Hs.  9.1348,41a.  Eest  drossate, 
meyer  oft  amman ,  die  vele  te  hove  bringhen  can , 
Doet.  III ,   707.   HQ  ga  ten  amman  of  ten  meyer , 
ende   beclage   hem   der  dinc.  Recht.  v.  XJccle  20, 
116.  Wat  werde  die  in  Antwerpen  yemen  ondflnghe 
in   sgn  huys  ende  hilde  die  gewapent  waren  .  ., 
ende  dat  niet  en  liete  te  wetene  den  Scouthete  of 
den  amman  in  jeghenworden  van  scepenen,  Cor.  v. 
Antw.   4,   20.   Wie   vrede   wederseyde   te  gevene 
alsen  die  scouthete  ochte  die  amman   ochte   enich 
van    den    scepenen   ocht  enich   van  tsheren  ghe- 
swomen  knapen  hem  eyschede   orkondeleke,   ald. 
5,    21.  Zoo  nog  Cout.  v.  Gent  440;  Cout.  v.  Brugge 
1 ,  315.  —  Zie  over  den  slechten  naam ,  waarin  vaak 
de    amtmanne    stonden,    Doet.    III,    707    vlgg., 
^Quc  V,  Sed.  163;  Couf.  v.  Antw.  1,  82 ,  4  passim 


en  vgl.  Belg.  Mus.  1 ,  248  vlgg. ;  7 ,  294  vlgg.  otct 
de  „gezworen  knapen**  van  den  amman.  —  S am- 
man s   komt  dikwijls  elliptisch  voor,  nl.  in  nitdr. 
als:  in  sammans  gaen,  trecken  enz.,  in  iet 
huis   van  den   amman  gaan,  d.  1.  in  de  gewmyefüt, 
in  gijzeling.  \\  8o  wijsden  scepenen  Colaert  Heecman 
te   ghevene    een   maeltgt   van   XX  se.  .  .  binnea 
3    daghen   oft   dat   hy   trecke  in  sammans,  Bel^. 
Mus.   7 ,  228.  Dat  hi  beloeft  heeft  binnen  de  drie 
daeghen    daer  na  te  gaene  in  sammans,  Dieria, 
Mém,   2,   135.  Dit  te  volcomene  binnen  de  maeDd 
ofte    te    trecken  in  sammans,   ald.  Indien  hj  dit 
huns  niet  en  dede  maken  binnen  den  eersten  jaere, 
so  sal  hy  trecken  in  sammans,  ald.  621.  So  wie., 
bevonden  zal  werden  in  overspele,  zullen  ghewfst 
werden    in     shammans    ende     daer    vanghenesse 
houden  te  watre  ende  te  brode,  Cout.  v.  Geni^U. 
—    Soms    worden    met    ammanne    mindere  ami- 
tenaars   bedoeld;    zy    zgn  soms  aan  ondersekwtn 
geiyk  (zie  boven);  ook  eene  glosse  by  Graff,  Bint 
2,  201  wyst  hierop  (amman  t.    Vorstre,  app»- 
ritor)]    Bouc   v.    Sed.    163    zal   amm4m  wel  rent- 
meester beteekenen,  en  Utenbroeke  gebruikt  meer- 
malen amman   ter  vertaling  van  lat.  praeco.  \\  Ie 
sal   den   ammannen  doen  gebieden  {omroepen),  Sf. 
Il",  44,  44.  Dat  des  conincs  amman  roepen  sonde 
oppenbare,   dat  enz.,  II',  7,  34.  Zoo  ook  II',  6, 
50,   55,   waar   evenwel    vs.   31    de   rechtere  toot 
hetzelfde  doel  wordt  gebezigd.  —  In  Noordnederlaad 
werd  de  amman  Amtman  genoemd  (z.  ald.). 

AMMANIE  (ammannie,  ammenie),  znw.  tt. 
Zie  het  vorige  art. 

1)  Het  rechtsgebied  van  den  amman,  ook  Am- 
manrie  geheeten:  zie  ald.  ||  Daer  na  quam 
hi  .  .  uut  Mechelen  der  voorseider  stat  tot  ii 
dammannie  .  .  van  Bruessele ,  Brab.  T.  VII,  13835. 
Een  sterc  huus  .  .,  dat  Jan  de  Meyer  .  .  staende 
hadde  in  der  ammannien  ter  Cappellen  opten  bosdi^ 
13849.  Dat  men  hen  niet  toe  vueren  en  sonde  door 
dammannie,  13864.  Die  meyerije  van  Rode ,  gelegen 
onder  die  ammenge  van  Bruessel ,  Exc.  Cron.  149i 

2)  Het  gebouw,  dat  onder  beheer  en  tociicbt 
van  den  amman  tot  gevangenis  of  gijzelhuis  diende. 
Zoo  de  ammanie  van  Gent,  ook  meyerie  genoemd, 
bg  Diericz,  Mém.  2,  119. 

AMMANRIE ,  znw.  vr.  Hetzelfde  als  Ammanie  1): 
zie  ald.  Het  rechtsgebied  van  den  amman,  ||  Die 
meyerie  van  Rode  .  .  light  onder  dammanrie  (s» 
Bruêsel),  Brab.  T.  VI,  9027. 

AMMANSCAP  (ammanscip),  -scope,  -scepe,vsf- 
onz.;  AMMANSCEPE,  vr.  De  bediening  van  dea 
amman,  met  alle  daaraan  verbondene  rechten,  ia- 
zonderheid  met  betrekking  tot  het  geüangenhonée» 
of  gijzelen;  ook  gezegd  van  hei  grondgebied, "vzu- 
over  zich  de  macht  van  den  amman  uitstrekte.  || 
Boven  den  eet,  die  ie  saen  van  den  ammanscape 
hebbe  ghedaen,  Brab.  T.  VII,  10873.  Dat  hivel 
ende  redelic  ghenomen  heeft  in  pachte  jegen  Jacoppe 
van  Ertbuer  dammanscip  van  Qend  tusschen  Schdde 
ende  Lye,  Diericx,  Mém.  1,  138  («.  1392).  Met 
der  vorseide  ammanscipe,  ald.  So  soude  Arend 
voerseyt  onghehouden  zin  ende  bliven  tvoerseyde 
ammanscip  voerder  te  regerene,  ald.  Dat  hy  ver- 
huert  heeft  Janne  van  Coudenberghe  . .  d&mmansdp 
van  Gend  an  den  coerenaert,  ald.  {a.  1415).  Dit 
hy  ghenomen  heeft  in  sekeren  loyalen  pachte  .  • 
dammanscip  van  den  Oudenburch,  451  {a.  1393). 
Jan  Sersymoens  houd  een  leen  van  onsen  gb^ 
duchten  heere  den  Graeve  van  Vlaenderen,  taa 
synen  casteele  te  Ghend:  tselve  leen  ghelcjtfhea 
binnen  Ghend,  ende  es  gheheeten  dammanscip Tta 


401 


AMME. 


AMOO. 


402 


den  Oudenborch,  weert  wcsende  tjaers  vive  pont 
parasyse,  by  der  avonture  van  den  ghevanghenen 
ende  andersints,  ald.  Nostre  maierie  ke  on  apeile 
Jmmameip  en  flameng,  562  (a.  1299). 

AMME,    znw.   vr.    Ohd.   amma,   mhd.  en  nhd. 
amme.  Foedster,  zoogiter^  minne.  \\  1A.J  en  is  ghe- 
geyen  amme,  noyt  en   sacb  ie  Trouwen  mamme, 
Troyen  /.   ièc.   Alsoe  drie  jaer  hadde  van  ouden 
ende  men  hare  mocbte  onthouden  bi  naturen  hare 
mammej   so    dedemense   van   der   amme,    S^.  I*, 
30,  7.  Sine  amme  hiet  Alexerine,  I",  4,  23.  Dat 
sijn  suster  sine  amme  was,  I*,  35,  30.  Sine  amme 
was  een  quaet  wijf,   III  ^  32,  84.  Sint  dat  horen 
ende  mamme  die  hertoge  liet,  daerne  sijn  amme 
met  opyoesterde  ende  hilt,  Heelu  653.  Also  alst 
amme  te  huedeue  pleght  dat  kindeken,  dat  in  de 
wiege  leght,  Lu^g.  I,   268.  Die  smekers  .  .  dat 
sQn  des  auTels  ammen  off  yoesteren ,  die  hem  hoer 
kynderen    soyken   ende   voeden   in   sunden,   Ned. 
Froza  170.  So  wat  knape,  amme  off  maget  hem 
bestaede t  te  dyenen,  die  sal  sijne  Yurwoerde  holden 
volcomelic,   Overijs.  RecAt  I',  188.   Si  vant  daer 
wonende  Agnes,  die  wanneer  {eertijds)  haer  amme 
gheweest  hadde ,  Bienb.  94ta.  Bescheidenheit  en  es 
uit   allene   ene   docht,   maer  si  es  ene  amme  der 
dogede,   Limb.   Serm.   147a.  Zoo  ook  Merl,  9113, 
9152,    e.   e.  —  Spreekw.  zegsw.  ||  Hy  kust  dat 
kint  om  der  amme  willen,  Spreuken  62. 
AMMËLAKEN.  Zie  Amelaken. 
AMMELGIEREN.  Zie  Ahelgieren. 
AMMENIE.  Zie  Ammanie. 
AMMER,  znw.  m.  Mhd.  amber  en  dmer,  mnd. 
ammer^  lat.  ambra ,  ambar  (Duc.  1 ,  223) ;  een  woord 
van  Oosterschen  oorsprong,  van  arab.  andar  (Dozy, 
OosierL    12).    Amber  ^    eigenlijk    een    welriekende 
harsachtige  stof,  uit  de  Oostersche  zeeën  afkomstig, 
bepaaldelijk  als  grijze  amber  {ambre  gris)  bekend. 
Doch    in  het  Westen  paste  men  den  naam  ook  op 
andere    stoffen  toe,   t  w.  op  het  tperma  ceti^  ook 
vitte    amber   (ambre   blanc)   genoemd,    en    op  het 
êuceinum.    of  het   barnsteen^  dat  gele  amber  {ambre 
jaune)  geheeten  wordt.  Zie  Koseg.  1,  315.  In  het 
Mnl.  was  ammer  de  gewone  benaming  voor  barnsteen. 
II    Ende    loepter   oec   uut   {uit  den  pijnboom)  ere- 
hande  traen ,  dat  claer  es  ende  wel  ghedaen ,  ende 
weert    hart  ghel^c  den  stene,  dat  hetewi  ammer 
int    ghemene.    Nat.   BI.   VIII,   675.   Men   vinter 
{in    Oermania)  ammer  ende  cristael  gemene,   Sp. 
I*,  24,  31.  Elke  tonne  bernsteens  of  ammer,  Mieris 
3 ,  1460  (a.  1363).  Van  eiken  vate  brustens  (/.  bern- 
steens)   of  ammer,  gewracht  of  ongewracht,  5233 
(«.    1389).    Alle  sine    patrenostren  van   kerstalle, 
Tan    ammere,  Litre  d.  Mest.  39.  Patemostere  van 
witten  ammer,  die  mijn  here  cochte,  Rek.d.Oraf. 
3,  366.   Zoo  ook  Invent.  v.  Brugge  5,  232.  —  Ook 
in  de  samenstelling  Ammer  steen.  ||  Succinus 
data  dammersteen.  Nat.  BI.  XII,  1091. 

AMMEREN,  bnw.  Yim  Ammer,  barnsteen. ^ar»- 
êteenen.  \  |  Een  zei  veren  agnus  Dei  met  een  buersek^  n 
g'hecoppelt  an  een  ammeren  paternoster,  Invent. 
van  een  Sluisch  gilde,  in  Taal-  en  Ltb.  3,  150. 
AMMET  (ammeyt).  Hetzelfde  als  am^or^/,  mnd. 
aminet ,  ammit,  vooral  in  min  of  meer  duitsch 
gekleurde  geschriften.  Ambt,  post,  bediening.  \\ 
K.iesei  die  gy  wilt  dat  zg  iu  raet ,  ende  iu  ammet 
na  bestaet  {op  zich  nemen) ,  gel\jk  of  gy  een  Koninck 
waert,  Merl.  10209.  (Doe)  wart  daer  Keye  drossate 
saen ;  die  ander  ammete  liet  men  staen  tote  Paeschen , 
10223.  So  hadde  hi  vorlaren  siin  scepen  ammeyt, 
(varr.  ammet,  ambocht),  B.  v.  Zutf.  63,  17. 
AMONDELYS,  znw.   vr.   Amandel.  In  de  Oorl. 


V.  Albr.  265,  vindt  men  onder  het  „cokencruyt" : 
„Item  VI  pont  amondelys,  tpont  4  gr.**  Misscnien 
is  het  een  vreemd  geschreven  meervoudsvorm 
van  Amandel. 

AMOORSE,  znw.  vr.,  lokaas,  fr.  amorce.  \\  Dat 
nyemant  en  jaeghe  noch  en  partryssere  by  amoorse 
ofte  anderssins  .  .  up  de  boete  van  3  ID  par. 
ende  verbuerte  van  thamasch,  Cout.  v.  Brugge 
1 ,  220. 

AMOROÜSELIKE  (-leke),  bgw.,  op  de  wijze 
van  verliefden.  ||  Si  saten  amorouseleke  bede  te 
gader.  Wal.  9644. 

AMOÜRS  (amoers,  amors),  znw.  onz.,  liefde, 
inzonderheid  mingenot.  Van  fr.  amour  met  de  -s 
van  den  Isten  naamv.  enkelv.  Zie  Burguy,  Oloss. 
64  vlgg.  II  Hi  hadder  mede  groot  deljt,  groot 
amours  ende  groot  spel,  Parth.  1215.  Dat  grote 
amoers,  die  melodie,  die  si  onderlinghe  dreven, 
Wal.  7940.  Der  Walewein  . .  ende  Ysenbele  hadden 
beide  amors,  jolöt  ende  grote  jonste,  7965.  Dat 
amors  ende  die  leeste,  die  soe  dreef  met  bliden 
gheeste,  7981.  Dienst  die  levede  bi  amourse:  hi 
was  knape  ende  getrouwe  vrient  sinen  here ,  D.  War, 
9,  146,  136. 

AMPT.  Zie  ambacht. 

AMPTSÜSTER.  Zie  amtsuster. 

AMPÜXLE  (ampul,  apulle),  znyï.w.l)  Eene 
kruik ,  flesch  of  kan ,  met  wijden  buik ,  inzonderheid 
in  de  Katholieke  kerk  bestemd  voor  de  heilige 
olie.  Lat.  ampulla;  mhd.  ampulle;  mnd.  apolle, 
appulle;  nhd.  ampel;  bij  ons  ampel  of  tot  pul  af- 
gekort. II  Mettien  quam  daer  cortelike  eene  duve 
van  hemelrike,  in  haren  bec  eene  ampulle,  ende 
daer  in  kersemen  te  vuile,  Sp.  III',  7,  81.  Doe 
sende  die  patriarke  aldaer  een  ampulle  mit  kerseme 
daer  naer,  IV»,  41,  19.  Om  1  cnius  ende  om 
ampullen,  10  se.  8  d..  Bek.  d.  Graf  3,  120.  Doe 
worden  hem  slotel,  boeck  ende  ampullen  offghe- 
wijst,  doe  sat  hy  daer  als  een  clerck,  Matth.  85. 
Twee  sel veren  ampullen,  ende  daer  es  inne  van 
den  watre  ende  van  den  bloede  Gods ,  Ned.  Proza  67. 
Charlot  wert  daer  coninc  ghecroont  ende  gesalft 
uter  ampullen  daer  die  coningen  van  Vrancryc 
noch  mede  gesalft  worden,  Huge  v.  Bord.  6.  Doe 
hij  totter  fonteynen  van  den  doopsel  quam,  ende 
si  daer  gheen  cresem  en  hadden,  soe  brochte  een 
duve  in  horen  mont  een  ampulle  met  cresem. 
Pass.  W.  1583.  Soe  sal  ie  u  senden  een  ampulle 
van  volmaecte  gesontheit.  Pass.  S.  (1489),  136<?. 
Twee  silverine  ampullen,  wegende  een  Troysche 
maerc,  Oendsch  gildeboek,  in  Taelverbond,  1854, 
bl.  62.  Een  schone  ampulle  oft  fyole  van  wonder- 
lijker verwen  mit  heyligher  olyen,  Exc.  Cron.  b*èb. 
Myt  een  ampul  wyns,  Gest.  Bom,  c.  153.  — In  de 
laatstgenoemde  plaats  worden  de  woorden  ampul 
uHjns  later  herhaald  door  myt  haer  wijn  pullen , 
waaruit  de  oudheid  van  den  nog  gebruikelijken 
vorm  pul  blijkt.  De  uitspraak  apulle,  die  ook 
telkens  voorkomt,  gaf  aanleiding  tot  deze  afkorting. 
II  In  sine  hant  met  ere  apulle,  daer  in  was  fonteine 
tfulle,  Sp.  III >,  47,  87.  Twee  silveren  apullen, 
Fad.  Mus.  2 ,  320.  Bi  heren  Dieric ,  den  cappelaen 
van  Ailbrechtsberghe ,  van  2  apullen  in  die  cappelle 
tot  Ailbrechtsberghe ,  23  d. ,  Rek.  d.  Graf  2 ,  313. 
Eene  duve,  dewelke  brochte  in  eenen  apulle  dat 
heylighe  Crisma , . .  ende  uut  dien  selver  (?)  apullen 
ende  met  den  selven  crisma  soe  heeft  men  tot  den 
daghevan  heden  ghesacreert  alle  de  coningen  van 
Vrankeryke,  Cron.  v.  Vlaend.  2,  264. 

2)  Het  schuim  op  de  urine,  misschien  naar  de 
gelijkvormigheid  met  eene  avtpu//^ aldus  genoemd  (?). 


403 


AMSE. 


ANBO. 


404 


II  Ampnllen  dat  siin  scnmen,  die  men  boven  den 
ringe  siet  swemmen  of  cleven  an  den  cirkel  {pp 
de  urine)  ^  Ss.  Yp.  26e.  Yan  desen  ampnllen  of 
scnmen  en  spreect  die  meester  niet,  ende  bi  haer 
en  nemt men  genen  merc,  ald. — Yerkl w.  ampnlle- 
kijn.  II  Orine,  die  valt  bi  druppelen  ende  daer 
boven  swemmen  alse  ampullekine,  betekent  lange 
ciecheitf  Hs.  Yp.  2Sè. 

*  AMSERf  znw.  Misschien  verkeerde  lezing 
voor  unser  (Kil.  690),  ons  unster,  nit  unittatera. 
Weegeehaal.  \\  Amsers  ende  ghewichten,  Invent, 
V,  Brugge  2,  142. 

AMT.  Zie  ambacht. 

AMTMAN ,  (ambtman ,  amptman,  ampman);  mv. 
av^tlude ,  znw.  m.  £ig.  één  in  oorsprong  met 
ambachtsman  en  amman  (z.  ald.) ,  en  dus  ambtenaar 
in  H  alg.,  maar  bepaaldeiyk  gebezigd  in  Noord- 
Nederland,  vooral  in  Gelder  (Nijmegen  en  Arnhem) 
en  Overyssel  en  Drenthe  (Noordewier  341 ,  Racer  3 , 
83  vlgg.)  als  benaming  van  den  landsheerlgken 
ambtenaar,  die  elders  seouthete  of  scout ,  in  Ylaan- 
deren  en  firabant  ook  meger  of  amman  genoemd 
wordt.  In  sommige  grootere  rechtsdistricten  werd 
ook  de  drost  ambtman  genoemd  (b.  v.  in  Twente). 
Zie  verder  De  Vries,  Mnl.  Wdb.  235.  j|  Wouter 
van  Over  Rgn ,  die  doen  scoutheet  of  amtman  was 
des  hertogen  van  Gelre,  Brab.  T.  VI,  9731.  Die 
scouten  in  den  steden  ende  die  bailyuwen  ende 
andere  amptlude  in  den  landen  (Henegouwen , 
Holland  en  Zeeland),  Oedenkst.  1,  267  {a.  1419). 
Onse  amptman  of  diener  {in  Zeeland  bewester 
Schelde),  Mieris  4,  471a  {a.  1418).  Upten  achsten 
dach  hier  na  versamenden  hem  die  amptlude 
van  den  ryck  ende  waren  te  rade  van  des 
conincx  oirbair  {de  ambtenaren,  de  vaardigheid- 
bekleeders),  Clerc  96.  Dat  onse  lyeve  here,  her 
Edwart  of  sine  amptman  in  siin  behoef  sal  moghen 
aenvaen  ende  aengripen  alle  onse  goet  merende 
ende  onruerende,  Nijh.  2,  90  (a.  1356).  (Wi)  hebben 
oec  mede  .  .  ghesat  tot  onsen  drossaet,  amptman 
ende  richter  tot  Gelren  in  onser  stat  ende  in  den 
lande  van  Gelren ,  ald.  97  e.  e.  —  De  spelling  am  b  t - 
man  vindt  men  Nijh.  Bijdr.  1,  288  {a.  1414). 
Enen  anderen  {bode)  gesent  an  allen  ampluden  in 
Rijnlant,  in  Aemsterlant  ende  Waterlant,  Oorl. 
V.  Albr.  259. 

AMTSÜSTER,  znw.  vr.  Het  vr.  van  ons  ambts- 
broeder,  collega.  ||  (Hi)  helt  zich  van  den  susteren  . . , 
sunderlijnge  bp  avende,  ende  alleen  mit  hem  te 
callen  anders  dan  mit  die  mater  off  amptsusteren , 
D.  War.  7 ,  38. 

AN,  voegw.  Hetzelfde  als  al.  Vgl.  De  Bo  52: 
„An,  voegw.,  fr.  si";  in  andere  streken  van 
Vlaanderen  wordt  hiervoor  meer  in  gebruikt,  zie 
ald.  456;  Ook  elders  komt  in  vaak  in  deze  be- 
teekenis  voor,  b.  v.  Brederoo,  Moortje  124  en 
2024.  Het  zullen  wel  de  praep.  an  en  m  zgn, 
die  langzamerhand  deze  kracht  hebben  aangenomen , 
en  dus  eig.  verkortingen  der  uitdr.  ane  dien  dat 
(dat  werkeiyk  in  Limb.  Serm.  voorkomt  (zie  Ane  , 
kol.  66)  en  indien  dat,  ona  indien.  \\  AnleetJhesus 
die  majrtele  naturliker  crancheit,  sone  leet  hise 
dog  nit  bit  gedwange,  mar  bit  guden  wille,  Limb. 
Serm.  160b.  Vgl.  Jiol  113  en  noot. 

AN ,  voorz.  en  bijw. ,  en  de  met  An  samengestelde 
woorden.  Zie  Aen. 

AN,  1ste  en  3de  pers.  enkelv.  tegenw.  tijd, 
aant.  wns,  van  Onnen.  Zie  ald. 

ANACORIJT,  -ite,  znw.  m.  Van  Gr.  oyaj^cu^i^Tf/;, 
lat.  anachoreta.  Kluizenaar.  \\  Fan  Janne  den 
Anacorite.  In  keyser  Theodosius  tijt  was  een  heilech 


anacorgt  in  Egypten   ende   hiet   Jan.  AnieoritM 
bieten   de   man,  die  met  covente  niet  en  gingen 
onder  abten  in  wandelingen ,  maer  in  wildernisien 
saten,  ofte  in  clusen,  Sp.  UI*,  24,  1. 
ANBOCHT.  Zie  Ambacht  (2de  art.) 
ANCHEL.  Ruusbr.    4,  36  lezen  wg:  ||  «Hier 
omme  hebben  si  vele  suspicien ,  vele  invalle  ende 
onunste  van  mismoghene,  anchel  ende  inwendighe 
onwerde   op   andere   menschen,  die   hem  niet  en 
ghenoeghen,"    en   5,    182:    „Hoverde,  ontronwe, 
giericheit,  onweerde,  toren,  aiurA^ /,  haet ende n|l" 
De  bet.  moet  zQn  wrok,  haat,  wrevel  of  een  derg. 
begrip.    Surius    heeft    blikbaar   het  woord  niet 
verstaan ,  daar  hij   er  het  woord  angel  in  liet  en 
het   met   aculeus   vertaalt.    David    houdt  het  (ne 
noot  t.  a.  p.)  voor  één  in  oorsprong  metofw^/TOor 
antsel,   en  dus  voor  eene  afleiding  van  anden  (m 
die  woorden).  Ook  De  Vries,  Mnl.  Jrdb.250,mm\ 
dat  anchel  eene  andere  schrgfwyze  voor  antel  nl 
zyn  en  dat  de  eh  als  sj  moet  worden  uitgesproken. 
Doch    dan    biyft  het  bezwaar,   dat  de  afsckrjrer 
op  ééne  plaats,  nl.  4,  80  {ansel)  het  woord  meti 
zou  hebben  geschreven  en  op  twee  andere  metcL 
Bovendien  is  ansel  {antsel)  niet  hetzelfde  tlseuiel 
(spr.  ansj'el).  Men  zal  anchel  en  ansel  wel  ahtvee 
verschillende   woorden   hebben   op   te   vatten,  ei 
anchel   moeten   verklaren   als  den  genasaliseerden 
vorm  van  ackel,  eckel  (Kil.  =  nausea,  fastidiÊ») 
d.  i.  ons  hekel.  Zie  akel  en  vooral  Ndl.  Wdb.  op 
AKELIG.   De   bet  past  volkomen,  en  de  ek  komt 
enkele  malen  meer  voor  als  de  verscherpte  nit- 
spraak  van  k  of  g.  Zie  b.  v.  achelen  =  hejilt%, 
haoech  voor  havek  {Esop.  IV,  15). 

AND  ACH,   -dage,  znw.  m.  De  achtste  dêif  u 
een    kerkelijk  feest,    de    laatste    dag    der  octuf. 
„Octava,  die  achte  dach  of  andach  van  epigber 
hoichtijt,"  Lat.-Nederd.  deel  van  den  7VuM.,anng. 
bg  Koseg.  1 ,  47.  Ohd.  anttago ,  anttag ,  dies  octams, 
mhd.  antac,  ags.  andag,  dies  fixus,  mnd.  ondêA, 
Waarschgnlijk  van  dach  en  het  oude  voorv.  «i-, 
tegen ,   zoodat  anddach  eigenlijk  is  de  tegendê§  of 
weder  dag,  de  dag  die  in  dezelfde  octaaf  als  gelgke 
weekdag  tegen  den  oorspronkelijken  f eestdag  otö- 
staat:  het  zou  dan  in  vorming  met  etmael  te  rer- 
gelyken  zyn,  dat  ook  de  bet.  van  feest,feui^ 
aanneemt.  Zie  vooral  admael  3).  Verg.  Alcninnj, 
die  den  waren  oorsprong  des  woords  nog  schijnt  g^ 
voeld  te  hebben :  ^Octavae . .  celebrantur,  quia  primis 
diebus  concurrunt;  sicuti  unus  dies  dominicus«^llt^ 
rum"  (Duc.  op  Octava  2).  örimm  helt  over  tot  het  g^ 
voelen  van  Willems  (op  Heelu,  bl.  152),  die  het  geljk 
stelt  met  ohd.  antOago ,  einddag ,  als  zgnde  de  laatste 
der  octaaf:  zie  Wtb.  1 ,  496.  ||  Dies  naestes  andages, 
die  gelach  na  den  selven  Sinxendach,  Heelu  4031 
In  die  maent  van  Novembre ,  up  dien  andagh  sent« 
Martins,   Oorkb.  2,  2073   {a.  1282).  Tusschcn  n 
ende  den  andach  van  onser  Vrouwe  daghe  in  halten 
oechste  .  .  Ghegheven  te  Biervliet  in  ons  Herei 
jare    dusentech    twee   hondert  ende    neghenteck, 
des  Manendaghes  op  den  andach  sente  BonefaMi 
Kluit,  Hist.  Crit.  2,  920;  Oorkb.  2,  313  (in  beide 
uitgaven   omdach;    doch   verbeterd    naar   de  aan- 
wijzing  van   Willems   op   Heelu,  t   a.   pi.).  Ds 
Donredaigs    na    den    andach    van    Derthiendage, 
Brab.    Y.  Dl.  1,  bl.  679  {a.  1292).  Des  andaghei 
nae    sunte  Phylips   ende   Jacobs  dagh,   Ngh.  «i 
24  {a.   1346).  Des  manendages  nae  andages  snnU 
Peters   ende   sunte   Pauwels,   55   (a.    1352).  P^ 
dinsdaghes  na  andaghes  Paesghen,  76  (o.  1355)- 
Des  manendages  na  andaghes  sunte  Martij  ns  dagke, 
101   {a.  1357).  Des  naesten  dinxdages  nae  andack 


405 


ANDE. 


ANDE. 


406 


des  heiligen  Pinxtdages,  3,  89  {a.  1381).  Op 
andach  van  ons  Heren  Hemelvaertsdach ,  176 
U.  1391).  Des  dinzdages  na  andach  sente  Mertijns 
dage,  lés  (a.  1392).  Ten  andage  yan  sinre  gehort, 
dne  hi  besneden  wart  na  den  anden  wet,  Limb, 
Serm.  Ibbc.  Zie  verder  NQh.  1,  286  vlg.,  en 
verg.  Koseg.  1,  366. 

ANDE  (ook  HANDE,  en  in  H  r^m  aende  ge- 
schreven), znw.  vr.  Ohd.  anadOj  ando  m.,   zelns, 
mhd.  ande  m.  en  vr. ,  ags.  anda ,  onda  m. ,  zelns , 
invidia    (Grein,    Glost,   1,    4);    onrd.   önn,  cura, 
labor,  studinm  (Egilsson  624,  Jonsson  768).  Yan 
got   en   ags.   anan,  spirare   (verg.    aysfiog,   lat. 
aiUmus),   waaruit   zich   de   beteekenis   van  zeltu^ 
studium  zeer  geleidelgk  laat  verklaren:  verg.  het 
lat.   animut   {in  aliquem)   en   ons   znw.  animo.  De 
grondbeteekenis  van  ande  was  ^n%  gejnoedibeweging, 
1)  IJver  ^  drift  y  oorspronkelQk  ook  in  goede  op- 
vatting ,  inzonderheid  in  de  onderwetsche  kerktaal, 
en    düs    voor    ijverige  gezindAeid^   hartstochtelijke 
genegenheid,    ||    De  ande    {elders  minne,    Hs.    v, 
1348,   90c)    dQns   hnses   at  mi.    Psalm   69,    15, 
in   Lett,   N,    W",   b^^   214.   Dijns  hnses  ande  heft 
mi   geten,   L.   v,   J,   e,   169.    Op  beide    plaatsen 
Ps,  69,    10  en  Joh.  2,  17,  in  de  Vuig.  zelus\  in 
de   Staten-Vert.   ijver.   Ook   bij   Notker   (68,   10) 
heet  het   „Mih  peiz  dtnes  hüses  ando",  en  in  de 
Onl.   Psalmen:    ^Jndo  h^es  thinis  at  mi."  —  In 
dezen  zin  schynt  het  woord  ook  nog  voor  te  komen 
btj  Praet  567:  „Maer  pooch  dattuse  brincs  te  lande, 
daer  soe  den  brudegomme  mach  vinden,  die  hem 
liet  slaen  dor  sine  hande,  om  dat  hize  wilde  ont- 
binden," d.  i.  door  z^n  drift,  zgn  ijver. 

2)  liri/£ ,  ergernis ,  toom ,  gramschap ,  in  de  gewone 
volkstaal,    waar  de  kwade  opvatting  des   woords 
voor   de   goede  in  de  plaats  trad.  Verg.  nd.  ande 
TOOT  entpfindung,  sehmerz,  zom  (Koseg.  1 ,  368).  || 
Ende  ontsach  hem  des  ons  Heren  ande  Ois.  hande, 
var.    ande),   dat   hem   die   plage  ware   oi,  Bijmb. 
14596.  —  Bepaaldelijk  in  de  volgende  spreekwazen : 
—    Enen    sine    ande    vergeven,    zijn   toom 
{over  iemands  schuld)  laten  varen,  hem  de  schuld 
vergeven',    evenals    men   zeide:    sinen    hat   — , 
sine  gramheit  — ,  sinen  evelen  moet  ver- 
geven.  Zie  bij  Yeroeven.   ||   Ay  God!  nu  bree 
onse  bande ,  ende  vergef  ons  dine  ande  ende  dinen 
evelen    moet,    Wap.  Mart.  III,  371.  —  Hem  ter 
ande  setten,  zich  tot  toom  zetten ,  zich  vertoornen 
en    toraak    begeeren.   \\  Want  ten  sijn  liede  onder 
der    sonnen,    die   haren  here  bat  onnen  ende  eer 
wreken   sine  scande,  opdat  hi  hem  selven  set  ter 
ande,  Mrab.  T.  V,  1097.  —  Sine  ande  wreken 
(evenals    sine  gramheit  wreken  enz.),  zijnen 
toorn   wreken,  d.  i.  wraak  nemen  over  dengene,  die 
den  toom  verwekte.  ||  Sijn  broeder  was  een  tornich 
man  .  .  ende  gaderde  here  om  sijn  ande  te  wrekene, 
want  hyt   geme  wrake,  dat  hi  dorste  doen  selke 
sake,  Brab.  7. II, 4826 (iJ^p. IV ',52,42). Verbeidt, 
ende    vrreect   u  ande!  Éeelu  3571.   Si  waren  die 
viande ,   daer  die  Scavedriesche  haer  ande  geme  ane 
hadden  gewroken,  7189.  Hoe  sy  mochten  .  .  best 
gewreken  haere  ande,   Orimb.  I,  6252  var.  Willic 
alle   mijn   ande  wreken,   soe  comen  m^n  vriende 
mi    verspreken,   D.    War.  1,   134,   21.   Een  siet 
dicke    gescien,   die  hem  aftien  den  sonden  clein 
no  groet,  groet  onnere  ende  scande,  ende  wreken 
Gode  s^n  ande  an  meneghen  voer  s^n  doet,  Belg. 
Mus.  1 ,  133,  3.  —  Eens  anders  ande  wreken, 
aan   dien*  toom  voldoening  verschaffen  door  hem  te 
wreken  op  zijnen  vijand.  \\  Dat  hem  die  Gods  zone 
heeft    gesant   sine   gracie,   om  dat  si  sine  ande 


gewroken  hebben  op  sine  viande,  Lsp.  IV,  3,  39 
(in  den  tekst  hare  ande,  dat  hier  minder  past). 
Als  ie  hier  street  op  u  viande,  om  te  wrekene  u 
ande,  JAmb.  V,  1687.  (Die)  met  hercrachte  den 
bisscop  van  Coelne  sochte,  daer  hi  op  diere  Lim- 
borcheren  ande  wrac,  Heelu89.  —  Een  klassieke 
term  was:  —  Gods  ande  wreken,  Ood  wreken 
op  zijne  vijanden ,  in  den  str^d  tegen  de  Ongeloovigen 
en  de  v^anden  der  Kerk.  |)  Ende  gewroken  Gods 
ande  op  Saracenen,  op  Gods  viande,  Orimb.  II, 
5210.  Dat  wi  wreken  die  Gods  ande  nu  op  dese 
Gods  viande,  Sp.  IV*,  35,  11.  Dan  gi  u  l^f  te 
pand[e  set,!  om  Gods  ande  te  wre[kene  Mer], 
Velth.  II,  37,  42.  Ende  wilde  Gods  ande  helpen 
wreken,  II,  38,  12.  Wapen  dragen  met  eren,  om 
te  wrekene  de  ande  ons  Heren,  Teest.  744.  Dat 
God  in  soe  langen  stonden  geen  vriende  en  hevet 
vonden  in  alle  sine  kerstine  lande,  die  wreken 
wonde  sine  ande.  Wrake  III,  1867.  Daer  himede 
wreken  soude  Gods  ande,  III,  1814.  Wreken  Gods 
ande,  Vod.  Mus.  4,  83,  684.  —  Ook  biJStokell, 
1032:  „Om  te  wrekene  ons  Heren  scande  ^^  zal 
ande  wel  de  ware  lezing  z^n. 

3)  Gevoel  van  ergernis,  spijt  of  leed,  hetzg  om 
geleden  smaad,  hoon  of  smartelQke  bejegening, 
hetzQ  om  daden  of  woorden ,  die  verontwaardiging 
wekken.  ||  Dit  was  den  coninc  so  grote  ande,  dat 
hi  den  grave  voor  sine  tande  wel  nalike  hadde 
geslegen  doe,  Parth.  6982.  Dydo,  die  hare  ver- 
brande omme  Enease  van  grotere  ande,  Sp.1*, 
55,  49.  —  Des  ande  hebben,  ergernis  gevoelen, 
zich  ergeren  (over  iets).  ||  Dat  hi  sier  liede  vele 
miste ,  des  was  sQn  herte  in  groten  twiste ;  . .  hen 
was  geen  wonder,  al  hadd|js  ande,  Stoke  V, 
845—^.  Ie  hebs  ande,  dat  gi  soe  sere  prgst  dat 
geit,  Vad.  Mus.  2,  169,  127. 

4)  BQ  overdracht,  door  verwisseling  van  oorzaak 
en  gevolg,  ook  van  datgene,  wat  ergernis  of  leed- 

fevoel  opwekt,  en  dus  voor  het  leed,  hei  verdriet, 
e  ergernis,  moeite  oï pijn,  door  iemand  eenander 
aangedaan.  ||  Die  visch  dede  heme  grote  ande. 
Brand.  {B)  2072  {C  2142:  hande).  Ende  die 
om  des  conincs  ande  sinen  lieven  sone  heefs 
bracht  in  dolingen,  Sp.  II',  19,  6.  Ittit  groter 
vreesen ,  mit  groter  ande  quamen  sy  alle  aen  enen 
lande,  Troyen  9953.  Met  rechte  maecht  my  sere 
deren ,  dat  gy  my  wilt  doen  sulke  aende  (:  maende), 
10512.  Daer  si  scade  ende  grote  aende  allen 
kerstinen  lieden  daden,  ^.  III*,  11 ,  14  ^:  maende). 
Met  Jeronimuse  was  ie  VI  maende,  die  menege 
pine  ende  aende  van  den  quaden  volken  gedogede, 
III»,  27,  73.  So  vele  vemoys,  so  menege  ande 
daden  hem  daer  die  viande,  III',  43,  19.  Dat 
men  iu  daerombe  doet  enige  ande,  Merl.  3239. 

ANDE  (anden),  znw.,  voor  hande,  handen, 
mv.  van  hant,  Bose  {Cf)  118,  196;  enz. 

ANDE,  West-Friesche  dialectvorm  voor  het 
gewone  Bnde,  voegwoord,  thans  en.  Ofri.  anda, 
ande,  and  (Richth,  604);  eng.  and.  ||  Ie  wille  dat 
dit  vaste  si  ande  gestade ,  Oorkb.  2 ,  8O0;  Soutendam, 
Jrch.  V.  Delft  4  {te  Haarlem,  ^268). 

ANDELEN,  voor  handelen,  behandelen.  VI, 
Pijmkr.  493. 

ANDEN,  ook  handen  geschreven  {hi  andet  of 
ant,  dw.  geant),  zw.  ww.  bedr.  Ohd.  anaddn, 
andón-,  mhd.  anden',  nhd.  ahnden\  mnd.  dnden', 
ags.  andian.  Verg.  ook  Schmeller-Frommann ,  Baier. 
Wtb.  1,  99,  en  zie  verder  bQ  Ande,  Geanden 
en  Ansel. 

I)  Met  eene  zaak  als  onderwerp  eii  een  persoon 
als  voorwerp. 


407 


ANDE. 


ANDE. 


408 


1)  Enen  — ,  iemand  pijnlijk  aandoen^  hem 
grieven^  ergeren ^  verbitteren^  met  de  bijgedachte , 
dat  hij  daardoor  tot  wraak  aangezet  wordt.  ||  „Gi 
staect  mi  herde  dorperlike  van  minen  orsse ,  sonder 
plecht."  —  „Oft  u  andet,  so  nemes  recht!"  Lanc. 
III ,  15357.  Dat  gi  mi  taent  nu  dus  sere ,  dat  ant 
mi,  bi  onsen  Here,  III,  15386.  Het  ant  mi  so 
dat  ie  verdoye,  Parth.  7301.  Qi  sijt  der  scoenre 
rosé  botten  ten  naesten,  dat  gire  nemmermere 
comen  snit  bi  enegen  kere,  hoe  lettel  of  vele  dat 
u  ande  {he,  hande),  B4)se  fr.  bl.  255,  vs.  159. 
8o  dat  hi  ter  saleger  leeren  menegen  mensche 
daer  brochte  in  dlant,  so  dat  den  dnvel  hevet 
geant,  ende  porrede  daertoe  qnade  lieden,  die  dit 
weldoen  wilden  verbieden,  Sp,  II',  39,  18.  Dit 
heeft  den  duvel  sere  geant,  ende  heeft  op  hem 
gemaect  viant,  II*,  41,  9.  —  Dat  mach  mi 
and  en,  dat  doet  mij  onaangenaam  aan^  daar 
ben  ik  met  reden  verstoord  over,  \\  Mi  dinct, 
ie  hebbe  mijn  cmut  verloren;  .  .  .  bi  miere 
wet,  dat  mach  mi  anden!  Eleg.  819 — 22.  Bedy 
gy  en  haet  niemen  el  van  uwen  geslagen  vianden , 
sonder  my:  dat  mach  my  anden!  Tragen  3850. 
Dit  mochte  den  grave  sere  anden,  datten  Geraert 
wilde  ontliven,  Stoke  IV,  1494. 

2)  Enen,  —  iemand  benijden  ^  ijverzuchtig  op 
hem  zijn.  Verg.  ags.  andian,  in  videre.  ||  Doe  dit 
die  flsisiene  vernamen,  want  geen  sieke  te  hen  en 
quamen,  ende  si  hoerden  van  dien  doene,  anden 
si  sere  Panthalioene ,  Sp.  11",  33,  69  (In  den 
tekst  staat  baden,  dat  geen  zin  geeft,  en  onge- 
twijfeld in  anden  veranderd  moet  worden.  Bij  Yinc. 
invtdebant). 

II)  Met  een  persoon  als  onderwerp  en  eene 
zaak  als  voorwerp.  Iet  — ,  zich  iets  erg  aantrekken , 
zich  over  iets  verbitteren  of  boos  maken. 

1)  Zich  ergeren  {over  of  aan  iets)  en  die  ergernis 
doen  blijken.  \\  Ende  gaf  sinen  wive  enen  slach, 
daer  sijt  dorste  anden ,  Eleg.  1218.  Dus  seide 
Cursout  den  wille  sgn,  dat  niemen  ne  ande  sonder 
Clarijn  (Af.  hande),  Parth.  4703.  Wat  hi  wil,  mach 
niement  anden ,  Stoke  Y ,  1084.  Doent  Yenus  sach, 

fine  si  dat  anden,  Vad.  Mus.  1,  312,  168.  Beide 
en  voeten  ende  den  handen  mesquam ,  ende  begon- 
sten  anden,  dat  si  pijnden  dat  hi  at  die  buuc,die 
emmer  leget  sat,  Esop.  LXY,  1.  Hem  behoeft  een 
dicke  scilt,  die  alle  dinc  anden  wilt,  Belg.  Mus. 
6,  185,  45  (uitg.  Men  b.  enen  dicken  sc.)i 

2)  Zijne  ergernis  over  iets  feitelijk  toonen,  door 
er  wraak  over  te  nemen.  In  deze  opvatting  geheel 
gelijkstaande  met  wreken.  \\  Ande  ochte  wille 
Ritsart  dese  lachterlike  wart!  Lorr.  II,  3394.  Dat 
iet  althants  niet  en  ande  (hs.  hande) ,  dies  so  wert 
te  meerre  scande ,  II ,  4084.  Hi  was  so  hovesc ,  .  . 
dat  hine  wilde  in  gere  maniere  dat  anden  (Af. 
handen) ,  als  menich  sonde  doen ,  Wal.  8545.  Ende 
weet  oec  wale  dat  iet  ande  ende  anden  sal,  gine 
latet  bliven,  Bcse  8056.  Doet  dat  gi  wilt,  insaels 
niet  anden,  want  ie  sta  in  uwen  handen,  Yelth. 
III,  43,  57  (d.  i.  niets  er  van  wreken,  dus  vol- 
strekt niet).  Al  hadde  men  hem  mesdaen  zware  . . , 
sine  haddent  dorren  anden  {hs.  handen)  niet,  VI. 
Rijmkr.  2880.  Dat  moet  ie  anden!  Lutg.  II,  1238. 
Es  God  rechtich  so  sal  hyt  anden,  dat  zi  onnozele 
te  rechte  pauden  van  boeten  die  hen  niet  souden 
geburen,  Praet  2142.  —  Den  lachter  anden, 
de  schande  wreken.  ||  Du  sout  hemelrike  panden 
up  Gode,  wiltu  dien  lachter  anden.  Overzee  51. 
Die  wael  dorsten  haren  lachter  anden,  if<fr/.  21299. 
—  Sijn  leet  anden,  de  hem  aangedane  beleedi- 
ging  wreken.    \\   Och  selc  gelucke  toequame  sinen 


vianden,  dat  si  hare  leet  noch  wonden  uden, 
Heelu  7470.  —  Wreken  no  anden,  zijnewak' 
lust  noch  met  daden,  noch  in  woorden  of  ylut 
openbaren.  Dubbele  en  daardoor  versterkte  uitdrok- 
king ,  die  de  beide  opvattingen  1)  en  2)  vereenigt  l) 
Hine  dorste  wreken  no  anden,  het  waren  alle siae 
vianden,  Yelth.  lY,  42,  51. 

ANDEEN  (andein),  znw.  onz.  Mlat  anim 
(Duc.  1 ,  250,  1);  verg.  ofr.  andier  (La  Cnme  1, 
436);  nfr.  landier,  met  voorgevoegde  /  (Littré  2, 
246) ;  eng.  andiron  (Wedg woord  1 ,  61 ;  Muller  1», 
20).  Eene  ijzer  soort.  \\  Oec  vintmen  in  somechlint 
erehande  iser ,  als  iet  vaut ,  datmen  andein  heet 
openbare.  Men  machet  smelten  alst  coper  ware ,  mier 
et  en  es  te  smeden  niet  so  goet,  ensi  datmer 
conste  toe  doet ,  Nat.  Bl.  XIII ,  141  (Lat  vul^ariUr 
andena  dicitur.  In  den  tekst  naar  het  Leidsebe 
Hs.  anders,  welke  vorm  misschien  Miiot[.eniiei{i\ 
te  verklaren  is).  Oec  hadde  die  here  mede  enen  spiet, 
die  hem  up  minne  Talrestis  gaf,  die  coninghuine, 
ende  enen  knyf  van  andene,  Alex.  IX,  584  (Sael- 
laert  in  de  aantt..  Dl.  2 ,  bl.  409 ,  en  Franck  (bl.  490) 
houden  andene  yoot  een  eigennaam,  en  wel  Jndenmii 
het  graafschap  Namen,  dat  de  eerste  vermoedt  destfdi 
beroemd  geweest  te  z^n  om  zijne  messenmakerjeii, 
als  later  de  stad  Namen ;  doch  voor  dit  vermoedei 
is  geen  grond.  In  de  Alexandrei»  ontbreekt  dit 
gedeelte  van  Maerlant^s  gedicht). 

ANDER,  -dere  of  dre,  bijv.  vnw.  Got  aiUUr\ 
ohd.  andar ;  mhd.  nhd.  ander ;  mnd.  nnd.  ander \  a^ 
ddher;  eng.  other.  Ander  staat  dikwgls  onverbo^ 
of  als  apocope  van  andere,  als  b.  v.  ||  Aoder 
porte  engeue,  Heelu  355.  Ene  ander  bede,  Feril 
1284.  Ene  ander  werf,  Terg.  1525.  Een  ander 
smerte,  Parth.  2227.  An  ander  copinge.  Her. 
1633.  Ter  ander  camer,  2915.  Op  dander  aide, 
Limb.  YII,  860.  In  ander  siden,  in  die  ands 
side,  Heelu  2494,  5110  (verg.  banderside).  And» 
scaep,  Bein.  II,  4270.  Ander  diere,  Parth.  2210. 
ü  ander  borge,  1252.  Dander  viere,  Ferg.  3231 
Ander  vele,  Heelu  3231.  Ander  heren,  7464. 
Boven  alle  dander,  Flor.  2971.  Sonder  tndff 
treken,  Doet.  III,  1206.  Met  veel  ander  banroctsea, 
Exc.  Cron.  161b.  Onder  dander,    161*,  163tf  ew. 

—  Yooral  had  dit  plaats,  tïis  ander  door  een  bexittel|l 
vnw.  van  zijn  znw.  werd  gescheiden,  als:  j|  Ander 
mine  vrient,  Christ.  53.  Ander  haer  werke,  128. 
Ander    haer    lede,    630;    enz.    Yerg.     ANDEEi 

—  De  2de  nv. ,  m.  en  onz. ,  der  sterke  verbnigisf 
was  anders,  gelQkluidend  met  het  byw.  anden, 
en  daarmede  niet  te  verwarren,  (j  Meest  da 
menschen  dunct  quaet  anders  leven  ende  sine  staet, 
Teest.  232.  Sanders  (w.),  Lanc.  II,  44969,45131 
Tsanders  (»f.),  Bijmb.  14241  {var.  des  andersV 
Alles  Sanders  {onz.),  Lanc.  III,  14324;  enz. 

1)  Tweede,  het  gewone  ranggetal  (lat.  wr»»i«). 
in  welken  zin  het  woord  ook  in  de  verwante  oade 
talen  (got.,  ohd.,  mhd.,  ags.  enz.)  in  gebriik 
was.  II  Deerste  .  .  dander  .  .  dat  derde,  Lsf.ly 
13,  VS.  37,  45,  53;  III,  13,  va.  43,  53,  W. 
Dierste  .  .  dander  (dandre)  .  .  die  derde ,  Lsp.  II, 
54,  VS.  6,  13,  20;  III,  19,  vs.  4,  13,  21.  Iki 
andren  ende  den  derden  daer  naer,  Lane.  Il, 
3184.  Opten  irsten  oft  opten  anderen  dach,  lü, 
1240.  In  coninc  Joas  ander  jaer,  Bijmb,  138(& 
Ins  coninc  Daris  ander  jaer,  17459.  Tandertekfi 
heet  stier.  Natuur k.  1307.  Sixtus  dander,  Ltp.U, 
44,  451.  Johannes  .  .,  dander  die  hiet  alsoe,  Ü, 
48,  558.  Dese  ander  Heinric,  Braó.  F.  HI,  285i 
Dese  andre  Jan  hertoge,  Y,  643.  Dies  dcerst' 
lettere  D.  telt,  ende  dandere  en  heeft  geen  getil 


409 


ANDE. 


ANDË. 


410 


JD,  Jnand  II,  6389.  Die  derde  lettre  van  der 
sillebe  mede  es  dander  vocael ,  t.  v.  'Ë,  U^  6395. 
Ende  aldns  hebdi  dat  ierste  pant  .  .  Hier  na 
Yolget  dat  ander  pnnt,  Ruusbr.  3,  226.  Bat  myn 
here  den  anderen  strijt  gewonnen  hadde,  Oarl.  v. 
Albr.  67 ;  enz.  —  Vooral  gewoon  was  die  (of  dat) 
ander  boec,  het  tweede  boekj  in  uitdrukkingen 
als:  II  Hier  begint  dander  boec;  die  ander  boec 
hier  begint;  den  andren  boec  willic  beginnen;  dit 
es  die  Me  van  den  andren  boeke ;  die  ander  boec 
heyet  in;  den  andren  boec  latic  hier  bliyen;  enz, 

—  Ten  anderen  male,  ten  tweeden  male, 
andermaal,  3£Zoep  I,  2345;  in  de  tweede  plaats, 
ten  anderen,  Brai,  Y.   VI,  8495;  Ruusbr.  3,  36. 

—  Hem  (baer)  anderen,  m^^Atm^^^?^,  ook  in 
denzelfden  zin  met  hem  anderen.  Zie  De  Jager, 
Arch,  4,  249—251  en  Tijdschr.  2,  192.  ||  Dusquam 
soe  ten  berge  saen  baer  anderen,  Sp.  V,  59,  46 
( Vinc.  ^eum  pi^ero  ad  litus  venit").  Item  Persemiere , 
die  doe  trompte  hem  andren ,  BeJk.  v.  Oent  1 ,   1 64. 
Van  cost,  die  Jor^js  Kippenberch  mit  him  anderen 
.  .  mit  tween  pairden  tot  sinen  huze  dede,  Oorl, 
V.   Alhr,   139.    Item   socbtens   verteert  wii   achte 
ende  die  burgermeyster  mit  hem  anderden,  elcx 
drie  grote,   83.  —  Na  de  14de  eeuw  kwam  voor 
het  verbogene  andere,  in  dezen  zin,  ook  de  vorm 
anderde  in   gebruik  (met  ingeschoven  <i  na  de  r, 
als  in   ons  zuiverder  voor  xuiverer  enz.),  en  zeide 
men  die   (dat)  anderde.  jj  Onse  anderde  boec, 
MLoep  I,  3271  var.  Dat  (int)  anderde  boeck,  II, 
Titel,  442   var.;    IV,   158,  248  var.  Die  anderde 
quellinge,    Oeet,  Bom.  e.  30.  Waert  dat  ie  desen 
anderden   man  liever  had  dan  den  eersten,  e.  75. 
Na  dattie   anderde  cloc  geluudt  is.  Leid.  Keurb, 
21.   Laken   van  anderde  wolle  .  .  ende  laken  van 
der  derder  wolle ,  82 ;  verg.  518 ,  526 ,  527.  Jacop 
die    coster,    van   dat   hii   gewaect  heeft  up  sinte 
Peters   toirn   mit  hem  anderden  17  nachten,  Bel. 
V.  Leiden  427.  Dat  eerste  trapkyn  .  . ,  dat  anderde 
trapkgn,    Ned.  Proza  316.  Die  ander  plage  ende 
dat   anderde  gebot,   X  Plag.,   titel  vóór  vs.  424. 
Dn   selste  die  anderde  vrouwe  werden  geheten  in 
den  palase  nae  die  coninginne,  Pats.  Jr.  476.  Als 
Dideric  gestorven  was,  die  yerste  grave  van  Hol- 
iant,    wert    Dideric   sijn   enige   soon  die  anderde 
grave    tot    Hollant,    Matth.   Jnal.  3,  58.  In   die 
anderde  bat  talie ,  ^jrr.  Cron.  121b.  Den  Paus  Pius 
den  anderden  van  dier  namen,  2023.  Ten  anderden 
g^nge  .  .,   ten   derden   male,    2266;  enz.  —  Mis- 
schien   is  de  vorm  anster,  dien  men  vindt  Bek,  d. 
Gr,     1,    9:    „in  der  prochie   van  Loenen   .   .    bi 
len    slote    dene   side  .  .,   bi    der  aneter  side*^  als 
sen    dialectische  vorm    voor  anderste  (=  anderde) 
«  beschouwen. 

2)  De  tweede ,  van  twee  personen ,  van  welke  te 
^oren  de  eerste  genoemd  is  (lat.  alter) :  Die  een  — 
Ue  ander,  of  deen  —  dander,  geheel  overeen- 
itemmende  met  het  hedendaagsche  gebruik.  Doch 
»pinerkin^  verdient,  dat  hier  by  ander  het  lidw. 
eelal  wordt  weggelaten ,  wanneer  de  eene  persoon 
iet  object  is  eener  werking  van  den  anderen.  ||  Ie 
rilde ,  hi  hinge  an  enen  boom  .  .  alse  een  dief, 
ie  andren  heeft  gedaen  meest  rnet,  .BW».  1,184. 
Sntie  meest  andren  heeft  mesdaen,  I,  191.  Wie 
'at  daer  anderen  {den  ander)  conde  met  crachte 
nderbringen ,  Heelu  866.  Hi  sal  di  alse  na  bestaen 
Ise  man  mach  anderen,  Vad.  Mm.  4,  319,  215. 
—  Deze  weglating  van  het  lidwooord  is  reegel, 
'anneer  elc,  mallijc,  haergelijc  of  haerlijc  (d.  i. 
ïk  vaft'  Aen  beiden)  voorafgaat ,  en  dus  eene  weder- 
jdsche   werking  wordt  uitgedrukt.  De  beide  deelen, 


elc  enz.  en  ander,  bleven  afzonderlüke  woorden, 
veelal  gescheiden  door  een  voorzetsel  of  door  het 
werkwoord,  dat  altijd   in  het  enkelvoud  gebruikt 
wordt,   ten  minste   wanneer  elc,  mallijc  enz.  het 
subject  van  den  zin  uitmaakt.  Ander  staat  in  deze 
verbinding  altijd  in  het  manlijk  geslacht,  zonder 
dat  het  werkeiyke  geslacht  der  bedoelde  personen 
of  zaken  in  aanmerking  komt.   ||  Dit  geloefde  elc 
anderen,  Beatr.  159.   Elc  en  haette  anderen  niet 
sere,  Ferg.  5559.  Elc  hadde  andren  doet  geslegen, 
1881.   Elc  groete  anderen,  S^.  UI",  26,   6.  Elc 
hevet  anderen  gegroet,  III*,  16,  31.  Elc  bereidde 
andren   soe,   Line.  II,  9766.  Elc  droech  andren 
ter  erden.  II,  4499.  Elc  dede  andren  grote  ere, 
Limb.   V,  2179.   Elc  sal  bi  andren  teren  comen, 
V,   2095.  Elc  quam  op   andren  thant,  Lanc.  II, 
5719.   Elc   liep   op   andren   met  nide   groet,   elc 
sloech   met  nide   op   andren,   II,   5742   vlg.  Elc 
liep  ten   andren  wart,  II,  9760.  Elc  was  anders 
doe  sere  blide ,  zij  waren  zeer  verAeitgd  over  elkander, 
II,  9043.  Elc  was  sanders  (/.  anders)  blide,  III, 
2432,  5825.  Elc  was  anders  viant,  ^.  III*,  4,8. 
Doe  elc  wiste  anders  name,  Xtmd.V, 21 74. Mallijc 
sloech  op  andren  met  sporen,  Ferg.  5350.  Haer- 
gelijc andren  an  hem  dwanc.  Flor.  3049.  Haergelijc  in 
anders  arme  lach ,  3298.  Haerl|jc  ontfarmde  anders 
sere,  3529.  Hoe  tilic  haerlijc  andren  minde,  3807. 
Zie  verder  bij  Mallijc  en  Haergelijc.  —  Een 
enkele    maal   komt   anderen  met   het  lidw.  voor, 
doch  alleen  in  lateren  tijd.  ||  Elck  den  anderen  in 
armen  dructe,  MLoep  II,  1467.  —  Ook  vindt  men 
de  beide  woorden;  elc  en  ander,  in  omgekeerde 
volgorde  gebezigd.  ||  Ooc  ginc  andren  elc  verslaen , 
Bijmb.   8924.   —   Wanneer  een  meervoudig  vnw. 
of  znw.,   de   aanduiding   der   beide   personen  (of 
zaken)   behelzende,   als   subject   staat,    en  elc  of 
mallijc  daeraan  als  bg stelling  toegevoegd  wórdt, 
of  wanneer  de  wederzijdsche  werking  aan  meer  dan 
één  paar  te  geiyk  wordt  toegeschreven,  dan  staat 
natuuriyk  het  werkwoord  in   het  meerv.    ||    Doe 
gingen  si  grote  slage  slaen  elc  op  andren,  Lanc. 
II,    4506.    Si    staken    elc   anderen,    II,   8874.  Si 
souden  .  .  elc  andren  helpen,  II,  8991.  Nauwe  si 
hem   ondersochten  om  elc  anderen   te  verderven, 
Bein.  II ,  7066.  Alle  die  gene  diese  sagen,  begonsten 
mallijc  anderen   vragen,  Ferg.  5037.  — De  laatst- 
genoemde  woordvoeging   is   sedert  bij  uitsluiting 
in    gebruik    gekomen;    elc  anderen  en   male  an- 
deren  begonnen   zonder   eenige  afscheiding  bgeen 
te   staan,   en   zoo   ontstonden   het  hedendaagsche 
elkander    en    malkander    (dat    men    reeds    vindt 
MLoep   II ,   1466)  als  aaneengekoppelde  woorden , 
by    welke  zelfs  het  voorzetsel  niet  meer  tusschen 
de    beide    deelen    in ,    maar    vooraan    geplaatst 
wordt  (mnl.   elc  op  andren,  thans  op  elkander).  — 
Ook     zonder    elc    vindt    men    ander    gebruikt, 
ter  aanduiding   eener  wederzijdsche  werking,  by 
een    meervoudig    subject.    ||    Anderen    daden    si 
gerief,    Vergi  544.   Dat  man  ende  wyf  van  ander 
keren  hoir  genoecht  ende  horen  {haren)  wil,  Hild.  153, 
44.  In  anders  arem  waersi  bevaen,   O  VI.  Lied.  en 
Oed.  11 ,  4.  Het  lach  een  wijf  van  frisschen  zinne 
bi  haren  boel  alleine ,  in  anders  arem  vast  gemeine, 
83 ,  3.  —  Later  echter  wordt  in  dit  geval  aan  anderen 
het  lidwoord  toegevoegd.  ||  Ie  ende  gi  wi  s^n  die 
den    anderen     minnen     mogen.      Vrouw.    e.     M. 
I,  158.  Swagers  synt  nummermeer  beter  vrienden , 
dan  veer  van  den  anderen,  Spreuken  22.  Als  twee 
naelden  tegen  den  anderen  steecken ,  die  en  hechten 
niet  op  malcanderen,  61. 
3)  Van  tijdruimten   gezegd.   De  naaste,  naast- 


Ui 


ANDE. 


aNde. 


412 


aanfffgnzende ,  hetzg  van  voren  of  van  achteren ,  en 
dns  in  tweeledige  opvatting: 

a)  De  naastvoorgaunde.  \\  Den  anderen  dach  voer 
sente  Marien  Magdalenen  (pridie),  Brab.  Y.  YI, 
428.  Dat  hire  twee  liden  sach  des  ander  dages 
vor  middach,  Lartc,  II,  43615.  Hem  gedochte  .  . 
sferdriets  van  den  anderen  dage,  i^.  UI*,  16, 
36.  —  Verg.  Anderdages. 

b)  De  naaitvolgende.  \\  Int  ander  jaer  hier  na, 
Brab.  T.  I,  1396.  Des  ander  dages  \pottridie)  na 
sente  Jacobs  dage,  Oorkb,  2,  2703.  Des  anderen 
dages  na  sente  Jans  dage  middensomere ,  3243. 
Des  anders  dages  na  sinte  Andries  dach, 
3483.  Des  anders  dages  na  sente  Berthelmens 
dach,  Mieris  2,  3233,  3243.  Des  ander  daegs, 
Brab.  T.  VI,  6757.  Des  anderen  dages,  VI, 2041. 
Des  andren  daegs,  VI,  5764,  5763.  Des  ander 
dages  daema,  Exc.  Cron.  1613.  —  Doch  de  hier 
gebruikte  zwakke  verbuiging  van  ander,  thans  in 
ons  ^t anderen  daags  de  gewone,  was  van  lateren 
tyd;  de  echte  onde  vorm  was:  Des  anders 
dages  of  sanders  dages.  Nat.  BI.  III,  1357; 
lAmb.  IX,  841;  Flor.  1950;  sanders  daegs, 
Bijmb.  5679,  6799;  Flor.  2617,  2711;  tsanders 
daegs,  4372,  5843,  6046;  sanders  mer- 
gens,  Flor.  1946;  enz.  —  Over  andren 
dach,  thans  om  den  anderen  dag\  nog  heden  in 
Noord-Brabant    gebruikt ,  -  eng.    every    other   dag. 

II  Dat  ommer,  over  andren  dach,  dies  greven 
ziele  leed  grote  pine,  die  dies  eens  daegs  voer 
hem  leed  Eerstine,  Chritf.  1492  (in  de  uitg.  den 
andren,  doch  dit  is  eene  drnkfont.  Zie  Bormans 
bl.  397). 

4)  Ander,  lat.  aliut,  de  hedendaagsche  beteekenis, 
ook  in  't  Mnl.  zeer  gewoon,  doch  in  het  gebruik 
eenigszins  van  het  onze  afwijkende.  ||  Felre  wart  noit 
geboren  ander,  Rijmb.  20390.  Archelause,  syn 
sone  een  ander,  dien  droech  Mathaca,  20706.  Dat 
es  God  ende  niemant  ander,  O VI.  Ged.  3,  112, 
546.  Daer  dandre  sine  vorders  lagen ,  Rijmb.  19637. 
Anderre  wive  onderwenden  niet,  Teesi.  2676.  Van 
goeder  gewoentheden  anderre  geesteliker  menscen , 
Ruusbr.  3 ,  183.  Anderre  menscen  scout  ,196;  enz.  — 
Zeer  gebruikelijk  is  de  2de  nv.  enkelv.  onz.  bij  iet , 
iets ;  niet,  niets ;  vele  en  genoech,  die  dan  steeds  voorop 
gaat, als:  Anders  iet,  9.  0^.  Wiven  10 ;  Stoke  VIII, 
743;andersniet,  Parth.  1206 ;  Heelu  1 123, 1336, 
2187;  anders  niet  een  twint,  Sp.  IIP,  25, 
98;  anders  niet  el,  Chriat.  58,  eigenlijk  van 
andere  dingen  niets  anders  (verg.  Bormans,  bl. 
33 — 36);  anders  genoech,  ^.  I»,  8,  5.  Alte 
vele  anders  dincs,  Ckrist.  1123;  enz.  —  Ook 
wordt  anders  gebruikt  zonder  toevoeging  van  iet, 
vooral  wanneer  het  gevolgd  wordt  door  dam 
Anders  dan,  iets  anders  dan;  verg.  fr.  dautre 
chose  que.  \\  Want  ie  anders  hebbe  te  doene  dan 
van  der  Jueden  sermoene  te  makene  vele  parlemente, 
Sp.  I*,  6,  43.  Ie  begeer  noch  in  den  hemel  noch 
in  der  eerden  anders  dan  dl,  Stemmen  82.  Brant, 
volc  van  wapene  of  anders  dan  goet,  Invent.  v. 
Brugge  6,  334.  —  Niet  alleen  als  manlijk,  maar 
ook  als  onzydig  werd  ander  substantivé  gebruikt, 
evenals  lat.  aliud.  \\  Dat  hijt  hem  betren  doe  ende 
ander  dat  behort  hier  toe,  Sp.  V,  80,  41.  — Een 
ander  (onzijdig),  een  ander  ding,  iets  anders,  het- 
zelfde als  mnl.  iet  el.  Vgl.  Taalk.  Bijdr.  1 ,  60.  Ook 
mhd.  ein  ander,  „etwas  anderes"  (Ben.  1 ,  363).  ||  Dit 
seidi  dor  behendichede ,  om  Èlegast  te  proevene 
mede ;  nochtan  wasser  een  ander  an :  hi  hadde  gerne 
geweest  van  dan,  Eleg.  993.  Alse  te  voren  die 
^ote    Alexander   up   die  van  Rome  eeschte  een 


ander  dan  Emulus  hadde  besproken,  Sp.  1^5,5. 
Of  es  hem  een  ander  sochter,  IV',  66,  100.  Ie 
waende  een  ander,  I',  47,  26.  Hoort  hier  een 
ander,  Rijmb.  20503.  Want  die  heymelike  sprect 
ende  ginder  een  ander  ontdect ,  Meltb.  1896.  Ginder 
een  ander  bringen  voert ,  1894.  Een  ander  dAt  di 
beter  is.  Kal.  6,  118.  Onder  den  hoet  een  ander 
scinken ,  Theoph.  108.  —  Evenzoo ,  met  de  ont- 
kenning: Negeen  ander,  nietsanders.  |Mi«^ 
ander  hi  en  rochte  dan  dors  dat  hi  van  lande 
brochte ,  Ferg.  977  (verg.  976  vlg.).  —  Ook  in 
den  vorm  anderde,  doch  in  later  tyd.  Verg.  b^l). 
II  In  Mojses  anderde  boecken,  MLoep  III,  9  tv. 
ANDERDAGES ,  bg w.  Van  de  adverbiale  uit- 
drukking anders  doges.  Zie  Ander  3,  d). 

1)  Eigeniyk  den  vorigen  dag.  ||  Walewein  dancte 
alre  ere  Moriane,  dat  hi  hem  behelt  sanderdages 
diyf  op  tfelt.  Mor.  3338. 

2)  Bü  uitbreiding  ^;r^  dagen,  onlangs,  kort  geil- 
den. Mhd.  anders  tages,  „neulich",  nnd.  anderiofa 
(Koseg.  1, 377) ;  eng.  tAe  other  dag ;  friesch  okkerdai\ 
fr.  Pautre  Jour.  Nog  heden  is  anderdaags  toot 
onlangs  in  Groningen  bekend  (Swaagman  49).  Td 
Grimm  Oramm.  3,  129.  ||  Here,  anderdages,  ui 
was  waer,  daer  ie  lach  in  mgn  pawelioen,  feri. 
2878.  Die  heydene  die  . .  sanderdages  waren  gerloei, 
lAmb.  V,  1454.  Alsoe  die  stadt  van  Amersfoert 
anderdages  ene  nederlage  gehadt  heeft.  Barman, 
Vtr.  Jaarb.  3,  527  {a.  1481). 

ANDERDE,  bnw.,  voor  andere,  ander.  Se 
Ander  1). 

ANDEREN,  zw.  ww.  bedr.,  veranderen,  ^ki- 
deren,  vetus.  Mutare.^^  Kil.  Mhd.  andem.lbi^ 
anderen  schynt  niet  voor  te  komen. 

ANDERHANDE.  Zie  by  Hant. 

ANDERHEIT,  -hede,  znw.  vr. 

1)  Het  anders  zijn;  ander  wezen,  verschil ^ oader- 
scheid,  in  abstracte  opvatting;  het  tegenovergesteld! 
van  eenheid.  Lat.  diversitas;  mystieke  term,  TOonl 
by  Ruusbroek  gewoon.  ||  Dese  selve  eenheit . .  • 
verteert  ...  al  dat  daer  geoppenbaert  wert  ii 
anderheit,  Runsbr.  1 ,  47.  Anderheit  ochte  ninvtefaeit 
van  gelove,  101.  Soe  syn  wi  een  ander  van  Gode, 
ende  en  mogen  niet  één  werden ,  mer  ewelic  ii 
anderheit  bliven,  5,  41.  Die  sone  .  .  siet  bes 
uutvloyende  in  persoenlike  anderheit  uut  der  sab- 
stancien  des  Vaders ,  77.  Eenheit  in  minnen  &■ 
mach  anderheit  niet  werden ,  ende  anderheit  es 
mach  eenheit  niet  werden,  245.  Eest  dat  hi  hei 
selven  merct,  hi  vindt  ondersceyt  ende  anderbfi^ 
tusschen  hem  ende  Gode,  6,  200.  Ondersceit eadc 
anderheit,  3,  230,  240;  5,  73,  136;  6,227; 
Ned.  Proza  28.  Inder  ewangelien  ia  een  edel  pii«- 
heit,  die  sober  is  van  alre  anderheit,  ende  eei 
onbegripelike  licht,  een  onvergancUc  leven,  Si- 
JSpist.  ld.  —  Verg.  ook  Runsbr.  6,  46,  72;  6, 
183,  187;  enz. 

2)  Het  anders  zijn,  het  buiten  aieh  zelven  s^^ 
de  vervreemding  van  zich  zelven ,  verstrooiktg  9J 
verbijstering  van  den  geest;  een  term  uit  de  mystiekf 
godgeleerdheid.  ||  In  dien  dat  wi  onderlinge  casses 
ende  gerinen ,  soe  gevoelen  wi  anderheit ,  die  o* 
niet  gedueren  en  laet  in  ons  selven ,  Rausbr.  3 ,  3K. 
Anderheit  of  benauwinge  of  ongelycheit  of  rtf- 
warringe  van  binnen,  Gerl.  Peters  222. 

3)  Verschil,  oneenigheid.  ||  Hierom  wert  groö» 
gescelt  ende  anderheit  om  te  antwoerden  ooder 
desen  tween  heiligen,  Boeck  v.  d.  L.  Jhesu  221i 
Nochtan  sullen  si  dusdanigen  dmc  des  vleif 
sches  hebben,  glosa,  om  menichvoudige  anderheit 
die  in  der  echtscap  vallet,  Rs.  75,  /.  28r  (I  Cor.  7,  S?j 


413 


ANDE. 


ANDE. 


444 


ANDEBLEIE.  Zie  by  Leie. 

ANDEBLINO ,  «nw.  m. ,  aehtemeef^  neef  in  den 

tweeden  graad  ^    kind  van   een   vollen  neef  of  een 

volle  nicht  ^  fr.  cousin  eoue-germain.  Uit  Ander  en 

het  achtenr.  -line.  Een  in  Vlaanderen  gebmikelijke 

term  in  denzelfden  zin  als   Andersioeer'.   zie  ald. 

Kil.  Ander-linck  j.   Ander-sweer.    ||   Yan 

eiken  C  pont.  parisis  te  soenen  es  scnldich  sinen 

maechzoene  also  hier  na  yolghet:   Elc  broeder  es 

scnldich  sinen  broeder  die  principael  es  .  .  XL  s. 

Elc  ooms  of  moeyen  kint  .  .  XX  s.  Elc  anderlinc . . 

X  s.  Elc  derdelinc  .  .  V  s.,  Cout,  v,  Oent  617. 

ANDERS,  b^'w.  In  den  nog  heden  gewonen  zin 

van   op   eene   andere  wijze   oi  in  een  ander  geval. 

Mnl.  anders  werd  echter  in   eenige  opzichten  op 

eene  wgze   gebruikt,  yan  het  hedendaagsch  taal- 

gebmik  yerschillende. 

1)  Anders,  van  eene  andere  soort  ^  yóór  een  znw.  ge- 
plaatst, in  stede  yan  het  yerbogenb|jy.  ynw.  a^e^^, 
aindere\  als  b.  y.  anders  Auus,  een  ander  hnis,  anders 
liede,  andere  lieden.  ||  So  scone  een  wgf,  dat  men 
tien  tiden  anders  lijf  noit  en  sach  hare  gelike, 
Alex,  Yin,   77.  Anders  huns  wi  noit  en  sochten 
dan  hole  ende  hagedochten,  i^.  1^,57,26. Tslant, 
Sweden   ende  anders  yort  eylanden  die  liggen  bet 
nort,  I',  88,  63.  Anders  pant  ne  mochti  geyen, 
I',  86,  27.  in  die  lande  en  qnamen  anders  conin gen 
dan  y rouwen,  I^,  46,  26.  Die  .  .  anders  weldaet 
en  doet  niet,  lY*,  12,  89.  Anders  oec  yeleliede, 
Bijmb,  21788  y2it.  (tekst:  andere);  yerg.  22741  yar. : 
Yisscherie  ende  anders  renten ,  Stokel,  626.  Profijt 
no  anders  ghewinne,  Amand  I,  3946.  Anders  wise 
knapen,  Hild.  208,  104.  Anders  yele  qnader  ghe- 
werken  daden  si  in  Yrankerike,  Fl.  Bijmkr.  Si  7. 
Anders  yronwen,  Belg.  Mus,  10, 66, 24.  Eist  in  diefte, 
eist   in    brande,   eest  in   roye,   in  yergeyen  yan 
yennn  oft  in  anders  dootliker  dingen ,  Brah.  7*.  Dl. 
1 ,  bL   783  («.  1330).  Omme  ghelt  of  om  bede  of 
anders  quade  saken,  Ned.  Proza  162.  Anders  yele 
goeder  laden,  liatth.  Anal»  3,  269.  Onze  poirters 
ende   anders  Inde,   O.   W,  v,  Amst.  11,  7.  —  In 
dien    sin  kont    anders   ook   yoor,   door  het  ww. 
yan    het    znw.   gescheiden.   ||   Daerwert  reet  die 
ridder   fier  bi  der  claerheit  yan  den  yiere,  want 
anders  was  hem  claerheit  diere ,  Limb.  X ,  78,  d.  i. 
andere  klaarheid  was  duur  voor  hem ,  m.  a.  w.  buiten 
tipt  bereik.  —  Ook  b|j  de  ontkenning  ^«m ,  nog  heden 
niet  ongewoon. II  Anders  gene  haye,  Sp.  IY',8,  7. 
Anders    geen  yolc,  Alex.   YIII,  1061  (b^  Franck 
onnoodig   in   el  geen  y.  yeranderd).  —  Yooral  ge- 
woon    was    dit    gebruik   yan    anders   zoowel  bg 
een  znw. ,  yooraf gegaan  door  een  bezitt.  ynw. ,  als 
bg    een    aanw^zend  ynw.,  als  znw.  gebezigd,  op 
dezelfde    wQze  als  ook  het  onyerbogen  adyerbiale 
al  en  a^tf/£r  yóór  determinatieye  woorden  geplaatst 
werd.  Zie  Al  als  bgy.  ynw. ,  kol.  312 ,  en  Algader 
(1ste    art.)   kol.  337.    ||    Fossejdeu   ende   anders 
haer  ^|^i»voech  hebben  sy  synt  ghemaect  ghenoech , 
Troy'en   ƒ.   61a.    Ons   .  .   ende   .  .   anders   onsen 
vrienden,   N^h.   1,  340.    Mit    ons    ende    anders 
onsen  borgen,  2,  11.  Anders  onse  stede,  263.  By 
weten  .  .  onss  lieyen  ghemynden  brueder  .  .  ende 
anders  onser  maghe  ende  yrynde,  3,  84.  Die  yan 
Ziericsee ,  yan  Middelborch  ende  anders  onse  porten 
Tan   onsen  lande,  Y.  d.  Wall  128.  Mit  hulpe  des 
coninx  van  Tngelant  ende  anders  siin  magen,  Clerc 
44.  Mit  sinen  maghen  yan  Yianen,  ende  mit  anders 
sinen  Trienden,  Matth.  Anal.  3,  201.Hy .  .besette 
dat    bnns  te  Gorinchem  ende  anders  sine  steden 
ende  sloten  daer  by  gelegen,  338.  Yoir him selyen 
,   .   ende  anders  die  gene,  die  him  hulpen,  Mieris 


4,  786tf  (tf.  1426).  —  Ook  bij  een  znw.,  yoorai- 
gegaan  door  enich  enmenick.  \\  Anders  enech  quaet 
lantshere.  Wrake  I,  1076.  Die  hertoghe  en  hoede 
hem  twent  jeghen  anders  eneghe  treken,  ^ritd.  Y, 
lY,  1302.  So  dat  hi  cume  indie  kerke  dede  ander 
(1.  anders?)  eenege  gewerke,  Sp.  I',  68,  39 
{Var.  enich  ander  g.).  Besiet  of  hier  es  anders 
enich  raet,  lamb.  X,  664.  In  beden  of  in  waken 
of  in  anders  enighen  heymeliken  goeden  dinghen , 
Ned.  Proza  166.  Anders  menich  man,  Amand  II, 
1963.  Ie  ende  anders  menich  dom,  N.  Doet.  1623. 
—  Ook  bj  een  betrekkelijk  ynw.,  geyolgd  door 
een  afhankeiyken  b^zin.  ||  Nieman  altemaïe ,  noch 
yremde,  nooh  gebuer,  noch  ridder,  noch  anders 
wie  hi  is,  Brab.  Y.  Dl.  1,  bl.  784  {a.  1330). 
„Dwaet  u,  ende  suyer  weset,"  ende  anders  dat 
daertoe  hort,  Sp.  II*,  13,  60,  d.  i.  het  andere, 
dat  er  bij  behoort,  of,  zooals  wy  zeggen:  hetgeen 
er   verder  volgt,  enzoovoorts. 

2)  Anders  in  den  zin  yan  voor  V  overige,  voorts, 
verder,  vervolgens.  ||  Hiwas  luxurieus,  al  was  hi 
anders  wQs  ende  preus ,  ^.  I*,  61 ,  69.  Oyer  die  scou- 
deren  entie  borst  wyt;  anders  toten  yoeten  neder 
welghemaect,  I^,  2,  2.  Datmen  nemmermee  ghe- 
menen  oorbaer  achter  en  late,  wient  anders  scade 
of  bate,  Lsp.  I,  34,  84.  Anders  soe  quam  hi 
twaren  op  ene  grote  woeste  heyde,  Zdmb.  X,  48. 

3)  Tenminste,  a/^Aofw ,  nog  heden  niet  geheel  bui- 
ten gebruik,  en  ook  in  onze  bg belvertaling  meermalen 
yoorkomende,  synon.  van  mnl.  ooc.  Meermalen  moet 
dit  anders  onyertaald  bl|jyen.  ||  Men  weet  noch 
niet  wie  daer  sal  winnen,  vort  anders  daer  mede 
es  yergaen ,  Wal.  2364.  Smout  van  den  reyghers  es 
specie  diere,  alsmen  seghet,  jeghent  yledersijn,  daert 
anders  nieuwe  es  ende  fijn.  Nat.  BI.  III,  320. 
Sone  waert  daer  af  Keiser  gheboren,  hine  worter 
anders  toe  vercoren,  Stoke  I,  963.  Soe  wat  dat 
anders  di  gheschiet,  en  sechent  u  metten  cruce 
niet,  Theoph.  601,  enz.  Ygl.  Oudem.  1,  174. 

4)  Anders  dan,  geyolgd  door  een  af hankelijken 
byzin,   tenzij,   behalve  dat,   tenware  dat,  dan  dat. 

II  Dat  der  moordenaren  scaren  gheme  hadden  in 
hant  ghegaen,  anders  dan  si  so  yele  mesdaen 
hadden  jeghen  die  yan  der  stede,  Bijmb.  31972. 
Bedi  men  doet  hem  gheene  wet  anders  dan  hi 
wort  ghesent  daer  wettelooshede  nemmermeerent, 
Praet  4701.  Na  der  doot,  als  gheen  solaes  hem 
mach  gescien,  no  wel,  no  paes,  anders  dan  hi 
yaert  in  ylammen,  4712.  Dan  dunct  mi  geen  ge- 
rechtichede,  en  si  mesdadich  niet  en  sgn  vonden 
anders  dan  wise  hebben  gebonden  in  sonden  bi 
onyersienen  rade,  Blisc.  v.  M.  600.  (De  steen  is) 
ghedaen  na  dat  carstal  .  . ,  anders  dan  {behalve 
dat)  hi  donker  es,  Nat.  Bl.  XII,  160.  Ygl.  ook  els.  — 
Ook  zonder  een  afh.  bgzin,  in  de  bet.  van  het 
voorz.  behalve ,  met  uitzondering  van.  \\  Hiversloech 
al  dat  yolc  anders  dan  400  jongelingen,  die 
ontreden ,  B.  v.  1367 ,  128<?  (I  Sam.  30, 17).  Daer  om 
en  sellen  si  van  den  roef  niet  delen  .  .,  ander 
(1.  anders?)  dan  haer  wiven  ende  haer  kinderen, 
128i  {ald.  VS.  22).  —  Ook  dan  alleen  komt  in  dezen 
zin  voor.  Zie  ald. 

Aanm.   In   de    16de    eeuw   ook   in   den  yorm 
anderst:  verg.  mnd.  onderst  (Lubben  1,  82).  jj 
Ie  en  hebbe  anderst  genen  yeerscat,  mer  hebbe 
minen  lichaem  yoer  die  yeerscat,  Pass.  S.  8c.  — 

ANDERSENS.  Zie  Andersins. 

ANDERSINS  (andersens,  ook  in  den  oorspr 
vorm  anders  sins  (syns)  geschreyen),  bgw.  van 
de   adyerbiale  uitdrukking  Anders  sins,  d.  i.  m 
anderen  zin.  Zie  SiN. 


41 S 


ANDE. 


ANDË. 


416 


1)  In  een  anderen  sin,  op  eene  andere  wijze, 
andere,  \\  Hi  wonde  die  dingen  andersins  verstaen 
dan  si  hem  syn  vergaen,  ^.  lY*,  74,  6.  Oec 
canmense  wel  anders  syns  yaen ,  Nat.  BI.  YI ,  394. 
Wat  mocht  anderssins  hedieden  dan  hi  was  be- 
dwonghen  sere?  Stoke  X,  210.  Ende  hebt  sorghe 
niewer  om  el  dan  om  joesten  ende  tornieren ,  ende 
anderssins  in  ghere  manieren,  Parth.  1376.  Gri 
moetes  andersens  beginnen,  ^a/. 8170; verg. Ztm^. 
YII,  141.  Anders  sins  moetise  oec  dwingen  dan 
met  nwer  hogher  tale,  Limb.  II,  974.  Nu  eisttijt 
dat  ie  mi  were  ende  tnwert  andersins  ghebere, 
lY,  1467.  En  es  niemen  die  nn  leeft,  dieanders- 
syns  snn  leven  heeft,  OVl.  Oed.X  ,  74,  71.  Men 
proeft  aie  hoveerde  andersens,  Hild.  166,  45.  Als 
een  verdroncken ,  of  gemoort  was ,  of  andersins 
doot  gebleven,  Matth.  220.  Eest  bi  brieven  of 
andersins,  Mieris  2,  540d  (a.  1333).  —  Ander- 
sins bedacht  sijn,  andere  gezind  zijn,  van  eene 
andere  meening  zijn.  \\  Alse  die  heleghe  waren  brocht, 
was  hi  andersins  bedocht,  ende  ontfoer  ons  in 
sine  veste ,  Ttein.  1 ,  83.  Die  heren  waren  anders  sjns 
bedacht,  Belg.  Mus.  10,  78,  83.  —  Ygl.:  Ende  hi 
gheweten  hadde  te  voren ,  dat  sy  enen  anderen  hadde 
vercoren ,  soe  hadde  hij  hem  anders  bedacht ,  MLoep 
I,  301Ö  var.  (tekst:  hij  andersyns  bedacht). 

2)  Aan  den  anderen  kant,  anderdeels,  bij  een 
tweeledig  geval.  ||  Hi  gaet  serich  ende  hi  gaet 
blide;  om  Blancefloer  serich  ende  erre  dat  soe  es 
gesent  so  verre,  ende  andersins  blide  dat  soe 
levet,  Flor.  1373.  Floris  voer  wech  verdroevet 
sere,  om  dat  bede  gader  doet  waren  moeder  ende 
vader,  ende  andersins  blide,  dat  Blancefloer  met 
hem  weder  te  lande  voer,  3949. 

3)  In  eene  andere  richting,  naat  een  anderen 
kant,  elders,  of  wel  elders  heen,  naar  elders.  \\ 
Het  es  so  comen,  hine  mochte  vanderjoncfronwen 
dus  niet  sceden,  hine  moestse  andersins  gheleden 
daer  soe  te  wesene  begaerde ,  Wal.  4404.  Nochtan 
consi  {die  planeten)  tfirmament  ghehouden  niet, 
ten  rent  over  andersins  enen  graet  in  C  jaren, 
Natuurk.  409.  Si  groettene,  ende  hine  achte  niet 
das,  ende  keerde  hem  andersins  mettien,  als  ofte 
hise  niet  mochte  zien ,  VI.  Rijmkr.  48Ö.  Die  materie, 
die  die  stede  andersins  wil  laten  weten  mit  haren 
brieven ,  Matth.  74.  Mits  dat  die  cooplnyden  haere 
ware  anderssins  zoncken,  Enq.  54. 

ANDERST.  Zie  Anders,  Aanm. 

ANDERSTONT,  bijw.  Slechts  in  de  uitdr.  tot 
anderstont  dat,  totdat  {Invent  v.  Brugge  5, 
387),  en  voor  anderstont  dat,  voordat,  ald. 
6,  223.  Wel  uit  an(e)  der  stont,  samengesmolten 
tot  ééne  uitdr.  Ygl.  aenstonden  en  ons  aanstonds. 

ANDERSWAER  (anderwaer,  later  ook,  min 
juist,  ANDERSWAERT,  ANDERSWART  (wert)  ge- 
schreven), byw.  Uit  Anders  en  Waer,  bijw.  van 
plaats.  Mhd.  anderswd ;  nhd.  anderswo ;  nnd.  anders- 
wdr,  anderswdr  (Koseg.  1,  386).  Yerg.  Elswaer, 
eng.  elsewhere. 

1)  Op  eene  andere  plaats,  elders.  \\  Die  hem 
selven  niet  can  verwinnen,  hoe  sal  hij  t  anders  waer 
beghinnen,  OVL  Ged.  3,  126,  221.  Sijn  lijf  es 
vleesch  al  anderwaer.  Nat.  BI.  II,  809  var.  Soe 
moechdi  doecht  ende  eer  ghewinnen  in  uwen  lande 
ende  anderswaer  mede,  Hild.  133,  70.  Mids  dat 
die  coninghinne  anderswair  hadde  gheleit  hoir 
minne,  MLoep  II,  1483. Dat hgt anderswaer setten, 
Hermans,  Gesch.  d.  Red.  100,  108.  Ten  si  dat  hi 
een  jaer  ende  dach  anderswaer  ghewoent  hebbe, 
0(yrkb.  1,  179a  {a.  1229).  En  si  van  den  hoghesten 
eherechte  .  . ,  die  zullen   wi  doen  berechten  onsen 


Baeliu  van  ZuithoUant,   gheliken  datmen  anders- 
waer doet.  Mieris  2,  138a  (a.  1313).Inyiuicr§e, 
in    Ylaenderen,   in   Henegauw,    in   Brabant  ende 
anderswair,   Brab.    T.    Dl.    2,    bl.  649  (a.  1382). 
Alle   die   gene,    die   anderswaer   grayte  bu>Uei 
Nijh.   2,   100.  Alle  die  ghene  .  .,  die  anderswiir 
geseten  siin  in  onsen  lande  of  daer  baten,  3,24. 
Nymant   bynnen   den   vurscr.    kerspel  geseten  es 
sall    anderswaer   op   enghene   molen  malen,  156. 
Wairt    datter    yement   van   der   vroescip  gédaget 
worde  .  .  ende  van  merkelike  nootsaken  anderswiir 
te    doen   hadde.    Leid.   Ketirb.    174.   Ende  sellea 
staen  bij   den  wgncraen  ende  nergent  anderswur, 
227.  Ende  men    en   sel  nergent  anderswair  sater- 
dages   coirn   vercopen  .  .   dan   op   sinte  Cornelfs 
brugge,   231.   Ende  snyde   hem  in  sijn  vinger  «f 
anderswair ,  Matth.  220.  Yan  anderen  ghiflen  binoQ 
der   kerken ,   of  buten   der  kerken ,  in  stocken  i 
anderswaer,   Belg.  Mus.  2,  168.   Si  vercopen  ^t 
beneflcien  van  der  kerken ;  also  doetmen  na  anders- 
waer mede,   dat  groot  jammer  es,  Mandev.  be.  Ii 
Egypten  syn  menigher  bande  talen  ende  leitoni 
van  andre  manieren  dan  mense  anderswaer  heeft,  *ll 
—  Ook  als  vnw.  bijw.,  als  ons  ergens.  ||  Gebraken8|t 
dan  anderswaer  toe,  Con,  Som.  69d.  — Ook  in  da 
Duitschgekleurden    vorm    Anderstoa,    als   &rr.  l 
1079:    Tongheren   ende  ouch  anderswae.  —  Vu 
anderswaer,  van  elders.  \\  Yan  den  gevangen,  dit 
.    .    van    Amsterdam    ende    anderswair   geran^ 
worden   uit  HoUant,   Matth.  Anal.  3,  395.  Ende 
waert   dat   si   daer   van   anderswaert  qnamen,  si 
souden  vluchs  sterven,  Barthol.  497b. 

—  Aanm.  De  spelling  anderswaert  had  missdia 
haren  oorsprong  daeraan  te  danken ,  dat  men  is 
de  bet.  2  (zie  daar  de  voorbeelden  uit  Y.  d.  WiU) 
aan  het  achterv.  -waert,  ons  waarts,  dacht 

2)   Naar  eene  andere  plaats,  naar  elders,  eUm 
heen.    \\   Omdat   si   wil   doen  volghen  hare,  eade 
verre  of  leden  anderswaer.  Nat.  BI.  III,  309t 
Als  die  mannen  gaen  anderswair ,  so  volghen  s 
van  verren  nair ,  MLoep  I Y ,  1843.  Als  men  reysit 
of  anderswaer  vaert,  D.  Orde  287.  Of  dat  w§  dia 
tolle   vorgen.   anderswaer   doen   leggen,  Ngh-  3, 
16.  Crayken  om  der  sel  ver  saken  wille  aen  alla 
steden  van  Zeelant ,  ter  Tolen ,  aen  den  here  ni 
Zevenbergen   ende  anderswair,  Oorl.  u.  Albr.  l^ 
Yoirt  mit  anderen  brieven  van  gelove  in  Zeelant.. 
ende  anderswaer,  259.  Te   varen   te  santé  Jacof 
oft  tot  onser  vrouwen  tAken   {in  de  uitg.  baka 
oft  anderswaer  bedevaert,   Overijs.   Becht.  I',  2^ 
Ende  maecte  sine  reyse  anderswaer,  Matth.  -W- 
3,  159.  Om  datmen  van  den  burch  tAlcmaer  soide 
gaen    ende   anderswaer,    waer   men   wonde,  Ckre 
128.  Dat  si  .'.  tote  Gheervliet  ende  StrienemoadÉ 
ende    overal    anderswaer   in   onse    Graefscepe  • 
toUenvri   varen   zullen,   Y.  d.  Wall  66  («.  l^' 
Dat  sij   alle  goede  .  .  sullen  mogen  .  .  die  Utse 
uutvoeren  in   Engelant  off  in  Scotlant  off  anders- 
wart  overzee,  537  {a.  1441).  Ende  die  .  .  anders^ 
wert  voeren,  587  {a.  1447). 

ANDERSWEER,  znw.  m.  Uit  Ander,  tweede. 
en  Sweer.  In  Ylaanderen  nog  heden  de  gev<* 
benaming  voor  Achterneef,  kind  van  een  voUa 
neef  of  eene  volle  nicht  (Ylaamsch  Te€htz\tm\\ 
fr .  cousin  sous-germain.  Kil.  „Ander-sweer. 
Fland.  Consanguineus  in  secundo  gradu?^  ZieDeBs 
op  Andersweir,  52.  ||  Bi  den  welken  hetblf^ 
dat  de  vorseide  Maes  Yerbeelen  Lambrechts  Ei»te, 
Jan  Yerbeelen  fs.  Heinricx ,  Jacop ,  Dammaert ,  J«« 
Maes,  Margriete,  Laurette,  ende  Janne,  svorsa^ 
Jacops  Yerbeelen  Jacop  zoons  kinderen ,  rechteB< 


M7 


ANDË. 


AndL 


418 


anderzweer  zyn  van  den  vorseiden  Jacoppe  Ballinx , 
Janne  Weermout  fs.  Jans  ende  Aechten  Weermouts , 
Gommende  alle  van  vader  ende  moeder  weghe ,  yan 
den  Yorseiden  Jacoppe  Yerbeelen  douae  ende 
Lambrechte  Yerbeelen  donde,  die  twee  broeders 
waren  ende  twee  ghesusteren  ghetranwet  hadden, 
Cont  V.  Brugge  1 ,  548  {a.  1440).  Ter  liefde  yan 
.  .  Willem,  zander  anderzweer,  Despars  1,  260. 
Dit  verhorende  Lodewgc  coninc  van  Yrankeryke, 
dat  sgn  neve  Bonwin  Hapkin  ghestorven  was ,  ende 
dat  sgn  andersweer  Karle  de  Kalnwe  erfachtich 
hoir  ende  landsheere  van  Ylaenderen  was,  Oron» 
r.  Vlaend.  1,  46.  Men  hilt  al  Ylaenderen  dore 
Willem  van  Loe  als  grave  van  Ylaenderen ,  want 
hy  was  anderzweer  van  den  goeden  g^ve  Karle, 
1 ,  57 ;  verg.  58 :  Willem  . .  heere  van  Loe  regierde 
Ylaenderen  omtrent  X  weeken,  Bouwen  Hapkin 
ende  de  goede  Karle  waren  sine  rechtzwiers ,  maer 
Willem  was  een  half  let  voerdere  dan  Karle. 

ANDERTIERE  bnw.  Fa»  eene  andere  toore, 
b.  V.  Inveni.  v.  Brugge  2,  49:  wnlle  ende  ander- 
tiere  goede.  Zie  verder  by  Tiere. 

ANDERWERF  (anderwaerf  ,  -warf  ,  -werve, 

-WAERVE,   -WARVE,  -WERVEN,   -WAERVEN, -WAR- 

VEN),  bijw.  Mhd.  ander  vterbe ,  ander  vfarf  ((jtimm^ 
Or.  3,  232);  mnd.  en  nnd.  anderwerve,  -werf.  Zie 
bg  Werf. 

1)  Andermaal^  ten  tweeden  male.   ||   Anderwaerf 
ghebiedic  hem  vrede,  ende  derdewaerf mede, iS^n. 
I,    2785.   Anderwerf  sal   hijs  hem  vragen,  Terg. 
1666.  Hoe  dat  si  anderwerf  opverstont  ende  derde- 
werf starf,    Ckrist,^   opeehrift  na  vt.  1738.  Daer 
gbinc  dore  doren  eerstewerven  uwe  minne.  Ander- 
werf  viel   si   daer  inne   dore  die  oghen,  Parth. 
7621.    AnderweriT,    MLoep    II,    39.    Anderwaerf, 
Nat.   BI.  II,  3514;   Vl.  Rijmkr.  471.  Geboren  .  . 
anderwaerf,  wedergeboren,  Amand  I,  4149,  4166. 
Anderwarf ,  Nat.  BI.  II ,  785 ;  Bijmh.  6049 ,  7437 , 
7973,    10963,   11699,  12589»  enz.  Doe  antwerdde 
hem    Jhesus   noch   anderwerve,    L.    v.   J.   e.   24. 
Anderwarve,  Es.  Evang.  Joh.  10  (2  maal).  Ander- 
werve  geboren ,  wedergeboren ,  e.  163  passim.  Als 
yement  .  .  niet  voirt  en  comt,  so  sal  men  dagen 
anderwerve;  ende  ist  dat  hl  anderwerve  niet  voirt 
en  comt,  eng.,  Meylink,  Deijl.  Bijl.  bl.  51.  Ander- 
werven,   PartA.  7547;  Brab.    T.  II,   1515;  Clerc 
36.    Anderwaerven ,    Sp.    I',   8,    1;   I",  10,    33; 
Amand  I,  4160.  Eenwaerven,  anderwaerven,  derde- 
waerven,  ZVl.  Bijdr.  6,  372.  Anderwarven ,  iSt^'m^. 
6889;    enz,    —    De    niet    samengestelde    oorspr. 
vorm    ene    ander    werf  was  mede  in  gebruik, 
als     b.    V.    Perg.    1525.   —   Ook    vindt    men    de 
onjuist  gevormde  tantologische  uitdrukking  tan- 
derwerftide.    ||   Het   en  zy  dat  jonfren  clocke 
ffcluydt  ware  tanderwerftyde ,  Belg.  Mus.  7,  310 
(a.   1360). 

2)  Eene  andere  maal,  op  een  anderen  keer,  bij 
een^  andere  gelegenheid,  en  dus  zoowel  vrceger, 
noff  eens,  als  /nerna,  later.  ||  Alse  gi  anderwerf 
hebt  gehort,  Lane.  II,  31337.  Ende  hi  vel  weder 
in  die  sonde  also  saen  als  hi  anderwerven  hadde 
^edaen,  lY,  334.  Hi  eischede  den  camp  ter  ure, 
alsi  anderwaerven  hadde  gedaen ,  I Y ,  3812.  Ander- 
w^aerven  hebbic  gewesen  in  haer  begripen  van 
desen,  Sp.  I',  Prol.  83.  Ie  hebbe  u  anderwerf 
^he beden,  ende  noch  soe  salie  u  bidden  heden, 
Sloevsl.  3 ,  27 ,  177.  Nochtanne  bleven  in  Assirien 
heren,  .  .  alse  gi  sult  horen  anderwaerf,  Sp.  I*, 
36,   7—10. 

ANDERWOL,    znw.    vr.  Eene  soort  wol  van 
mindere  qualiteit.  ||   Die  neringhe  te  verkerven, 


noch  haeriemsche ,  horensche  ofte  andere  voorwol , 
anderwol  ofte  nawol  binnen  dese  stede  te  brenghen 
by  den  (?)  wol  te  verbeuren ,  Randv.  v.  Weesp  42a. 
Yoorwol,  anderwol  ofte  naewol,  ende  dier  ghelijcke 
quade  snode  arghe  lakenen  te  maecken,  41a. 

ANDLAMË  (antlame).  Zie  Allame. 

ANDOLIE  (Andolihe),  znw.  vr.  Yan  het  fr. 
andouille ,  mlat.  indmctilis ,  eene  soort  worst,  beuling. 
Zie  Littré  1 ,  143.  ||  Ein  andolihe  van  einen  rinde , 
Aiol  104. 

ANDRIES,  -driese,  znw.  m.  Yerkorte  uitdrukking 
voor  Andriesgulden.  Eene  gouden  munt,  aldus 
genaamd  naar  de  afbeelding  van  den  Apostel 
Andreas  met  zijn  kruis ,  ook  Boergoensehe  gulden 
geheeten ,  als  d  oor  de  vorsten  uit  dat  huis  geslagen 
(het  eerst  door  Philips  den  Goede  in  1466).  Zie 
Y.  d.  Chns  1,  154,  165  enz.  ||  YI  ffi  gr.  geldende, 
toter  vulder  betalinge,  in  Andriesen,  te  Y  s.  gr. 
tstic,   rad.  Mus   5,  365  {a.  1492). 

ANDSIDE  (andzide),  samengetrokken  schrijf- 
wijze voor  an  de  side,  ter  zijde,  in  OVl.  Lied, 
en  Oed.  386,  170:  ||  Dat  menne  bevride  ende  voerde 
andzide. 

ANDWAERD,  ANDWERDE,  ANDWERDEN, 
ANDWOORDE,  ANDWOORDEN  enz.  Zie  Ant- 
werde  enz. 

ANDWERP.  Zie  Antwerp. 

ANE,  voorz.  en  bijw.,  en  de  met  Anê  samen- 
gestelde woorden.  Zie  Aen. 

ANE,  voorz.  en  bgw..  Racer  4,  910  e.  e. 
zonder.  Zie  Aen. 

»  ANELINQE ,  Priv.  v.  BrielU  2 ,  98.  Yerkeerde 
lezing  voor  avelinge,  zie  ald. 

ANGE ,  znw.  m. ,  ohd.  ango,  mhd.  ange,  ags.  onga 
(Bosw.  265a),  onr.  angi,  mnd.  ang  (Lubben  1,  88 
op  angel).  Zie  verder  De  Yries,  Mnl.  Jfdb.  246. 

1)  Angel,  prikkel.  |{  Alstu  verwonnen  haddes 
den  ange  des  doots,  Hs.  Ps.  180  (Ygl.  Lubben 
t.  a.  p. :  du  verwunnest  den  angel  des  dodes). 

2)  Inwendige  prikkel,  aandrift,  aandrang,  lat. 
impetus.  ||  Der  Brabantre  ange  ende  haer  genen- 
dicheit  van  dade  .  .  drongen  met  crachte  ave  van 
Luthsenborch  den  coenen  grave,  Heelu  5530.  Soe 
grote  coenheit  ende  ange  . . ,  beide  met  slagen  ende 
met  steken ,  6407.  Her  Daneel  van  Wanghe  toende 
vromicheit  ende  ange, 8501  (=Yelth. III,  19,27). 

3)  Aandrang,  luim,  opwelling.  Teuth.  anghe, 
luyne.  ||  By  wilèn  is  si  {de  min)  guet  te  vangen , 
als  zij  crijcht  hoir  guede  angen,  MLoep  II,  2387  var. 

ANGE ,  bnw.  Got.  aggvus,  ohd.  angi,  mhd.  aenge 
bijw.,  ags.  ange  (Ettm.  12);  nnd. ang  (Koseg.  1 
422).  Eng,  benattwd,  3^it/^i»fl^.  In  de  uitdrukkingen 
—  Het  es  hem  ange,  het  benauwt ,  beklemt  Hem , 
bij  uitbreiding,  in  toepassing  op  het  gemoed,  ^^^d^- 
angstigt,  verontrust  hem ;  het  wert  hem  ange,  het 
begint  hem  te  beangstigen,  te  verontrusten,  bange  ie 
worden.  \\  Sulken  wiven  duret  langhe  eert  hem  af- 
gheet  (dat  menstruum),  dats  hem  anghe,  Vr.Heim. 
108  (uitg.  Sulke,  eer  en  des  h.  a.).  Hem  was  ange, 
dat  si  merden  alsoe  lange ,  Heelu  6269.  Doe  wort 
den  grave  ange ,  ende  dorste  sonder  wint  niet  varen , 
Stoke  IX,  34.  —  Als  znw.  in  de  uitdrukking: 
het  doet  hem  ange,  het  geeft  hem  benauwdheid, 
het  kwelt  hem,  het  doet  hem  zeer.  \\  Mi  doet  wel 
wee  ende  ange,  Hadew.  1,  10,  51.  Dat  doet  mi 
anghe ,  ende  noch  meer  hem  wee  die  vaste  (h)anghen 
ane   minne  in   overswaren  bedwanghe,  142,  124. 

ANGEL,  znw.  m.,  voor  het  gewone  Engel-,  lat. 
angelus,  van  gr.  otYyslog.  |)  Die  angelen,Xfk?irf.2887. 

ANGELEN.  Kil.  „velus.  Pungere ,"  eig.  met  een 

angel  steken. 

14 


419 


ANGE. 


ANGU. 


420 


ANGELICH,  bnw.  Mét  angelt  voorzien ,  stekelig, 
II  Daer  z^n  sommige  (wormen)  die  angelich  sgn 
van  lichaem ,  die  geen  zenen  en  hebben  noch  benen 
noch  ribben ,  Bartkol.  807^.  Het  Lat.  heeft  (L.  18 , 
e.  113):  snnt  quidam  anuloei  corporis."  Misschien 
heeft  de  vertaler  aeuleoti  gelezen,  en  dit  als 
aculeati  opgeyat.  Vgl.  De  Vries,  Mnl,  Wdb.  247. 
ANGELOT,  mv.  lotten,  lote,  znw.  m.  Van  fr. 
angelot^  yerklw.  Tan  angel  y  engel.  Eene  gouden 
munt,  door  Lodewyk  IX  het  eerst  geslagen  en 
aldus  genaamd  naar  het  beeld  van  den  Aartsengel 
Michaël,  die  den  draak  verslaat.  Ook  Engelsche 
vorsten  hebben  angelotten  geslagen ,  nl.  Hendrik  IV 
en  zQne  opvolgers,  en  hier  te  lande  zQn  z|j  door 
de  Heeren  van  Vianen ,  Batenburg  en  *s-Heerenberg 
nagebootst.  Zie  Littré  1,  146,  V.  d.  Chljs  3, 
169  vlgg.,  bg  wien  in  eene  muntordonnantie  van 
1490  de  vorm  angeloyten  in  den  3den  nv.  voorkomt 
(7,  200).  II  Mits  dat  hy  den  voorseiden  Gode- 
vaert  betaelde  in  ghereeden  penninghen,  te  wetene 
62  angeloten,  de  somma  van  34  CL*  2  se.  groten, 
Coitt.  V.  Brugge  1,  624.  —  De  angelot  heeft  hier 
eene  waarde  van  11  se.  en  staat  dus  ongeveer  in 
waarde  gelgk  met  onzen  vroegeren  ducaton.  —  In 
lateren  tyd  sprak  men  van  angelotten. 

ANGEN ,  voor  hangen  ,  Benout  1262  (fl*.). ;  Belg. 
Mus.  9,  24:  „Dat  men  den  pgnre  angen  soude;" 
Hadew.  1 ,  142 ,  126  (zie  de  aanh.  bg  Anoe  ,  2de  art.). 

ANGER  (angier),  -gere  of  -gre^  znw.  m.  Ohd. 
angar,  mhd.  anger,  nhd.  anger^  nnd.  anger  (Koseg.  1, 
431).  Een  afgesloten  stuk  land,  meestal  met  gras 
begroeid,  wetde,  beemd.  Verg.  ons  gewestelijk  «i^, 
onrd.  engiy  eng  (Jonsson  111);  zw.  ang;  deensch 
eng\  ags.  inge  (Bosw.  203)  en  den  naam  Jngeren- 
steinj  een  buitengoed  by  Arnhem.  In  den  Teuth.: 
„Anger,  playn,  ouwe,  bleecke,  pratum 
amenuMy  campus.  \\  Da^r  hi  sijn  here  allene  vant 
.  .  in  enen  gruenen  anf^r,  MLoep  I,  2934.Altoe8 
si  by  den  stier  ginc,  ii^  bosscher,  in  anger  ende 
in  weyden ,  ende  plach  hem  schoen  gras  te  bereyden, 
III,  180  {anger  voor  angere^  angre^  mv. ,  eigenlijk 
in  den  3den  nv.  angren ,  zooals  grammaticaid  juist 
zoude  zgn).  Ie  woude  wel  dat  onse  angier  bloemen 
wou  bringen,  Ned.  Klucktsp.  49.  Buten  der  stat 
op  een  riviere  an  enen  anger,  .  .  die  wonderlike 
scone  was,  Merl.  10609. 

ANGESOCHT  {?).  Zie  Aensoeken  ,  Aanm. 

ANGEST.  Zie  Anxt. 

ANGIEN.  Zie  Engien. 

ANGIER.  „Angier,  vetus.  Angttstia ,  periculum. 
Gall.  dangier:'  Kil. 

ANGIER.  Zie  Anger. 

*  ANGNISSE,  ANGNISSEN.  Verkeerde  lezingen 
voor  anguisse  en  anguissen  (z.  ald.). 

ANGOEN.  Zie  Enioen. 

ANGUISSE  (angwisse,  anwisse),  znw.  vr. 
Fr.  angoisse^  ital.  angoscia^  eng.  anguish^  van  lat. 
angustia.  Verg.  Anxene  en  Anxt.  Benauwdheid, 
pijn,  smart,  kwelling,  foltering.  \\  Alse  mijn  her 
Walewein  die  glavie  trac  ute  sinen  lichame,  hi 
gebrac  van  angwissen  ende  bleef  doet,  Lanc.  III, 
6099.  Sine  herte  wart  hem  vlau  ende  cout  dort 
bloet  dat  hem  uut  sinen  wonden  gelopen  was  in 
dien  stonden.  Nu  sijn  sine  anwissen  swaer.  Wal. 
8698.  Daer  was  menich  die  mesbarde  duer  die 
anwisse  van  der  doot,  10712.  Ende  nu  te  stonden 

fedogic  dit  om  ene  sonde,  die  ie  ende  min  sone 
aden,  dese  grote  ongenaden  ende  dese  anguisse, 
Vad.  Mus.  4,  320,  269.  Die  anguisse  was  so 
groet,  die  si  {de  paerden)  hadden  jegen  die  doet, 
dat   s^jt  al  te  neder  sloegen,  Velth.  IV,  36,  61. 


Daer  hi  vele  anguissen  te  waren  wilde  hebbea 
ende  gedogen.  Franc.  6084  (in  de  uitgave  ver- 
keerdelijk angvissen).  Angwissen  siin  mi  in  allea 
ziden,  Hs.  v.  1348,  èOd. 

ANGUISSEN,  zw.  ww.  bedr.  Afgeleid  vu 
Anguisse.  Evenzoo  prov.  angoissar  (Rayn.  2,  88); 
ofr.  angoisser ,  angoissier  (Roqnef.  1 ,  67 ,  La  Cume 
1,  462);  ital.  angosciare.  Verg.  Anxenen  van 
Anxene  en  Anxten  van  Anxt.  Kwellen,  benamsoen.W 
Die  viande  sullen  di  beliggen  te  dire  scande ,  ende 
di  anguissen  utermaten,  Rijmb.  25069  (Lat. 
coangnstabunt  te.  In  de  uitgave  verkocrdcljk 
angiAissen).  Datti  dine  vianden  sullen  ommeringeB 
ende  angwissen  di,  Hs.  v.  1348,  173r. 

ANGÜWISSE  (angwisse),  zhw.  vr.  Eene  peer- 
soort,  aldus  genoemd  naar  fr.  poire  éTangoisse  (La 
Cume  1 ,  461 ,  Littré  1 ,  147^).  Volgens  sommigei 
aldus  geheeten  om  den  wrangen  smaak,  volgens 
Ménage  „la  poire  d^angoisse  a  été  ainsi  nommée 
non  de  la  sensation  qu'elle  fait  éprouver,  maisdt 
lieu  oii  elle  aurait  été  trouvée,  dit  en  limonsis 
Angoisse"  (Littré,  t.  a.  p.).  ||  Compost.  —  Neent 
worttelen  van  pedercelle,  reene  wel  gezoden  ia 
watere  ende  vercoelt,  hebt  dan  soffraen,  caneele, 
ghinghebare,  naglen,  al  wel  ghewreven,  tempert 
met  goeden  mostaerde,  .  .  snijt  die  worttelen  wel 
cleene,  kensenruwelen  (/.  kersen,  scru welen?  vgL 
de  volg.  plaats)  ofte  angu wissen  ende  dadeleo, 
den  steen  daer  uut  ghedaen,  Keukenb.A:,  15.  Spisc 
diene  vast  maect  in  den  lichame,  alse  wederea 
vleesch ,  gebraden  ende  gesoden  peren  van  scruweks 
of  van  angwissen  gelardeert  met  wasse,  Bs.  Tp. 
143</. 

ANGWISSE.  Zie  Anguisse. 

ANYTHE.  Zie  Aenhete. 

ANCAERT  (?)  Eene  korenmaet.  1|  26  baelsta 
drye  frankart  (of  ancaert)  onderschotene  cvew, 
Oendsch  Chtb.  119.—  Het  is  niet  duideiyk,  welke 
van  de  beide  vormen  in  het  Hs.  staat  (of  beide?), 
en  of  de  eene  vorm  ancaert  ook  eene  toevoeginf 
van  den  uitgever  is. 

ANREL.  Zie  anclief. 

ANKER,  znw.  m.,  mhd.  mnd.  anker  (m.),  kd. 
anker  (m.).  Van  lat.  anchora,  fr.  onere.  Zie  verder 
Weigand  1,  66. 

1)  Scheepsanker.  \\  Den  ancker  maecie  hi  sialfB, 
Brand.  101.  Den  ancker  worpen  si  ute ,  2186.  Die 
ancker  wart  .  .,  onder  ghevaen  ende  gbebondet, 
2188.  Een  anker  (o.  ?  gelijk  in  H  ndl. ,  onr. ,  deensck 
en  zweedsch)  goet  van  werden,  O VI.  Ged.  3,107. 
208,  vgl.  222.  En  hielde  die  anker  met  ^heeuc 
bant,  224  (De  lezing  is  bedorven,  vgl.  de  Var.; 
staat  het  woord  hier  in  den  4den  nv. ,  dan  zou  het  hier 
vrouw,  zgn,  in  overeenstemming  met  het  lat.).  —  Dei 
anker  se  ie  ten  het  anker  uitwerpen,  Sp.  II1\ 
26,  66.  Haren  anker  scoten  si  aldaer,  Bramd.  (Ft 
2113.  Vgl.  mhd.  anker  ézsehiezen  (Lexer  1 ,  74). 

—  Afl.  ankeren,  landen,  Lanc.  lY,   10342. 

—  Samenst.  ankerkabel,  Brand.  2223;  ai- 
kercoerde.  Brand.  {H) 2123, 2U9]  ankerreep, 
Brand.  2196,  ankertouw',  ankervast,  O.  B.  ». 
Bordr.  1,  43,  129  var.  (anckerte(?)  ) 

2)  Tzeren  houvast  in  steenen  muren ,  nog  ii 
gebruik. 

—  Afl.  ankeren,  zulke  ankers  sUum^  O,  JLr. 
Bordr.  2,  96  en  114. 

—  Samenst.  ankernagel,  een  spijker  » 
den  vorm  van  een  anker  of  om  zulke  tzméers  is 
bevestigen  (?) ,  Jnvent,  v.  Brugge  6,  317. 

ANCLAU.  Zie  anclief. 

ANCLIEF,   mv.   -ven,  ook  anclau,    AifCi-trw, 


421 


ANCL. 


Ansa. 


422 


AMKEL,  ANCLUWEN,  znw.  m.  en  0X12.  JSniel.  Ags. 

anekov  (Ettm.  12);  bü  Halliwell  ancliff^  anchwè; 

nmd.   imcüno',    bg    Kil.   „Aen-klauwe,    Fland. 

Holl.   Sic.  j.   ene  kei.   Talvu-^'*  in  de  17de  eenw 

ook  in  den  vorm  enJtlaioe  (Bekker,  Bet.  Wereld  IV , 

30);  in  Vlaanderen  nog  over  in  enklautOy  inklauw, 

en   in   het   b^w.   enilauwde^  in   de  nitdmkking: 

enklauvde  gaan ,  den  yoet  zoo  scheef  zetten  in  het 

gaan,   dat  men  bijna  op  de  enkels  treedt  (De  Bo 

306,  460).  II   Uwe  anclieyen,  nwe  Toeten,  JUvre 

d,  Meit  6  (in  het  Fr.:    y,voe  kevilei^).  So  doetem 

laten  onder  tancluwen  buten  yoets ,  Jan  Yp. ,  aang. 

by   De  Jager,  Freq,  2,  749.  Een  been   dat  men 

heet  navicula ,  dats  been  van  den  anclanwen ,  Lanfr, 

64r.  Tote  onder  de  anclawen  buten  des  yoets ,  ald,  v. 

Onder  dat  anclau  binnen  des  yoets  is  een  adere 

ende  heet  sopkena,  ald.  Buten  den  yoet  onder  dat 

anclau,    ald.    Onder    dat    anclau   binnen   yoetes; 

onder    die    anclauwen    binnen   yoets,    106r.   Den 

rechten   ankel  binnens  yoets.  Et.  Tp.  62a.  Dade 

men    die    yrouwe   laten   onder   tancluwen   binnen 

yoets ,  130r.  Daer  stont  die  graye  yan  Annyyers  . . 

tot   oyer   sQn   anckelen  in  der  kerstenen  bloede, 

Katth.  Jnal.  3,  306. 

ANGLIJC,  -like^  bnw.  Angtt-  of  zorgvenoekkend^ 
gevaarlijk.  Ohd.  ancUh^  mhd.  anclicke.  Rechtstreeks 
afgeleid  yan  het  bnw.  ange^  ons  eng  (zie  Ange, 
2de  art.),  door  middel  yan  het  achtery.  -l^c.  In 
beteekenis  hetzelfde  als  het  meer  gewone  a»Mr^/t;<;, 
Tan  an^et^  Welk  laatste  woord  weder  een  afleiding 
is  van  a$tge.  \\  Tanclicste  dinc  dat  wesen  mach  in 
ene  stat,  dats  quade  tonge,  Doet.  II,  724  yar. 
(het  tekst'hs.  en  de  andere  yarianten  hebben 
dancsielikette  ^  danxtteleecste  en  dat  anxstelieste). 
ANCLUW,  ANCLUWEN.  Zie  Anclief. 
ANGST,    ANCSTELIJC.    Zie   Anxt,   Anxte- 

LUC. 

ANCUN  (?),  znw.  ||  So  net  uwe  ogen  met  uwer 
spekelen  oyer  ancun,  ochte  stoet  ontwee  enen 
engaun,  ende  metten  sape  bestrijct  u  ogen,  Bote 
6968.  (Het  andere  Hs.  noch  de  fr.  tekst  geven 
licht  voor  dit  duistere,  wellicht  bedorven  woord. 
Vgl.  de  noot  van  Verwijs  t.  a.  p.) 

ANLAME.  Zie  Allame. 

ANNE.  Zie  Aen  (Iste  art.). 

ANNIN.  Zie  Hannen. 

ANNUNCIESSE,  znw.  vr.  Onzuivere  vorm  voor 
lat.  Annunciaiio.  Aankondiging ^  boodschap ,  \\  Bi  der 
gedenkenesse ,  lieve  Heere,  van  uwer  heliger 
geboomessen  ende  van  der  herden  annunciessen , 
Amand  II,  3814. 

ANOO.T  (anoet),  znw.  onz.  Moeite^  last,  ver- 
driet. Van  ofr.  anoi,  waarb\j  de  uitgang  -oi  in 
'Oot  overging,  evenals  conroot  uit  conroi.  \\  Die 
w^ch  was  daer  stare  ende  groet,  ende  daertoe 
menghertieren  anoet,  ende  van  perssen  groet 
^hestoet,  Trogen  6369. 

Aanm.  De  Vries  (Mnl.  Vdb.  op  Anoet)  sloeg 
Toor,  noet,  nood,  te  lezen,  doch  vgl.  de  noot  op 
Troyen  6370.  De  gewone  vorm  was  vemoy,  doch 
Maerlant  gebruikte  in  dit  gedicht  ook  het  meer 
ongewone  artog  (zie  volg.  art.),  en  het  is  zeer 
waarschijniyk,  dat  daarnaast  een  andere,  zeldzamer 
yorm  anoot  bestond. 

ANOY,  znw.   onz.  Van  ofr.  anoi  (La  Cume  1, 
462).  Moeite,  last,  in  gelijken  zin  als  vemog,  dat 
het  Nederl.  voorvoegsel  ver-  heeft  aangenomen.  || 
Wat    sal,   sprac   hi,   dit  anoy,  verliesen  wy  dus 
den  tomoy,  Troyen  f.  76r. 

ANOYEREN,    zw.  ww.  bedr.  Van   fr.  annuir^ 
consentir,  approuver  (Roquef.  1,  69),  \9>i.  annuere; 


vgl.  annuitio,  concessio,  licentia  (Duc.  1,  266). 
Goedkeuren,  konoreeren.  \\  Soedat  hy  doende  goede 
coopmanscepe  ende  die  luyden  becoopende,  sy  die 
souden  mogen  anoyeren,  ende  hy  becoft  sgnde, 
sonde  die  coop  te  nyet  willen  gedaen  hebben ,  O.  B^ 
V.  Dordr.  2,  218,  248. 

ANSAENEENS,  b)jw.  Telkens,  aanhoudend,  ^of; 
in  Westvlaamschen  tongval  in  verschillende  vormen 
gebruikelijk,  als:  Alsanne,  alsans,  altsanne,  alt- 
sans,  assanne,  assans,  olsanne,  olsans,  ossanne, 
ossans,  ansanne,  ansans,  en  met  den  deminutief- 
uitgang  alsannekes,  alsanskes,  ansannetjes.  Zie 
De  Bo  48.  Waarschynlijk  eene  verbastering  van 
het  verkleinw.  van  altehant,  dat  oo\i  alstehant'k.9Jk 
geluid  hebben.  ||  Voir  ons  comen  is  Huge  van  der 
Does,  onse  man,  ende  heeft  ons  getoent,  als  dat 
ansaenkens  Willem  Branen  zoens  erfnamen  hem 
ongebruuc  doen  willen  sonder  reden  .  .  au  goede, 
dat  hi  van  ons  ontfaen  heeft,  Oork,  van  1346, 
in  't  Byks-Arch.  te  's-Gravenhage,  aang.  hij  De  Vries, 
Mnl.  Wdb.  84  op  Aensaenkens. 

ANSE,  ANSEBROEDER.   Zie  hanse,  hanse- 

BROEDER. 

ANSEL.  Zie  Antsel. 

ANSEL,  znw.m.  (?).  ||  Umh.  Serm.  102r:  Ben- 
jamin ,  Got  rast  onder  dinen  anselên ,  dats  als  vele 
gesproken  alse:  Got  rast  op  dine  geduldicheit. 
Het  is  hetzelfde  als  osseL  \\  Daerombe  woent  God 
onder  sinen  asselen.  Bi  din  asselen  es  betekent 
arbeit ,  ald.  —  Het  woord  zal  wel  verschreven  zgn. 
Doch  vgl.  T.  en  Lettb.  6,  226. 

ANST.  Zie  Anxt. 

ANTEKERST.  Zie  Antikerst. 

ANTER  (antwer,  antweder),  voegwoord  of 
disjunctieve  partikel,  gevolgd  door  ofte,  of,  in 
de  uitdrukking  anter  —  ofte  (of),  bij  het 
stellen  van  twee  verschillende  gevallen,  waarvoor 
thans  hetzij  —  of  en  bf  —  bf  in  gebruik  zijn. 
De  gewone  mnl.  vorm  was  Weder  (zie  ald.);  doch 
Anter,  ook  Antwer  en  Antweder,  zoowel  2X9 Enter, 
Enther  en  Either  (zie  ald.),  komen  voor  als  Hol- 
landsche  dialectvormen.  Antweder,  mhd.  eintweder 
nhd.  entweder ,  ainttoeder,  is  een  verkorte  vorm  van 
eindeweder,  ein-deweder  (Grimm.  Wtb.  3, 647),  een  van 
beide  (alterater ,  alterutrum) ,  hetwelk  weder  verkort 
werd  tot  antwer,  mnd.  antwer,  dat  eindelijk  tot  anter 
verliep.  Vgl.  T.  en  Lettb.  2,  66  ylgg.  Anter, 
enter,  is  dus  eigenlek  een  zelfst.  vnw.  in  het 
onz.  enkel V.,  in  den  zin  van  een  van  beide 
(alterutrum),  en  duidt  dus  aan,  dat  men  een  van 
beide  gevallen  aannemen  moet ,  t.  w.  het  eerste  dat 
terstond  genoemd  wordt,  bf  het  tweede  dat  straks 
volgt.  De  vorm  Anter  is  de  meest  gewone.  ||  Die  ' 
penitencie  die  geset  es,  anter  si  is  meerre  of 
minre  of  gelijc,  Pass.  W.  %d.  Die  sonne  wert 
verdonckert ,  anter  om  beroeringe  hoers  lichtes ,  . . 
of  om  dat  meerre  licht  van  Cristus  claerheyt  te 
wecken,  85^.  Anter  si  soude  meer  of  min  wesen, 
Gesta  Bom.  e.  Ib.  Anter  om  rijcdom,  scoenheit, 
mogentheyt  ofte  wijsheit,  ald.  ^»^.^  het  is  hovaer- 
dicheit  des  levens  .  .  of  wellusticheyt  des  vleyschs, 
ald.  c.  109.  Anter  het  iseen  wesen  0/ een  kenninge 
of  een  persoen,  Barthol.  3^.  Anf-er  het  maect  dat 
godlic  wesen  condt,  of  het  maket  openbaer  dat 
wesen,  6a.  Anter  het  is  snbstantivum  nomen,  of 
het  is  adjectivum  nomen;  ende  ist  snbstantivum, 
anter  het  is  nomen  abstractum  of  concretum,  of 
tmiddel  van  beyden,  ba.  Anter  heet  o/cout,8172. 
Dat  elc  huys  ende  erve  sal  staen  ter  gifte,  anter 
"^Tj  of  mit  sulken  last  als  dair  op  is,  K.  van 
Brielle  7,  20.  Anter  3  jaer  honger  in  uwen  lande 


m 


ANTE. 


ANTK. 


424 


of  3  maenden  wiken  voer  u  vianden ,  B.  v,  1367 , 
147r.  Jnter  an  tgelde  of  an  diensten  o/ an  anderen 
dingen ,  Con,  Som.  153a.  —  Antwer  die  Tiiendinne 
gripende  ende  opvoerende  of  den  vrient  neder- 
bringende,  Ht.  80  /.  89rf.  Alle  die  broedere  .  . 
vliten  hem  des  dat  si  den  anderen  broedere  die 
dinc  die  men  hem  geven  zal,  antweder  geven  oft 
ontseggen  goetlike,  D.  Orde  246.  —  Antweder 
leest  men  Limb.  Serm.  786  en  79a. 

ANTEREN,  ANTERINGE.  Zie  Hantieren, 
Hantierinoe. 

ANTHOOFT  (anthoeft),  -hoofde,  znw.  one. 
Dam,  waterkeering y  ophooging  van  dtn  grond,  ook 
stoep,  drempel,  dienende  als  een  dam  om  het 
instroomen  van  water  te  keeren.  Verg.  hd.  tchwelle , 
drempel  en  Antwerp.  Ofri.  ondhdfd  (Richth. 
962):  mnd.  anthoved,  aenthoeved  (Richth.  264, 
11;  Fro  Exc,  4»,  bl.  64,  en  Bijv,  .bl.  21). 
Uit  het  voorv.  and-,  ant-,  ofr.  OTut-,  d.  i. 
tegen,  zie  De  Vries,  Mnl.  fTdb.  2öO,  en  hovet, 
hooft,  ofr.  hdved,  hdfd,  ons  hoofd,  dat  reeds 
vroeger ,  evenals  thans ,  in  de  beteekenis  van  dam, 
waterkeering ,  in  gebmik  was.  ||  Desgelike  sonde 
hy  oec  verboeren  die  eenegerande  vnlnesse  op  die 
marct  leide,  och  te  op  Onser  Vrouwen  kerchof, 
ochte  op  die  vischmarct ,  ochte  vor  yement  anders 
anthoeft,  op  der  straten.  Ende  vor  wyes  anthoeft 
dat  ment  vonde,  die  zonde  den  scnldigen  daer  af 
wisen  moeten ,  ocht  zelve  den  core  gelden  moeten, 
Coren  v.  Antv,  33 ,  109.  Alle  anthovede  van  bonlandt 
snllen  vry  wesen  mit  den  ackeren  by  den  hoochsten 
broke  .  .  nnd  sgne  wateringe  vry,  Landr.  v. 
Wedde  64,  66.  Zie  verder  De  Vries,  Mnl.  Wdb.  261. 

ANTIEREN,  ANTIERINGE.  Zie  Hantieren, 
Hantierinoe. 

ANTIFFENE  (anteffene,  later  antiffen, 
ANTIFENE  en  antifphone),  znw.  vr.  Lat.  anti- 
phona,  van  gr.  avxlqtmvat  n.  pi.  (Dnc.  1,  304), 
in  *t  Fr.  verbasterd  tot  antienne.  Oorspronkelijk 
een  kerkelijk  beurtgezang,  aan  woorden  nit  de 
H.  Schrift  ontleend  en  door  twee  koren  gezongen. 
Later  gezegd  van  de  schriftuurplaatsen ,  die  vóór 
en  na  de  psalmen  gezongen  worden,  alsmede  van 
sommige  gebeden  ter  eere  der  H.  Maagd  en  andere 
Heiligen.  ||  Van  hare  maecti  gebede,  response 
ende  antiifene  mede,  Sp.  III',  16,  13.  Ofsoedese 
anteffene  can  van  der  maget  Marien  .  .  .:  „Sahe 
Regina  der  ontfaermichedé*^  seggen  in  hare  eren 
mede.  Soe  segt  .  .  dat  soe  de  anteffene  can ,  Franc. 
9661.  Als  zoet  hadde  gheënt,  seide  sodaemaeene 
anteffene,  heet  Salve  regina,  Benkm.  3,  107. 
171.  In  goeden  Vridaghe  na  dien  zontere,  zo 
salmen  bliven  ligghende  in  der  venien,  die  wile 
datmen  spreect  die  antiffen  ende  die  letanie, 
Z>.  Orde  304.  Na  der  antifenen  . .  zo  salmen  liggen 
in  der  venien.  .  .  Nader  antiffen:  y^Cum  accepisset 
acetum,"  ald.  Ende  seide  devotelQck  al  uut  die 
antiffen:  „O  rex  glorie  virtutum.  Pass.  W.  76b. 
Hij  begoste  die  antiffen  van  sinte  Nycolaas  te 
singhen:  „O  pastor  eterne^^ ,  Slb.  Doe  hi . .  segghen 
soude  die  antiffen:  y,Quampulchraet,''^f.  123a. Ende 
songhen  alle  dyen  nacht  ymnen  ende  antiffenen ,  199a. 
Tmnen  ende  antifphonen  totter  eren  ende  te  love  der 
heyligen  wonden ,  Hs.  88/.  60a.  Ende  die  anthiffenen 
ende  collecte  daer  toe  dienende,  D.  War.  6, 170 (a. 
1402).  Zoo  ook  G.  Groote  81,  87,  89,  90  e.  e. 

ANTIFFENAER,  znw.  m.  mlat.  Antiphonanum. 
Een  boek ,  waarin  antiphonen  geschreven  staan ;  zie  het 
vorig  art.  ||  Van  een  antiffenair  van  scriven ,  bynden 
mde  verlichten  {illustreeren) ,  Rek.  d.  Buurk.  176. 

ANTIKERST    (ANTEKERST,    ANTKERST,    ENTE- 


KORST,  entekerst)  znw.  m.  Verg.  Kerst.  De 
gewone  benaming  van  den  AnüeArist.  ||  Dese 
maken  van  enen  kerstenmenscben  entekorst,  Betoet 
B.  (30)  47r.  Dan  sel  hi  mit  Elyas  untcomen  ende 
predicken  tegens  Entekerst,  B.  v.  1367,  4r.  Zie 
ook  Sp.  I',  12,  26  (vs.  24  leze  men:  ter  werelt 
ende  (znw.) ,  in  plaats  van :  ter  werelt ,  ende  (voegw.). 
Vgl.  I*,  30,  25  vlgg.  Zoo  ook  IZtynd.  1065,13089, 
16668 ,  16941 ,  22282 ,  23855 ;  K^k.  Cl.  17  ;Lip.Vi, 
6,  VS.  3,  11,  21 ;  c.  8,  vs.  12,  20,  23  enz.;  Veltk. 
VII,  c.  14,  VS.  46;c.  8,  9en  lOjBomm;  Hild.  135, 
90;  enz.  Antkorst  leest  men  Lucid.  5428,  5552. 

ANTKERST ,  ANTKORST.  Zie  Antikerst. 

ANTLAME.  Zie  Allame. 

ANTONIS,   eigennaam,   m.   Sinte   Antonis, 
de  bekende   Heilige   Antonins,   wiens   gedenkdt^ 
den  17den  Januari  wordt  gevierd.  Het  Sinte  Antoni» 
gilde    komt   voor   in    het   volgende   spreekwoord: 
„Hy  is  in  Sint  Antonis  gilde,  hy  is  in  de  belle," 
Spreuken   86.   De   uitdrukking  Iemand  m  de  belU 
slaan,   iemand  onder  curateele  stellen,  is  nog  ia 
Vlaanderen  bekend  (De  Bo  101);  verg.  Kil.  ^B ellen 
ie  man  den,  Fland.  j.  stadt-kind  maecken.^ 
De    aankondiging    hiervan   geschiedde    onder  het 
klinken   eener  1^1.  Zie  verder  bg  Belle.  Iemand 
die  in  de  belle  was ,  werd  gezegd  tot  Sint  Antonins 
gilde  te  behooren.   De  oorsprong  dezer  benamiag 
laat    zich   niet   met   zekerheid   bepalen.     Zg    kaa 
ontleend  zfjn  aan  de  orde  van  den  H.   Anioaif, 
welke,  naar  men  zegt,  door  Hertog  Albreclit  van 
Beieren  in  1382  werd  ingesteld.  Zie  Wagen.,  Fad. 
Eist.  3,  373;  Nal.  106  vlgg. ;  d*Yvoy  van  Mydreckt 
in   de   Ferh.  Ildt  KI.  Ned.  Inst.  4,  102  vl^-  B«^ 
teeken  dier  orde  was  een  keten ,  aan  welks  niteinèe 
op  de  borst  een   Sint  Antoniekruk  met  eene  bd 
bevestigd   was,  zooals  te  zien  is  op  de  plaat  h| 
Wagen.  3,  Bijv.  tegenover  bl.  108.  Spottenderw^s 
kon    men    nu    van    iemand    die   in  de    belle  was 
zeggen   dat   hij    een   ridder   der  orde    van    Siste 
Antonins  was.   Doch  dan  zoude  het  spreekwoord 
eerder   geluid   hebben:    „Hi   is   in    Sint    Antoaii 
ordene.^"*  Daarom  is   eene  andere  verklaring-  waar' 
schijnlgker.  Gel^k  bekend  is  wordt  de  H.  Antoaiii 
altijd  met  een  varken  en  eene  schel  afgebeeld.  De  gil- 
den, welke  Sint  Antonius  tot  beschermheilige  haddea. 
genoten  het  voorrecht,  in  de  steden  een  Tarken  te 
mogen   laten   weiden,    dat   als   herkenningsteek^ 
eene  bel  om  den  hals  droeg  en  het  Antonievarkca 
werd   genoemd.   Dergel^ke   varkens,    die  aan  het 
Sint-Antoniegilde  behoorden ,  werden  aan  alle  kuizei 
gevoed    en   waren   de   voorwerpen    der  algemeeae 
liefdadigheid  (zie  Reinsberg-Düringsfeld ,  Calendner 
Beige,  1,  63  vlgg.,  Schmeller-Frommann  1,  115). 
Niets  was  dus  natuurlgker,  dan  dat  de  ^staülakiB- 
deren*'  ook  gezegd  werden  tot  het  Sint-AntoniegiM 
te  behooren ,  te  meer  daar  bg  hunne  onder-TOogdf- 
stelling  ook  de  bel  eene  voorname  rol  speelde. 

ANTSCIJN.  Zie  aenscijn. 

ANTSEL  (Ansel),   znw.  o.  Hetzelfde  als  amée. 
als   afgeleid  van  anden   (zie  ald.).    WraaJs ,   wrek. 
II    En  hebt  geen  ansel ,  non  raneorem  ullmn  re^meex, 
noch  en  wrect  geen  dinc,  Ruusbr.  4,  80. 

ANTWEDER,  ANTWER.  Zie  Anter. 

ANTWERDE  (antworde,  antwoirde,  Ast- 
WOORDE,  znw.  vr.,  got.  andvairthi  (o.),  ohd.  anim^rti 
antwart,  mhd.  antwart,  antwurt  (vr.),  ofii.  oiulvwrde, 
antwerde{o.  ?),  andert {mei  uitstooting  der  tp,  zie  T.  em 
Lettb.  2 ,  66  vlgg.) ,  mnd.  antworde,  antwart,  antwerde. 
antwert.  Tegenwoordigheid.  Het  woord  is  eeneaflê- 
ding  van  het  bnw.  andvairths,  eene  afleiding  vn 
worden   {werden),  evenals  ons  tegenwooréU^  en  hi 


425 


ANTW. 


ANTW. 


426 


gtgefUBwrüg  y    en    heeft  dufi    niets   met   ons   znw. 
tmivoard  te  maken.  Het  was  reeds  in  *t  mnl.  nij 
seldsaam,  en  de  eigenl^ke  kracht  werd  niet  meer 
I^Toeld,   ook   doordat   er   aanleiding  was  om  de 
beide  woorden   met   elkander  te  verwarren:  men- 
kon  nl.   de   nitdr.   U  aniworde  (antwerde)  comen 
eTengoed    opvatten  als   ter   veroMttooording  komen 
als  (Voor  het  gerecht)  tegenwoordig  Mijn,   \\  Ende 
da  rike ,  vol  hoverden ,  du  werts  gescent  in  Gods 
antwerde    (nitg.  Aoverden:  antwerden),  BineL  1023 
(vgl.  ohd.  in  gotet  ontwart ,  Graff  1,   1002).  Ter 
scepenen  antwoorde,  R,  v,  Utr,  2,  43;  60;  62;  71. 
Tot  onser   antwoorde(n) ,  46 ;    136 ,  e.  e.  Hoe  men 
die  wete  {betrefende  gijzeling  aan  de  bedoelde  personen) 
scnldich  is  te  doen  ?  .  .  in  hairre  antwoinle  of  tot 
hairre  maelstede,  Matth.  173. —  Vooral  in  de  absolute 
uitdr.  goedes  tuges  antwerde  (antwerdes) 
M  tegenwoordigheid  van  geloof  toaaréUge  getuigen  ^  ygl. 
ofiri.  on  ttoire  noweliiera  (suficientium)  orkenda  an- 
dert  (Bichth.  962),  en  mnd.  to  guder  lude  ant- 
worde   (Lubben  1,111)*  11  Enich  onse burgher  .  . 
die  goet  coften  binnen  onser  vriheit  goedes  tnghes 
antwerdes ,  Stadsr.  v.  Zwolle  149,  260.  Goedes  tughes 
antwerdes,  ald.  262.  Die  sal  dat  sinen  nabuer  te 
voeren  segghen  .  .  goedes  tughes  antwerde,  141, 
239. —  Antwerdes  (an.twordes)  staen,^^»»- 
woordig  xijn^   voor   het  gerecht  staan   om  gieh  te 
verantwoorden.  \\  Comt  die  man  niet  over  sine  jsake 
tho  verantworden ,  .  .  soe  mogen  die  richtere  des 
darden  dages  .  .  sine  kore  afwynnen  gelikerwyss 
off  hie  daer  antwordes  stonde,  E,  v,  Zutf.  36. 
ANTWERDE.  Zie  Antwoorde. 
ANT WERDEN    (Antwarden,    Ant worden), 
zw.  WW,  bedr.,  ohd.  antwurtian^  ags.  andvearé(jan 
£ttm.  107),  oéri.  ondwardia,  mhd.  antwerten,  ant- 
wOrten ,  mnd.  antworden,  antwerden,  antioarden.  Leve- 
ren, overleveren  f  terhandstellen,  ygl,  hd,  Oberantwor' 
ten.  Van  het  bnw.  andvairthe  (zie  Antwerde  l«t« 
Art.),    dus   volkomen   hetzelfde  als   lat.  praesen- 
tare,     fr.    présenter,    Vgl.    ook    verantwerden 
(=    vertegenwoordigen,  représenter).    ||    Woe   men 
goed  end  aelmoesen  den  treserier  antwoorden  zole, 
JD.    Orde  271  (vgL  284).  Dat  hem  die  beveelt  die 
hem    tingheseghel   antwoert  te  hondene,  om  het 
te    bewaren,   286.    Jhesu   Griste,    soete   here,   du 
words   voer  Pylatum  den  rechtere  geantwerdet  te 
primetyt,  Versch.  Oed.  (hs)  ƒ.  62i?,  aangeh.  by  De 
Vries,   Mnl.    Wdb.  263.  (Dat)  Henric  Spünter  .  . 
bethalen  sal   ende   andweerden  op   sinen  cost  .  . 
thien    pont  Hollans,    Oorkb,  2,    2486.   Nundusent 
ponden  des   vurgenanten  payements,  die  wir  ant- 
werden  solen  in  die  grayfscap  van  Gnlge,  Nijh. 
1 ,  202  {a,  1327).  De  sulven  brieve  heft  ons  de  . . 
hertog^e  van  Gelren  geantwordet,  3,  169  (a.  1389). 
Renten    .    .    te    betalen,    te    antwerden    ende    te 
leyeren  .  .  tot  tween  terminen  tsjaers,  Brab,  T, 
I>1.  2 ,  bl.  484  (<f .  1366).  Oren  tolner , . .  die  die  toUe 
al^^ader  kummerloes  upbore  ende  antwarde  unsen 
steden ,  Nijh.  1 ,  192  {a.  1320).  Wederleveren,  ant- 
werden ende  geven ,  1 ,  427.  Gheven  ende  antwerden 
2,    271,  vgl.   272  ond.;  3,  3  en  86,  enz.  —  Ook 
met    een  land  of  landschap  als  voorwerp:  iemand 
if§.    Jksê   beeit  stellen  van,   \\   Soo   sal  hQ    .   .   die 
£^eefs€hap  van  Chiny  .  .  sonder  versuick  weder 
antwoerden  den  grave  van  Loen  oft  sinen  erven, 
J^rab.     T.   Dl.    2,    bl.   480.   Onse   grote   Vrouwe 
(Jilütncra)  .  .  die  Veluwe  weder  antwerden,  NQh. 
2  ^    74:.  —  Ook  van  het  overleveren  van  een  burcht 
of    Juuteel,    vooral    bij    een    zoogenaamd  feudum 
ap^rfurae  (vgl.  open  huus),  en  dus  meermalen  met 
(fpen^n  verbonden.  ||  Dat  wQ   hem  onse  voirscr. 


huys  met  zynen  toebehoren,  wanneer  s^js  te  doen 
hebben  van  orloge  .  .  openen,  andwerden  ende 
leveren  sullen,  Nüh.  2,  42.  Dese vurgeseide burch 
openen,  mit  werden  (1.  antwerden)  ende  leveren, 
1,  113.  Dit  .  .  huys,  voirborchte,  traven  enz. 
openen,  andworpen  (1.  andworden)  ende  leveren, 
1 ,  424  vlg.  Thuus  van  Hoesdenne  .  .  binnen  achte 
dagen  daer  na  te  ant  werdene,  JBrab.  T.  Dl.  2, 
bl.    767.   Zoo    ook  Ngh.  1,  426;  2,  86,  272  e.  e. 

—  Ook  van  andere  gebouwen.  (|  Als  he  (de 
schoolmeester)  de  schole  opghevet,  so  sal  he  se 
antworden  ende  leveren  den  rade  dicht  ende  gans , 
Stttdb.  V,  Oron,  VII,  19.  —  Ook  van  een  ambt: 
het  hem  opdragen,  toevertrouwen,  \\  {De  kommandeur) 
zei  hem  daer  voer  alle  den  broederen  dat  ambocht 
der  meesterscap  mitten  vingherline  ende  mitten 
inghesegele  antworden  ende  bevelen ,  B,  Orde  278. 

ANTWERDEN.  Zie  Antwoorden. 

ANTWERDES.  Zie  Antwerde,  l«ie  Art. 

ANTWERP  (andwerp),  -werpe,  znw.  m.  Uit 
het  voorv.  and- ,  ant- ,  tegen  (zie  Ant-  bQ  De  Vries 
260  en  verg.  Anthooft),  en  Werp  (verg.  Aenwerp). 
Het  tegen  het  water  opgeworpen  land,  dam.  Hiervan 
ook  de  naam  der  stad  Jntwerpen,  vgl.  De  Vries, 
t.  a.  p.  II  Dat  wy  meerekende  ende  aenziende 
dat  groetelycke  van  noede  es ,  omme  de  fortificatie, 
ster^enesse  ende  bewaemesse  van  der  selver 
stede,  .  .  dat  gheleyt  ende  ghemaect  worde  eene 
goede  nieuwe  siuus  in  de  oude  Leje  voer  Sente 
Baefs  brucghe,  omme  daermede  van  nu  voertane 
bevloyt  te  hondene  ende  ghewatert  de  andwerpe 
ende  meersche,  alsoe  verre,  tallen  tjden,  ende 
alsoe  langhe  als  de  voerseide  stede  omme  haere 
bewaemesse  sal  wesen  van  noode,  Diericx,  Mém. 
1 ,  396  (a.  1416). 

ANTWIEN.  Zie  ontwee. 

ANTWILEN,  bfjw.  Een  zeldzaam  woord.  Van 
and-  in  den  zin  van  tegen  en  het  bijw.  wilen. 
Wil  en  (en)  antwilen  bet.  dus  (^  tijden  en 
hunne  weer%jden,  d.  i.  te  allen  tijde,  Vgl.  ADMAEL  en 
AND  ACH,  en  het  zoo  even  genoemde  weer  tijd  {=.  tegen- 
tijd).  II  Wüen  antwilen  wilt  bewachten  mijn  leven , 
ende  impetreirt  mi  voren  an  uwen  eenichen  Zone 
vercoren  vervulte  van  goede,  O VI,  Lied.  en  Ged. 
463,  80  (tot  Maria). 

ANTWOORDE  (Antwoirde  ,  Antwerde  ,  Ant- 
woRDE,  vr.,  Antwort,  Antwaerd,  vr.  en  onz., 
ook  Andw.  — ) ,  got.  andavaurdi,  ohd.  antwwrti,  ags. 
andvyrde,  ofri.  ondwairde,  andert,  os.  andwordi, 
mhd.  antwürte,  antwurt,  mnd.  antworde,  antwort, 
antwerde,  antwarde,  antwert.  Vgl.  Grimm  1,  609. 
Het  geslacht  dobberde  tusschen  onz.  en  vr. ;  hd. 
is  antwort  vr.  gebleven,  ons  a»^o(>r(^  daarentegen  onz. 

1)  Antwoord,  in  tegenstelling  met  tale  of  woort. 
I)  Sine  antwoorde,  Rymb.  33761. Deser antworden , 

Sp.  III*,  68,  16.  Engene  antwerde,  Lanc.  IV, 
6966.  Mitter  andwaerd,   Oorl.  v.  Albr.   426  vlg. 

—  Antwoirde  meermalen  bij  Matth.  e. a. ,  enz. — 
Antwerde  doen ,  antwoorden,  iSjp. Il'*  10, 23.  —  Ook 
komen  tale  en  antwoerde  als  synon.  voor.  ||  (Die  af- 
gode)  gaven  tale  ende  antwaerde  eiken  mensche  na  dat 
hi  beghaerde,  Lsp.  I,  48,  19.  Die  dode  gingen  uten 
graven,  die  tale  ende  antworde  gaven  meneghe  in 
Jherusalem,  Sp.  V,  31,  63. 

2)  Toestemmend  antwoord,  plechtige  belofte,  ook 
Jawoord.  ||  Dat  hi  in  gere  maniren  vanden  campe 
mochte  falgiren ,  conde  hi  den  coninc  Bohorde  daer  af 
gesetten  borge  ende  antworde ,  eene  plechtige  door  het 
stellen  van  borgen  bekrachtigde  belofte  doen, . .  dat 
Artur  die  coninc  also  houde  te  landewaerd  keren 
sonde ,  Zano,  XV ,  8626.  m  mochts  een  jaer  te  langer 


427 


ANTW. 


ANTW. 


428 


leven ,  dien   si  antworde  wilde  geven ,  Terg,  6043. 

3)  Beantwoording  van  een  groet  ^  van  eene  toetpraak, 
II  So  scone  antwerde,  so  scone  groete,  JFY&r.  1163. 

Soeten  aenval  maect  soete  vuiiwoovAt^  Spreuken  %\. 

4)  Verantwoording^  rekenschap  ^  ook  verantwoording 
voor  het  gerecht^  antwoord  op  eene  aanklacht  of 
eenen  eisch,  verdediging.  Tegenover  aentprake  of 
eefc.  II  Entie  gene  eeschte  antworde  van  dien  gelde , 
van  worde  te  worde,  Sp.  I*,  62,  26.  Ten  lesten 
daghe,  daer  wi  selen  gheven  antwerde,  hoe  wi 
onse  leven  hebben  hier  volendet ,  Tien  Plag.  1999. 
Bu  moets  antwerde  gheven  alle  der  woorde,  die 
dijn  mont  onnutteliken  sprect ,  384.  Redene  gheven 
ende  antwoorde  van  al  gherre  groter  moorde, 
Rijmb.  27306.  Daer  si  antwoerde  {Theoph.  806: 
redene)  sullen  geven  van  dat  si  hier  hebben  bedreven, 
Bloemt.  3 ,  30,  66.  Na  allen  aenspraken  ende  andwer- 
den van  beyden  zyden,  Mieris  2,  162a  {a.  1316). 
Nae  aensprake  vander  eener  Egden  ende  antworde 
vander  ander  zyden,  Oetch.  v.  Antw.  2,  626. 
In  presenciën  van  ons  scepenen  .  .  so  was  hecsch 
ende  andworde  met  raede  ende  met  taelmanne  an 
beede  z|jden  te  wetten  wettelike  gegeven,  ZVl. 
Bijdr.  6,  372  (a.  1388).  Dat  ghi  hem  schnldich 
zijt  te  eysschen  ter  rechter  antwoorde ,  O.  R.  v. 
Dordr.  1 ,  366.  Waerd  dat  enich  . .  van  onsen  onder- 
saten .  .  tot  onsen  lieven  neve  .  .  enich  rechtlike 
aenspraeke  hed,  des  selen  w\j  mechtich  wesen  dat 
hoen  wedervare  na  aensprake  ende  andwerde,  dat 
onssen  lieven  neven  raide  ende  den  onsen  sal 
dnnken  dat  reden  ende  beschevt  zij ,  Niih.  3 ,  171 
(a.  1390).  Na  sijnre  aenspraken  die  he  an  ons 
heeft  ende  na  onser  antworden,  ald.  172.  Ter 
antwoerde  sijn,  tegenwoordig  zijn  om  zich  te  ver- 
dedigen^ opkomen^  Matth.  163  en  186.  Ter  rechter 
antwoirden  eiseen ,  begeren ,  ald.  en  187 ,  189.  Ter 
antwoirden  staen  (eenre  dinc),79.  Ter  antwoirde(n) 
comen,  90,  99,  189;  Mieris  4 ,  664^ ;  Matth.  ^»a/. 
3 ,  344.  Te  antwoort  comen ,  O.  K.  v.  Delft  1 ,  40 , 
vgl.  O.  K.  V.  Rott.  12,  7.  Tantwoorden  tiden, 
Rijmb.  21636.  —  Woorde  ende  antwoorde, 
tale  ende  antwoorde,  het  door  beide  partijen 
aangevoerde,  jj  Dat  Joncher  Jan  een  dach  honden 
sonde  tegens  den  hertoge  van  Brabant,  .  .  daer 
her  Jan  van  Renesse  woorde  ende  antwoirde  of 
overbrochte,  Clerc  148  (vgl.  Stoke  V,  1118  vlgg.) 
Angehoirt  tale  ende  antworde  binnen  eenre  maent 
nadat  beyde  die  heeren  versoent  snllen  sijn,  Ged-enkët. 
1,  261  \a.  1419).  —  Antworde  nemen  ende 
geven,  eene  schikking  met  iemand  trejfen.  ||  So 
langhe  sprac  men  ende  dede,  dat  Willam  in  enen 
vrede  te  Haerlem  toten  broeder  quam  te  sinen 
bedde  ende  hi  nam  van  hem  andworde  ende  gaf, 
ende    men  stont  des  orloghen#  af,  Stoke  II,  1111. 

6)    Bij     nitbreiding   ook    de   dach  zelf^  rechte- 
zitting  y  bijeenkomst  ter  beslechting  van  een  geschil.  \\ 
(Hi)    vertrao   den    coninc  saen,   hoe   de  antworde 
was  vergaen  binnen  Ghent,   VI.  Rdjmk.  8671. 

ANTWOORDE,  Antwoirde.  Zie  Antwerde 
l«te  Art. 

ANTWOORDEN  (Antwoirden,  Antworden, 
Antwerden,  Antwaerden,  ook  Andw.  — ),  zw. 
WW.  bedr.,  mhd.  antwürten^  mnd.  antworden  ^  ant- 
werden ^  antwarden.  Zie  verder  Grimm  1,  608  vlg. 

1)  Antwoorden y  in  onze  bet.,  tegenover  vragen. 
II  Vragen  ende  antwerden,  Pgr.  en  Th.  36.  Ant- 
woirden leest  men  meerm.  bij  Matth.,  antwaerden ^ 
Brab.  Y.  II,  1634;  antwerden,  Limb.  III,  680, 
Christ.  240,  277,  L.  v.  J.  passim ,  e.  e. — (Dander) 
ne  and  worde  niet  van  enen  worde,  {met)  geen  enkel 
woord,  Wal.  3780.  Sine  antwerde  niet  van  enen  worde, 


Lane.  III ,  4224.  Tfolc  antwoorde  daer  ane,  ciurt^ 
Rijmb.  27664.  Eer  men  antwoorden  mochte  daer  ave, 
dienaangaande,  27278.  Onse  hemelsche  Yider 
heeft  ons  ewelic  gheroepen  .  .  ende  wi  selen  hsm 
ewelic  antwoerden,  Ransb.  4,  40. 

2)  Rekenschap  afleggen,  verantwoording  ioen^nfk 
in  rechten  antwoorden  op  eene  aanklaehl  of  eenn 
eisch,  zich  verantwoorden.  \\  Ie  segge  dat  elc  ut- 
worden  moet,  waer  wulle,  vleesch  ende  bloetni 
den  scape  helende ,  Disp.  378.  Daer  men  in  die 
helle  die  blaect  .  .  antworden  moet  hoe  men  telde 
die  scaep  op  minen  velde,  361.  Yoer  tgherechte 
daer  soe  stoet  ende  moeste  antworden  vor  dat 
goet,  %>.  V,  62,  23.  Eist  niet  recht ,  dat  tl|f 
ant wordt  van  der  dorperliker  mort,  III',  27, 75. 
So  willickene  vor  Oode  dagen  tantwordene  Tia 
deser  clagen,  lY',  38,  87.  Want  wi  van  tUei 
ydelen  woorden  ten  oordele  sullen  antwoordea, 
Lsp.  III,  16,  206  (ook  116).  Die  besitter  . .  ea 
sal  niement  na  dien  tiden,  al  worde  hi  oic  g^ 
aentaelt,  dair  af  scnldich  syn  tantworden.  Brak. 
r.  Dl.  1 ,  bl.  786  (a.  1330).  Die  mit  recht  dair 
scnldich  is  voir  te  antwoirden,  Matth.  88.Tegdic 
die  recht  heyst  off  antwoirt  an  eenre  vierschara, 
143.  Ontginge  eenech  gevangene  nte  smeyers  vaa;- 
nessen ,  so  es  de  meyere  schnldech  den  proofst  te 
vullen  tantworden  van  dien  gevangene ,  diere  oat- 
ginge,  Halb.  Aant.,  Inl.  126. —  Ook  eene  verkkruf 
afleggen.  ||  Dat  alle  deelmannen  .  .  sculdichzÜBte 
termineerne  .  .  alle  ghedeelen  die  vor  hem  conunea 
binnen  XL  daghen  naer  dien  dat  sg  (partijen  jii.) 
gheandwoord  hebben  zullen  te  deelue ,  Cout.  t. 
Bntgge  1,  360. 

3)  Rechtsterm :  de  partij ,  de  veranfwkoriing  vosr 
iemand  op  zich  nemen,  voor  iemmnd pleiten, ooÏJi^ 
Christus,  als  patronus  der  menschheid.  ||  IM 
Jhesus  . .  in  die  eeuwelichede  een  salich  priestendp 
heeft  ontfaen  .  .  voor  ons  te  antwoordene,  Jami 
II,  6041  (vgl.  Hebr.  7,  26). 

6)  Met  den  3den  nv.  aer  zaak.  Beantwoorin 
aan,  overeenstemmen  met.  \\  Dine  wort  ende  diae 
daet,  sie  dat  beede  overeengaet  ende  elc  andem 
antworde,  Sp.  I*,  64,  16.  Alse  die  vorseide tekeae 
niet  en  antwerden  der  orinen ,  Hs.  Yp.  23i^.  Dis 
antworde  de  bedecte  wonde  der  bedecter  hertea 
gronde,  Franc.  8369.  Antwoerde  synre  groter 
minnen  mit  minnen,  Sp.  d.  M.  1,  7Sd.  Dat  die 
pine  antwerden  mogte  der  scout ,  Limb.  Sem.  150c 
De  mate  sire  glorien  antwert  der  maten  sire  graden, 
Rnusb.  1 ,  46.  Yier  gaven ,  antwerdende  den  iersta 
vieren ,  48.  (Wanneer)  dat  die  naturleke  beroerii^ 
niet  en  andwert  der  beroeringen  des  hemels,  123. Ke 

Sine,  die  der  souden  antwerd,  3, 264.  Dier  ongeoer 
ender  minnen  antwert  een  ewich  vier ,  ald.  Groet- 
heit  der  pinen  sal  antwoerden  groetheit  der  geno^ 
ten,  268  Daer  wi  sinen  gaven  antwoeraen  n^ 
doechden  in  sijnre  eren, 4, 17.  Op  dat  wQ antwoer- 
den ,  daaraan  beantwoorden,  so  ist  recht,  Pass.  W.^. 
Zoo  nog  Ruusb.  6^248  (=  Ned.Proza  31)  en  260:  <«. 
ANTWOORDER  (Antwoirder,  antwerder). 
znw.  m.,  mnd.  antworder,  antwerder,  mhd.  antwêrtff, 
hd.  antworter.  De  gedaagde,  \aX.retis.  ||  Trechttai 
allen  saken  .  .  twisschen  twier  personen  tilea, 
als  des  eysschers  ende  antwoirders,  mit  vonoissea 
wysen  op  haren  eet,  Matth.  34.  So  moet  daer 
wesen  een  rechter,  te  minsten  III  scepenen,  eea 
clagher  ende  een  antwoirder,  46.  Een  eysscker, 
een  antwoirder  ende  wysers  des  rechts,  dit 
sijn  scepenen,  ende  en  can  die  besaeckte  niet  ant- 
woirden, 80  moet  hy  een  verantwoirder  hebbei 
om   trecht  te  vorderen ,  106.  De  Rechter  en  aat- 


420 


ANTW. 


ANXS. 


430 


werder  sallen  daer  wesen . .  up  dat  raethais,  Warft- 

eontt,  18.  De  rechter  by  yerlees  siins  doems  offroyes, 

ende  de  antwerder  by  yerlees  siinre  sake,  ald, 

AKTWORDES.  Zie  Antwerde,  1ste  Art. 

ANXENE    (anxen),    anw.    vr.    In    beteekenis 

geljkstaande   met   Anguiêse  en  Anxt.  Het  woord 

schynt  in  de  yerwante  talen  niet  yoor  te  komen; 

doen  is    blijkbaar   eene   afleiding  yan   den  stam 

«Vi   ons   êng^   waaroyer   sie   bg   anxt.  Volgens 

De  Vries ,  Mnl.  Wdè.  225 ,  is  de  oorspronkelijke  yorm 

yermoedeiyk   anxeme   geweest,   waaruit,   met  den 

niet  ongewonen   oyergang  yan  m  tot  »  in  achter- 

yoegsels,    anxme   is    ontstaan.    Verg.  ons  bodem  ^ 

boezem y  met  hd.  boden,   buee»,  mnl.  blisene  naast 

bUxem  (z.   ald.)   en  zie  Grimm,   Or,  2,  150.  Het 

Ags.  kende   het  bnw.  anffeum,    „angustns,"  yan- 

waar  angtumjan ,  „yesare'*  (Ettm.  13) ,  dat  bij  ons 

oMfftaem  zon  Iniden,  en  waarneyens  zich  een  ohd. 

angeoM,  aneeam  en  een  znw.  ancsami  denken  laat, 

eyenals  arbeitMmi,  gahoreami  (nhd.  gehoream),  enz. 

Verg.  Graff  6,  32.  Aneeami  moest  mnl.  anctame 

Iniden,    of  met  toonloos   geworden    klinker  anc- 

eeme,   anxeme.   Eyenzoo   scn^nt   mnl.  Hjcsene  (zie 

ald.),  dat  met  ohd.  ga-MAeam,  nhd.  g-leichêam,  in 

yerbond  staat,  op  een  ohd.  znw.  AArofli» te w^zen , 

en  komen  mnl.  ontUJceeVen  en  ontUjeeeuen  beide 

yoor   (zie  ald.).   Ook  het  geslacht  yan  anxene  is 

hiermede  in  oyereenstemming,  daar  de  ohd.  woorden 

op  -eeatU  alle  yr.  waren. 

1)  Be  ondere  opyatting.  Benauwdheid ,  hoelUng , 
pijnlijke  of  angs&ge  toeetand,  nood  en  gevaar.  \\ 
Tserpent  dreesc  Inde,  hem  was  wee,  omme  die 
anxene  yan  der  doot.  Noch  was  Waleweins  anxene 
groot:  hi  lach  onder  tserpents  yoet,  WaL  546 
(yerg.  420).  Doe  was  hi  bilde  doe  hi  dat  sach, 
dat  tserpent  also  doot  lach,  dat  hem  die  anxene 
hadde  gedaen,  577.  Ie  bem  der  anxene  ontgaen, 
die  mi  tserpent  heyet  gedaen ,  687.  Die  den  andren 
helpt  nnt  sire  noot  ende  nter  anxene  yan  der  doot, 
2653.  Dat  haer  anxen  groot  was,  ende  lieyer 
hadde  doot  te  sine,  Farth,  5894.  Maer  wordi  in 
groter  noot  begrepen  ende  in  ancsenen  groot,  dan 
es  hi  yan  cranker  were,  5971.  Ende  gedoochden 
menich  warf  anxene,  pine,  swaer  yerdriet,  'Bate 
fr.  bl.  250,  ys.  77.  Daer  hi  af  was  negen  der 
jare  in  anxenen  ende  in  pinen  sware,  Sp,  II*,  8, 
32.  Soe  sprac,  alsoot  haer  geboot  hare  anxene  ende 
hare  noot,  Belg.  Mus.  2,  60,  13. 

2)  De  jongere  opyatting.  Benauwdheid,  vrees, 
ons  angst  ||  Die  Jode  lach  in  anxene  groot,  Sp. 
III  ^,  90,  55.  Ie  ware  onteert  bi  den  keytyf,  en 
hadde  gedaen,  here,  mijn  joncwQf,  die  te  mi  met 
haesten  scoet,  doe  ie  riep  yan  anxenen  groet,  II', 
57,  204.  Eerachtich  men  in  anxenen  leyet,  als  hi 
bidden  moet  dat  men  hem  geyet.  So  zeere  dnchti 
dat  men  sal  sine  bede  hem  ontseggen  al,  Bose 
4631  yar.  Menich  meinsche  gaet  hier  inne  . .  ende 
sgn  daer  in  anxenen  swaer,  5805  yar.  Ende  oec 
yan  groten  wee,  ende  yan  groten  anxenen  mee, 
Jf.  en  Vr.  Heim.  1169.  Mi  doen  in  anxenen  wesen 
mine  gepeinse  menigertiere ,  ^ln^lfMl{  1 ,  5780.  Sonne, 
mane  ende  alle  figneren  yerkeerden  alle  in  haer 
natneren  yan  anxenen  ten  selyen  tiden,  die  gi  den  tor- 
ment moest  liden ,  II ,  4883.  So  wie  datter  neerenstelic 
in  wille  lesen  . . ,  hi  sal  yan  anxenen  hem  wachten  yan 
sonden,  OFl.  Ged.  2,  31  &.  Onmachtich  in  al  haer 
leden  yan  grooter  yreesen  ende  anxenen,  37a. 

ANXENEN,  zw.  ww.  bedr.  Van  Anxene:  zie 
het  yorige  art.  Eyenzoo  Anxten  yan  Anxt  en 
Anguissen  yan  Anguisse.  Verg.  ags.  angsuv^an, 
„vexare"  (Ettm.  13).  In  benauwdheid,  in  een  pijn- 


lijken toestand  brengen,  ||  Want,  alst  God  wüde , 
die  gygant  wart  geanxent  altehant.  Tkint  wan  den 
zege,  Sp.  IV*,  43,  41  (Vinc.  enervatus  est).  Si 
sgn  gheanxent  ende  ghecranct.  Es.  v.  1348,  253<;. 
ANXSELIJC.  Zie  Anxtelijc. 
ANXT  (ancst,  angest,  ook  min  zuiver  anst, 
ANX,  en  HANCST  ffeschreyen,  ook  anxte,  yr.) 
'te,  znw.  m.  Voor  aen  2den  ny.  des  anxtes (anxts) 
yindt  men  in  't  rgm  ook  den  onjuisten  yorm  des 
ones  (:  danes).  —  Anxt,  ons  angst,  is  samenge- 
trokken uit  angest,  dat  men  leest  Merl.  33283, 
34741,  35095.  Verg.  de  glossen  bij  Graff,  Biut. 
2,  212:  „Angest,  discrimen'^'*  en  201:  Anxt, 
anxietas.^^  Ohd.  angust,  mhd.  angest,  mnd.  angest, 
anxt.  Van  den  stam  ang,  got.  aggvtts,  ons  eng. 
1)  De  oudere  opyatting. 

a)  Benauwdheid,   kwelling ,  pijnlijke  of  angstige 
toestand,   nood  en  gevaar,   ongelegenheid.    ||    Men 
doetse   hangen  ende  thooft  ofslaen,   ofte  stenren 
arger  doot:  hare  anxt  es  dicke  groot,  Bleg.  210. 
So  moeti  mi,   here,  heden  jegen  dit  felle  serpent 
beyreden,  dat  mi  desen  anxt  heyet  fedaen,  W'al. 
497.  Het  es  die  dnyel  uter  helle,  die  hier  comt 
ende  wille  mi  quellen,  ende  heyet  mi  desen  anxt 
gedaen,   553.   Daer  die  wQch  alrefelst  was,  ende 
die  meeste  anst  ende  noet,   Lane.  IV,  6568.   Hen 
dogede  man  die  anxte  nie,  die  hi  dogede ,  geloyets 
mie,   om   dl   te   brengene  ter  hoechede,   Overzee 
134.  Ende  mi  heeft  yerloest  nut  menegen  anxte 
ende  yertroest,  Sp,  11^,  47,  101.  De  bliden,  de 
waren  sgrayen,  .  .  dede  hi  bringen  yoer  der  borge, 
ende   deder   hem   mede   anxt   ende   sorge,  eer  si 
thuus  op  wilden  geyen,  Stoke  V,  575—79.  Dit 
en  was  noit  g^hoert,  dat  die  yader  heeft  yermoert 
sine  kindere  dus  sijns  ondancs !  O  wi ,  lieye  kindere, 
des   ancsl   Brab.    Y.  II,   543.  Want  wy  dwasen 
daer   op   mickea  ende   dwalen  mede  in  menigen 
sticken,   dat  onser  zielen  is  een  anxt,  Hild.  114, 
223.  Enich  man  die  uyt  onser  stat  were  om  anst 
of  yan  broeken ,  dien  en  zoelen  die  scepen  en  genen 
yrede  geyen  bynner  der  stat  te  comen,  Stadsr.  v. 
Zwolle,  156,  284  yar.  Zo  zolen  zi  op  die  heilige 
ewangelie  sweren  bi  hore  zielen,  dat  zi  noch  doer 
minne ,  noch  dor  hat ,  noch  dor  anst  des  iet  laten , 
zine  kiesen  mit  lettere  herten  den ,  die  hem  . .  die 
beste  dunke  tot  enen  meestere,  D.  Orde  276. 

b)  In  engere  toepassing.  G^^oar,  waaraan  iemand 
of  iets  blootgesteld  is.  ||  In  droge  weyde  leyen 
si  lanxt;  gaen  si  in  natten,  dats  een  anxt,  i\ra/.J3/. 
II,  3173.  Dese  diefte  es  arger  in  yelen  dan  daer 
men  met  anxte  moete  stelen,  N.  Doet,  505.  Een 
anxt  eest  sieken  weder  keren  sine  spise;  daer 
moet  bi  yerseeren  siecheit  ende  daers  de  doot 
tontsiene,  Bind.  73.  In  dese  stat  (der  mane)  es 
grote  anxste  daer  an,  oft  men  qnets  eenegen  man 
met  jser,  want  nat  es  die  mane  ende  diser  cout, 
Fr.  Heim.  542.  Ane  den  steden  daermen  anx  heyet, 
daer  en  solen  die  broedere  zonder  yerlof  horen 
beesten  die  tome  niet  ayenemen,  B.  Orde  295. 
Die  meester  dede  ais  een  roekeloos  man  sonder 
enich  beraet  yan  den  anderen  meesteren  den  edelen 
mogenden  heer  sQn  been  te  sniden,  dair  hj  die 
sericheit  hadde,  ende  meende  twair  sonder  anxt, 
Matth.  Anal.  3,  356.  üut  allen  anxte  salie  di 
yerborgen,  Sp.  IV,  9,  96. 

c)  In  nog  engere  toepassing.  Gevaar  van  schade, 
verantwoordelijkheid,  risico,  in  oorkonden  zeer  ge- 
woon, ygl.  Burman,  Utr.  Jaarb.  1,  109.  ||  Op 
onses  zelyes  cost,  ende  op  ons  selyes  anxt,  ende 
op  ons  selyes  scade  ende  yerlies,  Mieris  2,  53^. 
Elcs  jaers   op  onsen,  of  onser  nacomelinge,  daip 


431 


ANXT. 


ANXT. 


432 


dat  Yoirsegede  op  comen  sal ,  coat,  anst  ende  arbeyd , 
324«,  ygl.  323a.  Jaerliz  te  betalen  . .  op  onsen  cost, 
anzt  ende  arbeit,  Nr|h.  1,  405.  Welck  geit  voirscr. 
wy  hem  .  .  op  onsen  anzt  ende  cost,  tot  wille 
ende  in  seker  behalt  .  .  commerrry  leveren  sullen , 
4,  171.  (Welke  renten)  si  haer  geloeft  hebben  te 
antwerden  ende  te  leveren  op  haren  anzt,  cost 
ende  aerbeit ,  tot  tween  terminen  tsjaers ,  Brab.  Y, 
Dl.  2,  bl.  484.  Cost,  anst  ende  arbeit,  Zwijndr,  W, 
7;  9  en  Racer  6,  322,  ygl.  317,  waar  ten  onrechte 
amt  staat.  Zoo  ook  of  enet  anxt  ende  cost^  Racer 
2,  241.  —  Vgl.  andere  soortgelijke  aitdr. :  coit^ 
ichade ^  noch  arheyt^  Nijh.  2,  66;  Uutinge^  cotten 
end^  tchade^  Y.  d.  Wall  369;  kost^  arheyt  ende 
sollicitatie  y  in  eene  Zvrolsche  Rek.  v.  1488,  bij 
V.  d.  Chijs  4,  337.  Vgl.  voorbeelden  van  dezelfde 
nitdr.  bij  Koseg.  1 ,  437  en  onze  aitdr.  „kens 
baart  angst J"*  „en  die  kens  heeft,  heeft  angst ^"^ 
waarin  de  bet.  van  gevaar  nog  voortleeft. 
2)  De  jongere  opvatting. 

a)  Benauwdheid^  vrees ^  verlegenheid,  ons  angst.  \\ 
Anst  voir  sijn  ende,  Devoet  B.  (30)  539.  Sta  in 
anst  ende  bereyde  dijn  siel  in  becoringhe,  185r. 
Ie  hebbe  leden  so  menegen  anzt.  Rein.  I,  3206. 
Ie  en  wond  noch  snlken  anzt  niet  dogen  als  ie 
daer  leet,  om  dasent  merc,  II,  3604.  Reinaert 
die  was  om  dit  spreken  in  groten  anzt  ende  in 
vaer,  II,  4360.  Met  groten  anzt  ontspranc  die 
man  nut  sinen  slaep,  II,  4886.  Wat  groter  anzt 
dat  hi  leet,  II,  5619.  Wi  waren  in  groten  anzt 
bevaen,  doe  wi  n  onder  leggen  sagen,  II,  7418. 
Die  vrowe  was  in  anste  groet,  Lanc.  IV,  3346. 
Want  soe  hadde  geweent  also  .  .  van  rouwe  ende 
van  anzten  mede,  Flandr.  IV,  141  {aiig.anxtene). 
Sere  in  anzte  was  hi  nu  hier,  hoe  hi  sal  ierst 
beginnen  hare  te  sprekene  ane  van  minnen,  Limö, 
I,  1058.  I)ie  levet  in  anzte,  hi  levet  in  eren, 
want  anzt  doet  al  mesdaet  keren,  Fad.  Mus.  1, 
71,  1  (en  ald.  passim).  Sonder  twivel  ende  anzt, 
Ruusbr.  3,  240  {var.  sonder  twifel  ende  sonder 
vrese).  —  Zoo  ook  J2«Vi.II,  3815,  5727,5785; /;*ƒ. 
I,  19,  49,  51;  Brab.  Y.  V,8.S4;  Christ.\b^^\em. 

b)  In  bijzondere  toepassing.  Vrees ,  ontzag,  eerbied, 
II   Een  recht   monc   sal   .  .  altoes  den  anzt  Gods 

in  sijn  herte  dragen.  Stemmen  63.  Waer  om  en 
wandert  ghi  niet  in  den  anzte  onses  Gods,  D.  B. 
Nehem.  5,  9.  Zoo  ook  II  Chron.  19,  9;  Ezra  5,1. 

c)  Met  eenige  wijziging  van  beteekenis,  angst- 
vallige vrees,  nauwlettende  zorg,  bezorgdheid,  zorg- 
vuldigheid. II  Anzt,  voerdacht  ende  heymelicheit , 
dat  syn  der  wijsheit  beste  cleyt,  MLoep  II, 
2129. 

ANXTELIJC  (ANXTELIJC,  ANCXTELIJC,  ANCSTE- 
LIJC,    ANSTELIJC,    ANXELIJC,    ANSELIJC,   of-LEC), 

-like  of  'leke,  bnw.  'HL\i^.angestlich,mïi^.angestlik, 
anxtlik.  Van  Anxt  in  verschillende  opvattingen. 

i)  Benauwdheid  of  kwelling  verwekkend,  benauwend, 
pijnlijk,  bezwaarlijk,  moeilijk.  Zie  Anxt  1,  «.)  || 
Danzstelijcste  dinc  dat  enech  es  .  .,  dat  dunctmi 
scependom  wesen;  want  si  en  hebben  geen  recht 
bescreven,  ende  si  moeten  vonnesse  geven  uut 
haren  hoefde,  Teest.  1105.  Dancstelikeste  dinc  dat 
sijn  mach  in  ene  stat,  dats  quade  tonge,  Z>of/.  II, 
724.  Want  een  onbescheiden  heer  die  en  werct 
salicheit  noch  eer ,  die  is  oeck  anztelic  by  te  wesen, 
Hild.  71,  39.  Soe  ist  een  anztelijc  verbeiden  van 
der  werlt  hier  te  scheyden,  84,  133. 

2)  Benauwdheid  gevend,  nood  en  gevaar  aanbren- 
gend ,  gevaarlijk.  Zie  Anxt  1 ,  *).  ||  Dat  ware  grote 
sonde,  lietmense  sterven  sonder  sacramenten,  ende 
het  ware  haerre  zielen  anztelic ,  D.  fTar.  5, 393.  Dat 


een  anztelec  dinc  es ,  dat  hem  liede  onderwinden  loje 
ende  die  rechte  te  venden,  die  in  die  scrgflure 
sUn  blint,  ende  van  rechte  en  weten  twint,  Doet. 
II,  3602  (var.  S.  anselijc;  OFL  Ged,  2,  67,  103: 
anzelic).  Dat  anzstemc  .  .  eens  smenschen  let 
gequets  es,  alse  de  mane  in  teeken  des  ledes  z§, 
Fr.  Heim.  614.  Dan  is  hy  sunderlinge  verveerUc 
ende  anztelic  allen  vogelen,  die  vliegen  boren  der 
eerden,  Ned,  Proza  849.  Die  gewoenlike  logener 
is  seer  anzteliken,  dat  hi  cume  sonder  liegea 
eenich  dinck  vertellen  kan,  172.  Ende  om  deser 
tweer  meren  wil,  daer  men  doer  seylen  moet  te 
schepe,  ist  sonderlinge  anzteliken  doer  te  Taru, 
Fersl.  en  'Ber,  II,  21.  {Het  voorwerp)  wcrt  oec 
also  anztelike ,  dat  mit  {men  hef)  nit  handelen  ea 
dar  met  bloter  hant,  Limb.  Serm.  119  b. 

3)    Angstverwekkend,    vreeselijk,    vereekrikkel^k; 
de   meest   gewone  beteekenis.  Zie  Anxt  2,  a).  \\ 
Omdat  die  almachtighe  Qod  anztelic  is  den  sondarea, 
ende    sacht    den    goeden,    Greg.    Hom.     70r.  Die 
swarte  sloech  opten  here  enen  slach,   ende  sloech 
so  sere  opten  helm,  dat  hi  booch,   ende  tswert 
ontwee  vlooch:   so  anztelec  was  die  slach,  Eley. 
423.  Dit  was  ene  ancstelike  snede,  Lorr.  U,  790. 
Dus  was  ansteljjc  dat  gevichte,  Lanc.  JU,  18491 
Dits  een  die  anztelijcste  man  die  ter  werelt  ie  l|f 
gewan,   III,  19043.  Dat  anztelic  oerdel,  dat  over 
di  sel  gaen,  Bern.  S.  145a.  Wat  viant  is  swaerder 
ende  anzteliker  dan  een  vals  medicus?  SeAaaksf. 
346.  Doe   wart  die  tornoy  anztelic,  Merl.  29019. 
Dat  anzselicste  brieschen,  dat  afgriselic  tehoome 
was,    OFl.  Ged.  2,  39a.  Doen  quam  een  anztelge 
wint ,  Brand.  (H)  10% ;  D.  B.  Job  1 ,  19.  Die  w^ch 
was  anztelijc  seer,  felre  dan  hy  was  eer,  Troyeuf. 
SSd.  So  anztelec  was  dit  tempeest,  Sp.  11^,  2,  L 
Na  menech   anztelec  torment  es  si  metten  swerde 
geendt,  11^,  18,  211.  Een  anzstelec  ven^n,  Doet. 
II,  2226.  Danzstelecste  dinc  dat  es,  Lsp.  III,  12, 
77.  Dat  anztelike  oordel  groot,  IV,  9,  100.  Ende 
sullen  so  briesschen  ende  criten ,  dat  dat  anztelike 
gescal  toten  hemele  clincken   sal,  IV,  9,  20.  lm 
dat  vreselike  vier,  dat  anztelike  es  ende  ongvbier., 
Lucid.  5054.  Ende  hadde  gewonnen  bij  enen  stier 
een    kint,    dat   was   een  anztelic  dier,   MLoep  I, 
1393.  So  moeste  hi  liden  al  de  tormenten  .  .   vaa 
deser  anzteliker  beesten,  OFL  Ged.  2,  43a.  Ende 
ooc  so  slougen  si  anztelike  donderslage ,  dat  alle 
creatueren  gruwen  mochte  te  hoome,  so  aoxtelikc 
waren   si   ende  so  afgriselike,   45a.   Ten    is  giea 
dinc  also   anztelic,  als  dat  wy  in  alsuicker  staet 
leven ,  dair  wy  niet  in  sterven  en  dorven ,  Siemw^e% 
2.   Van  haren  souden ,  die  seer  ancztelijc  ende  oi- 
menschelijc  waren.  Mar.  v.  Nijm.  bl.  42.  Mit  eeare 
anzteliker  stemme,   Clerc  29.   Doe  dese  anxtelike 
strijt    dus    geschiet    was    tot   g^ter    scaden    vaa 
kerstenrijcke ,  Exc.   Cron.  %lb,  Daer  deden  si  die 
uutvaert  mit  groten  anzteliken  gewene ,  D.  B.  Gen, 
50,  10  (vuig.  planctu  magno  atque  vekemer^/i).  See 
leden  wij  doer  een  anztelike  wildemisse ,  I>eut.  1  ^ 
19.  Anztelijc  honger  was  binnen  Samarien  y  I  Kom. 
18,  2.  —  Zoo  ook  Lanc.  III,  19035;  Sp.   II»,  18, 
236;   Limb.  X,  1095;   Wrake  II,  399;  Velth.  IV, 
29,  29;  Hild.  158,  80;  244,  53;  JTZ^II.  1033; 
Hadew.  I,  18,  20;  Stemmen  117,  110,  Ifed.  Proaa 
87,  98,  296;  Matth.  Anal.  3,  94;  «fiur. 

ANXTELIJCHEIT  (anxtelicheit),  en  -hede, 
znw.  vr.  Zie  Anxtelijc  1).  Benauwdheid  ^  ver- 
schrikking. II  Die  dag  es  des  torens  dach,  die 
nyemen  vorgaen  en  mach;  het  es  die  dmcK  der 
anxtelicheit,  X  F  lag.  2408. 

ANXTELIKE     (anxstelike  ,    anchstelike  , 


433 


ANXT, 


ANXT. 


434 


A.NXTELIKEN,  ANXTELIJC,  ANXTELIC),  bgw.  Mhd. 

tutgêttHehe,  Zit  Anxtelijc  bnw. 

1)  Op  eene  unjge,  eÜe  gevaar  dreigt^  gevaarlijk.  (| 
Die(t)  daer  na  anxtelQche  stont ,  dat  waren  die  tien , 
die  buten  bleven,  D.  War.  9,  149,  272. 

2)  Op  eene  angttverwekkende  toijze^  vreeeelijk^ 
vereehrikkelijk.  ||  Hoe  zeer  anztel^c  dat  zy  droegen 
in  der  yoecht  der  zonden  last,  Hild.  244,  46. 
Dien  hl  jegen  menegen  Sarrasijn  sacb  vechten 
harde  anxteÜke,  Parth.  4846.  IHe  hem  daer  ter 
were  dede  soe  anxtelijc  ende  soe  sere,  dat  hire 
daer  ten  irsten  kere  XX  ende  meer  dede  ylien, 
Jjone.  II,  38980.  Bat  si  doen  qnamen  te  samen, 
een  en  darf  hem  niet  scamen,  soe  sere  heeft 
hine  ontmoet,  ende  soe  anxtelike  gegroet,  /.  w. 
w  den  etrijd^  lAmb.  lY,  1446.  Harde  anxste- 
lycke  groote  slagen,  Qrimb.  II,  5049  var.  Eene 
wonde  anxtelike  groot,  II,  5170.  Ie  bem gebonden 
anxtelike  van  den  inged  van  hemelryke,  Amandlj 
3486.  Doe  gingen  si  mit  sporen  slaen  als  onge- 
bottdene  leuwe  ten  tiden:  so  anxtelike  gingen  si 
riden,  J).  War.  9,  148,  218.  Hi  moet  anxtelic 
geboren  die  den  dnvel  sal  veryeren ,  Ror.  Belg.  9 , 
26 ,  403.  Die  wateren  vloeyden  anxtelic ,  ende  si 
Terv  oldent  al  boven  der  aerden ,  D.  B.  Oen.  7 ,  18 

S^uig.  vehementer).  Hier  en  binnen  so  dwanc  die 
onger  al  dat  lant  anxtelic ,  43 , 1  (V nlg.  vehementer). 
Die  Here  wort  anxtelike  gram  op  Israhel ,  II  Kon. 
17 ,  18  (Volg.  vehementer).  Anxtelike  (anchstelike , 
anxteliken,  anxtelijc)  vechten,  Lanc.  II,  45064; 
in,  19481;  Sp.  III',  52,  49;  Belg.  Mus.  4,  196; 
Grime.  H,  4091;  Brab.  T.  VII,  15005;  Pyr.  en 
TA.  266.  Anxtelike  (anxtelgc,  anxtelic)  striden, 
Orimb.  I,  4566,  4561;  II,  2376,  4584,  61U\em. 

I  Ook  als  eene  zeer  krachtige  versterking  bij  een 
bnw.  of  WW.,  op  dezelfde  wgze  als  thans  veel- 
ynldig  ontzettend,  vreeeelijk  enz.  worden  gebezigd. 

II  Tswert  was  anxtelike  goet,  Limb.  V,  104.  Ie 
9al  di  alte  anxteliken  menichfoudigen ,  B.  B.  Oen. 
17  ,  2  (Vnlg.  vehementer  nimie;  StaXen-Yeri.  gantsch 
teer).  Jndas  was  anxteliken  naerstich  om  die  qnade 
te  verslaen,  II  Maeeh.  12,  23.  Hoe  anxtelike  lelijc 
sie  ie  di  nn,  He,  v.  1348,  300^.  Anxtelike  sere 
scone,  D.  B.  Ezech.  16,  7.  Anxtelike  toomich, 
Job.  32,  2. 

ANXT£N,   zw.   WW.   bedr.   en   onz.   Yan  Anxt 
(zie  ald.).  Mhd.,  mnd.  angetten.  Ygl.  beanxten. 
Bedr.    —  Anget  aanjagen,    benauwen.    ||    Mijn 

Seest  is  geanxt  in  mi,  He.  Pe.  1987-.  —  Ook  in 
en  verfranschten  vorm  anxtineren,  Fad.Mut. 
3,  24. 

Onz.  —  Angetig  zijn ,  zich  angstvallig  en  zorgvuldig 
gedragen,  zich  uitsloven.  ||  Weest  dan  ghereet  alse 
de   cnecht   anxtende  in  ghehorsamheiden ,   Ss.  v. 
r»    1348,  2eOd. 

ANXTEREN,  zw.  ww,  bedr.  Frequentatieve 
TOrm  van  Anxten.  Beangstigen,  benauwen,  kwellen. 
II  Die  dage  selen  comen,  dat  di  dine  vlendeselen 
beliggen  ende  ommeringen  ende  anxteren  in  allen 
staden,  L.  v.  J.  c.  158.  Huet  u  van  diencacadnl, 
want  hi  dien  ghewapenden  riddere  anxterde  in 
flinen  crite,  Limb.  Serm.  174c. 

ANXTVALLICH,  ANXTYALLICHEIT.  Zie 
Anxtvoudich. 

ANXTYOLDELIKE ,  ANXTVOLDICH ,  -HEIT. 
Zie  Anxtvoudich,  Anxtvoudicheit. 

ANXTVOUDICH  (anxtvoldich),  -dech  ,  -digeoï 
'dege,  bnw  Mnd.  angestvoUUch',  in  den  Teuth. 
^ Anxtfeldich,  ontmoidt,  versnft,  ver- 
Tsert,  vruchtsam,  sorchfeldich,  versla- 
gen. Timidus,  pavidtts,  anxius"*^  eet.  Yan  Anxt  en 


'Voudieh.  Yerg.  het  op  dezelfde  w^ze  gevormde 
zorgvuldieh,  mnl.  sorchvoudich ,  en  angstvallig,  nd. 
angstfaltig  (door  Koseg.  438  gebruikt),  dat  nit 
anatvoldieh,  anxtvaldich,  verbasterd  schijnt.  Ook 
anxtvallich  komt  mnl.  voor,  b.  v.  Bem.  W.  160c:. 
anxtvallich  ende  sorchvoudich;  bbi  eens  anxtval- 
lighen  ridders ;  zoo  ook  het  znw.  ansfvallieheit,  o.  a. 
Ms.  75  /.  463;  Bern.  W.  121rf;  Es.  Epist.  583: 
„In  veel  verduldicheden ,  in  behoeflicheden ,  in 
anxtvallicheden"  d.  i.  angsten,  gevaren. 

Angstvallig,  bevreesd,  bang,  angstig.  \\  Ten  lesten 
wert  hi  van  den  vrienden  daer  toe  gedwongen ,  hoe 
anxctvoudich  dathi  was  ende  gaf  nochtan  al  s^n  goet 
over,  Ned.  Proza  295  (Bienb.  43  d).  Dengenen  die 
anxtvoldich  sijn  ende  cleynmoedich ,  Stemmen 
108.  Die  tortelduve,  dat  is  die  ootmoedige  ende 
die  anxtvoldige,  die  hier  suchten  ende  carmen  om 
haer  sonden,  109.  Totten  anxtvoldigen  ende  be- 
dmcten  sprect  onse  Heer,  ald.  So  wanneer  dat 
jemant  mit  sonden .  .  Oode  oneer  doet,  dat  maect 
hem  een  bitter  anxtvoudich  wee,  70.  Anxtvoldich 
ende  cleynmoedich.  Brugman  1,  273;  Bevoet  B. 
(30)  64r.  Anxtvoldighe  droef  heit.  Es.  Ps.  152  v. 
Anxtvoldich  in  oerdel  te  geven,  Sp.  d.  M.  1,  11a. 

Buw.  —  Anxtvoudelike,  anxtvoldelic, 
zorgvuldig,  met  zorg,  inspanning.  \\  Doe  hi  anxtvol- 
delic dachte ,  waer  de  arme  weert  wat  crighen  mochte, 
Bienb.  180c.  Wie  is  soe  sundich  of  soe  onsinnich, 
die  God  niet  anxtvoldUck  en  lovet,  353. 

ANXTYOUDICHEIT,  -hede  ,  znw.  vr.  Mnd. 
angestvoldicheit  (Koseg.  438).  Zie  Anxtvoudich. 
Angstvalligheid,  vrees,  bezorgdheid.  ||  Yan  mijnre 
eerster  bekeeringe  soe  heb  ie  een  bondekijn  van 
alle  der  anxtvoudicheit  ende  bitteren  arbeit  mgns 
Heren  vergadert  ende  tusschen  mijn  borsten  geleit , 
Stemmen  22,  Ned.  Proza  78*.  Als  een  mensche 
hertelike  anxtvoudichejt  over  sijnre  evenmenschen 
sielen  heeft,  opdat  sy  ymmer  behouden  mochten 
worden.  Stemmen  70,  Ned.  Proza  78*. 

AP,  znw.  m.,  voor  Nap,  drinkschaal,  beker, 
met  weglating  der  n  in  den  aanvang,  als  in  meer 
andere  woorden  plaats  had.  Zie  De  Yries*  aant.  op 
Hooft's  Warenar,  bl.  90  vlg.  ||  Of  men  di  ter 
tafle  biet  den  ap ,  ne  wedersegghe  niet :  ontfankene 
ende  drinc  lettelike,  Boue.  v.  Sed.  594.  Neem  den 
ap  wjns,  D.  B.  Jerem.  25,  15;  vgl.  ald.  17:  Ie 
ontfinc  den  nap  van  des  heren  hant. 

APEEL  (apel,  appel),  znw.  onz.  Appèl.  Ofr. 
appel  (La  Cnme  2,  49). 

1)  Oproeping  voor  het  gerecht.  \\  Mids  welken 
dat  hi  wederleide  tapeel  sonder  langhor  beide, 
als   die   niet   wilde   ooedieren,    VI.  Rijmkr.  6208. 

2)  Eooger  beroep.  \\  Omme  met  dien  van  Brugghe 
te  helpen  ordinerene  een  apeel  up  de  sentencie. 
Rek.  V.  Oent  1,  417.  Omme  sapels  wille,  418.  Ygl. 

APOSTELÉ 

3)  Een  sem  tot  oproeping  (Ygl.  Littré  1 ,  1693) , 
in  't  byzonder,  sierwerk  van  eene  klok.  —  Yerklw. 
apeelkijn,  klokje,  bel,  aangeh.  Invent.  v. Brugge 
Gloss.  636  3  noot. 

Samenst.  —  A  p  e  1  w  i  e  1 ,  in  een  uurwerk ,  het  rad 
waardoor  het  sktgwerk  in  beweging  wordt  gebracht, 
ald.  431  a. 

APEERT,  bijw.  Ofr.  apert,  dlshii'V.apertement, 
van  lat.  apertus  (Burguy  19).  Openlijk,  ten  aan- 
hooren  van  iedereen,  en  by  uitbreiding,  onbe- 
schaamd. II  Hebdi  gheleert  an  uwen  oom  dus 
lieghen  apeert?  Rein.  I,  204. 

APEL.  Zie  Appel. 

APEL.  Zie  Apeel. 

APENSTERT,    znw.   m.,  vgl.  mhd.  affenswanz. 


435 


APIN. 


APOL. 


436 


Schertsende  benaming  voor  gevangenit ,  ygl.  onse 
uitdr.  in  den  aap  gelogeerd  sijn.  De  oorsprong  is 
my  onbekend.  ||  Weert  sake  dat  hi  nyet  to  peyn- 
den  en  hadde ,  so  solde  hi  yor  elc  ffi  van  den  koere 
8  daghe  in  den  Apenstert  wesen,  B.  v,  Zutf,  83, 
118  vlg.  (Var.  in  den  ttok).  Eer  hi  wt  dien  Apenstert 
qneme ,  ald.  Een  maent  lang  sitten  in  den  Apenstert, 
117,  24. 

APINNE.  Zie  op  Aep. 

APEROOET  (Aperouet)  (?)  ||  De  bonis  que 
per  mortem  alicvjns  in  terra  remanserint ,  qnod 
vulgo  dicitnr  tterfiic  guet^  et  etiam  de  illo  qnod 
vulgo  dicitnr  aperguet  binas  partes  habebimns  et 
Otto  terciam,  Oorkb,  2,  50a. 

APERINGE ,  snw.  vr. ,  voor  haperinge.  Ge- 
twist ^  gekijf.  Il  Moeyte,  mse  ende  aperinghe, 
Despars  1,  225. 

APERMENT.  Hetzelfde  als  operment  {auripig- 
mentum) ,  BarthoL  5386,  doch  ook  operment  komt 
iets  verder  tweemaal  voor. 

APERTICH,  bnw.,  van  ofr,  apert,  AA.  behendig, 
vlug  (Roq.  1 ,  76 ;  Duc.  7 ,  33) ,  vanwaar  apertise  (zie 
ald.)  en  vgl.  Invent.  v.  Brugge  5 ,  86 :  Eenen  gheselle 
die  speilde  van  aperptise.  Het  woord  komt  niet 
van  apertut,  maar  van  adperiius  of  adpertue,  \\  Si 
was  sere  abel   ende   apertich,   Brah.    Y,  y,3869 

var.   Vgl.   GEPERTICH. 

APERTISE  (Appertise),  znw.  vr.,  mfr.  apertiete, 
apertise,  oeng.  aperte  (Halliwell  1,  70).  Vgl. 
APERTICH.  Behendigheid,  kunstgreep,  fr.  tour 
cTadresse,  van  goochelaars  en  andere  kunsten- 
makers. Vooral  in  de  uitdr.  van  apertisen 
spelen,  prachtige  toeren  doen ,  zoo  Jonckbl.  Gesch. 
636;  641;  644;  650;  Invent.  v.  Brugge  5,  86 
(waar  ten  onrechte  aperptise  staat). 

APIE,  znw.  onz.  Lat.  apium.  Eppe ,  juffrouw- 
merk,  eene  plant  (Dodon.  1087).  Nem  dese  wort ele , 
die  ie  telle:  apie,  venekei,  petercelle,  ende  dat 
salmen  sieden  daer  na  int  sap  van  centanrea. 
Nat.  BI.  X,  228.  Nemt  dat  sop  van  adicke  ende 
sap  van  apien.  Jan  Tp.  52. 

APKIJN.  Zie  hapkijn. 

APLEIN,  znw.  onz.  Ontleend  aan  de  Fransche 
bijwoordelijke  uitdrukking:  h  plain,  duidelijk,  in 
het  openbaar,  en  als  znw.  opgevat  in  de  uitdrukking : 
Int  aplein,  duidelijk,  met  name.  \\  Item  ghaven 
dontfangers  diversen  personen  die  der  stede  van 
Ghent  groete  vriende  ebben  gheweest  ende  noch 
sijn  int  hof  van  Vrankerike ,  .  .  de  welke  persoene 
scepenen  wel  weten  wie  sy  sijn,  ende  die  niet 
behooren  ghenoemt  te  sine  int  aplein,  36  ü?  gr. , 
Bek.  V.  Gent  1 ,  50. 

APLOMPE,  znw.  vr.  Plompe,  plompebloem, 
waterlelie.  Lat.  nymphaea  en  nuphar  luteum.  Waar- 
schijnlijk van  Romaanschen  oorsprong.  ||  Nenufar 
of  calimbloemen  of  aplompen,  dat  siin  tremeer- 
bloemen  ende  staen  in  watere,  Ss.  Tp.  lOld. 
Daer  inne  selen  wi  setten  die  waterbloeme,  ene 
aplompe.  .  .  In  die  aplompe  merken  wi  vier  dinge : 
si  hout  hare  altoes  boven  den  watere,  ende  heeft 
vier  groene  bl&dere  tusschen  hare  ende  dat  water, 
ende  si  es  gestadecht  in  den  gronde,  ende  es 
boven  ontploken  der  sonnen ,  Ruusbr.  1 ,  68.  Alsoe 
als  die  aplompe  gestadecht  es  in  den  gronde  der 
watere,  69. 

APOINTEMENT,  znw.  o.,  {r.appointement.Ygl. 
Duc.  1 ,  133.  Schikking  of  regeling ,  tot  bijlegging 
van  een  geschil,  déuUng ,  VI.  Bijmk.  5892 ;  in  den 
tekst  verkeerdelgk  capoytement.  Zoo  ook  Wiel. 
Instr.  art.  57,  80,  207,  253 enz.  Vgl.  Taalzuiv.  104. 

APOINTEREN  (apoynteren),  zw.  ww.  bedr. 


Ofr.  appometer  (La  Cnme  2,  73).  Een 
vereffenen,  bijleggen.  \\  Soe  mochte  de grave hoideo 
tretp  metten  coninc  omme  apoynteren ,  Vl.lUjmkr. 
6946.  Ende  die  grave  al  binnen  den  jaere  dede 
beede  stille  ende  openbare  versonc  doen  leeie 
neerenstelike  an  den  coninc  van  Vranckerike,  om 
tapoynteme  binnen  der  tyt.  Maer  hine  coDSte 
....  pays  ghecrighen  noch  acort,  6975.  Dier 
hi  alle  cue  discoorde  apoynteerde  ende  brochte 
tacoorde,  9243.  Zoo  ook  Wiel. /m^.,  art  58 en 215. 

APOLLIJN  (appollijn),  znw.  m.,  ofr.  Apolïk 
(La  Curne  2,  26).  Apollo,  doch  in  *t  algemeen 
geldende  als  benaming  van  een  afgod  of  vtlsclieii 
god  van  heidenen  en  Sarracenen.  ||  „Wat  gode 
meenstn?"  sprae  die  Sarrasgn,  „du  weeU  wd 
dat  maer  vier  gode  en  sijn,  Mahomet,  Terragua 
ende  ApoUgn  ende  Jupiter,  dits  waerheit  fijn," 
Lanc.  Il,  1997.  Gebenedyt  so  moetti  sgn  Tai 
Apolline,  van  Jupiterre  ende  van  Jovine,  Cm. 
116.  O  Tervogant  ende  Apolijn!  Esu.  406. 
O  Mamet  ende  Appolijn,  Mahoen  ende  Terrogia, 
594.  Ie  souts  hem  danken,  bi  Apoiyn!609.— Zoo 
ook  Maleg.  772,  776;  Huge  v.  Bord,  bl.  43,68, 
59;  enz. 

APORTE,  znw.  m.,  mlat.  apportus,  ofr.«pporf. 
Vgl.  Roq.  en  Duc.  i.  v.  Vrijwillig  gescieü, 
offerande  aan  geestelijke  gestichten  of  personen.  |i 
Van  den  appoorte  van  S.  Baselis ,  Invent.  v.  Brvgft 
4,  419;  420;  1,  303.  Alle  tappoort  ende  inconutes 
ende  andre  devote  ghiften,  aangeh.  Gloss.  Invent. 
V.  Brugge  op  Aporte. 

APOSTAET,  znw.  m.  Afvallige,  renegaat.  YgL 
Wielant ,  Instr.  Gloss.  en  de  daar  aangeh.  schr$?en. 

AP08TATEREN,  zw.  ww.  onz.  Ofr.  aposteter 
(La  Cume  2,  29).  Afvallig  worden,  het  geloof 
verzaken ,  of  wel ,  het  kloosterleven  verlaten.  ||  Snde 
alsoe  souden  si  beide  apostateren  ende  dwasen,eide 
hair   slot    ende  hare  celle  verliesen, Ruusbr. 4, 89. 

APOSTÉLE,  znw.  vr.,  hetzelfde  als  fr.  «pw^Ufa, 
van  a  en  post  illa ,  in  *t  mlat.  verklaring ,  noot  (vol- 
gens Diez ,  Scheler,  Littré ;  volgens  Mtlnchen  vanGr. 
anoaxok^)-  Kantteekening ,  naschrift,  ook  eoHk- 
veling  aan  eene  petitie  of  eene  memorie  toegevoefi, 
libellus  dimissarius,  schrjven  over  een  appel  door 
den  rechter  in  eersten  aanleg  gericht  albi  dien  ia 
hooger  beroep  (Vgl.  N.  Milnchen,  Das  Kaaei 
Gerichtsverf.  I,  534).  Meermalen  meiapeeliz.tll) 
verbonden.  ||  Orconden  die  over  tapeel  ende  die 
apostelen  stonden,  Invent.  v.  Brugge  2,  303;  loo 
ook  305,  en  3,  239. 

APOSTEME  (apostome,  apostume),  nir. 
vr.  Lat.  apostema,  y9Jidnó<Ttrjfta.  Gestoei.  ||  Onder 
tiden  worden  daer  naer  opblasinge  in  matrix  daerende 
apostemen  van  diverser  manieren,  M  en  Vr.Hnn^ 
1843.  Ende  es  daposteme  banderside ,  so  es  si  ia 
den    rugge   tien   tide,    1861.    Men    heeft  vondea, 

een    aposteme  ....    groot    onder   die 

levere  sgn,  die  hem  die  dood  heeft  ghegevea, 
Brab.  F.  VII,  17723.  Dander  seide,  hy  hadeeaea 
boom  int  lij  ff;  de  derde,  hy  had  een  apostome ... . 
des  hy  alle  meesterien  liet,  Saer.  1282.  Van  m 
aposteme ,  1848.  Welc  de  saken  sgn  der  apostemea, 
1866.  Die  aposteme,  1936.  Morisses  de  surgiea 
onderwint  hem  te  ghenesene  wonden  ende  apostomea 
ende  sweeren  met  sine  salven ,  Livre  d.  Mest.  82.  — 
Ook,  met  wegwerping  der  «,  posteme.  ||  Es  de 
posteme  van  couder  saken,  M.  en  Vr.  Heim.  190- 
Es  dat  de  posteme  inwert  ga,  1932.  —  Spreekw.  || 
Twee  moey selen  maeeken  een  aposteme,  twee  ver- 
drietelgkheden  maken  een  gezwel,  zgn  «oo  erg  als 
een  gezwel,  Spreuken  63. 


437 


APOS. 


APPE. 


438 


APOSTEMEREN,  zw.  ww.  oile.  Ofr.  apoteumer^ 
apottémer  (La  Game  2,  33).  Een  gezwel  worden^ 
zweren.  \\  Dese  {dura  mater)  mach  wel  ghewont 
8||d  ende  si  mach  wel  apostemeren  ende  ghenesen 
Bonder  meskief  van  den  live,  Jan  Tp.  38.  Ende 
dora  mater  wert  ghewont  ofte  geapostemert,  39. 
Ende  eist  sake  datsi  (die  cullen^  s^n  beede  ghe- 
apostemeert,  soe  sal  men  laten  in  de  rechte  side,  191. 

APOTEKE ,  snw.  m.  Behalve  in  de  bet.  van  apo- 
theek^ winkel^  ook  voor  \ïet  gewone  apotecarijs.  Apo- 
tAeker,  arteenijbereider  (zie  het  volg.  Art.).  ||  Want 
en  es  philosophe  no  prophete,  noch  ander  meester 
no  apoteke,  si  en  dichten  alle  ende  scriven  van 
der  wonderlicheit  der  wiven.  Van  den  toipen  102. 
Vgl.  Apteke. 

APOTECARIJS  (apotecaris,  apoticaer,  apo- 
TiCARis),  -iee^  snw.  m.  Lat.  apotheearitie.  Apotheker^ 
artsenijbereider.  ||  Die  namen  van  cmde,  diere  in 
sijn,  sal  ie  ju  nomen  in  Latyn.  Die  kennesse, 
also  alst  waer  es,  sal  kennen  elc  apotecaris,  Nat. 
BI.  III,  1510.  Apotecarise  selen  di  wel  dat  rechte 
wisen  sonder  fel,  1571  (var.  apoticaren).  Een 
serpent,  .  .  dat  apotecarise  vaen,  ende  hondent 
in  nare  apoteken,  VI,  586.  Vgl.  apteker. 

APOTICARIE,  znw.  vr.,  mlat.  apotAecaria  (Dnc. 
1,  525).  Apotheek.  \\  Hl  sende  ter  apoticarien 
omme  dit  navolgende  pulver,  Jan.  Yp.  48. 

APPATISSEMËNT,  znw.  o.,  mlat.  appatissa- 
mentiém ,  appatiamentum  (Dnc),  ofr.  apatiseement 
(Roquef.),  vgl.  apaticher^  eig.  levensvuddelen  op- 
brengen.  Schatüng^  geldheffing.  \\  Eenighe  appatisse- 
menten ,  dat  eenighe  van  den  edelen  vassalen  hebben 
ghepoint  np  de  inwonende  van  haerlieden  landen, 
Invent.  v.  Brugge  6,  405. 

APPEL  (apel),  znw.  m. ;  verkL  appelkijn, 
zie  ald. ;  ohd.  aphul^  apfal,  ^pfll\  mha.  ap/el; 
mnd.  appel.  Zie  verder  Kluge  9.  Appel.  1)  Appel, 
de  bekende  vmcht.  ||  Die  dese  apple  droghe  name , 
ende  droghe  leide  sonder  lacht,  Iljaerso  blevegoet 
die  vrucht.  Nat.  BI.  VIII,  552.  Si  gheven  hem 
appel  haerre  som.  Rein.  II,  5118.  Mit  appelen, 
peren ,  5165.  Enen  appel ,  die  fijn  gouden  was ,  5502. 

2)  Appel  van  het  zwaard ,  ronde  knop  boven  aan 
het  gevest.  Kil.  caput  manubrü,  vulgo  pomum 
capuli,  II  Josep  dede  na  dese  dingen  dat  van  den 
swerde  was  bleven  bringen ,  den  appel  ende  hilte, 
Lanc,  II,  2255.  Met  enen  slage,  die  hi  hem 
gaf  metten  apple  van  sinen  swarde,  dede 
hine  bloden  harde,  17690,  vgL  12013.  Een  swaerd, 
•  .  ende  die  appel  daer  af  was  een  dire,  precieus 
ende  rike  steen,  UI,  185.  Ende  nam  tswert  bi 
den  orde  in  de  hant,  ende  liet  den  appel  neder 
hangen,  Parth.  fr.  187.  Die  appel  entie  hilte 
bede  waren  root  goudijn.  Wal.  3323.  Name  een 
man ,  diet  proeven  begerde ,  tusschen  appel  ende 
hilte  II  zwerde,  NaL  BI.  I,  480.   Sijn  hilte  was 

Tan    yvore,   die  appel  beril; in    den 

appel  stout  also  Ons  Heren  name  Alpha  ende  O, 
Sp.  IV*,  26,  22.  Die  letteren  .  .,  die  an  den 
apel  gescreven  stonden,  Lane.  III,  254.  Tnscen 
appel  ende  hilte,  III,  7965.  Mettien  heifti tswaert 
gnenomen  tusschen  appel  ende  hilte  wel,  Wal. 
4869.  Een  swert  van  stale , . . .  van  goude  dien  appel 
ende  scoe,  Alex.  X,  1151.  Hi  sette  syn  hant  opten 
appel  van  sinen  swaerde,  Ruge  v.  Bord.  33.  Zie 
nog  Lane.  II,  1917;  Ned.  Proza  127;  Exc.  Cron. 
82«;  Fyr.  en  Th.  322. 

3)  Appelvormig  tieraad  boven  op  tenten,  bekers 
enz.  II  Ende  reet  ten  pawelgioene  van  sindale  .  . 
opten  appel  sach  hi  staen  een  vliegende  serpent , 
»    •    .   .   .   wel    ende    subtiellike    gewracht    van 


goude,  £anc.  Il,  5553.  Ende  hi  den  drake  liegende 
verstoet,   die  opten  appel  van   der  tenten  stoet, 

IV,  6206.  Den  appel  van  der  tente  boven  mochte 
men  wel  te  rechte  loven,  Fragm.  Car.  193.  Boven 
den  appelen  daer  saten  [diere] ,  lione ,  draken , 
voghelkine,  Farth.  398.  Niemene  mochte  deeren 
venQu,  waert  in  dranke,  waert  in  ate,  die  dronke 
utien  dieren  vate  .  .  ;die  appel  was  een  carbonkel- 
steen ,  599 — 610.  Eene  tente  .  .  met  al .  .  datter 
toegaen  zei  ter  goeder  trauwen ,  uutghedaen  schilde, 
vanen  ende  appelen,  Diericx,  Mém.  2,  147. 

4)  Appel  boven  een  helm ,  kroon ,  spits  van  een  toren , 
enz.  II  Die  hoet  moet  een  appel  draghen ,  die  de  verwe 
hevet  ane  na  der  lappen  ghedane ,  Claghe  268  (Qelre, 
Wapenb.  65).  Daer  boven  moochdi  grote  meestrie  an- 
den  appel  {v.  d.  toren)  sien,  een  diere  werc ,  Flor.  2397. 

APPELBLOESEME,    bnw.     Als    appelbloesem, 

vooral  van  eene  aldus  gekleurde  fijne  lakensche  stof, 

II  Eene  flaen  appelbloeseme  brngsche  lakene ,  Invent, 

V.  Brugge  5,  133.  Vgl.  bloeseme. 
APPBLDACHTICH,    bnw.  (eig.    appelachtich?) 

Met  de  natuttr  van  den  appelboom,  in  H  alg. 
van  den  ooftboom,  vrttchtdragend.  \\  Appeldachtich 
hout,  draghende  vrucht,  Hs.  v.  1348,  125^. 

APPELGARNATE ,  -gernate  ,  znw.  m. ,  elders 
PUMEGARNATE  geheoteu  (z.  ald.),  thans  granaat- 
appel. Lat.  malum  granatum  of  punieum.  \\  Een 
appelgamate,  D.  B.  Exod.  38,  33;  vgl.  mY.  appel- 
garnaten,  ald.  Num.  20 ,  5 ,  maar  ook  appelengamaten 
en  appelen  van  garnate ,  Exod.  39 ,  22  vlgg.  Oeiyc 
enen  appele  gernate ,  Ruusb.  1 ,  196. 

APPELGRAÜ.  Zie  appelvaer. 

APPELHAC.  Kil.  y eins,  j.  appelman,  pomarius* 
Zie  Hac. 

APPELKIJN,  -kine,  znw.  onz.,  appeltje,  in 
den  zin  van  kleinigheid.  ||  Die  scalc  merct  ende 
jaghet  talre  stont  om  sijn  voerdeel:  mocht  hire 
an  winnen  gheheel  een  appelkijn,  et  ware  verloren 
al  datmen  hem  dede  te  voeren ,  Nat.  BI.  III ,  993. 

APPELCOPER.  Zie  appelmangere. 

APPELMANGERE,  znw.  m.  Koopman  in  appelen, 
Brab.  T.  Dl.  2,  bl.  607.  Zie  Mange RE.  —  Elders 
APPELCOPER  geheeten,  b.  v.  O.  B.  v.  Dordr.2,1. 

APPELTASSEYE,  znw.  vr.  Uit  Appel  en 
Tasseye,  bij  Kil.  Tas-eye.  Moretum:  liium  ex 
lardo,  pomis ,  pyris,  her  bis,  superadditisqtte  ovis 
confectum.  Appelkoek.  \\  De  eyers  dienen  bycans 
tot  alle  spijze  .  .;  men  roerse  metten  engune  en 
metter  pecele :  dan  maect  men  appeltasseyen  metten 
mostaerde,  Han.  H.  224. 

APPELTERE.  Kil.  vetus ,  j.  appelboom.  Zie  Tere. 

APPELVAER ,  bnw.,  mhd.  apfelvar.  Van  Appel  en 
Vaer.  Appelklewrig.  \\  Sine  varuwe  van  den  hare  s waert 
seghet  men  dat  best  ware ,  roet ,  ofte  appelvaer  ofte 
wit ,  Ndt.  Bl.  II ,  1647  var.  (in  den  tekst  appelgr  au). 

APPENDIJTSCAP,  znw.  onz.,  mv.  -scepe,  mlat. 
appenditiae  (Duc.  1,  330);  ofr.  appendices  (La 
Cume  2,  58).  In  het  mv.  die  appendgtscepe, 
de  bijhoorigheden.  ||  Voorts  so  mach  Gherem  .  . 
gaen  eten  ende  drincken  in  mijns  heeren  herberghe 
ten  allen  tyde  als  mQn  geduchten  heere  te  Ghend 
es,  ofte  in  de  appendijtscepen ,  dats  te  wetene  in 
den  cloestere  tsente  Pieters,  tsente  Baefs  ofte  inder 
Byloke,  Diericx,  Mém.  1,  426. 

APPERTISE.  Zie  apertise. 

APPETIJT,  znw.  m.  Van  lat.  appetitus,  fr.  ap- 
petit.  Vgl.  ABETYT.  Trek,  /m*^  in  H algemeen.  ||  Die 
appetyte  der  sinnen,  Boeck  v.  d.  L.  Jhesu  134^; 
elders  ook  in  den  zin  van  ons  eetlust. 

APTEKE ,  znw.  vr.  Hetzelfde  als  apoteke  (z.  ald.). 
Bewaarplaats,  schatkamer.  \\  Costelike  vaten  enoe 


439 


APTE. 


ARBE. 


440 


apteken  des  tarweg,   ynjua  ende  olijs,  J).  B,  II. 
Chron,  32,  28. 

APTEKER,  ZQW.  m.  Hetselfde  als  apoteker 
(e.  ald.).  Kruidemer  ^  winkelier.  ||  Ananlas  was 
eens  aptekers  soon,  i>.  B.  NeAem.  3,  8. 

AFÜLLE.  Zie  Ampulle. 

AQUARIJS,  'ise,  znw.  m.  Lat.  aquariut.  Water- 
man^  een   der   teekenen  yan  den  Dierenriem.   || 

Daer  dn  ghemini   in  sies,  jof  aquarijse, 

M   es  goet  jeghen   den   vierden   rede.   Nat   BI. 
XII    1179. 

AQÜITANCE,  AQÜITEREN.  Zie  acquentanse 

en  ACQUENTEREN. 

ARABI,  bnw.  Ofr.  Arabi  (La  Curne  2,  96; 
Burguy,  Glos».  19).  In  de  uitdrukking:  ors 
arabi,  Arabiich  paard;  bn  uitbreiding  enel  paard, 
renpaard.  ||  C  orsse  .  .  wei  gemaect,  groet  arabi, 
Lorr.  y,  237.  Ende  hiet  hem  halen  saen  hare 
goede  ors  arabi,  Lorr.  fr.  I,  465. 

ARABIJN,  bnw.  Arabisch.  Verg.  het  vorig  art. 
II  C  orsse  sere  lofsam  die  cochtic  in  den  wege 
mijn,  wale  gedaegt,  scone  arabijn,  Lorr.  Y,  304. 
Oii  moet  uwe  Arabijn  hier  laten  ende  u  goet, 
Httffe  V.  Bord.  1 ,  24.  —  Als  znw.:  die  Arabiene, 
de  Arabieren  y  VI.  Rijmk.  2296  e.  e. 

ARANCE  (aryange),  znw.  vr. ;  mlat.  arangia , 
arancium  (Duc.  1,  366);  it.  arancio;  fr.  orange. 
Over  de  afleiding  zie  Diez ,  Mgm.  Wtb.  1 ,  28 ; 
Dozy,  O0«^.  71.  Appel  van  arancen,  arangen 
oranjeappel \  bij  Kil.  aranie-appel.  ||  Winandus 
tot  Campen  gereden,  om  drie  appel  van  garnaten 
ende  vier  appel  v^n  arancen ,  oosten  tsamen  10  guld., 
^ruin,  Bijdr.  N.  B.,  9,  43.  Upten  selven  dach 
gesent  Reyster  messagier  .  .  om  appelen  van 
garnaten  ende  van  aryangen,  Oorl.  v.  Albr.  189. 
Zoo  ook  Barthol.  633a,  646^;  ZVl.  Bijdr.  6,  9. 

ARASTOLOGIE  (aristologie),  znw.  vr.,  mlat. 
arietologia  (Duc.  1, 393.).  Ootterlucie ,  holtoortel ;  aris- 
folocMa.  II  Name  een  wyf  arastologie,  endeleidese 
eenen  nacht  in  haer  poert ,  ende  liete  den  nacht  Uden 
voert,  ghevoelt  zg  des  morghens  soet  smake  in 
haren  mont,  hets  ware  zake,  dat  si  eenen  sone 
hadde  ontfaen,  Vrouio.  Heim.  1207.  Want  aristo- 
logie sekerlike  doen  menstrua  voert  loepen,  1217. 
Een  crnnt,  heet  aristologie,  1614. 

ARAUT,  znw.  m. ,  voor  het  gewone  Heraut] 
mlat.  aralduê,  voor  Aaraldiu  (Duc.  1,  366).  || 
Die  coninc  hadde  een  ghewoente,  alsmen  yemant 
doden  soude,  dat  hl  voer  sijn  doer  sende  een 
araut.  Pass.  W.  68c.  Sy  en  hebben  gheens  arauts 
te  doene,  dien  ewelijck  lof  ghenoech  is,  Vaderb.  203^. 

ARBEIDELIJC  (arbedelijc),  -like,  bnw.Mnd. 
arbeidelik.  Moeilijk,  moeitevol ,  kommervol,  zwaar. 
Zie  Arbeit.  ||  Dat  dat  leven  ons  Heren  Jhesu 
Christi  .  .  alsoe  seer  strenghe  ende  arbeidelic 
geweest  heeft,  Ruusbr.  3,  112.  Nochtans  bleef  hl 
uut  gewoonten  doende  snode  ende  arbeydelijcke 
wercken ,  als  mist  te  dragen  op  berryen ,  te  graven , 
Bxc.  Cron.  S7d.  Na  .  .  veel  arbeydelike  strijden 
tegen  den  heydenen,  116c.  Die  .  .  alleen  neder- 
clam  in  der  nacht  van  den  arbedeliken  berghe 
met  sincn  bloten  voeten,  if*. 80,/. 87^. Wi hebben 
arbeidelike  wegen  gewandert,  D.  B.  Boec  der  W.  6, 7. 
Dat  ware  onser  crancheit  al  te  arbeydelic  te  be- 
wisen,  Bern.  S.  72c.  Een  arbeidelick  ende  een 
pijnlic  leven,  187*.  Een  wech  die  temael  zeer 
arbeidelic  ende  .  .  sorchgelijcken  is,  1343.  Die 
gherechticheit  schynt  nu  wat  arbeidelic  te  wesen, 
Bern.   JT.  86*. 

ARBEIDELIKE  (arbedelike),  bijw.  Op  eene 
moeilijke  wijze,  met  moeite.  \\  Want  hl  meer  gheloeut 


wort    die    langhor    ende   arbeideliker    ghestredeR 
heeft,   Hs,   van  1476,  aangeh.  bij  Oudem.  1,  237. 
Wilt  gedencken  hoe  arbeidelic  gi  mi  gesocht  hebt, 
Rosarium  Ms.,  aangeh.  bij  Y.  Hasselt  op  Kil. 
ARBEIDEN  (aerbeiden  ,  arbeden  ,  aerbedek, 

ARBIDEN,  ARBEITEN,  AERBEITEN),  ZW.  WV.  OU. 

en  bedr.;  in  den  verl.  tyd:  arbeidde  en  êrheiiit. 
Mnd.  arbeiden.  In  beteekenis  geheel  overeenstemmend 
met  lat.  laborare. 

1)  Onz.  —  1)  Arbeiden,  werken,  in  bjzonden 
toepassing,  veldarbeid  verrichten.  ||  Nn  vantmen 
vele  kockinen,  die  arbeden  noch  pinen  en  wonden, 
mer  ledich  gaen ,  Lsp.  1 ,  36 ,  7.  Dat  si  tu 
haers  selfs  moghen  leven  sonder  pinen  ende  arbiden, 
Lsp.  III,  1,  20.  Andre  vor  u  arbeitten  in  dei 
sayene,  ende  ghi  sijt  ghegaen  in  haren  arbeit, 
L.  V.  J.  e.  116.  Ghi  selt  nemen  een  calf  van  diei 
beesten  die  pleghen  te  arbeitene ,  Ruusbr.  1 ,  259. 
Met  dsn  calve  datmen  nemen  moet  van  den  beesten 
die  arbeiten,  2,  26. 

2)  Moeite  doen,  zich  moeite  geven,  sicAinspa^tm. 
II  Ende  arbeitte  in  allen  dingen  om  denRoemsoen 

coninc  te  bringen  ten  naesten  jare  op  Brabant, 
Brab.  T.  YI,  11003.  Maer  hi  arbeitte,  Inde  ende 
stille,  tsier  kinder  behoef,  tot  sinen  wUle  ^e 
kinnesse  te  hebben.  .  .  .  van  der  rechter  oirrien, 
YI,  11406.  Dar  omme  arbeitten  wilen  de  heiligbea 
...  om  dewangelien  cler  te  makene ,  L.  v.  J.  bl 
2.  Also  dat  ten  lesten  een  bisscop  . . .  mit  hulpe  tu 
mogende  luden  so  nerstichliken  daer  in  arbeide,... 
dat  hi  ten  lesten  den  ouden  n^t  in  die  liant  kreeek, 
Clerc  47.  Grave  Florüs,die  des  speels  gewoen  was, 
arbeide  veel  moerende  bet  dan  yemant  ander,  8i 
Hierom  heeft  die  ram  gearbeydt  te  stooten  met  fiiea 
hoimen  den  leyder  sijns  volcs ,  ende  heeft  gearbejdt 
hem  te  verwerpen,  Ned.  Proza 269.  Ie  wederstaese, 
ie  arbeide  daer  jeghens ,  Stemmen  36.  Ghegeven  dei 
Tsoertruesinnen  .  .  in  aelmoesenen ,  omme  dat  ij 

fhearbeit  hadden  met  bedinghen  over  onsen  ^ 
uchten     heere,     Invent.    v.   Brugge    4,    34.   — 
Arbeiden    aen    enen,    zich    moeite    geven  hi^ 
iemand,    van   hem    trachten  gedaan    te    krijgen.  || 
Die  alle    met    goeder   trouwen   fijn    aerbeiten  is 
menegher   wns   aen   den   hertoghe  Anthongs,  die 
te   harer  beden   wort   beraden,  dat  hi  te  graeia 
ende  te  ghenaden  nam  van  Diest  den  goeden  heit, 
Brab.    T.   YU,  4046.  Als  die  baenrotsheeren  du 
gheware  worden,  .  .  .  des  hertoghen   g^oede  gW 
neichtheit,  aerbeitten   si   entie  goede  steden  aa 
den    hertoghe,    YII ,    4320.    —    Met    tusscen. 
Arbeiden  tusscen  twee,  moeite  doen  bij  twet 
personen   of  partijen,   als  bemiddelaar   er   tutsekei 
optreden.    ||    Die   welke    aerbeite    zere    emsteif^ 
tusschen   beide   die   broederen   rijc,    soe    dat,  bi 
middele  van  hem  ende  wille  beide  der  ghebroeden, 
van    dien    ghescille  ende  van    meer   andere  ont- 
quamen,  Brab.  T.  YII,  3326.  Enege  arbeiten  abt 
seere  tusscen  beide,  dat  die  dingen  so  verre  qoaotf 
enz.,  Brab.  T.  YI,  6608.  Binnen  desen  sende kejaer 
Yrederic    den    aertschbisscop   van    Colen   om  dit 
oirlog  te  dadingen,   dier  so  tusschen  arbeide,  dat 
die  bisscop  van  Utrecht  hadde  IIlc  marck ,  C^erc  57. 

3)  Moeite  hebben,  last  hebben,  if»  moeite  of  led 
zijn,  moede  worden.  In  de  Yulg.  Uibormre.  || 
Roepende  hebbic  gharbeit  vele,  so  dat  hiesck 
es  worden  mine  kele,  Boetps.  27,  7.  Gomt  tt 
my,  ghi  alle  die  arbeit  ende  gheladen  sgt,  tak 
ie  sal  u  hermaken ,  L.  v.  J.  c.  84.  Hine  en  sal  liet 
gebreken  noch  arbeiden ,  D.  B.,  aangeh,  bij  Ondem. 
1 ,  237 ,  en  zoo  meermalen  ald.  ter  Tertaling  tu 
\sX.  laborare,  9Xs  Jesaia  40,   28;  30;   31;  /ifmk6, 


üi 


ARBE. 


ARBE. 


442 


11;  45,  3;  JoHa  4,  6;  en».  —  Arbeiden  in 
arbeide  van  kinde,  in  banntnood  tijn,  \\  Doe 
een  w^jf  lang  in  arbeide  van  kinde  ghearbeit 
hadde,  Et.  88,/.  ö6«. 

II)  Bedr.  —  1)  Enen  arbeiden,  iemand 
pijniffen,  folteren,  kwellen.  \\  Soe  heeft  men  ..die 
persene  die  van  Bmessele  ...  te  Lovene,  t Ant- 
werpen ghevoert  waren  in  der  ghevanghenessen , 
ende  elswaer  op  die  slote  hier  ende  daer,  besocht, 
gheaerbeit,  .  .  .  swaerl^c  ghepijnt,  soe  dat  si  ende 
elc  van  hen  bekinden  daer,  Brab.  T.  VU,  12271. 
Metten  dieneeren  des  heeren  wert  hi  daer  na  cortê- 
like  ghepijnt,  ghearbeit  swaerlike,  YII,  16162. 

2)  Enen  arbeiden,  iemand  pijnigen,  kwellen, 
hem  leed  veroorzaken.  \\  Spreke  ie  wort  dat  diarbeit, 
ie  wils  hebben  scame,   Wap.  Rog.  .60. 

ARBEIT  (aerbeijt,  arebeit),  -^^i^,  doch  ook 
'bette',  ook  arbeide  ,  arbeoe  ,  snw.  m.  (en  soms  vr.) 
Ook  in  de  verwante  talen  is  het  geslacht  zoowel 
m.  als  vr.  en  onz. ;  got.  arbaiths  vr.,  ohd.  arbeit 
vr.,  mhd.  arbeit  vr.  en  onz.,  nhd.  arbeit  vr. ;  osaks. 
arabkéd,  arbkéd  vr. ,  arabkédi,  arbhédi  onz.,  ags. 
earfódh  vr.  (Ettm.  30);  mnd.  arbeit  m.  en  vr., 
onl.  arbeit  vr.;  arbeithi,  arbeidi  onz.,  ofri.  arbeid, 
arbed.  In  beteekenis  overeenstemmende  met  lat. 
labor.  Zie  Grimm,  Wtb.  1,  538  en  Klnge  9. 

1)  Arbeid,  werk,  in  bnzondere  toepassing  ook 
ve  laar  beid.  \\  In  mstene  of  in  aerbeide,  ^«nm.  893. 
Kindre  die  arbeits  moeten  plien ,  Denkm.  3,12, 
271.  Mer  mi,  die  men  ter  arbeit  dwinct,  die 
Backen  te  draghen,  te  lopen,  te  driven,  hi  en 
sonde  niet  mit  hem  viven  den  arbeit  doen  in  enen 
jaer ,  Rein.  II ,  5700.  Hier  omme  sgn  selke  menschen 
.  .  hen  selven  te  hart  in  Igfleken  arbeite ,  Ruusbr. 
1 ,  245.  Dat  zj  hem  generen  mit  koyen  ende 
paerden ,  ende  mitten  arbeyt ,  Inform.  362.  Nochtan 
so  offeres  menech  gebed  voer  den  riddere  ende 
arbeit  daer  met  Onsen  Here  te  menigher  stont, 
Ckriei.  1041  (In  den  Lat.  tekst:  „Maltas  tamen 
preces ,  laboret  et  vota  pro  milite  Domino  obtulit"). 

—  Enen  in  arbeit  (arbeide)  honden,  aan 
het  werk  houden,  in  beweging  houden.  ||  Dese  hilt 
met  siere  vromicheit  de  stad  in  selkenaerbeit,dat 
niemen  en  conste  nutghevaren ,  lAmb.  YII ,  45.  (Die 
minne)  rust  ende  hout  in  arbeide  die  werelt  al 
Bonder  verbliden,  Parth.  7809. 

2)  Moeite,  inepanning ,  ^it  iemand  zelf  aanwendt. 
11    Mettes  minscen  arbeide,  Lanc.  IV,  26.  Dat  was 

arbeit  verloren ,  Bein.  II ,  6364.  Daer  om  so  vloegh 
si  sonder  arbeit  met  haren  lichame  doer  de  locht , 
Chritt.^Vi.  Eenen  man  die  eenen  boom  ter  aerden  wilde 
vellen ,  houdende  {houwende)  met  eender  bilen  so  dede 
hi  groten  arbeyt,  Kuge  u.  Bord.  17.  Si  deden 
gTOoten   arbeyt   om   Astermant   te   verlossen,  72. 

—  Met  (groten,  groter)  a r heide, met (groote) 
moeite.  Alse  dus  die  vrouwe  was  ontfloen  al  heyme- 
like ,  als  ie  seide ,  quam  si  doe  met  groten  arbeide 
tote  Doevere,  Yelth.  1 ,  48 ,  44.  Al  brochte  Brune 
dat  hooft  uut  met  aerbeide  ende  met  pinen,  Bein. 
I,  742.  Met  groten  aerbeide  hi  ontran,  Sp.  IV', 
18,  36.  Dat  ie  met  arbeiden  hadde  gheleert, 
dat  es  mi  al  bi  u  ontkeert,  Parth,  2217.  Soe 
dat  hi  met  ^ter  arbeide  te  Scaveloen  gereden 
qnam,  Lanc.  Il,  41852.  Die  welcke  ghewan  eenen 
-wagen  met  arbeide ,  Brab.  T.  VI ,  9140.  Sy  voeren 
mit  arbeyde,  Serv.  II,  1405.  Hi  werp  hem  opsijn 
paert  met  groten  arbeyt,  Huge  v.  Bord.  72.  Daer 
na  hebben  sy  t  met  groeten  erenste  ende  met  groeten 
arbeite  gheleert,  Ruusbr.  1,  230.  Ende  staert 
sonder  arbeit  in  die  oppenbaringhe  der  ewegher 
waerheit,  2,  127.  —  Ook  in  bijzondere  toepassing 


meestal  met  cott  en  anxt  verbonden,  inepanning, 
die  iemand  moet  aanwenden  om  aan  eene  verplichting 
te  voldoen.  In  de  uitdr.  op  sinen  (haren  enz.) 
anxt,  cost  ende  arbeit,  terwijl  de  risico,  de 
koeten  en  de  moeite  voor  zijn  rekening  blijven.  Ygl. 
onze  uitdr.  moeite  noch  koeten  sparen.  ||  Zie  voor- 
beelden op  Anxt  1^). 

3)  Moeite,  overlast,  die  iemand  van  anderen 
ondervindt.  ||  Dat  verraders  tonehe  seit  brinct  in 
meneghen  aerbeit  dicke  meneghen  goeden  man, 
Limh.  YIII ,  357.  Sine  doen  ons  sulcke  aerbeit , 
dat  ons  die  vaert  wert  leit.  Brand.  1801.  Twi 
daetstu  mi  desen  arebeid,  dattu  mi  weckets  uter 
doot?  Rijmb.  9688.  Al  eist  dat  die  weerelt  staet 
ende  die  onlede  der  dinghen  gaet  by  arbeide  onder 
die  aventure,  Denkm.  3,1,11  („JAcet  omnium  rerum 
mundanarum  status,  et exitus negociorum  sub  fortuna 
laborent,"  Ep.  Bern.  in  Benkm.  3,  400). 

4)  Moeite,  leed,  verdriet,  smart, pijn, dïe\em9iSidi 
lijdt.  II  Mocht  ie  versterven,  so  en  soudic  niet 
bederven  in  dus  meneghen  aerbeit.  Brand.  1395. 
Hi  doget  swaren  arbeit,  Lanc.  II ,  43991.  Sulc 
waren  sine  arbeide  van  der  smerten  die  hi  ontfinc, 
II,  45374.  Ende  hi  ghedoogde  arebeid,  Rijmb. 
26561.  Ohi  moet  uwen  aerbeit  emmer  ane  den 
cruce  Uden,  Yst.  Bh  2086.  Want  saen  sal  inde 
sijn  van  dinen  arbeide,  Christ.  1630.  (Jalousie) 
doet  leven  met  arbeide,  Rosé,  fr.  253,  274. 
Dat  en  wilse  laten  niet  .  .  no  dor  gelof,  no  dor 
arbijt,  bl.  251,  126.  In  arbeide  seldi  spa  ende 
vroe  dyn  kinder  baren ,  Blise.  v.  M.  324.  In  arbeide 
seldi  van  haer  gevoet  sijn,  331.  Ende  oec  en 
heeft  dit  gevoelen  gheen  arbeit,  mer  grote  vroude, 
Ruusbr.  3 ,  103.  Sonder  arbeit  ende  sonder  utestorten 
van  tranen,  Hs.  v.  1348,  296(r.  Die  rike  God  moet 
u  geleden  ende  betren  uwen  aerbeit,  Perg.  4400.  — 
Yaak  verbonden  met  pine,  rouwe,  leet  enders^. 
woorden.  ||  Mi  stont  te  sine  sonder  aerbeit,  enae 
sonder  sonde ,  ende  sonder  pleit ,  .  .  wel  te  levene 
met  ghemake,  Theoph,  769.  Dus  claghden  si  haren 
aerbeit,  haren  rouwe  ende  haer  grote  leit,  Belg, 
Mus.  10,  92,  91.  Ende  doget  pine  ende  aerbeit, 
Perg.  3852.  Mijn  grote  leit  ende  minen  groten 
arbeit,  Parth.  8314.  Nu  ghenaken  mine  arbeide  (mv.) 
ende  mine  rouwe,  Wal.  7778.  Die  ghevet  troest 
ende  ruste  mede  na  aerbeyt  ende  siechede.  Nat. 
Bl.  XII,  1245.  Torment  ende  doghen,  arbeit  ende 
pine,  Christ.  1621.  Van  sinen  groeten  aerbeide 
ende  van  ziere  groeter  pine,  Benkm.  3,  103, 
62.  Tleven  van  penitencien  ende  in  abstinencien , 
ende  in  pinen  ende  in  arbeite,  OFl.  Ged.  2,  52a. 
—  Arbeit  driven,  rottw  bedrijven,  weeklagen, 
jammeren.  ||  Doe  Judas  dit  hadde  gheseit,  began 
hi  driven  g^ten  aerbeit,  Br/ind.  1459.  Wanttw^f 
drijft  den  aerbeit  fel  in  haers  kints  voertdromen, 
Wap.  Rog.  lil. 

4)  Barensnood,  barenswee.  \\  Want  hare  nature 
es  ghescort  van  groten  arbeide,  so  dat  ghestort 
die  matrice  wert  van  den  arbeide,  Vrouw.  Heim. 
748.  Doe  si  quam  daer  buter  stede,  doe  quam 
der  vrouwen  ar  bede,  Segh.  9541.  Vrouwen  die 
in  pinen  gaen  .  .  hi  cort  haren  arebeyt,  Nat.  Bl. 
XII,  513.  Margriette  ende  haer  kint  beide  sterven 
in  haren  arbeide,  Brab.  T.  IV,  1211.  Het  heeft 
een  vrouw  in  aerbeyt  verlost,  Sacr.  579  (zie  ook 
901).  Als  ghi  den  Hebreuschen  wiven  helpt  in 
den  arbeide,  ende  dietgt  van  den  dracht  toecoemt, 
D.  B.  Exod.  1,16.  Als  die  tyt  des  arbevts  gecomen 
was,  soe  baerde  si  enen  conen  soen,  ÓestaRom.f. 
98a.  —  In  denzelfden  zin:  arbeit  van  kinde. 
II   Claes   Claessoons   wjjf  van  Rotterdamme  was 


443 


ARBE. 


ARBE. 


444 


duer  den  arbejrt  yan  kinde  vijftien  maende  cropel , 
&u;r.  881.  Dese  Margriet  sterf  in  den  arbeyt  yan 
kinde,  Exe,  Cron.  1186.  Doe  daer  Rachel  in  arbeide 
van  kinde  was ,  so  beghonste  si  in  yresen  te  worden 
yan  den  groten  arbeit  van  der  drachten,  D.  B, 
Gen.  35,  16.  Ende  dronghent  (dat  water)  thnns 
toter  stont  dat  hem  aerbeyt  yan  kinde  was  cont, 
Amand  I,  5691  (in  den  tekst:  aerbeyt  van  pinen). 
—  In  arbeide  liggen,  in  barensnood verkeeren. 
II  Ene  jodinne  lach  hier  te  yoren  in  arbeide, 
Belg.  Mm.  10,  340,  1.  —  In  arbeit  (arbeide) 
gaen  (yan  kinde),  in  barensnood  komen  of  zijn. 
II  Want  sin  wgf  in  arbeit  ginc,  Lanc.  II,  40890. 
Soe  waer  yronwe  in  arbeite  geet,  L.  o.  È.  4906. 
Ende  yant  die  yronwe  .  .  gaende  in  g^ete  arbeide, 
Alex.  I,  327  (ir*.).Vronwen  die  gaen  in  aerbeide.  Nat. 
BI.  XII,  603.  Vrouwen  alsi  in  arebeide  ghingen, 
Rijmb.  3414.  Een  edel  vrouwe ,  daer  ie  af  vinde , 
dat  si  in  arbeid  ginc  van  kinde,  Lutg.  III,  935. 
Dat  si  van  pinen  creet ,  als  die  van  kinde  in 
arbeid  geet,  Chritt.  429.  Als  die  in  arbeit  gaet 
met  kinde,  791.  Ie  can  helpen  vrouwen,  die  van 
kinde  in  arbede  gaen,  Ltp.  II,  9,  84.  Dat  si  .  . 
sullen  .  .  anxte  hebben  als  vrouwen  die  in  arbeide 
gaen  van  kinde,  B.  B.  Deut.  2,  25. 

5)  Pijniging^  foltering  op  de  pijnbank.  \\  Wert 
Janne  Chevalier  voorseit  onghebonden  ende  sonder 
arbeit  ghevraeght,  oft  hi  bi  dien  woorde  bleve 
dat  men  hem  segghen  hoorde,  Brab.  Y.  VII, 
16779.  Janne  Chevalier,  ghevraeght  tier  stonden, 
sonder  arbeit  of  pine,  onghebonden,  YII,  16729. 

6)  Hetgeen  iemand  door  den  arbeid  toint^  arbeids- 
loon. II  Die  vierde  (sonde)  is  onthouden  arbeit, 
Matth.  190  (yymerces  detenta  laborum^^^  zie  ald. 
190  en  vgl.  192). 

ARBEITEN.  Zie  Arbeiden, 

ABBIDEN.  Zie  Arbeiden. 

AKBEITSAEM,  bnw.  Hetzelfde  als  arbeidelijc,  zie 
ald.  en  vgl.  hd.  müAéam.  Moeilijk.  \\  Dits  een  harde 
arbeitsam  leven,  Limb.  Serm.  196^.  Dese  wech  es 
jamerlike  ende  arbeitsam,  48^. 

ABCEDIE,  ARCENIE.  Zie  Arsedie,  Arsenie. 

ARCENTIKE ,  znw.  vr. ,  voor  het  meer  gewone 
Artentike  (waarvan  het  misschien  eene  verschrijviug 
of  verlezing  is),  artitike  of  arthritike.  Vau  lat. 
artAriticM,  gr.  ÓQ&Qi'tixóg'  Zie  verder  Arthri- 
tike. JicAt.  II  Ene  olie  .  .,  die  goet  es  jeghen 
arcentike.  Nat.  BI.  VIII,  469  var. 

ARCETER.   Zie  Arsater. 

ARCETRIE.  Zie  Arsatrie. 

ARCH  (aercii,  arech,  erch,  eerch),  -ge, 
bnw.  Mhd.  arcAy  mud.  arcA,  ohd.  are,  arg,  ags. 
earg,  arg;  comp.  argere,  arger,  aerger, 
erger;  superl.  archst,  arechst).  comp.  De 
compar.  van  dit  bnw.  schijnt  veel  gebruike- 
lijker geweest  te  zyn,  dan  de  positief,  en  soms 
als  positief  dienst  te  hebben  gedaan.  Oorspron- 
kelijk laf  en  vervolgens ,  daar  lafheid  bg  de  Ger- 
manen onder  de  groote  misdaden  gerekend  werd : 

1)  Van  personen  —  menschen  en  dieren  —  a) 
Kwaad,  boos,  slecAt ,  gemeen  (van  9JBLrA)',»iecAter, 
booser.  II  Trouwe  scuwet  alle  zaken,  die  den  mensche 
arch  maken ,  Lsp.  III ,  16 ,  45.  Is  hi  vroet  oft  voersie- 
nich ,  soe  segghen  sij ,  dat  hi  erch  oft  loos  is ,  Boeck  v, 
d.  L.  JhesH  129c.  Dat  die  vos  een  moorder  was  ende 
een  verrader ,  ende  argher  niet  wesen  mochte  noch 
quader ,  Eein.  II,  6916.  Die  meeste  ridder  van  licha- 
men ,  maer  die  archste  ridder  daer  bi ,  Lanc.  II ,  5220 
(verg.  5224).  Arger  puten  soene,  Lanc.  III,  17782. 
Lamfroit ,  ergher  puten  sone ,  Jtein.  1 ,  919.  Aerger 
puten  kint,  Ren.  1098.  Aerger  pautenier,  Aiol-fr, 


164.  Arger  dan  een  dief,  74.  Hoe  menighen  scalkea 
quaden  vintmen  noch  aergher  dan  een  hont ,  Rjew.  Il , 
7540.  God  en  maecte  noyt  argeren  hont,  Floeeid 
81.  Hi  ware  erger  dan  een  hont,  diere  af  seide 
el  dan  goet ,  Beatr.  606.  Scame  di ,  mensche, 
in  alre  wijs,  dat  du  aergher  dan  die  heeste  sgs,  I 
Nat.  BI.  V,  9.  Valerius  Maximgn,  die  lichte  niet 
argere  en  mochte  sijn,^.  II*,  9,  91.  Die  de  beste 
wanen  sgn,  sQn  vele  argher  dan  vengn,  TA^opkib 
(verg.  100  en  343).  Die  mensche  es  aergher  dan 
venijn,  Praet  4144.  So  waerstu  aergher  dinae 
quaet,  soudstu  mQns  niet  wel  ghedinken,  4329. 
Du  en  biste  oec  niet  te  argher  dat  men  di  laect, 
Ned.  Proza  246. 

b)  SlecAt,  nietswaardig',  compar.  arger,  slêckttr, 
minder,  leelijker  in  AoedanigAeid.  \\  Ka  is  hier 
Palamedes  doot  ende  menich  coninc  ende  ghenoot, 
dat  is  groet  scade ,  dat  is  ghewes ,  want  alle 
die  werlt  targher  es,  Troyen  f.  1673.  Siet  dat 
ghy  targher  niet  en  sp,  als  ghy  coemt  in  dei 
stryt,  Trogen  f.  167<r.  Dat  ie  op  hem  moge 
proven  oft  ie  arger  hem ,  Lanc.  IV ,  1^6.  Met  sporen 
noepte  hi  sinen  wreen ,  die  niet  vele  arger  en  scheea, 
Ferg.  2343.  Maer  si  leliken  emmer  voert:  so  onder  so 
argher  es  haer  boort.  Nat.  BI.  II,  259  {Nat.  X. 
„qnanto  turpiores  ftiunt").  Ende  es  so  sere  ghe- 
ventjnt,  dat  aergher  engheen  viscb  en  schfat, 
V,  629.  Wi  syn  aergher  in  die  doot  dan  int 
leven,  Sp.  I*,  61,  15.  Ghiis  de  vischcopere  ae 
es  (?)  hem  niet  argher  gheproeft,  Livre  d.  Mest.^ 
(„ne  c'est  mie  pis  prouvés"). 

c)  Gering  van  waarde-,  compar.  arger,  münder 
waard.  \\  Here  her  keyser,  sid^s  nu  vroet,  dat 
ghi  enen  penninc  argher  syt,  dan  hi,  die  al  die 
werelt  w^t  maecte  met  sgnre  moghenthede,  Bslf. 
Mus.  10,  61,  112. 

2)    Van    zaken.   —   a)   Boos,    slecAt ^    verteerd, 
êcAandelijk;   compar.   arger,  slecAter,  ver  keereer, 
scAandelijker.   \\   Dese   scuwet  der   eren  pat,  wast 
soe  moet  int  helsce  vat;  Salomoen  hevel  bescrerea: 
ennes   niet   aerghers   bleven,    Wap.   Mart.    I,  413 
(Bukel.  „m7  pejus  memorare''').  Tarchste  hebben  sy 
meest  voer  oghen,  tbeste  treetmen  onder  die  voet, 
comt   een   man    in   wederspoet,    Hild.    151,    126- 
Want  niemens  sin  in  dogeden  pleget  te  keeme  te 
archsten  wert ,  i^.  II' ,  22 ,  354.  Men  doetse  hangliea 
ende  thooft  ofslaen ,  ofte  sterven  argher  doot ,  Eïsf. 
210.  In  pensde  niet  dat  arch  soude  sgn ,  Cass.  1879l 
Ie  waen  men  selden  heeft  ghehoort  qnader  Terrmet 
ende   argher   moort.   Rein.   II,   3511.    Weder  die 
raet  si  arch   of  goet,  Melib.  1378.  Eest  dal  gii 
spreken  hoert  van  uwen  vrient  arghe  woert ,  Doet 
II ,  1505.  Goet  doens  es  ierst  vergheten ,  ende  argt 
doens  men  nien  verghet,  II,  2300.  Weder  dat  hï 
goet  of  arch  si ,  Limb.  IV ,  600.  U  qaade  verraet- 
nesse,    u  arger    list.    Rosé    ir.    256,     241.    Dat 
wi  dbeste  selen  leven  ende  dat  archste  aelen  vliea. 
Wrake  I,  10.   Arge  scame,  kwade  schande^    Vierde 
Mart.  652.  Dat  ie  tarchste  myen  te  laken ,  op  dat 
ie  dbeste  can  gheraken,  Hild.  154,  135.  Wierevi 
heift  hertze,  zin  ende  moet,  sal  hem  in  aerghiea 
scamen ,  O VI.  Lied.  en  Ged.  58, 24.  Sonder  g-heTeerde 
oft   ergheren    liste,    Brab.    T.   VII,    3182.  —  Ii 
tarchste    leggen,    ten   kwaadste    uitlegden ^   » 
den  slecAtsten  zin  opvatten.  Evenzoo :  op  tarchste 
keren.   ||   Bi  sonderlingere  subtijlheit,  diese  dsa 
in  tarchste  leit,  dat  hi  dat  bi  nide  doet,   ^.  II', 
4,    107.  Si  mochtent  licht  op  tarchste  keren   als 
hem  die  reden  viel  te  lanc,  Hild.  243,  48. 

b)  SlecAt  in  zQn  soort ;  compar.  arger,  slecAier, 
erger,  minder.   \\  Du  best  van  argren  gheloye  daa 


445 


ARBE. 


ARCH. 


446 


Jeroboam,  Sifmb,  12360.  Daer  na  coemt  .  .  een 

rike,  dat   sal   argher   syn,    16340.   Maer  si  sQn 

van  argher  smake  dan  dandre,  Nat.  BL  III,  17. 

Qoade    tonghe    es    quaet    vengn,    ende    argher, 

mochte  si  argher  sijn,  Theoph.  337.   Die  hebben 

tarchste   lot   ghecoren,   HilcL   238,   61.   -^  Den 

argeren  loon  hebben,  de  meeste  schade  lijden, 

va»  de  êUchttte  vuarkt  thuit  komen.  Zie  LooN.  || 

Dandre  hadden  den  argheren  loon ,  Stoke  III ,  603.  — 

Int  arge  overliden,  eig.  ten  slechte  overgaan^ 

d.  L  ernst  worden.  Wat  uten  spelegaet,  .li d  e t  i  n  t 

arge  over.  Vgl.  spel.   ||  Dit  overleden  («i/.  «**.) 

seere  int  erghe ,  reeden  hem  pcCttien  in  beeden  siden 

beede  om   vechten   ende  om  striden,   VI.  Bijmkr. 

6260.  —  Ten  archsten  vergaen,  op  het  slechtst 

uitkomen.  \\   Hoet  met  Artnre  nn  es  comen  ende  al 

ten  argesten  na  vergaen,  Lanc.  II,  45500.  Ende 

het   saen   met   hem  ten  argesten  sonde  vergaen, 

Parth.  tr.   14.  —  Aen  darger  ende  s^jn,  aan 

hêt  slechtste  eind  zijn ,  het  onderspit  delven.  \\  Ende  die 

hem   noyt   tontsiene   plaghen   ende   om   anxte   te 

vlietne,  al  waren   si  aen  darger  ende,  Qrimb.  II, 

1648.  — Aen  darger  boort  sQn,  aan  lager  val 

gip^.  Zie  verder  bg  Boort.  ||  Al  schijn  ie  an  darger 

boort,  ie   wille   emmer  pleghen  voort,  dat  mgn 

voirders  hebben  geploghen,   Orimb.  £1,   1660.  — 

In    tarchste   keren,   ten  kwaadste   keeren,  de 

êleeAtste  uitkomst  bezorgen.   \\  Maer  God  heeft  int 

archste  ghekeerd ,  want  si  wilden  ontfaen  Symoene 

omme  Janne  daer  mede   tontdoene,  Bijmb.  30664 

(Flav.   Jos.   IV,   9,  11:   „Deus  profecto  faciebat, 

Qt  .  .  remedinm  ad  salutem  excogitarent ,  interitu 

acerbins).  — Ten   archsten,  op  zijn  slechtst,  in 

den  deerlijksten  toestand.  ||  Die  ten  erchsten  saghen 

hare   dinghen   voeren   thnnswert   altemale,  Limb. 

II,  1882. 

é)  Slecht,  gemeen,  van  weinig  waarde,  in  zyn 
soort;  compar.  arger,  slechter,  gemeener,  van 
minder  waarde.  ||  Niewer  was  prinche  no  bisscop, 
hine  mochte  nemen  in  sijn  hant  den  archsten  cop 
die  hi  vant,  Parth.  452.  Yan  argher  coppe  men 
dicke  drinct  beede  van  clareite  ende  van  wine, 
dan  nten  arghesten  beckine,  563.  Als  si  dronken 
siin ,  set  hi  tghone  {de  wijn)  dat  Argher  es ,  Es.  v. 
1348,  4:1  b.  Dat  argste  corenlant  dat  men  weet  dat 
es  dat  hete  Libia,  Alex.  YII ,  1784  (Hs)..  Daer  brochte 
Oayn  tarechste  coren,  Bijmb.  855.  Haer  vleesch  es 
argher  dan  der  sciere  (ui.  reigers).  Nat.  BI.  III, 
319.  Hi  nam  eenen  arghen  scoef  onclaer  om  te  offeren 
opt  OQtaer,  N.  Doet.  2647.  Die  haer  proven  permn- 
teren  om  ander  proven  die  arger  syn ,  Frouw.  e.  M. 
II ,  68.  Al  saeytmen  nut  enen  ar?hen  korve ,  twaer 
quaet  dat  dat  saet  bederve,  Hild.  113 , 205.  So  wat 
coren,  dat  bevonden  worde  anders  ende  arger  te 
iw'esen  dan  den  monster  is,  dien  coop  en  sel  van 
^heenre  wairde  wesen.  Leid.  Keurb,  240,  92. 

d)  Dat  archste,  als  onz.  znw. ,  in  den  zin  van 
Mckóde,  nadeel.  Verg.  Lubben  1,  123.  Het  tegen- 
overgestelde is  dat  beste  (z.  Best).  ||  Haer  beste 
te  doen  mit  rade  ende  mit  dade ,  ende  hoer  archste 
te  waemen,  O.  B.  v.  Bordr.  1,  285,  68.  Endesljn 
scade  ende  achterdeel  ende  archste  verhneden  ende 
wederstaen,  Brab.  T.  YII,  10222.  Syn  archste, 
scade  ende  sceemte  weeren,  10240.  Die  houdende 
ende  verwarende  te  haren  bouf  ende  haerarechste 
-rerwerende,  Brab.  T.  Dl.  2,  bl.  425.  Ende  die 
(staf)  helpen  verwaren  te  sinen  behouf,  wel  ende 
^betraawelike ,  .  .  ende  sQn  aerchste  verweren  met 
a.1  minen  vermoghen,  bl.  426.  Te  bliven  wonende 
in  onte  stat  vorseid ,  die  houdende  ende  verwarende 
tonsen  bouf,  ende  onse  arechste  verwerende  naer 


haren  vermoghene,  bl.  429.  —  Op  iemans 
archste  sgn,  op  iemands  schade  uit  zijn,  trachten 
iemand  nadeel  te  berokkenen,  hem  kwaad  te  doen.  || 
En  die  gast  breket  der  stat  ....  Ende  desgeiyken 
breken  alle  die  gene  die  mit  hem  sint  op  onser 
borger  argeste,  Bacer  5 ,  327.  Ende  schiede  daer  een 
doetslach,  soe  verlore  de  gene  die  dat  dede  ende 
die  mede  in  wege  ende  in  velde  weren  op  sgn 
argeste  hoer  lyf  den  heren,  375.  Ende  alle  die 
ghene  die  daer  mede  weren  an  weghe  oft  an 
velde  of  mit  buere  op  sjn  argheste,  die  ver- 
loeren  elc  teghen  die  stad  viertich  pont,  Stadsr. 
r.  Zwolle  47,  1.  Alle  dieghene  die  daer  mede 
teghen  hem  weren  in  buere  of  in  vechlike  op  syn 
argheste ,  die  verloeren  elc  teghen  die  stad  twintich 
pont,  57,  32.  Zie  nog  ald.  63,  48  vgl.  —  Dat 
archste  uten  spele  dragen,  de  schade  uit 
den  strijd  medenemen,  het  onderspit  delven.  \\  Ie 
vruchte  dat  sy  sullen  wele  dat  archste  draghen 
uytten  spele,  Troyen  f.  llld.  —  Int  archste 
8  y  n ,  in  het  nadeel  z^fn ,  het  onderspit  delven.  In 
geiyken  zin:  tarchste  hebben.  ))  Dat  si  int 
begin  int  aerchste  waren,  Lanc.  II,  33533.  Datti 
ridders  van  den  castele  hadden  dargeste ,  III ,  5656. 
ARCH  (A.ERCH,  eRCH),  -ge,  znw.  onz.  Mhd.  ore, 
mud.  arch. 

1)  Kwaad,  subjectief  als  handeling  opgevat,  ^f- 
heid,  slechtheid,  kwaad.   ||    Snelle  voete,  om  dat  si 
aerch  belopen  verre  ende  bi ,  voeten  snel  om  het  kwaad 
op  te  zoeken,  Boet.  1 ,  243.  Seker ,  hadde  striden  arch 
gheweest,  die  goede  liede  in  haren  tiden  en  hadden  niet 
willen  striden ,  Melib.  3119.  Wie  dat  blide  es  om  myn 
sneven,   ghevalt  hem  aerch  {doet  hij  een  misstap), 
magie  dan  leven ,  ie  saels  achten  vele  te  min ,  Belg. 
Mus.  6,  186.  Diegoedeyngle,die8eslaen,al8siyet 
archs  willen  bestaen,  Lsp.  1 , 7 ,  73.  Ende  wroechden 
Cristum    alle   te  samen  van  vele  archs,  van  vele 
,  blamen,   II,   36,-23.   Alsi   soe   verre  syn  comen 
datsi  goet  ende  arch  begomen,  III,  10, 261. Ende 
van   allen   arghe   behoedt.   Boet.  1,  599.  Men  sal 
arch   met  arghe   lonen  niet,  II,  3346.  Noch  oec 
arch    met  arghe   ghelden.    Wrake  I,  266.  Gheen 
arch   en   biyft   onghewroken,   I,  1271.  Doecht  in 
arch   verkeren.   Bind.    77.    Hadde   hi  daer    arch 
in  vonden   iet,    Melib.   598.   Aerch    connen   hoert 
toe    den    vroeden,    omdat  sire  hem   vore   mogen 
hoeden ,  1243  var.  Ende  hadse  als  sgn  kinder lief,  die 
doghet  noch  arch  en  verwerven ,  O  VI.  Ged.  3 ,  135 , 
334.  Tselve  goet  sel  wederkeren  daert  gheen  arch 
en   can   beseren,   56,  251.  Luttic  archs  plach  si 
te  peynsen,  144,  132.  Die  goede  reyne,  die  gheen 
arch  noch   quaet   en   dacht,   MLoep   I,   845.  Die 
goede   syn  op  aller  vrist  sonder  arch  off  zwacke 
list,  1 ,  2467.  Yrau  Hope ,  daer  noit  aerch  in  sceen , 
O  VI.  Lied,  en  Ged.  254,  621.  Nochtan  dat  si  gheen 
arch   en   meinden,  Belg.  Mus.  6,  426,  137.  Yoer- 
dachticheit   es   altoes   goet,   soe   waer   men   arch 
met  arghe  loent,  Boerd.  1,1.  Der  werelde  vroude 
en  mach  niet  duren ,  haer  arch  heeft  menich  mensche 
bedroghen ,  Hor.  Belg.  10 ,  78 ,  3.  Yerlose  ons  van 
arghe ,  L.  v,  J.  c.  43.  Ine  bidde  uit  dat  duse  nems 
uter  werelt ,  mar  dat  duse  behuds  van  arghe ,  c.  222. 
Zie   nog  Edew.  1454   (waar  argers  staat,  in  plaats 
van  arges);  Lsp.  II,  36,  24;  III,  3,  516.  —  Arch 
ende  list,  zooveel  als  argelist  \^z.  a^.) ,  Hild.  86 , 
205  e.  e.  —  Sonder  arch  ende  list,  zonder 
booze  oogmerken   of  list,   te  goeder  trouw,  veelal 
aan  het  slot  van  oorkonden.  ||  Alle  dinghen  sonder 
arch   ende   list,   Y.   d.  Wall  379  (a.  1401).  Om 
anxt  van  uwen  live  noch  om  gheenrehande  saken 
sonder  enich  arch  of  lyst,   Over  ijs.  Becht,  V^  83, 


447 


ARCH. 


ARCH. 


448 


Alle  dingen  sonder  arch  ende  Hst,  O,  K.  v. 
Dordr,  25 ,  60  e.  e.  —  Spreek w.  ||  Men  mach  weJ  ghe- 
nouchelick  tijn  tonder  ercAj  men  kan  wel  vroolijk 
zijn  zonder  kwaad  te  doen,  Spreuken  87. 

2)    Kwaad ^  objectief  opgevat,  als  bejegening.  || 
Als   die    knechte    worden   gewaer,  datsi  ge  wapent 
syn  .  . ,  wistensi  wael ,  datsi  ombe  arch  waren ,  Merl. 
28167.  — Vooral  in  de  uitdrukkingen:  Enen  arch 
doen,  iemand  hoaad  doen.    \\    Men  mach  gedoden 
niet   den   dwerch ,    noch   oec  gedoen  engeen  arch , 
Lanc.   III,    24852.    Anders   hi   hem  geen  arch  en 
dede,  Grimb,  II,  2407.  Tspere  op  die  plate  brac, 
soe  dat  hi   hem   geen   aren    en    dede,    II,  2594. 
Noch  die  hem  noit  arch  en  dede ,  Lsp.  1 ,  27 ,  57.  Heeft 
u  die  viant  arch  ghedaen  ?  //&r.  Belg.  10, 194.  Sint  dat 
ie  sach  dat  mgn  Here  Judas  cusdeansinen  mont,  dien 
vercoft  hadde  om  dertich  penninghe,  .  .  so  en  be- 
gheerde  ie  nie  wrake  van  arch,  dat  men  mi  dede,  Stem- 
men   125   {GeeU.   L.   14r).  Ende  hi  op  dien  daghe 
niement  arch  ghedaen  en  hadde,  Nijh.  1 ,  149  {a.  1313). 
Bat  si  hem  niet  verweeren  mochten ,  noch  in  geenre 
wQs  en  mochten  erch  doen ,  Matth.  ^»a/.  3 ,  101. — 
Arch  seggen  of  —  spreken,  kwaadspreken.  \\ 
Al  seide    hi  voor  u  goet  nu,  hi  seide  licht  arch 
achter   n,   Ltp.   III,  3,  251.  Al   vintmen  nyders, 
die  .  .  arch  van  hem  te  seggen  weten,  Hild.  86, 
182.  Ende  van  niemant  arch  en  sprake,  MLoep  I, 
3179.   Te  spreken  arch  van  goeden   dinghen,  II, 
449.  Ende  spreken  arch   mitten   onghelimpen,  II, 
700.    —    In    ar  ge,   zoowel   in    de    bet.  mei  eene 
kwade ^   arglistige  bedoeling^   als  vooral  in  die  van 
in  een    kwaden  zin.  \\  Daer  bi  selen  wi  met  reinen 
sinnen   onsen    evenkersten    minnen,  ende  niet   in 
arghe  clein  no  groet,  Doet.  II ,  97.  Die  sulck  die  heeft 
so  valschen  gront,  dat  hijt  vertelt  in  arghe  voort, 
Spieg,  d.  J.  11,  227.  Ne  verstaet  in  ghenen  arghe 
nu,  Limb.  XII,  1142.   Gine  selt  int  erge  niet  ver- 
staen,   Qrimb.   II,  5402.  —  Iet  in   arge   ver- 
manen,   van   iets    in    een    kwaden  zin  gewagen  of 
spreken^    iemand  aan   iets   voor   hem   onaangenaams 
herinneren.   \\   Alse  veete  of  discoort  versoent  es ,  en 
sal    niement  vermanen   des  in  arge,  Lsp.  III,  3, 
1143.  Dat  hys  in  engenen  sinnen  nimmermeer  der 
coninginne  en  sal  in  arge  noch  in  goede  vermanen , 
sint  dats  blive  hoede,  Lorr.  I,  1979.  Ygl.inquade 
vermanen,    Theoph.    (BI.)    536.  —  Iet   in    arge 
keren,  wenden,  nemen,  bevaen,  ontfaen, 
tien,    trecken,  iets    in   een  kwaden  zin  opvatten 
of  uitleggen ,  kwalijk  nemen ,  ergens  kwaad  in  zoeken 
of  vinden ,  er  kwaad  van  denken.  |[  Hi  slaet  van  monde 
op  dat  hi  mach ,  ende  keeret  al  in  arghe  dan ,  Lsp.  I , 
27 ,  12.  Alsmen  des  menschen  weldaet  in  arghe  keert 
ende   ontfaet,  I,  27,  63.  Qoede  dinghen  in  arghe 
keren ,  Teest.  2061.  Ghi  vindet  selden  selck  gheschaff, 
ten  wort  ghekeert  in  schande  ende  arch ,  MLoep  I, 
800.  Dalre  quaetste  dinc  datmen  vint,  dats  datmen 
doghet  in  arghe  wint  (d.  i.  wendt) ,  Melib.  3616.  Si 
custen  dickent,  daer  toesagon  alle  die  ten  danse  gin- 
gen ,  diet  in  arge  nine  bevingen ,  Rosé  1214.  Met  haer 
liggen  spelen  daert  mi  best  af  bequame ,  ende  ons 
niemen  en  sage  diet  in  arge  name,   O VI.  Ged.  2, 
115,   121.    Dat    hi  quame  ende  in  ghenen  arghe 
name,   Limb.   Y,   533.   So  reine  ende  zo  onnosel 
van  zinnen,  dat  s\js  twint  in  arghe  en  toghen  dat 
si  hoorden  of  saghen  mit  oghen,  Lsp,  I,  23,  12. 
Alse    ghi    wel    doet,  en  acht   niet   wie    dat   dat 
in  arghe  tiet ,  III ,  3,  687.  Vele  andre ,  diet  in  erghe 
namen ,  VI.  Rijmkr.  6738.  Dwelc  die  hertoghe  nam 
in  erghe,  Brab.  Y.  VI,  6616.  —  In  arge  van 
iet  bevaen  sQn,  in  het  kwaad  van  iets  verstrikt 
eijn.  II  In  grooten  erghe  van  gheloove  so  was  bevaen 


al  dat  volc,    ....   roaer   sente   Amand   heefUe 
bekeert,  Amand  I,  3178. 

8)    Kwaad,  als  ieit  gedacht ,  als  gevolg  van  eeoe 
handeling  of  eener  geheuriemB.  OnheiJ ,  leed ,  ieisei, 
schade,  ongemak.  ||  (Si)  verbranden  die  dorpe  die 
omtrent  Aken  stonden ,  daer  menegen  af  ghesciede 
erch,  Brab.  Y.  VI,  10965.  Daer  waren  in  zwarea 
erghe   harde  vele  aermer  zielen,  die  daer  brandea 
ende  wielen,  Brand.  638.   Hem  souder  geen  arck 
af  gescien,  Lanc.   III,   16726.  Daer  noch  arch  of 
mochte  becliven,   Lsp.  I,  29,  114.  Die  stad  heeft 
noch  clein  arch,  Limb.  VIII,  94.  Vele  arges  eade 
on  vromen.  Boet.  II  ^^  291.  ü  ne  wert  geen  archn 
ter  tijt,  Ijanc.  II,  24742.  Voor  alle  erch  behuedea 
.  .  .  syns  selfs  slote,  Brab.    Y.   Vu,  2819.   Dil 
hem  bi  wilen  arch  gheschiet ,  die  archeit  gaem  gke- 
dien  siet,  Hild.  35,  211.  Ende  vroe  te  wesen  tiülei 
tiden,   sonder  bedwanc  ende   sonder  aerch,  Belj, 
Mus.    7 ,   321 ,   84.   Noch   aen   maeghden ,   no  ia 
vrouwen,   die  hem   toehoert,   gheen   arcli  begkia- 
nen.     Vod.    Mtts.    1,   339,    75.    Hout   n    gebaere 
over  u   vrient,  sine  hadden   arch  an  u   verdieat, 
ten   zij   zij    u    kwaad  gedaan   en   dus    leed   mam  m 
verdiend  hebben,  Grimb.  II,  5382.Want  kepers  het  {ie 
blirem)  ontwee  brac ,  ende  gheen  arch  en  hadde  tic 
(het   dak);    tswert    oec    in   dien    acoen    heTet    ki 
ontsteken  doen:  nochtan  gheen  arg   en  hadde  de 
scede ,  Natuur k.  765  en  varr.  —  Mv.  arge,  <mAeile^ 
II   Van  den  argen,  die  van  quader  minnen  comes. 
Doet.,    titel    op     bl.    60.    —    Targe    ge  keert 
worden,    vergaen,     tot    onheil,    schade,    enz. 
(voor     iemand)     worden,     slecht    afioopen,     ||    Gi 
vindet   selden   selck   geschaff,    ten    wort    gekeet 
in    schande    ende  arch,  MLoep  III,  800.   Die  on 
enen    andren   bestaet    dinc   die    hemselven  targkc 
vergaet,  Lsp.  III,  20,  7.  Dat  hem  lieden  Terghioc 
te  eerghe ,  VI.  Rijmk.  9472.  —  In  *t  bijzonder  in  dea 
zin   vanjpyn,  letsel,  in  de  uitdr.  arch  hebbei. 
wonden,    kwetsuren    bekomen   hebben,    meestal   mt^ 
een  ontkenning.    ||   Als  hi  die  wonde  hadde  besiei, 
hi  sprac ,  hine  hadde  geen  aerch  van  dien   {dst  hei 
zoo  erg  niet  was),  ende  dat  hi   binnen  acht  wekei 
wesen  soude  gesont  ende  genesen,  LaM4:.  II,817Sl 
Lanceloet   seide:    „Vliet   van  mi,   in   hebbe  gea 
arch."   Doen   seidi :    „Ay   lieve   here ,  gi  donct  m 
doet,  gine  laet  u  beteren  uwen  noet,  II,   36927. 
Ende  hine  hadde  geen  arch  tier  stont  van  dat  hi  ia 
die  scoudre  was  gewont,  Lanc.  II,  4065.   In  hebbe 
gheen    aerch.    Haelt    mijn    swaert,    van     nienve^ 
willic  up  hem  striden.  Wal.  8212.  Daer  of  hadét 
hi   groet  arch,   Segh.  11671  (var.:  Des  ghewmn  ki 
groter  arch,  kreeg  hij  meer  pijn),  — Arch  van 
der   doot   hebben,    doodelijke  wcmden    kehme% 
hebben,  in  doodsgevaar  verkeeren,  eveneens  meeistAl 
met  eene  ontkenning.  ||  Staetdesen  gewonden  ridder 
in  stade ;  vander  doot  en  heeft  hi  aerch  twint ,  heeft  ki 
yemen  die  sijns  onderwint,  Wal.  10110.   Si  danctet 
Oode  an  dien  stonden ,  dat  hi  gheen  arch  en  hadéf 
van  der  doet,  Ferg.  3998. — Zoo  ook  groot  arck 
ontfaen   hebben.    ||    Hets  wonder  hine  had^ 
groot  erch  ontfaen,  tserpent  was  so  fel,  WslI.  681 

4)  Kwaadheid,  boosheid,  gramscht^.  \\  Als  dit 
die  heere  van  Saffenberge  vernam,  soe  wert  k 
met  erghe  beruert,  Brab.  Y.  VI,  2301. 

ARCHANQEL,  znw.  m.  Lat.  archangelsu,  gr- 
dlfX^YY^^os.  Aartsengel.  \\  Michiele  .  .  den  artk- 
angel,  Ltp.  II,  36,  1909.  e.  e. 

ARCHEBISSCOP  (archibisscop),  znw.  in.L«t 

archiepiscopus ,  gr.  d^x^sniaxonog-  Aarisbirteèef. 

II   Den  archebisscop  screef  men  te  hant,  dieoref^ 

bisscop  was  int  lant,  Theoph.  171.  Als  die  mrehe- 


449 


ARCH. 


ARCH. 


450 


bisscop  Terstoetf  177.  Archlbisscop  van  Toiletten, 
R.  V.  TJtr.  2,  86. 

ARCHEIT  (aercheit,  arecheit,  aricheit, 
ARGHEiT,  ercheit),  haercheit,  en  -iiEDE,  znw. 
vr.  Zie  Arch.  Mnd.  archeit, 

1)  Booêheid^  tlechtheid^  ondeuffd,  zonde  ^  kwaad. 
II  Want  haer  Yoersienighe  hoede  heeftse  in  suiker 
doeght   gheset,    datse  alle  archeyt  in  hare  belet, 
Teett  3037.  Ghemende  onderlinghe  tsamen  selen 
hem   dorperheiden  scamen  ende  oec  alder  archeit, 
IheL    II,    1387.   Doet   hi  meer  erchede,  alle  die 
hem  ten  tienden  lede  sijn  belanc,  snllent  becopen, 
Rein.  I,  2537.  Want  darcheyt  waer  sonder  ghetal 
in  allen  steden ,  vroech  ende  spade ,  waeret  dat  men 
gheen   wrake   en    dade,   Melib,   2697.  Wes  sacht- 
moedich  np  de  arecheit  diins  volcs,  Hs.  v.  1348, 
91a.  Arecheit  ende  boosheit ,  133^.  Hare  ongheloyec- 
heit  ende  die  aercheit  haers  herten ,  143^.  Daer  es 
utgesteken  ontfennechede  ende  ingetrect  alle  arc- 
hede,  Zanc.  III,  2181.   Ie  ne  dedo  noit  jeghen  ju 
aerchede.   Wal.  9428.  Wildi  aercheit  al  begheven, 
Rein,  1 ,  2962.  Alle  archeit  es  van  hem  gegaen ,  ende 
heft  alle  duecht  ontfaen,  Cast.  611.  Ende  en  peynsden 
archeit  enghene,  Ltp.  I,  23,  10.  Dat  van  Adams 
kindren  voortsproot,  tooch  ter  archeit ,  1 ,  29 ,  60. 
Ghewroeght . .  van   menigherhande  archeiden ,  II , 
63 ,  26.  Archeit  minnen  voor  doogt,  III ,  8 ,  153.  Ter 
archeit  tien ,  III ,  3, 928.  Dat  ghi  enighe  mensche  ver- 
wit  enighe  blame  ofte  archede ,  III ,  3 ,  1123.  In  der 
tonghen  leit  soe  grote  doeght  ende  archeit ,  Doet.  I , 
368.  Deen  leeft  in  g^ter  vreden ,  dandre  in  groeter 
aercheden,     Wap.    Rog.    1471.    Gherechte    minne, 
daer   gheene  aercheit   en  es  inne,    Rote  C  7017. 
Hoe  es  edelheit  afgevaecht !  archeit  es  naemconder, 
IV  Mart.   321.  Die  valsche  monden,  die  aercheit 
secghen,  O  VI.  Lied.  en  Ged.  397,  39.  Sine  ergheit 
es  sonder  ghetal ,  248 ,  434.  En  wil  niet  te  nauwe 
belouken  aercheit  van  wiven,  Denim.  3,  6,  112. 
Ende  spreket  archeit  ende  quaet,  Stoke  X,  771. 
Te  leeme  dwoert  ons  Heren  den  volke,  ende  van 
darcheit   keren,     Ttt.    BI.    2396.  Noetdorfticheyt 
moeder  van  alder  archeyt,  Melib.  2916.  Meneghe 
grote  archeyde,    die  van  hem  sonde  comé,   Wrake 
II ,  1095.  Ten  joncxten  daghe ,  daer  hy  al  duecht 
ende  archeyt  doomen  zal,    O VI.    Ged.  2,  66,  21. 
Alle  aercheit  van  hem  weren,  Belg.  Mu*.  6,  206, 
646.  Hi   en  was  nie  van  goeden  gronde  die  daer 
archeit  in  verstoet ,  Vod.  Mm.  1 ,  75 ,  22.  Vermomt 
{in   den   tektt'.    vermout)   hi    eneghe  aerchede,  hi 
toentse    in    een    ander    stede,   2,    182,    179.  Die 
doget  laten  ende  aercheit  antieren,  II,  189,  384. 
Den  heren  die  ter  ercheit  sneven ,  D.  War.  4 ,  46 , 
18.    Tsvolcx   haercheit   en   wlllic   niet   meer  ver- 
monden,   bl.    119.    Mids   welken   dien   zieken  de 
dore  upstac ,  daer  hy  ghene  haerchede  in  en  hadde , 
Belg.    Mus.     7,    89.   —    Zie    nog    MeUb.    2366; 
Zep.    II,   22,    12;    Praet   852;   Denkm.    3,    216, 
63;   Rinel.  441;   Amand  I,  1870;    Vad.   Mui.  2, 
161,   161;   172;   172,  32;  MLoep  U,  2197;  Hild. 
6,    64;   33,   1;  66,  276;  84,  162;  169,  13;  179, 
16;  194,  12;  206,  84;  216,  262;  223,30;enz.— 
Aldus  (arecheit)  ook  te  lezen  Yelth.  YII,  27, 
63  voor  treekeit;  zie  Tijdtchr.  1,294.  —  Het  mv. 
archeide,    komt   voor   Lep.  II,  63,  27;   Teeat. 
3602  e.   e.,  in  den  zin  van  ondeugden^  zonden.  — 
In  archeit  verstaen,  keren,   in  een  kwaden 
jein  opnemen  of  uitleggen.  \\  Ie  bidde  u  dat  gh^ t  niet 
in  archeden  verstaet ,  dat  mi  dorperhede  ghevallet, 
die  ie  u  moet  toghen,  Segk.  7660.  Eeneghe  van 
den   commune  keerden  alle  die  woorden  van  den 
0pel6  in  archeden,  Exc.  Cron.  v.  Vlaend.,  aangeh. 


Invent.  v.  Brugge,  Gloss.  236.  —  Iet  in  archeit 
spreken,  iete  zeggen  met  eene  kwade  bedoeling.  || 
Jan ,  dits  minlic  geseit :  dat  ie  dwoort  in  geenre  aerc- 
heit sprac ,  wille  ie  wel  zweeren ,  Wap.  Rog.  1340.  — 
Engene  archeit  bekinnen,  peinsen,  geen 
kwaad  kennen ,  aan  geen  kwaad  denken ,  nog  onschuldig 
zijn.  II  Die  zedich  waer  ende  goederhande  ende 
geen  archeyt  en  bekande,  MLoep  I,  3178  var. 
Eersi  tgebot  braken,  waren  si  van  allen  zaken 
onnosel  ende  van  herten  rene  ende  en  peynsden 
archeit  engene,  Lep.  I,  23,  7. 

2)  List,  bedrog.  \\  Allen  exceptiën  van  archeden, 
van  bedrieghenessen,  van  bedwanghe,  van  ont- 
sienessen,  Invent.  v.  Brugge  4,  220.  —  Sonder 
enige  archeit,  zonder  eenige  kwade  trouw , 
geheel  te  goeder  trouw,  inzonderheid  als  belofte- 
formule in  oorkonden.  ||  Oc  hebben  si  ons  geloovet 
mit  guden  trowen  alsit  biscoepdoem  van  Utrecht 
open  wert  ende  ledich,  dat  sies  sonder  alrehande 
aricheit  mit  ons  bliven  solen,  Oorkb.  2,  158« 
{a.  1278).  Met  witte  ende  met  trouwen  sonder  alle- 
sclachte  arghede ,  260  b  (a.  1 285).  Alle  aercheit  uut- 
gheset,  R.  v.  Utr.  2,  33  e.  e.  Sonder  alrehande 
aercheit,  ald.  69  e.  e.;  enz. 

3)  Ergernis,  gevoel  van  afkeer.  \\  Op  dees  tnt 
so  hebbe  ie  hem  dach  geleit  ende  dan  selgi  mede 
gaen  ende  ondervindent  ende  sient  sonder  ercheit , 
B.  V.  1357 ,  228c. 

*  ARCHERME.  Bedorven  lezing,  Velth.  I,  34, 
70.  II  „Archerme  (in  één  woord.  Es.)  en  besciet 
geen  plardecken.  Al  waenstu  heymelijc  doen  dine 
dinge ,  Hi  (God)  anesiet  al  sonderlinge."  Men  leze  : 
Achermel  en  besciet  geen  plardecken (?),  d.  i. :  ach] 
verbergen ,  bedekken  (?)  baat  niets,  want  God  ziet  toch 
alles;  over  Acherme  zie  Arm,  1  d). 

ARCHETECLIJN,  znw.  m.  Een  als  eigennaam 
opgevat  gemeen  znw.,  verbasterd  uit  lat.  architri- 
clinus,  gr.  oc()/i'r^frxil»yo;t  hofmeester  (Duc.  1, 
377),    en   door  het  verkeerd  verstaan  van  Joh.  2, 

10  (Vuig.  n^t  autem  gustavit  architriclinus  aquam 
vinum  factum")  gebezigd  als  de  naam  van  den 
man,  op  wiens  bruiloft  door  Jezus  het  water  in 
wijn  werd  veranderd:  „Nostre  seigneur  fist miracle 
en  conversion  d'eaue  en  vin  es  nopces  ^ Architriclin ," 
en  in  een  Leven  van  Jezus,  mede  aangehaald  bij 
Duc:  „Archideclin  ot  un  prinche  en  cele  terre  ou 
Diex  estoit,  riches  hom  ert  et  moult  avoit,  .  . 
a  ses  noches  Ten  a  mené,  arcedeclin  Ta  apelé. 
Verg.  Duc.  3,  2öO,opFestum  architriclini. 

11  God  groetu,  die  verblidet  zeere,  dat  God  ter 
brulocht  van  Archetecl^n  bi  uwer  bede  ende  tuwer 
eere  van  watere  wilde  maken  wyn,  O  VI.  Lied.  en 
Ged.  636,  508. 

ARCHYDYAEC  (archidyaken),  znw.  m.  Lat. 
archidiaconuê  (Duc.  1,370).  Aartsdiaken.  ZiQ  lA.o)\ , 
Kerkgesch.  1,  301;  2',  286,  314.  ||  Gregorius, 
also  iet  las ,  die  bisscop  te  Nazanchen  was ,  wiedenne 
te  sinen  archidyaken,  Sp.  II',  66,  3.  Hi  riep 
sijn  archydiake.  Past.  W.  26a.  Dese  archydyaec 
mercte  dyen  dach ,  26*.  —  Gewoonlijk  choerbistchop 
genaamd.  Zie  ald.  en  vgl.  ardsdiaken. 

ARCHIER  (archir,  artsier,  aertsier, 
erchier)  ,  znw.  m.  Fr.  archer  (La  Cume  2 ,  128). 
Boogschutter.  \\  Dat  hi  trac  in  Ingelant,  daer  hi 
vergaderde  te  hant  liede  van  wapine  in  groeten 
getale  ende  archiers  alsoe  wale ,  VI.  Rijmkr.  8229. 
Die  Inghelsche  ordineerden  schiere  voor  hen  alle 
haer  artsiere,  Brab.  T.Yll,  6127,  vgl.  6168.  Met  lieden 
van  wapinen  ende  archiers  met ,  Fl.  Rijmkr.  9904. 
Betailt  van  cost  ende  van  legher,  die  achte  Engelsche 
archiers    aldair    in    vier    weken   gedaen    hadden, 

16 


M 


ARCÖ. 


AtifeS. 


452 


Oorl.  V.  Alhr,  13.  Pieter  Cornualge  voir  scepinge 
Yoir  60  aertsiers  ende  11  glayen,  ende  een  glaye 
ende  11  aertziers,  die  onversout  varen,  141.  AU 
hi  .  .  getogen  was  in  Engelant  om  L  erchiers, 
224,  Ygl.  231.  Een  archier  hadde  eens  al  s^n 
ghelt  verdobbelt  ende  liep  nut  ende  nam  een 
strale,  ende  scoetse  na  Gode,  Ned.  Froza  176. 
Die  Yoerrechter  ofte  artsier  h  eft  die  overhant  ghe- 
honwen ,  Oett.  Ram.  e.  1.  Twee  artsiers  wapenmannen 
.  .  riep  hi  heymelic  tot  hem,  c.  20.  —  Die 
archiers  yan  den  lichame  en  —  van  der 
g  a  e  r  d  e ,  ^  lijfwacht  van  de  Bourgondiëche  Heriogen.t 
wier  werk  door  Olivier  de  la  Marche  in  het 
Batvmarium  aulae  breedvoerig  is  omschreven.  || 
Die  Prince  heeft  62  archiers  onder  (?)  synen  lichame 
.  .  sj  houden  de  wake  deen  na  dandere  voor  den 
Prince.  Zy  behoome  te  geleedene  het  sy  te  voet 
ofte  te  peerde,  Matth.  Anal,  1,  302  (sie  verder 
ald.  301 — 306).  Menich  toerse  op  die  reys  dro- 
ghen  bemende  die  artsiren,  Vertl.  en  Ber.  IV, 
64,  294. 

ARCHIPKIESTER,  znw.  m.  ör.  agzingea- 
pVTBQog,  Lat.  arcAipretbyter y  later  ook  arcipret- 
biter.  Opperprietter.  \\  Archjrpriestcr  van  Segobaten 
(Segovia?),  R.  v,  Vtr,  2,  83. 

ARCHOEN.  Zie  Artsoen. 

ABCHWANICH  (archwenich  ,  archwenech, 
arowenech),  -ege^  -ige,  bnw.  Verdacht  Kil. 
etupieioiuey  êuepieax,  JAnd.  archwanich.  ||  Anearch- 
wenghen  steden  ende  tiden  zolen  die  broedere 
vermiden  die  ghespreke  des  wivesnamen,  D.  Orde 
236.  Negeen  broeder  en  zal  brieve  ontfaen  te 
voeme,  die  van  waren  saken  argwenech  zQn ,  240. 
Of  een  broeder  iemans  brieve  die  vremde  is ,  ende 
niet  en  weet  wat  daer  ane  steit,  of  van  waren 
zaken  archwenech  zgn,  zonder  orlof  draghet  of 
voert,  262.  Nit  lichte  archwenig,  nit  bedragende 
ander  lide,  Limb,  Serm.  27 d, 

ABCHWILLIGBN,  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  arch- 
vilUgen^  hd.  argtoilligen  ^  infestare  (Haltans  62; 
Grimm,  D.  Wtb.  1 ,  660).  Yan  Archwille^  maliguitas 
(Haltans  t.  a.  pi.). 

1)  Enen  —  iemand  hoalijk  gezind  zijn^  hem 
vijandig  behandelen ,  verontrusten,  kwellen^  vijandelijk 
aantasten,  \\  Dat  onse  .  .  alregenedichste  here 
nyemant  archwilligen  noch  te  leder  hebben  en 
sall,  Nijh.  3,  371  {a.  1419).  Ende  so  wie  Stoffen 
ende  Henric  .  .  dair  ynne  behulpelic  sgn,  dat 
sall  ons  .  .  lieff  ende  to  danck  s\jn,  ende  wy  en 
sullen  sy  dair  omme  nyet  archwilligen,  4,  371 
(a.  1440).  Off  die  van  Nijmeghen  .  .  an  onss  off 
an  onsen  vrienden  .  .  mit  gewaldt  ende  mit  on- 
genaden  yet  archwilligende  worden ,  4,  226  (a.  1447). 
Ygl.  ald.  mit  arch  te  overvallen  te  moeticillen. 

2)  Ene  stat  — ,  eene  plaatt  vijandelijk  aan- 
tasten,  overvallen.  ||  Off  ennige  hoiftstat  vurscr. 
dairom  gearchwilliget  wnrde,  dat  soelen  ende 
willen  die  drie  hoiftstede  . .  wederstaen  ende  helpen 
weren,  ald.  334  (a.  1463).  Sijnre  gnaden  lant- 
schappe  van  Gelre  .  .  to  veden,  to  archwilligen 
mit  roiff,  name,  brant,  venckenschap  ind  anders, 
6,  202  (a.  1490).  Oec  en  sal  hertoghe  Anthonijs  . . 
die  slote  enichsins  aentasten,  archwilleghen , 
scadeghen  of  belasten,  Brab.  T.  YII,  2814. 

ARD.  Zie  Aert. 
ARDE.  Zie  Harde. 

ARDEN,  ter  aarde  bestellen.  Zie  Erden. 
ARDEN.  Zie  Aerden. 
ARDEREN.  Zie  Harderen. 
ARDS,   ARDSCFi,   ARTSCH,  bnw.,  voor  aerdsch 
of  erdschy  aardsch,  Franc.  1804,  6227. 


ARDSBISSOOP  (ardsche  bissgop),  znw.  m. 
Aartsbisschop,  ||  Ardsbisscops  doen ,  Sp,  II*,  7 , 6. 
Den  ardschen  bisscop,  II*,  74,  16. 

ARDSDIAKEN,  znw.  m.  Aartsdiaken.  Zie  AaCHi- 
diaken.  II  Oec  beval  hie  tpanescap  sinen  aids- 
diaken,  Sp,  II',  26,  10. 

ARDUÜN,  znw.  onz.  Arduinsteen.  Gewoonlijk  in 
H  mnl.  orduun  genoemd;  z.  ald.  ||  Waer  af  twee 
pilare  sgn  elc  7  voeten  lanc  in  elcke  syde  ende 
voeren  4  voeten  breet:  elcke  laghe  vmn  eenn 
sticke,  ende  van  tween  ghebant  ghevende,  ende 
de  ardone  7  dume  gesteet  voncht  (/.  gestootvoucht), 
Diericx,  Mem,  2,  213  (a,  1414). 

AREBEDE,  AREBEIT.  Zie  Arbeiden  ,  Arbeit. 

ARECH,  Arechst,  Arecheit.  Zie  ARCH,eiii. 

AREM,  bnw.  Zie  Arm. 

AREMBORST.  Zie  Armborst. 

AREMINC.  Zie  Arminc. 

AREN  (AERN  ,  AEREN  ,  ARN  ,  HAREN) ,  EDW.  m. 

Mnd.   om.  Eig.   de  verbogen  nv.  van  eter  (e.  ald. 
en  vgl.    adel-tL&T)^    dat  oorspr.   zwak    verbogei 
werd,  ofschoon  in  *t  mnl.  meestal  sterk:  ]£hd.ar, 
gen.  om.  De  verbogen  nv.  werd  nom.    aren^  ca 
deze  vormde  weder  een  nieuw  mv.  a^me^  aretu, 
aemen    (nog  bg   Yondel,  Foène  1,   127).  Met  de 
paragogische    a    ontstond    nit    dezen     vorm    obs 
woord    arend    (reeds    Lsp.    II,    36,    1660    k<»&t 
har  ent  voor).  Arend  ^  adelaar.  Zie  Aerne  en  veig. 
Aer.  II   Mi  droemde  dat  een  aren  verwonnen  hadde 
twee  sparewaren,  Lane,  III ,  16666.  Een  g:iilden  ares, 
II,  26777;  III,  30791.  Een  gouden  aren  stater  ghe- 
wrocht.    Wal.    3660.   Doe   quam  ghevloghen  eei 
aren,  Troyen  ƒ.  279^.  Yoghele ,  die  achter  alse  left- 
wen  waren,  ende  voren  ghedaen  alstiearen,  Alez. 
IX,  1206.  Als  die  aren  seer  ouds^n.  Nol.  BI.  UI, 
146.  Hi  verhief  hem  als  een  aren,  die  sine  Tloghdc 
scuddet  van  den  naten,  Xfjp.  II ,  36 ,  1660.  Sweyrea 
saghen  sy  daer  den  aren,  Serv.  I,  1920.  Daer  ap 
sal  vlieghen  die  edele  haren,  Denkm.  3,  122,  41. 
Du  heefste  gemaket  van  den  leewe  een  l&m,  ende 
den  wilden  aem  tam,  D.  Var,  4,   619,    129.  Als 
valken  beiten  op  een  aeren,  Hild.  4,  64.  Aemes 
no   griffoenen,    Livre   d.  Mest.  9.  Die  edele  een 
mach    scouwen   die   claerheit  der   sonnen    aonder 
wiken ,  Ruusbr.  6 ,  28.  Opt  huys  daer  die  coninginae 
des   kints   ghenas,   vochten   alle   die  nacht    twee 
aemen,  Ned.   Froza  361.  Die  aem  des    heyligei 
Roomschen  rjcx  grote  vloghelen  heeft  veel  «deea 
vogelkiin  onder  te  besendden,  Clere  10.  Wat  har 
vertoond  was  van  desen  ara,  Xattg.  I,  c.  15  TiL 
Hoe  ie  n  ghedraghen  heb  op  die  vloghelen  der 
aemen,  7>.  B.  Exod.  19,  4.  —  Zie  nog  Lanc.  HL, 
9124;    Wal.  7808;  10320;  Alex.  I,  274,  363;  II, 
302;    YII,    941;    Nat.    BI.    IH,   89,    101,    153, 
168,    188,    196,    1384;   XII,   606,    1231,   1407; 
Rijmb.   20884;   Lsp.  II,   60,   66;  MLoep  U ,  836; 
Rein,  Nal,  384,  16,  30;  Heim,  646;  Franc.  5767. 
—  Ook  de  arend  als  veldteeken  en  in  wspens.   }1 
Walewein  versach  den  aren  blikende  in  den  Boemsca 
standaert,  Lane.  lY,  10024  {Sp,  m*,  63,  82),  Ia 
goude  van  sable  een  aren ,  Rijmb,  28410.  Die  indea 
vr^ch    drouch    den   aren,    dat   was   die   Roeaiaee 
baniere,    Sp.    I«,   6,    10.    Zoo    ook    Wal.    10321; 
Belg.  Mus.    6,    110,   66;   63.  —  Den   aren  af- 
leggen, den  adelaar  als  teeken  van  de  riJJkamiacki 
neerleggen.   ||  Gi  hebt  hier  lange  genoech  gerif» 
om   desen   wijc:  gi  moet  den  aren  afleggen,  dat 
secgic  u,  Yelth.  II,  28,  36. 

AREN,  WW.  bedr.;  de  verbogen  t^den.  koBia 
niet  voor;  doch  waarschgnmk  was  het  'ww.  ia 
dezen  vorm  sterk,  evenals  ohd.  aran^ 


4è3 


AfeEi^. 


AkGÈ. 


454 


gunram  (Graff  1,  402);  mhd.  on»,  ter ^ geam (JLei.&t 
1 ,  96) ;  lat.  orar^.  Het  sterke  (eig.  rednpliceerende) 
«rm  schijnt  reeds   yroeg   door  het  zmr.  eren  ver- 
drongen te   zijn,   gelijk   ook   in   de  andere  Ger- 
maansche  talen   plaats    had,   waar  öf  naast   den 
onderen  yonn  yeelynldig  de  zwakke  voorkomt,  6f 
waar  de  afgeleide   zwakke  vorm   alleen   is  over- 
gehleven.  Zie  verder  bij  Eren.  Ploegen^ bebouwen^ 
bjj   Kil.  Aeren,  eeren,  eren,  errien,  Arare^ 
exarare ,  inarare ,  eolere  agrum.  ||  Ofte  al  tfolc  worde 
Jacobine ,  Minderbroeders  ende  Angustine ,  Sartroyse 
ofte  Clnsenaren,   wie  zonde  tlant  dan  aren,  coren 
winnen  of  ander  vrochte  ?  Lep.  1 ,  26 ,  103. 
ARENBOBST.  Zie  Armborst. 
AREN,  WW.  boeten  voor  iete.  Zie  de  Aanm.  by 
Arnen. 
ABENEN.  Zie  Arnen. 

AREN8TACHTICH ,     AREN8TICH,    ABENS- 
nCHEIT.  Zie  Ernstachtich  enz. 

*  ABEÜSTACHTECH,   verkeerde  lezing  voor 
arenetaekHch,  OVL  Qed.  2,  61 ,  44. 

ABEYEN,  OVL  Oed,  3,  136,  366,  voor  arpen^ 
erven  (trans.).  Zie  Erven. 
ABEST.  Zie  Arrest. 
ABEWETE.  Zie  Erwete. 
ABFHÜBE,  ABFKINT,  ABFNAMB.  Zie  Erf- 
hu  RE  enz. 

ABQELIJC,  'Uke^  bnw.  Slecht.  Mnd.  argelik.\\ 

Hoe  een  hnys  ende  een  celle  argheliker  was ,  hoe 

hy  daer  liever  in  placht  te  wesen ,  He.  88 ,  /.  l^b, 

ABGELIST  (arqelust  ,  argenlist,  ergelist  , 

EROENLIST^,  znw.  vr.  Booze  toeleg^  bedrog^  hoade 

trouw.  II  Over  die  ghene  rechten ,  die  in 

onghelove  waren,  ofte  die mit arghelist int ghelove 
saeyden  twist,  Ltp.   II,   48,   626.    Al   ergenlist 
untghesceiden ,  £rab.    T.   YI,    8371.   Al  ergelist 
nntghescreven ,  YI,   10370.  Al  ergenlist  nntghe- 
seit,  YI,  10737.  Wairt  sake  dat  yement  ..teghen 
den    Engelschen    enich    ghelt    liende    tot    sijnre 
comanscip,  jof  diergheiyc  van  scalkemien  of  arghelist 
dede,  dat  den  gherechte  dochte  scalke  vonde  wesen, 
Leid.  Keurb,  67,  4. — Sonder  (aen)  argelist, 
zonder   kwade    trouw,    te  goeder    trouw,    als   be- 
Testigingsformnle  in   oorkonden.    ||    Ende  sonder 
ergenlist  te  honwen  vast  ende  ghestade,  Srab.  T. 
VI,    1161.    Sonder   ergenlist   of  malengien,   YI, 
1199.    Ie    sal    hem   weder   s^n   ghetronwe    ende 
^hereet   te    sinen    dienste   met   al   miere  macht, 
sonder  arghelnst  in  beden  siden.  Oor  kb.  2,  1346 
(a.    1276).    Dat    wise   onsen    vorseiden   porteren 
eeweliken  honden  willen  zonder  enegherande  arghe- 
list, 2216  (a.  1284).  Sonder  arghenlist.  Mieris  2, 
d42a  (a.  1324).  Soe  gheloven  wi,   op  ons  ende  op 
onse   goet,   hem   dat  hnns  bennen  achte  daghen 
daer   na  te  antwerdenne.  .  .  sonder  enegherande 
arghelist,  Brab.  T.  Dl.  1,  bl.  767  {a.  1326).  Ende 
wanneir  wj  der  vnrscr.  stat  daer  toe  nyetmeeren 
dorren,  dan  sall  Wilhem  vnrscr.  sQn  stat  onbelesticht 
wederomme   hebben,    aen   argelist,    Ngh.   4,   72 
(tf.  1431).  Dat  hem  dair  te  scade  ghedaen  is,  dat 
«allen  hem  die  rade  ghelden  van  der  stede  weghe 
sonder  argheUst,  Leid.  Keurb.  8,  27.  Poirters  die 
mit  vuvsten  slaen  bi  nachte,  die  verbneren  twie- 
scatte  boete ,  die  sel  die  bnrchgrave  alleen  hebben , 
ten  wair  binnen  eenre  vrger  taverne  sonder  arghe- 
list,  22,  34.  Wairt  dat  yement  dese  cnere  brake 
sonder   arghelist,   36,    12.    Diegene  die   pairden 
lionden  of  beesten  npten  stalle  meesten ,  die  snllen 
sonder  argelist,  mit  dat  sQs  behoeven,  mitter  tp 
lioir  behoefte  van  hoey  mogen  inhalen  sonder  ver- 
baeren, 147,  67. 


f       AROEN  (aergen,  eroen),  zw.  ww.  onz.  en 
bedr.  Yan  Arch.  Mnd.  argen, 

1)  Onz.  —  1)  Yan  personen.  Verergeren,  erger, 
minder,  tlechter  worden,  zoowel  lichameiyk  als 
zedelijk.  ||  Ie  bem  siec  sere,  ende  mi  dinct  ie 
arge  emmertoe,  Lanc.  ü,  12618.  Elc  man  mochte 
bin  enen  jare  ende  bi  suiker  spisen  arghen  sere, 
Parth.  2461.  Alle  daghe  so  aerghet  tvolc  ghemeeue, 
O  VI.  Lied  en  Oed.  436,  16.  Wat  doet  die  werlt 
van  jaer  tot  jaer?  Si  boset  ende  arghet,  des 
nemet  waer,  Hild.  266,  11.  Si  {de  zieke)  argede 
van  dage  te  dage,  Lanfr.  96r. 

2)  Yan  zaken. — d)  Verminder  en,  mind^,  slechter 
worden.  \\  Ende  men  seghet  over  waer,  dat  {het 
lood)  min  aerghet  ende  slijt  dan  gheen  metael  in 
langher  tgt.  Nat.  Bl.  XIII,  110.  Ende  merre 
80  ware  m|jn  claghe,  saghict  niet  aerghen  alle 
da^he,  Rote  C,  7786.  Also  dat  die  dgc  arghede 
onder  hem,  ende  tland  dair  mede  ghevreset  worde , 
alse  van  der  vloet  te  gane ,  Oorkb.  2 ,  3933  (a.  1293). 
Alsnlke  bedden ,  deken  ende  slaeplaken  .  .  die 
zullen  wi  hem  alsulc  weder  doen  leveren,  als  men 
van  dane  sceyden  zal,  ten  ware  dat  si  argheden 
van  ouden,  Mieris  2,  2603  {a.  1321).  Zi  zullen  .. 
die  vale  .  .  also  ghoet  opleveren  als  sise  ontfaen , 
si    en   arghen   van    ouden,   342a   (a.  1324). 

b)  Bederven.  \\  Donret,  so  es  al  in  ene  s^n  visch 
te  hondene  harde  qnaet,  want  hi  te  hant  aerghen 
niet ,  Nat.  Bl.  Y ,  994.  Die  alabastre  was  marbrijn, 
daer  gheen  ungement  in  arghen  mach,  Bijmb. 
24962.  Yan  dat  zine  paerde  ghearecht  waren  (door 
de  vermoeienieten  der  reit),  Invent.  v.  Brugge 
2,  186. 

c)  Schade  lijden,  beschadigd  worden.  \\  Si  voren 
danen  doe  dure  ene  glasine  venstre,  die  te  dire 
ure  nine  argede  none  brac,  Lanc.  111,9136.  Sonde 
al  onser  poerten  recht  staen  aen  eens  mans  ghe- 
vecht ,  so  mocht  onse  recht  wel  arghen ,  Stoke  YI, 
606.  Der  mede  (door  het  water)  de  vanten  van  der 
-poorte  beghonnen  waren  arghen  te  zomighen 
placen,  Invent.  v.  Brugge  6,  318.  In  die  40  jaren 
en  waren  n  cleder  noch  n  scnenen  niet  gearcht, 
B.  V.  1367,  71b.  Dat  den  bnsch  bamt  ende  niet 
en  archt,  36c.  (Die  kerk)  is  seer  ghearghet  ende 
gevallen  mitter  stat,  Mandev.  18c. 

II)  Bedr.  —  1)  Van  personen.  —  a)  Enen  — , 
iemand  benadeelen,  hem  kwaad  doen,  schade,  leed, 
mideel  berokkenen.  ||  Dat  niemen  so  cone  si  van 
minen  lieden,  diene  scaed  meer  ofte  arget,  Lanc. 
II ,  38604.  —  Enen  —  jegen  enen,  iemand 
benadeelen  bij  iemand.  ||  Gi,  her  Walewein,  die 
dus  sere  ons  nn  arget  jegen  minen  here,  Lanc. 
IV,  7211. 

b)  Het  arget  enen  van  ere  dinc,  het 
ergert  iemand,  maakt  hem  bezorgd  over  iets.  Yerg. 
mhd.  ez  arget  mir  (mich),  Ben.  1,  66.  ||  Ende  ne 
hadde  Hestor  gedaen,  si  haddense  bat  bescermt, 

;   mer  (in  den  tekst:  Met)  dat  Hestor 

afstac  soe  fellike  Esclamore,  datse  gemeinlike 
aerghde  van  harre  vromechede,  Lanc.  II,  33267. 

2)  Yan  zaken.  Iet  — ,  iets  beschadigen,  be- 
derven.  \\  Her  Walewein  die  dede  gereden  sine 
wapine  ende  cleden,  ende  verscuren  ende  verclaren, 
ende  versachse  daer  si  gearget  waren ,  Lanc.  II , 
46801.  Dat  hemde  en  es  anders  niet  gearget 
dan  gijt  vor  n  siet,  Lanc.  III,  4919.  Dattie  tor 
in  velen  delen  gearget  was  van  den  magnelen, 
lY,  10299.  Den  heerwech  salmen  beteren  mitter 
aerden  dier  naest  gheleghen  es ;  die  daer  jeghens 
seide  of  dien  arghet,  hi  sal  den  scontate  gelden 
een  pont,  Oorkb.  2,  340,  98  (a.  1290).  Waer  dat 


] 


455 


ARGE. 


ARGE. 


456 


sake  dat  water  op  dien  weert  geleyt  worde,  dair 
die  weert  by  gearget  ware ,  474a  (a.  1298).  Waeren 
dat  saecke,  dat  wyse  {die  boeven)  groudelicker 
hadden  gearcht,  soo  souden  wy  synen  pacht  daer 
of  lichten,  Mieris  2,  2976  (a.  1322).  £nde  want 
onsen  goeden  Inden  .  .  dese  voernoemde  hantveste 
ghearcht  was  bi  groten  onghevalle  van  brande ,  . . 
soe  hebben  wi  hem  .  .  dese  Toerscr.  hantveste 
verniewet,  V.  d.  Wall  177  {a.  1338).  So  wie  die 
daere  aerghet  van  der  speye,  hi  moet  se  weder 
doen  betren,  JBoei  met  den  knoop ^  in  ZFl.  Bijdr. 
1 ,  240.  Dat  men  niet  en  behoort  te  arghen  eenich 
onderpant,  Somme  ruralis^  van  Jan  Bottelgier  157. 
So  wie  van  sinen  evenkersten  enich  van  desen 
dinghen  ontleent,  ende  het  stervet  of  gheargct 
wort,  dair  sijn  here  niet  bi  en  is,  men  sal  hem 
dwingen  dat  te  ghelden,  D.  B.  Exod.  22,  14. 
Altoes  beterende  ende  niet  aerghende  {het  huitï)^ 
Invent.  v.  Brugge  3,  306,  vgl.  4,  471.  Daerne 
{uwen  tchat)  noch  roestecheit  noch  motten  moghen 
arghen,  lU.  v.  1348,  278a. 

ARGENESSE,  znw.  yr.  Beschadiging.  \\  Dat  niet 
tebroken  ware  dat  swaerd  bi  eneger  argenesse, 
Lanc,  III,  8209. 

ARGEREN  (aeugeren,  ergeren),  zw.  ww. 
onz.  en  bedr.  Mnd.  argeren.  Zie  akgen  en  vgl. 
Ergeren. 

1)  Onz.  —  1)  Van  personen.  Verergeren^  erger ^ 
mind^^  tlechter  worden^  zoowel  lichamelijk  als 
zedelijk.  ||  Mijn  hof  en  beterde  noit  ere,  Walewein, 
bi  u  alsoe  sere  alst  bi  u  sal  argeren  nu  ende 
nederen  vort,  Lanc.  III,  925.  Dat  hi  ember 
argerde  dach  na  dach,  Lane.  IV,  2642.  Die  werelt 
began  ergeren  doch,  Sp,  I',  12,  18.  Sy  {die  »tai) 
moet  ergherende  sijn,  Serv.  I,  2724. 

2)  Van  zaken.  —  a)  V er  erger  eii^  «y^,  minder^ 
tlechter  worden.  \\  Ende  die  wonde  argherde  nacht 
ende  dach,  soe  dat  niet  helpen  mochte  doe  watter 
die  ersatren  daden  toe,  VI.  Rijmkr.  2768.  Hine 
gafse  di  niet  bedi  dat  si  souden  argeren  in  di , 
ne  mare  dat  si  wassen  souden ,  Lanc.  III ,  3059. 
Daer  na  ergerde  sijn  gewerke,  Sp.  III»  47,  55. 
Ie  siet  argeren  alle  dage.  Rosé  7890. 

b)  Bederven.  \\  Want  hiere  vant  ghenoechjeghen 
striden  spisen  van  Herodes  tiden,  die  was  ghe- 
arghert  niet  een  haer,  Rijmb.  34635.  Dat  hy 
{die  wijn)  niet  argheren  en  mach,  Matth.  Anal.  1 ,  270. 

c)  Schade  lijden^  van  stoffelijke  en  onstoffelijke 
zaken.  ||  Van  den  molen  te  Reymerswale  die  zoe 
seere  ghearghert  was.  Rek.  v.  Zeel.  1,  146.  Ende 
gingicker  mede  in  dit  vier,  het  ne  sonde  niet 
argeren  dan,  Lanc.  III,  4908.  Al  sijn  harnasch 
was  niet  een  haer  ghearghert  sent  hijt  brochte 
daer,  Farth.  2328.  tJ  doget  en  argeret  nember- 
mere,  Lanc.  III,  25094. 

d)  In  waarde  verminderen.  ||  Aengaende  den  prijs 
seggen  de  voors.  hooftmans,  .  .  dat  de  huysen 
wel  den  derden  penninck  geargert  zyn  binnen  thien 
jaeren  harwaerts,  Inform.  12.  Die  huysen  .  .  zijn 
den  derden  penninck  wel  in  den  prise  van  den 
coop  geargert,  432.  Dat  desen  brieflf  nyt  ergeren 
en  sall,  Nijh.  4,  380  {a.  1466). 

II)  Bedr.  —  1)  Van  personen.  —  a)  Enen — , 
iemand  slechter^  minder  maken  \  hem  bederven.  \\ 
Oec  so  viutmen  someghen  man,  waert  dat  menne 
wilde  castijen ,  men  soudene  aergeren  ende  ontvrijen, 
Sp.  I»,  62,  60.  Eest  dat  wi  Gode  hier  inne 
wederstaen ,  ende  sine  gaven  versmaden ,  soe  werden 
wi  meer  geargert,  Ruusbr.  1,  173  (Sur.  y^pejores 
êjfieimur^^), 

b)  Enen  — ,  iemand  kwaad  doen^  deren.  ||  Mares 


op  Parthonopeos  reet,  als  die  gene  die  ergeren 
wilde,  Parth.  fr.  64.  Men  zal  moeten  lezei: 
„Als  diene  gerne  ergeren  wilde,"  of:  „Als  die  gene 
diene  ergeren  wilde." 

c)  Enen  — ,  iemand  ergeren,  \&t.scandalisare.\\ 
Wi  selen  oec  bidden  dat  hi  ons  gheve  den  gheest 
der  sciencien  ende  der  const,  .  .  alsoe  datnieman 
in  ons  ghearghert  en  werde,  maer  ghe betert  ia 
alre  wgs,  Ruusbr.  4,  22. 

2)  Van  zaken.  —  «)  Iet  — ,  i^^  mind^ maken, 
verergeren ,  bederven ,  benadeelen.  ||  Eyn  sinte  SerraM 
eyghen  man,  die  doer  stoutheit  began  dat  hem 
ergherde  btjh  leven,  iets  dat  hem  het  levensgelni 
bedierf,  Serv.  II,  2009.  Der  boser  lude  arghe- 
ringhe,  de  dicke  .  .  goeder  lude  goeden  lumoftt 
willen  argeren,  D.  Orde  260.  Dat  sonde  den 
gewonden  seer  letten,  ende  het  sonde  de  wonde 
meer  argheren  dan  si  was  te  voren.  Jan  Yp.  85. 

b)   Iet  — ,   iets    beschadigen,    bederven.     \\    En 
mochtense    {die   stede)    binnen  enen  jaer  ergheren 
breet  van  enen   hare,   Alex.  VI,  175.  Legt  uwen 
schat    in    den   hemel,    daer  noch  rostegheit  nock 
motte  din  en  moghe  ergren,   L.  v.  J»  c.  46.  So 
wanneer  na  yemants  doot  een  bed  geschoert  is  in 
deelen ,  alle  die  van  hem  bliven ,  en  moghen  mal- 
canders   goet   .  .  niet  argheren  noch  yerbneren  in 
gheenre   manieren,    O.    K.  v.  Dordr.    25,    60.  Zo 
salmen  die  sadel  decken ,  dat  zi  van  denen  ,  daUnen 
daer  voert,  niet  gheargert  en  worde ,  D.  Orde  2V>a. 
Dat  goet  en  salmen  niet  verwinnen  noch  ergher», 
Nijh.  1,  218  {a.  1327).  Dat  de  stanc  delnchtmet 
argeren    en    sonde.    Pass.    S.    129r.    Weert   ove\ 
saeke,  dat  de  selve  sloit  .  .  van  brande  off  anders 
ennygerhande   mysval    van   onser  wegen   geargert 
worde,  Nijh.  4,  29  {a.  1425).  Endede  erven  neytu 
bloeten   oflTte  te  ergeren,    Overijs.  Recht.  I*,  236. 
Dat  de  wachters  van  der  stede  den  torre  van  der 
kerke   grootelic    argeren,    quetsen   ende    grieven, 
mits  de  groote  vuullichede  .  .,  die  sy  by  nachte 
ende  daghe  daer  np  doen,  Diericx,   Mém,  2,  lö7 
{a.  1429).  Waert  .  .  dat  oic  desen  chartre  oft  hart 
seghele  met  eenegen  ongevallegequetst,  gecasseert 
oft  geargert  worden ,  Brab.  Y.  Dl.  2 ,  bl.  620  (a.  1370). 
Al    waert   dat   dese   brief  in   enegen  toecomendea 
tyden  worde  gevioleert,  geargeert  (/.  geaxgert)  (rfte 
gecasseert ,  waert  in  gescrefte ,  in  segelen  oft  ander^ 
sins,  bl.  658  {a.  1383).  Ist  dat  yemant  arghert  enea 
acker  of  enen  wijngaert ,  D.  B.  Exod.  22 ,  5.  Verwaer- 
losen  of  argeren ,  Mieris  2 ,  3626.  Waert  dat  dese . . 
charte  in   eeniger  tijt  worde  gestolen,  gescbenit. 
verbrant  of  geargert,  4,   68a   {a.  1407).  Axgera 
noch    krencken,    Nijh.    2,    202 ;  vgl.    44.    Dat  s 
{de  burg)  .  .  van  brande  of  van  anders  enigerhande 
misval    .    .    geargert   wurde,    1,    380    («.    1338 1; 
vgl.  4,  29.  —  Op  enes  argeren  ende    ver- 
beteren,   zoo   dat  vermindering  of  vermeerderms 
der  waarde  voor  zijne  rekening  komt.  ||  (Dut  zj  dit 
huisrenten)    hebben    ende    gebruycken    sullen  U^ 
eeuwigen  dagen  op  heuren  argeren  ende  verbetera 
als  van  heuren  vrijen  ende  eygen  goeden,  S^ntét. 
V.    Alkm.    29a.    —    Van   munten,   ze  van   slechier 
allooi  maken,  in  gehalte  vemwider en,  \\  Niet  licbtea 
noch  argeren ,  Willems ,  Meng.  341 ;  362.  Geargeit 
of  gemindert,  349. 

3)  Iets  erger  maken,  verergeren,  erger  voorstelle» 
dan  het  is,  \\  Die  ongetrouwe  boden.  . .  aergerdei 
voert  voer  den  prooft  des  graven  woert,  VL  Sijmkr. 
3479  (Lat.  bl.  405:  verba  comitis  depravamtes). 

ARGERINGE  (aeroeringe,  erger iNOf:),'snw. 
vr.  Mnd.  argeringe.  Van  Argeren, 

1)  Beschadiging,  letsel,  aanval,  ||    Die  kuoshtiS 


457 


ARGE. 


ARKE. 


458 


des  bej^evenen  maas  die  mit  mrgfsnamen  mroenen, 
of  zi  licht  behouden  wert,  doch  eu  is  zinietseker, 
ende  en  mach  oec  die  lengde  niet  zonder  erghe- 
ringhe  bliven,  D.  Orde  236.  Dat  deser  heiligher 
orde  ghesette  die  broeder  moghen  bewaren  voer 
der  boser  lude  argheringhe,  260. 

2)  Ergernii^  aanstoot.  ||  Die  vridaghe  van  Paschen 
ont  alreheilighen  daghe  zo  moghen  die  broeder  te 
tween  malen  vastelike  spise  eten,  zine  latent  dan 
voer  werentlike  lude  ergeringe,  7>.  Orde  227. 
ARGERTIERE.  Zie  bij  Tiere. 
ABGHEIT.  Zie  Archeit. 

ARGINGE  ((H)AERaiNGE),  znw.  vr.  Verlies  van 
zijn  waarde^  het  schade  lijden^  bederf.  \\  Van 
arghinghen  van  houte  dat  ybesecht  was,  Invent. 
V,  Brugge  2,  434.  Van  aerghingen  van  sinen 
paerden,  1,  296.  Vander  huere  ende  haerghinghe 
van  den  houte,  dat  hi  ghelevert  heift,  aangeh. 
Gloss.  ald.  bl.  11. 

ARGÜACIE  (ARGUWACIE),  znw.  vr.  Van  Ar- 
gtteren.  Tegenwerping^  redetwist^  bij  uitbreiding, 
gekijf.  II  Ie  sal  u  noch  byblyven  (wat  dient  te 
helene?),  al  maectet  ghy  noch  zo  grote  arguwacie , 
ZFl.  Bijdr.  6,  328,  5. 

ARGÜEREN  (arou weren,  erqeweren),  zw. 
WW.  onz.  en  bedr.  Ofr.  urguer  (La  Cume  2 ,  146)  ; 
nfr.  argnety  van  lat.  argutare. 

1)  Onz.  —  Redetwisten,  redeneeren,  bewijzen  aan- 
voeren. II  Ende  wil  men  jeghen  haer  arguweren, 
soe  es  80  wilt,  so  en  slaets  gheeu  gade,  OVl. 
Lied.  en  Ged.  268,  1032.  Gi  en  ergeweert  niet, 
Blisc.  V.  M.  1163.  —  Buten  argueren  staen, 
geen  punt  van  redetwisten  zijn,  overbodig  zijn  om 
er  over  te  redeneer  en.  \\  Mocht  ie  elck  op  tsijn 
voeghen ,  soe  stont  al  buten  argueren ,  Hild.  70 ,  274. 

II)  Bedr.  —  1)  Iet  — ,  iets  betwisten,  weder- 
leggen, afkeuren.  ||  Al  is  ghenoechte  een  edel 
weert,  men  macht  nochtan  argueren,  Hild.  217, 
64.  Want  elc  moet  pensen  achterwaert,  wye  dat 
dichtens  wil  hantieren ,  om  die  gheen  diet  argueren, 
226,  14  (in  den  tekst:  die).  Zoo  ook  164,  24. 

2)  Enen  — ,  iemand  terechtwijzen,  berispen,  be- 
straffen. II  Ons  en  dorste  niemen  wederstaen  noch 
argueren  van  onser  daet,  Velth.  VII ,  23 ,  38.  Dat 
si  hem  selen  moten  ontgaen,  ende  argueren  van 
allen  saken ,  daer  hi  sprake  of  sal  maken ,  VIII ,  8,  8. 

ARYANGE.  Zie  Arance. 

ARISMETIKE,  znw.  vr.  Rekenkunst,  lat.  arith- 
metica.  \\  Arismetike,  dat  en  is  gheen  spel,  leert 
u  rekenen  ende  tellen  wel ,  Lsp.  III,  14 ,  87 ;  verg.  69. 

ARISTOLOGIE.   Zie  Arastologie. 

ARIVEREN.  Zie  Arriveren. 

ARKE,  znw.  vr.  Lat.  arca  (Duc.  1,  863);  fr. 
arche  (La  Curne  2,  125). 

1)  Het  houten  gewelf,  de  boog  waaronder  het  rad 
van  een  door  water  gedreven  molen  draait.  Mnd.  arke. 

II  Want  die  moelensleghers  vonden  hebben  dat 
die  balke  van  der  arken  achter  Sente  Gertruden 
hoeger  leeght  dan  die  balke  van  der  Viermolen 
omtrent  seven  dumen ,  ende  oec  voert  vonden  hebben 
op  den  vorscreven  balke,  aen  die  drie  gate  van 
der  selver  arken,  alrehande  hoechsel van plancken , 
Srab.  Y.  Dl.  2,  bl.  616  («.  1369). 

2)  Gewelfde  oven,  eest.  \\  Item  salmen  alle  mee 
droeghen  in  arcken  bij  colen  ende  houte,  K,  v, 
JSrielle  90 ,  6.  Van  een  quareeloven  te  beterne  .  . , 
▼an  arken,  van  deuren  ende  van  loodsen,  Invent. 
V.  Brugge,  Int.  448.  Van  den  teghel-ovene  ende 
van  arken  te   vermakene,  ald.  460. 

3)  Kist,  offer  kist.  ||  Dat  onse  Here  offeren  sach 
vele  liode ,  .  in  eue  arke  hare  ghelt ,  Rijmb.  25143. 


ARKET  (aerket)  ,  znw.  onz.  Mlat.  arquetus  (Duc. 
1 ,  407).  Gewelf  boog.  \\  Den  roketiers  van  Fellin  ghe- 
leent  up  hare  steene  die  sy  leveren ,  dar  men  de  gor- 
gonen  ende  arkette  of  maect.  Rek.  v.  Gent  1,  216. 
Ende  de  arkette  {in  den  tekst:  achette)  tusschen  de 
pilaren  ghemaect  naer  tonde  werc ,  .  .  ende  alle  de 
voerseyde  arkette  .  .  sullen  syn  van  goede  hude 
steenen  van  Dielbeke,  Diericx,  Mém.  2«  106  {a. 
1405).  Met  eenen  booghe,  daer  in  dat  ghemaect 
zal  zyn  een  arket,  Invent.  v.  Brugge  6,  332.  Zo 
zullen  de  zalen  buten  ghecleet  zyn  al  omtrent  met 
aerketten  ende  met  eenen  tafelmente  der  boven, 
daer  up  dat  men  ordineeren  zal  de  carteelen,  3, 
479.  Wendelsteene,  gecleet  met  arketten  ende  car- 
teelen, ald.  —  Ook  van  de  bovenste,  van  boven 
ronde  ruiten  in  een  geschilderd  vensterraam.  ||  Van 
viere  glazene  arketten  met  viere  inghelen,  ald.  6,  312.       .  .  . 

ARCTER,  znw.;  het  geslacht  blijkt  niet.  Waar-^i  CkaKU^ 
schijnlijk  van  een  mlat.  arctarium;  verg.  mhd.^  r  f^  i.^^ 
arker;  mnd.  arkener,  arkenel,  erkener,  erker',  nhd.   /  /^  /* 

erker  {QcTÏmm,  D.  Wtb.  3,871);  bij  Kil.  „Are kei,  (f'^K  Mjk 
arckener,  erckel.  Podium,  proiecta.^^  Boog-  ^  g 
vormig  uitbouwsel  in  vestingmuren,  wachttorentje , 
rondeel.  \\  Dese  bloedige  rovers  .  .  worpen  die 
poirten,  toornen  ende  voerpoirten,  arkteren  ende 
rondelen,  ende  mueren  van  der  stadt  ende  van 
den  castele  neder,  Matth.  Anal.  3,  41. 

ARM  (aerm,  arem,  erm),  znw.  m.;  verkl. 
armekijn  {ermekijn),  -kine;  got.  arms ,  Isi.  armits. 
Vgl.  verder  Grimm,2>.  Wtb.  1,  662.  Arm.  \\  Dat 
hi  heme  sinen  aerm  brac,  Ferg.  2626.  Die  wigant 
.  .  warp  die  lanse  onder  den  arem,  Fragm.  Carl, 
303.  Daer  na  leit  mense  den  papen  op  die  erme, 
Bed.  d.  M.  236.  Die  suete  witte  mouwekine  wel 
staende  ane  hare  ermekine,  Parth,  3961.  —  Arm 
ende  arm,  arm  in  arm.  Verg.  twee  ende  twee^ 
en  zie  Ende  ,  voegw.  ||  Si  leghet  aerm  ende  aerm 
bevaen,  Olor.  736.  —  Ook  in  de  bet.  zeearm,  fr. 
bras  de  mer.  \\  üp  enen  aerm  van  der  zee,  Ferg. 
3179.  De  aerck  was  geworpen  in  een  wonderlic  arm 
van  der  zee  tusschen  tween  eylanden ,  ffist.  v.  Jason, 
aangeh.  bij  Huyd.  op  Stoke,Dl.  1,  bl.  650.  — Vooral  in 
de  uitdr.  Sinte  Joris  arm  (ofbraes),  lat.  bra- 
chium  S.  Georgii,  fr.  bras  de  S.  George,  de  Hellespont. 
Vgl.  Tijdschrift  1 ,  31  en  braes.  ||  Keyser  Vrederic 
sette  sine  vaert  ten  arme  Sente  Joriis  waert, 
omdat  de  zee  aldaer  was  inghe,  Stoke  II,  911. 
Ten  naesten  lentine  .  .  voer  hi  over  Sente  Joris 
arm,  924.  Zoo  ook  Sp.  I»,  20,  16;  21,  49;  IV», 
3,  40;  7,  79;  8,  29;  Mandev.  4c;  enz.  Zie  vooral 
Huyd.  Dl.  1 ,  bl.  549  vlgg. 

ARM  (aerm  ,  AREM ,  ARME ,  erm),  bnw.  Mnd.  arm. 
1)  Van  personen.  —  a)  Arm,  behoeftig,  tegen- 
stelling van  rijc.  \\  Doe  moest!  bliven  in  crancker 
vite,  arem,  allendich  ende  onverduldich ,  Bloeml, 
3,  13,  182.  Nochtan  bleef  hi  arme  voert,  Teest. 
1329.  Soe  dat  hi  van  .  .  den  armen  menscen  al- 
gader  ghenuemt  wert  der  armer  vader,  Brab.  T. 
VII,  17067  var.  Bidt  vor  den  ermen  pape,  Bed. 
d.  M.  1273.  Die  erme  versaedde  hi  met  goede, 
Boetps.  bl.  216,  16.  Die  derde  partie  van  onser  sub- 
stantien  die  es  der  ermere,  Ruusb.  6,  126. 

b)  Gering  van  stand,  onaanzienlijk,  tegenstelling 
van  rijc,  machtig.  ||  Ende  gi  dore  dlant  nu  ten 
tiden  met  armen  geselscape  sult  riden,  Lanc.  IV, 
3217.  Een  arem  keytijf,  een  blode  knecht  uut 
vremden  lande ,  Ferg.  4618.  Arem  ridder  van  enen 
scilde ,  Parth.  6726.  Niemen  .  .  so  arem  no  van  so 
cranken  maghen.  Rein.  I,  1754.  Dese  Joseph  was 
sijn  vader,  een  arm  cranc  man,  L.o.  H.  1107.  Hi 
dede  in  sijn  erme  deerne  macht ,  Boetps.  bl.  216  ^11, 


450 


ARKE. 


ARMA. 


460 


Tan  mi,  die  ben  ene  arme  dierne,  Limb.  I,  1617. 
Tscaemel  yolc,  aerm  van  state,  ZFl.  Bijdr.  6, 
334,    210.     Hertoghen,    coninghen    ende  amirael 

3 namen   daer   op    dien   dach:    der   armer  en  was 
aer  gheen  ghewach ,  Troyen  f.  102<?.  —  Spreekw.  || 
Arm  man  ne»  geen  grave  ^  Rein.  I,  &64;  JUmb.  1, 1664. 

c)  Ellendig^  ongelukkig^  rampzalig.  ||  Ie  bem  een 
arem  wicht,  een  clene  dier,  Èein.  I,  1027.  Arem 
man  Reinaert  es  die  blare,  2491.  Tes  een  aerm 
crijgher,  die  by  den  balghe  an  een  galghe  moet 
verwoorghen,  B.  War.  1,  414,  238.  —  Ook  als 
znw. :  een  arm,  een  arm ,  gering ,  ongelukkig 
menteh.  \\  Ie  ben  een  arm  van  cleinre  machte, 
Lanc.  II ,  7831.  Baer  ontfinc  hi  datti  begaerde  als 
een  arem  ende  een  onwaerde.  Franc.  805.  Jhesus 
quam  te  hem  niet  al  te  fier,  alse  een  aerm  met 
langen  hare,  Sp.  IV*,  78,  77.  (Doe)  stont  een 
aerm  daer  ter  dore,  IV»,  79,  17.  Wat  een  aerm 
doet  dats  vrome ,  Belg.  Mm.  1 ,  122 ,  15.  Die  waer 
(waarlijk)  arm  van  gheeste,  Gerl.  Peters  236. 

d)  Verbonden  met  de  voorz.  Ach ,  Och  en  Wach , 
en  veelal  in  één  woord  geschreven:  ach  arm  e, 
achaerme,  achermen,  acherme,  acharm, 
en  ocharme,  ochaerme,  wacharme;  enz., 
hetzelfde  als  lat.  vae  (mihi)  mitero^  een  kreet 
van  smart,  wdi.TL\iOOi^  oï  hMAg'.  ach  ^  ik  ongelukkige  \ 
wee  mij  ongelukkige]  helaas\\\  Achermen ,  wat  mach 
men  des,  dat  mjnne  das  ongenadich  es,  Pgr.  en  Th. 
327.  Achermen ,  dat  ie  niet  en  mochte  enssen  doent 
ons  beiden  dochte,  395.  Hnlpe!  acharme!  ie  moet 
sterven ,  Lanc.  III,  12056.  Acherme ,  en  besciet  geen 
plar  (?)  decken  (aldus  te  lezen)^  Velth.  1 ,  34 ,  70.  — 
Nog  in  de  17de  eeuw  in  gebruik,  zie  Wdb.  op 
Bredero i.  V. a e h  arme,  achharm.  —  Ocharme 
des  ontfarmelijcx ,  o  welk  een  treurig  geval  l  (Dq  2de 
nv.  als  bij  andere  tusschenwerpsels ,  b.v.  ƒ),  Velth. 
V ,  23 ,  19  (in  den  tekst  Ook  arme).  Wach  arme  dieser 
groter  noet,  Aiol  399.  Ochermen!  Mijn  wijf  is 
doot ,  ochermen !  Rein.  II,  4486.— Nog  Leeuwendalers 
204  e.  e.  och  arm. —  Wach  arm!  MLoep  I,  852; 
wacharme!  Owi,  wacharme!  Wal.  308;  Hulpe, 
wacharme !  Lanc.  III ,  19146 ;  III ,  15621 ;  Ferg.  1446; 
Alex.  VIII,  773 ;  Rosé  2456  ;wacharmen!  Lanc.  II , 
25632 ;  III ,  6832 ;  och  wacharmen !  Grimb.  II ,  4428 ; 
Hadew.  I,  73,  69;  Nu  noch  16;  Ay  lacen,  owi 
wachaermen!  Rosé  8602;  wachaermen!  2^1.  e. 
Lich.S^;  wachermen!  Cl.  v.  Plagerw.  10; Blisc. 
V,  M.  930;  Sacr.  110;  ^;»^.  —  Vandaar  fr.  vacarme.  — 
Ook  verbonden  met  een  znw. :  Wachermen  tijt!  Mar. 
V.  Nijm.  75 ,  en  zonder  het  tusschenw. :  A  r  m  e  n !  wee  \ 
ik  ongelukkige]  \\  Armen!  waer  es  dit  kint ?  A{;in£. 
2878.  Aerme !  Ziel  en  L.  43.  Ay  aerme !  Belg.  Mus.  10 , 
95,  219.  — Overdrachtelijk  BioAi  wacharme  ook  als 
znw.  voor  ellende^  ongeluk.  \\  Daer  was  menich 
die  begaerde  Waleweine  te  sinen  wacharmen ,  Wal. 
8964   (vgl.  8983  te  sinen  scanden). 

2)  Van  zaken,  a)  Hetzelfde  iX&  ons  pover  (tr.pauvre) 
en  lat.  miser.  Armoedig^  slecht ^  armzalig^  schraal^ 
sober.  ||  Het(/)<zar£0  hadde  tere  armer  crebbeghestaen , 
daer  hem  coren  dicke  ghebrac ,  Wal.  1374.  Daerme 
lijfnere,  daer  si  an  legghen  hare  ghere.  Nat.  BI. 
III,  2345.  £nde  deedse  voeden  met  armer  spise, 
Sp.  II*,  46,  33.  Een  arm  cleet  ende  allettel  stroes, 
Rincl.  464.  Hoe  dat  hy  een  kynt  was  ende  ghe- 
wonden  in  armen  doeken,  Stemmen  104.  Si  leyde 
een  arm  hoeftcleet  op  haer  hoeft,  Pass.  W.  2M. 
In  dat  beghin  sal  die  sieke  eten  arme  spise, 
schrale y  niet  machtige  spijzen^  Lanfr.  138r.  Int  be- 
ghin sal  wesen  die  spise  arm  ende  magere,  141p. 
Daer  hi  ene  quene  vernam  op  een  arm  pert,  Lanc.  II , 
16532.   Een   cnape  van  sconen  leden  up  een  arm 


paert,  Wal.  1366.  Si  dede  hem  bring^hen  s)i 
rosside,  magher  ende  arem  ende  onghedaen, 
Parth.  2325.  —  Ook  in  den  zin  van  mager ,  scAraal^ 
onvruchtbaar.  ||  Een  arm  jaer,  Tst.  BI.  2219;  tegen- 
over een  vol  jaer. 

b)  Van  onstoffeiyke  zaken.  Qering^sUehty  elUnéig^ 
beklagenswaardig.  \\  Oec  seidic  dat  bat  hadde  geaetei 
datment  .,arme  helpe^'  hadde  geheten  die  abdie, 
dan  dat  si  hiet  der  armer  lieder  hnlpe,  Lanc.  II, 
24440.  Sekerlike,  wi  sin  van  armer  snbatanciei 
gemact,  Limh.  Serm.  lOSd.  Dat  dinct  mi  ene  enne 
daet,  Stoke  IX,  688.  Dat  men  naer  dieven  doet,  dat 
heeft  aermen  (cranken)  spoet  te  helpene,  die 
selve  niet  en  geeft.  Brand.  1456.  Dese  twee 
daden  armen  fijn  van  haerre  groter  heerscapiea, 
Sp.  II',  45,  10.  Die  Gode  ontsprinct,  hi  vindt, 
o  wach !  den  armsten  troest  die  wesen  mach ,  BimeL 
448.  Playerwater  te  halen  tes  een  arm  bedr^f, 
Cl.  V.  Plagerw.  178.  —  Ter  armer  tgt,  ter 
kwader  ure.  \\  Ter  aermer  tgt  wert  ie  geborea, 
Maleg.  972.  Ghi  sy t  gevaen  sonder  liegen ,  ter  armea 
(/.  armer)  tyt  so  werdi  vliegen,  Fragwi.  Carl.  53. 

ARMAN  (aerman),  znw.  m.,  samenkoppelinr 
van  arm  man,  en  als  één  woord  opgevat.  Mhl 
arman,  armman.  Arme,  ongelukkige.  \\  Een  aemu 
doet  dat  hi  can,  Belg.  Mus.  1,  122,  13.  Amiai 
wetende  ende  vroet  .  .  es  beter  dan  die  rikt 
onvroet,  y'ad.  Mus.  2,  173,  33. 

ARMBOGE  (AREMBOOE) ,  znw.  m.  Armhand.  Diat 
3,  201:  armilla,  aremboge. 

ARMBORST  (aremborst,  arenborst,  airn- 
BORST,  ERMBORST),  znw.  m.  en  onz.  Mhd.,  bd. 
armbrusty  mnd.  ar»idór«/.Verba8terd  van  ofr.  mrhalesU 
arcbaleste  (La  Cume  2,  101);  mlat.  arcahahsU, 
arbalista  (Duc.  1,  359),  aan  welk  vreemd  woord 
door  de  volksetymologie  een  Nederlandach  kleed 
werd  gegeven ,  waarbij  misschien  aan  arm  en  korst 
werd  gedacht;  zie  Andresen ,  Folksetym.  86.  Oorlogs- 
werktuig  om  pijlen  (qnarele)  te  werpen',  arèaleet. 
Zie  Hnyd.  op  Stoke  3,  bl.  311;Hofdgk,  Foer- 
geslacht  3,  331. 

1)  Draagbare  ar  baleet,  handboog,  voetkoog.  ||  Enes 
slach  verhordi,  recht  alsmen  mach  enen  arenbont 
horen  slaen.  Franc.  8345.  Wie  te  vechtelic  qnase 
mit  glavien ,  mit  sticklen ,  mit  pieken ,  mit 
borsten,  mit  boghen,  verbuerde  42  se, 
Keurb.  32,  3.  So  wie  mit  boghen,  mit  enen 
borst  ofif  mit  enighen  wapen ,  daer  yaer  off  tp. 
off  loot  .  .  an  is,  te  vechtelic  comt,  verbaert 
drie  S. ,  O.  K.  v.  Rott.  15,  19.  Soe  wie  een  9im- 
borst  holt  ende  dair  mede  in  der  stat  reysen  dieat^ 
wes  schade  hy  aen  dat  armborst  lijt,  sal  hem  dk 
stat  oprichten,  Overijs.  R.  I',  185.  Dat  ghem 
lekeknechte  myt  armborsten  .  .  op  kerchoren  .  . 
noch  an  die  kerke  .  .  schieten  en  zoelen,  I',  191. 
Die  marscalc  mach  nemen  van  den  smitliase 
stegerepen,  armborst  ende  boghen  den  broedem 
te  lenen ,  D.  Orde  288.  Boven  dat  sal  hi  oraeamme, 
stemmenijn,  armbursten  na  der  ghewoentheit  dm. 
broederen  gheven,  292.  Enen  knecht  .  .,  die  re- 
schoten  was  ende  ziec  in  den  Hage  gelegen  hadde, 
dair  hi  siin  aimborst  voir  geset  hadde,  geg.  dit 
weder  mede  te  lossenen,  Bel.  v.  Leid.  385.  Twee 
dusent  man  te  voet  met  clnevers ,  armborsten  eads 
met  andere  strjjtbaer  instrumenten  wel  toe^maect^ 
Esc.  Cron.  228f.  Zoo  ook  Bek.  d.  Or.  S,  139  e.  e. 

2)  Staande   ar  baleet,   groote   boog   die    wseC   eem 
windas  in  beweging  werd  gebracht.    Verg.    Baxc-  ; 
ARMBORST  en  WiNTARMBORST.  ||  Ende  sette  T0«  ; 
die  stede  arenborste  ende  engyene,  Rijmè.  19384  '. 
Doe  .   .   hen  qnarele  geborsten,  ende  si  nemmer  . 


461 


ARMB. 


ARME. 


462 


mei  arenborsten  en  conden  gescieten,  Lanc.  lil^ 

19966.  Coemt  hire  gBvaren  .  .  met  arenborste  ende 

met  speren,  Cass.  881.  Men  scoot  met  ermborsten 

ende  met  bogen  meneghen  man  vor  thays  te  doot , 

Stoke  lY,  494.  Baer  lagen  scnttren  tallen  tinnen 

met  aremborsten  harde  goet,  Ro*e  3844.  Wi  sollen 

hem  leveren  hoestalle ,  bliden ,  armborsten ,  ghescot 

ende  alle  were,  dat  den  huzen  toebehoert,  Mieris 

2,  261b  (a.  1321).  4  ®  gaerns,  die  men  oerbaren 

zonde  te  pesen  an  die  armborste,  Rek.  d.  Gra/j  Ij 

292.    Die    Grave   van   Gelre  mitten   burgers   .    . 

deden  den  castelejrn  yeel  moeyenisse  mit  menighen 

stormen,   mit  armborsten,   mit  slingeren,  Matth. 

Anal.  3,  102.  Gespannen  ant  crnce  alse  ene  pense 

ane  enen  arenborste,  JUmb.  Serm.  IIS^?.— Spreekw.  || 

Een  scoen  gheciert  wijf  is  een  armborst  des  duvels , 

een    wapen   van   den    duivel,   waarmede   hij  pijlen 

tchiet  in  het  hart  van  den  man,  Con.  Som.  S6a. 

ARMBOBSTIERE  (aremborstier  ,  ermbors- 
tier)  ,  znw.  m.  Mhd.  armbrttster,  mnd.  armbortterer. 
Yan  JrmbortL  Hand-  ot  voetboogechutter.  \\  Baer 
Yoeren  si  metten  ermborstieren ,  Stoke  III,  75. 
Meester  Herman  die  armborstier ,  Tiek.  d.  Qraf.  1 , 
419.  Meester  Herman  uter  Haghediearmborstiere, 
die  wrochte  op  thuus  te  Yredielant,  422.  Zie  nog 
1,  67;  2,  79;  3;  477;  Bek.  d.  Buurk.  26;  Rek.d. 
Cam.  3,  17;  49;  enz. 

ARMBORSTSCOOT,  znw.  onz.  Uit  Armboree^n 
Scoot.  Boogtchot.  \\  Ende  te  hant  begrepen  dat 
water  ende  toech  hem  volnae  een  armborstscoet 
weghes  van  den  lande.  Pats,  W.  246^. 

ARMBORSTSLACH,  znw.  m.  Uit  Armbortt  en 
Slaeh,  tT.  arbalestré  of  arehé  (Duc.  1,  359^).  Het- 
zelfde. II  Si  voeren  cume  op  enen  daghe  die  langhe 
van  enen  armborstslaghe ,  Stoke  IX,  667. 

ABMEYE  (aermeye),  znw.  vr.  Yan  ofr.  armee 
(La  Came  2,  155). 

1^  Slag,  gevecht,  de  oorspronkelijke  beteekenis.  || 
Enae  behoortet  {dat  pingon)  te  sjne  al  dien  dach 
in  8i|n  macht,  waer  dat  de  Prince  comt  of  gaet, 
bj  den  Prince,  ende  achter  hem  tpingon  in  de 
hant  ontvouden,  omme  elcken  te  gheven  teecken 
ende  kennisse,  waer  den  persoon  van  den  Prince 
is ,  ende  van  daer  voort  also  verre  als  de  armeye 
dnurt,  Matth.  Anal.  1,  275. 

2)  Xeger.  \\  Be  maerscalc  van  der  aermeyen, 
Hatth.  Anal.  1,  247.  Omdat  den  conync  ghe- 
Tangen  wiert  onder  huerlieder  aermeye,  clouc 
ende  rayliant,  Zri.  Bijdr.  6,  327,  449. 

ABBiEELIJN  (armkijn),  znw.  Zie  Arm,  znw. 
ARMELIJO  (aermelijc,  ERMELiJc),-/t>t^,bnw. 
Arm  j  ellendig ,  ongelukkig.  Zie  Arm,  bnw.  I|  Segt  mi 
Bitter  Ellinden  bedrijf:  esse  niet  ermelic?  Blisc. 
V,  M,  1028.  Hi  lach  onmachtich  ende  armelQc 
(mueraHHs),  B.  B.  Richt.  5,  27. 

ARMELIKE  (aermelike,  ermelike),  bgw. 
Mnd.  armlike.  Op  een  armoedige,  slechte,  ellendige 
tüiJTte :  armoedig ,  tlecht,  ellendig.  \\  Joncfrouwen  .  . . 
gecleet  ende  berect  aermelike,  Lanc.  II,  29518. 
JHe  goede  man  seide:  „Wat  doedi?"  —  „Aerme- 
like/' antwerde  hi,  III,  4631.  O  heilich  sacra- 
ment, hoe  coemdy  hier  int  moer  liegende  dus 
ermeUjck?  Sacr.  244.  Die  twee  voorseyde  broeders , 
die  Vrancrycke  armelic  regeerden,  niet  wel  con- 
nende  de  selve  Noortmannen  wederstaen ,  £:pc.  Oron, 
90d.  (Hi)  quam  te  Jherusalem  aermelike,  Sjp.  I*, 
21 ,  4.  Aldaer  hi  met  siere  pine  hem  ende  s^n 
wQf  ende  sine  kinder  aermelike  onthilt  ginder,  ^. 
IV*     45    16. 

ARMELINGE,  bijw.  Yan  Arm,  znw.,  met  het 
acbterv.  *li$ige.  Met  de  armen.  In  de  uitdrukking: 


armelinge  vechten,  t^ori^^/^.  ||. Want  daer  ie 
jeghen  den  roese  vacht  armelinghè,  als  hi  begheerde, 
werp  hi  mi   onder  hém  ter  eerden,  Segh.  10978. 

ARMEN  (aermen),  zw.  ww.  onz.  en  bedr.  Yan 
arm,  bnw. 

Onz.  —  ^rm  worden,  verarmen,  achteruitgaan.  \\ 
Dijn  rike  sal^  aermen  ende  cranken  van  ghewoude, 
Alex.  II,  1080.  6  persoenen,  die  deselve  {die schot- 
ponden)  verhoogen  ende  verlaghen  naedat  elck  r|jct 
of  armt,'  Inform.  283.  Die  elck  stellen  te  geven, 
naedat  zij  bevinden  dat  zg  gergct  ofte  gearmt  zgn , 
273;  zie  nog  307. 

Bedr.  —  Arm  maken,  verarmen.  ||  Hi  heeft 
hem  ghenedert  ende  ons  ghehoecht , .  hem  ghearmt 
ende  ons  gherijct,  Ruusb.  3,  169. 

Spreek w.  ||  Aelmisse  geven  armet  niet,  Spreuken 
18.  Om  Oode  gheven  en  armt  niet;  watmen  onthoudt 
gaet  al  verloren,  %^. 

ARMERTIERE.  Zie  bij  TiERE. 

ARMESC£DE(aerhescede),  znw.  vr.  ZiescEOE. 
De  dubbele  armpijp  of  benedetutrm.  ||  Hi  nam  sine 
aermescede  ende  bracse  ontwee,  Sp,  III*,  36,  35 
(Yinc.  „o*  brachii  ejus  fregit"). 

ARMHARNASO  (arhhaernasg),  znw.  onz. 
IJzeren  of  stalen  armstuk  van  het  harnas,  \\ 
Dezen  man  sel  op  ziin  hoofd  hebben  een  stalen 
helme,  aen  ziin  Ijjf  een  stalen  pansier,  .  .  boen- 
ende armhaernasche  na  dat  daer  toe  behoort ,  iViff?. 
Froza  82. 

ARMHEIT ,  -HEDE ,  znw.  vr.,  ohd.  armheit.  Ar- 
moede. II  Men  sal  armheit  blidelec  draghen,  Doet, 
II,  2986.  Welc  beter  es,  soe  rijcheit  soe ere, ende 
occ  van  armheiden,  Lsp.  III,  5,  Titel.  Niemenne 
en  laet  te  doen  goet ,  en  si  dat  hem  armheit  doet, 
Rosé  6009.  Yor  salicheit  coesdi  nidecheit,  ende 
vor  armheide  rijcheit,  Yelth.  YII,  20,  37.  Heer! 
u  armheyt  is  mijn  vaderlic  erve,  uwe  siecheyt  is 
mijn  ghesontheyt,  Stemmen  103. 

ARMHERTICHEIT,  znw.  vr.  Gebrek  aan  moed, 
geestkracht,  vertrouwen.  \\  Eude  hi  troosten  wilt 
har  armhertecheit  ende  starken  har  crancheit,2^md. 
Serm.  189  d. 

ARMILLE,  znw.  vr.  Armband,  armring.  Yan 
lat.  armilla,  armillttm  (Duc.  1,  403);  ofr.  armille 
(La  Cume  2,  159).  ||  So  brochte  die  man  voert 
gouden  inaures  ende  alsoe  veel  armillen,  2>.  B. 
Gen.  24,  22.  Ie  nam  die  crone  die  op  sijn  hoeft 
was,  ende  die  armille  van  sinen  arme,  II  Sam. 
1,  10.  Daermen  een  armille  leit,  die  dwinghet  al 
omme  ende  ommegaende,  wat  is  dan  beteikent 
bider  armillen?  Greg.  Hom.  91v.;  enz. 

ARMINC  (aeruinc,  erminc),  znw.  m.  Arjne, 
ongelukkige,  ellendige,  ellendeling.  \\  Ie  ben  .  .  . 
een  arminc,  Parth.  7078.  Maer  nu  hopet  die  arminc , 
dat  u  sijns  wenens  ende  sgns  carmen  bi  ure  ghe- 
naden  sal  ontfarmen,  7441.  Maer  du,  sondaen, 
caytijf  arminc,  8272.  Hoe  ie  Reinaert  aerminc  eerst 
an  die  boosheit  vinc.  Rein.  1 ,  2069.  Al  bem  ie  een 
aerminc,  hoe  mochtic  sulke  moort  ghetemen?  I, 
2202.  (Hi)  stac  den  ouden  erminc  dore  den  hals 
met  sinen  swaerde,  Alex.  Y,  196.  Een  keytQf  ende 
een  arminc,  YI,  1226.  Hem  quam  an  een  aerminc 
half  naect,  Sp.  III  ^,  39,  6.  Els  wert  hi  aremino, 
Wap.  Rog.  208.  —  In  bijzondere  toepassing  op 
een  kruisvaarder.  ||  Doe  de  goedertiere  Florans 
van  Hollant  dat  cruus  ontftnc,  om  te  wordene 
aerminc  int  lant,  dat  God  met  sinen  bloede  bene- 
diede  doer  sine  omoede ,  Stoke  II ,  698. 

ARMLEDER,  znw.  onz.  Waarschijnlük  uit  Arm 
en  Leder,  corium;  niet  uit  Let,  lid, deksel, zooals 
door  Lubben  1,   127,  op  Armeleden,  gezegd 


463 


ARMO. 


ARNA. 


464 


wordt:  zie  Diefeob.  Olou,  op  Bextrale,  dat  in 
het  Olost  ex  ^iioals  Armleder  wordt  opgegeven. 
Lederen  armstuk  ^  als  deel  der  wapenrusting  van 
knechten ,  in  tegenstelling  van  het  ijzeren  Armhar- 
nasch  (zie  ald.)  der  ridders.  ||  Symon  Weyneus. 
2  paer  armleder  3  se;  Dirc  Wouter  1  collier ende 
1  paer  armleder  2  se.  6  d.,  Hek,  d.  Qraf.  2,  114. 
Om  hantscoen  ende  om  armledere,  1  dukate,  3, 118. 
ARMOEDE  (aermoede,  aremoede,  ermoede, 

ERMUEDE,  ARMODE,  ARMOET,  ERMOE),  Znw.  vr., 

onz.  en  m.  Mhd.  armuot  vr. ,  armnote  onz. ;  mnd. 
armót  en  armode  vr.  en  onz.  Vgl.  T,  en  Lettb.  1 , 
132  vlgg.,  vooral  137. 

1)  Armoede^  vr.  ||  Ghi  sloechten  doet,  daer  ghi 
mi  in  scanden  ende  ermoden  settet  bi,  Lanc.  II, 
33641.  (Mijn  vader)  es  ondergegaen  van  gode  ende 
leget  in  sware  ermode,  II,  43986.  Dat  si  niet 
dore  aermode  en  liten  te  kisene  die  goede,  IV, 
6603.  Vele  aermoeden  .  .  ghedooghede  die  jonghe 
man  te  Tours,  Amand  I,  615.  Oec  gaf  hi  hem  .  . 
dheelt  van  zinen  goede,  om  te  blusschene  zine 
aermoede,  Bloeml,  3,  17,  316.  Zoo  ook  Sp.  IV*, 
21 ,  30.  —  Als  onz.  of  m.  ||  Ghieriger  man  was 
nie  van  goede  dan  hi  om  dit  armoede.  Franc. 
3411.  So  was  Jan  Baptiste  .  .  in  die  wostine  int 
aermoede,  Sp.  I',  5,  4.  Een  dach  des  armoets 
ende  verdriets,  D.  B.  Zephanja  1,  15.  Alsosulc 
aermoede,  dat  noyt  creature  en  leet,  Hs.  v.  1348, 
304^.  Die  wise  can  int  aermoede  ende  in  die 
weelde  van  goede  altoos  siere  doghet  pleghen , 
I*,  75,  33.  Enen  dien  dat  armoet  dwinghet  dat 
hi  quaet  doet,  Teest.  1653.  Nu  ben  ie  bloet  van 
goede  ende  ontsie  dat  armoede,  Limb.  X,  445. 
Daer  doghese  groet  ermoede  ende  leet,  C^mA  321. 
(Ie)  sallen  roven  van  sinen  guede,  ende  sallen 
bringhen  tyen  ermuede,  Lufg.  II,  1246. 

2)  Ellende,,  ongeluk.  \\  Dese  dachvard,  daer  in 
armoeden  bi  geset  ward  van  Grote  Bertangen  dat 
conincrike,  Lanc.  IV,  11947.  Sint  viel  hi  (Nero) 
van  dus  hogen,  .  .  dat  hi  doet  in  aremoeden 
bleef,  Bote  6130.  Lichtelec  es  sceden  van  goede, 
maer  van  minnen  eist  armoede,  Limb.  I,  2435. 
Dies  winters  roede,  die  mi  doet  soe  groten  aer- 
moede ,  fFint.  e.  Som.  605.  Ie  sal  di  onsoete  ver- 
menichfuldegen  u  ermoe,  Bliec.  v.  M.  322. — Nog 
hoort  men  in  dezen  zin:  het  is  armoe{dé). 

3)  Ongeluk,,  ellende,,  ballingtchap ^  inzonderheid 
in  concrete  opvatting:  ballingsoord.  Verg.  den 
overgang  van  ellende,,  oorspr.  ballingschap ^  tot  de 
beteekenis  van  ongeluk.  \\  Dus  wert  die  clercgie 
goede  in  die  jacht,  in  daermoede,  Sp.  II",  9,  43 
(Vinc.  „fuit  persecnfio  in  clero").  Daer  worden  die 
bisscoppe  goede  ghesonden  in  die  aermoede,  II*, 
51 ,  17.  Die  daelde  uut  des  Vaders  scoot  hier 
neder  in  onse  aermoede  groot,  Amand  I,  6289. 
Si  dede  den  Here  omnipotent  hier  nederdalen  in 
die  armoede,   Vad.  Mus.  1,  346,  11. 

ARMOEDICHEIT  (ermoedicheit),  -hede  ,  znw. 
vr.  Armoede,, ellende.  \\  Hoese dAvonture onderleide 
in  wel  groter  ermoedicheide,  Base  6333. 

ARMOET.  Zie  Ermoet. 

ARMONIE.  Zie  Harmonie. 

♦ARMREBBE,  miw.  vr.  Lange  ribbe  (?).  ||  Men 
▼ant  daer  die  scinkele  lanc  wel  vier  voete , . . .  ende 
■elke  armrebben  mede  vierdalven  voet  wel  gerede , 
Velth.  III ,  34 ,  67.  —  Men  zal  wel  moeten  lezen 
armscenen^  als  in  vs.  60,  waar  de  oorsprong  der 
fout  te  zoeken  is  in  de  woorden:  „ormscenen, 
rebben  gemene".  Zie  het  volg.  Art.  1). 

ARMSCENE,  znw.  vr.  Uit  Arm  en  Scène.  1)  Kleine 
armpiJp^ltA..  radius.  Hd.  armschiene.  ||  Grote  scinkele. 


grote  bene,  armscenen,  rebben  gemene,  Yeltk. 
UI ,  34 ,  69. 

2)  Hetzelfde  als  armhamasch  (z.  ald.).  ||  E«i 
omgaende  tuych  armschenen  ende  rinckragen,  Racer 
3,  208.  Een  knechtsharnasch  mit  armschenen  ende 
een  backeneel,  Matth.  Anal,  1,  228  (vgL  tld.: 
„  twee  scheenhamasch  ende  schenen  daer  toe).  Item 
14  armschenen,  229.  —  Zie  schene. 

ARNASC.  Zie  Harnasc. 

ARNEN  (arenen,  aernen),  zw.  vw.  bedr. 
Ohd.  amdn,  mhd.  amenj  ags.  earnfan^  eng.  Mm, 
mnd.  emen,  verg.  goth.  asans  znw.,  oogst;  mhd. 
«r»,  erne^  nhd.  emte;  by  Kil.  arne,  erne,  Ger. 
Sax.  Fris.  Sic.  messis.  Oogsten,  in  het  Mnl.  alleea 
in  overdrachteiyken  zin  gebezigd.  Vg.  gearnek, 
ONGEARENT  en  Toalk.  Magasijn  3,  250  vlg. 

1)  Oogsten^  inzamelen^  in  eigenlijke  en  fignurlgke 
toepassing,  verdienen.  ||  Nu  dunct  mi  in  minea 
sinnen ,  dat  ie  meer  arnen  sonde  hatie  dan  ie  dede 
die  minne  nie,  Bose  4564.  Die  ghedaen  sgn  nat 
Gods  vreden ,  die  moeten  amen  8\jnen  toren,  Serw.  I, 
1732.  Uwe  stat  is  nu  verdeylet  .  .  ende  moet 
arnen  Gods  toren,  I,  2692.  Datter  {kij)  evelijck  weer 
verloren,  ende  arnen  moeste  Gods  toren,  II,  265L 

2)  De  {kwade)   vruchten  tijner  daden  imoogsfem, 
er   voor   boeten.   Du  best  sot  dattu  das  sprecs  tol 
dinen  God:  Ie  ontrade   dattu  wel  sere  dit  araen 
souts  van  onsen  Here ,  L.  o.  H.  3133.   Die  rike  es 
sculdich    onsen    Here   meer   dan  daenne  lof  ende 
ere :  en  doetys  niet,  hi  aemet  sere,  Ziele  e.  Lieh.  278. 
Oec  dor  u  groetheit  .  .  .  .,  waer  die  emende  veel 
te  cleene  van  hem  gedaen,  die  tfeit  selve  wiuchte: 
dus    moet   dan   amen   al  tgeslachte,  Blise.  v.  M. 
613.  Hoe    sere   arende  hi  onse  mesdaet,  L.  o.  E. 
2367.  Wet  gi  selet  amen  sere,  2760.  Ie  beet  dea 
appel  stillekine,   dat  hebic   gearent,   data  mi  ii 
scine,  4199.  Dat  ame  ich  hude  in  desen  daghe, 
Serv.  II,   1928.   Hi  {de   waard)   soude    sine   ghe> 
buere  roepen  ende  bidden  hem    {den  vredebreker) 
voer    hen    dat  hi  syn  huns  rumede,   soedat  h|s 
orcontscape    hadde    dat    hijs    hem    maende;    ofte 
neen,   die  weert  moest  metten   scoldegen  amei, 
Willems,    V^erh.    1,    144.   —  Die   s on  den  (^die 
mesdaet)  arnen,  boeten  voor  zijne  sandei%\\^T%. 
mhd.  die  sünde  amen  (Lexer  1 ,  96 ;  Bartsch ,  Km-lwu 
265).   II  Dat  hi  aeraen  moeste  ende  qneÜen  sine 
sonden  int  vaghevier,  ende  niet  in  die  helle  fis, 
Sp.  IV*,  14,   48.   Dat  dat  seker  ware  tfe^hTier, 
daer   si    haer   sunden   in   amden,   die    hier    haer 
penitencie  nien  voldeden,  Christ.  241.    Diea  moet 
hi  aernen  dan  syn  sonden  ewelic  geduerich  ,  sond^ 
fijn,   Blisc.  V.  M.  1186.  Onse  Heer  die  wiltse  be- 
sweeren ,  op  dat  sij  dese  mesdaet  amen ,  Serv.  I,  1726i. 

Aanm.  Op  twee  plaatsen  komt  de  uitdrukking 
voor:  die  sonden  aren,  in  plaats  van — arnei. 
II  Vele  warenre  in  dien  daghen,  die  rovers  ende 
mordenaers  waren,  die  met  hem  bleven,  ende 
wilden  aren  die  zonden,  die  si  hadden  ^daee, 
ende  worden  in  goeden  ende  ontfaen,  Sp,  III«,  9, 
88.  Maer  die  haer  sonden  aren,  hebben  seker  wel 
ghevaren,  want  si  {die  wrake)  wert  cort  gheist, 
maer  die  wrake  diemen  ghinder  kint,  die  moA 
dueren  emmermere  in  groten  rouwe,  in  lan^hen  sere. 
Wrake  I,  676.  —  Op  deze  laatste  plaats  kan  wel 
niet  aan  eene  corruptie  gedacht  worden ,  en  is 
het  ontegenzeglyk ,  dat  aren  met  die  9onden  be- 
hoort verbonden  te  worden.  In  weerwil  van  de 
juiste  opmerkingen  in  de  noot  op  Sp.  III *,  9,  9U, 
zal  men  dus  moeten  aannemen,  dat  aren  in  dca 
zin  van  amen  kan  voorkomen  en  de  beteekeait 
heeft  van  boete  doen.  Misschien   werd  het  woord 


465 


ARNO. 


ARRI. 


466 


oTM»,  in  den  zin  yan  ploegen  reeds  eenigermate 
Teronderd   en   door  eren  of  erièn  vervangen,  ge- 
dachteloos  en   om   het  rgm  in  plaats  van  amen 
gebezigd,    evenals   ook  andere   woorden,    die   op 
weg  znn  van  te  veronderen,  verkeerdelijk  worden 
gebmikt,  als  b.  v.  verwaten  en  f^rw^tfiM^,  die  lang- 
zamerhand de  beteekenis  van  verwaand  aannamen. 
ARNOUT,  znw.  m.  Eigennaam,  de  patroon  der 
bedrogen  echtgenooten ;  Sinte  Aernonts  broe- 
der se  ap,   het  horendragersgild  ^  Rosé  8551.  Ygl. 
Roquef.    1,    90    en    751:    Arnould,    Arnold, 
Hernoux,  mari  dnpe  et  malheurenx,  en:  estre 
logé  k  rhostel  S.  Hemonx.  Ygl.  1,  89:  Am  and, 
débauché,  manvais  sajet,  en  Dnc.  1, 404:  Am  al  dn s, 
ffaneo ,  ecortator.  Welke  Amont  bedoeld  is ,  is  niet 
zeker.  Dat  de  H.  Amulphns,  bisschop  van  Trier 
zou  zijn,   die  ook  in   zijn  huwelijk   zijn    „votum 
virginitatis"  hield,  is  niet  waarschijnlijk. 

AROMA  (met  den  Griekschen  meervoudsvorm 
aramaten) ,  znw.  o.  Yan  gr.  a^tafjia.  Yerg.  ofr.  aromas 
(LaCume  2,  164).  Welriekende  plant.  ||  Mirre  ende 
sinamona,  galanga,  cassea  ende  aroma,  Alex.  Y, 
1029.  Uut  dat  graf  quam  altoes  soeten  roeck,  of 
alle  die  cruden  of  alle  die  speciën  van  aromaten 
daer  versament  hadden  gheweest.  Pass.  W.  178c. 
ARPIE  (aerpie),  znw.  vr.,  met  weglating  der 
aspiratie  voor  Har  pi  e.  Harpij^  grijpvogel\  lat. 
arpia.  \\  In  Strapides,  in  die  woestine,  pleghen 
arpien  te  sine.  Nat.  BI,  III,  249.  Wien  bediet  bet 
die  arpie  dan  .  .  die  wokerare,  III,  267. 

ARPOYS,  znw.  onz.,  voor  Harpoys.  Harpuis^ 
mengsel  van  zwavel  en  hars.  \\  Een  vat  pees  of 
aschen  jof  arpoys.  Letter k,  N.  W.  &,  82.  Een 
waghe  arpoys  of  speghelhars  1  d. ,  een  rompe 
arpoys  o.,  een  tonne  arpoys  of  speghelhars  2  d., 
Zri.  Bijdr.  5,  38. 

ARRASPENNINC.  Zie  Arre,  2de  Art. 
ARRE,   bnw.  ARREN,  ww.  ARRINGE,  znw. 
Zie  ËRRE,  Erren,  Errinoe. 

ARRE   (erre)   znw.  vr.;   lat.   «rr^  (Kil.  833: 

Arre,  Lat.  arrha).Handgeld,  handgift  ^  onderpand. 

II    Geeft  my  daer  guede  erre  op,  tot  dat  gi  my 

sent  dat   gi   mi  geloeft  hebt.  Wat  wilgi  dat  ie  u 

te    erre  geve?  .  .  Ende  Judas  gaft  haer  te  erre, 

j5.  V.  1357,  23rf.  —  Arraspenning  ofte  Godts- 

penning    {huurpenning)^  Handv.  v.   Assendelft  bl. 

250.  Kil.  833:  Arre,    Arpenninck,  lat.  arrha. 

—  Ook  als   bij  het  sluiten  van  een  contract  getuigen 

(solemmitatis    causa)   tegenwoordig    waren,    werd 

Teelal  aan  dezen  de  arrha  ter  hand  gesteld,  als 

drinkgeld     (vgl.    wijncoop,    wijncoopsluden). 

II     Siet,    hier  sidi   tugen   van,  dat    dese    ridder 

dit    self  met  mijn  (/.  sgn)  eygen  zegel  ende  hant 

besegelt.   Si   antwoerden,    het   is   waer,    want  wi 

bebbeu  den  arraspenninck  ontfangen,6r^«/.  Bom.  c.  128. 

ARREST   (arest),    znw.   onz.    Ofr.  arrest  (La 

Cume   2 ,   182).  —  1)  Het  steunpunt ,    veelal    aan 

*t     harnas,    waarop    de   lans  gelegd  werd^  die  men 

ten.  aanval  velde.   In  de  uitdrukking:   die  lance 

int  arrest  leggen,  de  lans  vellen.  ||   Terstont 

lejde  elck  sijn  lance  int  arest,  seer  fellijc  tegen 

malcanderen  r|jdende,  £j:c.  Oron.  242^^. 

2)  JDe  opgemaakte ,  a/gesloten  rekening ,  het  saldo ; 
v^l.  fr.  arréter  un  compte^  en  zie  arresteeren.  || 
Arrest  van  Ysebouts  lester  rekeninghe ,  Rek.  d.  Or. 
3  j  261.  Yan  den  arreste  van  sijnre  lester  rekeninghe , 
.  .  daer  hi  minen  here  den  grave  in  sculdich 
bleef  .  .  .,  ald.  262   (tweemaal). 

ARRESTEREN,  zw.  ww.  bedr.  Mlat.  arrestare 
(X>iic.  1,  413,  No.  3).  Yan  eene  som  gelds.  Ooed- 
/kessren^  dat  ze  in  iemands  credit  worde  gehoekt.  \\ 


Aldus  .  .  soe  blijft  Gheret  voers.  sculdich  minen 
here  den  grave  .  .  2299  ^  .  .,  die  hi  Jannes  van 
Nederhem  rechtevoert  in  ghereden  ghelde  betaild 
heeft  ende  up  hem  ghearresteert  zijn.  Rek.  d. 
Oraf.  2,  221.  —  In  onze  bet  meer  gebruikel^k 
in  den  vorm  rasteeren  (z.  ald.). 

ARRIYEREN  (ariveren,  arrivieren),  zw. 
WW.  onz.  Mlat.  arrivare ,  vroeger  adripare  (Duc.  1 , 
616),  ofr.  arriver'j  verg.  over  de  afleiding  Diez, 
Etym.  Wtb.  1,  34.  Aan  den  oever  ^  aan  land  komen, 
aanlanden j  landen.  \\  Ende  sceepte  in  de  haven 
van  der  port,  ende  ari veerde  aen  Troyenport, 
Parth.  822.  Hare  scip  was  harde  wel  ter  vloghe , . . 
so  dat  si  vor  der  vespertij  t  ari  veerden  vor  Raven- 
stene.  Wal.  9504.  Hi  reet  toter  zee  thant,  daer 
hi  een  scip  gearriviert  vant,  Lane.  III,  7683. 
Alse  dit  scep  ant  lant  van  Logres  arriveerde ,  III, 
8039.  Dus  voer  hi  soe  verre  henen ,  dat  si  savons 
vore  Athenen  arriverden  met  ghemake,  Lirrd^.  I, 
825.  Daer  bi  plaghen  sine  cnapen  altoes  ten  scepe 
te  comene  dat  arriveerde,  I,  876.  So  dat  si  in 
die  havene  arriveerden,  Èuge  v.  Bord,  73.  Zie 
nog  Lanc.  III,  8901,  9633;  Yelth.  YI,  20,  51; 
Sp.  I»,   17,   39;  Merl.  13635;  Flor.  97;  enz. 

ARSADIE.  Zie  Arsedie. 

ARSATERE  (arsatre,  aersatre,  ersatre, 
arceter,  ersatere,  ersater,  aertsater, 
artzeter,  arseter),  znw.  m.  Yan  mlat.  ar- 
chiater;  gr.  a.qxiaiqog,  Yerg.  ohd.  arzat^  mhd. 
arzdt^  ar  zet  ^  en  arzetaere^  mnd.  arste  uit  arzete^ 
hd.  arzt  ^  en  Bormans  op  Christ.  171 — 175.  Het 
zuivere  mnl.  woord  was  meester.  Arts,  wond- 
heeler,  geneesheer.  ||  Arsaters  quamen  so  si  eerst 
mochten,  diese  (die  gewonde)  souden  achterwaren, 
Wal.  7502.  Ie  bem  een  ersatre  van  wonden,  Lane. 
II,  1988.  Sornahan  ontboet  ersaters  tien  stonden 
om  te  besiene  sine  wonden,  II,  6067,  vgl.  8178, 
8376,  28108,  42631,  44827,  45067,  22820;  lY, 
4632,  9566.  Eenighen  aersater  oft  meester  .  .  in 
medicinen,  Boeck  v.  d.  L.  Jhesu  112d.  Een  wijf . . , 
die  in  aersaters  al  haer  goet  hadde  vertert,  Hs, 
V.  1348,  161*.  Die  ersatre  es  dicke  fel,  Alex.Yl, 
959.  Sijn  ersatre  Cristobolus  .  .  sach  sin  en  here 
ghewont  aldus,  IX,  991.  Nochtan  sal  ie  u  altemale 
met  minen  swerde  te  stucken  cappen ,  dat  nemmer- 
meer  erscatre  lappen  an  u  en  darf  om  ghenesen,  Limb. 
YIII,  572.  Ie  ben,  seit  hi,  arsatre  goet,  Esop.  XLIII, 
5.  Wilstu  leren  medicine  ende  vroet  arsater  te  sine , 
2>.  Cat.  171.  Ende  zi  daer  ane  volcomelike  na  des 
aersaters  rade,  ende  des  huses  staden  besueke,  of  men 
den  aertsater  hebben  mach  met  voghen,  D.  Orde  231. 
Dien  arcetere  te  hebben,  217.  Ersetre,  gansse  di 
selven ,  Leu.  v.  J.  c.  98.  Avermits  dat  gheen  stedich 
geswaeren  artzeter  int  yrst  van  onser  wegen  by 
den  gewonden  gehaelt  wurdt,  Nyh.  4,  116  {a.  1496). 
Arseter,  G.  Groote  101  var. 

Aanm.  —  Sp,  I*,  42,  6,  moet  voor  ffritf^r^  gelezen 
worden  ersatrie  (zie  ald.  3). 

ARSATEREN  (ersateren),  zw.  ww.  bedr.  Yan 
Arsatre  {ersatre).  Door  een  heelmeester  behandelen, 
geneeskundig  behandelen.  \\  Die  ghenen  die  daer 
waren  ghewont  dede  men  ersateren  terstont  ende 
verbinden  haer  diepe  wonden,  Qrimb.  I,  5139. 

ARSATERIE  (arsatrie,  ersaterie,  ersatrie, 

ook  ARTSETRIE,  ARTCETRIE,  ARCETRIE,  ERTSETRIE 

{Limb.  Serm.  20d,  21a,  33^,  d,  9»be  (driemaal)  enz.)), 
znw.  vr.  Yan  Arsatre  {ersatre). 

1)  Heelkunde,  geneeskunde,  \\  Bestu  siec,  kies 
enen  man,  die  best  van  arsatrien  can,  D.  Cat. 
225.  Hout  herte,  levre  ende  galle:  si  sQn  ter 
ersatrien  goed,  Rijmb.  15574.  Nayen  ende  arsatrie 


467 


ARSC. 


ARSE. 


468 


dan,  Ltf.  III,  14,  117.  Bese  hadde  al  hare  goet 
ghegheven  den  mestren  Tan  ersetrien ,  Lev.  v,  J.  e. 
76.  Ditfl  ?an  den  onghemacken  der  tonghen ,  alsoe 
ons  medicine  leert  ende  wijst  in  vele  honcken  van 
ersaterien,  Jan  Tp.  111. 

2)  Geneesmiddel^  ook  toouermiddel  ^  als  lat.  r^/ttf- 
dium.  II  Ie  weet  noch  selke  ersatrie,  dat  icse  bi 
der  cracht,  dier  leghet  ane,  levende  weder  ghe- 
winnen  wane,  Flor.  1271.  Ie  radi  vor  recht  ersa-. 
trie,  dattn  die  moeder  Gods  Marie  eers  ende 
an  hare  roeps  genaden,  Sp.  I',66, 161.Daeromme 
dat  hem  die  leringhe  rechts  levens  ende  der 
dinghe,  die  si  schuldich  zQn  te  hondene ,  iet  moghen 
comen  te  broke  ende  te  valle,  ende  dat  arsaterie 
sonde  zijn,  te  inucten  niet  en  ghedie,  D.  Orde  263. 

3)  Seeliundiffe,  genees kttndiff e  behandeling.  \\  So 
wie  .  .  van  yemene  gheqnetst  wordt,  die  sal  selve 
sine  ersaterie  afdoen  ende  sinen  meester  selve 
loeuen  van  dies  hi  aen  hem  verdient  heeft,  Cor, 
V.  Antw.  72,  194.  Swaerre  was  in  gere  stonde 
die  ersatre  (1.  ertatrie,  cnratio  vnlneris)  dan  die 
wonde,  Sp.  1%  42,  6. 

ARSCAP.  Zie  Erscap. 

ARSEDIE  (aersedie,  arcedie,  eersadie, 
ERSADIE),  znw.  vr.  Mhd.  arxdÜe,  arzddte,  mnd.  artte- 
die ,  arzedie ,  artedie.  Afgeleid  van  een  in  H  Mnl.  niet 
voorkomend  Artaet:  zie  verder  bij  Arsatere.  Arl- 
senij ,  geneetmiddel.  ||  Sal ve  dijn  oghen  mit  arsadjen , 
die  den  oghen  toehoert,  Hs.  76,  /.  n5d{Hs.  N.  T. 
ItOr :  mit  eersadien).  Alle  de  ghene  (sondighen  doot- 
liken)  die  venijn  ofaobbelstenenvercopen,heten  waer 
datmen  dat  venQn  om  arsedie  vercoften,  Samempr. 
f.  dSc  {aang.  bij  Huyd.  op  St.  2,  bl.  187).  Een 
tronwe  vrient  is  een  arsedie  des  levens ,  Maürte  der 
tonden ,  /.  %ld{aangeh.  ald.).  Si  had  daer  veel  ar^edy 
toe  gedaen ,  Patt,  S.  168a.  Entie  menschen  gesont 
doet  wesen  sonder  ienege  arcedie ,  3ierl.  488.  Arsedie 
tegens  die  sonde,  G.  Troen  36^.  Een  heyl  ende 
een  arsedie,  46^.  Yerwervet  den  siecken  arsedie, 
%2c.  Si  halen  spise,  si  snecken  arsedie  als  die 
wedehoppen  soe  langhe  hent  totter  tijt  toe,  dat 
haer  olders  sterven  ofte  ghesont  werden,  Bienb, 
4Ab  (Ned.  Proza  294).  Hier  omme  sal  men  sneken 
arsedie,  ald.  26a.  Dan  en  is  daer  gheen  stede  der 
aersedien  of  der  beteringhe,  ald.  102^.  Dat  onse 
crancheit  overmits  den  aertsedier  (/.  aertsedien) 
dynre  ontfarmherticheit  staende  blive,  Geüjdeb.  S. 
71  b.  Zoo  ook  Patt.  S.  168a,  vgl.  O.  H.  W.  76  en 
Stroph.  Ged.  bl.  168.  —  Ook  in  den  zin  van  toover- 
middel,  lat.  remedium.  ||  Ie  sal  dy  leren  .  .,  hoe 
dn  salste  werden  ghemint  sonder  aersedye ,  sonder 
cmut  ende  sonder  enich  bespreken  ofte  sonder 
enige  toverye,  Bienb.  693. 

ARSEDIËN  (ersadyen),  zw.  ww.  bedr.  Mhd. 
arzdlien ,  arzeÜen^  mnd.  arttedien ,  arzedien ,  artedien. 
Geneetkundig  behandelen^  heelen.  ||  Zom  dede  men  daer 
ersadyen  mit  reyner  salven,  D.    War.  9,152,374. 

ARSEDIERE  (Arseoier),  znw.  m.  Artt^  heel- 
meetter.  Verg.  Arsadie  en  Arsater.  ||  Ic  ben . . 
een  arsedier  van  woerden,  want  wert  yemant ghe- 
qnetst in  woerden ,  soe  can  ick  daer  goede  medicine 
toe  doen,  Patt.  W.  bib.  Dat  hi  een  arsedyer  van 
woerden  hadde,  bic.  Aldusdane  doet  hevet  ghe- 
leden ,  die  arsedierre  (var.  aerteter)  des  levens  is , 
G.  Groote  101. 

ARSELEN.  Zie  Erselen. 

ARSELMAENT.   Zie   Erselmaent. 

ARSENIE  (Arcenie),  znw.  yt.  Arttenij  ^  geneet- 
middel  of  genezing.  ||  Al  was  si  (Maria  Magdalena) 
sundich,  si  sochter  boete  teghen  ende  arcenie  of 
meysterie,  Brngm.  2,  329. 


ARSETE ,  znw.  m.  Ohd.  arzai,  mhd.  arsdl^artei, 
by  Kil.  „Arts e,  artset,  arste.^*  Medieut.  Over 
de  afleiding  zie  by  Arsater.  Arlt^  genettAeer.  || 
Dat  men  in  den  oversten  hnse,  daer  dat  hoeft  des 
oerdens  es ,  arseten  hebben  na  der  macht  des  kau 
ende  der  ghetale  der  zieker,  7>.  Orde  217. 

ARSOEN.  Zie  Artsoen. 

ARST,  voor  HARST,  hartt,  braadtiuk,  Sp.  III», 
16,  61;  66,  30. 

ARST,  voor  harst.  Aart.  ||  Dan  doeter  toe  wit 
arst  1  pont,  was  een  vierendeel  ponts,  dit  smelt 
overeen.  Jan  Yp.  61. 

ARSTE  (erste)  ,  znw.  vr. ;  wisselvormen  vu 
ratte y  rette^  d.  i.  rutt.  Zit  ERSTE  en  YgL  Tkêiffk 
bl.  30. 

ARTE  (aerte,  ARTE,  art),  znw.  vr.  Van  lat. 
art\  tv.  art  (La  Cnrne  2,  199). 

1)  Kuntt,  kunttvaardigheid.  \\  Al  snlc  als  die  tri 
bescrivet,  kat.  Bl.  XIII,  13.  Men  maket  (^iSfc^ms) 
bi  der  aert,  maer  dat  nes  nie  also  waeit  als  dsl 
die  natnre  bringhet,  XIII,  67.  Dat  dedene  art  eade 
niet  natnre,  ende  dedene  vliegen  die  locM  dxrt, 
Bote  6046.  Om  te  verledene  dien  mnsaert  müt 
haerre  bedriegeliker  aert,  Bote  fr.  253,  ^0. 
Een  valsch  prophete  .  .  .,  die  met  siere  qnader 
aert  vergaderde  liede  te  hem  waert,  Sp.  I*,  30,3. 
Doe  sendde  hi  bi  qnader  aert  enen  duvel  in  Ood- 
dent,  Sp.  II*,  36,  4.  Ghelnckes  weynich  is  n? 
verbaert  van  lieften  ende  van  minlicaert,  JfLiN^I, 
163.  Aert  ende  const  van  desen  sanghe  dat  is  dk 
Heylighe  Gheest,  Rnnsbr.  4,  41.  —  Bi  artei, 
door  middel  van  kttntt,  kunttmatig.  jj  Alsmease 
{die  doren)  danne  ondede,  ghinghen  np  die  aadre 
mede  bi  arten  ende  sonder  mans  hant,  Rijmb.  11467. 
Als  die  wynt  by  groter  aert  onder  die  bloeoLa 
vaert,  Troyen  6626.  —  Ook  gevolgd  van  eca 
2den  nv.,  ter  nadere  aanwyzing  der  kunst,  als:  der 
wapiné  aert,  de  kuntt  van  wapenen ^  vmm.  i^ 
hanteeren  er  van^  wapentpel;  der  minnen  aert, 
het  minnetpel.  \\  Van  den  reinen  wiven,  die  der 
wapenen  aert  aensagen ,  Brab.  F.  YI ,  1 1904.  Dte 
wert  oec  ghespeelt  der  minnen  aert.  Wint.  e.  S.  17% 

2)  Kuntt  y  laetentchap]  inzonderheid   in  het  mt. 
Ygl.  Eng.   matter,  bachelor  of  art*.  \\    Tan  sien 
scnerssen ,  dat  si  in  staden  staen  denghenen  bova 
alre  aert,  die  met  evele  sijn  vers  waert,  ^.  I*, 
47 ,  132.  Yirgilius  .  .  . ,  die  vroet  was  van  meagher 
aert ,  Troyen  f.  269  b.  Dest  Nero  van  menegher  aert, 
daer  hi  jonc  geleert  in  waert ,  /S^.  II  ■ ,  6 , 1.  Daer  si  tir 
scolen  souden  gaen  ende  hem  in  arten  doen  verstaea, 
Rijmb.  20829.  Hi  moet  een  gramargn  wesen  e^ 
te  minsten  connen  sine  parten:  dat  is  tbeghin  vu 
allen  arten,  Ltp.  III,  16,  46.  Nochtan    hi    emmff 
leerende  was  goede  arten  ende  screef  ende  las,  ^ 
II  •,  1,   17.  Van  dezer  leere  hont  soe  soole;  b^ 
so  worder  vele  in  dole  die  van  haren  aerten  lesea. 
Praet  1134.  Die  wel  hare  aerten  daer  can  spellen, 
1463.   Yan   sulken   aerten   can   ic   haer  taerten  ts 
pointe  baken,  3490.  —  Gevolgd  van  een  2<»«  nv-, 
ter  aanwijzing  der  bepaalde  kunst  of  wetenschap,  g 
In   die  arte  der  scriftnren  machmen  cnnoLe  een  \R 
ruren,  Ltp.   III,   14,    137.   Al  hadde  een  meester 
ghestudeert,   ende   hi   der   scriftueren   aert  heeft^ 
Denkm.  3,  213,  19.  Meester  van  der  sterren  aert, 
Sp.   II',    16,    4.    —  Die    seven    arten,    die 
(seven)  arten  liberale,  de  zeven  vrije  kwntiet^: 
lat.  artet  liberalet,  t.  w.  het  TVivi»»! ,  b<»tajuide  aü 
grammatica,  dialectica  en  rhetorica,  en  het  Qm^in- 
vium,     nl.     de    mnsica,    arithmetica,     g^eometoi 
en  astronomia.  Zie  Dnc.  1,  416;  MoU,  Kertgetek 
1,   369   vlgg.;   Cramer,  Getch.  der  ~ 


469 


ARSE. 


ARTI. 


470 


in  VnUrr.  4—18 ,  en  verflr.  Ltp.  UI ,  14 ,  08—104.  || 
Tan  yn  aerten  es  hi  clerc,  Partk,  6706.  Ie  bem 
vtn  YII  aerten  yroet,  Alex,  III,  356.  Alquinns  .  . . 
die  wQs  in  zeven  orten  was,  Ltp,  II,  48,  1199. 
Gramaria   ende  Lo^ike,  daer  na  Geometrie  ende 
Maaike,    Arismetrike  ende  Astronomie  ende  die 
heyli^he  Theologie  .  .  . ,  dit  sgn  die  aerten  liberale, 
ni,  14,  67—101,  vgL   13  vlgff.  en  IV,   7,  20. 
Ende  ;  verstonden  hen  oec  wale  In  die  arten  libe- 
rale, Sp.  11^,  32,  7.  Bese  Felix  eerst  studerende 
sat  .  .  .  in  die  arten  liberale,  11^,  47,  6.  Diese 
jonc   dede   leeren    wale   in    (Ue   aerten    lyberale, 
n*,  3,  83.  — Meester  der.  (in)  arten,  meestsr 
w  de  vrije  kunsten;  Maaier  ar  Hum  (eng,  vuuier  of 
arts,   II   Alsic   dan  weder  thns  come,  so  bem  ie 
meester  van  der  (den?)  arten,  Boerd.  IX,  34.  Ie 
wil  noch  te  Parijs  drie  jaer  bliven  ende  werden 
meester  in  aerten,  so  wil  ie  dan  vier  jaren  wonen 
te  Moopelier  ende  werden  daer  meester  in  medi- 
einen,    ende    so    wil   ie   dan   vQf  jaer   wonen   te 
Benoniën  (Bologna)  ende  werden  daer  meester  in 
éie  wet,  Devoet  ^.  (36)  42  p. 

3)    Kunety  iunêtyreep.  ||  So  dat  die  pape  met 
deser  aert  nten  wiele  verlost  waert,  I^anc.  8765. 
Desa  mach  men  qnalike  vaen  met  engiene,  met 
ghere  aert,  Nai.  BI,  II,  3266.  Also  haddi  hem 
bewaert  met  weldoene  alsonder  aert,  Sp,  I',  73, 23. 
—  In  het  byzonder  van  bovennatuurlijke  kunsten , 
tooperkunetj  toovenhiddel,  ||  Eene  flgnere  gemaect 
bi  aerten  ende  bi  congnre  (door  Medea),  Troyen  703 
(tekst    contten).  Hare   aerten  (aldus  te  lezen  voor 
nertten)  ende  hare  conjuramente  (ooi»  Ovrce\  9628. 
Aanm.  —  By  Aert  (2<i«  art.)  werd  reeds  opge- 
merkt, dat  Aert^  in  den  zin  van  behendige ,  slimme 
of  listige  wQze  van  handelen,  en  Aert ^  y oor  Aerte^ 
Jrt^   kunst,  kunstgreep,  in  beteekenis  meermalen 
samenvallen,  zoodat  het  soms  moeiiyk  te  beslissen 
▼alt ,  welk  van  beide  woorden  bedoeld  wordt.  Hoewel 
het  geslacht  het  kenmerkend  onderscheid  is,  wordt 
dit  ook  wel  eens  verward ,  en  Arte ,  aert^  art,  m.  ge- 
bruikt, waar  niet  anders  dan  het  vr.  arte  bedoeld 
kan  zi|n.  Zoo  leest  men :  „Bese  es  meester  in  den  aert 
(of  1.  aerten?)  in  looye  oft  in  theologjen ,  Amand II , 
1916;  n^^s^  '^^^  toeverare  verstaet,  diet  met  #tf /it^i» 
itrfe  yaet,"  Nat,  BI.  YI,  109  (bQ  B.:  „met  selker 
aerd^^');  „Daer  wrocht  Yenns  den  rechten  aert," 
MLoep  n,  403.   „Ie  wil  de  tafel  gaen  decken  nae 
den    aert,"    Cl,    v,    PU^erw.  238.   „Bat    hi  dien 
aert    entie    crachte    leeren    mochte,    die   Phillip 
dede,*^  1^,  V,  45,  34.  —  utf^r^,  kunst, kunstgreep, 
sal    ook   bedoeld   s^n   in   de  bedorven  plaats  der 
Jiaf,    BI,   ni,   1920,   die  verbeterd  aldus  luidt: 
„£iide   visieren  ende  willen  leren  haren  biechten 
«alken    aert,   dat   si   niet  en  doghen  ter  vaert." 
—  In  het  gedicht  Van  den  IX  besten,  136,  leest 
men :    „Julius  Cesar ,  den  vromen ,  vroet  van  sterren 
ende    Tan  aerde^^  Ook  hier  zal  men  aerde  moeten 
Torklaren  als  arte,  kunst,  hoezeer  «^^  in  verbogen 
vorm    oêrts  zou  moeten  zijn.  —  Omgekeerd  vindt 
men  JAmb,  Serm,,  138a,  het  vr.  art,  waar  men  veeleer 
het  ni.  aert  sou  verwachten.  ||  Alse  hi  nagotliker 
art    der   engele  spise  was  in  himelrike,  also  ishi 
worden   ene  spise  der  menschen  na  menscheliker 
art  in   ortrike. 

ABTETT ,  znw.  vr. ,  voor  Hartheit,  Hardheid,  \\ 
Siin  Tleesch  hevet  arteyt  groet.  Nat,  BI  II,  3160. 
ABT£TIKE,  ARTENTIKE.  Zie  Arthritike. 
ARTHBITIKE   (artitike,   aertitike,  arte- 

TIKE«    ARTENTIKB,   ARTIKE,  ARTILTIKE),  znW.  vr. 

Ver^.  ARCENTIKE  eu  mlat  prov.  arteOea  gutta  (Buc. 
1  ,  420;  Bayn. 2,129),vangr.  a^^^»T»xij  vógo^. 


Jicht,  inzonderheid  voeteuvel,  podagra.  ||  Honden 
scoen  sgn  sekerlike  goet  jeghen  die  arthritike ,  Nat, 
BI.  II,  774  var.  Bit  salve  rike  es  goet  jegen  die 
artitjke ,  n ,  2919.  Oec  sal  hiere  hem  mede  bestriken, 
die  siec  es  van  artitiken,  YIII,  440.  Bese  gheneset 
daertitike,  ZII,  934.  Hande  ende  voete  hadde  hi  te 
desen  al  vol  van  artitike ,  i^.  II  ■ ,  86 ,  12.  Bie  geweest 
hadde  vore  die  stont  van  artiltike  so  onsochte, 
11^,  6 ,  68.  So  was  die  heilege  martelare  van  artentike 
besiect  so  sware ,  dat  hi  en  mochte  gaen  no  staen , 
II*,  18,  181.  Es  hi  cropel,  blent  of  stom  of  van 
den  (/.  der)  artentikencrom,III^,  6,  44. Lankevel, 
ghicht  ende  tisike ,  fistel ,  kanker  ende  artike ,  Bein, 
II,  6389.  Sulck  wort  lévens  lyfs  verderft  mitter 
gvchte,  mitter  artjcke,  Hild.  49,  48.  Nu  bin  ie 
gnecomen  te  rusten  tieghen  minen  danc  mids 
tfiederzine  ende  mit  die  artike,  die  mi  quelden, 
Ned.  Proza  266.  Al  leidde  hi  seer  die  artgke  oft 
flederciin,  Exc,  Oron,  249d.  Mids  tfiederzine  ende 
mit  die  artike,  Ned.  Proza  266.  Bisscop  Tredene 
(wert)  cranck  van  artyoke  ende  sterf ,  Matth.  .ina/. 
3,  211.  ~  Artike  van  Napels,  renusgiekte,\\ 
Tr.  Scamel  Ghemeinte  leifde  in  oncuuscheyt,  .  .  . 
ende  noch  zonde ,  ten  dede  ...  Se.  Wat  dynghe  ? 
Tr,  Bartycke  van  Napels,  ZVl,  Bijdr.  6,  331,121. 

ARTICH.  Zie  ortich. 

ABTICULE,  znw.  onz.  Tan  lat.  artieulus.  Punt , 
zaak,  II  Bj  desen  ende  meer  ander  articulen  de 
liefde  smelten  sonde  ende  vergaen,  Sacr,  1202. 

ARTIKE.  Zie  Arthritike. 

ABTILLEBIE  (artelrie),  znw.  vr.  Tan  ofir. 
artillerie  (La  Cume  2,  206);  mlat.  arA7/!iirkt  (Buc. 
1,  422),  afgeleid  van  lat.  ars,  evenals  ofr.  engin, 
mnl.  engien,  van  lat.  ingenium,  met  denzelfden  over- 
gang van  beteekenis:  zie  Blez,  Etgm,  Wtb,  1,  36. 

Werpgeschut,  zoowel  pQlen,  hand-  en  voetbogen, 
als  later  ook  vuurwapenen,  en  andere  werktuigen 
en  benoodigdheden  voor  artillerie  en  genie.  || 
Hi  sal  noch  voeruut  hebben  alle  die  artillerie, 
hamasch  ende  weere,  die  nu  is  in  myn  poerte  te 
Ploych,  Test,  van  1402,  in  D.  War,  6,  172.  Be 
poederen,  de  carren,  de  smeden,  de  spitters,  de 
aelvers  ende  waghenaers,  ende  alle  de  wercken, 
diemen  doet  ter  cause  van  der  artillerie.  ...  Be 
Prince  mach  hebben  drie  hondert  monden  van  artil- 
lerie ,  daer  mede  dat  hy  hem  behelpen  ende  vechten 
mach,  sonder  de  haegbussen  ende  colueverynen ,* 
Matth.  Anal.  1,  316.  Be  jeghenrolle  van  allen 
den  costen  .  .  .  der  artillerie,  gelQc  van  boghen, 
schichten ,  voetbogen ,  gescutten ,  stocken  in  de  hand 
van  coorden,  ende  allen  anderen  noodtsaeckelicken 
dinghen,  317.  Bie  hertoge  dede  vergaderen  .  .  . 
alle  haer  artelrie  op  eene  plaetse,  Exc.  Cron. 
223  b. 

ARTILLEUR,  znw.  m.  Zie  het  vorig  art.  Ofr.ar^A 
Her  (La  Cume  1 ,  207);  mlat.  artillator  (Buc.  1 ,  422). 
Krijgsman ,  belast  met  het  toezicht  op  het  geschut  en 
tevens  met  de  werkzaamheden  der  hedendaagsehe  Genie, 
II  Ende  es  de  artillier  gestoffiert  ende  gamiert  van 
allen  dinghen  in  sulcker  wf|s ,  dat  de  Prince  niet  en 
sorge  omme  te  lydene  de  rivieren  in  corten  ty  t  van 
dusent  voeten  lanc,  op  dats  van  noode  sy.  Ende 
maectse  sterc  ende  styf  omme  te  passeeme  de  meeste 
bombaerde  van  al  derwerelt,  Matth.  Anal,  1,318. 

ARTISTE ,  znw.  m.  Van  mlat.  arOsta  (Buc.  1 , 
423).  Beoefenaar  der  vrije  kunsten,  der  Artes  libe- 
rales;  geleerde,  \\  Bes  philosophen  listen  bevele  ie 
den  constighen  artisten,  MLoep  I,  69. 

ARTITIKE.  ffle  Artiiitike. 

ARTLANT.  Zie  Aertlant. 

ARTSC.  Zie  Ertsch. 


471 


ARTS, 


ASAU. 


472 


*  ARTSCEPSCEPE ,  verkeerde  lezing,  Velth. 
VII,  27,  44.  Zie  Ertsbisscop. 

ARTSCEBISSCOP  (aertsce  bisscop),  znw.  m. 
Naar  eene  volksetymologie ,  die  de  waerde  vaa  AaTt4 
niet  kende  en  in  verband  bracht  met  Aerde.  Aarts- 
bisschop. II  Artscebiscope,  biscope,  Z/a»<r.  IV,  5182. 
Meestre  ende  aertscebiscop  met,  Velth.  VII,  27,  59. 
Om  dat  hl  van  hem  een  aertsche  bisscop  geconsa- 
creert  sonde  worden,  Pass.  W.  f.  Ibd.  e.  e.  —  Zie 
verder  Ertsbisscop  en  ardsbisscop. 

ARTSCOEN.  Zie  Artsoen. 

ARTSCH,  bnw.,  voor  aerdsch  of^^<?^,  aardsch. 

♦  ARTSENEREN,  zw.  ww.  bedr.  Bedorven  lezing 
voor  aet  se  meren,  Orimb.  II,  6613  (tekst:  ge- 
artseneert^  Var.  geasemeert.)  Zie  op  ACHEMEREN. 

ARTSETRIE  (artcetrie).  Zie  Arsaterie. 
ARTSOEN     (artson  ,     aertsoen  ,     arsoen  , 

AERSOEN  ,   ARCHOEN  ,   ARDSOEN  ,   ARTSCOEN, 

ERSOEN,  hersoen),  znw.  onz.  Van  ofr.  ar^n  (La 
Cnrne  2,  130).  Zadelboom  ^  zadelboog.  A.9,n  den  zsAel 
waren  twee  bogen:  dat  artsoen  vore,  entach- 
terste  artsoen.  ||  Meneghen  stac  men  dar  den 
buuc  metten  glavien,  dat  die  ponjoene  nteqaamen 
ten  achtersten  artsoene,  Wal.  10632.  üpt  archoen 
van  den  ghereide,  3694.  Alse  die  coninginne  thoeft 
heeft  versien  an  thersoen  hangen,  Laru:.  Il,  1355. 
Ende  vorde  an  sijn  arsoen  nochtan  eens  ridders 
hoeft  hangende  al  bloet,  II,  1668.  Agraveyn  nam 
dat  hoeft  daer  nare  ende  hinct  an  tersoen  bi  den 
hare,  II,  5771.  Hi  sloech  darchoen  vore  ende  dat 
part  mede  al  dore,  II,  13395.  Hi  sat  op  een  stare 
swart  part,  ende  hinc  an  sijn  archoen  ene  haecse, 
II,  17227.  Hem  ontsanc  soe  sijn  bloet  te  handen, 
dat  hem  sjjn  swert  viel  nten  handen,  ende  hilt 
hem  an  dat  artsoen  voren,  II,  20218.  Alsi  an  die 
artsone  dede  die  hant,  ende  sineu  voet  in  den 
stegebant,  ende  waende  hem  lichten  in  sijn  gereide , 
braken  die  daregarden  beide,  II,  44741.  Deen  stac 
den  anderen  so  onsote,  daer  si  quamen  te  gemote, 
dat  haer  arsone  beide  craken,  III,  21771.  Om  sijn 
bijl  hiet  hi  oec  lopen:  men  halet  heme,  ende  hi 
ginct  knopen  ane  daertsoen  van  sinen  gereide ,  Ferg. 
487.  Hi  waerp  hem  voUec  in  dartsoene,  1106.  Elc 
sloech  andren  metten  s warde  van  haren  helmen 
grote  stncken,  dat  si  op  hare  aertsoene  bucken, 
1872.  Dat  aersoen  hi  begreep,  ende  spranc  op  sonder 
stegreep,  3793.  Stegereep,  deregarde  no  artscoen, 
Lorr.  II,  450.  Hi  onthilt  hem  met  allen  met  crachten 
voren  an  tarscoen,  II,  756.  Ende  maecte  int  hooft 
een  grote  wonde,  soe  dat  hy  nicte  op  sijn  artsoen, 
Grimb.  II ,  2660.  Die  darme  lagen  den  baroen  boven 
up  dardsoen,  Belg.  Mus.  2,  337,  77.  Hi  hadden 
ghesleghen  neder,  en  hadt  ghedaen  sijn  aertsoen, 
Limb.  VII,  1292.  Ene  coorde  so  haddi  ghecnocht 
an  sijn  aersoen,  die  hi  ontbant,  O VI.  Lied.  en  Ged. 
242,  264.  —  Zie  nog  Lanc.  II,  17242,  28646;  IV, 
6236;  GHmb.  II,  2501,   3468;  Limb.  II,  699;  enz. 

ARTWELP.  Zie  Aertwelp. 

ARVACHTIG,  ARVE,  ARVELIJC,  ARVEN, 
ARVENESSE.  Zie  Erkachtich,  Erve,  Erflijc, 
Erven,  Ervenesse. 

ARWETE,  znw.  vr.,  erwt.  Zie  Erwete.  ||  Vitsen , 
bonen,  arweten,  ZFl.  Bijdr.  5,  56  {a.  1252).  Pilulen 
liic  arweten,  Lanfr.  116r.  Zoo  ook  O.  R.  v.  Dordr. 
2,  184. 

AS.  Zie  Alse  (l«»e  en  2de  art.) 

ASAGE  (aesage),  znw.  vr.  Van  het  voorv.  a, 
dat  hier  ontkennende  kracht  heeft,  en  Sage^  van 
seggen.  Het  woord  asage  is  uit  de  verwante  germ. 
talen  niet  bekend,  doch  naast  ohd.  kóson^  loqui 
staat  dchosunga^  delirameutum  (Graff4,  506);  Mhd. 


dkóseny  albemes  schwatzen ;  en  zoo  kent  het  mhd. 
ook  dsprdcke  en  dsprachen^  wahnwitzige  rede  ea 
wahnwitzig  sprechen  (Lexer  1,  101).  Asage  YtrWt^ 
tot  avesage  (Kil.  en  vgl.  awech)  ,  evenals  een  tot 
heden  niet  gevonden  mnl.  znw.  asprake  tot  het  1^ 
Kil.  vermelde  avespraecke  heeft  kannen  worden.  ïkt 
Taalgids  6,  30.  Beuzelpraat y  sprookje.  \\  Soni« 
dichters  die  sijn ,  die  asaghen  ende  tnrelaren  dichta 
van  der  avonturen ,  Teest.  1617.  Hoe  hebdi  n  beset 
dat  ghi  die  X  ghebode  niet  en  wet,  ende  ghi  m 
vele  aesaghen  vertrecken  cont  ende  ghewaghei? 
2548.  —  Zoo  is  ook  misschien  te  lezen  voor  vraft, 
Sp.  IV',  29,  38:  ||  Dit  es  al  erande  rris^^,  dat  ma 
aldus  goeden  man  met  loghene  prgs  leget  an. 

ASAUT.  Zie  Assaüt. 

ASCAUDEN,  voor  Aenscowoen.  ||  Ie  en  miek 
nemmermeer  ascauden  dat  zalich  ende  minlic  anseyi 
ons  Heeren,   V.  Maegd.  598. 

ASCH,  znw.  vr.  Esch^  de  bekende  boom.  ||  Dimt.^, 
215:  fraxinus  ,  tuek. 

ASCHE.  Zie  Assche. 

ASCHSOUT,  znw.  o.  Kil.  aschsont,  9al  ëd»l- 
teratum^friabih.Veroalsehtytpeekzout.  ||  Aschzomdt 
of  clijnzondt  off  zondt  van  zondt,  O.  È,  v.  Dorir. 
1,  279,  56. 

ASDOREN,  znw.  m.  Eschdoom.  \\  Alse  die  asdom 
bem  ie  verhoocht  biden  watren  in  den  straten ,  Bs. 
V.  1348,  220*  (Vgl.  Jes.  Sgr.  24,  15  ;  Vuig. :  uipUls- 
mts  exaltata  sum  juxta  aqnam  ^n  plateis). 

A8ELGIËREN.  Zie  Assaelgiercn. 

ASEMENT.  Zie  Aisement. 

ASE^IEREN,     ASE&IURE.   Zie     Achemebe?;, 

ACHEMURE. 

ASE.  Zie  OSE  (d.  i.  Aoos.)  Vgl.  aksvat. 

ASELEEREN  zw.  ww.  bedr.;  fv.assoler.  GtUjk, 
glady  vlak  maken.  Pongens ,  Archéol.  froÊ^.: 
a  8  s  o  1  e  r ,  rendre  égal  an  sol ,  de  niveau  avec  k 
sol,  raser,  aplanir.  ||  Stenen  .  .  wel  gheanvei 
ende   gheaseleert,  Invent  v,  Brugge  Int.  402. 

ASEN.  Zie  osen. 

AS  EN,  zw.  WW.  onz.  en  bedr.  Ysm  Aes ,  ToedsA. 
Mnd.  asen. 

Onz.  —  1)  ZieA  voeden ,  vreten ,  zichiego^d  d»e%, 
op  voedsel  uitgaan  ^  vooral  van  dieren  (visschei. 
vogels  ,  enz.)  ||  So  welctijt  dat  hanghen  den  voghele 
sijn  hoeft  ende  oec  sine  vlogele,  .  .  .  ende  hi  welu 
aset  niet.  Nat.  BI.  III,  1611.  Nachts  aest  (Ar 
paeldine)y  V ,  70.  Ende  die  goede  pladlsen  opla»ft. 
daer  ghi  selve  mede  aset,  Èein.  II,  215.  OokÜAi. 
I,  212  zal  men  6f  moeten  lezen :  w  «^/r^ ;  cl^y*:  Doegb 
daer  ane  hadt  gheaset  (vgl.  TiJdseA,  1 ,  6) ,  of  n^ 
juister  u  veraset  (vgl.  ald.  2,  208). 

2)  Met  aas  visschen,  \\  Om  deser  teelt  wiUa 
heeftet  van  outs  recht  .  .  .  geweest ,  dat  alle  stac»- 
luden  mosten  den  cabbeljauwer  al  dat  vercopa 
dat  sy  vinghen,  ende  hem  oirbairlic  was  mede  to 
azen,  totter  tijt  dat  sj  aes  genoech  hadden.  .  ■ 
Dairom  so  wast  weder  recht,  als  die  cabbeljaover 
gheaest  hadden  ende  in  der  zee  waren ,  Matth.  ld). 

Bedr.  —  1)  Enen  — ,  iemand  vaeeUn^  r««rv», 
voedsel  geven  ^  vooral  van  dieren  (visschen ,  vog^ 
enz.).  II  Ute  dien  watre  neghen  waerf  assene  t^ 
hem  bedaerf ,  Nat.  BI.  III ,  1699  (var.  ae9eme ,  a»€ni\ 
Die  hi  {het  mannetje^  aset  ende  voet  sine  sie  ^relc  t|ts 
broet,  III,  2161.  Oec  8^nrejonghe,di6  uteTÜegha 
.  .  .  ende  hem  selven  alleene  asen,  III,  2989. Dit 
asense  weder  ende  voeden  tote  si  geplnmet  moghêo 
wesen,  III,  3521.  So  prent  hi  dat  hem  es  naest. 
daer  hi  hem  selven  mede  aest,  V,  915.  Zwadlt- 
wen ,  die  hen  zelven  vlieghende  azen ,  Praet  *±\1^ 
Die  grijp   sinen  arm  geprant,  .  .  ende  alsde  siae 


473 


ASEË. 


AÖIC. 


474 


jongen  daer  mede,  Belg,  Mut.  7,  445,  163.  Om 
die  vogelen  te  azen  ende  te  voeden,  Felgrim  2b. 
—  Ook  van  menschen.  ||  Met  valschen  geloeve 
connen  sise  asen ,  ende  dats  al  om  ane  hen  trecken , 
/S^.  II',  8,  130.  Men  sonde  een  sot  mit  bonen  azen , 
hl  en  can  gheen  wiltbraet  wel  hantieren,  Hild. 
73,  30. 

2)  Iet  — ,  ie^  aU  voedsel  geven.  ||  Roept 
hi  oec  te  vele  int  huns ,  so  nem  eene  vledermnus , 
ende  gkestampt  peper  daer  inne :  dat  ase ,  hi  swighet 
ten  beghinne,  Nal.  BI.  III,  1547.  Cost  om  die 
tfline  (/.  sijn?)  verdwaest,  hets  verloren  wat  men 
oest,  Benkm,  3,  3,  41  {ald.  bl.  400:  samptas  pro 
iuyando  prodigo  perditus  est). 

3)  Iet  — ,  iets  als  voedsel  gebruiken^  inslikken^ 
zwelgen.  YgL  ons  op  iets  azen.  \\  Als  si  swelghen 
moghen  ende  asen  die  vette  morseel  ende  die  goede 
spise,  Bein.  Il,  5050. 

4)  Van  lokaas  voorzien  ^  vooral  tot  het  vangen 
van  visschen.  ||  Met  desen  woerme  es  datmenaest 
die  yghinne  (var.  hinghene)  ende  vische  verdwaest , 
JNat.  BI.  VII ,  1028.  Om  cabbeljanwe ,  ghecoft  ende 
ghesonten  te  Sceveninghe  bi  Janne  van  Diest ,  dair 
thondert  of  coste  eerst  coeps  3  ® ,  ende  dair  omme 
soe  sontse  him  selven  azen.  Bek.  d.  Graf.  2,  168 
(verg.  172). 

ASERE,  znw.  m.  Hij  die  (dieren)  voedt  ^  onder- 
houdt {pi  lokt?)  II  Een  vogelaer  of  een  azere  van 
vogelen.  Pelgrim  2b. 

ASICHDOEM  (Aesdoem),  -doniy  znw.  m.,  ofri. 
aesgadoem  (Richth.  612a).  De  oudere  rechtsbedeeling 
in  een  gedeelte  van  ons  land ,  vooral  in  de  Eriesche 
gewesten,    en  niet  Zuidelijker  dan  Maas  en  IJsel, 
het    tegenovergestelde  van  schependom^  dat  vooral 
in  de  Frankische  gewesten  voorkomt.  Asichdom  of 
aesdom  is    de   rechtspraak  door  den  Atage  {Asige^ 
Asege ,  Asinge ;  zie  Asige),  d.  i.  toets-  of  rechtszegger , 
hij    die  uitspraak  doet.  By  beide  rechtsbedeelingen 
is     een    schout,    als   vertegenwoordiger    van    den 
graaf  of  van  dengene,  op  wien  het  grafelijke  gezag 
is    overgegaan,  £e  de  terechtzitting  leidt;  in  het 
Aesdomsrecht  wijzen  de  Buren  vonnis,  aan  wier 
hoofd  de  Asige  staat,  die  het  vonnis  voorstelt.  Aller- 
lei  misbruiken   leidden   er   toe  dat  men  aan  het 
schepenrecht  (d.  i.  de  rechtbedeeling  naar  Zeeuwsch 
of  Frankisch  recht)  de  voorkeur  begon  te  geven, 
en  het  aesdomrecht  eindel^k  geheel  werd  afgeschaft. 
Onder  Karel  Y  was  er  nog  een  Asega  in  Rijnland. 
Zie  Grimm,  B.  A.  781;  Noordewier  360  vlg. ;  Richth. 
609  vlg.;  De  Groot,  Inl.  II  §  28 ;  Oudenh.  Z.  i/i?//. 
^Iö8    vlgg.,  vooral  461;   Lams   136—139  en  Ndl. 
Wdb.  op  Aasdom.  Het  onderscheid  tusschen  aasdom- 
recht   en  schepenrecht  komt  vooral  scherp  uit  by 
het     recht    van    successie:    het    eerste    huldigde 
den    regel:    „het   naaste  bloed  beurt  het  goed", 
het    tweede:    „het   goed   gaat   daar  het  van  daan 
komt."  II  Welck  kint  mach  betelen  vaders  arffenisse 
alleen  by  twieer  manne  tale  unde  by  azage  doeme , 
IPro    £xcol.  6,  703.  Is  voirts  mede  geordonneert , 
dat    broeders  ende  susters  van  een  halve  bedden 
fi^el^ckelicken  succederen    ende   erven  sullen  mit 
hoeren  broeders  ende  susters  van  den  vollen  bedde 
.   .    .   in  alle  die  roerende  goederen,  waer  die  oick 
^eleeg^en  zQu ,  ende  oick  in  onroerende  goeden ,  leg- 
gende in  aesdomme;  maer  onroerende  goeden  leg- 
g^ende  in  scependomme  sullen  alleen  besterven  ander 
Eijde   vandaen  de  selve  gecommen  zQn,  K.  enO.v. 
'JDelft  131 ,  9.  In  alle  goeden  liggende  in  aesdomme , 
ald.    7.  In  alle  die  goeden  .  . ,  zoe  wel  liggende  in 
aesdomme  en  scependomme,  133,   14.  Zie  verder 
art^.     7 — 14.  —  Aesdom  en  Asichdoem  komen  ook 


evenals  Schependom  voor  in  den  zin  van  het  gebied  ^ 
waar  aasdomsreeht  {of  schependomsrecht)  geldt.  —  Zoo 
werd  een  deel  van  Amstelland,  t.  w.  Ouderamstel  en 
Nieuweramstel  Asichdoem  geheeten  (Mieris  3 ,  473  a , 
d;  4,  254  a;  640  a)  In  Maart  1388  zijn  daar  de 
asigen  door  schepenen  vervangen  {ald.  3,  486d.) 
Doch  de  landstreek  behield  den  naam  naar  de  oude 
instelling.  Nog  heden  onderscheidt  men  Abcoude 
Proostdij  en  Abcoude  Aas  dom. 

ASICHDOMSC  (Aesdomsc),  bnw.  —  Vooral  in 
de  uitdr.  aesdomsc  recht,  recht^  zooaU  de 
asega  toij*t\  recht,  dat  geldt  in  het  gebied,  waarde 
asega  bij  de  rechtspraak  eene  rol  speelt.  Zie  het 
vorige  Art.  ||  Dat  alle  goeden,  leggende  binnen 
die  vrjheit  der  stede  van  Delft  .  .  erven  ende 
besterven  sullen  nae  aesdomssche  rechte  ende 
an  den  naesten  vanden  bloode,  sonder  anscouw  te 
nemen  van  waen  de  selve  goeden  gecommen  zijn, 
K.  en  O.  V.  Delft  131,  7.  Aesdomsrecht,  ook 
Oudenh.  Z.  Holl.  458  vlgg.  passim.  Te  landrecht 
van  Rijnland,  dats  te  verstaen  tote  aesdomschen 
recht.  Mieris  2,  374  3  («.  1326).  Vgl.  ald.  „tote 
Aesdomich  recht",  dat  dezelfde  beteekenis  heeft. 
—  Aesdomsce  goederen,  goederen,  die  volgens 
asegarecht  ver  erven.  ||  Dat  gheen  kintskinderen  sullen 
moegen  .  .  eyschen  van  die  aesdomssche  goeden, 
K.  en  O.  V.  Delft  131 ,  10. 

ASIEN  (Aasien),  misschien  hetzelfde  woord  als 
lat.  Asianus,  een  Aziaat.  ||  Malcus  ginc  op  ende 
neder  in  die  port  horen  ende  sien,  onkint  (1.  ontkint 
d.  i.  onkenbaar  gtmaaki)  als  een  aasien,  Sp.  II', 
21,  28.  In  de  uitgave  is  Aasien  met  een  kapitale 
A  gedrukt  in  de  veronderstelling ,  dat  Utenbroeke 
wilde  zeggen:  een  bedelaar  in  Aziatisch  gewaaS. 
Yinc :  „quotiens  intrabat  urbem ,  figura  se  et  habitu 
mendici  vestiebat.^' 

ASIGE  (Asege  ,  Asvge  ,  Asinge),  znw.  m. ;  ofri. 
asega ,  asiga ,  asga ;  os.  éosago;  ohd.  éasagdri,  éwgo  ; 
mnd.  asige,  asege,  asge.  Hij  die  in  het  aasdoms- 
recht  het  vonnis  wijst.  Zie  verder  ASICHDOEM  ende 
daar  aangeh.  schrijvers  en  voor  het  ofri.  tal  van 
voorbeelden  b^j  Richth.  609  vlgg.  ||  Scepenenende 
scouten,  aysigen  ende  vronen.  Mieris  2,  683a,  b 
{a.  1344).  Wallgeboren  mannen,  scepenen,  azigen 
ende  gezworen,  4,  644a  {a.  1422;  de  spelling 
asing  komt  reeds  voor  in  1388 ;  (Mieris  3 ,  4866). 
Wy  scout,  azing,  ende  geburen,  Oudenh.  Z.Holl. 
461.  Yoert  dat  de  azygen  wyzen  souden  in  Kenne- 
merlandt,  dat  sullen  die  schepenen  wvsen  in  al- 
sulcken  recht  als  die  azygen  wysen  souden.  Mieris 
1,  5356  {a.  1292;  Lams  2  en  42;  Oorkb.2,  375a 
(azeghe,  azighen).  Dat  die  azighe  wysen  souden  in 
Yrieslant ,  dat  sullen  die  scepene  wysen  in  alsulken 
recht  als  die  azige  wysen  souden ,  Mieris  2 ,  90a  (a. 
1310).  Yerwandelinge  der  azygen  in  schepenen  (in 
Kennemerland) ,  4,  8316.  (a.  1415).  Ygl.  de  resolutie 
der  St.  van  Holland  van  9  Oct.  1577  (bij  Yan  Loon, 
Aloude  Eeg.  van  Holland  4,  180):  „De  Staten  van 
HoUandt  ende  Zeelant  hebben  geresolveert  ende 
verclaert,  dat  voortaen  binnen  aUe  dorpen  in  den 
quartieren  vau  Rynlant  gelegen  den  azingen  sal 
cesseren  ende  dat  mitsdien  binnen  den  selven  dorpen 
mit  gene  azingen ,  mer  mit  schepenen ,  als  in 
Kennemerland,  gedongen  .  .  sal  worden.  —  De 
samenst.  asichboec,  aesboec,  sch^nt  mnl. 
niet  voor  te  komen.  Ygl.  ofri.  as  e  (k)  bok  en  mul. 
asige-,  asing-,  asge-,  aesbdk,  richterbuch, 
gesetzbuch. 

ASIMENT.  Zie  Aisement. 

ASINGE.  Zie  Asige. 

ASCOÜTEN,  ASCOÜTER.  Zie  Acouten, 


475 


ASOY. 


Assa: 


476 


ASOT  (AZOYf  azoet),  snw.,  Auaois  in  het 
liertogdom  Bonrgondië.  —  Als  benaming  tan  een 
in  de  Middeleenwen  geliefden  wQn;  mnd.  tuoe, 
Msoye,  II  Een  deel  proYiancy  van  wynen,  Tan  bier 
ende  asoj,  Oorl,  v.  Albr,  137.  Acoey,  malTeseje, 
221.  Om  wf|n  van  Axoey  mede  te  copen ,  219.  Wtjn 
yan  azoej,  ypocraa,  222.  Soe  wie  petauwen  tapt 
of  asoyen,  en  aal  geen  rinssche  wQnen  mogen 
tappen,  Wielant,  Inttr.  177,  14.  Wine van azoyen, 
Invent.  r.  Brugge  4,  439.  Ygl.  AOOY  en  Lubben 
1,  134  en  de  daar  aangeb.  acnryvers. 

ASPIS,  znw.  m.  Adder ^  lat.  atpi9\  Nat,  Bl.Tl, 
97,    126,   447;   XII,  696.   —  Ook  Aspendier 

feheeten,  iasilisi,  ||  Wi  leien  ooc  yan  den  aspen- 
iere ,  dat  draecht  so  groot  yergiffenisae  in  ijn  hoyet, 
dattet   menicb    dier   des    lives    berovet,    aangek, 
Germmiia  2,  172, 
ASSAELGIEKEN    (assailoieren  ,    assaloie- 

REN,  ASSELOIEREN,  ASSALLIEREN  ,  ASSELLIEREN, 

ook  ESSELOiEREN  {Ltmc.  II,  83916),  zv.  WW.  bedr. 
Mlat.  adgalirey  atMalke^  ofr,  attaliry  asêaillir,  fr. 
MuUllir.  Ygl.  ASSAUT.  Bespringen,  aanvailen. 

d)  Bespringen,  bestormen,  eene  vesting;  ook  by 
nitbr.  een  land.  ||  Bns  beeft  Otte  die  coninc  saen 
Aken  die  goede  stat  bestaen  ende  assalgierde  die 
porte  mede,  Lorr,  If  627.  Dat  die  van  Grimbergen 
Nettelaer  asselgierén  wonden  ende  breken,  Orimi, 

I,  3293.  Ene  stat  a.,  Orimb.  II,  986;  Ferg, 
4202;  Umö.  VII,  196,  969;  XII,  61;  Larr.  I, 
022.  Die  porten  «.,  limb,  Y,  366,  1463;  YII, 
1023;  XII,  66.  Den  casteel  0.,  Yeltb.  Y,  31,  9; 
Base  9691.  Ene  borch  «.,  Grimb,  I,  3181; 
Heeln  7807.  Dlant  «.,  aantasten,  Yeltb.  Y ,  39 ,  24. 
Dat  conincrike  a,,  jUmb,  YII,  1663.  Asselgeren 
ende  anestriden,  Heeln  3168.  A.  ende  bestriden, 
Idmb.  Y,  360.  A,  ende  besonken ,  YII ,  166.  ^.  ende 
winnen,  YII,  108.  Die  litsen  asselgierén,  Orimb, 

II,  494. 

b)  Aantasten,  aanvallen,  een  persoon.  ||  Den 
swarten  ghinc  bi  asselgierén  bitterlike  in  snlker 
maniere  oft  hine  in  die  aerde  sonde  maetsen ,  Wal, 
9901.  Dat  si  op  bem  waren  comen  ende  dat  sine 
asselgierden  dan,  Lane,  II,  18691.  Die  badde 
gesijn  van  den  viant  in  die  roetse  geassalgirt  sere, 

III,  8190.  Yan  den  engienen,  £iermenne  mede 
assalgierde  in  meneger  stede,  lY,  10301.  Die  wi 
dan  selen  met  onminnen  assaellieren  in  allen 
sinnen,  Cass.  627.  Het  schijnt  si  selen  ons  assail- 
gieren  hier  in  onse  proper  rike ,  Lsp.  II ,  36 ,  1771.  -^ 
Zie  nog  Lane,  lY,  6710;  Partk.  7046;  Vl.  Bijmk, 
3224;  eng,  —  Om  een  dat  sire  {de  toolvin)  hebben 
wilt,  sal  siere  {schapen)  hondert  op  een  velt  lopen 
np  ende  assallieren,  Rosé  12471.  Beinicheit  die 
vronwe  vercoren  wart  dicke  van  onbescedenen 
sotten  geasselUert  met  pinen  groet,  2912.  —  Ook 
met  eene  saak  als  snbj.  ||  Nn  sal  mi  weder  .  . 
beven  ende  snchten  assaelgieren ,  3793.  Alse  {haar, 
de  vrottw)  ontheit  assellieren  sal,  12383. 

e)  Bespringen,  een  vronwelgk  dier.  ||  (De  hengst) 
salse  alle  {de  merries)  willen  aneverden  ende  ane- 
springen  {Ès,  C)  ende  assellieren,  Bose  12862. 

A88AYE  (assat,  asseye)  ,  znw.  vr.  Yan  ofr,assai 
Hja  Cnme  2 ,  226) ;  mlat  assaia ,  verg.  assagium  (Dac. 
1,  436).  Keur,  van  goud,  zilver,  enz.  Kog  heden 
als  knstterm  bg  goudsmeden  in  gebmik.  ||  Om  een 
assay  te  doene  van  den  nieuwen  corten  {eene  munt), 
Invent.  v,  Brugge  6,  612.  Ene  mare  sulvers,  de 
men  doet  werken,  de  en  sel  nyet  meer  laken  dan 
ses  coninx  enghelsche,  te  houden  nader  ouder  assaye , 
B.  V.  TJtr,  1,  22,  40.  Dat  wQ  soelen  doen  slaen  twe 
Jileine  penninghe  op   dye   selve  asseye  daer  dye 


voerscr.  grote  op  staen  sal,  Ni|h.  3,  98.  Die 
voirscr.  penninge  in  een  busse  werpen  om  aastje 
ende  proeve  daerof  te  doen,  O.  B,  ».  Dordr.%,ifè. 
Sonder  enich  ander  assay  of  proeve,  ald.  Zie  nog 
Bek,  V.  Oent  2,  71  driemaal;  enz, 

ASSAYER,  snw.  m.  Yan  assay,  zie  ald.  Ss- 
sayeur.  ||  Onse  assayer  onser  munten  ymnHollait, 
Zwijndr.   W.  84. 

AS8AYEBBK,  zw.  ww.  bedr.  Oinsd  en  tihtr 
(vooral  geld)  keuren.  \\  Guldenen  die  gheaasiieit 
waren,  Invent,  v.  Brugge  6,  384. 

ASSAÜT  (asaut),  znw.  onz.  Yan  fr.  assaui^  mlit 
adsaltus ,  assaltus.  Aanval ,  besiorwnng.  \\  Ende  dadei 
op  Roelande  daer  een  assaut  fel  ende  swaer.  Boel. 
1 ,  227.  Si  trocken  doe  bat  achterward ,  ende  lietea 
dassant  staen  metter  vard,  iMne.  lY,  8307.  Ene 
hoge  torre  stont  ane  deen  ende ,  hine  ontsiet  aasail 
no  meswende,  Ferg.  277.  Dat  assaut  was  harde 
groet,  Ben,  1762.  Dat  asaut  lieten  si  staen  ende 
togen  te  haren  tenten  wart,  Cass.  1174. Ende dede 
tfolc  ten  assaute  varen,  Alex.  I,  971.  En  haddc 
Yenus  dasaut  begonnen,  die  borch  sine  ware  niet 
gewonnen,  Bose  3699.  Daer  wert  ghenomen  ende 
gereven  in  dat  assaut  menich  slach,  Grime.  TL, 
668.  In  assaute  versaghen.  Vod,  Mus.  1,  364, 9L 
—  Zie  nog  Zane,  II,  32799;  lY ,  8296;  «iv.  —  Dfti 
assaut  van  minnen,  Bose  12874,  het  venmogen  em 
conquétes  te  maken,  — Oiguist  is  het  mv.  assmsdem^ 
Bose  10269  (:ribauden). —  Enen  assaut  does, 
iemand  aanvallen,  bestormen.  ||  Grote  serge  .... 
die  hen  dagelfjcs  doet  asaut,  Bose  6080.  —  Dit 
assaut  roepen,  het  teeken  tot  den  amsmdyedea, 
t.  w.  door  herauten.  ||  Men  dede  roepen  dat  assait. 
Ferg.  4211. 

ASSCE    (asche),    inw.    vr. ;  ook   in   het  kt. 
ASSCHEN,  als  lat.  cineres  {Sp.  III*,  43,  36;  Altr. 
Y,  991,  enz.).  Het  oorspr.  mv.  assehen,  dat  sobs 
ook   als    enkv.   voorkomt   (dat    auehene\   g«n.  pL 
assehenen)  is  thans  nog  in  Ylaanderen  gewoon  (Di 
Bo  60) ,  vlg.  eng.  ashes.  Zie  verder  b^  Asschelex- 
WOENSDACH.    Mnd.    asche.   Aseh;    bg    nitlireidiif 
stof,   II   Daniel    warp    al  omtrent   conde    asscha 
up   ghent   paviment,   Bijmi.    17037.  Dgn  lichan 
es  sterfelike  ende  sal  al  in  assehen  keren,   Wreh 
III,    2362.    Entie    asscen    souden    wi    met    om 
voeren,  Limb.  YII,  1481.  O  mensee  broesck,  w 
asscen  comen,  Yeltb.  YII,  16,  11.  Haer  hoeft... 
bestroyde  soe  met  asscen,  Sp,  I',  49,  22.  Bat  sic 
dasschen  woch  dade ,  ald.  37.  (Dat  lant)  wart  assecs. 
I*,  17,  22.  In  asschene  ende  in  hare  bedect,ni*. 
40,  74.  Assehen,  ghemul  ende  eene  hare, III*, 7. 
94.  Asscen  wart  sfn  eerste  gerechte,  III*,  43, 29. 
Ander   cockine,   die   in   die  assehen    lig^gnm  «aéi 
braden.    Wint,   e.  Som.  330.    Ghi  hebt    mi   d<w 
sitten   bi   tfler  in  die  assehen  fhel^c  dear  hinscB. 
334;   verf.   339.   Wat  wiltstu  oQ  dan  rerhoevBcr 
dighen,   die   eerde   ende  assehen  biste,  JS^n».  ^. 
11b,  Die   vruchten  .  .  zjjn  binnen  ynl  asschenei, 
Proza-Sjp.  19  b,  —Ook  met  het  lidw.  ene^  g«lSktf 
andere  stofnamen,  ter  aanwgzing  van  een  deeldiff 
stof.  Zie  by  Een.  ||  Hi  wart  al  vamloes  saen  e^ 
recht  als  ene  asche  gedaen ,  Lane.  n,  30936.  —  Di< 
assche   ontfaen,    het  teeken  des  kruisam  met  ge- 
zegende aseh  en  wijwater  op  het  voorhoofd  fmfrgwjm. 
welke  plechtigheid  op  den  Aschdag,  bg  den  aaaraif 
der  groote  vasten  plaats  had ,  ter  herinnering,  èü 
de  mensch  stof  is  en  tot  stof  zal  wederkeerea.  £* 
Duc.  2,  366,  op  Cinis;  lioU ,  Kerkge9cJk,  2*,«ll 
II   Doe   die   Inde  die  assehen  ontflngen,  ende  dir 
vasten   aenghinghen,    Serv.  I,    1627.    —    Iet  ii 
dassche  slaen,   iets  tot  niet  doen 


47^ 


ASSC. 


ASSE. 


478 


ipUlen^  vergooien,  \\  Die  dwasen  mitter  hant  ho«r 
ghewin  in  dassche  sloeghen,  Hild.  162,  210.  — 
Tasschen  ente  stove  maken,  ^^  êtqf  en 
oteA  maken ^  geheel  vernietigen^  Sp,  1%  24,  49. — 
Taschenvergaen,  Chriet  418.  —  Tasschen 
maken,  in  de  atch  leggen^  Sp.  I',  44,  5  (aldus 
te  lezen).  —  Bij  uitbreiding  yoor  vuilnis,  vuiL  \\ 
Ghel^'c  dattu  die  siele  gewasschen  heefs  van  allen 
vuelen  asschen,  Sp.  11%  22,  204.  —  Ook  in  den 
zin  van  PoiaeeA:  ||  .Een  vat.asschen  vercochtomme 
ghelt  II  d.  Neware  yermanghelt  men  asschen  om 
ander  goet',  elc  goet  es  sculdich  sine  ghesette 
toolne,  Zri.  Bijdr.  6,  68,  verg.  76. 
ASSCHEL(EN)WOENSDACH  (Asscheler- 

WOENSDAG,   ASSCEWOENSDACH  (i&.   P.  1348,  69c)), 

snw.  m.  Verg.  hd.  atchermittwoche  (Grimm  Wtb.  1 , 
1686).  Evenals  in  het  Hd.  naast  atcAe  de  vorm  ascher 
bestaat,  die  reeds  in  het  Mhd.  in  de  samenstellingen 
euekervm'    en    atehertnoche    voorkomt,    heeft  het 
Ylaamsch  nog  den  vorm  auchen  naast  aesche  (lie  As- 
sche).  UiiJsêeAene  en  IFoensdacA  ontstond  de  samen-  • 
stelling  aescAenenwoentdacA,  en  met  wisseling  van  n 
en   /:  attehelenwoensdaeh:   yerg.  vasielavond  naast 
vastenavond.   Aschdag ,    mnd.    ascAedag,   de  eerête 
Woensdag  in   de   Qroote    Vasten  vóór  PaseAen,  de 
groote   boetedag,   waarop   de  geloovigen  zich  het 
voorhoofd  deden  kruisen  met  gewijde  asch ,  Lat.  dies 
emerum.    Zie    Beinsberg-Düringsfeld ,     Calendrier 
Beige  1 ,  133.  ||  Upten  Asschelenwoensdach  Tromp- 
kin  gesent  aen  alle  mgns  heren  rade  ende  steden, 
Oorl,   V.  Albr.   394.    Upten  asscheler  woensdach. 
Rek.    d.    Qr.  3,    166.   In   den   eersten  als  in  den 
asschel woensdach,    hoerde   die  deerne  Christi  den 
Boeten    doctoer,   Ned.   Proza  316.   Opten   aschel- 
woensdach ,  dat  was  die  zestiende  dach  in  Febmario 
(1390),  Niih.  3 ,  162.  Zoo  ook  Hêk.  v.  Zeel.  2 ,  393  e.  e. 
ASSCEBADE  (?)   i|   Rou  linen  garen  gesteken 
in    ene   warme   asscerade    ende   dat  geleit  op  die 
pine  also  heet  als  hyt  mach  gedogen,  Bs.Y^.^ld. 
ASSCHEVIJSTERE ,   znw.   m.   Van  AsscAe  en 
Wijstere y    van   vasten,   blazen.   Bg    Kil.    „Asch- 
Tgster,  ciniflo,  cinerarius ,^^  en  nog  in  Vlaanderen 
gebmikeigk   (De   Bo  60).    AsseAepoester ,  by  uit- 
breiding, iemand,  met  Aet  geringste  loerk  belast.  \\ 
Asscbevgstere  ende  ketelboetere  si  hebben  di  wel 
gedaen.  Pass.  W.  645. 

ASSCHICH,  bnw.  — 1)  AscAileurig,  ascAgrauw. 
ygh  AEXGRAU.  II  Galactides  is  een  steen  van  as- 
schig-er  verwen  ende  zuet  in  den  smake,  BartAol.  666a. 
2>  AscAacAüg.  \\  Si  hevet  ghenoechte  in  droegher 
aerden,  daert  stejnich  ende  asschich  is,  ende  si 
-wil  mitter  asschen  ghevoedet  worden ,  want  alsmen 
die  mte  sayet,  soe  salmen  daer  asschen  onder 
men^hen,  ald.  671a. 

Afl.— Asschicheit.  Z.  dat  woord.  Ook  As- 
acbinffe  in  dezelfde  beteekenis,  ald.  89  5. 

ASSCHICHEIT,  -ede,  znw.  vr.  Van  AsseAe. 
jiscAiuAtigAeid ,  Aet  vergaan  tot  ascA  door  ver- 
bretnding.  \\  Die  onnatuerlike  melancolie  en  is  niet 
na  der  manieren  van  ypostasis  of  enige  neder- 
ninklnghe  of  sittinge  der  heffen,  mer  na  der  manieren 
der  Terbamtheit  ende  der  a8Schicheit,^ar//lo/.  89^. 
Si  vrert  slecht  tot  aschen,  ende  uut  dier  asschinge, 
lie  de  natuerlike  humoer  ven^ndet  die  humoer 
wort  alre  quaetste  voertghebracht,  895. 

AJ3SE,  znw.  vr.  As  van  den  toagen,  waarop  de 
^us  geplaatst  werd.  Vgl.  Kil.;  van  lat.  axis.  \\  An 
j0«r^rerc  toten  bossen,  an  bouten,  assen  ende 
ïande,  Oorl.  v.  Albr.  433. 

A.SSEL  (assele),    znw.   vr.   Mnd.   assel\   ohd. 
;  ags.  eaxl  (Ettm.  b)\\9X.axilla\ois.aisselle. 


„Asle  out  scAuldere,  hnmerus*',  Foe.  JBng,  Het 
tegenwoordige  Oksel,  doch  dit  heeft  de  gew^zigde 
opvatting  van  de  Aolte  onder  den  arm.  Over  de 
afleiding  zie  Ned.  Wdb.  op  oksel. 

1)  ScAouder.  \\  Ende  hief  Mimminge  alsoe  heet, 
dat  te  dien  slaghe  sneet  ende  geraecten  op  dassel 
ter  cure,  lamb.  IV,  1807.  Haer  dat  op  des  esels 
assele  staet,  Nat.  BI.  XII,  379.  Bat  de  mensce 
ziec  begint  te  werdene  omtrent  den  hals  entie 
asselen,  Hs.  Yp.  23c.  Si  gaen  danne  ocht  si  keren 
dassel  darwart  ocht  si  antwerden  iet  anders ,  Limb. 
Serm.  210d.  Vgl.  ook  Ansel.  —  Nog  heden  heet 
een  gedeelte  van  een  hemd  by  naaisters  ^tf»  assel* 
doekje. 

2)  rieugelAolte  bij  Aet  lijf,  van  vogels.  ||  Onder 
die  vloghel  saltu  mede  sgn  assele  salven  ter  selver 
stede.  Nat.  BI.  III,  1661. 

ASSELGIEBEN,  ASSELIEREN,  ASSELLIE- 
REN.  Zie  assaelgieren. 

ASSENEBEN,  zw.  ww.  bedr.  Van  ofr.  assener 
(La  Curne  2,  261),  mlat.  assignare  (Duc  1,  447). 
Aanwijzing  tot  betaling  geven;  in  het  pass.  ze  ont' 
vangen,  \\  Van  verliese  van  paimenten ,  dat  de  stede 
verloes  an  payement  dat  ghedaen  es  minen  here 
Symoene  van  Hale,  die  der  stede  sQn  geit  leende 
flprine  te  13  gr.  ende  scilde  te  18  gr.,  ende 
weder  ontflnc  te  18|  gr.  van  den  pach^ren  daer 
hi  ave  geassenert  was,  162  ü  13,  s.  4  d.,  Eek. 
V.  Gent  1,  338.  Van  sinen  pensioene  yassenert 
(=  geassenert)  up  die  tolne  van  den  Damme ,  Inoent 
V,  Brugge,  Int.  272. 

ASSISE  (assijs,  assisse,  aszijs,  assijns, 
ASIJNS),  znw.  vr.  Van  ofr.  assise,  accise  (La  Curne 
1,  41);  prov.  asiza  (Ravn.  6,  220);  mlat.  assisa  , 
assisia  (Duc  1,  448).  Assise  is  eigenlek  het  verl. 
deelw.  van  ofr.  assire,  lat.  adsidere,  enbeteekent 
iets  dat  gesteld  is,  zoowel  stand,  toestand,  ids 
laag,  en  ook  eene  (in)gezette ,  vastgestelde  zaak, 
inzetting;  by  uitbreiding:  lo  een  vastgestelde  ge- 
recAtsdag,  tereeAtzitting ;  2^  het  daar  genomen  be- 
sluit', 3**  bepaling  of  verordening  omtrent  de  prijzen 
enz.  der  levensmiddelen  en  de  daarvan  te  heffen 
belasting;  49  die  belasting  zelve.  Zie  Diez,  Efym. 
Wtb.  2,  208;  Duc  1,  448;  Littré  1,  218,  doch 
verg.  30. 

1)  ScAatüng,  belasting,  accijns ;  inzonderheid  op 
verschillende  levensmiddelen.  De  accgnzen  werden 
voorheen  bg  opbod  verpacht  of  verkocht.  Zie  Kluit, 
QeseA.  d.  Holl.  Staatsr.  4, 160 ;  Noordewier,  Ned.  JB.  O. 
107;  Nijh.  1,  221;  ZVl.  Bijdr.  4,  10  vlgg.  De 
schrijfwyze  accijns  is  ontstaan  door  dat  men  aan 
het  lat.  census  dacht ;  men  verklaarde  dan  onbewust 
accijns  als  ontstaan  uit  een  lat.  aecensus  of  exeensus. 
Accisia  staat  reeds  hij  Duc.  1,  46.  Kil.  schrift 
,  nog  assijse.  Vgl.  VERASSISEN.  jj  Scepenen  in  eheen- 
'  der  wisen  en  selen  copen  gheen  assysen  ende  die 
setten  ende  bestaden  voert,  Wrake  I,  982.  Nuwe 
assisen  ende  scalke  ocketten  op  tfolc  viseren  ende 
insetten ,  N.  Boet.  616.  Hi  verlicht  tolle  ende  assisen, 
Limb.  X ,  873.  Openbaerlijc  roepende  in  deser  wisen : 
„  Alle  tolle  af  ende  assisen ! "  meinende  hier  met  meer 
ende  men  tonnoosel  volc  te  treckene  aan  hen ,  ^ra5. 
T.  Vn,  12669.  Hoe  vinden  wy  dit  ghelach,  laets 
peynsen,  om  dassysen  te  weirene,  Ned.  KlucAtsp, 
90,  18.  Voert  soe  dunket  ons  redelike  wesen  dat 
die  stat  op  hem  zelven  ende  op  haer  goet  asz^s 
stellen  moghen,  Oorkb.  2,  407  5  (a.  1294).  Voert 
van  comenscap  die  die  goede  lude  van  den  lande 
copen  ofte  overcopen,  alse  van  paerden  ofte  van 
vee,  ofte  van  come  .  .  .  daer  en  zullen  zy  neghene 
asziis   af  gheven,   en   si  bi  den  bisscop,   408«, 


479 


ASSE. 


ASSI. 


480 


Yoert  80  ne  mach  niemen  wijn  drincken  binnen 
sijn  huns  noch  vercopen,  hlne  moet  assise  gheven , 
sonder  wi  ende  die  van  Pitchenborch ,  die  moghene 
selve  drinken  sonder  assise  te  gheven,  ende  niet 
vercopen,  sine  moeten  assisse  gheven ,  ghelyc  poer- 
tren ,  Brab.  T.  Dl.  1 ,  bl.  698  (ö.  1301).  Voert  wilwi , 
dat  ons  schepen  van  Zautbomel  zetten  moghen  assyse 
ende  koren  tot  horre  stat  behoef,  Nijh.  1,  221  {a. 
1327).  Betalen  ende  ophoeren  alsnlke  assise  ende  geit 
als  hier  nae  . . .  volget ,  3 ,  283.  Metgaders  allen  den 
oosten  die  zy  omme  dese  zake  ghedaen  hebben  van 
den  pachters  van  haren  assisse,  ZVl.  Bijdr.  2, 
346  \a  1341).  Ter  voordernesse  van  der  stede, 
want  dassysen  daermede  beteren,  mids  dat  omme 
de  .  .  .  processie  te  ziene  vele  personen  op  dien 
dach  hier  commen,  Vad.  Mm.  6,  26  (a.  1422). 
Ende  heeft  gebrouwen  dit  jaer  XIII  bieren ,  daer 
hi  af  sculdich  was  van  assise  van  eiken  biere  II 
gulden,  2,  323  {a.  1442).  Vort  betoghet  die  meente , 
dat  noit  ne  was  so  swaer  assise  als  nu  es,  CotU, 
V.  Bnigge  1 ,  233.  £lc  vremd  man ,  die  wine  wilt 
tappen  binnen  Antwerpen,  sal  tappen  moghen  op 
sine  assise,  Cout.  v.  Antw.  1,  18,  60.  Van  dat 
hi  dassise  achterwaerde  up  de  halle  eerse  vercocht 
{verpacht)  was ,  Invent  v.  Brugge  3 ,  165.  De  wyn- 
assise  dede  de  stede  gaderen,  mits  dat  menseniet 
wel  vercoopen  mochte  ten  oorbore  ende  proftte  van 
der  stede,  ald.  4,  42  {Zie  de aant  QuXosa.  ald.).\)?X 
in  der  selver  stadt  noch  in  eenyger  plaetsen  der 
vriheit  assyse  oft  gabellen  genoemt  op  dy  copen  oft 
vercopen  by  ons  oft  yemant  onser  in  eenygher 
manyeren  voortaen  ontfanghen  noch  doen  heyschen , 
sonder  volcomen  macht  .  .  .  onser  twee  heren, 
Geyf.  V.  St.  Truyen  I,  6.  Alle  ordinancien  .  .  .  van 
der  stede  goeden  ende  asynsen  te  houden  in  alre 
manieren  als  der  stede  kuerboeck  ende  tregister 
van  der  stede  goede ,  d^ir  men  uy t  verhuyert ,  be- 
grepen heeft,  O.  K.  v.  Batt,  14,  12.  Ende  men  zal 
gheven  zulken  assijnse  alst  register  houdt,  36, 
106.  Vgl.  nog  V.  d.  Wall  304—308  en  Lett. 
W.^N.B.7, 161 — 169  en  de  daar  aangeh.  schrijvers. 
—  Clene  of  smale  assisen,  kleine  accyruen^ 
in  tegenstelling  van  de  groote  accijnsen  op  w^jn 
en  bier.  Zie  ZFl.  Bijdr.  4,  8;  10;  13  vlgg.  || 
Ander  ontfanc  van  der  vors.  stede  goede,  dats  te 
weten  van  den  smalen  assizen,  dewelke  vercocht 
hebben  gheziin  een  jaer  ghedurende  ....  van 
den  meelassize,  .  .  .  van  der  ysuwe,  .  .  .  van  der 
scroderye ,  .  .  .  van  den  rechte  van  der  maerct , . . . 
van  der  cauchiede,  .  .  .  van  den  rechte  van  der 
eire ,  .  .  .  van  der  corenmate ,  /.  a.  pi.  13. 

2)  Waarschijnlijk  komt  Msi^e  ook  voor  in  den 
zin  van  rechtsgebied,  ban,  waarin  de  assisen  geldig 
waren:  verg.  Assisia,  Assiagium  en  Assisiatus  {Duc. 
1,  461  en  444),  en  in  H  algemeen  in  dien  van 
gebied,  territoor.  In  het  Prov.  had  asiza  de  alge- 
meene  beteekenis  van  stand,  toestand,  gesteldheid, 
als  fr.  assiette  (Rayn.  6,  220).  In  dien  zin  schijnt 
het  te  moeten  worden  opgevat  in  de  uitdrukking: 
in  iemans  assise  staen,  op  iemands  gebied 
staan ,  op  zijn  territoor  komen ,  zijne  plaats  innemen, 
in  iemands  rechten  treden.  In  den  Éinclus  zegt  de 
verhaler  Gielijs  van  Molhem,  dat  zijn  naam  bij  dien 
van  den  Franschen  dichter,  Ie  Beelus  de  Moliens 
voegt ,  en  drukt  zich  aldus  uit  (vs.  9  vlgg.) :  Bi 
namen  wi  voegen  in  ene  wise:  Molhem,  Molinens, 
hiers  geene  were ;  niet  dat  den  goeden  man  gedere, 
dat  selc  dwaes  steet  in  sine  assise,  d.  i.  j^dnt  een 
dwaas  op  zijn  territoor  komt;  zich  zijne  rechten 
oanTnatigf^  (vgl.  vs.  13 — 16). 

3)  Evenals   fr.   assise  do   beteekenis   van    laag 


heeft,  en  laag  een  rij  is  van ' op  ellbiiider  volgende 
voorwerpen  of  stoffen  (bij  Kil.  „Laeghe,  orit, 
series,  striga,  digestio),  zoo  zal  ook.  mm.  assise  in 
zin  hebben  van  streep,  stroqf^  op  een  kleed.  ||  Hi 
quam  al  bloot  in  deser  wisen  in  enen  roe  met 
assisen  van  twee  gruenen,  Brab.  T.  YII,  749, 
d.  i.  in  een  rok  van  twee  kleuren  van  groen,  beurte- 
lings een  strook  o/  baan  licht-  en  donkergroen. 

ASSISENARE  (assysenere),  znw.  m.  Tai 
Assise.  Be  pachter  der  accijnsen ,  de  persoon  èelati 
met  het  innen  er  van.  Kil.  „Assgsibeester, 
assysener,  publieanus ,  redemptor  canomÊm , oil*- 
tionum  et  tributorum.  ||  Wie  anders  dade  dat  hj 
tgoet  verbuert  hadde.  Ende  soe  wat  assysenm 
hier  af  ieman  verdroege,  dat  hgt  selve  gheldci 
sonde.  .  .  Ende  hier  af  mach  men  der  assyseneera 
eedt  nemen  alsoe  dicke  als  men  wilt,  Belg.  Mwt. 
7,  806  {a.  1360). 

ASSOMMEREN,  zw.  ww.  bedr.  Hetzelfde  ak 
sommeeren.  Oproepen ,  opeischen ,  zoowel  een  persoot 
als  eene  zaak.  ||  Omme  te  assomeime  den  herto^ke, 
Invent.  v.  Brugge  3,  467.  Omme  te  assommeine 
ende  te  versoukene  een  overal  restitutie,  526. 

ASSUERE  (AssuER),  znw.  m.,  verbasterde  vont 
voor  essuerre  of  issuerre,  hetzelfde  als  issuemeesiet. 
de  heffer  en  beheerder  van  het  recht  van  exme  d 
issue  (z.  ald.),  d.  i.  pontgeld.  De  atsuers  wordes 
vermeld  Oesch.  v.  Antw.  2,  642. 

♦  ASSÜVELEREN.  Verkeerde  lezing  voor  assi- 
mileren, Velth.  VII,  32,  41;  v.  lat  m- 
milare.  Gelijk  maken.  ||  Aldus  salie  in  dese  lieée 
mijn  teken  ende  al  mine  bediede  assuvelerea  ii 
assimileren),  gelgc  oft  van  Grode  algader  quaae 
mine  gebode;  lat.  „Sic  in  hominibus  istis  sigai 
mea  omnipotenti  Deo  assimilabo.^*  Vgl.  Tiiéscir, 
1,  297. 

AST,  znw.  m.  Mhd. ,  hd.  ast.  Tai,  dsearsbêH 
van  het  kruis.  ||  Wanneer  ie  mijn  lief  verliese . .. 
so  mach  icken  weder  vinden  al  aen  des  cmses  at 
Die  minne  heeft  hem  ghebonden  die  heilig-he  haade 
sijn  al  aen  des  cruces  aste  mit  plompen  naghdk^ 
Hor.  Belg.  10,  187,  16  en  17.  Op  des  cmöesssit 
daer  bloeyet  die  rode  wjjn,  204,  2. 

AST,  znw.  m.  Best,  oven  tot  het  drogen  iw 
mout,  enz.,  droogoven.  Bij  Kil.  „Ast,  est,wfrHs. 
concameratus  fomax.^"*  ||  Dat  nimene  meede  dn)gto 
ne  moet  in  stoven  no  up  asten,  Cout.  v.  Brugge \, 
361 ,  34.  Daste  daermen  mout  op  droeg'lit ,  die  a 
sal  niet  moghen  staen  op  enen  solre.  £Dde  ^^ 
salmen  decken  boven  met  enen  solre  van  l^»e. 
so  dat  hi  broeder  sy  aen  elc  zide  dan  dieaatesa 
voet.  .  .  Ende  wanneer  dat  vier  in  daste  ocHte  'tl 
den  oven  es ,  salmen  setten  ene  cupe  •  .  met  watt 
daer  bl,  Cout.  v.  Antw.  1,  22,  69.  Aerbeiders  £< 
de  twee  vieren  maecten  up  de  maerct  ende  tbb  èa. 
tween   asten  te  halene,  Invent.  v.  Brugge  5>  57& 

ASTROMIJN.  Zie  Astronomun. 

ASTRONOMIE ,  znw.  vr.  Lat.  astronomU,  ' 

1)  Sterrekunde.  ||  Die  lenten  oec  ende    ij 
astronomie  gaen  in  daer,  Natuurk.  1031. 

2)  Ook  in  den  zin  van  ons  astrologie: 
wichelarij,  tooverkunst.  \\  Ende  oec  es  dit  wA 
gokelien  binnen,  gemaect  ende  met  astronoBÜei. 
Lanc.  II,  39693.  Dattie  coninc  Nectanabns  s^ 
meester  daer  af  sonde  wesen  ende  hem  Tan  a^rt- 
nomien  lesen ,  Alex.  1 ,  374. 

ASTRONIJM,      ASTRONIMIJN,      ASTRONO- 
MIEN.  Zie  Astronomun. 
ASTRONOMIJN  (astronomien  ,  astronihij5. 

ASTROMIJN,  ASTRONIJM),  znw.  m.  Van  ofr.  m^rt- 
nomien  (La  Cume  2,  287).  Stgrreiundige ,  sierft»- 


481 


AÖTR. 


Atma. 


isi 


wieJiélaar.  \\  Een  astronomien,  die  in  die  starren 

conde  sien,  SeffA.  79-;  vgl.  84,  89,  92,  163,  272. 

Hl    riep    die    wgste   meester  daer,   (üemen  hiet 

astronomiene ,    Jleje.^UI,    1212.    Die   alre   beste 

astronomien ,   III,    1219.    So   groten   astronomijn, 

dat  hi  vele  propheteerde  ende  den  volke  wijsheit 

leerde,  Lsp.  lY,  1,  4.  Dat  waer  voreseggen astro- 

nomiene,  comt  wel  bi  des  duvels  pliene,  Sp.  II*, 

20,  19.  Consten  van  astronimgn,  die  dander  Inden 

alhier  versnellen,  Hild.  47,  240.  Ie  bin  die  beste 

astronomien   (Hs.  astromijn),   Jlex.   III,  355.  Als 

ons  die  astrominen  lesen ,  Wint.  e.  Som.  566.  Eenen 

clerc    wfjs    ende  fijn,   die   philosophe  was    ende 

astronomijn ,  Taal-  en  Ltb.  3 ,  67 ,  97.  Soe  vergaderde 

hi  oec  tsestich  astronimen,  ende  hi  vraechde  hem 

naerstelijc  wat  sinen  soen  ghescien  sonde,  Past. 

W.   66d.   Wel   te  rechte   seide   die   astronime    in 

dinen   gheboerte,  dattn  werden  soudes  hoverdich, 

6U.  —  Zie  nog  Lsp.  III,   12,  130;  Sp.  II»,  20, 

4;   II',  17,  7;  Alex.  I,  115  Ylgg.  {astronomien,  V8. 

^76  ald.,  is  natuurlek  dat.  van  astronomie). 

A8TRUEREN,   zw.   ww.  bedr.  Van  waar?  Het 

lat.  adstruere  heeft  eene  geheel  andere  bet.  Aan 

eene   corruptie   is,   daar   het  nagenoeg  gelijk  op 

twee    plaatsen    voorkomt,    wel    niet    te    denken; 

anders  zon   men  kunnen  vragen,  of  er  ook  moest 

gelezen  worden  ast  in  eren,  fr.  astainer ,  attainer 

(Roq.  1,  102;  Dnc.  1,  463  en  7 ,U).Lastiff  vallen, 

kwellen,  beswaren.  \\  Ja  en  sidi  der  trouwen  vrouwe, 

hoe     mogedi   dan   gerechte   minneren   soe   langhe 

astrueren?  Xiw ^.  V ,  2056.  —  Aldus  ook  {oïadstru- 

eren)\j&  lezen  voor  anstrueren ?  Matth.  Anal.  1 ,  53 :  || 

Anno    1402  wert  Henrick   Van  der  Leek  gejaecht 

ende  geanstrueert  binnen  ^s-Hertogenbosch  van  den 

poorteren. 

ASUER.  Zie  Aysuer. 

ASÜMENT.  Zie  Aisement. 

ATE,    m.,     „Aette,   Germ.   vetus,^j.  teyte. 

Tata,  pater*'*  Kil.  Vgl.  bij  aenhete. 

ATE ,  znw.  m.  Zie  de  samenstelling  Brootate. 

ATE,    znw.  vr.  Eten,  spijs,  voedsel.  De  gewone 

▼orm    des   woords  is  Aet  m.  (zie  ald.).   ||  Maer 

niet  en  diet  hem  die  ate.  Nat.  BI.  XII,  768.  Dat 

Hijn  ment  {van  den  kikvoi'sck)  niet  op  en  gaet  noch  om 

ate   noch   om  sanc,  VII,  845.  Broeders,  hebt  die 

karitaite  tenen  exemple,  ende  niet  die  ate,  Franc. 

2554.  Ate  ende  werscape ,  ende  alrehande  geselscape 

na  minen  wille  vindic  in  dese ,  Velth.  VII ,  31 ,  45.  — 

Vooral    gewoon   in   de   samenvoeging  Ate   ende 

d  r  a  n  c.  |i  Dat  hi  den  dach  lanc  reet  sonder  ate  ende 

sonder    dranc,  Lanc.  II,  5078.    Noch  doer  dranc 

noch    doer  ate.  Nat.  BI.  III,  387.  Overtollech  ate 

ende  dranc  maect  sin  ende  lichame  ci'anc ,  Doet.  III , 

1067.    Du  hebst  tilec  werc  gelaten:  qualec  hebstu 

Terdient  dijn  aten  (/.  ate),  Ferg,  381  (in  het  hs.  haten). 

ATEN,   zw.    WW,   bedr.;    nhd.   asen.    Afgeleid 

Tan  Aet  (z.  ald.),  en  vgl.  Attinge.   Eten  geven, 

ëpijxigen.  \\  (Ie)  ghebiede  datten  nvement  en  huse 

ooch    en   hove,  en  ate  noch  en  drancke,  hy  en 

heeft  des  bans  geboet,  Matth.  140. 

ATENT,  ATENTE.  Zie  Attent,  Attente. 
ATEBMENT.  Zie  Atrament. 
ATIE.  Zie  hatie. 

ATLAS,  znw.m.  Oostersche  z^den  stof,  atlas. 
Met  -woord  is  van  Arabischen  oorsprong;  zieDozy 
Oose.  22,  en  vgl.  Hyde  in  D.  Wtè.1,  594:  „Atlas 
arabice  glaber  et  cinereus ,  sen  ad  nigrum  colorem 
rer^ens.  Eodem  nomine  denotatur  tramoserica  vestis 
propter  glabritiem".  ||  Seer  rijckelgc  gecleet  .  . 
met     -witten   atlas,    verchiert  met   peerlen,   Exe. 


I       ATMADE,  znw.  vr.  Van  Atten,  etten  (zie  ald.), 
en  Made  (zie  ald.).  Mhd.  etzematte  {Gtrimm ,  Weisth. 

I,  334;  D.  Wtb.  3,  1188);  verg.  mhd.  etzweide 
(Lexer  1  ,  715);  hd.  etzunese  (D.  Wtb.  3,  1189); 
mnd.  etlant  (Lubben  1,  749).  Etweide;  weide,  uit- 
sluitend gebruikt  om  er  het  vee  in  te  laten  grazen. 

II  Septem  cojenvennen  aggeri  de  Polgeest  adjacen- 
tium ,  nee  non  et  trium  mensuramm ,  que  dicuntur 
atmaden  ultra  paludem  de  Polgeest,  Oor  kb.  2,  28a 
{a.  1258). 

ATMAEL  (natmael,  'Matth.  99).  Zie  Admael 
en  Etmael. 

ATOER ,  znw.  m.  Van  ofr.  atour  (La  Cnrne  2, 297). 

1)  Toebereidsel ,  toerusting,  uitrusting,  ook  in 
den  zin  van  uitrusting  van  troepen.  \\  Nu  hoort 
hoe  die  heidine  voeren,  die  up  kerstinhede  met 
atoeren  quamen  ghevaren,  als  oft  sy  te  voren  alt 
kerstinheit  wisten  verloren,  Amand  II,  4644. 

2)  Toebereidsel,  schikking,  maatregel.  \\  Als  de 
paeus  verstout  de  atoeren,  dat  de  Vlaminge bilden 
ghevaen  haren  prinche,  Vl.  Bijmkr.  7964. 

3)  Houding,  wezen,  voorkomen,  aard.  ||  Van 
edelen  state  waren  si  algader  na  den  atoere  van 
den  vader,  Amand  II,  1654.  In  alle  voye  mach 
men  wel  byliden  in  payse  met  soeten  woorden 
ende  leven  tayse ,  daer  men  met  spraken  van  feilen 
atoere  ne  sonde  liden  no  heinen  voeren,  II,  5771. 

ATRAMENT  (atrement,  aterment,  atremint, 
atriment),  znw.  onz.  Van  lat.  atramentum;  ofr. 
atrament,  atrement  (La  Cume  2,  298).  Inkt.  || 
Dat  yerste  boecsken  is  alte  lelie  ende  onTeyn  mit 
zwarten  atrament  geschreven ,  Ned.  Proza  35  *.  Hoe 
dierbaer  is  dit  boec ,  niet  met  atrament  gescreven, 
mer  gheteikent  mitten  bloede  Christi,  ald.  50. 
Vele  swarter  .  .  ^  dan  enig  roet  oft  atrament ,  Lanc. 

II ,  46084.  Een  ridder  swart  als  atrement ,  Wal. 
9726.  Sijn  ors  was  swert  alse  aterment,  Ferg. 
1755.  Si  waren  swert  als  aterment,  iZotf/.  IV ,  195. 
Si  spuwen  uut  een  aterment ,  ende  makent  so  donker 
al  omtrent.  Nat.  BI.  V,  1043,  verg.  1046.  Daer 
hi  was  zwert  als  een  atremint,  Lsp.  II,  Prol.  31. 
Dese  quade  gheesten  waren  also  swart  als  een 
atrament  of  colen,  Tondal.  45^.  Men  salt  {het 
gezwel)  wriven  mitatrymente,Ztf»/r.  132r.  Wrivent 
(de  materie)  mit  zeem  ende  mit  atrimente,  1329. 
Daerna  so  wrijft  den  mont  binnen  met  zeme  ende 
met  atremente,  Hs.  Tp.  132a.  —  Ook  in  den  zin 
van  zwartsel,  zwarte  stof.  \\  Mac  vier  ende  doe 
sieden  dat  inct  ende  doeter  in  meer  atrements, 
Livre  d.  Mest,  28. 

ATSAMEREN,  ATSEMEREN,  ATSEMÜRE. 
Zie  Achemeren,  Achemure. 

ATTENTE  (atente),  znw.  vr.,  ook  in  den 
verkorten  vorm  Attent  (atent)  ,  znw.  m.  en  onz. 
Van  fr.  attente  (La  Cume  2,  303),  van  attendre, 
lat.  attendere,  waaruit  de  verschillende  beteekenissen 
zich  geleideiyk  laten  verklaren. 

1)  Subjectief  opgevat.  Het  voor  oogen  houden 
van  iets,  het  aan  iets  indachtig  zijn,  en  wel  —  a) 
Verwachting,  de  hedendaagsche  beteekenis  van  fr. 
attente.  ||  (Ie)  comme  hier  jaerlicx  met  blyder 
atenten ,  omdat  ie  mijn  goet  zoude  mueghen  venten , 
ZFl.  Bijdr.  6,  235,  278. 

b)  Oplettendheid,  aandacht.  \\  In  desen  spiegel 
sach  tserpent ,  daer  toe  hadt  al  sijn  atent ,  Flatuir. 
I,  1040.  (Hi  was)  meester  in  Aiexandrien  naest 
Panthenus  ende  Clemente ,  die  hi  horde  met  groter 
attente,  Sp.'ll*,  4,  38.  —  Attente  geven, 
acht  geven.  ||  Voort  bat  hy  hem  datsi  atente  wilden 
gheven  .  .  van  dies  si  worden  waren  te  rade, 
Amand  I,  5035.  —  In  sine  attente  nemen, 
I  16 


m 


ATtE. 


ATTI. 


484 


tum   iijne   aandacht  onderwerpen^   er  op  letten.    || 
Bit    exemple   Tan   castiemente   neemt   algader  in 
uwen  atente,  Jmand  II,  171. 

c)  Luêt^  verlangen^  zin.  \\  Al  s^n  ghere^alsine 
atente  was  liede  te  doodene  met  tormente,  ^.  ir, 
8,  67.  In  desen  tiden  .  .  bejageden  an  denkeyser 
Valente  die  Arriane  hare  atente,  II*,  47,  48.  Al 
si  dat  sake  dat  wast  dgn  goet,  dine  atente  ende 
dinen  moet  ne  leechgre  niet  an  te  seere.  Botte 
V.  Sed.  119.  —  Sine  attente  setten,  leggen, 
xijn  zinnen  zetten,  zijne  aandacht  vestigen,  zich  toe- 
leggen op  iets.  II  Daer  aen  sette  hy  sgn  attente, 
hoe  hy  hebbe  Tast  gheleide,  Troyenf.231b.  Die  al 
setten  jegen  Gods  gebot  hare  atente  ende  hore 
sinne,  Yelth.  I,  34,  24.  So  salie  setten  mine 
attente  omme  sonderlinge  sware  tormente,  ^.  11^, 
39,  13;  Terg.  64,  13;  62,  13.  Maer  was  tHathenen 
gesent  om  leeren  te  settene  sinen  attent,  II*,  23, 
46.  Dns  sette  hl  al  sijn  attente  om  te  vordeme 
alle  ondade,  II*,  25,  94.  Sette  dine  atente,  dattu 
afdoes  de  donkerheit,  II',  17,  24.  Si  setten  hare 
atente  tanebedene  die  elemente,  II',  19,  59. 
Ane  my  leidsy  al  hare  atente ,  op  mij  had  zij  hare 
zinnen  gezet,  zij  deed  haar  uiterste  best  om  mij  in 
te  pakken,  Troyen  9(321.  —  Sine  attente  setten 
met  — ,  zijne  zinnen  zetten  op  {iemand  of  iets) , 
zich  er  mede  bemoeien.  \\  Hine  sette  niet  sinen 
atent  met  anderen  dnllen  jongelingen ,  maer  in  die 
kerke  was  al  sijn  mingen,  i^.  II*,  17,  14. 

d)  Oplettendheid,  zorg,  ijver.  \\  Als  Nnmeriaen 
dit  verstoet,  dede  hl  leggen  grote  attente,  dat 
men  Crisante  noch  tormente,  Sp.  IP,  44,  328. 
Doe  ghinc  men  met  grooten  attent»  an  hem,  ende 
met  menegen  tormente,  11^,  13,  75.  —  In  concrete 
opvatting,  in  den  zin  van  Voorwerp  van  iemands  op- 
lettendheid, behartiging  of  zorg,  behartenswaardige 
zaak.  II  In  deser  manieren  so  ne  mogedi  niet  fael- 
gieren  van  den  heyligen  Sacramente,  op  dat  gi 
hout  dese  attente,  Yelth.  I,  24,  72.  Die  Hertoge 
Jan  was  te  perlemente,  daer  men  handelde  dese 
atente,  III,  38,  17.  —  Ook  in  den  zin  van  Be 
aan  iemands  zorg  toevertrouwde  personen ,  in  kerke- 
lyken  zin,  de  kudde.  ||  (Si^  selen  aftrecken sonder 
waen  den  gewarigen  herae  sine  atente,  Yelth. 
YII,  19,  50. 

2)  Objectief  opgevat,  en  wel  Doel,  bedoeling, 
oogmerk.  \\  Ane  tbejach  syn  mine  attenten.  Rosé 
10823.  In  Ylaendren  te  sine  was  sine  atente, 
VI.  Rijmkr.  7794.  Nu  was  des  bisscops  attente 
dat  hine  roepen  sonde  te  campe ,  Belg.  Mus.  1 ,  26, 
18;  verg.  Yelth.  I,  28,  44.  —  Ten  attente, 
met  het  doel,  met  het  oogmerk.  ||  Ende  voer  toten 
hemel,  toten  vader,  die  hem  die  macht  gaf  algader 
over  tsmenschen  gheslachte,  ten  atente  dat  hi 
sonde  ten  jugemente  sitten  ende  vonnessen  gheven , 
Amand  1,  4890.  Ende  daer  bij  vraeghdi  mede,  te 
welken  atente  men  so  eerde  den  sacramente,  II, 
2468.  —  Na  sine  attente,  overeenkomstig  het 
doel,  waartoe  iemand  of  iets  bestemd  is,  volgens 
zijn  bestemming.  \\  Daer  bi  en  antwerde  niet  den 
serpente  die  menische  slechts  na  sine  attente ,  maer 
twivelike  ende  op  aventuere  dat  wi  niene  sterven , 
Mask.  969.  Doe  qnam  een  boe  van  occidenten ,  entie 
hadde  na  sinen  atenten  tnsscen  sijn  ogen  een  horen 
staende,  Yelth.  YII,  6,  17  (Wellicht  moet  gelezen 
worden  na  minen  atenten-,  vgl.  Daniël  8,  5:  „ego 
intelligebam."  In  dat  geval  behoort  dese  plaats  bg 
1).  Doe  hi  die  clemente  elc  dede  staen  na  haer 
atente,  YIII,  27,  25. 

ATTER,  znw.  m.;  wisselvorm  van  Etter.  Eng. 
atter.  Ygl.  het  opstel  van  De  Yries  oyer aterling. 


Taalk.  Bijdr.  2,  6—14.  Etter,  vervuiling.  \\  Atter 
moet  in  mgn  gebeente  ingaen,  D.  B.Habak.3,1^. 
Ende  ie  sal  sijn  als  een  mot  Ephraym  ende  als 
atter  den  huys  Jnda,  Sosea  5,  12.  Een  soen  .  . 
dye  al  scorft  was  .  .  ,  soe  dat  hg  die  atter  niet 
langher  berghen  en  mochte.  Pass.  W.  248r.  Drre 
maenden  lanc  liep  uut  sinen  vinger  atter,  26ié. 
In  wonden  is  die  atter  wit  ende  licht  ende  effene 
ende  sonder  stanc,  Lanfr.  36p.  Yele  atters,  38r, 
Yele  dunne  atters,  38r.  Dat  ene  lit  hevel  vele 
atters  ende  dat  ander  luttel ;  die  vele  etters  heret 
behovet  medicinen  meest  drogende ,  24r.  —  Zoo  ook 
D.  B.  Jesaia  14,  6  (mit  attere  besmet),  Ezeck. 
32 ,  6 ;  Habak.  3,16.  —  Bg  andere  schrgvers  is  etter 
de  gewone  vorm,  b.v.  Sp.  lY»,  1,  72,  enz. 

ATTINGE  (attonge,  attenge),  xnw.  vr.  Mhd. 
atzunge,  hd.  atzung.  Yan  Atten,  nederd.  vonnvafl 
Aten,  mhd.  atzen,  etzen.  De  zuivere  mnl.  vora 
zou  ettinge  moeten  luiden  (vgl.  Etten),  doek 
vgl.  admael  naest  edmael,  atter  naast  etter.  Zie 
ook  Aten. 

1)  Voeding ,  onderhoud.  \\  Tgelt  van  hoy,  haver, 
attinge  der  arbeidender  ende  gesehickter  Inde, 
Nijh.  5,  80  (a.  1477).  Mit  betaUnge  van  9t4)ckgeh 
ende  attonge,  5,  199  (a.  1490).  Dat  sy  h&ir  cosiei 
ende  attinge  redelic  betalen  sullen,  Mieris  4,  207« 
(«.  1412). 

2)  Het  recht  op  vrij  onthaal  of  vrije  taftL 
Ygl.  Grimm,  D.  Wtb.  1,  697;  R.  A.  360.  ||  Daer  al 
de  schout  ...  voor  sgn  attinge  hebben,  voor  elcke 
maeltijdt  eenen  stuyver,  O.  R.  v.  Dor  dr.  2,  250 
{a  1433). 

3)  Bij  uitbreiding,  kosten  van  voeding  en  onder- 
houd, kostgeld.  Een  in  Geldersche  oorkonden  veel- 
vuldig voorkomend  woord.  ||  Dat  dy  gevanghei 
van  beyden  siden  ....  quiit  ende  leedich  soela 
ziin  op  oer  oerveede  ende  reedelike  attenghe ,  N§k. 
1 ,  182  {a.  1318).  Wannere  sy  oer  vangkgelt. 
sluytgelt  ende  redelicke  attinge  betailt  hebn,  4. 
391  {a.  1467).  Item  sullen  alle  gevangen  to  beydfs 
zijden  vry ,  los ,  ledich  ind  quijt  zyn  .  .  .  mit  W 
talinge  oere  attingen,  vanckgeltz  ind  slu^tgelti. 
118  \a.  1479).  Also  dat  een  ygelic  syn  vanckgeh, 
sluijtgelt,  attinge  ende  onrait  betalen  sal,  IS4 
(a.  1481).  Dat  zg  yrst  vanckgelt,  stockgelt,  slavt- 
gelt  ind  gewontliche  attinge  betaelen  sullen,  147 
(fl.  1481). 

AU ,  tusschenw.  In  het  laatst  der  Middeleeuinüi 
vaak  voorkomende  uitroep;  ons  hedendaa^ehe  h*'. 
heil  hou\  veelal  verwondering,  opwekking,  au- 
maning  uitdrukkende  of  gebruikt  om  de  «andackt 
te  wekken.  ||  Staet  stille,  a,u  dfisnertl  Ned.  Klucht^ 
66,  7.  Jae  maer,  au  vrient!  68,  47.  Fr.  Au,seck. 
au!  K.  Wye  es  daer?  72,  3.  Cn.  Au,  au!  W.Wn 
es  daer?  82,  122.  W.  Dus  houdic  mesdach  ter 
causen  van  dien.  M.  Wat,  au!  87,  249.  Cob^ 
herwaerts ,  au !  F  Maegd.  765.  Au  ziet !  2>.  Wr. 
1,  418,  337.  Au!  by  der  doot,  data  waer.  I. 
424,  630. 

AUBEELIJN ,  bnw.  Van  abeelenkottt.  Zie  venlw 
Ndl.  JVdb.  op  Abeel.  ||  Aubeeline  plancken ,  InefL 
V.  Brugge  3,  44. 

AUBERIOEN,  znw.  m.  Yan  ofr.  A^ubei^^ 
hauberjon,  auberjon  (Duc.  7,  199);  nfr.  Aaub^rgt» 
(Littré  1 ,  1990) ,  verkleinwoord  van  kauheTrt^  dat  aa 
het  germ.  halsberch  ontleend  is  (Diez ,  EUfvs.  Wth.  l. 
437 ,  op  U  s  b  e  r  g  o).  Kolder ,  halsbedekking.  \  \  Btls^ 
berge,  coucen,  auberioene,  Rosé,  fr.  248,  IS. 

AUCEROIS,  znw.  m.,  eigenlgk  bnw.  Wij»  tm 
Atueerre,  een  Bourgognewijn.  ||  So  wie  vercoöss 
petan   voor  rgnswijn,  of  garscoenge  voor  orleass 


m 


AUDt. 


AÜTA. 


m6 


of  aacerois  Toor  beane,  ...  die  verbnert  III  £ 
Toor  elc  stick  wgns,  dat  bQ  also  vercoopt,  Wiel. 
Insfy'.  155,  558. 

AUDIENdE,  znw.  vr.  Van  fr.  audienee  (La 
Cnrne  2,  313). 

1)  Gehoor.  \\  Dat  hi  den  volc  gbebode  silencie 
ende  Beinaert  gave  andiencie  sine  tale  te  spreken 
al  uut,  Kein.  II,  2233. 

2)  TereeAtgitünff,  ook  rtuid,  reehttgeleerd  lichaam , 
mlat.  attdimüa  (Dnc.  1,  481,  1).  —  Meester 
?an  der  andiencien,  raadsheer,  rechtsgeleerde. 
li  Oog  hebbe  ie  met  wisen  ouden  meisters  van  der 

aadiencien    qnestie    gbegbeyen    ende  sentencien, 
Bein.  n,  4040. 

AÜDIENCIER ,  znw.  m.  Ofr.  audiencier  (La  Cnrne 
2,  313);  mïaJt.  oudienHarwt  (Duc.  1,  482). 

1)  Óérechttbode,  deurwaarder,  ||  Meester  Pietre 
de  Nusement,  procnrere  in  der  stede  ghedinebe  . . ., 
Tan  sinen  pensione  van  den  jare  .  .  .  24  §.  Item 
den  andiencier  Tan  sinen  pensione,  8  ®,  Bek.  v. 
Gent  1 ,  166;  Terg.  47. 

2)  Beambte  aan  bet  Bonrgondiscbe  Hof,  belast 
met  het  controleeren  der  geldzaken ;  controleur  der 
ünanciekamer.  ||  Daer  is  ae  andiencier  die  tekent 
alle  manieren  Tan  ftnancbie  ende  geen  andere, 
Mattb.  AnaL  1,  248. 

AUEB  (ouwer).  WtI.  dialectTorm  voor  iewer, 
d.  i.  ergens.  Ygl.  De  Bo  453  en  nouwer.  ||  Is 
penitencie  aner  toe  goet?  Lttcid.  3832  (ygl.  4423: 
Is  p.  iewer  toe  goet). 

AÜÖURE,  znw.  vr.;  fr.  augure.  FoorspelUng.  || 
Ende  wiste  wel  in  waren  dinghen  bi  anguren,  bi 
helsconwinghen,  Farth,  2175. 

AUGUSTIJN,  znw.  m.  Monnik  van  de  vierde  der 
bedelorden,  ook  Augustijner-heremiet  genoemd.  Zie 
MoU,  Kerkgesch.  2«,  110  vlg.;  Romer,  Kloosters 
1,  232  Tlgg.,  627  vlgg.  II  Ofte  al  tfolc  worde 
Jacobine,  Minderbroeders  ende  Angnstine,  Sar- 
troyse  ofte  Clnsenaren,  wie  zonde  tlant  dan  aren? 
Lsp.  I,  25,  103.  Si  sijn  ghewyet  op  die  bede, 
Karmeliten  ende  Augastinen,  Minnebroeders  ende 
Jacopinen  ,  Hild.  153,  30.  Minrebroeders ,  Jacopijn, 
Tsairtroysers  ende  Angnst^n,  218,  133.  —  Ook 
in  den  yorm  Auwestijnen,  Invent.  v.  Brugge, 
Int.  400. 

AUCOTOEN.  Zie  Acotoen. 
AUCTOOR  (auctoer),  znw.  m.  Van  lat.  ffi«?^. 
Schrijver  ^  auteur.  \\  Die  anctore  scriven  te  stride. 
Nat.  BI.  VII,  866.  Anctore  hetense  Ganges,  XI, 
23.  Alse  wi  horen  wel  orconden  enen  auctoer,  die 
Ifacrobes  biet,  Eose  12.  Ie  sal  seggen  van  dien 
poëten  al,  wat  sire  toe  seggen  ende  die  anctore. 
Case.  1661.  ünt  des  auctoors  woort  ensalmenniet 
gpoen  een  oort,  Lsp.  III,  15,  271. 
AUS.  Zie  AVES. 

AU  STER,  Toorz.  (indien  de  lezing  in  orde  is, 
waarop  in  de  uitgave  van  Yp.  geen  staat  is  te 
maken) ,  Ylaamsche  dlalectvorm  voor  Achter,  evenals 
aster-,  zie  De  Bo  62  op  aster  en  Jan.  Tp.  43, 
aangeh.  ald.,  en  asterwaert.  Jan.  Yp.90. 

1)  Na.  II  Dat  witte  van  den  eye  gheleit  in  de 
wonden  anster  dat  bloeden,  dat  es  seer  goet  of  de 
Hese  Terhit  es.  Jan  Yp.  66  {Hs.  Yp.  heeft  „na 
dat  ai  haer  bloeden  laten"). 

2)  Naar.  ||  Van  dieren  die  men  heet  scronffelen 
aast«r  de  soghe  (t.  w.  lat.  scropha),  ende  ghelijc 
dat  de  soghe  werpt  vele  verkine,  alsoe  doet  dit 
eyele  vele  gaetkine.  Jan  Yp.  162  {Hs.  Yp.  beeft 
dit  gedeelte  niet).  Vgl.  Achter,  voorz.  5)  en 
Jan.  Yp.  163,  waar  in  denzelfden  zin  achter  ge- 
bmilct  wordt. 


AUTAEE,  znw.  m.;  lat.  altare.  Altaar.  \\  (Hi) 
ghinc  ghereden  sinen  antare,  ende  began  singhen 
ende  lesen,  Bein.  I,  2980. 

AÜTENTIJC,  -ike,   bnw.  Ofr.  autenthicque  (La 
Cnrne  2,  325).  Beroemd,  aanzienlijk,  vermaard.  || 
O   Retorica,  antentijcke   couste  liefl^ck,    Mar.  v. 
Nijm.  22,  515. 

AUWEET.  Zie  Aweit. 

AÜWESC.  Zie  Avesch. 

AUWESTIJN.  Zie  Augustijn. 

AVALOYS  (AVELOis,  aveloos,  avoilois), 
znw.  m.  Ofr.  avalois  (La  Onme  2,  311),  van  het 
bgw.  aval,  beneden,  thans  nog  over  in  de  nit- 
dmkking  a-vau-Veau,  stroomafwaarts  (Bnrguy  2, 
270).  In  het  Ofr.  was  Avalterre  de  benaming  van 
het  land  ad  vallem,  d.  i.  in  valle,  gelegen,  m.  a. 
w.  van  de  Nederlanden ,  les  pags  en  aval  du  Bhin, 
les  Pays-Bas,  en  Avaloys  zooveel  als  Nederlander 
(Duc  1,  473).  II  Ingelsce,  Vlaminge,  Avelose, 
Camerzine  ende  Artenoise,  Lorr.  II,  235.  Menech 
stout  Avoilois,  II,  925.  Met  Karlen,  als  iet  ver- 
nam ,  waren  Dietsce  ende  Waloise ,  Inghelsche  ende 
Avaloise,  Brab  T.  II,  790.— Zoo  ook  Sp.  III»,  83, 36. 
—  De  in  de  fragmenten  van  den  Ogier  (Belg.  Mus.  2 , 
337,  93)  genoemde  AvelcMse  zijn  zonder  twijfel 
ook  Nederlanders.  Daar  de  rijmregel  ontbreekt,  is 
het  onzeker  of  ook  Aveloise  moet  worden  gelezen, 
dan  wel  of  Avelans  een  gewQzigde  vorm  van  Avelois 
is.  II  Namels  wapendem,  ende  die  Franzoise  entie  van 
Geneven,  entie  Vianoise,  entie  Dundsce  entie  Ave- 
lanse. 

AVANTPBI JS ,  znw.  onz.  Van  een  ofr.  avantpris, 
dat  niet  voorkomt,  uit  avant  en  pris  (verg.  prov. 
presa,  enceinte,  circuit,  Rayn.  4,  628),  doch  dat  in 
bet.  moet  overeenkomen  met  het  gelijk  gevormde 
porpris,  mnl.  porprijs  (z.  ald.).  Omheining ,  misBchien 
ook  eerste  omgang  van  een  toren,  omloop.  \\  Somme 
van  den  werke  dat  ghewrocht  es  ant  beelfort ,  mits 
den  steenen  diere  toe  ghecocht  sijn ,  ende  mits  den 
taschwerke  datter  ghehouwen  es  omme  np  te  set- 
tene  van  den  avantprijse  gorgoelen,  dat  men  heet 
gotieren ,  ende  manne  diere  staen  ende  staen  sullen , 
2479  f^.  Bek.  v.  Gent  1 ,  248.  üp  te  settene  beede 
avantpris,  gorgonen  ende  manne,  ald.  aant.  2. 

AVE,  vr.  Naam,  waarmede  in  de  dierensage  de 
ekster  wordt  aangeduid,  b.  v.  in  „Van  Reinaert 
ende  van  Ave*',  bg  Hild.  33,  waarin  de  ekster 
telkens  Ver  Ave  heet.  Misschien  samenhangende 
met  het  woord,  waarvan  ook  ekster  en  u^^r^^zelf 
afkomen,  nl.  agu,  age. 

AVE,  vr.  eigennaam,  met  de  verkleinwoorden 
Aveken,  Avetien,  Avetiaen,  ons  Aafje  of  Aafke. 
Vgl.  Ndl.  Wdb.  1 ,  13. 

AVE,  znw.  vr.  Omzetting  van  het  woord  Eva, 
als  naam  gebezigd  voor  Maria,  tevens  met  toe- 
speling op  de  begroeting  des  Engels:  Ave  MariaX 
Veelal  worden  Bva,  de  eerste  vrouw  die  het  mensch- 
dom  in  ellende  bracht,  en  Ave,  de  tweede  vrouw, 
die  de  menschheid  redde,  tegen  elkander  over- 
gesteld.  Zie  Grimm  in  de  Inleiding  op  Eonrad  von 
Würzbnrg's  Goldene  ^0Am»<?^,XLIII.  ||  Evaleedde 
ons  int  maras;  Ave  weder  ons  ghenas,  OVl.JAed. 
en  Ged.  170,  21.  Doe  Eva  slonch  sbevelens  swike , 
Ave  beterde  ons  tverlies ,  doe  soe  opwies  die  werde 
roze,  176,  30. 

AVE,  met  de  samenstellingen.  Zie  Af,  en  Ave- 
recht,  AVEOONST,  AVEGONSTICH,  en  AEFOONSTICFÏ. 

AVEDOCHT  {Bek.  d.  Buurk.  29  en  92).  Zie 
Haqedochte. 

AVEGONST,  znw.  vr.  Hetzelfde  als  ons  ix/]7m>m/. 
Voor  de  vorming  zie  arfgunstio  en  averkcmt.  || 


m 


AVEG. 


AVEL. 


488 


Dat    man    durch   ayegonst   bringet  Toort,  Gelre, 
Wapenb.  47. 

AYEGONSTICH.  Hetzelfde  als  afgonttich  en 
aefgonstich  (z.  ald.).  ||  Ayegonstighe  luden,  de  der 
Btat  .  .  welvaert  vergonden,  Racer  6,  127. 

AVECAET,  znw.  m.  Naar  de  Tolksuitspraak 
voor  Adoocaet  (zie  ald.).  Advocaat^  plAtbezorger , 
voortpraak.  ||  Taelmanne  ende  avecaten ,  die  om 
hare  horsen  haten  scalke  vonde  venden  conen, 
Boet  in,  106.  Om,  vroowe,  te  nemen  met  u  raet,  ende 
dat  ghi  dan  wort  haer  ayecaet ,  Blüc.  v.  Mar,  1023. 

AYELjZnw.  m.  Hetzelfde  als  navel;  Yg\.  adder, 
aak,  hd.  natter,  naeAen,  mnl.  aen  voor  naen  en 
ap  Toor  nap.  \\  Beneden  soorten  si  een  linnen  cleet 
om  hem ,  dat  was  lanc  van  den  avel  ter  aerden  toe, 
Katth.  Jnal.  3,  242. 

AVELANE,  znw.  vr.  Haulnoot.  Fr.  avellaine, 
awelane,  noisette;  lat.  nux  abellana  of  auellana. 
Hejer,  Woordentchat :  ayellana,  hazelnoot.  || 
Vier  laden  cruuts  ghestoffeirt  met  dragien ,  festnken, 
ayelanen,  cytronaet,  morseelen  gheconfijt,  Invent. 
V,  Brugge  4,  489. 

AVELINQE,  znw.  vr.,  een  woord  uit  het  Mnl. 
dgkwezen,  in  het.  overeenkomende  met  ons  berm, 
de  strook  land*  ter  zijde  van  den  dijk,  die  bij  den 
dijk  bekoorde,  en  door  de  dijksloot  van  de  aan- 
grenzende akkerlanden  was  afgescheiden.  Onr.  efling, 
versterking,  steun,  hulp;  vgl. onr. <»/a , versterken, 
bevestigen,  onr.  afl,  ags.  abal,  afol,  kracht, 
sterkte.  De  avelinge  was  dus  de  strook  grond ,  die 
tot  stevigheid  van  den  dgk  een  vereischte  was,  en 
die  daarom  ook  niet  mocht  worden  vergraven.  Zie 
over  het  woord  en  zjjne  afleiding  het  uitvoerig 
artikel  van  De  Vries  in  Tijdsehr.  2,  132—143.  |i 
Dat  ghi  besiet  alle  ommetrent  Zwindrecht  van  den 
lande  dat  bi  den  dike  gheleghen  es,  ende  dan  of 
alse  vele  avelinghen  (2de  nv.  enkv.?  mv.?)  afsteit 
(/  afstect)  als  m  denckt  dat  men  niet  omberen  en 
mach  toit  sdikes  behoef,  Zwijndr.  W.  23  («.  1334). 
Dat  men  hem  dat  anemeten  sal  van  den  eersten  te 
lande  (?  telande  =  teellande  ?) ,  dat  is  te  verstaene 
dair  die  eerste  (?)  avelinghe  van  den  dyke  stout  (?) 
ald.  36  («.  1340).  Dat  die  heere  van  Zevenberghen 
ende  zijne  medecoopers  avelinghe  zullen  laeten 
legghen  binnendijcx  ende  buijtendijcx ,  alzoo  groot 
ende  alzoo  clejoie  als  ons  ghenoucht  ende  profyte- 
lijck  ende  oorbaerlick  is  den  lande  voorscreven. 
Ende  die  avelinghe  en  zei  die  heere  van  Zeven- 
berghen niet  ghelden ,  maer  die  voorscreve  avelinghe 
zullen  blyven  ligghende  tot  des  dijcx  oorbaer. 
Mieris  3,  352  a  (waar  het  woord  nog  een  paar 
malen  voorkomt  {a.  1379)).  An  den  Nieuwen  Hoorn- 
schen  droogen  dijck,  in  die  avelinghe  van  der 
Ouder  Goote,  Friv.  r.  Brieïle  2,  98  («.1484).  Van 
dair  neder  noordwert  an,  ter  plaetsen  dair  tlant 
smaelste  is ,  tusschen  dat  waterscip  in  die  Nieuwer 
Goote  ende  die  voors.  anelinge  (/.  avelinge)  in  die 
Oude  Goote  by  den  dijcke,  ald.  Zie  nog  Mieris  2, 
316  b  («.  1376);  2,  499  {a.  1330);  3,  402  « 
3  maal  (a.  1383);  3,  334  {a.  1377);  4,  148  * 
(«.  1410)  en  eenige  andere  voorbeelden  uit  reke- 
ningen, berustende  in  het  Ryksarchief,  aangeh. 
bij  De  Vries  t.  a.  p.  137 ;  vgl.  138.  —  De  uit  ZvyW. 
W.  aangeh.  uitdr.  de  eerste  avelinge  levert  ook 
na  de  verklaring  van  De  Vries  eenige  moeielijk- 
heid   op,   die  nog  niet  is  uit  den  weg  te  ruimen. 

Nog  heden  kent  men  den  Polder  de  Dordtsche 
Jvelingen,  onder  Hardinksveld  en  Gorkum,  enden 
Polder  de  Qorinchemsche  Jvelingen,  alsook  het 
Jvelingendiep  en  de  zoogenaamde  Hooi-avelingen. 
Zie  De  Vries  t.  a.  p.  bl.  140. 


—  Samenst.  Dgc-avelinge,  Mieria3,SS4. 
Zie  De  Vries,  t  a.  pi.  bl.  135. 

AVELOIS.  Zie  Avalois. 

AVEN,  zw.  WW.  Kil.  Aveu,  vetus,  abire,4ef- 
cere ;  van  ave,  af,  dus  afgaan,  afnemen.  Onpersoonllk 
gebruikt  in  de  uitdrukking  mi  avet,  mijM 
krachten  nemen  af,  ik  bezwijk.  \\  Ay!  ge8elle,aTet 
u  alsoe ,  sone  werdic  nemmermer  Yro« ,  Vod,  Mnt. 
2,  57,  249  {Boel.-  fr.)  De  zin  is  kennel^k:  ^Neeut 
gij  zoo  af?  Bezwijkt  gij  aldus? ^^  Benecke  getakt 
(1,  3b),.  dat  de  uitdrukking  er  abet,  voor  seiiu 
kriifte  nehmen  ab,  nog  heden  in  Zwitserland  ^ 
woon  is;  aben  in  geleken  zin  vermeldt  GriniH, 
D.    Wtb.  1 ,  23. 

AVENANT,  huw.  Van  fr.  avenant.  BevalUg, 
lief,  innemend  (Littré  1 ,  261).  1|  Met  ainen  UI 
dochteren  avenant,  Brab.  Y.  VI,  339.  Daermn 
wilen  trouwe  vant,  daer  eest  nu  alao  bewant,  aei 
wilt  daer  niemen  horen,  hine  bringegelt  ofgóedei 
pant,  dan  so  es  hi  avenant  siere  stncken  ab  te 
voren,  IV  Mart.  99.  —  Ook  als  znw.  opgeval. 
Dat  wat  voegt, past,  betaamt.  — a)  in  de  bgw.  uitdr.— 
In  avenant,  te  avenante,  na  avenaat, 
f^.  k  r avenant.  In  evenredigheid,  naar  verhaudiag. 
Vgl.  Ndl.  Wdb.  op  advenant.  ||  Ende  scnapci 
kint  mach  om  V  sol.  leren,  ende  die  te  ghevae 
ende  te  gane  in  avenant  ghel^c  den  ghude  vu 
andren  leerlinghen,  Vad.  Mus.  2,  359  (a.  1280u 
Vette  botere  doeter  in  smelten  te  avenante,  Es. 
Yp.  61a  (fr.  h  Padvenant).  Dat  sal  men  mindoa 
na  avenant,  V.  d.  Wall  224. 

b)  £  venmatig  deel;  aandeel',  hetgeen  iemand  toe- 
komt of  door  hem  betaald  moet  worden;  vgL  fr. 
avenant  (Littré  t.  a.  p.).  ||  Des  sullen  sihaergkeh 
heffen  in  betalinghen  van  maende  te  maende  .  . 
elc  siin  avenant  also  groot  als  siin  somme  beloopt. 
V.  d.  Wall  305.  Ellic  siin  avenant,  ald. 

AVENT  (klemt,  op  vent),  znw.  m.  Van  laL 
adventus  t.  w.  Domini  (Duc.  1 ,  98 ,  2).  Ker- 
kelijke benaming  van  de  Vier  Zondagen  rwr 
Kerstmis,  die  de  viering  van  de  komst  van  CAriêtu 
op  aarde  voorafgaan ,  adventtijt.  Zie  MoU ,  Kerk- 
gesch.  2',  210  vlgg.  ||  Die  wille  weten  dienavett, 
hore  na  mi,  ie  doet  hem  bekent.  Sinte  Audri^ 
besie ;  die  naeste  Sonnendach  dat  is  die  after  q( 
voren,  .  .  .  daer  die  avent  in  sal  gaen,  Natstmrk, 
79  (verg.  bl.  197). 

AVENT,  AVENTLYC.  Zie  AvoNT. 

AVENTRONC.  Zie  avetronc. 

AVENTSTONDE.  Zie  avontstonde. 

AVENTÜERLIJC  (avontuerluc,  aventurlic; 
-like,  bnw.  Van  Aventure.  Van  het  lot,  kei  toef^ 
afhangende,  in  verschillende  opvattineen.  In  dezelfde 
opvattingen  als  het  echt  mnl.  woord  viiaselijc. 

1)  Gevaarlijk,  hachelijk.  ||  Camp  te  Techtcw 
onderlinge  dat  es  aventuerlyc  herde  sere^  La»c. 
III,  18347.  Gi  hebt  geladen  die  herte  m^n  met 
laste,  dat  avonturlic  es,  Cass.  1336.  Daer  om  etf 
die  avonturleecste  sonde,  die  men  noemen  raack 
met  monde,  Doet.  III,  461  var.  (tekst-hs.  wrgie- 
lecste).  Enen  aventurliken  val,  Sp.  !•,  61  ,  4. 

2)  Van  het  toeval  afhangende,  versckillènd^  ver- 
scheiden. II  Die  wambeisen  satyn,  carmozgn,  to- 
dect  mit  getrocken  gout  ende  silyeren  webbe  ti 
doorsneden  ende  die  bonetten  waren  aTontnerlfc, 
£jtc.  Cron.  281A. 

3)  Ondernemend,  stout,  waagziek.  \\  Te  wintff 
miicher  niement  liden  .  .  . ,  en  si  aventuerlgc  set, 
1^.  IY%  35,  31. 

AVENTUERLIKE  (avonturlike,  -lijc),  biw- 
BiJ  geval,  bij  toeval,  ioevalligencijs.   \\   Kens  an*- 


J 


489 


AVEN. 


AVEN. 


490 


tnrlyc  dat  so  quam,  dat  des  conincs  sone  vernam 
enen  lasersen,  Sp.  IV,  4,  ö9. 

AVENTIJRE  (AvoNTURE,  Aventuer,  Avon- 
tüer),  «iw.  Tr. ;  fr.  aveniure,  it.  awen^Hra,  mlat. 
adventura^  aventuray  Tan   lat.  advenire  in  den  zin 
yan  evemre,   met  gelijken  overgang  van  bet.  als 
in  ft*,  arriver  en   mnl.  tcecamen.  Ook  in  *t  mhd., 
▼aarin  het   omstreeks   het   einde  der  12de  eeuw 
werd  overgenomen ,  heeft  deentiure  eene  groote  rol 
gespeeld.  Zie  Ben.  1 ,  67—72.   Zoowel  in    't  hd. 
als   bij   ons   werd   het   woord   allengs   onz.   {cUu 
abenteuefy  het  ewontuwr)  door  invloed  vanhetNdd. 
dialect,  vgl.  Grimm,  Frau  Avenüure,  bl.  6.  In  het 
Mhd.  bleef  het  woord  zonder  uitzondering  vr.  De 
spelling  aw?»/«rtf  komt  reeds  in  de  13de  eeuw  op, 
en  was  in  de  löde  de  heerschende.  —  De  oorspr. 
bet.  van  gebeurtenis  ^  geachiedenuy  liet  twee  hoofd- 
opvattingen  toe ,  naarmate  men  óf  de  gebeurde  zaak 
of  Aet  plaats  hebben  daarvan  zelf,  óf  het  bericht , 
het  verhaal  er  van  bedoelde. 

I.   Gebeurtenis  y  te  onderscheiden  in   1)    het  ge- 
beurde  2)  het  gebeuren  ^  het  lot, 

1)  Eene  gebeurtenis  ^  een  voorval  ^  een  geval  of 
loedervaren^  als  feit  gedacht.  ||  Doe  men  vernam 
die  aventnre,  hoet  daer  Lancelote  was  vergaen, 
Lanc,  ni,  14566.  Mi)n  avontnre  ende  mijn  geval, 
II,  4724.  Hoe  die  aventnre  gevel,  Eleg.  1201. 
Alse  die  coninc  Artnr  wiste  daventure  van  den 
twiste ,  Aet  voorgevallene ,  den  uitslag  van  het  ge- 
vecht ^  Sp,  III»,  62,  83.  Na  deser  aventnren,  na 
dit  wedervaren  y  Franc,  801.  Hi  .  .  behoeft  wel 
hoede  op  daventore,  op  al  wat  er  gebeuren  kan^ 
Hild.  198 ,  56.  Die  spierres  qnamen  na  drie  daghen 
ende  seiden  hare  aventnre ,  lUjmb.  6509.  Walewein 
telde  hem  sine  aventnre,  gijn  wedervaren ^  Val. 
8473.  So  hoe  dat  daventnren  comen  sgn,  emmer 
sijn  die  sculden  mgn,  Rosé  fr.  257,  301.  — Vooral 
van  gebeurtenissen  van  bgzonderen  aard,  bepaaldelijk 
van  vreemde,  hachelüke ,  merkwaardige , gelukkige 
of  ongelukkige  toevallige  omstandigheden. 

a)  Vreemd  y  wonderlijk  geval ,  waarbQ  een  wonder , 
of  tooverfj  of  iets  geheimzinnigs  in  het  spel  is.  || 
Daer  viel  ene  vremde  aventnre,   een  hase  quam 
enz, ,  iSJp.  IV' ,  68 ,  7.  Ie  weet  wel ,  het  sijn  avonturen 
van  een  steen  die  opt  water  dreef,  Lanc.  111^11^. 
Dits  ene  wonderlike  aventnre,   131.  {Gij  gaat  niet 
aanzitten  ter  maaltijd)  eer  voor  u  enae  voruliede 
enege  aventnre  gesciede ,  161.  —  DergelQke  vreemde 
voorvallen  gaven  aanleiding  tot  stoute  onder- 
nemingen en  waagstukken,  en  zoo  verkreeg 
aventnre  de  gewone  beteekenis ,  die  nog  aan  ons  avon- 
tuur eigen  is.  Vooral  in  de  ridderromans  komen  der- 
gelgke  ondernemingen  veelvuldig  voor,  in  't  bii- 
zonder  in  de  Aj'turromans.  ||  Van  Waleweine  ende 
van  Perchevale  kent  men  die  avonturen  wale ,  Heelu 
3929.  Dat  gi  dit  foreest  dure  ridet  soeken  aventnre, 
Zanc.  II,  1849.   Elc  trooste  andren  ter  aventnre 
ende  liepen  an  die  mure ,  lUjmb.  28847 ,  vgl.  Wal. 
622.  Dat  hi   gene   aventnre   vaut   die   vertellens 
werdech  ware,  III,  2380.  Wine  sceden  ..  tameer , 
wine   sullen   avontnre   vinden  eer,  II,  3359.  En 
had  u  niet  meer  ere  gewesen  te  stervene  .  .  dan 
te  keme  sonder  aventnre,  18031.  Lanceloet  reet . . 
sonder  aventnre  v|jftien  dage ,  22123.  Hen  waren . . 
j^evallen  scone  avonturen,  III,  398.  Daventure  en 
hadde   niet   genomen   inde,   1812.   Die  avonturen 
van  den  conincrike  van  Logres ,  1766.  Die  aventnre 
(of  aventnren)  vanden  heilegen  grale,  II,  3874; 
III,  213,  311,  363  enz.  Gawein,  .  .  die  menighe 
avontnre   ontstaen    heeft,    Ferg.    5469.   Ie   hebbe 
hier   te   langhe  alse   een   kint  gheleghen  sonder 


aventnre,   Limb.   VIII,    1266.    Selc   telde   andren 
sine   avontnre,   Ferg.   19,   vri.   346;    Wal.  8478. 
Si  hadden  groet  wonder  van  der  avontnre ,  Zanc.  U , 
3378.  Bidderscap  ende  avontnre,  5198.  Een  ridder 
van    aventnren,     Glor.    609;  Zanc.    III,    17036. 
Tpalais    van    avonturen,    het    wondervolle    kasteel 
CorbenyCy    waar    de   heilige  graal   bewaard  werd, 
Zanc.  II,    18024;  IV,   5946  e.   e.  Int.  lant  van 
avonturen,    II,    41990.    Tgewat    van    avonturen, 
III,    24521.    Op  die  aventnre  leven,  Fleg.    111; 
leven  bider  avonturen,  van  roofridders  gezegd ,  20S. 
—  Zich  uit  een  moeilijk  avontuur  redden  heette  mnl. 
der  aventuren  genesen,  Fl-eg.  293,   doch  de  klas- 
sieke term  voor  het  volbrengen  der  zware  taak ,  was 
die  aveyUure  te  hovede  bringen ,  Zanc.  II ,  3367 ,  3374 ; 
III,  1639,  10177,  10252  -7,  enz. ,  of  die aventure 
inden,  Vod.  Mus.  4, 315,  74. — Het  tegenovergestelde 
heette  faelgieren.  ||  Tote  dien  dat  ie  die  avonture 
sal  te  hoefde  bringen  of  faelgieren  al,  Zanc.  II, 
3409,  vgl.  3622.  —  Ook  het  avontuur  zelf  wordt 
gezegd  te  faelgieren,   te   bezwijken,  op  te  houden, 
zoodra    het    door    een    ridder    is    te    hoefde   ge- 
bracht. Het  is  een  strQd  tusschen  den  ridder  en 
het  avontuur:  een  van  beiden  moet  het  opgeven. 
Zoo  Zanc.  III,   1823,  1772;  H,   18033.  —   Die 
heren  der  aventuren,  bQnaam  der  Bomeinen, 
de  koningen  op  het  gebied  der  ridderiyke  helden- 
feiten,    de   helden   bij   uitnemendheid,    Zanc.     IV, 
9997— 10004,  vgl.  Sp.  III»,  63 ,  62  en  noot,  en  Jonck- 
bloet  op  Wal.  Dl.  2,  bl. 21.  —  Der  aventuren 
vader,  eerenaam  van  Walewein  (vgl.  der  eren 
vader,  naam,  door  Stoke  IV,  270  aan  Jan  Ivan 
Brabant  gegeven,  en  zie  bg  Vader),  Wal.  3170; 
Zanc.  II ,  &230,  42869,  enz. ,  en  verder  vele  malen 
in  Zanc.  en    Wal.  —  Daar  elke  moeil^ke  onder- 
neming ,  elk  waagstuk  inspanning  en  moeite  vordert, 
ontwikkelt  zich  geleidelyk  uit  deze  bet.  die  van 
moeite,  inspanning.  \\  So  haert  ghehuut,  dat  men 
daer  duere  ne  coemt  met  ghere  aventure,  Nat.Bl. 
II,  3601.  Sine  moghen  poorten  no  mure  ghe winnen 
met  ghere  aventure,  Bijmb.  16727.  Wat  holpt  dat 
die  phisisien   omme  medicine  wille  zien  . . . ,  hets 
verloren  aventure,  Sp.  I",  76,  21. 

b)  Hachelijk  geval,  hachelijke  of  onzekere  kans 
of  toestand,  gevaarlijk  spel,  gevaar.  \\  Te  weder- 
stane  dese  aventure,  dit  dreigend  gevaar,  Velth  IV, 
26,  63.  In  aventuren  strijt,  in  den  strijd  met  een 
hachelijke  kans,  IV,  67,  36  (de  2de  nv.  heeft  hier 
dezelfde  bet.  als  het  bnw.  aventuerlike ,  z.  ald.). 
Die  minne  staet  op  avontuer,  is  zeer  wisselvallig, 
MZoep  II ,  2381.  Het  ne  mochte  niet  vor  di  ghe- 
staen  mijn  goede  halsberch  van  den  aventuren, 
Wal.  690.  Si  waren  in  aventuren  serete  verlisene 
haer  lant.  Mor.  2888.  Hi  lach  in  suiker  aventure, 
.  .  .  datmen  van  hem  van  enen  worde  nine  mochte 
hebben  antworde ,  Zanc.  IV ,  6145.  Bi  dat  hi  hem 
in  aventuren  sach  van  scanden  tontfane  op  dien 
dach,  IV,  9431.  Hi  es  van  den  live  in  avonturen, 
in  levensgevaar,  Roel.  IV,  134.  Ende  lieten  allede 
ghebure  in  sorghen  ende  in  daventure,  Stoke  II, 
497.  Ende  beydt  haers  tijts  met  vresen  groet  in 
avonturen  van  der  doet,  TV^j^.  2800.  Dat  in  grooter 
avontueren  de  siele  es,  Jmand  II,  4768.  So  es  de 
ziele  in  aventuren,  dat  soe  den  viant  mach  ghe- 
bueren,  Praet  1150.  Mi  wondert  dat  di  niet  ofgrjjst, 
na  dattu  sijs  in  aventuren,  wat  dat  di  dair  sal 
ff  heburen,  4727.  Die  mint  hi  doghet  sware  avon- 
tnre Haie^w.  I,  9,  30.  Dat  ghebod  daticbekinne 
.  ^ijxnen  nature,  dat  bringet  mine  zinne  in 
^^  ntute ,  1^  ft'i,  A.b.  QrM  lieU  avontuer  gheleden, 
ftVO»    -47  ^  aS2.  1w  Mwert  lijtmen  avontuer,  191, 


491 


AVEN. 


AVEN. 


492 


159.  Die  hem  niet  betren  willen  . .  syn  in  aven turen 
te  bedervene ,  Livre  d.  Mett,  43.  (Hi)  maecte  vrede 
ende   behelt  die  stat,   die  te  voren  in  aventueren 
was,  U9.  88,  /.  27r/.  —  Ook  in  de  volgende  uit- 
drukkingen. —  In   aventure   (op   aventure, 
ter   aventuren,    in   daventure)  setten,  in 
gevaar   stellen^   in   de   waagschaal  stellen^  op  het 
spel  zetten^  vagen.  \\  Hiheeft  hem  geset  in  avonturen 
om  u  ende  om  mi,  Lane,  II,   7308.   In  den  toren 
daer  si  lach  sette  hi  zjjn  lyf  op  aventure,  Parth. 
4814.   Wie   es   hier,   die  sijn  oghe   ofte  syn  lier 
wille  setten  in  avonture  omme  ene  felle  creature? 
Rein.  I,  1343.  Ie  wilt  al  setten  ter  aventuren,  II, 
7106,   vgl.  Bose    C  8751.  Man   ende  wyf  hadden 
haer   leven   in   davonture  dan  gheset,  Stoke  IX, 
1196.    Hi   es   meer  in  davonture   gheset  dan  die 
over  zee  vaert  striden,  Teest.  2749.  Die  sijn  ziele 
ende  sijn  lyf  in  avonturen  set  om  goet,  Lsp.  III, 
10,   206.  Ie   sette  liever  ter  aventueren  lijf  ende 
goet   in    ere   uren,    Grimh.    I,    1733.    £en    recht 
schuldich    woeckenaer   die    en  set  gheen  goet  in 
avonture,  Hild.  162,  44.  (Si)  vallen  liever  achter- 
waert,  .  .  dan  si  tlijf  in  davontuer  setten  of  hoer 
zonde  (gezonde)  lede ,  181 ,  230.  Also  dieke  machment 
nu  ende  echt  setten  so  in  avonturen ,  dattet  comt  tot 
groten  bezuren,  248,   112.  Desghelijcs  is  yghelic 
sculdich  .  .  steden  ende  sloten  te  helpen  houden , . . 
ende  hem  selven  dair  'voir  in  aventuren  te  setten, 
Matth.  39.  Sijn  lijf  stoutelic  in  aventueren  te  setten  . . 
voir  dat  kersten  gelove,  Clerc  91.  —  In  aventuren 
stellen,    in    daventure    slaen,   op   het  spel 
zetten^  wagen.  \\  Want  si  liever  confessoren  bleven 
dan  in  aventueren   stellen  dieven,  Amand  II,  93. 
Hets  al  verloren  datmen  in  aventuren  stelt,  OVl. 
Lied.    en    Ged.    364,    1446.    Ja   en    slaet   hi    in 
die  aventure  sijn  lyf  om  ene  clene  hure ,  ^/^or.  YI , 
1223.  —  In  daventure  gaen  (lopen),  zich  in 
het   gevaar    begeven^    zich   wagen.    \\     Die    Joden 
met   stouten  sinne   .  .  liepen  dicken  in  daventure 
buten  mure  ende  namen  roof,  Rijmb.  28620.  Tytus 
was,    die    voren   ten    muren    eerst    ghinc   in    die 
aventure ,  29077.  Die  in  aventuren  gaet  met  zonden 
lime  .  .  hi  sal  hem  te  tijt  doen  puren,  Praet  1154. 

—  Ter  aventuren  staen,  sijn;  ook  in 
aventuren  (daventure)  staen,  hachelijk,  on- 
zeker zijn.  II  Si  hadden  mi  liever  verloren  dieven, 
dant  stonde  ter  avonture ,  Wittek.  v.  S.  120.  Orloge 
dat  es  een  spel  dat  sere  ter  avonture  staet,  Cass. 
818.  Om  dat  u  leet  es  van  dien  dat  ie  ten  orloghe 
wille'  tien,  ja  om  dat  daer  uut  rueren  dinghen  die 
staen  ter  avonturen,  Melib.  3110.  Hier  es  ter 
aventueren  dwinnen ,  de  zege  hachelijk ,  Heelu  3694. 
Dan  steet  sere  sijn  lijf  ter  avonture.  Rosé  8864. 
Boosheit  staet  ter  avonture,  waerse  God  ter  laster 
ure  wisen  sal  of  bieten  varen,  Hild.  84,  129.  Of 
comense  daermen  zande  vint ,  soe  staet  in  avonturen 
al,  245,  144;  vgl.  247,  81.  Dat  es  sere  ter 
avonturen,  hoe  hi  dat  sal  beruren,  Melib.  1606. 
Staen  in  avonturen  van  sinen  live,  Wal.  611. 
Staen   in   aventuren    spele,    Velth.    III,   40,   59. 

—  Op   die   aventure,   in  twee  opvattingen. — 
a)  Op  gevaar  af  [van  te  missen ,  schade  te  lijden , 

enz^.  II  Opten  ridder  die  om  haren  wille  dade  menige 
cost  op  davontuer,  Hild.  144, 132.  Sulke  (*r^ri;t;<?r* 
zijn  er),  dies  niet  en  wisten,  die  haer  (der  Angel- 
Saksen)  rike  up  aventure  langhe  begonsten  voer 
Arture,  Sp.  III»,  16,  10.  (Het  is  zekerde)  dat 
een  man  cope  sijn  recht  dan  hi  uptie  aventure 
vecht,  III*,  45,  61,  Op  aventure  wat  syns  ghescie, 
wat  er  ook  met  hem  gebeiire,  Parth.  4818.  Op 
avonture   wats   gesciet,   ne   dar   ie   an   die    hope 


houden  niet,  Lanc.  Il,  12161.  —  Ook  ter  avoi- 
turen,  in  dezelfde  bet  ||  Om  dat  sise  (de  lichamen 
van  Petrus  en  Paulus)  ter  avonturen ,  wmU  er  ook 
van  komen  mocht;  op  gevaar  af,  dat  h*m  plan  mis- 
lukken zou,  int  lant  van  Grieken  wouden  vurea, 
Lsp.  II,  40,  113.  —  Ook  op  sine  aventnre,<i!p 
zijn  eigen  verantwoordelijkheid^  risico,  1*1.  sttoperi- 
eulo.  II  Dien  ghevanghenen  es  sculdich  de  meyere 
te  haudene  up  sine  plegt  ende  avonture  die  eerste 
drie  daghe,  Gendseh  Chtb.  89  (a.  1371).  Yu 
den  huse  te  scoeme  up  sine  aventure,  Inttnt. 
V.  Brugge ,  Int.  418. 

^)    Op   aventure   (ter  aventure),  gevolfd 
door    een    zin   met   of.    Misschien   dat,    omdat  ie 
kans  bestaat  dat ,  omdat  het  wel  zijn  kan  dat ,  voor  het 
onzekere  geval  dat.  \\  Ghi  selten  winden  (den  haai) 
omtrent  u  hoeft  ende  voerten   alsoe  openbaer  op 
aventuere  of  iement  waer,  die   u  kinnen  mochu 
daeran,  Esm.  586 ,  vgl.  638.  Begrypse  niet  van  htra 
seden   up  aventure  of  si  vergramen,  Bouc  v.  Sed. 
384.   Dat   ie  harwaert  comen  soude,  op  aventire 
opdat  (/.  of?  dat?)  men  mi  soude  hier  herbergim 
desen  nacht,  Limb.  X,  119.  Si  wachten  al  diennaekt 
dure  al  gewapent,  op  aventure  ochse  die  yan  der  stil 
versochten ,  Lanc.  II ,  34233.  Die  den  minsce  dide 
tier   ure    resten,    op   die   aventure    oft    hi   weder 
mochte  gewinnen  sinen  sin,  36755.  Dies  wilde  ki 
den    moordenaren    ruste   gheven  ende   sparen,  ip 
aventure  of  si   haer  leven  dor  vaer,  dor  hongker 
souden  upgheven ,  Rijmb.  31953.  Dus  willic  wn&lea 
gaen  temperen,  op  aventuere  of  zj  qoame,  F Maagi. 
89.    Ter  aventure   oft   hine   mochte   nedenrellei, 
Heelu  5493.  Ter  aventure  oft  reinde  of  meswederde, 
Jnvent.  v.  Brugge  2,  430.  —  Ook  op   aventure 
dat   en   in   aventuren   of,   in  denzelfden  zii. 
Voor  het  (onzekere)  geval  dat.  ||  Op  aventaere  dil 
wi  niene  sterven  ter  selver  ure,  Mask.  971.  Yooft 
houden  wi  alle  ponten  die  in  desen  brieven  siMs 
voirsz.  tonsen  verclaersen,  in  avonturen  ofter  jet 
in  viel  te  verclaersen,  Mieris  2,  209a  (o.  1319). 
—  Ook  zonder  een  afh.  zin  komen  op  aventure, 
van  aventuren,  ter  avontuere(n),  bi  avei- 
ture    en   m^t   aventure  voor,  in    den  zin  vn 
bij  geval,   misschien,    wellicht,   Ygl.   sp.  por 
tura,    lat.    forte,    eng.    perhaps,   fr.    par 
II   So  en  sal  men  nyet  daeran  plasteren ,   dan  op 
aventure  aen  jonghe  kinderen,  Lanfr.  171  r.  Dese 
leste  manire  en  mach  men  nyet  cureren  bj  snidoe 
.  .   off  ten  ware  van  aventuren  in  some  kinderei, 
ald.   Die   (=  dien)  ter  avontueren  niet   een   nock 
gheen  en  ware  ghesciet,  hadde  enz.,Braè.  71 VI. 
6116.  Ter  aventuer  het  mach  gheschyen   dat  iyk 
wylen  segghen  neen,  MLoepl,  1233.  Ter  aTentura 
sie  ie  u  nemmermeer  met  ogen  ane,  Playerw.  67, 
vgl.  293.  Op  dat  ghi  licht  ter  aventuere  niet  gke- 
vonden  en  wort  vechten  teghens  Gt>de,  He.  Ib^f. 
136r;   vgl.    Wal.    7769.  Men  daden  ter  avontam 
sterven,   Hs.  Yp.   144^.   „Omdat  wi  bi  aTentera 
die  doot  niene  souden  bezuren,"  ende  als  soe  bi 
aventuren  seide ,  mercte  hi  wel  hare  crancheid«. 
Rijmb,   625.   Bi   aventuren   si   sullen   minen  z«Be 
ontzien,  üs.  v.  1348,   77a.   Bi  aventuren  God  ol 
dijns  ghenadech  syn,  Rijmb.  16504.  Bi  avonturen  oase 
Here  sal  vertoegen  sinen  ghere,   Sp.  11^,  45 ,  Bk 
Haddense  gevloen,   bi   aventuren   so   hadden  ^ 
ander  daer  ter  uren  hem  gevolget,  Velth.  VI .  5. 
31.  Want  dat  ie  doe,   dats  om  weldoen:  bi  stcb- 
turen  het  sal  di  baten,  Praet  2369.  Zoo  ook  SaL 
BI.   I,   162;   III,   1367;   Sp.  III»,    10,  43  (Vik- 
forsitan)',  Exc.    Cron.    104^;    Rijmb.  3503,    5826; 
Franc.  5232,  5463.  —  Ook   met  aventnren.h 


493 


AVEN. 


AVEN. 


494 


Daer  wert  om  sine  omnate  die  biscop  Heinric 
onUet  van  sinen  bisdome,  dat  belet  met  aventuren 
lichte  waer  bleven,  Heelu  730. 

é)  Toevallige  kans,  toepal,  ||  Wat  avontare  hem 
brachte  daer,  Lanc.  II,  9846,  15634,  e.  e.  Waer 
aventore   ende   geval   ons   sal   leden,  8014.  Also 
als  daventure  cam,  Franc.  7281.  £lc  ginc  daerne 
davontnre  brochte ,  Amand 1 ,  1642.  —  B i (b i  der) 
aventare,    bij   toeval^    toevallig.    \\    Ene   waerf 
waert  hi  up  de  gracht  bi  avonturen  daer  belopen, 
Rein.  I,  348.  Enich  ander  voghelijn  .  .,  dat  daer 
bi   avontare   lidet,   2571.    Bi   aventuren  hijt  doe 
nam   ende   deet   an   sine   oghen   mettien,    Rijmb. 
26664.  (Doe)  quamen  si  bi  der  aventuren  daer  si 
den  coninc  Herodes  spraken ,  Lip.  II ,  1 2 ,  23.  Dat 
hi  quame  bi  aventuren  int  lant,  Lanc.  II,  18065. 
d)  Ooed  geval  ^  geluk.   ||   Dat  ten  groten  grieve 
hem   beden  sal   comen  .  .,  sine  hebben  meer  dan 
aventure ,    Wal.   8034.    Grod   gaf  mi  die  aventure , 
dat  lekene  daer  .  .  nedervelde,  8925.   Waert  dat 
.  .  wi  ontghinghen  metten  live ,  so  en  gheviel  noit 
man   .  .  so  sonderllnghe  aventure,  een  zoo  buiten- 
gewoon geliik^  9286.  ll%i&  ü'feniwit  ^  het  zou  een  geluk 
zijn ;  gij   (ik ,  Aij)  zoudt  van  geluk  mogen  spreken 
ah  (welk  woord  in  H  mnl.  niet  wordt  uitgedrukt), 
Lanc.   II,  45962;   Lorr.  II,   4363.  Gave  ons  God 
aventure   dat   wi    mochten   vergadren  daer,  Lanc. 
n,    22115.   God    heeft   mi   die  aventure  gegeven, 
dat    ie    hier    vinde    daer    ie    om    voer,    Parth. 
2783.   God  die  gaf  mi  aventure,  Glor.  1108.  Dien 
sulke  aventure  gevel  dat  si  der  vangnessen  waren 
ontgaen,    Rijmb.    14654.    Ooc   hadde   bi  bina  die 
aventure,    dat   hi   met   hem   in    ware   ghevaren, 
30450.  U  es  dicke  op  enen  dach  vremder  avonture 
ghevallen.    Rein.   I,    1392   (vgl.    Tijdsehr.    1,   15 
over   deze  plaats).  Die  ter  zee  om  harinc  voeren, 
noyt   aventuer   en   hadden  te  vangen,  Exc.  Cron. 
1316.  Ende  hadden  aventuer,  dat  si  weder  vingen 
een  deel  ridderen,  Clere  70.    Zie  nog   Wal.  1473; 
Sp.    III»,   49,   27;    «w.  —  Bi   aventuren,  bij 
geluk  ^    door   een  gelukkig   toeval.  \\  Waer  ie  hem 
niet  té  hulpe  comen  bi  aventuren  in  dien  stonden, 
Rein.   I,    160.  Hier  sijn  noch  betre  bi  aventuren, 
die    hem   houden  jeghen  den  derden  dach ,  Farth. 
4639. 

e)  Kwaad  geval  ^  ongeval  ^  ongeluk,  \\  Daer  gheviel 
mi  quade  avonture ,  Rein.  1 ,  394.  Alst  hovet  hevet 
quade  aventure,  dat  al  die  lede  sijn  tonghemake, 
Alex.  III,  444.  Zoo  ook  Alex.  VII,  242;  IX,  854; 
Rijmb,  27516.  Sware  aventure,  Lanc.  IX,  6014, 
5473;  Ro9e  265.  Scherpe  aventure.  Rein.  11,5602. 
By  snoder  aventuren,  door  een  ongelukkig  toeval^ 
Matth.  210  (tweemaal).  Si  gingen  hem  al  omme- 
ringen  gelijc  enen  stenijn  mure  te  wederstane  dese 
aventure,  Velth.  IV,  26,  61. 

2)  De  beschikking  van  goed  of  kwaad  geval  ^  het 
lot ,  het  geluk  ^  de  fortuin.  —  a)  Nog  niet  als  persoons- 
verbeelding, doch  als  beeld,  gelgk  ook  wy  van 
het  Irot  en  de  fortuin  spreken.  ||  Dus  was  hem 
daventure  jegen,  Stoke  II,  786.  Es  mi  daventure 
goei,  Fiein.  I,  624.  Die  aventuer  is  menichfout, 
II,  3944.  Daventure  dicke  sneeft,  Lsp.  III,  3, 
302.  Als  daventuir  ten  quaetsten  went,  MLoep  I, 
726.  {Wie  geld  heeft)  set  daventure  ende  voeget, 
regelt  het  geluk  ^  Sp.  III*,  45,  65.  Die  sine  aven- 
ture wel  wachte,  waer  hi  hem  gheneren  mochte, 
Rijmb.  8260.  Waer  mijn  aventure  goet.  Rein.  II,  6154. 
—  Zoo  ook  beter  aventuer,  Hild.  125,  133; 
174,  230.  Doch  salie  nemen  mine  aventure,  mijn 
geluk  iuingrijpen^  beproeven^  mijn  slag  slaan ^  Wal, 
^265.     In   denzelfden   zin ,  zijn   slag  slaan  ^  staat 


der  aventuren  genieten.  ||  Doe  bereiden  hem 
de  payene  om  te  ridene  buten  mure  ende  te  genietene 
der  avonturen ,  Aipl- fr.  851.  —  Deze  bet.  is  misschien 
juister  dan  de  in  dè  aant.  opgegevene  zijn  lot 
afwachten  j  in  welken  zin  men  de  uitdr.  vindt  Xaw^r. 
III,  15751:  II  Ie  vare  met  u  toten  coninc  .  ., 
ende  geuite  der  aventure,  weder  hi  mi  doet  oft  sal 
waen.  —  In  de  bet.  deelen  in  iemands  lot  staat  zij 
Stoke  V,  591:  ||  De  wilden  met  Diedrike  bliven  ende 
ghenieten  der  avonturen ,  die  Didrike  mochte  ghe- 
bueren.  —  Daventure  mochte  vallen  daer,  het  lot 
mocht  willen,  dat  icker  selve  bleve,  Teest.  701, 
Lodewike  jonste  de  avonture  das,  Stoke  I,  298. 
Daventure  heeft  (/.  heft,  verhef  f)  menigen  hoge, 
III,  371.  Den  coenen  helpt  die  avonture,  fortes 
fortuna  juvat.  Rein,  II,  4296;  Limb.  I,  1063 
(zonder  dié).  Den  cloecken  helpt  altoos  daventuere, 
Troyen  Vb.  29(?.  (Dat)  daventure  op  hem  gave 
die  sware  plage,  hem  de  nederlaag  deed  lijden, 
Sp.  III*,  24,  53.  Maer  dattem  daventure  benam, 
ald.  54,  67.  Diere  aventuren  raet,  de  beschikking 
van  het  lot,  Heelu  1375.  Zie  nog  Rijmb.  29089; 
MLoep  II,  1846;  Boet.  UI,  733;  Lanc.  TV, 
843 ;  Nat.  Èl.  V ,  673.  —  Dus  worden  ook  de  g  a  v  e  n 
der  aventuren,  als  rijkdom,  aanzien,  eer, 
gesteld  tegenover  die  der  gracien  en  der  na- 
turen, Ned,  Froza  153  vlg.;  Stemmen  60.  —  Ook 
bij  eene  werkelQke  loting ,  Rijmb.  29384,  *88. 

b)  BQ  persoonsverbeelding  Fortuna,  ds  Oeluks- 
godin.  Opmerkelük  is  het  echter ,  dat  zQ  meestal  met 
behoud  van  liet  hdw.  die  Aventure  of  d Aventure  h]^ft 
heeten,  een  bewys,  dat  men  zich  bewust  was, 
hier  met  allegorie,  niet  met  mythologie  te  doen 
te  hebben.  II  Ie  ben  geheten  dA venture,  ie  geve  dat 
soete  ende  dat  sure ,  Limb.  X ,  943  (waar  ook  het 
paleis  van  vrouwe  Aventure  beschreven  wordt); 
vgl.  I,  1063.  Mgn  viant  was  die  Avontuyer,  ic 
sochtet  soet,  ie  vant  dat  zuyer,  MLoep  II,  2401. 
Lancelot  begonste  sculden  die  Aventure.  Ay  vrouwe 
Aventure,  seit  hi,  hoe  valsch  ende  hoe  wandel 
sidi  ende  verradre  ende  ongetrouwe ,  Xaik;.  II,  18837. 
Dat  ghi  niet  en  sult  wanhopen ,  al  hevet  u  daventure 
belopen,  die  alleweghe  es  onghestade,  Alex.  Y, 
741.  Die  avontuer  salt  wail  bewaren,  MLoep  1, 104. 
Die  avontuyer  gehenget  vele ,  II,  415.  Sint  daventure 
versach  (zorgde),  1846,  vgl.  4012.  Dies  moet 
daventure  wouden,  Lijni.  V,  1836.  Die  aventure 
hout  mi  so  tonder,  Hexe  16.  Als  dl  daventure 
noepte  met  sporen,  Sp.  Til',  11,  85  (I»,  61,  17 
moet  aventuren  veranderd  worden  in  naturen  ; 
Lat.  nature  vitium).  —  Zie  nog  Al^x.  VII,  388; 
Rijmb.  12655;  29391;  Melib,  2668,  2699;  Teest. 
962;  Heelu  1375;  Rein.  II,  5807,  7518;  enz,  — 
Soms  evenwel  is  het  moeilijk  te  beslissen,  of  men 
met  het  beeld  of  wel  met  de  persoonsverbeelding  der 
Aventure  te  doen  heeft.  —  Dat  rat  van 
Aventuren,  Rosé  C  5574;  Limb.  I,  184;  Ned. 
Froza  154;  enz.  —  De  didactische  dichters  varen 
meermalen  tegen  deze  „blinde  vrouwe  Aventure" 
uit;  zie  b.  v.  Wap,  Mart.  I,  142—146;  Doet, UI, 
733—772,  Melib.  Gap.  43,  en  vooral  Teest,  Gap. 
18,  VS.  1630  vlgg. 

e)  In  concreeten  zin,  een  fortuintje ,  verval,  toe- 
vallige bate,  emolument,  mlat.  aventura.  j|  Oec  be- 
hoeren  toe  den  vorseyden  leene  tderdendeel  van 
allen  den  vervallen  ende  avonturen,  Gendsch  Chtb. 
89  (a,  1371).  Dammanscip  van  den  Oudenborch 
weert  wesende  tjaers  vive  pont .  .  by  der  avonture 
van  den  ghevanghenen  ende  andersints,  Diericx, 
Mem.  1,  451.  Drie  ponden  parasyse  tjaers  eeuwe- 
like    rente,    ende     de    aventure    van    den    ghe- 


405 


AVEN. 


AVEN. 


406 


Tanghenen  alsoet  ghevalt,  2,  512. —  Die  aven- 
tnre,  naam  voor  de  gemeentelijke  eigendommen 
der  stad  Brugge ,  Invent.  v.  Brugge  2 ,  24.  De  aven- 
tnren  Tan  der  onder  kallen,  inkonuten^  ald. 
3,  159. 

II.  Bericht  of  vertlag  van  gebeurde  zaken, 
verhaal,  getchiedenit,  \\  Dat  daTontnren  Tan  Rei- 
naerde  in  Dietsche  onghemaket  bleTen,  Bein  I,  4. 
Soe  bat  mi  dat  ie  sonde  maken  dese  aTontnre  Tan 
Reinaerde,  I,  30.  Ie  sal  beghinnen  ene  aTenture 
tellen  Tan  minnen,  Floris  1.  Die  kinder  .  .  .,daer 
ghi  daTentnre  af  selt  horen,  245,  zoo  ook  ts.  10, 
21,  64,  85,  2459.  Van  den  coninc  Arture  es  bleTen 
menege  aTontnre,  Ifal.  1.  —  Inzonderheid  in  de 
riddergedichten  als  naam  Tan  Aet  opgefeekend  ver- 
haal, de  geschiedenis  die  de  dichter  als  bron  ge- 
bruikte en  waarnaar  Terwezen  wordt.  Zoo  Tooral 
in  den  Lanc.  bg  het  begin  Tan  een  nieuw  hoofdstuk , 
ter  Tertaling  Tan  het  oorspronkeiyke :  or  dit  li 
contes.  Zie  Lanc.  Dl.  1 ,  Inl.  LVIII ,  aant.  147 ;  Wal. 
Dl.  2,  bl.  338;  Lachmann;  Inl.  op  Wolfram  X; 
Benecke  1,  70.  ||  Nu  begint  daTonture  tellen, 
Lanc  II,  1835.  Nu  laet  hier  daTonture  staen  te 
sprekene  Tan  hen  allen  gemene,  II,  2924.  Nu 
doet  daTentnre  Terstaen,  II,  2927.  Nu  swiget 
daTentnre  T^n  hen  Uden,  II,  18132.  DaTentnre 
seget,  II,  18136.  Maer  daTentnre  sal  u  Tan  Lance- 
lote  secgen  nu.  Dit  sijn  der  aTenture  worde,  II, 
29696.  Dus  seget  der  aTenturencracht,  III,  10579. 
Hi  moeste  daer ,  seghet  daTentnre ,  emmer  bÜTen, 
Wal.  11031.  Raab,  die  Tan  haren  Uto  ghemeene 
was,  tellet  die  aTenture,  Rijmb.  6480.  — In  dezen 
zin  wisselt  aventure  af  met  jeeste  {Wal.  10313, 
10751,  10885;  Thr.  2459)  en  hystorie  (^«7.9698, 
9843,  9933,  10097,  10533),  namen,  die  meer 
bij  de  eigeniyke  geschiedbeschriJTing  passen,  en 
daar  dan  ook  meer  gewoon  waren.  Omgekeerd 
ziet  men  de  geschiedschryTers  enkele  malen  het 
woord  aventure  bezigen  (Rijmb.  6481). 

Aanm.  —  Bii  de  Tergelijking  Tan  het  mul.  en 
mhd.  aventiure  blijkt  een  groot  Terschil ;  d&&r  werd 
de  Aventiure  in  de  onder  II  Termelde  opTatting 
gepersonifieerd  en  Fran  ATentiure  gold  als  de 
,,toandernde  spaherin",  die  „bisweilen  auch  dem 
erzahlenden  dichter  erscheint,  und  ihm  die  zuver- 
lassigsten  aufschlüsse  gibt  über  alles,  was  er  zu 
wissen  Terlangt  (Ben.  1,  72).  Men  Tgl.  de  mono- 
graphie  Tan  J.  Grimm,  Frau  Aventiure  klopft  an 
Beneckes  thür ,  waarin  hij  teTens  wnst  op  den 
samenhang  Tan  deze  ATentiure  met  de  Oudnoorsche 
godin  Saga. 

AVENTURE  (Avend-lre),  Tetus  Sax.  Herainaria 
Tenditio,  minutaria  negotiatio".  Kil.;  weldenkeiyk 
hetzelfde  woord  als  het  TOrige  Aventure,  dat  insge- 
lijks by  Kil.  Aventure  gespeld  wordt.  De  handel 
in  het  klein,  op  goed  aventuur,  werd  dan  zelf  ar^T»- 
tuur  geheeten. 

AVENTUREN  (aventueren),  zw.  ww.  bedr., 
onz.  en  onpers.  Mhd.  aventiuren.  Van  ofr.  aventurer. 

I)  Bedr.  —  1)  Wagen,  ondernemen.  \\  Ware 
enege  dinc  in  haer  macht,  diese  conde  gedoen 
dach  ofte  nacht,  die  soutsi  dor  hem  aTen turen, 
Lanc.  II,  42461.  Nochtan  Tant  hi  raet  daer  af ,  .  .  . 
ende  heTet  also  gheaTentuurt,  Rijmb.  29375.  Laet 
ons  dat  Torsorgen:  men  sel  ons  ontliTen  morgen, 
of  wi  moetent  aTenturen,  Sp.  III',  4,  39.  Had 
my  die  wynt  geUjc  gestaen,  ie  had  die  reise  ge- 
aTontuert,  Hild.  2,  166.  Rijcheit  maect  dat  herte 
coen,  ende  coenheit  doet  wel  aTenturen,  104,104. 
Hi  waer  sot  die  aTontnerde  enich  leTen  an  te  gaen, 
sijn  ziel  en  mochter  in  Tolstaen,  157,  16. 


2)  Wagen ,  op  V  spel  zetten ,  in  gevaar  brengen.  || 
Het  ware  sonde  ende  onnere,  soudewi  den  castccl 
opgeTen,  wine  souden  eer  aTenturen  onse  leTei, 
Lanc.  II,  46852.  Ende  ie  aTontuurde  wel  ghereet 
mijn  lyf  Tor  jou ,  Wal.  2818.  En  sonde  ooc  niemea 
wesen    lief,    dat   ie  jeghen   enen   Terbannen   dief 
minen  hals  sonde  aTenturen,  Eleg.  1237.  Sowoude 
hi  aTenturen  dore  mi  beide  goet,  Igf  ende  lede, 
Lorr.  I,   1277.   Ollyn   seide:   „Twaren,   here,  m 
moetyt  aTenturen  sere."  Yoen  seide:    „In    roake 
wat   ie  aTenture   om  dat,"    II,   1827.   Ende  wilt 
aTenturen   al  datter  haer  na  comen  sal ,  II ,  1961. 
Donze  aTenturdent  al,  als  die  goene  .  .,  die  haer 
kerchof    daer  wilden   maken,    Fragm.    Carl.  29^. 
Ende  aTentuert  s^nleTenghinder,  om  te  behouden , 
sine  kinder  ,  Nat.  Bl.  III ,  207.  Mine  maghe  snllea 
haer   lyf   met   n    daer    binnen   aTenturen,    Rijmb. 
32368,  Tgl.  Aiol-fr.  212.   So  dat  hi  te  menegher 
stonde  Tan  liTe  dus  wert  geaTontnert ,  ^.  II' ,  7 ,  16. 
Daer  hi   sgn  Igf  om  besuerde  ende  sijn  ziele  on 
aTontuerde,  Lsp.  I,  28,  59.  Sy  hebben  lie Ter  «onder 
biyf  taTentnerne  goet  ende  lyf,  Orimb,  II,  1270. 
Dat  si  doer  minne  ende  trouwe  met  hem  ayontnert 
haer  ere ,  Vrouw.  e.  M.  1,  519.  Soe  eest  beter ,  hoe 
soet  besuert,  dat  men  der  weldecheit  ontbert  dai 
salecheit    es  geaTontuert,  Rincl.  299.    (Als)    dii 
groot  storem  daer  in  wast,  dan  wort  datscipghe- 
aTentuert,    Praet    574.    Die   gheen,   diea    ro^en 
heeft  ghewout ,  die  mach  tscip  best  ayontarea,  Hild. 
135,   112.   Verslet  jon  altoes  wel  de  (/.  dat)  gki 
niet  ne  aTentuert  de  siecken.  Jan  Yp.  136.  —  T  aT  ei- 
tnerne   staen,  gevaagd  moeten  worden.  \\  Onie 
leTen  dats  altoes  Tor  hem  gereet,  waer  dattayei- 
tnurne  steet,   Lorr.  Y,  346.  —  Ook  als  wedeik. 
WW.:   Hem  aTenturen,  zich  wagen,  ziek  i»  ge- 
vaar   brengen.  ||  Alse  lange  alsic  in   desen   pocnt 
bem,    sone    aTenturie  mi   niet,  here,   Leme,  UI, 
1978.  Ne   ware  dat  ie  mi  aTenturde  doe  liare  te 
bescuddene  Tan  der  doet ,  IV,  7010.  Die  hem  wille 
nemen  thare ,  hi  aTentuert  hem  alte  sware ,  NaL  BL 
YII ,  504.  Jonathas  es  henen  gheTaren  ,  ende  avea- 
turde  hem  te  waren ,  Rijmb.  19892.  Wie  hem  meest 
aTenturen  dorste,  om  te  zineTan  groter  ere,  31758. 
Die   tgoet   Tan   lande   te   lande   Tuert    ende    hem 
dicke  daer  omme  aTOntuert,  Lsp.  III,  18,31.Die« 
die  Brabanters  TerTeert  worden ,  ende  dorsten  hen 
niet  Terder  aTontueren  yet,  Orimb.  I,  5064.  Wit 
hebbic  al  door  u   besuert  ende  mi  gheaTentnert , 
Glor.  641.  Ic  moet  mi  Taren  aTOnturen ,  &yA.  5327. 
Ie  sal  mi  selTen  daer  teghen  aTontueren  ende  eenea 
camp  aeuTerden,  Htige  v.  Bord.  10.  Hem  roawet  dat 
si  so  meneghe  Trese  ende  so  meneghe  staerke  rese  dor 
sinen  wille  hadden  besuert  ende  hem  so  dicke  ghe- 
aTentuert,    Alex.   III,  1203.  —  Het    vcrl.  deelw. 
ge  aTen  tuert,   heeft   den  zin   Tan  in  gevu^r.  H 
Syn  here  sach  Yaspasiaen  ...  in  scamen,  dat  si 
haren  here  lieten   gheaTentueerd  so   sere,  Bijmb. 
29817.  Hoe  die  kinderen  omme  tserpent  g'heaTai' 
turt  waren  ende  teblouwen,  Sp.  III*,  28,  60. 

3)  Iets  op  V  spel  zetten ,  in  den  zin  Tan  eedden,  it 
Ic  aTenthueme  Tan  hem  noch  u  en  sal  thaemeer 
ghe wrocht  zijn,  Ned.  Kluehtsp.  84,  148. 

4)  Te  gemoetgaan,  aanvaarden  (Taneene  onsekere 
toekomst).  ||  Met  u  willic  aTenturen,  lief,  tsnete 
metten  suren,  Beatr.  139. 

II)  Onz.  —  1)  Eene  kans  wagen.  \\  Hets  goet  dat 
wi  hier  binnen  duren ,  ende  laet  ons  nu  hier  aTentnrea 
dor  den   coninc  uwer  alre  here,  Lanc.  II,  46849. 

2)  Op  aventuur  uitgaan.  \\  Die  sgns  heren  goet 
Tuert  ende  om  winnen  aTentuert,  Lsp.  III,  5,  69. 

III)  Onpers.  —  Mi  aTentoert,  mij  gevU, 


407 


AVER. 


AVER. 


408 


kit  overkomt  mij.  ||  Maer  hem  aventaerde  dat  sijn 
ore  gheyelt  wert  sciere,  Heeln  5682. 

AYER,  znw.  m.  Ags.  ea/ora^a/ora,  nakomeling, 
woon  (Ettm.  1,  Grein  235);  osaks.  abharo  (Heine, 
Hil.  151) ;  got.  afar  (Lue.  1,5);  vgl.  Bernhardt,  ald. 
Alleen  Toorkomende  in  de  vereenigde  uitdrukking : 
Tin  aver  te  avere  (tavere),  en  met  de  aspi- 
ratie: Tan  haver  te  haver,  van  ouder  tot (mder, 
9*n  vader  op  zoo».  Deze  uitdrukking  was  in  de 
17de  eeuw  nog  gebruikeiyk  {JJUlegk.  Wdb.\On'^0' 
mans,  Wdb,  op  Bredero),  en  is  ook  thans  nog 
in  Tlaanderen  in  zwang ,  hoewel  in  gewijzigde  op- 
Titting  (De  Bo  65).  Doch  daar  men  den  waren  zin  der 
litdrakking  reeds  niet  meer  begreep,  verbasterde 
M  tot  van  haver  tot  gort  (garst) ,  in  welken 
Torm  zij  reeds  bg  Roemer  Yisscher  voorkomt  (De 
Jai^r ,  Taalk.  Mag.  3 ,  496).  Van  volkomen  gelijke  be- 
teekeois  is  de  mnl. uitdrukking:  van  ore  te  ore 
(Tin  oer  e  toe  re),  van  erfgenaam  op  erfgenaam: 
ue  Oer.  ||  Mgn  heer  Segerman  van  den  Male ,  die 
Ttn  Grimbergen  .  .  .  van  aver  tavere  geboren  was, 
Grimh.  I,  3550  (var.  van  haver  te  haver), 

ATER.  Zie  Au  er. 

ATERACHT.  Zie  Averecht  (2de  Art.). 

AYERECHT,  bnw.  Uit  Ave  en  Recht.  Verkeerd, 
omgekeerd,  met  de  binnenzijde  naar  buiten  gekeerd.  || 
Of  dus  scone  es  de  averecht  zide ,  die  hier  tonswaert 
es  ghekeert,  so  moet  soe  scoonre  sQn  ende  blide, 
die  rechte  zide  daer  God  reigneert,  Praet  2551. 
Soe  wat  manne  gaet  ontlixent ,  zy  met  slapelakenen , 
xy  met  averechten  cleederen,  .  .  hy  es  om  vgf 
icellinge,  Belg.  Mus.  7,  294  {a.  1360);  verg.  1, 
249.  —  Ook  als  znw.  dat  averecht,  de  ver- 
keerde kant,  de  binnenzijde.  \\  Den  roe  van  sente 
Janne  een  wit  guldin  lakin,  .  .  thaeverecht  scoen 
groen,  Diericx,  Mém.  2,  256.  Die  mauwen  ende 
thaeverecht  van  sente  Eateline  mantel  ghevoedert 
gheljc  bonten,  ald. 

AVERECHT  (averrecht,  averacht),  bjiw. 
Uit  Ave,  af,  en  Becht,  waarb\|  ave  den  ouden 
vorm  behield  en  niet  tot  af  verkort  werd;  vgl. 
AVE60NSTICH.  Eigenlijk,  in  de  richting  tegen- 
overgetteld  aan  de  rechte,  in  eene  andere  richting 
iem  ie  rechte,  in  verschillende  toepassingen. 

1)  Bg  WW.,  die  het  begrip  van  vallen  of  doen 
9*llen  te  kennen  geven.  Omver,  het  onderste  boven , 
kalt  over  kop.  ||  Hi  reet  op  Hestor  metter  vart, 
ende  stakene  arerecht  ter  eerde,  Lanc.  II,  34602. 
Ie  sal  u  mettesen  spere  steken  van  uwen  orsse 
tverrecht,  II,  43876.  Ende stietenen achter rugghe 
▼ta  boven  neder  averecht,  dat  hi  tumelde  in  de 
ptcïki,  Brab,  T.  VI,  8164.  Dese  wint  dede  groet 
OBfevoech;  hi  wayde  die  wagen  averecht,  die  opt 
velt  steeden  slecht,  Velth.  IV,  57,  56.Pharaonis 
• .  heer  warp  hv  averecht  in  die  zee ,  B.  B.  Exod. 
15,  4.  Hi  dodese  ende  hi  warp  sijn  poorten 
tverecht,  Num.  21,  30.  Werpt  averecht  haer 
wtiren  ende  breec  haer  afgoden,  Deut.  12,  3. 
Oec  wtrp  hy  den  toren  Phanuel  averecht,  Bicht. 
8,  17;  enz.  Daniel  wierpen  {Bel)  averecht  uut 
den  tempel,  Es.  v.  1423, 126^.  Den  tempel  averecht 
ghcworpen  .  .  ende  ghedestrueert,  Greg.  Hom. 
182».  —  Averecht  vallen,  tumen,  omver- 
flien,  ondersteboven  vallen.  ||  Die  ridder  staken 
•w,  dit  hi  moeste  vallen  averacht  uut  sinen 
f«wide  in  die  gracht,  Lanc.  II,  15366.  Ende 
iloech  Keyen  optie  scoudere  daer,  dat  hi  averecht 
▼iel  ter  eerde,  II,  40948.  Ende  maecte  ene  wonde 
•o  groet  Gyngantione ,  dat  hi  met  allen  averrecht 
■owte  nedervallen,  III,  13966.  (Si)  deden  ons 
▼*llen  .  .  sulc  tgt  averecht,  sulc  tijt  op  die  zide, 


Mandev.  67tf.  (Si)  vielen  averecht  neder  ter  eerden , 
Ruusb.  5,  214.  Dat  hi  tumede  .  .  van  den  orse 
averecht ,  Merl.  14438.  Hi  dade  daer  menich  averecht 
tumen,  21342.  Averecht  viel  hi  ter  neder,  Ferg. 
3401.  Mettien  Jan  die  west  (/.  vuust)  verdroech, 
enten  genen  vor  den  mout  sloech ,  dat  hi  averrecht 
viel  ter  neder,  Velth.  I,  39,  31.  Die  ridder  ghe- 
raecten  echt,  soe  dat  hi  averecht  ter  neder  viel 
van  sinen  perde,  Limb.  II,  1083.  Dat  hi  averecht 
viel  int  sant,  IV,  1049.  —  Averecht  liggen, 
onderstboven  liggen,  ruggelings  op  den  grond  liggen. 
II  Hi  leget  soe  lange  averrecht,  Lanc.  II,  37523. 
Dat  hi  neder  ter  erden  lach  averecht  op  sinen 
scilt,  Ferg.  2564.  Ie  sach  dat  si  averecht  lach, 
ende  hi  raepter  op  haer  slippen,  Lipp.  94.  Dat 
die  coninc  .  .  averecht  bleef  liggende,  Jf<?r/.  11151. 
—  Averecht  ter  neder  lopen,  hals  over  kop, 
in  aller  ijl  naar  beneden  loopen.  ||  Selc  quam  int 
huus  gestoven ;  selc  liep  averecht  ter  neder ,  Rein., 
Bijl.  289,  60. 

2)  Onderstboven,  andersom,  met  de  rechte  zijde 
naar  binnen,  naar  onderen  of  naar  achteren.  || 
Ene  scone  joncfrouw ,  die  anehadde ,  bi  mire  trouwe 
haer  cleder  averrecht  .  .  .:  mantel,  sorcoet,  roe, 
.  .  .  al  waest  averrecht  gedaen,  Lanc.  III, 
13625.  Doe  sinde  die  coninc  enen  ridder  daer,  die 
bloets  hoets  quam  so  naer,  ende  met  sinen  scilde 
averrecht  (dit  was  een  teken  van  vrede  echt) ,  III , 
18244. 

3)  Van  onderen  naar  boven,  van  achteren  naar 
voren,  omgekeerd,  verkeerd,  andersom ,  in  oigtvX^leio 
en  figuurlijke  toepassing.  ||  Dit  edel  woort  in  sijn 
beduden  dat  is  al  averecht  gaen  staen,  Hild.  25, 
38.  Hier  beghint  den<  AB.  recht  ende  averecht, 
O VI.  Ged.  3,  143,  Titel.  Averecht  was  ghekeert 
haer  cansse,  Brab.  T.  VI,  11761.  Ie  doe  hem  wel 
horen  paternoster  averrecht  lesen,  Sacr.  1085.  Ie 
hadde  averecht  gheseyt,  by  uwen  payse,  bycans, 
maer  ie  laet  om  al  dit  volc  eerbaer,  Ned. 
Kluchtsp.  89,  320.  Die  heren  ...  sijn  hem  ge- 
voleht  met  gewapende,  mer  twas  te  vergeefs, 
want  sijn  paert  was  averecht  beslagen,  Exc.  Cron. 
128  e. 

4)  Van  den  rechten  weg  af;  ook  averechts,  in 
verbinding  met  keren.  \\  Hi  bekent  haer  averechts 
keren,  dat  si  scalck  es,  Hs.  v.  1423,  243^.  (l)e 
gierigaard)  keert  zijn  aenschijn  averecht  ende  ver- 
smaet  zijn  siele,  D.  B.  Jes.  Sgr.  14,  8. 

AVERECHTEN,  zw.  ww.  bedr.  Van  Averecht. 
Eunstterm  bij  de  lakenbereiding.  Laken  — ,  laken 
scheren,  nadat  op  het  droge  laken  vooraf  het  haar 
tegen  den  draad  of  averechts  opgeborsteld  is.  Verg. 
Kuyper,  Technol.  2,  444  vlg.  ||  Item  wat  laken 
staen  upten  raèm  buten  11  vierendel  wijt,  die 
selmen  doirgaans  averechten  mitter  scair,  Leid. 
Keurb.  81,  48.  Item  alle  laken  die  s(jn  boven  10 
ponden ,  die  sel  men  averechten  upten  sceerdisch , 
108,  3,  8.  Alle  laken  van  sorten  selmen  doer- 
gaens  averechten  mitter  scaer,  115,  147  (zie  nog 
530 ,  33).  Van  der  hoefmanne  cledinghen  te  wintere 
van  pannen  ende  colen  daer  de  lakene  bi  ghestreken 
waren ,  13  s.  4  d. ;  it.  van  strikene  33  s.  4  d. ;  it. 
16  gr.;  it.  van  draghene,  20  d.;  .  .  .  it.  van 
karden  te  makene  5  s.  7  d. ;  it  van  5  lak.  taver- 
rechtene  37  s.  8  d..  Rek.  v.  Gent  1,  387  aant. 
Zoo  ook  R.  V.  Utr.1,  245,  28;  O.  fV.  v.  Amst.  54 , 
11 ;  14;  ook  Handv.  v.  Weesp  436  (waar  ten  onrechte 
Anerechten  gedrukt  is). 

AVERECHTS.  Zie  een  voorbeeld  op  Averecht  4). 

AVEREN,  zw.  WW.  bedr.  HoizoÜ^t  tXs achteren. 
(Zie  ald.).  Bederven,  achteruitbrengen ,  benadeelen. 


499 


AVER. 


AVES. 


500 


II  Die  landen  worden  geavert,  die  ludengebystert, 
gevanghen  ende  doot  geslagen ,  Matth.  Anal.  3 ,  340. 

AVERONE  (averuy),  znw.  vr.  Hetzelfde  als 
oef  rui  (z.  ald.).  Eene  plant:  artemisia  abrota- 
num,  fr.  aurone,  wvl.  aueroone  (De  Bo  66,  vgl. 
Kil.)  il  Abrotamum  dats  averone  of  jagerande,  Hs. 
Yp.  91  d.  Coelne,  mte,  averone,  mente,  byroet, 
enz.  30b.  Averone,  salvie,  alsene,  enz.  35  d. 

AVERTALLINGE,  wel  verkeerde  lezing,  Sp.  d.  M. 
1,  62  ^,  voor  overtollige.  II  Venijn,  vyantscap, 
strijdinge,  kijvinge,  avertallinghe  etinge  ende  des 
geiycs. 

AVERWIJS,  AVERWITTICH.  Zie  Awech. 

AVES  (in  het  rgm  veelal  aues,  auwes,  aeus, 
Aus),  later  ook  aefsc,  bijw.  Door  toevoeging  der 
adverbiale  s  gevormd  van  een  biJw.,  dat  ohd. 
abuhy  aboh\  mhd.  ebich\  nhd.  abieh,  aèicA;  osaks. 
abAuA  luidde  en  afgekeerd^  verkeerd  beteekende. 
In  het  Mnl.  moest  dit  ateh ,  avech ,  worden ,  waaruit 
door  toevoeging  der  adverbiale  9  en  wefsmelting 
der  k  de  vorm  avet  ontstond.  De  grond  van  het 
woord  is  aha^  abe,  ons  ave,  af.  Verg.  Ned.  Wdb. 
op  Aafsch. 

1)  Eigenlijk.   In  omgekeerde  richting,  andersom. 
II   Ende  wart  aves  gheset  up  een  paert,  alse  dat 

anschgn  achterwaert,  Sp.  IV',33,37.  Endeghelijc 
alst  een  wint  ware,  wart  die  boem  gehuert  van 
dare  ende  aves  gesteken  over  weder,  III*,  32,  63 
(Vinc:  illa  iurbinit  modo  retroaeta  diversam  in 
partem   ruit). 

2)  Figuariyk.  Verkeerd,  averechts.  In  verschillende 
zegswijzen:  —  Aves  gaen,  verkeerd  gaan,  den 
rechten  weg  verlaten,  in  de  war  gaan.  ||  Hier  na 
so  wert  Julius  paeus,  diet  geloeve  sach  gaen  al 
aeus,  i^.  II*,  49,  36.  —  Aves  staen,  ver- 
keerd staan,  slecht  staan ,  in  de  war  zijn.  ||  Noch  toe 
stout  die  vriendscap  aves  tusscen  den  keyser  enten 
panes,  Sp.  III*,  24,  49.  —  Aves  sijn,  verkeerd 
zijn ,  in  de  war  zijn ,  zich  op  een  dwaalweg  bevinden. 

11  Mi  wondert,  dat  hi  was  dus  aves,  olso  goet 
clerke  als  hi  was,  dat  hi  dorste  ghewaghen  das, 
datte  liede  onghelovich  waren,  Stoke  VI,  34.  — 
Aves  geloven  of  —  spreken,  op  eene  ver- 
keerde wijze  gelooven  of  spreken,  d.  i.  in  ketter schen 
zin.  II  Want  die  keyser  gelovede  aves,  Sip.  III*, 
16,  18.  Bi  wlen  Liberius  was  die  paeus,  die  an 
Eusebius  sprac  al  aeus,  II*,  10,  13.  —  In  aves, 
op  een  verkeerde  wijze,  ten  onrechte.  ||  Want  du 
heves  aldus  mesdaen ,  ende  du  dit  gebot  uutgaves 
sonder  redene  al  in  aves,  Sp.  III»,  7  ,  2.  Die  derde 
Gregorius  de  paues,  die  den  keyser  sach  in  aves 
dat  kerstijn  gelove  minnen,  III*,  65,  17.  —  In 
aves  verkeren,  een  verkeerden  weg  inslaan,  op 
een  doolweg  komen.  \\  Maer,  oft  God  wilt,  dese 
Paus  en  sal  niet  verkeren  in  aus,  noch  oec  doen, 
sijt  seker  des,  datten  kerstenheiden  yet  jegen  es, 
Velth.  VI,  29,  53.  —  Iet  in  aves  keren 
(verkeren),  iets  op  een  verkeerden  weg  brengen, 
in  de  war  brengen,  of  wel  er  eene  verkeerde  uit- 
legging aan  geven,  het  verdraaien.  \\  Dat  quade 
liede,  valsch  ende  fel,  .  .  die  des  welvarens  hadden 
toren  van  der  kerken  ende  van  den  paues ,  keerden 
alle  diuge  in  aves,  Sp.  IV*,  38,  2.  Dies  wart  hi 
ghehaet  te  mere  van  den  paepscape ,  die  hem  laghe 
leiden  bi  nachte  ende  bi  daghe,  ende  verkeerden 
sijn  doen  in  aves,  III*,  32,  34.  Ende  wrougeden 
Symachus  den  paues,  ende  keerden  sine  doget  in 
aves,  III*,  1,  91.  —  In  aves  varen,  verkeerd 
loopen,  in  de  war  loopen.  \\  Doch  waser  also  toe 
gesproken,  dat  dat  orloghe  wart  tebrokeu  tusscen 
den  keyser  enten  paues,  al  voert  varinge  in  aves. 


Sp.  IV*,  73,  29.  —  In  aves  sijn,  oneenig  zijn, 
geharrewar  hebben.  \\  Van  Paschen  te  hondene  waest 
in  aves,  want  men  heefier  af  gehort  te  desentide 
groet  discort,  Sp.  II*,  59,  4. 

AVESC  ^AEFSC ,  AU wesc)  ,  bnw.  en  bgw.Van  Apa 
met  het  achterv.  -se.  Verg.  Ned.  Fii6.  op  Aafsch. 

Als  bnw.  —  l)  Eigeniyk.  Jfwaarts  gekeerd,  ver- 
keerd, zijdelingseh;  (van  wonden)  van  ter  zi/ie 
of  van  achteren  toegebracht.  ||  Wanneer  hi  hen 
waende  te  slaen,  is  hi  hem  tusschen  die  beei 
ontgaen  onder  sinen  buuc,  ende  sloop  so  door.  So 
liep  hi  dan  weder  voor,  ende  gaf  hem  enen  aefsckcE 
hou,  Bein.  II,  7043.  Hughe  qu&m  met  eeaa 
aefschen  slach  ende  sloech  Agapaert  dat  hooft  if, 
Huge  V.  Bord.  52.  —  Avescher  hant,  md 
omgekeerde  hand,  lat.  vmlhu  inversa,  d.  Laverecki, 
zoodat  de  slaf  van  onderen  naar  boven  geschiedt. 
II  Ende  verdrouch  tswaert  avescher  haat,  eade 
clovedem  helm  ende  nesebant,  Wal.  2087.  Hls 
binnen  laet  hi  gaen  sijn  swert  onune  hwtisehff 
bande,  ende  slouch  den  enen  onder  die  tudt. 
dat  hem  thoeft  viel  van  den  buke,  Limi.  Tl,  WL 

2)  Figuurlgk.  Verkeerd,  dwars.  \\  Soc  sp  si 
soe  straf,  stug  und  stuer,  verkeert,  aefsch,WT«ct 
und  suyer,  Vrouw.  e.  M.  VII,  96. — Avescs|i 
met  enen,  met  iemand  op  een  verkeerden  voet 
staan,  in  onmin  zijn.  \\  Dit  heeft  herde  goet  gedsc^ 
Cornielise,  den  heilegen  paeus,  die  metten  kejxr 
was  al  auwesch,  Sp.  II*,  23,  30. 

Als  bijw.  —  Hetzelfde  als  Aves  (z.  ald.).  AMeredkti, 
omgekeerd,  andersom.  ||  Dieconinc8loechen(d^itf/t 
uut  ende  Apollonius  keerden  constelic  weder  ae^ 
in,  Gest.  R.  c.  163. 

AVESPRAKE.  Zie  Awech. 

AVET.  Geldersche  dialectvorm  voor  ovet,  o@ft, 
R.  V.  Zutf.  13,  37  e.  e. 

AVETRONC    (aventronc,   ook    haoetronc;, 
znw.    m.    Verbastering   van   een  vermoedeijk  fst. 
avoutron ;    prov.    avoutro    (Rayn.   2 ,    29) ;   waaLxk 
awatron  (Grandgagnage  329) ;  verg.  oudeng.  astif^ 
(Halliwell   1,   117),   in  de  beteekenis  zoowel  m 
overspeler  als    van    een    in   overspel   verteetf  üd 
Het    ofr.    avoltre,    avoutre,    en   het  ww.  ««©«/rr, 
it.  avoltro,  oudeng.  avoutrer,  avoutrye,  zgn  afgeléi 
van  lat.   adulter,  adulterium   (Burgny  3,  ^].  0^ 
den  vorm  des  woords  was  misschien  van  isTkei 
het  bijna  gelijkluidende  avonttronc,  aventtrone{& 
ald.),  als  ook  de  volksetymologie,   die    hel  w& 
tronc,  stam,  in  verband  bracht,  en  een «r^A-tmet. 
af  tronk,    beschouwde   als   een  kind    dat   niet  ^ 
den  echten  stam  behoort :  bij  Kil.  „ATe-tronet 
af-tronck,  vetus  Fland.  Nothus,  spurius.'*'*  li  è 
17de  eeuw  komt  het  woord  nog  voor  (Oademan»l. 
269).  Zie  verder  Verwijs  in  Tijdsckr.  2,  182Tl£r 
Een  in  overspel  verwekt  kind,  fr.  enfant  euUütérm^ 
lat.   adulterinus.   \\   Waert   dat  yemend    in    eve^ 
moede  eenen   anderen   heyte  bastaert  of  aventi^ 
of  dief,  of  diere  gelike ,  hy  zoude  verbneren  ï  k- 
al  waert   ooc    waer.  Wiel.,  Jnsir.    135,     409.  l^ 
dat    hy    niet    dan    eenen   haghetronck    achtcrlkt 
Eaerle  ghenaemt,    die  hy  binnen  zgnen  fanw^s 
ghehadt   hadde    by    die   schoone  Alpiade,  sga^ 
concubine ,   Despars ,    Cron.  v.  Vlaend.  1 ,   76  («i 
28).  S.  Ie  crauwe  mynen  bol.  B.  Waer  om ,  aventi^osci^ 
Sacr.    1033.    (Hier  kan  het  echter    evengoed  W 
gelijkluidende  avondtronc  zijn,  daar  het   bloot  i^ 
scheldwoord  wordt  gebruikt). 

AVIE,  bijw.  uitdr.;  v.  h.  fr.  ^  vie ;  slechts  in  de  mi^ 
rente  avie,  rente  voor  het  leven ,  Ujfrentéf,  \\  Hsf 
des  die  syn  oem  was ,  die  gaf  hem  in  Tal>eTie  af  • 
levene  rente  avie,  Sp.  I»,  97,  68.  Vgl.  BiLEVisst 


501 


AVIJS. 


AVIS. 


502 


AVIJS  (ADViJs)f  -wtf,  znw.  onz.;  in  de  bet  1) 
van  fr.  tans^  beantwoordende  aan  een  lat  éuhuum, 
dus  eigenlijk:  hetgeen  naar  mijn  zien  ia\  Terg. 
it  fu  vüo  a  me]  in  de  bet.  2)  van  fr.  avis ,  stam 
van  het  ww.  aviêer ,  lat.  advisare  (Scheler  34).  Soms 
twijfelt  men,  welk  woord  men  voor  zich  heeft. 

1)  Zienewijze,  gevoelen,  meening,  gedachte,  denk- 
beeld, il  Want  dnecht  leeren  es  goet  avüs ,  D^ibn.  3 , 
182 ,  21.  Ooc  80  kennic  n  avijs  een  deel,  so  ie  mi  can 
beseffen,    OVl,  lAed.  en  Ged.  286,  1557.  Elkerlijc 
gaf  hem   prgs,  diet  ordeneerde  in  zjn  avijs  dat 
fiet  te  maken  so  Jolijs,  292,  1727.  „Was  Adam 
coninc  van  Gode  ghecoren,  ende  dronch  hi  crone 
int  paradQs?*^  —  „Jai,  kint,  maer  verstant  tavQs, 
coninc  was  hi,  maer  niet  ghecroont,^'  617,  688. 
Ie  en   hoorde  m^n  daghen  vremder  advijse.  Nu 
noeh  148.  lek  en  hebbe  hart ,  sin  noch  advijs ,  ick 
en  moet  weten  hoet  met  haer  staet,  Mar.  v.  Nijm, 
14,   328.   —   Na    (in)    mgn   avQs,   naar  mijn 
meening,  volgene  mijn  gevoelen.  \\  Tlicht,  dat  uter 
straten  vloyde,   dat  was  zoo  claer  na  mijn  avgs, 
al   hadt  ghesijn  int  paradijs,   O VI.  Lied.  en  Ged. 
240,  222.  Üochtic  in  eenicgher  wijs  beraden  nna 
mQn  avijs ,  ie  wil  u  helpen  sonder  verdrach ,  477 , 
632.    Men   en   mach  tronwe  niet  volprisen,  dnnct 
mi  seker  in  mijn  avgs ,  Vod.  Mus.  1 ,  346 ,  45. 

2)  Baad,  raadgeving ,  beraad.  ||  Vrome  liede  ende 

wise,   die  van  heren  avise  ghehoert  hebben  ende 

ghesien.   Lip,   III,   13,   29.  Ende  lazen  hem  der 

minnen  prijs,   daer  die  barchgrave  sijn  avijs  toe 

gaf,    OFl.  Lied.  en  Ged.  276,  1261.  Ridderen  van 

goeden  avise,  Brab.  Y.  V,  3267.  Een  ander  sterre 

die    contrarie   es,   die  staet  zudenwaert  .  .,  daer 

die  sciplude  k^%  ^JdJinemtii,  waarbij  zij  rtuidplegen, 

weuaraan  zij  teaamemingen  doen,  Mandev.  436.  — 

Bi  avise,  met  beraad ,  met  overleg ,  welberaden.  \ \ 

Bome    ende   broot   dat  was  snn  spise,   ende  dat 

soberlic   ende  bi  avise ,  Jmand  1 ,  604.  Üeerct  bi 

ay^B   die  doghet  ende  die  voorsienechede  .  .  van 

Jhesnm  Christnm ,  1 ,  3310.  Hi  besteldese  bi  avise 

met  goeden  priesters  van  pryse,  U,  11.  In  welker 

wjse  dat  hi  mochte  helpen  bi  avise  te  beschermene 

tgheloove   goed,   II,   71.   Ende   seide  bi  goeden 

avise,  II,  2144.  Toter  doot  waren  si  hem  troostelic 

in  'diere  wyse  met  voorsienecheden  ende  by  avise, 

II,    3670.   Dese  pilaer  stont  bi  avise  ghewrocht 

uut    eenre  boorch  so  schoon,  O VI.  Lied.  en  Ged. 

26&^  605.  —  Met  (goeden)  avise,  metoverleg, 

wglheraden.  \\  Dat  mense  niet  uut  mochte  trecken , 

men   mochter  met  avize  up  mecken,  Fragm.  Carl, 

191.  Bidt  vol  genaen  den  oversten  here  met  goeden 

avise,  Bliec.  v.  Mar.  1747.  —  In  sulken  avise, 

mei   zoodanig  beraad,   op  zoodanige  wijze.   \\  Ende 

wert    alsoo   in   mi   te  rade,   dat  ie  mi  sonde  in 

snlken   avise   nomen,    dat   hy    in   vroeder   wyse 

moeste   verdocht  sijn  ende  voortgaen,  die  minen 

name  sonde  verstaen,  Jmand  II,  6357. 

AVISEEEN  (avisieren,  aviseiren),  zw.  ww. 
bedr.  en  onz.  Fr.  aviser. 

BCDR.  —  1)  Enen  — ,  iemand  raden,  waar- 
te  Au^aen.  I)  Ende  heeft  Hughen  menichwerf  ghe- 
a viseert  ende  ghewaerschuwet  dat  hi  sijn  gebod t 
niet  en  brake,  Huge  v.  Bord,  64.  —  Ook  als 
wederk.  ww.  — Hem  — ,  zich  beraden ,  zich  bedenken. 
II  X>aertoe  moet  hi  hem  avizeren  om  voortgaen, 
(7F7.  Lied.  en  Ged.  619,  23.  —  Het  verl.  deelw. 
Kvisiert  als  bnw. ,  welberaden ,  verstandig ,  bij  uit- 
breiding: t9^/0p^tf9o^<^.  Verg.  prov.  am^ ,  instruire 
[Kayii- 6 , 636), en  De  Vries,  Taalz.  3.  ||  Si  waren 
kiovesch  ende  avisiert,  Ferg.  3657. 

2^    Bedenken,  verzinnen,  beramen,  ontwerpen.    || 


Na  waerden  en  hadden  zi  noit  loon ,  diese  (die 
boreh)  80  meesterlic  ordineirden  ende  so  fijnlijc 
avizeirden,  O  VI,  Lied.  en  Ged.  253,  607.  Twerc, 
dat  ie  hem  sach  avizeeren,  484,  164. 

Onz.  —  Met  hetvoorz. o^.  Aviseren  op  iet, 
op  iets  bedacht  zijn,  iets  verzinnen,  op  iets  letten. 
II  Ende  om  dat  soe  dit  blameerde,  rechtevoort  ie 
avizeerde  up  een  ander  vroilic  liet,  O VI.  Lied. 
en  Ged.  280,  1389.  Up  dander  beilde  icavizeirde, 
462,  175. 

AVISERINGHE  (.wisieringhe),  znw.  vr.  Het 
uitdenken,  het  vermogen  om  uit  te  denken  of  te  ont- 
werpen, vernuft  in  het  uitdenken  of  ontwerpen.  || 
Avisieringhe  {in  den  tekst  staat  ten  onrechte  Ain- 
steringhe)  ende  mate  adden  verchiert  al  de  saté, 
dat  ie  mi  selven  al  verloos,  O  VI.  Lied,  en  Ged. 
260,  498. 

AVOY  (ayvoey,  ayboy,  jaboyr),  tusschenw. 
Ofr.  avoi,  avoy  (Burguy  2,  397);  mhd.  avoy.  Een 
uitroep  van  verbazing  enz.,  waaraan  verschillende 
verklaringen  zijn  gegeven,  als  door  Diez  (Gr.  2, 
413),  die  meent  dat  ofr.  avoy  is  samengesteld  uit 
ha  voi,  verg.  it.  eh  via,  hd.  ei  weg,  eng.  away; 
door  Génin  (Ch.  de  Bol.  340),  die  het  verklaart 
door  è  voie,  d.  i.  allonsl  en  r(w/tf !,  terwijl  Burguy 
het  houdt  voor  ha  voi,  sp.  a/é,  é..  i.  ei  ziel  De 
verklaring  van  Diez  schijnt  de  aanneemlükste : 
avoy  staat  dan  geigk  mei  voort ,  komaan ,  alle ,  loop, 
als  uitroep  van  verbazing,  terechtw^zing,  op- 
wekking enz.  gebezigd.  ||  Thoas  die  coninc  riep: 
Avoy!  Her  Achilles,  ghy  en  segt  niet  wel,  Troyen 
f.  161b,  Ay  boy,  nu  es  mi  wel  becant,..  dat  die 
meneghe  met  haesten  doet,  dat  hem  namaels  sere 
berout,  Bubb.  1.  Ay  voey!  haddic  goede  cleder 
aen,  soe  soudic  voert  ghetrocken  sgn.  Wint.  e.  S. 
382.  Nu  blaest  in,  dat  Qodmoets wouden, jaboye! 
nu  sidi  een  man,  Buskenbl.  80. 

AVOY  (avoye),  bijw.  In  de  vereenigde  uit- 
drukking Avoy  varen,  eig.  weggaan,  en  bij  uit- 
breiding te  niet  gaan,  verderven,  waarschynl\jk 
ontleend  aan  eene  fr.  uitdrukking  aller  è  voie. 
Verg.  het  vorig  art.  ||  Hoe  Cayms  gheslachte  voer 
avoy  ende  mitten  water  al  bedarf,  Hild.  134,  30. 

AVOYT  (?)  II  Want  her  Otte  van  Bylant 
ende  her  Borre  van  Domik  voer  ons  ende  onse 
manne  geliet  hebben,  dat  si  enen  vrede  gaven  tot 
avoyt  heren  Woyter  van  Eeppel  ende  heren  Jacob 
van  Mirlar,  ende  die  vrede  gewanct  es ,  so  zeggewi 
dat  her  Otte  ende  her  Borre  .  .  den  vrede  op  solen 
richten  ende  beteren,  Nijh.  3,  147.  De  bet.  moet 
waarschijnlijk  zQn,  voldoening,  tevredenstelling  of 
gunst,  nut  of  een  derg.  begrip.  Zie  de  Aant.  t.  a.  p. 

AVONT  (avent),  -<fe,znw.  m.;mhd.  ifttffi^mnd. 
avent;  zie  verder  6rimm«,  B.  Wib.  1,  22. 

1)  Avond,  de  hedendaagsche  beteekenis.  Bij  t^ds- 
bepalingen  veelal  zonder  lidw.  ||  Biden  avonde,  Lanc. 
III,  19110.  Eer  avont  quame,  Lanc.  II,7346;vgl. 
10414.  Jegen  avont,  Parth.  1301.  Eer  avont,  Zan^. 
III,  7082  (zie  eer).  In  de  uitdrukkingen:  —  Te 
avonde  gaen,  neuvr  den  avond  gaan,  ten  einde 
loopen.  II  Daris  levede  sonder  feeste,  om  dat  hi  wiste 
...  dat  hi  niet  en  mochte  ontgaen ,  ende  het  ginge 
te  avende  wert,  Jlex.  VII,  2.  —  Enen  goeden 
avont  geven,  iemand  geluk  geven ,  als  wensch  ge- 
bruikt,  vgl.  bij  DACH.  II  God  die  rike  moete  u  goeden 
avont  gheven,  Bein.  I,  1068.  —  Quaden  avont 
hebben,  ongeluk  hebben,  bij  verwenschingen 
gebezigd.  ||  Quaden  avent,  pensdic  doen,  moet 
ghi  hebben,  daer  ghi  staet,  O VI.  Lied.  en  Ged. 
338,  666.  —  Avont  eten,  het  avondeten  ge- 
bruiken. II  Ende  es  ditte  den  staet  van  der  gemeente 


503 


AVON. 


AVON. 


504 


van  alle  daghe  te  doene  als  de  Prince  eet  noene 
ende  avont,  Matth.  Anal.  1,  270.  —  Met  het 
voorz.  te^  in  de  samengetrokken  adverbiale  uit- 
drukking: tavont,  va»  avond ,  heden  avond  (nog 
niet  geheel  buiten  gebruik).  ||  Ie  wille  dat  ghi 
tavont  herberghe  hebt  met  mi ,  Rein.  1 ,  1081.  Het 
dinct  mi  bet  ghedaen ,  dat  wi  noch  tavont  te  hove 
gaen,  dan  wi  tote  morghin  beiden,  I,  1095. 
Herbirghet  tavont  met  mi,  I,  1107.  Wistic  dat, 
ghi  souter  sijn  noch  tavont  sat,  I,  1143.  Wine 
moghen  niet  tavont  sceiden,  I,  1182.  Hem  wert 
tavont  haren  dienst  gheloont,  Segh.  10200  Var. 
Uwes  levens  es  gheen  sekerhede  hedent,  tavent 
no  morghen  mede ,  Praet  1567.  Snect  ons  ene  reyne 
sele  {zaaf) ,  daer  wi  tavont  ons  in  resten ,  L.  o,  H. 
1781.  Wi  selen  noch  tavont  met  vrouden  sijn, 
Lipp,  46.  Ie  sal  haer  dit  abuus  noch  tavont  tongoede 
maken,  58.  Ie  heb  tavont  en  dachvaert  van  enen 
pape ,  Plai/erw.  82.  Hy  moet  tavent  aent  mes ,  Mar. 
V.  Nijm.  20,  457.  Of  hy  thavent  of  moorghen 
storve,  Ned.  Kluehttp.  92,  84.  Wi  sullen  tavont 
sijn  verloest,  Stoke  V,  772. — Met  het  voorz.  tf», 
in  de  vereenigde  uitdrukking:  gistern  avont, 
gieter  en  op  den  avond  ^  gisteren  avond.  \\  Die  ridders, 
die  ons  beslopen  soe  gister  navont ,  Lanc.  II ,  28067. 
Ghi  brochten  ghister  avont  .  .  .  hier  int  stroe, 
JBelg.  Mus.  10,  71 ,  88.  Hi  wert  ghister  navont  alsoe 
bestaen,  Lansl.  298.  Dies  benic  nu  vele  vroeder 
dan  ie  gister  navont  was,  324.  Gister  navont, 
doen  ie  thuusweert  quam ,  Rubb.  7.  Ghister  navont, 
Sp.  III',  21,  57.  —  Over  de  bijw.  navonts  en 
tavontmere,  zie  die  woorden.  —  Ook  vooraf- 
gegaan door  de  paragogische  n.  ||  Dus  reden  si 
toten  navonde  toe,  Leme.  II,  9197. 

2)  Avond y  en  bij  uitbreiding,  dag  vóór  een 
kerkelijk  feest ^  fr.  la  veille,  van  lat.  vigilia.  Vgl. 
Kerstavond  en  Sinterklaasavond.  \\  Te  Sinte  Fran- 
soysen  avonde  was  dat,  dat  die  gevangene  nie 
ne  at,  Franc.  9277.  „Help,  helieh  vader,  dat 
ie  te  diere  feeste  mach  sijn,  also  io  behiet  den 
broeders' dyn."  Nu  waest  sijn  avont  ....  9674. 
Als  hi  was  int  qualijc  varen,  .  .  ende  lange 
in  spn  bedde  lach,  naecte  Sinte  Fransoisen  dach. 
In  sinen  avont  hem  begonde  toeeomen  some  lichte 
stonde,  10357—62.  Op  Sint«  Jans  Baptisten  avont 
vore  der  noenen,  Brab.  Y.  Vil,  9690.  Desen  strijt 
geschiede  op  sinte  Jans  avont  in  den  somer,  Exc. 
Cron.  ISSb.  Hy  vaste  horen  avont  ende  vierde  den 
hoghen  dach  hare  passien.  Pass.  W.  115a.  De 
wynexchijs  .  .  beginnende  Katherine  anno  1508, 
ende  eyndende  Katherine  avont  1513 ,  Inform.  386. 
üp  avende  Simonis  et  Jude ,  Stadb.  v.  Gron.  IX ,  50. 
—  Hoge  avont,  avond  of  dag  vóór  een  hoog 
feest.  II  Want  een  hoghe  avont  was,  was  men  vele 
te  blider  das,  Stoke  IV,  1369.  —  Nieuwe 
avont,  avond  of  dag  vóór  Nieuwjaar ,  Oudejaars- 
avond^ oudejaarsdag.  Be  nieuwjaarsdag  zelf  heette 
nieuwe  dach.  Zie  Dach.  ||  Up  den  nieuwen  avont 
bactmen  koueken,  Belg.  Mus.  6,  319.  Jan  van 
Steenbeke  voer  in  nieuwe  avonde  tYprewaert ,  Kek. 
V.  Gent  1 ,  296.  Een  bode  van  Antworpen  quam 
in  nieuwe  avonde  met  letteren  tote  scepenen, 
2,  57.  Pieter  Soetard  voer  in  nieuwe  avonde 
tËrdenborch,  116;  enz.  —  Verder  in  een  aantal 
samenstellingen  als  Dertienavont,  Meye- 
avont,  Jaersavont,  Paeschavont,  Palm- 
avo nt   enz.  Zie  die  woorden. 

AVONTBEDINGE ,     znw.     vr.    Avondgebed.    \\ 
Doen    wy    onse   avontbedinghe   ghedaen  hadden , 
Vaderb.  250*. 

A VONTETEN,    znw.   ouz.   Avondmaal,    ook  in 


kerkelyken  zin.  jj  Voir  dien  dag  dat  hi  stcrrei 
wonde,  doe  stichte  hi  ene  grote  feeste ,  dat  wac en 
avonteten,  Ruusbr.  3,  151.  Ghelikerwys  dat  die 
Apostelen  met  Christo  in  den  avontetene  alle  te 
gader  ontfinghen  dat  heylighe  Sacrament,  159. 

AVONTGANGER,  znw.  m.  Iemand  dis'savondt 
zijne  geliefde  bezoekt,  als  nog  in  sommige  strekei, 
vooral  op  het  platteland,  gebruikelijk  is.  Zie 
Halbertsma,  Nalezing  273  vlgg.  Ook  in  geestcljket 
zin  op  Jezus  toegepast  ||  Heer  Jezus  is  een  Avoat* 
gangher,  tot  eenre  jonferen  was  alle  sgn  ganc, 
Hor.  Belg.  10,  195. 

AVONTLIKE  (Aventlike),  bnw.  Lat  vuper- 
tinus.  Avond-,  jj  In  die  avontlike  offerhande  bia  k 
opghestaen   van  mynre  castiinghe ,  D.  B.  Esra  9,  i 

AVONTMAEL,  znw.  onz.  Uit  Awmt  en  Msel. 
tijd,  nog  bekend  in  ons  maal,  als  de  eeretemoël, 
etmaal  enz.  Avondtijd.  jj  Doe  dat  ayontmael  vu 
comeu,  doe  namen  metter  hant  syn  waerd  eide 
seide:  „Gawi  thuuswaerd,"  Zaïur.  UI ,  25727 ;  doek 
verg.  25741,  waar  het  in  de  gewone  beteekeais 
van  avondeten  voorkomt  zoo  ook  :  ||  Wanneer  di 
doeste  een  ochtenmael  of  een  aventmael ,  en  wil  diie 
vriende  niet  noden,  Hs.  Evang.  Lue.  14,  12.  £a 
mensche  makede  een  groot  aventmael ,  ald. ,  16.  Se 
nog  Stoke  X,  982,  en  avontwerscap. 

AVONTMAELCAMER  (Aventm.)  ,  raw.  tt. 
Eetzaal.  \\  Hi  sal  in  toghen  ene  grote  aTentmael- 
camere  bereit  ghemaeet,  Ht.  Evang.  Lmc,  22,  11 

AVONTSTERRE  (avonsterre),  znw. tt., awai- 
ster.  II  Soe  volghet  die  avonsterre  der  sonnei. 
Ruusb.  4,  217.  Dit  hetet  oec  ene  avonsterre ,  cü^ 
Zoo  ook  5,  112  vlg. 

A VONTSTONDE,  znw.  vr.,  mhd.  ahenUimmk, 
Avondstond,  avonduur.  ||  Doe  gheschiede  stilnese 
in  den  hemel  als  eene  avontstonde ,  Openè,  Joh.  8, 1. 

Zie  ook    AVENSTONDE. 

AVONTTRONC  (avondtronc),  anw.  m.  £a 
woord  van  duisteren  oorsprong,  niet  te  verwaipei 
met  Avetronc  (zie  ald.).  V.  d.  Bergh,  Jfjrrt*/, 
9,  geeft  de  gissende  verklaring  awmdecAinder ^ 
en  meent  er  eene  samenstelling  in  te  xien  vti 
avond  en  tronc,  van  een  ww.  troncken^  bg  KiL 
truneare;  een  geest  dus,  die  des  avonds  aUerki 
kattekwaad  doet  om  de  menschen  te  pla^n  of  te 
verschrikken.  Willems  wil  avetronc  lezen  en  vcr- 
gelykt  het  met  mhd.  abetroc,  phantasma,  ou 
droch  {Belg.  Mus.  2,  116).  Grimm,  Myth,  432, 
noemt  naast  mul.  alfsgedroch  ook  mhd.  peiroc, 
dgetroe,  abegetroe,  doch  de  laatste  vorm  is  vbb 
zyne  vinding  en  niet  te  bewyzen;  slechts  é^tret 
komt  een  enkele  maal  als  scheldwoord  voor  (Bea. 
3,  106;  Lexer  1,  28).  De  oorsprong  van  krt 
woord  is  dus  niet  met  zekerheid  bekend ,  doek  de  b^ 
teekenis  is  kaboutermannetje ,  alf ,  nikker .,  kwsigelijb 
pUuiggeest.  \\  Ie  wil  u  belezen  ende  besweeren  eatdi 
manen  by  al  dat  u  mach  deeren,  bj  nachtridden 
ende  by  avondtroncken ,  die  achter  den  ovea  è» 
belle  cloneken,  Nu  noch  207. 

AVONTWERSCAP  (Aventw.)  ,  znw.  vr.  Ammi- 
feest,  avondmaaltijd,  ook  in  kerkelij  ken  zin,  «a«K^ 
maal.  \\  Uwe  te  zamenen  cominghen  in  een  ne  « 
niet  omme  tetene  de  aventwerscap  des  heren ,  wta 
elc  bestaet  siin  aventmael  tetene,  He.  e.  134ê 
120«  (I  Cor.  11,  20). 

AVÓNTTIJDS,  bgw.  Bij  avond,  des  avonds.  | 
Overmids  .  .  sinen  coste  kersdaghe  avondt^ds  «si 
sijns  ghesinden  cost  morghens ,  B£k.  v.  Zeel.  1,  IH. 

AVONTURE.  Zie  Aventüre. 

AVOT.  Zie  Havot. 

AWARIJT,  tusschenw.,   eigenlyk    en    scmerheür 


505 


AWAE. 


AWAË. 


Ö06 


dat  loowel  tot  ewaerheit  als  tot  awarijt  verliep.  Verg. 
EwAERHEiT.  Bloote  bevestigingsforinule ,  gelijk- 
staande met  ons  waarachtig ,  toara^e ,  warempel  en 
dergeigke.  ||  Awargt ,  ghi  souwes  mi  vele  ontmeten, 
Lipp.  22.  Awar^t,  dats  een  dinc  dat  ie  niet  en 
can  gheloeven  ran  nwen  wiye,  74.  Awargt,  mi 
dochte  dat  iet  sach,  162. 
AWAET,  AWEET.  Zie  Aweit. 
AWE,  £nw.  yr.  Gew^zigde  spelling  voor  Ouwe^ 
Londattw,  weiland  (z.  ald.). 

AWECH,   znw.   m.    Weg  die  van  het  pad  voert  ^ 

veekeerde  weg^   onweg,   \\  De  nature  die  vri  was, 

es   worden   een   kerkere   ende  een  ghevankenisse 

ende  ene  ellende  ende  een  awech  ende  een  verdolen 

hen  allen  diere  in  gheboren  sijn,  Rnusb.  4,  129. 

AA.NM.  Awech  is  een  der  weinige  woorden ,  waarin 

de  a  privans  in   het   mnl.    bewaard  is.   Behalve 

awech  ,  d.  i.  onweg  (Kil.  locus  avius ,  devins),  komen 

voor  aaage  (z.  ald.),  het  afgeleide  bnw.  amachiieh 

(ons  a-mechiig) ,  later  tot  aehnachtig  verbasterd  en 

awitieh    (zie   die   woorden),    waarnaast   Kil.   ook 

aw^ê ,   absonus    en   amens ,  en   awijse ,  dissonantia 

amentia,    jocns,    opgeeft.    Verder    vermeldt    hij 

nog  awegich  van  awech  en  aweerd,  indignns.  Bij 

sommige  dier  woorden  werd  de  a  door  den  invloed 

der  volgende  w  tot  au ,  b.  v.  auweerd,  auwijs ,  ouwijs , 

auwijeiek  (Kil.).  Door  misverstand  werd  a  privans 

met   ave^    af  verward,    vandaar   dat  men   vindt 

aveMoeghe  (en  het  daarvan  afgeleide  ww.  avesaeghen)  = 

eaage  (z.  ald.)  =  aveepraeke  (Kil.),  absurdns  sermo; 

affoeeh  naast  awech  (£^.);  afwegieh  wmaï  awegich. 

Bg    sommige   andere   woorden  verbasterde  weder 

dit    ave   tot   aver  ^   zooals  bij  averwys  (Kil.  vetttSj 

desipiens)  en  averwittieh  (Kil.  vetue^  delirus,  amens), 

geiyk    men  ook  auerreeht  gespeld  vindt  voor  ave- 

reekt  (Kil.,  Hooft).  —  Het  eenige  voorbeeld  van 

een   a  met  versterkende  beteekenis  {a  intensimtm) 

in  *t  mnl.  is  abolge  (z.  ald.).  Ygl.  7aai^.  6 ,  23— 84 ; 

Grimm ,  (?r.  2 ,  704  vlgg. ;  Lubben  1 ,  136,  waar  w^ 

▼oor  het  mud.  vinden  awiae^  awieen,  awieich^awi- 

eicheit  en  awitie;  Ben.  1,  2,  waar  het  bestaan  van 

a  jnriv€uu  voor  het  mhd.  ten  onrechte  wordt  ontkend : 

het    mhd.    kende   amaht,    awise,    awisec^    awitse, 

auntzec ,  welke  ook  in  H  mnl.  en  mnd.  bestaan,  e.  a.  m. 

AWEEL ,  znw.  m.  Andere  spelling  voor  houweel. 

It    Hoek-awelen  in  haer  hant,  daer  si  mede  den 

muer  . .  souden  breken  ende  houwen  ende  afpeken , 

Orimb.  I,  3166. 

AWEGICH.  Zie  bij  Awecm. 
AWEIT  (anweit,  awet,  aweet,  aüweet, 
awaet),  aweiten^  awaten^  znw.  onz.  By  Kil. 
Aweyt,  aweet,  excubiae,  vigiUae  nociumae. 
Praendium^  militare  praeeidium.  Certamen^  concer- 
iatio^  velitatio.  Insidiae.  Yan  Ofr.  agait,  agueit^ 
aweil^  eene  afleiding  van  gatte^  gueite^  ytMit/^,dat 
syn  oorsproDg  heeft  uit  wacht,  wachten  (LaCume 
1,  225;  Roquefort  1,  36,  38;  Burguy  179  op 
G  ai  tier;  Duo.  7,  l&x;  1, 137  op  Agaitum;  1, 


151  op  Aguaitum  en  Aguayt).  Hoewel  het 
fr.  aguet  bepaaldelijk  den  zin  had  van  hinderlaag, 
en  ons  woord  wat  den  zin  betreft  meer  overeenkomt 
met  fr.  gaite,  behoeft  de  overgang  der  beteekenis 
in  het  Fransch  geene  nadere  verklaring. 

1)  Abstract,  zonder  mv.  Wacht.  \\  (Sy)  sloughen 
den  poortier  doot  ende  de  gheene ,  die  daweit  ter 

Soorten  daden,  Cron.  v.  Vlaend.  2,  2.  Den  cnapen 
ie  aweet  daden.  Bek.  v.  Gent  1,  93.  Hoe  de 
temmerlieden  van  Ghend  sullen  te  alf-vastenen 
waken  ende  auweet  doen,  Cannaert  397.  Hoe  (si) 
alle  jaer  van  nu  voortane  auweet  doen  sullen  te 
alfastene,  ald.  Ten  awette,  die  daertoe  vermaend 
worde  .  .  ende  niet  en  quame,  dat  ware  up  de 
boete  van  twintig  scellingen,  ZFl.  Bijdr.  3,  277. 

2)  Concreet,  met  mv.  Wacht,  wachtpoet,  tchild- 
wacht.  II  Doen  hi  vore  die  stat  quam  ende  dat 
anweit  vernam,  vrageden  si  hem  wat  hi  woude, 
lAmb.  Yl,  2092.  üp  eenen  morgen  voer  huut,om 
winnen,  die  grave  van  Yalkenberghe  degenlike 
met  groeten  moede  ghenendelike ;  want  hi  hadde 
taweet  doen  spien,  dat  si  waren  onversien;  want 
die  grave  van  den  Foreeste  ende  Jan  van  Tsalons 
met  groeter  feeste,  midsgaders  den  grave  van 
Monbliaert,  dese  (/.  die)  souden  hebben  bewaert 
metten  heeren  dat  aweet,  dese  waren  eldre  in 
haer  retreet,  VI.  Bijtnkr.  6398—6408.  Doen  ver- 
sekerde  men  gene  awaten  tallen  porten,  tallen 
gaten,  Yelth.  lY,  Ö4,  11.  Die  van  den  aweitte 
van  der  markt  coren  CXX  ghesellen,  Cron.  v. 
Vlaend.  2,  55.  Yan  andren  kersen  die  men  nachts 
orborde  up  scepenen  huus  ten  aweiten ,  Bek.  v.  Gent 
1 ,  35.  Item  wart  daweit  verwandelt ,  1 ,  95.  Acht 
manne  die  tharen  aweite  niene  quamen,  98.  Den 
kindren  die  pannen  droughen  bi  nachte  voert 
aweit,  218.  In  scepenen  huns  alse  daweit  daer 
lach,  219. 

3)  Dat  donker  aweit.  De  tijd,  wanneer  men 
nachtdtenst  deed,  nachtwake.  V  Maagd.  274, 
lezen  wij:  |i  „Z.  C.  Heft  ghy  dan  op  na  u  ghe- 
noechte,  Ainsy  que  vou  plaist.  T.  Nu  hoert  alle, 
want  tes  tdoncker  auweet."  Wij  hebben  hier  waar- 
schijnlijk met  een  laffe  aardigheid  te  doen ,  waarin 
op  het  zintuig  van  't  gehoor  dat  van  H  gezicht 
wordt  toegepast:  Hoort  goed  toe,  want  het  it 
donker,  alsoi  het  te  donker  zou  zijn  om  te  hooren. 

AWETTER,  znw.  m.  Yan  Aweit  (z.  ald.). 
Wachter.  \\  Den  awetters  die  ter  poorten  waren, 
aangeh.  Invent.  v.  Brugge,  Gloss.  op  awet. 

AWIJS,  absonus, en AwiJS,  amens. Zie Avvecif. 

AWISE.  Zie  Awech. 

AWISICH,  bnw.  Yan  wise  in  den  zin  van^ux»^- 
wijge  (z.  ald.).  Kil.  awijtigh,  auwijsigh,  absonus, 
dissonus;  awijeighe  stemme,  absona  vox.  Onwel- 
luidend, leelijk  klinkend.  \\  Mit  eenre  screyelicker 
ende  awisigher  stemmen,  Bienb.  125c. 

AWISICH,  onwijs.  Zie  Awech. 


B. 


D  9  de  tweede  letter  van  het  mnl.  alphabet.  Zie 

Lubben  1,  187;  Grimm,  2>.   ITtb.  1,  1049—1004. 

BA,  tnsschenw.  Foei,  b.  t.  Taf  op  3  K:  ba  nee», 

—  Als  znw.  gebruikt  in  de  Eegswfjze  Ba  of  bn,  ba 
no  ba,  bn  of  ban  of  boe  nochbaii(banoclL 
bau,  bi  no  ba).  Zie  De  Jager,  Vertch,  135; 
Lat.  Verech.  140.  In  de  segswgsen:  —  Ba  of 
(no,  noch)  bu  segghen  (spreken^  ant- 
worden),  of  wel  bn  of  (noch)  ba  segghen, 
{geen)  boe  of  ba  zeggen ,  een  (geen)  enkel  woord 
zeggen,  \\  Ende  seide:  „Wanen  bestu?"  Jhesus 
ne  antwoorde  ba  no  bu,  JUjmb,  26321.  Hi  en 
conde  spreken  ba  noch  bo,  so  toomich  was  hi 
in  sfln  hert,  Hein,  II,  7018.  Ende  ghi,  Cursout, 
twine  sprecti  niet?  Ohine  segter  toe  no  bu  noba, 
Parth.  6103.  Uwe  redene  gaet  den  viant  so  na, 
hine  candere  jeghen  segghen  bu  no  ba,  OVL  Oed, 
2,  68,  52.  Lieve  kint,  dwinc  dinen  moet  eer  du 
sprekes  bu  ofte  ba,  Vad,  Mus.  2,  172,  25.  Of 
hi  dan  ghinc  staen  die  wande  aensien,  ende  en 
spreect  bu  noch  ban,  lied.  Proza  176.  Bat  hi  dan 
.  .  en  spraec  bu  of  bau,  Con.  Som.  59a.  Dat  hi 
en  wiste  boe  noch  bau  te  spreken ,  Proza-Jtein.  98r. 

—  BJ  uitbreiding:  niet  het  geringste,  niet  het 
minste.  \\  Alse  dat  kint  wordt  gheboren,  so  en 
cant  zien  noch  horen,  gaen  noch  staen,  bu  noch 
ba,  ende  leit  als  een  worm  bina,  Lep.  I,  16,  AA 
(var.  no  bi  no  ba).  Wine  wetenre  af  bu  no  ba, 
lAmb.  III ,  269.  Mar  als  dat  bier  was  wat  gesonken , 
doe  was  hem  haer  moet  ghesonken:  doe  en  wisten 
si  noch  ba  noch  boe,  Vrouyt  e.  M.  VII,  43. 

BABBELEN,  zw.  ww.  onz.  Hd.  bappeln\  eng. 
babble-y  fr.  babilier,  doch  in  de  latere  beteekenis 
van  snappen,  By  Kil.  mandere  praesepiolis  sive  acie 
gingiuarum,  edentulorum  mare;  verg.  het  znw. 
„babbelen,  barbelen,  praesepiola,  alveoU, 
caviiates  ossium  in  quibtts  dentes  firmantur ,"  en  zie 
verder  De  Jager,  Freq.  1,  10.  De  kaken  bewegen, 
knabbelen ,  mummelen ,  inzonderheid  van  tandeloozen 
gezegd,  li  Hi  sidt  en  babbelt  al  waert  een  gans, 
hi  en  heeft  in  alle  sinen  mont,  och !  niet  meer  dan 
eenen  tant.  Hor.  Belg.  {Jntw.  JAedeb.)  11,  128. 

BABELTE  (babbilie),  znw.  vr.  Verg.  mlat. 
babillio,  bij  Duc.  1,  621:  „  Babugus,  *^#/- 
üu,  ineptus,  babillio, ^^  en  verg.  ald.  Babeettla 
op  Baburrus.  De  beteekenis  scheut  te  zijn  mal- 
loot, zottin,  of  in  sterkere  opvatting  liehtekooi, 
gelijk  men  denzelfden  overgang  van  zot,  dwaas 
tot  licht  van  leven  ook  vindt  in  fr.  fole  femme, 
femme  folie  de  son  corps.  ||  Ie  darfsme  vermeten 
int  gheduer  so  seldu  my  houden  vroom  ende  vast 
in  swercx  anthieren  van  Venus  last,  alzo  wel  als 


eenighe  (h)oude  babelye  zoude,  Ned.  Klmehisp.  SI,  62. 

Aanm.  OVL  Lied.  en.  Oed.  449,  255,  sal  mn 
wel  in  plaats  YanbabkiltenmoeimleEeRiiaHilieBx 
het  woord  heeft  daar,  ook  blgkenshet  bggevoegde 
bnw.  oude,  dezelfde  beteekenis.  ||  Ohi  honde 
babbilien,  die  niet  en  doocht,  ende  bljjft  inzondei 
noch  zo  versteent,  dat  ghi  zondaers  te  makene 
poocht,  wanneer  natuere  in  hu  yerdroocht. 

BACHELEER    (baetseleer  ,     baetceleei, 

BAETSULEER,  BATSELEER,  BASELEBR),  znw.  m. 
Ofr.  bachelier,  baeeler ;  mlat.  baecalarius ;  verg.  eif. 
bachelor.  De  oorsprong  is  onzeker  (zie  Littré,  1 ,  27a; 
Diez  op  Baccalare).  De  eigenlnke  beteekeiisis 
die  van  bezitter  van  een  goed,  aai  baccalarii 
heette ,  uit  welke  beteekenis  de  andere  zgn  afgeleid. 

1)  Jong  edelman,  die  de  middelen  niet  bezat  om  eem 
eigen  banier  te  heffen,  en  onder  die  eens  andere» 
ridders  diende ;  Jong  edelman ,  die  nog  niet  tot  ridder 
geslagen  was,  in  rang  beneden  den  ridder,  boftu 
den  knape;  edelman  in  tegenstelling  met  ie» 
baander  heer.  Verg.  La  Gume,  Mém.  1 ,  304;  BuroaD, 
Aanm.  2 ,  236  vlgg.  ||  Mettien  dede  . . .  hem  gemoet 
een  bacheleer  met  enen  scachte,  scone  ende  edei 
van  gheslachte,  Alex.  III,  156.  Dat  hi  sieenim 
baetseleer,  ende  ongebortich,  lAmb.  Y,  1321.  Si 
es  mechtige  ende  rike ,  ende  ie  een  arm  baetseleer, 
V,  1422.  Ende  si  ghingen  ridders  onthouden  eadc 
baetseleers  die  met  hem  wouden,  Y,  507.  Eei 
ridder  van  sinen  conrote  brac  met  hem  dore,  dit 
daer  groote  dade  dreef  ende  groote  gheweer;«aBt 
hi  was  een  bacheleer  vromich  van  den  live  ende 
stout,  Heelu  7721.  Waer  dat  ie  vare  dat  wetü 
wel;  want  en  es  batseleer  engeen,  hine  si  dier, 
die  wert  es  II  sleen,  Perg.  5119.  Een  reyn  baetaéleer 
sonder  blame,  die  van  Jhemsalem  qoame,  Tent. 
862.  Voer  13  baetsuleers  voeder  tot  horen  cle^ 
deren,  Bek.  d.  Or.  9,  361.  Baseleren  van  hogkei 
moede,  Parth.  6472.  Een  bacheleer  bleef  dier 
allene,  Jlex.  V,  319.  Ridderen  ende  baetselere. 
Orimb.  I,  2455.  Die  vierde  had  getruut  eeaen 
maten  baetselere,  Velth.  V,  26,  23. Een  baetceleer 
stare  ende  coene,  Bose  (A)  13377.  —  Zie  nog 
Merl,  17281,  19049,  '59,  24184,  '89. 

2)  Hij  die  in  het  kanonieke  recht  den  rang  vt» 
candidaat  had  verkregen-,  mlat.  baecalarius  cmrser 
(zie  Duc.  1 ,  524 , 3).  Meester  Goerde  van  Sichenen ,.. 
in  loyen  ghelicencieert,  .  .  .,  ende  bacheleer  is 
decreten,  Brab.  T.  VII,  4442—46.  Die  met 
oetmoede  striden  yeghen  hoverdien,  dat  zgn  baet- 
seleere  in  theologien,  Ruusbr.  5,  134.  Meester 
Pietren  Groethalse  te  hulpen  den  coste  van  sinei 
orlove  daer  hy  wart  te  Parijs  bacheler  in  thyologiea, 


509 


fiACH. 


BACH. 


510 


60  ff ,  Rei.  V.  Gent  1,  336.  Baetseliers  in  theologien, 
Iwtnt.  V.  Bntgge  6,  103. 

3)  Bacheleer  formaet,  hij^  die  na  afloop 
x^ner  tkeologuehe  studieén  tot  een  hoogeren  graad  ^ 
^e%  van  lAeenciaai  en  Magister,  kon  bevorderd 
KVfdIm;  mlat.  baccalariut  formatut  (zie  Dnc.  1, 
524,  3).  II  Meester  Janne  Knijst,  bacheleer  formact 
in  theologien,  Brah.  T.  VII,  16406. 

BACHT,  Var  yan  barst,  O.  R.  v,  Dorrfr.  1 ,  206, 
3.  II  Scepe,  die  met  appelen  comen,  die  sullen  de 
KOut  senden  een  barst  (var.  bacht)  appelen  of  peren. 
Noch  het  eene ,  noch  het  andere  woord  is  duidelijk. 
Er  moet  een  bepaalde  maat  mede  bedoeld  zün ,  en 
din  is  het  het  natuurlijkst ,  dat  het  woord  de  bet. 
beeft  Tan  bai  of  mand. 

BACHTEN  (bachte  met  het  lidw.  bachter), 
BACHT),  Toorz.  eu  bijv.  Uit  het  voorv.  Be-  en 
JeAten  (verg.  binnen,  buiten,  boven).  Nog  in  West- 
Tlianderen  in  gebruik  (De  Bo  71 ,  72). 

I.  Als  voorzetsel. 

Met  den  3<l«  of  4<l«n  nv.,  naar  gelang  het  eene 
rust  of  beweging  achter  eene  ruimte,  öf  wel  eene 
Uroegvag  achter  naar  iets  heen  onderstelde,  doch 
later  geraakte  deze  onderscheiding  in  onbruik  en 
werd  bachten  ook  met  den  4<i«n  nv.  verbonden, 
waar  vroeger  de  3<^  nv.  gebruikelyk  was. 

a)  Van  plaats.  1)   Met    den  3<ieD  ^  later  ook  met 

den  4^   nv.    Achter,   als    het   tegengestelde  van 

voor.  II  Tekeme  ware  hem  onghereet,  wanttwater 

▼as  bachten  hem  t«   w^t,  Wal.  2926.  Twi  louch 

Sana  daer  soe  staet  bachter  dore?  lUjmb.  1796 

▼ar.  Een,  die  bachten  dbeelde  stoet,  Sp.  V ,  67, 

18.  Sine  handen  bachten  hem  ghebonden  laghen, 

Amand  II ,  1410.  Oftu  met  vorbaren  mensche  gaes, 

bachten  hem  ganc  tallen  tiden ,  Boue.  v.  Sed.  678. 

I>at  gheene   vrouwen   scoffieringhe   en  sal  seggen 

deen  der  andre  voer  hare  no  bachten  hare,  achter 

haar  rug,   Gesch.   v.   Antto,  2,  689.  Onse  mersch, 

die  wi  hebben   ende   hadden  thusschen  bacht  der 

kerken   ender    hoyen  van  Oedonc,    Vad.  Mus.  3, 

432  («.  1274).  Die  Coster  die  drouch  bachten  hem 

sinen  bonc  ende  sinen  caproen,  OVl.  lAed.  en  Ged. 

74,  17,  3.  Ie  sitte  hier  bachten  een  kiste ,  J?o^«^ 

VIII ,  5.  Soe  woend  bachten  der  frere  muer ,  Livre  d. 

Mett.  34.  Dat  wi  snn  vrienden  vor  den  oghen ,  ende 

tlxo  wel  vrienden  bachten  rucghe,  OFl.  Lied.  en  G. 

487,  261.  Die   niet  ne  draghen  reine  minne,  die 

moeten  bacht«n  danse  staen ,  76 ,  10.  Ferrant . . .  vloe 

met  sinen  volke  uut  Cortr|jke ,  ende  werp  de  brugghe 

bachten  hem  aff,  Cron.  v.  Vlaend.  1 ,  126.  De  Vlamin- 

gbe ,  die  bachter  steede  laghen ,  226.  Drie  bundere 

li^hende   bachten   walle,    Gendsch   Chtb.    119  (a 

1402).  Hi  sach  bachten  ricghe,  Hs.  v.  1348, 146  a. 

Bachter  Byloke,  601.  Den  ghesellen  van  den  gulde, 

die  bachter  hallen  schieten  sullen ,  2 ,  88.  Bachter  be- 

deckingen   {achter  het  tweede  voorhangsel ,  Hebr.  9 , 

3)  wert  dat  ander  tabernakel,  Hs.  v.  1348,191  b. 

2)   Met   den  4^^  nv.   Achter.  \\  Der  Walewein 

entie  waert  ghingen  te  gader  bachten  haert ,  Wal. 

3086.  Ie  leedese  in  dat  groene  bachten  Daverloe , 

OFl.  Lied.  en  Ged.  72,  17.(Z)tf  ;1<wm?w)  rieken  elke 

bacht  andre  bloet ,  Nat.  BI.  II ,  738.  De  variant  leest 

terecht:  Riect  elc  andrenh^chienihijw.:  van  achteren). 

b)   VdM  tijd.  —  Achter,  na.  \\  Die  weesen,  die 

si  bachten  hem   moesten    laten ,   Atnand.   II ,  47. 

Zo  wat  vleeschauwere ,   die   storve  zonder  .  .  .  . 

cnapelin  kint  bachten  hem  te  latene,  ZVl.  Bijdr. 

3,  276  (a.  1379).  Aelding  int  goed  dat  bleven  es 

bachten  Janne  Colen,  Cout.  van  Bntgge  1,  429. 


II.  Als  bijwoord  (van  plaats). 

1)  Aan  de  achterzijde,  van  a/r^/!^«».  ||  Si  quamen 
toe  ende  staken  bachten  op  den  rugge  met  haren 
speren  ,  Ferg.  668.  Ende  liet  haer  afdoen  dat  vel . . . 
van  beide  haren  voeten  bachten,  Eein.  1 ,  2881.  Hi 
loech,  dat  hem  bachten  scorde  ende  hem  crakede 
die  taverne,  I,  1290.  Bachten  quam  een  garsoen 
ghereden ,  Wal.  1877.  Oza  ghinc  bachten  ende 
Ayoth  voren ,  Bijmb.  10079  var.  Datse  bachten  te 
gadre  cleven,  coemt  hem  van  heter  luxuren,  Nat. 
BI.  II,  718.  Ene  fauce  pos  terne  es  ane  den  torre 
beneden  bachten,  Bose,  fr.  264,  22.  Haddi  vor 
tserpent  ghestaen,  also  hi  bachten  hevet  ghedaen, 
hi  ware  verbemt  altemale ,  Wal.  464.  Cort  voeren , 
lanc  bachten  die  bene,  Nat.  BI.  VII,  366.  Om 
dat  ie  heete  Ghedinkenesse ,  houdic  die  rierewaerde 
bachten,  Fraet  1172.  Overmoet  dochte  mi  datter 
bachten  stoet,  OVl.  Lied.  en  Ged.  291, 17 16.  Endt 
braken  in  den  dore  bachten,  Belg.  Mus.  10,  76, 
190.  Bachten  an  hem  lieden  zo  stond  Aj*denbuerch 
ambocht,  Invent.  v.  Brugge  4,  281. 

2)  Achter  den  rug.  \\  Twi  sidi  vor  mine  ogen 
smeker,  ende  bachten  valsch  alse  verrader  ?  JSt/md. 
87  var.  Sine  hande  bachten  ghebonden,  33934  var. 
Si  prisen  vor  di  dine  daden ,  ende  bachten  mochten 
sidi  verraden ,  Bouc  v.  Sed.  857.  —  Ook  in  den  zin 
van  het  hd.  rückwarts;  Achteraf.  \\  Si  (Maria 
Magdalena)  stont  bachten  neffens  sinen  voeten, 
Hs.  V.  1348,  218  c.  —  Van  bachten,  van  de 
achterzijde,  van  achteren.  ||  Maer  die  den  stoc 
van  bachten  droech  ,  hadde  toghe  ter  druven  waert, 
Rijmb.  5646.  Si  die  buten  mure  stonden  .  .  . 
bestondense  van  bachten  saen ,  31094  var.  Want 
die  van  bachten  die  benamen  dat  weder  wiken  al 
te  samen,  33026  var.  Ende  die  de  lieden  raden 
van  bachten ,  dies  hem  niemand  en  can  gewachten , 
Lucid.  6141  (/.  verraden  voor  raden).  Wapen, 
moort!  ie  splijt  schier  van  bachten,  Ned.  Kluchtsp. 
63,  92.  Ghesteken  van  bachten  in  zine  luchtre 
scoudere,  Invent.  v.  Brugge  6,  638.  Entie  crancste 
quam  van  bachten,  Sp.  I*,  63,  29.  Een  joede 
quam  van  bachten  daer  .  .  .  an  den  sterd  van  den 
Roomschen  here ,  Rijmb. 27978.  —  Bachten  ende 
voren,  aan  de  achter-  en  voorzijde,  van  voren  en 
van  achteren',  evenzoo  van  bachten  ende  van 
voren.  |j  Het  houtte  bachten  ende  voren.  Wal.  1370 
{van  een  oud  paard).  Ende  sloughen  van  bachten  ende 
van  voren  alle  up  den  ridder  uutvercoren,  9017. 
Beyaert  beet  voren  ende  slouch  bachten,  Maleg.  518. 
Hi  es  luxuriose  uutvercoren,  bachten  starker  dan 
voren.  Nat.  BI.  II,  260  var.  {van  den  ezel).  Een  zwarte 
jomeye  met  eenen  rooden  cruce ,  voren  ende  bachten 
gheborduert,  Belg.  Mus.  3,  382.  —  Van  voren 
tote  bachten,  van  voor  tot  achter,  geheel  en  al. 

II  Tvorseide  huus,  land  ende  datter  toe  behord 
van  voren  tote  bachten,  Invent  v.  Brugge  3,  371. 

BACHTENBLIVEN  {bleef,  bleven,  gebleven), 
st.  WW.  onz.  Achterblijven,  terugblijven.  \\  Die  men 
niet  mach  verdriven,  mogen  bi  den  doden  bliven 
bachten  ende  haer  baniere  opsteken ,  Velth.  IV , 
39 ,  63.  Hets  goet ,  dat  blive  tgoet  bachten  metten 
wive ,  ende  ons  volget  metten  knapen  zaen  ,  Rijmb. 
16768  var.  —  Deze  lezing  komt  voor  in  Clignett 
Bijdr,  376.  In  de  uitgave  van  David  staat:  y^  Achter 
ons  tgoet  metten  wive." 

BACHTER,  voorz.  met  den  3<len  nv.  Uit  be  en 
achter.  Hetzelfde  als  bachten  voorz.  1).  Vgl.  buten 
en  bttter.  Achter.  \\  Eenen  meersch  ligghen de  bachter 
der  galghe,  Diericx,  Mém.  1,  567.  Gheleghen 
bachter  der  borchstraete,  621. 


514 


BACH. 


BADl. 


512 


BACHUUS.  Zie  bac-huus. 

BACHWAERDICH.  Zie  bacwaerdich. 

BADDEREYf  znw.  vr.  In  een  hnishond boekje 
van  1407,  ZVl.  Bijdr.  4,  305,  vindt  men  den  vol- 
genden post:  II  Item  dien  meyers  van  badderey . . . 
III  crone.  Misschien  z|jn  hier  bedoeld  de  oprichten 
van  het  badhuis^  en  moet  men  lezen  van  {der)  baderejf 
(baderyé).  Het  woord  baderie  komt  in  dezen  zin  ook 
elders  voor,  b.  v.  Invent.  v.  Brugge  5,526:  ||  An 
den  pit  van   der  baderye  voor  myns  heeren  hof. 

BADDERKEN  (?),  znw.  onz.  Een  dnister  woord, 
dat  voor  zooverre  ons  bekend  is ,  slechts  eens  voor- 
komt, en  nog  wel  als  lievelings woordje ,  zooveel 
als  pofje.  Men  zonde  geneigd  zün  Babberken  te 
lezen,  en  het  te  vergelijken  met  het  by  Kil.  op- 
genomen woord:  „Babbaert,  babbaerdeken, 
pupwluê ,  pupu* ,  pupa :  infaiu.^^  Verg.  It  bambino ; 
fr.  poupart;  eng.  baby,  \\  D.  H.  Wij  sollen  noch 
midts  deser  condicien  haer  alder  liefste  knechtkens 
z|jn.  /.  H.  Hner  dreelincxkens.  D.  H.  Huer  badder- 
kens  sijn  (/.  fijn?),  Sacr.  817. 

BADEM  (baden),  znw.  m.  Bodem.  Eene  in 
Geldersche  oorkonden  voorkomende  vorm,  voor 
bodem ,  boden,  als  in gelaven  yoot geloven ,  wanen  voor 
wonen,  baven  yooT boven  enz.  (verg.  Nijh.  2,  231).  || 
Dat  is  te  verstaen  tolbner  gnet  op  hare  schips 
baden  te  leggen  ende  hare  gnet  weder  op  tolbner 
baden  te  leggen,  ald.  282. 

BADEN  (in  jongeren  vorm  ook  baykn,  Jan 
Yp.  166,172,  181;  Exc.  Cron.  S5a\  zw.  ww.  onz. 
en  bedr.  Onr.  badha  (Jonsson  40);  ags.  badhjan 
(Ettm.  279);ohd.  badón\  mhd.  baden;  mnd.  baden. 

Onz.  — 1)  Baden,  een  bad  nemen ,  de  hedendaagsche 
beteekenis.  ||  Wichte,  ghi  selt  baden,  JioAfr.  697. 
Eest  leec,  eest  clerc,  siec  ocht  gesont,  het  baedt 
al  in  haren  bade ,  Rincl.  1171.  —  In  figuurlijke 
toepassing.  ||  Hier  wel  te  tijt  so  sal  soe  baden  .  .  . 
int  helsche  b|jt,  Praet  3656  {van  Hovaerdie). 

2)  Bad-en  {in  bloed),  inzonderheid  van  het  zwaard, 
de  speer  enz.  gezegd.  ||  (Hi  staken),  dat  hi  dede 
waden  sijn  spereyser  ende  baden  in  s|jn  lijf  enen 
grooten  voet,  èrimb.  1, 3435.  (Soe  dat  si)  haer  swerde 
daden  dore  die  helme  in  die  herssenen  baden  ,  Lanc. 
IV,  11103.  In  datbloet.  .  .  dat  dair  lach  gestort  al 
werm ,  daer  laghen  ende  baden  menich  arm ,  1 ,  4580. 
Tspere  . .  moest  in  sijn  herte  baden,  Grimb.  II,  1921. 
T jwerd  en  moeste  in  die  hersenen  baden ,  Lanc.  IV , 
1 1554.  Soe  moeste  (/.  moesti  ?)  in  sine  hersenen  baden, 
Limb.  VII ,  837.  Die  zwerden  daden  si  dicke  baden 
den  Sarasinen  doer  den  tanden,  Fragm.  Carl.  210. 

3)  Baden  in  iet,  in  iets  gelegen  zijn,  er  in 
tteken.  \\  Proeft  wat  danke  sal  sijn  gestaedt  den 
gruetene,  daer  selc  arch  in  baedt,  Bind.  861 ,  d.  i. 
Bedenkt  welken  dank  do  booswichten  zullen  in- 
oogsten  voor  het  smadelijk  groeten  van  Jezus ,  eene 
behandeling,  waarin  zooveel  kwaad  ttak,  gelegen  wat. 

Bedr.  —  1)  Doen  baden,  een  bad  doen  nemen.  \\ 
Sonder  enighe  noet  moeste  soene  soghen  ende 
baden,  Wap.  Mart.  III,  295.  Hare  die  mi  maghet 
dronch  .  .  ende  mi  baedde  ende  dwouch,  IHsp. 
248.  Ende  salvedene  ende  bad  ene  daer,  Sp.  III', 
34,28.  Dese  voestren  boude ,  alsi  hare  kindre  baden 
ende  dwaen ,  Bote  6478.  Maria  ende  Elyzabeth  ont- 
deden dat  kindeken  Jhesum  ende  baydent,  Exc.  Cron. 
30fl.  —  Spreek w.  ||  Hy  is  te  heet  gebaedt,  Spreuk.  47. 

2)  Doen  baden  {in  bloed).  \\  Ooc  sachi  wael  wat 
die  Grieken  daden :  berch  ende  dal  al  over  baden 
metten  bloede,  Alex.  111,401  (Franck  wil  lezen 
overbadenz^perfundere).  Mfln  erve,  daer  ie  omme 
was  ghebaet  int  rode  bloet ,  nut  die  mi  haet , 
Diep.    295    {van    Chrittut).    Hi    baet   sijn   swacrt 


in  herssenbloet.  Wal.  10524.  Hi  b««dde  sgn  sveert 
in  haer  bloet,  Trogen  6397. 

BADIMENT,  znw.  o.  Andere,  venninkte  vora, 
Toor  etbatement,  z.  ald.  en  vgl.  abatement.  Folh- 
epel.  II  Dese  Priscus  ordineerde  die  spelen  eaèi 
badimenten,  Fatc.  Temp.  37r.  Schoen  speeleaeade 
badimenten,  lOr. 

BAECH,  znw.  vr.  Samengetrokken  nit  Bekaeck, 
als  Bagel  en  Bogen  uit  Behagel  en  BeJka^en.  TrotteU 
ingenomenheid  met  iets,  hoogmoed)  jj  Wat  heeft  ou 
ghebaet  ho  verdie?  of  baech  der  rgcheide,  wat  heeft 
ons  die  ghegeven ,  Mat.  d.  Sonden  f.  Zld  en  Ui. 
Soe  wie  oetmoedich  ende  verworpen  habfjt  dneckt 
om  hoverdie  of  baech,  .  .  soe  ist  sonde,  ald.  f. 
98a  (aangeh.  door  Hnyd.  op  Stoke  Dl.  l,bL570). 

BAEFMESSE.  Zie  Bamesse. 

BAEISCH  (BAEYSCH),  bnw.,  Van  boef.  KIL  len- 
densa,  pannus  vilis  raro  et  tenui  textu.  Eene  soort  vn 
grove  wollen  stof,  welke  nog  heden  bekend  ii 
Slechts  in  baeisch  laken,  baai.  \\  Brockk 
hier  oec  eenich  man  zarke,  kerzey  of  bMyxbe 
lakene  te  coope,  O.  R.  v.  Dordr.  1,  247. 

BAEC  (baeck).  Zie  Bake. 

BAECTONNE  (tonnebake),  znw.  vr.  Een  n 
het  water  drijvende  ton ,  die  als  baken  (boMè)  dteat, 
boei  (fr.  bouée).  \\  Van  negen  groote  steenen  aa  de 
kethenen  van  den  thonnebaken  ghehanghen ,  InveaL 
V.  Brugge  6,  237.  Van  V)} f  nieuwe  baecthonneo,4iZ^ 

BAELDADICH,   bnw.  tUcht,  boos.  —  Yandnr 

BAELDADICHEIT,  of  -hede  ,  znw.  vr.,  Wissd- 
vorm  van  Baldadicheit.  Vgl.  balmonden  en  iael- 
monden  (Kil.  31).  Booze  behandeling,  boosheid.  ||  Eide 
telde  hem  die  baeldadichede  die  Tsenbele  sy  n  dochter 
dede,  ende  dat  soene  met  valscer  hone  ontherrea 
wilde  van  siere  crone.  Wal.  8079. 

BAELDIE.  Zie  Baelqe. 

BAELGE   (BAILQE,   BAELJE,   BAELGIE,    BALGIE. 

BAILLIE,  baille),  en  ook  BAELDIE,  beantwooTdeiid« 
aan  de  oude  Fransche  uitspraak  van  ffe  mis  dft'. 
verg.  eroendie  voor  croengie,  fr.  eharogne;  ^.  Ó». 
10,  73,  aant.  3),  znw.  vr.  Mlat.  bailleimm, 
ballium  (Duc.  1,  537,  554);  ofr.  baile.bmlle  {sU. 
7,  53;  Burguy,  Glots.  31  op  bail).  Van  mliL 
bajulus,  beschermer,  bajulare,  beschermen.  Over 
de  afieiding  zie  verder  bij  baeliu. 

1)  Palissade,   slagboom;  Kil.  repagultnm.  ||   Itea 
dat  nyemant  lenen,  noch  brugghen,  noch  baiUa 
en  weere  noch  ontween  en  hauwe  ofte  wech  drsghevp 
de  boete  van  XX  scellinghen  par. ,  Cou/.  vaM  Bmgy 
1 ,  221.   Twee  knapen  <Ue   die  bailgen    ontslita 
deden  opt  pas  tusschen  des  marcgraven  lant  w 
Brandenborch  ende  des  hartoghen   van  Binuisv|<. 
Rek.  d.  Or.  '6,  387.  Die  die  bailgen  ontsloot,  «M 
Eene    straete    zoo    breet  datter   eene    meulekert 
leyden   (/.   liden)    mach,    sonder  daerop     eenig^ 
craemen,   bancken    ofte  baillen  te  moghen  staa^ 
Diericx,  Mém.  2,    151.   Beginnende    an    de  bailk 
van  der  poorte  ende  streckende   alzoo   lancx  da 
muere  van  den  selven  casteele ,  514.  De  baille  ni 
de  poorte  van  den  .  .  .  casteele,  514,  sooookSll 
—   In   bepaalde   opvatting :   de   slagboom  ^  die  id 
publiek  in  eene  gerechtszaal  scheidt  van  de  recJk/ers;  it 
balie.  II  Achtervolgende  de  forme  van  der  andieatk* 
so  is  de  sale  gesloten  met  enen  grooten  psjrr^v 
al  geberdert  ende  gesloten  met  bancken  ende  beo- 
liën .  .  .  Ende  sijn  ...  ter  luchter  a^de  Jontksm 
snyders  van  der  escurie,  ende  staen  rechte  €S# 
lenen  up  de  baillie.  Ende  voor  de  bailli  syn  banck« 
rondsomme  voor  den  paercke,  daer  si  tien  de  ridderüt 
camerlingen,  enz.,  Matth.  Jnal.  1,  242. 

2)  A/geschoten    ruimte,    door    palen    afgepe^ 


513 


BAEL. 


BAEL. 


514 


Untm^  en  bepaaldelgk  iMjdperk^  krijt  Kil.  Balie, 
«mw,  l4tau  in  quo  pugrumt  ^ladiatores.  ||  Nye  en 
WM  ick  dns  onsochte  ghesteken ,  dat  ie  gheweten 
Bochte,  in  baelgien  noch  in  wighe ,  <SSfy^.  1599  yar. 
(tekst  h€taelgen), 

3)  Vinekmiuing  ^  buitenwerk  eener  tterkte^  voor- 
werk ,  Tooral  yan  palissaden.  Kil.  Balie,  eotueptum, 
valium  f  uptum.  ||  Ende  die  op  de  baeldie  laghen , 
worpen  neder  al  in  een  op  die  yianden  menighen 
fteen,  Orimb.  Il,  634  (var.  op  die  litse).  Maer 
leamelic  in  yromer  weere  deynsden  si  totevoerde 
bielgen.  Daer  waert  men  vechtende  als  in  betaelgen , 
n.  BijwUtr.  6416.  Torre,  cartele  ende  baelgen, 
die  niet  lichte  mochten  faelgen ,  Rijmb.  31327 
(tekst  baelfên ;  Flav.  Jos. :  porticus  .  .  .  loricis  et 
propngnacnlis  septa). 

4)  PUmis  waar  recht  wordt  gesproken^  rechtbank^ 
Me.  II  Dit  was  ghedaan  bi  wette  ende  bi  vonnesse 
ende  bi  wilcore  van  den  here  ende  bi  vonnessen 
TUI  den  mannen  in  de  baelge  Tan  sGravensteen 
te  Ghent,  Vod.  Mm,  4,  333  (a.  1308).  —  Ook  in 
de  uitdrukking:  In  balgien  doen,  voor  de  balie 
afleiden.  ||  In  des  jonges  Theodosins  tiden  .  .  . 
wu  bisscop  tAutsure  sente  Gkrmaen ,  die  eerst  was 
in  balgien  gedaen,  Sp.  III*,  43,  10  (Yinc. :  tribu- 
nalia  préfecture  professione  advocationis  omavit). 

BAELGLE.  Zie  Baelge. 

BAELGIE  (bailoie,  balgie,  balie,  en  in  on- 
gemeener  Torm  balgide),  znw.  yr.  Mlat.  bailia 
(Dnc.  1,  637);  proT.  bailia  (Rayn.  2,  170);  ofr. 
imllie.  Ygl.  Halb.  Aant.  195.  Over  de  afleiding  zie 
bjj  Baliu.  Eigeniyk  het  rechtsgebied  van  den  baïfuw^ 
viaiToor  evenwel  in  het  Mnl.  gewoonlgk  baliuecap 
vordt  gebezigd ;  doch  als  vreemde  rechtsterm  meer 
in  de  verschillende  algemeener  beteekenissen ,  die 
bet  voord  in  het  mlat.  en  ofr.  had. 

1)  Beehttgebied  ^  grondgebied  binnen  hetwelk  de 
lemitheer  dereehtepraakheeft.  \\  Dan  haddi,  binnen 
ia  ^n  baelgie,  menich  dorp  dat  goet  was,  ende 
Benich  hnjs,  ....  dat  sgn  lieden  hielden 
na  heme,  Grimb.  I,  532.  Siin  lant  ende  sine 
bilgie  Street  hier  an,  Aubry  304.  Becht  man 
delfet  onderspit;  hine  hevet  te  pointe  niet  ghehit 
in  aeriieer  baelgjre,  Wap.  Mart.  I,  22  (Bnkelare: 
ia  aallo  dominatn). 

2)  By  de  Dnitsche  orde.  Balije,  onderafdeeling 
»«  een  Land^  rechtsgebied  der  Orde^  waarover  een 
Itondamwiandeur ,  Frovineiaal  of  Balger  het  bewind 
voerde.  Zie  D.  Orde  169.  ||  Doch  machmen  enen 
nekei  broeder  teenre  balien,  of  tenen  comendner 
waden,  daermen  weent  dat  recht  come  den  zieken 
broedere,  ald.  282.  Dies  meesters  cost  die  en 
afaaen  niet  eiBchen  van  dien  balgien,  zonder  van 
den  treserire,  283.  Wi  setten  oec,  dat  een  ighelic 
Itatcomendner  moghe  maken  ene  of  twee  prisnme 
il  ziere  balie  na  der  noetdorfte ,  ende  die  broedere 
die  laige  aten  orden  gheweset  hebben,  end  hem 
oneerlic  hebben  ghehonden  in  der  werelde ,  dat 
zal  eei  ighelic  lantcommendner  zinen  commendner 
oader  hem  bevelen,  dat  men  zi  va,  ende  zende 
n  veder  in  de  balie,  daer  zi  zjn  nntghevaren, 
ead  vat  dat  cost  zal  gelden  die  balie  diu>  hi  eerst 
Mtghevaren  is,  310. 

3)  Seehtsmaehi^  macht  om  namens  den  landsheer 
^ht  u  doen,  en  bg  uitbreiding  landvoogdij, 
stadhouderschap  in  't  algemeen.  Verg.  Duc.  1, 
^7  op  Bailia  1);  545  op  Balia:  Justitiae, 
renuBve  onammvis  administratio.  ||  Hier  omme 
pi  Ben  hem  de  baelgie  van  den  lande  van  Aer- 
"waie,  Sp.  I»,  50,  33.  Daer  Felix  omme  wert 
wtitt  daer  naer  van  siere  baelgien  wel  tweejaer. 


ende  men  gaf  Festusse  die  baelgie,  II',  2,  24. 
Kieromme  sette  Trayaen  Lysien  van  Judea  in  der 
baelgien,  II*,  34,  18.  De  keyser  Dyoclesiaen  ende 
syn  geseUe  Maximiaen  ghaven  de  baelgye  in  hant 
van  algader  Gallen  lant  den  feilen  man  Rixionaren, 
11%  48,  3.  Alle  die  in  baelgien  state  (/.  saten), 
heeft  hi  ontboden,  ende  hen  beval,  dat  si  allene 
niet  overal  laten  te  pinene  die  kerstine,  enz. ,  II*,  6, 
100.  Zie  nog  Sp.  I",  51,  17;  II»,  2,  4;  23;  57; 
22,  24;  em. 

4)  Macht ^  heerschappij,  in  H  algemeen.  ||  Walewein, 
hebdi  in  uwe  baelgie  enege  vrindinne ,  enege  amie, 
dier  gi  getrouwet  eneger  dinge?  Lane.  111,12849. 
Joncfrouwe,  hi  dade  grote  dorpemie,  hadde  hi  in 
sine  bailgie  sine  herte ,  ende  hi  mogenthede  hadde 
te  doene  sinen  wille  daer  mede,  ontseidi  u  sine 
minne  dan,  lY,  2052.  Maer  die  sonne,  daer  ie  af 
seide,  .  .  si  hout  ende  hevet  in  balgiden  met 
ghewelt  man  ende  wijf  ende  al  dat  hevet  sinne 
ende  Igf,  Farth.  7811  {van  de  min).  Yrient,  ofku 
hout  heerscapie  boven  dinen  ghenoot,  of  balgie, 
na  dire  macht  berechtse   wel.  Botte  v.  Sed,  808. 

BAELIU.  Zie  baliu. 

BAELJE.  Zie  Baelge. 

BAELLEWEN.  Zie  Baluwen. 

BAELMOND,BAELMONDICH  (Kil.).  Zie  bal- 
mond. 

BAELSCÜLDICH.    Zie    de    Aanm.    bg    Baer- 

SCULDICH. 

BAENMEESTER,  znw.  m.  Opzichter  over  een 
tornooi ;  fr.  maitre  de  liee.  In  een  tekst  over  .het 
houden  van  een  tomooi  leest  men:||  {Betaald  aan) 
de  baenmeesters  over  de  houdchieringhe  ende 
cleedinghe  van  den  acht  stekers  elc  met  zynder 
joncvrauwe  up  den  dach  van  der  vespereye , /;»rm^ 
V.  Brugge  6,  119. 

BAENRIDER,    znw.  m.    YerhoUandschte  vorm 
van   Baenrits,   baenrots  (zie  ald.).  Baenderheer.  \\ 
Als  grave  Dirc   aldus    doot  gebleven  was,  versa- 
menden die  baenrideren,  ridderen  en  knapen  uut 
HoUant,  Clerc  40. 

BAENRITS.  Zie  Baenrotse. 

BAENRITSHERE  (baenrotshere],  znw.  m. 
Hetzelfde  als  Baenrits ,  baenrots  (zie  ald.).  Baander- 
heer.  \\  Om  dat  somme  steden  ende  baenritsheeren 
van  Brabant,  ridders  ende  knechten  verkoren 
manscap ,  trouwe  ende  eet  geswoeren  hebben  onsen 
vorseiden  neve,  Brab.  T.  YI,  1800.  Die  baen- 
rotshceren  van  den  lande,  Brab.  T.  YII,  4158, 
verg.  4320. 

BAENROTSE  (baenroeds,  baenroets,  baen- 

ROEDZE,  BAENROIDSE,  BAEROCHE,  OOk  BAENRITS, 
en  BAENRUTS,  BAENRUS,  BAENRUTSCH ,  of  Wel 
BAENRAETS,  BAENRAETSCH,  BAENRADSE,  BAEN- 

radsch),  -rodse,  -ridse,  znw.  m.  30at.  ban- 
neretns  (Duc.  1,  566);  fr.  banneret;  eng.  banneret , 
welk  woord  op  de  vorming  van  baronet  misschien 
niet  zonder  invloed  gebleven  is.  üit  banneret, 
banrety  ontstond  de  vorm  baenrits,  die  den  Franschen 
vorm  het  meest  nabykomt,  en  waaruit  allengs 
de  andere  vormen  verbasterden ,  van  welke  baenrots 
en  baenroets  de  meest  gebruikelgke  zijn.  Ja  zelfs 
werd  het  woord  tot  haenrider  verhaspeld  (zie  ald.). 
By  Kil.  „Banderotse,  banrotse,  banrots- 
heer,  Fland.  j.  baner-heer".  Benaming  der 
edelen,  die  het  recht  hadden  „baniere  te  binden," 
d.  i.  onder  hunne  banier  of  vierkante  vaan  hunne 
welgeboren  mannen  ten  stryde  te  voeren ,  aldus 
inzonderheid  in  Brabant  en  Ylaanderen  genoemd, 
terwyi  elders  de  naam  Baanderheer  meer  ge- 
bruikeHjk  was.  Zie  verder  Huyd.  op  Stoke,  Dl.  3,  bl. 

17 


545 


ËAEN. 


BAER. 


516 


823;  en  Inzonderheid  D.  War.  5,  332,  348,350, 
542.  II  Waelhem  Waelcort,  Rotselaer ,  dese  hadden 
alle  banieren  daer;  daertoe  si  twee  van  Wesemale : 
dit  s^n  die  baenrotse  altemale,   die  proefst  van 
Nivele  was  daer  mede,  die  daer  oec  als  baenrots 
dede;   want  hi   hilt  leen  ende  lant,  daer  hi  af 
baniere   bant   alse   heere   ende   alse   yrie,  Heeln 
4643.  Voert  Lnevene,   Bmesele,  Nivele,  Tienen 
waren  verbonden ,  dat  si  dienen  moesten  den  grave 
Lodewyke  in  orloghen  sekerlike,  elke  stede  met 
eere  baniere  np  haren  cost,  ende  onder  deseviere 
moesten  twee  oaenraetsen  s^n  ende  twee  mdderen, 
VI,  Bijmkr.  8925.   Ende  die  here  van  Bneren  een 
baenroodse  ende  een  lantshere  was,  12.  r.  Vtr.  2, 
37.  Doen  trac  Karle  te  samen  sijn  ridderscap  van 
groten  namen ,  baenmtsche  ende  lantsheren,  Brah.  Y, 
II,   723;   Sp.  III",   82,   69.  Een  grave  met  enen 
erdschen  bisscob  si ,  een  baenms  licht  onder  bisscob 
vri,  O  VI.  Oed.  3,  122,  179.  Bandersyde  quam  in 
dat   perc   een  baenroets,  een  scone  diet,  Grimb, 
II,    3765.    Eenen   baenreche   (/.   baenroche)    van 
Ingheland,    Invent.    r.   Brugge   2,  113.  Baenruts, 
noch  grave,  noch  seriant,  Heeln  4223.  Baenrotse, 
riddere  ende   cnapen,  2585.  Baenmtse,  ridderen, 
Brab,  T.  IV,  434.  Princen  ofte  hertoghen,  baen- 
roetsen   ofte   graven.    Wrake  I,    1084.   Princhen, 
baenraetsen  ende  ander  heeren,  VI.  Rijmkr.  7147. 
Ridderen,    baenrotsen   ende   knapen,    Orimb.   II, 
195.   Niemene  so  ne   was  quite  van  deser  pinen, 
man  no  wnf,  weerlic,  religieus,  prince  no  grave, 
coninghe,  banraetschen ,  mdders  no  knapen,  O VI. 
Oed.  2 ,  40^.  M^ns  liefs  heren  baenroedzen ,  ridderen 
ende  knapen  van  Beyeren,    Oorl.  v.  Albr.  42.  Mit 
brieven  gezent . .  aen  allen  den  baenridzen ,  ridderen 
ende  knapen,  290.  Met  rade,  wille  ende  consente 
.  .  onser  prelaten ,  baenrochen ,  ridderen  ende  stede, 
Willems,  Meng.   340  (a.   1393).  So  wanneer  een 
baenroeds    of  een   goet   man,   die   van   hogheren 
staet  is  dan  een  baenroeds ,  comt  binnen  der  stede , 
so    moghen   si   spelen    in   hoir   herberghe.    Leid. 
Kewrb.    119.    Meenich    heere,    baenradse,    riddere 
ende    schiltcnape    .    .   beloveden   met   den    grave 
Philips  te  treckene,   Cron.    v.  Vlaend.  1,  79.  De 
edele  baenradschen,    ridderen    ende  schildcnapen 
in  Vrankeryke ,  95.  Off  syne  landen  ind  ondersaten 
van   eynigen  heren  avervallen  .  .  wnrden,  .  .  so 
soellen  baenritzen ,  ritterschap ,  stede  ind  ondersaten 
der  lande  van  Gelre  .  .  onsen  lieven  neve  .  .  hnlp 
ind    bystant   doen,    Nyh.   4,  473  (a.   1472).  Met 
edelen    hertogen,    graven,    baenroedsen,   ridderen 
ende   knechten,  Ned.  Proza  80.  Zie  nog  Brab.  T. 
V,   776;   Gnmb.    I,    5220;   II,    212;   VI.  Rijmkr. 
7189;   fVrake  II,  1156;  ZVl.  Bijdr,  6,325;  Oorl.  v. 
Albr.  416;  Fass.  W.  58*;  Leid.  JSTtfw*.  Gloss. ,  enz. 

BAENSCULDICH.  Zie  Baersculdich. 

BAEB,  znw.  m.,  beer,  nrsus;  vr.  barinne, 
berin.  Minder  gewone  vorm  dan  bere\  z.  ald.  Mnd. 
bare,  bar.  \\  Ursus  dats  een  vreselic  dier,  .  .  . 
een  baer  hetet  in  Dietscer  tale ,  Nat.  BI.  II ,  3779. 
Die  baer  eet  .  .  .  vrucht  die  daerde  ende  boeme 
draghen,  II,  3811.  Mettien  worden  twee  baren 
camen  nten  wonde,  diese  verbeten,  Rijmb.  13102 
var.  B.  Daer  men  die  witte  baeren  kent,  Nat.  BI. 
II,  3816.  Als  die  baer  den  buffel  bestaet,  11,3841. 
Wit  vintmen  someghe  baren,  II,  3851.  Die  baren, 
die  alle  in  Bruuns  sonde  (soldij)  waren.  Rein.  I, 
2443.  Zie  nog  Roel,  I,  479;  £^,  II-,  6,  41.  — 
Barinne,  berin,  ||  Als  die  barinne  die  jonghen 
werpt ,  die  si  heeft  inne ,  dat  si  dan  sQn  doerclene , 
Nat,  BI,  II,  3785.  Daer  die  barinne  worpt  haer 
jonghe,  II,  3802. 


BAER  (bare),  znw.  vr.  Mhd.  bdr  en  baere.Ya 
Baren  (Iste  art.):  zie  ald.  De  tnjze  waarop  ziek 
iets  vertoont  of  voordoet;  wijze  van  doen,  in  ver- 
schiUende  opvattingen.  Minder  gebroikelgk  daa 
Oebaer:  zie  M. 

1)  Wijze,  voorkomen.  Verg.  Baren  ,  onz.  1).  ||  Ea 
die  scoonste  creatnre,  die  leut  in  al  der  wer^ 
breit;  .  .  haer  anschyn  was  eensinghels  baer,  On 
Lied.  e.  Oed,  259,  785—90.  —  In  suiker  baer 
(bare),  op  zoodanige  wijze,  imdiervoege.  ||  Hoe  die 
zonne  beghint  te  laghen  ende  mit  hem  dïaelt  al  ii 
yen  {een),  soe  willen  si  noch  opwaert  sien  in  harea 
ghelaet,  in  suiker  baer,  of  mit  hem  voir  dk 
middach  waer,  Hild.  231,  82. 

2)  Leven ,  drukte ,  lawaai.  Verg.  Baren  ,  onz.  3).  )| 
Ghi  maect  groot  bare,  Baudoen!  die  soudaengave 
om  u  niet  een  bottoen ,  Belg.  Mus.  2 ,  335. 

BAER  (bare)  ,  znw.  vr.  Mhd.  bar,  bdr.  Van  b. 
barre  (Littré  1,  300;  Diez  1,  56). 

1)  lAnkertehumbalk  mi  een  wapenschild^  ook  wel 
al*  teeken  van  battaardij  gevoerd  (Rietstap ,  Hamih. 
110).  II  Sgn  scilt  was  van  zilver  wit . . .;  een  bas 
van  lazner  in  bellonc,  Troyen  2140.  Bie  seite 
ridder  drouch  den  scilt  van  silver  .  .  .;  vu 
keel  twee  baren  getinneert  een  maerle  int  hoeft 
van  den  scilde  van  sabel  droech  die  ridder  milde, 
Gelre,  Wapenb.  8;  Belg.  Mus.  5,  107,  29  (wapn 
van  Asperen;  verg.  Kok,  Vad.  Wd&,  4,  13731 
Hy  droech  van  silver  aldaer  binnen  van  kcïel  twee 
baren  al  van  tinnen,  ald.  5,  111,  77.  M^lg*™  a 
een  silveren  baer  in  een  root  velt.  Ende  Dnuiei 
is  een  silveren  baer  in  een  groen  velt,  al  erei 
eens  over  dwers  opgaende,  Matth.  Jnal,  3,  59S. 

2)  Dwarsbalk,    gewoonlgk    vaeecke    (fr.    fattè) 
genoemd  (Rietstap,  üandb.  104).  Doch  ook  in  de 
Engelsche    heraldiek  wordt  voor   't  mT.  Yan  ƒ» 
gebruikt  bars.  ||  Sgn  baniere  die  van  selvere  wis. 
.  .  .,   drie   baren   van    sable   daerin,    Grimk.  U, 
4808    (zie    PI.    VIII,    wapen    van     Philips  v» 
Wavre).  Dit  teeken  voerde  hi  algeheel :  sgn  broeds 
daer  op   dat   palesteel,   ende   die   bare   sgn  oca 
bastaert,   Heeln  4489.  —  Ook  HerkennimffeteekeB, 
in  den  vorm  van  eene  baar.  ||  Doen  makeden,vtt 
witten   doeken,   alle   die   metten  hertoge   varea. 
boven  alle  hare  wapene  baren,    dat    elc    anderen 
kinnen  mochte  bi  dien  tekene,  als  menne  soekie. 
Heeln  2438. 

3)  Een  dwarsbalk  in  een  ton  of  vat^  die  als  eei 
middell^n  de  cirkelvormige  opening  er  van  Terbiiè 
en  steunt.  Elders  balc  geheeten  {K.  en  O.  v.  Delft 
153,  4).  II  Bedraghen  van  die  rynsche  wiaa 
ghetapt  hebben  die  niet  claer  en  was  Xoter  baif, 
Invent.  v.  Brugge  6,  478.  —Zie  Littré  1,  3öör 
(barre  3). 

BAER,  znw.  onz.  Van  Baren,  kinderen  ter 
wereld  brengen.  Baring,  ver  lossing.  ||  £nde  hoew& 
dese  gloriose  maget  Maria  ende  moeder  hj  dj& 
baren  van  den  ghebenediden  Goods  Soon  nietgk^ 
broken  noch  niet  ontreinicht  en  was,  mer  was  ii 
dit  baer  reyn  ende  maghet  ghebleven,  Jf.  f.  3Sc 

*  BAER  -  groet ,  Stoke  X ,  459.  Verkeerde  leza^ 
voor  boer.  Zie  op  bore. 

BAER,  bnw.  Ohd.  bar;  mhd.  bar;  nhd.  ètimr;  afi. 
bar;  eng.  bare;  mnd.  bar,  ndl.  baar  en  iar.  Os 
de  afleiding  zie  Grimm,  D,  Wtb,  1,  1065;  Eli|e 
13.  Naakt,  bloot, 

1)  Naakt,  bloot,  van  het  lichaam.  ||  Bes  w» 
mgn  anxte  vreyssam,  doen  ich  m^n  siel«  naitf 
sach ,  ende  m^n  vleysche  doot  lach ,  ende  ich  sid 
selven  sach  soe  baer,  Serv.  II,  28d3.  Naecter  hart 
hanghens    haers    ende  bare   voet    (2de    nv.    mi  . 


547 


BAEtl. 


ÈAEÏl. 


518 


Dingt.  v.  Delft  17.  Ygl.  ook  BAERVOET  en  baers- 
BEENS.  —  Van  een  paard :  ongezadeldy  zonder  tvig.  \\ 
Die  joncfrouwe  hadde  an  pellen  grone, . .  si  quam 
op  een  rosside  al  baer,  Lane,  II,  43784. 

2)  Bloot ^  ontbloot^  uit  de  ichede  getrokken^  van 

het  xwaard.  ||  Tswert  dronch  hi  baer,  die  ridder 

Tri,   Val,   9303.   Te  gader  quamen  si  daer  naer 

elc  op  andren,  swert  al  baer,  Ferg.  2384.  Mettien 

ontspronghen  si  ende  saghen  staen  Yoor  hem  den 

vrucnteliken  here,  met  enen  baren  swaerde  yer- 

bolghen   sere,   Flor,  3344.   Dinghel   dreefse   met 

baren  swerde  al  bomende  nnten  paradise,  Alex, 

IT,  435.   Doe   dat   Genclaen   yemam,  spranc  hi 

met  baren  swaerde,  Sp,  II*,  60,  65.  Ende  hadde 

haerre  bare  swert  ge[reet],  Fartk,  fr.  63.  Tswert 

al  baer,  Ferg.  1698;  Qrimh,  II,  4118,  4306.  Doen 

toghen    si   haer   sweerden   baer,    ald,   518.    SQn 

sweert  in  s^n  hant  al  baer,  2651  var. ;  Terg.  JTor. 

3320,  3681.  Hi  Tinc  te  sinen  sweerdebaer,  Orimb, 

II,    4277.    Met   swerden   baer,    Stoke   VII,   60; 

Drab.    Y.   VI,  5890.   Met  baren  swaerde,   Jlex. 

IX,    945;   Terg.  VII,   153.  Al  baer  getmct  sjjn 

cwerd,  Maleg.  521. 

3)  Bloot ^  open,  zonder  bedekking.  ||  Draecht  hi 
licht  dat  sal  hi  bare  dragen.  Delg.  Mui.  1,  249. 

4)  Bloot,  rein,  louter.  \\  Enen  roeden mont ,  met 
rosen  baer,  met  witten  wanghen  ende  met  oghen 
claer ,  droech  een  w^f  van  hoegher  aert.  Vod.  Mus. 
2,  151,  1.  Ons  naken  Tan  minnen  Tare  baer,  Hadew. 
1,  88,  80. 

5)  Openbaar.  \\  Heren  Heynrike  Tan  Eyeringhe, 
die  ute  onsen  lande  ende  yan  ons  ghesceyden  was, 
ende  in  Vlaendren  ghoTaren  was  ter  wone  bnten 
onsen  orlof  met  onsen  baren  Tienden,  daer  hi  ons 
mede  ghetoernt  hadde.  Mieris  2,  233a  {a.  1320). 

6)  Ook  met  den  2<ien  nT.  Ontbloot  van,  beroofd 
van,  Vgl.  Grimm,  D.  Wtb.  1,  1057.  ||  Ende  wat 
den  onghewederte  oyer  was  bloTen ,  waest  Trnchte 
ofte  gras,  dat  Terteerden  si  al  Torwaer:  die  bome 
worden  loTes  baer,  X  Flagh.  1704. 

BAERACHTICH ,  -tige,  bnw.  Geschikt  tot  baren.  \\ 
Die  heylighe  woninghe  der  godheit  Gods  gheba- 
ringhe  {Maria)  wert  gheboren  Tan  heylighen  Tader 
ende  moeder  als  die  alre  edelste  Tan  heylighen 
coninghen  ende  patriarchen,  alsoe  dye  alre  weer- 
dichste  Tan  den  drachtighen  ende  soe  die  alre 
baerachtichste ,  Gulden  Troon  f.  46d. 

BAEBBER,  swn.  m.  Hetzelfde  als  barber  (Zie 
ald.)-  Barbaar,  Ei.  v,  1348,  169^. 
BAERBERIEN.  Zie  barberien. 
BAERBIEB.  Zie  barbier. 
BAERBLIKENT  (barblikent),  -de,  bnw.  Uit 
Saer    en    Blikent.    Bg    Kil.   Baer-bl^kende, 
fnanifettui,  evident.  Vgl.  ons  baarblijkelijk. 

1)    Klaarblijkelijk,  kennelijk,   algemeen  erkend. 
Ook   in   den   snperl.,    Tooral  met   oir  Terbonden. 
Vgl-  Invent,  v,  Brugge  1,  70:  „Son  plns  prochain 
et  aparissant  hoyr ;  4,  226 :  „  plns  apparans  hoirs.^^  || 
Onse  bmeder  ende  snstre  Tan  Vlaendren,  als  onse 
wettich  ende  baerblikenste  hoir,  Brab.  F.  Dl.  2,bl. 
586.  Dat  die  Trone  Lisebetten  Torseit  ende  Beinare , 
bare  man,  ende  diere  Trone  Lisebetten  barblikenste 
oier,    qnite  souden  scelden  die  kerke  Tan  Sente 
Pieters  Tan  den  Torseiden  neghen  sceleghen.  Vod, 
JtfiM.  2 ,  367  ia.  1285).  ZQnen  naesten  ende  baerblyz- 
sten  hoyr ,  Invent,  v,  Brugge  2 ,  322.  Zware  lasten  die 
onse  ghednchte  heere  langhen  tyd  ghehad  heift  ende 
noch  baerblykende  es  te  nebbene,  4,  227.  Dewelke 
Iteliben  den  coninc  ingeblazen  te  conflskierene  Ver- 
in endoys,  omme  dat  sylieden  dat  besitten  sonden 
tÜHOt  dat  nn  baerblykende  es ,  Cron.  v.  Vlaend,  1 ,  103. 


2)    Voornaam,  lat.  praeeipuut.  \\   Dat  te  innene 
np  de   baerblixste  Tan  den  personen   of  Tan  den 
lande,  Invent.  v.  Brugge  4,  227. 
BAEBDAEXE.  Zie  bardaex. 
BAEBDE.  Zie  barde  (l«te  art.). 
BAEBDGIE.  Zie  barde  (2^  art). 
BAEBDIKE,  znw.  Tr.,  Aaver,  Oorsprong  onbe- 
kend. II  De  tali  aTona  que  Teutonice  baerdike  dicitur, 
Oorkb.  2,  31«  {a.  1259). 

BAEBDSE  (baerdz,  baertse,  bairdse,  bargie, 
barse),  znw.  Tr.  Mlat.  barga,  bargea,  bargia 
(Dnc.  1,  594);  ofr.  barge  (Boquef.  1,  134);  mnd. 
barse,  bardese ;  bg  Kil.  B  a  r  s  i  e ,  navis  veetoria ,  navis 
actuaria,  Eene  soort  van  oorlogschip,  dat  met  riemen 
geroeid  loerd,  veel  zeil  voerde  en  licht  in  evenredig- 
heid vas.  Zie  V.  Lennep,  Zeemanswdb.  17;  B. 
War.  2,  531,  aant.  3).  jj  Enen  knecht  Tan 
Dordrecht,  die  een  baerdz,  die  mijn  here  den 
graTe  Tan  Namen  gegoTen  hadde  ende  aldair  was 
bliTen  liggen,  drie  jaer  lanc  Terwaert  hadde ,  Oorl. 
V,  Albr.  223.  Claes  Jan . . . ,  ende  hi  mede  trecken 
sonde  om  mgns  heren  baerdzen  OTer  al  dair  zy 
lagen,  ende  die  daen  reyde  ende  brenfense  tot 
S^Teren,  ald.  Datsy  hoir  bairdzen  deden  bereyden 
ende  die  senden  sonder  Tirtrec  tot  StaTeren ,  wanter 
groit  gebrec  Tan  roeyscepen  ware,  455.  Met  eenre 
baertse  van  twaelf  dochten,  Friv.  v.  Brielle  2,30. 
De  Scollantvarres ,  dewelke  voeren  in  de  barse 
Tan  Hertepoelle,  ZVl.  Bijdr,  4,  210.  Doet  bnten 
dat  bestant  ginc  . . . ,  dede  hy  leggen  op  der  Znyder 
zee  tegen  den  lande  Tan  Gelre  Teel  baerdsen 
ende  ander  roeyscepen  daer  by,  wel  gemannet  te 
harnesche,  Matth.  Anal.  3,  339;  Terg.  392,  399. 
Dye  stadt  Tan  Antwerpen  dede  daer  tegen  maken 
gheleyschepeu  ende  bargien,  daer  mede  si  dye 
ander  beschndden,  Exc,  Oron.  258  c.  Zie  nog 
Eek.  d.  Graf  1,  339,  341;  Mieris  2,  676;  4,  398, 
484,  720,  enz. 

BAEBHUÜS,  znw.  o.  Het  hui^e,  waar  dedood- 
baar,   lijkbaar  (zie  bare)  geborgen  toordt.  jj  Jacob 
heeft    gedect ...    de   godscameren   ende   oyc   dat 
baerhnns.  Eek.  d,  Buurk,  212. 
BAEBEE.  Zie  Barke. 

BAEBCLEET,  -cleder,  znw.  onz.  Kleed,  waar- 
mede de  lijkbaar  gedekt  wordt,  lijkkleed,  jj 
Ay  lieTe  vronwe,  sone  doet  niet  el  dan  ghi  mi 
dect  metten  baercleede ,  oftic  van  der  erden  schede. 
Boerden  IV,  46.  Mettien  si  reiken  began  een 
baercleet  ende  gincken  decken,  ende  Lacargsginc 
hem  strecken  onder  dbaercleet  op  den  vloer ,  54.  — 
Vgl.  de  nitdr.  swart  als  een  cl  e  et,  Ferg,  651. 

BAEBLE,  znw.  vr. ;  verklw.  BaerlekQn,  mv. 
-kine;  ital.  barletto.  Mlat.  barile,  barellus  (Duel, 
695,  593);  it.  barile;  fr.  baril  (vgl.  Diez  1,  56 
op  Bar  ra).  Vaatje,  tonnetje.  Het  w^oord  was  in 
't  mnl.  vooral  voor  het  verzenden  van  visch  in 
gebruik,  evenals  ons  in  onbruik  geraakte  woord 
kaak,  \\  Item,  dat  alle  de  baerlen  van  haringhe 
sculdich  worden  van  nu  voordtan  also  goed  ouder 
als  boven  te  zine,  up  de  boete  van  X  ^  par.  van 
eiker  baerle,  ZVl.  Bijdr.  6,  180.  Eene  cleeue 
mande  of  een  baerlek^n  wQ tincs ,  spierinc  of  plat- 
visch ,  6 ,  37.  Van  elcke  baerle  van  Tlssche ,  Invent, 
V,  Brugge  6,  174.  Van  eender  baerle  ende  250 
Tarsch  harynx,  5,  500.  Vgl.  5,  179 :  „sur  chacune 
barle  de  poisson  donze  mites." 

BAEBLIJC  (barlijc),  -like,  bnw.  Mhd.  dófr/tc^. 
Zie  Baer.  Bloot,  echt,  wezenlijk;  bijna  uitsluitend 
Tan  den  duiTol  gezegd,  baar  lijk,  in  eigen  persoon,  in 
levenden  lijve,  Vgl.  Oudem.  1 ,  280.  ||  In  de  cokene  es 
gegaen  die  duvel  barlike ,  Bere  fVisl.  435.  Want  ghi 


549 


BAER. 


BAER. 


5^ 


ontmoet  hier  sekerlike  den  duvel  selve  baerlike, 
Limb.  lY,  848.  Dats  emmer  die  duvel  baerlic, 
Nu  noch  115.  Ie  en  vrage  na  niemant,  die  nu 
levende  sy,  al  qnam  die  baerlycke  Dnyveltotmy, 
Mar.  V.  Nijm.  6 ,  121. 

BAERLIKE,  bijw.J?/^o/,  lottter,  tlecAts.\\Yde\ 
syn  hare  magen ,  si  en  aten  in  drien  dagen  barelyc 
maer  een  broet,  Bere  Witl.  256. 

BAERM.  Zie  barm. 

BAERNHUUS ,  cnw.  o.  Hetzelfde  als  harnhuut , 
bemhuit.  Brandhuit^  de  werkplaats^  waar  iett  gebrand 
wordt.  Van  een  lakenverver  wordt  Invent.  v.  Brttgge^ 
Int.  436  gezegd:  ||  Dnere  zinen  kelnaere  tot  in  zyn 
baernhuus. 

BAERS.  Zie  baes. 

BAERSBEENS  (barsbiens,  berbiens),  bijw. 
Uit  Baert  en  Beens^  eigenlijk  genetivns  absolutus. 
Verg.  mnd.  barbende.  Met  b/oote  beenen.\\  BarBhieus 
ghinc  die  coninc  groot  ende  in  linnen  clederen 
bloot  speelde  hi  voer  dat  heylichdoem,  MLoeplV, 
683  (var.  berbiens).  Doe  hi  al  naect  ghinc  spelen 
baersbiens  ende  met  bloter  kelen ,  703.  Zie  ook 
baerserbeen. 

BAERSCÜLDICH  (barsculdich),  bnw.  Uit 
Baer  en  Sculdich.  Bij  Kil.  B  a^  rs  eb  n  ld  i  c  h ,  mani- 
fette  reus.  Kennelijk  schuldig ,  volkomen  als  schuldig 
erkend.  \\  Dat  haer  sone  hiet  vaderloes,  ende  si 
niet  en  conde  betogen  noch  gebringen  vor  ogen 
dien  rechten  barsculdegen  man,  die  mi  an  haren 
live  wan,  Lanc.  II ,  46256.  Aen  den  baerschuldighen 
man,ö.  R.  v.  Dor  dr.  1,  208 ,  8.  Baersculdich  si  die 
herte  spelt,  alse  diese  over  voghet  helt  ende 
vrouwe,  bi  haren  ede,  Wap.  Mart.  I,  735.  Dat 
es  een  groet  wonder,  doch  eest  dicke  gesciet, 
daermen  den  barsculdegen  bi  den  doeden  siet,  soe 
bloedt  hi  harde  sere ,  Fad.  Mus,  1 ,  31 ,  23.  Recht- 
vort  soe  wert  geware  das  die  keiser ,  dat  hi  ver- 
geven was,  ende  gaeft  hem  te  kennen  clare  dat 
hi  die  baersculdige  ware,  Brab.  Y.  VI,  639. 
Als  baersculdich  dersaken  voorseit,  Brab.  7".  VII, 
14000.  Soe  wanneer  twist  ghevalt  in  woerden  oft 
in  werken ,  ende  dat  soe  verre  comt  dadt  in  vreden 
gheset  wordt ,  dies  en  sal  hem  nienien  ondervinden 
alse  partie  te  wesene ,  aen  dene  side  oft  aen  dander 
side,  hi  en  ware  soe  na  maegh  dat  hi  den  baer- 
sculdeghen  bevreden  mochte,  Cor.  v.  Antw.  53, 
193.  Ende  doe  dat  volc  sinen  doot  wreken  wouden 
ende  den  baersculdighen  vanghen ,  soe  vloeghen  si 
alle ,  Fass.  S.  21  b.  De  bailliu  van  Aelst  brochte 
gheleet  den  oepenbaersten  baerschuldegen  van  den 
faite,  Cannaert  361  (a.  1437).  Vgl.  Wiel.  Instr. 
Gloss.  —  Hem  —  maken,  zijne  blijkbare  schuld 
erkennen.  \\  Ende  ontfinc  op  sijn  slot  aldaer  die 
baersculdighe  van  der  daet,  uaer  hi  aen  hadde 
crancken  raet,  ende  maecte  hem  der  daet  ghe- 
wechtich,  baersculdich  ende  plechtich,  Brab.  Y. 
VI ,  9246.  Ende  want  Jan  Taye  . . .  van  Gaesbeke , 
ende  van  Yedeghem  Jan  tot  haren  verantwordene 
met  meer  andre  ingheroepen  waren  ende  niet  en 
quamen,  .  .  .  hen  selven  alsoe  van  den  opsette 
baersculdich  maecten,  dat  was  claer  em.^  VII, 
12107. 

Aanm.  Nevens  Baersculdich  vinden  wij  de  vormen 
Baelscttldich  en  Baensculdich.  Het  laatste  zoude 
cene  samenstelling  kunnen  zyn  van  Bane  (2de  art.) 
en  Sculdich^  evenals  ofri.  bon-dedoch^  moorddadig 
(Richth.  6G0),  en  dus  moordschuldig  beteekenen. 
Doch  we  vinden  het  slechts  in  één  Hs.  van  den 
Wap.  Mart.  I,  735:  „Baensculdich  so  de  herte 
stelt,"  waar  de  andere  Hss.  Baersculdich  hebben. 
Daar  er  in  het  geding  tusschen  hart  en  oogen  van 


geen  moord  sprake  is,  zal  de  n  wel  eene  sckr|f* 
fout  zün  voor  r.  De  vorm  baelseuldick  kont 
tweemalen  voor  b|j  Matth.,  nL  98:  „DurtendeB 
sal  die  rechter  den  gequetsten  vragen  voir  scepeneii , 
op  wien  hy  die  smarte  beleet,  ende  sal  hem  se^, 
dat  hy  God  aensie,  ende  en  belaste  sgn  siele  niet, 
hy  en  beleedse  opten  baelsculdighennis^ire 
weetscip ;"  en  99 :  „  Ygelike  gequetste  is  wnldick 
int  beleeden  synre  smarten,  mit  wairachtieheda 
den  baelsculdighen  te  belasten,  endeniemut 
anders.*^  De  baelsculdige  is  hier  de  dader  ^  ffim 
schuld  de  klager  zich  bewust  is^  de  baerscnldife. 
Baelsculdich  kan  een  wisselvorm  zjjn  van  hstt- 
sculdich.  Doch  ook  eene  andere  afl.  ligt  foor  de 
hand.  Door  de  vroegere  uitgevers  (ed.  Alkemde 
257)  wordt  het  woord  verklaard  door.  „JoZeWif», 
misdadigen,  schuldig  aan  7  kwaad  "  endnflopgent 
als  eene  samenstelling  van  Bal  en  Sculdich:  ver;. 
baldaet  by  Kil.,  bal£idig,  balmonden , baelmonie*, 
baloorig^  enz.  Dit  is  zeer  waarschijniyk;  vgl.  ott. 
baluddd  en  andere  samenstellingen;  ohd.  ^«^i'^; 
ags.  bealudady  en  zie  Hejme,  Hél.  155;  ofn.  Wi 
(Richth.  617). 

BAERSEN  (barsen),  zw.  ww.  bedr.  IntenoCTe 
vorm  van  Baren.  Vgl.  verclaersen ,  meeru%  eiL 
Baren  ^  kinderen  voortbrengen.  ||  Sinte  Anna,¥erie 
vrauwe,  ghi  barset  eene  dracht  getrauwe,bi  welker 
dracht  de  werelt  al  bescermet  es  voer  mes^ 
Fad.  Mus.  5,  334,  41.  Vry  vranc  so  bleef  dil 
maegdelic  foreest ;  .  .  int  baersen  zo  es  taller  tj: 
ghebenedgt,  OFl.  Lied.  419.  Si  baersde  enen  mk. 
Cron.  V.  riaend.  1 ,  2.  Hoe  dat  vrouwe  Hermegier* 
.  .  hem  baersde  ende  ter  weerelt  brochte  t«« 
haren  tydt,  ald.  —  Nog  in  de  16de  enlTdeeeif 
in  gebruik:  zie  Oudem.  1,  280. 

BAERSEN  (Hem-),  zw.  ww.  wederk.  Int«Bsie« 
vorm  van  Hem  baren,  zich  vertoonen^  siek  oft»- 
baren.  ||  Omme  te  verhoedene  laser  ie  ende  heate 
dwinghene ,  datsi  haer  niet  ne  barse ,  Jan.  Yp.  la*- 

BAERSERBEEN  (barsserbeen),  bijw.  G«- 
tivus  absolutus  in  het  mv.,  die  zuiver  gramnsö- 
caal  barerbeen  (baerrebeen)  zou  moeten  luiden,  doè 
die  waarschijnlijk  ontstaan  is  onder  den  invW 
der  uitdrukking  baersbeens ,  waaraan  men  den  metf- 
voudvorm  gaf  door  achtervoeging  van  dennitga| 
van  den  2<*«n  nv.  mv.  -er ,  en  weglating  der  *  ni 
been.  Verg. Kil.  Baer-voet,  baerscher-beei 
en  Baerscher-voets.  ||  Wonder like vore (voeit 
sachmen  daer  onder  die  Gayloyse  over  wier:  il 
barsser  been  liep  daer  tgene  ende  met  enen  roda 
rocke  gemene,  Velth.  IV,  2,  15. 

BAERSINGHE ,  znw.  vr.  Zie  Baersen.  Bêriag.  i 
Maria,  moeder  ende  zuver  maecht,  .  .  maecht  t^ 
de  baersinghe,  zuver,  claer,  maecht  in  de  baring^- 
ende  maecnt  daer  naer,  O  VI.  Lied.  en  Gei^^l 
1—10. 

BAERT,  znw.  m.  Ohd.  bart\  mhd.  bart\wai 
bart.  Zie  verder  Grimm  1,  1141;  Kluge  18. 

1),  Baard.  \\  Hine  hadde  t«  claghene  o«r 
Reinaerde,  den  feilen  metten  roden  baerde,  A» 
1 ,  59.  Dat  soe  stonde  bi  Reinaerde  ende  «oa« 
name  bi  den  baerde,  I,  1975.  Ende  alst  u  no<<i* 
ende  dunct  tgt,  so  seict  vol  uwen  ruwen  stiert, 
ende  slaetse  den  wolf  in  sinen  baert,  II,  681^ 
Want  men  vint  nu  meer  Reinaerde ,  al  en  hebba 
si  gheen  rode  baerde ,  II ,  7676.  Ende  dat  si  «^ 
hare  ende  met  baerde  trecken  souden  onder  k^ 
beiden,  Belg.  Mus.  10,  94.  —  Enen  in  sia?» 
baert  spreken,  iemand  iets  in  ^tgexichts^/^ 
brutaal  toespreken ,  verg.  hd.  einem  etwas  » ^ 
bart  sagen\  vgl.  Grimm,  t.  a.  p.  {|  Sebastiaen  ' 


521 


BAER. 


BAER. 


522 


baroen  sprac  ten  hertoghe  in  sinen  baert,  als  die 
clene  was  vervaert,  Segh.  9312.  —  Gode  enen 
flassen     baert     maken;     Onsen     Heere 
eenen    vlassenen    baerd    aensetten,    Ood 
door  tekijnheiHffheid  zoeken  te  bedriegen  {Spreuken 
dl) ;  Terg.  fip.  faire  barbe  depailleh  Diw;  hd.  einem 
einen  ttröhemen^  flachêenen  bart  drehen  (Grimm, 
t.  a.  p.;  verg.  De  Jager,  Arch.  4,  36.)  ||  Hoe  scarp 
si  hoer  logben  hier  Terstalen,  ende  maken  Gode 
een   ylassen   baert,   si   gaen   den   pat  ter   hellen 
waert,  Hild.   170,   24.    Dese    willen   Gt)de  enen 
vlassen  baert  maken,  ende  maken  hem  wgs,  dat 
hi  des  niet  en  verstaet,  Ned.  Proza  169.  Zie  nog 
N.  Doet.  499.  —  Enen  in  sinen  baert  swin- 
gen, iemand  in  den  baard  (in  H  haar)  vliegen.  \\ 
Dmt  toe  so  swang  mi  in  mijn  baert  een  knnst  en 
kuer ,  een  wilt  vermaert.  Vrouw.  e.  M.  Vil ,  14.  Over 
den   bedorven  tweeden   regel  zie  de  aant.  3)  ald. 

—  Spreekw.  II  Gheene  oude  gbeyte  sonder  baert, 
nocbte    nonne    sonder   popelinghe,     Spreuken   70. 

—  Tscheers  qnalic  ghewet,  den  baert  qnalic  ghenet, 
en  ruide  handen,  doen  menigen  man  cryseltanden, 
ald.  —  Weel  (wie)  een  baert  laet  wassen,  die  heft 
een  schalchejt  gedaen,  oft  heft  eene  in  den  wille, 
ald.  11.  —  Ook  van  den  tttiart  eener  komeet.  ||  Die 
comete,  die  hare  baert  van  schine  gaf  te  Zuden 
waart,  Sp.  IV»,  29,  97. 

2)  Wang.  ||  Die  nederste  delen  der  ogen,  daer 
die  baerden  begonnen  werden  .  .  . ,  genos  in  griek 
is  baert  in  duytsche,  Barth.  113*. 

BAERTMAKEBE  (bartmakere, baertmaker, 

BAERDEMAKERE,     B.ARDEMAKER),     znw.     m.     Van 

Baert  en  Makere.   Verg.  ft.  faire  la  barbe  h  quel- 

qu^un.  Barbier^  baardseheerder ^  tevens  aderlater  en 

heelmeester.  ||  Ende  want  hi  baerdmakere  ontsach, 

sinc  dochtren  hi  sceren  leren  plach,  Sp.  I",  38, 

69.   Die   bartmakere  liede  ooc  mede,  dat  hi  hem 

goed  bieden  dede,   als  hi  score  des  vader  baerd, 

dat   hine    doodde    metter    vaerd,   Hijmb.    21621. 

Dat  en   gheen  baertmakere,  noch  bloetlatersse  en 

gheene   verkene  houden  en  mach,  Belg.  Mus.  1, 

263    (a.  1841).    Dat    engheen   baertmakere    noch 

bloetlaterse ,   noch  ziekeliede,   noch   gansbradere, 

noch  die  cambret  honden ,  ne  gheene  verkene  houden 

en   mogen,  7,  298  (a.   1360).  Item,  baerdmakere 

die  menschen  bloed  niet  en  gravet,  verboerd  Vs. 

Ende  vindt  men  bloed  ierghen  op  der  erden,  alle 

die   baerdmakeren  selent  sculdecn  s|jn,  ochte  den 

Bculdeghen  leveren.  Oor.  v.  -i«Ap.  40 ,  144.  Nieman 

en  mach  scove  halen  in  der  heren  lant,  sonder  die 

caster :   hi   mach  sijn  recht  halen ,  ende  ...  die 

baertmakere,  Belg.  Mus.  6,  300.  Dat  gheen  baerde- 

makere  en  scere  up  gheen  van  den  III  evangelist- 

dag-hen,  up  de  mesdaet  van  V  se.  pars.,  Cannaert 

101.  Der  bardemakers  salve ,  Jan  Tp.  61.  Jehan  li 

barhiere:  Jehan  die  baerdmaker.  Hor  Belg.  9,  86, 

834.  Ysebrand  die  bardemaker.  Bek.  d.  Graf.  2, 

530.  Jacob  den  bardemaker,  1,  143. 

Aanm.  Door  Willems  (Belg.  Mus.  1 ,  263;  6, 179, 
300)  wordt  baertmakere  telkens  verklaard  als  „  een 
maker  van  baerden  (zekere  handbijlen ,  waervan  nog 
Aelbaerden).''^Dtzemsiken  van  bglen,  knfjven,  messen 
en  andere  snijdende  werktuigen  zouden  dan  tevens 
baardscheerders  en  heelmeesters  geweest  zijn.  Hij 
ontkent  nameiyk  dat  baertmaken  geiyk  zou  staan  met 
faire  la  3ar^,  hoewel  bQ  Kil.  Baerd-maecken  , 
Fland.  Tetus,j.  baerd  scheren,  voorkomt.  Zienog 
Cannaert  100 ,  waar  men  een  reglement  der  Baerde- 
makers  uit  de  14de  eeuw  vindt.  —  Het  verbod  aan 
de  barbiers  om  varkens  te  houden  was  ongetwgfeld, 
opdat   se  geen  varkens  met  bloed  zouden  mesten. 


BAERTSCEERRE  (baertscere,  baertscerre), 
znw.  m.  Van  Baert  en  Sceerre,  scerer  (zie  ald.). 
Baar dseheer der.  \\  Dye  baertschere  seide  dat  hem 
Alexander  veel  goets  beloeft  hadde,  wonde  hy 
sinen  vader  die  kele  ofsnijden  als  hy  sinen  baert 
ofscoere,  Pass.  W.  f.  142  <z.  Enen  barbier  of  baert- 
schere, Bienb.  128  b.  Vgl.  ald.  „doe  waert  die 
baertscheerder  vervaert."  Van  des  baertscherres 
weghen.  Bek.  d.  Cam.  3,  26;  66. 

BAER  VOET   (barevoet,    baerrevoet,   bar- 
voet  ,  bervoet),  bnw. ,  alleen  praedicatief  gebruikt. 
Ags.  barfót  (Ettm.  283) ;  mhd.  barvuoz ;  mud.  barvót. 
Uit  Baer^  bloot  (z.  ald.)  en  Voet^  eig.  baerre  voet(e) , 
nudis  pedibus ,  genetivus  absolutus.  Barrevoets ,  met 
bloote  voeten.  \\  Hi  sach  in  die  tombe,  dat  geloeft,  eneu 
lichame   liggen   sonder  hoeft,   entie  lichame  was 
baervoet,  Lanc.  II ,  26232.  Si  begonste  hare  scamen 
om  dat  si  in  enen  pels  stoet  bloetshoeft  ende  bar- 
voet,  Beatr.  260.  So  dat  hi  voer  hem  comen  dede 
grave  Dideric  al  barevoet,  ende  daer  zoeken  sinen 
oetmoet,  Stoke   II,   368.  Ende   es   al  baerrevoet 
gegaeu   in   den   tempel  al  moederene,   Cass.  376. 
Men   seit   dat   si   bervoet  neven  thout  overwoet, 
V.  d.  Houte  631.    Baervoet    was    hi    ende    sine 
scare,  Rijmb.  10411.  Si  ginc  oec  baervoet,  Christ. 
849.  Baervoet  ghinc  ie  al  mijn  leven,  Praet  4166. 
Op    heete  colen  staen  al   baervoet,  Sp.   II*,  64, 
7;  verg.   II*,   7,  93;   IV»,   32,  59;  67;  Ruusbr. 
4,  149;  ^j;.  —  In  de  uitdrukking :  W u  1 1  e n  ende 
baervoet,  in  een  wollen  kleed  en  barrevoets \  de 
kleeding  van  boetelingen ,  pelgrims  enz.  Zie  verder 
bij   WuLLEN,  en  vgl.  Aiol-ir.  733:  wuUen  ende 
sonder  scoen.  ||  Dat  ie  morgen  vor  primtiden  uter 
stede  van  Gaunes  sal  riden  ende  gaen  in  ellendichede, 
wullen  ende  barevoet  mede,  Lanc.  IV,  8879.  Dies 
willic  wullen  ende  barevoet .  .  .  dragen  haren  sadel 
fetijs  van   Montmartres  te  Parijs,  Lorr.  II,  1436. 
Al  droghic  alle  daghe  een  hare  ende  croeper  met 
van  lande  te   lande  over  voete  ende  over  hande, 
wullen,  barvoet,  sonder  scoen,  nochtan  en  constic 
niet  ghedoen  dat  ie  van  sonden  worde  vri,  Beatr. 
150.  Doe   trac  hi  ....  ten  temple  met  groeter 
oemoet ,   wuUin  ende   baervoet ,   IX  Best.  633.  In 
den   iersten   secghen   wi  dat   men   doen   sal   des 
Clais  maghen  voetvalle  met  twee  hondert  mannen 
wollen   ende   baervote,    Oorkb.  2,  349»  (a.  1290). 
BAERVOETS  (bervoets),  bijw.  Mnd.  barvotes. 
Barrevoets.  \\  Och  lieve  here,  wilt  bljsmoets  sijn , 
al  muegdy  blootshooft  ende  bervoets  sgn ,  Sacr.  169. 
BAES,    znw.    m.    Nd.     baas    (Brem.    Wtb.    1, 
68;  Stürenburg  8;  Outzen,  Oloss.  d.  Nordfri.  Spr. 
18).  Bg  Kil.  „Baes,  herus ,  paterf amilias.'^  Verg. 
Taalzuiv.  31  en  D.   Wtb.  1,  llAl .  Baas  ^  huisvader^ 
naar  de  oorspronkeiyke  beteekenis.   ||  Doe  sprac 
Reinaert:    „Nu  gaen  wi  eten  desen  goeden  vetten 
hase".  Die  welpkine  liepen  ten  base  ende  ghinghen 
eten   al  ghemene.  Rein.   (C)   3134.  In  de   andere 
Hss.  ten  asei  zie  Aes.  —  In  het  JS!f i.  p.  rf.  Visscher 
(Belg.  Mus.   6,   61)  komt  het  voor  in  den  vorm 
baers^  rijmende  op  waers.  Daar  in  de  Vlaamsche 
uitspraak  de  r,  vóór  eene  «,  met  deze  werd  ver- 
smolten,  en   b.v.    de   visch   baars    wordt   uitge- 
sproken  als    baas  (De  Bo  968,  op  RS),  zal  ook 
waers  als  waes  hebben  geklonken ,  en ,  om  de  beide 
woorden   zichtbaar   op   elkander  te   doen  rijmen, 
baers  en  waers  geschreven  z^n,  terwijl  men  beide 
als   baas  en  waas  uitsprak.   ||  Ie  weddic  up  mijn 
hoede  worde ,  zo  ie  best  can ,  en  hy  my  onghenouehte 
wil   doen,   den   baers,  ie  sal  hem  vry  wel  doen 
waenen  waers. 
BAESSOHE.  Zie  Base. 


523 


BAET. 


BAGE. 


524 


BAET.  Zie  Bate. 

BAETCëLEER.  Zie  Baciieleer. 

BAETSELAER,  BAETSELEER.  Zie  Bacueleer. 

BAFFEN  ,  «w.  WW.  onz.  Mhd.  haf  en  ^  boffen ;  nhd. 
gewest,  ba  f  en  ^  ba  f  zen  (Grimm,  D.  Wtb.  1,  1076; 
Stalder  1,  125;  SchmeUer  1,  213).  BQ  Kil. 
B  af  f  en  f  HoU.  i.  bassen,  latrare.  Eene,  naar 
het  schgnt,  aan  het  Hollandsch  dialect  eigene 
uitdrukking.  Blaffen.  ||  Dat  cleyn  hondeken,  dat 
daer  altyt  baffet,  alst  dieven  vernemet,  is  die 
consciencie,  Oesta  Bom.  e.  1  (2^).  Ghelijc  dat  dye 
hont  met  sfjn  haffen  den  dief  openbaert  ende  en 
laet  die  scat  noch  dat  goet  syns  meesters  niet 
nemen  ofk  wechdraghen,  c.  12  (14^\  Si  doen  dat 
verwoede  honden  doen;  si  .  .  weraen  gram  ende 
haffen,  Bats.  W.  f.  218c.  —  Figuurlgk  ook  van 
menseden  gezegd.  ||  Die  Inde  en  willen  horen 
vrede  niet  laten  om  der  Inden  haffen,  MLoep  III, 
646.  Al  ist  dat  die  nyders  haffen,  daer  en  hebt 
niet  mede  te  schaffen,  III,  1193.  —  Spreekw.  || 
Liet  die  dief  syn  stelen,  die  hont  liet  sijn  haffen. 
Spreuken  466. 

BAFFÜUS,  znw.  vr.  Verg.  mlat.  pafuttum 
(Dnc.  6,8);  ofr.  paffu»  (Duc.  t.  a.  pi. ;  Roquef.  2,  286 ; 
Gachet  360  op  paffnt).  Over  den  oorsprong  zie 
op  Paffuut.  By  Kil.  Baffnsen,  ghisarmen, 
armorum  veterum  genera.  Bene  toort  van  bijl^  tot 
de  verboden  wapenen  behoorende.  ||  Dit  sjjn  ver- 
sechde  wapenen:  knive,  pilen,  cortoisen  colve, 
gepinde  stave,  alderhande  gescut,  hantaexen, 
ghisermen,  baffnse  (in  den  tekst  verkeerdelijk 
da/u/;?) ,  Heeln  hl.  643  (a.  1292);  in  den  fr.  tekst, 
hl.  660:  paffut). 

BAGAERT  (baggaert,  elders  ook  bogaert)  , 
znw.  m.  Beggaard^  lid  eener  vrQe  geeste- 
lijke vereeniging.  Zie  Begoaert.  ||  Tsaertroysers, 
Zweesteren  ende  Bagaerden,  ende  ander  gheeste- 
lijke  harden ,  die  ons  leren  ende  wisen,  Hild.  163, 
23  (var.  Bogaerden).  Sdonredages  dair  na  tot 
Hairlem  den  haggairden  om  Gode  gegeven  .  . 
1  gulden,  Oorl.  v.  Albr.  47.  Een  bogaert  dedeere 
baghine  ene  alte  grote  medicine.  Boerden  Y,  7. 

BAGE ,  znw.  m. ;  fr.  bague.  Kostbare  ring ,  vinger- 
ring.  Over  de  afl.  zie  Littré  1,  277.  ||  Dat  hy  ter 
cansen  van  der  oorloghe  .  .  meest  alle  zine  domeine 
beleent  ende  verset  hadde,  ende  ooc  alle  zine 
baghen  ende  juweelen,  Invent.  v.  Brugge  6,  216. 
Bagen,  juweelen  ende  huiscateilen ,  648. —  Het  is 
ook  mogelijk ,  dat  het  fr.  bagues  =  paket  bedoeld 
is,  vanwaar  bagage^  en  dat  dit  in  den  zin  van 
roerende  goederen  op  te  vatten  is.  Vgl.  Carpentier, 
Suppl.  op  Duc:  „Baga,  arca^  cofffre.^'*  Zie  verder 
Gloss.  Invent.  v.  Brugge  op  baghen. 

BAGEL ,  bnw.  Samengetrokken  vorm  van  Bekogel^ 
van  behagen  y  bagen.  Zie  verder  bij  Be  ha  gel. 

1)  Schoon.  II  Tors  es  hagel  ende  groot,  Ben.  286 
(of  sterk?). 

2)  Stout ^  vermetel.  Verg.  Teuth.  „Baigen,  be- 
roemen, vermeten,  Jactare.  \\  Te  hant  heeft 
hi  there  ghescaert,  ende  quam  up  hem  metter 
vaert,  daer  vlo  menech  heidin  hagel,  Rijmb.  6801  var. 

3)  Sterk,  \\  So  sterc  viel  doe  die  haghel ,  dattere 
niemen  en  was  so  hagel,  hine  lach  ter  erden 
ghevelt,  Sp.  III",  21,  40.  Alst  avont  was  si 
quamen  doe  tenen  casteel  haghel  ende  groot.  Wal. 
10172  (of  schoon?).  Satnmus  es  fel  ende  qnaet 
gemoet,  ende  Jupiter  hovesch  ende  goet,  Mars 
verloepen  ende  wreet,  die  Sonne  hagel  ende  heet, 
Umb.Xi,  700. 

4)  Pronkerig^  opgepronkt^  in  het  oog  loopend.   \\ 
Baghel  cleedere  anghedaen ,  daer  mach  men  plompeit 


bi  vêrstaen ;  cleedere  moy  bnten  maten  dat  es  dit 
dine  ghebuere  haten ,  Denkm.  3,6,  129. 

BAGELHEIT,  znw.  vr.,  en  -hede.  ZieBAGEL, 
en  verg.  Behagelheit.  Stoutheid^  vermeteUeii.  || 
Al  hebbic  van  der  jeesten  bataelgen  gesprokea 
aldns,  van  hare  faelgen,  ende  oec  van  hare  big- 
bede, Velth.  IV,  32,  30. 

BAGELIKE,  bijw.  Op  eene  stoute ,  fiere  t^. 
Zie  Baoel,  en  verg.  Behagelike.  UHeremo&tdit 
coninc  rike  quam  gereden  bagelike  op  een  stare  on 
hyart ,  Lorr.  II ,  739.  (Dat  si)  tswert  soe  bageliki 
droegen,  Aiol.-fr.  873. 

BAGEN,  zw.  WW.  onz.  Veelvuldie  voorkomesde 
samentrekking  uit  Behagen.  Zie  verder  ald. 

1)  Enen  (3de  nv.)  bagen,  iemand behgn^it- 
vallen ,  aanstaan.  ||  Dat  water  began  hem  wel  bt^, 
hine  hadde  gedronken  in  XII  dagen,  Ferg.  ^ 
Dat  Gkirine  qualec  begonste  bagen,  Lorr.  II. 
2966.  Ende  nemmermeer  sone  moet  hagen  Gode, 
dat  ie  soke  hulpe  ocht  troest  om  te  werdene  tb 
u  verloest ,  Rosé  1822.  Hys  kinsch  ende  joDC  na 
dagen,  datter  mi  ane  best  dunct  bagen,  3541 
Dit  es  die  minne  die  mi  baecht,  12o<ff 4651. Omdat 
si  Apinse  baegt,  6378.  Besiet,  Yrient,hoenbM{:t 
dA vonture ,  6299.  Die  van  doegden  eiken  bi^, 
Lorr.  I,  1036. 

2)  Ook  gevolgd  door  een  2dennv.  Qpst>^fli^i 
gerust,  in  zijn  schik  zijn  over  iemand  of  ieft.  1) 
Ende  es  te  sire  tenten  weert  weder  metten  steb 
gekeert,  daer  hi  wert  op  sün  bedde  gedn|ei, 
syns  selfs  begonsten  qualeec  bagen,  Xorr. II, 951 

BAGGAERT.  Zie  bagaert. 

BAGGAEET,  znw.  m.  Bagger,  slik.  \\  Toert a 
moet  nyemant  missche  of  baggaert  legghenapdk 
schyewech  buten  der  ketelpooirt,  O.  K.  v.  M' 
I,  36.  Dat  niemande  missche  ofte  baggaert  leg^ 
en  moet  uptie  schiewech,  K.  en  O.  v.  Delft lU^h^: 
vgl.  112,  47.  — De  YOim  bagger  komt  voor  115,51. 

BAGGAERT,  znw.  m.  Bedelaar,  eng.  ^ 
Vgl.  E.  Muller  1,  72.  ||  Ie  hebbe  ghesien  deo  » 
salighen  baggaert  den  coninc,  die  zjn  kogtóf 
aenden  hals  hadde,  Bienb.  1823. 

BAGGAERTS VAT  (baggaersv at)  ,  znw.  o.  Hit- 
zelfde  als  oosvat  (aesvat)  ;  z.  ald.  Emmer  on  tteüe 
te  scheppen,  hoosemmer.  ||  Van  ses  besleghenei^ 
ysere    baggaerdsvaten ,   Invent.   v.   Brugge  ^.^^ 

BAGGAREN,  zw.  ww.  onz.  Baggeren.  ||  &> 
volle  scuyte  baggers  .  .  nae  dat  zyinyden  |^ 
baggaert  sullen  hebben,  K.  en  O.  v. Delft lib^Si 

BAGGE,  znw.  vr.  Hetzelfde  als  baggeUt^^ 
zie  ald.)  Big.  \\  Si  slachten  der  soeghen ,  ▼auBer 
ie  {zij)  kuddekyns  hevet  of  baggen,  Con.  Sm.^ 
Copen  jonge  baggen,  Dial.  Creat.  683. 

BAGGELE,  znw.  vr.  Big.  Bg  Kil.  „BaggbeU, 
Holl.  j.  vigghe,  porcellus.''  \\  Ist  dattet  {i^ 
verken)  hylict  voer  dat  jaer,  soe  syn  die  haggli^ 
minre  ter  andere  reyse ,  ende  is  die  soch  voer  dti 
eerste  jaer  mit  jonghen,  so  brengt  si  jongheani 
cleynen  lichamen ,  ende  dye  bagghelen  s^n  b^ 
die  in  den  winter  geworpen  werden  dan  dieii 
den  zomer  geworpen  werden,  Bartk,  786«,  ^• 

BAGGELEN,  zw.  ww.  onz.  Biggen  werpen ^h^ 
Van  Baggele.B'^  Kil.  Bagghelen,  j.  viggk«^ 
II  Dattet  verken  springt  na  die  achtende  nitf^> 
ende  twyf  baggelt  na  enen  jaer,  BarU.  7S(i 
Wanneer  dat  die  soch  bagghelt  soe  gheeft  si  ds 
eersten  soen  die  voerste  mamme,  7863.  Ab  8i(^ 
soch)  bagghelt  ende  die  jongen  soect  (soof()y* 
wast  si  ende  wert  magher,  794a. 

BAGGER.  Zie  baggaert  (2de  Art.). 

BAGINE    (begine),    znw.   vr.,    Beg^n,  ss^ 


^ 


525 


BAGI. 


BAYE. 


526 


tener  vrije  geettelijke  orde,  Zy  stonden  niet  m  den 

renk  van  heiligheid  en  werden  dikwijls  om  hare 

losbandigheid  ten  toon  gesteld.  Zie  verder  Beqine.  || 

Een  moenc  met  eenre  barhine,  een  pape  ende  een 

gehniret    wyf,    si   droncken   yan   den   wine,   rol 

TTonden  was  hem  diyf,  OVL  Ged.  2 ,  111 , 9.  LoUaerts 

endfl  baghinen,  nonnen  die  oeck  heilich  schinen, 

Hild.  163,  21.  Ene  b^hine  sagic  haer  baren  ende 

op  hare  enen  bogaert ,  Boerden  Y,  13.  Maer  swesters , 

baghinen,  loUaerde,  si  s^n  alsoe  loei  yan  aerde, 

datoe  qnaigc  pinen  moghen,  maer  si  drollen  wel 

grote  toghen ,  TrtÊW,  74.  Maer  ghy ,  sondich  becoren , 

tempteert  iemant  die  yele  de  kercke  hanteert,  een 

nonne,  een  snster  oft  een  baghynne  met  oncnys- 

heden,   Saer,   1080.  So  stichtede   hy  inder  eeren 

Sdes  achte  cloesteren  yander  oerdene  Cisters, 
halyen  die  yerffhaderinghe  der  baghinen,  die  hi 
in  menigherhande  steden  boyen  yijfdnsent  totten 
dienste  Cristi  Jhesn  yerghaderde,  Bienb,  121  b. 
In  Baghinenstrate  den  baghinen  in  den  convente 
yan  decstegne  6(?,  Bek,  d.  Cam.  3,  34.  Denselyen 
baghinen  yan  XI»  tyghelste^ns  16  §1,  ald. 

BAGINEREK,  zw.  ww.  onz.  Van  fr.  hadiner, 
met  yerwisseling  yan  d  en  ^,  misschien  eeneyolks- 
etymologie,  die  het  woord  met  bagine  in  yer- 
band  bracht.  Schertten^  stoeien,  \\  Maer  si  bliyen 
onlanghe  daer,  sine  maken  hem  saen  elwaer  daer 
men  drinct  ende  hoyeert,  yronwen  spreect  ende 
bagineert,  Teest.  3222. 

BAHÜUT  (bahuyt,  bachuut,  bachüyt),  «nw. 
m.  Van  fr.  bahni  (Littré  1,  278);  mlat.  bahudum 
(Dac.  1,  536).  Oorsprong  onzeker  (yerg.  Dies, 
Etym.  Wtb.  op  Ban  Ie).  Groot  met  leder  overtrokken 
kojferi  Kil.  834:  bahn,  bahukiste,  bahoele, 
area  eamerata^  citta,  ||  Eer  si  binnen  qnam ,  qnamen 
Yoor  haer  wel  twee  hneren  lanck  dnerende  mnylen , 
geladen  met  bahnyten,  Exc.  Cron.  304  d.  Een 
bachnnt,  2  foreel  kaersen  in  te  doene  mf. ,  JZ^it.  ^. 
Gr.  3,  110.  Een  bachnnt  mijns  heren  hamasch  in  te 
Toeren ,  116.  Een  male  ende  een  nienwe  bachnit,  130. 
Yan  enen  maelzac  ende  een  bahnt  tot  m^ns  heren 
8grayen  behoif,  ald,  2,  339. 

B AY ,  bnw.  Fr.  bai  (Littré  1 ,  278) ,  yan  mlat. 
iofftUj  baffiauj  lat.  badiut  (Dnc.  1  ^  51^),  Roodbruin. 
Kil.29:Baeye,  baeyyerwe,  baeyaert,  badiiu 
siva  baiut  eolor,  epadieeue.  \\  Ter  stont  ginc  .  .  . 
Mardrins  onder  dat  heydensche  yolck  met  eenen 
bayen  paerde,  Sxe.  Cron.  81  d.  Een  graen  paerd, 
...  1  zwart  paerd  .  .  .,  1  bay  paerd  .  .  .,  1 
▼ael  paerd.  Bek,  d.  Gr,  3,  112.  Een  bay  teldende 
paera ,  113.  Een  bmun  bay  paerd . . . ;  1  bay  teldende 
paerd,  131. 

jBAYAEBT  (betaert,  byart),  bnw.,  ook  als 
amw.    m.    Mlat    bagardut    (Bnc.   1,    630),    yan 
èa^usj  boffuuy  baius  (zie  het  yorig  art.).  Roodbruin 
peutrd^  vot.  Als  eigennaam  yan  het  paard  der  yier 
Heemskinderen  „tors  Beyaert**  algemeen  bekend. 
II  Ende  liearde  en  sonde  niet  yieren,  sine  sonde 
lopen  te  blassarde,  ente  morele  ente  beiarde,ende 
den  irsten  dien  si  qnamen  an,  dien  cosen  si  to 
l&aren  man  ....  ende  dat  ie  segge  yan  baiarde, 
ende  yan  bmnen  ende  yan  blassajrde,  dan  seggic 
niet  bi  hem  allene,  ie  segt  bi  al  den  beesten  ge- 
mene: elc  loept  ten  andren  sonder  sparen,  Boae 
12864   (yar.   a,   ys.   12871:  beyaerde).  Heremont 
die   coninc   rike  qnam   gereden   bageiike  op  een 
stArc  ors   byart,  Lorr,  II,  739.  In  de  nitg.  yer- 
iLeerdeUk  Byart  geschreyen  en  als  eigennaam  be- 
selioawd;  het  niet  bepalend  lidw.  toont  dnidelgk 
amn,  dat  het  als  bnw.  moet  worden  opgeyat. 

BAYE,  znw.  yr.   Fr.  baie  (Littré  1,  279),  yan 


lat.  baeea  (baea).  Bezie,  -bei,  inzonderheid /«iiritfr- 
be*.  Il  Gewreyen  mit  olye  yan  bayen  ist  ghoet  op 
beten  yan  serpenten,  Barth,  584a.  Olye  yan  bayen, 
dat  is  olenm  lanrinnm,  6486  (ygl.  Jan  Yp.  91). 
Droge  bayen  wel  gepelt,  Jan  Yp.  54. 

BAYE  (batesout),  znw.  o.  Zeezout^  ruw  zout. 
Kil.  baeye-sont,  eal  aequoreuty  vunrinuij  thans 
nog  baaizout  geheeten.  ||  Baye,  bronaedse  ende 
diergelfjke  zont,  K.  v.  Brielle  157,  37.  En  zal 
nyemant  mengen  of  doen  mengen  eenich  zelsont 
onder  bayesont,  noch  baye  onder  zelsont,  158D. 
Bayes  zont,  zelsont  of  ander  zont ,  12.  v,  Utr.  1 ,  335 , 
7.  Ymant  die  zelzont  mengede  mit  bayes  zont,  ald.  9. 

BAYEN.  Zie  Baden. 

*  BAILGE,  Jan  Yp.  139,  1.  balge.  Zie  Balch. 

BAILGIE.  Zie  baeloie. 

BAILLE,  BAILLIE.  Zie  baeloe. 

BAYNAIS,  ook  ban  ais,  veinais,  en  misschien 
ook  nog  sterker  yerbastord  binees,  znw.  onz. 
Bene  lakensoort,  waarsch^nlijk  aldns  genoemd  naar 
de  stad  Bemaify  in  het  departoment  yan  de  Enre, 
in  de  13de  en  14de  eenw  door  hare  laken- 
fabrieken  bekend.  Zie  ZVl.  J?t;ir.5,  77;Gheldolf, 
Eitt.  de  la  Plandre  2,  503.  ||  Voort  een  laken  bi 
hem  of  Ingels  sarc  es  scnldich  II  d.  .  .  een  roUe 
baynais  II  d. ,  ZVL  J?t>V^.  5 ,  35.  Een  rolle  yeinays, 
64.  Moreide  moet  men  wel  naien  op  den  hec 
eyelijste,  ende  men  moetse  wel  maken  zonder  l^ste , 
ende  men  moetse  al  in  waerpe  ghel^c  bnnette 
sonder  binesen,  d.  i.  uitgezonderd  Berm^lakens  (?), 
Boek  met  den  knoop  y  aang.  t.  a.  pi.  77. 

BAC  (back),  znw.  m.  Bak.  Kif.  back,  troch, 
linter,  alyens ,  mactra.  ||  (Een  moele  (baetroeh^  Kil.) 
metten  back  ende  mette  ghereetscap,  Geaeh,  v. 
Antw,  2,  649).  —  Back,  beker,  pocnlnm,  yas 
potorinm;  back,  schnyte,  scapha,  ponto  (Kil.). 

BAKE  (baec),  znw.  m.  en  yr.  Mlat.  baeo 
(Dnc.  1 ,  528) ;  ofr.  bacon  ^Bnrgny  29) ;  eng.  bacon ; 
ohd.  baeho\  mhd.  bache-,  nha.  gewest,  baehen  (Grimm 
1 ,  1061 ;  Schmeller  1 ,  193) ;  mnd.  bake.  Bg  Kil. 
Baecke,  baecken-yleesch,  baeck-yleesch, 
Fland.  earo  porcina,  caro  tuilla,  lardum,  suecidia, 
pema.  Volgens  Grimm,  yan  back,  mg,  datinags. 
bac,  eng.  back,  onrd.  zw.  bak,  yoortleeft,  en 
yergeleken  wordt  met  gr.  naxvSi  dik,  yleezig, 
waarnaar  eerst  het  yette  mgstnk  yan  het  yarken, 
yeryolgens  het  geslachte  en  opgehangen  dier  ge- 
noemd werd,  en  eindelgk  met  yerandering  yan 
geslacht  het  leyende  zwQn. 

1)  Zijde  varkentvleeeeh ,  zijde  tpek,  yooral  de 
gerookte  oftotrooken  bestemde,  m.  ||  Sinthoondine 
yan  enen  bake ,  die  yet  was  ende  yan  goeder  smake, 
dien  ghi  leit  in  nwen  mnseel.  Rein.  1,  217.  Die 
wisse  daer  die  bake  an  hinc,  becnanse:  soe  es  so 
yet,  224.  Die  selye  pape  hadde  enen  spiker,  daer 
menich  yet  bake  in  lach,  I,  1516.  Daer  yant 
hi  rentyleisch  in  cnpen  ende  baken  hanghende 
yele,  1522.  Sanderjjn,  ie  ben  nns  nn  sat  ende  yan 
herten  alsoe  mat,  al  haddic  VII  baken  gheten, 
Lansl.  241.  Men  dede  binden  hnyse  sciere  mnt- 
yleisch,  baken  ende  spec,  Stoke  V,  810.  XXII 
kerren  beede  met  brode  ende  met  baken,  Jubry 
256.  Coren,  bonen  ende  baken,  Hild.  166, 
200.  Item  yan  23  zyden  spex  .  .  enen  man  yan 
Medenblyc,  die  costeden  oyer  hoeft,  bake  oyer 
zyde,  tetnc  II  se.  IX  d.  (d.  i.  de  eene  zijde  tegen 
de  andere  doorgeslagen),  Oorl.  v,  Albr,  208.  Item 
een  bake  yleesch,  ZVl,  Bijdr,  5,  63.  Die  baken 
moeten  yiertiennacht  lang  ten  minsten  int  zont 
gheleghen  hebben,  ZVl.  Bijdr. 3,27%  (a.1379).-- 
Zoo  zal  men  in  het  fragm.  yan  fhvent  61 5  ^  baken 


527 


BAKE. 


BARE. 


moeten  lezen  in  plaats  Tan  baiene.  ||  Int  beckeneel 
maecti  oen  soure ,  dat  tswert  ginc  ten  aadele  dnre. 
Ritsier  riep  metter  spoet:  yfieae  sijn  ie  baken  goei." 
De  twee  helften  van  den  door  midden  gekloofden 
ridder,  zegt  Ritsier  met  bitteren  spot,  zi|n  goed 
Yoor  z^den  spek  (ygl.  het  eerste  yoorbeeld  bij  2). 

2)  Oeslaeht  varken ,  m.  ||  Die  here  Tan  Bmborch 
lach  gecloeft  yan  beneden  tot  ant  hoeft,  gel^c  oft 
een  bake  ware,  Yelth.  lY,  84,  81.  £n  sonde 
niemant  mogen  gelooTen  wat  si  dair  al  goets 
wonnen,  .  .  .  erwiten,  bonen,  runderen,  b&en, 
dat  sjr  al  te  hemwaert  traken,  ende  dadent  op 
wagens  laden  al.  Oic  Tonden  si  dair  sonder  getal, 
peerden ,  orssen ,  scapen  mede ,  ende  menich  yercken 
tier  stede,  dat  sy  thnnswert  dryren  daden,  Orimb. 
1 ,  5680.  Eer  die  knaep  mit  nanwer  liste  den  enen 
baec  aldus  beroofde,  ende  die  helft  al  daer  off 
cloefde,  Hild.  60,  160.  Ie  hebbe  noch  drie- 
hondert  baken,  J%»rtf»^ 247.  Men  scoudse  in  warmen 
borne,  ende  laetse  daerin  soo  dat  die  hnntafghaet 
ende  ontdoetse  in  mydden  lanx  ghelijc  eenen  bake, 
Keukenb,  13 ,  18.  Yan  eiken  baken  enen  coelscen , 
Y.  d.  Wall  74  (a,  1285).  Zie  nog  Belff.  Mus.  10 , 
69—76,  passim;  Hild.  59,  48;  68;  78;  Rek.  d. 
Graf,  2,  106;  489;  «112. 

3)  Zevend  var  ken ,  rr,  oTenals  in  H  hd.  bacAe 
(Zie  Grimm  op  Bache,  2de  art.).  ||  Alse  wi  een 
grote  proie  lagheden,  die  ie  ende  mQn  oom  be- 
jagheden,  enen  osse  oft  ene  bake,  Rein.  I,  2125 
(aldus  Hs.;  bij  Jonckbl.  Terkeerdel^k  enen  b.). 
Baken,  ossen,  orssen,  muien,  niet  en  liet  hiis  hem 
ontsculen,  hi  en  besagt  altemale,  Limb,  II ,  385. 
Een  Tremde  man  die  copet  jof  yercopet  eene  coe 
jof  I  calf  hoel^c  ess  .  .  .  ende  die  copet  I  scaep 
jof  I  zwQn  jof  eene  bake,  N.  W,  Lett.6ySé  (Hier 
sch^nt  het  bepaald  toijfjesvarken  te  zyn  in  tegen- 
stelling Tan  het  mannetjetvarken ,  zwijn).  —  Spreekw. 
Als  hoeren  schelden,  so  kijckt  den  baeck  ute, 
Sprettken  79,  d.  i.:  dan  komt  het  yarken  kijken, 
dan  komt  het  Tarken  yoor  den  dag. 

BAKELAER,  znw.;  het  geslacht  blijkt  niet.  Yan 
baeca  lauri,  Diut.  2,  202:  Bekelere  (bake- 
lare),  bacca.  Laurierbee^  nog  in  de  17de  eeuw  in 
die  beteekenis  gebruikelijk.  Zie  Wdb.  op  Bredero; 
De  Yries,  Var.  221.  ||  Sijn  pulTer  (van  eomijn)  in 
die  nase  gheblasen  doet  nyesen,  ....  ende  mit 
bakelaer  dwincgt  hy  den  conden  reume,  Barth. 
598  b. 

BAKEN  (BAKIN),  znw.  onz.  Osaks.  bókan^  teeken; 
ags.  bedcen  (Ettm.  299 ;  Grein  1 ,  104) ;  ofri.  beken , 
baken  \  mnd.  bake, 

1)  Seinteeken^  signaal^  strekkende  om  het  Tolkte 
Terzamelen ,  inzonderheid  om  het  te  wapen  te  roepen, 
teinvuur.  ||  Soe  wie  tsHeeren  bakene  niet  en  compt, 
die  salt  beteren ,  als  of  hy  beneden  der  heerschepe 
woende,  ende  hy  tsQns  Heeren  bakine  niet  en 
qname.  Mieris  2,  18a  (a.  1300).  Daer  si  haer 
baken  hoghe  op  haren  tome  traken ,  Stoke  YIII,  710 
(Tgl.  715 :  syn  teyken).  (Si)  ginghen  op  ter  zelver 
stonde  biden  bakene  ande  nortside  {van  Zierikeee), 
312.  Lieden ,  die  weenden  in  sijn  lant ,  die  wonderlic 
waren,  an  den  zeecant,  die  bi  costumen  waren 
ghewone  te  yechtene  ende  manslacht  te  doene, 
ende  te  yergademe  bi  bakinen,  als  elc  wilde 
hebben  den  sinen,  Fl.  Rijmkr.  2977.  —  Staende 
bakene(n),  absolute  uitdrukking,  ale  de  bakene 
of  alarmteekens  zijn  opgericht^  d.  i.  in  tijden  van 
oorlog.  II  So  wie  dat  moerdadelike  yement  doot, 
of  met  moertwapenen ,  .  .  .  hi  sal  siin  hooft  yer- 
liesen,  ende  siin  hant  yoer  den  leyende  ghewont, 
het  ne  si  in  ghemeenen  stride  of  staende  bakene, 


Oarkb,  2,  332,  21  (o.  1290).  StMHide  Inkae 
ende  buten  y rede  en  machmen  geen  lagkeolc|gki, 
333,  26.  So  wie  doot  wort  gheslaghen  of  ronflBct, 
of  ghewont  in  ghemeenen  s&de  of  staende  btkeaa, 
...  dat  salmen  eenscatte  gelden,  333,30.~T^ 
336 ,  49.  So  wanneer  als  die  graye  of  die  Iwtk- 
graye  of  die  baelin  comt  in  Zeelant  omdeslnti 
orbare,  daer  hi  bakene  yint  staende  of  btta 
yrede. 

2)  Fakkel,  \\  Dat  die  yrSe  Yresinne  koaet  lu 
des  yrQea  Yasenn  were  end  maehtaldoiimytaei 
waechhorens  geschall,   end  mit  buiren  gesdill, 
end  myt  bamende  baecketten;endmit9oetafaBge, 
alsoe  lan^  all  went  men  dïie  maeltgdt  doet  eii 
dath  bmidtbedde  thoemachet  is,   OmmeL  Lnè. 
by    Richtb.   409,   aant.   14).  —  Ook  als  symW 
in   het  rechtswezen   bjf  het  yeroordeelen  tib  ea 
moordenaar  gebruikt.   ||  Als   die  rechter  mtta 
scependom  ende    clagher  coemt  yoir  den  stm, 
dair    yint    hy    ner    ende    stroe.    So  kosit  ék 
rechter    een    yonnes,    wair    mede   men  lealèd 
is   P.    mede  te  woesten.   Tyonnes  w^st  mit  iw 
ende    mit    baken,    als    recht    is.    Die    recMs 
yraechts    yonnes,    hoe  dat  wesen  sal  mit  nekt 
Tyonnes  wQst:  ^Dat  die  Bailin  sal  ontstekeieci 
baken,   ende    heffen  op   boyen  s^n  hoefde,  vA 
seggen  aldus:  Hier  woest  ie  ende  legh  baUiigk 
slans  .  .  .   den  moirdenair  .  .  .  Ende  dat  sal  ^ 
doen  tot  drie  werf  toe.  Die  rechter  heftet  bk- 
baken  op,  ende  seit:  enx.^  Matth.  187  ylg. 

Aanh.  —  Is  yan  dit  woord  ook  een  friese 
dialectyorm  het  O,  W,  v,  Amt.  40,  7  tireeaila 
yoorkomende  beeken?  ||  Nyemant  en  moet  beoka 
hamen  binnen  der  yr^hede,  bg  x  se  HoQis; 
noch  en  ghien  poirter  en  moet  beeken  banei  ip 
eenre  mile  na  der  stede,  hg  der  buete  yoin. 

BAKEN  {boecy  gebaken) ,  st.  ww.  bedr. ;  de  rerL  ^ 
boee  behoort  oorspronkelijk  slechts  bg  Aai»,  doel 
werd  later,  toen  dit  in  onbruik  raakte.  Teil.  t^ 
yan  het  afgeleide  ww.  backen;  yerg.  mhd.  h^ 
ags.  baean,  eng.  bake.  Bakken,  ||  Men  8sl«  a 
broede  mede  bi&en ,  ende  daema  saïmense  ontaabi 
in  watre,  Nat.  BI,  X,  167  (yan  de  eiieKriiU).^» 
snlken  aerten  can  ie  haer  taerten  te  pointe  laka 
in  minen  oyen,  Praet  3490.  De  brode,  die  sa 
ghebaken  hadde,  He,  v,  1348,  77  d.  Hora^ 
oyen  dat  es  de  helle ;  de  taerten  die  men  deer  ii 
baect,  dat  es  torment  dat  ziele  smaect,  Bn^ 
3496.  Zie  backen. 

BAEJSREN,  zw.  ww.  he&r.  Koesteren ^venorp^ 
yan  pasgeboren  kinderen.  Oyer  oorsprong  eaw^ 
wante  yormen,  zie  De  Jager,  IVeg.  2,  13.  ii(Sb 
yerwermde  ende  bakerde  het  {Aet  kind),  Bar%.l 
67  a,  —  Eil.  kent  zoowel  de  nitdr.  baeckerii 
een  kint  ende  ophouden  bg  *t  yier,  tl) 
baeckeren    in  de  sonne. 

BAC-HUUS ,  znw.  o.  Bakkerij  (Eü.  28: jwAwa- 
II  Twie  knechtsen,  diet  loet  drooghen  uten  bttlm 
in  der  clerke  camer.  Rek.  d.  Qr.  2,  306. 

BAC-HUÜS,  znw.  o.  In  onze  opyattLngTiB<*- 
gegiekt;  ygl.  baktanden,  ||  Uut  ooren,  nutbackii' 
blasé  ie  helsche  sperken.  Mar,  v,  N,  41 ,  984. —T^ 
Eil.  28 ,  die  beide  opyattingen  yan  iac-kmut  kot 

BAKIJN  (BAKIN,  BAKEN),  bnw.  Van  Bake.nAm 
Fan  een  varken  y  varkene-,  Bakgn  yleeickt 
varkenevleeeck,  ||  Neen,  Grrielkin,  maer  oeop  bikv 
yleesch  ende  gheetin ,  Livr.  d.  Keet,  7.  De  sckipfA 
als  zg  hebben  een  hongher  bgstere,  so  naro* 
z^  yan  eyers  eenen  y^stere  inne  baken  yleeieL 
ghebacken  in  de  panne,  Han.  H.  226.  Itea- 
so  ziin   de  zieke  yors.  schiildich   te  hebbese  ^ 


529 


BAC-I. 


BAC-K. 


530 


den  Sinxendach  elc  een  vierendeel  yan  eere  gans , 
elc  een  stic  bakins  yleeschs  daer  naer  volgende , 
Belg,  Mut.  7 ,  86.  Dat  niement  vleescli  en  sla . . . 
omme  voort  té  vercoopene,  dan  die  bevryet  sgn 
binden  ambochte  vornoemt,  het  en  ware  baken- 
vleesch,  Keur  van  1379,  in  ZFl.  JBijdr.  3,  278. 
Bentvleeach,  bakins  vleesch,  wederen  vleesch, 
Jan  Yp.  179. 

BAC-ISEB,    znw.     onis.    Yerg.    mnd.    bakieer. 

Bakpan   van  ijzer,  \\  De  centum  ferri  qnod  dicitnr 

hacjfeer  qnatnor  den.  Colon.,    Oorhh,  2,  117  a  (a, 

1274),  y.  d.  Wall  131.  Een  hondert  ysers...  es 

scnliüch  I  d.,  een  hondert  bacysers  iof  catteribben 

es  scnldich  XII  d.,  ZFl,  Bijdr.  6,  33  (a.  1262); 

verg.   76.  Van  enen  hondert  bacyser,  Y.  d.  Wall 

131   (a,  1307).   Zoo  ook  Invent  v,  Britg^  2,  191. 

BACKATIJN  (backaten)  ,  benaming  eener  bui- 

tenlandsche  mnnt,  Bek.  d.  Oraf,  3,  82;  84;  119. 

BACKBLIC,   znw.    onz.   Van   Boeken  met  het 

achtarv.  -Uc^  als  in  veehtelie^  enz.  Hetzelfde  als 

ttaete    (z.  ald.).    Baksel,  \\  Poirter,   die   een   w||f 

heeft,   die  te  backen  of  te  brouwen  es  ghewone, 

die  mach  een  backelic  broots  verliesen,  ende  also 

een  brouwelic  biers,  ende   dair  jegens   en  mach 

hair  man  geen  achtinge  hebben,  MeyUnk,  Deljl, 

Bijl.  bl.  55,  45. 

BACSIEN  {boec^  boeken^  aanv.  irïi%boeke^btieke\ 
doch  veelvnldiger  biek^  kieken^  gebacken\  enbaete, 
{N.  Doet  566  vindt  men  boekte^  met  de  inHOost- 
vlaamsch  gewone  verscherping  der  k  voor  tU}ieh\ 
vgl.  Bek,  V,  Geni,  passim),  gebaet)^ ai, en zw.ww,, 
doch  de  sterke  vormen  behooren  eigenlijk  bij  baken 

Lald.).  Ohd.  baehan^  buoek ^  ffebaeAan;  mhd.  bache^ 
ek ,  backen ;  ags.  baean ,  böc ,  bacen  (Ettm.  276) ; 
mnd.  backen^  bók  (doch  meest  zwak),  gebaeken, 

Bedr.  —  Bakken.  ||  Die  pnlleginm  biec  in  eenen 
koec  van  eieren ,  ende  daet  eten  hare ,  si  sonde  ghe- 
nesen  sciere  daer  nare.  Vrouw,  Heim.  1665.  Een  crepel 
w^f  so  was  aldaer,  daer  men  tes  bisscops  doe  biec, 
8p,  IV*,  33,  8.  Item  so  wie  bevonden  worden, tsg 
biackers  of  yemant  anders,  die  voirt  an  semel  of 
kemelle  bacte  in  enich  broot ,  die  sonde  verbneren  18 
SC,  Leid.  Keurb.  236, 40. Wie  dese  brode  anders  boeke 
om  te  vercopen,  499,  27.  Gisteren  boec  ie  dit  broet 
mit  mynen  handen,  Devoet  B.  (36)  59  r.  Wie  dese 
brode  anders  bneke,  die  verbnerde  12  se.  Leid. 
Keterè.  509,  51.  Mit  brieven  gesent  .  .  .  an  allen 
den  backers,  roerende  dat  sy  niet  meer  broets  en 
bleken,  mer  dat  koim  heel  lieten,  Oorl.  v.  Albr, 
68.  Doende  calck  int  meele  daer  si  broot  af  bieken, 
JBxe,  Cron.  109  b.  All  tcoem  dat  binnen  Haerlem 
^bact  ende  gegheten  wert,  Inform.  15.  —  In 
fignnrlgke  toepassing.  ||  Mer  die  nyder  bronwet  last 
ende  die  dapper  backet  leyt,  IlLoep  II,  1534. 

Onz.  —  Foêtkleven  (ook  thans  in  dezen  zin 
bekend  in  aanbakken,  vgl.  Ned.  Wdb.  1 ,  56),  voonü 
van  kleederen  aan  wonden  enz.  ||  Hoe  wredeliken 
worden  hem  sine  cledere  nntghetoghen ,  die  ghe- 
drog^bet  waren  ende  ghebacket  waren  an  dat  blodighe 
^wonde  lichaem,  Brugm.  2,  363. 

BACKEN,  zw.  WW.  onz.  Waarschijnlijk  een 
klanknabootsend  woord,  dat  elders  niet  voorkomt. 
Slaffèn^  Aow^.  II  Ander  manieren  heten  bracken, 
met  langhen  oren,  entie  backen  na  die  diere,  ende 
rieken  wel,  l^at.  Bl.  II,  693  var.  (odore et impor- 
XxüxvB  latraübue  bestiam  seqnnntnr). 

BACKERE  (brckere,  backer)  ,  znw.  m.  Bakker. 

II   Heinric  Snacke,  beckere,  Brab.  Y.  YII,  14313. 

Twee  flcipliede,  twee  smiede . . .  ende  twee  backers, 

OeMch^  V.  Antw,  3 ,  540.  Zoo  ook  Oorl.  v.  Albr.  58 ;  enx. 

BACKERSE,    znw.    vr.  Yao   Bakker   met    het 


achterv.  -se.  Kil.  backersse,  pistrii.  Trouw  die 
bakt^  bakster.  ||  Ende  hi  sal  oec  maken  n  dochteren 
salfmakerssen  ende  backerssen ,  D.  ^.  1  Sam.  8 ,  13. 

BAC-KETEL,  znw.  m.  Een  braadketel,  ketel  om 
vleeseh  enz.  in  te  braden.  \\  Een  den  besten  ketel , 
sonder  bronketel  oft  backetele,  Oesch.  v.  Antw.  2, 646. 

BAC-COBP  (back-corf)  ,  znw.  vr.  Broodmand. 
Vgl.  Kil.  back,  gheback,  cibns  pistns , coctns ; 
Oesok.  V.  Antw.  2,  649  onder  ander  hnisraad 
genoemd.  —  Andere  samenstellingen  met  bac  bij 
Kil.  zQn:  bacbner,  i.  q.  ovenbuer,  fornuis, 
oven  f  loens  nbi  panis  coqnitnr:  zie  buer;  back- 
oven,  fnmns,  clibanns;  bacpanne,  testns; 
bacsteen,  latns  coctns,  later  coctilis;  bactroch, 
i.  q.  moelie,  mactra. 

BACKUUS,  znw.  onz.  (?).  Oorsprong  onbekend. 
Breekijzer,  kouweel.  jj  Doent  gememt  was  vanden 
qnaden,  daden  si  graven  daer  met  spaden  ende 
met  backasen  stene  opbreken,  Yelth.  lY,  3,  23. 
(Misschien  te  lezen  bajfusen?  Zie  ald.). 

BACSCIP  (baecscip),  znw.  o.  Yaartnig  voor  de 
vaart  op  de  binnenwateren ;  ons  bok  (?).  Ygl.  bac.  || 
Yan  een  sconde,  daer  een  bacscip  of  was  ghe- 
maect,  Invent.  v.  Brugge  4,  152.  Yan  eenen  baec< 
scepe  nten  gronde  te  doen  ten  hooke  ende  te 
Brncghe  te  bringhene,  ald. 

BACTANT,  -de,  znw.  vr.  Yan  Bac,  kinnebak, 
en  Tont.  Yerg.  mhd.  doAsan.  BQ  Kil.  „Backtand, 
dens  maxillaris,  molaris,  genuinus,  eolumellaris.''^ 
Kinnebakstand,  kies.  \\  Ende  die  bactande  mitten 
kinne,  Mandev.  21e.  Die  Here  ondede  die  bactant 
in  die  kinnebac  des  ezels,  ende  daer  qnam  water 
nnt,  D.  B.  Bickt.  15,  19. 

BACTE,  znw.  vr.  Hetzelfde  als  backelie;  vgl. 
brouwte.  Baksel.  \\  Een  bacte  broots  .  .  ende  .. 
een  bronte  biers,  K.  en  O.  v.  Delft  253,  48. 

BACTREYE,  znw.  vr.  Bakkuis,  bakkes.  Oorsprong 
onbekend.  ||  Holla,  hoe  gaeptij  alzo?  Znldij  mij 
byten?  Ghy  hebt  emmers  een  gente  backtreye,en 
daer  mede  zgdij  ooc  waeker,  ghije,  Han.  H.  104. 

BACÜMIJK,  znw.  m.  Baviaan,  of  misschien 
in  *t  algemeen  als  benaming  van  een  of  ander 
monster.  De  in  het  Bmss.  Es.  voorkomende  naam 
van  het  dier ,  dat  in  het  Comb.  Hs.  baubijn  genoemd 
wordt  (zie  ald.).  ||  Ie  waende,hetwaereenmarmet, 
een  baknm^n  of  een  meerkat ,  ie  en  sach  nie  leliker 
dier  dan  dat,  Rein.  II,  6518. 

BAC-YONNIS,  znw.  o.  Vonnis  buiten  tegen- 
woordigheid van  de  partij  gewezen.  i|  Wanneer  die 
verweerder  inkomt,  ende  die  back-vonnissen  niet 
af  en  dinght,  soo  verbenrt  hy  enz.,  Yan  Santen, 
Kennemerland  189. 

BACWABICH  (bacrwarich),  bnw.,  voor  bac- 
WAERDiCH ,  evenals  meewarig  voor  meewaardig  (Kil. 
geeft  beide  vormen);  vgl.  ofiri.  bekward,  mnd. 
bakwards,  eng.  backward.  Bechtsterm:  Hij  die  in 
gebreke  blijft,  die  aan  zijne verplichüngen  in  rechten 
niet  voldoet,  b.  v.  kij  éUe  ten  dienenden  reektsdage 
afwezig  is  of  blijft;  in  het  laatste  geval  beantwoordt 
het  aan  lat.  eontumax.  \\  So  wat  ghewaert  rechter , 
die  bedracht  doen  zoude  over  eenen  man,  ende 
{die)  daerof  bachwaerdich  (var.:  ende  dan  daerof 
tonder)  bleve,  dat  is  hem  op  X  pont,  ende  zQn 
twee  volghers  (d.  z.  getuigen,  hetzelfde  als  be- 
drachtsüwkn  (z.  ald.))  elcx  op  X  pont,  O.  B.  v. 
Dordr.  2,  228,  4.  Soe  staet  F.  ende  ie  in  zijnen 
woerden  ende  seyt,  dat  C.  is  al  soe  verre  over  zee 
ende  over  sant  .  . ,  dat  hg  hier  gheen  werif  houden 
en  mach ,  ende  wil  dat  schenen  te  heylighen  ende 
seyt  .  . ,  dat  hg  mit  recht  sal  comen  in  zQnen  stal , 
recht  voer  hem  te  spreken  als  voer  een  bacwarighen 


531 


BACW. 


BALC. 


532 


man,  Dingt.  v.  Amti,  19  ftweemaal).  Dese  vier- 
thien  daghen  .  .  mach  een  bacwarich  man  wynnen 
Yoer  een  hantdadigbe,  ald.  20.  —  Minder  juist 
wordt,  ald.  18,  F.  de  persoon,  die  voor  den  af- 
wesige  optreedt^  zelf  „een  bacwarich  man^*  ge- 
noemd, tensy  de  bet.  hier  mocht  syn:  „iemand 
die  een  rechtsgrond  aanvoert,  waarom  de  zaak 
moet  worden  verdaagd  of  geschorst."  Ygl.  Eng. 
baekward ,  dat  o.  a.  beteekent  dilatory  (Webster  i.  v.). 
BACWOORDICH,  bnw.;  van  *tf«po(?r^,  datmnl. 
niet  schynt  voor  te  komen;  mnd.  bacwort (L^hhwi 

1 ,  144  en  Snppl.  28) ;  vgl.  baewordeach ,  ald.  en 
bakrede  {aangeh.  ald.).  Achter  den  rug  gesproken , 
niets  ter  zake  doende  y  valseh^  onwaar.  \\  Alle  die 
woorde,  die  Wonter  seit,  dat  siin  onghebonden 
bacwoerdighe  woorden ,  want  hi  aen  dier  husinghe 
niet   en  heeft,  ende  ongheeyghent  is,  B.  v.  Utr. 

2,  145. 

BAL,   znw.  m.  Ohd.  balla  vr. ;  mhd.  mnd.  bal. 

1)  Baly  kaatsbal.  \\  Die  alle  speelden  .  .  .  . 
scaec  of  werptafelspel ,  ende  vele  sloegher  daer 
den  bal,  Wal.  2966. 

2)  Bal,  als  een  voorwerp  van  weinig  waarde, 
eene  nietigheid ,  die  men  laegscAopt,  Zie  De  Jager, 
Lat.  Versch.  110.  ||  Sondi,  alse  een  onwaert  bal, 
weldaet  werpen  int  helsce  dal,  so  ware  hi  sonder 
ghenaden,  Vap.  Mart.  I,  277.  Si  stieten  mi  daer 
als  enen  bal,  ende  crosten  mi,  ende  hingen alsoe, 
Velth.  Vin,  21,  28.  —  Met  de  ontkenning ;  niet 
een  bftli  9^^  bal,  en  bg  uitbreiding :  ^«m n^.  || 
Dgn  proeven  wert  hier  jeghen  smal ;  hen  sal  niet 
waert  syn  een  bal,  ghevullet  met  drave,  Wap. 
Mart,  II,  140.  Niet  een  bal  ne  doech  hem  haer 
berouwen,  Disp.  166. 

BALAIS  (balets),  znw.  m.  Van  tdXbX.  balascus, 
balaseius  (Duc.  1 ,  547) ;  fr.  balais ;  it.  balaseio ; 
mhd.  balas\  ontleend  aan  arab.  balchasch.  Be- 
naming van  een  edelgesteente,  aldus  genoemd 
naar  oe  plaats  waar  het  gevonden  wordt,  in  het 
chauaat  Badaksehan  {Balasehan),  in  de  nabyheid 
van  Samarkand  (Littré  1 ,  283 ;  Diez  op  B  a  1  a  s  c  i  o). 
Bij  Kil.  Baleys,  carbunculus  candidus.  Bleek- 
roode  robijn.  \\  Dyamanten,  baleysen  ende  oec  robynen 
sach  men  daer  aen  hem  schinen,  Versl.  en  Ber. 
4,  59,  149.  Baleysen,  dyamanten,  menegherobyn, 
64,  280.  Een  tabernakel  van  Ons  Vrouwen  belde, 
mit  elf  balaisen  omtrent  ende  vijfthien  saphieren, 
Brab.  T.  Dl.  2,  bl.  694.  Hi  bringt  zijnre  bruut . . 
den  balays  der  vrouden,  Boee  d.  M.  ƒ.  4.  —  Ook 
nog  bij  Vondel  1,  376,  909. 

BALANSCE,   znw.   vr.   Van  mlat.  balanpa,   ba- 
lancea   (Duc.   1,   546);   fr.  balance.  Weegschaal.  \\ 
Doghet  verwoech  onghelike  de  quaetheit  der  werelt 
ende  de  sunden  al,   soe  dat  u  in  der  hellen  dal 
die  balansche  nederdroech,  Mask.  842. 

BALCH  (ballich)  ,  znw.  m. ;  verkl.  balchsken, 
ballichsken,  onz.  6ot.  balgs\  ohd.  balg\  mhd. 
balc\  hd.  balg\  ags.  belg\  eng.  belly,  ofri.  balga; 
mnd.  balch.  Van  Belgen,  opzwellen,  en  vandaar 
het  opgeztoollene  in  verschillende  toepassingen. 

1)  Buik.  II  Doe  ghinc  hi  biten  grote  beten  aen 
die  beenre,  die  hi  inswalch,  drie,  vier  tevens  in 
sinen  balch.  Rein.  II,  5838.  Van  den  balghe  es 
goet  dat  smout ,  Nat.  Bl.  II ,  885  (van  den  bever). 
Dan  als  si  wanen  gaen  eten,  ende  si  ter  tafelen 
sijn  gheseten,  comt  sulc  luut  uut  haren  balghen, 
dat  daer  elc  af  mochte  walghen,  N.  Doctr.  1315. 
Dit  meisken  crijcht  berou  den  balch  al  vol!  Mar. 
V.  Nijm.  35,  854.  Ende  dat  selve  (t.  w.  dat  bloet 
des  H.)  ghieten  si  in  haren  vulen  sondeghen  balch, 
Ruusbr.  2,  122. 


2)  Rowtp,  lijf,  bast,  gemeenlijk  in  Tenchidjlbi 
zin.  Verg.  Buuc.  ||  Tibeert  was  sere  Temet, 
ende  bleef  sittende  up  diegalghe;hiYa8runia 
ruwen  balghe  in  sorghen  . .  groot  ateniuten,J2m 
I,  2820.  DA  vonture  heeft  dit  begonnen  lUei 
te  wisene  ane  die  galge;  ende  alse  gi  luingetnet 
uwen  balge,  salse  u  nemen  die  ^dine  enne, 
Rosé  6176.  Ghi  moetet  ontghelden  metten  bilge, 
Limb.  IV,  %7.  Hets  jammer,  dat  si  niet  a 
leghet  in  enen  put  onder  die  galghe  Taste  ^ 
dolven  metten  balghe!  Hese  58.  Bat  men  s  h 
den  balghe  an  een  ghalghe  moet  in  den  lyit 
cnoopen!  Belg.  Mus,  6,  62.  Tes  een  aenn  cr|gkr, 
die  by  den  balghe  an  een  galghe  moetTerwoorgka, 
D.  War,  1,  414,  238.  —  Ook  van  den  penm 
zei  ven :  hangebast ,  galgebrok.  \  j  Daer  hinc  hi  die  ti« 
valsche  balge,  Alex.  VIII,  837. 

3)  Bol,  blaas,  ||  Totter  formeringe  der  stemit 
wort  die  lucht  ontfangen  in  den  balch  derlot^ 
in  folliculo  pulmonis ,  Barth.  12ba.  (Die  loi^) 
spreyt  dye  lucht  totter  vervollinghe  der  lietta 
ende  behout  die  in  haren  ballighen  ende  gtetkm, 
in  suis  follicuUs  et  poris  reservat,  144r.  Sj  kiefi 
onder  haer  kinne  een  balschken  (/.  balchskei,lit 
folliculum),  daer  sy  water  in  gadert,  49(k. 

4)  Lederen  zak.  \\  Letten  hem  rivieren  in  qi 
riden ,  .  .  was  soe  te  wQ  t  ofte  te  snel ,  so  nu  k 
balgen  ofte  blasen ,  die  vul  winds  waren  gbeltbsa, 
Sp.  I",  14,  42.  Van  alle  maniere  van  gtnnilki 
ende  van  allen  engiene  die  men  maect  met  balgen  (?|. 
Invent.  v.  Brugge  3,  380  (vgL  381).  Ecnedistöi* 
met  eenen  bailge  (1.  balge).  Jan  Tp.  139. 

5)  Blaasbalg  van  een  orgel.  \\  Die  balligenta 
die  orgilen,  .  .  die  haeren  aen  die  vedelen,  £t 
dode  dermen  inden  herpen  luden  veel  soeter,  D.  ^' 
6,  201.  Van  den  orghelen  ende  van  den  haï^ 
van  hout.  Rek,  d.  Buurk.  30.  Van  den  3  ijtt 
balghen  aen  den  orghelen  te  maken,  33. 

6^  Huid,  vel,  vlies, omkleedsel, seheede,'vuff^- 
heia  by  vruchten.  ||  (Die  eyaun)  en  sadet  d^ 
voer  dat  ander  jaer  noch  en  maect  zjn  siii  i* 
den  balghen  (Lat.  in  folliculo)  nyet,  Bartk.^ 
Dat  hi  aren  hevet  int  overste  van  den  strw 
wassende,  daer  die  corlen  in  den  baHick^ 
legghen,  615^.  Die  muscaet  .  .  bynnen  eest 
harder  scalen  mit  eenre  hunt  bedect  of  mit  eia 
ballighe,  6456.  Die  korlen  mitten  ballichfktf, 
als  die  olie  uutghedropen  is ,  zgn  g^t  voer  w^ 
te  voeden,  64£i.  Dese  boem  heeft  eenn^ 
roede  ballichskens  in  den  bladeren  daer  ü^b 
is,  665a.  Een  gheslacht  van  legumen  mitbaUicWkA 
die  ydel  zijn,  6746.  Tloke  als  die  lelie  maectifi 
zaet  des  steels  eerst  in  enen  tederen  balsckka 
(/.  balchsken),  5846.  —  Hiertoe  behoort miss^ 
Stemmen  123 ,  doch  dan  moet  balc  als  bakk  V9i^ 
opgevat,  en  de  bet.  van  vlies,  seheede,  w^^ 
Tfijzigd  hebben  tot  die  van  binnenste,  pU,  kert^\ 
Wy  moeten  ierst  breken  den  bast  van  bit» 
daima  die  scale  der  quaderghewo6nten,endeii^ 
totten  balc  der  ynnigher  soeticheyt.  —  Verklw.  b«^ 
gekyn,  vlie^e.  \\  {In  de  baarmoeder  sifn)  vi^ 
blade  (?)  balgekine  mede  ende  elc  heeft  sine  beso^ 
stede,  M.  en  Fr.  Heim.  1566. 

BALCHFAERT.  Zie  Balfaert. 

BALCHHONT,  znw.  m.  Wachikond,  Md 
Of  balch  het  woord  buik  is ,  is  moeilgk  te  beslisa 
In  verwante  talen  komt  het  woord  niet  td(7.  Ü 
Dat  versach  een  balchhont ,  die  wel  wiite  ée* 
gront;  hi  quammer  toe  lopen  mit  groten  ti|' 
Hild.  127,  21.  Als  die  balchont  den  boeÉr 
dede,  40. 


533 


BALD. 


BALE. 


534 


BALDAC,   znw.   onz.   Vroegere   benaming  van 

Bagdad.  „  In  Chaldaea  in  Oriente  est  civitas  nobi- 

lissima  .  .  .  nnnc  de  omnibns  ciyitatibus  orientis 

melioribns  una  et  super  fluyiam  .  .  .  Enphratem 

sita,  Baldacb  Tocata  ...  In  hac  civitate  .  .  . 

gunt  nnnc  ditiores  et  meliores  sub  coelo  merca- 

tores  ...  In   hac    ciyitate  Calipba/*  Lndolphus, 

lAb,   de   itinere    terrae   aanctae^    e,    32.    ||   Deen 

woendo   te  Bruggbe  .  .,   ende   dander  te   Baldac 

in   de  stede,    Venkm,  3,  165,  12.  Als  OTerleden 

was  de  spacie  datsi  te  Baldac  qnamen  an  tlant, 

171,  202.  Die  coepman  yan  Baldac,  175,  309.  — 

Yaodaar  baldekijn  (zie  ald.)  en  ons  palankyn. 

BALDE,  bijw.  Mhd.  balde-,  mnd.  balde,  bolde \ 
tthd.  bald,  Hoogdnitsch  gekleurde  vorm  voor  het 
echt  Dietsche  Boude  (zie  ald.) ,  en  vooral  in  Lim- 
burgscbe  geschriften  voorkomende.  Snel^apoedig.W 
Sy  keerde  doe  danne  balde,  Serv.  I,  2975.  Der 
vronwe  worde  ie  balde  quyt,  MLoep  I,  146.  Wye 
balde  ghelovet,  die  ghecket  sich,  lY,  1686.  Die 
licht  gheloeft,  die  is  balde  bedroghen,  Frouw. 
en  M.  VI,  36.  Ten  is  uiet  guet  op  eens  anders 
doot  te  hopen,  want  het  stern  de  eene  soe  balde 
als  die  ander,  Spreuken  31.  Sy  ijlden  voele 
balde  daer,  Serv.  I,  2272.  Voele  balde  bj  sich 
roerden ,  II ,  1247.  Soe  hy  alre  baldste  mochte,  soe 
hieff  hy  sich  ane  die  vaert,  I,  431.  —  Als  o 
balde  als,  zoodra,  als,  ||  Dat  dede  hy  synen 
vrienden  kont  alsoe  balde  als  hp  hadde  vernomen, 
I,  1068. 

BALDEKIJN  (daudekijn  en  ook  bandeeijn, 
bandeken),  znw.  m.  Mlat.  baldakinut,  balde- 
Hmuê ,  Aandequinug ,  baudequinui  (Duc.  1 ,  548 ,  549) ; 
fr.  baldaquin ;  mhd.  baldeUn ;  mnd.  baldeke ,  boldeke. 

1)  Koetbare  uit  zijde  en  goudéraad  gewevene  ttof , 

mt  Baldac  (Bagdad)  af komai%g,\witL^o\i zijden- 

etof  van  geringere  soort,  voor  kleederen ,  dekkleeden 

enz.  ffebruikt.  Zie  Weinhold ,  Die  deutaehen  Frauen , 

423.  11  Hierom  gaven  wi  hem  gheme  oppenbaere 

Bcoenheit  die  hem  ontfanckelec   ware,   baudekine 

ende  covertore,  Limb.  VI,  2583.  Reepen,  tenten, 

pauwelyoene,   al   bissijn   ende   van   dieren  doene, 

daertoe  pellele  ende  baudekine,  <^.  IV*,  15,  87; 

JBrab.    T.  U,  2752.  Daer  jeghen  sidi  met  pellen 

^beladen ;  purpere ,  scaerlaken ,  baudekine ,  daer  af 

8Ün   hier  die  cledere  dine,   X.  Flagh,    1415.   De 

cleederen  van  den  sonen  waren  an  de  luchter  syde 

Tan  baldekine,  ende  an  de  rechte  syde  van  ruwen 

groTen    lakene,  .   .   .  ende   snn   drye   dochterkins 

hadden   ane    cleederen    van   dierbaren   baldekine, 

Cnm.  V.  Vlaend.  1,  6.  So  wat  brulochten  dat  vallen 

bynnen  der  stad  van  Lovene ,  daer  de  bruyt  gehuut 

in   cammencaet   ocht  inne  bandeken,  soe  sal  die 

bmjg^oem  ende  de  bruyt  gheven  te  verdrinckene 

den   gesellen   van  diere  parochien,  daer  de  bruyt 

inne   beslapen  wert,  .  .  .  twee  gulden.  .  .  .  Ende 

daer   de  bruyt  gehuut  in  scaerlaken,  daer  salmen 

de  g^sellen  gheven  ...  enen  guldenen,  Vad.Mua. 

2,  296  («.  1396).  Een  de  beste  huyve ,  haersnoer , 

bandeken,   spansel   ende   dierghelycke ,    Qesch,  v. 

Antw,   2 ,  647. 

2)  TroonAemel,  uit  koet  bare  zijden  stof  gemaakt, 
welke  boven  vorstelijke  personen  bij  optochten  werd 
gedragen,  en  bg  uitbreiding,  draagstoel  met  een 
troonhemel  voorzien,  palankijn  (dat  uit  baldakijn 
▼erbasterd  is).  ||  Doe  nam  hi  tkint  der  moeder 
eiin ,  in  een  guldeip  bandekiin  dediit  dragen  tsiere 
doet  wert,  Limb.  IV,  1721. 

BALEREN  (balleren),  zw.  ww.  onz.  Van 
Mlat.  balare  (Duc.  1,  546);  ofr.  baler,  baller; 
nfr,    èaller;  it.  ballare.  Vermoedelijk  ontleend  aan 


rom.  balla,  bal,  daar  in  de  Middeleeuwen  het 
balwerpen  een  met  zang  en  dans  verbonden  spel 
was  (Burguy  32;  Diez,  Ettfm.  Wtb.o^  Ballare). 

1)  Dansen.  \\  Daer  mochtmen  hebben  sien  baleren , 
vedelen  ende  flaioteren  (/.  flayoleren?)  vore  die 
vrouwen  menechfout,  Ferg.  5433.  Die  jonfere  an 
dander  syde  die  was  tallen  tyden  blyde :  sy  tumelde !, 
baleerde  ende  spranc,  Trogen  5494.  Ende  gaf  hem 
orlof  vrouwen  spel ,  singhen ,  dansen  ende  baleeren , 
te  doene  weltyt  dat  s^s  begeren,  Sp.  I*,  9,6.  Dese 
dede  die  here  Dedut  baleren,  diet  wel  ende  frailijc 
daden.  Rosé  716.  Maer  die  hier  met  lieve  willen 
j uweren  ende  met  ghevoelne  dan  balleren,  Hadew. 
I,  49,  56.  Ie  doe  tomieren,...  vrouwen  pareren, 
zinghen  baleren,  Prset  3278 — 82.  Baleren,  dansen 
ende  reien,  Bose  9475.  Dan  gadi  baleren  ende 
springhen,  7999.  Al  daer  so  quam  Herodiasen 
dochter  ende  balerde  ende  spranc  vor  dat  volc, 
L.  V.  J.  c.  99. 

2)  Dansen,  trappelen  met  de  voeten,  van  een 
paard.  ||  Dat  ors  ontede  dien  mont,  alset  dien  breidel 
horde  clingen,  .  .  .  metten  voeten  ghinct  baleren, 
Ferg.  3786.  (^lorifier  baleerde  ende  maecte  feeste 
met  beide  sinen  voeten  voren,  Segh.  5983. 

3)  Drentelen,  slenteren  (in  vAh^ieX.  nog  baljaren 
genoemd.)  ||  Al  en  stoppen  si  gheen  gaten ,  si  gaen 
baleren  achter  straten  ende  houden  metten  lieden 
haer  scheren.  Vod.  Mus.  1,  324,  19.  —  Waar- 
schnnl\|k  ook  in  den  vorm  belleren,  slenteren, 
en  bij  uitbreiding,  verkeeren,  omgaan.  \\  Ende  die 

fhaeme  belleren  mit  sconen  vrouwen,  die  sullen 
at  ghilde  opbouwen.  Vrouw.  e.  M.  XI,  35. 
BALEFROIT.  Zie  Belfroot. 
BALEINE,  znw.  vr.  Mlat.  ^^»ia(  Duc.  1,550); 
fr.  baleine.  JValvisch,  Verg.  Le  Grand  d^Aussy, 
Vie  privée  des  Francais  2 ,  66 ,  waar  wordt  mede- 
gedeeld ,  dat  de  walvisschen  zich  in  vroeger  eeuwen 
ook  op  de  Vlaamsche  kusten  ophielden ,  en ,  aldaar 
gevangen,  versch  of  gezouten  bQ  mooten  en  in 
vaten  op  de  markten  geveild  werden.  Zy  werden 

febraden  met  boonen  gegeten.  ||  Van  vissche  van 
er  zee  ende  van  zoete  watere,  ess  een  vremde 
man  die  coopt  jof  vercoopt  den  twintichsten  penninc , 
zonder  baleyne  ende  harinc.  Letter k.  N.  W. 
6,  90  (a.  1348).  Van  baleynen.  So  wie  die  coopt  jof 
vercoopt  ess  van  der  marct  8  d. ,  ald. 

BALENGIER  (ballinoier)  ,  znw.  m.  Mlat. 
balingaria,  balingarius  (Duc.  1 ,  552) ;  ofr.  ballenger, 
ballenier  (t.  a.  pi.,  en  7,  54).  Èen  soort  van 
oorlogsvaartuig.  ||  Twalef  geselle,  die  sy  namen  mit 
eenen  balengier  tot  Muden,overmidsdatonveylich 
was  over  die  Suderzee  bi  der  Kuynre  te  varen, 
Oorl.  V.  Albr.  23.  Van  alrande  cost  ende  oncost 
van  houtwerke ,  ryemen ,  seyldoec  ende  anders  des 
aen  m^ns  heren  scip  ende  den  den  balengier  gedaen 
ende  vertimmert  wort,  24.  Van  eenen  balengiere 
daer  mede  men  ute  ghevaren  zoude  hebben , /fiptf»/. 
V.  Brugge  4,  42.  Alsulke  guede  ende  comanscap, 
als  binnen  der  stede  van  Dordrecht  gebracht 
waren  in  een  ballingier,  toebehorende  ende  dair 
scipper  off  was  Jan  Reyger,  O.  B.  v.  Dor  Ar.  2, 
139.  Dat  sy  in  den  voirsz.  bidlingier  byden  voirsz. 
Jan  Reyger  gevangen  angebracht  sijn  voir  die  stede 
van  Dordrecht,  a/S. 

BALFAERT  (balphaert  ,  balchfaert,  balch- 
fart)  ,  znw.  m.  Mlat.  balfardum ,  balgart  (Duc.  1, 
551).  Zie  over  de  afleiding  bij  Belfroet.  Eigenlek, 
de  heerendienst  of  corvee  om  te  arbeiden  aan  de 
wallen  en  torens  der  kasteelen  en  vestingwerken , 
aan  de  belfroede,  en,  b||  uitbreiding,  de  be- 
lasting van   12  den.  per  haardstede,  waarmede  die 


535 


BALF. 


BALI. 


536 


\ 


heerênéUentt  is  afgekocht.  Deze  belasting,  welke 
door  de  laien^  insonderheid  in  West-Ylaanderen , 
wert  betaald ,  is  omtreeks  het  midden  der  13de  eeuw 
afgeschaft.  Zie  Warnkönig-Gheldolf,  Kut,  de  la 
Flandre,  2,  61;  4,  184  en  421 ;  Invent.  v.  Brugge 
4,  232,  en  vooral  de  Bulletint  de  TAcad.  Bog.de 
Belg.,  2«e  Série,  11,  340—362,  en  374—408, 
en  14,  156,  waar  evenwel,  evenals  Noorde- 
wier 161,  de  etymologie  vau  het  woord  onjuist 
is  opgegeven.  ||Cam  nos  dnodecim  denarios 
Flandrensis  monetae,  qnos  exegeramns  annuatim 
de  qnalibet  domo  existente  infhi  oflBciam  de 
Ziessela,  ratione  cujusdam  servitutis,  qne  bal- 
fardwn  vnlgariter  appellatnr,  quod  tamquam  jus 
nostmm  ibidem  habnimns  et  recepimns  ab  an- 
tiqno,  nos  predictum  jns,  qnod  nt  dictnm  est, 
halfardum  appellatnr  vnlg^iter,  .  .  in  perpetnum 
qnitavimns  et  qnitamns,  Oork.  v.  1266,  by  Wamk.- 
Gheldolf,  Hist.  2,  459.  Onsen  balphaerd  eewelike 
wie  hebben  quite  ghescolden,  behouden  alleenlike 
tonswaert,  dat  wilden  wi  nieuwe  vesten  maken  of 
doude  vermaken,  die  den  balphaer(t)  waren  ghe- 
wonnen  te  gheldene,  warense  ons  schuldich  te 
delvene,  Oari.  v.  1240,  in  de  Bulletvu ,  t.  a.  pi. 
352.  Van  eiker  balchfart  es  scouteten  recht  II  sol. 
ende  daer  ombe  moet  hi  sitten  bi  den  ontfangere 
met  scepenen  ende  kiesen  tgelt,  Qendtck  Chtb.  10 
(a.  1252) ;  verg.  Halbertsma ,  Aantt.  op  Sp. , 
Praef.  137. 

*  BALPTER.  Verkeerde  lezing,  Bei.  d.  Gr.  2, 
127,  voor  half  ter  (z.  ald.). 

BALGEN,  zw.  ww.  onz.  By  Kil.  „Balg hen, 
decertare,  pugnare,  altereari,  eoneerere  manus, 
eonjUgere';'  hd.  balgen  (Grimm,  D.  Wtb.  1,  1086; 
Schmeller-Frommann  1,  236;  Stalder  l,126).yan 
Balg,  hd.  balg,  ook  in  den  zin  van  tuntt, gevecht \ 
verg.  tumultut  van  tumere  (Grimm,  t.  a.  pi.). 
Twist  hebben,  vechten.  ||  Hier  uth  (nut  der  arm- 
bosse)  werden  ghesloten  alle  crancheyt  die  een 
criget  van  vechten  of  balgen,  die  en  zal  niet 
ghenieten;  maer  alleen  dat  God  een  man  thoe 
zendt,  J).  War.  5,  36  («.  1512). 

BALGEN.  Zie  Belgen. 

BALGIDE  znw.  vr.  Hetzelfde  als  baelgie  (z.  ald.). 

BALGIE.  Zie  Baelge. 

BALGIE.  Zie  Baelgie. 

BALHORICH,  bnw.  Uit  Bal,  slecht,  en  Horich. 
By  Kil.  „Bal-oorigh,  bal-hoorigh,  defessus 
audiendo',  saepe  et  graviter  eadem  audiens.^*  Moede 
van  het  hooren.  \\  Dusdanige  kermen  ende  roepen 
behaget  hem  wel ,  ende  hy  en  wort  van  dusdanigen 
horen  niet  balhorich,  Con.  Som,  136a. 

BALIOEN.  Zie  billion. 

BALIERKIJN,  znw.  o.  Lederen  riem,  lederen 
ring  (?).  Het  fr.  belière  heeft  o.  a.  de  bet.  van 
„anneau  auquel  est  suspendu  Ie  battaut  d^une 
cloche"  (Littré  1,  324).  ||  Ghegheven  Rogier  .  . 
den  buersemakere  van  4  lederinen  balierkine  an  de 
scellen  tsinte  Cruuspoorie,  Invent.  v.  Brugge  3, 
38  (bl.  182  wordt  gesproken  van  „  lederine 
rieme,  de  cleppelen  van  der  clocke  mede  te 
hanghene^^). 

BALISISCHE,  verbastering  van  Basilisc,  Nat. 
Bl.  YI,  207  (varr.  basilise,  baseliscuse) ,  waarvan 
nog  grootere  misvormingen  zijn  bladelasche  en 
blarasch  (z.  ald.). 

BALIÜ    (BAELIU,    BAILIU,   BAILLIU,   BAELVOU, 

BAELJüW ,  BALOU ,  BELiOu) ,  znw.  m.  (mv.  bailiutoen 
en  bailiuwes,  Vaderb.  Xbba).  ISXdX.  baillivus ,  ballivus 
(Duc.  1,  542  op  Bajulus  4);  prov.  baile,  bailieus 
(Bayn.    2,    169);    fr.    bailli    voor     baillif.    Van 


mlat.  bajulus,  eigeniyk  drager,  en  bij  litbrcidiii, 
opvoeder,  hofmeester,  d.  i.  de  persoon  die  ka- 
deren draagt  of  leidt,  kwam  de  romaanscke  Ton 
bailo  {baj^lns:  verg.  aider  van  adjntere^tJMtm, 
altare,  aidar,  zie  Diez  1,  46  op  Bailo;  Bnek 
79  op  B  ai  1).  De  beteekenis  van  opvoeder,  hevuriir, 
breidde  zich  uit  tot  die  van  bestmtrier^  Ud- 
voogd',  verg.  it.'  balire,  prov.  boiler,  ofr.  hnlk, 
besturen.  Aan  den  anderen  kant  schgnt  nek  lit 
de  beteekenis  van  bewaren  die  van  hesderwk, 
versterken,  ontwikkeld  te  hebben,  vanwaar i«jfr 
in  den  zin  van  verschansing  (zie  Baelge). 

1)  Benaming  van  den  rechterigken  ambteiiir, 
die  in  een  bepaald  rechtsgebied  {district,  hêljn- 
schap)   als   vertegenwoordiger   van  den  Imdskeff 
optreedt ,  en  elders  schout  of  drost  genoemd  w^ 
Oorspronkeiyk  was  de  Baljuw  de  vertegenwoordifv 
van    den   Landsheer   of  diens  Stadhouder  es  Ü 
binnen  zfju  gebied  gelgke  bevoegdheid  als  delutMt 
over  het  geheele  landschap.  Van  die  macht  wa 
de  rechtsmacht ,  de  politie ,  en  het  maken  van  keira 
in   samenwerking   met  de  welgeboren  mtniMiit 
voornaamste    bestanddeelen.   Het   groeiend  ttÉi 
afgescheiden  rechtskringen ,  steden ,  vrne  heeriik 
heden  (immuniteiten)  en  de  toenemende  sel&te- 
digheid   van   deze ,  deed  het  Grafelgk  geng  es 
daarmee   dat   van   den    baljuw  allengs  inkrinfo- 
Vgl.  Mieris  2,   712  vlg.  (a.  1346);  Lams  68;  T. 
Santen  268;  Oudenh.,  Z.-Holl.  7,  109,  437,  4n; 
Noordewier  339;  V.  d.  Wall,  Register,  in  Toctft 
Baljnws  waren  reeds  onder  de  graven  slecht  bekoJ: 
het  innen  der  boeten,  dat  tot  hun  ambt  behoorde, fit 
tot  allerlei  misbruiken  aanleiding.  Hg  kr«ef  i|m 
percenten  van   de  boeten,  die  voor  den  Itndskff 
waren,  en  daarop  was  weinig  controle.  ||  Die priw 
pael  ende  overste  dienre  des  heren  heet  naden  nèn 
haircomen  bailiu,  dats  in  htXijie praeposiltu . .;ïiit 
vicarius,  dat  is  stedehouwer  des  heren,  Mtttk.% 
Ende  want  den  bayliu  also  wel  bevolen  is  naifl 
heerlicheit   te   bewaren   trecht   te   landevaerti^ 
in    der    steden,    so    heeft    die    heerlicheit  f^ 
ordineert   enen    daghelixsen   rechter,  onderdi<0 
des  heren  ende  des  bailiuys   .  .  ende  diet  iv^ 
besit  van  daghelixse  saken   als   die  baylin  »^ 
ter   vierschaer  niet   en   is,   39.   Wie  soe  yeanl 
slaet  binnen  der  chore  te  lempten ,  dat  nl  lo 
gelden  dat  vierendeel  van  eenen  manne  ofte  meer,^ 
sal  beteren  twescatte ,  alse  hoech  oft  buten  glteaot 
ware,  ende  hy  zal  zoeken  des  ceninx  ghenadej^ 
sgns  baliuwes,  Oorkb.  1,  245tf  («.  1248).  Alk  & 
saken  die  ghescien  binnen  der  chore  die  die  le^ 
baliu  ende  die  scepenen  niet  en  moghen  bere^ta 
dat   sal  berechten  die  baliu,  die  es  als  gnvea 
des  conincs  stede ,  bi  der  waerheyde  die  hi  •'* 
weten  bi  den  scepenen,  1,  2466.  Den  bansil»" 
houden  ter  comsten  des  baliuwes,  diet  bere^ 
sal   als   grave ,    1 ,   247a.   Dat   sal    berecbtea  & 
baliu  ghelijc  den  grave,  1,  247*.  Die  gnnwi^ 
setten  eenen  edelen  man,  dier  oerbaer  toe  es,ï^ 
eenen  baeliu  in  Zeelant,  die  zal  wesen  driej^ 
baeliu  ende  niet  langer,  ende  hi  en  sal  fkff» 
anderen  setten ,  het  en  waer  bi  der  meester  mesiBf^ 
der    ghesworen    ende    bi    des    graeven   wille,  * 
330/1,  II  («.  1290);  zie  nog  ald.  III,  IV.  Vy 
verbieden   bi   alsuilker  boete   alse   onse  w^ 
van    Zyrixe   bi  rade  ons  baeliu wes   utghefe»,  i 
431fl,   verg.   450,   n«    994;   465,    n«>.  1004;  4>l 
n».    1069   en  1070,   enz.    Onbiedende  dain» 
onsen   bailliu   van   den   Briele,    of  die  scoitj 
absencie  van  den  bailliu ,  Priv.  v.  Brielle  5,J' 
(a.  1476).  Goesin  van  Wielsbeke,  balgu  in  dAii^ 


537 


BALL 


BALl. 


538 


boeith,  Vod,  Uva.  4,  333  (a.  1308).  SoiutenHove 
biflia  mjj]i£  heere  Se^hers  van  Curtrike,  ald, 
(«.  1320).  Zi€  Terder  Matth.  38  en  39,  waar  men 
ook  den  eed   van   den   baljuw  beschreven  vindt. 

—  Spreekv.  Die  gheen  werck  en  weet,  smyte  den 
liMÜim,  Spreuken  91.  —  Ook  het  vr.  baelin- 
winne,  balfunosvrouw^  komt  voor,  jBbr.^^i^.  9,84. 

2)  Ook  rechterlijk  ambtenaar^  rechter  in  H  al- 
femeen.  |i  Baliawen,  jngen  biet  hi  te  dien,  die 
kenien  waren,  datmenae  afdoe,  Sp,  II*,  27,  24. 
Eode  doe  ontboot  die  helighe  vader  den  bailia, 
dit  hi  commen  sonde,  ende  ooc  mede  also  honde 
die  wethonders  van  der  stede ,  Amand  II ,  5448.  Nu 
otttboet  die  vrouwe  den  baliu :  „Her  baliu ,"  seitsi , 
^  bevele  u  dat  ghi  ^e&t  jonfirouwe  vaet  ende 
Bargen  met  uutwert  gaet,  ende  verberrentse  in 
een  vier,  Lmh»  I,  1737.  Bailliuwen,  wethonders 
cide  jngen  .  .  hout  trecht  ende  die  waerheit  sterke, 
Iknkm,  3,  116,  35.  F.  Berecht  mi, meester, lieve 
j^lle,  wie  is  die  rechter  van  der  hellen  ?  A.  Clerc , 
ie  nltn  seggen  nu :  Lucifer  es  daer  baeliu ,  Lueid. 
5164.  Zie  nog  Idyrr.  I,  226,  255;  Franc.  5418; 
Moerieu  H,  17  vlgg.;  Hild.  132,  144;  211,  345. 

—  Des  duvels  — ,  de  baljuv  des  duivels ,  iemand 
die  recht  doet  naar  het  wetboek  des  duivels.  || 
Een  mechtech  man,  die  rike  ende  onwettech  es, 
nee,  fel,  ghierech  ende  stuur,  es  en  harde quaet 
gkebnur,  U  es  des  duvels  bailliuop  ertrike ,  Zerp. 
ni,  4,  637. 

3J  Bg  uitbreiding  Opperreeiter  ^  landvoogd^ 
vaak  als  vertaling  van  lat.  praefeeius.  \\  Binnen 
Fujs  dat  hi  vant  enen  baliu,  die  die  wet  van 
fiome  daer  hadde  geset ,  Lanc,  lY ,  9859.  Antypater, 
mjn  vrient ,  die  Alexandre  heeft  gedient  ende  over 
Orieken  es  baliu ,  Alex.  X,  287  {Maeeium  proef ectus^ 
lat).  Ende  dar  toe  so  was  hi  nu  int  lant  van 
Meden  gemaect  beliou ,  TUI ,  455.  Cestius  vernam 
dit  na,  die  in  Surien  was  baelju,  Rijmb.  27906. 
Na  to  was  in  deae  stonde  baeliu  in  de  port  Geronde 
Enfijn,  ende  onder  Daciane,  i^.  II*,  47,  20.  Die 
kejier  dede  uutgeven  baljuwen,  proesten  ende 
gnven,  dat  sine  vangen  als  enen  ongaven,  II*, 
5,  7.  6hi  selt  over  al  voor  mi  spreken  voort  aen 
eade  mijn  tael  houden,  ende  in  m^n  lant  van  als 
0eYOuden  alse  mijn  soverein  ende  baelju,  Bein, 
U,  7587.  Dese  knecht  heeft  eenen  oom,  die  neemt 
tote  allen  dynghen  goom,  ende  es  baelyou  der  conin- 
gkinnen ,  OVl  Lied,  e.  Oed.  340,  739.  Zie  nog lUjmb. 
27906,28340,32149;  5!p.II*,16,  19 ;  57 ,  268  vlgg. 

3)  Ook  Voogd  of  kastelein  van  minderen  rang  ^ 
iloüoogd,  II  Want  si  dies  en  wiste  niet  werwaert 
datse  die  voget  tiet,  ende  es  haer  gelopen  naer, 
e&de  riep  den  baliu  daer,  Lorr.  1 ,  223 ;  verg.  255. 
Tan  den  palalse  hadde  Macrin  baliu  gewesen,  i^. 
n*,  6,  8.  Dese  Philip  die  hadde  gewesen  vanden 
palajse  baeliu  vore  desen,  II',  14,  21.  — Inden 
lin  van  baiUusbode^  gerechtsbode,  schijnt  bailiu 
Toor  te  komen  Pelgrim  32a:  ||  Bistu  een  bailiu  of 
een  bespger?  hoe  heetstu,  waen  bistu  ende  waerom 
diaeckftn  desen  groten  stoc? 

BALITJKA6E  (Baillinage),  znw.  vr.  Hetzelfde 
ali  ialtuseap  (z.  a.).  ||  Tscependom  ende  baillinage 
van  der  stede  van  Brugghe ,  Cout.  v,  Brugge  1 ,  203. 

BALIITSBODE  (baeliusbode),  znw.  m.  Be  bode 
MS  d^n  baljuw^  van  den  ambtenaar  van  het  open- 
baar maisttrie ,  gerechtsbode,  \\  Alle  bailiuwen ,  alle 
baliosboden ,  ende  allen  scoutien  ende  alle  scouten- 
boden  .  .  ende  allen  den  ghenen,  die  dienst  van 
layn  Heer  vueren.  Dingt.  v.  Delft  44. 

BALIUSCAP  (bailiuscap,  bailliuscap,  bae- 
LIOUSCEP) ,  znw.  onz.  en  vr.  Van  Baliu. 


1)  Baljuwschap  <^  rechtsgebied  van  den  baljuw.  \\ 
Dat  wy  den  heemraders  van  den  bedryven  van  den 
dycken  ende  van  den  watergangen  van  den  bailliu- 
schappen  tusschen  Schie  ende  Goude  hebbende 
genomen  op  ons  e  geleyden ,  Oor  kb.  2 ,  493  a  {a.  1299). 
Dit  is  innemen  haren  Florans  van  den  Boechurst 
van  der  baliuscap  van  den  lande  van  Aemstel  ende 
van  TVaterlant,  B£k.  d.  Graf  1,  270.  Summa 
summarum  van  der  baeliuscap  van  Aemstelrelant 
ontfaen,  I,  278.  Binnen  der  baeliouscep  van  Rün- 
lant.  Mieris  2,  56^  {a.  1306).  Die  goede  luyden 
tuisken  Schie  ende  der  Gk>ude  ende  van  dier  baUliu- 
schap  buten  der  poorte,  58 «  {a.  1306).  In  onsen 
baljuschap  van  Hedenblick,  113  a  (a.  1310).  Onsen 
luyden  van  onser  bailliuschap  van  Delfflandt  ende 
Schielandt,  115  a  (a.  1310^.  Soo  wie  die  boeten  . . . 
in  synen  bailiu wschap  veroeurde,  116  a  {a.  1310). 
Binnen  der  bailliuscap  van  Bünland ,  149d  (a.  1315). 
Yan  (den)  bailiu  van  Middelborch,  die  hi  nqjn 
here  leende  upt  bailluscep  voers ....  400  scilde , 
Bek.  d.  Or.  S,  328.  Zoo  ook  O.  K,  v.  Dordr.  1, 
46,  164;  eng. 

2)  Baljuwschap,  de  bevolking  in  het  rechtsgebied 
van  den  baljuw.  \\  Of  sake  geweest  waer,  dat  him 
last  van  den  Yriesen  angecomen  hadde,  dat  hi  dan 
die  alinge  bailiuscap  hfMde  mogen  uutbieden  om 
dien  last   ende   noot  te    wederstaen,     CUrrc   100. 

BALIUWINNE.  Zie  Baliu  1). 
BALG,   znw.   vr.  Mnd.   balke  (Vgl.  Grimm  1, 
1089).  Balk,  in  verschillende  opvattingen. 

1)  De  balk  boven  in  het  huis ,  waarop  's  nachts  de 
hoenders  sliepen,  vandaar  hanebalk  genoemd;  vgl. 
B>ein  I,  1618.  ||  Si  stelen  horen  nagebueren  hoenre 
van  der  balcken,  Con.  Som.  266.  —  Vandaar  die 
balke,  de  dakbalken,  het  dak.  \\  Soe  wie  stroeof 
riet  opten  balken  heeft.  Keur.  van  Hoorn  van 
1429,  §  9. 

2)  Dorgaende  balc,  doorloopende  balk  die 
in  een  schip  op  de  grootspanten  rust,  en  waarvan 
de  lengte  de  hoofdbreedte  van  het  schip  bepaalt.  De 
groote  schepen  der  eerste  klasse  worden  in  een 
reglement  voor  de  scheepvaart  op  het  Zwin  van 
1252  scepe  met  doorgaenden  balken  ge- 
noemd. Zie  ZVl.  Bijdr.  6,  17.  ||  Alle  dese  voors. 
scepe  als  si  huut  comen ,  updat  si  negheene  door- 
gande  balken  en  hebben,  es  elc  voorseit  scip 
sculdich  VIII  d. ,  ald.  25.  Voort  alrande  scepe , 
kocghen,  hulke,  oevers,  torfscepe  of  naveele  met 
doorgaenden  balken  syn  sculdich  elc  scip  XII  d. 
par.  der  toolne ,  ald.  26. 

3)  Unster,  by  Kil.  Balck-waeghe,  trutina, 
stater a.  ||  Item,  dat  niement  binnen  Antwerpen 
weghen  en  sal  met  balken,  ochte  met  scalen, 
buten  der  heeren  waghe,  eenich  goed  daer  .  .  . 
der  waghen  recht  ane  versoenen  mach  syn,  Cor. 
v.  Antw.  35,  118. 

4)  De  houten  of  ijzeren  staaf,  die  als  een  middellijn 
de  cirkelvormige  opening  van  een  korenmaat,  (b.  v. 
achtendeel)  verbindt  en  steunt.  \\  Die  maete 
wesende  voir  ende  achter  even  vol  ende  die  balcke 
bedect  mit  tcoime  eer  die  streeckel  dair  up  sal 
leggen,  K.  en  O.  v.  D*//^  153 , 4. —Vgl.  baer. 

Spreekw.  Over  die  balc  lachen,  luidkeels, 
bovenskeels,  uitbundig  lachen  (?).  Vgl.  onze  uitdr. 
het  over  de  balk  gooien,  verkwisten.  ||  Ist  datter 
yemant  van  wereltlgcken  ydelen  dingen  calletofte 
spreket,  terstont  soe  lachen  si  over  die  balck  ende 
syn  van  herten  blide  ende  vrolic ,  Oest.  Rom.  c.  40. 
—  Vgl.  ook  balch  3). 

BALKEN,  zw.  ww.  onz.  Van  Balc.  Balken 
leggen,  jj  Item  enich  man  of  vrouwe  die  steen werc 


i\' 


y 


o39 


BaLL. 


BALL. 


540 


tymmerai  wil  in  SwoUe  bi  der  ttrtte , . . .  die  ui 
die  mare  aUo  hoghe  leggen  dat  sQn  nabaer  daer  ap 
balken  mogbe,  St^k-.  v.  Zwolle  142,  239  var. 

BALLINGIER.  Zie  balengier. 

BALLING  (ook  in  den  niet  geassimileerden 
vorm  BANLINC) ,  -nye^  znw.  m.  Mbd.  banline,  balline ; 
mnd.  ballmi^  banlink. 

1)  Een  va»  het   landrechi  verttokene  ^  reehteloot 

verklaarde^   ba/mteling ^  in  den  ban  gedane^  balling. 

Verg.  Noordewier,  R.  O.  323  Tig.  — «)  Hij  die  in 

den   ker keiijken   ban   ie  gedaan.  ||   Het    ware    een 

onscone  dinc,   sonddi,   bere   coninc,    maken   uwe 

wandelingbe  met  enen  yerwatenen  ballingbe,  Bein.  I, 

2781 .  —  b)  Een  verbannene ,  kij  die  door  een  wereldlijk 

bettuwr  tot  ballingeehap    i»  veroordeeld,  balling.  \\ 

De   tijt   10   bont   gbedingbe,   up   hare   ballingbe 

doet   aoe   beqjt,    Praet   o73.    Bedi   es   bi   vroet, 

die   80  doet,   eer  bi  wort  balling   ende  woeste, 

683.     Doe    weende    sere    die    vrouwe    fijn,    als 

si   verstaet,   dat   si   daer   toe   balline  was,  Segh. 

11830.   8o   wie   zo  bin  Middelburg  iemene  boud 

die  te  banne  es  gedaen  om   gbesekerde  scboud, 

in  den   buse  dar  bi  in  woend,  etende,  drinkende 

of  slapende,  bi  sal  gbelden  des  banlings  scboud 

ende  den  bere  X  G  ende  der  port  1  ^,  word  hys 

verwonnen  van  III  scbepenen,  ende   diie  banlink 

sal   bliven  des  mans  banling  over  al  die  scbade 

die  bi  nemd  bi  hem.  Twee  schepene  ende  en  portre 

moghen   aresteren    haren    banling   bin   der   port. 

Oor  kb.  1 ,  311  6  (a.  1264).  Voort  zo  wie  die  ballingbe 

van  sestich  ponden ,  jof  ballinghe  van  live  jof  van 

lede  .  .  .  doot  slaet  bin  der  paele,  daer  bi  buten 

gebannen   zal  zyn,  zal  zgn  los  ende  ledicb  van 

dien  faite ,  Cout,  v.  Brugge  1 ,  295  (a.  1293).  Soe  sal 

men  wesen  balline  der  stede ,  Keur.  v.  Hoorn ,  van 

1429,  §  41.   Ende  van  dien  poorten  die  ghi  den 

Leviten  ebeven  sult,  soe  sullenre  ses  verseheiden 

s||n  in  der  ballingben  hulp  (t.  w.  als  vrijplaats), 

D.  B.  Nutn.  35,  6.  —  Enen   balline    slants 

leggen,  iemand  uit  het  land  bannen,  hem  buiten 

de  wet  stellen,  elders  ook   genoemd  enen  uut- 

lage  lants  leggen  of  woesten  (zie  uutlage 

en  Woesten).  ||  Die  gene  die  bi  onsen  rade  tot 

Alcmair  voirtijts  ballinge  onser  lande  geleit  sijn 

om  des  vechteliex  willen ,  V.  d.  Wall  400  {a.  1407). 

So  P.  die  moirdenair  aldair  mit  reebt  ende  vonnes 

verwast  is   van  sinen   live   ende   goede,   dat  die 

Bechter  seuldicb  is,  na  den  rechte  van  der  steden 

mit    dier    selver    vierschair    op    te   staen   mitten 

seependom,    ende    voir   die   steen   te   gaen,  ende 

aldair  P.  den  moirdenair  te  woesten  ende  ballinek 

tlants  te  legghen,  als  recht  is,  Matth.  187.  Hier 

woest  ie    ende    legh    ballingh   slans,   van   mjjns 

Heren   weehe,   van   der  steden   weghe  ende  van 

rechts  weghen  P.  den  moirdenair  uut  mijns  heren 

heerscapie  van  Yoime,  als  van  B.  doot,   hondert 

jair   ende   enen    dach,    mans   leven,   lantslegher, 

van  nu  tot  ewighen  daghen ,  188.  Van  den  gheenen 

die  ballingen  slants  geleit  worden,  overmits  doot- 

slaegen  ende  andere  gemeen  ofte  dageliexe  misdaden , 

K.  en   O.  v.  Delft  75.  Zie  ook  L.  Keurb.  Gloss., 

en  Dingt.  v.  Delft  9  en  43.  —  Ook  op  zaken  toegepast. 

II  Dat  gheenen  seheerer  en  geoorlooft  te  scheeme 
eenighe  lakenen,  ballinghen  zQnde,  up  de  boete 
van  20  fll  van  eiken  stieke,  ZFl.  Bijdr.  6,  165 
(a.  1441).  Dat  gheen  van  den  tween  vaerwers  en 
gheoorlooft  te  vaerwene  eenighe  lakenen,  ballyne 
zijnde ,  up  de  boete  van  20  ü  p.  van  eiken  stieke, 
171.  De  welke  inghelsche  lakenen  balling  zyn  in 
Ylaenderen,  Invent.  v.  Brugge  4,  333. 

2)  By   uitbreiding.   Qrove  misdadiger,  boosmeht. 


in  *t  algemeen.  ||  Hi  versoent  nocli  menegki 
balline,  alst  vorsprac  die  icriftore,  die  Ladfti 
die  lo0e  ontfinc ,  Distp.  137.  Dn  sag:best  heden  nerei 
di  ballingbe  sterven  twee  of  drie,  B<fetps.  32,  88. 

BALLINCBRIEF.  Zie  banbbief. 

BALLOKE.  Zie  Banlucke.. 

BALLOUTER,  bg  £ü.  32:  testis,  tesücalis, 
coleus.  Teelbal',  vgl.  Eng.  balloek  en  £.  Maller  4& 

BALMOND  (BAELMOND),  xnw.  m.  Mhd.  bmlmaÊt 
Van  bal,  d.  i.  steekt,  en  wumd,  d.  i.  voofd,  TgL 
hd.  vormund  en  ndl.  mowiioar,  wumdiffy  enz.  Au 
slecht  voogd,  hij  die  de  belangen  vam  wÜMderjarifs 
kinderen,  aan  zijne  voogdij  toevertrouwd,  sledi 
behartigt,  en  vervolgens  hij,  He  zijne  ievoegdhtü 
verliest  om  weder  voogd  te  zijn.  ||  Dje  de 
kynder  guedt  toebrochte  ende  der  kjnder  oibir 
nyet  en  dede,  dye  helft  zji»  mondscblp  verlora 
ende  een  baelmond  te  bljven  ende  djre  schepeaa 
sullen  en  ander  op  zyn  steed  setten,  Scbwartz, 
1,  563,  111.  Die  beeft  zyn  mondscip  Yaiarei 
ende  sal  een  balmond  blyven,  ald.  5776.  TgLEl 
31:  balmonden,  j.  verbaelmonden,  msle 
tueri  rem  pupilli ,  adimere  tuiori  tuteUass. 

BALMONDICH  (belmundich  ,  bellemlndicb i 
bnw.    Mnd.    bal-,   belmundich.    „Ballmmmdieh ,  ie? 
schlechten   oder   keinen  Sehuts  hot**    ist  ein   bais- 
genosse,   der  seines  Hofrechtes  yerlnstig  worèea 
ist ,  nnd  daher  von  dem  Hofesberren  als  ritterdga 
beerbtheilet   oder   auf  die    Gnade    desaelben  tg- 
wiesen   wird"   (Lubben  1,   146).  YgL  Strodtmai, 
aangeh.  bij  Kil.  bl.  31:  Balmundi^h,  d.  L  Af(« 
nae  den  doedt  (Racer  4,  243).  ||  Wie  syn  Hoftecbt 
versuimet  .   .  ofte  daer  tegen  doet,  .  .  die  woft 
belmundich,   dat  is  te  verstaen,  dat  die  sehi^, 
hy   sy  manu  ofte  frowes  persohne,   Terboert  alk 
syne  geregtigheit ,  die  by  heeft  in  den  hoflfreektaL 
ende  wort  na  synen  levent  eigen ,  ende  daa*  neoët 
de   Kon.    Maj.    alle   syne  naelatene    gniderea  b^ 
weghlick  ende  unbeweghlick ,  beboltlich  nochtaas, 
dat  hy  altydt  noch  binnen  synen  leeven  die  \t^ 
mundieheit  magh  affkoepen ,  aang.  bij  Kil.  1. 1.  f- 
(Racer  4,  246;  zie  nog  een  voorbeeld  ald.).  Stsn 
eyn  wastinsich  man  ende  seghede  siin  bere  datk 
siin  tyns  neit  ghegheven  en  hadde  ende  bellemuBdidi 
were,    B.   v.   Zutf.   70,    76.    Soe    wie   dan  o^ 
rechten  tynsdach  .  .  inden  hof  niet  en  queme  isi 
betailde  synen  tyns  off  hoffpenninck    .  . ,  dat  sk 
dan  binnen  jairs  storven,  sie  solden  belnuad^ 
wesen  oeren  heren  ind  oir  naegelaethen  g^etssc^ 
ind    sall    oir   heer   deylen   mytten    eTffgenêOBS^ 
Racer  4,  197.  Wert  sake  dat  enych  hofhoiychsa 
ofte  wyf  hylycte  buten  der  echte  an  eynen  asdera 
de  nyet  hof  horych  ys  ende  bynnen  jaers  den  ando^ 
nyet  braehte  yn  der  selver  hofrechten    ofte  ijc: 
en   krege   daer   to  des  Heren  consent,    de  woet 
belmunayeh,  ald.  248.  Zie  de  Aant.  o/^.  bl.  243  a 
bl.  293  en  297,  en  nog  andere  voorbeelden  ni 
het  gebruik  van  dit  woord,  ald.  bl.  246  en  244: 
alsook  Schrassert ,    Codex  Gelr.-Zutpk.  2  ,  54 ,  5U 

BALMONDICHEIT  (belmundicheit).  Zieiü 

MONDICH. 

BALM0ND6CIP,  znw.  vr.  De  toesteatd  wem  U 
mond  (z.  a.),  d.  i.  van  hem,  die  onbeuoefd  is  es 
weder  de  voogdij  te  voeren  over  viinderyarige  tot- 
deren.  II  Van  balmondtseip ,  Sehwartz.  1 ,  5774,  ^^ 

BALOTE,  znw.  vr.  Slingering.  Van  fr.  é«/tósr 
(Littré  1,  288).  In  de  uitdrukking:  In  baiotfi 
staen,  in  een  wankelen,  onzekere»  toest»»d  ft^ 
keer  en.  ||  Dus  stont  die  kerke  in  baloten  tote  ^ 
Kaerle  den  groten,  Lsp.  II,  50,  49. 

BALSAME     (BALSKME,     BALSEMF.NE,      BALi^ 


541 


BALS. 


BALS. 


542 


(J.  V.  1367,   46tf),  snw.  yr.,  en  Balsaem,  znw. 
■.  Lat  èaüamum]  mhd.  balsame,  balteme. 

1)  BaitÉm,  II  Int  bat  van  balsemen  bade  hi, 
?4fii  8253.  In  dien  horen  stac  mettien  balsemene, 
■iiTe  ende  viroec ,  Zone.  III ,  11872.  In  dat  lantscap 
N  vies  oec  edele  balsame  ende  ▼ieroec ;  want  die 
bome  balseme  draf  hen,  JUx.  X,  699.  Een  kouke 
vu  dies  aTona  bleyen  yan  balseme,  X,  779. 
Aldns  moetmen  dien  balsaem  ontfaen,  die  uten 
hoote  sal  gaen,  Nai,  BI,  IX,  133  (yar.  die 
hêlmu),  Datter  nut  rinnet,  datmen  oyer  balsame 
kisnet,  heet  apobalsamnm  bi  namen ,  IX ,  146.  Ten 
aoppe,  die  yele  sneter  roec  dan  doet  balseme 
oeht  Tiroee,  Bote  2823.  Een  balsemier,  die  ghe- 
rackte  balseme  gaf.  Flor,  981.  Si  eten  balseme 
eade  wirooc,  Alex,  X,  786.  O  Jhesn,  .  .  vel- 
riekender  dan  die  balsame  costeUck,  D.  War.  3, 
249,36. 

S)  BÊdtemboom.  \\  In  Egypten  wast  hi  nn  scone 
iit  plejn  neyen  Babylone;  nu  ne  mach  niemen 
balMDe  winnen  dan  kerstine.  Nat,  BI,  IX,  112. 
IMe  edel  balseme  sal  hier  na  staen,  Denkm,  3, 
122,46. 

BAL8AMEK,  zw.  ww.  bedr.  Mlat  hahamare\ 
Bbd.  halteme»\  mnd.  baUemen,  Baltemen,  \\  Doe 
dede  hi  balsamen  wale  met  dieren  crude  dien 
ooainc,  Alex.  YII,  792.  Ende  hi  hete  den 
medicynres  sgn  knapen,  dat  si  sinen  yader  bal- 
nmen  souden  mit  duerbaren  cmyde . .  (8i)  hielden 
kern  daer  na  yeertich  dagen,  want  dat  was  die 
lede  Tan  den  balsaemden  lichamen,  D.  B,  Oen. 
öO,  2,  3. 

fiAL8AMI£R,  znw.  m.  Ofr.  hakamier^  baute- 
«Mr(Littré  1,  316  o^Btkumitr). Baleemboam.  \\ 
Een  balsemier,  die  gherechte  balseme  gaf.  Flor, 
981.  Van  turibim,  yan  balsamiere,  yan  acoleien, 
nik  eglentiere  mach  men  daer  yinden  een  grote 
teole,  2666. 

fiALSANE,  cw.  yr.  en  m.  (?).  Hlat.  baldanum, 
yitmmm  (Bnc.  1 ,  549 ,  657) ;  proy.  bauean  (Bayn. 
2,  201);  ofr.  haueeant  (ald.  1,  627;  Gachet  67, 
op  Ban  faut).  Oorsprong  onbekend  (yerg.  Littré 
1,288  op  Balzan;  Biez  2,  9  opBalza).  Vaan, 
vmiw^zer,  wmpel,  inzonderheid  aan  een  schip 
(«on  grsnt  haucent  yermeil,  qui  sera  au  bout  du 
■ast  en  enseigne  nuit  et  jour,"  Bncange  uit  eene 
Sekotache  rekening).  ||  Up  onser  Vrouwen  dach 
Stèren  .  .  ghegeyen,  ende  hi  yoirt  mede  betalen 
•ende  balsanen  ende  wimpelen,  die  yoir  minen 
kere  ende  yoir  8||n  scepe  gemaect  waren,  Oorl,  v, 
Alkr,  26.  ym  ellen  bolcraens  toten  balsanen, 
433.  Die  yan  Gendt  yerloren  eenen  zeere  yromen 
■aa  yan  wapenen  .  .,  dewelke  yoerde  als  een 
leedsman  eene  (/.  eene  ?)  langhe  roede  balsane . . ; 
daer  wart  hy  fhekeelt  ende  doot  ghesteken  ende  syn 
balsane  gestelen  tAelst  up  de  poorte,  Cron.  v, 
Vlaemd.  2,  181.  Yoer  dese  figure  stont  eene 
keerljke  balsane  van  der  wapenen  mijns  geduchts 
keeren,  2,  239.  Balsanen  gbestelt  up  tbeelfroot, 
ln9eni,  9.  Brugge  8 ,  186.  Yiere  balsanen  te  makene 
die  staen  up  de  yoors.  torrekins,  6, 330. Den yoor- 
Miden  sesse  beekenen  ende  yiere  biEilsanen  te  yer- 
goidene,  6,  331.  Zoo  ook  6,490en491. —  Omme 
laken  ende  andere  ffereijtschap  tot  8  balshayen 
(L  halt{k)anên)  op  die  schepen;  de  maelre  yan 
den  3  balshayen  (1.  haleanen)  te  maken,  Fruin, 
-B^dr.  1,  326,  waar  ook  gezegd  wordt,  dat  de 
kaant  bellen  kocht  yoor  de  balthaven  (1.  bakhanen) , 
en  dat  er  eene  betaling  geschiedde  yoor  „rothem 
kalahayen"  (1-  rothen  balehanen),  die  mgn  heer  tot 
Sagelant    varen    solte    16    ellen    says.    Up    syn 


hooft  hadde  hy  eene  groote  balsane  gheftinget  met 
enz. ,  aangeh.  Invent,  v,  Brugge  Gloss.  op  b  a  1  s  a  n  e. 

Samenst.  Balsanemaker(ZP/.J?t>'(;r.6,190). 

BALSEMENEN ,  zw.  ww.  bedr.  Freq.  yorm  yan 
baltemen,  hetzelfde  als  baleamen  (z.  ald.),  waar- 
mede het  in  bet.  oyereenkomt.  ||  Met  speciën  ge- 
balsement  wel  sinen  lachame,  S^.  I^,  54,  13. 

BALSLAGEN,  zw.  ww.  onz.  Den  bal  tlaan, 
kaaleen.  jj  Spelen  .  .  mit  colyen,  balslagen , rollen 
mit  cloten  enz..  Leid.  Keurb,  243,  62. 

BALT.  Zie  Bout. 

*  BALSHAYEN,  yerkeerde  lezing  yoor  baleka- 
nen,  baleanen.  Zie  BALSANE. 

BAL  UWEN  (baellewen),  zw.  ww.  onz.  Vgl. 
Got  balvjan ,  pQnigen ,  kwellen  (Schulze  42) ,  en  zie 
Taalk.  Bijdr.  1 ,  26.  In  de  uitdrukking :  B  a  1  u  w  e  n 
op  ene  dinc,  eieA  pijnigen  om  iele,  op  iets  azen, 
vlaeten,  er  naar  haken,  verg.  mul.  pinen  om  ene 
dine.  jj  Zi  poghen  hoe  zi  moghen  caellewen  der 
lieder  beursen,  daer  zi  up  baellewen,  ende  met 
weelden  groot  yerdwazen,  Fraet  2172. 

BAMISSE  (bamesse,  baemesse,  baefmesse), 
znw.  yr.,  zonder  mv.  Samengetrokken  uit  Baefmisse 
(o.  a.  Keurb,  v,  Bott,  42,  123).  De  mie,  de  heilige 
dag  van  St,  Boef  of  Bavo  (verg.  Kertimit,  eng. 
Michaelmat),  z^nde  1  October,  inzonderheid  bekend 
als  een  der  gebruikel^ke  termijnen  yoor  den  op- . 
brengst  yan  cQns,  het  betalen  yan  huur  enz.  Zie 
Noordewier,  BO,  149;  De  Bo  77.  ||  Indesentiden 
dat  dit  geyel,  rechte  om  sinte  Bamesse  wel,  so 
reinet  .  .  .   utermaten   sere,   Yelth.  YI,   21,  16. 
Na  alfinaent  sente  Bamisse  die  sonne  in  scorpio, 
Natuwrk.  1121.  Yort   so  hebben  si  hem  ghelovet 
te  gheldene,   ten  naesten  baemesse,  ygftich  lib. 
Enghelsc,   Oorkb.  2,   157a  {a,  1278).   Yoort  dat 
mire    yrouwen  yrienden  ende  haren  Florens  ghe- 
nomen   is,   dat  zal  men  hem  weder  doen  hebben 
yore  Bamisse,    2,    1906.    Yan   dien  pachte,  .  . 
die   hi  niet  en  gaf  den  hoye  van  der  Grode  op 
sinen   dach   the   Bamisse  die   leeden  is,  alse  hi 
schuldich  was,  2,  248ii.  Binnen  baefmisse  naist- 
comende,  NQh.  4,  166.  Ende  die  muet  hi  quiten 
onthier  ende   sente   Bamisse,    Vod,  Mut,  2,   246 
(a,  1277).  Ailbrecht  sinen  bastairt,  die  des  anderen 
oages  na  Bamisse  tot  Staveren  toich ,  Oorl,  v,  Albr. 
468.   Item   is  overdragen  ende  gekuert  dat  men 
tusschen  bamisse  ende  vastenavont  gheen  conineu 
duere  geven  noch  vercopen  en  moet  .  .  dan  tstick 
yoor  3  gr. ,  Leid,  Keurb,  246 ,  69.  Omtrent  Bamesse 
doen    quam    vrou    Margriete   .   .   in  Ylaenderen, 
Cron,  V,  Vlaend.  1,  200.  Binnen  Baefinesse  int  jaer 
van    een   ende   tneghentich,    ZVl,  Bijdr,    4,    67 
(a.   1389).  Te  Sente-Bamesse,   Vod,  Mut,  2,  868, 
369;  4,  361;  enz. 

Samenst.  —  Bamessemerct,  markt  op  lOet, 
gehouden,  Oetch,  v,  Antw,  2,623.^Bamesschult, 
tchuld  op  Barnette  af  te  betalen,  Invent.  v.  Brugge 
4 ,  238. 

BA  MPT,  hetzelfde  als  beempt,  beemd  (z.  ald.). 
Diut,  2,  228:  bampt,  pratum. 

BAN  (ban NE  ?) ,  znw.  m.  Ohd. ,  mhd. ,  mnd. ,  os. 
iof»; hd.  bann',  ofri.  bon,  ban;  ags.  geban  (Grein  1 , 
376);  ook  in  de  rom.  talen  overgegaan,  door  mlat.  ban' 
num,  bannue  (Duc.  1,  667  vlgg.);  ofr.  ban  (Duc. 
7,  54);  fr.  ban,  verwant  met  gr,  ipalvsiv  (voor 
(ftavjeiv).  Zie  verder  Grimm  1,  1113;  Diez  1, 
51;  Littré  1,  289;  Grimm ,  J{.  ^.  732,  en  vgl.  BON. 
1)  ledere  plechtige  afkondiging,  proclamatie,  be- 
kendmaking (vgL^tftoé^inhuweigksgeboden  =  fr.  let 
bant).  Zoo  b.  v.  in  krijgtban,  heerban,  de  plechtigeop- 
roeping  ten  stryde  van  de  leenmannen  door  hunnen 


543 


BAN. 


BAN. 


544 


leenheer  (mlat.  keribannuê) ,  zie  ald.  ||  Doe  creyeerde 
men  den  ban  also  honde  ende  elc  voer  doe  daer 
hl  wonde  onder  sine  banier,  Merl.  28707.  {Vgl. 
Achterban,  waar  medegedeeld  wordt ,  dat  even^ 
het  hd.  keerbann  ook  ban  de  bet.  kan  aannemen 
yan  de  opgeroepen  ttrtjdert  zelf;  alsook  ^t 
fr.  ban  en  arrière-ban  bij  Littré  1 ,  289).  —  In  het 
by  zonder  eene  proclamatie  ot  bekendmaking  vanwege 
de  overheid^  met  eene  tiraf bepaling ^  eene  poenale 
tancliêy  gebod  of  verbod,  li,  edictum^ninterdietum, 
Ygl.  ags.  g  e  b  a  n ,  mandatum,  edictum.  Een  dergel^'ke 
ban  kon  slechts  uitgaan  yan  den  drager  der 
rechtsmacht ;  dit  bljjkt  o.  a.  nit  de  ofri.  formule : 
Bi  „grewa  ban  and  aesga  dome.^^  In  het  vroegere 
G«nn.  recht  stonden  in  dezen  zin  de  woorden  ban 
en  doem  tegen  elkander  over.  De  graaf,  als  ver- 
tegenwoordiger van  den  vorst ,  kan  een  ban  uit- 
spreken: dit  kan  de  asega,  de  vertegenwoordiger 
der  gemeente,  niet.  Ygl.  2>.  Var.  5,  128  en  130. 
(Ook  later  komen  de  woorden  ban  en  doem  ver- 
bonden voor;  zie  onder). — Vandaar  dat  men  en  es 
ban  breken  zoowel  weergeven  kan  door  iemands 
hoogheid  schenden,  als  door  iemands  gebod  breken; 
het  eerste  is  een  gevolg  van  het  tweede.  ||  Ie 
berope  u  van  dorperheit:  gi  hebt  mins  oems  ban 
tebroken;  dit  sal  scire  sijn  gewroken,  Lane.  III, 
18918.  Gi  hebt  tebroken  minen  ban ,  dat  ie  gedogen 
nine  can,  19003.  Uut  Constantinoble  tracOvisares 
wel  met  dertich  dusent  man,  die  alle  vruchten 
sinen  ban,  Lett.  N.  R.  7*,  145,  76.  God  sprac 
met  sinen  monde,  diet  verbrake,  dade  sonde. 
Nu  besie  elc,  eest  wijf  of  man,  dat  hi  houde  wel 
sinen  ban,  Lucid.  3161.  Dat  wi  gheorloven  den 
scepenen  van  Middelburg,  wat  dat  si  maken  van 
bannen  of  van  leeten  (coeren?)  up  wevers,  up 
vulres  .  .,  dat  houden  wi  vast  ende  ghestade, 
Oorkb.  2,  238a  (a.  1286).  —  Een  hendiadys  bevat 
JRein,  1,264:  ||  Sint  dat  die  coninc  sinen  ban  he vet 
gheboden  ende  sinen  vrede,  d.  i.  bij  plechtige  ver- 
klaring  heeft  geboden,  vrede  te  honden  (bfj  eene 
rechtszitting  genaamd:  lust  ghebieden,  on- 
lust verbieden;  vgl.  ons  onlusten),  zie  vs. 
363:  „Dat  ghi  haddet  coninclike  over  alle  uwen 
rike  dien  dieren  gheboden  vrede." —  Hiertoe  be- 
hoort ook  de  uitdr.  vorderban.  De  vraag  naar 
de  beteekenis  van  den  vorderban  is  door  Matth. 
134  niet  beantwoord.  Wel  vinden  wy  daar  ge- 
vraagd: „Wat  een  vorderban  is?  Waerom  dattet 
hiet  een  vorderban?  Ende  wien  die  vorderban 
toebehoirt?"  doch  voor  het  antwoord,  dat  ont- 
breekt, zQn  een  tiental  regels  opengelaten.  De 
plaats  behandelt  het  geval,  dat  een  schuldeischer 
verlangt,  dat  een  pand,  hetwelk  hij  onder  zich 
heeft,  hem  voor  de  schuld  worde  toegewezen. 
Nadat  de  panden  y^volboden  sijn  getoijst  door  een 
voirvonnesse  van  schepenen,"  d.  i.  wanneer  bij 
vonnis  is  verklaard,  dat  de  schuldeischer  naar 
rechten  z^n  eisch  heeft  publiek  gemaakt,  bewijst 
hg  z^ne  schuldvordering.  Hierop  volgt  het  eigenen , 
het  toewezen  van  het  pand  in  eigendom.  Het  woord 
is  eene  verbastering  van  verd^ban,  vred^ban,  in 
een  charter  van  Floris  Y  van  1273  bannus  pacis 
genoemd.  Vredeban  is  de  plechtige  (met  eene  be- 
paalde formule  gepaard  gaande)  handeling,  waar- 
mede de  rechter  in  gebannen  gedinge  den  vroegeren 
eigenaar  uit  het  goed  bant  en  den  nieuwen  er  in 
bant,  en  vervolgens  over  dat  goed  en  zgn  eigenaar 
den  vrede  gebiedt.  Zie  een  uitvoerig  opstel  van 
R.  Fruin  over  het  woord  in  VersL  en  Meded.  der 
Kon.  Acad.  2de  Reeks,  Dl.  12,  bl.  99—118. 
Het  woord  komt  niet  alleen   in  vroeger  Friesche 


streken  voor,  maar  ook  in  het  Rgk  vanNgmcfoi. 
Waar  gezegd  wordt,  dat  aan  schout  een  vredeba 
gegeven  wordt,  beteekent  dit  het  geld  voor  het  wil- 
spreken  van  een  vredeban.  Zie  ald.  bl.  116;  Henil. 
V.  d.  Maatseh.  der  Ned.  letter k.  1882,  bl.  67,  cb 
verder  vredeban.  ||  Als  dat  vonnes  {het  wmr- 
vonnesse  van  schepenen)  die  pmden  volbodea  ghewjst 
heeft,  so  sal  dieghene,  die  die  panden  ejgheoa 
{zich  toeeigenen)  wil,  den  schout  een  vorderlMi 
gheven  ende  als  die  schout  of  die  bailiu .  .  ih 
hy  die  vierschair  hout,  den  vorderban  out- 
fanghen  heeft,  so  sal  die  ghene  diet  sijn  pandei 
syn  .  . ,  syn  scult  .  .  bieden  wair  te  maken,  tfittk 

132.  Ist  {het  pand)  volboden  ghewgst,  men  mack 
den   vorderban   gheven   ende   comen   op  dat  crie 
ende   pande,   als   recht  is,   131.  —  Ook  bg  ea 
verkoop   van  onroerend  goed.  |)   Na  dat  veaia 
neemt   die   vercoper   een  halm  in   die   hant  uèt 
gheeft  den  coper  dat  halm  in  sgn  bant,  ende  seit 
aldus :  ghi  heren  die  scepenen  sgn ,  hier  gheef  ie 
Pieter  een   ghifte  vander  erven,  die  ie  hem  ver- 
coft  heb.  Ende  die  coper  gheeft   den  schout  ea 
vorder   ban,   aldus   segghende:  .    .   so    ban  k  1. 
uuten   voirs.   erve  ende  ban  daerop  Pieter,  eide 
leg  dairan  myns  heren  ban,  enz.  {i\»  %è),  Xattk 
116.    —    Den    vorderban    leggen    an   eci 
erve,   met  eene  plechtige  formule  er  d^n  vreêêbea 
over  uitspreken ,  het  erf  als  het  umreplaataen  oaier 
de  bescherming  der  toet.  ||  Ist  dan  dat  dieyercops 
meer  erve  in  denselven  ban  {district)  heeft,  èd 
biyft    des    coeps    borghe   mits   den    Tonnes,  di& 
scepenen   wysden   eermen   den  vorder   ban  leide, 
Matth.   117.  Dat  die  ghifte  vry   sal    bliTen  ak 
dat  lant  ende  erve  onbelast  jair  ende  dach,ghidi^ 
dat   vonnes   ghewiist  heeft,  dair  die  rechter  da 
vorder  ban  op  gheleit  heeft,  ald.  —  V^l.  de  litdr. 
sinen    ban    leggen    op    of  an   iet,  b^j  2  i)L 

2)  ledere  plechtige  formule,  meestal  met  gclktt 
en  vaststaande  bewoordingen,  ter  begeieiéimg  vm 
de  eene  of  andere  plechtige  hmndeUng. 

a)  Bij  het  bezweren  (uitbannen)  Tan  booe 
geesten,  de  bezwering,  uitbanning,  uUdriJvim^  selve  f, 
So  ontsagen  si  {de  duivelen)  sinen  ban,  ^.  UI'. 
36,  4. 

b)  Bij  de  rechtspraak,  de  woordem,  waarwsedeè 
vorst  en  zijne  rechterlijke  vertegenwoordiger*  wemèi 
instandhouding  van  recht  en  wet  waken  en  tsfet 
overtredingen  daarvan  straf  bedreigen.  ||  So  bsa  ie 
A  uuten  voirs.  erve  ende  ban  dair  op  Pieter,  ti^ 
leg  dairan  mgns  heren  ban,  schouten  ban  tak 
schepenen  ban,  ik  verbied  namens  den  Jkeer  ens^ 
vertegenwoordigers,  en  de  schepenen,  dat  dat  tsn 
nyemant  an  en  spreke  tensy  binnen  jair  ende  dag^, 
lantsrechte    ende  tschependom,  Matth.    115,  ook 

133.  Hieran  legghe  ick  des  Eejsers  ban,  ém 
Graven  ban  van  Hollant,  des  bailiuws  ban  oiée 
die  mynen;  ick  vraghe  u  oif  ick  den  diagte 
alsoe  ghebant  hebbe,  dat  ick  den  aftenstoel  besifia 
mach,  Westfr.  Dingt.  8. 

c)  De  plechtige,  in  bepaalde  termen  vervettte  vb- 
klaring  van  schepenen ,  waarop  het  vonnis  9ma  dn 
schout  volgt.  II  Naden  ban  die  tsaterda^bes  b- 
ghebrocht  ende  voirvonnes,  die  scepenen  ^tewl* 
hebben,  Matth.  162.  Des  saterdagbes,  als  ^ 
voirscepen  den  ban  inbrenct  ende  trecbt  heyst^  \SL 
(Op  deze  beide  plaatsen  is  misschien  de  ei^eal^ 
bet.  van  den  ban  inbrengen:  mededeeiing  iem 
van  de  zaken,  die  zij  willen  berechten;  TgL  131' 
„Heer  rechter,  wildi  horen  tot  wat  ban  scepesa 
staen  willen  tot  myns  tsheren  behoef  ende  èr 
steden  ?").  Die  ghene ,  die  die  ban  ang^bekeert 


545 


BAN. 


BAN. 


546 


diegene  der  tehepenen  (ie  v  o  i  r  s  c  e  p  e  n) ,  aan  wien 
de  iaak  opgedragen  waa ,  den  ban  ,  het  vonnis  mede 
te  deelen^  sal  segghen  aldas  totten  rechter,  enz.^ 
131.  Die  graye  salt  doen  jngieren  bi  banne  yan 
scepenen,  Cout.  v.  Brugge  1,  250. 

3)  BeeAttpraai,  TOOTal   in  hare  gevolgen,  Yoor 

zoover  nl.  personen  of  goederen  dcuirdoor  tot  iets 

worden  verplicht  of,  tot  dat  een  nader  vonnis  zal 

zijn   uitgesproken,    verbonden   bleven.   Deze  bet. 

vloeit  voort  nit  2  e).  —  a)  in  eig.  zin.  ||  Welc  huer 

sal  hebben  der  Eren  ban  (de  rechtspraak  uitnaam 

van  vrouwe  Ere) ,  of  die  dorper  sonder  lere  of  die  rike 

es  sere,   rerk.  Mart.  63.  Bekeldamme ,  alse  breet 

alse  hi  onder  banne  ende  onder  doem  lach ,  Mieris 

2,  63tf  (a,  1306;  vgl.  bij  1).  —  Enen  te  banne 

honden,  iemand  w»  stiuit  van  beschuldiging ,  onder 

sijne  rechtsmacht  houden.  \\  Soo  willen  wi  dat  mene 

dage  tvierscare  aldaer  ende  te  bannen  houde  tot  onser 

coemste  In  Walcheren,  so  sullen  wi  hem  darover 

beriden  sonder  verdrach,  Mieris  2, 276  a  (a.  1322).  — 

b)  In  fig.  zin.  Rechtsgebied^  macht.  \\   lu  ban  daer 

gaet  uut,   Merl.  28013.  Cleedinghe  dor  tmesdoen 

began,  nu  eist  hoverden  ghespan,  men  maecse  bi 

engiene ;  nu  meersen  si  der  hellen  ban ,  Wap.  Rog. 

696.  Niet  dat  ie  u  ghenesen  can  off  helpen  uuter 

minnen   ban,   MLoep  I,   1701.  Dat  trouwe  sonde 

ghelden  dat  minne  verdade,  dats  meneghen  cleine 

toeverlaet,   die   in   den   banne   van  minnen  staet, 

Hadew.    1 ,   33 ,   66  Var  (in  den  tekst  bande).  — 

Enen    te    banne   houden,    iem.  in  zijne  macht 

houden.  \\  Du   dwoeges  ons  af  die  hate,  daer  ons 

die  nacht  helt  in  den  ban,  O.  H.  W.  89. 

4)  De  terechtzitting  zelve  ^  welke  op  den  daarvoor 
bestemden  dag  wordt  gehouden  en  met  de  gebruikelijke 
termen  (in  ge  ban  re  tal  e)  wordt  geopend  en 
geleid.  \\  Wort  een  poirter  borge  .  .  .,  so  sal  men 
den  uutlems  man  eude  sijn  borge  dagen  tsaterdages 
ban,  Matth.  89.  Al  die  gene,  die  an  den  eigendom 
van '.der  erven  deelachtich  sijn,  sullen  comen  drie 
saterdagheu  ten  ban  aeneen ,  ende  bieden  halr  erve , 
113;  vgl.  114.  Of  een  sün  erve  bieden  mach,  eert 
rercoft  is ,  ende  volbiedent ,  ende  doent  volboden 
wysen  mit  vonnes,  ende  dair  tenden  dat  erve  ver- 
copen,  ende  rechtevoert,  sonder  meer  biedens,  des 
eersten  saterdaghes  ten  ban  een  ghifte  of  gheven , 
116.  Die  vergfderingen  ende  die  hantiringen,  die 
aldair  geschieden,  hiet  men  tsondaghes  ban,  129. 
Als  dit  drie  saterdaghen  openbairlic  aeneen  ten 
ban  gedaen  is,  so  sal  die  vercoper  tot  den  dorden 
sateiSaechs  ban,  als  hijt  gheboden  heeft,  begeren 
▼onnes,  113.  Ende  dese  vergaderinghe  des  rech- 
ters ende  tgherechts,  ende  der  gheenre ,  die  mitten 
rechter  off  tgerecht  te  doen  hebben,  heet  men, 
na  den  ouden  haircomen,  saterdaghes  ban,  130. 
Antwolrde  geven  op  dat  hy  aldair  ten  ban  ghetoecht 
of  begheert  heeft,  131.  Dat  men  altoes  des  sater- 
daghes, al  wairt  een  grote  hoecht^t,  sculdich  is 
van  rechtswegen  ban  te  houden,  ald.  Dat  niemant 
gene  g^fte  geven  en  mach  van  enigen  arven,  die 
binnen  der  vryheit  van  den  Briele  leggen,  het 
en  si  tote  sondaghes  banne,  Priv.  v.  Brielle 
26  (tf.  1342).  Die  sullen  comen  ten  naesten  banne 
snde  toghent  aldair,  dat  zilt  verloren  hebben,  K. 
V.  Brielle  49,  16.  Des  saterdages  na  den  banne, 
[tfieris  2 ,  90  a.  Als  die  rechter  voldinghet  heeft  van 
il  dat  hy  ghedaecht  had  tot  saterdach  ban  van 
vechten,  so  verzoent  hy  die  Inden,  die  ghetwist 
hebben  ende  aldair  ghedaecht  waren  tsaterdaechs 
ban ,  Matth.  140.  Men  sal  (des  ander  daghes)  vier- 
Bchair  maken  ende  doen  recht  van  dat  tsaterdaghe 
ten    ban   gedaecht  was  ende  onberecht  bleef,  141. 


Zoo  ook  K.   V.  Brielle  9,  3;  14,  19;   164;  enz, 
Matth.   114;  117;  130;  enz. 

—  Den  ban  dingen  leest  men  eene  enkele 
maal  voor  dat  dinc  bannen,  d.  i.  eene  rechts- 
zitting met  de  oMcieele  termen  openen  en  leiden.  \\ 
Dan  mach  se  die  rechter  terstont  ballinc  slants 
legghen  sonder  dinghe  te  bannen;  mer  doet  hijt 
up  enen  anderen  dach ,  soe  moet  hij  den  ban  dinghen , 
Dingt.  v.  Amst.  23.  In  den  eersten  als  die  rechter 
den    ban  ghedinghet  heeft,  so  seit  hij,  enz.,  ald. 

—  Enen  in  enen  ban  leggen,  iemand  voor 
het  gerecht  roepen^  in  rechten  betrekken.  \\  Gort 
daer  nare  soe  ghevielt  dat  een  mesdede  jeghen 
trecht  van  der  stede  van  Bruecele,  mids  welken 
daden  die  wet  was  alsoe  beraden ,  dat  si  dien 
mesdadegen  man  leggen  woude  in  enen  ban,^fa^. 
T.  VI,  11Ö60;  vgl.  '70.  Zie  verder  ald.  tot  vs. 
11662,  en  verg.  Amman. 

—  Bi  (over)  enen  ban  staen,  als  rechter 
zitten.  II  Ende  dit  vernam  ter  vaert  mijn  heere 
Anthonijs,  die  ruwaert,  die  den  heere  van  Assche , 
den  amman,  verboot  dat  hi  bi  dien  ban  niet  en 
stonde,  in  gheer  maniere.  Die  stat  van  Bmecel 
versocht  schiere  haren  amman  alsoe  houde  van 
rechtswegen  dat  hyt  doen  soude,  ocht  dat  hi, 
sonder  enigh  beiden,  terstont sgn roede nederleide , 
Brab.  T.  VI,  11567.  Dat  hi  bi  bedwange  der 
stadt  van  Bruessele  over  eenen  ban  gestaen  hadde 
tegen  tgebot  van  den  Ruwaert,  Exc.  Oron.  164  b, 

6)  Het  rechtsgevolg  van  het  leggen  van  den  ban^ 
de  straf  die  ten  gevolge  daarvan  aan  de  overtreders 
opgelegd  wordt.  i|  Of  ie  nu  sloughe  eenen  man, 
soude  mijn  cleet  (het  lichaam)  ontfaen  den  ban  in 
der  schepenen  luud?  Denkm.  3,  26,  336.  Datten 
nyement  en  huse  noch  en  hove,  en  ate  noch  en 
drancke ,  hi  en  heeft  des  bans  geboet,  Matth.  140.  — 
Bepaaldeiyk    in    de   beide   volgende    opvattingen: 

a)  Geldelijke  straft  geldboete^  ook  meermalen  in 
Lat.  stukken :  bannos  solvere.  Later  werden  de  beide 
woorden  ban  en  boete  synoniem,  en  komen  meer- 
malen verbonden  voor ,  doch  dat  dit  oorspronkelijk 
niet  zoo  was,  blijkt  o.  a.  uit  Mieris  2,  139  ai 
„Die  broken  van  onsen  banne  van  haren  dyck  (de 
boeten ,  hun  opgelegd  krachtens  onze  rechtsmacht  ten 
opzichte  van  hunnen  dijk)  hebben  wij  hem  uutgheset 
tot  vyf  schellinge  HoUants  toe."  ||  Verbuerde  ie 
ban  of  boeten  in  A.  woirden,  dat  begheer  ie  dat 
ghy  an  hem  hout  ende  niet  an  mi,  Matth.  106. 
Off  hy  spreect  ongheachte  woirde  (d.  i.  andere 
woorden  dan  die  in  het  proces  behooren  gesproken 
te  worden ,  elders  wantael  genoemd ,  het  tegenover- 
gestelde van  dingtael)  ende  verbuert  een  ban  van  drie 
scellingen ,  143.  De  faicten,  daer  of  men  alle  de  voor- 
seide  boeten  ende  bannen  wQst,  Cout.  v.  Brugge  1, 
326.  Zoo  ook  Mieris  2 ,  90  b, passim.  Op  een  ban  (var. 
boeten)  van  twee  schelling.  Dingt.  v.  ^o/.  24;  vgl. 
9  en  10 ,  passim.  Die  banne ,  die  beteringhen  ende  die 
mesdaden  van  der  munte,  Cout.  v.  Brugge  1,  247. 
Doen  verstaen  ter  vierscame  den  ban;  dat  sullen 
die  baliu  ende  die  scepene  van  gheens  goede  ghelden 
den  ban  ende  die  ban  ne  sal  niet  wesen  boven 
twie  scellinghen ,  Mieris  2 ,  168  b  (a.  1315).  Enen 
dagelicksen  ban  is  drie  schellingen,  wanneer  de 
richter  selver  pandet  binnen  der  poorten,  201 
b  (en  nog  eens  ald.;  a.  1318).  Dat  die  schout 
van  Pnrmer  will  die  ban  hoogen  op  den  dgck 
off  op  den  wech  van  twie  schellinck  op  vier 
schellingen  (bij  in  gebreke  blijven),  Dingt. 
V.  ff'at.  24.  Soe  sal  hy  (de  schout)  leggen  den 
eenen  ban  op  den  anderen  ende  sal  seggen:  Siet 
ghy    schepenen,   hout    ghyt  alsoe.    vol  ende  alsoe 

18 


547 


BAN. 


BAN. 


54g 


vast,  oft  mit  vonnisse  besloten  ware  totdat  wy 
comen  op  die  laeste  ban?  ald.  £lc  man  mach  wel 
▼aren  wonen  van  den  enen  dorpe  int  ander  sonder  ban 
ende  sonder  boete,  Oorkb.  2,  375^  (a.  1292).  Ende 
want  die  gedaechde  niet  voirt  en  quam,  so  sal  hi 
gelden  den  richter  enen  banne  yan  drie  scellingen , 
Brab.  T.  Dl.  1 ,  bl.  782  («.  1330).  Wie  soe  . .  eenen 
poerter  verbannet  opten  dyc  off  op  de  Weteringhe,  die 
ban  en  mach  niet  wesen  tote  den  daghe ,  dat  die  ghene 
coemt  voer  scepenen,  Mieris  2,  159^.  Voert  die 
scouwe  op  den  dvken  ende  in  der  weteringe  sal  bliven 
staen  in  alle  den  recht,  dat  si  hier  tocomen  is, 
als  op  den  diken  twintich  penningen  te  nemen  van 
enen  ban,  ende  in  der  weteringhe  drie  scillinge 
van  enen  ban  der  munten  vorscreven ,  Nijh.  1 , 
230  (a,  1327).  De  mach  de  onscont  bescndden  eer 
hi  se  doet ,  mit  dien  ghelde ,  daer  hi  om  beclaghet 
was,  behouden  dien  scoute  sire  banne  (2de  nv.  mv.), 
R,  V.  Vtr.  1 ,  16 ,  9.  De  onscont  aenneemt  te  done 
voert  gherechte,  coemt  hi  nyet  ten  eersten  daghe, 
so  verboerd  hi  sinen  banne,  ten  andren  daghe 
sinen  ban,  ende  ten  derden  daghe  so  selmen  de 
scout  uutpanden,  lö,  9.  Zoo  ook  Mieris  2, 307* ;  IHngt 
V.  Amtt.  10 ;  Lib.  Alb.  b\E.  v.  Utr.  1,  259 ,  ö.  —  I e t 
te  banne  scouwen,  bij  de  schoitw  bevinden 
en  uitmaken^  dat  een  werk  niet  aan  de  voortchriften 
voldoet.  In  latere  bronnen  heet  dit  ie  boet  schouwen 
(vgl.  G.  De  Vries  Az. ,  Het  Dijks-  en  Molen- 
bestuur  in  Hall.  Noorderho.  284).  Verbetert  iemand 
zijn  werk,  dan  kan  hij  nog  by  eene  naschouw, 
zoo  die  er  is ,  van  de  anders  onvermijdelijke  boete 
worden  vrijgesteld.  ||  Wes  strate  of  plate  te  banne 
geschouwen  wordt,  wair  dat  hijs  niet  en  dede,  so 
verbuerde  hij  30  se,  O.  K.  v.  Delft  I,  30.  Zoe  wat 
strate  ofte  plaete  te  banne  gescouwen  worde,  die 
salmen  gehouden  zijn  te  maecken  binnen  ses  weken , 
K.  en  O.  V.  Delft  99,  10.  So  wanneer  ene  sluzete 
banne  ghescouwet  wort ;  so  waer  een  ghemene  vac  (in 
een  dijk)  te  banne  ghescouwet  worde.  Mieris  2,  212  a. 
—  Enen  te  banne  scouwen,  iemand,  bij  eene 
dijksehotiwing  tot  eene  boete  veroordeel  en.  \\  Item 
80  sullen  onse  scout  ende  scepen  voirscr.  koeren 
moghen  legghen  ende  maken  up  alle  inyghe  diken 
ende  waterganghen  bynnen  der  vriheit  ende  den 
ambocht  van  Bodelawaert  voirscr.,  ende  dair  up 
boeten  legghen ,  ende  die  te  scouwen ;  ende  soe 
wie  te  banne  ghescouwet  worde ,  die  sal  die  boeten 
betalen  bynnen  drien  daghen  dair  naist  volghende, 
Oorl.  V.  Albr.  614. —  Op  mijn  ban  ende  cost, 
zoo  dat  de  boete  en  de  kosten  voor  mijn  rekening 
zijn.  II  Heer  rechter,  ick  hebbe  hier  recht  te 
spreecken  ende  ick  en  can  die  dinctael  nyet,  ende 
ick  segge,  dat  ghy  sculdich  zijt  my  enen  talman 
te  setten  op  mijn  ban  ende  cost  (zoodat  de  kosten 
door  den  taalman  gemaakt  en  de  boeten  door  hem 
verbeurd,  te  mijnen  laste  komen), Di»^^  v,  Deljt 
3.    Zoo   ook  bl.  4;   Westfr.  Dingt.  17. 

b)  De  straf  der  verbanning^  uitgesproken  zoowel 
door  de  wereldlijke,  als  doo»  de  geestelijke  overheid. 

«)  Hei  verbannen  worden  buiten  de  grenzen  van 
een  wereldlijk  gebied,  uitbanning,  ballingschap.  \\ 
So  wat  man  die  ghebannen  is  uut  anderen  goeden 
steden  van  moert,  van  cracht  enz.,  op  dat  hi 
aldaer  den  ewighen  ban  heeft,  die  zijn  hier  ghe- 
bannen van  denselven  feyten  op  haer  lijf,  O.  K.  v. 
Dordr.  19,  34.  Ware  yemant  die  eenighe  zaken 
niisdede  of  misseide,  dat  zoudemen  correngeren  na 
goetdencken  der  goeder  luden  van  den  gherechte 
die  bi  tiden  wesen  sullen  sonder  eenighen  ban  ofte 
bedevaert,  V.  d.  Wall  370  {a.  1400).  Alle  die  bi 
hem    hadden    den    ban ,   worden   weder  ingeroepen 


ende  keerden  weder  in  haer  goet,  Sp.  11^  21,57 
{Van  Damitianus).  Hadde  hem  ghe weert  deente 
man ,  so  ware  hi  bleven  sonder  ban  vu  der  stedt 
sochte ,  zoo  zou  hij  niet  uit  het  paradijs  verjssfi 
zijn,   Wap.  Rog.  1711.   Van  den  ban.  Enichweerik 

Sersoon   .   .   die   van  desen  daghe  voert  jaer  eadt 
ach    in    den  ban   ghestaen  hadde ,  het  wier  m 
verploghere  scout  o^e  van  versmadenisse  des  reciiti. 
R.  V.    Utr.  1,  129,  89.   De  raet  vander  stit  wt 
ende  nye  siin   overdragen  ende  hebben  vcrdiert 
opten   ban,  1,  256,   140.  —  Ook  in  fig.  lin-itó 
wat  verbant,  op  de  vlucht  drijft.  \\  Gheven  doet  ill« 
bliscap  toghen   ende  het  es  alre  droefheden  bu. 
Van  ghevene  87.  —  Te  banne  hebben,  rf^ö^- 
zaak  van  iemands  verbanning  zijn.  j)  Zo  mochtedie 
ghene   die    dien    persoon  te   banne  hadde ,  cowa 
voer  den  raet   van  der  stat  ende  tonen  daer  bk 
banbrieve,  22. ».  I7fr.l,  129,89.— Enen  te  btnie 
doen,    iemand    in   den    ban    doen    leggen.  \\  Vit 
manne   van    buten    enen   portre   te   bannen  dott, 
80    hü    (de  gedaagde)   dat   (1.  doot  ?)  e8,diebu 
(de  boete)  ende  die  schond  ne  moeghen  niet  mena 
{vermeerderen)  ende  als   hi    sinen    ban   met  saa 
schepenen  ter  vierschame  hevet  ghetoghet ,  so  sal 
die  scouthete  ende  die  schepene  Tan  der  port  kei 
doen   ghelden   den  ban   ende   die  schond  tu  (b 
banlings  (des  verbannenen)  goede,  Oorkb.  1,312«; 
vgl.  ald.  311  a  en  b.  Gomt  hi  ende  te  rccble  nitt 
ne  staed,   of  coemt   hi  niet,  men  salne  t«  ba* 
doen  ende  hi  sal  bliven  in  den  ban  tote  dien  dü 
hi  recht  hefd  ghedaen,  Oorkb.  1  ,  311*  (*.  lö*. 
Zoo  ook  R.  V.   Utr.  1,  257 ,3;  enz. —  Te  btaie 
comen,  in  den  ban  gedaan  worden.  |l  Dat  by  ^ 
banne    quaem    van    versmadenis    srechts,  so  ^ 
dieghene  die  tebanne  gecomen  is,  hem  binnen  dn^ 
maenden  daema  dat  hy  inden  banne  gecomen  b, 
uut  den  ban  losenen  ende  absolutie  winnen,  J-  '• 
Vtr.  1,  2ÖÖ,  140;  257,  5.  —  Te  banne  st»ea. 
sijn,  in  den  ban  zijn,  balling  zijn.  ||  Den  clngb«« 
zullen  die  rechtere  ende  die  schepene  bewisei*!* 
vele    van    des   goede,    die   te    banne   es,  nke  ^ 
eschende    es,    Oorkb.    1,    311*.    Dat   yemtnt  ts 
horen  rade  ofte  van  horen  dienren  te   banne  süa 
sel,   R.  V.    Utr.   1,  256,  141.  Weder  sij  te  \»v 
siin   off  en  siin,  ald.  Waer  yemant  te  banne,» 
soudmen  dien  rechtevoert  thnys  senden  ende  t» 
anderen   daervoer    kiesen,  a/d.   Zoo    ook   ol.  -»• 
passim,  e.  e. 

^)  Kerkelijke  ban,  banvloek,  eieomvtumeatii M; 
anathema.  \\  En  waer  dat  ie  was  in  den  bu,  '^ 
waer  hier  ghecomen  sonder  beiden,  At».  U- 
4407.  Alle  die  int  lant  sijn  gheseten ,  ist  conis. 
ist  vrou,  ist  wijf  of  man,  sel  ie  brenghen  in  ^ 
paeus  ban ,  ende  seinden  een  interdict  so  sw*^' 
dat  men  en  sel  voor  noch  naer  doden  gnw»- 
singhen  noch  lesen ,  Il ,  4582.  Hier  af  was  P^ 
claghe  int  hof  (te  Luik),  so  dat  si  met  gcineiifl 
rade  met  bannen  wisten  wreken  haer  scade ,  VeJ^ 
IV,  64,  78.  Ende  wilden  tkint  (tlant  ?)  met  to* 
beslaen ,  ald.  82.  Bannighe  Inde  ende  die  openbitf 
te  banne  ghecnndighet  zijn,  daer  en  sal  g^ 
broeder  meenscap  mede  hebben  aen  dien  ding^ 
die  hem  niet  gheoerloft  en  zün ,  D.  Orde  23^  ^ 
(die  papen)  sijn  so  saen  verbolghen  endesovr*'^ 
ghier  om  cleyne  saken,  eest  met  banne  of  a^ 
anderen  saken ,  Melib.  3259.  Want  die  kerkfa 
conste  bedwinghen  metten  banne  hare  to^ 
Wrake  I,  475.  Want  pause  ofte  kardenale ,  oft  «i*^ 
prelate  alsoe  wale  die  symonien  begaen,  sisji^ 
den  ban  alsoe  saen,  111,870.  Daer  omme  b* 
ie   in   spaeus   ban,   Rein.  I,  2721.  Dat  gbi  n  ** 


549 


BAN. 


BAN. 


5SÖ 


den  banne  claert,  I,  2748;  ygl.  II,  4508.  Scuwet 
Termesamheit  ende  ban,  L.  o.  H.  1219.  Die  lattel 
soaden  gheven  ...  om  der  Roemscher  kerken  ban, 
ff  rokt  I,  484.  Die  selve  waren  in  den  ban,  III, 
865.  Doe  gheboot  men  bi  den  bonne  van  enen  legate 
Tan  Rome ,  .  .  ende  (d.  i.  die)  alle  verwate , 
tuk  mtaiJienuLte  terribili,  Sp.  IY\  34,  34.  Een 
landshere  onghenadecb  .  .,  ende  liever  heeft  siere 
iiede  goet,  dan  hi  Tonnesse  oft  recht  doet,  ende 
luttel  ontsien  (/.  ontsiet)  den  ban,  dat  es  seker 
een  tiran ,  Doet.  II ,  3673  (in  bet  Gloss.  verklaard 
als  aueforiia*  jtidieialit^  judicium^  JiM,  doch  de 
Terklaring  Aei  bevreesd  zijn  voor  d^  kerkelijke 
tfraf  is  natunrlgker  dan:  ,, bevreesd  zijn  voor  het 
recht.  Bovendien  is  dit  reeds  in  den  vorigen 
regel  gezegd).  Absolncien ,  brieven ,  seghelen  ende 
ban,  die  veel  ghelt  hevet,  hi  vercrighet  al, 
Ned.  Proza  65  *.  Ende  mits  dat  de  voirsz.  van 
Dordrecht  aldaer  tot  hoeren  ghesetten  daghe  nyet 

rmpareert  en  hebben,  heeftse  gedeclareert  in 
ban  te  sgne,  V.  d.  Wall  779  (a.  1500).—  In 
den  ban,  gedurende  den  tijd  des  bans,  terwijl 
ne%  onder  den  ban  is.  \\  Oft  wat  si  doen  oft  lien 
wien,  si  selen  in  der  waerheyt  lien;  dan  heeft 
macht  no  cracht,  want  hets  in  den  ban  ghewracht. 
Wrake  III,  874.  —  Bi  den  banne,  op  straje 
VMM  den  ban.  ||  Bi  den  banne  verboot  hi  wjjf  ende 
manne,  dat  si  hem  ontseiden  .  .  .  rente  ende  des 
keysers  recht,  Sp.  III",  64,  15.  {Die paeus)  geboot 
dat  als  bi  den  banne,  dat  nemmermeer  diere  af 
quame  hem  de  Yrancsce  crone  name,  UI",  68,  98. 
Die  bisscop  geboet  daerentenden  den  leyen,  dats 
te  verstaen  waerlike  Inde,  bi  den  banne  ende  bi 
boren  live,  dat  si  van  dien  daghe  nter  stat  niet 
en  gingen,  Clere  52.  —  Te  banne  sijn,  — 
werden,  in  den  ban  zijn^  —  komen]  enen  te 
banne  doen,  iemand  in  den  ban  doen.  ||  Hets 
driejaer,  dat  ie  waert  voor  den  deken  Hermanne 
in  vullen  seinde  te  banne,  Rein.  I,  2738  (het 
▼w.  tebannen,  dat  Jonckbloet  nit  de  lezing  van 
bet  Hs.  te  bannen  maakt,  bestaat  niet.  Proza- 
lieim.  36r  heeft:  Nadien  dat  ghy  te  banne  syt. 
Ook  elders  leest  men  te  bannen ,  doch  ook  in  twee 
woorden,  b.  v.  Invent.  v.  Brugge  2,  393:  Van 
dat  hie  de  kercke  .  .  wihede,  van  dat  zoe  {de 
kerk)  te  bannen  was,  onder  interdict  lag ^  van 
den  faite  dat,  enz.).  Die  sonde  men  nnt  der 
gjmagoghen  doen;  glosse:  men  sonden  te  banne 
doen,  Us.  Evang.  Jok.  9,  22.  Al  waer  dat  sake 
dat  ie  onghclovech  ware,  of  te  banne  openbare, 
dies  niet  en  es,  ben  ie  ghedaecht,  ie  mach 
antwerden  op  datmen  vraeght,  Mask.  412.  Wi 
sellen  te  ban  doen  ende  vloeken  in  allen  kerken, 
dier  of  weet,  tot  dat  hi  daer  of  doet  bescheet, 
^^.  11,  5300.  Enen  bisscop,  dien  hi  hadde  ghe- 
daen  te  banne  ende  verdoemt  beide,  om  dat  hi 
jeghen  tghelove  seide,  Lsp.  II,  48,  580.  Als  si 
t«  banne  siin  ghedaen,  so  mach  hlit  deelen  ter 
rierscaren,  Oorkb.2,  332,  15  {a.  1290).  Item  en  zal 
aiementtvorseide  ambocht  doen ,  die  zit  in  onwettelic 
bnwelike  of  die  te  banne  of  verwaten  es,  ZVl. 
Bijdr.  3,  276  (a.  1379).  Als  hy  gerecht  is,  so 
mogen  die  vrienden  dair  of  .  .  aentasten  dat 
lichaem  ende  gravent,  op  dat  hy  niet  te  banne 
bekent  en  is,  Matth.  193.  —  E n e n  in  banne  of 
over  ban  doen;  in  den  ban  brengen, 
tfmand  in  den  ban  doen.  \\  Maer  die  hi  dus  in 
banne  doet,  worden  met  tomen  verwoet,  Sp.  IV*, 
M,  51.  Nochtan  en  wouden  sijs  niet  laten ,  sijn  (si  en) 
bebbeuse  over  ban  ghedaen,  rra^t^? III,  2222.  Hier 
omme   wart   coninc  Karel   erre,   ende  ontboot  na 


ende  verre,  datmen  in  den  banne  brochte  grave 
Bondene,  die  des  rochte  ene  weduwe  te  nemene 
met  rove;  dus  wart  in  der  bisscoppe  hove  grave 
Bondene  brocht  in  den  ban,  Sp.  IV*,  44,  49.  — 
Sinen  ban  leggen  op  ere  dinc,  iets  verbieden 
op  straffe  des  bans.  ||  Leo  gaf  hem  hier  of  bulle, 
ende  leidere  oec  up  sinen  ban,  dat  geen  prince 
quame  daer  an,  dat  hi  die  Vriesen  meer  be- 
dwonge,  Sp.  III",  93,  150.  —  Den  ban  doen 
ere  dinc,  iets  in  den  ban  doen,  er  den  banvloek 
over  uitspreken ,  in  Serv.  1 ,  489 ,  van  den  bisschops- 
staf, als  symbool  der  bisschoppelijke  waardigheid.  || 
Dat  sin  te  Valentgn  den  ban  ghedaen  hadde  den 
stave ,  des  en  doersten  nyemant  ave  nemen  van  den 
altaer ,  daer  hi  lach ,  des  stont  dat  busdom  menghen 
dach  sonder  busdom  (/.  busscop)  heerdeloes.  —  Den 
ban  lossen;  —  ontbinden,  iemand  {zich) 
losmaken  van  den  ban.  \\  Wat  mach  hen  biechten  staen 
in  baten?  Al  hebben  zi  absolutie  outfaen,  .  .  zi 
lossen  den  ban  ende  comen  verwaten ,  Praet  2084. 
{Die  paeus)  bi  vergaf  den  jougelinge  sine  mesdaet 
aldaer  ten  stonden,  ende  hevet  sinen  ban  ont- 
bonden, !§>.  IV»,  44,  60.  Daer  die  keyser  den 
paues  teren  baervoet  stoet  uptie  snee ,  langhe  ghe- 
nouch  ende  mee,  ende  hi  ontbant  hem  sinen  ban, 
IV»,  73,  34. 

c)  Straf  ^  plaag ^  in  H  algemeen.  ||  Soe  onlanghe 
eest  dat  men  hier  pleget  omme  tgoet  te  hebbene, 
soe  swaren  ban,  Vad.  Mus.  2,  172,  48.  Entie 
Normanne  {hadden)  Vrankerike  met  so  groten 
banne  so  gheplaghet,  dat  onse  Here  des  lants 
began  ontfaermen  sere,  Sp.  IV',  65,  54. 

6)  Rechtsgebied  \  landstreek ^  waarover  de  rechtsban 
van  den  ambtenaar  zich  uitstrekte-  rechtsdictrict; 
ambacht  (zie  ald.  2,  c).  In  deze  bet.  komt  ban 
ook  voor  in  den  frieschen  vorm  bon  voor  stadswijk. 
Zie  Bon.  l|  Achte  gheerse  lants  dairbii  gelegen 
in  den  ban  van  Hemeskerke ,  Oorkb.  1 ,  270  b 
{a.  1250).  Elc  man  mach  siins  erves  ghebruken  in 
dien  ban  daert  in  leyt,  2,  375  *  {a.  1292).  Van 
allen  ligghenden  erven  binnen  banne,  daert  gheleghen 
es,  sal  die  ambochtshere  dat  berichten  met  den 
gheswomen  van  den  lande  binnen  banne  daert  gbe- 
leghen  es,  V.  d.  Wall  117  {a.  1303).  Ende  tsinen 
utersten  daghe  binnen  banne  niene  ware  of  niet 
vort  comen  en  mochte  dat  vonnesse  tuten ,  144  {a. 
1315).  Alle  vervalle  die  totter  vrygraeschap  ver- 
vallen sullen  van  den  ghenen  die  bynnen  den 
banne  geseten  sijn,  Nijh.  3,  149  {a.  1388).  Item 
so  heeft  die  vrou  van  Heemsteden  noch  drie  morgen 
gecoft,  die  gelegen  sijn  westwairt  an  der  wilder- 
nisse,  zuutwairt  an  tManpat,  in  den  selven  ban, 
Oorl.  V.  Albr.  316.  So  salmen  doen  van  erve,ghe- 
legen  buten  der  vryheit,  voir  den  rechter  ende 
tscependom,  in  den  ban  dairt  erve  gelegen  is, 
Matth.  115.  Ende  es  hueren  ban  groot  550  mergeu 
lants,  Inform.  24.  Ende  den  geheelen  ban  van 
Velzen  es  groot  1195  mergen  lants ,  27.  Bailliuwen 
van  Romen  .  .  .  daden  haer  bisscoppe  af  ende  an , 
alse  hen  goet  dochte  in  haren  ban,  Sp.  I*,  18, 
13.  Elc  man  mach  syns  erffs  ghebruken  daert  in 
leyt,  ghelyc  den  anderen  buercn  diere  in  wonen, 
al  woent  hy  in  een  ander  ambochte,  Mieris  2, 
90^.  Zoo  wie  .  .  .  van  den  raetsmannen  .  .  .  ont- 
boden worden  ende  daer  niet  en  quamen,  opdat 
hy  binnen  banne  waer,  ald.  156.  Die  rechters, 
die  buten  ban  zyn,  syn  sy  scepenen,  syn  sy  raedt 
ende  binnen  banne  comen,  ald.  Zeeven  die  naeste 
buyren  die  binnen  den  ban  geseten  syn  off  twee 
die  naeste  buyren  sullen  die  overstallige  pant 
pachten,    Dingt.   v.   Waferl.  15.  Also  verre  als  die 


551 


BAN. 


BANB. 


gkene  die  gedaicht  sgn ,  bynnen  den  banne  waren  des 
saterdaigs  doe  sy  gedaicht  worden,  K.  v.  Brielle 
9,  3.  Leengoet  sumen  berechten  binnen  bans, 
daert  ghelegen  is  mitter  heren  mannen  ende  mitten 
leenheer,  daerment  of  hout,  also  die  leenheer 
binnen  bans  den  eygen  ontfaen  moet  Yoor  den 
rechter  ende  yoorden  heemraedt,  wantmen  alle 
erfsaken   scoldich   is   te   berechten   binnen  bans, 

0,  R,  V.  Dordr.  1, 218 ,  30.  Na  inhout  der  hantvesten 
so  machmen  gheen  poirter  bescadighen  die  buten 
den  ban  is,  als  hy  ghezinnet  wort  (van  wien  men 
bewjzen  kan^  dat  h\j  om  geldige  redenen  (nootsin) 
afwezig  ie ;  niet  ter  terechtzitting  vertcAiJnt) ,  Matth. 
162.  Al  dat  in  desen  ban  gelegen  is,  Wettfr, 
Dingt.  3.  Coemt  hy  dan  niet  yoert  recht  te  pleghene , 
men  salne  verbannen  ende  hy  sal  niet  wesen  in 
bans ,  eer  hy  scependoem  ghedaen  heeft ,  ende  syn 
ban  sal  wesen  niet  soenlijc ,  niet  door  een  vergelijk 
kunnen  worden  opgeheven^  Mieris  2,  168^  (vgl.  b\ 
Des  bans  en  sal  hy  niet  qnyt  worden,  eer  hy 
hem  scependoem  heeft  ghedaen). 

7)  Ban^  banvonnie,  banvloek  ^  inzonderheid  als 
uitgesproken  door  God ,  als  den  hemelschen  rechter, 
over  het  zondige  menschdom;  bij  uitbreiding  ook 
in  den  zin  van  de  zvaante,  strengste  straf.  ||  Ie 
mane  mannen  metten  wiven ,  die  dit  lesen  sullen  ofte 
scriven ,  opten  hoechsten  ban ,  dat  si  dit  dicht  laten 
bliven  reine,  ITap.  Mart.  III,  1.  Zy  ontbieden 
ghemeenelicken  die  lieden  al  uyte  op  den  ban ,  Orimb. 

1,  5411  Var.  Alt  lant  es  op  den  ban  uy tgeboden ,  op 
ly^i  op  goet,  herwaert  te  comen,  2,  341.  {God) 
maecte  Adame  ende  Teven  .  .  .,  ende  verboet  hen 
opten  ban ,  dat  si  van  enen  boem  niet  en  aten ,  Teest. 
298.  Want  gherechticheid  ghebiedt  opten  ban ,  dat- 
men  tsine  gheve  eiken  man,  1170.  (Maria)  quam in 
desen  weene  om  te  versoenne  den  ban ,  die  onse  vader 
Adam  began,  Diep.  426.  Dit  is  si  die  dat  serpent 
verwan ,  dat  Teven  brachte  in  den  ban ,  Lsp.  II , 
3,  179.  Hadden  si  die  (der  sielen  tcoenAeit)  ghesien 
oec  an ,  lichte  si  waren  in  den  ban ,  daer  Lucifer  was , 
gheleit,  ITap.  Rog.  680  (aldus  te  lezen).  Ende  die 
diefte  dieflyc  verhelt,  die  es  een  onghetrouwe 
man,  ende  hi  es  in  Gods  ban,  X  FlagA.  1578. 
Yermaledyt  ende  in  Gots  banne  es  der  gene  die 
sprect,  dat  Gods  wort  ie  van  heme  gelit  (=  gelidet)^ 
Limb.  Serm.  1636.  Niement  also  dincken  en  sel ,  het 
si  wyf,  het  si  man,  wil  hi  vlien  des  hemels  ban, 
2241.  Want  Hoverde  ende  hare  partie  heeft  God 
al  in  sinen  ban ,  Praet  1815.  Gheven  maect  pais  ende 
vrede ,  het  can  verdriven  den  ban ,  Fad.  Mus.  1 ,  343 , 
100.  Den  enen  ghevet  si,  dien  sijs  an,  die  snete 
cussene  van  haren  monde,  den  anderen  slaetse  in 
den  ban,  Hadew.  1,  14,  43.  —  In  den  ban 
bliven,  onder  den  banvloek  blijven,  vervloekt 
blijven.  Il  Gheluc  ende  heil  ende  goed  gheval, 
ie  duchte  dat  spade  comen  sal;  des  blivic  in  der 
vruechden  ban,  OFl,  Lied.  e.  Qed.  95,  13.  Bedi 
so  biyft  zoe  in  den  ban ,  dat  soe  niet  comen  mach 
daer  boven,  Praet  1962.  —  Den  ban  werpen, 
den  banvloek  slingeren.  \\  Die  dan  so  swaer  worpen 
haren  ban,  om  ene  cle3me  mesdaet  nochtan  setten 
si  die  siele  al  te  hant  in  der  hellen  ewighen 
brant,  Wrake  I,  234.  —  Enen  te  banne 
doen«  over  iemand  den  banvloek  uitspreken.  \\  Ay 
deus ,  wie  sal  den  ghenen  absolveren ,  dien  de  minne 
te  banne  doet,  Hadew.  1,  15,  46. —  Ten  banne 
comen  ,  verdoemd  worden,  in  het  verderf  komen.  \\ 
O  zot  keityf,  ziele  ende  lyf  houdstu  van  Gode,  twi 
soutstu  danne  comen  ten  banne,  Praet  3798.  — 
Enen  den  ban  geven,  iemand  den  banvloek 
geven,  het  anathema  over  iemand  uitspreken.   \\  Nu 


maken  die  heren  een  ghespan ,  «nde  gheTen  der 
eren  enen  ban,  Wap.  Mart.  I,  59.  Men  ghift  d<r 
er«ii  nu  den  ban,  Hild.  82,  98.  ~  Den  bia 
genieten,  vervloekt,  veroordeeld  sijn.  ||  Sulke 
minres  ghenieten  den  ban,  die  metter  metdid 
maken  ghespan,  Wap.  Mart.  II ,  192.  —Die 
ewighe  (eusce)  ban,  de  eeuwige  9erdoemms,l 
Gh>d  verde  hem  den  euschen  ban,  IV  Mart.  51& 
Want  uut  den  monde  vlieten  can  die  ailickejt 
ende  die  ewighe  ban,  X  Plagh.  1841.  Done  aait 
begheren  nyemens  wjjf,  noch  dat  wjf  njemeu 
man ,  want  grote  sunde  leeght  daer  an,  ende  s 
verdienen  den  ewighen  ban,  Ned.  (r^il.636,U.Dk 
sinen  wil  altoes  verwan  van  des  hi  hem  T^d 
onderwinden ,  die  sel  mitten  ewighen  btn  in  do 
hellen  gront  verslinden ,  Hild.  186 ,  285.  —  Bit 
helsche  (der  hellen)  ban,  de  verdoewunfkJi 
hel,  de  helsche  verdoemenis.  ||  Verdient  so  occds 
helschen   ban,   so   wert  haer  tfleesch   een  ivmt 

Ï ghespan,  Wap.  Rog.  761.  Alsoe  en  sml  der  vionva 
yf  niet  eens  anders  mans  begheren ,  ofl  si  da 
bans  van  der  hellen  wil  ledichsyn,  X.  P%.iltt> 

BANBOEC,  znw.  o.  Eet  boek,  waarin  de  In- 
vonnissen  met  de  namen  en  misdaden  der  peroordeelif» 
worden  opgeteekend.  \\  Die  clerc  («a/)  hebben  ea 
oirt  van  eynen  kromstart  .  .  .  van  eiker  teykeuBje 
inden  banboic  van  den  verwonnen  ende  vervoleyci 
luiden   mitten   banbrieven ,   R.  v.  Utr,  1 ,  331 ,  i 

BANBRIEF,  znw.  m.  Het  oj/icieele  stmk,  üjy^ 
geven  ten  bew\jze  dat  iemand  tot  ballingsckaf  tef- 
oordeeld  wordt.  Zie  brief  en  vgl.  JBallingkki/f. 
Van  Santen,  Kennemerland  342.  ||  Zo  mockte  dk 
ghene,  die  dien  persoen  te  banne  hadde,  cona 
voer  den  raet  ende  tonen  daer  zine  banbrievt,! 
V.  Utr.  1,  129,  89.—-  Zie  een  tweede  voorbeeld  «f 
het  vorige  art;  een  derde  op  bannich;  ens. 

BANDACH,  znw.  m.  RechUdag.  \\  Over  . .  ^ 
movenesse  die  zy  hadden  al  de  stede  duere  vic- 
hede  te  hoome  voor  den  voorseiden  bandMi. 
Invent.  v.  Brugge  4,  134.  Yan  den  balliigba* 
die  up  den  voors.  bandach  ghebannen  waren,  «^ 
Up  men  zelven  dach  zo  wast  bandach  ende  dm 
en  waren  ghebannen  maer  seven  personen ,  oom^ 
Gloss.  ald.  589  a,  alwaar  ook  gesproken  wöi^ 
van  den  ban  van  half  Maerte. 

BANDEKEN,  BANDEKIJN.  Zie  BALDEKIJX 

BANDEKIJN ,  verklw.  van  bant  (s.  a.).  Be»i. 
boei ,  by  uitbr.  middel  om  in  bedwang  te  howie%.  ï 
Idate  dats  een  bandekyn  .  .  .  over  die  crds^ 
weeldichede,  ^.  I",  75, 57  (tempermntia  vohÊftêÜsi 
imperat;  vgl.  OFl.  Qed.  3,  119,  541,  waar  feni^ 
gelezen  wordt). 

BANDERIC,  icke,  znw.  m.,  voor  Ulderir.éL 
balderich,  mfr.  baldret,  baudre,  vraarvan  k^  ^ 
baudier,  lat.  balteus;  vgl.  Burguy  31 ;  Littrêl,Sl^ 
Riem,  gordel.  \\  Alle  die  ghene  die  boven  fcgtf 
waren  mit  bandericken,  D.  B.  II  Kom.  3,  21. 

BANDEROEDE,  znw.  vr.  Yan  Bindea  3 
Roede.  By  Kil.  Band-roede,  viwsen  maaa\^ 
Plantyn  :  Bandt  roede  o  ft  wisse,  verge  ite^ 
pour  lier.  Roede  om  mede  te  binden,  twijg,  teen  (ni^^ 
warren  met  bantroede,  bandreu,  ons  bas^rekel.^ 
hond  die  vastligt).  ||  Item  dat  nyemandt  wiavs 
theen  noch  banderoeden  ofte  peertsen  en  lese,^ 
ghe wassen  zyn  elders  dan  up  tsyne ,  np  de  l!i(^ 
van  3  e,  Cout.  van  Brugge  1,  221,  24.  Yutif 
ende  van  banderoeden ,  Invent.  v,  Mrugge  3,  ^^ 
Yan  duunbarden  ende  van  banderoeden,  4,  1^ 
Wissen,  teen  noch  banderoeden,  eumgeh,  &^ 
ald.  11  b,  en  vgl.  ald.  589  b,  waar  ook  * 
vormen  bantroe  en  bandroe  gevonden  worden,  ^ 


553 


BA.ND. 


BAND. 


554 


ook  Toorbeelden  van  de  uitdr.  banden  ende  roeden 
en  roeien  ende  hmulen, 

BlNDERI£M,znw.  m.  Biem,  gordel.  \\  Twee  huden 
tmnderiemen  of  te  maken,  Bek,  d,  Qr,  3,  464. 
37  paer  haken  te  Iwnderiemen ,  471. 

BANDERSIDE  (bandersiden  ,  ook  in  den 
oonpr.  Torin  bander  side  (siden)  geschreven), 
bgv.  en  voorz.  Eigenlgk  Be  ander  tide^  d.  i.  aan 
ie  endere  zijde  ^  welk  voorv.  Ie-  in  verschillende 
woorden,  alfl  hoekten^  hoven ^  binnen,  beooeten,  be^ 
vaten,  benoorden  ens.  eene  locatieve  kracht  heeft 

I)  Bijw.  —  1)  Eigenlgk. 

é)  Aam  de  andere  tijde,  aan  den  anderen  kant,  \\ 
Ende  ghingen  harre  varde  so  langhen  stont  onder 
die  aerde,  dat  si  alle  onder  die  riviere  banderside 
qnamen  sciere,  Wal.  8439.  Hi  dede  neven  hem 
fitten  s||n  wQf  Clarise;  Blancefloer  die  hovesche 
entie  wise  dede  hi  sitten  banderside,  Flor.  3885. 
Casseel,  die  here  van  Bandre,  ende  Phesonie  saten 
te  gadre;  banderside  BetQs  ende  Ydoms,  Caet. 
1305.  Sach  hi  van  dien  vergiere  goet  die  ene  side 
al  claerlike,  ende  banderside  die  gelike,  Boae  1478. 
Wandelen  hi  doe  henen  ffhinc  banderside  in  de 
sale,  Limb.  X,  348.  Ende  staect  hem  int  herte 
Tore,  dat  het  banderside  qnam  dore,  Vergi  1049. 
Bat  tswert  banderside  doreqnam,  Sp.  IV*,  35, 
43.  Banderside  daer  God  sat ,  11^,  37 ,  35.  Dat  hem 
banderside  dore  dat  yser  ghewaden  qnam,  lAmb, 
II,  1208.   Zie  nog  V,  379;  VII,  1056;  enz. 

i)  Naar  de  andere  sijde,  naar  den  anderen  kant.  \\ 
Daer  si  ginc  aldus  allene,  versach  si  in  denmner 
een  kene  neven  der  kokenen  ende  leeter  vore: 
daer  sach  si  banderside  dore,  Belg.  Mm.  10,  91, 
55.  Echites  voer  banderside  ende  bestont  die  porte 
met  stride,  Limb.  Y,  361.  Ghi  selt  in  dene  side 
vesen  .  .  .  ende  oec,  radic,  banderside  sal  n 
broeder  Bemophon  riden,  ende  sal  bestriden  die 
stad  van  daer,  YII,  971—983.  Alhier  vaert  uter 
stede  ende  béstaetse  hier  met  stride;  ie  wille 
▼aren  banderside  metten  ridders  van  den  lande 
hier,  IH,  674. 

e)  Ter  andere  zijde,  aan  den  anderen  kant,  waar 
nn  twee  partgen  sprake  is.  ||  Otte  qnam  met 
mogentheden  vor  den  keyser,  ende  sine  mage, 
eode  begonste  dns  sine  clage.  Banderside  stont 
Garjn  ende  mede  die  mage  sQn,  Lorr.  II,  2957. 
Bes  ander  dages  es  opgesUien  Torec  ende  wapende 
hem  saen;  ende  Dmant  oec  banderside  gereidem 
^»er  oec  saen  te  stride,  Lanc.  in,  24654.  Die 
▼an  Lovene  bander  side,  die  niet  en  wisten  van 
dien  stride ,  keerden  ten  tenten  achterwaert,  Brab.  T, 
T,  118S  {Far.  in  dander  side).  Maer  banderside 
stont  doe  gescard  van  Bothen  mijn  her  Geraert, 
Velth.  II,  51 ,  15.  Ende  Alebrecht  die  qnam  bander- 
side jegen  Adolve  daer  te  stride,  111,50,17.  Yan 
Vredenke  met,  die  gecoren  banderside  es  jegen 
Lodewike,  YI,  1,  36.  Banderside  qnam  .  .  . 
die  here  van  Moy  op  sgn  ors  gevaren,  Grimb. 
II,  2261.  Demophon  reet  een  ors  van  prise  .  .  . 
ende  qnam  ten  crite  beha^elike;  banderside  die 
coninc  rike  Polifemns  qnam  daer  jeghen,  Limb.  YIII, 
1486—92.  Demophon  die  here  street  banderside 
berde  wel,  Limb.  VIII,  720.  Van  den  discorde  dat 
vu  tnaschen  den  abt  van  sente  Baves  .  .  .  an  de 
9tat  side,  ende  den  heere  van  Gavere  . . .  bander- 
side, QendteA  Cktb.  15.  Zie  nog  Lanc.  IV,  4688; 
I^-  U,410,  443,  553,  1311,  2906,  2932,3464, 
«18;  Grimb.  II,  2835,  3327,  3765,  3836,  6111; 
Velth.  IV,  35,  6. 

"^  Herhaaldelijk  vindt  men  in  tekstuitgaven, 
in  plaats  van  banderside,  ten   onrechte   van   der 


1 


side,  waarvoor  men  de  ware  lening  in  de  plaats 
stelle.  Zoo  b.  v.  Grimb.  I,  2596,  4723;  11,2351  , 
2444,  2464,  2784,  2922;  Brand  {£)  1528;  vgl. 
Flor.  3888  (He.). 

—  Van  banderside,  van  de  andere  zijde, 
van  de  andere  partij.  ||  Dat  die  van  Trierenter  stad 
waren  ghevaren  tenen  stride,  entie  van  bander- 
side drevense  weder  in  met  crachte ,  Limb.  II ,  566. 

2)  Figuurlijk.  Jan  den  anderen  kant ,  anderdeels, 
bij  een  tweeledig  geval.  ||  Dat  hi  tserpent  hadde 
doot  dies  so  haddi  blisoap  groot;  banderside  so 
haddi  toren  dat  hi  sijn  swaeraadde  verloren.  Wal. 
599.  Hi  versciep  hem  tallen  dieren  die  sgn  upt 
lant  of  in  rivieren:  banderside  sciep  hi  hem 
wedere  tallen  voghelen,  785.  Dus  was  die  coninc 
tongemake  harde  sere  om  dese  sake;  entie  vrouwe 
banderside  was  hier  ave  sere  onblide,  Lorr.  I, 
861.  Men  sel  billix  houden  trouwe,  ende  bander- 
siden  soect  men  nouwe  die  nootdruft,  alst  gaet 
aent  lijf,  Bein.  II,  4981.  Dat  hi  sochte  was  ende 
goedertiere  jeghen  doemoedighe  tallen  tiden;  oec 
was  hi  fler  ende  wreet  banderside  jeghen  die  ghene 
die  bi  haren  verwaentheden  moylic  waren,  Fl, 
Bijmkr.  2960.  Hi  hadde  te  dien  stonden  grote  pine 
van  sinen  wonden;  banderside  dogedi  mee,  Belg,  Mue, 
7,  193,  211.  Zie  nog  Wal.  10140;  Bote  6335; 
bl.  249,  10;  Maek.  1327;  Bein,  I,  1830;  Limb. 
I,  2233;  II,  674,  1386;  XII,  104,  576;  Fl.  Bijmkr. 
10492;    Brab.    T.  VI,  1381;  Qrimb.  II,  154;  enz. 

—  Het  verkeerd  gelezene  van  der  tide ,  in  plaats 
van  banderside,  verbetere  men  Brab.  T.  11,5778; 
Grimb.  I,  2771. 

II)  VooRZ.  —  Met  den  3(l«n  en  met  den  4<l«n  ny. 
Aan  de  andere  zijde  van,  aan  den  anderen  kant 
van.  II  Ene  veinstre,  daer  Walewein  dure  sach 
sitten  banderside  den  mure  in  ene  sale  scone  jonc- 
frouwen,  Wal.  1097.  Daer  een  casteel  stont  wel 
dire  banderside  den  watere,  Lanc.  II,  39426. 
Daer  ne  comt  nieman ,  hine  wilre  wesen  banderside 
den  watre  breet.  II,  45307.  Daer  die  grave  toe- 
gesach,  die  banderside  een  water  lach,  Velth. II, 
51 ,  23.  Doe  de  riders  waren  voer  de  poert, 
ende  de  goede  liede  van  der  stede  utetrocken  naer 
hem  lieden  banderside  Meren ,  Bek.  v.  Gent  1 ,  238. 

BANDICH  (bandech),  -dige  of 'dege,\}nYr.  Door 
den  baTul  vastgehouden,  tam.  Kil.  „Bandigh, 
vinettts,  deur,  domitus.  Mhd.  bendec.  \\  01de  hout 
sijn  qnaet  bandich  te  makene.  Hor,  Belg.  9,  36, 
576.  Vgl.  Limb.  IV ,  327 :  Het  es  pine  menegherande, 
den  ouden  hont  doen  gaen  in  bande. 

*  BANDICHEIT,  en  -hede,  znw.  vr.  Zie 
Bandich.  Gebondenheid,  benauwdheid.  \\  Na  die 
yerste  pater  noster  toende  Jesus  syn  bloedighe 
sweet  voer  mi  ende  verdreef  alle  bandicheyt.  Nae 
den  anderen  pater  noster  ofdede  hi  alle  sunden, 
als  een  wolken,  mit  die  bandicheyt  sijnre  pinen. 
Stemmen  26.  —  Of  moet  op  beide  plaatsen  ban- 
gicheit,  benauwdheid  (z.  ald.),  worden  geienen? 
In  hetzelfde  stuk  komt  nog  voor :  „voer  alle  bancieheit, 
die  ie  mit  minen  sunden  verdient  hebbe  ,**  waar  men 
voor  bancieheit  ook  wel  zal  moeten  lezen:  btmgieheit. 

BAKDIJC,  'dike,  znw.  m.  Van  Ban  in  de 
bet.  6)  en  Bije.  Een  dijk,  die  gerechtelijk  ge- 
schouwd wordt;  een  dijk,  ten  opzichte  van  wiens 
onderhoud  een  zekere  rechtsdwang  wordt  verleend. 
Zie  Racer  7,  207  vlgg.,  en  vgl.  banwoud,  aldus 

fenoemd    vanwege   den    rechtsdwang,   waarmede 
e  bewaring  van  het  woud  gepaard  ^9Ai,ald.  1 ,  14. 
Il   Eenen   waterganck   .   .  van  beneden  der  stege 
tEverdinge  langes  tot  Schoonrewoert  toe,  end  tot 
Ameyders  z^dwen,  alleut  dat  binnen  dien  bandycke 


555 


BAND. 


BAND. 


oi>6 


Icget  ende  an  der  Lecke,  Oorkb.  2,2i9a(a.  1284). 

BANDIMENT,  znw.  onz.  Ofr.  bandiment  (Duc. 
7,  54);  pro?,  bandimen  (Eayn.  2,  176);  van 
mlat.  bannimentum  (Duc.  1,  667).  Afkondiging^ 
oproeping.  ||  Daer  is  een  nutroepingef  een  bandi- 
ment ghedaen,  Gestu  Bom.  f.  72Ó.  Als  aldnsdanighe 
bandiment  over  alle  den  landen  .  .  ghegaen  was, 
so  Quamen  daer  vele  tot  s^jn  pallaes,  f.  Ibc.  Dit 
bandiment,  die  wil  des  conincs  wert  van  allen 
Inyden  in  syn  ryke  gbehoort,  f.  114a.  Hi  dede 
terstont  een  bandiment  bescriven  ende  ofroepen, 
/.  1830.  Ende  sende  boden  over  al  sijn  conincrijck 
mit  bandimenten,  die  men  overal  untriep  ende 
las,  ald. 

BANDINC,  znw.  o.  — 1)  Hetzelfde  als  gebannen 
gedinc.  Eene  formeeU  rechUzitting ^  op  de  ge- 
bruikelijke wijze  en  met  de  gebruikelijke  termen 
geopend  en  geleid.  )|  Soo  en  sal  onse  schout 
geen  gedinge  noch  recht  beginnen,  ten  zy  goets 
tyts  voor  middage,  ende  dat  voleynden  eer  hy 
opstiet,  nytgeseyt  onse  bandinge  ende  dijckrecht. 
Lams  36. 

2)  Terechtzitting^  waartoe  alle  dingplichtigen 
worden  opgeroepen  (gebannen).  ||  Eens  sjaers  moet 
men  bandingh  dingen , .  .  .  welck  voorsz.  bandinghe 
ghesproten  is  ende  syn  oorspronck  heeft  uyt  den 
Graefdinghe  ende  Hofdinge,  V.  Santen,  Kennemer- 
land  208.  Soo  en  sal  gheen  schout  buerrecht  houden 
buyten  den  bandigen  (/.  bandingen),  van  schade 
ende  van  schulde  meer  dan  driewerven  sjaers, 
Handv.  v.  Medembl.  6Sb, 

BANDOEN  (bandon,  banduün^,  znw.  onz. 
Van  ofr.  bandon^  machtiging,  verlor,  macht, afge- 
leid van  het  ww.  bannir  (Duc.  7 ,  64 ;  Roquef.  1 , 
128 ;  Burguy ,  (rr.  2 ,  266) ,  veelal  voorkomende  in 
de  uitdrukkingen  mettre^  donner  a  bandon  enz., 
waardoor  men  allengs  de  uitdrukking  als  één 
woord  beschouwde  en  samenkoppelde  tot  abandon^ 
vanwaar  abandonner  ^  en  zelfs  ^  abandon  (verg. 
Diez  1,  61  op  Ban  do,  en  Duc.  op  abandum, 
abandonum). 

1)  Macht  ^  9^^0-9'.  II  U  wijf  heeften  {den  koffer) 
in  haar  bandoen,  Segh.  9828.  Dese  waren  alle  in 
haer  bandoen,  Brab.  Y.  VI,  11840.  Dat  wert  den 
Sone  een  scone  sone  tfonnesse  te  hebben  in  sijn 
bandone,  Lucid.  1932.  In  recht,  in  wette,  in  ban- 
doene,  Invent.  v.  Brtigge  1,  72.  Confessore  ende 
volc  van  relig^one,  die  wederstonden  sduvels  ban- 
done, 5681.  Hoverde  hout  mi  in  haer  bandoen, 
Praet  1738,  Hy  noch  sijn  vrienden  sijn  niet  te 
rade  te  comen  in  uwen  genade,  noch  ooc  in  den 
bandoene  van  den  vonnesse  uwer  baroene :  sy  hebben 
liever . . .  taventuerne  goet  ende  lijf,  Grimb.  II ,  1266. 

2)  Gevangenis^  band-en.  \\  Die  trouwe  leghet  in 
bandoene ,  Vad.  Mm.  1 ,  346 ,  76.  —  Vooral  van 
de  boeien  der  hel^  de  hel.  ||  Omme  te  verlossene 
den  pant  ute  den  bandoene ,  daer  inne  (1.  hi  (de 
duivel)  ne)  in  bant,  OFl.  Ged.  2,  58,  138.  Sine 
hebben  gene  macht  te  doen  van  den  helschen 
bandoen,  daer  si  in  liggen  ende  braden,  Lucid'.  698. 

3)  Verpanding.  Verg.  Duc.  1,6c op  Abandum.  || 
Soe  wie  .  .  .  geld  om  geld,  oft  pande  ofteneghe- 
rande  ander  goet,  om  enegherande  bate  leende, 
waert  met  geloften  van  trouwen  ende  van  eeren, 
met  brieven ,  met  bandunen ,  ofte  in  eneger  andere 
manieren,  dat  hi  dat  geit  oft  ander  goet,  dat  hi 
alsoe  leent,  sal  hebben  verloren  tot  ewelijken 
daghen,  ende  die  ghene  diet  ontleent  heeft,  ofte 
doen  ontleenen,  ende  alle  sijn  borgen,  al  hadden 
zijg  oic  brieven  van  teeren  oft  van  coste  oft  andere 
yesticheden  gemaect,  ende  oic  van  allen  bandunen 


die  dair  af  sijn  mochten,  los,  quiie,  vrv  eiid« 
ongehouden  sijn  ende  bliven  selen  jeghen  yeg1l^ 
welken ,  Stadtr.  v,  Brtusel  v,  1383 ,  in  Belg.  Mtu. 
10 ,  101  (Is  hier  misschien  te  denken  aan  de  loo- 
genaamde  „Garantie  de  Bruxelles?  vgl.  Britz. 
Code  de  V Ancien  Droit  Belgigue,  926). 

Aanm.  —  Of  ditzelfde  bandoen  ook  bedoeld  'm 
Sacr.  78 ,  67 :  „  twas  bandune  "  is  moelijk  te  zeggea. 
Verwijs  gist,  dat  het  het  ofr.  ^«fM^cm  is ,  in  de  bd. 
van  joie ,  allégrette.  Zie  Gloss. 

BANDRIE,  znw.  vr.  (?)  ||  Dat  wi  ne  ghcaa 
portere  ne  moghen  doen  ghebieden,  noch  obk 
rechtere  omme  ne  ghene  mesdaet  bnten  der  stü 
van  Thienen,  noch  op  hen  negheen  bandria 
maken,  zine  willecorent  met  den  monde ,  Willems, 
Meng.   458,   in  eene  keur  van  Thienen  van  VU&. 

BANE  (baen),  znw.  vr.  Mhd.  ban\  hd.  A<ia, 
mud.  bane\  Got.,  Ohd.,  Ags.  en  Onrd.  ontbreekt 
Over  de  afleiding  vgl.  Grimm,  Wih.  1,  1077 
met  Klnge  15.  Baan^  e  ff  ene  vlakte  of  begane  wff. 
in  verschillende  toepassingen. 

1)  Slagveld^  tooneel  van  den  strijd^  plaat»  wee 
gestreden  wordt.  \\  Doe  versagene  die  van  botcG 
meer  dan  vijf  hondert  tenen  trane,  ende  seteda 
hem  uter  bane,  daer  si  in  vochten  doe,  Ferj. 
4086.  Ende  stac  m|jn  heer  Janne  Screybane,  dit 
hi  viel  in  der  bane  op  die  doden  die  daer  lagea, 
GHmb.  I,  3726;  vgl.  Lorr.  II,  4293.  Maer  ém 
toe  quamen  saen  gereden  in  der  selver  bane  selke£e 
riepen :  Viane !  Grimb,  1 ,  3777.  Dese  waren  comeakr 
banen  metten  grave  van  Vianen ,  4085.  Ende  sveer- 
den  brac  men  daer  in  der  banen ,  II ,  528.  Coningfaa. 
graven  ende  hertoghen  .  .  .  die  bleven  doot  al  s 
de  bane ,  IX  Beet.  425.  Hi  was  daer  met  moghat- 
heiden,  ende  mechtich  ghenoech  in  der  Inne  §p 
viande  te  wederstane,  Brab.  Y.  VI,  5730.  Wis 
meneghen  spere  men  daer  brac  in  der  banei  li 
over  al,  VII,  2072.  Zie  ook  Velth.  III ,  41 , 5 ; «:. 

—  Die  bane  scuwen,  het  veld  rmme%.  \\ 
Die  princen  macht  heeft  te  verslane,  .  .  .  ^fsr 
hare  scuut  overmoet  die  bane,  Rinel.  1055.  —  Ttr 
banen  vallen,  aan  den  slag  gaan,  aan  den  fam 
gaan.  \\  Ende  dan  vallen  si  weder  saen  ter  baBea. 
Fad.  Mus.  1 ,  83 ,  39. 

2)  Des  meres  — ,  het  vlakke  geeelrtmi." 
Hier  en  binnen  is  die  joncfrouwe  afler  nnten  ^^ 
ghegaen  wanderen  op  des  meres  baen,  MLoep  \h  ^ 

3)  Speelbaan^  kaatsbaan.  \\  Aldaer  men  spe^ 
op  ene  bane  was  hi  met  jonghen  gheselIen.3J!aAK^ 
3,  27,  168. 

4)  Betreden  en  gangbare  weg  ^  in  eigenlgke  a 
flguurl^ke  toepassing.  ||  Soe  wye  nn  treden  ^ia 
banen,  die  motent  selve  al  becopen,  Hild.  1S5,  U^ 
Helen  is  der  heren  baen,  137,  21  var.  Want  ^ 
doet  ware  hi  in  wane  of  altoes  tesine  g^bevane^dit 
quame  in  die  wreede  bane,  Limb.  ELI,  1134. —h 
verschillende  zegswijzen. — In  (te)  allen  baaet- 
overal.  \\  Des  men  haers  wel  alhier  in  groter  ees» 
mach  vermanen  in  allen  hoven,  in  allen  l^an, 
Brab.  Y.  VI,  5978;  verg.  VI,  1551.  —  Bai«i 
(buter)  banen  rollen,  het  rechte  pad  verlaif*- 
op  een  dwaaUpoor  komen.  ||  Sine  connen  misao 
niet  een  twint,  die  wandel  sijn  alse  die  wiil 
si  rollen  buter  banen ,  Wap.  Mart.  1 ,  438.  ï^ 
doet,  si  schuwen  sulke  nose  veel  te  rollen  bata 
banen,  Hild.  159,  194.  Willen  si  den  beren tscf^ 
ondecken,  .  .  .  soe  souden  si  dnecbt  Toerv«r 
keren  ende  buten  banen  niet  te  rollen ,  210 ,  273 — 77. 

—  In  eens  bane  rollen,  in  eens  bas* 
omgaen,  iemands  spoor  volgen^  hem  Moro/^en.  ^ 
wel  tot  zijne  partij  behooren.  \\  Hi  hevet  ypoeria? 


557 


BANE. 


BANK 


r.rc 


ommaer,  ende  legliet  hem  met  vraken  naer,  die 
in  hare  bane  pleghen  omme  te  gane,  Wap.  Mart. 
If  231.  Dru)  was  dit  yraukin  daer  bedroghen  bi 
haren  zoeten  wane;  elc  peinse  om  dat  soe  heift 
vor  ooghen,  als  men  rolt  in  haer  bane,  OVLIAed. 
en  Oed,  84 ,  29. — ^Verg.  hiermede  de  uitdrukking :  I  n 
eens  baen  es  al  die  xo\^  alle»  volgt  zijn  tpoor.\\ 
Die  noch  wel  connen  Reinaerts  const,  ...  si 
crupen  al  in  Reinaerts  hol,  in  sijn  baen  is  al  die 
rol,  Rêm.  II,  7664 — 60.—  Enen  in  sine  bane 
bringhen,  iemand  tot  zijne  partij  brengen.  \\ 
Als  her  Jan  dit  hevet  verstaen,  voer  hi  in  Zelant 
herde  zaen,  ende  ghinc  de  van  Barsele  ane,  dat 
hise  brochte  in  sijnre  bane,  Stoke  VII,  21. 

BANE  (baen),  znw.  vr.  ,  en  m.  Goth.  hani^ 
wonde  ;  onrd.  bani  m. ,  verderf,  dood  (Jonsson  43^ ; 
ags.  bana  {jbona)  m. ,  dood ,  verderf  (Grein  1 ,  74) ; 
ofr.  bon  in  bondedeeh^  moorddadig;  bona^  moor- 
denaar ;  ohd.  bana  vr. ,  doodslag ;  mhd.  ban  m. , 
ondergang,  verderf;  mud.  bane  vr. ,  moordboete  ; 
eng.  bane. 

1)   Eigenlijk.  Leed^  kwaad ^  ongemak.   \\   Sieken 
oghen    ende   die   tranen    die  qnijt  hi  van  groter 
banen,   Nat.  BI.   XII,   73ö   {de  Icitos,  een  eteen). 
Hem  quam  met  groten  banen  beide  heet  ende  oec 
coat:    sine     pine    was    menichfout.    Brand.    {H) 
1280  (in  den  tekst:   bonen:   danen).  Dese  quamen 
uyt  met  XX  vanen  te  velde,  menghen  Griecken 
ter  bane  (/.  banen),  Troyen  f.  143*.  Ie  sterf  bv  u 
(Briseda)  in  die  bane,  Troyen  Vb.  30.  Beydeghe- 
crade  ende  gras,  dat  den  onghewederte  was  over- 
bleven tselker  banen,  dat  aten  op  die  spelthanen, 
X  Plag.    1711.    Na    menigen    anx,   na   menigen 
bane,  Sp.  II»,  47,  26.  —  Inzonderheid  in  de  uit- 
drukking:  —   Enen   (sware,   menighe   enz.) 
bane    doen,    zwaar    mishandelen.    \\    So    dat    si 
quamen   in   Tuscane,   daer   si    daden  sware  bane 
eere  stat,  daer  si  voren  laghen,  Sp.  I»,  43,  13. 
Dyoclesiaen,  die  felle,  ende  Maximiaen s^jn geselle 
daden   der  kerken   meerren   bane,   dan   hare   ter 
wcrelt  noyt  quam  ane,   II*,   1,  141.  Dese  Peter 
hadde   lange  gesiju  eens  heren  Anteneus  gevane, 
die  hem  dede  menege  bane.  II*,  27,62.  Cloestre, 
husen   ende  kerken  nam   hi  altemale  den  clerken 
ende   gafse   den   Arrianen,   die    den  onsen    daden 
vele  banen,  III»,  15,  27.  Daer  vinc  hi  Justiniane, 
ende  dedem  so  sware  bane,   dat  hi  hem  den  nese 
afsneet,  III',  49,  85.   Ende  daden  den  kerstenen 
groten  bane,  II>,  22,  26.  —  Wien    soet   comt 
(wert)    te    banen,    wien    het  ook    ten   verderve 
moge  zijn,  wien  het  schade.  Verg.  de  uitdrukking: 
Wien  soet  comt  te  scaden  of  te  vromen.  || 
Up  dien  torre,   daer  mi  die  soete  heeft  gemaect 
te  sprekene  moete  met  hare,  so  wien  dat  comt  te 
bane ,  Roee  fr.  253 ,  16.   Om  dit  selve  .  .  sal  mine 
vancnesse  so  sijn  vemouwet,  dat  ghi  mi  nemmer- 
ineer  en  scouwet  na  nu,  wien  soet  comt  te  banen, 
267,  288.  Dat  wi  met  staden  trecken  achter  binnen 
onsen  barbakanen ;  so  wie  soet  ons  wert  te  banen , 
daer   moetewi   emmer   houden  strijt,  Parth.  6531 
(zie  T.  en  Ltb.  5,  117). 

2)  Uit  de  oorspronkelijke  beteekenis  van  ver- 
tooHtUng^  doodslag^  ontwikkelde  zich  die  van  schuld, 
gelijk  in  het  Mud.  die  van  boete  die  men  voor  de 
d^iad  betaalde:  „  Jeder  dem  schwertmagen  verblei- 
bende antheil  der  mannbusze  **  (Lübb.  1 ,  147).  Zoo 
heet  het  in  het  Dithm.  B.  §  79:  „Efte  dar  ein 
nian  geslagen  worde,  so  schal  de  bane  bliven  by 
der  swertsiden."  ||  Wie  den  andren  bestcanvlaen 
mach  best  in  state  ghedueren :  wee  hem  die  daer  af  es 
baen  !  Wap.  Rog.  8.  Waer  soudic  connen  ghegronden 


wie  bane  es  van  desen  souden?  127.  Hoe  dat  raet  ga 
die  duvel  Caym  te  verslane  Abel,  sijn  wille  was 
des  bane,  257.  Waenstu,  of  di  mate  es  ontfloen 
ende  du  overdaet  wils  doen,  der  weerelt  bane 
gheven?  462.  Ne  waer  di[e]  duuct  binnen  sinen 
slike  ende  tselfs  daer  hute  ne  kike,  die  es  zij  ure 
droecheit  baen,  982.  Die  ghulse  natuere  heeit 
ontfaen,  sal  God  die  dor  ghulsheit  slaen,  so  es 
sijn  lot  verscroven;  eist  bi  Gode  so  eerst  ghedaen , 
so  sciint  hi  zijn  der  zonden  baen,  1497.  Doet 
soet,  dats  thaerre  on  vromen,  want  so  wert  sweercs 
bane,  811.  Al  es  een  van  zonden  de  baen,  1018. 
Gode  es  dit  ghetyet  van  zomen;  andere  haerre 
sterre  bane  nomen,  1516.  Gheens  quaets  bane, 
1331.  Wie  es  der  mesdaet  baen?  1792. 
BANE.  Zie  banne. 

BANEKEN  (baniken  ,  baenken),  zw.  ww.  bedr. 
en  onz.  Mhd.  baneken.  Oorsprong  onzeker;  het 
is  twijfelachtig,  of  het  woord  van  een  Germaau- 
schen,  dan  wel  van  een  Romaanschen  stam  is  ont- 
leend. Het  mhd.  baneken  beteekent  heen  en  weder 
bewegen,  door  beweging  verlustigen,  en  wordt  ver- 
geleken met  ofr.  banoier  en  esbanoier,  waaraan 
een  Romaansche  vorm  banicare  zou  ten  grondslag 
liggen  (verg.  Diez,  Etgm.  Wtb.  1,  51;Grimm,  Qr. 
2,  1000).  In  het  mnl.  is  de  beteekenis  beperkt 
tot  den  byslaap. 

Bedr.  —  Een  wijf  — ,  eene vrouw  beslapen.  \\ 
Ie  baenke  om  geit  der  mannen  wiven ,  Boerd.  II ,  42. 
Onz.  —  Den  bijslaap  uitoefenen.  ||  Dat  hem  die 
sieke  wachte   van  baniken,  Barth.  273  b.  So  wie 
dese  suucten  hebben ,  die  moeten  hem  sonderlinge 
wachten  van  vervullinge  der  spizen  ende  des  drancs, 
ende    te    voersten    van    baniken,    want    dat   spul 
scarpt  die    reume  alte  zeer,  274  b.  Waer  af  dat 
gevalt  dat  die  gene  die  gelubt  sijn  .  .  .  tvoetevel 
niet  en  hebben,   want  si  niet  en  baniken,  275a, 
BANEN,  zw.  WW.  bedr.  Ofr.  bonia,  voor  moor- 
denaar verklaren;   mnd.   bonen.  Van  Bane  in  den 
zin    van   moord,   waaruit  zich   die  van  boete  voor 
een  gepleegden  moord   ontwikkelde    (verg.  Bane, 
2de  art.).  In  de  Oud-Nederlandsche  rechtstermen : 
—   Enen   doden  banen  (op  enen),  de  schuld 
van   iemands  geweldigen    dood   leggen   op    iemand, 
eigenlijk:   den  doode  (den  vermoorde)  aan  iemand 
te  laste  leggen,   dus:  verklaren  dat  een  doode  door 
geweld  van  een  b^aald  persoon  om  het  leven  is  ge- 
bracht.  II  Hoemen   den  doden  die  ghebaent  ende 
ghebairt  staet ,  wapenruft  sculdich  is  over  te  doen , 
Matth.  13.  Als  tscependom  den  man  bezien  hebben , 
vraecht  hem  die  rechter,  of  sy  kennen  dat  die  dode 
van  menschen  handen  ghesturven  is,  ende  dair  of  ont- 
fanct  hy  der  scepenen  antwoirde.  Dair  na  begheren 
die  maghen  haren  doden  maech  te  banen ,  dat  wapen- 
roft  van  hem  te  doen ,  179.  Na  voirvonnes ,  dat  scepe- 
nen ghewijst  hebben,  dat  men  sculdich  is  P. ,  die 
aldair  staet  ghebairt,    te  banen.  Tvonnes  wijst  na 
voirvonnes,  dat   men  P.  sculdich  is  te  banen.  Die 
rechter  vraecht  den  vrienden,  op  wien  dat  sy  P. 
haren  maech  banen  willen.  Die  vrienden  bespreken 
hem,  of  sy  sijns  beraden.  Ende  die  taelman noemt 
die  ghene,  dair  sy  den  doden  op  ghebaent  willen 
hebben,   by  namen,   een  of  meer,  180.  Recht  .  . 
doen  van  haren  doden  maech,   die  sy  aldair  ghe- 
baent hebben,  181.  Of  die  vrienden  van  den  doden 
moghen    banen  haren   maech  op  wien  sy  willen? 
Die  antwoirde.  Ten  behoort  niement  eerbaers  toe, 
yement   in   eenen    dootslach    te   belegghen,   daert 
kenlic   of  was,  dat  hy  op  dien  tijt,  als  die  doet- 
slach  ghesciede,  niewert  an  velde  noch  au  vaerde 
en  yi^'^\  ^^^^  ^^^  ^y  vtLQia  ende  daets  onsculd^ch 


550 


BANE. 


BAN  E. 


560 


18,  182.  —  Enen  dootslach  hanen  op  enen, 
een  doodslag  te  laste  leggen  aan  iemand.  \\  Het 
gheschiet  een  dootslach,  die  ghehaent  wort  op 
alrehande  personen ,  Matth.  183 ;  vgl.  13.  Blijft 
yement  gaende  opter  straten,  dair  die  dootslach 
op  ghebaent  is,  die  rechter  salre  die  hant  aen 
slaen  van  tsheren  ende  der  vrienden  weghen, 
ald.  Des  mans  doot ,  die  op  hem  ghebaent  is ,  ald. 

=  Nog  heden  is  banen  in  't  Ylaamsch  in  gebruik 
in  den  zin  van  zijne  schuld  erkennen.  Zie  De  Bo  78. 

BANEN,  zw.  WW.  bedr.  Van  Bane  (1ste  art.). 
Eigenlijk,  van  een  weg:  banen,  effen  maken,  doch 
bij  nitbreiding  ook  van  land ,  in  den  zin  van  effen 
maJten,  toebereiden,  bewerken.  Nog  bij  De  Groot, 
Inl.  140v<»:  „De  overkominge  waer  doer  iemand 
land  aenneemt  te  boenen  voor  zeecker  deel  van  de 
vruchten."  In  den  allitereerenden  rechtsterm:  — 
Goede  bruken  ende  banen,  goed  gebruiken 
en  bearbeiden ,  er  de  vrije  beschikking  over  hebben.  \\ 
Of  hij  die  goede  so  ghecoft  heeft,  dat  hy  die 
bruken  ende  banen  mach  als  sijns  selfs  goeden? 
Tvonnes  wijst:  Als  die  XII  gr.  betaelt  heeft,  dat 
hij  die  goede  soe  gecoft  heeft,  dat  hy  die  bruken 
ende  banen  mach  geliken  sijns  selfs  goeden, 
Matth.  171. 

BANETTE  znw.  vr.  Hetzelfde  als  bonnet.  Zie 
ald.  Muts.  l)  En  ghien  man  noch  wijf  moet  zeyle 
of  banetten  in  die  kerke  maken  noch  nayen, 
O.   W.  V.  Amst,  38,  17. 

BANGE,  bijw.  Mnd.  bange;  ook  mhd.  bange, 
hoewel  daar  de  vorm  ange  de  gewone ,  en  bange 
de  nd.  vorm  is.  Uit  Be  en  Ange  (zie  ald.).  Eyig , 
benauwd,  beklemd,  bange.  In  de  uitdrukking: 
—  Het  doet  hem  bange,  eigenlijk  het  be- 
nauwt hem,  bij  nitbreiding  het  beangstigt,  kwelt 
hem.  II  Die  minne  die  dede  him  wee  ende  banghe , 
3fLoep  I,  1193. —  Het  gaet  bange,  het  gaat 
er  erg,  verschrikkelijk  toe.  ||  Het  ghinc daer  haerde 
banghe ,  Alex.  V ,  56. 

BANGICH  (bangech),  -ige,  of  ege,  bnw.  Mnd. 
bangich.  Benauwd,  beklemd,  beangstigd.  ||  Een 
stadighe  eenperlike  begheerte  eens  banghighen, 
druckeliken  levens,  mit  Christo  den  arbeit  ende 
den  last  sijnre  ellendigher  pelgrimaeden  altoes 
mede  te  helpen  draghen,  Stemmen  95. 

BANGICHEIT,  en  -iiede,  znw.  vr.  Zie  Bangich. 
mnd.  bangicheit.  Benauwdheid.  \\  In  welker  maent 
ghi  maken  selt  alle  daghe  een  hoedekijn  van 
berberyen  bloemen  mijnre  inwendigher  banghicheit 
die  ie  leet  au  den  er  nee,  Ned.  Proza  320.  In  al 
iuwen  inwendighen  ende  uutwendighen  bedrucke- 
nissen  ende  bangicheiden ,  Gerl.  Peters  210.  Tribu- 
latie ,  bangicheit  van  binnen  ende  van  buten ,  236.  — 
Zie  ook  Bandicheit  en  Banlicheit. 

BANIEBE  ^banniere,  bannere,  banner), 
znw.  vr.;  verkl.  banierkijn.  Mnd.  bannere, 
banner,  bannir;  mlat.  banneria,  banera  (Duc.  1, 
564,  566):  fr.  banniere  voor  bandière,  dat  van 
germ.  oorsprong  is;  zie  Scheler  40;  Diez  1, 
50.  Banier,  vierkante  vaan,  het  zinnebeeld  van  de 
'rechtsmacht  over  vrije  mannen,  en  alzoo  door 
dragers  van  rechtsmacht,  baenrotsen,  gevoerd.  Zie 
D.  JTar.  5,  119  vlgg.,  323  vlgg.,  540  vlgg.; 
Huyd.  op  Stoke  3,  bl.  319  vlgg. ,  en  verg.  Baenrots. 

1)  In  't  algemeen,  als  veldteeken,  dat  door 
Baanderheeren ,  door  vrije  steden  en  kerkelijke  ge- 
stichten gevoerd  werd.  ||  Hi  sach  dakeren  die 
banieren  metten  winde,  ende  menich  ponioen ,  jFVr^. 
3894.  De  baniere  nam  in  de  hant  een  scoene  vrome 
jonc  seriant,  ende  maecter  hem  mede  te  hant, 
4aer  hi  de  meeste  perse  vaut,  ende  droech  aldaer 


sGraven    baniere,  Stoke  IX,  1005.  Sine  lieden  en 
merden   niet;   want  si  waren  bereet  sciere,  ende 
yolgeden  na  sine  baniere  int  velt ,  daer  tm  stgu 
houden,  alse  die  ghene  die  bliven  wouden  biheu 
levende  ende  doot.  Vore  dies  hertogen  conroot  et 
hilt  banieren  enghene  van  sinen  tekene  meer  dn 
ene :    daer   was    sijn   lichame  altoes  bi:  daer  die 
baniere  voer,  daer  was  hi  toten  inde  vu  dit  begin 
Al  dat  die  hertogehadde  au,  wapenroc,helm,enè 
britsieren,   dat  hadde  al  teken  van  sire  btniens, 
Heelu  4472.  Huge  kende  terstont  sijn  bauoermetta 
cruce,  Htige  v.  Bord.  53.  Van  allen  rejsendiemea 
doet,  daer  der  stat  banner  niet  mede  nut  en  ii, 
B.  V,  Utr.  1,20%,  1.  Dit  waren  alle  baenrotwn.. 
die    met    banieren    quamen    ten    stride,   Griai 
II,     293.     Sinen    hamaschmaker ,   die  mit  alit- 
hande   banneren  in   Oistvrieslant   trecken  sondi, 
Oorl.  V.  Albr.  295.  Van  140  ellen  zwarts  sindids 
ende  14    ellen   roets    sindaela   .   .,  daer  men  if 
maecte    13    banieren   van   der    wapinen  fan  ds 
stede  .  .  ende  7  groete  banieren  van  den  prodiie, 
Bek.   V.    Gent    1 ,  348.  Voert    behoert  den  Toegkt 
toe    ende    ten     leene:     wanneer    dat    ghemeee 
orloghe   sal  wesen  met  den  heere  van  den  linde. 
daer  moet  de  voeght  draghen  ofte  doen  diagka 
eene  baniere ;  .   .  waert  so  dat  hiemene  tu  der 
voeghedien  van  Everghem  worde  vonden  in  fke- 
breke   van  siere  orloghen  ofte  van  siere  banierei 
te  volghene ,  also  hise  schuldich  ware  te  Tolgfaene. 
van   dien  lieden  soude  de  voeght  met  sinen  \tx» 
hebben    syn  recht  van  den  boeten,  Gendsck  CÜi 
23    (a.    1361).     Zie    nog   Bek.    v.    Gent    1,  479; 
Matth.   Anal.  1,  288.  —  Baniere   gebondei, 
of  met   banieren    gebonden,   met  ie  i«atf 
aan  den  schacht,  lans  of  stok  gebonden, sijnei^ 
vertoonende,  \\  Archelaus,  sijn  hertoghe,  Toermti 
banieren   gebonden   hoge,    Sp.  I*,  71,  33.  Söw 
ghewapent   quamen   si    echt ,    scilt  aen  hals  etd^ 
spere  gherecht ,  helm  op  thovet ,  baniere  gebondo. 
ende  neder  toter  hant  out  won  den ,  Parth.  4759.  —  h 
denzelfden    zin:    Met    on tp loken    banierei. 
met    ontrolde    banieren.    Nog    heden  bij  dichten 
in  gebruik.  ||   Die  keerden  binnen  desen  weder  tfi 
haren  banieren  al  ontploken,  Heelu  7476.  Dat  beer 
van  Brabant  al  te  male  met  haren  bannieren,  d^ 
wet  wale,  al  ontploken  ten  viande,  Grimh.VL^i^ 
—  Eens  baniere  vellen,  striken.  Ëigenlfk: 
eene    banier    doen    vallen,    neerhalen',  verrolge» 
iemand  in  den  strijd  overwinnen.  \\  GraTC  Flora* 
bleef  in    den   tornoy  te   Corbi:    dat  was  TerWT, 
daer  was  gevellet  sine  baniere,  Sp.  IV',  46,20 
Daer  mocnte  men  sien  banieren  striken  deenet^ 
prighe  tieghen  dander,  Stoke  IV,  410.  — Ook ii 
den    zin  van    den  heer,  die    eene   banier  voert,  i 
Artuers   maisniede    sal   tomieren  jegen  alle  dk 
banieren,  die  van  buten  comen  mogen, Fer^.h\tl- 
2)   In    H   bg zonder ,   de  banier  als  teeken  der 
hooge  rechtsmacht,  welke  niet  alleen  de  Baanrotsu 
of  Baanderheeren,   maar  ook   de   Vrije  steden a 
kerkel^ke  Gestichten,  Abdijen  enz.  bezaten. Verf- 
D.  War.  5 ,  337  vlg. ,  541  vlg.  ||  Na  dat  die  Boensefe 
baniere   den    coningen   wart   genomen   ende  eeift 
Sp.  1%  1,  138.  Zie  nog  i2(;i»i.  34073;  Heelu  4m 
5041;  5674  vlg.,  5722,  5735,  5742,  7167,  SÖO. 
8461 ;  Grimb.  1 ,  4160 ,  4759 ;  II ,  1885 ,  1951 ,  2ö8t 
2180,  4440,  4458,  5027;  ens.  —  Baniere  bifr 
den,  eene  banier  voeren  als  teeken  der  hooge  re^ 
macht  van    eenige  vrije    heerlijkheid.    \\   Die  bfl< 
stout.  Van  Assche,  dien  in  die  vaert  bevolen  n^ 
de  standaert,  nochtans  bant  hi  selve  baniere ,  Gri»^ 
I,  4634.  Rotselaer,  Wemele,  selc  Bierbeke..t«rt 


561 


BANI. 


BANI. 


562 


dier  geropen  tien  stonden  van  hem  die  banieren 
booden,  I,  4728.  Een  yrome  baenrotse  ende  fier^ 
ïj  bant  banniere  te  dien  stryde,  II,  3820  var. 
Deat  viere  bonden  baniere,  II,  6678.  Drie  baen- 
roetfeo  ...  die  baniere  bonden,  II,  6720. 
Wielhem,  Waelcort,  Rotselaer,  dese  hadden  alle 
bttieren  daer;  daer  toe  si  twee  van  Wesemale; 
dit  sijn  die  baenroetse  altemale,  die  proefst  van 
Nivele  was  daer  mede,  die  daer  oec  als  baen- 
rots  dede ;  want  hi  bilt  leen  ende  lant ,  daer  hi  af 
baniere  bant  alse  heere  ende  alse  vrie.  Daer  waren, 
sonder  alle  die,  banieren  meer  nochtan:  van 
Braessele  die  amman,  ende  die  daer  sijn  in  sine 
«tedc;  van  Antwerpen  die  sconthede,  ende  die 
meyer  van  Thienen :  van  den  ambachte ,  daer  si  af 
dienen,  dede  elc  ene  baniere  binden,  Heela  4643. 

3)  EeH  vaantje^  dienende  ah  teeken.  \\  Voort,  zo 
wat  liedeghe,  bradeghe,  of  die  pensen  ende  lever- 
malen  vercoopen  dat  verzaeit  es,  die  zo  moeten 
ritten  viertiene  voeten  verre  van  den  vleeschause 
ende  viertiene  voeten  van  haren  stallen,  daer  zij 
pleghen  te  zittene  ende  te  vercoopene,  met  eenen 
rooien  banierklne ,  ghelijc  dat  men  voor  tvleeschuns 
doet,  up  eene  boete  van  tien  scellinghen  parisis 
ende  tvleesch  verbuert;  ende  zneghen  vleesch  met 
«nea  witten  banierkine,  diere  ghelike  up  de  zelve 
boete,  ZFL  Bijdr.  3,  280  (a.  1379).  Van  den 
ghenen  die  wjm  hebben  ghegheven  sonder  baniere 
ende  opcne  dueren,  Invenf,  v.  Brugge  4,  162  (ald. 
189:  sant  kuys  onvers  et  baniere).  —  De  baniere 
wai  een  uithangteeken ,  waarop  de  prijs  van  de 
▼gnen  aan  de  baitenzijde  van  het  hnis  moest 
worden  bekend  gemaakt.  Zie  aid.  Gloss.  666*. 

—  S\MENST.  Water  ba  nier,  waarschijnlijk 
wae  banier  met  waterverf  beschilderd.  ||  Gillise 
den  wapiinmakere  van  7  waterbanieren  van  stoffen 
diere  toe  ginc  ende  van  makene  42  ffi ,  Rek.  v.  Gent 
1,  473.  Gillise  den  wapiinsnidere  van  4  water- 
baaieren,  24  ©,  604.  Vgl.  tf/rf.  348:  „Sevengroete 
banieren  .  .  van  temper  veernwen  ende  9  van  den 
gbeliken  banieren  van  olievenaen.'^ 

BANIEREBÜRSE ,  znw.  vr.  Uit  Baniere  en 
Bune.  De  èeitrs  of  Aet  fondraal ,  waarin  de  banier 
Kerd  gerold.  \\  Van  16  baniereburseu,  van  eiker 
6  gr.,  comt  16  ®,  Rek.  v.  Gent  1,  486.  Item 
gegheven  R.  den  buersemakere ,  van  66  baniere- 
bnersen,  Invent.  v.  Brugge  3,  6. 

BANIERET ,  -ette ,  znw.  m.  Mlat.  bannerettts ,  fr. 
i^nneret  (Dnc.  1 ,  666);  eng.  banneret.  Baanderheer  ^ 
nider  die  het  recht  had  eene  banier  te  voeren.  \\  Ende 
¥oor  dander  teeckin  {van  den  Prince) ,  twelck  es  de 
baniere,  esmen  scnldich  homaige  ende  dienst.  Ende 
daeromme  ontvanwet  elc  banieret  sijn  baniere  van 
sgnder  wapene,  omme  te  toghene,  dat  hy  dient 
in  persone,  ende  dat  hy  houden  wil  syne  trouwe 
ende  waerheit,  also  dat  hy  leven  ende  sterven 
wilt  met  synen  Prince,  Matth.  Anal.  1,  288. 

BANIERPAERT,  znw.  o.  Het  paard,  waarop 
ie  banierdrager  rijdt.  \\  Een  banierpaert,  der  stede 
btaiere  np  te  voeme,  Invent.  v.  Bnyge  2,  398. 

BAN1ER8ADEL,  znw.  m.  Uit  Baniere  en  Sadel. 
^^l  voor  den  banierdrager,  waarin  de  banier 
ion  worden  gestoken.  ||  Gillise  den  wapiinmakere  . . 
▼wi  een  baniersadele ,  6  ^,  6  s.  8  ^.,Rek.  v.  Gent 
^1  473.  Des  maerscalx  cnecht,  die  mijn  here  een 
btnierxadel  leende.  Rek.  d.  Gr.  3,  168.  Twee 
Jieren  basen  an  een  banierzadel  te  maken,  368. 
^  banierzadel,  mids  dat  der  stede  banierzadel 
Tcrbarrent  was,  Invent.  v.  Brugge  2,  398. 

BANIERSCACHT  (banierscaft),  znw.  m.  Uit 
Baniere  en  Seacht.  De  schacht  of  lans,  waaraan  de 


banier  was  bevestigd.  \\  Item  Fieter  Jansz.  van 
bannierscaften  ...  1  arn.  gulden,  Bel.  v.  Leid. 
226.  Van  den  banierscachten  te  beslane.  Rek.  d. 
Gr.  3,  168.  Vgl.  ald.:  Item  om  den  seacht  ter 
banieren. 

BANINGE,  znw.  vr.  Zie  Banen.  Be  ver- 
klaring, waarbij  iemand  de  dood  eens  anders  wordt 
te  laste  gelegd,  de  beschuldiging  van  moord,  de 
wapenroep.  \\  Ende  die  rechter  sal  voirseggen, 
ende  sy  vier  sullen  naropen  aldus :  Wapen  over  B. 
den  moirdenair,  die  P.  onsen  maech  ghemoert, 
ende  van  live  ter  doot  ghebrocht  heeft,  metsinen 
moirtwapenen.  .  .  Als  die  baninghe  gedaen  is,  so 
voirs.  is ,  so  gheert  die  taelman  vonnes ,  ende  seit : 
Of  die  baninghe  gedaen  is  alst  recht  is?  Matth. 
180.  Ist  dat  dair  uutlems  luden  twapenroft  begheert 
ende  ghedaen  hebben  ende  baninge,  181.  So  die 
rechter  een  overvoecht  der  weesen  is,  van  tsheren 
weghen,  dat  hy  sculdich  is  die  baninghe  te  be- 
dinghen,  ald.  Of  die  bailiu  wair  van  huis,  ende 
binnen  dier  tijt  so  geschiede  een  doodslach,  hoe 
men  doen  soude,  het  wair  mitter  baninghe  ende 
mit   anderen    rechte?    184.    Zoo  ook   bl.   13. 

BANG ,  znw.  vr.  en  m.;  bancke,  vr.  Ohd.  banch, 
vr. ;  mhd.  banc,  m.  en  vr. ;  nhd.  bank,  vr.;  osaks. 
bank,  vr.;  mnd.  bank^  vr.  Zie  Grimm,  D.  JVtb.  1, 
1106.  Bank  in  verschillende  opvattingen. 

1)  Zitbank,  £<?/^/,  inzonderheid  voor  hooge  heeren 
(doch  vgl.  Sp.  I»,  7,  31).Verg./>.M7*.  1,1106.11 
Die  soudaen  sat  op  ene  banc  ^besneden  van 
yvoribene,  Parth.  8106.  Daer  tumae  ende  spranc 
eene  dieme  vor  sconinx  banc,  Sp.  V,  12,  3. 
Die  heren  saten  teenre  banc ,  dat  volc  stont  breet 
ende  lanc,  Troyen  f.  274  d.  Aldaer  si  saten  aen  die 
banc ,  wisten  sijs  Achilles  danc ,  /.  99  £  (Benoit 
12492).  Die  Ëdelhede  zit  upten  banc  van  Ghiericheden 
al  crepel ,  manc,  Praet  3120. 55oo  ook  Troyen  6737.  — 
Do  re  die  banc,  door  de  bank  (hd.  durch  die 
bank),  door  elkander,  gemiddeld.  ||  Dat  alle  hoere 
excysen  .  .  beloopen  in  gemeynen  jaren,  deur  die 
banck,  400  R.  gl..  Eng.  149.  Dat  deur  de  banck 
deen  deur  tander  tvoors.  lant  gelden  zoude  1  nobel 
tsjaers,  Inform.  266. 

2)  Zitbank,  waarop  men  bij  een  drinkgelag  zat, 
in  verschillende  zegswijzen.  —  Te  eensbauke 
si  t  ten,  bij  iemand  aan  tafel  zitten,  gast  zijn  aan 
een  feestviaal;  op  die  banc  sitten,  aan  een 
drinkgelag  aanzitten*,  aen  bancken  gaen,  naar 
het  wijn-  of  bierhuis  gaan,  kroegloopen.  \\  Want  die  te 
sinen  banken  sit,  die  nappe  sijn  sine  daer  hi  ute 
drinct,  Sp.  I*,  26,  44.  Ghi  kinders,  als  ghi  leert 
gaen  an  bancken,  men  leert  n  vloucken  ende 
zweeren,  Denkm.  3,  117,  92.  Ie,  Menich ,  plach  te 
sittene  up  den  banck  te  biere,  te  wyne,  vry 
zonder  zoorgheu,  ZVl.  Bijdr.  6,  316,  22. 

3)  Rechtbank,  schepenbank',  de  plaats  waar  recht 
werd  gesproken  en  die  uit  vier  banken  bestond 
Verg.  Noordewier,  N.  RO.  373.  ||  „Maer  ie  bidde 
mier  vrauwen  nu  om  consent  hier  in  die  .sale, 
dat  ie  mach  spreken  mier  magen  tale."  Noch 
knicte  Venus;  hi  seits  haer  danc;  mettien  so  tart 
hi  up  de  banc,  OVl.  Lied  en  Ged.  363,  1132.  An 
horen  raet ,  in  horen  banc  is  ghiericheit  ghedreven 
off,  Hild.  41,  92.  So  wie  die  sine  bant  doet  an 
scepenen  in  evelen  wille,  .  .  .  ende  die  hem  seit 
lelychede  buten  banke ,  hie  es  in  boeten  van  X  lib. 
jeghen  den  Grave,  Cottt.  v.  Brugge  1,  247,  §  18. 
Op  den  rechten  dinghedach  mit  ghespannen  recht« 
voer  die  banke ,  R.  v.  Utr.  1 ,  38.  Dat  hi  ter  banke 
int  gherechte  nyet  comen  en  mochte,  ald.  39.  — 
In  (die)  banc  sitten,  i»^^  schepenbank  zitten.  \\ 


563 


DA  NI. 


BANC. 


ri6i 


Hoe    dal   yeman   es   so   coene   in    banc   MÜlen   te 
gaen,    of  daer  over  te  staen   daermen  yeman  Bal 
ontgheven     goet,    ere    ende    leven,   Teest.    1125. 
Voirt  so  en  sel  nyemant,  die  in  die  banc  sit,  tsy 
scout,   burgermeester    of  scepen,  dobbelen    noch 
geen  van  den  voirscr.  verboden  spelen  doen.  Leid. 
Keurb.   236,   45;    verg.  98.  Scepenen  van  beeden 
banken  (schepenen  van  beide  collegiën) ,  Rek.  v.  Gent 
1,  38;   Diericx,  Mém.  2,  88.    (In  Gent  waren  nl. 
twee  lichamen  welker  leden  den  naam  van  schepenen 
droegen:  de  eigenlyke  schepenbank  [schepenen  van 
der    keare]    en  de   raad  [schepenen  van  gedeele] ; 
vgl.   Warnkönig,    Flandr.  Oesch.  2',  64).  Zoo  ook 
O.   K.  V,   Delft  II,  24.  —   Aen  (op)  die  banc 
Hitten,    in    gelijken    zin.    ||     Doe    dit    ghedinc 
hoerden   die  man,  die  besten  saten  aen  die  banc, 
Troyen  /.  142  c,  Waer  om  sydi  dan  vervaert,  als 
ghi  sit  op  uwen  banc?  Hild.  121,  131.  Mate  sat 
an  der  heren  banc ;  an  horen  rade  was  veel  belanc  , 
205,   145.   —  Die  banc  beroepen,  de  schepen- 
bank  oproepen   om   recht   te  spreken.    \\  Waert  dat 
sake  dat  eenige  partien  buyten  quamen  in  gedinge 
in   eenige  bancken,  die  haer  hoot  sculdich  sijn  te 
hebbene  voor  de    scepenen  van   Antwerpen,    ende 
deen  partye   die   banck  beriepe,  dat  die  scepenen 
van    der   banc,    daer   dat   gedinge  in   geset  ende 
gehandelt  ware,  souden  moeten  comen  binnen  den 
genechte  tot  hare  beroepe,  voer  de  scepenen  vau 
Antwerpen,  als   voer  haer  hootbancke,  ende  daer 
nemen  ende  ontfaen  alsulke  vonnissen  als  men  dan 
scepenen    daer   leeren    soude,    die   daer   geroepen 
waren,  Cout.  v.  Antw.  1,  86,  §11.  —  Die  banc 
vollen,   de   rechtbank  of  scheepsbank  bezetten ,  d^ 
zeven  schepenen  aanwijzen^   die   in  eene  zaak  recht 
zullen  spreken.  \\  lek   {rechter)    vraghe  een  vonnis 
of  ie  die  banck  alsoe  ghevolt  hebbe  mit  scepenen , 
dat  ick  recht  doen  mach.  Dingt.  v.  Delft  56.   Soe 
wysen  die  scepenen,  dat  hy  die  banck  alsoe  ghevolt 
heeft  mit  scepenen ,  dat  hy  wel  recht  doen  mach ,  ald. 
—  Die    volle    banc,   de    volledige    schepenbank. 
II  Ende  als  men  scepenen  van  Desselghem  vermaect, 
dan  zo  maect  min  heere  ofte  zijn  stedehoudere  den 
eersten  scepenen ,  ende  Jan  vorseit  ofte  zijn  stede- 
houdere   den    anderen    scepenen,    ende   die   twee 
scepenen  kiesen  voert  hare  vuile  banck,  Gendsch 
Chtb,   121   {a.    1402).  Daerom  en  mogen  wy  geen 
genoot  verordelen  dan  met  een  volle  bancke,  Huge 
V.  Bord.  79  tweemaal. 

4)  Pijnbank.  \\  Is  hij  van  quader  fame  ende 
onredelicken  levene,  zo  zal  hij  gepurgiert  werden 
metter  banc  ende  met  coorde  ende  watere,  ter 
discrecie  van  scepenen ,  Wiel.  Instr.  75, 32.  Scepenen 
en  zullen  niement  ter  banc  leggen  .  .  . ,  tenzij  dat 
hemlieden  eerst  bleken  is,  tf»2.,  162,  601.  Kinderen 
onder  de  viertien  jaeren  en  salmen  ter  banc  niet 
leggen,  162,  602  (vgl.  604).  Eer  men  yemend 
licht  ter  banc,  zo  salmen  hem  eerst  de  banc  togen 
ende  daerup  doen  setten  al  naect  ende  aldaer 
hervragen  van  dat  hij  in  de  caniere  gevraecht 
heeft  geweest,  163,  605. 

5)  Vleeschbank ,  bank  waarop  het  vleesch  gehouwen 
en  verkocht  werd.  \\  Die  ordinancie  van  den  vleysch- 
houwers,  hoe  langhe  dat  si  hoir  vleysch  ter  banc 
houden  sullen.  Leid.  Keurb.  91,  36.  Item  euich 
vleyshouwer,  die  ene  bancke  aeuneempt,  die  zal 
dat  jaer  uyt  ter  bancken  slaen  ghelijc  zine 
naburen,  Stadr,  v.  Zwolle  173.  Ende  also  .  .  . 
hebbense  haer  gehouwen,  ghelijc  men  ter  bancken 
vleesch  hout,  Exc.  Cron.  104*.  Die  ander  man  . . . 
die  conste  wel  vleysch  ter  banke  slaen,  Hild. 
37,  85;    verg.    124.    Handt   van  der  bancke,  wel 


lieve  bloedeken,  t vleesch  es  besteet,  hier  ghe«rt 
mondelynghe,  ZVl.  Bijdr.  6 ,  231 ,  149.  -  Sirwki. 
II  Sy  houwen  melcanderen  te  bancke,  i  L  :^ 
houwen  elkander  stuk^  als  men  vleesch  op  de  tUeid- 
bank  doet^  zij  laten  niet*  goeds  at»  elkade, 
Spreuken  57.  Verg.  hd.  zur  banck  kawen^  ^uk 
1 ,  229,  51 ;  D.  Wtb.  1109;  lat.  genimo  moricn, 
Ërasmi  Jdag.  474. 

6)  Bank,  toestel  dat  gebruikt  werd  hij  in 
grootenboog,  den  ban carm borst  o/ btncbofe. 
II  Item  Heinricke  den  Sagre,  hem  vierder  tb 
gesellen,  ende  1  cnecht,  die  waren  ten  buiken  tb 
den  groten  boghen ,  over  haren  solaria  20  p., 
Rek.  V.  Gent  1 ,  228. 

BANCARMBORST,    znw.  m.  of  onz.  Uit  Ak 
in    de    bet.   6)   en   Armborst  (zie    ald.).  Bj  BI. 
Banck-arm-borst,     vetut,    CatapulU,  baüsü 
maior,   tormentum    bellicum    in   scamno  coUöciri 
solitum;"  hd.  bankarmbrust ,  oiïz.  {J).  WtbA,\\% 
Huyd.  twijfelt  aan  de  goede  lezing,  en  wil  h^ 
armborst   (Aant   op    Stoke    Dl.   3,  hl.  316  tI^^, 
doch  de  vergelijking  met  het  vorige  en  Tolgew 
art.  en  met  het  Hd.,  alsook  de  schrgfw^ie <««* 
armborst   verbieden ,   dit   aan  te  nemen.  Werpi 
bij    belegeringen,   waaruit  pijlen  werden  gaek^ 
Zie  het  volgende  art.  ||  Ende  bancarmbor8t...s1«i5 
twe  hondert  ofte  mee;  de  pile  vloghen,  tlstfie 
snee ,  Stoke  IX ,  986.   Die  selve  busmeester^ 
eenen    van   des    princen   gesellen  met  een  b»* 
armborst  dat  hi  ter  eerden  viel ,  £s€.  Cro*.  242i. 
Die  van  't  casteel  schoten  soo  over  seer  met  booa, 
ende  met  banckarmborsten ,  ende  met  ander  cl^ 
boghen,    Goudtsch    Cron.  69.  —   Rek.  d.  Gr«fA^ 
437,    en    3,   472    leze  men  dan  ook  bancsr^m 
in  plaats  van  bantarmborst.  ||  It^m  meester  Mejwe'' 
den  smit  te   Aemstelredamme   van  1500  butint 
borst  scuts,  elc  stic  1  d.,  maect  6  tt  5  sc.;lta 
ghecoft  jeghens    Wouter   den    smid  25  hkai 
bautarmborsten. 

BANCBOGE,  znw.  m.  Uit  Banc  in  debetsa 
Boge.  Ben  groote  boog  op  een  bank  of  toestel  pepUi^ 
bij  belegeringen  in  gebruik,  waaruit  grwU  ^ 
werden  geschoten.  \\  Somme  van  den  ^^VJt 
springale,  tenten  ende  pauwellione,  bmcbo^ 
ende  engiene  van  der  stede ,  267  ®,  16  s.  9 1 
Rek.  V.  Gent  1,  249.  Item  Pieteren  dcnCaos* 
pere  van  600  ysere  ten  voetboghen  endelOOjsff 
ten  antboghen"  ende  van  100  ende  6  ysem» 
bancboghen,  10  ffi,  11  8.  8  d.  Item  Iv»» 
Ghiselbrechts  van  100  ende  16  ysercn  ten  w^ 
boghen,  462.  Meester  Arnaude  uten  Bi««^ 
costen  die  hy  dede  van  4  bancboghen,  di«J 
voerde  van  Elkiin  tote  in  theere  met  2  waghenw,» 
Zoo  ook  D.  B.  I  Macchab.  6,  51 ;  Rek.  v.  l^- 
382;  Incent.  v.  Br.  3,  60. 

—  Samenst.  Bancbogegescot  {'VVa 
geschut,  pijlen  voor  een  bancboge.  \\  Spring 
ghescot  ende  bancboghe-yscot,  Invent.  v.Bragf^f^ 

BANKEN,  zw.  ww.  onz.  Benaming  via i** 
niet  nader  bekend  spel.  ||  Dits  nu  altviejw^ 
den  ghemeynen;  Qu aken,  dossen,  bancken, c«^ 
N.  Doet.  1723.—  Of  moet  men  banken  opntW» 
den  zin  van  banketeren  (zie  ald.)? 

BANKET.  Zie  banketeren. 

BANKETEREN  (banketteren),  zw.  vi  * 
Van  Banket,  feestmaal  (Matth.  Anal.  1,261;^ 
Kluchtsp.  96).  Feestgelagen  honden,  een  f^^ 
diner  houden,  en  in  't  dX%.  feestvieren.\\v^ 
reyen  ende  hoveren,  ende  metten  vronwenfc» 
keteren,  Brab.  Y.  VI,  7475.  Die  edel  «^ 
visiteren  ende  metten  vrouwen  banketteren,  >*^ 


565 


BANC. 


BANL. 


566 


1919.  Daer  die  somme  van  siDen  cost  beliep ,  over- 
mids  dat  hi  banketerde,  24  tJD  12  d,^  Rek.  d. 
Gr.  3,  433. 

BANCGELT,  znw.  m.  Van  Banc  in  de  bet. 
5)  en  Geit,  Geld  voor  het  pachten  der  vleeschbank 
versehuldiffd.  ||  Item  enich  vleyshouwer,  die  ene 
bancke  aenneemptf  die  zal  dat  jaeruytter  bancken 
slaen  ghelijc  zine  naburen ;  weert  oec  dat  hy  coep- 
vaert  voeref  zoe  zolde  hy  ziin  bancghelt  wekelijc 
ghelden  ghelgc  zine  naburen  zonder  arghelist, 
Stadr.  V.  Zwolle  173. 

BANCGENOOT,  znw.  m.  Uit  Baric  in  de 
bet.  3)  en  Genoot.  Ambtgenoot  in  de  schepenbank^ 
viedetchepen.  \\  So  wat  scepenen  die  bi  kennessen 
van  sinen  bancghenooten  verwonnen  wordt  van 
valschedeUf  men  salne  bannen  uten  lande  van 
Ylaendren,  bondert  jaer  ende  enen  dach  up  sijn 
hooft,  Cout.  V.  Brtigge   1,  309,  §  2. 

BANCGESELLE,    znw.     m.   Uit   Banc    in   de 
bet.   2)   en   Geeelle.  Bij    Kil.  compotor^  comeseator. 
Drinkgezel^  gezel  bij  een  drinkgelag.   |)   Dit  selve 
jaer   (1484)    werden    die    Vlamingen   tAntwerpen 
vercocht  van  de  rnyters  ende  (hunne)  bankgesellen. 
En  de  poorters  kochtenze  om  hen  te  verlossen  na 
den  peys ,  onuitgeg.  Hs.  in  Gesch.  v.  Antw.  3 ,  290. 
BANCCLEET   (ook  bancleet),  znw.  onz.  Uit 
Banc    in    de   bet.    1)    en    Cleet.    Kleed  tot   bedek- 
king der  zitbanken,   tapijt.   Verg.   Kil.    „Banck- 
1  a  ec  k  e  n ,  tapes ,  opns  plumarium ,  vulgo  scamttale", 
en   mnd.    banktaken.     \\     Een    bancleet   2    d.;    12 
overtoghen  of  cussintiken  2  d.,  ZVl.    Bijdr.   5, 
34    {a  1262).    Een    lisecleet   of  banccleet   II    d. , 
47.   Item,    van    banccleedren    van     8   ellen   lanc 
8|jnde ,  waren  sy  te  curt  1  en  ^  groten ,  Belg.  Mus. 
4,    61    (tf.    1350).   Noch   ghebrekenre  bancleedere 
ende  cussene  enae  hoofclcedere ,  lavre.  d.  Mest.  4. 
Van  9  sticken  banccleedereu  ende  rigghecleederen , 
daer    mede   de  banken  ende  de  siegen  behanghen 
ende  ghedect  zyn,  Invent.  v.  Brugge  5,  340.  Vgl. 
ald.  Gloss.  590  a. 

BANCLOCKE,    znw.    vr.    Uit    Bannen   in   de 

bet.    1)   en    Clocke.  Klok,  waarmede  de  ingezetenen 

bijeen    teerden  geroepen,    om   {gewapenderhand)    ter 

verzamelplants  te  verschijnen,  stormklok.  Verg.  D. 

War.  5,  567.  ||  Waert  dat  die  selve  stadtvanden 

vijanden  worde  aenghevochten ,  oft  een  borgher  by 

den    vyanden    worde  ghevanghen  ewech  gheleyt, 

oft    eynighe    geval    diergelijcker   noetsaken   over- 

qname,    .    .   .   soe   willen   wy   dat   die  voerseide 

borghemeesteren   ende   raet   die  groete  banclocke 

oft  storme   vrylyck  in  alsulken  ghevalle  moghen 

doen   layden  oft  slaen  om  dat  volck  voorseit  met 

honnen  wapenen  te  vergaderen ,  Gew.  v.  St.  Truyen , 

%  38.  Die  oude  overste  ende  die  twee  ny  overste  . . . 

setten    Beemt  van  Everdiugen  Borghemeyster   to 

wesen  in  Roelofs  steden  van  Nyenvelt,  endesetten 

Anaem    Sallem   overste   Ouderman   tho  wesen  in 

JacopH    stede   van   Amerongen,    ende  die  banclok 

waert  gclnit  op  desen  selven  tyt,  ende  Beemt  ende 

Ansem     lagen    ter    clocken    als   overste,   Matth. 

Anal.    1,    403.   Op   sinte  Martijns  avont  wert  die 

banclock  geluyt,  ende  dat  volck  maende  ter  clock 

te    comeu ,    als    men  pleecht,   419.  Men  dede  die 

banclocke  slaen,  het  trac  al  ute,  Velth.  IV,  14,  57. 

BANCSTEDE,  znw.  vr.  —1)  Eene  plaats  ineen 

kerkebank ;   vgl.  BANC  1).  ||  Dat  die  kercmeysters  . . , 

ghene    vrouwen  bancsteden  int  nye  cruyswerc  van 

sinte  Nyclaes  kerke  vercopen  en  zeilen,  B.  v.  Vtr. 

1,  220,  91. 

2)   JBene  plaats  op  de  vleeschbank;  vgl.  BANC  5).  || 
Dat  die  yleyschouwers  in  pachte  hebben  zullen  dat 


vleyschuys  .  .  .,  in  zulken  manieren  dat  daer  49 
bancsteden  stadelix  bliven  zullen  ende  nyet  min, 
R,  V.  ütr.  1,  128,  1.  Alse  elke  bancstede  van  49 
bancsteden  .  .  om  1^  ouden  scilt  sjaers,  ald.  2. 
Voert  so  zeilen  die  voerseyde  bancsteden  erven 
ende  gaen  nader  ghewoenten  ende  haercomen  van 
horen  ghilde,  ald.  1. 

—  Samenst.  Gans  bancstede,  plaats  om 
geslachte  ganzen  te  verkoopen,  R.  v.  IT^^r.  1,  282,  32. 

*BANLICHEIT,  znw.  vr.  ||  Uut  vele  arbeits 
ende  banlicheit  des  herten  hebbe  ie  u  ghescreven 
mit  vele  tranen,  Hs.  75,  /.  43»  (II  Cor.  2,  4: 
„ex  multa  tribulatione'^).  —  Het  woord,  dat  men 
hier  verwachten  zou ,  is  bangicheit  (zie  ald.)  en  het 
is  mogelijk  dat  daarvoor  door  eene  schrijffout  in 
den  tekst  banlicheit  staat.  Het  woord  van  bane , 
verderf,  af  te  leiden,  is  even  gewaagd  als  het 
in  verband  te  brengen  met  banlinc  en  het  te  verklaren 
als  ballingschap,  ellende.  — Vgl.  ook  bandiCHEIT. 

BANLINC,  -linge,  znw.  m.  Van  Ban  in  de 
bet.  5*).  Mnd.  banlink.  Balling.  \\  So  wie  die 
herberghet  banlinc  binder  port,  hie  es  in  boeten 
van  LX  lib.  jeghen  den  Grave,  Cout.  v.  Brugge 
1,  247.  Ende  die  banlinc  es  van  LX  ponden  van 
wonden,  wy  no  niemene  van  onsen  halven  ne 
moghene  laten  ghedoen  jeghen  ons,  hy  ne  hebbe 
teersten  sclaghers  ghemoede  ende  daer  na  donse, 
ende  voert  ghenouch  doen  der  poert  van  III  ponden ; 
ende  alse  die  banlinc  ghenouch  sal  hebben  ghedaen 
eiken  van  der  boeten,  so  es  menne  sculdech  ute 
scepenenbrieve  te  doene  . . .  Ende  so  wie  die  banlinc 
sloughe  binnen  der  ballincscepe  in  Vlaenderen ,  hy 
ne  verbuerdere  niet  an.  .  .  Ende  mochte  oec  de 
claghere  ofte  maech  van  sinen  halven  den  vorseiden 
banlinc  betoghen  in  Vlaendren  met  VII  scepenen 
eer  hy  ghedaen  hadde  van  sire  boete,  so  sal  menne 
maken  wetteloes,  Cout.  v.  Gent  435.  Omme  te 
hondene  eenegheu  banlinc  ofte  man  die  verbannen 
ware,  455. 

BANLINCSCAP,  -scape,  -scepe,  of-SCEPE,  znw. 
vr.  Ballingschap.  Zie  Banlinc.  |l  Ende  hy  ne 
mach  niet  quite  wesen  van  den  banlincscepe ,  hy  ne 
sy  ute  scepenenbrieve  ghedaen,  Cout.  v.  Gent^Si). 
Binnen  der  ballincscepe,  ald.  (zie  boven  bij 
Banlinc). 

BANLUCKE  (Banloke),  znw.  m.  Uit  Ban  in 
de  bet.  6),  en  lucke,  loke.  Van  mlat.  banleuca 
(Duc.  1,  565,  576).  Grondgebied,  gemeenlijk  onge- 
veer van  een  mijl  in  den  omtrek,  waarbinnen  zich 
iemands  rechtsmacht  uitstrekte,  rechtsgebied;  fr. 
banlieue.  Verg.  Banmile.  ||  Alse  de  meyere  ooc 
ommegaet  den  banlucke,  so  heeft  hi  sine  maeltijt 
sonder  wijn ,  Gend^ch  Chtb.  34  {a.  1230).  Vermach  . . 
de  leenhaudere  van  desen  met  synen  bailliu  te 
ghaene  de  balloke  ende  waeterganghe  .  .  al  omme 
binnen  zynder  heerlichede,  Diericx,  Mém.  2,  591. 
Van  waterganghe,  van  banloke,  van  pontweghe, 
enz.,  Cout.  v.  Gent  574. 

BANMILE ,  znw.  vr.  Uit  Ban  in  de  bet.  6)  en 
Mile.  Mnd.  banmile;  verg.  mlat.  banleiica;  fr.  ban- 
lieue. Mijl  van  den  ban,  grondgebied  waarbinnen 
zich  iemands  rechtsmacht  uitstrekte,  rechtsgebied. 
Verg.  Banlucke.  ||  Dat  men  op  de  banmile  van 
onse  stat  van  Lovene  alomme  ende  omme  binnen 
onsen  gerichte  engheen  bier  brouwen  en  moghen 
hogher  dan  enen  penninc,  boven  dat  men  in  onse 
stat  van  Lovene  brouwt ,  Brab.  Y.  Dl.  1 ,  bl.  734 
(tf.  1306). 

BANMOLEN,  znw.  m.  Uit  Ban 'in  de  bet.  6) 
en  Molen.  Molen  binnen  den  ban  of  het  rechtsgebied, 
waar   de  onderhoorigen  verplicht  waren   hun  koren 


567 


BANN. 


BANN. 


568 


te  doen  tnalen.  Verg.  Noordewicr,  Ned.  RO.  229. 
II  Dat  die  goede  layden  van  onser  ToorschreTen 
dorpen  van  Orsmael  ende  Tan  Weaere  schuldich  zijn 
sullen  te  malen  ten  banmolen,  daer  zy  te  yoeren 
gemalen  hebben,  Brab.  Y,  Dl.  2 ,  bl.  652  (a.  1382). 
BANNE,  BANE,  znw.  vr.  (?)  ||  Van  viere 
banen,  die  men  besichde  ten  hase,  Invent,  v. 
Brttgge  1 ,  448.  Van  drie  banen ,  daer  men  up 
basede,  449.  Ghegheven  P.  den  delvere  van  tiene 
bannen  bi  hem  ghekocht  ende  ten  zelveu  werke 
{uitdiepen  van  eene  gracht)  gheorbort,  4,  219. 

BANNEN  {bieny  gebannen^  later  ook  bannede, 
gebannet) ,  st.  en  zw.  ww.  bedr.  Ohd.  bannan ;  mhd. 
bannen \  nhd.  bannen;  ags.  bannan;  ofri.  bonna^ 
banna  \  ml  at.  bannire;  fr.  bannir;  ital.  bandire. 
Verg.  goth.  ban-dvo^  teeken,  en  bandpjan,  een 
teeken  geven.  Bannen  is  alzoo  eigenlyk  significare , 
dat  eveneens  den  overgang  tot  de  beteekenis  te 
kennen  geven  ^  verklaren  enz.  vertoont. 

1)  Oproepen,  vooral  als  feodale  term.  ^a»  i^ma»// 
eene  oproeping  zenden,  waaraan  hij  zich  niet  ont- 
trekken kan.  Vgl.  BAN  1).  Vooral  van  den  heerban 
(heervaert)  gebruikt.  ||  Doe  bat  die  coninc  sinen 
mannen ,  dat  si  die  herevaerde  souden  bannen  ende 
helpen  sinen  lachter  wreken,  MerL  8081. 

2)  In  jur.  zin.  Op  eene  plechtige  wijze  bijeenroepen, 
vooral  in  de  uitdr.  Die  vierscare  bannen, 
de  vierschaar  op  plechtige  wijze  openen.  Verg.  Qendsch 
Chtb.  71.  II  Wanneer  die  grave  of  die  baeliu  vier- 
scarre  bannet  binnen  der  dinghe  tijt,  Oorkb.  2, 
332  b  ia.  1290).  „Bailiu,  wildi  dinghen?"  — 
„Jaic!"  sconteete.  „Ie  maenne  ju  heeren,  ju 
scepeneu,  jof  so  hoghe  an  den  dach  gheghaen 
is,  dat  ie  vierscame  bannen  mach,  omme  eiken 
meinsche  recht  ende  wet  te  doene,  die  te  deser 
vierscame  commen  zal,  ende  wets  ane  mi  be- 
gheren  zal ;  nu  seghet  daerof  recht ,  N !  ie  maens 
u  ende  huwen  ghesellen.'*  Scepenen.  „Es  die 
clocke  gheluud  ?"  C.  „  Jaes ,  heere."  Scepenen.  „  Zo 
dinct  mi,  dat  so  hoghe  an  den  dach  es  gheghaen, 
dat  ghi  vierscame  bannen  moghet,  omme  eiken 
mensche  recht  ende  wet  te  doene,  die  te  deser 
vierscame  commen  sal  ende  rechts  ende  wets  ane 
hu  begheeren  sal."  Scouteete.  „  Hier  so  banne  ie 
dese  vierscame  van  mijns  heeren  weghe  van  Vlaen- 
deren ;  dat  dese  niemene  verterde ,  verroupe ,  noch 
verjnke;  dat  niemene  en  spreke,  en  zy  bi  rade 
ende  bi  taelmanne,  ende  dat  niemene  taelman  en 
worde,  en  zy  bi  oorlove;  tslop  van  der  vierscame 
ghebiedic  te  rnmen  up  die  hogheste  boete,  ende 
dit  es  LX  Ü^,"  Boek  met  den  Knoop,  in  Taalg.1, 
39.  Ende  die  bailliu  nam  die  cricke  in  zine  hand 
ende  bien  vierscare  ende  maende  scepenen,  ZVl, 
Bijdr.  6 ,  200.  Dair  na  bant  die  rechter  vierschair, 
van  mijns  Heren  weghe,  van  der  stede  weghe  ende 
van  rechts  weghen.  Ie  ghebiede  lust  ende  onlist 
verbiede,  ende  ghebiede  dat  niemant  an  deser 
vierschair  en  spreke,  enz.,  Matth.  138.  Zoo  ook 
130  e.  e.  Nyemen  nes  sculdich  te  sprekene  in  de 
vierscare ,  achter  datse  ghebannen  es,  sonder  orlof , 
Wetten ,  Usagen  e.  Ord.  v.  Ilasebroiick ,  Hs.  14^*  Eeuw. 
Est  80  hoghe  upten  dach ,  dat  ie  van  uwen  weghe 
mach  vierscare  bannen  ende  condegen  met,  eiken 
te  doene  recht  ende  wet  van  allen  discoorde,  van 
allen  gescillen?  OVl.  Lied.  en  Ged.  351,  1075. 
—  In  dezelfden  zin  gebruikt  men  dat  dinc 
bannen  of  ook  meermalen  met  den  3den  nv.  d  e  n 
dinge(n)  bannen,  waarin  bannen  de  bet.  heeft 
van  den  ban  leggen  op ,  eene  ceremonie  wijden  door 
het  uitspreken  van  bepaalde  plechtige  termen.  || 
Bannen  den  dinghe  ende  besetten  den  afteustoel, 


Westfr.  Dingt.  5.  Den  dinghen  .  .  .  te  bannen,  da 
aftenstoel  te  besitten  ende  hem  daer  te  rechten,  «U. 
7.  Oft  so  goets  tyts  is  an  den  daghe,  dat  ick  da 
dinghen  bannen  mach,  ald.  8.  Ick  vrtghe  n  off  ick 
den  dinghen  alsoe  ghebant  hebbe ,  dat  ick  den  afto* 
stoel  besitten  mach,  ald.  Soe  banne  ick  den  dingk 
van  tsKeysers  weghen  van  Romen,  Tin  b|ii 
liefs  heren  weghen  van  Hollant ,  van  des  badüii 
weghen  van  Amsterlant  ende  van  mjns  k1& 
weghen.  Dingt.  v.  Amst,  7.  Onse  scout  ende  tcepa 
suUen  bannen  tgrafgedinge  des  manedagei,  nr. 
Mieris  2,  89  *  (a.  1310).  —  Somtgda  vindt  aa 
ban  dingen  voor  dinge  bannen,  vgl  i)nft 
V.  Amst.  7  noot  2)  en  23  (tweemaal). OoVynsaèxi 
beide  uitdr.  af,  bv.  ald.  23 :  ||  Dan  mach  se  die  reckter 
terstont  ballinc  slants  legghen  sonder  iin^if  te  i» 
nen,  mer  doet  bijt  up  een  ander  dach, soe  moet h| 
den  ban  dinghen.  —  Gebannen  gedinc,  ^if 
bepaalde  dagen  gehouden  en  met  de  geijkU  Jurwik 
geopende  rechtzit ting ,  hetzelfde  als  gebutifi 
vierscare.  ||  Dat  voertaen  een  yegel^c  die  vdt 
also  wael  buten  gebannen  gedinge  als  in  gediift 
sal  sine  saken  .  .  .  mogen  doen  thoenea  eiée 
seggen  voer  scepenen  mit  enen  gesworen  taelmi, 
Cout.  V.  Brussel  1,  309.  Van  elke  zake  de  kytlüMt 
ende  spreect  in  gebannen  gedinge,  ald.  310  {tvieemil. 
—  Gebannen  vierscare,  vierschaar  die  f  U^ 
en  inet  de  geijkte  termen  geopend  is,  wettige reekl> 
zitting,  jwdicium  legitimum,  \\  Wie  so  schepene  bint 
ghebanne  vierscharne  buter  maninghe  lachtertict 
worden,  Oorkb.  1,  312tf  (a.  1264).  Alse  schepw 
ghebanre  vierscharne  enen  portre  lachter  sprekl, 
ald.  So  wie  dat  de  chore  brekt  an  enen  schcfot 
in  gebanre  vierschame,  ald.  Als  die  gheivoene 
ghemaent  worden  in  ghebanre  vierscairrentSfSSli 
(a.  1290).  So  wie  die  ghezwoorae  lachtert  in  gk- 
bannender  vierscame ,  ald.  So  wie  twist  roert  d 
ghebannender  vierscare ,  2, 332^.  Of  yghelic  ueoR 
gebanne  vierscharen  sijns  selfs  woirden  botda 
mach ,  of  hy  wil ,  Matth.  103.  Hoe  een  \»]m 
sculdich  is  te  comen  in  des  ghenen  woirden,^ 
hy  voir  recht  spreken  sal  an  eenre  gebannen  Ti^^ 
schair,  262.  Men  wijst  gheen  vonnes  danur 
bannen  vierscharen ,  278.  Als  verwcerers  ia  ^ 
banre  vierscaren,  ZFl.  Bijdr.  6,  372  («.  13^^ 
Alse  die  rechter  sittet  daer  in  sgn  gbebtno 
vierscare,  Wrake  III,  437.  —  In  (binnen)  g« 
banre  sprake,  terwijl  de  vierschaar  fssftfs^ 
is,  gedurende  den  tijd  dat  de  vierschaar  U  nét 
zit.  Verg.  D.  War.  1,  97;  2,  161.  ||  Dtir  ö 
baliu  in  ghebanre  sprake  manet  die  scepeiei^ 
haren  eede,  die  den  ghenen  wederseghet,  die  ^ 
maninghe  wederseghet ,  hi  zal  hem  beteren  üi 
pond.  .  .  Die  lachtert  eenen  scepen  binnen  febo.^ 
spraecke  ende  dat  den  scepene  toeget,  wordts^ 
ghene  verwonnen  met  dnen  scepenen,  bj  ^ 
beteren  den  coninc  vijf  pond.  .  .  Daer  een  «epa 
weder  lachtert  eenen  poerter  in  ghebanre  spnb 
ende  die  ghene  toechet,  wort  hi  vcrwoniei^ 
drien  scepenen,  hy  salt  beteren  hem  een  pont 
Die  die  chore  breket  aen  eenen  scepene  in  geboi^ 
sprake  sonder  des  scepens  scoat ,  wort  l^s  ^ 
wonnen  van  drien  scepenen ,  hy  zal  boetes  ^ 
ghenen  tien  pond,  Oorkb.  1,  246a  («.  1248). D» 
enen  edelen  man  lachtert  in  ghebannender  sfVi^ 
wort  gheopenbaert  van  den  ghenen,  dat  hine|^ 
lachtert  heeft,  diet  dede  salt  hem  beteren Ips' 
2 ,  339a  (fl.  1290).  Soe  wie  vecht  voor  den  Wa» 
in  gebanre  spraecke,  hy  salt  tweeschatte  bctd* 
den  Heere,  Mieris  2,  18a  («.  1300).  LacbtcfK^ 
scepen  eenen  poerter  in  ghebanre  ghesprake,!!^ 


569 


BANN. 


BANN. 


570 


(a,  1S15V  Soe  wie  die  chore  brect  aen  eenen 
geepene  oinnen  der  yierscarne  in  ghebanre  sprake 
mlt  vechtene  buten  des  scepens  scont,  vort  bija 
Tenronnen  mit  drie  scepenen,  hy  verboert  thien 
pond  jeghens  ons ,  ald. 

3)  Door  eene  plechtige  verklaring  bekrachtigen, 
Ygh  Oendich  Chth.  71 :  Major  debet  flrmare  placita , 
qnod  vnlgariter  dicitnr  bennen,  Yooral  eigendom 
toewijzen  of  ontzeggen,  ||  So  ban  ie  A.  uuten  voirs. 
erve  ende  ban  daerop  Pieter ,  ende  leg  dairan  mijns 
heren  ban,  schouten  ban  ende  der  scepenen  ban, 
dat  dat  erve  nyemant  an  en  spreke,  tensy  binnen 
jaer  ende  daghe,  lantsrechte  ende  tseependom, 
tfatth.  115  en  138.  —  Bannen  wet,  d.  i.  ge- 
bannen wet  (vgl.  (ge)b  an n  e  n  tjj  t).  Hetgeen  door  eene 
plechtige  bekrachtiging  wet  geworden  it.  \\  Van 
hare  bannen  wet  en  sal  cume  clerc  ...  sijn  crune 
tonen  dorren.  Wrake  III,  1038. 

4)  Dagvaarden,  Ygl.  BAN  en  VERBANNEN.  ||  De 
boete  daer  Tooren  hy  ghebannen  is,  Cottt,  v. 
Brugge  1,  326. 

6)  Enen  bannen,  iemand  bannen,  verbannen , 

verdrijven  y  verjagen,  ||  Dore  Salvaerde,  God  geve 

hem  scande,   biendi  Flovente  uten  lande,  Flouent 

230.  Sgn   wQf  OctaTien  pgnde  hi  dicken  te  ver- 

worgene,    hi   en   wiste   twi;   eerst  bien  hise  Tan 

hem,    Sp.    Il',   8,   10.   Sie   dat  men  die  kerkers 

onttoHBt,  .  .  eygenne  liede,gebanne  mede  doe  weder 

comen  te  haerre  stede,  II*,  22,  163.  Sint  dat  God 

Adame  bien  ute  den  erdschen  Paradise,  Brab,  Y, 

y,    798.   Acharmen,   of  si   mi  doch  bienen  uten 

lande    ende   lieten   mi   gaen!   Limb,  I,  1926.  Die 

daer   met   hem   vielen   neder   so   biense  God  met 

zinen  worde,  dat  z\  niet  meer  daer  comen  weder, 

Praet  2388.  Ommate  es  in  die  werelt  minne, daer 

hoyerde    ende   nijt  woent  inne,  die  God  van  den 

hemele    bien,  D.  War,  4,  48,  118.  Vele  bien  hiere 

nten  lande,  Sp,  II',  7,  27.  Hetter  scare,  die  God 

met  Lnciferre  bien ,  Praet  2409.  Want  soe  (Hoverde) 

met  Gode  es  so  leet ,  dat  hise  bien  unt  zinen  rike, 

1827.   Sine  leven   niet  diet  ontspienen,  noch  hem 

daer  nte    {unt  den  hemele)  bienen ,  Wap,  Rog,  1557. 

Ende  vele  gheloefder  ane  hem,  mar  sine  dorstens 

nit '  lyen    om   de  vreese  van  den  Phariseusen ,  dat 

mense  nit  ne  biene  uter  syuagoghen ,  Lev,  v.  J,  c, 

193.  Grave  Jan  .  .  bannede  her  Jan  van  Renisse, 

ende   nam    hem  siin  goeden,  Clerc  152.  Daer  nae 

8oe    liet    hy  hem   gheselen  ende  banden  uut  alle 

sgn  lant ,   Oetta  Bom,  f,  68c.  Die  sal  werden  ghe- 

bannet,  noch  tot  geenre  t{jt  vanden  ban  ontbonden 

werden    tot    dat  ny  den  grave  betaelt  heeft  drie 

pont,    Hemdv,  v,  Waterl,  %b,  Ist  dat  die  bannende 

(/.    bannede)  binnen  der  poorten  coemt,  ald.  Van 

den  goeden  des  ghebannedens ,  ald,  Ghebannet  oft 

gheresteert ,  11a.  —  Enen  bannen  op  enedinc, 

ievuvnd   verbannen   op  straf  van  de  genoemde  zaak, 

t.    vr.    soo    hn   in   het  land  mocht  terugkeeren.    || 

Ifen    salne    bannen   uten   lande  van   Ylaenderen, 

VI  jaer  oppe  galghe  es  hi  man,  esse  wQf  YI  jaer 

>ppe  dien  pit  levende  te  delvene,  Cout,  v,  Brugge 

l ,    229.    lYaerde  hies   bedraghen   bi    der  goeder 

rarede,    men    soudene   bannen  C  jaer  uten  lande 

ran  Ylaenderen  up  sijn  hant ,  230.  Hen  salse  bannen 

ote    VI    iaeren  uten  graefscepe  van  Ylaenderen, 

ip    alsuilKe   bote  als  scepenen  goed  sal  dincken, 

131.    Knde    oec   wasse   cort  daer  naer  uut  Ghint 

^bebannen  op  den  pit,  Hexe  50.  — Ook  van  zaken 

'*ezegd.   II   Al  decken  si  {die  cleder)  tfleesch ,  noch  tan 

lelpen    si    ten  messchiene:  noet  waert  dat  mense 

dene,    Wap.  Mog.  700.  —  Bannen  (gebannen) 

Ü  tf   de  tijd,  waarvoor  iemand  gebannen  is.  ||  Wairt 


dat  h^  binnen  sgnen  bannen  tijt  in  der  stede  van 
Delf  quame,  O.  K,  v.  Delft  I,  12.  Zoe  wye  .  . 
binnen  z^nre  gebannen  tp  weeder  quaeme,  . .  dat 
hy  ter  stont  .  .  gebannen  sal  z)jn,  K,  en  O.  v. 
Delft  58,  b, 

6)  Het  deelw.  gebannen  staat  ook  in  den  zin  van : 
waar  de  ban ,  het  rechtsgebied  zich  uitstrekt.  Ge- 
bannen hof,  het  terrein,  waarover  het  gebied  van 
het  hof  zich  uitstrekt.  \\  Bandersyde  es  dat  noch., 
binnen  uwen  gebannen  hove . . ,  dat  die  ridder 
geleide  sonde  hebben  ende  elc  die  wonde  toekomen 
ter  stede  ende  keren,  Merl,  28009. 

Aanm. —  Mieris  2,  210a:  „Dat  Lovetuyt  alsulke 
smerte  van  Andriese  niet  ontfenc,  al  waer  dat  hi 
storve ,  dat  men  op  Andriese  niet  bannen  en  mochte  ;^^ 
leze  men  banen,  d.  i.  doodschuld  op  iemand  leggen. 
Zie  BANEN  (Ie  Art.) 

BAKNER,  BANNERE.  Zie   baniere. 

BANNICH  (bannech),  -nige  of  -iMytf,bnw.  Yan 
Ban  in  de  bet  5b).  Bij  Kil.  „Bannigh  j.  ver- 
waeten.^*  Mnd.  bannieh;  mhd.  bennic. — 1)  In  den  ker- 
kdijken ban  gedaan,  verwaten,  vervloekt.  \\  Die 
summige  nabueren  die  sechden  dat  sie  ketterschen 
ende  bannige  Inden  weren,  ende  dat  men  sie 
hamen  solde,  D.  War,  7,  35.  Die  weerlicke luden 
en  achten  die  susteren  niet  anders  dan  bannighe 
ketterynnen ,  ald,  Bannige  of  ferdtlose  luyden  ofte 
ander  eerlose  luyden,  Schwartz.  1,  5734t  (vgl. 
555:  ander  eerlose  luyden,  bande,  ferdloese 
luyden).  Bannighe  Inde  ende  die  openbaer  te  banne 
ghecundighet  ^n,  D.  Orde  235.  Of  oere  een  den 
anderen  syn  tuych  besprake,  alse  dat  de  tughe 
bannieh  waren,  dat  solden  se  male  den  anderen 
bewisen  myt  oren  breven.  Racer  6,  69;  zoo  ook 
ald.  101.  Want  Roeleff  Stoltebloet  in  den  ban  was, 
soe  mocht  heer  Johan  gheen  arffachtich  goet  mit 
eenen   bannigen   man   inwinnen,    Etst,   v.  Dr,  65. 

2)  Door  den  wereldlijken  rechter  verbannen,  \\ 
Waert  zake  dat  ymant  banbrieve  hadde  opten 
ghenen ,  die  inden  raide  sitten  .  . ,  dat  hQ  binnen 
eynre  maent  daer  nae  come  ende  geve  den  raide 
dat  te  kennen,  .  .  op  dat  die  raet  die  bannige 
{hier  als  znw.)  vanden  mach  ende  corrigeren,  R, 
V,   TJtr,  1,  341,  236.  Die  bannige  luyde,  2,  298. 

BANNINGE,  znw.  vr.  1)  Van  Bannen  in  de 
bet.  5).  Uitbanning.  \\  Yan  alsulker  banninge  als 
ghedaen  was  op  meester  Claes  Stnuc ,  Jan  Simonsz. 
ende  Jacob  Deysensz.,  daer  slof  incomenzyn  binnen 
onser  stede  van  Dordrecht,  Y.  d.  Wall  216  {a.  1349). 
Dat  men  tusschen  dit  ende  veertien  dagen  na  dat 
onse  lieve  genadige  heer  voirsz.  weder  ut  sine  lande 
van  Henegouwen  gecomen  sal  wesen  binnen  den 
Hage  geen  recht  aen  live  noch  an  goede ,  correxien, 
banninge  noch  verbande  doen  en  sal  van  sulken 
geschille  ende  twiste  als  nu  corts  geschiet  is, 
398  {a.  1406).  Zoe  verre  die  eerste  banninge  up 
tlyf  geweest  is,  K,  en  O,  v.  Delft  58,  6.  Dese 
voorsz.  correctie  of  banningen  (of  boeten?),  Handv. 
V,  Alkm,  92a. 

2)  Boete,  Ygl.  bannen  4).  |)  Gebannen  te  worden 
uyt  der  steede  vryheit  totdat  hy  de  selve  correctie 
ende  banninge  volcommen  sal  hebben,  K,  en  O, 
V,  Delft  58,  5. 

BANSCELLE,  znw.  vr.  Uit  Bannen  in  de 
bet.  2)  en  Seelle,  Schel,  waarmede  de  ingezetenen 
b^een  werden  geroepen,  om  gewapenderhand  ter  ver- 
zamelplaats  te  verschijnen.  Yerg.  Banclocke.  |) 
Dat  nyemant  van  den  borghers  .  .  in  deser  stadt 
oft  vryheit  der  stadt,  eenyghe  banyer  draghen, 
oft  tot  wapenen  oft  alerm,  oft  clock  oft  banscelle 
om  dat  volc  te  beroeren  oft  oploep  te  maken,  nyet 


571 


BANS. 


BANT. 


572 


en  presumere  te  luyden ,  Gew.  v.  St.  Truyen  §  50. 

BANSTE ,  znw.  Mlat.  baruufum  (Duc.  1 ,  559). 
Wvlaamsch  baantt^  ban*ty  6^im  (De  Bo  69).  Oorspr. 
germ.:  got.  bantU  schaar;  hd.  bante'^  Drentsch 
baruter  (=  schaurdeur).  Zie  verder  Weigand  1, 
141.  Voor  den  overgang  van  't  begrip  verg.  men 
ons  horden,  hor.  Ronde  korf  ^  mand  van  stroo  of 
biezen.  ||  Twee  grote  banste  die  reepe  .  .  in  te 
doene,  Invent.  v.  Brugge  1,  101.  Van  bansten  te 
botene,  aangeh.  ald.  Gloss.  38.  —  Vgl.  fr.  bame 
(Littré  1,  293). 

BANSTRATE,  «nw.  vr.  Van  ban  in  de  bet.  6). 
Htraat  behoor ende  tot  een  bepaald  rechtsgebied ^  welke 
naar  vaste  regelen  moet  worden  onderhouden.  \\ 
Datmen  twee  werven  tsjaers  .  .  scouwen  sal  (natuur- 
lijk te  banne  scoawen;  zie  ban)  alle  banstraten 
binnen  der  steede  vrihede  van  Delft,  K.  en  O.  v. 
Delft  99,  10  (=  O.  K.  v.  Delft  I,  30).  Van  te  be- 
Hchoawen  emmeren,  ladderen,  banstraeten ,  braggen, 
plaeten,  96 ,  1. 

BANT,  bande ^  «nw.    m.  Mhd.  bant]  mnd.  bant. 

1)  Bandy  dienende  om  iets  te  binden  of  er  stevig- 
heid aan  te  geven.  \\  Hi  nam  den  scilt  ende  den 
scacht,  .  .  daer  omme  ghinc  een  stalijn  bant  van 
den  orde  toter  bant,  Wal.  7242.  Die  starcke  bande  van 
den  scacbte  hieuwen  si  metten  swerden  ontwee,  7324. 

2)  Band^  boei. —  a)  in  eig.  zin.  ||  Bande  van 
wormen  al  te  hande  ane  voete ,  an  arme ,  bene  ende 
handen ,  Velth.  VIII ,  26, 16.  Vgl.  ook  bantrode.  — 
^)  Fignarlijk.  Band-^  boei.  ||  Om  te  toghene  hoe  Vries- 
lant  eerst  qnam  in  den  Roomschen  bant,  Stoke  1, 307. 
Leeil  een  eerlic  in  hawelike  ofte  in  eenigher  ordine 
bant,  Denkm,  3,  216,  57.  Ne  waar  ten  tween  keerdi 
die  seoader  ende  warp  hem  lieden  sinen  loeder,  dat 
was  der  passyen  bant ,  die  cort  was  becant ,  Wap.  Rog. 
1568.  Alle  waren  wi  verloren,  mer  dat  God  wilde 
testoren  in  deser  vrouwen  die  viande ,  die  ons  hadden 
in  horen  bande,  C/tf/«.  153.  —  Der  hellen  bant, 
de  kluisters  der  hel.  \\  Si  brengt  ons  toe  een  ewige 
noot  ende  een  ewige  bitter  doot ,  ende  der  bitterre 
hellen  bant,  X  Plagh.  2447.  Dat  die  zielen  sullen 
weten  elc  anders  bliscap  daer,  daer  si  worden  in 
den  hemel  claer,  ende  sullen  kennen  haer  vianden, 
die  sijn  in  der  hellen  bande,  Lucid.  Q'l'èQ.  —  Sire 
herten  bant,  waarschijnlijk  eene  mystische  uit- 
drukking voor  het  hart  ^  als  verbonden  met  het 
voorwerp  zijner  liefde.  Van  God  wordt  gezegd:  || 
Al  dat  oyt  maecte  sine  hant,  dat  minnet  sire 
herten  bant  met  beseedeuen  sinne,  Wap.  Mart. 
Il,  277.  —  Sinen  bant  leggen  aen  ere 
dinc,  iets  verbindend  maken.  \\  Doe  leidire  an 
sinen  bant,  of  dat  si  leveden  clerkelike,  of  dat  si 
lieten  ghemeenlike  der  kerken  goet  ende  voeren 
dane,  Sp.  IV*,  15,  12  (Vinc.  auctoritatis  site  pro- 
tulit  sententiam).  —  Te  bande  comen,  aan  den 
leiband  komen  ^  tot  onderwerping  komen.  \\  Vries- 
lant  was  comen  te  bande;  ende  hadt  weder  in  sijn 
hande ,  Stoke  V ,  1059.  —  Te  bande  gaen,  ver- 
bindend zijn,  gelden.  ||  Die  woerden  mosten  te 
bande  gaen,  off  si  most  menedich  sijn,  MLoep  II, 
2672.  —  Énen  te  bande  driven,  iemand  in 
ongelegenheid  brengen ,  in  het  nauw  drijven ,  eigenlijk 
in  boeien  drijven.  \\  Ghiericheit  dat  hof  besat,  die 
dreef  vrou  Eren  daer  te  bande ,  datse  wij  eken  most 
van  hande,  Hild.  172,  74.  —  Die  bant  es 
strac  van  ere  dinc,  de  spanning  van  iets  is 
zeer  groot,  iets  is  zeer  gespannen,  het  spant  er, 
er  is  gevaar.  \\  Nochtan  was  daer  noch  die  bant 
van  den  wighe  alsoe  strac,  dat  die  hertoge  tot 
hem  sprac:  „Ie  bevele  di  ouser  Vrouwen!"  want 
hine  waendene  meer  scouwen,  Ueelu  5756. 


4)  Verbintenis,  overeenkomst.  ||  De  van Drecliter- 
lant   (maecten)    in  zoendinghe   vasten  bant  jegha 
(=    met)   Grave    Florence,    Stoke  II,  461.  Ende 
daer   waren   wie   ghemaent  .  . ,  of  dese  sticke  U 
wetten  wesen   mochten  ende  of  dese  bant  vettelic 
was   ende   te    wetten   wesen    mochten.  Ende  daer 
wiseden  wie  bi  wetten  ende  bi  vonnessen,  dat  dese 
sticken  wel  ende  te  wetten  wesen  mochten,  ende  dit 
die  bant  wettelic  was  ende  wel  ende  te  wetten  gh^ 
daen,  Fad.  Mus.  2,  364  (a.  1281).  Dit  es  deabud 
ende  den  eed ,  die  de  wevers  van  Bragghe  ghedaes 
hebben,   ZFl.   Bijdr.  4,   364  (a.  1380).  So  dit  si 
den    Romeinen    geven    hare    steden  in   die  hut, 
ende    sise    sonder   enegen    bant    vrilike  hildei, 
Sp.    I*,    39,    34.    Die   quijt   moest  scelden  .  .  . 
mercgreve  Willeme   van   Gulkerlant  die  gbelofte 
ende    die    bant,  die  hem  hadde  geloeft  die  heere. 
Brab.  F.   VI,  6106.    Zeghel    van   bande,  bindei, 
verbanden ,  sigillum  ad  contraetu* ,  Invent.  v.  Brtfy. 
Int.  188.  —  Bant    van   huwelike  doen  mei 
enen,  eene  echtverbintenis  met  iemand  aangs».  \\ 
Die  gueue  diese  ontfinghe  ende  bant  van  honvelikt 
met  hare  dade  jof  in  kevesdome  metter  ware,  word 
bies   bedraghen  bi  der  goder  warede ,  me  sondeae 
bannen  C  jaer,  Cout.  v.  Brugge  1 ,  228.  —  Enei 
bant   binden,   eene  verbintenis  aangaan.  ||  Toeit 
bant  hie  hem  voer  ons  . .  gheUken  bint  te  binda 
van    desen    voerseiden    sticken    vore   mincn  tere, 
den    grave    van    Vlaendren,    Fad.    Mus.   2,  364 
(a.  1281). 

5)  Ferband,  gehoudenheid.  \\  Alle  dese  Toen. 
pointe  wel  te  hondene ,  up  den  band  van  lura 
hoofde,  ZFl.  Bijdr.  4,  365  {a.  1380).  -  Eiei 
bant  winnen  op  enen,  een  verband,  eene  trr- 
p lichting  krijgen  voor  iemand,  gehouden  zijn  toL  \\ 
Also  dat  .  .  alle  voirwairden  die  ghesproken  $ia 
ende  men  spreken  sal  ter  wilen  dat  men  vaerd  \e 
doen  confirmeren  op  haren  cost,  ende  dat  si  ew 
bant  winnen  sullen  op  hem  selven  ende  op  ^ 
nacomelinghen ,  wair  dat  sake  dat  si  emmenueff 
yet  daden  jeghens  den  grave  van  Holland,  OofÜ. 
2,  478fl  (a.  1298). 

6)  Verbond , gemeenschap.  ||  Ridderscap,datbof» 
coren ,  soude  met  rechte  horen  ten  edelen  G^ 
bande,  IF  Mart.  678.  —  Of  moet  men  missfhks 
lezen :  T  e  r  edelen  Gods  bande  ?  als  wanneer  Bodf 
ons  Bende  is. 

7)  Daer  met  de  figuurlijke  opvatting  van  M' 
veelal  het  denkbeeld  van  iets  knellends,  iets  l»- 
zwarends  vergezeld  gaat,  vinden  wij  Bant  ooi» 
de  beteekenis  van  druk,  bezwaar,  misschien  i»' 
zonder  invloed  van  het  woord  Pant,  leed,  «tf 
mede  het  lichtelijk,  vooral  bij  dicteeren ,  kon w 
wisseld  worden;  soms  vinden  wij  in  één  H^ 
pant,  waar  een  ander  bant  heeft.  ||  Aldus  sloefk? 
die  sware  bant  van  den  vloeke  die  Noc  ghaf ,  Ry»^ 
1315  var.  (in  den  tekst  pant).  Soe  haddi  n  kier 
ghelaten  in  merre  pinen ,  in  mcre  bant  dan  lü  l* 
te  voren  vant,  Limb.  II,  1300.  Metten  bannnens 
swaren  bande ,  den  zwaren ,  drukkenden  banthA- 
Stoke  II ,  366.  —  Ook  op  de  plaats  uit  den  WgfM 
onder  3)  en  in  de  uitdrukking:  Enen  te  baii' 
d  r  i  V  e  n ,  is  dergelijke  verwarring  der  beide  w(K»rd« 
niet  onmogelijk. 

8)  Daar  een  band  dient  om  verschillende  lakei 
te  verbinden ,  kan  bant  ook ,  evenals  lat.  einatif' 
de  beteekenis  hebben  van  oorzaak,  bij  uitbreidöl 
schuld,  in  welken  zin  het  by  Vellh.  VIII,  l.j* 
zal  bedoeld  zijn.  ||  Want  ie  uut  mi  selven  nie»' 
make  anders  dan  int  Latijn  stoet,  hierbimac^*^ 
wesen  vroet  elc  die  recht  ende  reden  kint,  diï^* 


573 


BANT. 


BARA. 


574 


scovt  mine  es  iwint;  daerom  en  tijt  mi  niet  den 
bant,  want  iet  dichte  also  iet  vant. 

BANTNAGEL,  znw.  m.  Van  Bant  en  Nagel, 
By  Kil.  „Band-naghelf  confibuU-y^  bij  Plant. 
^ekevilU  ou  clou  pour  liaison  d'un  boisy  Klink- 
na^el^  klinkspijker.  \\  Item  1  vierendeel  bantnagle, 
6  d.,  Bék,  d.  Graf,  1,  344. 

BANTRODE  (bantroede),  znw.  m.  Van  Bant 
en  Borfp,  ren,  rekel.  Bandrekel ^  kettinghond 
die  het  erf  bewaakt.  \\  Als  een  bantrode  die  janct 
ende  bleect,  als  hi  een  soch  van  der  misten  jaget, 
dat  hi  ommer  wil  dat  ment  hoort,  Ned,  Proza 
177.  Oheliken  een  bantroede  die  bast  ende  janct 
als  hi  een  verken  vander  misschen  jaghet,  Con. 
Sou.  65a. 

BANWATERINGE ,  znw.  vr.  Uit  Ban  in  de 
bet  6)  en  Watering  e.  Watering  binnen  zeker  rechtt- 
fehed  gelegen  en  welker  gebruik^  beheer  en  onder- 
huireehtelijk  is  geregeld.  \\  Claes  Heynen  s.  kinder , 
Tu  waterganghe ,  omdat  si  eene  banwateringhe  be- 
d&mmeden  ende  visscheden  buten  den  here ,  20  $ , 
Bek.  d.  Graf.  1 ,  278.  Van  den  (/.  der)  banwateringhe , 
die  si  bedammeden ,  279.  Jabbout  Leyden  s  . .  ende 
Jacob  Peters  s.,  omdat  si  enen  dam  ghesleghen 
hebben  over  die  leet  buten  Holensloot  buten  den 
here,  dat  eene  banwateringhe  is,  280. 

BANWERC,  znw.  onz.  Uit  Bannen  in  de 
bet.  1)  en  Werc.  Hei  werky  dat  door  het  lichaam 
tan  iet  dorp  verricht  Tnoet  worden  ^  waartoe  de 
itkout  de  opgezetenen  bant  of  oproept.  \\  Illi  vero 
qnl  in  praedicta  villa  ad  banwerc  constituti  sunt, 
debent  comiti  tantum  utlandes-banwerc  et  landwere 
et  placitum  inde  ent  abbatis,  WATnkönig,  Fl^ndr. 
Geteh.  2»,  101  (a.  1110).  Dat  wi  dat  over  recht 
Tinden,  dat  al  vervallen  banwerc  in  Ver  Leyden 
ambocht  des  ambochtshcren  tordendeel  is ,  Mieris 
2,  6U  {a.  1.306).  Ende  tot  wat  tydeu  dese  geeneu 
die  besitt^rs  syn ,  of  werden  sullen ,  van  de  veen 
▼oorsz.  dese  wateringe  niet  langer  bruycken  en 
willen,  soe  mogen  van  den  banwerck  voorsz. 
ontslagen  sijn,  Handv.  v.  1399,  bij  Meylink , 
Mf.  Bijl,  bl.  56  (V.  Leeuwen,  Handv.  en  Friv. 
».  Ri^nl.  191).  Dat  zy  banwerck  te  maicken  hebben 
omtrent  Naerden,  dat  maicken  zy  mitten  lijve, 
sonder  eenigen  ommeslach  daeromme  te  maicken, 
Infom.  233. 

BANWIJX,  znw.  m.  Uit  Ban  in  de  bet.  6) 
en  Wipt.  Mhd.  banwin;  mnd.  banwin-,  mlat.  ban- 
Fweim,  bannum  vini]  ofr.  banvin.  Wijn^  welken  de 
Idtndsheer  of  eene  gemeente  of  corporatie  het  recht 
küd  op  zekere  tijden  van  het  jaar ,  met  uitsluiting 
tm  enderen  te  verkoopen^  of  wel,  het  recht  zoo- 
iamgen  wijn  te  verkoopen ,  recht  van  wijntap.  Verg. 
V.  d.  Wall  307,  aant.  ||  Voerder  en  sal  die  stede 
l^heen  banwiin  meer  vercopen  noch  wechgheven 
dan  diere  nu  wechghegheven  siin ,  V.  d.  Wall  307. 
Voert  80  ne  selen  wi  enghenen  banwijn  binnen  der 
vriheit  van  Machelne  leggen  omme  vercoopen, 
Brab.  Y.  Dl.  1 ,  bl.  698  {a.  1301). 

BARAET  (barraet,  ook  in  den  vormBERAEx), 
harate^  ook  barade,  znw..  onz.  Ofr.  barat,  barate; 
proT.  barat;  it,  baratto;  mlat.  baratum;  ook  mhd. 
pv4t;  mnd.  bardt.  Over  de  vermoedelijke  afleiding 
lieDiez,  Etym.  Wtb.  1,62  op  Baratto;  Tijdschr. 
V.  Ned.  r.  2,  143  vlgg. ;  Burguy  33.  Voor  de 
▼enchillende  beteekenissen  vgl.  Franck  op  Alex. 
bl.  467. 

l)  Bedrog ,  bedriegerij,  ||  Alse  vele  alse  hovescheit 
bat  stact  dan  loescheit  doet  ende  baraet,  Lanc.  III, 
25713  (in  de  uitg.  doer).  Met  dusdanen  barate 
leidde  hi  Grimbeert   bi  der  scure,   Rein,  I,  1702 


(var.  beraet).  Alle  die  meeste  hoop,  die  was  daer ,. . 
meenden  dat  was  sonder  baraet,  ende  dat  hi  niet 
dan  waer  en  sprac,  II,  6200 — 06.  Du  const  dijn 
loosheit  so  brenghen  bi,  ende  dijn  baraet  so  wel 
versconen,  dattet  di  noch  qualic  sal  lonen,  II, 
6412  (var.  beraet).  Maer  dat  uten  monde  gaet  dats 
dorperheid  ende  loos  baraet ,  Rijmb.  23695.  Dat  al 
valsch  si  ende  baraet  daer  die  behendeghe  met 
omgaet,  Teest.  160.  Dit  was  een  dat  vremste 
baraet,  dat  ie  horde  in  menegen  tiden,  Velth.  II , 
30,  48.  Nu  quamen  si  vort  met  desen  baraten 
ende  wroechden  genen  van  ketterien,  V,  9,  22. 
Hi  moet  sijn  simpel  ende  goet;  .  .  wel  helen, 
quite  van  barate,  Limb.  V,  2089.  Hi  can  valscheit 
ende  losie,  scoen  baraet  ende  reinardie,  Vad.Mus. 
1,  91,  23.  Up  dat  hem  yement  met  feilen  moede 
scalkemie  in  doeren  loede,  so  mochten  si  scuwen 
sulc  baraet,  Denkm.  3,  203,  82.  Brisanne,  die 
vol  baraets  was,  Lanc.  II,  35574.  Dat  ghi  u 
wacht  van  baraet ,  Rein.  1 ,  483.  Die  papen  connen 
veel  baraet,  I,  1190.  Hi  hielt  al  over  baraet, 
Alex.  VI ,  1036.  Dit  hielt  al  over  baraet  Alexander, 
X,  638.  Si  wachten  hem  jeghen  baraet,  X,  707. 
Smeeken  ende  valsch  baraet,  Sp.  I",  9,  48.  Wes 
met  Absalone  sonder  baraet,  Rijmb.  10445.  Ont- 
fermecheit  en  heeft  geen  baraet,  Sp.  II*,  18,  39. 
Dat  logene  was  ende  baraet ,  Heelu  2212.  Na  desen 
baraten,  Velth.  V,  31,  78.  An  gracien  syde  es 
gheen  beraet,  Wap.  Rog.  1011.  Ie  ontsie  des  mans 
baraet,  Esop.  XXIV,  6.  Valscheit,  bedriegh, 
honinghe,  baraet,  Praet  1487,  verg.  1924.  Een 
smeeker  sonder  baraet,  Belg.  Mm.  10,  119,  43. 
Wair  dat  minne  is  sonder  baraet.  Vrouw.  e.  M, 
III,  23,  3.  Zie  nog  Lanc.  II,  44640;  III,  16445; 
Brand,  (ƒ/.)  1895;  Rein.  I,  2041,  2380;  Alex.  I, 
22;  IV,  1264;  VII,  652;  Sp.  IV%  8,  ^-.Brab.  Y. 
III,  834;  V,  558;  Nat.  Bl.  VI,  870  var.;  Rosé 
396;  Velth.  IV,  13,  45;  45,  78;  Bind.  456; 
ri.  Rijmkr.  2972;  Vrouw,  e  M.  I,  803;  Belg. 
Mus.  1,  120,  20;  5,  203,  541;  8,  451,  107; 
Vad.  Mus.  1,  386,  81;  399,  68;  Mask.  1151. 
—  Baraet  jagen,  op  bedrog  uit  zijn.  \\  Hiesso 
quaet:  Al  dat  hi  jaget  dats  baraet,  Lanc.  Il, 
39333.  Dat  hi  wel  sach  an  mijn  gelaet,  dat  ie  en 
jagede  en  geen  baraet,  Bose  3337.  Dattie  keyser 
nu  geen  quaet  en  jaget,  noch  geen  baraet,  Velth. 
V,  32,  47.  —  Baraet  driven,  bedrog pUgen.\\ 
Heynric  die  derde,  ...  en  wilde  niet  dat  enich 
baraet  gedreven  worde  onder  heme,  Velth.  I,  35, 
29.  —  Dor  baraet,  uit  bedrog^  om  te  bedriegen.  \\ 
Isengnjn,  dat  verstaet,  hiet  ie  oom,  dor  baraet, 
Rein.  I,  1479.  Die  tonen  dat  si  noit  en  waren, 
dor  baraet,  dus  moeten  si  varen,  Esop.  XLIII, 
23.  —  Bi  barate,  door  bedrog^  op  een  bedrieg- 
lijke .^  listige  wijze.  ||  Nochtan  quam  hi  bi  barate 
dane,  dattene  God  verwate,  Rein,  I,  353.  Dat 
hi  bi  barate  brochte  Cuwaerde  in  sine  haghedochte , 
3092.  Mi  hevet  een  quaet  wicht  .  .  int  strec  ghe- 
leet  bi  barate,  3407.  —  Van  barate,  ter  om- 
schrijving bij  een  znw.  in  de  plaats  van  eenbnw., 
in  den  zin  van  bedrieglijk^  verraderlijk.  \\  Alst 
Alexander  hadde  verstaen,  voerde  hi  dat  her  al 
een  ander  strate,  ende  liet  die  stede  van  barate, 
Alex.  IV,  1658  (Lat.:  Suspectum  de  fraude 
locum).  Maer  Vroescap  die  met  vaellewe  ridet, 
daer  malicie  in  verblidet,  dat  es  een  sadel  van 
barate,  Praet  1244.  —  Met  beraet  fberade) 
met  eene  kwade  bedoeling.  \\  Niet  dat  aie  loghe- 
naer  waer  coenre  met  berade  (Var.  verrade) 
in  der  reden  beghin,  Rein,  IJ,  4185.  Loghen  te 
spreken  met  berade,  4247.  —  Sonder   baraet. 


575 


BARA. 


BARA. 


576 


zonder  bedrog^  in  waarheid.^  ttellig ^  als  bloote  be- 
vestigingsformule.  ||  Dats  een  woort  dat,  sonder 
baraet,  recht  jegbens  die  Jaeden  gaet,  Rijmb. 
16433.  (God  beetet)  den  man  een  quaet  gebuer, 
die  met  so  vele  clederen  gaet,  dat  die  belecht, 
sonder  baraet,  sonde  te  dragene  werden  enen  esel 
sner,  Rincl.  1217.  £lc,  alse  men  ter  redenen  gaet, 
dinct  mi  wesen ,  sonder  beraet ,  thout  sonder 
stenrelicbede ,  Dtsp.  614.  God  groete  u,  scone 
matelieve,  dat  sidi,  vrouwe,  sonder  beraet,  FerA. 
2de  KL  lust.  6>,  66.  —  Dat  nes  (dans)  geen 
baraet,  in  denzelfden  zin.  ||  HoUant,  alst  hier 
voren  staet,  wart  hertoghe,  dans  geen  baraet, 
Sp.  IV>,  6,  19;  Srab.  ¥.  III,  650.  In  die  vierde, 
dans  gheen  baraet,  stonden  onicle,  berille  ende 
crisout,  Rijmb.  4938.  —  Bij  persoonsverbeelding. 
IIMeyster  Baraet  van  Lozane(mede  met  zinspeling 
op  loos)  die  draget  bonte  cleider  ane,  om  dat 
hi  ridder  seinen  sonde,  D.  War.  7,  377,  23. 

2)  Bedrieglijkheid.  ||  Dat  hi  recht  late  varen  al 
die  werelt  ende  al  haer  baraet,  Theopk.  948.  "Wie 
hare  {der  wereld)  beraet  noyt  en  ontsach,  Fad. 
Mits.  3,  250,  456.  Soe  wat  dese  werelt  bedrijft 
ende  aldaer  si  mede  ommegaet,  dat  es  ydelheit 
ende  beraet.  Doei.  III,  1448. 

3)  Bedrieglijke  schijn^  bedrieglijke  wijze  van 
sich  voor  te  doen  of  van  doen,  bij  uitbreiding, 
wijze  van  zich  voor  te  doen ,  toijze  van  doen ,  manier 
in  *t  algemeen.  ||  Dit  es  dijn  spel  ende  dijn  baraet, 
du  nemes  dat  goede  ende  lates  tqnaet,  Parth, 
2504.  Die  ogen  hangende  nederwerd,  ende  oet- 
moedich,  .  .  .,  na  der  tortelduven  beraet,  Velth. 
VII,  20,  14.  Al  springende  lopen,  bande  te 
gader  slaen,  knielen,  nederbnghen  ende  aldus- 
danich  baraet  in  menigher  wijs,  Buusb.  VI,  257. 
(Sur.  „id  genus  multimodos  exhibent  gestus^^).  — 
Enen  een  scoon  baraet  toghen,  iemand  een 
tchoonen  schijn  toonen,  d.  i.  zich  mooi  aan  hem 
voordoen.  ||  Si  toendem  een  scoen  baraet,  buten 
scone  ende  binnen  quaet ,  £sop.  LXII ,  9.  Want 
wye  ter  schalkernye  dienen,  die  toghen  menich 
schoen  beraet,  daer  die  goede  hem  op  verlaet  ende 
blijft  bedroghen  alte  mael,  Hild.  169,  496. 

4)  Bedrieglijk  spel,  goocheUpel.  \\  Alset  {d-at 
serpent)  horet  al  omtrent  vedelen ,  blasen ,  toveren , 
baraet  (want  ment  met  selkeu  spelen  vaet),  so 
werpet  dene  ore  nederwaert ,  ^/«-jr.  I,  534.  —  Hieruit 
ontwikkelde  zich  de  algemeen  beteekenis  van 
Spel,  jok,  scherts,  gekheid,  spot,  vermaak.  \\  Gi 
sult  hier  horen  scone  die  j  eesten , . . .  van  ridder- 
scape  groete  daet ,  van  selsieneheden  menich  beraet , 
Lanc.  II ,  14.  Ende  soere  teersten  haer  baraet  ende 
haer  spot  mede  houden  soude.  Part.  S517.  Die 
du  vele  seiden:  „Gi  maect  u  beraet,  sint  dat  hi 
met  u  es  comen,  es  ons  die  macht  van  hem  be- 
nomen, Yst.  BI.  1784,  d.  i.  gij  spot,  gij  scherttt, 
gij  houdt  ons  voor  den  gek.  —  Baraet  dr i ven, 
vermauk  scheppen,  pleizier  maken,  pret  maken.  \\ 
Wanttie  werlt  wert  seer  verbljjt,  als  dat  nu  we 
jaer  instaet:  van  vroechden  drijftmen  groet  beraet, 
Hild.  207,  6.  Groot  baraet  met  wiven  driven  laet 
zelden  yemant  wel  becliven,  Praet  1124.  Want  alst 
met  mi  ter  noot  wert  gaet,  so  drijfdi  met  mi  uwe 
baraet ,  Hadew.  1 ,  299 ,  7.  —  Daar  spel  en  jok 
gemeenlijk  met  drukte  en  rumoer  gepaard  gaan, 
ontwikkelde    zich    hieruit    weder    de    beteekenis: 

5)  Leven,  beweging ,  drukte,  rumoer,  gercMS,  in 
zwakkere  en  sterkere  opvatting.  H  Gi  maect  mi  te 
groet  baraet;  alsic  ben  te  minen  labure,  .  .  .  dan 
gadi  baleren  ende  springhen,  iSox^  7996  (var  £^a^^). 
pen  weert  driven   si   te  sceme,  si  maken  herde 


groet  beraet,  Vad.  Mus.  1,  84,  90.  Onderde 
cleene  makic  ghemeene  ooc  sulc  barraet,  dat  g 
met  feesten  ghelijc  den  meesten  driven  gheltet, 
Praet  3290.  Met  groter  haest  voren  si  dane  vu 
midnacht  toter  dagheraet  Doe  mochtmen  hora 
dat  baraet  entie  waghen  horen  keiren,  Alex.  TH. 
312.  Acesis  vallet  in  Ganges,  dat  een  grote 
riviere  es;  si  maken  harde  groet  baraet,  dier  haer 
stroem  te  gader  gaet,  IX,  56.  Die  vemert  te 
duvele  beraet.  Nat.  BI.  XII,  380.  —  Ook  m  d« 
beweging,  die  iemand  op  H  lijf  heeft,  poUer^, 
overmoedige  taal  en  gedrag.  Aan  Macedone,  £e 
Ferguut  honend  voor  j,driten*one"  uitmaakt,  ail- 
woordt  deze:  II  Ie  hope  te  stilne  n  baraet,  eer  ^ 
heden  van  mi  gaet ,  Ferg.  4699.  —  Mede  toegepsë 
op  het  uiterlijk,  de  uiterlijke  verschoning,  iséa 
zin  van  pracht,  praal.  Verg.  de  mnd.  b^eekois. 
In  de  uitdrukking:  ||  Baraet  driven,  prêct 
en  praal  ten  toon  spreiden,  vertooninff  makem.  ü 
In  wane  niet,  dat  in  enech  rike  noit  enech seoes« 
riddere  bleef,  noch  die  min  baraets  dreef,  Ferg.^i. 

6)  Ongelegenheid, ,   verlegenheid.    Verg.  de  ia  Wt 
ofr.  gewone  beteekenis  van  bar  at,  barate,d!0ir- 
dre,  confimon,  embarras.  \\  Ende  hy  seid :  ^  Meiid 
beraet  heb  ie  leden  by  dijnre  doecht.  Noit  eBW 
ie  80  onthoecht ,  mijn  hert  en  troesten  hem  op  ir. 
Troyen  f.  258  d.  Ende  volget  geselscap  die  es  quft 
daer  hi   met    coemt   in  menich  beraet,  Rne  43^ 
(var.  beraet).  —  Uit  de  beteekenis  verlegtnkeii^  tr- 
warring,   ontwikkelde  zich  de  sterkere  opvatta^ 
van   schroom,  vrees,   in   de  uitdrukking:  soBdti 
baraet,   zonder   vrees,   wakker,    dapper^   of  wri. 
zonder  vrees ,  zonder  bang  te  zijn ,  onSesekroo^  II 
Ende  hi  sine  naecte  lede  hem  offere ,  sonder  bants. 
die   naect   an    de  cruce   staet.  Frame.  3466.  ^Saèt 
ontboet   hem   over   waer,   dat   si    quamen   soaèff 
baraet,   hi   woude   betren   sine  mesdaet,    TsL  K 
1892.   Daer  ghi  meneghen  ridder  fier  hebt  gtas. 
sonder   baraet,   Limb.    I,   1088.   Die   heren  wam 
sonder    baraet   ende  ghingen  striden   craehteÜb. 
VIII,   614.    Het   seinen  liede  sonder  baraet,  T, 
1266;  verg.  1272:  Twaren  het  sgn  riddren  vrmtL 

BARAETHEIT ,  znw.  vr.  Van  Baraet.  Beértegr^. 
II  Als  ie  nie  en  peinsde  om  qoaetheit  tu ven  s^c. 
no  om  baraetheit,  Lxmb.  I,  2055. 

BARBACANE  (barbecane,  barbicaen,  ki 
begane),  znw.  vr.  Mlat.  barbaeane;  ofr.  berk 
cane ;  nfr.  barbacane ;  mhd.  barbigan.  VoorrnKtr  *' 
buitenwerk  van  eene  vesting  of  een  koMteel,  hti 
in  een  kanteel  of  borstwering  met  ingekorven  tei^ 
gaten ,  of  in  een  versterkt  bruggenhoofd  beetaamêr.  I 
Doe  hi  de  poorte  hevet  vernomen ,  daer  Rei»e^ 
ute  plach  te  gane,  doe  ghinc  hi  voor  die  har^ 
cane  sitten  over  sinen  staert ,  Rein.  1 ,  520.  Die  « 
binnen  waren  ten  muren  ende  trocken  Torehaer^ 
bekane,  Ferg.  3908.  Dat  wi  met  staden  tre^ 
achter  binnen  onsen  barbakanen,  ParUk.  6539  (ii« 
uitg.  barbakaren).  Vor  elke  port(8tont)  medessts 
gane  ene  valbrngge  ende  ene  barbekane ,  Rote  t^ 
Die  Griecken  wonden  (/.  wonnen)  an  haren  dav  of 
uytterste  lytsen  sonder  wanc,  sy  drevenae  fcfs^ 
den  berbecane,  Troyen  QSSi:.  Item  an  barlHcaó.& 
poorten  dicht  te  maken ,  2  daghe  g'heg.  4^  <- 
Bel.  V.  Leid.  222.  Een  scone  kercgen  mit  tooütf 
ende  mit  barbecanen  van  goude,  Mandew.  73i  & 
nog  Zri.  Bijdr.  4,  30;  Lorr.,  Nieutee  fr,  «,1*^ 
—  In  lateren  vorm  ook  Barbecaensel.  tl^ 
dese  Franssoyzen  aen  de  barbecaensoelen  g-heaff" 
ende  gheclommen  waren,  die  van  binnen  sbbai* 
de  corden  in  sticken ,  ende  de  boemen  e^  ^ 
balken,   die   an   de  barbecaensscelen  metl€i  ^^ 


577 


BARB. 


BARD. 


578 


seiden  corden  hingheiif  die  rolden   needer   in  de 
yesten,  Oron.  v.  Flaend,  1,  214. 

BABBABIEN  (baRBARIjn),  zbw.  dl  Ofr.  bar- 
iarm.  Barbaar,  heiden ,  eyenals  payen  de  gewone 
benaming  voor  ongelooeifie,  inzonderheid  Sarra- 
eeen,  \\  Noch  eprac  die  bose  barbaryn,  Boel.  II, 
8.  Deer  na  wart  Juliaa  geware,  dat  hem  eene 
grote  Bcare  volx  yergaderden  barbariene,  ^.  I*, 
3  f  1.  Hi  was  in  Treemden  lande  onder  der  wreeder 
barbarien  hande,  lY*,  61,  41.  Want  in  dlant  ge- 
Tallen  so  was  menech  barbarien.  Oesent  wert  hi 
daer  in  dien  te  werene  der  barbariene  scaren,II*, 
23,  62.  Alse  die  baerberiene  dit  sagen,  syn  si 
den  keyser  ontweken,  III*,  21,  24. Die barbaiiene 
ontTloen  hem  daer,  al4,  22,  7^  Die  wilde  bar- 
barien, III  \  6,  62. 

fiAEBARIEN,  bnw.  Barbaareeh,  heideneeh.  Zie 
het  vorige  art.  ||  £nde  menech  heiden  barbarien, 
^,  lY*,  6,  105.  Yan  enen  coninc  barbarien,  II*, 
34,  6. 

BARBEEL  (baerbel),  znw.  m.  Ofr.  barbel, 
iarbeil;  nfr.  barbeau,  Baardvieeh,  Tolg^ns  Littré 
^1 ,  296)  de  eyprinue  barbue  L.  Bü  de  beschrgTing  Tan 
den  Multu  in  Nat.  BI.  Y ,  791  Tlgg.  leest  men :  ||  Die 
Tan  riTieren  es  ghebaert,  barbele  heetmenne  ten 
Walsche  waert,  Y,  797.  —  De  barbelen  ende  die 
grondelinghen ,  Livre  d.  Meit.  9. 

BARBER  (baerbkr),  znw.  m.  Hetzelfde  als 
barbarien  (zie  ald.\  Barbaar,  heiden.  \\  Besnidinghe 
noch  onbeisnidingne ,  baerber  noch  Scita,  cnecht 
no  Tri,  He.  r.  1348,  1694. 

BARBIER,  znw.  Tr.  Ofr.  barbih-e;  mhd. 
barbier,  barbier  e.  Een  gedeelte  der  wapenrtitting , 
een  metalen  bedekker  van  baard  en  kin.  Deze  schQnt 
na  eens  aan  den  helm  beTestigd,  dan  weder  aan 
het  harnas  Torbonden  te  z^n  geweebt.  ||  Om  een 
hüTe  ende  ene  barbier  mede  te  betalen . .  20  scilden, 
Oorl.  V.  Albr.  12.  Om  een  barbier,  daer  mijns 
heren  maelgehamasch  mede  ghemeert  wart,  1  du- 
kaet,  Bek.  d.  Qr.  3,  119.  Een  elle  wit  laken, 
mijns  heren  barbier  mede  te  Toederen,  346. 
2oo  ook  bl.  118,  140  en  867.  Ziin  plate,  ziin 
lyf^ser,  ziin  huve,  ziin  barbier,  ziin  helm,  ziin 
beenhamasch,  enz.,  R.  v.  Vtr.  1,  179, 1.  Eengoet 
pansier ,  een  huufde  mit  eenen  barbier  off  een  yser- 
hoet,  enz.   Oudete  K.  v.  Delft  36,  29. 

BARBIER,  znw.  m.  Fr.  barbier.  Bar  bier,  chirurgijn. 

(I  Dat  die  barbiers  dat  bloet,  dat  zy  nntten  Inden 

laten ,  nyet  en  zullen  ghieten  in  die  haTen  off  in 

die    graften,    O.  B,  v.  Bordr.  1,  342,  3;  e.  e.  — 

Het  mul.  woord  was  baertmakere,  z.  ald. 

RARCH  en  de  samenstellingen.  Zie  Berch. 

BARDAEX    (baerdaex,    berdax),    znw.    Tr. 

Yan   Marde  en  Jex.  Bij   Kil.  Bard-ackse,  Tet. 

bipennie.     Tweesnijdende    bijl.  ||  Item    so    wye    te 

Techten    qnaeme    mit   staTen,    mit   glaTien,    mit 

piecken,  mit  swairden,  mit  Torken ,  mit  bardaezen, 

Oork.  bij  Van  Oosten  de  Bmyn,  Betchr.  v.  Haarlem  1 , 

164.  Baerdaexen  naden  coste,  Tolregl.(MHZwin,\Tk 

ZVl.  Bijdr.  6 ,  40.  Soo  wie  draecht  weyde  messen, . . 

berdaxen ,  bylen  met  langhe  stelen ,  dollen ,  . .  die 

verbeuren  jeghens  onse  Heeriyckheyt  X  fi|  swerte, 

tfieria    4,   1060  («.  1434).   CoWen,  baerdaecsen, 

bilen,    yseren  hamers   noch  dyer  gelike  wapen, 

K.  9.  Ériellê  21,  2.  So  wie  mit  eenre  bairdaeze 

»f   mit   eenre  kayse  ten  Techtelic  qname,  O.  W. 

p.  Anut.  10,  6.  Zoo  ook  O.  JT.  v.  Enkh.  26,  128. 

BABDE    (baerde),    znw.     Tr.    Ohd.     barta; 

mhd.     beer  te;    nhd.    batte;    mnd.    barde;    bQ    KiL 

bard  e,  vet.  dolakra^  aecia,  ^^muif.  Yandaar  ons 

i^/ldéaeird.  Breede   bijly  timmer  bijl,  inzonderheid 


strijdbijl.  ||  Ende  sach  Lamfroit  comen  geslegen, 
die  up  sinen  hals  bcpohte  gedregen  een  scarpeaex,  ene 
baerde,  Bein.  I,  699  (Tgl.  Tijdsekr.  1,  11).  Enen 
roefde  hy  Tan  den  lyTe,  hiet  Pieramon,  die  hem 
oec  weerde  herde  seer  mit  eenre  baerde,  Troyen 
192a  (in  *t  Us.  baerge).  Dier  Grieken  scade  ooc 
es  so  groet,  si  riepen  om  aezen  ende  baerden, . 
ende  si  ginghen  aoUfante  houwen  in  hare  been, 
JleT.  IX,  432  (zie  T.enLtb.  4,  123).  Die  Grieken 
tebraken  met  groten  ghere ,  beide  met  haken  ende 
met  barden,  dien  starken  mure  entien  harden, 
971  (zie  T,  en  Ltb.  4,  126).  Een  beckeneel  met 
j.  barde  .  .  j.  d.,  ZVl.  Bijdr.  6,  64.  Der  Jan  Tan 
Zwalmen,  de  pape,  die  Toer  .  .  te  Br.  an  de  com- 
paingie  Tan  der  baerden.  Bek.  v.  Oent  1,  421. 

BARDE  (ook  in  den  Torm  baerdqie),  znw. 
TT.  Mlat.  barda  (Duc.  1,  692  op  Bar  da,  1);  ofir. 
barde  (Roquef.  1,  134;  Terg.  Diez,  Etym.  fTtb.  1, 
63);  by  Kil.  Barde  Tan  lieerden,  phalerae. De 
bgTorm  baerdgie  schijnt  op  een  firanschen  Torm 
barge  of  een  mlat.  bardia  te  w^zen,  die  in  dien 
zin  niet  bestaat;  of  ontstaan  te  zQn  door  Ter- 
warring  met  baerdse,  schip.  Harnas,  dut  de  borst 
en  zijden  der  paarden  bedekte,  paardenhamas.  \\ 
Huer  peerden  hadden  baerdgien  Tan  wapenen  seer 
costelic ,  ende  daer  OTer  een  Terdeck  Tan  sQde ,  Versl. 
en  Ber.  4,  60.  Elc  peert  hadde  een  baerdgie  ende  een 
Terdeck  daer  OTere,  halfghelu,  half  sangwgn,a/<^. 

BARDE  Tan  myrrhe,  vetus Flandr.,fhafi\tvlnB 
myrrhae  (Kil.).  Ygl.  BORDE. 

BARDEKIJN  (baerdekijn),  znw.  o.  Yerklw. 
Tan  barde  (Ie  Art).  Txeren  punt  (?).  ||  Men  sal 
sloenen  (?)  OTor  die  bardekine  ene  ganspipe  ende 
dan  doet  hute  dat  iser,  Jan  Yp.  86.  Die  bardekine 
souden  int  Tleesch  sniden  ende  dat  sonde  den 
gewonden  sere  letten,  ald,  (Ygl.  de  figuur  ald.). 

BARDEMAKER.   Zie   Baertmakere. 

BARDEREN  (baerdeeren,  barbieren),  zw. 
WW.  bedr.  Ofr.  barder;  Terg.  mlat.  berdatus  (Duc. 
1,  693  op  Bardatus);  by  Kil.  Barderen, 
phalerare,  phaleris  omare.  Yan  paarden.  Ze  met 
een  barde  voorzien,  met  een  harnas  borst  en  zijden 
bedekken.  ||  III«  perden  gebardeert  int  ToUe  har- 
nasch,  met  gouden  ende  silToren  laken  bekleet, 
Eae.  Oron.  2HSd.  Daer  waren  ghebardeerde  peerden, 
284a.  II»  ghebaerdeerde  peerden,  ende  III»  lichte 
peerden,  2S7d.  Met  II«  ghebardeerde  peerden, 
2886.  Alle  die  ghebardeerde  peerden  dede  hi  ont- 
bieden dat  si  comen  souden  in  sinen  legere ,  2903. 
Faygien  XXY  ghecleedt  in  gheel  fluweel ,  sittende 
op  genetten  gebaerdeert  met  gouden  laken ,  3096. 
—  Schertsend  ook  Tan  menschen,  in  den  zin  Tan 
toetakelen.  ||  Al  waer  sy  beteert,  so  hebbicseTersiert; 
maer  dat  wijf  was  heel  Treemt  gemaniert,daerom 
hebbicse  so  rustich  ghebardiert,  hubs  en  fijn, 
Ned.  Kluchtsp.  66,  146. 

BARDERKEN.  Zie  Bert. 

BARDESCHE  (bardessche  ,  bartessche,  ber- 
tesscue),  znw.  m.  (?).  Kil.  82:  bordessche, 
borddecks,  Flandr.j.  Ioots.  Zie  ook  De  Bo  169  op 
Bordeseh  (pordessche,  pardassche).  OTer  de  aflei- 
ding zie  bij  bartege,  dat  wel  hetzelfde  woord 
sal  zijn.  Het  is  ons  bordes,  doch  niet  in  de  bet. 
Tan  eene  stoep  met  treden,  of  portaal  op  een  trap, 
maar  in  den  zin  Tan  —  1)  Luifel  (Kil.  hove). 
(I  De  bardeschen  die  ghemaect  es  an  thouchuus, 
Invent.  v.  Brugge  3,  33. 

2)  Tochtgat,  watergat,  duiker.  \\  De  ghaten  te  doen 

stoppene  onder  de  bardesschen  up  de  TOSte ,  3 ,  23. 

De  bertesschen  omtrent  de  stede,  3,  43.  Gewrocht  ter 

g^poorte,  ter  smedepoorte . .  an  de  bartesschen,  ald. 

19 


579 


BAËD. 


ËARE. 


580 


BARDHOÜWER.  Zie  Berthouwer. 

BARE,  beer.  Zie  Baer  (1ste  art.). 

BAR£|  vnjze  van  doen.  Zie  Baer  (2de  art.). 

BARE,  znw.  vr.  Van  het  bnw.  baer^  bloot: 
Terg.  ohd.  pari  in  houbetpdri^  kaalheid  (calviiium 
bij  Graff  3,  152);  mhd.  bar,  bloote  plek.  In  de 
byzondere  toepassing  van  de  weeke,  tandelooze 
ruimte  in  den  bek  van  een  paard,  het  tandelooze 
deel  waarop  het  gebit  rust;  de  gebitlagen,  fr.  let 
barree  (Littré  1,  301,  op  Barre,  15o);  tng.bars. 
Zie  verder  De  Jager,  Arch.  4,  201  vlgg.  ||  Ets 
gheseit  over  vele  jare :  soe  hogher  hals ,  soe  weeker 
bare.  Lep,  III,  12,  103. 

BARE,  tnw.  vr.  Mhd.  bdre\  mnd.  bare,  bare. 
Baar,  draagbaar,  inzonderheid  /i;^^aar.  ||  Doe  dede 
hi  met  groter  eren  setten  die  Arke  ons  Heren  in 
Sancta  Sanctomm  np  enen  dach,  datter  niemen 
niet  af  sach  dan  dat  ende  van  der  baren,  daer 
soe  np  was  gheset,  Rijmb.  11723.  Daer  moeste  hi 
snlker  sak  en  pleghen,  dat  menne  droech  np  ene 
bare,  19280.  (Ui)  hevet  versien  ende  vernomen 
ene  bare  daer  staen  verdect,  met  pellen  ende  met 
samite  wel  berect,  Lanc.  II,  5559.  Want  hi  doet 
legt  op  die  bare,  Bose  11592.  Ende  doen  men 
de  messe  sanc  voer  hare,  stont  op  de  lichame 
in  de  bare,  Ckriet.  199.  Si  daden  bringhen  beide 
die  like  ende  settense  op  die  bare,  Limb.  1,  400. 
Zoo  ook  Alex.  IV,  45 ;  enz.  —  In  hsLien,  op  de  baar, 
met  weglating  van  het  lidw. ,  als  bij  in  bed  enz. 
Verg.  Taal-  en  Ltb.  4, 180  vlgg.  ||  Daer  vant  hi  enen 
doden  in  baren,  Lane.  III,  25313.  —  In  (ter) 
bare(n)  staen,  op  de  baar,  boven  aarde  staan. 
Verg.  de  uitdrukking  in  graven  staen  bij 
Matth. ,  Jnal.  3,339.  ||  Als  nu  hertoghe  Eduwaert 
stont  ter  bare,  Brab.  Y.  VI,  6877.  Hi  sach  sijn 
lief  ken  staen  in  bare,  ghedect  met  enen  baren- 
cleet.  Hor.  Belg.  2,  64,  24.  —  In(der)baren 
leggen,  op  de  baar  leggen ,  op  een  praalbed  of 
katafalk  leggen.  \\  Met  rouwe  wert  hi  in  corter 
tyt  te  Saintpoel  ghevnert, . . .  daer  hi  gheleit  wort  in 
der  baren,  Brab.  Y.  VII,  5446.  Ghi  sijt  valu 
ende  bleec;  mi  dunct,  dat  hi  u  gheleec,  die 
man  die  men  gisteren  leide  in  baren,  Boerd-en 
IV,  31.  Die  sijne  vriende  waren,  sij  lachtenen 
in  baren,  Serv.  II,  2351.  —  In  baren  liggen, 
op  de  baar  liggen.  WDoch.  quamen  wi  tere  capellen , 
daer  wi  twee  doede  ghesellen  vonden  liggende  in 
baren,  Limb.  I,  2607;  zoo  ook  426.  Ende  liet  stille 
als  een  molensteen:  si  pleghens  die  liggen  in 
baren,  Boerd.  IV,  80.  Met  recht  sal  ons  tlijf 
ontgaen,  als  wy  u  ligghen  sien  in  baren,  Troyen 
f.  138<?.  —  Overdrachtelijk,  in  den  zin  van  ge- 
sneuveld, verslagen  zijn.  \\  Dat  deed  datter  menich 
boech,  die  nemmermeer  op  en  stont  twaren;  des 
nachts  lachter  menich  in  baren,  Troyen  f.  54a. 
LXIII  baenraetsen  bleven  doet  binnen  der  plaetsen , 
ende  XIc  ridders  lagen  in  baren,  Velth.  IV  , 
34,  3.  Doe  haer  viande  lagen  in  baren,  IV, 
16,  60.  —  Menige  dode  bare  maken,  eigeu- 
Igk,  menige  doodsbaar  maken,  d.  i.  menigeen  naar 
de  andere  wereld  helpen,  verslaan.  \\  Ende  velletse 
bi  tween,  bi  drien,  des  keysers  lieden  harentare; 
hi  maecte  menige  dode  bare,  Lelt.  N.  B.  7', 
147,  125.  Sy  maecten  vele  doder  baren,  dair  si 
bilden  in  de  bataelgie,  Orimb.  II,  4060. 

Samenst.  —  Barencleet,  mhd.  bdrekleit-, 
baarkleed,  lijkkleed,  OFl.  Lied.  157;  Hor.  Belg. 
2,  64,  25.  —  Vgl.  ook  baercleet. 

BARE,  JHut.  2,  204:  capsula,  bare  i.  easse. 
Doos ,  kis0'e.  —  Van  beren ,  dragen. 

BARE,  IHut.  2,  228:  bare  t.  inwater,  procella. 


sform ,  hoogwater.  Hetzelfde  woord  als  ons  baar^  golf? 

BARE,   znw.    vr.   Fr.   barre-,  mlat    barra  (Dk. 
1,  603).    Slagboom,   verschansing.  ||   Haddi,   hert, 
geweest  van  dien,    die  geme  acbterwcrder  tiei, 
men  hadde  u  heden  in  onsen  baren  belopen  coimei 
noch   bevaren,   Cass.  1199.  —  Spelen  (lopea) 
ter    baren,   een  wedloop  tegen   elkander  htmde*. 
Verg.    Kil.    „Baeren,   baeren-spel,  Gymmes, 
ludus  gymnicus,  exercitium  gymnastieum,palaestrê, 
eertamen  ettrrendi.  De  baere  jaeghen,  enrtuai 
metas   eontendere,    eursu   eertare.^''   Fr.  jouer  ai 
barree  ( Littré  1 ,  300 :  „Les  barras,  jeu  de  cotne 
qni    est   divisé   en   deux  camps,  dans  lequel  les 
jouenrs  de  chaque  camp  s^engagent  suceessivemat 
k  la  poursnite  les  uns  des  autres ,  et  qui  est  aia^ 
nommé  parceque  les  deux  camps  sont  marqués  par 
une  barre  fictive  ou  tracée  sur  la  sable/*).  Viadaar 
nog    het    spreekw.    „jo^^^    ^^^    barres,    ut 
chercher    sans  pouvoir   se   rencontrer'*.    t|    Dea 
taende    den    andren    daren,    gelgc    datmen  speeli 
ter    baren.     Die    van    beneden     reden     opwaoti, 
dan    quamen    dander   metter   vaerd,    ende   liepei 
neder  den  berch  saen ,  ende  hebbense  aldus  weds- 
staen,  Velth.  III,  35,51.Tesseralmet  vreuchda, 
groot   ende   cleyn,  tscijnt  datse  ter  baeren  loGpes 
om  prys,  Belg.  Mus.  6,  55. 

Aanm.  —  Wiel.  Instr.  139,  439  komt  een  spd 
voor,  dat  genoemd  wordt  de  bare  schietei. 
II  „Scaecspelen,  caetsen,  bolle  werpen,  de  ba» 
scieten  of  diergelike  .  .  spelen  van  eeren  ende  Tsa 
recreatien."  —  Is  dat  schijf  schieten ,  vogeUeüeta 
(naar  een  paal  schieten),  of  wordt  er  een  ander  ^ 
mede  bedoeld? 

BARËELKIJN,  -kine,  znw.  onz.  Yerkleiav 
van  bareel,  fr.  baril-,  mlat.  barile  (Dnc.  1,  5S(l 
Vaatje.  ||  Een  corf  of  bareelkijn  prumen,  IVl 
Bijdr.  5,  40. 

BAREM.  Zie  Barm. 

*  BAREN,  Parth.  6531.  Verkeerde  lexing  wt 
banen.  Zie  op  BANE  2de  Art. 

BAREN  (beren)  ,  zw.  ww.  onz. ,  bedr.  en  wedoi 
Mhd.  bdren ;  mnd.  baren;  ofri.  baria;  nfri.  kere  (Haik 
223). 

I.  Onzijdig. 

1)  Zich  vertoonen ,  te  voorschijn  komen ,  perseiifneïï 

a)  Met  een  persoon  als  subject.  ||  Als  Maria  Uc^ 
in  desen  sere  .  .  so  baerde  hare  een  scoae  mn- 
L.  o.  H.  4685.  Aldus  en  wouden  alle  die  hars 
jeghen  enen  here  niet  keren  ten  stride ,  noch  bira 
opt  velt,  Brab.  Y.  V,  2425.  Ach  lasen!  nu  ^ 
men  luttel  baren  die  wapen  dragen  der  Griinberek< 
heren,   Orimb.  II,  6145. 

b)  Met  eene  zaak  als  subject.  ||  Binnen  diea^ 
si  in  die  tale  waren ,  sagen  si  daer  ene  hant  bart& 
Lanc.  III ,  5965.  Men  siet  haer  teken  luttel  baro. 
of  haer  wapene  imant  dragen,  Grimi,  II,  6151 
Ene  claerheit  begonde  baren ,  X.  o.  H.  4765.  Yfak 
eer  hemele  of  aerde  waren,  of  yet  datm^  dsff 
in  siet  baren,  so  was  God,  Lsp.  1,1,  11.  Das» 
sullen  . . .  thant  teekene  des  oordels  bai^n ,  IT,  ?< 
41.  Want  die  scachte  meest  esschen  waren,  aoeitf^ 
men  daer  meest  esbchen  baren ,  Brab.  Y,  II ,  2641 
Want  merct ,  wanneer  dat  fcfute  baert  van  iwine,  etett 
neer  het  gebrek  aan  wijn  sich  openbaart^  aan  den  dei 
komt,  nie  sluut  (men?)  den  keinare,  OVl.  IjietLe^Gd 
445,  141.  In  elke  sach  hi  hovesla^  bas^, 
Lanc.  III ,  14805.  Dat  selve  licht  dat  nachU  baciv 
Ltp.  I,  10,  79.  Miracule  groot,  dat  daer  hÊ&if 
door  den  sant,  Amand  I,  1818.  Haer  overtvll^ 


58i 


BARE. 


BARE. 


582 


bloet ,  dat  telker  maent  baren  moet ,  Vrouto.  Heitn. 
95.   Dat  ie  justicie  sal  doen   baren,  Slüc.  v.  M, 
293.    Zie    ook   Sp.   Il*,  49,   39;   Lutff.  II,   1197; 
Naf,  BI.  III ,  2351 ;  Hadew.  1 ,  37 , 5 ;  «t«r.  —  Ook 
van  de  zon  en  yan  den  dag:   te  voorschijn  komen ^ 
opkomen ,  aanbreien.  \\  Des  ander  dages ,  eer  began 
baren  die  sonne,  was  Walewein  opgestaen,  Lanc. 
II,   39668.    Tote   dat   die  XL  dage  baren  dattie 
camp    genomen    was,    III,   16928.  Smargens,  doe 
ontspranc  die  dach ,  ende  menne  scone  baren  sacb, 
Lorr.  II,   593.   Ende  het  wert  scone    dach,  ende 
teerst  dat  menne  baren  sach,  s^n  die  kimpen  op- 
gestaen,  II,   3578.   Daer   waert   dat  hi  den  dach 
sach   baren,    Wal.   383.    Doen  de  dach  die  nuwe 
ridder  baren  sach,  Limb.  II,  131.  Daer  msten  si 
tote  het  was  dach,  ende   men  scone  baren  sach, 
Lorr.  1 ,  375.  —  Ook  met  verzwijging  van  het  ondw. 
de  doff,  hei  daglicht.  ||  Sdages,  als  moeste  baren, 
Sp.   II*,   89,   51   (Vinc.  Luce   vero  orta).  —  Van 
een  oorlog  of  strijd:  dch  openbaren,  losbreken.  || 
Aldus   dorloge  baerde  tnsscen  hertoge  Godevaerde 
ende   van    Grimbergen   den   heere,   Brab.  Y.  VI, 
2581.   Die    gene   die   ridders  gemaect  waren,  eer 
die    str^t    began    baren,    verdienden    daer    haer 
ridderscap   wel,  Velth.  III,   20,  1.  —  Van  goed 
of  kwaaa:    te  voorschijn  komen ,  voortkomen.  ||  Een 
here  die  de  waerheit  mint,  .  .  daer  moet  emmer 
dogct  ute  baren,  rad.  Mus.  2],  187,  321.  Watgoet 
es  prijst  s^ns  selves  waerde,  endiB  ooc  nut  qaaet  noit 
goet  en  baerde,  OFL  Lied.  en  Ged.  280,  1383. 

2)  Zich  toonen,  zich  houden,  zich  gedragen,  of 
wel ,  den  schijn  aannemen.  ||  Die  ridder  anders  niet 
en  berde,  dan  oft  hi  doot  hadde  ghewesen.  Wal. 
8624.  Als  aerme  doerpers  an  hem  coemen  om  yot 
te  baten  ende  te  vroemen,  daer  baren  si  of  si 
sliepen  dan.  Nat.  BI.  IV,  195  (var.  gebaren).  Is 
dat  den  wech  ten  hemelrgc ,  soe  moghen  wijt  ramen 
al  gheiyc,  wat  wy  doen  of  hoe  wy  baren,  Hild. 
252,  116.  Si  baert  recht  ofs  haer  niet  en  rocht, 
Hild.  183,  8;  verg.  184,  71.  Nu  so  baren  wi 
alleens  of  wi  meynden  .  .,  dat  God  doot  ende 
ghestorven  is ,  Oesta  Bom.  f.  176f.  Ende  alle  dat 
volck  int  gemeen  beerden  of  hem  seer  lief  had 
geweest,  Hatth.  Anal.  1,  499.  Dit  is  dat  baren 
der  geenre  die  den  here  ontsien,  Hs.  Fs.  27v. 

3)  Zich  aanstellen,  te  keer  gaan.  ||  Mettien  sagic  twee 
edele  vroa^en  staende  omtrent  den  bome  baren ,  Vod. 
Mu*.  1 ,  304 ,  9  (in  den  tekst :  bomebaren).  Als  die 
ridder  over  syn  beste  hilt  dat  si  alle  slapen  waren,  be- 
g'onste  hi  ysentlike  te  baren.  Vrouw.  e.  M,  VTII, 
184.  Ander  honden  schoten  hem  an,  ende  vraechden 
zeer    wat    hem   daerde,    dat   hi    soe   yammerlike 
baerde,    Hild.  40,   44.   Een   sot   moet  sotteliken 
baren,    66,    30,    1.   Tweder  dochte  him  qualiken 
tieren  om  te  vorderen  hoer  ghevaerde,  soe  dat  hi 
toomlick    daer   om  baerde,  MLoep  IV,   1394.  — 
Baren    op    enen,    tegen    iemand  te   keer  gaan, 
aangaan.    \\    Nu   begonsten    si   op   hem    te   beme 
fellgc    ende   oec   te   sceme,  L.  o.  E.  2885.  Ende 
dat  Tolc  beerde  anxtel^jc  op  hem  ende  riepen  ver- 
rader, n*.  Letterk.  No.  11636,/.  120*. 

II.  Bedrijvend. 

1)  Toonen,  vertoonen.  ||  God  hi  mach  u  wel 
gesterken,  die  boven  ons  allen  hevet  macht ,  woudi 
bier  baren  sine  cracht,  Xa^ic.  11,45046.  Die  hovesc 
ende  natnurlic  waren,  die  moesten  te  bant  haer 
minne  baren,  Flor.  1002.  Onse  Here  heeft  teser 
atont  .  .  die  gherechtechede  syn  ghebaert  vore 
syns  Tolx  anscgn,  Lsp.  II,  36,1886.  Clergiesoude 


1 


met  rechte  bloot  hare  wjsheit  baren ,  waer  si  ware, 
III,  14,  260.  Ende  baerde  mede  den  heiegen  geest 
daer  ter  stede.  Franc.  986.  Oec  waent  men,  dat 
hi  twonder  baerde,  dat  Rome  hadde  ende  be  waer  de, 
Sp.  I*,  26,  47.  Quintijn  quam  tAmiens,  daer  hi 
baerde  sijn  gepens,  II*,  48,  18.  Die  hemelsche 
God  ...  sal  siuen  ewighen  Sone  baren  ghe- 
warech  God  ende  fljn.  Wrake  1,  1720.  (Gi)  moet 
bederven  ende  mesvaren ,  of  ghine  sult  ander  ghe- 
loove  baren,  Amand  II,  701.  Omt  gheloeve  te 
baerne  hier  ende  daer,  Lsp.  II,  40,  66  var.  (tekst: 
openbaren).  Want  sine  dorren  hare  daet  niet  baren, 
Èose  8995.  Alsoe  als  onse  lieve  here  .  .  dat  bi 
sijnre  goedertierenheyt  aen  ons  ghebeert  heeft, 
V.  d.  Wall  326  (a.  1382). 

2)  Te  voorschijn  brengen,  voor  den  dag  brengen, 
aan  den  dag  leggen,  uiten.  \\  Met  corten  redenen 
ende  met  waren  suldi  alle  u  redene  baren,  Lsp. 
III,  4,  163.  So  scone  redenen  si  mi  baerden,  .  . 
dat  süijnt  dat  si  mi  minnen  iet,  J2iwf /.  1362. Entie 
banen  gemaect  waren,  daer  si  haer  spel  souden 
baren ,  Velth.  III ,  41 ,  5.  Hoverde ,  die  nu  (/.  mi) 
heves  onwert  dies  nu  (/.  di)  cons  (/.  const)  ochte 
fierheit  (/.  sierheit)  baert.  Bind.  903  (Vgl.  Taalk. 
Bijdr.  1 ,  259).  Mine  gracie  ende  mjjn  geval  willic 
baren  over  al,  L.  o.  È.  1658.  Envie  ende  Jalouzie 
begonsten  baren  haren  nijt,  OVl.  Lied.  e.  Ged. 
305,  2118.  Mynne  beerden  hem  haer  treken, 
Trogen  f.  149<:.  Bi  wat  naturen  die  wijngart  in 
dien  herfste  sine  rijpheit  baert,  Alex,  III,  291. 
God  sine  cracht  an  hem  baerde,  Bdjmb.  19275. 
Daer  men  u  ; wonder  of  mach  baren,  Lsp.  II, 
Begin,  30.  Sine  milthede,  die  hi  emmer  wilde 
baren,  III,  23,  72.  Van  allen  sticken  die  siselen 
baren,  Velth.  II,  18,  86.  Hebdi  doghet,  ghi 
moetse  baren,  Limb.  VII,  752.  Dattu deught souts 
moeten  baren,  Praet  2306.  Ay  God  .  .  baert  u 
cracht ,  Segh.  10626.  Wat  miraculen  dat  heeft  ghe- 
baert, Saer.  970.  Zie  nog  ^.  II*,  27 ,  36  ;/;*??.  II, 
7,  14;  Lutg.  II,  1784;  enz. 

3)  Aantoonen,  bekend  maken,  openbaren.  ||  Kan 
Johan  vors.  enen  schuldighen  vynden,  de  mach 
he  bynnen  21  daghe  vorbaren  daema  dat  hem 
ghebart  is,  Warfsconstit.  10. 

III.  Wederkeerio. 

1)  Zich  vertoonen.  \\  Teerst  dat  ie  mi  dorste 
baren,  spranc  ie  up,  ende  liep  ten  hole,  Bein.  I, 
2402.  Hi  wilde  te  hemele  varen  ende  tsinen  wille 
hem  weder  baren,  Sp.  II»,  12,  76.  Daer  af  selen 
comen  drie  gherden,  die  selen  hem  baren  even 
groet,  V.  d.  Route  235.  Doe  baerde  hem  te  bant 
na  dit  een  scone  kint  met  cledren  wit,  Lsp.  II, 
9,  25.  Opten  derden  dach,  twaren,  sullen  hem 
die  vissche  baren,  IV,  9,  15.  Die  werelt  steet 
dan  in  eenre  gloet,  .  .  in  vieres  hitten  si  haer 
baert,  X  Flagh.  2422.  Jhesus  onse  here  van  paradijs 
baerde  hem  saen  in  menegher  wijs  sinen  apostolen, 
sinen  vrienden,  L.  o.  H.  4740.  Entie  aventuren 
die  hem  nu  baren,  Lanc.  III,  6366.  Daer  baerde 
hare  die  Drievoudichede ,  Sp.  I',  5,  43.  Dine 
toeverie  baert  hare  nu,  II*,  37,  104.  Dus  baerde 
haer  daer  ons  Heren  cracht,  II*,  51,  136.  Doe  .  . 
baerde  hem  Sinte  Pieter  dan  Marcellise,  Lsp.  II, 
44 ,  557.  Dat  Jhesus  hem  Marien  baerde ,  X.  o.  H. 
4734.  Die  gracie  Gods  haer  altoes  baert,  Wap.Bog. 
1836.  Als  hem  Antkerst  sal  baren,  Wrake  11,332. 
Zoo  ook  Stoke  V,  219. 

2)  Zich  toonen.  ||  Wy  .  .  waeren  genegen  om 
eVB  g^c^  middel  .  .  tusschen  him  ind  die  vurscr. 
her®  van  Egmonde  te  vinden ,  wair  toe  onse  vurscr. 


083 


BARE. 


6ARE. 


m 


neve  him  wail  genegen  baerde,  Nfjh.  4,  443 
(tf.  1471). 

3)  ZicA  houden  f  zich  gedragen.  ||  Ay  proveetsCf 
waer  sidi  nu  gevaren ,  die  u  dicke  soe  wel  const 
baren  ?  Lanc,  IV ,  9402.  —  Ook  in  den  «in  van  zich 
te  werk  stellen^  zich  toeren  (vgl.  Lipp.  85).  ||  Ene 
baghine  sagic  haer  baren  ende  op  hare  enen  bogaert , 
Boerden  V,  13. 

BAREN,  znw.  onz.  en  m.  Ohd.  barn  onz. ; 
mhd.  barn ;  onz.  en  m.;  osaks.  barn  onz.;  ags.  beam 
onz.  en  beom  m.\  eng.  bam^bairn\ofr\,bem\ViÏT\. 
barn,  bern  (Halbertsma  180,  228).  JiTm^ ,  eigeniyk 
dracht  Verg.  Moederbaren. 

1)  Kind.  II  Daer  vragede  hi  ter  selver  ure, 
wanen  snlke  kinder  qnamen  .  .;  doe  vragedi ,  ofte 
selke  baren  heidgn  oite  kerstyn  waren,  Sp.  III", 
51,  16 — 22.  Pape  wert  na  Eleasaren  Finees,  sijn 
ontste  baren,  II',  3,  28.  Broeder,  alstu  den  armen 
zies,  men  leigt  di  voren  ten  (tekst  den)  spegel 
Jhesos  dat  zoete  baren  ende  sire  moeder,  die 
arem  waren ,  Franc,  4245  (^Acta  SS. :  speculum  tibi 
proponitur  Domini  et  panperis  matris  eius).  — 
Spreekw.  So  edelre  baren,  so  meerre 
o  m  o  e  t ,  hoe  eSler  gebroed^  hoe  meer  ootmoed,  zooala 
wij  bet  zonden  kunnen  overbrengen.  ||  Die  edele 
sperware  broet  in  de  haghe ;  die  dorpere ,  die  lettel 
dooch ,  hi  broet  optie  bome  boogh ;  maer  elc  mensche 
wese  des  vroet:  so  edelre  baren,  so  meerre  omoet , 
Nat.  BI.  III,  2802. 

2)  Held',  verg.  degen,  dat  oorspronkelijk  ook 
kind  beteekende:  zie  ald.  ||  Het  waren  alte  felle 
baren,  Roelant  ende  Olyvier,  Wittek.  v.  S.  186. 
Niet  vorder  ne  wilde  hie,  Guweloen  die  felle  baren , 
metten  scepe  te  watre  varen,  Huge  v.  Bord.  IV, 
1,  1.  Doe  die  van  der  stad  comen  waren  ten 
campe  met  menegben  baren,  Limb.  III,  259.  Die 
hertogbe  van  Oesterike,  een  vrome  baren,  Vl. 
Rijmkr.  6702.  Hertoge  Jan ,  die  edel  baren ,  Brab.  Y, 
IV ,  274  var.  Huge  die  vrome  baren ,  Huge  v.  Bord. 
IV,  2,  44.   Die  edel  baren,  Fragm.  Car.  223. 

BAREN ,  zw.  WW.  bedr.  Mhd.  bdren.  Van  Bare , 
lykbaar.  Op  de  baar  leggen.  Vooral  gebruikt  in 
het  deelw.  gebaert.  ||  Doen  hy  sicb  ghe- 
baert  vant,  soe  hoeff  hy  op  ayne  hant,  Serv.  II, 
2375.  Jeghen  tvervulen  es  dat  voorseide  lichame 
ghebaert,  Brab,  Y.  VII,  17729.  Die  paeus  mitten 
keyseren  hebben  dat  Uchaem  eerliken  ghebaert  ende 
ghebrocht  int  midden  der  stat  van  Romen,  Gesta 
Bom.  c.  15.  Men  sal  een  bare  draghen  in  dat  hnys 
dair  die  dode  leit,  ende  dair  sal  men  den  doden 
baren,  Matth.  177.  Dat  lichaem . . .  was  gebairt, 
178.  Die  vier  achtersusterskinder  sullen  gaen  staen, 
elcs  an  een  hoeck  van  der  baren,  dair  die  dode 
op  ghebairt  staet,  180.  Al  wair  niement  van  des 
dodes  maghen,  die  recht  begheerde,  sosoudemen 
nochtant  den  doden  baren  ende  bringhen  opt  kerchof, 
181.  Den  doden,  die  ghebaent  ende  ghebairt  staet,  13. 

BARENCLEET.  Zie  bare  ,  4de  Art. 

BARENSTEEL,  znw.  onz.  Verbastering  van 
mnl.  palesteel:  zie  ald.  en  verg.  Taal-  en  Ltb.  4, 
195  vlg,  In  de  wapenkunde.  Barensteel,  tomooi- 
kraag,  verkorte  dwartttreep.  Zie  Rietstap  135.  ||  Hy 
droech  van  goude  daer  in  geset  een  am  van  keel, . . 
een  barensteel  van  lasuer,  Belg.  Mut.  5,  110,  59 
(Gelre,  Wapenb.  9).  Die  vijfste  wapende  hem  van 
goude,  een  leen  van  keel  .  .  .,  van  silver  een 
barensteel,  ald.  65  (Gelre,  Wapenb.  10.).  Diderick 
Hertoch  in  Aquitanien  .  .  die  voerde  in  sijn  wapen 
twapen  van  Vrancryck  mitter  overste  broeck  ge- 
broecken  mit  drie  barenstelen  van  keel,  Matth.  Anal. 
1 ,  605.  Dese  Heer  Simon  van  Teylingen  die  voerde 


oock  syn  oude»  wapen  .  .,  mer  om  een  ondenccTt 
te  hebben  tusachen  syn  broeder  Heer  Diderick 
van  Brederoede ,  soe  voerde  hy  daer  op  drie  birei- 
stelen  van  sulver,  615. 

*  BARENTEREN.  Verkeerde  lezing  toot  her- 
teren  (z.  a.). 

BARENTEREN  (soms  ooksARTEREN),  iw.wv. 
bedr.  en  wederk.  Ofr.  deshar ater,  desbaretn\ 
prov.  desbaratar;  it  sbarattare,  met  wegrtlliig 
van  het  voorv.  des-.  Verg.  spijt  voor  des^jt,  a 
TEBARENTEREN,  waarin  het  rom.  voorv.  rf«i- door 
het  germ -^^  is  vervangen.  Bg  Kil.  ,Barenterei, 
vetus  Fland.  perterrere.** 

1)  Bedr.  —  1)  Verslaan,  overwinnen.  \\  Alk 
hadde  hy  ghescoffeert,  dootghewoiit,ghebtrenteeit, 
Trogen  ƒ.  174  a. 

2)  Verslaan,  verschrikken,   verbijsteren.  \\  Eide 
ffheraecten  wel  met  sinne  aen  sineu  hals  benedci 
den  kinne,  dat  hi  welna  ghevallen  was,  ende  vtert 
80  sere  ghebarenteert  das  ^  dat  hi  siere  ghesdki 
gheerde,  Parth.  4564.  Hi  lach  lange  ende  mweenle 
int   water,  dattem  zeere  barteerde,  Rosé  (C)  1391 
(var.  tebarenteerde).  Can  Jhesus   dus  barèntera? 
onse    Beghinen    sgn    ontweghet,    Runsbr.  5,  4. 
—  Inzonderheid  in  het  verl. deelw.  barenteert, 
verslagen,   verschrikt.  \\  Maer  ie  seggu  dat  ii  oit- 
finghen  meneghen  slach  eer  si  ontghingheo:  <be 
soudaen  was  ghebarteert  sere,  Parth.  4606.  Al« 
Jan  van  Sephinione  las,  alte  barenteert  dat  hi  vu, 
Sp.  III»,  62,  51.  Van  al  den  here  wasser  gheo, 
hine  wonde  wel  ter  selver  wilen  hebben  ghesp 
over  dusent  milen:  .  .  .  so   sere  barenteert  «r« 
si  van  desen,  Stoke  VIII,  796. 

II)  Wederk.  —  Hem  baren  teren;ook—T» 
ere  dinc,of  met  den  2den  nv.,  zich  over  iet»  bnrtd 
maken ,  er  verslagen  door  worden ,  zich  er  over  k 
kommeren,  ||  Si  barteerden  hem  alle  ende  wondenki 
hem,  te  gader  sprekende:  „siet,  ue  sijn  niet  d«* 
alle  Galyleeus''?  Hs.  v.  1348,  149 «.  Hestor,*» 
stout  ende  coene  was,  ne  barenteerde  hem  »* 
das,  Lanc.  II,  2729.  Hi  sprac:  „ Barenteert iwt 
van  dien",  IV,  3223.  Waer  bi  ghene  cirurgienlKa 
sonde  barteren  van  gheenen  wonden ,  het  ne  «R 
datti  saghe  quade  teekinen  in  de  siecke ,  Jan  Tp.  <^ 

BARGIE.  Zie  Baerdse. 

BARGIJN  (BAROiN,  bergin)  ,  bnw.  Mhd.  fcry* 
Van  Barch,  by  Kü.  „Bergh,  bargh,  «*;«^' 
poreus  exsectus  vel  castratus";  ohd.  bare,  bh 
barch ;  nhd.  barg ;  ags.  bearg ;  eng.  barrow ;  fri.  *«^ 
(Halbertsma  149).  Van  een  varken  afkomst^l 
Die  vaersel  wille  maken ,  die  neme  barghin  vleesa 
mager  ende  vet ,  Keukenb.  1 ,  8.  Nemt  btfgfcfl 
vleesch  magher  ghesoden,  10,  3.  Doeter  in  fik»? 
ende  barghün  smout  te  paase,  11,  4.  Zied^eia 
witten  barghyn  smoute,  ald,  5.  Jegen  tfledersc^ 
nem  bergin  smout  ende  bargin  spec,  endebnrfit 
eenen  panne ,  Hs,  sang.  door  Clarisse ,  Heim.  bL  i^ 
Neemt  bergenspec,  Lan/r.  152  r. 

BARILLIER  (barilier),  inw.  m.  Vu  t 
baril,  mlat.  ^««7*  (Duc.  1,  595).  Ho/beambtt,^ 
last  met  het  toezicht  en  beheer  der  wijnvaten ,  tdie^ 
meester;  mlat.  barillarius,  ofr.  barillier.\\^^^ 
lier  behoort  te  gane  ende  te  comene ,  omne » 
gaen  halen  anderen  wijn  omme  tachter? olges  ff 
dat  nood  es ,  Matth.  Anal,  1 ,  270.  De  Pr»» 
heeft  twe  bariliers  ende  behoren  deselve  btril^ 
te  leverne  dwatre  den  somellier  voor  de  moid^ 
den  Prince ,  ende  te  hebbene  toeaien  ran  den  bov^ 
diemen  draegt  in  de  sale  omme  den  grooten  c«(t,^ 

BARINCHOÜT  (berrinchout)  ,  hetzelfde  n 
berninchout  (z.  ald.).  Van  berren,  d.  i.  hemen.  B^ 


585 


BA.RI. 


BARM. 


586 


^ut,  II  Yan  dat  sy  barinchont  ghebaawen  hadden 
ap  den  barem  van  der  Leye,  Invent,  u.  Britgge 
4,  159.  BarynAhout,  tzy  blocken,  faceelen,  rysen 
noch  reyhout,  6,  346. 

BABISEEL,  znw.  onz.Ofr.  bariêel;  miat.  öarisellm. 
(Dnc.  1,  596)  Vaatfe^  Jkruik,  JtescA,  ook  lederen  wijn' 
zak.  II  Soe  biddic  n  dat  ghi  mi  haalt  dit  bariseel  vol 
Tan  sconen  watere ,  Vad.  Mut.  1, 54, 128.  Om  alrande 
barizelen,  vlesschen  ende  fystejm  voir  minen 
here  toter  Vriescher  reysen,  Oorl.  v.  Mbr,  174. 
Alse  men  slaet  opten  lichame,  so  Indet  alse  een 
barizeel,  dat  van  ledre  ware  ende  dat  half  vol 
wints  ware,  Ha.  Yp.  33tf.  Zie  nog  SegA.  4170, 
6841  (Ytür.JlesseAen),  8812,  10829,  10895,  10928, 
10966,  10969;  Vod.  Mits,  1,  53,  128;  54,  134, 
137,  162;  55,  175,  180,  192;  56,  215;  verg. 
VS.  149:  Maer  emmer  bleef  droghe  die  fiessche 
binnen. 

BARRE  (BAERKE ,  BERKE ,  BERc) ,  znw. vr. :  verkl. 
B  a rk  y  n :  lie  ald.  Mhd.  harke ;  mlat.  havca  (boe.  1 , 
59 1\  ÏAckt  vaartuig^  sloep,  \\  Si  en  vonden  scep 
noch  barke ,  Hoel.  1 ,  424.  Doe  hiet  sente  Brandaen 
eene  barke  wel  ghedaen  nten  kiele  trecken,  daer 
in  spronghen  die  recken,  Brand.  ((7)  719.  Doe 
vielen  si  in  eene  baerke.  Brand.  239.  Die  met 
cogghen  ende  met  berken  al  die  zee  overdecken 
dede,  daer  hi  Enropen  dwanc  mede,  J^jt.  7,716. 
(Daer)  gaf  die  barke  enen  crac  ende  spleet  te 
middewaert  ontwee,  Segh.  11226.  Doequamsterkelüc 
die  vloei  in  die  berke,  dat  si  cloef,  11232.  Ende 
bevacht  daer  seer  vreeslgcken  die  Schotsche  berck 
een  groot  schip  ende  veel  ander  roofschepen ,  Exc. 
Cran.  273c.  Als  (n)  .  .  stonden  in  der  salen , 
hebben  si  gesien  eenen  (/.  eene?)  bercke  comende 
uter  zee  gheseylt  met  grooten  stroom.  Doe  seyde 
die  schone  vronwe:  Die  bercke  comt  unt  Affriken, 
ffitge  V.  Bord.  42. 

Aanm.  —  Wat  barken  bet.  Bek.  d.  Gr.  S,  121: 
„Yan  barken  te  velen  stonden  ende  van  alrehande 
cleenen  dinghen,"  is  niet  dnidelijk. 

BABCHOF,  znw.  onz.?  Naam  vaneen  schip  ?  ||  Ende 
▼oirt  gevoirt  sQn  in  dat  barchof  in  den  hove  in  den 
Hage  6  groete  wiele,  dairscermofgemaektsonden 
worden,  Bel.  v.  Leid.  847. 

BARKIJN,  'kine,  znw.  onz.;  verkl.  van  barke 
(z.  ald.).  Scheepje^  seheepvormig  bakje  voor  zaad  %n 
vogelkooien,  Yerg.  mlat.  barcella  otnavieula^  wierook- 
vat (Duc.  1,  591).  II  Dat  elpenbenen  barkijn  in 
der  giolen,  daer  ghi  in  selt  doen  borne  ende 
terwe,  Ned.  Proza  326. 

BABOOEN    (bercoen),     znw.     m.    Bondhout 

HiMSchien   is   bareoen  ^  met  de  gewone  wisseling 

▼an   /  en  r,  ontstaan  nft  Baleone^  groote  balk, 

van  balea  met  het  angmentatieve  -one.  \\  Die  brnfi^ge 

by    Costverloren    weder   gemaect,    die    gebroken 

-«ras,  .  »  van  plancken,  van  tanthont  endebarcoen, 

yserwerc  ende   loon,   29   f%.  6  s.,   Bel,  v.  Leid, 

425.   Yan   Jacob  Flor.  z.  4  barcoen  om  11  bot, 

221.  Item  om  berkoen  dol  of  te  maken   12  se, 

€}orL  V,  Jlbr,  330.  Die  staken  sullen  weesen  die 

tvree   van   een   barkoen,   O.   K.  v.  Delft  1,  31; 

K,   en  O,  V,  Delft  108,  34  (alwaar  het  woord  in 

de   noot  wordt  verklaard,  als   van   berk  afgeleid). 

Van  2  bercoen  11  oromst..  Bek,  d.  Buurk.  79. 

BARLEBAEN  (barlabaen,  barlibaen),  znw. 
m.  Benaming  van  den  duivel,  waarvan  de  oor- 
sprong onbekend  is.  In  Gelderland  komt  de  duivel 
in  de  16de  eeuw  voor  onder  den  naam  van  Barlebos , 
in  Zeeland  onder  dien  van  Bamebon  (Scheltema, 
^eksenproc,  124).  In  het  oudeng.  is  barlibak  de 
iiaam  van  een  boozen  geest  (by  Massinger  1|80) 


en  barlibreak  of  last  couple  in  heil  de  naam  van 
een  spel ,  waarvan  men  de  beschrQ ving  zie  bij 
Nares,  Gloss.  43.  Zie  verder  Grimm ,  D.  .%M.  955 ; 
Y.  d.  Bergh,  Ned.  Myth,  11  en  vgl.  ons  ^if/^daifc.  || 
Walewein  volghede  al  onversaghet.  Al  hadt  ghe- 
wesen  Barlabaen  hine  hads  acuter  niet  ghegaen, 
hine  hadden  ghevolgt  toter  helle ,  Wal,  9740.  Doe 
sach  hi  blakende  alse  een  vier  den  ridder,  het 
sceen  een  viant.  Hine  hadde  niet  wits  dan  den 
tant,  het  was  al  swert  dat  hi  hadde  ane:  wel 
geleec  hi  Baerlebane,  Terg,  1750  (in  \YLi^,baerbe- 
lane).  Ie  wane  u  leerde  Barlebaen  eens  jaers  te 
ridene  te  sinen  spele,  2372.  Bi  sente  Danele,  dit 
nes  geen  pert,  hets  Barlebaen,  3762.  Doe  riepse 
tot  haer  Kukenouwe,  ende  si  ghinghen  bi  haer 
staen.  Elc  was  lelie  als  Barlebaen,  &m.  11,5170. 
Een  dorper,  een  vilain  lach  daer  geborgen  in  dat 
plain ,  .  .  .  geheten  so  was  hi  Dangier.  Dese  barle- 
baen hoedde  den  rosier,  Bose  2883 — 88.  Onverre 
was  hi  sonder  waen,  soe  ontmoeti  comen  ghereden 
enen  ridder  met  overmoedicheden  dravende  gheliic 
enen  barlibaen ,  Limb.  lY,  956.  Ende  worpene  int 
vier  van  Barlebane,  Sp.  III«,  17 ,  84  (Hs.  Ai»r*«»»tf). 
BARM  (baerm,  baren),  znw.  m.;  mnd.  barm^ 
hd.  barjne^  eng.  barni^  doch  in  eene  andere  bet.  Zie 
verder  E.  Muller  1, 53.  Berm^  toalrand^  eene  ophooging 
van  aarde  langs  het  water.  Zie  De  Bo  80;  Kil.: 
baerm,  barm,  agger.  |j  Ende  dat  daerof  de 
stede  wateringhe  ghelden  zal  metten  anderen  lande, 
in  de  stede  ligghende  ende  in  de  vesten  ende  in 
de  baermen  gedolven,  ZVl,  Bijdr.  4,  69  (zoo  ook 
67).  Mids  dat  men  de  veste  aldaer  verdiepen  zoude 
ende  den  baerm  hooghen,  Invent,  v.  Brugge  5, 
310.  Te  makene  eene  nieuwe  bardessche  ter  veste 
up  den  barm  beghinnende  ter  8peypoorte,a/ef.  Yan 
der  Leye  . . .  metten  baermc  ende  houvere  (oevere) 
also  groet  als  ons  behouft,  aangeh.  ald.  Gloss. 
588^.  Up  den  barem  van  der  Leye  in  de  prochie 
van  Beernen,  aangeh,  ald,  Yan  dat  zy  barinchout 
ghehouwen  hadden  up  den  barem  van  der  Leye, 
Invent.  v.  Br,  4,  159.  —  Ook  in  den  zin  van 
voetpad  f  trekpad  langs  eene  vaart.  ||  Den  barm  of 
tragel  (nog  in  *t  WYl.:  De  Bo  1176)  van  de 
Oostendsche  vaert,  aangeh,  Gloss.  ald. 

BARMELIJC,  bnw.  Yan  barmen^  dat  mul.  niet 
schijnt  voor  te  komen,  behalve  in  de  samenst 
erbarmen  ^  verbarmen]  doch  wel  mhd.  4<ir»i«» ,  waar- 
naast barmare,  barmde,  barmee^  barmeeheit.  Mhd. 
barmeclich,  liehe;  mnd.  barmelik^  barmlieh.  Be^ 
klagenswaardig^  het  medelijden  opwekkende.  \\  Een 
dinc. . . ,  dat  wel  wat  barmelicken  schijnt  te  wesen, 
Bern.  S.  97  c. 
BARN.  Zie  born. 

BARNEOAMERE.  Zie  bernecahere. 
BARNEN.  Zie  bernen. 
BARNENTLIJC.  Zie  bernentluc. 
BARNINGE.  Zie  berninoe. 
BARNINCHOÜT.  Zie  berninchoüt. 
BAROEN,  znw.  m.;  ofr.  baron ^    baroun;  mlat. 
baro\    mhd.    barün.    In    't   algemeen,   man,    leen- 
man, edelman,  rijksgroote,  ridder.  Yeelal  als  alge- 
meene  benaming  gebruikt,  zoowel  voor  den  vorst 
als  voor  zjne   mannen,   voor   wereldljke   zoowel 
als  geestel^ke  heeren.  ||  Dieconincdoe  nietlangher 
nc  spaerde,  hine  riep  sine  baroene  te  rade,  Rein. 
I,   1326.  Die  coninc  dreef  die  hoghe  baroene  te 
vonnesse    van    Reinaerts    sake,     1876.   Reinaert, 
ghi   syt  mijn  hoofs  man,  van  nii  beleent  als  een 
edel  baroen,  11,7564.  Noch  pleghets  manich  groet 
baroen,  die  die  roevers  wille  verdoen,  om  tlantte 
ygjne  van  vrMeUjselve  roevethinochtan weesen, 


587 


BARR. 


BA.RT. 


588 


Nat,  BI.  II,  2329.  Darias  die  nam  in  der  steden 
Daniele,  ende   voerdene   in  Meden,  ende  maectene 
sinen  baroenen  genoot,  Rijmb.  16797.  Daer  hi  ende 
die    andere    heilege    baroene    die    doot    smaecten 
omme   Gode,    Sp.    II*,    1,    128.   Daer    toe   quam 
menich   baroen  yan  leeken  ende  yan  papen  beide, 
Heela    726.    Her   winter,    ghi    sout   van   honger 
steryen,    en   daet   die   somer   die    hoghe   baroen, 
fTint.    e.    S.   206.    Neemt   raet   daer   of   mit    u 
baroen.   Rein.   II,   3697.   Hi   streec   door  alle  die 
baroene,  II,  4280.  Heme  volchden  alle  die  baroene, 
Ferff.  63.  Die  hem  yerslouch  so  meneghen  crachteghen 
baroen,  ffal.  8086.  Dalida  .  .  riep  te  hare  die  ba- 
roene,  iSt/^n^.  8182  {Ilist.  Schol,  satrapas).  Vondemen 
prencen   ende    baroene.    Overzee  215.    Aen  minen 
yader   den    hoghen   baroen,    Esm.   687.   De    dode 
baroen,  Wittek.  v,  S.  132. Tweede  meeste  baroene, 
Bloeml.  3,  29,  7.  Ghi  baroene,  die  recht  bevolen 
is  te  doene,  Hild.  95,  77.  Ridderen,  knapen  ende 
baroen,   140,   124.   Zie   nog   Rijmb.  8163,  18045, 
19403,   29116,  30966,  33812;  Sp.  l\  19,  3;  14; 
22,  24;  29,  27;  32,  6;  Hild.  120,  76;  185,230; 
200,   38;    Segh,  9312;  Diericx,  Mém.  2,  84;  enz. 
—  Ook   van  de  volgelingen  yan  Jezus  gezegd.    || 
Hoe  gaerne  ende  mynnentlic  dat  sy  mit  hem  ginghen, 
sine    barone   ende    geselle    ende  jongers,  Hs.  80, 
f.    lOld.   —  Gods   baroen,    Gods  dientt knecht ^ 
zijn  man^  leenman  ^  volgens  Middeleen wsche  r^c^/«- 
begrippen.  \\  Dese  brochte  Gods  baroene  int  lant  van 
promissioene ,   IX  Best.  258.  Ie  wil  doen  als  dyn 
cnape   ende   dyn    baroen,    Boetps.   25,  51  (Vuig. 
Ps.  143 ,  12 :  qnoniam  ego  servns  tuus  sum).  —  Ook 
in    H   algemeen    voor   man^    vriend^   bij   het  aan- 
spreken van  een  persoon.  ||  Ie  core  tgelt,  wel  lieve 
baroen,   Vod.  Mus.  2,  169,  120. 

BARRINC.  Zie  Berrinc. 

BARSBEENS.  Zie  Baersreens. 

BARSE, znw.  "iv. Baars.  \\  Grondel inghe, barsen , . . 
bleckine  ende  snouckine.  Jan  Yp.  89. 

BARSE.  Zie  Baerdse. 

BARSERBEEN.  Zie  Baerserbeen. 

BARST,   znw.   vr.   Wissel  vorm   van    Borst.    \\ 
Wantet  maect  de  quade  barst,  Nat.  BI.  X,  239 
var.   Dit  es  der  barst  nntte  ende  goet,  397  var. 
Het  es  goet  jeghen  die  barst,  699  var. 

BARST,  znw.  o  (?).  ||  Desgelijckx  scepe  die  met 
appelen  comen,  die  snllen  de  scont  senden  een 
barst  {var,  bacht)  appelen  of  peren ,  O.  R.  v.  Dordr, 
1,   206,  3.  —  Vgl.  BACHT. 

BARSTE.  Zie  Berste. 

BARSTEN,  BORSTEN  (barst ^  borsten^  geborsten)^ 
st.  WW.  onz.  Mnd.  bersten ,  barsten ,  borsten.  Barsten. 
Il  So  vreselijc  sijn  si  te  samen  met  helmen  comen 
ende  lichamen,  dat  die  orssen,  dair  si  op  saten, 
borsten,  ende  vielen  op  der  straten  onder  die 
heren  beide  steendoot,  Grimb.  Il,  2760.  Die  stave 
scorden  entie  (/.  ende)  borsten ,  daer  si  de  Prinsen 
mede  ontorsten ,  van  den  pinnen  toter  bant ,  Yelth. 
IV,  30,  15.  Die  scalke  vos  Reynaert,  die  mit 
clappen  toecht  sijn  aert,  die  wil  al  segghendathi 
sict ,  hi  sonde  borsten ,  dede  hijs  niet,  MLoep  1 ,  1841. 

BARSTINGE,  znw.  vr.  Zie  Barsten.  Barst., 
scheur^  spleet.  \\  Als  si  {die  cole)  ghelescht  is, 
tredmender  dan  mit  bloeten  voeten  op ,  si  doet  den 
mensch  wee  ende  maect  een  barstinghe ,  Barth.  380d. 

BART  (?)  II  Dat  gheen  scepscheercr  en  gheoor- 
looft  eenige  lakenen  te  mantelne,  noch  omme  te 
keeme  noch  mantel  bart  te  besighene ,  noch  stoffe- 
ringhe  van  stekebarden  noch  van  vellen,  ZFL 
Bijdr.  6,  164. 

BART    (bert),    znw.    vr.    Eene   zeevisch,    de 


sciaena  of  sciadeus,  misschien  de  salwio  %im//w 
L.,  fr.  bar.  \\  Omme  salm,  bart,  cabelian,  Inrenl. 
V.  Brugge  4,  434.  Van  barte  ende  zehasen,  1,114 
(2,  126:  yan  berte  ende  zehasen). 
BART.  Zie  bert. 

BARTEGE ,   znw.  vr.  Met  metathesis  der  r  tu 
ofr.  bretesehe ,  bertesehe ;  nfr.   bretècke ;  nUt  hreU- 
ehia,   bertescha;   verg.   Diez,  Efym.  Wth.  op  Ber- 
te s  ca.   Eigeniyk,  een  houten^  vut  iamteelen  voor- 
ziene sterkte^  welke  tot  bevestiging eener plaats weri 
aangelegd^  doch  ook,  inzonderheid  in  Noord-Frukr|k, 
de  plaats  van  vaar  de  overheid  hare  gerechtelijke  sf- 
kondigingen  deed,    stoep,  pui:    zie    vooral  Ihc.1, 
663,    769  ^  en   (?,  en  Gachet  71.  Hetzelfde  woord 
als    bardesche     (z.     ald.),    en    ons    bordes?  || 
Ende  in  ghelijken,  soo  moesten  zijt  wederroopeie 
van  woorde    te   woorde,   ter  barteghe  nat,  (Ueil 
menich  mensche   hoorde,  die   daer   omme  comma 
waren.   Vonnis  van  1414,  bij  Cannaert  372,  Aal, 
BARTEREN  (baerteren,  barenteren),  ïw. 
WW.  bedr.  en  onz.  Mlat.  baratare  (Duo.  1,582,1,; 
it  barattare\  eng.  bart^r  (E.  Muller  1,  55  b^ücr- 
rator).  Zie  over  den  vermoedelijken  oorsprong  Dia, 
Etym.  Wtb.  i.  y.  Baratto. 

Bedr.  —Ruilen,  tegen  iets  intoitêelen.  \\  Ie  wisselt 
ende    baerterde   mijn    pasteide   ende   verterde  «■ 
die  ander,  die  soe  wale  roec,   VaeL  Mus.  1,47, Si 
Al    en    ware   gheen   geit  binnen    den  lande,  üt 
werelt  ware  wel  ghestelt;    men   soude  baerterea 
om  alderhande ,  coren  om  vleesch  ,  al  sonder  scande, 
eten  om   drincken   met  ghewelt,   2,  169,  121  £. 
Thoocht  np ,  laet  zien ,  wat  ghy  yermangbeleii  vih 
te   deser   feeste.    Vr,  Dier  over   dier,  beeste  om 
heeste,  ghelijck  over  ghelijck,  tsg  levende  of  doot, 
sallic  barteren,  tsy  cleen  of  groot,  ZVl.  Bijdr.  i, 
230,    107    (in    den    tekst   verkeerdelijk   basiem). 
Omme  dat  men  in  Vlaenderen  niet  vele   gelts  o 
hadde,   daeromme  ordeneerde  hy  de  comanseliepc 
te  stane  op  permutatie ,  dats  in  barteren  ofl  wissen 
dat  een  dinc  om  een  andere ,  Cron.  r.   FUend,  1 ,  H- 
—  Een  enkele  maal  vindt  men  verkeerdelijk  Urr»- 
teren   voor    barteren.  \\  Een    monech    oec   tm  iff 
Does  qnam  op  een  merie  gereden ;  .  .  .  enen  cupf 
daer  hise  gaf,  ende  barenteerde  (/.  barteerde)» 
een  staf,  Yelth.  IV,  33,  53.  (De  monnik  nüldeifi 
paard  tegen  een  staf).  Die  19  mesen  bockinx  ▼orda 
ghebarenteert  (/  ghebarteert)   an   6    grawe  lika, 
Rek.  d.  Gr.  2,  107. 

Onz.  Ruilen,  een  ruil  doen.  \\  O.  Besiet,  waemer 
wilt  ghy  barteren.  E.  Welc  coopmanscepe !  i- 1' 
zonde  liever  tarderen  mijn  meersse  te  yermtagketo 
over  andre  waere,  ZFl.  Bijdr.  6,  231,  142. 

BARTERERE  (bartereer),  znw.  m.  YiBfir- 
teren.  Eigenlijk,  iemand  die  ruilkandel  drijft <,^ 
uitbreiding,  koopman,  handelaar,  rondpenter.  {j  ^■ 
sal  a  meer  segghen  van  den  dyamanten,  ob^ 
uiemant  en  worde  bedroghen  van  bariereers ,  diest 
achter  lande  draghen ,  Mandev.  /.  40. 

BARTERINGE  (baerteringe),  anw.  rt.ï» 
barteren.  Ruil,  ruiling,  ruilhandel.  Oo^ 
bartering;  eng.  bar  terg,  \\  Elc  vremde  man  i* 
baerteriughe  aoet  van  coopmanscepen ,  endegkevet 
eene  coopmanscepe  omme  die  andere ,  so  ess  eU( 
coopmanscepe  van  der  welker  baerteringhe  ^ 
word  na  dien  dat  elke  coopmanscepe  scaldki 
ware  of  zake  ware  dat  mense  rercochte  bi  l^er 
zelven,  Tolbrief  v,  Aardenb.  in  Leit.  N.  ÏÏ.^. 
91.  Dat  die  bockinc  meer  dan  die  lakei  b^ 
{beliep)  in  barteringhe ,  Rek,  d.  Gr.  2 ,  107.  S*  b 
(de  koop)  yergaen  wair  of  in  der  berteria^ 
taxeert    wair,    Leid.     Keurb.     31     en    SOS 


589 


BASE. 


BASS. 


590 


in    het   Gloss.    gegeven    yerklaring   ifl    onjaist). 

BASE    (ook    in    dea    minder    Euiyeren    vorm 

BAESSCHE,    basce),    znw.     vr.    Yau    lat.    èani. 

roeMuk,  WYiere  pilaren  diere  ende  fine,  ...  die 

basen  daer  af  wit  selverijn ,  entie  capitele  daer  af  fijn 

goadijn,  Bijmè.  4795  (Eist  Schol.',  capita  habentes 

aurea  et  batêi  argenteas).  20  colammen  met  alsoe 

vele  baesschen  van  ere ,  Rnnsbr.  1 ,  13  (bij  Sarina : 

bates  aeneae ;  verg.  Exod.  28 ,  10).  Ende  si  sal  hebben 

vier  colammen   met   vier   baesschen,   ald.   (verg. 

Exod.  28,  19).  Hier  toe  geboet  onse  Here  dat  wi 

soaden  ghieten  elf  sel veren  baesschen,  alsoe  dat 

ivree  baesschen  iegewelker  tafelen  werden  onder- 

gedaen  in  die  twee  hoerneke ,  1 ,  98  (verg.  Exod.  36 , 

24:  cnm  qaadraginta  btuibus  argenteis).  Dat  lavoer 

met  sire  baschen ,  1 ,  43.  Qhi  salt  maJcen  een  eren 

lavoer  met   siere   bascen,   inne  te  dwane,  1,  189 

(verg.  Exod.  30,   18:   cnm   bati  saa). 

BASELAER  (baselerr),  zaw.    m.  Mlat.  btua- 

lardus^  basélardut,  basaütrdu*,  basellarius^   ensis 

brevis  species,  genas  pngionis  vel  sicae;  ook  in 

den  vorm    badelare  (Dnc.  1,  609,  631,  632);  ofr. 

badelaire,,  baudelmre^  bazelaire);  nfr.  badelairg  ^  tAa 

term  in  de  heraldiek  (Littré  1, 276).  Lan^mes ,  doli- 

M^#,  onder  de  verboden  wapens  behoorende.  ||  8o  wie 

enen   knQf  of  sweerdt  trect,  of  mes,  of  baselare, 

of   eenige    gescheede   wapen,   Keur  van  1380,  by 

Hnyd.  op  Stoke  Dl.  1 ,  bl.  527.  Wie  nader  cloc,  hy  sy 

poirter  of  geen  poirter,  gaet  mit  enen  zwairde  of 

mit  enen  bazelair  of  mit  eenre  knse  ofmiteniger- 

hande  wapen,  .  .  .  anders  dan  hij   des  dages  an 

sijnre  sijden  gedragen  heeft, ...  die  verbnerde  3  Ü^, 

Leid.  Keurb.  215,  4  (vgl.  bl.  317:  mit  enen  zwairde 

of  enigen  langmeuen).  In  den  eersten  soe  en  moet 

nyement  messen  noch  baselaers  dragen  binnen  der 

8t«de  Tan  Hairlem  die  langer  zijn  dan  XYI  damen 

ende  na  der  mate  die  daer  off  is  gehangen  in  die  vier> 

scare ,  Yan  Oosten  de  Bmyn,  Betchr.  v.  Hawrl.  1, 168. 

Soo  wie  draecht  weyde  messen ,  baselaren ,  piecken 

ofte   glavien.   Mieris    4,    1050  3   (n.   1434).   Dat 

nyeman  bl  nachte  noch  bi  dage  .  .  .  mitzwerden, 

mjrt  baseleren  noch  langen  messen . . .  opter  straten 

gaen   en  zoelen,  Overijt.  Ree  At.  I*,   153.  Kniven, 

mtingen ,    bazelaers ,   scharpoordemessen  enz. ,  O. 

K.    V.    Dordr.    16,    24    en    25.  Zoo   ook  O.   R. 

V.  Dordr.  1,  12,  24;  15,  31;  Sandv.  v.Alkm.lSa; 

Invent.   v.   Brugge  5,  77;  vgl.   Gloss.   ald.  18  b. 

BASELEER.  Zie  bacheleer. 

BASILI8C  (basilische,  basilis)  ;  znw.  m.  Mhd. 

banliske^    batelischge^    lat.    basiliseus.    Batiliteuê^ 

de  Jkomingtelang  ^  naar  de  voorstelling  der  onden 

de  geyaariykste  aller  slangen.  Yerg.  Nat.  Bl.  Ylly 

153   vlgg.  II  Yan  den   andren  basUische    .... 

Tintmen  in  den  boec  van  den  hane.  Nat.  J9/.  YII, 

207    (var.  boiilise).  Die  slanghe  ende  basilische, 

Hs.    Pm.   98  r.  —  Zie   ook   balesisghe,   blade- 

LA.SCHE  en  BLARASCH. 

BASINE,  znw.  vr.  Baxuin.  Zie  bosine.  || 
Men  mocht  daer  horen  op  die  vaert  menighe  trompe 
ende  basine,  die  daer  Inden  met  snlcker  pine, 
dat  die  erde  donderen  dochte,  Orimb.  I,  4213. 
Men  blies  daer  .  .  .  menighen  trompe  ende  basine , 
4702.  J)aer  wert  geblasen  tien  tiden  menighe  trompe 
ende  basine,  Orimb.  I,  5489;  verg.  II,  1356. Recht 
of  die  werelt  sonde  vervaren ,  so  helden  daer  die 
grote  bazinen,  Fragm.  Carl.  278.  Gods  basinen, 
Xjp.    lY,  10,  17  var.;  verg.  27  var. 

BASCOERT,  znw.  vr.  Ofr.  basse-eourt.  Hof 
voor  de  ttalUn  bestemd  ^  dat  gedeelte  van  het  ridderlijk 
kasteel  y  waar  de  stallen  eng.  zieh  bevonden.  ||  Des 
anderen  dages  dair  na  gesent  Zeen  weder  omme 


van  Hoichstraten  mit  Nyevars  müns  heren  palrt 
van  Oistervant,  dat  ziec  geworden  was  onder 
wegen,  om  te  zetten  tot  Bergen  in  Henegan  in  die 
bascoert,  Oorl.  v.  Albr.  187. 

BASSECAMERE,  znw.  vr.  Mlat.  camera  bassa; 
ofr.  ehambre  basse  (Dnc.  2,  50).  Heimelijk  gemak , 
bestekamer  y  eig.  benedenkamer.  Zie  Taal-  en  Ltb. 
6,  273.  II  Dat  hy  mochte  hebben  «ene  ledere, 
die  lanc  ghenonch  ware,  ende  dat  men  die 
stellen  sonde  onder  de  bassecamere  van  der 
vanghenessen  .  .  Ende  des  selfs  nachts  .  .  hy 
ghinc  dicken  ter  stillen,  omme  te  wetene  oft  Mer 
Jan  Yan  den  Dorne  bereedt  was,  om  hem  .  .  te 
helpene  nater  vanghenessen,  Cron.  v.  Vlaend.  1, 186. 

BASSEN  {bieSy  biessen,  gebassen),  st.  en  zw. 
WW.  onz.  en  bedr. ;  een  woord ,  dat  in  de  ver- 
wante talen  niet  voorkomt.  Teuth.  B  a  s  s  e  n,  b  a  f  f  e  n, 
beien,  bloecken,  latrare; Kil. Bassen,  /a/hire, 

Onz.  Blafen^  van  honden.  ||  Doe  gemoetti  witte 
hondekine,  .  .  ende  si  blessen  vromelike,Xa}M;.  III, 
12674 — 77.  Ende  alsi  spreken ,  .  .  .  bassen  si  ocht 
ware  een  hont,  Alex.  YII,  969.  Hi  bast  np  hem 
ende  wilne  biten,  Bose,  fr.  256,  252.  (Si) 
locte  nte  tenen  cloppe  al  de  honden  van  der  stat, 
ende  deedghe  bassen  ende  hnlen,  Christ.  470.  Het 
es  hier  bi  twilt,  dat  mi  te  vaen  behaget,  daer  ie 
om  liep,  bies  ende  riep,  Belg.  Mus.  1,  293,  11. 
Her  Ever  wilt,  .  .  n  zaels  verwassen,  dat  ie  ge- 
bassen  heb  zo  lange,  294,  17.  Te  bassene hebben 
si  ghene  macht.  Nat.  Bl.  II,  676.  Ende  dese 
honde  en  bassen  niet ,  685.  Ende  over  haer  bassen 
si  blasen,  lY,  280.  Ende  voer  haer  spreken  bassen, 
I,  299.  Ie  basse,  ie  make  selc  ghelnut,  dat  mifn 
here  comet  nat,  Esop.  XXYII,  11.  Doe  een  hont 
oec  baste  op  sinte  Martijns  discipel ,  Pass.  W.  22^. 
—  Ook  van  menschen  gezegd.  Schelden  ^  razen.  || 
Nacht  na  nacht  vemient  mijn  zeer ,  want  niders  up 
mi  bassen,  O VI.  Lied.  e.  Ged.  131,  5.  Ygl. 
Helmers ,  Hall.  Natie  87.  —  Spreekw.  ||  Als  oat  hont 
bast,  sal  men  natsien.  Yerg.  Mnl.  Spreekw.  (in 
Hor.  Belg.  9 ,  4)  16.  Yolch  sinen  rade ,  want  hi  es 
goet,  ende  scnwe  dat  hi  di  heet  vlien:  alse  out 
hont  bast ,  sal  men  natsien ,  Bouc  v.  Sed.  759.  Als 
ghi  den  onden  hont  hoert  bassen,  soe  hoert  ende 
siet  tot  allen  gassen,  MLoep  I,  1711.  ||  Wat 
schadet  des  honts  bassen,  die  niet  en  byt?  Mnl. 
Spreekw.  46,  746.  ||  Daer  en  basset  gheen  hont 
om,  daar  kraait  geen  haan  naar.  \\  Dat  selvebiyft 
altoes  versast:  nyemant  en  mert  daer  aff  den 
mont  noch  nymmermeer  en  basset  daer  om  hont, 
MLoep  lY,  118.  Ygl.  Eleg.  790  vlg.  ||  Ister  niet 
in  ghewasschen  (gewassen),  men  salter  niet  in 
bassen,    Spreuken  107;  verg.  Harrebomee  3,  369. 

Bedr.  —  1)  Iet  — ,  iets  met  gijn  blaffen  te 
kennen  geven.  ||  Wat  sonde  die  coninc  hier  doen? 
sondi  gheloven  an  een  hoen,  ofte  dat  een  hont 
bast?  Eleg.  789  (verg.  769  vlgg.).  Spreekw.  1| 
Dat  donde  hont  bast  es  gheeme  waer,  Grimb.  II, 
6034  var. 

2)  Aanhitsen.  \\  Ende  lietene  dien  honden  saen, 
diene  ghinghen  bassen  ende  jaghen ,  Bein.  1 ,  1597. 
(Doe)  hordi  daer  .  .  blasen  herde  sere,  .  .  ende 
jagen  ende  bassen  honde,  de  jachthonden  aanhitsen, 
Lanc.  III,  12668.  De  vergeHjking  met  de  vorige 
plaats  maakt  het  waarschyniyk,  dat  ook  hier  het 
trans.  ww.  bedoeld  is. 

Afl.  —  Bassinge,  geblaf  ( nGelikerwij s  als  in 
den  honden  vier  goede  panten  syn,  dats  medicyn  des 
tonghes ,  naawe  rakinghe  der  nosen ,  gheheel  liefte 
ende  bassinghe ,"  Qesta  Hom.  f  140).  —  Bassere^ 


591 


BAST. 


BAST. 


592 


buiktpreker  (?).  ||  Ghegheyen  den  drooghen  joncheere 
ende  lyn  ghezelle  den  bassere  over  haerlieder 
abelheyt,  Invent.  v.  Brugge  5,  496. 

BAST,  znw.  m.  Ohd.  bait\  mhd.  batt^  ags. 
biut\  mnd.  batt. 

1)  Btut^  van  een  boom;  boomtckor*.  SQn  bant 
bleefer  ane  yast  ende  verdorde  als  een  basi,  Ltp. 
II ,  68 ,  79.  —  Ook .  in  den  zin  yan  iett  van 
volstrekt geene  waarde-^  in  de  uitdrukkingen :  —  Niet 
een  (enen)  bast,  voUtrekt  niett^  geen  zier.  Ook 
mhd.  nikt  ein  boet;  mnd.  nicAt  en  batt.  Verg. 
De  Jager,  Lat,  Vertch.  104  vlgg.  ||  Weet  wel, 
dat  die  yan  binnen  waren  dicke  geëssalgiert  sonder 
sparen,  maer  sine  achtens  niet  enen  bast,  Lane, 

II,  33803.  Maer  sijn  casteel  es  so  yast,  dat  hi 
om  niemanne  geeft  een  bast,  III,  23593.  Hine 
gaye  doer  Gode  niet  enen  bast,  wie  sere  dat 
ieman  hadde  noet,  OVl.  Qed.  1,  79,  405.  Bedi 
wille  hi  een  haas  maken  also  vast,  dat  hi  niet 
gaye  enen  bast ,  al  qnamer  die  coninc  seWe  voren. 
Ren.  656.  Hoe  hem  dat  lijf  ware  soe  vast,  dat  hi 
niet  ontsaghe  een  bast,  noch  weder  stoc,  noch 
sweert,  noch  steen,  Brab.  Y.  II,  3400;  Sp.  IV», 
22,  28.  Hen  clach  Anthonis  niet  een  bast,  Sp. 
I*,  23,  40.  Noch  ghequetst  een  bast,  Wap.  Mart. 

III,  117.  Dat  en  helpt  n  niet  een  bast,  Beatr. 
956.  Maer  dat  en  besloet  hen  niet  een  bast,i^ii(?. 
II,  46971.  Dat  hem  niet  en  scade  een  bast ,  GHrimb. 
I,  3193.  Maer  dat  en  beschiet  niet  enen  bast, 
Ltp.  I,  48,  98.  WQsheit  en  doech  niet  een  bast, 
Doet.  ni ,  1 109.  Dor  u  en  dede  hys  niet  een  bast, 
Ditp.  83.  Dese  en  minderen  niet  een  bast,  Melib. 
2210.  Want  hi  en  ontsachse  nyet  ejn  bast,  Serv. 
I,  769.  —  Niet  van  enen  baste,  volttrekt 
niett ,  eig.  niet  voor  de  vaarde  van  een  boomtchort. 

II  Want  ie  souder  op  doen  werken  een  huns  van 
alsulker  sterken,  dat  ie  Caerl  ende  sine  maghe 
van  enen  baste  niet  ontsaghe,  Ren.  623.  Up  alle 
menschen  die  leven  ne  trooste  soe  niet  van  enen 
baste,  Sp.  I^,  66,  134.  Noch  ghequest  van  enen 
bast,  Wap.  Mart.  III,  117  var.  —  In  denzelfden 
zin:  Niet  van  tween  basten.  ||  Selc  hoert 
wel  goet  dinc,  van  II  basten  dies  niet  en  acht, 
Rincl.  123. 

2)  In    verachtelijken   zin   van   het  mentckelijke 
liehaam^  gel^k  nog  heden  in  de  platte  volkstaal,  jj 
De  scoenheit  en  ruert  van  di  niet,  geefs  hem  lof 
die  verruerdi   di   men   (l.   versierde   dinen)  bast, 
die  uw  lichaam^  uw  vel  vertierd  heeft,  Rincl.  978. 

3)  Het  van  boomtchort  vervaardigde  touw,  Kil. 
f  unit,  rettit.  jj  Ende  haer  hande  gebonden  mede 
an  den  boem  met  enen  baste,  Lane.  III,  14383. 
Si  recten  uut  die  basten  tot  enen  stricke ,  Ht.  Pt. 
147p.  Een  lane  reep  of  bast,  Bern.  S.  265c.  Waghenen 
vul  basten  ende  reepen.  Despars  2,  76,  77.  Mijn 
mont  weechde  hem;  ende  bleef  myn  vleisch  houdende 
80  vaste ,  als  oft  ware  ghebonden  met  baste , 
Boetpt.  102,  24.  Elc  vremde  man  die  coopt  jof 
vercoopt  bast  jof  linen,  Tolbrief  van  Aardenb.  in 
Letterk.  N.  W.  6,  85.  Bast  an  die  valbrugge  an 
die  noirtpoirt ,  Bel.  v.  Leiden  428.  Dat  si  den  bast 
der  souden  om  die  keel  hebben  ende  sijn  ghebonden 
daer  mede,  Qetta  Rom.  f.  111c. 

4)  De  van  touw  vervaardigde  ttrik,  haltttrop.  jj 
Enae  dwancse  daer  toe  dat  elc  man  moste  dragen 
enen  bast  om  sinen  hals  tot  een  onderdanicheit, 
np  dat  mense  rechtevoert  an  hangen  mochte  so 
wanneer  si  tot  eniger  tijt  hem  tegen  des  coninx 
mogentheit  verzetteaen ,  Clerc  26.  Ende  de  vorseide 
heere  van  Maelgy  toeghde  hemlieden  vele  basten, 
jse^ghepde :  ^Hier  nieae  sal  men  ulieden  hanghen ,'' 


Cron.  V.  Vlaend.  1 ,  28.  Also  scier  als  die  measek« 
sundicht ,  so  is  hy  verordelt  ter  galgen  der  kellei 
ende  heeft  den  bast  om  den  hals,  Ned,  Prosa^ï. 
Die  begeerlicheyt  ofte  ghyerichcjt  rerhanct  kie 
selven  metten  bast  der  aelmisseo ,  Qetta  Rom.  e.  33. 
Bast  ter  ondadigher  Inde  behoef,i{tfir.^.  (rr.  2,71. 
lek  sage  u  liever,  stout  ridder  goet,  bi  avs 
keelen  hanghen  .  .,  den  bast  al  om  u  kele,  Eer. 
Belg.  11,  64,  6 — 7.  Alle  die  mans  ende  vnuwa 
bloothoofs,  barbeens,  elc  met  eenen  bast  aa  da 
hals,  Invent.  v.  Brugge ^,^2.  Ghejasticieert  metta 
baste,  aangek.  Gloss.  ald.  bl.  243.  —  Metboei 
ende  met  bast,  met  boute  ende  metbaste, 
met  galg  en  ttrop.  \\  Men  heesten  TaEii  moirtbrudt, 
ende  men  brencten  ter  vierscharen  mit  viere  ctèt 
mit  basten.  Ende  hy  wort  gewast  te  beterea  ui 
sinen  live  ende  goede,  als  een  moirtbrandu',eiée 
mit  viere,  mit  houte  ende  mit  baste,  Matth.  dOS. 
Wort  hy . . .  van  dieflen  verwonnen  mit  recht  ode 
vonnes  van  sinen  live  ende  goede,  men  salreove 
wysen  te  rechten  mit  boute  ende  mit  baste,  Wk 
Datmen  sculdich  waer  over  te  rechten  mit  boen 
ende  mit  bast.  Dingt.  v.  Delft  61. 

BASTAELGE.  Zie  Bataelge. 

BASTAERDICH  (basterdich)  ,  -i^e,  bnw.  Tn 
Battaert.  Onecht,  wild.  \\  Die  basterdighe  scela 
en  sullen  gheen  hoghe  wortelen  gheven,  D.  £ 
Boec  d.  Wijth.  4,  3  (Staten- vert.  onatrA/e  «o&M/al 

BASTAEBDIE  (bastardie),  znw.  vr.  Tu 
Battaert  (zie  ald.).  Bij  KiL  Stemma  iUegitiMtm, 
thoms  illegitimus. 

1)  Battaardij,  onwettige  gemeentchap  wiet  emt 
vrouw.  II  Bastardie  varinghe  gaet  boven  vettelib 
trouwe,  on.  Qed.  2,  110,  102. —  In  de  nitdnk 
king:  van  bastaerdien,  uit  onwettige  gernee»- 
tchap  met  eene  vrouw,  in  onecht  verwekt.  ||  Hi  iv 
der  Grimberchsche  maech ,  ende  bestont  hes  . . 
herde  na  van  bastardien,  Grimb.  I,  4950.  Mier 
het  quam ,  met  groter  gewelt ,  een  convers  . .  • 
ende   was  sijn   sone   van   bastaerdien,    II,  5SSL 

2)  Schandelijke  handeling,  gruwel.  Terg.  0■è^ 
mans,  IVdb.  op  Bredero  494.  |)  Ondadiech  sai. 
vul  quaet  vilein,  hebdi  dese  bastaerdie  gkedseL 
bi  Gode,  ghi  sterfter  omme  saen!  dese  scabfeü^ 
sal  ju  seinen,  JTal.  9882. 

BASTAERDINNE,  znw.  vr.  Yronwelgke  vtfu 
van  Battaert  (zie  ald.).  Buiten  echt  gebem 
mei^e,  onecht  kind  van  het  vrouwelijke  getlaek- 
by  uitbreiding,  ontaarde.  ||  Dander  (KMt»^)  titfi 
die  werelt  naer;  om  ere,  om  goet  staet  al  kaer 
gaer;  dits  ene  bastaerdinne ,  Wap.  Mart.  I,  S3& 
Wye  bose  wercken  doet  an  minnen ,  dat  sgn  bastas 
den  of  bastaerdinnen  te  noemen,  daermen  goe^ 
minres  telt,  Hild.  86,  209. 

BASTAERT  (bastart),  znw.  m.  Hlat.  Utür 
dut;  ofr.  battard;  ntr.  bdtard;  it.  sp.  p^ 
battardo;  mhd.  bat  tart;  mnd.  bat  ter  t.  Ia  het  ^ 
In  het  of^.  ook  Jilt  de  batt.  Over  den  oorsj^tiC 
zie  Burguy  Olott.  35;  Diez,  Etym,  Wtè.  op  Bta- 
tardo;  doch  vgl.  Kluge  19. 

1)  Battaard,  buiten  echt  verwekt  ki$uL  \\  Ie  vs< 
die  keytüf  niene  gehermt,  die  qnade  bastaat. 
om  die  dinc,  dat  hi  es  worden  coninc,  Alex.  D, 
734.  Nu  sal  Porrus  gewroken  sgn  van  dien.  ès 
vore  Pantapolgn  die  vule  bastart  hem  lachterdeèB. 
Catt.  917.  Comen  es  hi  van  onser  siden;  maerq^ 
des  vroet,  dat  hi  es  bastaert,  OVl.  Lied  e.  Gvi 
246,  387.  Winnet  een  man  in  oeverspel  kiadsr. 
luttel  ofte  veel ,  die  bliven  bastaerde  ende  oseckt . 
ten  erve  en  hebben  sy  ghenen  recht ,  MLoep  IV ,  4^ 
—  Ook   van  jongen   van   dieren  gezegd,  als  vn 


593 


BAST, 


BAST. 


594 


den  arend.  ||  Ende  die  hem  Tan  der  sonne  yer- 
▼aert,  hont  hi  over  enen  baataert;  Ambrosius 
seghet,  dat  sulc  gpreect,  dat  hi  sine  bastaert 
versteect,  Nat.  BI.  III,  109.  —  In  figuurliike  toe- 
passing. II  Alle  die  constenf  ....  die  behoren 
ten  ertrikCf  die  sijn  met  allen  rechte  der  edelre 
clergien  knechte  ende  baataerde  jeghen  hare ,  Lsp, 
III,  14,  47  (verg.  121). 

2)  Eene  toort  van  zoeten  wijn^  in  de  17de  eenw 
nog  haeierd  genoemd.  By  Kil.  Baestaerd-wijn, 
vmum  paentm,  virum  dulce  et  generoeum  ex  uvU 
passie  et  sole  siecatis  expressttm.  Zie  Duc.  1 ,  6166 ; 
Ondemans,  .ff(;<^r.  1,  318;  Lubben  1, 1576.  ||  Bastaert, 
malvezeye  wordt  u  eersten  dranc ,  Mar.  v.  Nijm.  14 , 
316.  Ypocras,  mascatel,  zuetwjn,  bastart  ende 
mevdranck ,  R.  v.  Utr.  1 ,  366 ,  284.  Yan  bastaerden 
ende  maelveseijen,  gelijck  de  Rijnsohe  wijnen, /n- 
form.  262.  Siedtse  in  eenen  stoep  witten  wyne  ofte 
wyn  bastaert.  Jan  Yp.  179.  Zie  nog  Invent.  v.  Brugge 
Gloss.  590  vgl. 

BASTAERT,  bnw.  Yan  Bastaert,  als  bnw.  ge- 
nomen. Fr.  hdtard,  bnw.  Kil.  adulterinus,  degenerans, 
vel  alterius  nafuram  non  satis  aemulans. 

1)  Onecht.^  onwettig.  ||  Dat  die  knapelike  kinderen 
mochten  kommen  in  de  vors.  neeringhe,  .  .  entie 
bastaerde  cnapelin  kinderen  als  vremd  man,  Keur  van 
1380,  in  ZFl.  Bijdr.  5 ,  159.  Sijn  raetalieden  waren 
slap  int  vervolgen ,  beduchtende  dat  grave  Willem 
van  HoUant  viant  werden  mocht,  om  des  wille 
dat  heere  Otte  sijn  bastaerde  dochter  getront  hadde , 
Exe.  Cron,  124<;. 

2)  Ontaard,  slecht.  \\  Maer  tsermoen  dat  ie  hier 
beghinne,  dat  sal  di  noch  meer  verleeden;  om 
dattn  snjs  van  harden  zinne,  bastaert,  rnut  ende 
ombesceeden,  Praet  2215. 

3)  Met  eene  bepaling  met  van,  Bastaert  van 
iet,  ergens  van  verstoken,  eig.  als  bastaard  van 
een  erfdeel  uitgesloten  (verg.  de  plaats  uit  MLoep 
in  het  vorig  art.)  ||  Ie  waende  wel  coninc  hebben 
ghesijn,  als  mgn  oem  hadde  ghelaten  dlijf;  nn 
heeft  hi  al  bi  sijn  wijf  een  kint  ghecreghen,  die 
oude  viliaert.  O  Cecilien,  edel  bogaert,  edel  foreest, 
edel  rijc,  ie  moet  bliven  ewelijc,  edel  foreest,  van 
di  bastaert ,  Esm.  34 — 41.  —  In  dezen  zin  misschien 
ook  OFl.  Lied.  e.  Oed.  342,  801:  ||  Bestant 
no  vrede  ghevic  gheen;  in  hebs  gheen  noot,  ie 
ben  bastaert   (lees   voor   ben:  hens,  d.  i.  ben  des). 

BASTIE,  znw.  vr.  Ofr.  bastie  (Duc.  7,  57); 
mlat.  bastia.  Sterkte,  verschansing,  bastion.  ||  Die 
Hertoghe  van  Brabant  sonde  mitten  sinen  uyt 
Brabant  een  bastie  opslaen  beneden  Dordrecht  .  . 
ende  die  bastie  versien  met  provande  ende  besetten. . . 
Ende  die  Hollanders  souden  desgelycks  een  bastie 
opwerpen  te  Papendrecht.  .  .  Als  die  Hertoghe 
van  Brabant  mit  vele  sine  ridderen  ende  knechten 
ende  mit  vele  voLx  uyt  sinen  steden  van  Brabant 
qaam,  begrepen  si  dat  velt,  dairmen  die  bastie 
setten  sonde,  Matth.  Anal.  3,  369. 

BASTIJN  (bastin),  bnw.  Mhd.  bêstin;  mnd. 
basten.  Kan  bast  vervaardigd,  van  de  schors  of  het 
üezelig  weefsel  der  boomen  gemaakt',  inzonderheid 
Tan  de  Toor  soheepsgebtuik  bestemde  lijnen.  ||  Een 
hondert  bastin  linen ,  Tolregl.  op  het  Zwin  van  1252 , 
in  ZVl.  Bijdr.  5,  40.  Een  C  bastinen  linen ,  a/rf.  60. 
Bi  Jan  Baffele ,  van  hueren  van  1  waghene  ende  van 
bastinen  linen ,  YI  s. ,  Cout.  v.  Brugge  1 ,  409  Aant. 
Omme  bastine  reeps,  tsteenhuns  mede  te  woelne, 
Bêk,  V,  Zeel.  1,  485.  Corte  bastine  linen,  aangeh. 
Gloss.  Invent.  v.  Brugge  243.  Zie  ook  ald.  2,223. 

BASTIONIER  (bastonnier),  znw.  m.  Mlat. 
èastümariue,  bastonerius,  bastenerivs  (Duc.  1,  617 


vlg.);  ofr.  bastonnier,  celui  qui  a  soin  du  b&ton 
d^une  confrérie  et  qui  Ie  porte  en  procession  (Duc. 
7,  58).  Baededrager  bij  eene  processie.  \\  Terselver 
tyt  onsen  coster  metten  tween  bastionyeren ,  elck 
7  pi.,  Oesch.  d.  Reder.  184.  Den  coster  ende 
bastonnieren  1^  st.,  185  (verg.  192:  „Den  dienairen 
van  den  cortten  stocken  oft.  roeden  deser  stadt, 
want  zy  dat  volck  inder  processie  voer  ons  Lieve 
Yronwe  ende  Sunt  Jan,  omdat  diegeene,  diet 
droegen,  mochten  met  rusten  voirtg^n,  opge- 
houden hebben  na  older  gewoenten,  356"). 

BASTOEN,  znw.  m.  Yan  ofr.  baston-,  nfr. 
bdton.  Over  den  oorsprong  zie  Diez,  Etgm.  ff  tb. 
1,  op  Basto. 

1)  Stok,  wandelstok.  ||  Si  hebben  moder  in  hare 
scoen;  sine  draghen  swert  no  bastoen,  soe  heilich 
sijn  si ,  dat  ghijt  wet ,  fad.  Mits.  1,  83 ,  56  {van 
den  covente). 

2)  In  de  wapenkunde.  Schuinstaak,  fr.  bdton; 
soms  het  onderscheidingsteeken  van  jongere,  of 
wel  van  onechte  zonen  uit  adellijke  huizen.  Zie 
Rietstap,  Wapenk.  109.  ||  Syne  baniere  .  .  die  van 

goude met   enen   lenwe  van  sable  was , 

van  kelen  met  enen  bastoen  daer  dore ,  Orimb.  II, 
2456.  Heer  Witte  van  Haemstede,  die  Graef 
Florens  bastaertsone  was,  quam  uut  Zirrixzee, 
ende  ontwant  syn  standaert,  daer  eenen  roede 
leeuwe  in  stont,  mit  eenen  blauwen  bastoene, 
Kort  Chr.  223;  verg.  Belg.  Mus.  4,  204.  Ene 
baniere  van  laznre,  daer  witte  bastoene  gingen 
dure,  Lorr.  Nieuwe  f r.  32,  137. 

BASTURE,  znw.  vr.  Yan  Mlat.  dai^iira,  by  vorm 
van  basta  (Duc.  1,  613).  Eig.  paksadel,  en  bij 
uitbreiding  hoer,  liehtekooi  (vgl.  bastaard).  \\  Het 
scijnt  wel,  ridder ^  dat  ghi  sijt  betovert  vander 
basture,  Segh.  4722. 

BASUNE,  znw.  Tr.  Bazuin.  ZieBASiNEenBOSUNE. 

BASÜUNLIJC,  bnw.  Als  van  eene  bazuin.  Ygl. 
Teuth.  18:  \iB,%ViVL\ic,buccinalis.  \\  Die  hometen 
{bijen)  sijn  seer  toernich  ende  steken  den  mensche 
alte  scharpelic  ende  vliegen  door  de  lucht  mit 
enen  basuunliken  ghelude,  Bienb.  169<i. 

BAT,  bade,  znw.  onz.  Mhd.  bat;  mnd.  bat. 
Bad,  de  tegenwoordige  beteekenis.  ||  Plaetche, 
prayele  ende  bade,  Rijmb.  31503  {balneas).  Nadat 
bat,  M.  en  Kr.  Heim.  1219.  Na  dbat,  1226. Daer- 
men  in  enen  bade  set  {sit),  1250.  In  een  bat,  1332. 
Int  bat  van  balsemen  bade  hi,  Parth.  8253.  — 
In  eens  bade  baden:  zie  bij  baden,  onz.  1). 
—  Samenst.  Badeketel,  badkuip.  („Den  besten 
ketel,  zonder  bruketel  ende  badeketel,  Cor.  v. 
Antw.  51). 

Spreekw.  jj  Al  quaet  dat  opgroeyt,  van  den 
bade  int  voetwater.  Spreuken  99  {van  kwaad  tot 
erger).  —  Dat  helsce  bat,  het  bad  der  helsche 
koude.  Yerg.  Dante^s  Inferno,  C.  XXXII,  en  de 
uitdrukking  int  helsce  bijt  baden,h^  baden,  onz.  1).  || 
Dese  scuwet  der  eren  pat,  want  soe  moet  int 
helsce  bat,  Wap.  Mart.  I,  413  (in  den  tekst:  »tf^). 

BAT,  batte,  znw.  onz.  (?).  Misschien  van 
Batten  (zie  ald.).  Voorwerp  waarmede  men  bat  of 
bot,  keilt  of  kegelt.  Doch  verg.  eng.  bat,  een 
zware  van  onderen  breede  stok,  waarmede  men 
den  bal  in  het  cricketspel  voortdrgft  (E.Müller ,  Etgm. 
Wtb,  1,  60),  en  fr.  batte  (Littré  1,  812).  ||  Yoert- 
meer  is  overdragen  dat  ghene  leke  knechte  myt 
armborsten ,  myt  batten ,  ballen  noch  gheenrehande 
dingen  op  kerchoven  .  .  .  noch  an  die  kerke  noch 
anders  werpen  off  schieten  en  zoelen,  Overijs. 
Récht.  I»,  191. 

BAT.  Zie  Bf.t. 


595 


BA.TA. 


BATA. 


596 


BATAELGE  (batalge,  battaelgk,  battalge, 

BATTAELGIE,   BATALIE,  BATTALIE,  BATAILLIE, 
BATAEME,   BOTTAELGE,   BETAELGE,   BETALIE, 

BETAELDiEf   bastaelge),   zdw.  vr.  Off.  baiaille\ 
mlat.  batalia.  Zie  Yan  Wijn,  ^aw/^.op  Heelu,  112. 

1)  Slag^  ttrijd^  gevecht.  \\  Die  battalge  stont 
ende  gedaerde  wel  toter  nonen  wreet  ende  fel, 
Lane.  lY,  12497.  Wi  bestonden  bataelgen  groot , 
dair  si  alle  bleven  doot,  RoeL  lY,  365.  Heden- 
meer  wert  die  batalie  tnsschen  hen  twee  sterc  ende 
groet,  Ferg.  1868.  Meneghe  rime  soe  es  ghemaect . . . 
van  battalien  ende  van  minnen ,  L.  o.  H.  6.  Begonsten 
si  daer  ene  felle  ende  ene  sware  bastaelge  mede, 
lAmb.  YII,  208.  Daer  mochtmen  felle  bataelge 
sconwen ,  Wal.  8228.  Dedelheide ,  die  den  bataelgen 
toebehoren,  Cms.  140.  Orloghen  met  battaelgen 
zware ,  IX  Best.  395.  Ende  wouden  ter  betaelgen 
wezen,  Grimb.  II,  1299.  Die  betaelge  bestaan, 
Lanc.  lY,  3619.  In  sire  eerster  betalien ,  i^a/wKrl*. 
1349.  Zie  nog  Farth.  7953;  AUx.  Y,  509,  647; 
enz.  —  Ene  bataelge  nemen,  een  strijd  met 
iemand  aannemen  .^  eene  uitdaging  op  bepaalden  dag 
oawM^m^».  Yerg.  de  aitdrukking:  camp  nemen.  || 
Ene  battaelgie  hebbic  genomen,  die  ie  emmer 
voldoen  moet,  Ferg.  1498.  —  In  figuurlijke  toepas- 
sing wordt  van  den  naar  schatten  dorstenden 
koopman  gezegd:  ||  In  dit  vemoy ,  in  dese  bataillie 
blivet  hi  syn  leven  sonder  fallie,  Bate  4923. 

2)  Ttf^/oM/.  II  Seghere  Dieregotgaf  maectere  sint 
toe  dat  proyeel  ende  als  {in  het  geheel)  een  bataelge 
gheel,    Sp.    I»,  14,  50.  Ygl.  Trwjen,  bl.  17  vlgg. 

3)  Slagorde.  ||  Die  bataelie  voer  hi  dorebreken, 
Caês.  794.  Alle  tauder  heer  maecte  betaeldie  ten 
noerden ,  so  dat  achterste  vanden  betaeldien  ghinc 
totter  westziden  van  der  stat,  T>.  B.  Josua  8, 
13  (Yulg.  adem  dirigebafs. 

4)  Legerschaar^  legerajdeeling ^  in  krijgtorde  ge- 
schaard-e legerbende.  \\  Na  dien  porrede  uut ,  sonder 
faelge,  van  daer  binnen  dirste  bataelge,  Lanc. 11^ 
10415.  Die  wel  hadde.  .  .  .  M  man  in  sine 
bataelge,  II,  33000.  Si  hadden  vore  gesint 
bi  dien  viere  bataelgen,  diese  versochten,  II, 
33986.  Lanceloet  ende  Hestor  bede  ordenerden  die 
battalgen  dan,  ende  gaven  elkere  haren  leitsman, 
lY,  7753.  Aldus  hielden  si  ghescaert  in  drie 
bataelgen,  Ueelu  4374.  In  de  vierde  battaellie 
dair  was  hi  ghescaert  voirwaer  met  heer  Amonde, 
Grimb.  I,  4235.  Ie  wane  dat  niemen  en  es  dienie 
sach  scoender  bottaelge,  Limb.  lY,  516.  Die 
leitsman  was  van  der  irster  bataelgen,  Lanc.  II, 
10429.  Hi  sciet  in  tien  batalgen  sijn  here,  lY, 
10979.  Ende  geleidde  dirste  bateelge,  Cats.  1064.  Die 
Fransoyse  daden  hem  scaren  in  IX  bataelgen, 
Yelth.  lY,  23,  30.  In  eene  batailge  quam  hi 
gereden,  Lett.  N.  B.  7»,  147,  130.  Als  mine 
bataelge  zeere  vacht,  Praet  2923.  Her  Willem  van 
Brederode ,  die  een  hooftman  was  gemaect  van  der 
eenre  betaelge,  vacht  teghens  die  Drechters ,  Clerc 
112.  Ende  ordineerde  daer  siin  volc  .  .  an  tween 
betaelgen ,  144.  Yeertich  duseut  vechters  ghinghen 
bi  haren  betaeldien  ende  haren  hopen  opt  pleyne, 
D.  B.  Josua  4,  13.  Hi  gheleide  sine  betaeldie  ter 
wildernisse  waert,  8,  14.  —  Zie  nog  Lanc.  II, 
10400,  34447;  lY,  6481,  6487,  7779;  Limb.  Y, 
1042;  Grimb.  I,  4105;  Heelu  4351 ;  Ztf«.  JVT.  12. 
7»,  145,  78;  146,  83;  enz. 

BATAELGEN  (battaelgen,  battalien),  zw. 
WW.  onz.  Ofr.  baiailler^  batiller;  mlat.  bataliare. 
Yerg.  Bataelgieren. 

1)  Vechten^  strijden.  \\  Ghi  hebt  hier  langen 
tiden  sien  battaelgen  ende  striden,  Zm^. XI,191. 


2)  In  slagorde  scharen.  \\  Mettien  hebben  si  t»- 
nomen  waer  die  van  der  stat  op  hen  comes  il 
gebattalijt  met  sconen  here,  Lane.  III,  13275. 

BATAELGIEREN   (battaelgierex,  battal- 

GIEREN,    BATALGEREK,    BATTELIEREN,   BAHAH- 
LEREN,    BATTELIEREN,   BATTIELIEREN).  Vcrg.ofr. 
batailler,   bateiller^  deelw.  bataillé^  fortifié;  pim. 
batalhar^     batailler,     combattre,    fortifter;   mlat 
batailliatits.     Nevens   bataelge,     geordende   leger- 
schaar,   staat    het  ww.   bataelgieren,  in  sUf«4« 
scharen,    strijdvaardig   maken,    dat   noch  in  bH 
ofr.     noch    in    het    prov.     in    dien    zin    sclftf 
voor    te    komen,     maar    wel     in    dien  van  w- 
sterken,    veelal    in    het   verl.    deelw.   batgHlé^  4 
wel    batellié,    batillié  („  li   murs   .   .  crenelés  d 
batilliés,   Ferg.  314;   verg.   ook    Gachet  7);  pw. 
batalhat   („de   bels  murs   batalhaiz,  dentelhiur 
Rayn.  2,  197);  mlat.  batailliala  (Duc.  1,62«);T, 
58).  Ook  in  deze  beteekenis  is  bataetffierenii^tti 
van    bataelge.    In    toepassing   op   een  leger  kmr 
het  de  beteekenis  van  scharen,  ten  strijde utiei^y 
in  toepassing  op  eene  stad ,  een  toren ,  een  str)é- 
wagen    enz.,    die    van    ten  strijde  toenuteïï^ii 
versterken.  Gelijk  baiterie  eigenlijk  t»ist,kl^f^ 
beteekent,  doch  by  uitbreiding  de  plaats  au^u^ 
waar  de   schutters  gedekt  staan   (Litü^  1.  313i, 
zoo  kreeg  ook  batallia,  batalea,  de  beteekenis  na 
versterking  en  werd  hiervan  een  ww.  bat^Uer  pr 
vormd ,  dat  versterken  beteekende.  De  gissing  wi 
Gachet,   dat  het  mlat.   baiailliae  den  zelfdei  «r- 
sprong  zoude  hebben  als  het  esp.  enproT.M* 
it.    bastia,    bastione,    fr.    bastille,    is    niet  mr- 
schijnlijk ,  daar  dan  bastalliae,  ba»talliatas,Ms>^ 
en   bastillié,   bastalhat  de  juiste  vorm  zonde  tfi. 
en  ongetwijfeld  de  *  in  het  woord  zoude  geroain 
worden.    Doch    vgl.   aan   den    anderen  buit  ég 
vorm  bastaelge  voor  bataelge  {Limb.  Vil,  209). 

1)  In  slagorde  scharen,  ten  strijde  toervin. 
Yerg.  BATAELGEN  CU  zie  Yan  Wijn  op  Heeln,  lUl 
Here,  waent  u  here  battalgieren ,  ende  lietos 
die  stat  asselieren,  Ferg.  4201.  Want  alsoe  ötft 
gebattaelgeert  bleven  si  altoes  in  een,  wat  new 
dranc  ochte  ghereen,  dat  nieman  totc  heneJiTW 
Heelu  5244.  Aldus  bilden  si  ghescaert  ii  dn» 
bataelgen,  alsoe  haert,  dat  si  toenden  diegk«lïkf 
al  waert  jeghen  dat  Roemsche  rike,  dat  s|t  n 
hadden  gheweert:  soe  sterc  warense  g«battaelg«rt. 
4378.  Ende  gingense  schaeren  met  ghewdt  «^ 
vroedelick  battailleren ,  GHmb.  1 ,  4035  var.  Ti«k 
vergaderde  overal  ende  begonsten  hem  btttié 
gieren,  Fragm.  Car.  282.  Hi  battelierdem  net^ 
Flovent  23.  Ende  in  scaren  gebatclg:iert ,  JWy.  ^H 
Dus  lagen  si,  in  elke  side,  ghebattaielgieit ^ 
dage,  Heelu  380.  Die  hertoge  Jan  d^e  ^ 
geren  sine  scaren,  3306.  Nu  quamen  si  g«^ 
geert  binnen  der  stat,  Yelth.  IV,  15,  48.A^ 
hertoghe  Jan  .  .  .  dus  ghebattaylliecrt  stont  ff* 
Rode,  Exc.  Cron.  130c. 

2)  Versterken ,  van  versterkingen  voorzie».  Vci 
mlat.  batailliae,  munimeuta  nrbium  aat  castrofiB 
turris  batailliata,  turris  munita(Dac.  1,620);*^ 
cité  (tour)  batellie,  cité  (tour)  palisaadée  (Gtek^ 
57).  II  Een  casteel  stare  ende  gro«t,  dien  e®?^ 
batelgeert  mur  besloet,  Lanc.  II,  19086.  Wd»* 
die  dorpere  gheaisiert,  die  den  torre  gebatilgi^ 
so  wel  hadde  op  die  hoge  zee,  Ferg.  280- Ö 
hondert  waghenen  groot,  ende  alle  gebaUlfii^ 
ter  noot,  Sp.  I\  40,  21  (Yinc.  owmes  fale^ 
Ende  Alexander  die  visiert,  datmen  there  btf^ 
giert  al  omme  met  scilden,  I^,  45,  17  (^^ 
frontem    castrorum    densaverat    Alexemier  (^' 


597 


BATA. 


BATE. 


598 


HoDdert  wagene  gebatialgiert  met  houte  wale  ge- 
Tisiert,  daer  menich  scuiter  in  lach,  Alex.  IX,  327. 

BATAELGIERINGE  (BATELGiERiNOE),znw.  vr. 
fettingwerk.  ||  Van  der  batelgieringhe  te  brekene 
bisider  zantpoorte,  Invent.  v.  Brugge^  Int.  445. 

BATE  (baet),  znw.  vr.  Mnd.  baU. 

1)  Baat^  voordeel y  winst.  \\  In  diende  niet  Gode , 
ea  ware  om  bate;  twy  soudic  n  dienen  om  niet, 
Troyen  3476.  Hi  hopede  cortelike  der  baten,  dat 
hi  met  minnen  sonde  comen  uut,  Stoke  Y,  22. 
Ohemeen  orbore  laet  men  achter,  maer  elc  staet 
na  sine  bate,  Doet.  III,  994.  Wat  baten  dat 
toeqaam  der  stat,  datmen  dat  loyde  in  sekerre 
stede,  der  stat  altoes  te  hulpene  mede ,  Teest.  1233. 
Salmen  van  leringhen  bate  ghe winnen ,  men  moets 
in  der  joeght  beghinnen,  1746.  (Die)  tghemeen 
recht  vercopen  ende  overgheven,  om  dat  si  hopen 
daer  of  te  hebben  baet  ende  ghenot ,  Rein.  II ,  7ö45. 
Die  al  haer  winninghe  ende  baten  des  Sonnen- 
daechs  in  die  taverne  laten.  Vrouw.  e.M.  XI,  171. 
Dat  8j  enen  anderen  minnen  soude,  daer  sy  bate 
off  sonde  ontfaen,  MLoep  II,  1450.  Ende  quam 
feraren  tsiere  baten  tot  enen  bisscop ,  Sp.  lY  *  , 
12,  78.  Di  soude  daer  grote  baet  of  risen, 
£m>.  II,  5658.  Daer  ane  lach  cleine  bate, 
Wr^Ae  III ,  2047.  Of  hiere  bate  of  heeft  of  goet , 
H.  Doet.  63  (in  den  tekst:  bate  of  boete  heef  f). 
Die  wel  doet  die  bate  es  sijn,  O  VI.  Lied.  e.  Ged. 
362,  1405.  Si  peinsde  te  hebbeu  meer  baten  met 
hem  dan  metter  gravinnen,  lAmb.  I,  2380.  Dits 
ene  bate,  dat  ghi  den  ridders  opent  die  strate, 
V,  883.  Scamelheit  moet  hi  laten,  sal  hi  comen 
tenegher  baten,  X,  581.  God  gheve  haer  lief  te 
bare  baten,  Vrouw.  e.  M.  I,  863.  Ende  die  ander 
peynsde  om  sijn  bate,  YIII,  210.  Dine  lippen  sijn 
als  honichraten,  altoos  drupende  ter  baten,  Ilor. 
Belg.  12,  19.  Wat  baet  comt  u  van  mynre  doot? 
MU>ep  I,  1201.  Hi  doet  in  allen  dingen  syn  bate, 
Rnasbr.  3,  113.  Soe  meer  mesdaen,  soe  mere 
l)ate,  des  te  grooter  de  genade,  indien  dat  men  die 
souden  late,  Theoph.  (BI.)  1153;  enz.  —  Enen  te 
baten  comen,  tot  voordeel  strekken,  te  stade 
hwiem.  II  Dat  sal  hem  comen  te  baten.  Nat.  BI.  III , 
1608.  DÏit  sidi ,  ghi  twee ,  seide  hi ,  die  Arriuse  selt 
verwaten,  dat  den  menegen  comt  te  baten,  Sp.ll*,  8, 
130. — Iet  te  baten  hr  eng  en ,  eenig  voordeel  op- 
leseren.  ||  En  wan  met  waerheit  noyt  een  spaen, 
dit  mi  iet  te  baten  brochte,  Verk.  Mart.  47. 
—  Iet  ter  baten  trecken,  iets  als  voordeel 
hesekouwen.  \\  Daer  hi  an  leren  mach  diese  hort, 
weder  dat  hi  trect  ter  baten  huwelijc  doen  ofte 
laten,  8p.  I»,  2,  12.  —  Bate  copen  aen  ere 
dine,  aan  iets  een  voordeeligen  koop  doen,  er  geld 
mede  winnen.  ||  Dat  die  kerstiin  comen  ware,  ende 
comanscepe  hadde  gebrocht ,  daer  hi  bate  an  hadde 
gecocht,  ^.  I»,  56,  112.  —  Ook  in  den  zin  van 
winst,  interest.  ||  Om  den  tienden  penninc  te  baten. 
Rek.  d.  Gr.  3,  334  tweemaal.  150  scilde  leenden  si 
mgn here  sonder  bate ,  ald.  335.  —  Die  ewelike 
bate,  de  eeuwige  winst ,  de  eeuwige  schat ,  de  eeuwige 
zaligheid.  \\  Aermoede ,  dat  wetet  al ,  dats  de  zonder- 
linge strate  tote  der  eweliker  bate.  Franc.  3442. 
Ende  ons  exempel  hebben  ghelaten  te  comene  ter 
eweliker  baten,  Lep.  I,  38,  20.  —  In  bate  van 
ere  dine,  t^n  voordeele  van  iets^  d.  i.  ten  bewijze 
9an  iets,  t  w.  bü  eene  bewering,  welke  door 
iets  gestaafd  wordt,  dat  als  een  voordeel  door 
party  wordt  aangemerkt.  ||  In  bate  van  al  dit  een 
van  hnnne  gezellen  . .  hadde  kwijt  gewijsd  geweest, 
door  schepenen  van  Sluis,  van  den  voorz.  meel- 
iccyas,  ZVl.  B{)dr.  4,  370  (a.   1424,  doch  met 


gewijzigde  spelling).  In  bate  van  dien  hadden  wel 
gehoord  en  was  genoeg  openbaar,  dat  enz.,  371. 

2)  Baat,  nut.  \\  Sech  mi  die  bate  entie  ghewelt 
van  dat  ie  van  den  vissche  helt,  Rijmb.  15587. 
Want  hi  gescreften  vele  utermaten  screef  van  vele 
sonderlingen  baten,  Sp.  II»,  47,  8.  Ende  daer  las 
si  heme  sijn  lesse  om  sijn  bate,  Christ.  1364.  In 
weet  watter  of  comen  mach  anders  dant  tonser  bate- 
waert gaet , /ra/.  9244.  —  T e  baten  hebben,  ter 
beschikking  hebben,in  zijn  voordeel,  vooruit  hebben.  \\  Ie 
salse  leren  voren  syngen ,  dat  si  tleven  sullen 
laten;  jane  hebwi  ene  nacht  te  baten,  Maleg.  929. 

3)  Baat,  genoegen.  \\  Ende  doen  hi  keerde  van 
India,  soude  hi  hem  doer  sine  bate  dwaen  ende 
baden  in  die  Eufrate ,  Nat.  BI.  XII ,  988.  Ie  woudt 
u  vrienscap  ende  bate  doen,  dats  u  te  bat  soude 
wesen,  Bloeml.  3,  27,  162. 

4)  Baat,  hulp,  herstel,  in  verschillende  uit- 
drukkingen. II  Daer  en  es  gene  batejegen, 
daar  helpt  niets  aan,  daar  is  niets  aan  te  doen.  \\ 
Alsi  {die  crekele)  comen,  si  eten  al  wat  groen  es 
op  berghe  ende  in  dal,  ende  dar  es  gene  bate 
jeghen.  Nat.  BI.  YII,  373  var.  (in  den  tekst: 
boete).  Ende  hi  moet  op  eiken  dach  hebben  enen 
mensce  tsinen  ate,  ende  daer  jeghen  nes  ghene 
bate ,  Umb.  X ,  1020.  —  Enen  staen  in  baten, 
iemand  helpen,  hem  bijstaan.  \\  God  sal  ons  helpen 
ende  staen  in  baten,  Yelth.  lY,  27,  13.  Daer 
staet  {Maria)  haer  {de  ziel)  in  baten ,  Praet  214.  — 
Enen  bate  doen,  iemand  helpen.  W^funi  ^Vierne 
mach  hi  ghene  bate  hem  selven  metten  snavel  doen , 
Nat.  BI.  II,  1474.  Dese  can  hem  best  baet  doen, 
want  si  is  mit  gripen  snel ,  Rein.  II ,  5162.  —  Enen 
te  baten  comen,  iemand  te  hulp  komen,  te gemoet 
komen.  \\  Om  dat  ie  mit  sijn  haer  mijn  calu  hoeft 
te  baten  soude  comen,  Gesta  Rom,  c.  8.  Grave 
Alof  van  Cleve  .  .  quam  mit  veel  ridderen  ende 
knechten  den  vorsten  te  bate,  Matth.  Anal.  3, 
320.  Hoemen  beste  hore  vrienden,  die  opten  huse 
waren,  te  bate  comen  mocht,  362,  Oude  water  ende 
Utrecht  quam  hair  ook  te  bate ,  406.  Deghene  die 
de  stede  te  baten  compt,  die  hart  dak  decken, 
Inform.  239.  Die  van  Teecoop  geven  1  schilt 
tsjaers  meer  dan  over  jaer  es  geappoincteert ,  dat 
zy  jaerlicx  4  Rh.  gl.  hemluyden  te  baten  commen 
sullen,  227.  —  Enen  te  baten  hebben,  — 
nemen,  —  crigen,  iemand  tot  hulp  hebben,  — 
nemen ,  —  krijgen.  Ygl.  onze  uitdr.  te  baat  nemen , 
zich  bedienen  van.  ||  Hertoge  Jan  .  .  .  had  aldair 
te  bate  die  stat  van  Maestricht  alleen,  Matth. 
Anal.  3,  336.  Die  ander  landen  namen  Hertoch 
Philips  van  Bourgoignen  te  bate,  406.  Aldus 
creech  die  stede  van  Scoonhoven  dat  huys  te  bate, 
ald.  —  Iet  te  baten  hebben,  iets  in  ver- 
goeding ,  tot  tegemoetkoming  hebben.  \\  Dat  zy  jaerlicx 
geven  der  stadt  van  Dordrecht  .  .  400  Rh.  gl. , 
daerof  dat  zy  te  baten  hebben  an  elcken  mergen, 
in  huer  ambocht  gelegen ,  6  st. ,  Inform.  583 : 
verg.  553:  „daertegen  zy  goet  hebben  tmergen- 
gelt." 

5)  Baat,  beterschap,  herstel,  genezing,  zoowel 
van  lichamelijke  kwalen,  en  van  leed,  droefheid 
enz.,  als  van  zedelnke  gebreken,  jj  Of  datmen  op 
coelen  doe  Cubebe  bemen ,  ende  men  doer  bate  den 
roec  ontfa  in  die  noesegate.  Nat.  BI.  IX,  300.  Hi 
es  goet  jeghen  den  vierden  rede ,  ende  ghe  vet  die 
bate  mede,  XII,  1181;  vgl.  III,  1532.  Te  Durem, 
seitmen,  daers  sijn  hovet,  daer  haeltmen  bate, 
Sp.  III*,  24,  49.  Souct  men  dan  niet  saen  der 
baten,  men  mach  lichte  die  ziene  verliesen,  Heim. 
d.  H.  1270.  Eest  dat  ghi  gheloeft  clare  in  Jhesum 


599 


BATE. 


BATE. 


60« 


Cristnm  ende  in  hare, . .  ghi  moeghter  bate  hebben 
ave  Ltv.  II,  68,  107.  Baer  wi  ierst  ontfinghen 
an  bate  van  onser  droef  heit,  Limb.  I,  2026.  Dat 
hi  hem  in  hare  lede  verleende  bate  ende  gheson- 
dichede,  VI.  Rijmkr.  692.  (Hi)  trac  van  duechden 
ter  baten,  tot  zedelijke  volmaking^  IVanc.  6090. 
—  Vaen  ter  baten,  hem  Hetten  ter  baten, 
in  baten  staen,  zich  beteren.  \\  £nde  scheen  in 
willen  oppenbare,  dat  hi  wille  vaen  ter  bate,  Sp. 
II*,  6,  98.  Hi  wilde  hem  8 etten  ter  baten ,  j?r<i^.  y. 
II,  1338.  Als  dat  hem  God  al  gal  verlaten  van 
sinen  sonden  die  hi  dede,  up  dat  hi  voort  wel 
staetin  baten,  Praet 266.  —  Ter  baten  comen, — 
keren,  beter  worden^  genexen.  \\  Dat  Walewein 
begonste  keren  ter  bat«n  bi  der  hulpen  ons  Heren, 
Lanc.  IV,  9674.  Maer  hi  qnam  saen  ter  baten, 
-S/?.  I»,  12,  34.  —  Aen  die  bate  sijn,  aan  de 
beterhand  zijn,  bekomen  van  iett^  beter  worden.  || 
Maer  die  bode  maecte  ons  cont,  dat  hi  ane  die 
bate  es  nn,  Lanc.  II,  45634.  Dat  ors  was  saen  ane 
die  bate,  het  spranc  op  ende  sach  op  Fergute, 
Ferg.  3774.  Alexander  es  ane  die  bate,  Alex.  IX, 
1039.  —  In  rechter  bate,  met geheele genezing ^ 
geheel  gezond.  \\  Soe  wart  ontwake  in  rechter  baie, 
Sp.  IV»,  33,  17.  —  Bate  doen  van  ere  dinc, 
iets  verbeteren.  \\Jti  die  sieke,  die  van  den  haren 
ghelaten  waren,  wilden  si  bewaren  in  vriendeliken 
visenteren,  ende  daden  hen  bate  van  haren  deren, 
Sp.  II»,  10,  110.  —  Sijn  dinc  ter  baten 
setten,  zijne  zaak  verbeteren  j  tot  volkomenheid 
brengen.  ||  Qanc  voert  in  der  rechter  straten,  ende 
emmer  set  djjn  dinc  ter  baten,  Sp.  I',  83,  85 
(Vinc.  ad  meliora  perficere  ttitdé).  —  Ter  bate 
spreken,  ten  goede  spreken ,  spreken  om  iets  goed 
ie  maken.  \\  Die  also  spraken  ter  bate,  dat  hi  ver- 
zoende jegen  den  zweer,  Sp.  IV*,  44,  64. 

6)  Middel  tot  genezing  ^geneesmiddel.  \\  Noch  ene 
bate  saltu  weten :  neem  oec  looc  ghestampt  in  wine, 
Nat,  BI.  III,  1534.  Heeft  hi  renme  int  hovet 
mede,  doe  hem,  dats  die  bendechede,  rute  omtrent 
die  nesegate,  ende  sijn  aes  nette,  dat^  siue  bate, 
III,  1529.  Barne  te  pulvere  hare  hovet:  dats  die 
bate,  V,  715. 

7)  Genoegdoening ,  voldoening ,  vergoeding ,  boete.  \\ 
Ie  sal  u  daer  af  doen  hebben  bate  so  hogelike  na 
sinen  state,  dat  gise  bi  redenen  wel . . .  sonder  begrijp 
snit  moegen  ontfaen,  Lanc.  II,  5603.  Dus  boet 
elc  andren  bate  saen  van  dat  elc  andren  hadde 
mesdaen,  II,  24894.  Maer  die  uoit  mesdede 
niet ,  en  weet  waer  af  betren  iet.  En  ware  Yoene 
niet  mesdaen,  waer  of  soude  hi  ontfaen  bate? 
Lorr.  I,  1998.  Ende  wilt  geven  den  coninc  Yoene 
hem  vort  in  baten  des  sine  goede  stat  van  Mes, 
I,  1960.  Van  hem  moet  hi  hebben  bate,  dat  hi 
sijn  scheren  met  hem  hilt,  Ferg.  4966.  Hy  en 
wout  ander  bate  ghinder  voer  algader  sijn  verlies, 
Trogen  /.  231*.  Dies  willic  gherne  bate  ontfaen, 
dies  du  jeghen  mi  heefs  ghesneven,  Theoph.\Vi2. 
Hine  boots  mi  noit  ghene  bate,  Wal.  1447. 
Want  hi  sals  bate  ontfaen  ende  beternesse,  Lorr. 
I,  1372.  —  Enen  bate  doen  (van  ere  dinc), 
iemand  voldoening  geven y  boete  doen,  o( yrel ,  iemand 
iets  vergoeden.  ||  Al  toe  so  moesti  mi  doen  baten 
van  al  der  scade,  die  gi  mi  doet,  Ferg.  4264. 
Ie  vergheve  u  minen  moet,  mire  vrouwen  gi  die 
bate  doet,  4971.  Up  aventuere,  of  si  bate  wilden 
doen  van  der  ommate,  die  si  in  sijn  lant  hadden 
ffhedaen,  VI.  Rijmkr.  3253.  Dat  si  up  den  andren 
aach  daer  naer  met  haren  vrienden  souden  comen 
daer,  om  bate  te  doene  ten  grave  waert,  3261. 
—  Enen  in  baten  staen,  iemand  {iets)  beteren  ^ 


het  hem  vergoeden.  ||  Entie  meest  tndren  h«fi 
mesdaen  sal  den  andren  in  baten  staen,  üah.  1, 
191.  —  Ter  baten  staen,  peniiende  dot».  \\  It 
hebbe  mesdaen.  Vader,  ie  wille  ter  baten  stitt, 
Sp.  IP,  48,  59. 

BATELGIEREN.  Zie  bataelgierex. 

BATEMENT  (batament),  ook  abatemem  a 
BADIMENT  (z.  ald.),  zuw.  ooz.  Off.  esbatetuni ^ttA 
wegwerping  van  het  voorv.  e*-.  In  *t  algem«a, 
Vermaak  y  genoegen ,  doch  te  onzent  in  bijsoBdm 
toepassing:  Tooneelver tooning.  Zie  verder bg Esu* 
TEMKNT.  II  Item  van  ennige  batamenten  te  spela 
ende  den  waghen  te  maken ,  dair  sal  een  jeg^ 
moiten  comen  helpen  maken,  ten  ware  dat  17 
oirloff  hadden  van  den  deken.  Keur  der  frofit- 
bloem,  van  1478,  bij  Hermans,  Geseh.  d.  &i4ff. 
326.  Item  oft  yemant  van  de  gesellen  bnide^ 
worde  ende  huwelic  dede,  dair  sullen  de  ^e&eÜa 
gehouden  sijn  een  batement  te  speelen,  M. 

BATEMENTEN ,  zw.  ww.  onz.  Van  BatemaL 
Eene  tooneelvertoontng  geven.  ||  AI  diegcnai,VMt 
believen  zal  te  komen  zien  spelen  en  batemeita, 
ZVl.  Bijdr.  4,  138  («.  1498). 

BATEMENTEREN ,  zw.  ww.  onz.  YduBeUsud. 
Eene  tooneelvertooning  geven.  \\  De  „GhezeUea  va 
der  Rhetorijcke  van  Meenene,"  die  naer  ftoè 
komen  „batementeirne  ende  ghenonchte  bedrirea,^ 
Vad.  Mus.  5,  46. 

BATEMENTSPEL  (b.atamentspül),  uw.  (» 
Van  Batement  en  l^el.  Tooneelcert4)oniin§.  \\  ü 
der  capellen  van  der  colommen  ons  Heerai  w 
gheordineert  een  batamentspul  van  der  kimb^ 
ons  Heeren,  dat  seer  devoot  was  aen  tesiea.lta 
bi  sinte  Ausbert  kerck  was  een  batamentspnlg^ 
ordineert  van  der  besnidenis  ons  Heeren.  Item  T«f 
dat  convent  van  den  Prekers  was  een  battaoi- 
spul  hoe  dat  Judas  onsen  Here  yerriet  ende  ba 
hi  den  rechter  Pilato  ghelevert  wcrt,  dat  1» 
innichlick  ende  devotelick  taenschonwen  was.fv- 
Cron.  184a. 

BATEN,  zw.  WW.,  onz.  en  bcdr.  Van  M 
Mud.  baten. 

1)  Onz.  —  Baten,  nuttig  zijn^  Aelpen,dtiei^ 
woordige  beteekenis.  jj  Want  hi  pant  noch  ^ 
beghecrt  dan  tlijf,  wat  batet  dan  behoet?  I^ 
3,  127,  27.  Daeme  baet  wijsheyt  toe  nock  mm, 
als  daventure  dreyt  dat  rat,  D.  War.  8,  77,51 
Maer  om  dat  vroescap  hem  ghebrac ,  sine  cfK^ 
ne  baette  hem  niet  II  bien,  OVl.  Lied.  s.  Oa 
447,  182. 

II)  Bedr.  —  1)  Enen  — ,  iemand  helpci.l1i 
goddienstich  alle  menschen  te  baten,  Ned.  Presê^ 
Hem  — ,  zich  zelven  helpen.  ||  Die  bcestea  ^ 
beter  dan  sy  {de  afgoden) ,  die  moghen  vlyea  edf 
dac  ende  baten  hem  selven,  D.  JB.  Barmehê,^ 
(Staten- vert.  helpen). 

2)  Hem  — ,  zich  beteren ,  beter  tradUt»  * 
worden,  jj  Ie  wille  bekeren  nu  ten  stonden, ie Wt 
gereet,  ie  wille  mi  baten,  Sp.  III',  45,  40. 

3)  Enen  iet  — ,  iemand  iete  doen  strekt»^ 
voordeel,  het  hem  doen  verkrijgen  of  heAoude^  1 
Ie  heb  him  sijn  lijff  ghebaet;  had  iet  gheliBL 
dat  waer  quaet,  MLoep  IV,  1075. 

BATERIE,  znw.  vr.  Fr.  batterie,  mlat  èeir^ 

Keukengereedschap',  ijzeren,   koperen  of  bUkka^f 

reedschappen  voor  de  keuken,  fr.  batterie  de  m^ 

II  Eene  meese  of  eene  bale  baterien  vier  d.,  f^ 

reglement  van  1252,  in  ZVl.  Bijdr,  6,  3S. 

BATTEN,  zw.  ww.  onz.  Waarschgnlfk  «« 
wissel  vorm  van  Botten-,  bg  Kil.:  ,,BotteB,  •?' 
botten,    resul tare,    resilire,'^    en     „bottea  *? 


601 


BATt. 


BE. 


602 


d'water,  j.  slingheren;"  bij  Plant.:  „Botten, 
opbollen,  oft  stnyten  als  eenen  bal. 
Bondif  comme  un  etteuf-^'^  in  Hindeloopen  nog 
,b  o  1 1  e ,  nummofl  projicere  contra  assium  compagem, 
nt  resiliant  ad  circnlum  in  solo  delineatum,  ubi 
Indeotes  deposuerunt  nummos,  ob  quos  certant'* 
(Htlbertsma  469).  In  het  Mnd.  staat  naast  den 
rorm  hotten  die  van  hotten  (Lubben  1 ,  403 ,  408) ,  ons 
hoUtn  en  bij  Diefenb.  265 ,  wordt  ter  verklaring  van 
«Globare,  globisare"  ook  die  van  y^hotzen^ 
em  tpel,"  gegeven.  Batten  zal  dan  beteekenen 
ieileny  gooien  y  kegelen  of  een  dergelijk  werpspel. 
Terg.  Bat  (2de  art.).  In  mnd.  keuren  worden 
koten  en  dobbelen  ook  gewoonlijk  bij  elkander  ge- 
noemd. Het  is  niet  waarscbgnlgk  dat  bet  zou 
tamenhangen  met  eng.  to  het,  wedden,  een  nog 
duister  woord  (zie  E.  ^uWer,  Etym.  WthA,  76), 
door  sommigen  gehouden  voor  eene  verbastering 
Tu  ahet,  door  anderen  afgeleid  van  ags.  hddy 
ptnd.  II  Njemant  en  zei  binnen  Leyden,  noch 
binnen  der  vryheyde  van  Leyden,  noch  een  myle 
ommegaens  Leyden  mit  tseylspul  dobbelen  noch 
batten,  Leid.  Kettrh.  314,  18. 

BATTEN,   zw.  ww.   bedr.  Hetzelfde  als  hetten. 
Kil  fo9ere,  /omentit  forit   appHcatit   tepefaeere. 
Met  Utmp  water  nat  maken ,  stoven ,  koesteren.    \\ 
Men  sal  die  stede  batten  mit  warmen  water,  daer 
in  is  ghesoden  camomillen ,  Lanfr.  92  v. 

BATTÜBE,  znw.  vr.  Fr.  hatture.  Verguldsel', 
ran  battaren,  vergttld.  j|  Om  1  boet  van  batturen 
te  maken  van  mijns  heren  wapen.  Kek,  d.  Gr.  3, 
358.  —  Moet  men  zoo  niet  lezen  ald.hl.  199  voor 
Utlerien:  Om  syn  hamasch  te  maken  van  bat- 
lerien? 
BAU.  Zie  Ba. 

BAUBIJN,  znw.  m.  Fr.  bahouin;  mlat.  ha- 
éojmitf,  hahuynus  (Dac.  1,  521).  Baviaan.  Toen 
Reinaert  de  apin  in  haar  hol  zag,  zeide  hy:||Ic 
vaende,  het  waer  een  marmet,  een  banbgn  of  een 
meerkat,  ie  eo  sach  nie  leliker  dier  dan  dat, 
KetH.  II ,  6518  (var.  baknmijn). 

BAUDE  (boude),  znw.  o.  Van  denzelfden  oor- 
iproDg  als  het  volg.  art. :  z.  ald.  Een  vrouwenkleeding- 
stuk  van  kostbare  stof,  een  overrok.  Het  is  het- 
zelfde woord  als  het  in  de  17de  eeuw  zeer  gewone 
hotmen ;  Kil.  bouwen,  cgelus ,  vestis  longa,  spatiosa. 
Zie  Berkhey ,  Nat,  Uist,  3 ,  584 ;  Hoogstraten ,  Oesl, 
B3.  II  Daer  mochte  men  vrouwen  sien  ghereiden, 
jnpen  nte  doen  ende  baude  cleiden  ende  die  gordel- 
kin«  van  siden  omtrent  die  wel  ghemakede  si  den, 
Partk.  8028.  Daer  mochte  men  sien  bande  hechten, 
die  kele  witten  (?) ,  die  hovede  slechten,  8032 
(Of  moet  men  op  deze  laatste  plaats  met  Bormans 
lezen  hande,  d.  z.  linten  en  strikken?). 

BAUDEKIJN,  znw.  o.  Mlat.  baidakimts ,  bauda- 

kimts;  it.  baldaechino,  fr.  da/^Ai^uM.  £ig.  naam  van 

eene    naar   Bagdad   (Baldac)   genoemde    kostbare 

ttof;  vervolgens  van  die  stof  vervaardig^  goed, 

in  het  bijzonder  lijkwade,  lijkkleed.  \\  After  dien 

dat  de  dode  ghegreven  is,  so  en  sel  men  enghene 

gheraemte    noch    baudekyn   spreden   over   tgraft, 

R.  9.  TJtr.  1 ,  23.  So  wat  nywe  baudekyn  of  nye  cleet 

dat  toter  kerken  coemt  mit  enen  doden,  dat  sel 

bliven  der   kerken,   ald.  Vgl.  verder  balüerijn. 

BAUW.  Zie  Bouw. 

BAYIT,  BAVUT.  Zie  BOFIT. 

BATVEEL,   znw.  o.    Winkelhaak,  het  timmer- 

manswerktnig ;  vgl.  sp.  baivel.  ||  Wel  vesteene ,  wel 

ghehonwen   achter   tbayveel,    alsoot   meester   W. 

glieven  zal,  Jnvent.  v.  Brugge  1,  460 (ald.  Int.  480 

verkeerdelijk    hagneel   geschreven).    Brabandschen 


steen,   wel   ghehauwen  in  haer  bayveel,  5,  308. 
Zie  de  noot  in  het  Gloss.  243. 

BE ,  voorz.  Toonlooze ,  door  klankverzwakking 
ontstane,  bijvorm  van  bi,  met  de  oorspronkeiyke 
kracht  als  voorz.,  zoowel  zelfstandig,  als  in  ver- 
schillende bijwoordelijke  uitdrukkingen.  Ohd.  he 
naast  bi  (Grimm,  Gr.  3,  254).  Als  zelfstandig 
voorz.  komt  he  slechts  in  enkele  uitdrukkingen 
voor,  veelal  in  gewesteHjke  spraak,  oorspronkelijk 
met  den  3den  nv. ,  doch  later  ook  met  den  4den. 
Verg.  Bi.  Als  zelfstandig  voorz.,  doch  ook  samen- 
getrokken met  het  volgende  woord ,  als  dit  met  een 
klinker  aanvangt,  komt  he  voor  in  een  paar 
staande  uitdrukkingen: 

1)  Fan  plaats,  in  eigenlijke  opvatting,  thans 
aan,  te.  In  de  uitdrukking:  —  Been  side  — 
band  er  side,  aan  de  eene  zijde  —  aan  de  andere 
zijde,  ter  eener  en  ter  anderer  zijde,  waar  van  twee 
partyen  sprake  is.  ||  Van  den  ghenen  die  den  verde 
ghegheven  hebben  been  syde  ende  bander  syde, 
Cout.  r.  Gent  426  (a.  1297).  Welken  tyt  so  eenech 
twist  ghevalt  van  poertren  binnen  den  scepen- 
domme  van  Ohend  of  der  buten ,  alle  donsculdeghe 
van  den  maechscepe  been  syde  ende  bander  syde 
syn  stappans  in  wetteliken  verde,  427.  Hebben  si 
oec  magbe,  die  negheene  poerters  ensynteOhend 
l)een  syde  ofte  bander  syde,  433.  Van  den  ver- 
binden tusschen  den  hertoghe  van  Brabant  ende 
sinen  lande  been  side,  ende  min  heere  vanYlaenderen 
ende  sinen  lande  bander  side ,  Rek.  v.  Gent  1 ,  456. 

2)  Van  tijd,  thans  hij.  In  de  uitdrukkingen : 
—  Be  dage,  bij  dag',  be  nachte,  bij  nackt.  || 
Est  be  daghe  ende  by  nachte,  Mieris  2,  159a 
(a.  1315).  Alse  ochte  een  mensche  worpe  een  saet 
op  syn  lant  ende  dama  sliepe,  ende  stonde  op  be 
nachte  ende  be  daghe,  Lev.  v.J.c.94i.  Nichodemus 
.  .  die  te  Jhesum  be  nachte  quam,  c.  174  (verg. 
e.  232).  Die  be  daghe  wandelt  hine  mesgheet  niet , 
want  hi  wandelt  bi  den  lichte  dat  hi  siet.  Mar  die 
wandelt  be  nachte  hi  mesgheet,  e,  183. 

—  Samengekoppeld  met  andere  rededeelen  komt 
het  voor  in  verschillende  bywoordeHjke  uitdruk- 
kingen, als  in  de  bgw.  van  plaats:  benorden,  be- 
oosten,  besteden,  bewesten,  beneden,  buten,  binnen, 
boven,  hesiden,  en  in  de  gekoppelde  uitdrukkingen 
begonside,  bander  side  en  bedesside\  in  de  byw.  van 
tyd:  hetide,  bewilen;  in  de  byw.  bedi  (ook  yoegw.) 
en  bedichte.  Zie  die  woorden. 

BEANE ,  naam  van  een  franschen  wyn ,  genoemd 
naar  de  stad  Beane,  Beaume,  Beaune  (d.i.  Bibracte(?)) 
Kil.  868 ;  doch  de  lezing  van  een  ander  Hs.  Beame 
maakt  het  waarschynHJk ,  dat  het  een  wyn  uit 
Bearn,  dus  uit  Zuid-Frankrijk,  zal  zyn.  ||  So  wie 
vercoopt  petau  voor  njnswyn  .  .  of  aucerois  voor 
beane  (var.  l>eame)  of  ander  valschede  committeirt 
in  den  wyn.  Wiel.  Instr.  155,558. 

BEANXENEN,  zw.  ww.  bedr.  Van  Jnxene: 
zie  ald.,  en  verg.  Antenrn.  Tu  benauwdheid,  in 
een  pijnlijken  toestand,  in  gevaar  brengen.  ||  Die  on  se 
syn  beanxent  sere,  ende  sullen  bliven  in  den 
lachter,  wine  doense  keren  met  crachte  achter, 
Parth.  5328. 

BEANXT ,  bnw.  Of  samengetr.  vorm  van  beanxtet , 
óf  van  be  en  H  znw.  anxt.  Beangst,  benauwd.  || 
Als  myn  hert  beanxt  wordt,  GeUjdeb,  S.  IQOd. 
Hi  was  beanxt  ende  bescaemt  ende  en  wiste  niet  hoe 
hi  in  die  last  ghecomen  was,  B.  War.  5,  396.  Onse 
goede  luyde  .  .  opter  Ysel  gelegen  dagelix  zeer 
beanxt  ende  gevreest  syn  van  onsen  ballingen, 
Mieris  4,  78&i  (a.  1425). 

BEANXTEN,  zw.  ww.  bedr.  Hetzelfde  woord  als 


603 


BEAISI. 


BÈBO. 


GÖl 


mud.  beanrten ,  doch  in  intrans.  opvatting.  Beangtt , 
beducht y  bevreeid  zijn.\\  WQ  .  .  .,  die  leider  noch 
sulck  zijn,  dat  ons  harde  zeer  te  duchten  ende  te 
beanxten  mach  wesen,  Bern.  W.  \c.  Vgl.  beüuchten. 

BEANXTET,  bnw.,  eig.  verl.  deelw.  van  het 
zw.  WW.  beanxten  y  mnd.  dtf/i»x^^i» ;  verg.  onze  uitdr. 
zich  beangtt  maken.  Beangst  ^  bem'eetd.  ||  Waerom 
wert  die  mensche  alsoe  lichtelic  verstoert  of  be- 
swaert  of  beanxtet  om  een  cleyn  dinc?  Ned. 
Proza  132. 

BEANXTHEIT,  en  -hede,  znw.  vr.  Zorg,  be- 
moeiing. II  Hi  gaf  hem  ten  eersten  voor  sijn 
diensticheyt  C  pont  groot  ende  beloofde  hem  noch 
te  gheven  voor  sjjne  beanxtheden  ende  moeyenissen, 
Exc.  Cron.  195a. 

BEARBEIDEN  (beaerbeiden),  zw.  ww.  bedr, 
Van  arbeiden  (zie  iild.).  Mnd.  bearbeiden. 

1)  I  e  t  — ,  voor  iett  arbeiden ,  teer  ken,  zijn  best  doen, 
zoowel  om  iets  te  bekomen  als  om  iets  tot  stand 
te  brengen.  ||  Diet  {zijn  brood)  pacientich  beaerbeyt 
tsijnder  noot,  Belg.  JbTuf.  6 ,  52.  Dit  voirscr.  cloister 
.  .  in  onsen  namen  te  bewaren,  te  vorderen  ende 
te  bearbeiden ,  Nijh.  3 ,  276.  So  sel  u  God  . .  geven 
.  .  hnsen  vol  guets ,  dat  gi  niet  bearbeit  en  hebt , 
B,  V.  1357 ,  70^.  Dat  dit  ghesciede ,  dat  bearbeide 
Hertoch  Heynric  .  .  zeer  an  den  paeus,  Cl^c  89. 

2)  Bearbeiden,  bewerken,  bebouwen,  van  land.  || 
Qaet   uut   den   paradise  ende  bearbeit  die  aerde, 
B.  V.  1357,  2c. 

BEBIERT ,  bnw.   Van  bier  doortrokken,  doorweekt. 

1)  In  eig.  zin  nog  bg  Huygens  1,  470. 

2)  Overdrachtelnk.  Dronken  van  bier.  ||  Sijdy  al 
bebiert?    Wat   zuldij    hier  brouwen?  Han.  H.  12. 

BEBINDEN ,  st.  ww.  bedr.  Mnd.  bebinden.  Binden, 
verbinden.  \\  Als  een  lit  is  tobroken  ende  het  dan 
is  to  zeer  behouden  ende  to  vele  ghedecket ,  Zam/r. 
861;.  —  Ook  in  de  uitdr.  bebonden  tyt, 
hetzelfde  als  besloten  tijt  (zie  ald.),  eig.  de 
onder  een  zeker  verband  liggende  tijd  en  in  jur. 
zin  de  tijd,  waarop  geen  recht  wordt  gesproken.  \\ 
So  wie  onsculde  doen  zei,  die  zelse  doen  ten 
heylighen  .  .,  rechtevoirt,  ist  bebonden  tijt  off 
gheen,  O.  K.  v.  Rott.  27,  68.  —  Dezelfde  uitdr. 
wordt  in  het  Mnd.  gevonden ,  zie  Lubben  1 ,  162a  : 
„  Gerichtsferien.'''* 

Aanm.  —  Misschien  moet  in  plaats  van  be- 
houden tiden.  Leid.  Kearb.  26 ,  7  gelezen  worden 
bebonden  tiden.  Zie  Taalk.  Bijdr.  1,  240. 

BEBLOEDEN  (beblueden),  zw.  ww.  bedr.  en 
onz.  Mnd.  bebloden. 

Bedr.  —  Met  bloed  bevlekken.  ||-  Al  weenende 
bleven  si  staende ,  bebloedende  die  brugghe  metten 
bloede  van  haren  voeten,  OVl.  Oed.  2,  394.  Van 
den  quaetsten  (cnecht)  bebluet  dyn  (/.  beblueden 
die  ?)  zide ,  servo  pessimo  latus  sanguinare ,  D.  B. 
Jes.  Syr.  42 ,  6. 

Onz.  —  Bloeden.  ||  Mer  die  ghesel  seer  bebloeden 
(/.  bebloede),  Segh.  3338  var. 

BEBLOEDICH  (bebloedech),  -dige  o(-dege, 
bnw. ,  gevormd  als  bedroevich ,  besondieh ,  bescitldieh 
(zie  ald.).  Bebloed,  bloedig.  ||  Sinte  Yincentius  .  . 
versprack  die  bebloedighe  hande.  Pass.  W.  186a. 

BEBODEN,  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  beboden.  In 
beteekenis  gelijk  aan  het  meer  gebruikelijke 
verboden  (vgl.  Bel.  v.  Leid.  371  en  372;  Nijh,  2, 
115;  Matth.  Anal.  1,  465).  Thor  eenen  bode 
bekend  maken ,  en  b^  uitbreiding  aanbrengen , 
overbrengen,  over  brieven.  ||  (Wy)  vergeven  .  .  hem 
myt  desen  brieve  allegaeder,  vuytgenaemen  die 
geene ,  die  onse  argeste  an  den  biscbop  van  Monster 
beboedet  hebben,  Nijh.  1,  310  (a.  1333). 


BEB0E8EMEN  (bebosmen),  zw.  ww.  beè. 
Mhd.  bebuosemen ;  mnd.  behosemen.  Van  boeum  ii 
den  zin  van  familiebetrekking  (z.  ald.).  lemeaéi 
a/stamming  van  of  verwantschap  met  een  hepêMÜa 
persoon  bewijzen ,  veelal  met  betrekking  tot  hooiifn . 
uit  wier  afstamming  van  hoorigen  zijne  hoont- 
heid  blijkt.  \\  Wolde  dair  iemant  wei  enteja 
seggen,  dat  wil  myn  heer  wysen  ind  beboeseBM 
nae  sede  ind  wairheit  desses  landes,  Racer  4, 
199.  Weer  dair  we  mede,  die  die  grevebebosaa 
mochte,  sall  die  greve  beholden,  2,  2^.  Eite« 
luyde,  die  den  greven  hoirden  ende  hem  aff^ 
gaen  weren,  die  he  bebosmen  mochte,  sall  ot» 
gnedige  heer  hem  laten,  ald.  Dat  Ltmbot 
se  (?)  sol  beboesemen  voer  den  schuit^  fu 
Daelen  .  .,  dat  Johan  Schultinge  lbo  Druweasfi 
maech  is,  ende  Johan  Bebinck  sol  bewgzea,  ie. 
de  II  Fuickers  sijne  maghe  sint  .  . ,  ende  we  éit 
van  desze  vorsz.  de  maechtale  beboesemede  . .  t« 
den  schulte  van  Empne,  de  soll  vellich  wesa, 
Etst.  V.  Dr.  55. 

BEBOLWEREEN,  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  M«A 
werken.  Van  een  bolwerk  voorzien ,  versterken,  ve- 
schansen.  \\  Si  bebolwercten  die  kerc  te  Monteuk» 
ende  maecten  daeraf  een  casteel ,  Ejtc.  Cron.  iOüi 
—  Ook  als  wederk.  gebruikt.  ||  Die  Balja  . . . 
dede  seer  groote  scade  dagelix  in  den  heer,  .  . 
sonderlinghe  eer  hem  die  van  der  stede  bebohrem 
hadden,  Matth.  Jnal.  3,  390.  Hi  bebolwercte ks 
daer  so  dat  hi  daer  bewaert  was ,  B.  v.  1357 ,  ITSi. 

BEBORGEN  (beburgen),  zw.  ww.  bedr.  Mii 
beborgen. 

1)  Enen  ~,  iemand  borgen  laten  stellen,  im 
dwingen  borgen  te  geven.  j|  Dan  zoelen  de  sc«pct 
dien  gast  beborghen ,  dat  hi  eene  soene  sal  mma, 
Overijs.  R.  I',  48;  verg.  150.  Wye  berachtisni 
ghebrokenen  vrede,  den  sal  men  beborgcs,  V. 
136,  Opschrift.  So  wanneer  hij  {de  vr^bnie', 
bijnnen  Campen  coemt  .  .,  so  zullen  w§  deo  b^ 
borgen,  want  hy  ons  sculdich  geseget  is.  Eaè 
en  mach  hij  ghene  borgen  setten ,  ei^. ,  ald.  J» 
men  alle  inwoenres  beborgen  sal  ende  niet  bieda 
laten  van  ondade,  van  vechtlic  of  Tan  aaien 
quaden  feiten,  I',  157.  Dat  men  aUe  bentcklf^ 
lieden  van  ondade .  .  .  antasten  sall  ende  stf 
bieden  laten  ende  alse  dan  beborg'en  laten  of  setie 
na  guetduncken  des  Rades,  ald.  Van  den  gkaa. 
die  hem  des  verweren  wille,  als  mense  bebmrf  ba 
wil,  Stadsr.  v.  Zwolle  61,  42;  vgl.  43.  Weert  ii 
een  twist  ghevelle  binnen  onser  stat  Tiiheh  ni 
gasten ,  ende  men  die  beburghen  solde  .  .  abo  ét- 
der  scepen  of  raet  daer  gheen  bi  en  were  ende  ^ 
stad  boden  daer  eerst  by  quamen ,  so  soldei  n^ 
den  ghast  beburghen ,  70 ,  70.  Soe  wie  desen  vn^ 
breken ,  sie  sin  burghere  of  ghasten ,  die  salvd 
daer  voer  beburghen  met  burgheren,  die  èe 
scepenen  dunket,  49,  8. 

2)  Ene  dinc  — ,  borgtocht  stel/en  voor  iei 
t.  w.  voor  goederen  enz.  ||  Stunre  enich 
Swolle  die  onmundighe  kindere  achterlete,  90  d 
die  ghene  die  gheboren  mumbaer  is ,  cobks  ^ 
die  scepene  van  Swolle,  eer  hg  dat  goet  aiaf^ 
ende  beburghen  al  goet  dat  die  kindere  kefe^ 
Stadsr.  v.  Zwolle  131  aant.  2).  Yoert  meer  »  & 
salmen  nement  hogher  bevreden,  dan  siis  g^ 
weert  is,  off  dan  he  beborgen  kan,  Warfutmt^' 
26.  Die  (tilbaer  guede)  sidl  aylke  beborgea.  (9t 
We  syck  rechtes  vermodet  daer  to  hebbes.  ^ 
mach  dat  jaerlix  anspreken  in  de  groote  birci 
stede  ende  beborgen,  83.  Wee  syn  brocke  a.^ 
beborget  noch  pande  voer  setten   can, 


u 


605 


BEBR. 


BECH. 


606 


306.  Den  ienten  recbtdach  na  deme  als  de  brocke 
gesceet  ist,  (die)  besetten  ende  be borgen ,  aA/.  307. 

BEBRAEMT ,  bnw.  Met  braamstruiken  begroeid.  || 
il  Tiert  dat  hi  {de  weg)  bebraemt  ende  bedorent 
if,  Pelgr'm  42«;  vgl.  Ferg,  1606. 

BEBRIEVEN,  zw.  ww.  bedr.  Van  Brief,  hand- 
Test,  oorkonde  (zie  ald.).  Mnd.  bebreven;  by  Kil. 
^Bebrieven,  literis  mandare ,  irutrumentié  inscri- 
ierer 

1)  Eigenlgk.  Door  een  brief  bevestigen  ^  bij  ge- 
Kkrifte  erteunenj  toezeggen,  vaststellen,  overeen- 
komen. II  Ende  die  slnzen,  hnelen  ende  wateringen  . . . 
mit  hoeren  toebehoeren  snllen  bedriven  die  dijcgrave 
eode  rechters,  dairse  onder  gelegen  ende  van  ons 
bebriefl  sijn  tot  ewigen  dagen ,  Mieris  4 ,  355  b 
(fl.  1415).  Als  voirtijts  tasschen  onsen  genadigen 
Heere  van  Hollant  .  .  .  ende  onsen  lieven  Heere 
Tan  Gelre  overdragen  ende  bebrieft  is,  421a 
(«.  1417).  Eer  haer  ordinanchie,  die  sü  geraemt 
ludden,  bebrieft  ende  gevesticht  geweraen  const, 
Brêb.  r,  Dl.  2,  bl.  708  {a.  1403),  Want  wy  .  .  . 
OBsen   overste   rentmeister  onser  lande  van  Gelre 

.ille  onse  renthen  ende  gulden  bebrieft,  besegelt 
ende  bevallen  hebben,  Nyh.  3,  212  (a.  1399). Dat 
vy  .  .  .  van  ghenen  veeten  .  .  .,  dair  w|j  ende 
ki  elc  des  anders  hulper  in  wesen  sullen,  gelijc 
¥y  dat  die  een  de  andere  bebrieft  hebben,  niet 
en  lallen  zuenen,  290  {a.  1409).  Alsulken  vrede, 
tls  gestaen  heeft  ende  bebrieft  is  geweest  tusschen 
den  .  .  .  Hertoige  Reynolt  .  .  .  ende  ons,  383 
(«.  1422).  Die  jaerlixe  betailinge  sal  gescieden  met 
penningen  nae  den  swairen  gelde  gainck  hebbende , 
ten  weer  anders  bevoirwairt  ofte  bebrieft  wair, 
Belg.  Mus,  3,  87  {a.  1477).  Ende  dit  .  .  .  wert 
bebrieft  an  beiden  siden,  Matth.  Anal,  3,  353. 
Voir  meer  benoemder  punten,  die  al  bebrieft  sijn, 
die  Hertoghe  .Jan  besegelt  hevet ,  376.  Geen  notaris 
brieren  van  weerde  sullen  wesen  .  .  .,  ten  sij  b|j 
consente  vant  gerecht  der  stede  ende  dat  bebrieft 
(/.  bebrieft  ende  dat?)  metter  stede  segelen  be- 
sefelt,  off  met  twee  schepenen  brieven,  O.  K.  v, 
EmU.  9,  40.  Bededingen  ende  bebrie ven ,  Lams  69. 
—  In  de  vereenigde  uitdrukking:  Bebrieft 
ende  onbebrieft,  beschreven  en  onbeschreven,  \\ 
Alle  hoir  privilegiën,  hantvesten,  gherechten,  scepen- 
dom ,  vriheden  ende  rechten ,  die  si  tot  desen  dage 
toe  vercregen  mogen  hebben  .  .  . ,  hoedanich  datse 
lijn ,  bebrieft  ende  onbebrieft ,  Mieris  4 ,  848  b 
(«.  1426). 

2)  Figuurlijk.  Met  brieven  bevestigen ,  en  bij  uit- 
breiding vastj  bestendig  maken.  In  bet  verl.  deelw. 
tls  bnw.  gebezigd,  vast,  bestendig.  ||  Ach  hoe  edel 
was  die  Heft!  hoe  vast  bezeghelt  ende  bebrieft 
wu  sj!  MLoep  II,  575.  Al  waersi  beter  uuten 
linne  dan  daer  in ,  tis  doch  lieft ,  by  wilen  harde 
dnen  bebrieft,  III,  322  var.  (d.  i.:  liefde  die  som- 
tgds  zeer  sterk  bevestigd,  diep  geworteld  is). 

BEBÜRGEN.  Zie  beboroen. 

BECEDELEN,  zw.  ww.  bedr.  Van  Cedele  (zie 
tld.).  Eene  acte  van  iets  maken,  iets  op  schrift 
hengen.  \\  Die  pointen  van  den  koere  sijn  geopen- 
baert  ende  becedelt ,  daer  die  copie  van  den  brieven 
ende  daer  toe  die  pointen  hier  nae  gescreven  staen , 
V.  d.  Wall  530  (a.  1437).  Wart  gecundicht  een 
ordinancjre  becedelt,  in  wat  manieren  datmen  die 
maten  geken  sall ,  so  hierna  volcht ,  O.  R.  v.  Dordr, 
1 ,  2%.  By  enen  seegen ,  dat  by  gueden  mannen  . . . 
ontgesproken ,  becedelt  ende  besegelt  was  mitter 
seggers   segulen,    2,    120.    Vgl.    Bebrieven    en 

BECHAERTERERRN. 

BECEFFEN.  Zie  Beseffen. 


BECHAERTEREEREN  (bescaertereeren  , 
besaertereren),  zw.  WW.  bedr.  Van  chartre,^.\, 
oorkonde  (z.  ald.).  In  beteekenis  gelijk  aan  het  zuiver 
mul.  bebrieven  (zie  ald.  en  verg.  ook  Becedelen).  In 
een  charter  beschrijven.  \\  Dit  was  daer  gheconfir- 
meert,  alse  men  seide,  ende  bescaertereert ,  Brab. 
T.  V,  1581.  Om  dat  vaste  te  besaertereeme,  ende 
met  zegelen  te  confirmeeme,  Edew.  1027. 

BECHTE.  Zie  Biechte. 

BECINGELEN  (besingelen),  zw.  ww.  bedr. 
Van  Cingel,  thans  singel,  lat.  cingulnm.  Omsingelen, 
omringen ,  omgeven.  ||  Een  stede ,  die  al  om  me  mit 
lopende  ry vieren  becinghelt  was,  Fass.  W.  188</. 
Als  hem  dese  hofmeester  om  (d.  i.  rondom)  sach 
becinghelt  met  desen  beesten ,  soe  was  hi  zeer 
vervaert,  Gest.  Bom.  f.  146A.  Sij  en  besinghelden 
Tymotheum  in  dien  steden  niet ,  1).  B.  II  Maceab. 
12,  18. 

BEDACHT  (bedocht),  bnw.  ^Ln^.  bedacht.  YXg. 
verl.  deelw.  van  bedenken,  als  bedr.  of  wederk. 
WW.    In   verschillende  opvattingen. 

I.  Als  deelw.  van  het  bedr.  ww.  bedenken. 

1)  Van  bedenken  in  den  zin  van  overleggen,  over- 
denken (zie  ald.  1,2).  Qoed overlegd,  doordacht,  scherp- 
zinnig. II  Ie  hebbe  groten  toeverlaet  op  uwen  wysen 
bedachten  raet,  Troyen  2964.  Bi  bedachten  moede 
ende  wisen  rade ,  Brab.  Y.  VII ,  1297.  Wi  scepenen  . . 
maken  cunt  .  .  dat  oamen  voor  ons  bedochten  sinnes 
ende  wel  beraden ,  na  een  goed  plan  gemaakt ,  de  zaak 
goed  overdacht  te  hebben ,  na  rijp  beraad,  Vad.  Mus.  2, 
369.  Met  gueder  bedachter  voirsienicheit,  V.  d.  Wall 
460.  —  Met  bedachten  moede,  met  voor- 
bedachten rade.  \\  Of  een  broeder  niet  van  ver- 
ghetenthede  maer  mit  bedachten  moede  uten  huse  dar 
comen ,  D.  Orde  262.  Of  een  broeder  . .  des  capetels 
hemelicheit  of  raet  mit  bedachten  moede  melt ,  265. 

2)  Van  bedenken  in  den  zin  van  verdenken  (zie 
ald.  I,  3).  Achterdochtich ,  boosaardig.  \\  {Kains) 
felle  bedochte  maniere  maecte  die  Gods  vrienscap 
diere ,  maer  Abel  vant  so  wat  hi  sochte ,  Bind.  949. 

3)  Van  bedenken  in  onze  bet. :  bedocht  in  iet, 
vervuld  van  iets,  zich  toeleggende  op  (vgl.  BE- 
DACHT SIJN,  2a).  Il  Een  eerbaer  man  ..  bedocht  in 
eerbaerheit  der  zeeden  ende  in  kuyscheit  des  levens, 
Ned.  Froza  240. 

II)  Als   deelw.  van  het  ww.  hem  bedenken. 

4)  Van  hem  bedenken  in  den  zin  van  bij  zijn  zinnen , 
bij  zijn  verstand  zijn  (zie  ald.  Wederk.  3  A).  Bij  zijn 
verstand,  het  gebruik  van  zijne  zinnen  en  van  zijn 
denkvermogen  hebbende.  \\  Ie  M.  .  .,  wel  vorpeinst 
ende  bedocht  van  minen  vijfsinnen,  machtich  van 
miere  redene,  Invent.  v,  Brugge  1 ,  497  (var.  bedoch- 
tich,  Gloss.  ald.  bl.  592).  Vgl.  bedachticii. 
III)  Vooral  in  verbinding  met  het  ww.  zijn  of  worden. 
Bedacht  of  bedocht  syn.  Mhd.  beddht  sin  (Ben. 
1,  348^;  Lexer  1,  139). 

5)  In  de  tegenwoordige  beteekenis  van  bedacht 
zijn  op,  in  het  Mnl.  bedacht  sijn  in  of  met,  d.  i. 
zich  toeleggen  op,  zich  bezig  houden  met.  \\  Si  sijn 
in  doechden  so  bedacht,  dat  si  gherecbtichede 
minnen,  Hild.  41,  78.  Ende  sijnse  in  doechden 
soe  bedacht  mit  wille ,  ie  heipet  voerwart  tyen , 
203 ,  263.  Als  alle  zonders  syn  bedocht  mit  bedinghe 
in  der  heiligher  kercken,  162,  88. 

6)  De  Mnl.  uitdrukking  bedacht  sijn  splitst  zich 
in  drie  hoofdbeteekenissen ,  al  naarmate  z|j  eene 
werking  uitdrukt  van  het  denkvermogen,  van  het 
gemoed,  of  van  het  bewustzijn.  Vgl.  bij  hem  be- 
denken. 

a)  Van  het  denkvermogen  gezegd:  denken,  zijn 
verstand  gebruiken. 


607 


BEDA. 


BEDA. 


608 


a.)  Mei  een  bijw.  yerbonden:  —  e  vel,  qualike 
bedocht  sijn,  eene  verkeerde  meenifig  hebben^ 
onverstandig  zijn  (vgl.  Hem  BEDENKEN  A.  a).  ||  Her 
Jode,  ghi  sift  evel  bedocht,  Theoph.  526.  Lief  kint , 
ghi  8ijt  qualike  bedacht;  dien  tyt  hebdi  qualijc  ont- 
houden, Rubb.  61.  Dat  als  qnalic  beoacht  ende 
beraden  sij  n  geweist  sijn  eenen  langen  tgd  weder- 
spennich  ende  ongehoirsaem,  V.  d.  Wall  597  (a  1456). 

—  Dnllike  bedacht  syn,  dwaat  zijn.  \\  Die 
sinen  vrient  verwerct  om  enen  vreemden  dien 
hi  sterct,  is  dnllike  bedacht,  Ltp.  III,  3, 
427.  —  Wijslike  bedacht  sijn,  verstandig 
zijn.  II  Hi    was    wijslike  bedacht,    Serv.    I,   1202. 

—  Vooral  gewoon  in  de  nitdr.  wel  bedacht 
sgn,  verstandig,  bekwaam,  schrander,  vernuftig 
zijn",  met  overleg  handelen',  na  rijp  beraad  en  wiet 
kennis  van  zaken  handelen.  \\  Das  is  hi  wgs  ende 
wel  bedacht,  die  hier  sijn  rekeninghe  maect, 
datse  daer  blijft  onghelaect,  Hild.  247,  104.  Met 
rechte  weet  mens  den  gonen  danc,  diet  {het  zwaard) 
maecte:  hi  was  wel  bedocht,  Wal.  8286.  So  wat 
mensche  heeft  ontfaen  van  Qode  redelijc  verstaen  . ., 
die  sal,  is  hi  wel  bedacht,  dese  gaven  altoos  keren 
te  Gods  dienste,  Lsp.  I  Prol.  16.  Stont  was  hy 
ende  wel  bedacht  ende  een  man  van  groter  jnacht, 
Troyen  6588.  Die  cnape  was  wel  bedacht,  H^al. 
4438.  Isengrijn  was  wel  bedacht,  Rein.  1,1920. 
Sinen  scilt . . .  laet  hire ,  hi  es  wel  bedacht ,  Ferg. 
1596.  Hine  was  niet  wel  bedacht,  Wal.  11175. 
Die  coninc  Wonder  was  wel  bedacht,  936.  Die 
voestermoeder  was  wel  bedacht,  Parth.  207.  Hi 
(God)  es  altoes  even  wel  bedacht,  8394.  Opdathi 
is  wel  bedacht,  Lsp.  II,  23,  91.  Die  riddere  was 
wel  bedacht,  Lanc.  III,  18502.  Die  se  (die  tafeU) 
makede,  was  wel  bedacht.  Terg.  1288.  Diene  (het 
kasteel)  maken  dede,  was  wel  bedacht,  Lanc.  II, 
46735.  Diese  (de  fonteyné)  maecte,  was  wel  be- 
dacht, Wal.  3559.  Diene  (den  spiegel)  maecte ,  was  wel 
bedocht ,  Rein.  II ,  5902.  —  Ook  in  den  vergrooten- 
den  trap :  B  e  t  b  e  d  o  cht  s  ij  n.  ||  Heren  sijn  so  in  eren 
gehecht ,  ende  van  herten  soete  ende  slecht ,  dat  si 
sijn  telker  ure  bedocht  bet  dan  ter  care,  Verk. 
Mart.  88. 

^  met  den  2<l(^n  nv.  der  zaak.  Des  bedacht 
(bedocht)  sijn,  eig.  over  iets  gedacht  hebben,  ^.\. 
op  de  hoogte  zijn,  zeker  van  iets  zijn.  (vgl.  Hem 
BEDENKEN ,  A ,  b).  |j  „  Vrouwe,  in  bens  niet  wel  be- 
dacht,"... y^mAT  ie  sal  seggen  van  dien  poëten  al 
wat  sire  toe  segghen,  Cass.  1658.  Here,  ie  loeft, 
ie  bens  bedocht,  Ferg.  686.  Ie  bem  dies  haerde 
wel  bedocht,  dat  Blancefloer,  die  vrouwe  van 
Spanien  .  .  .  noch  Blancefloer  van  Beanraparen, 
van  scoenheden  haer  niet  engheleken,^/^;r.yill,  102. 
Datti  gene  ware  daer,  die  de  mort  hadde  gewracht , 
dies  waren  si  alle  (wel  ?)  bedacht ,  Lanc.  Il ,  44353. 

y.  Eene  bepaalde  gedachte  hebben',  van  plan,  er 
op  uit,  besloten  zijn  (vgl.  HEM  BEDENKEN,  A,d).  jj 
Si  sjjn  beide  alsoe  bedocht,  ende  hebbent  bi  dieren 
eden  ghesworen ,  hine  es  op  eerde  niet  gheboren , 
diet  soude  beletten  met  siere 'macht.  Wint  en  S. 
418.  Des  ander  daees  was  hi  bedacht,  dat  hi  niet 
langer  wilde  ontbiaen ,  hine  wilt  om  sine  aventnre 
riden,  Lanc.  II,  41150.  Wie  sidi,  ende  hoe  sidi 
bedacht,  dat  ghi  te  deser  tp  van  der  nacht  hier 
comt  ghereden  in  dit  woeste?  d.  i.  hoe  ktmt  gij 
het  plan  maken,  hoe  komt  gij  er  toe,  hoe  komt  het 
u  in  het  hoofd'f  Wal.  8773.  Die  Joden  waren  saen 
bedocht,  ende  groevent  wel  XX  ghelachte  onder 
derde,  V.  d.  Jloute  670.  (Hi)  keerde  thnuswaert 
weder,  also  bedacht,  dat  hi  die  vaert  setten  wonde 
te  Yrancrijc    waert,    Edew.    256.   Juliaen   sachse 


ende  wert  bedacht ,  hij  was  er  op  uit,  er  tpuij 
bij,  dat  hi  hem  seinde;  die  doTele  yloen,^.  II*. 
23 ,  50.  Sijn  herte  hem  te  seinne  riet,  iIm  ki 
dede;  hi  waes  bedacht,  III^,  30,  28.  DosYorda 
si  daer  also  bedacht,  dat  si  hem  vrageden  ita 
ter  stat,  hoe  die  pays  waer  gesat,  lY*,  38,  U. 

b)  Van  het  gemoed  gezegd. 

a)  in  eigeniyken  zin:  te  moede ,  gestemd  [y^ 
Hem  bedenken  B).  ||  Soe  waren  si  Yoadei^ 
bedocht,  Hild.  5,  184.  Ses  weken,  .  .  dit  ki 
daerin  (in  den  kerker)  besloten  lach ,  dit  ki  sobk 
no  dach  ne  sach ;  aes  waren  sjn  kindre  tns 
bedacht,  Velth.  IV,  42,  78,  d.  i.  somber,  inef- 
geestig,  zwaarmoedig  gestemd.  —  Ook  met  da 
persoon  in  den  Sden  nv.  ||  Och,  mi  en  wuaie» 
lede  bedacht,  ik  was  nooU  zoo  droej  U  nadt, 
als  mi  es  tot  deser  ure,  dat  ie  die  scone  ereitiR 
Sandrijn  dus  heb  verloren ,  Lansl.  (H)  531. 

fi  overdrachtelijk.  Gezind.  ||  Alsoe  enwaskni 
bedacht,  dat  ie  u  doen  sonde  enege scande, ZmI^ 
140.  Waer  desé  rndder  also  bedocht ,  of  ie  gk«ée 
an  hem  sochte,  dat  hem  danne  mijns  ferdodto. 
men  sout  hem  prisen  emmermere.  Wal.  4296.  Hf 
was  gheystelick  bedacht,  Serv.  I,  2217,  31iL 
Altoos  es  soe  in  dien  bedocht,  dat  soe  wille vna 
in  die  sale.  Wal.  1126.  Alsoe  saen  alse  die  he)^ 
waren  brocht,  was  hi  andersins  bedocbt,  iw  i^ 
weer  van  gezindheid  veranderd.  Rein.  1,82.11^ 
volc  dat  hoorde,  so  werttet  verslagen  ia  k« 
selven  ende  anders  bedacht,  Exc.  Cron.  14U.  Hiff 
en  binnen  werden  die  Brabantsche  herei  udgi 
bedacht,  150r.  Dat  ie  bin  also  bedacht  te  doof  il 
dat  si  gebiet,  Sp.  17»,  51,  26. 

c)  Bedacht  sijn,  yan  de  bewustheid  f^ 
Zijne  bezinning  terugkrijgen ,  tot  sieh  zeisen  ksêB 
(vgl.  HEM  BEDENKEN  C).  |i  Als  die  vionwe  « 
bedacht,  doe  sprac  die  hoofsce  Urake,  ?arM.3^ 

BEDACHTELIKE  (ook  met  klankwisselii^K^ 
dechtelike),  bijw.  Met  voordacht,  -met  ne- 
bedachten rade,  opzettelijk.  ||  Dat  hg  bedecbt#i 
nye  daeraen  en  mysde  (d.  i.  miste)  noch  enloeel. 
Serv.  II,  2940. 

BEDACHTHEIT  (bedochtheit),  znw.Tr.  Om'A 
bedachtzaamheid.  \\  Echt  sal  die  jongbe  wX  ^ 
dochtheit  ende  tragheliken  antwoirden,  vut" 
improviso  fallitur  omnis  homo,  Matth.  49. 

BEDACHTICH  (bedochtich  ,  BEDECHTin 
bnw.  Mhd.  bed4htie. 

1)  Voorzichtig,  verstandig,  bedachtsaeM.  \\^ 
hertoghinne  Alijs ,  die  bedachtich  was  ende  «f» 
Heelu  171.  Doch  waren  die  Grieckcn  ctecktJ^ 
ende  van  orloghen  so  bedechtich,  dat  men  »^ 
mochte  ontraden,  Troyen  2797. 

2)  Standvastig ,  onwankelbaar,  jj  Bedochtigkefi^ 
hoirsamicheit,  Devoet  B.  (30)  lOlr  (vanChru» 

3)  Van  bedacht  sijn  in  den  zin  via  f*^ 
zijn  (zie  ald.  II).  Geneigd,  gezind.  \\  Willedi  f* 
nu  bedachtich,  mi  te  hulpene  te  deser  ikw<, ' 
wille  u  dienen  tote  in  mijn  doot,  OVl.  bd>^ 
Ged.  333. 

4)  Goed  bij  zijn  verstand.  Zie  een  voorbeeWf 
BEDACHT  2). 

BEDACHTICHEIT,  en  -hede,  znw.  tt.:* 
bedachticheden.  Yan  bed€tchtich  (zie  ald.). 

1)  Verstand,  denkvermogen.  \\  A\\e  ^tps^ 
men  wel,  die  in  desen  dans  quamen,  dat  $i 
zin  verloren  dair  bi  ende  al  hare  bedacbtec' 
Lanc.   II,    18220.    Got   .    .    .    soutti   mini» 
alle   dire  herten   ende  van   alle  dire  zilen 
ende  met  alle  dire  bedachtegheit,  L.  v.  J.  f- 

2)  Bedachtzaamheid,  behoedzaamheid.  \]Jkf^ 


6Ó9 


BÈDA. 


fiEDA. 


610 


draget  meltheden ,  dander  reine  oetmoedichede . . . 
dat  negende  (ene)  bedachtechede ,  Zanc.  III,  15270. 
Bedochtichejt  maectet  hert  altoes  sacht  ende 
ghemoede,  Devoet  B  (30)  102  r. 

3)  Standvattigkeid ^  vattberadenheid ,  \\  Ghehoir- 
saemheit  ende  bedochticheyt ,  daer  hy  syn  sielliet 
Tan  hem  sceyden,  dat  was  een  teyken  groter  be- 
dochticheyt,  die  in  sQn  {Ckritttu*)  herte  was, 
Devoet  B,  (30)  101  v, 

4)  Yan  hedaehtich  in  den  zin  yan  gezind  (zie 
ald.  3).  OesindAeid,  wil.  \\  Albrecht...  doen  cond 
allen  Inden,  dat  wi  met  onsen  yolcomene(n)  wille 
ende  bedachticheit  omme  nntscap . . .  van  ons  ende 
onsen  landen  hebben  gheconsenteerd  enz. ,  Y.  d.  Wall 
281  (tf.  1367). 

BEDADINGHEN,  zw.  wv.hfièi.N^Ji  dadinghen -, 
zie  ald.   en  Terg.  bededinghen  en  bebrieven. 
Mnd.    bedadingen.  Eene  dading^  eene  overeenkanut 
sluiten^  bij  dading  of  overeenkonut  toezeggen  of  voor 
sich  bedingen,  \\  Öic  spraken  zi  mitten  wisselair  yan 
Dordr.  dair  zQ  dach  an  bedadingden,  van  toten  zij 
een  termijn  bedongen ,  BeL  v.  Leid,  202.  Gelgc  als  dat 
in  horen  eersten  yoirwairden  bedadinct  was ,  289.  Die 
mare   qnam  onder  den  yolke,   hoe  dat  die  ^raye 
Tan  Oleye  die  moerdenaers  hoir  lijf  sonde  willen 
laten  behonden   ende  dat  bedadingen,   Clere  140. 
Yan  heren   Wühem  yan  Bueren  is  snnderligh  be> 
dadingt,   Ngh.  4,  212  (a.  1446).  Yoirt  hayen  wir 
cleirlich   bedadingt,   dat   in  desen  .  .  .  bestanden 
mit  begriffen  sgn  enz. ,  ald,  213.  Dat  nn  by  tnsschen- 
spreken   onser   beider  fmnde   bedadinght  is,  ald, 
387  (a.  1467).  Wes  hnn  dan  mit  rechte  ofgewonnen 
wort,  of  dat  sii  mit  genoege  bedadingen,  dair  of 
snilen  wil  hebben  die  tweedeel  ende    onse  stede 
dat  derdedeel,  Y.  d.  Wall  414  {a,  1402).  Heeft  n 
Titns  yet  bedadinct  {zijn  voordeel  van  u  gezocht)? 
Hebben  wi .  .  .  niet  in  enen  gheeste  ghewandert , 
Mt.  76 ,  II   Cor,  12 ,  18.  Heeft  n  Titnm  (/.  Titns) 
yet  bedadinct?    He,   Bpist.    67  a;  glosse:   Dat   hi 
yet  seide:    „Wilghi    den  apostelen    hebben,   soe 
moet  ghi  wat  gheyen."  Off  die  .  .  .  hertoge  yan 
Gelre  den  coopmanne  Torder  hierlnne  bedadingen 
wolde,  der  sesse  stnyers  yoirsz.  ontslagen  te  wesen, 
Y.    d.   Wall   653  («.    1444).  Off  die   hertoge  yan 
Qelre  .  .  .   aiin  selfs  steden  ende   ondersaten  tot 
eniger  iiji  bedadingen  wolde,  ald,  554. 

BEDAËK,  bnw.;  eig.  dcelw.  yan  het  ww.  be- 
doen] mnd.  3eddn^  mhd.  betoon.  Bedekt  met,  voor- 
zien van,  II  Cancarides,  als  wie  gomen,  wassen  in 
bladen  yan  bomen,  teerst  als  mpsemen  ghedaen, 
dan  met  yloghelen  bedaen.  Nat,  BI,  YII,  455.  — 
Hoewel  alle  andere  Hss.  bevaen  hebben,  zal  toch 
^daen  wel  de  oorspronkelijke  lezing  z|jn.  Nog 
^eden  heeft  zich  bedoen  in  de  yolkstaal  den  zin 
ran  ziek  Bevuilen,  zich  met  drek  bedekken, 

BEDAERF,  BEDAERFLIJG ,  BEDAERYE ,  BE- 
DAEBYEN.    Zie    bederve,    bederveluc,    be- 

>ERVEN. 

BEDAGHEN ,  zw.  ww.  onz.  en  bedr.  Yan  daghen, 
Onz. —  1)  In  eig.  zin.  Dag  worden,  aanbreken, 
^aan.  Mhd.  bedagen,  ||  sMaendags  snachts  als 
licendach  bedaghede,  Óron,  v,  Flaend,  2,  126. 
lier  is  bedaecht  een  salighen  dach,  die  ewelQck 
oer  onB  Uchten  mach,  Hild.  58,  237.  Ons  is  een 
wich  liclit  anschgn  ende  een  salich  dach  bedaecht , 
2,  3.  Als  ons  die  leste  dach  bedaecht,  134, 
6.  Ban  sel  die  swaerste  dach  bedaghen ,  dien  God 
sr  werlt  ye  warden  liet,  136,  236.  Die  dit  qnade 
och  sal  Teijagen,  hem  sal  een  salich  dach  bedagen , 
Cerk,  CL  218. 
2)    By    uitbreiding.    Opdagen,   verschijnen,  zich 


\ 


voordoen,  zich  vertoonen,  \\  Her  graye  yanLnthsen- 
borch !  n  es  bedaget  dat  ghi  lange  hebt  gheiaghet , 
Heeln  5770.  Ie  waenre  lettel  bedaghet . .  diere ,  die 
men  hier  ghewaecht,  Lsp,  1, 25,  83  var.  Hort,  Yronwe 
{Maria),  wat  lüen  n  saget:  ghenadicheit  es  in  u 
bedaget,  Vierd.  Mart.  216;  d.  \,  in  u  is  genade 
opgedaagd  voor  de  menschhetd,  of  zij  is  in  u  opge- 
gaan,  d.  i.  gif  zijt  vol  van  genade.  Sgn  goede 
werke  ane  hem  bedaecht,  so  wert  syn  woert  na 
recht  gesmaect,  wanneer  goede  werken,  de  beoefe- 
ning der  deugd  voor  hem  is  opgegaan,  d.  i.  wanneer 
hij  vol  goede  werken  is,  zelf  het  goede  doet,  dan 
hebben  ook  zijne  woorden  invloed,  Èincl,  359. 

3)  Met  eene  zaak,  meestal  iets  onaangenaams 
uitdrukkende ,  als  onderwerp  en  een  3den  ny.  yan  den 
persoon.  Overkomen,  treffen,  eig.  over  iemand  opgaan , 
aan  iem,  verschijnen.  ||  Dies  moeten  si  in  thelsche 
slop,  dat  {l.  daer)  sal  hen  wee  bedagen.  Vierde 
Mart,  241.  Wanneer  mi  noet  of  anxt  bedaecht, 
Bincl,  745.  Lachter  moet  n  siin  bedaghet,  Lett. 
N,  R.  7',  139,  297.  Grote  onnere  sal  mi  bedaghen , 
Ferg,  2077. 

Bedr.  —  1)  In  eigenlijken  zin.  Beschijnen,  \\ 
Een  w^flic  beild   mi   so  behaecht,  al  tmerdet  al 
dat  dach  bedaecht,   ie  loughe,  waric  hoer  liefste 
man,  OVl,  Lied,  en  Oed,  141,  8. 

2)  Yan  daeh  in  den  zin  yan  termijn.  Een  termijn 
verleenen,  tot  een  bepaalden  termijn  in  vrijheid 
stellen  of  laten  (ygl.  daeh  hebben,  Ngh.  4,  127; 
en  zie  yerder  dach).  ||  Wg  doen  kondt . . .  dat  wij 
Joest  yan  Yorden  als  stratenscheynder  bedaecht 
hebben  ind  mitz  desen  bedaigen  sess  weken  lanc, 
Nijh.  6 ,  714  {a,  1522).  Een  deel  Geldersche  mtere . .  • 
hebben  de  ti^flizte  yan  onser  ridderscap  .  .  .  ge- 
yangen,  enige  bedaget  ende  yier.  .  .  mit  sich  ge- 
yoert,  ald.  101  {a.  1521). 

BEDALLEN,  bgw.  Yan  het  yoorz.  bed,  in  bet. 
met  met  oyereenkomende.  Zie  bet  (2de  Art.).  Yooral 
in  de  byw.  nitdr.  albedallen  en  niet  bedal- 
len, dat  in  bet.  met  ons  niemendal  (Yan  den  armen 
Inden,  die  niet  bedallen  en  hadden,  D,  B.  Jerem, 
40 ,  7)  oyereenkomt.  Zie  de  nitdr.  bg  al  ,  kol.  320 , 
en  ygl.  DUU.  2,  225:  bed  all  e,  omnino, 

BEDAMMEN  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  bedammen.  Met 
een  dam  voorzien,  af  dammen,  \\  Omdat  si  ene  .  . 
wateringhe  bedammeden.  Bek.  d.  Gr,  1,  278. 

BEDANEELIJC,  bnw.  —  1)  Aangenaam,  welge- 
vallig, \\  (Hi)  iQeddene  tote  Dommeline  saen,  diene 
yriendelike  heeft  ontfaen  met  woorden,  die  waren 
loyelic  zeere  ende  bedanckelic  Gt>de ,  onsen  heere , 
Amand  II ,  4145. 

2)  Dankbaar,  Zie  het  yolg.  Art.  en  ygl.  dano 
baer  en  Dancsaem. 

BEDANKELICHEIT,  -hede,  znw.  yr.  Yan 
bedankelijc,  in  den  zin  yaik  dankbaar.  Dankbaarheid , 
erkentelijkheid.  \\  Ute  dien  dat  .  .  die  hertoghe 
yan  Orliens  .  .  .  hem  dronch  ter  yorseyde  stede 
waert  zeere  jonstelike  ende  yriendelike,  so  was 
hem  in  bedankelicheden  ghegheyen  120  iè,  Invent. 
V,  Brugge  5,  169. 

BEDANKEN,  zw.  ww.  onz.  en  bedr.  Met 
den  3den  (later  ook  met  den  4den)  ny.  Mnd.  bedan- 
ken. Tot  dank  verplichten,  reden  van  tevredenheid 
geven  (ygl.  Lubben  1,  165.)  jj  Dat  hi  Henric  ende 
zinen  maghen  bedancken  ende  yorderlic  wesen  zei 
ende  oec  der  stat  yan  Utrecht,  B,  v,  Utr,  1,  81, 
19  (tf.  1367). 

^  Yandaar  het  in  de  17de  eeuw  gebmikeiyke  bnw. 

,  ^  jjnk t ,  tevreden ,  vergenoegd.  Zie  Oudem.  1 ,  380. 

YooriV   als   wederk.   ww.   Hem    bedanken, 

ug^ee^ems    gé\\)k  aan    het    meer    gebruike- 

iO  20 


611 


BEDA. 


BEDA. 


612 


l^ke  Hem  beloven^  met  den  2den  ny.  der  zaak 
(zie  ald.).  Zich  zelven  tot  dank  voor  iets  verplicht 
achten ,  zijn  dank  betuigen^  tevreden  zijn ,  in  zijn  êchik 
zijn.  II  Hierommef  helich  heere  mün,  so  bedancke 
ie  mi  uwer  ghenaden,  eiide  wille  wesen  vroach 
ende  spade  u  knecht  ende  u  dienstman,  Amand 
II,  3095.  Voort  bedancte  hi  hem  algader  der 
dnecht,  die  hy  hem  gedaen  hadde ,  3908.  —  Meestal 
verbonden  met  den  2den  nv.  Tan  een  vnw.  of  eene 
bepaling  met  van,  \\  Al  des  selfs  mochten  wale 
die  ander  heeren  altemale  van  Brabant  hen  be- 
dancken,  Heelu  8669.  (Si)  baden  den  drie  staten 
op  minne,  hen  te  bewisene  alsoe  hier  inne,  alsoe 
dats  hem  in  sgn  ghedochte  die  Roemsce  coninc 
bedanken  mochte,  Brab.  ¥.  VII,  6206.  Welc 
rnwaertscap  droech  die  heere,  dat  hem  des  tlant 
bedancte  zeere,  17139.  (Hi)  gaf  hem  daermede 
{met  kokend  water)  sjjn  deel  after  op  sijn  lenden, 
eer  hi  danen  sciet,  so  dat  h^s  hem  en  bedancte 
niet,  zoo  dat  hij  daarover  niet  bijzonder  in  zijn 
schik  loas,  Rein.  II,  7498.  Ie  hebbe  enen  rudder 
.  .  .,  dien  sere  na  n  comen  lanct,  ende  dies 
hem  lettel  bedanct,  dat  icken  bi  mi  soe  lange 
houde,  Limb.  V,  1822.  Dess  wg  ons  vrientelick 
aen  hem  bedancken,  Ngh.  4,  229  (a.  1448).  Des 
ick  mj  bedanck,  ald.  194  (a.  1443).  Des  wi  ons 
bedancken,   dat  siit  ghedaen  hebben,  V.  d.  Wall 

I,  185  {a.  1340).  Her  somer  here,  dies  moetic 
mi  van  n  bedancken  emmermere,  Wint.  e.  S.  546. 
Nie  en  hoordic,  sonder  nn,  dat  hem  iement  van 
enich  dinc  bedancte,   daer  hi  mede  omginc.  Rein. 

II ,  4850.  Daeraf  die  man  hem  sere  bedancte ,  dat 
dit  hondekyn  dit  seer  dreef,  Velth.  IV,  56,  28. 
(8y)  bedancten  hemlieden  .  .  van  der  steede  van 
Bnigghe  ende  van  someghen  goeden  lieden,  die 
hemlieden  duecht  ende  almoesenen  ghedaen  hadden, 
Cron.  V.    riaend.  2,    94. 

=  Nog  in  de  17de  eenw  in  gebruik.  Zie  Oudem. 
1 ,  329  en  330. 

BEDAREN  (Hem-),  zw.  ww.  wederk.  Ndd.  be- 
daren. Zijne  hartstochten  bedwingen^  zich  zelven 
beheerschen.  Voor  den  oorsprong  van  dit  woord  vgl. 
eng.  dare,  d.  i.  bevreesd  zijn ,  tvegkruipen^  en  E.  Muller 
Etgm.  Wtb.  1,  313.  ||  Op  dat  een  yghelic  hem 
bedare  ende  wüslic  minne  sijn  wederpare,  MLoep 
1 ,  323.  —  Ook  in  den  zin  van  tot  zich  zelven 
komen  ^  ontwaken.  ||  Dese  eerbaer  vrouwe  van  hogher 
love  heeft  haer  van  den  slape  bedaert  ende  is 
ghegaen  ter  haven  waert,  1548. 

BEDARF,  BEDARVEN.  Zie  bederve,  be- 
derven. 

-BEDAUWEN   (bedouwen),    zw.    ww.   onz.  en 
bedr.  Mhd.  betouwen. 

Onz.  —  1)  In  eigeï!\^\ie:n.  zixi.  Met  dauw  besproeid 
worden^  zich  met  dauw  bedekken.  ||  Echt  so  bat 
die  deghen  snelle  des  anders  nachts  dattie  vocht 
droghe  bleve  bider  Gods  cracht  entie  erde  be- 
dauwen  soude ,  Rijmb.  7516.  Alse  een  die  bedauwet 
es,  velut  quodam  frigido  rore  perfusiis ^  Sp.  III*, 
34 ,  55.  Tvonnesse  der  alrehoochster  zaken  sal  die 
aerde  bedauwet  maken,  Lsp.  II,  15,  83. 

2)  Bij  uitbreiding.  Vochtig^  nat,  doorweekt 
worden.  ||  So  menghen  stortten  hy  dat  bloet,  dat 
hy  dat  velt  bedanwen  doet,  Troyen  1712.  Dat 
gras  was  bedect  (/.  bedaut)  met  \A^^\t,iammadet 
herba,  Alex.  III,  232  {bedect  is  ontstaan  door  het 
woord  bedoelen  van  den  volgenden  regel). 

Bedr.  —  1)  Eigenlek.  Bevochtigen,  nat  maken, 
d4>0Tweeken.  ||  Die  trane  die  hi  utegoot,  dat  bet 
bedanwden  altemale,  Parth.  8239.  In  orcond- 
scepen  van  rouwen  wil  ie  die  oghen  mijn  bedouwen 


.  .  .  met  tranen,  OVl.  Lied.  en  Ged.  3,  57.  Dit 
crenseiyn  is  bedouwet  mitten  edelen  bloede  ^t, 
Hor.  Belg.  10,  186.  Zij  (d^  vrouwen)  pOi  èï  n 
een  bedauwet  nat  tusschen  de  been,  Fr.Heim,fiIi. 

2)  Figuurlijk.  Besproeien,  overgieten.  \\  (Dttjmi 
uwe  gracie  so  bedauwe,  dat  mi  de  dnvel  oiet  a 
ghelauwe,  Praet  177.  Die  bedauwet  es  met  roiies 
ende  vreese  heeft  in  syn  ghedochte,  357. 

BEDAÜWER  (BEDAUWER),  znw.  m.Yerg.iBiit 
bidaldus,    bidardus,    Hdarius,    bidaudus  (I)ac.  1, 
675,  676);  ofr.  ^u^la»^  (Roqnef.  1 ,  154).  Beoumii 
van  ongeregelde  lichte  Fransche  troepen ,  de  Tveo's 
en   Zouaven  onzer  dagen ,  die  in  de  voorste  rjei 
vochten    en    als    tirailleurs    dienst  deden;  vaai- 
schijniyk   van    Spaanschen   oorsprong.  By  Daji 
Sauvage :   „  Bideaux — Bedauri ,    homines  tgiles  et 
parvi,  genus  Hispanicum^\  volgens  Meyeradtii. 
1304,   bl.   122   (zie   Kausler,  Benkm.  1,  bl.  5861 
In  eene  plaats  uit  Guiart,  aang.  bg  Dnc,  worda 
z|j  aldus  beschreven :    „  De  Navarre  et  deven  hr 
pagne  reviennent  Bidaus  k  grans  routes,  desqiia 
les  compagnies  toutes  en  guerre  par  accoostiuaaet 
portent  des  dars  et  une  lance ,  et  un  contel  i  b 
ceintnre:   d'autres  armeures  n'ont  cure."  Vaniw 
zij  hunnen  naam  ontleenen,  is  niet  met  zekeik^ 
te  bepalen.  II  Chaerle  sonder  letten  mee,Uet4a 
Damme  in  de  stede  CCC  bedauwers ,  F7.  jBt}«*.66ö. 
Dese    en    hebben    niet  ghelet ,   sine  quamea  ve. 
crachte   te    Damme   in,    dat   was   den  beduvel 
onghewin,  want  sy  worden  daer  versleghen,  6701 
Dit    waren    bedauwers    arm    ende    naect  die  U 
Groningen  waren  geraect,  Velth.  IV,  45,  9.  D» 
waren   pover  naecte  bedouwers,   die  liepen  tot». 
IV,  48,  82. 

BEDAUWINGE  (bedouwinge),  znw.  tt.Tb 
bedouwen  in  den  zin  van  bevochtigen  (ziealdl^^ 
vochtiging,  besprenkeling.  \\  Dit  is  properlic  « 
bedouwinge  ende  een  driakel  teghens  die  iT«t- 
heit,  Con.  Som.  188  a.  Van  welcken  dat  hfltÉ 
vercrighet  een  zoete  bedouwinghe ,  ende  die  ^ 
spruten  een  guede  wortel  ende  wel  ghctempff^' 
ald.  b. 

BEDDE,  znw.  onz.;  verkl.  beddekijn, -kiv 
Mnd.  bedde.  Zie  over  den  oorsprong  na  ^ 
woord  Grimm  ,  B.  Wtb.  1 ,  1722 ;  Kluge ,  EUfn.  f^ 
26,  en  vooral  Kern  in  Tijdschr.  1,  37. 

1)  Bed,  in  de  tegenwoordige  beteekenis:  fe> 
4000,  Flor.  3277,  3334;  Wal.  1313;  Oendsch  CkU 
54 ,  waar  het  leveren  van  bedden  in  geval  van  ^■ 
als  een  landsheeriyk  recht  in  sommige  ^^ 
vermeld  wordt,  enz.  —  Een  zieke  bedde,* 
ziekbed.  \\  Enich  man  die  leghet  in  sinen  vM 
bedde ,  Stad«r.  v.  Zwolle  131 ,  223.  Vgl.  dode  han^ 
doodbare;  en  in  doden  graven, 'Nat.  ^/. II,  2066-- 
Enen  te  bedde  doen,  ievumd  te  bed  bren^^' 
Mettien  heifti  orlof  gegheven  den  enapen  dieie^ 
bedde  daden.  Wal.  2660.  —  Te  bedde  ^iU»» 
bedlegerig  worden.  ||  Hierna  so  wert  die  edelGï^ 
cranck  ende  viel  te  bedde,  Matth.  JnaJ.  1.  ^ 
—  Een  bedde  maken,  een  bed  opmaken, 'ti* 
Middeleeuwen  het  werk  van  manneiyke,  a>i^ 
van  vrouweiyke  bedienden.  ||  IHe  beddea  f*f 
wel  ghemaect.  Wal.  1311.  BIn  desen  quises  ^ 
garsoene  ende  ghingen  maken  in  die  sale  die  be^ 
2592;  zoo  ook  2601;  ««.  —  Dat  (een)  b«^^ 
breken  (tebreken),  op  een  op^evuuikt  ieé  f^ 
liggen  en  het  beslapen ,  het  bed  gebruiken ,  té  tedfi^; 
een  tebroken  bedde,  een  gebruikt,  besléff*  •• 
Verg.  hd.  ein  unzerbrochenes  ^^/^ ,  een  niet  bei^ 
bed;  sin  bett  brichen,  het  gaan  beslapen  (tini^ 
D.   Wtb.  1,  1723  b),   en    BREKEN.  ||   Die  b^^ 


613 


BEDD. 


BEDD. 


614 


Nprac:  ^Ic  soats  mi  scamen^  qname  yement  ende 
vande  mjn  bedde  tebroken,  BoerdenX^  21.  Alssic 
mjn  tweester  een  beddekin  hadde  ghebroken,  doe 
ghyngic  soken  by  der  rooder  mondt,  in  dieaerm- 
klus  wit,  up  die  borstkins  rondt,  ZVl,  Bijdr.  6, 
331,  128.  —  Eens  bedde  breken,  iemanéU  bed 
betreden  y  het  beslapen,  \\  Hadde  Adriana  gheschuwet 
dat  wack,  doe  Thesens  hoer  bedde  brack, ifXo^ 
II,  1669. 

2)  Huwelijiêbedy   AuwelijktffemeenseAap;   bij  uit- 
breiding   Aet   huvel^k  zelf,  ||  Al   eist   alfo   dat 
tvoorseide  hnns  {het  Leprozenhvu)  neeheen  hnweÜc 
en  sceedt,   nochtans   versceedet  bedde,  waert  dat 
eenich  man  met  zynen  wyfye  ofte  met  eeuegher 
andere  lichamelic  mesdade,  daer  mede  Terbuerde 
hjjt  hans ,  Cout,  v.  Gent  606  (a.  1306).  8o  wanneer 
na  yements  doot  een  bed  geschoert  is  in  deelen, 
een  huwelijk   verbroken   »,    O,  K,  p.   Dor  dr,  26, 
60.  —  Oescedens    bedde,,  absolute   naamyal, 
buiten  huwelijkegemeeneehap  ^  zonder  bij  elkander  te 
slapen,  Sp,  III*,  44,  36.  —  Een  geheel  bedde, 
eenniet  ontbonden  huwelijk;  in  geheelen  bedde 
Bitten   ofs^n,  w  hutoeUjksgemeentchap  leven.  \\ 
Waer  dat  ten  tyden  dat . .  voorseide  persoon  starf,  dat 
radere  ende  moedere  van  hem  saten  enalnochzQn 
in  gheheelen  bedde,  Cout,  v.  Oent  619.  Wie  schnldich 
es  mondtzoendere  te  wesene  van  den  voorseiden 
dooden.,  weder  den  yadere  yan  den  dooden,  midts 
dat  bedde  gheheel  es,  of  de  Toorseide  oom,  ald, 

—  Broeder  ende  snster  van  geheelen 
bedde,  volle  broeder  en  zuster,  \\  Soo  waer  ghe- 
broederen  ende  ghesnsteren  s^n  yan  twee  wettige 
bedden  oft  yan  meer,  dat  de  ghene  die  broeder 
oft  snster  is  oft  sQn,  van  gheheelen  bedde,  sal 
oft  sullen  dies  broeders  goedt,  dat  hy  ghekregen 
heeft,  die  van  gheheelen  bedde  is,  deene  hellicht 
yoor  uyt  hebben ,  Ctmt,  v,  Brussel  1 ,  302  {a,  1366). 

—  Qetrouwet  bedde,  echt  bed^  wettig  huwelijk. 
Zie  GF.TROUWET.  Il  Hi  en  si  poirter  Tordrecht  .  . 
ende  hi  en  sii  witliicke  geboren  ende  yan  eenen 
getmweden  bedde,  Y.  d.  Wall  460  (a.  1418).  Item 
Boe  en  sal  geen  bastaert  wercman  worden  .  . ,  hy 
en  sal  ierst  alle  der  gheenre  ghemoede  hebben, 
die  yan  ghetronden  bedde  syn  alsoe  yerre  alser 
/mant  in  leyenden  liye  ware  yan  den  ghetronden 
bedde,  476  (a.  1422).  De  zeWe  doode  hadde  een 
snstere  yan  yadere  ende  moedere  yan  wettelycken 
^hetrauden  bedde,  Coutv,  Oent 619,  Eens  bedde 
gemene  werden,  met  iemand  het  huwelij ksbed 
deelen  y  viet  hem  {of  haar)  als  vrouw  {of  mam)  leven.  \\ 
Ghef  mi  eene  bede  alleene,  eer  ie  d^ns  bedden 
werden  gemene,  4^. III«, 6,7. — Bedde  gelike. 
Zie  bg  Qelijc. 

3)  Buetbed^  canapé^  sofa,  \\  Mettien  so  qnamen  si 
ghegaen  tenen  bedde  achter  den  haert,  endeghingher 
np  sitten  ,  Wal.  2638.  Up  een  bedde . .  deidsoe  mi 
si  tien  neyen  hare  side,  6444.  Nu  cust  mi  an  minen 
mont,  eer  wi  yan  desen  bedde  gaen,  6468. 

4)  Bedding^  laag,  \\  Maect  eenen cop yan  deeghe, 
wel  diepe,  als  oft  ware  teender  pasteyen,  doeter 
in  een  bedde  yan  dragien,  dan  yan  snouken,  dan 
Tan  capoenen  boyen,  Keukenb.  3,  10. 

6)  Bedde  lants,  stuk  landj  akker.  Terg.  ons 
bioewsenbedy  hd.  beet^  en  wltLt.  petia  terrae  ^  tr.  pièce 
de  terre  ^Dnc.  6,  162r).  ||  Dnos  solides  decentum 
et  noTem  bedden  lants  jacentes  in  poertackere,  ubi 
commorantor  Beghinae,  Oork,  v,  1292 ,  m»  Diericx , 
Mem.   2,  688. 

6)  Wa^erkeering  y  dam^  ophooging  van  den  oever 
eener  rivier^  dijk,  \\  Eene  sinus  ofte  dam  ofte  bedde 
te  aettene,  Diericx,  Mém.  1,  398.  Ende  die  sinus 


ofte  dam  ofte  bedde  te  yermaeken,  te  yersettene, 
te  yerwandelen  ende  te  yerwisselen,  .  .  om  het 
waeter  yan  de  oude  Leye  daer  met  te  schnttene 
ende  te  leedene  binnen  haren  propressen,  ald. 

BEDDEBOOM,  znw.  m.,  doch  yerkeerdelijk 
onz.  gebruikt.  Yan  Bedde  en  Boom  m. ,  balk.  De 
balk  voor  aan  het  bed,  de  rand  van  het  bed,  de 
beddeplank.  ||  Si  rechte  haer  op  ende  stac  haer 
anscijn  oyer  tbeddeboom,  JEleg.  916  en  1223. 

BEDDEDECSEL  znw.  onz.  Deken  of  Dekbed,  || 
Die  porter  ...  sal  met  hem  daer  in  brengen  .  . . 
een  aby  t  te  sinen  liye ,  een  bedde ,  een  paer  slapen- 
lakene,  een  beddedecsel,  ende  niet  meer,  Brab,  Y, 
Dl.  2,  bl.  613  («.1368).  —  Ygl.  decsel. 

BEDDEGANC  znw.  m.  Het  te  bed  gaan,  bij 
uitbreiding  beddegaanstijd ,  bedtijd.  \\  Als  die  bedde- 
ganc  quam  aen,  deedsi  horen  ymntkijn  yore  gaen 
in  die  waerderoebe  heymelike,   MLoep   II,  3649. 

BEDDEGENOOT  (en  met  wegyalling  yan  het 
yoory.  ge-),  BEDDENOOT,  znw.  gemeensl.,  doch 
gewoonlijk  m.  gebezigd.  Mhd.  bettegenéz;  mnd. 
beddegenote,  bedaenote,  yr. 

1)  Echtgenoot,  zoowel  man  als  vrouw.  \\  Die 
dorde  {soort  van  ongeèchte  kinderen)  sijn,  die  elcs 
yan  den  onders  ghewonnen  heeft  boyen  sinen  wit- 
achtighen  beddeghenoet,  Matth.  68.  Dander,  daer 
ie  eer  off  sprac,  mochten  lichter  hoer  ghemac 
houden,  als  hem  God  gheboot,  elck  by  sinen 
beddenoot,  Hild.  11,  498  (var.  bedgenoef). 

2)  Echtgenoot,  geide,  vrouw.  ||  Men  sal  om  wille 
noch  om  deren  nyemants  beddenoot  begheren ,  Hild. 

II,  637.  Ende  die  beddenoet  naect  uyten  goede 
gaen  wil,  het  is  te  verstaen  op  een  wijf,  Dingt, 
V,  Delft  16.  En  begheer  nyements  beddenoet  noch 
syn  goet,  al  bistu  bloet,  X  Oeb,  306.  Want  si  en 
wiste  cleyn  noch  groot,  dat  Jason  hadde  een 
beddenoot,  MLoep  lY,  671.  Ende  hi  en  hadde  gheen 
beddenoet  die  him  sijn  dinghen  holp  besorghen, 
1100.  Dat  hy  een  wQff  yan  hogher  aert  tot  sinen 
hove  halen  soude,  die  sijn  beddenoet  wesen  sonde, 
1190.  Die  Paus  .  .  gaf  dairdiekerstelyckebenedixi 
op  die  coninck  Lodewyck  ende  op  Ermgaerde  sinen 
beddenoet,  Matth.  Anal,  3,  32. 

3)  Echtgenoot,  man.  ||  Elke  dochter  sloech  ter  doot 
horen  ooms  zoon  ende  beddeghenoot,  JfZoé^  lY,  1037. 

BEDDEGEWANT,  znw.  onz.  Beddegoed.  Zie 
Gewant.  Mhd.  bettegewant.  ||  Dien  broedren  des 
ordens  es  linen  doec  moghelic  (geoorloofd)  te  hebben 
te  hemeden  .  .  ende  te  horen  kousen  ende  te  lilakeu 
ende  te  beddeghewande ,  D,  Orde  223. 

BEDDECAMER,  znw.  yr.  Slaapkamer,  en  bij 
overdracht ,  in  navolging  van  het  N.-Testamentische 
9^naM.gehn\\i,vleeschelijke gemeenschap.  Mhd.  bette- 
kamer  e.  ||  Ghi  hebt  een  wgf  tegens  die  wet  .  ., 
die  uwer  mogentheit  is  een  vleeschelyke  nichte, 
van  welcker  beddencamer  ie  u  vermane  .  .,  dat 
ghijs  ofstaet,  MaUh.  Anal.  3,  36. 

BEDDECLEET,  znw,  onz.  Deken,  \\  4ielnewits 
wollins  lakens ,  9  d.  gr.  Item  een  beddecleet ,  8  ster. 
Bek,  V.  Zeel,  1,  441.  Een  beddecleet  van  lynen, 
wullen  oft  tierenteyn,  Oesch,  v.  Antw,  2,  647. 
—  Yooral  in  het  mv.  Beddecleder;  mnd.  bedde- 
kleder.  Hetzelfde  als  beddegewant  (z.  ald.).  Bedde- 
goed. II  Hare  potte  ende  hare  andre  vate  ende  oc 
hare    beddecledre    dwaen    si   dicke,   Z,   v.   J,   c. 

III.  Wie  end  waer  mede  men  die  broeder  mach 
cleden  ende  wat  toe  behoert  beddecleder,  D.  Orde 
213.  Ten  bedde  cledren  mit  enen  sacke ,  een  carpiteel , 
een  lilaken,  ene  culcte  .  .  ende  mit  enen  cussen 
laet  hem  elc  broeder  mede  ghenoghen,  224.  Zog 
ook  i^*-  d.  Or,  l,  369;  enz. 


645 


BEDD. 


BEDi). 


616 


BEDDEN  {bedde,  gebeddet,  gebedi  of  gebef),  zw. 
WW.  0112.  en  bedr.  Mhd.  betten. 

Onz.  —  Ret  bed  opmaken ,  in  gereedheid  brengen.  \\ 
Een  hiet  daer  bedden  in  die  sael;  dat  volc  ghinc 
slapen  al  te  mael,  Troyen  f.  43^.   Na  den  etene 
gincmen  gerede  bedden  ende  doe  gingen  die  heren 
hen  daer  na  ter  raaten  keren,  Lanc.  II,  39103. 

Bedr.  —  1)  Van  kinderen.  Te  bed  brengen,  ter 
ruste  leggen,  \\  Die  vrouwe  gheent  kint  met  hare 
nam  te  spisene,  te  beddene,  Sp,  I',  66,  46.  Si 
(Maria)  en  gondet  niemant  Toer  haer  te  doen  in 
(haar  kind  Jeztu)  heffen,  in  legghen,  in  draghen 
ende  in  bedden,  Gulden  Troen  ƒ.  61d. 

2)  Van  Tolwassenen. —  a)  Eigeuïijïi.  Iemand  naar 
zijne  tlaapplaate  geleiden,  hem  een  bed  aanwijzen.  \\ 
Die  knechten  ende  maechden  en  sal  hij  niet  in  één 
camer  bedden ,  Schaaktp,  59c.  Van  den  hues  die  scone 
joncfronwe  hadde  Waleweine  gebet  met  trouwen, 
Lamc.  III ,  20876.  Doen  si  geten  hadden  daer  deetse 
die  hermite  wel  daer  naer  bedden  ende  deetse  slapen 
gaen,  II,  36645.  Die  ridder  wert  gebedt  scone  in 
ene  alte  scone  zale ,  Limb.  X ,  148.  Na  etene  deetsi 
bedden  wale  den  coninc,  Lanc.  IV ,  2435.  Men  bedde 
Waleweine  met  ere ,  IFal.  3611.  Flandrijs  was  savonts 
wel  te  gemake  ende  ghebeidt  (1.  ghebedt) ,  Flandr.  I, 
384.Zooook  Vrouw  e.  M.Ylll,  lil.  —  Gebeddet, 
te  bed  liggende;  gebeddet  sijn,  te  bed  liggen, 
slapen.  ||  Onder  des  conincs  ment  was  hi  ghebedt 
mede  tsamen,  Rijmb.  17990.  Daer  vant  hi  menighen 
tyrant  ghebeddet  scone  in  die  sale,<Sl0'^^.  6003  ( Var.  te 
bedden  ligghende).  Alsi  (/.  Alstie)  liede  gebet  waren, 
Vad.  Mus.  4,  314,  30.  Mordret  was  ghebet  allene, 
Lanc.  II,  5416.  Mi  dunct  ie  ben  te  nacht  ghebed 
ghelijc  oft  waer  een  beer.  Vrouw.  ^.  Jf.  VIII ,  272^ 

b)  Figuuriyk.  Plaatsen,  eigenlijk,  een  leger  be- 
reiden. II  Hi  bedde  mi  daert  wel  donker  was,  als 
men  doet  den  doden,  Boetps.  143,  13  (Vuig. 
collocavit  {collocare  ==  fr.  coucher)  me  in  obscuris. 
Verg.  Staten-Overz.  Ps,  139,  8:  ^Beddede  ick  my 
in  de  helle"). 

3)  Van  steenen.  Ze  rechthoekig  houwen,  recht- 
hoekig maken,  fr.  éguarrir.  ||  Stéene,  wel  ghebedt 
ende  wel  ghezweedt,  Invent.  v.  Brugge,  Int.  408. 
Wel  vesteene,  wel  ghebedt  ende  ghezweedt,  ald.l, 
450.  De  steene  .  . ,  wel  ghestert  eude  reine  ghebet, 
3,  480.  Brabandsche  steenen,  wel  ghehecget  ende 
reine  ghebet,  5,  307. 

BEDDENOOT.  Zie  beddeoenoot. 

BEDDEPANNE  (bedtpanne),  znw.  vr.  Bedd^- 
pan ;  Gesch.  v.  Antw.  2 ,  646  genoemd  onder  allerlei 
ander  huisraad. 

BEDDERICK,  vetus.  Maritus,  eonsors  thalami, 
(Kil.).  Vgl.  ganserik,  en  andere  dierennamen  op 
-rik,  dat  het  mannetje  aanduidt. 

BEDDESPONDE  (bedsponde),  znw.  vr.  Van 
Bedde  en  Sponde-,  by  Kil.  y^structura  lecti:^TO]me 
autem  teutonice  sponde  dicitur  anteritts  lecti 
fulerumP  Het  voorstel  van  het  bed,  bjj  uitbreiding, 
het  bed  zelf.  ||  Die  baghine  sprac:  „Ie  souts  mi 
scamen,  quame  yement  ende  vande  mijn  bedde 
tebroken ;"  doen  berieden  si  hen  bede  te  samen :  voer 
die  bedsponde  ghingen  si  stoken.  Boerden  X,  21. 

BEDDESTAT  (bedstat,  bedstede),  znw.  vr. 
Mhd.  bettestat.  Bedstede,  slaapplaats,  bed.  ||  Joseph 
was  een  tymmerman  van  dinghen  daer  men  tlant 
mede  wan,  .  .  ende  ooc  van  beddestaden;  eens  so 
gheviel  hem  dat,  dat  hi  tymmerde  een  bedstat, 
Lsp.  II,  29,  1.  Joseph  maecte  die  beddestat  voort, 
31  var.  (in  den  tekst:  bedstede).  Voert  hiet  hi  dat 
te  makene  hert  on  se  beddestat,  ende  de  sine  es 
saechte,  Rincl.  381. 


BEDDESTROO  (beddestroe),  zow.  o.  JM- 
stroo.  II  Dese  (luiaarde)  siet  men  dor  hier  bedd^ 
stroe  drnpen,  Denkm.  3,  97,  82. 

BEDDEVAST ,  bnw.  Zie  Vast.  Bedlêgerif,  <n 
het  bed  gekluisterd.  ||  Also  dicke  alae  hi  daer  Bjetea 
quame,  die  verboerde  vierticb  scillingke  goeti  gbclts, 
hem  en  lette  kenlike  znuchte  of  dat  hibateoliiti 
waer,  .  .  of  dat  hi  beddevaat  waer, Mieris 2, S33« 
(a.  1323).  Siecken  Inyden,  die  bedvast  leg^  €( 
nuten  huys  niet  en  gaen,  R.  v.  Utr.  2,  298, 11 
Den  aermen  huusweeken,  beddevast  liggbeadf. 
Invent.  v.  Brugge  6,  115.  Den  ermen  ladea,  die 
beddevast  zün ,  in  de  passiweke  6  9 ,  Rek.  d.  Bmvl 
33.  Dit  voors.  ghelt  zullen  deelen  . .  de  ackeniecka 
ende  de  beddevast  ziin ,  liggende  te  seate  Jas 
huus,  aangeh.  Gloss.  Invent.  v.  Brugge  5914, 

BEDDINGE,  znw.  vr.  Van  Bedden  (zie  ili 
Bed.  II  Den  ghemeinen  burgeren  . .  ghein  beddiigk 
mith  hoeren  tobehoeren  nemen ,  noch  doen  »óck 
laiten  nemen,  Nijh.  3 ,  10.  (a  1372). Waer  om  oataoU 
herde  beddinge  op  te  rusten  ?  Bs.  80  ƒ.  90e.  Sat 
beddinghe  was  gemeene  beede  van  nedera  fsk 
van  cleene,  Sp.  I*,  18,  27  (in  bet  Ha.  stst 
beginghe.  Verg.  Vinc:  Ne  quidem  thon  en 
cubuisse  aiunt,   nisi   humili  et  modico  in  stnbV 

BEDE.  Zie  beide. 

BEDE,  znw.  vr.  Mud.  bede;  Mhd.  iête. 

1)  Eigenlijk.  Gebed  tot  God.  ||  Als  ghi  ia 
Gode  doet  u  bede,  soe  seldi  hopen  bova  il 
dat  hi  u  bede  horen  sal ,  Boet.  1 ,  577.  In  bedes 
was  hi  sonder  reap^t,  ^.  II*,  56,  73,  —  Eie 
bede  gheven,  een  gebed  doen  (verg.  onder  bï 
2).  II  Alser  die  maget  stont  beneven,  heeft  si  dof 
bede  gegeven  Qode ,  dat  hi  dat  werc  schier«  vff- 
brande,  Sp.  II»,  4,  107.  —  Ter  bede  settei. 
iemand  een  gebed  laten  doen,  aan  het  bidden setin. 

II  Doe  Narcissus  wiste  dese  saken ,  bleef  bi  b 
bedingen  ende  sijn  dyaken  dien  nacht  dore;  k 
sette  oec  ter  bede  Affiren  ende  hare  joncwive  nede. 
Sp.  II*,  56,  63.  -—  Ter  bede  (ane  die  bede. 
V  a  e  n ,  een  gebed  beginnen ,  gaan  bidden.  Zie  vaes.  'i 
Doe  dede  hine  blouwen,  dat  hem  deren  niet  en  scben. 
maer  hi  vinc  ter  bede,  II*,  41,  66.  Die  bisK^ 
van  Sissoen  quam  om  an  die  bede  vaei,  daff 
Crispijn  ende  Crispiniaen  die  martelaren  begnra 
waren,  II»,  46,  2.  —  Ter  beden  varen,  ƒ•• 
bidden.  \\  Met  dat  hi  ter  beden  sal  varen  beeft  te 
verstandelike  gehort  die  gelike  deser  woeit,  % 
II»,  46,  6.  —  Ter  bede  (in  beden)  vaU*". 
zich  op  de  knieën  werpen  om  te  bidden,  \\  BoebJAt 
in  quam ,  viel  hi  ter  beden  ende  bad  God  a^ 
nerenstecheden,  Sp.  IV,  32,  135.  Na  die  nhst. 
al  se  si  ter  bede  vielen,  Sp.  II»,  15,  90(ViBC.,ib 
ad  oracionem  projecissent").  An  Gode  vallende .  < 
ter  bede,  ald.  12,  63.  Alse  ter  stede  quam  Marfi. 
viel  hi  ter  bede  an  Gode,  Sp.  II»,  18,  101. Si 
vielen  in  beden  na  hare  seden  aae  onsen  B((^- 
II»,  28,  82.  Ter  beden  viel  hi  ter  ure,  11»,  17, 8t 

2)  By  uitbreiding:  verzoek ,  aan  menteken geJse»^ 
II  Mine  bede,  here,  gheloevesmi,  soelaticUi^s 

Limb.  VIII,  1426.  Segt  mi  dor  mine  bede,  n^ 
ie  sout  weten  gheme ,  Vrouw,  en  M.  1 ,  99.  W 
dat  der  Loreine  was  en  woudi  niet.  .  .  gev»^ 
om  gene  bede,  Lorr.  V,  19.  —  Up  alle  htit- 
in  *«  hemels  naam.  \\  Berecht  mi  datte,  op  i^ 
bede,  Ifed.  Kluchtsp,  87,  252.  Lieve  vader,  ^ 
alle  bede!  wie  sal  der  vrauwen  tetene  gkefo' 
Denkm.  3,  187,  44.  —  Met  beden,  bi  d<^ 
beden,  op  verzoek.  ||  Met  beden  gedaen  g^ 
bonté  faite  par  prière,  Rosé  4628.  Oec  »  d*b 
Neemias   .   .  tlantvolc   wonen  in  der  steden.  ^ 


617 


BEDE. 


BEDE. 


618 


bider  kavlen,    som   bider   beden,   Rijmb.    17987. 
—  Ene  bede  bidden,  een  verzoet  doen.  WSa  den 
etene  bat  si  ene  bede  den  coninc ,  die  hi  gerne  dede, 
Lane.  III,  16746.  —  Ene  bede  doen,  in  twee 
verschillende  opvattingen.  —  a)  een  verzoek  doen.  || 
Daer  na,  alsQs  daden  bede,  so  hevet  hise  weder 
oatfaen ,  Sp,  I^,  1 ,  26.  —  b)  Met  doen^  in  den  zin  van 
volbrengen;  een  verzoek  toestaan^  inwilligen.  \\Y oor 
den  coninc  es  hi  gheg^en   .  .  te  wien  hi  seide: 
Coninc  hecre,  ie  bidde  u  ntermaten  zeere,  dat ghi 
nu  (/.  mi)  doet  eene  bede ; . .  die  coninc  (séide) : . . 
ie  sal   vnlcomen    nwen  wille ,  Amand  II ,  3377. 
Heer  coninc,  doet  mi  een  bede,  des  biddic  u. Die 
coninc  sprac;  dat  doe  ie  g«eme,  Segk.  4654.  Doe 
mi  ene  bede,  dat  alle  die  van  miere  stede  . .  met 
mi  vri  te  lande  gaen,  8p.  III*,  29,  93.  —  Ene 
bede  gheven,  een  verzoek  toeetaan^  inwilligen.  \\ 
Die  coninc  gaf  hare  dese  bede,  Lanc.  III,  16760. 
Doe  sprac  SeghelQn  ende  sede  tote  Ysanden:  ene 
bede ,  joncfronwe ,  moeti  ml  gheven.  Si  antwoerde : 
siel  ende  leven  willic  n  gheven,  lieve  heer,  Segk. 
4759.  Si  bat  hem  vriendelike,  dat  hi  haer  gave  ene 
bede,  968.    Dor  God,  ghevet  mi  dese  bede.  Wal. 
4046.  Die  bede  willic  jon  gheven ,  4052.  Doet  dor 
nwe  ghenade,  ende  ghevet  mi  dese  bede,  here, 
5419.  Ende  hi  mi  gaf  mine  eerste  bede ,  die  ie  hem 
noit  eer  bidden  dorste,  7460.  —  Ene  bede  ver- 
dienen, een  verzoek  gedaan^  ingewilligd  krijgen.  \\ 
.  Mi  es  leet,  dat  ie  in  II  jaren  of  oec  inmere,niet 
en  conste  ene  bede,  here!  verdienen,  die  mi  oec 
eerliic  ui^re,   Limb.  Vm,    1395.    —  In  of  Met 
rechter  beden.  —  a)  eigenlijk,  met  de  noodige 
/ormaliteUen ,  in  d-en  vorm ,  oorspr.  steeds  met  het 
WW.  bidden  verbonden.  ||  (Si)  baden  hem  in  rechtei 
beden ,  dat  hi  commen  wilde  binder  stede ,  Amand  II , 
3329.  b)  by  overdracht  ook  van  een  gevecht  t^n^tf;» 
geregelden  slag  ^  volgem  de  regelen  der  krijgskunde. 
II  Menegen  wgch  plach  hi  te  doene,  daer  hi  verwan 
niet  rechter  beden  sine  vianden  npter  stede,  i^. 
IV*,  21 ,    13.  —   Ook   in  den  zin  van  een  verzoek 
om  iernamd   voort  te  helpen^  eene  aanbeveling.  Zie 
BKOEBRIEF. 
3)   Verzoek  om  geld  (vgl.  4). 
a)  Van  vorsten  gezegd;  het  plechtig  verzoek  aan 
de  lantraten  of  de  Staten  van  het  land,  om  eene 
bepaalde  geldsom  op  te  brengen ,  eig.  das :  vrijwillige 
opbrengst  j  en  vervolgens  belasting.  ||  Dat  de  heere 
van  Gavere  jaerliics  zetten  mach  eene  bede  van  m 
pt.  up  die  van  den  gpravescheep ,  Gendsch  Chtb.  16. 
Lieden ,  die  ons  bede  gelden ,  Heeln  bl.  547.  (Onse) 
bede  ende   scattinge,  wanneer  ons   die  van  onsen 
lande  van  Oistvrieslant  gegeven  sullen  worden ,  Oorl, 
V.  Albr.  536.  Alle  sub  ventien ,  beden ,  commeren  ende 
lasten,    Invent.   v.  Brugge  4,    19.   —  Vgl.  H.  P. 
Heeneman ,  Verh.  over  de  graaflijke  beden  in  Holland 
(Staat k,    aeademie-verk.   I,    1);  A.  Kluit,  Hist.  d. 
IIolL  Staatsr.  4,460;  Noordewier,  iVJp^.JR^M/lrotMZA. 
97,  en  Kil.  op  bede,  bedegelt  (bl.  59). 

h)  Van  bijzondere  '^exwxvieii.'.inzameUngvafngiften 
of  aalmoezan^  collecte.  ||  Si  nam  een  kint  in  elke 
haat,  ende  ghincker  met  dor  dat  lant  in  armoede 
van  stede  te  stede  ende  levede  bider  beden ,  ^«ii/r. 
555.  So  wilden  si  vlien  ter  selver  stonde,  dat  si 
gheneiien  niet  en  souden,  want  si  met  beden  leven 
wonden,  Sp.  IV»,  67,  20. —  Ter  bede  gaen, 
ai t ten,  bedelen.  \\  Meerct  up  tltint  dat  gaet  ter 
bede,  dicken  etet  droghe  die  snede  ende  bome 
drincken  moet,  Wap.  Rog.  1747.  Omme  den  aerme» 
liede»  te  ghevene,  die  ter  bede  gaen  souden, 
Invent.  v.  Brugge  3 ,  309.  üp  tkerchof  zitten  .  , 
ter  bede,  ald.  5,  60.  Vgl.  De  fio  83.  —  Metter 


bede  ghewinnen,  inzamelen^  door  vrijwillige 
giften  bijeenbrengen.  \\  Lucius  Valerius  .  .  .  was 
soe  arm  ter  lester  warf,  dat  men  tghelt  ghewan 
metter  bede,  daer  men  met  ter  erden  dede,  Vertl. 
en  Ber.  2,  58. 

c)  Van  bedelmonniken.  l|  Si  sgn  ghewyet  op  die 
bede,  Karmeliten  ende  Augustinen,  Minrebroeders 
ende  Jacopinen,  Hild.  153,  30.  Dies  gevel  eens, 
dat  hi  lach ...  in  eremitagen  in  ene  woestine .  .  . 
so  verre  buten  an  ere  steden ,  dat  hem  daer  gebrac 
der  beden,  dat  hem  de  inzameling  van  giften^  nl. 
de  gelegenheid  daartoe^  ontbrak^  Franc.  3813. Den 
biddenden  oerden,  want  die  oerden  ...  op  die 
bede  ghesticht  s^n,  mach  men  oec  redelic  testa- 
ment gheven,  Stadr.  v.  Zwolle  138,  231. 

4)  Gebod ^  bevel.  Kil.:  hede,  precatio^  petitio , 
postulatio;  vgl.  vooral  het  Mhd.  bëte^  Ben.  1, 
171  a.  Op  deze  bet.  van  bede  is  wellicht  het 
WW.  bieden  niet  zonder  invloed  geweest.  Biedenen 
bidden  komen  meermalen  verbonden  voor  (z.  d. 
woorden).  Bedel  en  bodel  beteekenen  beide  bode^ 
en  in  H  eng.  heeft  zoowel  bieden  als  bidden  het 
WW.  /^  bid  opgeleverd.  ||  Niet  lange  daer  na  .  .  . 
bejagede  soe  met  haerre  bede  (d.  1.  verzoek),  dat 
soe  te  Poytiers  indie  stede  mettes  coninx  bede 
stichte  enen  cloester,  Sp.  III*,  38,  SLf -per  ordina- 
tionem  precelsi  regis").  Want  wi  ene  bede  gedaen 
hebben  aen  onser  mevnten,  alse  van  misse  te 
wyunen  aver  doden  ende  begenkenisse  van  doden, 
een  gebod  uitgevaardigd  y  Nyh.  2,  189  (a.  1364). 

BEDEBRIEF,  znw.  m.  Schriftelijk  verzoek ,  brief 
met  een  verzoek  y  aanbevelingsbrief  ||  Een  man  die 
bedebrieven  gebrocht  hadde  an  mijn  here  den  grave 
ende  an  den  hoefmeester  van  Pruchen . . ,  om  in  de 
duutsche  ordene  te  comen ,  Bek.  d.  Graf  3 ,  385.  De 
welke  hadde  bedebrieve  van  onsen  heere,  dat  men 
hem  helpen  soude,  Invent.  v.  Brugge  3,  393.  Aid. 
1,  271  genoemd  letteren  van  bede. 

BEDEOHTE.  Zie  bedichte. 

BEDECHTELIJC,    BEDECHTICH.     Zie     be- 

OACHTELIJC,   BEDACHTICH. 

BEDEDINGHEN  (bedegdingen),  bedr.  zw.  ww. 
Van  dedinge  of  dadinge,  zamentrekking  uit  daghe- 
dinge,  waaruit  ook  ons  dading;  zie  ald.  en  verg. 
bedadingen,  en  dadingen  (dedingen).  Mhd.  3^- 
dedigen,  bedatUgen. 

1)  Eigenlijk.  Langs  gerechtelijken  weg  beslechten; 
een  geschil ,  eene  zaak  vereffenen.  \\  Nu  hebben  van 
Brabant  die  goede  stede  bruederljjc  ghearbeit , . . 
alsoe  dat  si  die  zake  bededinghden  ten  utersten, 
Brab.  Y.  VII,  16291.  Als  die  stat  van  Utrecht 
dat  bededinct  hadde,  Matth.  Anal.  3,  327.  — 
Schijnb€Uir  onz.,  door  weglating  van  die  zake, 
staat  het  Brab.  Y.  VII,  7215.  ||  (Jan  van  Brabant) 
liet  te  Tricht  na  hem  .  .  .  meester  Janne  ende 
meester  Willem  Bont  om  met  alderhande  partien 
te  bededinghene. 

2)  Overdrachtelijk:  tot  stand  brengen ,  bewerken,  \\ 
(Vrou    Joanne)    bededinghde    thuwelijc    tusschen 
coninc  Karlen   .  .  .  van  Vranckr|jc  ende  des  her- 
togen Stephens  dochter  van  Beyeren,  Brab.  Y.  VI, 
11846. 

3)  Bij  uitbreiding  bekrachtigen ,  bepalen.  Vgl. 
bedadinghen  en  bebrieven.  ||  Voirt  so  ist  bede- 
dinct ende  bevorwert,  zo  wes  gevangen  dat  ge- 
vangen werden,  die  sullen  bliven  anden  heerscap  . . , 
diese  gevangen  hadde ,  Bel.  v.  Leid.  280.  Voirt  ist 
bededingt ,  dat  alle  sceeplnde  .  .  .  vr^ ,  veylich 
ende  ombelet  sullen  moigen  .  .  .  vairen,  N\jh.  4, 
466  {a.  1472).  Voirt  ist  sunderlinge  bededingt, 
dat    onse  neve  .  .  .  nyemant  ...  op  dat  voirscr. 


} 


619 


BEDE. 


BEDE. 


620 


slot  .  .  .  onthalden  noch  halden  en  sal,  ald.  29. 
Na  oytwisinge  der  brieven ,  die  laeisie  mit  hem 
bededinct  waren,  Matth.  Anal.  3,  376.  Die  oade 
soenen  .  .  . ,  ffelijck  zy  yoortg is  beededinge  (/.  bede- 
dinget)  ende  bebrievet  zijn ,  Lams  69. 

4)  Bij  uitbreiding.  Over  de  tong  laten  gaan^ 
aanbrengen^  verklikken.  \\  Bmder  agtersprake,  die 
wilt  alle  dat  bedegdingen ,  dat  in  der  weken  gescit 
is,  lAmb.  Serm.  210  6  (T.  en  Lettb.  6,  226). 

BEDEEL.  Diut.  2,  221:  bedeel,  lictor.  Het 
is  ons  pedel ^  fr.  bédeau^  eng.  beadle.  Zie  E.  Muller 
1,  67. 

BEDEELT,  eig.  deelw.  yan  bedelen;  mhd.  be- 
teilen;  mnd.  bedélen.  Aandeel  geven  in  iete.  Vooral 
in  de  uitdr.  aen  iet  bedeelt  sijn,  aandeel  aan 
iets  Aebben,  recht  hebben  op  een  deel  van  iete.  || 
Dattet  lyiRrenten  waren,  daer  sy  aen  bedeelt  was, 
na  inhout  hoerre  vertichte,  O.  R.  v.  Bordr,  2, 
97,  136. 

BEDEEMT.  Zie  bedemen. 

BEDëEST,  Hild.  244,  30.  Waarschijnlijk  be- 
dorven lezing  voor  beteest.  Zie  ald.  —  Ons  bedeesd 
luidde  mnl.  bedaest.  Zie  gloss.  ald. 

BEDEGDINGHEN,  BEDEGEDINGEN.  Zie  beüe- 

DINOEN. 

BEDEGEN.  Zie  bedien. 

Aanm.  —  Bedegen  is  verkeerd  gelezen,  Invent. 
V.  Brugge  5,  479:  „Mids  dat  hy  bedeghen  (/. 
bedregen,  d.  i.  aangeklaagd,  zie  bedragen)  was 
van  eenen  andren  persoon  .  .  ende  daer  naer  biden 
liden  (=:liën)  van  den  zelven  onnoozel  bevonden  was." 

BEDEHOÜDER  (beehouwer),    znw.   m.  Van 
bede  in  de  bet.  3  a).  Ontvanger  der  belastingen.  || 
Unghe    de   beehouwer  van  lantpachte  deb.  et  sol. 
42  SC.  6  d,  Bek.  v.  Zeel.  1,  56. 

BEDEGELT,  znw.  o.  Hetzelfde  als  bede  in  de 
bet.  3  a).   Kil.  69. 

BEDEHUUS,  znw.  o.  Bedehuis,  tempel,  de 
hedendaagsche  beteekenis.  ||  Rijmb.  6879,  26116; 
Ruusbr.  6, 224.  —  Ook  in  den  vorm  bed n  as ,  Rijmb . 
22391.  —  Verklw.  bedehnnsge.  ||  Ende  op  dit 
velt  siin  veel  bedehnnstgens  ende  cleen  capelle- 
kens,  Mandev.  23  a. 

BEDEIMT.  Zie  bedemen. 

BEDEC,  znw.  o.  Eig.  stam  van  het  ww. 
hem  bedecken.  Het  zich  verschuilen  en  vervolgens 
concreet:  het  middel,  om  zich  achter  te  verschuilen, 
dekmantel.  Tot  den  hoovaardige  wordt  Rinclus  940 
gezegd:  ||  „^Ü  ^^^^  ^^^  strec!  dn  glorieers  ende 
suecs  bedec  in  weldaet,  die  een  ander  doet",  d.  i. 
gij  meent,  dat  de  deugden  van  anderen  u  vrij- 
stellen van  de  verplichting,  om  zelf  de  deugd  te 
betrachten.  Het  oorspronkelijk  heeft  (coupl.  82): 
Orgueilleus,  pris  es  k  ten  las,  quant  tu  d^aultrui 
biens  ten  soulas  et  d^aultrui  bienntit  quiers  ta  glore. 

BEDEC AMER,    znw.    vr.   Bidvertrek,  bidcel.  \\ 
Blijft  hier  wat  staen,  totdat  die  noen  uut  is  ende 
dan  sal  si  coemen  uut  haerre  bedecamer ,  D.  War. 
6,  404. 

BEDECKEN,  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  bedecken; 
mhd.  bedecken.  Iets  voor  iem.  geheim  hottden,  ver- 
bergen(Yg\.  BEDECTen  decken).  ||  Du  (öorf)  heves 
des  ghelike  den  vroeden  bedecket  menech  enen, 
ende  heves  gheopenbaert  den  clenen ,  Rijmb.  23286. 
Wat  es  met  u  up  desen  dach  bedect,  hen  es  al 
te  handen  cont  worden  uwen  vianden?  32340 
(„quid  apud  vos  tacetur,  quidve  celatur^''). 

BEDECSEL,  znw.  o.  Dat  wat  bedekt,  waarmede 
men  zich  dekt,  deksel.  Van  de  wolk,  die  de  Israë- 
lieten in  de  woestgn  begeleidde,  wordt  gezegd:  || 
Si   was  hem  in  (Latinisme  voor  tof)  bedecsel  des 


daghes  ende  des  nachts  in  lichte  der  sterrea ,  D. 
B.  Boec  der  W,  10,  17  (Lat.  umbrmenbsn). 

BEDECT  (bedecket),  bnw.;  eig.  deelw.  tu  hel 
WW.  bedeeken  of  hem  bedeeken, 

1)  Als  deelw.  van  het  ww.  bedecken. 

a)  Oeheim,  verborgen;  int  bedecte,  w  ketm- 
borgen,  geheim.  \\  Dat  dine  aelmoesene  si  int  be- 
decte, ^#.  V.  1348,  62  «.  —b)  Moeiekjkteviftde%,9i^ 
in  het  oog  vallende.  ||  Nu  stont  besiden  der  lindei 
tere  stede  een  borne,  die  herde  bedect  wa8,I«K. 
III ,  20907.  —  c)  Van  het  gelaat.  Onkeniaar  im 
het  gesloten  visier  van  den  helm,  mei  een  keimli- 
dekt.  il  Lancelote  ne  kindi  niet  daer,  bedie  èii 
hi  so  bedect  reet,  Lanc.  IV,  602.  —  Bedect* 
a  n  8  c  hy  n  8 ,  geblinddoekt.  1 1  Bedecs  anschji» ,  net 
slagen  swaer  wert  hi  {Christus)  gegruti,Émel^ 
d)  Van  het  zwaard:  niet  uit  de seheede getrokke^A 
In  dien  dat  iet  jon  gave  bedect,  np  wat  buk 
daer  ghgt  up  trect,  diene  mochte  vor  joi  liA 
ghestaen.  Wal.  3276.  So  gheret  in  den  «« 
bedect,  3296. 

2)  Als  deelw.  van  het  ww.  hem  bedecken. -*} 
In  goeden  zin.  Omzichtig.  ||  Bedecthede  es  kvis 
goet  in  allen  dinghen,  daer  mense  speet;  v«  be- 
dect in  dinen  dinghen ,  Botic  v.  Sed.  1066.  —  h)  b 
slechten  zin.  Loos,  geveinsd,  listig.  |)  VerbolfQ 
stoetse  {de  Haaf)  in  haren  sin ,  sere  bedect  ende  kffét 
fel.  Rosé  146.  Lieve  here,  of  ghyt  gebiet,  gcrv 
baden  wi  u  of  gyt  riet,  dat  gi  dadet  hoedea  qi 
graf,  .  .  want  hi  (Jezus)  was  een  bedecket  bb. 
L.  o.  H.  3881. 

BEDECTELIKE ,  bgw.  Van  Bedect  (lie  ili 
Op  eene  sUnksche,  listige  wijze;  zonder  hemerU. 
opgemerkt  te  worden,  in  het  geniep  (opp.  opeti^\ 
II  Dies  groot  nQt  quam  in  therte  sine,  endebef^ 
bedectelike  gedacht  hem  te  bedriegene,  £^- Q' 
27,  38.  Als  Liciniusdat  versiet^dat  hibedecteiü« 
niet  hem  gederen  en  can,  wert  hi  so  bondeduk 
hem  ontseide,  ald.  46. 

BEDECTHEIT  (bedecthede),  eiiw.  vt. 

1)  Van  bedect,  in  den  zin  van  verborgen,  f^ 
zie  ald.  1  a).  Verborgenheid,  geheim.  |]  D^ 
vader  diet  (/.  die)  ziet  in  der  bedectheit,  alt^ 
lonen,  Hs.  v.  1348,  62a  en  3. 

2)  Van  bedect,  in  den  zin  van  omóek6f  li» 
ald.  2  a).  Omzichtigheid.  \\  Bedectheid  es  bi# 
goet  in  allen  dinghen,  Boue  v.  Sed.  1064. 

3)  Van  bedect  in  den  zin  van  geveinsd  (ild.^- 
Loosheid,  geveinsdheid.  ||  Dat  doet  srerradexi  ^ 
dectheit,  Handr.  I,  383. 

BEDELARE  (bedelere),  znw.  m.  Van^i^ 
eig.  denom.  van  bedel,  doch  thans  freq.  van  keen, 
d.  i.  bidden.  Zie  Beden. 

1)  In  de  tegenwoordige  beteekenis.  ||  Wg  êesaè 
bedelaers ,  Bern.  S.  14Xid.  Zie  ook  bedelersse. 

2)  Hij  die  bidt,  bidder.  \\  Onse  Here  ie  }»^ 
hort  den  bedelere ,  data  die  priester ,  Bed.  l  i- 
127.  Die  bedelaer  en  vercrycht  dat  hi  he^tefi- 
of  hem  wert  een  beter  tot  sgnre  behoef  onthedff 
Stemmen  120.  Hier  om  sprect  si  (Sinfe  Berk^ 
tot  haren  oefenair  ende  bedelaer  . .  aldus ,  Put-  ^ 
IWb.  Dat  gheve  ons  die  godlike  minne,  die  a 
ghenen  bedeleere  en  onseit,  Rnnsb.  6,  193.  ^<b 
billiker  sal  iu  die  vader  die  in  den  hemel  is  0^ 
bedelaers  gheven  guede  dinghen,  A#.  71,  lUtik'* 
11    (ook  Hs.  Evang.  t.  a.  p.). 

BEDELEN,  zw.  ww.  onz.;  vgl.  bedelarc.  ^ 
den.  II  Daer  zullen  wy  zyn  ut  alle  g^henichtei.  o 
weenen,  bedelen  ende  in  ghezuchten ,  V Msegl^ 

BEDELEN  (bedeelen).  Zie  bedeelt. 

BEDELERSSE ,  znw.    vr.   Bedel^res.    \\  \<  e 


621 


BEDE. 


BEDE. 


622 


ben  gheen   bedelersse   noch   oec  gheen  bedelaers 
kint,  on.  Lied.  204,  7. 

BEDELF,   znw.    o.;  eig.    stam    van    het   ww. 
bedelven;  Eie  ald. 

1)  Eet%e  OM  een  kamp  aangehrachte  vertier king 
van  opgeworpen  aarde ^  verschansing^  borstwering. 
((  Present  hn  allen  binnen  desen  bedelye,  Ned. 
Kluchtsp.  91,  31.  Hy  dede  maken  een  g^oet  bedelf 
van  diepen  vesten  omtrent  sgn  heere ,  soe  dat  men 
se  niet  bespringhen  en  sonde  mogen  van  dersyde 
van  Caffa ,  Cron.  v.  Vlaend.  1 ,  105.  De  soudaen 
beval  sinen  volke  .  .  te  velde  te  treckene  ende 
tvorseide  bedelf  te  nimene ,  ald.  (Sy)  versmoorden 
in  haerlieder  vesten  ende  bedelf,  1,  106. 

2)  De  door  kei  opwerpen  der  aarde  ontstane  kuil 
oï  put.  II  Ten  baet  niet;  al  waerdy  noch  so  erre, 
ghy  moet  mede  in  H  helsche  bedelve,  den  kelscken 
pttt,  de  kei,  Belg.  Mus.  10,  402. 

BEDELFTE,  znw.  vr.  Eig.:  de  door  kei  op- 
werpen der  aarde  ontstane  borstwering,  en  bij  uit- 
breiding wat  daarbinnen  ligt,  erf  (vgl.  BEOELVEN 
en  bedelf).  ||  Dat  nyemant  .  .  komen  en  sall 
hvnnen  yemants  hnysinge,  hovynge  off  bedelffte, 
K.  V.  Brielle  22,  6  passim;  vgl.  20,  5. 

BEDELIEDEN,  znw.  mv.  zonder  enkv.;  van 
Bede  in  de  bet.  3  a)  ^  zie  ald.  Belastingsckuldigen , 
be/astingplicktigen.  \\  Dat  niement  geen  zoengelt 
en  gelde,  noch  en  eissche,  alse  van  onsen  bede- 
lieden  ende  meisenieden  lieden ,  die  ons  bedeliken 
dienst  doen,  Heeln  bl.  547  (de  fransche  tekst, 
hl.  554  heeft:  „ke  nns  ne  payeche  paye  ne  d^endroit 
de  nons  gens  taillables.^^).  Zoo  ook  Willems, 
Meng.  454.  —  Vgl.  BEDEM AN. 
BEDëLIKë,  bnw. 

1)  Van  bede  in  den  zin  van  verzoek;  zie  ald.  2). 
Verzoekt,  d.  i.  vrijwillig,  mnd.  bedelik.  ||  (Onse) 
meisenieden  lieden,  die  ons  bedeliken  dienstdoen, 
Heeltt  bl.  547  (de  fransche  tekst,  bl  554,  heeft: 
„  nons  gens  de  no  maisnie,  qui  nons  font  frons 
service).  Zoo  ook  Willems,  Meng.  453  en  454. 

2)  Van  bede,  in  den  zin  van  belasting,  zie  ald. 
li  a).  Wat  de  belastingen  betreft,  financieel',  %ik% 
bedelike  dinc,  eene  belastingquaestie.  \\  Om  dit 
so  spraken  die  genoet  die  sanders  niet  aneginc ,  dan 
dat  si  om  ene  bedelike  dinc  daer  in  beden  siden 
comen  waren,  Velth.  V,  6,  6. 

BEDELVEN,  st.  ww.  bedr.  {bedalf,  bedolven, 
bedolven).  Vgl.  delven. 

1)  In  de  hedendaagsche  heiQe)LSïa9.  Met  eutrde  be- 
dekken ,  begraven.  \\  (Doe)  bedalf  si  dat  gout  onder  den 
voet  vmn  haren  huse,  Sckaaksp.  47  a.  Mit  scuppe 
ende  mit  spade  (over  kaar  te  reckten)  ende  {de  vrouw) 
te  bedelven  inder  eerden ,  Dingt.  v.  Delft  61.  Tote 
Se  basten  in  der  steden  ward  hi  ghedolven  . . . ,  sijn 
hooft  was  in  Jherusalem  bedolven ,  bi  Herodes  sale , 
Rijmb.  23472.  Dit  es  tuutgheven  van  den  doden  Inden 
te  gravene  .  .  .  Item  van  15  Inden  te  bedel vene, 
dar  elc  van  den  achten  of  coste ,  te  bedelvene  16  d.. 
Rek.  d.  Gr.  1 ,  65.  Die  hem  holpen  begraven  ende 
bedelven  dat  lichaem  Pauli,  Pass.  W,  172  c.  Soe 
wie  een  doodt  aes  off  beest  nytwerpt  ende  dat 
niet  en  bedelft,  O.  K.  v.  Enkk.  24,  120. 

2)  Van  een  water  gezegd.  A  f  dammen,  afleiden.  \\ 
Een  grote  riviere  utermate  die  bedalf  Cyms  in 
ander  beken,  dat  soe  al  elwaer  es  ghestreken, 
Rijmb.  16781  (Hist.  Schol.:  Cyms diviserat  EnlVa- 
tem  . . .  per  plures  rivos).  Dat  denselven  {waterloop) 
thnnnen  coste  sal  ghesuy  vert  ende  bedolven  werden, 
Diericx  ,  Mém.  2 ,  496. 

3)  De  g'ewone  Mnl.  opvatting.  J?<ffnaiir<2M  va/,  e»^ 
werpen  van  iett,  eene  versckaneing  om  iets  oprickten. 


versckansen,  door  een  dam  omringen.  ||  Die  coninc  van 
Inghelant  dede  bedelven  eer  yet  lanc  sgn  heere  ende 
Calaeys  tien  tide,  dat  men  se  bevechten  noch  be- 
striden  in  negheenre  maniere  ne  mochte ,  Fl.  Rijmk. 
8805.  Een  schoene  velt,  aen  drye  zyden  bevest 
ende  bedolven ,  1 ,  157.  Dat  wy  Janne  van  Haerlem  . . 
gegeven  hebben  den  campe,  dien  Willem  Terninc 
bedolven  hadde ,  Oorkb.  2 ,  234  «  («,  1284).  —  Ook 
wederk. :  Hem  bedelven,  ziek  versckansen.  \\ 
De  Franssoyzen  nakende  den  buelc,  daer  hem  de 
Vlaminghen  in  bedolven  hadden,  Oron.  v.  Vlaend. 
1,   160. 

BEDEM,  znw.  m.  Term  nit  de  bonwknnde.  Steun- 
balk, stut,  fr.  ventrière.  \\  Ghecocht  eenen  bedem  . . , 
ende  drie  stic  honds,  daer  tanghen  of  ghemaect 
waren,  Invent.  v.  Brugge  3,317.  — Meermalen  ook 
wordt  het  woord  bedem  genoemd  in  eene  rekening 
van  1404,  ZVl.  Bijdr.  6,  191.  —  Ook  in  het 
zeewezen  is  het  woord  bekend;  zie  Winschoten, 
Seeman  16. 

BEDEMAN?  In  eene  vr|j  duistere  plaats  uit 
een  tolbrief  van  Aardenbnrg  {Lett.  N.  fV.  6,  86) 
leest  men  de  volgende  woorden :  „  Elc  vremde  man 
die  coopt  jof  vercoopt  eenen  aleman,  ess.  II  d.; 
lidet  duer  die  poort  elc  aleman,  ess.  1.  d\  Ende 
alse  ghelye  (/.  ghelyc)  comen  of  bedemen."  De 
laatste  woorden  beteekenen  misschien:  en  evenzoo 
een  koopman  of  een  belastingschuldige  (in 't 
algemeen).  Men  voor  man  is  in  ons  voornaamwoord 
de   gewone   vorm   geworden.   Zie  ook  bedeliede. 

BEDEMEN,  zw.  ww.  onz.  Duitter  worden.  Vgl. 
DEMEN  en  DEEMSTER,  ||  Het  sal  eer  hondertwarf 
bedemen,  eer  ie  u  ene  slee  sal  gheven,  lAmb.  V. 
88 ,  d.  i.  ket  zal  meer  dan  konderd  dagen  duren.  — 
Het  verl.  deel w.  b  e  d  e  m  e  t  (bedempt ,  bedeimt)  wordt 
ook  als  bnw.  gebruikt  met  de  bet.  duister.  \\  Des 
avonts,  doent  bedemet  was  ende  verganghen  was 
der  dach,  Serv.  II,  296.  Van  nu  tot  thavent  int 
bedeimde,  Ned.  Klucktsp.  83,  137.  Het  was  be- 
dempt, doe  hire  quam,  Lorr.  fr.  I,  392. 

BEDEMET.   Zie   het  vorige  art. 

BEDEN,  zw.  WW.  onz.  {beedde  of  bede ,  gebeedt) ; 
mnd.  beden;  mhd.  beten;  hd.  beten.  In  verschil- 
lende beteekenissen. 

1)  Van  bede  in  den  zin  van  gebed.  Een  gebed 
doen,  bidden,  jj  Elc  claghe  sine  souden  den  goeden 
sente  Brandane ;  .  .  dat  hi  altoes  ende  heden  voer 
ons  allen  moete  beden.  Brand.  2276.  Ons  here 
viel  in  kniegebede  dan,  hi  vrnchte  siin  doet,  want 
hi  was  man,  daer  hi  bedde  (/.  beedde)  aldaer  hi 
lach ,  L.  o.  È.  1974.  Galaat  plach  te  bedene  nacht 
ende  dach  .  .  den  groten  here  van  hemelrike, 
Lanc.  III,  10673.  Als  si  wonde  beden,  demaghet 
vrome,  Ckrist.  501.  Als  si  noch  woud  beden 
weder,  509.  Al  bedende  ende  droevende plach  site 
gane  ,  1685.  Et  ghevyel  eens  nachts ,  dat  si . .  voer 
haer  bedde  al  bedende  stoet,  D.  War.  3,  314, 
1104.  Sij  bede  ende  sij  las  haer  psalmen ,  «S!?rp.  II, 
2685.  Aldaer  so  bleef  hi  bedende  al  din  nacht 
over,  L.  v.  J.,  c.  89.  Een  rike  man,  die  cumecan 
beden  sinen  paternoster  ende  sinen  crede ,  Alex.  VII , 
643.  Als  . .  Turpijn  . .  inder  kercken  . .  bedende  was , 
Exc.  Oron.  85a.  Een  columpne  van  metael ,  daer  hg  op 
bedede  ghebogender  knyen,  Hs.  80,  f.  99c.  Den 
knecht  Gods  is  noot  altyt  sonder  aflaet  te  lesen 
of  te  beden  of  wat  goets  te  doen.  Stemmen  120. 
Wanneer  dat  men  dit  ghebet  aldus  verre  bringhet, 
soe  heeft  men  wel  ghebeedt,  Ruusbr.  3,  35. 

Aanm.  —  D.  B.  Dan.  9,  3,  komen  beden  en 
bidden  vereenigd  voor.  |l  „Ie  sette  m^n  aensicht 
totten    here    m^nen   God   om   te    bedene   ende   te 


623 


BEDE. 


BEDE. 


624 


biddeney  Zy  beantwoorden  daar  aan  de  Lat.  ww. 
rogare  en  depreeari.  Beden  (dat  zwak  is,  en  das 
een  ander  ww.  dan  het  aan  bidden  ten  grondslag 
liggende  sterke  ww.  beden^  waarvan  bed^l^  bedelen; 
got.  bidan)  beteekent  overal  ons  bidden^  terwijl 
bidden^  got.  bidjcm^  den  zin  van  afameeken  heen. 
Zie  Grimm,  J).  Wib.  1,  1696  en  vgl.  Aendeden. 

2)*  Van  bede  in  den  zin  van  opbrenget  in  geld^ 
belasting  (zie  ald.  3a).  Belasten,  geld  laten  op- 
brengen. II  Dat  haere  in  geseten  burgeren  nummer- 
meer geschat  noch  gebeedt  en  sullen  werden  van 
eynigen  den  goede,  dat  sy  hebben  in  den  lande 
van  Gelre,  dat  zij  nooit  gebrandschat  of  belast 
zullen  worden,  Ngh.  3,  7  («.  1372). 

BËDËNKELIKE,  bijw.  Van  Bedenken ,  in  den  zin 
van  kwaad  denken  van  iemand  (zie  ald.  1 ,  2).  £ig. 
achterdochtig,  en  by  uitbreiding  op  eene  boosaardige 
wijze,  II  Dat  overquade  venyn,  dat  hi  draecht  int 
herte  syn,  mit  quaden  moede  bedenckelike  dat 
stort  hi  uut  grammelike,  Lucid.  3713. 

BEDENKEN  (bedinken),  zw.  ww.  onr.,  bedr., 
onz. ,  wederk.  en  onpers.  (bedachte  of  bedochte ;  Belg. 
Mus.  8,  97,  56  ook  bedaecht  (o{  1.  bedachte?); 
deelw.  bedacht  of  bedocht);  mna.  bedenken;  mhd. 
bedenken. 

I.  Bedr.  —  1)  Zijne  gedachten  vestigen  op,  denken 
aan,  gedenken,  \\  Hy  moet  ...  te  maten  eten  ende 
drincken  ende  sinen  God  daer  in  bedincken  ende 
niet  te  langhe  toomich  syn ,  Hild.  69 ,  134.  Brenct  mi 
in  sodaniger  achte ,  dat  ie  di  met  rou wighen  tranen 
bedachte,  J).  War.  4,  612, 43  (vri.  achte).  Hi  be- 
dochte die  trouwe  vanden  man,  dien  hi  dede  sine 
vriendinne,  MZoep  II,  2012.  Syn  blaeu  lazuer  heeft  hi 
bedacht,  dat  hi  wyslic  sal  oversien ,  wat  hem  namaels 
sal  ghescien ,  Bild.,  N.  Fersch.  4, SS,  128.  Dat  wolde 
God  bedencken,  daar  wilde  God  aan  denken,  voor 
zorgen,  Serv.  l,  2048.  Roelof  bedachte  die  groote 
mogentheid  des  Biscops,  Matth.  Anal.  3,  137. 
Men  maecte  in  dye  kercke  Cristus  crucifixe  ende 
andere  beelden,  om  datmense  bedencken  sal,  Fass.  W. 
64^.  Tot  dat  si  haer  souden  sullen  belien  ende  tot 
dat  si  haer  quaetheit  sullen  bedencken,  daer  si 
die  overdaet  mede  hebben  ghedaen  jeghen  mi, 
D.  B.  Levit.  26,  40. 

2)  Slechte  gedachten  hebben  van ,  argwaan  koesteren, 
verdenken,  kwaad  van  iets  denken.  In  het  Mnl. 
zeldzaam ,  doch  zeer  gewoon  in  het  Mhd.  Misschien 
een  germanisme,  doch  verg.  bedacht  en  be- 
DENKELIKE.  ||  Si  mochteu  leysten  al  hoir  lusten: 
al  waert  dat  si  malcanderen  kusten,  nyemant  en 
soude  dat  bedencken,  MLoep  III,  493.  Anders 
mocht  die  ghene,  diet  goet  te  pande  hadt,  ghe- 
confnyst  ende  bedacht  werden,  dat  hyt  ghestolen 
had ,  Matth.  133.  Sy  worden  bedacht ,  dat  sy  gonnen 
haren  bloede,  dat  zij  hunne  familie  begunstigen, 
ald.  145. 

3)  Gedachte  hebben  op,  verwachten.  \\  Die  goede 
mannen,  (die)  .  .  ghenen  troest  clein  noch  groot 
van  den  hertoge  en  bedochten,  daer  si  hen  toe 
verlaten  mochten,  Brab.  Y.  VI,  4943. 

4)  Zich  te  binnen  brengen,  zich  herinneren.  Vgl. 
onz.  2)  en  onpers.  2).  ||  Des  wart  hem  gevraghet , 
op  wat  dach,  op  wat  jaer  of  maent;  des  seyde 
hy,  dat  hi  dat  niet  en  bedochte,  R.  v.  Vtr.  2,  86. 

II.  Onz.  —  1)  Met  een  pers.  als  onderw.  i)^»!-^» 
aan,  of  over  iets,  ||  Ie  bedacht  van  minen  ouden 
daghen  .  .  in  allen  dat  ghi  hadt  ghewracht,  dies 
was  ie  harde  wale  bedacht,  Boetps.  143,  17.  (Hi) 
bedochte  menichsins  in  hem,  wie  dat wesen mocht 
van  sinen  ondersaten,  die  hem  dat  ongelove  doen 
9oade,  Matth.  Anal,  3,  346, 


I 


2)  Met  eene  zaak  als  onderw.  Tebinttm^Kkieln, 
voor  den  geest  komen.  \\  Vrouwe,  moeder  iln 
vroude  .  .,  mi  bedinken  mine  scoude,  die  k 
wrochte  in  ongedoude,  Sp,  V,  47,  1.  —  Deiebel 
nadert  aan  die  van  het  wederk.  ww.  kern  Meüe%, 
nl.  berouw  hebben.  Zie  ald.  3). 

III.  Onpers.  —  1)  Zich  bedenken,  bij  ad  ulm 
overleggen,  ||  Hi  sach  al  omme ,  ende  hem  bedockte. 
welcken  wech  hi  riden  mochte,  f  erg.  515. 

2)  In  iemand  opkomen;  ook  sich  te  binminkmfn, 
zich  herinneren.  \\  Hi  was  welna  tot  hare  coaa. 
ne  ware  dat  hem  bedochte,  ende  peinsde,  dit  kin 
mochte  ter  aventuren  sgns  ontfarmen ,  Wêl.  77S4. 
Mi  bedinket  daer  af  wel ,  dattie  sake  reckt  il» 
gevel,  Lanc.  IV,  2611.  Hem  bedachte  ter  selm 
tide  hoe  hem  die  viant  belogen  hadde,  lIl,4oli 
Als  hi  dat  sach  ende  hem  bedachte ,  dit  ki » 
rydike  tale  hoorde,  begaf  hi  thant  sine  sin 
woorde.  Flor.  2682. 

IV.Wederk.  —  In  het  Mnl.  de  gewone  vorm  [Bn 
bedenken,  ie  bedachte  of  bedachte  m,  M  » 
bedacht  of  bedacht). 

1)  In  de  tegenwoordige  beteekenis.  Zich  ieéenkn. 
il  Hi   wilde    hem   harde   wel    bedinken,  wit  ka 

daer  af  ware  dbeste,  Lanc.  II,  44489. 

2)  In  die  van  het  niet  wederk.  bedenken.  ||  Doa 
hyt  ghegheven  hadde,  bedachti  hem,  ocht  kfi 
mechtich  ware  dat  aflaet  te  ghevene,  NetLProu^ 

3)  Berouw  hebben.  \\  Geft  di  hen  macht  hi  |M«f<' 
dat  gise  clemmen  laet  te  hoge ,  gi  seles  u  bedeika 
tspaae  alsi  toent  hare  overdade,  Base  13967. 

4)  De  beteekenissen  van  het  Mnl.  ww.  ku 
bedenken  splitsen  zich  in  drie  hoofdgroepen,  il 
naarmate  het  eene  werking  van  het  denkvênsosn, 
het  gemoed  of  het  bewustzijn  uitdrukt  Vgl.  BEDACit 

A.  Van  het  denkvermogen  gezegd. 

a)  absoluut  gebruikt.  Denken^  zijnversiesdft 
bruiken.  ||  Mi  donke  wel  dat  hi  es  vroet,  de  kca 
te  tide  bedenken  can,  eer  hem  de  scade  cornet  n. 
Stoke  V ,  1008.  Die  sonde  hier  doet  ende  qv^. 
ende  hem  te  tyt  niet  wille  bedinken  (of  i^^ 
hebben ,  tot  inkeer  komen  (zie  3)),  dat  hi  aal  ia  de  Wk 
Binken,  Praet  1179.  Bedi  laet(halpww.)utetgtti^ 
dinken,  eer  ghi  u  scip  hier  l&et  Tersinkea,  èti 
vroescap  ende  wel  ghedaen,  1577. — He m  w&lc  kf 
denken,  goed  denken,  schrander,  verstandig t^^i 
Helene,  die  hare  wel  bedachte,  sach  te  ktf 
wel,  wat  hem  was,  Troyen  31S4.  Die  stm 
die  haer  wel  bedaecht,  stont  op,  Belg.  Mtt-^ 
97,  56.  —  Also  alsic  mi  beaenke,  smli* 
denk,  meen,  geloof,  \\  Deen  lantshere  es  die  i* 
Beheem;  die  cuere  moet  gaen  anhem,entiees^ 
riken  scinke,  also  alsic  mi  bedinke ,  ^.  IV',40,St 

b)  met  den  2den  nv.  der  zaak  of  van  den  yeam- 
het  voorz.  van  of  een  afhankeljken  zin.  Js»'^ 
over  iemand  of  iets  denken.  ||  Abraham  hedo(^teka 
tien  stonden  Lots ,  sgns  neven ,  Rijmb.  1846.  Ie  keUi 
vor  waerheit  verstaen,  sint  dat  les  mi  bedochte,^ 
wys  scade  hebben  ontfaen,  dat  wi  met  wierke^ 
willen  ommegaen,  Ferk,  Mart.  41.  Tnlpgn  seget.^ 
was  de  zede  van  den  ridderen,  eer  si  Tochtei,^* 
hem  aldies  bedochten,  dat  zij  er  aem  doekte» ^^ 
vooraf  hunne  biecht  te  doen,  Sp.  IV»,  26,7ill* 
die  stryt  dus  was  gevochten,  ende  die  Grii^ 
hem  bedochten  van  allen  steden  geroot  ende  ^ 
gaven  si  den  prys  dien  van  Athene,  S^.  I%£^ 
Dat  hi  {de  mensch)  hem  soude  bedincken  van  disf<- 
die  de  siele  verarincken ,  Lucid.  363&  Bal  a  <: 
sinxendaghe  syn  souden  te  Kamaloet ,  daer  ki  ^ 
soude  houden ,  ende  dat  si  hen  te  comene  bed«^ 
metter  meester  feesten,  die  si  mochten,  ést:^' 


625 


BEDE. 


BEDE. 


626 


aa»  zouden  denken^  met  de  weeet  mogelijke  pracht 
te  komen  ^  Lanc.  II,  26026.  Ie  wane  wel  bi  mire 
trouwe  dat  gi  nembermer  slaet  yrowe,  u  ne  sal 
bedjnken  hier  af,  of  gij  zult  hier  aan  denken^ 
Lane.  IV,  10661. 

c)  Met  een  2den  ny.  der  zaak  of  een  afhankelijken 

EÏn.  Gedachte  op  iets  hebben,  op  de  gedachte  komen. 

II  (Si)    Tingen   Artare    met  hare  cracht,  die  hem 

lettel  dies  bedachte  ende  gene  macht  met  hem 
brachte,  daer  hl  voer  ter  jacht  wwd ,  die  daar  niet 
op  bedacht  was,  Lanc.  II,  46612.  Daernaer  so 
bedochti  hem,  dat  die  van  Jheruzalem  eenen  andren 
here  mochten  ontfaen,  ^.  I*,  46,  1. 

d)  Eene  bepaalde  gedachte  hebben  over  iets,  tot 

het   besluit  komen.  \\  Nn   hoort,   wes   hi   hem  be- 

dochte:   hi  voer  tütrecht  inde   stat,  ende  onboot 

daer  ende   bat  de  heren,  dat  si  te  hem  quamen, 

Stoke  lY,    1336.  Die  also   bedachte  hem,  dat  hi 

niet  wert  en  was  selken  scat  te  hoedene,  Sp,  II*, 

29,  34.  Op  een  tijt  bedocht  hi  hem  dua^MLoepl, 

694.  Dat  si  hen  aUoe  bedochten ,  .  .  dat  si  qaamen 

op  genaden,  Lanc.  IV,  10082.  Laet  onsgaeneiten 

ende  drynken;  binder  tyt  salsi  hem  bedynken  dat 

si  hem  sullen  gheven,  of  het  cost  hem  allen  tle  ven, 

Maleg.  934.  lek  (had)  ghehaept  {gehoopt),  hi  solde 

sich  . .  anders  bedacht  ende  sich  gebetert  hebben  , 

Nijh.  4 ,  368  (a.  1466). 

B.  Van  het  gemoed  gezegd.  Te  moede,  gestemd 
zijn.  li  Ie  mach  mi  bedinken  onsochte,  Godsat 
hebdi  diet  sochte ,  Beatr.  363  —  In  deze  beteekenis 
is  in  het  Mnl.  gewoner  de  samengestelde  uitdruk- 
king bedacht  sgn  (zie  ald.). 

C.  Van  het  bewijstzijn  gezegd. 

a)  Eigenlijk.  Bij  zich  zeluen  zijn,  bij  zijne  zinnen 
zijn.  II  Doen  wert  hi  soe  zeer  vervaert  .  .  .  dat  hi 
hem  niet  en  bedochte,  ende  oec  spreken  niet  en 
mochte.    Wrake  III,  794. 

b)  Fignurlgk.  Van  eenen  waan  terugkomen,  eene 
dwaze  meening  laten  varen.  \\  (Ie)  waende  wel  int 
therte  myn  dat  al  dit  goet  mijn  hadde  ghesijn, 
ende  als  ie  mi  bedachte  daer  nare,  soe  dochte  mi 
dit  al  ydelhede.  Loet.  III,  1481. 

c)  Met  een  2den  nv.  of  een  afh.  zin.  Zich  be- 
zinnen, zich  iets  te  binnen  brengen.  ||  Lanc  waest, 
eer  hi  hem  bedochte,  in  wat  maniere  hi  daer  was 
comen,  Wal.  6883.  Des  anders  dages,  doe  hi 
nuchter  was,  ende  hi  hem  bedochte  das  (nl.  dat 
kij  (Alexander)  Clitus  had  gedood) ,  wildi  hem  (zich) 
hebben  ghedoot,  Sp.  l",  36,  23.  Hi  hem  bedochte 
das ,  dat  sijn  (Clitus^)  snster  sine  amme  was ,  ald.  29. 

=  Zie  over  het  onz.  ww.  bedenken  de  Aanm.  bij 

BEDACHT    (sijn). 

BEDENKENISSE,  znw.  vr. 

1)  Van  bedenken  in  den  zin  van  gedenken,  over- 
denken (zie  ald.  1, 1).  ||  Overdenking ,  overpeinzing.  \\ 
Ende  dan  gtif  si  haer  weder  in  soeter  bedenckenisse 
van  God  ende  van  hemelscher  schoonheid  ende 
eierheit,  Chulden  Troen  (a.  1484)  46  a.  Naden  eten 
ael  dy  in  u  selven  gaen  met  goeder  bedenckenisse 
ende  bidden ,  16  d.  Ghenade  vercrighet  men  mit 
innichliker  heylicheit  ende  saligher  bedencke- 
nisse ,  21  6. 

2)  Van  óedenken  in  den  zin  van  kwaad  denken 
(zie  ald.  I,  2).  Achterdocht,  eene  slechte  meening, 
argweuin.  \\  Mar  waent  die  gene. ..  dair  i^ensprake 
of  lyden  van  den  Heer,  of  ongonste  ende  bedenc- 
kenisse hoaden  van  den  vrienden,  Matth.  210. 

BEDERE  (bedeere),  znw.  m.  Van  beden 
d.  i.  bidden  (zie  ald.).  Hij  die  bidt,  bidder.  ||  Heileghe 
hog'he  sente  Jan  Baptista,  .  .  .  sgt  voer  mi  een 
melde  bedeere,  Vad.  Mus.  2,  428. 


BEDERF   Zie  BEDERVE. 

BEDERFELIJC,  bnw.  Van  bederven  in  den 
zin  van  verderven  (zie  ald.).  Verderfelijk,  nood- 
lottig. II  Groote  bederffeiycke  schade,  Enq.  208. 
Vgl.  Oudem.  1,  340. 

BEDERFELIJC  (beDervelijk,  bedaerklijk), 
bnw.  Van  bederve,  in  den  zin  van  nut  (zie  ald. 
2a).  Nuttig,  heilzaam.  \\  Dat  derde,  nu  merket 
das,  dats  nutte  ende  bedervelyc  sere,  Sp.  I',  26, 
38.  Lettel  ander  zaken  mede  ooe  daer  in  hi 
zetten  dede,  die  bedaerAijc  wesen  dochten,  hoe 
si    tsamen   leven   mochten.  Franc.  1296. 

BEDERFENESSE  (bedervenesse)  ,  -isse  ,  znw. 
vr.  Van  bederven  in  den  zin  van  omkomen,  onder- 
gaan. Ondergang,  verderf.  \\  Men  brachtse  te  verder- 
venessen  met  angiene  oft  met  verranessen ,  Lanc.  II , 
32194.  Si  en  moghen  nu  (na  Rectors  dood)  anders 
niet  hopen  dan  haer  uterste  bederffenisse ,  Troyen 
Vb.  40  b.  Hi  (Christus)  doeghede  om  hare  (der  Joden) 
bederfenisse ,  ende  om  die  wrake  sijnre  doot, 
wantse  God  wreken  soude  ane  siele  ende  ane  lijf, 
Ruusb.  6,  16.  Vgl.  Oudem.  1,  340. 

BEDERMAN ,  znw.  m.  (KiL  Bi  der  man,  vir 
probus;  Hd.  biederman).  Een  braaf,  degelijk  man. 
Over  den  oorsprong  uit  biderbe  (hetzelfde  woord 
als  hd.  derb)  man,  zie  Kluge,  Etgm.  Wtb.  27.  || 
Dn,  bederman,  wil  dat  oec  scouwen,  ie  leerdi 
ghelijc   den   vrouwen,  MLoep  I,  1887. 

Aanm.  —  Het  woord  Bederman  komt  alleen  op  deze 
plaats  voor  in  den  duitsch-gekleurden  MLoep,  en 
is  das  wel  als  een  germanisme  te  beschouwen. 

BEDERVE,  «nw.  vr.  en  bederf  (bedaerve  , 
BEOORF  ,  bedarf)  ,  zuw.  vr.  en  onz.  Van  Bederven 
(2de  art.) ;  zie   ald.  In   verschillende  opvattingen. 

1)  Van  Bederven  in  den  zin  van  behoeven.  — 
a)  iihsincX.  Behoef  te.  \\  Onthiltse  mi  nu  ocht  ander- 
werven,  soe  haddie  minne  na  mine  bederve, 
Cass.  1016.  Men  vijnes  (d.  i.  vint  des)  hier  genoeg 
te  eleynen  bederve,  Flagervj.  172.  Dynre  ghc- 
naden  es  bedarf,  Vad.  Mus.  2,  416,  47.  Van 
coome  ende  frute ,  dat  Grod  doet  wassen  ute  haren 
lande,  haren  erve  thaerre  noot,  tharen  bederve, 
Lsp.  III,  26,  110.  —  b)  concreet.  Datgene  wat 
men   behoeft,  behoefte,  levensonderhoud,  nootdruft. 

II  In  desen  tiden  ....  begonste  die  heileghe  kerke 
ierstwerf  thoren  bederve  te  besittene  rente  ende 
erve,  ald.  II,  44,  336,  Hoe  dat  verereech  daer 
naer  dpaepscap  tsinen  bederve  beide  lant ,  rente , 
ende  erve,  Lsp.  II,  60,  116.  Dus  slacht  si  den 
vreeken  wel  die  sinen  lechame  es  fel  ende  onthout 
hem  sijn  bedaerve.  Nat.  BI.  VII,  299.  Dandre 
(bijen)  diemen  daer  mach  sien,  die  sgn  tangher, 
scarp  ende  fel  ende  berechten  die  bedaerve  wel, 
VII,  102. 

2)  Van  bederven  in  den  zin  van  nuttig  en  noodig 
zijn. —  a)  Nut,  voordeel,  belang.  ||  Aendencruce, 
doe  hi  sterf  om  onser  alre  bederf,  Versl.enBer.^, 
26.  Van  den  houte,  daer  ane  versterf  der  maghet 
soneom  ons  bederf,  v.  d.  Hotite  1.  Gi  sulles  hebben 
luttel  bederven  ende  gi  sulter  selve  om  moeten 
sterven,  Lanc.  II,  16690.  Dune  salt  ooe  niemens 
goed  begheren  in  dinen  moet,  no  sijn  huns,  no 
sine  erve ,  om  die  vrome  van  diere  bederve ,  Rijmb. 
4623  (vrome  en  bederve  zijn  eig.  synoniem;  beter 
ware  dus:  om  dine  vrome,  om  dine  bederve). 
Daer  es  vele  bederven  an,  want  hi  es  getrouwe 
ende  recht,  Sp.  V,  73,  42.  Twee  blinde,  die 
menich  werf  riepen  om  haer  bederf,  Vad.  Mus.  1 , 
46,  6.  Of  ie  ooe  valscelike  .  .  dien  armen  hebbe 
ontwijst  sijn  erve  dor  des  r^jcs  mans  bederve, 
Jlez.    Vil,   69.  Sire  siele  geve  God  haer  bederf, 


"a 


627 


BEDE. 


BEDE. 


628 


Grimb,  I,  2999.  Nuttclic  cnde  van  groter  be- 
darven,  Franc.  5036.  Waert  uwe  bedarve  ent  a 
beqname,  Wal,  2584.  Themelsce  Lam  wartmensce 
tonHer  bederven,  Wap.  M.  I,  941.  (Si) lieten  beide 
goet  ende  erve,  dat  qnal ie  was  haer  bederve,  Stoke 
X,  283.  Nu  peinst,  vrouwe,  om  m3me  bederve, 
Troyen  694.  Some  seiden  om  hare  bederve:  „wi 
sullen  di  horen  anderwerve**,  Sp,  I",  21,9.  Indien 
ginc  eic  om  sine  bederve  sien,  I',  52,  9.  Ëlc 
man  sie  om  syn  bederve,  Alez.  IX,  19.  Eens 
voer  hl  .  .  in  anderen  lande  omme  sine  bederve 
Amand  I,  1136.  —  In  (te)  bederven,  ten  nutte  ^ 
te  etade.  \\  Het  comt  hem  dicken  in  bederven  en 
si  dat  si  in  hoeftsonden  sterven ,  Lucid.  4683.  Dies 
docbtem  beter,  datti  sonde  tander  lieder  bederve 
gemene  leven,  dan  te  sine  allene.  Franc.  1548. 
Jonathas  voer  haren tare  in  tsriken  bederve ,  Bijmb. 
19954  (var.  oerbaer).  Ende  dat  qnam  ons  te  be- 
derven, Sp.  11%  23,  310.  Dat  comt  hem  te  be- 
derven, IIP, 48,  3.  —  Bederve  werken,  ghe- 
winnen,  werven,  zijn  voordeel  doen^  slagen^ 
eene  goede  uitkovut  verkrijgen.  \\  Alsoe  dat  si  be- 
derve dair  wrochten,  Hild.  62,  47.  Vanden  tween, 
die  hoer  bederff  alsoe  wrochten ,  64 ,  266.  Want  si 
daer  gheen  bederve(n)  noch  bescheit  en  conden 
ghewerven ,  Brab.  Y.  VII,  1007.  Dat  dese  twee  ghe- 
broedere  syn  .  .  noch  nemmermeer  ghewinnen  ghene 
bederve  sonder  den  andren,  Heim.  1475. —  Vooral 
gebruikelijk  is  de  uitdrukking  bederve  doen. 
In  verschillende  opvattingen. 

a)  Voordeel  doen,  loinst  doen.\\  So  wat  men  daer 
int  lant  vint  legghen ,  dat  neemt  men  sonder  weder- 
segghen,  ende  doet  daer  mede  syn  bederve, 
recht  oft  waer  sijn  eighen  erve,  Altd.  Blatt.  1 
167, 55.  (Hi)  hietse  (de  meysnieden)  te  werke  commen 
al  ende  neerstenlike  doen  syn  bederve,  Amand  II 
4286  (d.  i.  winêt  voor  hem  te  doen).  Si  dede  mi 
wale  mijn  bedarf,  O VI.  Ged.1,  82,  696.  Dat  haer 
toebehoerde  van  erve,  daer  en  woudse  met  doen 
engeen  bederve,  Christ.  12,1.  Dat  ie  ten  hemele 
dus  saen  des  menschen  bederve  hier  heb  gedaen , 
Blitc.  V.  Mar.  1003  (d.  i.  des  menschen  belangen 
heb  voorgeitaan]  vgl.  vs.  1431,  waar  in  denzelfden 
zin  gebruikt  wordt  „  des  menscen  bederve  bestaen'^). 
Als  hi  weder  qnam  te  ziere  steden,  die  ghene 
diere  bederve  mede  deden  (met  de  talenten),  prijsdi 
ende  loondem  saen;  entie  ghene  bederve  hadde 
ghedaen,  dien  scalt  hi  omme  sine  traecheit,  iSymd. 
25741.  Tconvent,  dair  si  hem  in  begheven,  doet 
men   (?)    seiden    goede   bederve,    Hild.    11,   480. 

^  Slagen ,  iets  uitrichten ,  verder  komen  (eig. :  zijn 
voordeel  doen).  \\  Hi  ne  dede  bederve  negheen,  want 
sgn  volc  droech  niet  overeen,  Rijmb.  32918.  Dus 
en  doen  wi  bederve  negeene,  /^.  II*,  44,  41 
(Vinc. :  „nihil  .  .  proficimus").  Doe  bat  si  voer 
hem  Onsen  Here  .  .  .,  maer  si  en  dede  engeen 
bederf,  want  si)  en  vercreech  engeen  antwerde  van 
Gode,  D.  War.  4,  284,  512.  Doe  so  ander  liede 
bederve ,  dat  die  dine  niet  en  bederve ,  behartig 
zóó  de  belangen  van  anderen,   dat,  Sp.  I',  29,  11. 

y)   Nut,   dienst  doen;  doen  hetgeen  noodig  is.  || 
Die    vele    bederven    dede   daer,   Sp.   II*,    14,   7. 
Dese  bederve  hebdi  mi  ghedaen,  Segh.  2945. 

b)  Geldelijk  voordeel,  inkomsten.  ||  Levis  kinder 
en  hadden  gheen  erve,  want  si  hadden  Gods  be- 
derve, Rijmb.  6949  (eig.  zjj  hadden  de  inkomsten 
van  God,  d,  i.  de  voordeelen  van  d^n  eerediensf). 
Dat  soe  hem  des  lants  bederve  liete  anevaen  ende 
sijns  vader  erve,   VI.  Rijmk.  1491. 

c)  De  vrucht  van  het  voordeel  of  van  den  voorspoed, 
^^m^A  II  Ghelucs  bederve  en  es  altoes  gheen  erve, 


Lsp.  I,  31,  59.  Want  die  wasdoem ,  dies  hi  plei^ 
neemt  hem  die  bederve  sere,  Sp.  I*,  58, 56  (Il 
de  zucht  om  zyn  vermogen  te  vermeerderea ,  oit- 
neemt  hem  het  genot  er  van). 

3)  Van  bederven  in  den  zin  van  pUeki  n>,  fc- 
tatnen.  Plicht.  ||  Soe  werdic  nernstich  terbedem, 
Blisc.  V.  Mar.  2156.  Qnite  die  belegheae,  dib 
bederve,  ende  ghef  ons  weder  onse  erve,  BijMi. 
19335.  Na  die  wet  ende  na  bedenre,  wlfta 
recht  en  billijkheid,  Velth.  II,  44,  14.  Dit  h«fe 
hy  ffhedaen  een  waerf  hem  selven  offerendt  é 
een  bedaerf,  als  een  plicht,  hetgeen  hij  :^  flkk 
oordeelde,  onsen  heere  Jhesum  Karste,  Amódlï. 
6105.  —  Vandaar  de  uitdrukking  sine  bederTe 
doen,  zijn  plicht  vervullen ,  zijne  taak  wUrnfn. 
zijn  werk  doen.  ||  X"^.  moester  ene  mieatTirei, 
ende  pinen  ende  haer  bederve  doen,  Bijmi.WXi 
Dies  was  daer  ut  gesocht  nu  vele ,  dde  dese  be 
derve  nu  doen  souden,  Velth. IV,  62,  6.Wildiqi 
dapper  ende  snel,  ende  uw  bederve  doen  wel.K 
sal  u  vier  penninc  gheven  eics  daghes, iZM.lT& 
En  hebdi  niet  ghehoort  vanden  knape  in  die  p«r. 
die  om  geit  can  doen  die  bederve?  ie  rnvüa 
hebben  oftic  sterve ,  Boerden  II ,  87.  Vierei  17 
henen  . .  ende  laet  ons  onse  bederve  doen,  Gnai.l 
5420  var. 

4)  In  de  concreete  opvatting  van  «ai  wuif- 
daan  worden,  en  vervolgens  hetgeen  me* ioet^is^' 
daad,  onderneming.  \\J>o%  hiet  die  felle  mu  Bii?! 
dat  menne  echter  aneva  ter  pijn  .  .  ;  doe  fiua 
die  quade  an  die  bederve,  ^.  II*,  47,  lOó^Di 
seles  smorgens  vroe  opstaen ,  ende  om  dine  bedem 
gaen,  aan  uwe  taak,  uw  werk  gaan,  D.  OaLblAl» 
van  Antwerpen  hebbend  vernomen,  code  w^ 
scepen  op  ter  werp  (/.  werf),  die  nutte  wireiit 
dit  bederp  (1.  bederf),  Velth. IV,  62,40.Hisofc 
doe  om  dese  bederve  sijn  vrouwe,  Stoke  III, lïï^ 
Ie  sal  hem  (den  menseh).  blide  ende  onTersaKb 
U  (Gods)  hoge  bederven  laten  bekinnen,  i^- 
V,  Mar.  1590.  (Die  minne)  dar  ie  bi  dede .  • 
die  grote  bederven,  sonder  waen,  daraldiewwt 
af  spreect  nu,  Lanc.  II,  18818.  Ghi  hebt  qni 
bederve  gedaen ,  lieve  broder ,  nn  hier  an ,  dit  r 
doet  hebt  desen  goeden  man ,  Zjomc..  UI ,  «^ 
Luttel  ontsiende  te  doene  een  quade  bedtnt 
Belg.  Mus.  3 ,  231 ,  en  10 ,  285.  An  dit  bispel  ■** 
men  sien,  alse  een  doet  bederve  qnaet,  sie^ 
hijs  te  tide  avestaet,  10,75,218.  Inde  selTeab 
J.  ysent  tAtrecht,  die  bederve  te  doen,  /««^ 
V.  Brugge  2,  303. 

BEDERVECHEIT,  -vicheit,  znw.  vr.  Yu« 
tot  heden  niet  gevonden  bnw.  beelervieh,  indeic 
van  noodzakelijk,  afgeleid  van  het  znwr.beéent,^ 
de  bet.  van  behoefte.  Noodzakelijkheid ,  en  i«  f* 
ereeten  zin  taak,  opdracht  (vgl.  bederve,  4i.( 
Die  heeren  metten  edelinghen  ghemeenlike  teoo 
rade  ginghen ,  wien  menre  omme  senden  B«cii^ 
so  dat  men  hem  vieren  sochte,  datmen  (/.  dieaei^ 
loet  die  bedervechede ,  Sp.  III*,  39,  78. 

BEDERVEN,  st.  ww.  bedr.  en  onz.  (beêgne^ 
bedarf  (bedaerf  bedorf,  bederf),  bedorvf.\^^ 
ohd.  en  mhd.  onbekend,  mnd.  bederv€%,^ 
als  bedr. ;  hd.  bederben ;  van  be  en  derven,  tls «iEjifc 
ongebruikelijk,  even  als  het  Mhd.  rfwi*,  ^• 
durben ,  dorben  (Ben.  1 ,  361  a).  In  vcr«chiDof 
opvattingen  (vgl,  Huyd.   op  Stoke  Dl.  3,  bl^'^ 

Bedr.  —  1)  In  het  verderf  storten,  —s'^^- 
iemand  van  het  leven  te  berooven,  dooden,^ 
brengen.  ||  Die  Roemsche  coninc  sal  die  ^ 
bederven  al,  ende  metten  zwerde  verslaei,  ^ 
Cristum  waren  afghegaen.   Wrake  II,  862.  Kö' 


629 


BEDE, 


BEDE. 


630 


desen  dat  dese  tyranne  .  .  .  aldus  alle  worden 
bedonren,  Sp,  III  ^,  4,  41.  Doe  dedi  die  beste 
(der  Joden)  Taen  ende  biet,  weltijt  dat  hi  storref 
datmense  vanden  liye  bedorre,  I*,  48,  54.  Dat 
men  {d,  t.  men  en)  ymmer  sonde  bederven, 
Hild.  181,  195.  Dat  si  haer  bmeder  wilden  be- 
derven ende  jammerlike  doen  sterven,  Têttt.  348. 

—  h)  door  iemands  gelnk  te  verwoesten,  in  het 
ongeluk  brengen^  te  gronde  richten^  rutneeren,  \\  Zi 
hen  mesleeden  so  int  ende ,  dat  zi  bederven  mallic 
andren ,  Fraet  2237.  Hoe  goet  dat  es  een  teken  maken 
des  cmce,  daer  ons  Here  ane  starf ,  daer  bi  den  duvel 
mede  bedarf,  yad.  Mut.  1,  333,  41.  Onnoesel 
bloei  dat  si  bi  groeier  overmoei  destrnweren  ende 
bederven,  Bloeml.  3,  30,  50.  Die  moonke  badden 
groten  vaer  van  den  visscben  die  waren  daer,  dat 
si  haer  scip  bederven  mochten.  Brand,  1185.  Ie 

'sal  n  .  .  also  jammerlyc  bederven,  dat  ghi  van 
honghere  zult  sterven ,  Ltp.  II ,  47 ,  58.  Dat  ghi . . 
achterset  dat  ghemene  oorbare  vander  stede,  daer 
ghise  bedervet  mede,  I,  44,  93.  Loffhen  .  .  dair 
sy  malkanderen   mede  bederven,  Hild.   122,   74. 

—  Enen  van  sire  ere  bederven,  iemand 
onteeren ,  in  verbinding  mei  onterven  gebruikt , 
Brab.  Y.  IV  ,  276. 

Aanm.    —   In   deze   laatste   beteekenis   van   te 
gronde  richten  is  niet  minder  gewoon  hei  zwakke  ww. 
bederven^  bederfde,  bederft  {bedeer f C),  ||  Daer  si  bi  be- 
derfden  mede  beide  hemzelven  ende  haer  stede, 
Lip.  I,  34,   51.  Ie  hoepte  in  dine  onifermichede 
ende   daeromme   en   salie,  here  bedeerft,   werden 
nemmermere,  IhcL  1,605.  Alsoe  worden  menschen 
dicke  ghevaen  .  .  ende  ie  male  bederft ,  III ,  1540. 
Isi  dat  dese  sterft,  onse  helle  weri  bi  hem  bederft, 
Ma»h,   19.   Niegherinc  en  weri  een  stat  meer  bi 
bederft  .  .  ,  alse    dat   die    poriren    mei   partijen 
onderlinghe  draghen  haiije.  Wrake  I,  1218.  Datiu 
werven   sonds  den  dooi,  daer  waer  ie  vmmer  bij 
bederft,  MLoep  11,322.  Die  u  ghemint  neeft,  doe 
ghi  Q  selven  bate  ende  bederfde,  Snnsb.  3,  111. 
Dat    wi    niet   en    bliven   bederft,  Melib.  3383.  So 
moeten    si   bederft   bliven,    2650.    Een   rijc   man 
rrlendeloes    es    lichte    bederft,   Doet.  II,    1003. 
Die  werelt  weri  bi  haren  sconden  bederft,  die  ons 
berechten  sonden,  Rincl.  388. 

2)  Van  land,  steden,  enz.  gezegd.  Verwoesten, 
plunderen.  \\  De  heydenen,  die  Arleblancke  die 
stadt  metten  lande  van  Provenciën  seer  bedmcien 
ende  bedorven ,  Exc.  Cron.  62^.  Een  groot  heyre 
om  tegen  hem  te  comen  ende  sgn  r^ck  te  bederven , 
9Qd.  Noormannen  ende  Denen  .  .  doe  si  alle  tlandt 
bedorven,  93<;. 

Onz.  —  1)  In  onze  beteekenis  (waarin  het  ook 
zwak  gebruikt  wordt,  b.  v.  Exe.  Cron.  188<;^,  maar 
in  toepassing  op  het  menschelijke  lichaam.  Schade 
iijden  aan  het  lichaam,  verminkt  worden.  \\  Snlke 
was,  die  so  bedaerf  van  tormenie,  diemen  hare  dede, 
dat  soe  bleef  cropel  an  hare  lede ,  Sp.  III*,  38 ,  72.  — 
Vooral  van  trek-  of  lastdieren.  Onbruikbaar  worden , 
ook  met  toevoeging  van  den  3den  nv.  des  persoons , 
te  wiens  nadeele  dit  geschiedt.  ||  Ghegheven  J. 
iran  enen  paerde,  dat  hem  bedaerf  ende  ofginc, 
Invent,  v.  Brugge  3,  216.  Een  baypeerd  . . ,  iwelke 
int  af  keeren  van  der  reyse  {op  den  terugkeer)  be- 
laerf  tnsschen  Brucghe  ende  Siissele ,  4 ,  99.  Van 
(enen  Talnwen  peerde,  iwelke  ofginc  ende  bedaerf 
nt  bere  Torseit,  4,  102  (ook  de  bei.  sterven  kan 
bier  yan  toepassing  zyn.  Vgl.  1,80:  ^d^unronchin 
u  li  moruf).  Zie  ook  apgaen. 

2)    Om    het  leven  komen ^   omkomen,  sterven.    \\ 
>aer  bedorven  alle  mgu  ghesellen ,  maer  ie  ontclam 


allene,  Brand.  580.  So  en  sondic  niet  bederven 
in  das  meneghen  aerbeit,  1396.  Es  de  siele  onsen 
Heere  bequame,  mi  en  raect,  hoe  ie  bederven  sal, 
Sacr.  780.  Ie  lieie  altoes  mgn  lief  niet  sterven, 
ie  lieie  eer  al  de  werelt  bederven.  Vrouw,  e.  M. 
III,  49,  5.  Ghine  snlier  nemmer  twint  bederven, 
en  sgi  een  twint  niet  vervaeri,  Ferg.  1930.  Wi 
mochten  lichte  bederven  also  alse  wilen  bederf 
Pharao,  Lsp.  II,  19,  59  (de  Var.  heeft  bederfde  \ 
de  voorbeelden  van  hei  onz.  zw.  ww.  bederven 
zijn  zeldzaam).  Daer  menich  man  bedaerf,  Alex,  VI , 
853.  Hei  es  een  quaoi  kint ,  .  .  dat  sQnre  moeder  niet 
bi  en  siaet . .  ende  die  bederven  liet ,  Melib.  3162.  Hoe 
Cayms  gheslachte  voer  avoy  ende  mitien  water  al 
bedarff,  Hild.  134,  30.  Mei  hare  die  vrucht  bedarff, 
Bijmb.  10128.  (Hi)  weriier  claerlec  af  bedragen , 
daer  hi  scandelike  omme  bedarf,  Sp,  II*,  1,  32. 
O  wi !  salie  al  ie  male  aldus  bederven  sonder  raei , 
Vr.  Heim.  1126.  Hei  ware  ongheraecie  dinc ,  soude 
edele  creature  .  .  bederven,  Mask.  1160.  Dus  sal 
die  vader  dan  bederven  biden  sone,  Lane,  II, 
28297.  Die  rouwe  doei  my  bederven,  2Voy«f  3858. 

—  Ook  raei  eene  bepaling  mei  het  voorz.  van.  \\ 
"Want  hi  die  moeder  liet  bederven  van  hong^e, 
Bijmb,  20317.  Alsi  gheten  es,  gaen  wi  sterven 
ende  beide  van  hongre  bederven,  12485.  Dat  si 
meest  van  hongher  sterven  ende  van  armoeden 
bedorven ,  Wrake  1 ,  212.  Her  Achilles  waeude 
bederven  van  rouwen,  Troyen  4690.  Ghy  suli  be- 
derven van  coude,  Vad.  Mus.  4,  239,  323.  Daer 
si  .   .  van  dorste  oec  bederven.    Wrake  II,  676. 

—  Ook  mei  bU  voeging  der  bepaling  van  sin  en 
live.  It  Lieve  kint,  snldi  van  uwen  live  bederven  ! 
Segh.  2181.  —  Meermalen  in  verbinding  mei  #/<^r^i» 
gebruikt.  ||  U  moeder  was  welna  ghestorven  van 
groten  rouwe  ende  bedorven,  VII  Oet.  202. 
{Ilde  kl.  Inst.  6»,  60).  Zoo  ook  Zucid,  7;  Flor. 
3345;  Lanc.  II,  42636,  24615;  D.  War.  1,  135, 
24;  Eleg.  1300;  Hild.  43,  69;  —  Ook  in 
tegenstelling  mei  sterven,  in  welk  geval  sterven 
een  natuurlijken,  bederven  een  onnatuurlijken 
dood  uitdrukt.  ||  Alse  daer  storven  sine  vriende  oft 
anders  bedorven,  Velth.  VI,  25,  87.  Want  hi 
lievere  vri  wilde  sterven,  dan  in  vangnessen  be- 
derven, Sp,  I«,  13,  21.  —  De  onbep.  wijs  wordt 
ook  als  znw.  gebruikt :  dood,  het  omkomen.  \\ 
Dat  jammerlike  bederven ,  dat  si  saghen  vanden 
haren,  Bijmb.  32522;  zoo  ook  Parth,  7611. 

3)  Overdrachtelijk.  Te  gronde  gaan,  geruïneerd 
worden,  of  zich  in  het  verderf  storten,  —  d)  van 
levende  wezens.  ||  In  dat  plein  van  Salesbieren  sal 
die  sware  siriit  moten  gescien,  daer  die  coninc 
sal  bederven  bidien,  Lanc.  IV,  10846.  So  dat 
hem  wel  dochie,  dat  sQ  daer  mede  bedorven, 
VI.  Bijmk.  3101.  Darme  milde  .  .  peinst  ho  hem 
es  ende  bederft  {d,  i,  ende  hoe  hi  bederft),  Torec 
2514.  Hei  es  bedorven  menich  here ,  omdat  hi  hem 
verliet  ie  zere  op  sine  siarke  huse,  Melib.  2348. 
Hoedt  n  altoes  jeghen  honen,  jeghen  moert  ende 
fenijn,  daer    vele   heren  mei  bedorven  sgn,  2267. 

—  Ook  in  de  uitdr.  Op  het  bederven  sijn, 
den  ondergang  nabij  zijn.  \\  {De  Carthagers)  die 
hem  {de  Bomeinen)  alsoe  ghinghen  toe,  dat  si 
bina  ....  op  dat  bederven  waren ,  Wrake  III , 
573.  Die  Someynen  oec  menechwerven  hebben 
gheweest  opt  bederven,  van  vlanden  die  hem 
daden    vele    vernoys   ende   grote   scade,   I,   622. 

b)  van  zaken.  —  o)  Te  niet  gaan,  verloren 
gaan.  \\  Doe  scnddi  s^n  linQu  cleet,  dat  hi  hadde 
in  die  hani,  upiie  halve  stat  ie  hani,  eniie  heelt 
daer  bedaerf,  Sp,  III *,  2,  66.  Tis  menich  scip  in 


631 


BEDE. 


BEDE. 


632 


see  bedorven,  Hild.  80,  14.  Hi  (Panlns)  gaei 
prediken  den  lieden  .  . ,  dat  onse  (der  Joden)  wort 
beierven  sal,  Sp.  I",  25,  61.  Si  willen  kindere 
winnen ,  dat  hare  name  niet  en  bederve  ^Sp.l^yS,  36. 
— Ci)  Tol  een  einde  komen  ^  eindigen.  \\  Dathijtselve 
(C;  drut)  moeste  besterven ,  sonde  dat  orloghe  be- 
derven, ald.  I*,  24,  26.  Sprect,  aldus  en  maecht 
niet  bederven,  die  tale,  die  ghy  hebt  begonnen, 
Troifen  3142. 

c)  In  bijzondere  opvatting.  Schipkrenk  lijden^  mei 
toevoeging  van  in  der  »ee.  ||  Dese  jongelinc  is  be- 
dorven in  die  zee,  (?m^.  i^  ƒ.  185^.  Die  jonghelinc, 
die  op  die  zee  bedorven  is,  staet  voer  die  doer, 
185a.  Ontfermt  mi ,  naecte ,  die  in  der  zee  bedorven 
bin ,  184^.  Die  in  die  see  bedorven  is  ende  op  een 
planc  te  lande  gecomen  is,  187a.  Die  playte  {een 
vaartuig)  .  .  bedarf  in  der  zee  Tor  die  Wijc ,  Ootl. 
V.  Albr.  118. 

Aanm.  —  Op  eene  vreemde  wyze  wordt  be- 
derven gebmikt  van  eene  geeatverrukking  ^  Franc. 
5543.  II  „In  exces  van  zinne  hi  vel,  so  dat  hi  van 
hem  also  wel  in  Gode  al  bederven  begonde;  dus 
was  hem  ene  corte  stonde,  so  dat  hi  them  selven 
qnam.** —  Van  hem  bederven  bet.  dus  van  zich 
zelven  vallen.  Het  is  de  verzwakte  beteekenis 
van  tierven.  Mogelijk  dat  in  de  voorbeelden  uit 
Troyen,  boven  aangehaald:  „Die  rouwe  doet  my 
bederven,"  vs.  3858,  en  „Her  Achilles  waende  be- 
derven van  rouwen"  vs.  4590,  ook  reeds  deze 
bet.  bezwijmen ,  toepasselyk  moet  worden  verklaard ; 

Vgl.   ook   BESWELTKN. 

BEDERVEN  (bedarven,  bedorven,  bedurven), 
onreg.  st.  ww.  (3de  pers.  teg.  t.  bederf,  bedarf  of 
bedaerf;  verl.  t.  bedot  f  Ie  of  bedortle),  onz.  en 
onpers.;  hd.  bedürfen\  mnA.  bederven ,  bedarven,  be- 
dorven \  mhd.  bedarf  en,  bedürfen. 

I.  Onz.  —  1)  Behoeven,  noodig  hebben,  met  den 
2den  nv.  der  zaak.  ||  Hi  bedarf  wol  grooter  hoede, 
sal  hi  gaen  ter  Heren  rade,  D.  War.  7,  378,  46. 
Dat  vij^e  es,  dat  wi  wel  bederven  rechts  ghelove 
als  wi  sterven.  Bed.  d.  M.  121.  Soe  hi  teergelts 
bedarf  min,  soe  daer  meer  na  gaept  die  sin,  Ltp. 
III,  4,  409.  Die  arme  tallen  daghen  moet  den 
riken  verdraghen,  .  .  want  hi  sijns  goeds  bedarf, 
ald.  505.  Die  een  lantscap  berechten  sal,  bedarf 
wel  wysheit  sonder  ghetal,  III,  12,  59.  Dat  en 
dede  hi  daer  om  niet,  dat  hi  haers  bedorste  yet, 
1,1,6  var.  Dat  men  metten  ogen  siet,  dan  es 
ghenonch  altoes  niet;  meer  bedaerf  ons  dan  dat 
goet,  Sp.  III',  11,  63.  Ghi  hebt  op  hare  vrienscap 
luttel  gheacht ,  doen  ghi  haers  niet  en  bedorste , 
Melib.  2432.  Alse  hys  bedarf ,  JSTa^.  BI.  III,  1700. 

2)  De  zaak  kan  ook  in  den  Isten  nv.  staan  en  de 
persoon  of  zaak  in  den  3den ,  zoodat  de  beteekenis 
dan  overgaat  in  Noodig  zijn  voor  iemand  of  vereitchl 
worden  lot  iele.  \\  Hem  behoeft  ende  bedarf,  dat  hi 
Cristus  vleesch  ende  bloet  metten  sinen  gesellen  {in 
zich  opnemen)  moet,  Sp.  II*,  23,  256.  Dat  hi  door 
hem  wonde  pinen  ende  bereeden  boude  alle  saken , 
die  hem  bedorsten,  Amand  11,3613.  Een  man  was, 
die  groote  rychede  hadde  ende  velelantsin  sijn  hoede, 
dies  bedurft  hem  meysniede  goede,  4282.  Vele 
bedarf  tsire  maisnieden.  Lep.  III,  5,  94  {veel  is 
er  noodig  voor  zijn  huishouden).  Doe  hi  alle  dinc 
te  wensche  hadde  ghemaect,  die  hem  bedursten, 
Rijmb.  62.  Ie  ne  waende  niet  vor  heden ,  dat  goeden 
man  bedorste  so  vele,  Lanc.  II,  14677  {dal  er 
zooveel  noodig  was,  loe  hoorde  om  een  „goet  man" 
Ie  zijn).  Haerne  bedurfte ghenen  bril,  OVL  lAed. 
en  O.  333 ,  664.  —  Ook  met  het  voorz.  lot  in  plaats 
van   den  3den   nv.  j|  Daer   bedorfte  toe   een  wel 


ghesint  man  ende  vroet ,  Lane.  II ,  29001.  Alna 
dan  wille  doen  bedinge ,  daer  bedarf  toe  heilige 
pensinge,  IV,  33. 

II.  Onpers.  —  Het  bedarf.  Of  absolaat  j^ 
bruikt  6f  met  den  3den  nv.  v.  d.  pers.  en  eene  luk 
als  ondw.  —  a)  Het  is  noodig ,  het  is  nooebakelijk,  kti 
behoeft.  \\  Hout  dien  penninc  menich  waerf,dattBeiM 
vindt  als  het  bedarf,  Bouc  v.  Sed.  842.   (Onse  kerti 
hem  seide ,  dat  het  bedarf,  dat  men  gheboren  wart 
anderwarf ,  Rijmb.  22410.  Men  onttoe  die  kerstot 
kerken,  want  het  bederf,   Sp.  II*,  22,  318.  H^ 
en  bedarf  niet,  dat  onse  here  .  .op  sinen  toBdn 
altoes  gram  si ,  Lanc.  II ,  15075.  Dies  bedarf,  dü 
menre  toe  vare  vroedelike,  14992.  Dat  bedirf  «« 
berde    wale ,     Doet.    III ,   906.    God    kende  ès 
naturen  staet,    broosch  ende  cranc    van  erdscker 
mine ,  dies  hoer  bedurfte  wel  te  sine ,  hetgeen  7 
noodwendig   zijn  moet,  OFl.  Lied.  en  G.  514,  6(é. 
—  Beter   bederf!  eig.  Iets  beters  (een  beter 
is     noodig,     als    uitroep    gebmikt     in     dea    ra 
van    Qod   betere   heil   \\  Mgn   here    Ywein  spw: 
Beter  bederf!  Wat  sal  doen  die  here  van  dei Usè 
dan?   Lanc,   II,   76933.  —  Hi  sal  mi  echter.  iJi 
mi   bedarf,  ghehulpich  sQu  ghetrou welike ,  Psfü. 
1725.  Ie  gheve  di  ziele  ende  lijf,  gpoet  ende  al  ^ 
di  bedaerf,  Praet  4359.  Dingel  weelene  andemrf 
ende  seide:  „Et,  ie  waent  di  bedarf ,  Jb/ati.  1259 
God,  die  loon  es  van  goeden  ghewerken,  salivtl 
ghelden  daert  u  bedaerf,  Amand  I,  2017.   Brwi 
hem  vedre,  die  hem  bederf  dat  menseaatdoe(ii 
die   het   voor  hem   nuttig ,   noodzakel^ k   is,  mt  ^ 
trekken) ,  Nat.  BI.  III ,  1676.  Wie  so  omme  valBaixi^ 
heit  stoede,  dat  hem  bednrste  hem  te  dwane  iisB 
daghelijxe  trane,  Franc.  2570.  Hem  bedarf  velden 
hi  hem  houde  met  sinne,  f7(>r.  2091.  Dan  wille kise 
over  sine  ontfaen  ende  ghevet  hem  dat  hem  bedirf, 
Nat.   BI.  III ,  904.  Van  ffaleiden  ende  scepea .  • 
ende   van   al   dat   hem  bedorste,  Lanc.  II,  Siïal 
De  clusenare  begaetde  dorsse  wel  van  al  diei  ^ 
hen    bedorste,   45236.    Hi   moeter    toe    besor^ 
selke   dinc    als    hem   bedorste,    Eleg.    688.   Ta 
allen  dien  hem  bedorste ,  Orimb.  II ,  786  vmr.  Daff 
slapet  alst  hem  bedarf.  Nat.  BI.  IV,  636.  —  Ook  wt 
den  3den  nv.  van  den  persoon  en   den  2dea  r 
der   zaak.  Mi   bedarf  of  bederf  des,  ik  k^ 
behoefte  aan  iets,  ik  heb  iets  noodig,  ||  Tonsükfe^ 
leven   .  .  dat  heeft  een  man  die  ghenoech  keep- 
ende sinen  lichame  niet  en  gheefl,  dies  hem  beèsH 
ende  betame ,  Lsp.  I,  28 ,  65.  Dat  oec  ertrike  htêir 
bat  goeder  woerae  .  .  dan  dat  hemelrikedoet.  Il 
52 ,  56.  Men  gaf  hem  alle  dinghe ,   dies  hca  a 
daer  bedarf,  II,  11,  122.  Daer  schiet  die  abt  <ai< 
ghinc  al  bereeden  groot  ende  smal  dies  ter  aia 
toe   bednrste ,   Amand  II ,  3649.   Al    dies  hem  W 
daerf,    groot   ende   smal,   3781.    Hem   vele  «ta 
bedarf.  Nat.  BI.  III.  2865.  Vele  spisen  bedarf  fes 
wel ,  3284.  —  Ook  met  een   onbepaalde   vf*  i 
plaats  van  den  2den  nv.  ||  Hem  bedaerf  wel  laa^ 
sieden,    ald.    V,   73.    Hem   bedaerf   oec    vek  ^ 
sieden,  326. 

b)  Bij  uitbreiding  in  den  zin  van  Jket  is  p&eü^ 
hel  is  goed,  het  betaamt.  \\  Hets  recht  n^ 
het  bedaerf,  Gode  te  dankene  sire  gave,  Frm^ 
5054.  Dat  si  eyschen  menechwarf  anders  dai  ^ 
eyschene  bedarf,  Lanc.  FV,  43.  Het  esser  vet 
meer  dan  bedeerf,  die  gherne  alle  op  VenmkfS^ 
rekennen  souden,  Vad.  Mus.  1,  371,  13.  —  A^^ 
bedarf,  zooals  van  zelf  spreekt ,  zooals  natmBr^ 
is.  II  (De  gravin  van  Oelre)  sonder  oer  starf  tsts 
naeste  daer  af,  als  bedarf,  wilde  comen  tsis 
geherve,   Velth.   II,   44,    11.   £erlike,   alse  ^ 


633 


Bede. 


BEDE. 


634 


bedaerf,  hevet  die  keyser  den  panes  ontfaen,  Sp. 
III',  53,  44.  Sine  gesellen ,  alst  bedarf,  inden 
daer  dns  alle  haer  leven,  Zane.  lY,  13036.  —  Ook 
met  den  3den  nv.  Tan  den  pers.  ||  Den  vroeden 
en  bedarf  niet,  dat  hi  swaerlike  droeve  yet, 
Melii.  113.  Naerdien  dattu  neeringhe  heves,  so 
bedierf  di  dattu  leves,  £oiie  v.  Sed.  531. 

BEDËRYENESSE.  Zie  bederfenisse.      . 

BEDERVrNGHE,  znw.  vr.  Van  bederven  (Ie  Art.), 
in  den  zin  van  tchiplreuh  lijden  (zie  ald.  2^).  Met 
toevoeging'  van  van  dersee.  Schipbreuk.  \\  (Hi)  niet 
en  wist,  wie  vanden  drien  bedervinge  vander  see 
ghehad  badde ,  Oest.  R.f.  187«.  Vgl.  scipbrekinge  ^  op 
dezelfde  bladznde. 

BEDESCOUbiCH  (bedesculdich,  -scoudech, 
•scl'LDECh),  'dige  of  dege^  bnw.  Van  Bede  inden 
zin  van  beUuting  en  tcoudtch  (sculdicA).  Belasting- 
tckuUUg^  belastingplichtig.  \\  Al  boudet  een  bedescul- 
dicb  man  siin  goet  van  yeman  te  lene,  daer  zal 
hi  soot  of  ghelden,  Oor  kb.  2,  376a  {a.  1292).  Dat 
die  bedeschnldigbe  liede  .  .  gelden  zullen  die 
twee  deele  van  der  jaerbede,  456a  {a.  1297).  Al 
hont  eeu  bedescoudicb  man  sijn  goet  van  vemen t 
te  lien,  dmer  sal  by  scot  van  gbelden  sonder  van 
ons,  Mieris  2,  916  {a.  1310).  Voert  soe  macb  elc 
man  vonnisse  wysen  voir  ons  ende  voer  onse  bailliu, 
die  onse  manne  is,  van  goede  over  eenen  bede- 
scondigen  man,  ald.  Scotbair  ende  bedescnldicb 
bliven  ende  andere  lasten  dragen, Wiel.  /n«^.169, 15. 

BEDESETTER,  znw.  m.  Van  bede  in  den 
zin  van  belasting^  zie  ald.  3),  en  setter  van  setten 
d.  i.  vaststellen^  bepalen.  (Ook  tbans  komen  nog 
zetters  roer  bij  de  classificatie  van  belasting- 
acbnldigen).  Beambte^  die  bepaalt  hoeveel  belasting 
ieder  betalen  zal^  zetter^  schatter^  taxateur y  en 
daar  zy  de  belastingen  inden,  ook  ontvanger.  Vgl. 
onder  Am  baciitsbewaerre  ,  en  Kil.  bedesetter, 
ee»ur.  ||  Jacob  Pieterszoon  .  .  .  (ende)  Comelis 
Pieterszoon  .  .  .|  bnyeren  ende  bedesetters  van 
Ttlckenborch ,  Inform.  278.  Alle  bedesetters  gbe- 
seten  int  qnartier  van  Antwerpen  moeten  rekeningbe 
doen,  aang.  bij  V.  Hasselt  op  Kil.  59. 

BEDE8ETTINGE,  znw.  vr.  Eig.:  het  bepalen 
(setten)  van  het  aandeel^  dat  iemand  in  de  bede 
(belasting)  moet  dragen ,  en  vervolgens  in  con- 
rreeten  zin  het  aandeel  zelf  (vgl.  schatting).  \\  Dat 
de  porteren  ran  Antwerpen  .  .  ne  gheene  bede- 
Mttinge  noch  scattinge  sculdicb  en  sgn,  anders 
dan  metter  stad  van  Antwerpen,  Cont.  v.  Antw. 
1,  88  (Oesch.  v.  Antw.  2,  494). 

BEDE8SIDE  (bedisside),  voorz.  Met  den  2den  of 
3den  nv.  Van  Be  en  desside  (zie  ald.).  Aan  deze  zijde 
tan  (hd.  diesseits).  \\  Dat  men  bedess^deBerchem, 
bedessijde  de  Galgbe  te  Rnlleberghe,  bedessijde 
Jette,  .  .  bedessijde  Guerre,  bedessijde  Wolu  we, 
bedessgde  Boendale ,  bedessijde  Anderlecbt ,  bedes- 
^de  Uccle ,  nocb  bedessijde  Vorst  nieman  engbeenen 
wgn  vercopen  en  sal ,  Belg.  Mus,  7 ,  305.  Meer  andere 
^oete  meenicbte  van  eedelen  van  allen  landen  be- 
dessyde  sgheberchts,  Cron.  van  Flaend.  2,  16. 
Ende  als  men  toent  ons  beren  anscbgn ,  so  bebben 
die  van  Rome  V™  jaer  aflaet,  ende  die  van  dien 
lande  IX",  ende  die  van  bedesside  sbergs  XlIIIm 
jser  aflaet,  lis.  aang.  bij  Jonckbloet,  Spee.  bl.  127. 
So  waer  d.it  ware,  bedesside  der  Znutzee,  Cout. 
9.  Bragge  1,  335.  Dat  die  kersten  van  bi  dees 
sgde  (1.  bedesside)  der  zee  dair  tlant  besloegen 
ende  bevochten,  Èxc.  Cron.  2bb.  Begbinnende  an 
de  beke  bedisside  der  moerbrncghe  ende  also 
itreckende  tote  omtrent  12  roeden  begonside  der 
moerbrncghe,  Invent.  v.  Brugge  4,  368. 


I 


BEDEVAERT  (beevaert,  bevaert,  bevert), 
znw.  vr.  Mnd.  bedevart. 

1)  Bedevaart.  \\  Menicbvondighe  ban  ende  zware 
bevaerden ,  daer  zommighe  Inden  zeer  mede  bedorven 
ziin ,  V.  d.  Wall  367.  Daer  nae  soe  is  by  ghereyst 
om  sijn    bevaert,  Oest.  Bom,  f.  16<?.    Tot   dat   bi 
zijn    bevaert   beeft  volbracht,    Huge   v.  Bord.  14. 
Een  bedevaert  begripen ,  ondernemen^  Gelre,  Wapenb. 
58.  —  In  verschillende  thans  verouderde  uitdruk- 
kingen, waarin  bedevaert  als  adverbiale  ace.  voor- 
komt,   evenals  pelgrimaedse  (zie  ald.).  —  Bede- 
vaert   gaen.    ||    Daer   tenden    so    souden    si  te 
Romen  gaen  .   .  .  ene  bedevard,   Velth.  V,   25, 
53.  Bedevaert  ...  te  gaen  vorder  dan  tot  Aken, 
B    V.  Vtr.ly^l,  Als  miin  vrouwe  tot  Eykenduynen 
bedevairt   gegaen  was,    Oorl,  v.  Albr.  49.   Want 
dese   heylige   vrouwe   bedevaert   was   gegaen   tot 
Sinte  Jacobs  in  Galissen ,  Matth.  Anal.  3 ,  100.  — 
Bedevaert  ri  den.  ||  Brieven,  uter  Hage  gesent 
an  mynen  here  van  Hollant  tot  Egmonde,  dair  hi 
bedevairt    gereden   was,    Oorl.   v,   Albr.   296,   — 
Bedevaert   senden.   ||    Doe   verstonde   ie   wel 
in   desen,   dat  ie   was   bedevaert   ghesant,  Hild. 
239,   12.  —   Bedevaert  (sijne    b.)    varen.    || 
(Hosea)   gaf   driewaerf  int  jaer    orlof,   dat   tfolc 
onder  hem  voere  bedevaerd  te  Jherusalem,  Rijmb. 
14140.    Sulc    heeft    bedevaert    gevaren,    als    hi 
sonde  sijn  huus   bewaren,  hi  had  vele  bat  thuus 
gebleven,  D.  War.  8,  74,  55.  Hi  voer  van  Erme- 
ngen  ...  te  Jherusalem  sijn  bedevaert,  Serv.  I, 
315.    Een    edel    man    Dirc,   grave   van   Hollant, 
doe  hi  tot  Jherusalem    bedevaert  voer,  Clerc  53. 
Te    varen    te   Santé   Jacop  oft  tot  onser  vrouwen 
tAken  oft  anderswaer  bedevaert,  Overijs,  R.V^'i.b. 
—    Bedevaert   tien.    ||    (Si)    togen    bedevaert 
tEgmonde,    Clerc  76.   Si    was   bedevaert   getogen 
tot  sinte  Jacobs  in  Galissen,  56.  —   Bedevaert 
reisen.  ||  So  si  uten  lande   van  Tussien  gereyst 
was   bedevaert  tot  Romen,  Pass,  W,  272  d.  Ende 
is    bevert  gereyst  mit   enen  eerlike;»  gesinne  nae 
Luidick,  D.   War.  7,  112. 

2)  Buitenlandsche  reis,  verblijf  in  den  vreemde, 
lat.  peregrinatio.  Terwijl  dit  Lat.  woord  de  bet. 
van  bedevaart  (pelgrimage)  heeft  aangenomen ,  ging 
het  met  bedevaart ^mat  omgekeerd.  ||  Een  mensche  . . 
sonde  varen  sine  bedevaert  oft  int  vreemde  lant, 
Hs.  V.  1348,  257  a  (Matth.  25,  14). 

BEDEVEN?  II  Mer  stoede  hier  suwes  iet,  dat 
bedeeft,  hoe  ghi  wondt,  wat  helpt  groet  gescal, 
Ghine  bites,  dat  ghiere  doot  om  bleeft,  Rincl. 
718.  —  De  fransche  tekst  heeft  (coupl.  59):  „Mais 
bien  te  soit  appareillie,  se  ente  y  a  qui  tiève 
soit."  Is  misschien  het  ww.  ó^i^^»,  dat  van  elders 
onbekend  is,  verwant  met  den  stam  van  got. 
gadaban  en  ons  deftig,  ags.  gedafan  eugedafnian, 
passen,  behooren  (Diefenb.  Fgl.  Wtb.  605)?  De 
beteekenis  zou  dan  zijn:  „ Doch  als  hier  iet^  stond 
dat  van  u  is ,  dat  past ,  betaamt  (nl.  u  te  geven)", 
voor  dat  zou  plicht  zijn;  eene  bet.  die  werkelijk 
de  woorden  moeten  hebben. 

BEDI  (bedie,  bidi,  bidie,  bedien,  bideen 
Cbij  Stoke)),  bijw.  en  voegw.  l^hd,  bediu;eïk  bidiu. 
Gloss.  Lips. :  bethiu  of  bithiu  (Heyne,  And.  Denkm. 
43).  Samengesteld  uit  bi  of  be  en  een  naamval  van 
het  aanw.  vnw.,  nl.  den  instr.  die  of  den  datief 
dien.  De  gewone  vorm  was  bedi,  bedie,  d.  i.  de 
toonlooze  van  het  voorzetsel  bij,  dat  ook  mhd. 
de  gewone  vorm  in  samenstellingen  was  (Lexer  1 , 
262),  met  den  instr.  die,  di,  mhd.  diu,  got.  thé,  welke 
bij  comp.  ook  thans  nog  bestaat  in  het  eng.  the,  nl.  te, 
hd.  to ;  mul.  de,  te, die.  Zie  Huyd.  op  Stoke  1,  bl.  228i 


635 


BEDI. 


BEDÏ. 


636 


Clignett,  Bijdr.  bl.  210;  Heremans,  Overblijfsels 
V.  d,  Inttr.  bl.  17  i\g.  De  andere  Tormen  Indien  ^ 
bideen^  bedien  zyn  met  den  dat.  van  hetzelfde  vnw. 
Mmengesteld  en  beteekenen  hetzelfde.  Ook  vindt  men 
in  geljjken  zin  bi  desen^  bi  dat  en  bi  des.   Zie  Bi. 

I  Ala  Buw.  —  1)  Als  znivere  \u9\x.  D€uirdoor  ^ 
ten  gevolge  daarvan.  \\  Door  sine  doghet  ...  es 
80  groot  Tolc  totem  comen,  dat  sgs  mee  hebben 
dan  wi,  ende  comen  bet  aen  dan  wi  bedi,  Partk. 
1484.  Die  vanden  castele  .  .  moesten  altehant 
bedien,  wouden  si  ochte  ne  wonden,  vlien ,  Lanc.  II, 
28769.  Gi  hebbets  verdient  bedi,  III ,  7456.  Aldus 
versach  die  coninc  bidien  dongeval  dat  hem  sonde 
gescien,  lY,  10771.  Dat  qnam  bedi,  hi  vanter 
were,  Stoke  X,  218.  Zoo  ook  I,  515. 

2)  Daarom^  om  diered^n.  \\  Maken  wi  hem  {den 
meiuch)  oec  bedi  helpe,  die  hem  ghelijc  si,  Rijmb.  525. 
God  dede  wesen  onderdaen  die  Joden .  . .  den  Ro- 
meinen al  bedi  (=  aldaerom\  32239  var.  Ie  ne  sonde 
n    mogen    syn    sceppenesse   niet   bescriven,   bedi 
latict  achterbliven ,  Ferg.  3518.  Hi  vrucht  al  dat  hi 
siet,  bedi  springhelhi  in  den  vliet,  Nat.  Bl.Yll ,  842. 
Dat  hebbic  bedi  hier  ghenoemt . . . ,  dat  hi  hem  hoede, 
193.  Du  nemest  al ,  du  doest  mi  scade ,  bedi  en  doe  ie 
di  ghene  ghenzde ,  Èsop.  XLI,  11.  Haddicju  ghelaten 
in  juwe  ere ,  ghine  waert  niet  comen  tesen  sere ,  ie 
bemreof  oesuunbedi,  Fa/.  9115.  Want  bidi  hi  waes 
onblide,  dat  hine  alsoe  machtich  sach,  Sp.  I*,12, 
48.  Zie   verder   Nat.  Bl.   III,  2342  var.;  V,  623. 
Nat.    V.   II.    1804;    Esop.    Prol.   12;    Ferg.   1685; 
Rijmb.21^,  483,  23840,  24147,  33896.  — Albedi, 
hetzelfde   als   aldaerom.  Zie  ald.  en  al.  —  Bedi 
omdat,  daarom ,  omdat  (lat.  propterea  quod) ,  Rijmb. 
486;   Nat.  Bl.  III,  1050;  V,  341,  502;  VI,  633; 
VIII,    199;    Troyw»  6885. —  Bedi  daerom,  om 
deze  reden ^  hierom^   Vrouw,   en  M.  VIII,  350. — 
Bedi   want,   daarom,  omdat \  omdat;  want.  Lanc. 
IV,    541;   Praet   759;    Nat.  Bl.  VII,  899;  Franc. 
8113.    —    Bedi     (bedien)    dat,    daarom    dat, 
omdat.  II  Dat  dese  siecheit  haere  anquam ,  bedi  dat 
si  te  vele  naturen   hadde  daer  bi  dat  si  mans  en 
plach  niet,  M.  en  Fr.  Helm.  1698.  Bedi   dat   de 
pacient  heeft  groete  pine  int  hooft.  Jan.  Yp.  39. 
Zoo  ook  Flor.  en  Bl.  2277;  Nat.  Bl.  II, 47 ;ZtfiK?. 
III,  10967;  Heelu   1693;  Nat.  Bl.  I,  162;  Rijmb. 
600.    —    Niet    bedi     dat,    niet    daarom     dat, 
niet  omdat,   Fr.    Rijmk.    4020;  Lanc.   II,  28011; 
34642;  III,  11111;  IV,  5775.  —  Niet  bedi,  ge- 
volgd   door   een    ontkennenden   zin   met  ne  of  en. 
Elliptisctie   uitdr.,   het   best   weer   te  geven  door 
onze    uitdr.  niet  dat  —  mtuir  (vgl.  Troyen  6840: 
Nochtant  en  segickes  niet  bydy  ...  dattet  recht 
sy  .  .  . ,  m  e  r  dat   ie   meen .  .  .  ,  dat   Ulixes   is 
een  quaet).  De  volledige  uitdr.  was :  i  c  n  e  s  e  g  g  e(t) 
niet    bedi  .  .  .  ne,    d.    i.   niet   dat    ik    daarom 
wil  zeggen ,    dat  niet ;  niet  dat  ik  daarmede  ontken 
dat.  De  volledige  uitdr.  vinden  wij  Lanc.  II,  25352 :  || 
Gine  sgt  die  goede  riddere  niet,  die  al  die  avon- 
turen te  hoefde  bring^n  sal.  Ie  ne  segge  niet 
bedi  gine  sjt  die  beste  riddere,  die  nu  ter  tyt 
wapine   dracht,   mare   die    goede    riddere  sal  hir 
nare  beter  werden  dan  gi;  en  Ferg.  1481:  Joncfrou, 
in  sach  n  herte  nie,  sine  qnam  hier  niet;  in  segt 
bid  ie,  hadicse,  ie  en  gave  se  u  niet,  (maar)  ie 
en   sachse  nie.  Niet  dat  ik  u  het  hart  niet,  als  ik  het 
had ,  zon  teruggeven ,  daarvan  niet ;  maar  ik  heb  het 
nooit  gezien.  De  uitdr.  niet  bedi  —  ne  staat  dus 
in    onze   taal   gelijk   met  niet  dat  —  maar;  maar 
toch ;  dat  nam  niet  weg  dat ;  niettemin  — ;  hoewel  — ; 
en  dgl.  Zie  De  Jager,  Arch.  4,  216—223.  ||  Niet 
)}edi  sine  wisten  niet  an  hem ,  daer  si  blameren  af 


mochten  sine  persoene . . . ,  ne  waer  dat  si  ontstg^B, 
niet  dat  zij  iet*  op  hem  wisten  te  zeggen,  mêor  ^ 
vreesden,     VI.    Bifmk.    4212.    Ie   was  coningiBK 
willen   ere  .  .  .,    niet   bedi    mine  beqnia  ^rate 
goet  noit  so  wel  als  mi  darmoede  doet,  uurtsA 
vond   ik   nooit   zoo    veel  behagen  in  rijkdom  êU  m 
armoede,   Lanc.  III,  3209.    Si   dochte  hem  edeb 
wive    wesen    niet   bedi,   hine    hadde  liver  dits 
hare  zielen  verloren   dim   hi,   dat  nam  nietwej, 
dat  hi;  liever  wilde,  7145.  Hi  gaf  Madore  mettn 
swerde  enen   swaren  slach  .  .  ;  niet  bedie  Mik 
en  versochte  Lancelote  daer  al  dat  hi  vermockte, 
niettemin  trachtte  M.,  IV,  3953.  Zoo  ook  Uae.Vi, 
928,  1475,  11331,  24222,  27219;  111,1376,290, 
5725;   lY,  4949.  —  Minder  nauwkeurig  worè  è 
ontk.  ne  weggelaten.  ||  Niet  bidi  nochtan  («tf^tfw, 
evenwel)  soe  mochte  mettien  riken  wel  ommegto,^ 
III>,  26,  36.  Niet  bedi  bi  siere  ghenadea  gmtiit 
ende  voer  sine  doet  ontfaremde  hem  sgns ,  H.  £^ 
2861.  Niet  bedi  die  grave  hadde  wale  van  detafbe- 
hort,  Lanc.  II,  3668.  Zoo  ook  3567 ,  12191 ,  17840, 
20525,     28270,    28352,    28740,    30930,   326C4, 
32364,  36333,  36499;  III,  633;  IV,  1261. -D» 
bet.   van   daarom  kan  vaak  ook   door  het  TWfi. 
zoodat   worden   weergegeven.    Zie   b.v.  Akx.  ïïl, 
523,    531,   548,   890;    enz.,    en  vgl.  onze  aitdr.; 
waarom   ik  maar  zeggen   wil   (of  daarom  wil  me  ^ 
zeggen)  met:  zoo  dat  ik  maar  zeggen  vil.  ïït^ 
WANT,  dat  insgelijks  de  bet.  zoodat  aanneemt.*- 1^ 
voegwoordelijk    bijwoord    komt    he^    {hiü)  m 
eukele  maal  voor  met  de  bet.  van  iwimert,  tod.  i 
Onse    Here    seide :   swighen    si ,  die  stene  «lUa 
roepen  bedi,  dan  zullen  immers  de  steenentfM 
RXjmb.  25059.De8e  keyserinne  bidi  was  in  sieretóv- 
liehede  ende  dienden  selve  mede,  iS^.  111^44, ft 

II.  Als  VOEGW.  —  Omdat,  loant.  jj  Bedi  ï 
hadde  die  porse  groet ,  hi  moeste  vallen  op  o 
knien,  Ferg.  4110.  Bedi  der  minne  eenparicheiic^ 
voer  Gode  ghenoughelichede ,  Awumd  1 ,  698.  Bei^ 
in  deser  manieren  dat  roeden  sceden  die  nsieÜtR- 
Lanc.  III ,  6143  (dat  in  den  2en  regel  is  de  tW" 
looper  van  het  snbj.,  anders  zon  er  stsas  fc^ 
dat  in  enz.).  Bedien  si  en  sgn  gheen  erve  ^^ 
Uden  in  dit  Ijf ,  mi  wondert,  daar  wten  tod  iif 
in  dit  leven  niet  eeuwig  blijft,  verwondert  hdt^ • 
Vrouw.  e.  M.  YIII,  346.  In  wille  nietdagba.fe* 
ie  wille  varen  jaghen,  Ferg.  39  (vgl.  4881).Toire* 
seldi  sterven  nu,  bedi  en  es  niet  comen  bit, /^ 
3541.  Zoo  ook  Lanc.  111,681 ,7132,  7136;  A'i^^ 
VII,  881;  «w.  —  Want  bedi,  want,  omMl 
Want  bedi  het  cam  aldus,  Fratic.  8113.  ftf 
bedi  ie  waende  wale  ane  hare  sachte  as^ 
tale  .  .  dat  verwandelt  waer  haer  raet,  Msur 
255,  134. 

Aanm.  —  De  twee  beteekenissen  als  bfv-' 
voegw.  komen  ook  in  één  zin  Toor.  ||  Bedi  (itf'o* 
ne  wisti  niet  wat  doen  mere,  bedi(oaiia/)ül^ 
hem  op  so  sere,  Lanc.  U,  941.  In  versekfl»^ 
nieuweren  vortan  van  der  doet  nn  ter  wil«j^ 
mi ,  bedie  {pmdaf)  gi  hebbets  verdient  bedi  (^ 
door,  daarmede),  III,  7456. 

BEDICHTE  (bedechte),  bnw.  en  bgv.; « 
dichter  z.  ald. 

I)  Als  Bnw.  —  Zwaar,  hevig  (vergr.  b» 
bedichter).  jj  Die  joget  valt  in  evele  lichtit,  ^ 
evel  es  vele  bediehtre  des  onden  (/.  ^  ^ 
ouden),   /^.  I«,  10,  27  (Vinc:  gravius  tgti^ 

II)  Als   BUW. 

1)  Van  plaats.  In  de  nabijheid ^  dicht  h^A^ 
{de  engelen)  scouwen  wel  bi  dichte  (/.  WJ* 
alle  dinc  in  Gods   ansichte ,  Lucid.   718.  Si  ^ 


637 


BEDI. 


BEDl. 


638 


hebben  wel  bedechte  (/.  bedlchte)  voor  hem  lieden 
Gods  ansichte,  6045. 

2)  Van  wyae.  Ortophoudelijk  ^  met  geringe  tuatchen- 
fooun,  herhaaldelijk^  telkens  %oeer\  soms  ook 
mtt  tlevty  met  aandrang,  \\  Si  baden  den  here 
hirde  bedichte,  dat  hi  hem  den  riddere  late 
beÜBDen,  Lane.  II,  44362.  Hi  sleet  sQn  scone 
har  bedichte,  35685.  Yleesc  ende  vel  haeldi  be- 
dichte neder,  daer  dat  rode  bloet  dapperlike  ute 
liep  ende  woet,  Wal.  8986.  Soe  dat  hem  die  trane 
liepen  nte  sinen  ogen  bedichte,  Lanc.  lY,  5992. 
Bedichte  die  trane  sijn  vielen  der  vrouwen  in 
dansciin,  JUmb,  VI,  1857.  Bedichte  hem  die 
tranen  liepen  over  elke  lieréwanghe,  3p,  UI',  80, 
16.  Die  spiete  ende  die  scichte  . .  vlogen  bedichte, 
on,  Oed.  2,  71,  191.  Daer  sine  bespogen  be- 
dichte, Lucid,  1458.  Trane,  die  hem  vaUen  in 
dansichte,  harde  groet  ende  bedichte,  i^^^  13889. 
Dore  elke  vinstre  (quamen)  .  .  quarele  gevlogen 
bedichte,  Lane.  Il,  29281.  Die  sparke  vlogen  .  . 
bedichte,  43052.  Tbloet  liep  nut  ten  leden  .  .  be- 
dichte, Wal.  9936.  Waleweine  .  .  sach  hi  bedichte 
ten  maelgen  daer  tbloet  ntedringhen,  10073.  Dat 
dit  bloet  nntspranc  bedichte  beide  ten  monde  ende 
ten  nesen,  Lanc.  II,  8890.  Si  scuerden  wel  be- 
dichte .  .  beide  haer  ende  ansichte,  25622.  (Si) 
icoten  bedichte  untwaert  scerpe  scichte,  Wittek. 
V.  S.  95.  Die  coninc  beval  bedechte ,  datmense  vaste 
hoeden  sonde ,  Velth.  II ,  15 ,  18.  —  Vooral  in  ver- 
binding met  tlaen  gebruikt,  hetzelfde  als  slach 
in  slach  sla  en.  Zie  Slach.  ||  (Hi)  sloech  bedichte 
op  hem  na  sijn  bloet  ansichte ,  Lanc.  III ,  15469.  Lyo- 
neel  sloech  op  hem  bedichte ,  7598.  Si  sloech  haer 
Mlven  bedichte  in  hare  scone  ansichte,  IV,  8089. 
(Hi)  sloech  bedichte  op  hem  daer  .  .  grote  slage, 
II ,  40646.  Si  gingen  hem  onderslaen  bedechte ,  III , 
15726.  Hi  slonchse  in  hare  ansichte  meneghen 
slsch  wel  bedichte,  Limb.  VI,  1963. 

BEDICHTEN,    zw.    ww.    bedr.    1)    Eigenlijk. 
Bezingen  f  iemands  leven  in  dichttnaat  beschrijven.  \\ 
Die  edel  here,  dien   wil  ie  nu  in  eenre  daghen 
bedichten  ende  syn   waeldaet  waghen ,  Claghe  14. 

2)  Bij  uitbreiding.  Beschrijven^  te  boek  stellen^ 
Of  schrift  brengen^  (io\iVDi^TO%iL.  \\  Die  .  .  airebande 
besceydenifise  der  landen  ende  oec  der  dinghen  met 
znferliken  ende  gecierden  woirden  bedicht  hebben , 
i-Ure  2.  Josephus ,  die  der  Joden  hystorien  een  deel 
bedichte,  Ned.  Proza  122.  Dat  hy  (de  cl  ere)  sljns 
heren  ende  der  steden  redenen  ende  meninghen 
▼erder  verstaen  sal  ende  wijsseliken  ende  abeliken 
bedichten  ende  bescriven,  Matth.  70. 

BEDIE.  Zie  bedi. 

BEDIE,  znw.  gesyncopeerde  vorm  van  bediede, 
3den  nv.  van  be£et.  Alleen  gebruikt  in  de  uitdr. 
van  be  di  e,  van  beteekenis,  van  naam^  van  stavast.  \\ 
Mans  van  bedie,  van  Breda  Deeken ,  heer  Heinderic 
de  Bie  ende  heer  Jan  Boot,  Sacr.  1183. 

BEDIEDE,  znw.  vr.  en  onz.  Mhd.  bediute 
▼r.;  mnd.  bedttde  vr.  In  zgne  beteekenissen  ge- 
l$k  aan  het  veel  meer  gebruikelijke  znw.  bedie t 
(rie  ald.). 

1)  Verklaring y    uitlegging    (vgl.    bediet  ^  la).  \\ 
Hier  mede  latic  dit   bediede,  Teest.  2397.  Hore, 
ie  iegghedi  dat  bediede,  Lsp.  II ,  9,  32. 

2)  Gebeurtenis^  zaak  (vgl.  bediet^  2r).  ||  Dese 
dinc  ende  dese  bediede  daer  ie  af  gheseit  hebbe , 
ghesciede  omtrent  twee  maende  na  dat  bleef  doet 
die  goede  grave ,   VI.  Rijmk.  4368. 

3)  Befeekenis  (vgl.    bediet,   4),    ook  gewicht.  \\ 
Der  heyligher  kerken   bediede   is  sameninghe  der 
goeder  liede ,  Lsj>.  IT ,  39 ,  255.  Die  welke  brieve . . . 


grote  wijsheit  hebben  bevaen,  ende  van  leringhen 
grote  bediede,  II,  40,  83. 

BEDIEDELIJC  (bedudelic)  ,  bnw.  Van  bedied-en 
(zie  ald.).  Duidelijk^  klaar ^  helder.  \\  Claerlic  ende 
bedudelic  mit  groter  verstandelheit  heeft  u  die  andere 
oude,  myn  gheselle,  onderwijst,  Gulden  Troen  ba. 

BEDIEDEN  (beduden,  later  ook  beduiden), 
zw.  WW.  bedr.  Van  het  ongebruikelijke  ww.  dieden , 
in  den  zin  van  bekend  maken  ^  den  volke  verkon- 
digen. Mhd.  bediuten. 

Bedr.  —  1)  Duidelijk  maken. 

a)  in  eig.  zin.   Verklaren^  uitleggen.  \\G:\i\  sultse 
bat  verstaen,   dan  icse  u  metten  dichten  bedieden 
can  ochte  berichten,  X  PI.  40.  Dan  sal  ie  u  door 
Amands  eere   bedieden  die  verstannesse  mede  in 
v^f  poeinten,  de  beteekenis  verklaren,  Amand  II, 
6011.   Het  is  wonder  wat  hy  sal  den  man,  want 
hy  en  beduden  niet  en  can,  hij  kan  de  beelden  op 
het  schild  van  Achilles  toch  niet  uitleggen^  Troyen 
111%,   Of  spreken  si  alle  mit  tonghen  of  beduden 
si  alle  die  scrifture?  Ms.  75,  I  Ow.  12,   30.  Al 
dat  mer  inne   {in  het  O.  T.)  vent,  es  leren  ende 
bedieden  der  dinghen,   die  na  ghescieden,  Teest. 
1812.  (Si)  wildent  over  waer  bedieden  dat  onghe- 
val   van  haren  lieden  gheent  wonder  meende,  Sp. 
III •,   34,   13.  Vro  was  hy  ende  harde  blyde,  dat 
syn  droem  hem  heeft  gheloghen  , . .  die  op  syn  kynt 
hem  was  bediet ,  „  die  hem  was  uitgelegd ,  als  op  zijnen 
zoon  betrekking  hebbende'\  Troyen  10614.  Bediet  dees 
mespel  op  den  coninc ,  Taf.  (>^  3  JT.  68 ,  d.  i.  vergelijk 
de  eigenschappen  van  deze  mispel  met  die  eens  Konings. 
Dat  hi  (  Witte)  stille  ende  overluut  sine  brieve  sende 
uut . .  in  allen  steden ,  an  allen  lieden  ende  dede  hem 
daer   mede    bedieden,   dat   hi  in  den  lande  ware, 
'hij   liet  hun  daardoor  duidelijk  maken ,  gaf  hun  te 
kennen  y  Stoke  VIII,  1125.  De  coninc  vertelde  hem 
den  drome,  ende  niemant  en  was  dien  mochte  be- 
duyden,   B.  B.   Gen.  41,  8.  —  Iet  te  wonder 
bedieden,  iets  als  een  wonder  uitleggen,  vooreen 
wonder  houden.  \\  Men  sont  te  wonder  mogen  bedieden, 
tgrote  .  .  (ontbr.)  dat  si  daer  daden,  Fragm.  Car, 
270. —  De  onbep. wQs  als  znw.  gebruikt:  |j  Ghilieden 
sijt  allegader   doot  int  bedieden,  Amand  II,  699. 
Toten  Ebreuschen,  die  int  bedieden  waren  onver- 
standelike  lieden ,  6020.  Dat  hoorde  ie  sint  an  sijn 
beduden,   Hild.   27,   30.    Ook    in  den  zin  van  te 
recht  helpen,   beantwoorden.   ||   Haddic  in  Martens 
cam  ghescoren ,  ie  ware  nu  vroet  bediet,  Wap.  Bog. 
47.    Herde  gheme  soudic  bedieden  een  vraghe  te 
recht  horen  van  lieden,  die  hem  daer  op  verstonden 
wale ,  ik  zou  gaarne  goed  eene  vraag  hooren  mtleg- 
gen,  oplossen,  beantwoorden  door  menschen,  die  er 
verstand  van  hebben ,   Vad.  Mus.  1 ,  317 ,  2. 

b)  door  iets  uit  eene  vreemde  taal  over  te  zetten. 
Vertalen,  vertolken.  \\  Dat  si  ons  ende  onsen  lieden 
die  wet  in  onser  talen  bedieden,  Sp.  I*,  12,  11. 
In  Griexscer  tale  uten  Ebreuscen  onse  wet  te  be- 
diedene,  I»,  12,  24.  So  gaf  men  daer  ter  selver 
stonde  den  brief  Tulpine,  dat  hine  den  lieden  in 
de  lants  tale  soude  bedieden,  lY',  7,  6. 

c)  Af  schetsen,  af  teekenen,  aanduiden ,  noemen.  \\ 
Wel  es  bi  desen  visch  bediet  menighe,  die  luttel 
of  niet  gheacht  es,  Nat.  BI.  V,  757.  Vort  suldi 
horen  bedieden  some  vanden  heilegen  lieden,  Sp. 
III*,  52,  73.  Met  derre  minne,  die  ie  bediede, 
sinder  meest  gemint  die  rike  liede,  Rosé  4685. 
Bedi  hoertmen  dese  bedieden  donnedelste  van  alden 
lieden,  Sp,  V,  36,  27  (vgl.  Ilde  Partie,  bl.513). 
—  Vandaar  dat  bedieden  ook  de  bet.  bedoelen,  te 
kennen  geven  aanneemt.  ||  Uter!  ghi  siter  bi  be- 
duut   bi  der  sterren  ende  bider  draken,  Sp.  III*. 


639 


BEDI. 


BEDI. 


640 


31 ,  26.  Hierbi  wast  bedayt ,  dat  dit  kint  winnen 
sonde  Asyen  ende  Ënropen ,  Ned.  Proza  351.  Aise 
oft  8oe  seide  over  Innt  y^hx^v  bi  so  waa  ie  bednnt ," 
iSjp.  !•,  30,  27.  —  Hiertoe  behooren  ook  de  volgende 
plaatsen.  ||  Der  Arriane  sede  was  te  seggene: 
,,Gloria  patri  in  flUo,"  omme  dat  si  mindere ,  alse 
ongeloe?ege  lieden,  dan  den  vader  den  sone  be- 
(lieden,  den  zoon  voor  minder  houden^  alt  minder 
betchowcen  dan  den  Vader  ^  Sp.  II*,  11 ,  44.  So  wat 
NO  seggen  die  liede,  men  mach  maer  enen  God 
bedieden,  tpreken  van  één  Ood  ^  éenen  God  erkennen , 
Sp.  II»,  9,  65. 

2)  Vertellen ,  verhalen ,  mededeelen.  —  a)  Eigenlijk. 
II   Wie  salt  dorren   hem  bedieden,  wie  sal  wesen 

soe  coene,  die  den  coninc  Gwidekijn  seggen  sal 
die  lede  mare?  Wittek.  v.  S.  174.  Comt  ende  siet 
hier  enen  man,  die  mi  al  heeft  bediet,  so  wat  so 
mi  es  ghesciet  Rijmh.  23056.  Ie  bediede  a  die 
waerhede,  Amand  II,  3087.  Daer  ie  ju  in  {in 
Boek  YI)  den  ondersoec  van  serpenten  bedieden 
sal,  Nat.  BL  V,  1132.  Ie  salt  den  reehter  oec 
bedieden  met  sabtyiheit,  eer  wy  schieden,  Hild. 
38,  165.  Die  ere  en  mochtu  niemen  bedieden, 
die  deen  van  den  andren  heeft,  lAmb.  YII,  58. 
Dns  ontfinghen  si  scade  groot  ende  van  goede 
ende  van  lieden  het  ware  jammer  te  bedieden, 
Stoke  IX,  1232.  Dit  horewi  ystorien  bedieden. 
Nat.  BI.  XI,  164.  —  Horen  wi  bedieden, 
naar  wij  vernemen.  \\  XLIIII  manieren  van  lieden 
hevet  (Indié)  in,  horen  wi  bedieden,  Sp.  1%  37, 
5.  —  Ook  met  het  voorz.  van  verbonden:  van 
ie  f 9  vertellen^  spreken^  toeten  te  verhalen.  \\ 
Nu  saldi  horen  voert  bedieden  van  den  stenen. 
Nat.  BI.  XII,  1147.  Men  seide,  dat  daer 
ter  stat ,  die  wondere  hier  voermaels  gescieden , 
daer  die  menige  ave  bedieden ,  Yelth.  III ,  22 ,  60. 
Onse  Here  quam  te  Sichem,  daer  Genesis  vele  af 
bediet,  dat  tien  tiden  Cychar  hiet,  Kijmb.  22986. 
Een  deel  lantUede,  .  .  daer  ie  bediede  te  seggen 
ave  wonder  groet,  Yelth  Y,  12,  5  (d.  i.  wonder 
groet  te  seggen.  Ygl.  lat. :  de  quibus  mira  dictn 
narro). 

b)  bij  uitbreiding.  Iemand  iets  herinneren ,  op  het 
gemoed  drukken^  voorschrijven^  bevelen.  Ygl.  onze 
nitdr. :  te  vertellen  hebben.  \\  Sie  scieden  hare  liede 
alst  Hercules  te  voren  bediede,  Troyen  1362. 
Daerom  ons  God  selve  bediet:  „ghi  en  snit  niet 
rechten  na  den  aenghesichten ,"  X  PI,  1909.  Die 
wise  Salomon  ons  bediet:  „mensche,  en  laet  di 
lasten  niet  der  qaader  lieden  straten,"  1118. 
Seneca  ons  bediet :  „ghi  selt  in  allen  enden  armen, 
crancken  ende  ellenden  .  .  hulpen,"  1921.  Sinte 
Ambrosis  horic  bedieden:  men  sal  alsen  in  olie 
sieden ,  Nat.  BI.  YII ,  800.  —  De  onbep.  wijs 
als  znw.  Vermaning.  \\  Oeck  wat  hem  syn  broeders 
rieden  .  . ,  hi  en  wrochte  niet  na  hoer  bedieden , 
Hild.  62,  70. 

3)  Beteekenen ,  beduiden ,  willen  zeggen ,  lat.  signi- 
ficare ,  dat  op  het  gebruik  van  ons  beteekenen  zonder 
twijfel  van  invloed  geweest  is.  ||  Die  seste  letter  is  een 
U;  sel  ie  twaer  bedieden  na,  soe  machse  Yeritas 
beduden,  Hild.  72,  83.  Saterdach  {Sabbath  nl.) 
ruste  bediet ,  Natunrk,  1434.  Dat  broet  bediet ,  als 
iet  verstoet,  s^n  vleeseh,  entie  wgn  bediet  sgn 
bloet,  Rijmb.  1690.  Het  dochte  hem  een  vremde 
dinc  wat  dat  roepen  bedieden  mach ,  C.  en  El.  37. 
(Die  worm)  .  .  bediet  der  Maghede  kint,  Nat.  BI. 
YII,  1030.  So  macht  wel  over  waer  bedieden, 
III,  3593.  Dit  bediedt  die  ioedsche  wet,  Teest. 
1822 ;  enz.  —  De  onbep.  wys  als  znw. :  beteekenit.  || 
Daer   so   suldi   vinden   dat   bedieden   der  lettren 


viere,  IVrake  III,  629.  In  Alexmnders  vffle  jaer 
staerf  Plato,  alse  hi  hadde  ....  neghene  Twai 
IX  jaer  geleeft,  dat  groot  bedieden  iiilieeft,i^^ 
wat  wil  zeggen^  Sp.  I*,  4,  31. 

BEDIKDEN,  zw.  ww.  onz.  Yan  dieJen  it  ia 
zin  van  balen  (zie  ald.).  Baten ^  kuipen.  \\  Dit  ie 
mochte  niet  bedieden ,  dat  sys  hem  baden ,  diic 
waren ,  Lanc.  II ,  45838  (of  is  bedieden  hier  op 
te  vatten  als  het  vorige  Art  4)?). 

BEDIEDENISSE  (bedietnisse  ,  bedudenisse^ 
znw.  vr.  Mud.  bedudeneue^  bedufnesM  ^  mbd.  ht- 
diutniêse. 

1)  Uitlegging^  verklaring,  vooral  Tma  dwwn 
gezegd.  II  Leet  mi  in  sconincs  aenscomwen,  aèt 
ie  sal  den  coninc  vertellen  sinen  droem  ende  at 
bedudenisse,  D.  B.  Dan.  2,  24.  Ie  heb  tam 
mensche  ghevonden  .  .  die  den  coninc  die  be- 
dudenisse (nl.  van  den  droom)  boetscappea  nl. 
ald.  25.  Goede  ghewoente  is  die  airebeste  bedid^ 
nisse  des  rechts,  bona  coneueiudo  peroptima  iaier- 
pres  legis,  Matth.  45. 

2)  Beteekenisy  bedoeling.  ||  Dat  si  hemtekeaaa 
gaven  die  bediedenesse  daer  ave ,  Wrake  III ,  föi 
Dat  hi  Abrame  brochte  te  voren  beede  sinea  i^ 
ende  sijn  broot,  dat  heeft  bedietnesae  gr»^, 
Rijmb.  1682  (vgl.  Amand  U ,  2482).  Hebdi  ciür 
verstaen  die  bediedenesse  van  den  woorden ,  JmÊti 
II ,  4609.  Die  bediedenesse  van  onsen  heere,  6(HQl 
Dits  bediedenes  des  latgns,  Belg.  Mus.  7,  321, 
95.  Die  bedietnesse  van  dien ,  Ltme.  II ,  422S.  Wti 
die  bediedenesse  es  daer  of,  4237. —  Die  Beéie- 
denisse  van  der  Missen,  titel  Tmn  een  biL 
dichtwerkje ,  over  de  beteekenis  der  bg  de  bs 
gebruikelijke  symbolen  (in  Lett.  N.  R.  7^). 

BEDIEDER  (beduder,  bediedere),  znw.  n. 
Mnd.  beduder;  mhd.  bediuütere.  —  1)  Verklei- 
der  ^  uitlegger,  vooral  van  droomen.  ||  Sinebediedm 
(nl.  van  den  droom)  seiden  gint  dat  soe  sonde  dngba 
een  kint,  Rijmb.  17207.  Dyn  eerste  vmder  sondicMe 
ende  dyn  bednders  (interpretes  tut)  deden  owahéL 
teghens  mi,  D.  B.  Jes.  43,  27.  Is  daer  g^ea 
beduder  .  .  ,  (hi)  swighe  in  der  kerken ,  JKc  73. 
I  Oor.  14 ,  28. 

2)  Tolk.  II  Si  en  wisten  niet  dattet  Jo«^ 
verstont ,  omdat  hi  hem  toesprac  mit  enen  bedaio. 
D.  B.  Oen.  42,  23. 

3)  Vertaler.  \\  Yan  den  LXXII  bedieden  m 
Jherusalem ,  <^.  I*,  12,  12,  Opschrift, 

BEDIEDINGHE  (bedudinohe,  BEDiiNGHE),nv. 
vr.  Mnd.  bedudinge;  mhd.  bediutumge. 

1)  Verklaring,  uitlegging.  \\  Daer  toe  en  b^»^ 
men  gheen  constige  ende  meisterlike  bedndiagke. 
mer  puer  ende  eenvoudige  ynnicheit ,  Ned.  Pros^  19 

2)  Beteekenis,  bedoeUng.  \\  Doe  vraecbde  hi  ëi 
bedudinghe  van  eiker  lettre  zonderlingbe ,  Lsp.  ü. 
24,  73.  Hestor  die  lettren  las,  daer  die  l>&diedii^ 
snlc  of  was,  Lanc.  II,  3361.  Hi  sal  oec  iifaa 
in  die  bediinge  vanden  parabolen,  D.  JS.  EeeUana^ 
39,  3.  Gods  woerden ,  daer  hi  die  bedadinghc  aè* 
die  waeromme  niet  of  en  verstaet,  Stammen  Ufc 
Siet  nu  hebbic  u  ghenoemt  alle  de  ro^hele  eai^ 
hare  bediedinghe,  Runsb.  2,  222.  Ist  dat  k  k^ 
en  weet  die  bedudinghe  der  stemmen,  Ms,  T^- 
f.  37  a.  Dat  hi  die  bedudinghe  van  desen  ^iss^ 
niet  en  verstont ,  Ms.  87,  f.  22  a, 

BEDIEN  (ook  bedien,  b.  v.  Praet  16S8).  si 
onz.  WW.  [bedeech,  bedegen).  Yan  be  en  Ain  y» 
ald).  In  verschillende  opvattingen. 

1)  Worden,  vooral  in  het  verl.  deelw.  bedefe^^A 
Sichtent  dat  ie  ghelach,  en  mochte  mj  gescn* 
vruecht,  so  vremde  syt  ghy  tmywaert  bed^ki. 


64i 


BEDl. 


ËEDt 


64Ö 


Ned.  KluchUp,  76,  117.  Tis  8eer  verkeert  in 
corten  stonde:  daer  ghy  waert  meestere,  8ijt(ghy) 
knape  bedeghen,  Be^,  Mus.  4 ,  252.  Jolijt  dat  moet 
ons  langhe  dneren  .  .  .  mijn  traeren  bedeghe  al 
stil,  dan  zou  mijne  treurigheid  ophouden  (jgeheelstil 
wrden),  OVl.  Lied.  335.  Vele  lieden ...,  dewelke 
Tele  lands  wonnen  ende  bedeghen  zeere  ryke, 
i>nn,  V.  Flaend.  1,13.  Die  borghe  bedydt ,  gheeft 
den  sluetel  van  synen  goede ,  Spreuken  68.  Dewelke 
Aeroond  .  .  .  bedeghen  es  cordelier  ende  profes 
in  de  oordene  van  Sinte  Franchois ,  Cout.  v.  Brugge 
1,  485.  Zo  wat  Vrnlaten  poorters  bedeghen 
waeren,  583.  Andere  die  by  fhtnde  poorters  be- 
deghen waeren,  590.  Zoo  ook  503.  Jan  Van  der 
Haghen,  als  gheheel  hoyr  bedeghen  van  de  ver- 
sterflen  van  den  voomoomden  Jacop  van  der  H., 
Co»t.  V.  Oent  649.  Als  de  weese  huer  betreet  te 
bnwelicke,  of  priestre  of  riddere  bediet.  Wiel. 
Inttr.  118,  299.  Binnen  jare  ende  dage,  naer  dat 
ig  haer  selfs  bedegen  zgn,  hun  eigen  meester  ge- 
rorden  zijn,  89,  118.  Van  eenen  man  die  cranc 
bedeghen  was  van  zinnen,  Invent.  v.  Brugge  6, 
114.  Als  hy  den  papegay  ofghescoten  hadde  ende 
ilio  conyne  bedeghen  was  van  den  voetboghe ,  ald. 
118.  Dat  P.  ende  J.  zekers  ende  borghen  bedeghen 
ign  vor  enz. ,  Diericx ,  Mem.  2 ,  24.  Zoo  ook  meer- 
malen bg  Despars.  Zie  ook  Ondem.  1 ,  334  en  350, 
en  Kil.  37:  bedijden,  fieri,  evadere. 

2)  Vooruitkomen^  slagen,  vorderen,  goede  zaken 
maken.  Vgl.  onsww.  gedijen.  ||Ic  moet  mincken... 
ende  hi  moet  wassen  ende  bedien,  Rijmb.  22502 
w.  Scepenen  diet  recht  verkeren ,  scolier  die  tilec 
mint,  een  arm  man  die  wel  wijn  kint,  dits  ene 
compaengie  . .  die  men  selden  slet  bedien ,  Belg.  Mus. 
6,  213,  26.  Gheselleken,  spade  seldl  bedien ,  als  ie 
ane  u  tale  hore ,  want  ghi  sprect  als  een  dore ,  7 ,  321 , 
104.  Overdich  arm  man  . .  bedijt  selden,  10, 118, 10. 
Hebdi  ghevolghet  met  Folien,  comt  weder,  of 
fbi  wilt  bedien  de  wile  dat  ghi  hebt  den  tijt, 
Pnet  1142.  Een  jonghman  sonder  bedwanc  oft 
kenten  int  gheloove  cranck  selden  bedyen ,  Spreuken 
73.  Een  dronckaert  mach  somtyts  bedyen ,  dobbeleer 
Bimmermeer,  ald.  106.  Die  vele  op  de  haghe  doppen, 
oft  in  de  grachten  sien,  en  sullen  niet  bedien, 
«W.  84.  —  Bat  bedien,  betere  gevolgen  hebben.  || 
Bnnc  half  sat  sal  bat  bedien  dan  vol,  Bincl.  572. 

3)  Van  zedelgken  vooruitgang  gezegd.  Ver- 
heteren,  beter,  edeler  worden,  \\  So  sal  uwe  ziele 
wel  bedyen,  hebdi  berouwenesse  van  dien,  Praet 
1628.  Hare  jeughet  sal  soe  so  castien,  dat  soe 
bier  wachten  moet  van  blamen ,  so  sal  hare  nature 
bedien  ende   hebben  goeden  lof  van  namen,  619. 

BEDIEN,  samengetrokken  vorm  van  bedieden 
(i.  lid.). 

1)  Vertellen,   verhalen.   \\    Willet  mjj    dan  ver- 
,     trecken,  in  (d.  i,  ende)  bedien  mijns  wijfs  siecte, 

PUyerw.  133.  Ter  eercn  Gods  lichaem,  sou  ie 
^beme  in  cort  bedien,  hoe  dat  tSacrament  op  de 
Nienvaert  ycrst  ronden  es,  Sacr.  764. 

2)  In  den  zin  van  beteekenen. — Vandaar  de  uitdr. 
Tanbedien,  van  beteekerUs,  wat  naam  mag  hebben.  \  \ 
Ie  stae  in  mijn  lampte  en  zien,  ie  en  vinder  niet 
ia  van  bedien,   F  Maagd.  353. 

BEDIEN.  Zie  bedi. 

BEDIENELIJC,  bnw.  Dienstbaar,  tot  het  verrieh- 
tf%  vanbepaalde  diensten  verplicht.  \\  Een  bedienelijk 
mtn ,  Invent.  v.  Brugge  4 ,  234 ;  hetzelfde  wat  op  eene 
indere  wgxe  sterfelikelaet  wordt  genoemd.  Zie  lakt. 

BEDIENEN ,  zw.  ww.  bedr.  en  onz. 

Bedr.— Jï«/w«»,  beheerschen.  \\  Dat  rijke  lant 
wüt  gj  bedienen  u  leven  lang,  Heemsk.  186. 


Onz.  —  Dienen,  in  den  zin  van  dienstig,  nuttig 
zijn.  II  Oft  iemant  vanden  gesellen  ghaet  in  onbe- 
holrlike  oneerlicke  plaetsen ,  daert  hem  nyet  en  be- 
dient, Hermans,  Oesch.  der  R.  327. 

BEDIENENS  (bedinens),  voegw.  Voor  Bediens, 
hetzelfde  als  bedi ,  doch  met  den  gen.  in  plaats  van 
den  instr.  van  het  vnw.  samengesteld.  Zie  bedi  en 
BEDIES.  Bedies  werd  bediens  (vgl.  diens  en  wiens 
voor  dies  en  wies),  en  daaruit  ontstond  de  ver- 
lengde vorm  bedienens.  Omdat,  want.  \\  Nochtanne 
trac  hi  achterwaert,  bedienens  hi  was  altoes  ver- 
vaert,   Belg.  Mus.  3,  209. 

—  Als  onjuiste  vertaling  van  Lat.  quia  staat 
bedinens,  Hs.  v.  1348,  96  b:  Bedinens  soegaet 
ten  grave  dat  soe  daer  weene  {Joh.  11,  31),  en 
179  ^:  Bedinens  dat  hi  over  twee  penninghe  doen 
sonde,  verstaet  men  raet  ende  troostinghe. 

BËDIËNISSE ,  znw.  vr.  Hetzelfde  als  bedi  ede- 
nis se  (zie  ald.  en  vgl.  bedien  voor  bedieden).  Be- 
teekenis.  II  Die  bedienisse  van  elcken  worde  int 
Lat^n,  Jan  Yp.  42. 

BEDIENSTACHTICH.  Zie  het  volg.  Art. 

BEDIENSTACHTICHEIT ,  znw.  vr.  Hetzelfde 
als  diensiachticheit  (z.  ald.).  Van  het  tot  heden  niet 
gevonden  bnw.  bedienstachtich ;  mud.  bedensthaftich. 
Dienstvaardigheid,  gedienstigheid,  voorkomendheid.  \\ 
Want  hi  hem  in  uutwendig^n  maniren  bedienst- 
achticheit  bewees,  ere  ende  weerdicheit  ende  min- 
like  ghehoersamheit,  Brugm.  2, 313.  —  In  denzelfden 
zin  gebruikt  hy 

BEDIENSTELICHEIT,  «W.  305:  ||  Die  heerlike  , 
statelike  bedienstelicheit  der  heiligher  enghelen; 
vgl.    Hebr.  1,   14,  en  mud.  bedenstlik,  familiaris. 

BEDIENSTICH,  bnw.;  vergr.  inp  bedienstigher. 
In  twee  verschillende  opvattingen. 

1)  Van  bedierven  in  de  tegenwoordige  beteekenis. 
Oenegen  om  te  bedienen ,  gedienstig ,  hulpvaardig.  Ook 
met  den  3den  nv.  van  den  persoon.  ||  Bedienstich, 
hovesch,  simpel,  vroet,  goede  seden  ende  scone 
manieren,  Praet  2771.  Dat  derde  punt  is:  goet- 
willighe  sueticheit  totten  ghenen,  die  wi  berispen 
ende  dien  bedienstiger  te  wesen ,  nae  dat  wi  berispet 
sijn,  dan  wi  te  voren  waren.  Stemmen  19.  Die 
leen  .  .  .  was  hem  getru  ende  bedienstich ,  Matth. 
110  noot. 

2)  Van  bedienen  in  den  zin  van  dienstig  zijn 
(zie  ald.).  Nuttig,  van  dienst.  \\lc  bem  gheheeten 
Gheveynst  Bedroch ,  bedienstich  ten  crijghe,  D.  War. 
1,  411,  116. 

BEDIENSTICHEIT ,  znw.  vr. 

1)  Bereidvaarheid ,  gedienstigheid.  \\  Dese  vrouwe 
hadde  meer  ghearbeit  dan  die  tvrie  voerscreven. 
Dese  arbeit  was  ...  in  bediensticheit  ende  in 
toetroestinghe  der  heilighen,  Ms.  75  f.  19  c. 

2)  Dienstb€utrheid.  \\  Liever  hadde  hi  gestorven 
dan  hij  se  had  laten  gaen  in  servituten  ende  be- 
diensticheit. Pelgrim  6  d. 

BEDIES,  bijw.  Daarom,  daardoor.  Zie  bedie- 
nens en  bedi.  ||  Soe  wys  noch  alsoe  goedertieren 
en  vant  men  noit  van  manieren,  soe  godfrucbtich 
noch  so  reine;  bedies  heet  menne  int  gemeine  die 
goede  Eeiser  Heinrijc ,  Brab.  Y.  VI,  621.  Dese  wet . . 
dochte  den  heydenen  quaet,  so  dat  tusschen  hen 
bedies  groet  swaer  orloghe  wies,  Teest.   1804. 

BEDIEPEN ,  zw.  ww.  bedr.  In  een  getuigenis 
aanduiden,  aanwijze  in  rechte.  Vgl.  ons  opdiepen.  \\ 
Ende  want  sie  beide  Geerdt  ten  Hove  mede  be- 
diept  hebben ,  so  is  Geerdt  des  dootslages  schuldigh , 
Etst  V.  Dr.  113.  Want  de  schulte  met  den  twen 
buiren  hem  bediept  hebben  mit  hoer  tnichnissen, 
ald.  159. 

21 


643 


BEDI. 


BEDl. 


644 


BEDIET  (beduut,  beduyt),  znw.  o.  Van 
bedieden]  zie  ald.  en  vergl.  bediedr.  Het  mhd. 
bediute  en  het  mnd.  bedude  komen  in  vorm  over- 
een met  het  mnl.  znw.  bediede  (zie  ald.),  en 
zgn  vr. 

1)  Van  bedied^n,  in  den  zin  van  verklaren  y  uit- 
leggen. —  a)  In  eigenlijken  zin.  Verklaring  ^  uit- 
legging. II  Nu  horet  bediet  van  deser  saken,  Melib.Q^S. 
Ie  wille  weten  van  hem  dbediet,  Brand.  1846.  Sonder 
tGeluc,  verstaet  tbediet,  selen  si  verloren  bliven 
ode,  Vad.  Mus.  2,  170,  löö.  Nu  hoort  ende  ver- 
staet mijn  bediet ,  Amand  1 ,  498.  Daer  die  heydene 
som  na  hoorden  ende  verstonden  wel  dbediet,  1693. 
Willem,  nu  heb  ie  waer  bediet  eerst  verstaen 
uut  uwen  monde,  Hild.  220,  92.  Wat  wetic 
anders  dan  ie  mach  horen ;  in  vraechde  noit  om  el 
bediet,  OVl  lAed,  en  O.  262,  871.  (Ie)  mach  u 
segghen  een  bediet,  Rosé  4696  var.  O  Coninc, 
verstant  dit  bediet,  ^.  IP,  21,  59.  —  Na  (in) 
recht  bediet,  om  het  juist  uit  te  drukten ,  eene 
uitdrukking,  die  niet  veel  beteekent.  Vgl.  de  mhd. 
uitdr.  n^cA  rehter  bediute  (Ben.  1 ,  327a).  ||  Eerkelijc 
goet ,  na  recht  bediede ,  dats  aelmoesne  der  goeder 
liede,  Sp.  III*,  47,  19.  U  contrarie,  in  rechts 
(/.  recht)  bediet,  ons  ghebod  dede  ende  duwe  liet, 
Blisc.  V,  Mar.  672.  —  Bediet  doen,  bediet 
maken,  de  verklaring  geven ^  «iV/é-^^^»».  ||  Hebdire 
yet  ghelesen  of,  of  men  den  lichame  int  kerchof 
begraeft,  oft  der  zielen  helpt  yet?  daer  af  doet 
mi  een  bediet,  Lueid.  4679. 

b)  Van  bedieden  in  den  zin  van  vertalen  (zie  ald. 
1^).  Vertaling.  \\Dese  mieracle  willic  bescriven  .  . 
van  den   latine  in  dietschen  bediede,  Theoph.  11. 

2)  Van  bedieden  in  den  zin  van  verhalen^  mede- 
deelen  (zie  ald.  2a). 

«)  in  eig.  zin.  Verhaal  ^  zoowel  concreet  het 
verhaalde y  als  abstract,  vermelding.  ||  Al  dese  heilighe 
goede  lyede,  die  ie  roer  in  mijn  bediede,  Hild.  153, 
39.  Te  dien  tide  wert  menech  martelare  . . .  daer . . . 
niet  af  en  is  gesciet  enech  also  scoene  bediet,  Sp. 
II*,  54,  35.  Nu  hoort  van  Sandrijn  dat  scone  wijf 
claghelike  woorden  een  cort  bediet,  Lansl.  (H.)  294. 
Dat  hl  vergat  ende  achterliet  van  Moriane  aat  scone 
bediet,  Lanc.  II,  42569.  Een  sonderlinghe  helich 
man,  daer  die  lieden  spraken  van  grooten  wonder 
menich  bediet,  Amand  I,  534.  Des  wil  ie  u  een 
waer  bediet  vertellen,  Hild.  128, 116.  Tis  alrebest  een 
cort  bediet,  70,  278.  Soe  hoert  van  mi  een  waer 
bediet,  ie  sels  u  gaern  berechten,  68,  98.  (Hi) 
predicte  den  Jueden,  die  .  .  .  niet  consten  ghe- 
gronden  tsalighe  bediet ,  Amand II ,  1482.  —  (Een) 
bediet  doen,  maken,  mededeeling  doen ;  mede- 
deelen\  gewag  ^  melding  maken.  \\  Voort  doet  de 
Evangelie  bediet ,  dat  enz. ,  Amand  II ,  373. 
Eerst  willic  u  doen  bediet,  hoe  Amands  vadere 
hem  gheliet,  I,  512.  Vraghet  mi  wat  ghi  daer 
siet,  ie  saels  u  maken  een  bediet,  V.  d.  lïoute 
125.  Dan  dient  tonser  materien  niet,  daer  om 
makics  gheen  bediet,  Brab.  Y.  VII,  3397.  Voert 
maec  ie  u  een  bediet,  dat  wi  en  willen  die 
wiven  niet ,  die  sijn  van  sulken  leven ,  Vrouw.  e.  M. 
XI,  237. 

b)  by  uitbreiding.  De  woorden ,  waarin  het  verhaal 
vervat  is\  taal^  rede,  inhoud  der  rede.  \\  Als  ie 
hoerde  sulc  bediet,  ie  ghinc  tot  hoer  mit  groten 
vlijt,  Hild.  52,  52.  Wanneer  hi  spreect  alsulck 
bediet,  17,  74.  Cost  ie  in  mijn  memori  vinden 
rechte  rijm  ende  waer  beduyt,  3,  4.  Ghi  hier  af 
orconde  siet  in  der  ewanghelien  bediet,  Amand 
I,  5601.  Die  derde  in  corten  bediede  heet  Tibris, 
V,  d,  Honte  150.  Die  wonderlike  liede  riepen  in 


haren  bediede  na  den  heligen  Biundane,  BrsÊi. 
1845.  Hore  dit  bediet:  ie  sal  di  proeven,  dit  s 
twee  te  samen  één  wesen ,  dat  deen  wee  mick 
hebben  sonder  des  anders  pine ,  Sp.  II*,  23,  371 
Hoort  dit  bediet.  Nu  noch  100.  Die  scrifleB  te 
zelven  stonden  worden  alsoe  ghelgc  vonden,  data 
van  ere  letter  niet  en  discordeerden  in  alt  bedi^, 
Lsp.  II,  36,  2071.  Ja  ende  neen  is  hoer  bediet. 
die  hem  mit  comanscap  gheneren,  is  htmne  tssl. 
m.  a.  w.  hunne  leus,  Hild.  41,  127. 

c)  Overdrachtelijk  ook  gebezigd  voor  d^  satk 
die  verhaald  wordt,  en  verYolgens gebeurtenis ^ sui 
(vgl.  bediede).  II  Die  grave  .  .  meende  tesisevci 
ontfaen  van  den  coninc  .  .  noch  om  een  a§d# 
bediet,  VI.  Rijmk.  6097.  Ontbeyt,  hoe  comt  u 
dus  swaer?  Dit  is  vremt  bediet.  Mar.  v.  N.  iST. 
Hoe  mach  dit  wesen,  dits  vremt  bediet,  Bük. 
V.  Mar.  2065.  Wach  anderwerf  over  die  liede,  ïüê 
dus  vortgaen  met  desen  bediede ,  Velth.  VII,  ^  3. 

—  Vandaar   de    uitdr.:  ens  gheen  bediet,  i^ 
is  geen  zaak,  het  geeft  geen  pas,  het  is  onheiamtlijL 

II  Rogier,  vrient,  ens  gheen  bediet,  dat  jeas^ 
andren  sjn  quaet  tyet,  Wap.  Rog.  131.  Goet  sa. 
ens  gheen  bediet,  dat  ghi  rast  ende  calt  ilit, 
Dentm.  3,  206,  60.  —  Daaf  bediet  dus  de  bf- 
teekenis  van  taak,  ding  heeft  aangenomen,  kaï kt 
ook  de  beteekenis  van  iets  aannemen,  en  beW^ 
dus  somtijds  in  het  geheel  niet  vertaald  ie  wordea.!! 
Datter  roet  es ,  dats  goet  bediet ,  maer  dat  vitl^ 
en  doech  niet.  Nat.  BI.  IX,  197.  (Als)  ickerb 
quame  ten  paradyse,  .  .  so  ware  sonderlinghe  sie 
pine  te  rek  ene  niet  jeghen  der  blyscip  l^diei.  s 
vergelijking  met  die  blijdschap,  Amand  II,  57^1 
Van  den  wolf,  daer  ie  of  achter  liet,  mach  wa 
segghen  groot  bediet,  kan  men  iets  èelmtfryt 
zeggen,  Beest.  67. 

3)  Van  bedieden  in  den  zin  van  voorsckrijvrt,^ 
het  gemoed  drukken  (zie  ald.  26).  Les,  poortekrip. 
bevel,  II  In  deser  wijs  sprac  die  goedertiere  ii«aki 
bediet  van  goeden  woorden ,  Amand  l ,  1691.  Dè 
wise  Salomon  seyt  dit  bediet^  „Mensche.  fféu 
sult  versumen  niet,  ghine  selt  haestelingii«  i 
bekeren ,"  X  PI.  545.  Dit  notabel  gheeft  tbe&L 
80  wie  die  vroescap  hevet  in  .  .  (dat)  hl  hes  • 
ter  deughet  set,  Praet  1393.  Bese  exemplegfee^ 
tbediet,  1283.  Van  heer  Amolde  dat  bediet,  dif 
hy  mede  van  den  lande  sciet,  Grimi.  I,  ^ 
Aldus  sal  ie  (de  duivel)  in  dese  liede  myn  tite 
ende  al  mine  bediede  assimeleren  (lat.  alecks- 
signa  mea  assimilabo),  Velth.  VII,  32,  41. 

4)  Van    bedieden    in   den    zin     Tan    betetiei^ 

—  a)  in  eig.  zin  (mv.  bediede).  Beteekenis.  \\  PW*^ 
sophie  in  haer  bediet  dats  wpsheit,  D&ct  10 
887.  Redene  heeft  twee  bediede,  deen  es  s|i^ 
der  liede ;  dat  ander  es  .  .  .  onderkinnen  goet  o^ 
quaet,  III,  175.  Wat  is  des  tekens  bediet,  dal kr 
nu  is  gheschiet?  Lsp.  II,  36,  1195.  Ons  «£«^ 
dich  trecht  bediet  es,  Sacr.  162.  Van  der  kecte 
bediede  .  .  .  salie  u  cort  nu  betoghen .  Jjf-  ^^ 
51 ,  1.  Tbediet  in  Vlaemsche  es  das  Tan  dos- 
Praet  4876.  Wat  van  den  dinghen  was  tW^ 
Trogen  10349.  In  sinen  tiden  qnamen  liede  ^ 
Asia  met  groten  bediede,  liedAi,  een  hoef  «^ 
van  groofe  beteekenis,  dus  eene  ffroote  wtemigté:  ^ 
conventus,  Sp.  1* ,  46,  5.  —  b)  In  fig.  zin.  Wam^> 
Minres  die  ontdecken  hoe  off  waer  hem  heil  ^ 
gheschiet,  die  draghen  minne  sonder  bediet, Bi* 
137 ,  74.  —  Vooral  in  de  ultdrkking  c  r  a  n  c  b<fii'> 
d.  i.  weinig  waarde,  eene  zaak  van  gerim§  h^ 
het  is  cranc  bediet,  het  beteekent  niet  vffLi 
Anders  waert  een  cranck  bediet ,  dat  ie  ghek*^ 


645 


BEDl. 


ÈEDi. 


C46 


word  ghescouden,  Hild.   160,   276.  Al  hoert  ghi 
hier  u  leven  prisen  vanden  salken  om  tgheniet, 
ti8  altemale   een    cranck    bediet,  46,  144.  Luttel 
berous  hebben  si  meer  van  horen  sonden  tlanghe 
jaer  .  .  ;  daer   maken   si   of   een   cranck   bediet, 
daar  maken   zij   iets  van  weirtig  belang    van',  daar 
geven  zij  niet  veel  om,  234 ,  182.  Die  daer  na  leeft,  het 
waer  beter  dat  hgt  liet,  want  hi  vindes  een  cranc 
bediet,   Fad.  Mue,  1 ,  349 ,  75,  d.  i.  die  een  loereldsch 
leven  leidt,  hij  oogst  er  niet  veel  wezenlijk  voordeel 
mede  in ;  eig.  Mj  vindt  daardoor  iets  van  weinig  waarde. 
BEDIINGE.  Zie  bediedinge. 
BEDIKEN.  Zie  het  volg.  Art. 
BEDIKENEN ,  zw.  ww.  bedr.  Freq.  van  bediken. 
Bedijken ,    een   dijk  leggen  om  (land  of  water).  || 
XXI   bunderen  .  .,    welcke   Jacob    van  Artevelde 
haren  vaedere  dcde  bedikenen ,  Diericx ,  Mém.  2 ,  46. 
BEDINGE ,    znw.    vr.    Van    beden    (zie    ald.). 
Mnd.  bedinge'j  mhd.  bëtunge.  Oebed,  ||  Penitencie  was 
haer    fundament,   bedinghe   haer   murael  omtrent, 
Amand   1 ,    1004.   Nu   hoort    van    haren   mueren 
sterke ,   dat   was   bedinghe ,    1053.  Yoort  alsse  de 
duvel  waende  hoonen  waren  si  in  bedinghen ,  1059. 
Boucxkins    daer   alle   maniren   van    bedynghen  in 
ghescreven  zyn  om  messe  te  doene ,  aangeh.  Invent. 
V,   JBrtigge ,   Gloss.    245.    Dese    bedinghe   is   also 
goet    datse    elc    priester   zegghen  moet ,    Lsp.  II , 
41,    193.   Bedinge    die    es  harde  goet  in  vastene, 
Rijmb.    15845.   Des    hi    Gode   ghenaden   groot  in 
siere    bedinghen   sprac   ane,    6^.  V,  37,  15.  Met 
uwer  helegher  bedinghe,  O  Intern.  68.  Thuis  van 
bedinghen ,  Aet  huis  des  gebed-s ,  Lsp.  II ,  51,  7.  Aelmis, 
bedinge   ende  penitenci ,  Hild.  225 ,  166.  Bedinghe 
inder  heiligher  kercken  162 ,  89.  —  Verbonden  met 
velschillende    werkwoorden.    ||    Bedinge    doen, 
zijn  gebed  doen.  \\  (Si)  knielden  vor  die  dore  daer 
ende  deden  bedinge  dar  naer,  Lanc.  11,3917.  (Hi) 
dede  daer  naer  sine  bedinghe  nerstelike ,  III ,  4508. 
Suete  bedinghe  Maria  dede ,  L.  o.  H.  4675.  Als  die 
jonghe    Amand    hadde    ghedaen    sine    bedinghe, 
Amand  1 ,  448.  Om  te  doen  sine  bedinghe ,  Lsp.  I , 
47 ,  104.  Defie  bedinghe  die  de  priester  daer  doet ,  II , 
52,  108. —  In  bedingen  liggen,  staen,  sijn. 
II  Alsi    lach  in    der   bedinghen,  Beatr.  932.   (Si) 
lach   in  hare  bedinge  .  .  .  up  ene  hare,  Sp.  III", 
37,    82.   Die   tier  wilen  ende  up  dien  dach  in  die 
kerke    in    bedingen  lach,  III ",  2,  49.  Daar  si  in 
bedingen    laghen,  III*,  13,  32.  Ene  joncfrouwc, 
(die)  .  .  .  vor  hem   in   bedingen   stoet,  III* ,  54, 
20.   Daer   ie    .   .   in   bedingen  was,   P,   37,    17. 
Hi  sachse  wesen  al  in  bedingen,  IdMC.  11,15033. 
Si    heeft    sint  .   .  .  altoes   in   bedingen  gewesen, 
243G8.  —  Bedinge  aengaen,  aenuemen,  een 
gebed  gaan    doen   (vgl.    Amand  I,  649).    ||    Ende 
badt  eiken ,  .  .  dat  si  annamen  hare  bedinghe  over 
die    siele    sonderlinghe ,   Amand  II,  3924.  Dat  elc 
bedinghe  wonde  angaen ,  5706  (de  tekst  heeft  ver- 
keerdelijk ingaen).  —  Bedinge  driven,  seggen, 
lesen,  spreken,  een  gebed  doen,  ||  Dese  bedinghe 
ende   dese    claghe  dreef  die  sondersse  alle  daghe, 
Beatr,  553.  Yrient,  moghedi  dan  iet  gaen  wull^n 
ofte    bedinghen  segghen  metten  mont.  Vod.  Mus. 
1 ,  53  ,  112.  Hi  las  sine  bedinge  daer  nare ,  Lanc,  II, 
24239.    Mijn    bedinghe   dat   ie   te  Gode  las,  OVl, 
Lied.  en  Oed.  235 ,  58.  Vasten ,  aelmoesen  ende  be- 
dinge lesen,  491,  50.  So  track  hy  terkercke  .  .  . 
ende  daer  sprac  hi  syn  bedinghe  ende  syn  bedinghe 
ghesproken  zynde,  enz.,  aangeh,  Invent.  v.  Brugge 
Gloss.  246.  — In  bedingen  vallen,  zich  op  de 
knieën    werpen    om  te  bidden.  \\  Also  houde  als  hi 
^ech  was   viel  de  helighe  man  ...  in  bedinghen 


neerenstelike ,  Amand  I,  644.  Amand  selve  mede 
viel  in  bedinghen  met  neerensticheden ,  II,  3931. 
Amand  .  .  .  viel  in  bedinghen,  I,  2720.  Hi  viel 
in  bedingen  alte  hant,  Sp,  II*,  23,  103.  Doe  viel 
hi  in  sine  bedinge  saen,  Jannarius,  II*,  21,  57. 
So  dat  sij  alle  in  bedinge  vielen,  Ms,  80,  /.  Ibc. 

BEDINGEN,  zw.  ww.  bedr.  en  onz.  (bedingde, 
bedinget',  de  sterke  vervoeging  is  in  't  mnl.  nog 
zeldzaam).  Mnd.  bedingen;  mhd.  bedingen.  Van 
dingen  (zie  ald.). 

Bedr.  —  Foor  het  gerecht  brengen. 

1)  Met  den  4den  nv.  van  den  pers.  Foor  de 
rechtbank  brengen,  in  rechte  betrekken.  \\  Hieraf 
en  sal  men  niemende  bedinghen  noch  verwinnen 
in   gebannen   ghedingheu,   Belg.  Mus.  7,  312.  — 

2)  Met  den  4den  nv.  der  zaak;  zoowel  van  de 
overheid:  eene  zaak  voor  den  rechter  brengen,  in 
rechte  doen  behandelen ,  als  van  de  twistende  partijen 
zelf,  of  van  den  taalman,  die  yoor  hen  optreedt: 
bepleiten,  in  rechte  behandelen,  pleiten  over.  ||  Alle 
dese  voorsz.  koren  vast  ende  wel  te  doen  houden 
ende  tidelec  te  doen  bedingen  .  . ,  ten  eersten 
gedinge  vanden  makelaers  ende  vanden  meters  te 
doen  dingen  (rar.  bedingen) ,  O.R,  v,  Dordr,\,ll , 
230.  Dan  en  sal  die  heer  dien  twist  niet  bedinghen , 
mer  men  zoudze  ghebieden  te  ghysel  te  gaen 
leggen  ter  tijt  toe,  dat  zijt  wel  verborcht  hebben, 
0,B,  v.Dordr.  1,  209, 10. — Dit  willic  metu  bedingen, 
ende  can  ie,  oec  te  poente  bringen,  Lanc.  III, 
25066.  Welke  partien  .  .  die  voorseide  saken  ende 
andere  meere  met  grooten  processen  .  .  bedinght 
hebben,  Brab,  Y,  VII,  13879.  Soe  wie  een 
vonnis  beroept  voor  den  bailliu  . . ,  dat  sal  men  be- 
dingen in  alder  maten  als  voorsz.  staat,  V.  d.  Wall 
119  («.  1303).  Word  hi  ghedaghd  ende  niet  ne 
comt,  men  salne  te  banne  doen,  ende  noch tanne 
zal  men  zine  mesdaet  bedinghen  binder  naester 
maeud  .  .  .;  ende  doet  men  dat  niet  .  .,  men  ne 
maecht  niet  bedinghen,  Oorkb,  1,  3133  {a.  1254). 
Scepenen  sullen  hebben  van  eiken  ponde,  dat  voir 
hem  bedinghet  wort,  van  verboernisse  18  pen- 
ninghen, 2,  339  {a.  1290).  Die  materien,  die  voir 
hem  te  vonnissen  comen  ende  bedinghet  worden, 
Matth.  50.  Van  wtlems  rechte,  dair  ter  eerster 
vierschair  of  bedinget  was,  157.  Als  die  scepenen 
vonnes  vorsten,  dat  hyt  {de  clerc)  dau  bescriven 
mach  so  dat  anden  scependom  bedinghet  wordt, 
zóóals  dat  door  partijen  van  de  schepenen  wordt  ge- 
eischt,  74.  Na  den  heesch  des  Rechters,  gelyc  ie 
dat  heb  horen  bedingen  tAntwerpen,  209.  Soe 
bedinghet  die  talman  den  anspreker  syn  yerhal', 
d.  i.  verhaal ,  het  recht  op  herstel  van  rechtsnadeelen, 
vooi'tgesproten  uit  verzuimen  in  het  proces ,  Dingt, 
V,  Delft  42.  —  Ook  bij  vonnis  uitmaken,  of  doen 
uitmaken.  \\  kWe  brueke,  die  die  poirteren  of  poir- 
terssen  gebruect  hebben  jeghens  der  graeflicheyt . . , 
zij  zyn  bedinget  off  onbedinget  voir  den  datum 
dessen  brieffs,  ZFl.  Bijdr.  5,  373  {a.  1425).  Hare 
ghesellen  wiisden  de  zaken  te  bedinghene  ter  wet , 
daer  de  erve  onder  es  gheleghen ,  Fad.  Mus,  4, 349. 

—  Iet  bedingen  met  vonnes,  iets  doen  uit' 
maken,  zich  tot  iets  doen  machtigen  bij  vonnis.  \\ 
Wortet  een  bewijst,  dat  hy  enen  vrede ghebroken 
heeft,  hy  heeft  verbuertsynlijf  ende  sijn  goet,  ende 
die  rechter  salre  over  doen  rechten  mitten  zwaerde 
ende  dat  bedinghen  mit vonnes,  Matth. 205.  So  hy  (de 
heer)  dat  nu  wel  in  tyts  met  recht  ende  met  vonnes 
bedingt  ende  bewaert  heeft,  O.R.  v.  Doi'dr.  2, 118, 156. 

—  Vooral  gebruikelijk  in  de  uitdr.  recht  bedin- 
ghen, zijn  recht  bepleiten,  voor  hetrechtvan  zichzelven 
of  van   een  ander  opkomen ,  zoowel  gezegd  van  den 


64? 


ÈEÖt. 


BEDi. 


648 


rechter  als  ?an  de  partijen  zelf.  ||  Daer  elc  sgn 
recht  wil  g^aen  bedinghen  by  tael  ende  wedertael, 
Hild,  223,  38.  Ie  sal  mijn  recht  nu  wel  bedingen, 
Bei».  II,  3873.  Op  dat  hy  scarpelike  yerstaen 
mach  dat  recht,  dat  die  rechter  bedinghet,  Matth. 
74.  Een  rechter  Toirzie  hem  wel ,  als  hi  den  poirter 
daget,  ?an  des  hem  te  baten  comen  mach,  om 
tsheren  recht  te  bedingen,  141.  Sijn  hennesse,  .  . 
dair  hy  tsheren  recht  mede  bedinghen  mach,  124. 
—  B«dingde  tal  e,  hetzelfde  als  dingtaU  (zie 
ald.).  Pleitrede.  \\  Na  woerden  ende  wederwoerden, 
na  alre  bedingder  tale  ende  na  voerw^sde  vonnesse, 
V.  d.  Wall  417  noot.  Na  woerde  ende  wederwoerde 
ende  na  alre  bedingder  tale  ende  na  inhout  des  briefs 
vander  yyschcopers  neringe,  dat  niemant  binnen  der 
stede  vryheit  vysch  en  vercope  .  . ,  hi  en  sy  poerter 
tDordrecht,  O.  R.  v.  Dordr.  1,  266,  41  (a.  1430). 
Zoo  ook  2,  18;  67;  93;  121;  bedingde  woor- 
den, ald.  180. 

3)  Een  gerechtelijken  eisch  inttelleriy  zekei'e 
straf  of  uitspraak  eischen.  Zoowel  gezegd  van 
den  rechter,  als  yan  de  twistende  partijen  of 
den  voor  hen  optredenden  taalman.  ||  Ende  die 
rechter  of  clager  wort  syn  heisch  mit  vonnes  toe- 
ghewyst,  bedinghet  hyt,  Matth.  161.  Of  die  rechter . . 
enige  boeten  tot  myns  heren  behoef  bedingen 
mach  mit  recht,  166.  Wil  die  rechter,  hy  mach 
betoech  bedinghen  van  des  hem  dair  ghewyst  is 
mit  recht,  171 ;  vgl.  174.  Die  rechter  . .  bedingde: 
„waert  dat  hy  dair  wt  {uit  de  hetberge)  ghinge, 
hy  sondet  beteren ,  als  of  hy  nut  mijns  heren  slot 
ghebroken  wair,  ald.  —  Ook  van  het  vragen  van 
een  vonnis^  van  den  rechter  aan  schepenen.  |i  Item 
sal  de  drost  oft  richter  noch  een  ordel  vragen, 
of  hy  wel  onder  dacks  als  buyten  dacks  mach 
richten  und  gichten  und  yegelicken  landrecht  laten 
wedervaren,  daer  op  de  gerichtsman  wijsen  sal 
jae,  nademael  hy  dat  te  goeder  tyd  met  recht 
bedongen  heeft,  Landr.  v.  Vel.  3,  8.  Zoo  ook  7 
en  9  ald.  —  De  persoon,  te  wiens  nadeele  de 
eisch  geschiedt,  wordt  door  de  voorz.  ane  of  op 
uitgedrukt.  ||  So  sullen  sy  an  .  .  die  borge  recht 
van  betalinge  bedingen  ende  ghyselense  of  leggense 
in  der  vangenissen  ende  van  al  dat  sy  mit  recht 
bedingen,  betoech  nemen,  Matth.  174.  So  wat  so 
lieden  van  buten  beloven  of  zekeren  den  portres 
van  Middelburg  .  .,  dat  mach  men  up  hem  be- 
dinghen ,  ghelijc  of  si  portres  waren ,  Oor  kb.  1 , 
312i  {a.  12Ö4).  —  Gracht  bedinghen  ane 
enen,  eenen  eisch  tot  lijfsdtoang  tegen  iemand  in- 
stellen^ hem  die  bij  vonnis  doen  opleggen  (vgl.  bij 
Gracht).  ||  Gomt  hy  ter  antwoirden  ende  wort 
verwonnen,  hy  sal  borge  setten  voir  die  boete  of 
gevangen  gaen  of  die  rechter  sal  cracht  an  hem 
bedingen,  Matth.  140.  Ist  dat  A. . .  ombecommerde 
goeden  niet  en  weet  te  bewysen  binnen  der  vryheit , 
hy  mach  au  hem  bedingen  cracht,  165. 

4)  Bij  overeenkomst  bedingen ,  de  hedendaagsche 
bet.,  maar  in  het  Mul.  nog  zwak  gebruikt  (vgl. 
bevoorwaerden).  II  Dairom  bedingde  die  stat 
van  Utrecht  dat  mede  mit  horen  Rade ,  so  wanneer  . . 
die  Bisscop  dat  hielt  mit  YII  stolen,  dattie 
Heerlicheden  voirsz.  mitten  stroom  van  der  Lecken 
hem  toebehoerden ,  so  sonde  die  Bisscop  van  dier  tyt 
voert  die  Heerlicheden  dair  of  vrilic  gebniken,  Matth. 
Anal.  3, 318.  Daer  die  Here  van  Arkel  veel  willen  in 
bedingde,  voordeelige  voorwaarden  bedong^  ald.  320. 

Onz.  —  Van  rechtszaken  gezegd:  In  rechte 
behandeld  worden,  vóórkomen,  dienen.  \\  Om  dat 
die  Heer  die  overste  is,  ,bedingen  sheren  broken 
eerst,  Matth.  137. 


BEDINKEN.  Zie  bedenken. 

BEDOGHT,  BEDOCHTHEIT,  BEDOCHTICH, 
BEDOGHTICHEIT.  Zie  bedacht,  enz. 

♦  BEDOEGEN,  bedorven  woord.  Men  leie  é^ 
toegen,  Mieris  2,  ISb.  ||  Behouden alletnverste^ 
recht ,  dat  ghy  van  onsen  vorders  hebt  eide  tu 
ons,  ende  bedoegen  (I.  betoegen,  d.  i.  beiogen,  ie- 
wijzen)  moecht  —  Zie  betogen. 

BEDOEN.  Zie  bedaen,  en  vgl.  bemakex. 

BEDOYEN,  zw.  ww.  bedr.  Wissclvorm  vu  fe 
dauwen  (zie  ald.).  Bevochtigen ,  nat  maken.  \\  Derd«. . 
bedoyt  metten  douwe  van  derre  vlut,  Umb.  Sera. 
224a  {T.  en  Lettb.  6,  226).  De  vlnet,  die  ski 
deilde  in  vir  flumen  ende  bedoyde  din  boegaert. 
223^^.  Een  vluet  quam  uter  stat ,  die  den  bo^Mn 
bedoyde  ende  scit  sich  in  vir  flumen ,  223&.  Bedoit 
met  trenen,  219a.  Zoo  nog  225^. 

BEDOOFT.  Zie  beduven. 

BEDOOBTE.  Zie  bedorte. 

BEDOEENT,  bnw.  Met  dorens  begroeid.  \\ii 
waert,  dat  hi  {de  weg)  bebraemt  endebedomti^, 
Pelgrim  42tf. 

BEDORFTE  (bedorft),  znw.  vr.  Van  bedena 
(2de  art),  in  den  zin  van  behoeven  (hd.  beiOrfai 
Hetzelfde  als  bedorste  (zie  ald.). 

1)  Abstract.  Nood,  behoefte.  \\  Gi  sulter  n»d« 
morgijn  sulke   alse  uwe  bedorfte    sal  sgn,  loe. 

III,  5165. 

2)  Goncreet  Nooddruft.  \\  Den  kindrai  \mr 
bedorft  te  winnen.  Nat.  BI.  IV,  583  w.  D» 
spraken  sy  om  haer  bedorfte,  Trogen  f.  42  & 
—  Vgl.  de  plaats  uit  Trogen  bg  bedorte. 

BEDORSTE  (bedorst,  bedurste)  ,  znw.  tt.Tid 
bederven  (2de  art.)  in  den  zin  van  behoeven ,  m^ 
hebben. 

1)  Nood,  behoefte,  in  abstractcn  zin.  |1  Dat  «k 
hem  int  ende  sonde  bistaen  te  siere  noot,  tesen 
bedurste ,  Jmand  II ,  5707. 

2)  Nooddruft,  datgene  wat  men  noodig  heeft, '^ 
concreeten  zin.  ||  Boden ,  die  in  die  stede  brocbta 
alle  bedorste  mede,  Rijmb.  28671.  Sine  bedcjs» 
sullen  wi  hem  {aan  het  lichaam)  gheven ,  ^  I'- 
58,  39.  Dinghel  brochtem  alle  daghe  te  üsx 
messen  .  .  sine  bedorste ,  hostie  ende  w^n,  T,  ^; 
63.  Den  kindren  hare  bedorst  te  winnen,  NaLSL 

IV,  583  var.  Men  leetde  die  orsse  in  den  stille: 
men  dede  hem  wel  hai'e  bedurste,   JFal.  lOd)^ 

BEDORSTELIKE  (bedurstelike),  bgir.  f»^ 
neer  het  noodig  is ;  ter  juister  ,  bekwamer  ti^  t 
West   nerenst   bedurstelike,   intta  opporttme^  Si- 

V,  1348,  234  c  (II  Tim.  4,  2).  —  Ook  als  fesf . 
gebruikt,  bedorstel^c,  op  den  jmsten  t^ f^ 
daan,  aangebracht  enz.  ||  Dat  wi  vinden  gkeoa^ 
in  bednrsteliker  helpen,  om  geholpen  te  worie»^ 
bekwamer  tijd,  in  ausilio  opportune,  ald.  ^* 
{Hebr.  4,  16). 

BEDORTE  (bedoorte,  bedurte),  hiw.  tr. 
Andere  vorm  voor  bedorste  oi  bedorfte  (xicdieiiti 

1)  Van  bederven  y  in  den  zin  van  behoeve»  'C^ 
ald.  2de  art.  onz.  1);  vgl.  bedekte  1).  Be^ 
men  noodig  heeft,  behoefte.  \\  Een  speelman  st^ 
ende  riep  omme  sine  bedorte,  Sp.  III',  ^>  ^ 
Lichteliker  mach  daermoede  verdienen  hare  bedi''^ 
van  goede.  Franc.  4003.  Dus  spraken  sy  om  ^ 
bedoerte  {Hs.  bedorfte);  mettien  saghen  sy  i& 
die  poerte  den  coninc  na  des  lants  sede.  Ob  ^ 
hebben  goeden  vrede ,  droech  hy  {Hm.  hy  sy)  <* 
olyven  tac,  Trogen  f.  42tf. 

2)  Van  bederven  in  den  zin  van  heteanenip^^ 
ON  pers.  2b,  en  vgl.  bederve  3).  Batgem  ^ 
men  doen  moet^  plicht.  \\  Hi  dede  wel  sinebt^^ 


649 


BEDO. 


BEDO. 


650 


&iJM6.  14045  (de  Tar.  beAoorie  drukt  heizeUde  uit). 
BËDORVE  (bedorf),  znw.  yr.  Hetzelfde  als  3^- 
derpe  of  bederf,  zie  ald. 

1)  Nu£,  voordeel  (vgl.  bederve  2a).  ||  Dat 
goet,  .  .  dat  sal  tonser  bedorTen  wesen  al,  Lane. 
il,  35287. 

2)  Nooddruft,  leoensonderkoud ,  dekosê(Yg\.  be- 
derve Ib).  II  Recht  eest  dats  elc  vader  pliet  den 
kiDdren  hare  bederf  te  winnen ,  iVa/.  £1.  lY ,  582. 

BEDORVEN  (bedurven),  zw.  ww.  onz.  Hetzelfde 
alti  bederven  (zie  ald. ,  2de  Art.).  Behoeve» ,  noodig 
hebben,  ook  noodig zijn.  \\  Deselke  waende, . .  dat  hem 
Jhesus  iet  hadde  ghebeten  copen,  dies  menbedor- 
vende  sonde  sijn  ter  feeste,  L.  v.  J.  c.  208.  Want  onse 
lieve  neven  .  .  ons  .  .  mit  gelde  .  .  te  staden  .  . 
gestanden  hebben,  as  wij  des  bedorven  ende  ge- 
sinnen, Nijh.  2,  253  (a.  1370).  Datter  toe  bednrfte , 
Invent.  v.  Brugge  5,  94. 

BEDORVEN,  bnw.,  eig.  verl.  deelw.  van  bederven 
(Ie  Art.).  Van  personen  en  zaken  gebmikt. 

1)  Van  personen.  Gebrekkig,  beroofd  van  het 
gebruik  van  ledematen.  \\  Hi  wort  out  ende  sere 
bedorven.  —  Vgl.  Oudem.  1,  354. 

2)  Van  landen  gezegd.  Woest,  onbebouwd  (vgl. 
bederven  II  c).  \\  Alsoe  visentheerde  hy  diverssche 
wilde  ende  bedorven  landen,  Cron.  v.  Vlaend.  1 ,  12. 

BEDORVENHEIT ,  znw.  vr.  Van  het  bnw.  be- 
«forven  in  den  zin  van  slecht  van  karakter,  ons 
verdorven.  Slechte  aard,  zedelijke  verdorvenheid.  \\ 
Het  gaet  die  meneghe  om  broet,  dies  hebben 
sonde  cleine  noet,  en  daet  sinebedorvenheit,  Dot;^. 
II ,  2697. 

BEDORVICHEIT,  znw.  vr.  Hetzelfde  als  be- 
dervicheit  (zie  ald.).  Van  bederven  (2de  art.),  in  den 
zin  van  behoeven,  noodig  hebben.  Behoef  te ,  gebrek.  || 
Het  gaet  die  meneghe  om  broet,  dies  hebben  sonde 
cleine  noet,  en  daet  sine  bedorvecheit ,  Ihct.  II, 
2679  var.  (de  lezing  bedorvenheit  (zie  het  vorige 
Art)  verdient  de  voorkeur,  maar  het  woord  be- 
dorvieheil  is  zuiver  gevormd  en  moet  daarom 
bewaard  worden). 

BEDOUWEN,  zw.  ww.  onz.  Zie  Douwen,  en 

verg.    ag's.    dhavan,   regelare,    solvi    (Ettm.  580); 

eng.     thaio;    nl.    dooien.  Eigenlek,  zich   oplossen, 

wnamit    zich   de  beteekenis  ontwikkelde  van  weg- 

kwijnen ,    vergaan ,   wegsterven.  ||  Die  moeder,   die 

van    rouwen    welna    al   wilde    bedonwen.   Franc. 

8461.    Menich   seghet    nu   ende   echt:    „mijn   sin 

es   ane    dl    ghehecht  so  sere ,  ie  wane  bedouwen^', 

Wap.  Mart.  1 ,  425.  Hoe  lief  npzien  soe  mi  toesint,  het 

dinct  mire  herten  stjn  al  wint;  soe  liete  haer  eer 

bedonwen,   eer  sire  om  quame  in  rouwen,  2,  77, 

d.   1.    mijn    hart  liet  eer  toe  dat  zij,  de  onbeminde 

geliefde ,   verkunjnde ,  eer  het  om  haar  in  rouw  kwam. 

BEDOÜWEN ,  BEDOUWINGE.  Zie  bedau wen  , 

BKDAUWINOE. 

BEDOVEN.  Zie  beduven. 

BEDRACH ,  znw.  onz.  Mhd.  betrac,  -ges. 

1)  Yan    bedragen  als  rechtsterm  (zie  ald.). 

a)  Van  be Aragen,  in  den  zin  van  beschuldigen, 
aanklctgen.  Seschuldiging ,  aanklacht.  ||  Es  dat  sake, 
dat  enech  menssche  jemanne  sonde  bedraghen  van 

Ï naden  faite,  dat  dan  die  rechtere  dat  bedrach 
oe  aenhoren  den  scepenen ,  Brab.  Y,  Dl.  1 ,  bl.  773 
\a.  1327).  Ware  dat  sake,  dat  enech  mensce  enech 
ïedrach  of  claghe  dede  van  anderen,  ald.,  bl. 837 
\a.  1348).  Totdat  twee  scepenen  den  buerchmeester 
^heyolch  g^hedaen  hebben  van  den  bedraghe,  Cout.  v. 
Brugge  1,  479,  hem  gerapporteerd  hebben  over  de 
lanklachi  (Kil.  bedraegh,  relatio,  reportatio,  et 
iccoflatio).     Als    van    zekeren    bedraghe   daenof 


Invent.  v.  Brugge  3,  460.  Quod  nnllns  dictorum 
mercatorum  .  .  punietur  accusatione ,  que  vulgariter 
dicitur  bedrach,  5,  303.  Van  den  eersten  be- 
draghe {bij  eene  veroordeeling  tot  boete,  van  den 
houder  van  bordeelen),  .  .  .  van  den  tweeden  be- 
draghe, .  .  van  den  derden  bedraghe  (b\)  reci- 
dive), 4,  151. 

b)  Van  bedraghen  in  den  zin  van  overtuigen  van 
eene  nusdaad,  haar  bewijzen.  Gerechtelijk  bewijs.  || 
De  den  andren  bi  nachte  wonde  .  .  .  ende  men 
daer  gheen  bedrach  of  en  vonde,so  mach  deghene, 
de  men  des  betyet  s weren  siin  onscout,  K.  v.  TJtr.  1 , 
8.  Item  ne  moeten  .  .  .  vleeschauwers  dobbelen.., 
up  acht  daghen  ledich  te  gane,  ende  dit  bi  be- 
draghe van  tween  goeden  cnapen,  ZF/.  J9(/^r.  3, 277 
{a.  1379).  Wilde  hy  daer  teghens  segghen ,  daer  wilde 
hy  een  (/.  en)  of  verwinnen  mit  tuyghe,  mit  oirconde 
van  poorters ,  mit  kennis  van  scepenen ,  mit  bedrach 
van  scepenen,  of  hoe  dat  hy  hem  mit  recht  scul- 
dich  is  te  verwinnen ,  Dingt  v.  Delft  39.  —  Vooral 
in  de  uitdrukking  vol  bedrach,  d.i.  volledig  bewijs, 
fr.  pleine  preuve  (verg.  de  nitdr.  te  vollen  be- 
dragen). II  Dat  openbaer  gesciet,  sal  men  proeven 
openbaer,  alse  van  hoeme  ende  van  siene,  van 
twee  ofte  van  meer,  ende  dats  volbedrach,  Belg. 
Mus.  6,  301;  Heeln  bl.  545.  (a.  1292).  Dat  stille 
gesciet,  ochte  met  nachte,  dat  salmen  stille  proeven 
mit  hem  tween  ochte  meer;  nemen  si  dat  op  haren 
eet,  dat  die  gene  sculdich  es,  dien  si  bedragen, 
so  eest  volle  bedrach,  Heelu  bl.  546;  Willems, 
Meng.  449.  Soe  wie  bedragen  wort  van  eniger 
misdaed,  van  twee  schepenen  of  van  drie  wittach- 
tige  mannen  bv  besworen  eede ,  dat  es  vol  bedrach , 
Mieris  2,17  a(a.  1300).  O.  es  bedraghen  met  vullen 
bedraghe,  dat  hi  een  mes  trac  up  H.,  Invent.  v. 
Brugge  5,  77. 

2)  Van  bedragen,  in  den  zin  van  verzoenen,  bij- 
leggen. In  dezen  zin  is  het  ww.  in  het  Mnl.  on- 
gebruikelijk, maar  in  het  mhd.  zeer  gewoon  en  nu 
nog  in  het  hd.  in  gebruik  (zie  Lezer  1,  238). 
Overeenkomst,  verdrag,  zoen.\\  Hi  wiste  clene  van 
desen  bedraghe,  Zimb.  II,  1460.  Wair  yemant, 
die  dan  kyf  of  vechtelic  maecte,  diewile  dattet 
bamede,  dat  er  brand  was,  die  wairs  up  hondert 
pont  Hollans  ende  sgns  poirtrechts  quijt ;  ende  daer 
en  zal  ghien  bedrach  af  wesen ,  O.  W,  v.  Jmst.  43. 
Alle  twiste,  die  bedinghet  zullen  ziin,  dats  te 
wetene ,  daer  negheen  bedrach  (=  dading)  of  ziin 
zal,   Coiét.  V.  Brugge  1,  302. 

3)  Van  het  wederk.  ww.  hem  bedragen,  in  den 
zin  van  zich  gedragen  (zie  ald.).  Gedrag ;  hd.  betrag. 

II  Daer  was  .  .  gelezen  eene  groete  roUe  van 
haerlieder  bedraghe  ende  mesuze ,  ende  waeromme 
dat  men  se  ontliven  sonde,  Oron.  v.  Fittend.  2, 135. 

4)  Metselwerk  (?).  ||  Zo  wie  een  sternen  muyre 
legt,  die  upgaet  ant  dacke  of  dair  men  tbedrach 
van  kelnairs  op  leit  (grond  waarop  men  het  metsel- 
werk van  kelders  bouwt?),  ende  die  dat  fundament 
leyt  mit  rusten  ende  en  ghien  myminghe  en  wert 
gheboden,  O.  W.  v.  Amst.  18,  2. 

5)  Van  bedragen  in  den  zin  van  bijeenbrengen, 
of  liever  van  hem  bedragen,  d.  i.  bijeenkomen 
(eene  bet.  waarvan  tot  heden  geen  voorbeeld  in  't 
mnl.  bekend  is).  Gedrang,  strijdgewoel.  In  beteekenis 
geiyk  aan  het  meer  gewone  d^t/rofu;,  waarmede  het 
in  oorsprong  niets  gemeen  heeft  (zie  ald.  en  verg. 
PERSSE,  en  Karlm.  328,  30  (=  Jor^^).  ||  Doe  horte 
hi  voert  in  dat  bedrach ,  daer  hi  die  persse  sach  alder- 
meest,  Grimb.  II,  3068.  Doen  quam  daer  in  dien 
bedraege  s^n  vaedre  ende  sQn  broedren  drie,  1, 4371 
var.  Dies  beide  hi  in  dat  bedrach  dair  hi  sinen  neve 


651 


BEDR. 


BEDR. 


652 


vechten  sach,  II,  2328.  Bandersyde  yacht  in  dat 
bedrach  die  here  Tan  Edinghen  te  voet;  niet  en 
conste  die  te  peerde  comen  om  dat  bedranc ,  II,  2159. 
Mettien  qnam  inghereden  die  stoute  Ermiin  Echites 
ende  toende  wel  dat  hiere  es  siin  lieve  gheselle 
in  bedraghe,  in  nood^  Limh.  VII,  882. 

BEDRACHSLIEDE ,  -luden,  znw.  m.  mv.  Het- 
zelfde als  bedrachters  of  elders  volgers  \  zie  ald. 
Getuigen,  \\  Yan  alsulcken  eysch,  als  die  bailin 
van  Zuythollant  op  hem  maecte ,  daeroff  die  voirsz. 
Aert  oick  voirtijts  van  den  bedrachsinyden  ontdragen 
is    geweest,    O,    R,   v.    Dordr.   2,    169,   216. 

BEDRACHT,  znw.  vr.   en  onz. 

1)  Yan  bedragen ,  in  den  zin  van  beschuldigen 
(zie  ald.  1,  2  a).  Aanklacht,  beschuldiging.  ||  Die 
waerheit  sal  men  bezegelen  met  des  baillias  zegel 
ende  metter  zes  mannen  zegelen,  daer  bedracht 
voor  aengebracht  is,  Y.  d.  Wall  120  («.  1303).  Als 
Johan  .  .  voir  den  rechter  .  .  gebracht  worde  .  . , 
heeft  hy  hem  selven  ende  de  andere,  die  hy  be- 
dragen had,  .  .  van  des  hem  opgeleyt  was  ende 
(de)  bedrachten,  die  hy  gedaen  hadde,  te  mail 
ontschnldicht ,  Matth.  Jnal.  3,  642.  So  wie  dat  in 
enigh  van  desen  ponten  brokich  ghevonden  worde 
bi  wittaftighen  bedrachte ,  jB.  v.  Utr,  1 ,  65. 

2)  De  verklaring  in  het  nadeel  van  een  ge- 
daagde", in  het  algemeen  getuigenis.  \\  Wanneer 
yemant . .  croende  dat  hem  de  scoute  boete  ofnemen 
wouden ,  daer  hem  dochte  dat  si  ghene  scout  toe  en 
hadden ,  dat  dan  die  raet  twee  manne  daer  toe  zetten 
zei ,  des  scouten  bedrachte  daer  of  te  horen ;  vinden  zi 
bi  dien  bedrachte  dat  hi  boetsculdich  is ,  so  zei  hize 
betalen ,  K.  v.  Utr.  1 ,  80, 17.  Die  bedrachten  zeilen 
die  scepenen  uten  rechtevoort,  O,  K.  v.  Rott.  17, 
28.  Een  raedsman  zei  een  vermaenre  wesen  van 
den  bedrachte  ende  in  den  boeten  te  verwinnen, 
ald.  —  Yandaar  ook  zij  die  het  getuigenis  ajleggen,  de 
getuigen.  \\  So  wie  by  nacht  vecht,  verbuert  twee- 
voudighe  boeten  . . .  Ende  heefter  die  rechter  gheen 
bedracht  off  doen  daghen ,  so  mach  hise  aenspreken 
tot  haren  ede ,  O.  K.  v.  Rott.  16 ,  25.  So  wie  dat  die 
rechter  boeten  eyschet  van  vechten  off  van  enigher- 
hande  saken,  daer  bedracht  toe  hoort,  daer  sellen 
die  scepenen  hedreLchi  o{  aiiien,  rechtszitting  hoiid^n 
tot  het  hooren  van  getuigen ,  zitting  houden  voor  het 
getuigenverhoor , ald.  17 ,  28.  —  Bedracht  sitten, 
waarin  bedracht  eigenlijk  staat  voor  te  bedracht  (vgl. 
scheep  \00T  te  scheep',  stuk  voor  te  stukken',  (te)  paard- 
rijden, (te)  schaak  spelen,  enz.).  Zie  de  zoo  even  ge- 
noemde plaats.  II  Waerdat  die  rechter  gheeu  bedracht 
off  en  dede  sitten  binnen  zes  weken  na  dat  ghesciede , 
ald.  Als  die  scepen  bedracht  sitten,  so  zeilen  die  scepen 
hebben  drye stoop  wijns ,18,  28.  —  Ter  bedracht 
staen,  de  toestand  van  den  beschuldigde ,  wanneer 
bewijs  tegen  hem  is  toegelaten  en  het  hem  niet 
geoorloofd  is ,  zich  met  een  eed  te  zuiveren  (ter  on- 
scoude  comen).  ||  Des  sel  tgherecht  den  cuer  hebben, 
weder  hi  staen  sel  te  bedracht  of  dat  hi  comen 
sel  ter  onscoude ,  Leid.  Keurb.  53.  —  Ook  t  e  b  e- 
drachte  setten,  het  actief  van  ter  bedracht 
staen,  het  werk  van  den  rechter.  ||  Dat  sel  die 
rechter  die  scepen  te  voren  segghen ,  weder  hi  hem 
an  wil  spreken  (nl.  te  sinen  eede,  hem  op  een  eed 
vorderen),  dan  setten  te  bedrachte,  Oudste  K.  v. 
Delft  31,  14;  vgl.  ald.:  „ Mochtmens  nyet  bedra- 
ghen,   80   soudmen    aenspreken    tot  sinen    eede." 

BEDRACHTEE,  znw.  m.  Hetzelfde  alaorconde; 
z.    ald.   en   vgl.   ook   bedrachsliede.  Getuige.  \\ 
Waert   dattie    ghetugen    oftie    bedrachters    wech- 
bleven,  O.  R.  v.  Dordr.  2,  235,  15. 

BEDRAGEN ,  st,  ww.  bedr.  (bedroech  (bedrouch), 


bedreghen  of  bedrag  hen).  Hnd.  bedragen;  mlid.  he- 
tragen.  Yan  dragen  in  de  oorspronkelijke  beteeke&is 
van  trekken.  Eigenlijk  dus  betrekken. 

1)  Bedekken,  overtrekken  (vgl.  mhd.  be tri  ges, 
belegen  mit  metallschmuek).  \\  Die  yemants  doera 
bedraget  (barricadeerf)  met  horden,  met  hoat  oft« 
mit  plancken,  Schwartz.  1,  583a. 

2)  Voorzien  van,  vervullen  met.  Indenitdr.met 
slape  bedregen,  d.  i.  t;»  een  diepen  tUof  ft- 
dompeld.  ||  Ende  alse  si  quam  ter  tenten  hmti, 
vant  soene  met  slape  bedreghen  ende  heret  h» 
thovet  afgeslegen,  Sp.  J* ,  10,  36. 

3)  Yooral  gebruikelgk  als  rechtstcrm.  Inreekli 
betrekken, 

a)  Iemand  voor  de  rechtbank  brengen,  aanklsfa^ 
beschuldigen.  \\  Twee  wijf  waren    in  dien  dag^ei 
voortbracht  ende  daeraf  bedraghen,  dat  si  besieda 
hare   kinder,   Rijmb.    18811.    Laet  ons  metti  ^i 
ghemene ,  of  wi   sullen   di   bedraghen ,  d&t  vi  £ 
hoerdom  doen  saghen,  16970.  Hi  wort  bedra^fea 
ende  ghewroecht  van  soe  vele  quader  saken,  N.DoH. 
633.  Yalscelike  bedregen ,   dat  hi  met  venine  th- 
slegen  sonde  ebben  enen  man.  Franc.  9351.  Daer 
worden  bedragen  some  de  heren,  dat  si  die  dinpei 
wilden  verkeren,  Sp.  lY*,  35,  47.  Hi ontscit bes, 
alse  dien  bedrouch  sine  besicheit  ghenoach,  IT'. 
46,  97(Yinc.:  „abnuit  ille,  ut  male  sibi  consó»] 
Het  geviel  by  syns  Heren  tiden  Hertoghe  AelbreckU 
syns   Yaders,    dat   hy    (Willem)   also  t«^  b» 
bedragen   was,    dat   syn   vader   hem   nietsiena 
wonde ,    zóó    zwart   bij   hem  gemaakt  was,  Mitti 
Jnal.    3,    346.    Yan   dattene    Gheraert    hadde  b<- 
draghen  van  Yelsen,  Stoke  YII,  14.  Numocbtea 
hebben    grote    scame,    de   Gheraert  in  sgn  lesw 
bedroech,  Y,  402.  Siet,  oom,  dus  ben  ie  bedrage. 
Rein.  II,  4511.  Hi  meent  .  .  mi  te  bedragen  ^w 
den  coninc,  4530.  Dien  ie  node  sonde  betfri^ke. 
I,  2200.  Die  van  den  selven  Jan  .  .  bedragen  w 
ende   besculdicht  van   der   voira.   mord ,  Brai,  t 
Dl.  2 ,  bl.  734  (a.  1406).  Dattene  tonrechte  hadde  be- 
draghen  quade  orworme,  Theoph.  600.  Alsyeaifi 
in  saken  wort  bedraghen,  MLoep  II,  3213. Om ^ 
die  rechter  . .  hem  hadde  bedraghen ,  3408.  Ygl.  s§? 
Praet  2103 ;  -SJp.  lY»,  69 ,  51 ;  Parth.  5960;  Jai^^U, 
2623;   Di*p.  451.  —  Ook   met  het  voort.  mei.  1 
Hoe  Reinaert  sinen  ertseen  vader  met  verradeseöf 
sal  bedraghen ,  van  verraad  zal  beschuldigen ,  *?«• 
I   2234.   Hoe  hi  den   das  ende  sinen  vader  ke^ 
bedreghen    met  morde,  2502.  Men  en  hadde  mi  ^ 
mort    betegen,     daer    ie    mede     bem    bedref^- 
Jlex.  YIII,  631.  —  Hem  bedraghen,  rici  «^ 
schuldigen ,    iets   ten   nadeele   van    zich  zelten  «f- 
klaren.  \\  Ten  lesten  enen  goeden  man ,  hiet  Jos*^ 
heeft  hi  gevraget,  die  hem  niet  connende  bedrij 
die   zich   zelven  voor  onwetend  verklaarde ,  voor  ^ 
machtig  het  U  doen,  Sp.  II»,  12,  48.  Dat  si «1^ 
hem  bedraghen ;  sine  dorren  van  hem  (den  madr 
niet  ghewaghen,  qui  cum  de  se  faieantur,  ^  ^ 
non  audent  fateri,  Alex,  YIII,  387. 

b)  Van  een  misdrijf  overtuigen ,  ket  bewijs  leterf*- 
dat  iemand  schuldig  i* ,  ook  iemand  scAulSg  V' 
klaren.  \\  (Hi)  wertter  claerlec  af  bedragen,  ^ 
hi  scandelike  omme  bedarf,  Sp.  II*,  1,  32.  P<^ 
vloen  diegene  ende  swegen,  die  daer  ynti^ 
syn  bedregen,  Yelth.  lY,  15,  31.  Wordes  h 
kinder  bedraghen,  so  dede  die  vader  opeabif^ 
daer  mede  dat  sijn  wille  ware,  Rijmb.  21604.1^ 
mit  tughe  bedraghen  worden.  Leid.  Keurb. &.^ 
Nadien  dat  hi  bedraghen  wort,  so  verbaert  ii 
twie  scatte  boete ,  21 ,  34.  So  wie  bedragben  v«* 
of  begrepen  mit  onrechter  mate,  53,  9.  Waert ^ 


653 


BEDR. 


BEDR. 


654 


rement  .  .  worde  .  .   bedraghen  mit  twien  witt- 
achtigen  poirters,  35,  12.   Als  hi  in  tsgherechts 
jeghenwoordichede  bedraghen  is ,  so  zei  hi  rechte- 
▼oirt   .    .   die  stede  ramen,   121,   167.  Daer  nar 
vul  onthooft    een  Wit   Caproen,  oec  om  zeekere 
onredelyke  woerden,  die  hy  ghesproken  hadde  ap 
de  insetene,  daeraff  dat  hy  te  vullen  bedreghen 
was,  waarvan  volledig  bewijs  toas,  Cron.  v.  Flaend, 
2, 148 (Ygl.de  nitdr.  vol  bedrach  op  bedrach). 
Hi  es  te   vullen   bedregen ,  il  est  pleinement  con- 
vaineuj   Gendsch    Chtb.    127.   Bi    welker    warede 
{(jerecktelijk  onderzoek ,  enquête)  de  vors.  P.  was  be- 
draghen met  vullen  bedraghe ,  dat  hi  A.  stac  wonde , 
Invent.   V,  Brugge  6,   538.  In  de  welke  waerhede 
bedreghen   ende  ghehouden   waren  J.,  B.  en  W., 
Gendsch  Chtb.  125  (a.  1358).  Te  vullen  bedreghen 
ende  bi  vonnesse  uutghegheven  de  naervolghende 
persoenen,    ald.    127    {a.   1489).    Soe    wysen    die 
scepenen ,  dat   men  sculdich  is  tuyghen  te  horen 
ende  dan  voert  te  wysen   datmen  meent  dat  recht 
is.  Soe  geeft   die   rechter   een  van    den  scepenen 
het  vonnis,  den   hantdadighen  .  .  te  bedraghen  of 
te  ontdraghen ,  schuldig  of  onschuldig  te  verklaren , 
Iii»gt,  V.   Delft  54.  —  Ook  met  de   waarheid  als 
ondw.  II   Om    dat   die   waerheit  hem    bedraghet, 
datti  hevet  dese  quade  seden ,  Parth,  5960. 

4)  Bij  uitbreiding.  Iemand  in  het  ongeluk  storten  ^ 
ongelukkig  maken,  \\  Men  salne  blo  uwen  so  sere,  hem 
sal  sgn  leven  rouwen,  dat  hi  ons  dus  heeft  bedreghen, 
Maleg.  268.  —  Het  deelw.  bedragen  ook  als  bijv. 
uw.  in  den  zin  van  treurig,  ongelukHg,  \\  Die  daer  ons, 
bedragen  mynschen,  weder  geleyt  hebste  tot  die 
overste  vrouden ,  aang.  bij  Van  Hasselt  op  Kil.  37. 

5)  Bedriegen,  misleiden;  tigs.  bedragan]  zw.  be- 
draga,  de.  bedrage.  Misschien  is  het  Eng.  betrag 
hetzelfde  woord,  maar  gewijzigd  onder  den  invloed 
van  het  Rom.  trahir.  Zie  Muller,  Bt.  Wtb.  1»,78; 
Grinim,D.  Wtb.  1,  1715.  ||  Heer  coninc,  wacht  u 
hier  teghen ;  ghi  sljt  harde  seer  bedreghen,  Segh. 
425  (var.  te  scheme  ghedreven).  Dat  hi  worde  daer 
bi  bedreghen  (rdeghen),  1891  {J3Ls,  D.  h.  w.  be- 
éroghen  saen).  In  der  wairheit  syn  zy  toe  seer 
bedraigen  worden ,  nye  man  en  heeflt  meer  bedrochs 
gesyen,  Gedenkst,  2,  310.  Nu  seght  men  hier  oick , 
dat  zy  bedraigen  sullen  syn  inder  assignatien ,  ald, 

6)  Yan  draghen  in  de  hedendaagsche  beteekenis. 
Wegdragen,  sich  verwerven,  bewerken.  Kil.:  be- 
draeghen,  reportare.  jj  So  bewarf  si  ende  be- 
drocch,  dat  si  wart  van  groten  love,  Flor,  202. 

7)  Bedragen,  beloopen,  tot  een  zeker  getal  op- 
klimmen,  de  hedendaagsche  bet.;  Inform.  243e.  e. 

8)  Als  wederk.  Hem  bedragen.  —  a)  Zich 
gedragen,  het  maken,  zich  houden.  Ygl.  BEDRA.CH 
en  hd.  sich  be tragen,  sich  benemen.  WRoe  wiin 
stride  ende  in  orlogen  ons  connen  hebben  ende 
bedragen,  Cass.  1052.  Som  wile  was  hemgevraget, 
welker  wjs  hi  hem  bedraget  van  den  conden 
winter  wreet  ende  hi  so  dinne  was  gecleet ,  Franc, 
2261.  So  dat  wi  in  onsen  daghen  wijsiyc  ons  hier 
bedraghen,  Lsp,  III,  Prol,  42.  Dat  hi  hem  dan 
soe  beidraghe  dat  hi  gheenen  ondanc  en  bejaghe ,  III , 
4, 517.  —  3) Met  het  voorz.  ane.  Zich  houden  aan,  zich 
gedragen  aan  of  lucar.  ||  Hemluyden  bedraghende 
an  deselve  informacie ,  Enq.  245.  —  Over  het  eig. 
zwakke  wederk.  ww.  hem  bedragen,  zie  het  volg.  art. 

BEDRAGEN,  eig.  zw.  ww.  Van  het  onge- 
bmikeiyke  zw.  ww.  dragen',  ohd.  tragón,  tragen 
(Graff  5,  502);  mhd.  trage  (bv.  die  sich  nótliche 
irageten ,  Ben.  3 ,  77tf) ;  d.  i.  voeden.  —  Het  samen- 
gestelde WW.  bedragen  moest  dus  eig.  zwak  zijn, 
maar  is  evenals  het  mhd.   betrage  (t.  a.  p.)  door 


misbruik  sterk  geworden.  Voeden,  onderhouden,  \\ 
Des  lichamen  spise  daer  men  tljf  bedraghet  mede, 
Lsp. 1\,^1,  114.  Darme  en  sorght  nacht  uo  dach, 
dan  hoe  hi  dlijf  bedraghen  mach,  III,  5,  86.  — 
Ook  in  de  uitdr.  sinen  noot  bedragen,  i;» 
zijne  behoeften  voorzien.  \\  Ende  wint  blidelike 
dat  broet,  daer  hi  mede  bedraghet  sinen  noet, 
Bose  4893  var,  —  Vooral  wederk.  gebruikt  Hem 
bedragen. 

1)  Zich  voeden,  onderhouden,  in  zijn  levens- 
onderhoud voorzien,  zich  bedruipen,  jj  Dese  laetmen 
bidden  bi  gedoge  van  doren  te  doren  ende  bejaghen, 
want  anders  mach  hi  hem  niet  bedraghen,  Rosé 
10740.  Syn  goet  gaf  hi  daer  naer  sinen  vrienden, 
sinen  maghen,  soe  dat  si  hem  wel  mochten  be- 
draghen ,  Hild.  148 ,  394.  Met  pinen  winnen  ende 
bejagen(rar.),daer  of  die  lichame  hem  zal  bedraghen, 
Lsp.  I,  37,  95.  Met  swaren  arbeide  .  .  hebbic  mi 
altoes  bedraghen,  Limb.  1, 186.  Goet  daer  wi  ons  mede 
bedraghen,  alse  ridders  die  syn  sonder  lant ,  Lanc.  II, 
27325.  Die  valsche  penninghe , . .  daer  hi  hem  mede 
bedroech.  Rein.  I,  2653.  Doene  conste  hem  niet 
ghenoegen,  daer  ses  monke  hem  bi  bedroeghen, 
2693.  Mit  arbeide ,  .  .  .  daer  si  hem  op  bedraghen, 
Hild.  184,  133.  Hi  en  vaut  nauwer  min  noch  meer, 
daer  hi  hem  op  mochte  bedraghen,  33,ll.Haert- 
steden  {de  bewoners  nl,),  die  hemselven  moghen 
bedraghen,  Enq.  188;  vgl  256.  Hoe  wel  kundi  u 
bedraghen,  Proza-Rein,  105p  (vgl.  Rein.  II,  7482 
^^772  bejaghen).  Drie  dinge  maken  heilich  (d.  i.  zalig) 
den  man,  die  lijf  ende  goet  bescermen  can,  ende 
mettien  sinen  hem  bedraget,  ende  om  anderre  goet 
niet  en  jaghet,  Alex,  VIII,  954. 

2)  Zich  vergenoegen  met,  zich  tevreden  stellen, 
zich  behelpen,  zich  generen.  \\  Dus  nauwe  hebbic 
mi  bedraghen,  nochtan  dat  was  mi  lettel  noot, 
met  zoo  weinig  heb  ik  mij  tevreden  gesteld.  Rein.  1, 
2134  (vgl.  Tijdschr.  1,  18  en  Rein.  II,  2152: 
Hierop  most  ie  mi  doe  bedraghen).  Oft  hi  hem 
daer  met  niet  en  bedraget,  ende  hi  vort  omme 
wasdoem  jaget,  Sp.  I*,  54,  25.  Al  gave  men  hem 
algader  tgoet,  daer  hem  die  werelt  met  bedraghet, 
waaraan  de  geheele  wereld  genoeg  heeft,  waarmede 
de  geheele  wereld  het  stelt ,  het  doen  kan.  Vrouw,  en  M, 
1 ,  799.  Die  nature  hadde  haer  bejaghet  die  scoenheit, 
daer  haer  mede  bedraghet  al  dat  hevet  menschen 
name,  waaraan  alle  menschen  te  zamen  getioeg 
hadden,  waarmede  zij  tevreden  konden  zijn;  zij  ver- 
eenigde  in  zich  de  schoonheid  van  alle  vrouwen, 
Claus.   316. 

BEDRANGINGE,  znw.  vr.  Overlast,  moeite,  jj 
Mallick  .  .  den  anderen  .  .  behalden  vur  gewalt 
ind  onbehoirlicke  belastinghe  off  bedranginge ,  Ngh. 
4 ,  373  {a.  1465).  —  Het  woord  is  een  germanisme ; 
in  ^t  mul.  bestaat  wel  bedringen,  doch  niet  bedrangen 
(mhd.  mnd.  bedrangen;  hd.  bedrangen), 

BEDRANC,  znw.  onz.  Van  bedringhen  (zie  ald. 
en  verg.  bedronghen).  Mhd.  bedranc;  mnd.  bedrank. 

1)  Abstract.  Het  dringen,  gedrang ,  strijdgewoel.  \\ 
Daer  was  so  groet  bedranc  int  vergaderen,  daer 
si  quamen ,  dat  si  nie  en  mochten  versamen ,  Velth. 
III,  7,  54.  Hi  lach  harde  onlanghe,  hine  spranc 
op  in  den  bedwanghe  (/.  bedranghe),  Grimb,  I, 
3728  (vgl.  Huyd.  op  Stoke  III,  vs.  344  en  §>.  I*, 
27 ,  44).  Daer  bleef  op  den  velde  versiegen  menech 
eerlijc  deghen  ende  verminct  in  dat  bedranc ,  4380. 
Doch  wert  omtrent  hem  dat  bedranc  soo  groot, 
dat  si  werden  ghescheiden,  II,  2948.  Alsi  dat 
vernamen,  dat  men  misse  sanc,  ende  men  offren 
sonde ,  wardt  daer  groet  bedranc ,  Vad,  Mus,  1 ,  32. 
In  beiden  siden  dat  bedranc  was  so  groet  .  . ,  dat 


655 


BEDR. 


BEDR. 


Walewein  in  genea  dingeD  den  coninc  en  conde 
gebringen  niet  aten  bedrange,  Lanc.  III,  21854. 
Doe  wert  dbedranc  groet  ende  swaer,  Limb,  YII , 
1381.  So  vreselike  wa«  geen  bedranc,  Velth.  IV, 
30,  48.  Tbedranc  wa«  alte  groot,  Brab,  Y.  VII, 
2018.  Dat  spere  brac  in  dat  bedranc ,  Orimb.  I , 
3675.  Men  droech  den  (/.  die)  heren  .  .  aten  be- 
dranghe  ,  4444.  In  dit  ?echten  ende  bedranghe  wart 
die  grave  .  .  ghevaen,  VL  Rijmk.  6420.  So  ne 
consten  8i  din  niken  nit  in  dat  bas  ghebrenghen 
om  dat  bedranc  van  din  yolke,  dat  omtrent  dat 
bas  was,  L,  u,  J,  c,  68.  Zie  nog  Grimb.  III,  874, 
1879;  Lipp.  19. 

2)  Concreet:  menackennuuta.  \\  Hi  reet  enen  in  dat 
bedranc  dore  den  bnyc  ere  ellen  lanc ,  Orimb,  II , 
2200.  Die  here  Tan  Hoeme  .  .  voer  vaste  doer 
dat  bedranc  met  sinen  lieden  vromelike ,  II,  2080. 
Si  slogen  midden  int  bedranc,  Lanc,  III,  21727. 
Doe  liepen  si  ter  bragghe  waert ,  die  te  enghe  was 
ende  te  cranc  onder  also  swaer  bedranc,  Stoke 
III ,  342.  —  Somtyds  laat  het  woord  beide  op- 
vattingen toe,  b.v.  II  Met  desen  bedrange  was  die 
coninc  Tyradus  aten  stride  getogen,  Lorr.  II, 
500.  Die  stavelie  was  nedergevelt  met  enen  be- 
drange, Velth.  VI,  8,  60. 

3)  Van  één  persoon  of  ééne  zaak  gebruikt.  Het 
drukken^  het  benauwen,  \\  Men  sach  daer menighen 
in  dat  perc  van  sinen  orsse  vallen  neder,  die 
nemmermeer  op  rechte  weder  dore  ^bedranc  van 
den  orsse,  Orimb,  II,  5176. 

BEDREECH.  Zie  bedreich. 

BEDREGEN.  Zie  bedragen. 

BEDREGEN.  Zie  bedreigen. 

BEDREICH  (BEDREECH),  znw.  o.  Stam  van 
bedreigen.  Bedreiging,  dreigement,  \\  Als  hi  dat 
hadde  verstaen,  swoer  hi  n  te  nemen  tlijf;  doen 
was  ie  een  droeve  wijf,  dat  hi  u  dit  bedreech 
(Hs.  bedrief,  varr.  belofte)  had  ghegheven,  Segh. 
1244.  In  houde  niet  van  nwen  bedreighe,  3522. 
(Si)  gaven  Seghelyn  groot  bedreech,  deden  hem 
allerlei  bedreigingen,  10959.  Vgl.  het  Gloss. 

BEDREIGEN  (bedregen),  zw.  ww.  bedr.  Be- 
dreigen, het  toeleggen  op.  \\  Omdat  niet  sdnvels 
scichte  den  mensche  vort  bedreghen  moghe.  Bed. 
d.  M.  492. 

*  BEDREIN,  znw.  o.  Misschien  samentrekking 
nit  bedragen  {y^\.  brein,  meid,  dweil  enz.).  Als  znw. 
gebruikt  met  de  beteekenis  van  gedrang ,  ophooping 
van  mentchen',  hetzelfde  als  bedrach  (z.  ald.).  Doch 
de  lezing  zal  wel  bedorven  zijn  en  het  woord  ver- 
anderd moeten  worden  in  bedrom  (z.  ald.).  ||  Al 
waren  hier  liede  noch  also  vele,  met  soutse  doen 
bet  achter  staen  ende  ons  liede  in  doen  gaen: 
dies  ben  ie  clene  vervaert,  dns  ghinghen  si  ter 
porte  waert,  daert  bedrein  was  groot.  Val.  e.  N. 
44  {Altd.  Blatt.  1,  206). 

BEDRETSEN,  zw.  ww.  bedr.  Van  dretsen  (De  Bo  1, 
2643),  bgvorm  van  dretten  {ald.  265«).  Bevuilen, 
bezoedelen.  Y&n  drij ten,  cac&re;  Yg\. splijten,  splitten, 
splitsen;  smijten,  smetten,  enz.  ||  Daer  sal  diesulcke 
sijn  bedretst,  hine  saelt  niet  connen  ofghedwaen, 
OFl.  Lied.  en  O.  181,   13.  —  Vgl.  De  Bo  1 ,  86*. 

BEDRIECH,  znw.  onz. 

1)  Abstract.  Bedrog,  bedriegerij.  \\  Weerelt  wesen  es 
anders  niet  dan  al  bedriegh,  diet  wel  besiet ,  Praet 
1194.  Valscheit,  bedriegh,  honinghe,  baraet,dats 
daer  hi  np  rijt  ende  gaet,  dat  es  een  sadel  van 
bedrieghe,  1487.  Hine  hoede  hem  niet  van  be- 
drieghe,  Boerden  III,  117.  Behoet  mi  voer  scade 
ende  voer  scande,  voer  qnaet  gheselscip  ende  be- 
driech,     Vad.    Mus,    5,    328.   Jhesus    heeftse  be- 


droegen. Pylatns  seide :  Wat  bedriech  is  hier  u? 
Lijd,  o,  H,  33.  Daer  bedriech  in  wesen  mick.rci 
Mus.  1 ,  399,  74.  Des  viants  list  ende  sgn  bedrieek, 
5,  318.  Hare  bedriech  dat  es  so  fel,  Praet  1333. 
Bedriegh,  hoon  ende  spie,  10%.  Onreckt,  W- 
driegh,  honinghe,  barraet,  1924.  Bedrink, okettei 
leert  soe  mi  weten,  1746.  Het  al  bedriech  es  eide 
dylay ,  Amand  II ,  2707.  Alle  die  wcrlt  is  op  W 
driech  ende  boesheit  ghestelt ,  Oest.  R.f.  HU.  IM 
eerste  is  troawicheyt  sonder  bedriech ,  233^.  TiUa 
scampe  ende  bedrieghe ,  Gedenkst.  1 ,  246  («.  13wl 
—  Ook  mv.  II  Van  de  tnusscherie  ende  b«lrie^ 
ghebezicht  in  deze  zaeke,  Invent.  v.Bra^eb.iSó. 

2)  Concreet.  Schelmstuk ,  schurkenstreek.  ||  £a^ 
ware  een  recht  bedriech,  Belg.  Mus.  1,  68. 

BEDRIECHTE,  znw.  vr. ;  mv.  bedrieekeiL 

1)  Abstract.  Bedrog,  bedriegerij.  ||  Zonder  b^ 
driechte,  Ned.  Kluchtsp.  77,  134.  Dit  moet  g» 
ghelooven  zonder  bedriechte,  Belg.  Mus.  6,  57. 

2)  Concreet;  in  het  mv.  Listenen  lagen.  \\  D« 
sgn  bedriechten  so  menich  mensche  doen  ijslff 
verliesen ,  Mar.  p.  JST.  44 ,  1038. 

♦  BEDRIEF,  verkeerde  lezing  Segh.  1247.  & 
bedreech. 

BEDRIEGELIJC,  bnw. ,  bedrieglijk.  — Yvi^, 

BEDRIEGELIJCHEIT ,  znw.  vr.  Mnd.  »^ 
drêchlieheit.  Listige  geaardheid,  bedrieglijk  ktnktr. 
II  (Hi)  seide  hem  die  bedrieghelich^e  tm  4a 
viant,  Denkm,  3,  219,  70. 

BEDRIEGEN,  st.  ww.  (doch  zwak  Ned.  fna 
32)  bedr.;  mnd.  bedregen;  mhd.  betriege%,  B^ 
halve  in  de  tegenwoordige  beteekenis  ook  ia  ra- 
schillende,  van  de  hedendaagsche  beteekejüs  li- 
wakende  opvattingen.  Met  den  4den  nv.  na  d« 
persoon  of  van  de  zaak. 

l)Enen  bedrieghen  van  ere  sake,i«*^ 
in  iets  teleurstellen ,  iemand  van  iets  afhrengn.  \ 
Dat  God  niene  sal  sijn  moghen  van  sinen  propos 
aldus  bedroghen,  Mask,  1167.  —  Vandaar  de  is 
drukking  hem  over  bedroghen  hondee- 
zich  teleurgesteld  gevoelen,  \\  Die  van  binaea  ow 
bedroghen  bilden  hem  ende  sloeghen  toe,  1^ 
5360.  Hine  hilt  hem  niet  over  bedrogken,  h 
Galiene  mochte  sien,  5184. 

2)  Iet — ,  bedrieglijk  veranderen^  verkeerd  t» 
stellen,  vervalschen.  ||  Dat  si,  die  di  hebben  W 
loghen,  die  waerheit  hebben  bedrogen,  5p.lv2i 
43.  Vro  was  hy  ende  harde  blyde,  dat  sp  di«» 
hem  heeft  gheloghen,  ende  hy  waent  hebbend 
droghen  die  ghescienesse  ende  gemaect  ^ 
Trogen  10614. 

3)  Enen  — ,  iet  — ,  misleiden^  verleiden.^ 
blinden  (vgl.  Lexer  1,  240).  ||  Dat  si  bespotten  éi 
heilige  Kerke,  .  .  ende  bedriegen  haer ziele ««^ 
ende  comen  daer  mede  ter  helscer  stede,  Xoo^ 33BI 

4)  Enen — ,iei  —  ,  verschalken,  \\  Sgnor»,dii*' 
wale  gheet  dattie  winde  {de  honden)  met  lopae  W 
driget,  Lanc.  III,  24946.  (Alexander)  sncctoitw» 
ter  vaert  ende  ontcnochte  al  dnrentnre  (nL  ^ 
Oordiaanschen  knoop) ;  dus  bedrooch  hi  die  afentin. 
AUx.  II,  214. 

Aanm.  —  ^.  I",  77,  63:  ,Ghelove  es  tf 
heilechste  bejach  .  .  :  men  caent  bedriegen  ^ 
ghene  noot,"  is  verkeerd  vertaald.  Het  1* 
„fldes  nuUa  necessitate  ad /«//^«M^jMwcogitar,''^'^ 
toekent:  Men  kan  door  geene  noodsaktUjkkfii f^ 
dwongen  worden,  om  zijne  trouw  te  breken. 

BEDRIEGENESSE  (bedriechnesse),  -^s 
znw.  vr.  Mhd.  bedréchnisse.  Bedrog,  list,  ^ 
leiding.  ||  Behendech  .  .  soe  es  dwjf  in  «^ 
dinghe,  daer  bedrieghenesse  toe  hoort,  r.rf. 'f* 


657 


BEDR. 


BEDR. 


658 


83.  Tan  al  sduTels  mogenthede  ende  Tan  al  siere 

bedriechnüsen  f    Y»i,  BI.  2528.  Al  heeft  die  werli 

eeo  schoon  behaghen,  lis  bedrieghenis  al  te  male, 

Hild.  124,  42.   Dat  es   bedriechuesse   al  te  male 

dat  gi  mi  doet  yerstaen,  Rosé  13820.  Al  arghelist 

of  bedheghenes    uutghesceiden ,    Brab,    T.   YII, 

IftM.   Allen     den    exceptien    van    frauden,    ?an 

bedrighenissen  ochte  van  argheliste ,  Brab.  Y.,  Dl.  2, 

bl  576.  Dat  wy  die  woirden  voirsproken  niet  en 

spreken  in   bedriegenissen ,  Matth.  Anal,  3,  163. 

liair  hy  openbairlic  lyede  die  loosheit  ende  be- 

driegenisse    van    syn    swarte    consten,    ald.    179. 

flaerre    vele,    die    sijn    bedriegenisse    vestonden, 

qnamen  tot  penitencien ,  Ned.  Proza  270.  Erringe , 

tvifel,   ende  schelingen  dagelix  compt  ende   oic 

bedregenisse  vallen  machin  gijfflingeofftestaments 

brieve,    Overijs.    R,    I*,   229.    Luttel  yement  den 

anderen  geloeft  by  simpelen  woirden ;  om  dat  veel 

bedriegheuisse    .    .   gheschiet   s\jn  ende   veel  on- 

ghelove  ende   wantrouwe ,   Matth.  22.  Doe  si  sine 

bedrieghenesse  bekenden,  doe  lyeten  si  hem  ende 

ghinghen   tot  sinte   Peter,  Pius.  W.  40c.  Doe  wi 

sine  bedriegheuisse   saghen,   soe   lieten   wi    hem 

altemael,  416.  Doe  dese  die  bedriegheuisse  ghedaen 

hadde,  120c.  Hi  dede  grote  bedriechnisse  in  Israhel 

ende  gaf  qnaet  voer  goet,  D.  B.  I  Machab.  16, 17. 

Mit  deser  bedriegheuisse  dode  dese  gokelaer  sine 

vianden,    Mandev,    65d.    Zie     nog    Merl.    26621, 

26693;  Gesck.  v.  Antw,  3,  678. 

BEDRIEGINGE,  znw.  vr.  Bedrog ,  vaUchheid, 
Xnd.  bedreginge,  \\  (Hi)  heeft  hem  mit  smeekeliken 
bidden  lieff  gemaect  den  prince  sijus  volcs  ende 
mit  drogenachtigen  aeubrengen  tot  sinen  onnoselen 
oren ,  die  gheene  bedrieginge  en  wiste ,  Ned.  Proza 
269.  Dit  was  die  bedrieghinghe  vanden  mensche- 
liken  leven ,  D.B.,  Boec  d.  JTijsh.  14 ,  21.  Dijn  herte 
is  vol  quaetheden  ende  bedrieghinghe ,  ald. ,  Eccle- 
fidit.  1,  32.  —  In  bedrieghinghen  (/.  begeringen) 
iün  wi  diins ;  lat.  „in  eoncupiscentia  tui  snmus",  Hist. 
Smsémnae,  20. 

BEDRIFT ,  znw.  o. ,  hetzelfde  als  bedrijf  (zie 
ald.  2  a).  Duiriet^  gebied.  \\  Gherets  uytgheven  om 
alrende  reyzen  ghedaen  buten  sinen  bedrifte  van 
mJDs  heren  weghen,  Rek.  d.  Or.  2,  72.  Zoo  ook 
190  en  194. 

BEDRIJF,  znw.  o.;  mnd.  bedrif.  Van  bedriven^ 
in  verschillende  opvattingen. 

1)  Het  kandelen^  de  praktijk^  beoefening  (vgl. 
Miieen  \d).  ||  Een  edel  herte  wel  gheboren  sal 
▼iven  bedrgf  node  horen,  Denkm.  3,6,  119.  Al 
dat  mer  in  siet  (in  den  Leekenepiegel)  es  al  orboere 
int  bedrijf,  beide  an  siele  ende  ane  lijf,  Lsp.  IV, 
12,  Beslui/  39.  Om  dat  si  in  haren  live  derluxu- 
rien  bedrive  leverden  haer  leven  lanc,  hebben  si 
dien  groten  stanc,  I,  14,  31.  Segt  mi.  Bitter 
Ellinden  bedrgf  esse  nietermelic?  J?/wc.  v.  M.  1028; 
vgl.  174.  Der  kinder  sinnen  ...  sijn  onbelast  van 
eeaighen  bedrive,  ghelijck  een  tafel  reyn  ghe- 
planeert,  daer  men  goet  oft  quaet  in  mach  scriven , 
Sp.  d.  J.  69.  Elc  mensche  in  sinen  daghen  sal  om  twee 
dinc  vrese  draghen :  dierste  om  der  zielen  bedrijf;  dat 
ander  es  om  dat  lyf,  om  hetgeen  er  voor  de  ziel  te 
doen  is,  Doet.  III,  777.  —  Ook  in  het  mv.  ||  Dat 
hi  altoes  onsen  lieven  here  teghenwoerdich  hebbe 
in  sinen  ghedachten,  woerden  ende  werken  ende 
in  al  sine  heóriven ,  verrichtingen,  daden ^  Kal. 'S^Sl 
(vgl.  Tkeopk.  bl.  28 ,  waar  deze  bet. ,  althans  voor  de 
latere  middeleen  wen,  te  onrechte  ontkend  is.  Of  moet 
men  lezen:  „ in  sine»  bedriven ?").  —  Dat  meeste 
bedrijf  hebben,  de  voornaamste  rol  spelen.  || 
Bi  overdraghe  van  der  stat  van  Diest  .  .  .  hadde 


daer  af . . .  tmeest  bedrijf  een  eerbaer  man ,  Brab.  Y, 
VII,  4078. 

2)  Van  bedriven  in  den  zin  van  regeeren  (zie 
ald.  Sa).  —  a)  in  concreeten  zin.  Gebied,  vooral 
rechtsgebied,  district.  ||  Die  gemeene  wegen,  die 
leggen  onder  tbewynt  oft  bedryf  van  Joncker 
Engebert,  Matth.  Anal.  1,  481.  Tot  Geervliet  of 
elders  binnen  uwer  heerscappen  of  bedrive,  V.  d. 
Wall  1,  62  (a.  1284).  Binnen  onsen  bedrij ve  ende 
machte,  90.  Dat  sy  geboden  elcx  in  sinen  bedrive 
Oorl.  V.  Alb.  298.  Dat  hi  sonder  vertrec  sende 
mynen  here  tgelt,  dat  wt  sinen  bedrive  gaen  sonde, 
300.  Dat  hi  in  sinen  bedrive  lude  bereyt  souden 
houden  tStaveren  te  senden,  391.  Dat  sy  over 
al  haren  bedrive  dede  gebieden,  144.  In  den 
bedrive  van  Vredelant,  Rek.  d.  Gr.  1,451.  Dat  sii 
sonder  vertrec  die  graveren  wt  alle  den  dorpen  in 
horen  bedrive  wtboden,  Bel.  v.  L.  360.  In  allen 
karspel karcken  alles  uwes  bedrives,  Nijh.  5,191 
(a.  1486).  Alle  zoden  machmen  nemen  den  diic 
mede  te  maken,  daer  si  ligghen  in  dat  bedriif, 
Oorkb.  2,  3416  (a.  1290).  So  wat  scoutate  siin 
bedriif  niet  en  dede  bedriven  of  diken  na  oerbaer 
des  lants,  .  .  .  hi  sal  verlyesen  siin  bedriif,  ald. 
(Ook  elders  vindt  men  de  nitdr.  sijn  bedr  ij  f 
bedriven,  d.  i.  alle  functies  in  een  bepaald  ge- 
bied verrichten,  van  de  overheid;  ook  in  verband 
met  het  d(jkwezeu).  Alle  bedrive  ende  alle  lant 
salmen  diken  mitten  minsten  coste,  ald.  341  a. 
Binnen  den  bedrive  vanden  scntters  doelen ,  op  het 
grondgebied,  binnen  het  territoor  van  de  schutters, 
O.  K.  V.  Delft  II ,  22.  —  Zoo  zeide  men  ook  binnen 
den  bedrive  van  den  Hove,  voor  hetgeen 
wij  ressort  noemen. 

b)  Bij  uitbreiding.  Heerschappij,  macht, invloed, 
werking.  \\  En  dade  syn  loop  ende  sijn  bedrijf 
(p.  h.  firmament) ,  al  dat  ontfaen  hevet  lijf  en 
mochte  roeren,  cleine  of  groot,  Lsp.  I,  8,  23. 
Noch  sijn  der  planeten  vive,  die  sijn  van  groten 
bedrive,  want  si  die  werelt  regeren,  I,  10,  1. 
Dat  lant,  hiet  Alandalijf  (And^lusie),  dat  bleef  al 
in  sijn  bedrijf,  Sp.  IV» ,  11 ,  74  (Brab.  Y.  II ,  2423). 
Dat  wy  .  .  tot  ghenen  tiden  .  .  laten  hebben 
Herman  van  Knynre  .  .  enigherhande  bedrijf  of 
machte  .  .  over  onse  goede  Inden  van  den  Kuynre, 
Oorl.  V.  Alb.  495.  Dat  sine  vianden  int  overste 
bedrijf  gheseten  syn,  in  den  hoogsten  invloed,  nl. 
de  invloedrijkste ,  hoogste  posten,  Boëth., aangeh.  bij 
Huyd.  op  Stoke  X,  716. 

BEDRINGEN,  st.  ww.  bedr.  {bedranc,  be- 
drongen;  bedrongen) ;  Mhd.  bedringen;  vgl.  BEDRANC. 

1)  In  eig.  zin.  Dringen,  drukken,  verdringen, 
tegen  iemand  aandringen.  \\  Hem  volghede  een  grote 
schaer  ende  si  bedronghen  hem,  Ms.  71,  3{arc. 
6,  24.  —  Vgl.  verder  het  bnw.  bedrongen. 

2)  In  fig.  zin.  Iemand  in  het  nauw  brengen ,  iemand 
overlast  aandoen,  hem  benauwen.  \\  Pleechstu  minne 
ende  dronkenscap,  wat  sal  di  dan  enich  heerscap? 
hoe  machtu  die  werelt  winnen?  dn  best  bedrongen 
in  allen  sinnen,  Alex.  I,  684  (Hs.-,  Franck:  be- 
dwongen). Offt  geviele,  dat  ennige  fursten  .  .  . 
die  lande  ende  ondersaten  onderstonden  to  over- 
vallen off  to  bedringen,  Nijh.  6,  83  («.1477).  Die 
ghene,  diese  (de  gerechtigen)  bedronghen  hebben 
ende  haer  arbeide  ofghenomen,  J7j.  75,/.  200a.  So 
bijt  {het paard)  metten  sporen  had  bedrongen,  Segh, 
1935  var.  (de  lezing  van  den  tekst:  bedwongen, 
verdient  de  voorkeur). 

BEDRIVEN,  st.  ww.  bedr.  {bedreef,  bedreven; 
bedreven).  Mnd.  bedriven. 

1)  Handelen ,  practisch  werkzaam  zijn.  —  a)  in  het 


659 


BEDR. 


BEDR. 


660 


algemeen.  Doen^  uitvoeren.  \\ÏLt\A  al  om  nieif  dat 
sy  bedryven,  hy  en  acht  screyens  noch  spel, 
Troyen  5833.  Wat  mach  die  hertoghe  entie  sine 
dinken,  wat  wi  hier  bedriven,  dat  wi  hier  dus 
langhe  bliven,  BrcUi.  Y.  Vil,  1872.  Soe  wat  deae 
werelt  bedrijft,  dat  es  ydelheit  ende  baraet,  Doet. 
III,  1448.  Waer  es  hy,  die  eiken  tsyne  gheeft; 
het  ware  wel  noet,  dat  ment  bet  bedreef,  dat 
men  dit  meer  deed  (de  tekst  heeft  verkeerdelijk 
bedreef  f)^  ubi  ?  Bi  desen  heilegen  blenden  bleef . .  vele 
bescreven,  dat  hi  bedreef,  Sp.  II»,  62,  44. 
Wat  sou  ie  bedriven,  seide  Adelaert,  üeemtk.  118. 
—  De  onbep.  wijs  als  znw.  gebruikt,  in  de  bet. 
van  het  doen,  het  doen  en  laten ^  gedrag.  \\  Dus 
syn  si  {de  Joden)  beesten  in  haer  bedriven ,  ^i»an£? 
II ,  1444. 

b)  in  het  bijzonder.  lett  uitvoeren^  ten  uit- 
voer brengen y  tot  stand  brengen^  bewerkstelligen, 
het  aanleggen.  ||  Sal  hire  ooc  in  staende  bliven, 
dat  moet  sine  miltheit  bedriven,  Lsp.  III,  23, 
155.  Aldus  sonde  men  een  dinxken  bedriven, 
om  een  wijf  te  brengen  in  den  stric,  Lansl.  316. 
Hi  soude  hem  wisen  de  rechte  trade ,  dat  hi  Risele 
sonde  ghecrighen ;  die  coninc  vragede,  hoe  hgt 
bedriven  sonde,  Fl.  Rijmk.  6560.  Omme  dat  si  dit 
wilden  bedriven,  hietse  die  vader  beide  ontliven, 
Rijmb.  21625.  Her  Abt  .  .  .,  hier  bedrive  Marien 
lichame  der  keytive  te  gravene,  Sp.  II»,  47, 
27.  Guelke  riep  daerna  sciere  dat  si  hem  den 
casteel  gaven  saen  .  .  .  oft  si  sondenre  doet  in 
bliven,  hoe  langhe  dat  syt  willen  bedriven, 
Velth.  IV,  20,  32,  d.  i.  hoe  lang  zij  het 
(d.  i.  het  verzet,  de  verdediging)  ook  willen  tot 
stand  brengen ,  m.  a.  w.  het  willen  volhouden. 
Nature  const  wel  bedriven,  Rosé  5112.  Conde 
hyt  bedriven ,  modo  ei  esset/acttltas,  Ruusb.  5 ,  133. 
Eest  dat  sake,  dat  een  man  late  heett,  ende  en 
zijn  zij  niet  besworen,  so  en  diedet  nijet,  dat  mer 
mede  bedrijft,  R.  v.  Uccle  18.  Dat  minne  of 
ander  duechden  den  menschen  gegeven  werden, 
dat  moet  oetmoedicheit  al  bedriven  ende  verdienen, 
Ms.  80,  /.  31  b.  Van  dat  hi  besorghede  ende 
bedreef  twerc  van  sconinx  bmcge  .  .  bi  rade  van 
meester  W. ,  Invent.  v.  Brugge  1,  450.  —  Dat 
bedriven  dat,  tot  stand  brengen,  bewerken  d^at, 
het  Lat.  id  agere  ut.  \\  Hi  wilde  dat  bedriven, 
dat  hi  wilde  weten  te  samen  vanden  lande  alle  die 
namen,  Sp.  I«,  41,  24.  —  Ook  met  het  bijw.  so 
verbonden,  en  een  bijzin  met  dat-.  Eene  zaak  zoo 
uitvoeren,  dat;  niet  veel  meer  dan  eene  om- 
schrijving van  het  volgende  werkwoord.  ||  Doe 
heeft  bedreven  Anthonijs  so  dat  hi  Paulnsse 
groef,  also  als  daer  was  behoef,  Sp.  II*,  32,  198, 
d.  i.  toen  heeft  Anthonius  Paulus  begraven  (vgl. 
onder  3  b).  —  Aen  enen  bedriven,  bij 
iemand  tot  stand  brengen ,  d.  i.  van  iemand  ge- 
daan krijgen,  \\  Bi  dat  ie  kende  u  leven,  haddic 
gherne  an  a  bedreven,  dat  ghi  sont  sijn  te  onsen 
ghebode,  Amand  I,  1264.  (Si)  hebbent  anden 
paeus  bedreven,  dat  hi  hem  weder  wart  gegeven, 
Sp.  IV*,  9,  33.  —  Met  den  4den  nv.  der  zaak 
verbonden,  komt  bedriven  voor  in  vereeniging  met 
allerlei  znw.,  die  daarmede  ééne  uitdrukking 
vormen :  meestal  echter  is  bedriven  door  doen ,  maken, 
verrichten  of  een  dergelijk  ww.  over  te  zetten. 
Vgl.  onze  uitdr.  rouw  bedrijven.  —Ene  boodscap 
bedriven,  eene  zending  verrichten.  \\  Den  andren  . . . 
die  die  boodscepe  bedriven  an  den  coninc  Sede- 
chien ,  Rijmb.  14851.  —  Druc  bedriven,  be- 
rouw hebben,  rouw  bedrijven.  \\  Die  duecht  wilt  lonen 
mit  ontrouwen,  hets  redelic,  dat  hijs  druc  bedrijft , 


Blisc.  v,  M.  384.  Daer  groten  druck  bedreven  vat 
int  scheyden,  Huge  v.  Bord.  14.  —  Een  haweli« 
bedriven,  een  huwelijk  bewerken.  \\  Dit  ma 
hul  ie  bedreef  van  den  Grave  Floren»  .  .  ende  na 
sconinx  zuster  Aden,  Stoke  II ,  468.  —  Enen  coep 
bedriven,  een  koop  doen.  ||  Dat  sgn  vader  eaa 
coep  bedreef  van  lande,  ^.  II* ,  33,  41.  —  Kei 
leven  bedriven,  een  leven  Uiden.  \\  Dier  U 
voordan  ghestadich  bleef,  ende  een  helick  leva 
bedreef,  Amand  II,  621.  —  Orber,  profijt 
bedriven,  voordeel  doen ,  uitwerken ,  bewerken,  i 
Nu  hoert  .  .  .  weldaet,  in  hoefsonden  gediei  ut 
orbere  si  bedrijft,  N.Doet.  121.  Soatstu  gieadt* 
profijt   bedriven?    OVl.    Lied.    en    G.    507,  431 

—  Paescen  bedriven,  PascAen  vieren.  \\  Ou 
es  ghehinct  dat  wi  drie  daghe  in  dese  stat  bü 
onsen  maghen  moghen  bliven,  ende  PaesscheoBc: 
hen  bedriven,  Lsp.  II,  36,  2031.  —  Bact  b^ 
d  r  i  V  e  n.  —  a)  Van  raet  in  de  tg^.  bet  Te  rsdt 
gaan  met.  ||  Ghi  soudt  u  beraden  met  uwenb^ta 
vrienden  ende  maghen  .  .  ,  nn  hebdi  uwe&  nu 
bedreven  met  jonghen,  sotten  riesen,  Me^ii.^^^. 

—  b)  Van  raet  in  den  zin  van  plan  (zie  ald.).  fl«J 
plan  beramen.  ||  Bg  ons  was  den  raet  bedreres, 
dat  wi  ons  stelden  tegen  de  weerden  des  bem 
bi    nide    ende    bi    hoveerden,   Bliee.   v.  M.  103. 

—  Ene  scouwe  bedriven,  eene  sehoBr  ■» 
sluizen  en  dijken)  verrichten.  \\  Slap  ofte  traecbw 
dier  scouwe  te  bedryven,  0arkb.2,215a{a.l^'^ 

—  Weelde  bedriven,  weelde  besteden,  i  i 
sieraden  te  koste  leggen.  ||  DQn  vleesch,  datcisiït 
es  verheven,  daer  meneg^  weelde  an  es  bedre?»,» 
sijn  gekeert  in  groter  onwerde,  Bincl.  247.- 
Sinen  wille  bedriven,  zijn  wenseA werkrijsa, 
tot  stand  brengen.  \\  Up  dat  hi  met  sinen  dio^^ 
sinen  wille  mach  bedriven,  Stoke  III,  1188. 

c)  Met  eene  ontkenning.  Niets  uitrichten,  terie 
komen,  vorderen,  lat.  mhil  profieere.  \\  Daer  è 
baeliu  dede  selke  mort  ane  de  kerstene  .  .  dii  fi^ 
diese  souden  ontliven,  van  moetheiden  niet  a 
conden  bedriven,  Sp.  II',  11,  4.  Pylatns,  doe^ 
had  besocht,  dat  hi  dus  niet  bedriven  mocht,  kt 
dattet  maectmeer  quaet  ghebaer,  doe  namhintf 
voer  de  scaer ,  O.  H.  Pass.  22,  581.  Die  Baaschesxn. 
willende  hair  leet  wreken,  syn  getogea  t« 
Bommel ,  daer  si  niet  veel  en  bedreven ,  Exc  Cm. 
nid.  Si  bleven  liggen  VII  mglen  van  B^o. 
niet  bedrivende  VII  oft  VIII  dag'en  lanck,  ^»l 

—  Ook  met  eene  bep.  met  ane.  ||  Die  Jood  siste 
tpaert  ende  .  .  woudet'  ymmer  dwinghen  op» 
staen,  mer  hi  en  mochte  daer  niet  an  bednv«t 
hij  k-wam  er  niets  verder  mede,  het  hamUt  ka 
niet,  eer  dattet  heilige  sacrament  verby  i», 
Devoet  B.  (36)  60r. 

2)  Eene  eenigszins  gew^zigde  opvatting  vuè 
beteekenis  ten  uitvoer  brengen  treffen  w^  aia  H 
Boendale,  den  dichter  van  den  Lsp, ,  die  beirise*^ 
bruikt  van  schrijvers ,  in  den  zin  van  aan  de%  é^ 
leggen,  toonen,  aan  het  licht  brengen,  beeekrt^feiL \ 
(David  leerde)  die  heilighe  toecoomst  ons  hera.iiK 
hi  wel  toonde  ende  bedreef  inden  zonterc,  1,46,^ 
Hi  was  een  die  wijste,  waerlike,  die  ye  ▼»■ 
aertrike ,  dat  tonen  die  boeken ,  die  hi  screef ,  è0t 
hi  grote  wijsheit  in  bedreef,  1 ,  47 ,  7.  Diff  k' 
willic  u  maken  vroet  wondere  die  Cristos  wrac^- 
hier  na  daert  sal  hebben  stede ,  alsoot  Jheroiitfi 
bedreef,  diet  Ebreeusche  in  Latine  acreef,  II.A 
88.  Oec  sette  dese  goede  man  vele  rechte&ts 
clerken,  .  .  die  hi  alle  scone  bedreef  (vir.  i^ 
screef),  II ,  48 ,  202.  (Marcus),  die  ene  der  ewaif^ 
screef,   alsoot  zinte  Fieter  bedreef;  want  ILc* 


J 


661 


BEDR. 


BEDR. 


662 


eo  hadt  niet  al  ghesien:  dies  maecte  hem  Pieter 
Yroet  van  dien,  II,  40,  57  (d.  i.  zooals  Petrus 
het  toonde^  aan  het  licht  bracht  ^  m.  a.  w.  onder  voor- 
lichting van  Petnti).  Also  men  wel  mach  lesen  in 
den  hoeken  die  hi  screef,  daer  hi  wonder  in  be- 
dreef, 60,  30. 

3)  Begluren ,  regeer  en  (vgl.  ons  woord  bedrij  f  boer), 
—  «)  Eigenlijk.  ||  Dese  besorgeden  ende  bedriven 
enen  doester  van  CCCC  wiven ,  Sp.  III  • ,  40 ,  16.  Doe 
«endden  die  van  Rome  te  hant  Gabininse,  dat  hi 
tlant  bedrive,  Rijmb.  20509.  Het  hoghen  here 
he^mt,  dat  hi  wete  hoe  lant  bedriven,  Heim. 
15.  Viseren  sine  scaren  ende  ordeneren  ende  wijslee 
die  bedriven,  Lsp.  III,  12,  151.  (Egypten)  moeste 
onder  Rome  bliven,  ende  dadent  haren  bailluwen 
bedriven,  Sp,  I» ,  22,  47.  Hoe  dat  si  bedreven 
hare  goet,  I*»,  66,  11.  Die  sijn  goet  bedreef,  I' , 
42,  71.  Dat  heer  Ghye  moste  bedriven  tlant, 
Stoke  V,  493.  Om  tlant  te  bedrivene,  Lanc.  II, 
16962.  Hadde  een  man  zijn  erve  bedreven,  R. 
V.  Uccle  20.  Sulke  (papen)  .  .  .  werden  meyeren 
ende  rentmeesteren  .  .  .  ende  bedriven  dat  hem 
niet  toe  en  behoert,  Ned.  Proza  66*.  (Wy)  sullen 
die  selve  lande  doen  regieren  ende  bedriven  mit 
onsen  amptluden,  Oorl.  v.  Albr.  495.  Der  steden 
^eden  tontfanghen  ende  wt  te  gheven  ende  die 
te  bedriven  ende  te  regiren  toter  steden  . . .  oirbair , 
llatth.  18.  Onse  munte  van  Hollant ,  van  Zeelant  ende 
fan  Vrieslant  te  regieren  ende  te  bedriven  tot 
mser  eeren  ende  oirbaer,  V.  d.  Wall  408  (a.  1409).  So 
irat  scoutate  sijn  bedriif  (d.  i.  gebied)  niet  en  dede 
t)edriven  {de  functies  verrichten ,  waartoe  men  in  een 
)epaald  overheidsambt  verplicht  w),  .  .  naoerbaer 
les  lauts ,  hi  sal  verlyesen  siin  bedriif.  Oor  kb.  2 , 
Viib  {a.  1290).  En  zoo  meermalen.  —  Schijnbaar 
intrans.  staat  bedriven^  Stoke  X,  716.  ||  Hadden  si 
[de  Baliuwen)  willen  bedriven  alsi  scoudich  waren 
;e  doene,  sine  hadden  niet  ghesijn  so  coene,  dat 
nen  den  Qrave  hadde  bescouden,  d.  i.  hadden  zij 
hun  recht  willen  uitoefenen ,  hun  plicht  willen  doen. 
8ij  bedriven  denke  men  bedrijf.  Vgl.  de  plaats 
lit  het  Oorkb.  —  ,De  onbep.  wijs  als  znw.  in  den 
;in  van  bestuur^  plan.  \\  Door  rouwe  so  ne  mach 
liet  bliven  dies  God  heeft  in  sijn  bedriven ,  Amand  11, 
S61. — Ook  wederk.  gebruikt.  Eig.  zich  besturen^d. i. 
ick  gedragen.  \\  Heinric  biet  oec  die  ghone,  die 
antgrave  van  Doringen  bleef,  die  hem  niet  wiseliken 
n  bedreef,  Brab.  Y.  IV,  818. 

b)  Inrichten,  regelen,  verd-eelen.  ||  Helpt  mi, 
rouwe,  dat  ie  bedrive  so  mijn  leven,  dat  ie  blive 
.  reine  in  mijn  ghedachte,  Lett.  N.  W.  5»,  62. 
He  sinen  tyt  hier  wel  bedrivet  met  goeden  wille 
ode  met  weldaden,  Praet  687.  Wie  es  die  dit 
edrive,  dat  hi  ons  geve  gansen  raet,  an  welken 
len  sekerste  vaet,  Lett.  N.  ^.  5*,  44.  Men  seid 
em,  dat  Ulixes  ende  syn  compaen  Dyomedes 
adden  onder  hem  bedreven,  dat  sy  hem  namen 
m  leven ,  Troyen  f.  233p  (d.  i.  het  onderling  zóó 
rregeld  hadden ,  m.  a.  w.  met  elkander  hadden  af- 
f9proken).  —  Vooral  met  het  bijw.  aUo  verbonden 
1  het  onbep.  voorwerp  het.  Iets  zóó  inrichten ,  dat ', 
tperkim  dat.  Vgl.  onder  4).  ||  Al  waert,  dattetzo 
lame,  dat  Pylatus  dit  vername,  si  zoudent  wel 
80  bedriven ,  dat  si  onghemoit  zouden  bliven , 
1^9.  II,  36,  955.  Odolias  heeft  so  bedreven,  dat 
e  vrouwe  hem  weder  ontboot ,  MLoep  1 ,  2876. 
oden  .  .  die  de  dinc  alsoe  bedreven,  dat  dat  bliven 
ü^  scheidsrechter  lij  ke  uitspraak)  es  achterbleven, 
raó.  Y.  V,  2204.  Paeus  Leo  hevet  so  bedreven, 
it  die  Romeinen  alle  te  samen  weder  tes  keysers 
ilde  quamen,  Sp.  IV>,  20,  34. 


4)  Brengen,  drijven.  —  a)  Eigenlyk.  Enen  — , 
iet.  —  Met  eene  bep.  met  in  oï  te.  \\  Alse  der 
kerken  prelaten  sterven  .  .,  so  dede  men  daer 
boden  keren ,  die  aldie  rente  bescreven  ende  tgoet  in 
sconinx  borse  bedreven,  Sp.  IV*,  83 ,  64.  (Hi)  dede 
hen  ere ,  dat  si  met  erenste  te  mere  in  pinen  tkersten- 
heit  bedriven,  de  Christenen  in  moeite  brengen, 
II*,  7,  23.  Die  sine  tale  ter  destructien  bedreef, 
IP,  63,  26,  „cum  ejus  verba  destruxit",  d.i.toen 
hij  zijne  woorden  ontzenuwde.  Wacht  u,  dat  u  niet 
en  bedrive  die  duvel  no  leede  ten  sotten  hone, 
Amand  I,  1595. 

b)  Enen  — ,  iemand  ergens  toe  brengen ,  b.  v.  tot 
een  eerambt.  ||  (Het  gebed  van  Maria)  naer  den  loep 
van  den  live  mi  bewise  ende  bedrive  ter  bliscap  sire 
vrienden,  O.  Intern.  11.  (Hi  pijnde  hoe)  hi  sinen  sone 
bedrive,  dat  hi  come  ter  keysercrone,  -^.  III*,  1 ,  16. 

<r)  E  n  e  n  — ,  iemand  ergens  toe  drijven ,  aandrijven , 
bewegen-,  hem  tot  iets  brengen,  noodzaken.  \\  Eest  dat  hi 
den  hertoghe  bedrive ,  dat  hijs  oec  te  hem  wart  blive , 
Brab.  Y.  V,  2181.  Dieghene,  die  verteerden  boven 
maten  goed  ende  wasteerden ,  bedreef  hi ,  ende 
brochte  in  dien  dat  si  der  maten  moesten  plien, 
ri.  Rijmk.  2923.  (Hi)  bedreef  den  grave  van 
Hollant ,  Florense ,  dat  hi  hem  ghinc  in  hant,  4548. 
Bestu  bedreven  te  nemene  ene  medicine,  Heim. 
758.  Clerc  ende  leeke  heeft  hi  bedreven,  wijf 
ende  kindere  al,  te  gane  op  enen  berch,  Sp. 
II»,  40,  58.  Omme  sijn  leven  hebben  si  getaelt, 
so  dat  wert  bedreven  Pau  lus,  dat  hi  tpleit  beriep 
vore  den  keyser,  II',  2,  33.  Dat  zi  narenstelike 
innen  ende  betalen  zouden  die  3  ghezellen  van  den 
ghemete,  .  .  jof  dat  hise  bedriven  sonde  met  den 
nausten  rechte.  Rek.  v.  Zeel.  2,  284.  Jof  men 
zoutse  beriden  (achtemarijden)  ende  bedriven 
(dwingen)  met  den  nausten  rechte,  ald.  Hier  omme 
.  .  dinct  mi  goet  sijn,  dat  men  bewaert  elc  man 
met  wapene  in  sijn  leven,  die  daer  toe  so  es  be- 
dreven, d.  i.  indien  iemand  in  de  noodzakelijkheid 
daarvan  gebracht  wordt,  Sp.  IV*,  42,  37.  —  Ook 
met  het  bijw.  so  verbonden  (vgl.  onder  3*).  || 
Die  duvele  haddene  so  bedreven,  zoo  zeer  onder 
hunne  macht,  hun  invloed,  dat  hi  hem  beroemde  alle 
daghe,  dat  hi  loghene  sprake  ende  saghe,  Sp. 
III*,  38,  26.  Den  sone  hevet  hi  so  bedreven,  dat 
hi  *hem  moeste  begeven  te  Prunen  swart  moenc, 
Sp.  III»,  90,  53  [Brab.  Y.  II,  1425).  De  ghierichede 
bedryft  den  menighen  soe  ende  verblent,  dattet 
sine  verstandenisse  most  (/.  woest).  Jan  Yp.  42. 
—  Vooral  gebruikelijk  met  eene  bepaling  ingeleid 
door  te.  ||  (Si)  worden  bedreven  te  dien,  dat  si 
uter  plaetsen  moesten  vlien ,  Lanc.  II ,  20926.  Gine 
hebter  mi  niet  bedreven  toe  ende  het  ware  grote 
scande,  voer  ie  ontwapent  achter  lande,  1298. 
Soudic  dan  hier  emmer  bliven?  Daertoe  mochte 
mi  nieman  bedriven,  39765.  So  dattie  ridder  was 
bedreven  daer  toe  dat  hi  niet  meer  en  mochte  dogen , 
17130.  (Salomo)  anebeedde  hare  afgode,  daer  hi 
hem  toe  liet  bedriven  om  die  minne  van  den  wiven , 
Lsp.  I,  47,  14.  (Hi)  hevetse  (de  Denen)  daertoe 
bedreven ,  dat  si ,  diere  levende  bleven ,  metten  coninc 
hem  ghyselen  lieten,  Sp.  IV*,  49,  81.  Emmer 
moet  dene  gheven  den  pant,  den  liefsten  dien 
God  ye  vant :  hier  toe  sijn  si  bedreven ,  Wap.  Mart. 
II,  85.  —  Enen  te  wette  bedriven,  iemand 
gerechtelijk  dwingen,  in  rechte  tegen  hem  optreden.  || 
Ne  lette  den  eersten  burchmeester  .  .,  so  moeste 
sijn  gheselle  dander  die  scepene  ware  den  eersten 
cftlengieren  te  wette  .  .  ende  bedrivene  te  wetten; 
dade  hies  oec  niet,  men  soudene  bannen,  Cout, 
p,  Brugge  1,  321. 


663 


BEDR. 


BEDR. 


664 


d)  Enen  b.  — ,  iemand  zoo  ver  brengen^  in  het 
nauw  brengen  y  lat.  eo  redigere^  ook  mettoevoe^ng 
van  het  bijw.  nauwe.  \\  In  den  lande  bo  en  bleef 
stede . .  ofte  (d.  i.  of)  si  en  wart  soe  bedreven  met 
orloghen  ende  met  groter  pine,  dat  si  viel  in  den 
wille  sine ,  Lanc.  II ,  2437.  Ghy  . .  sulse  {de  vijanden) 
alsoe  nauwe  bedriven,  dat  si  int  aerchste  sullen 
bliven,  Troyen  1274.  Hulpe!  seit  hl,  in  mach  niet 
leven,  so  nauwe  so  bem  ie  bedreven;  men  laet  mi 
nemmermeer  genisten,  Sp.  III*,  38,  57. 

BEDRIVERE  (bedriver),  znw.  m.;  mv.  be- 
driveren  en  bedriver i^  Mnd.  bedriver. 

1)  Van  bedriven  in  den  zin  van  tot  itand  brengen 
(zie  ald.  \b\  Bewerker.  ||  Hier  waren  bedri veren 
ave  Reynout  van  Gelre  grave  ende  die  grave  van 
Gulken,  Brab.  Y.  V,  3946  (Edew.  299). 

2)  Ook  in  den  zin  van  aannemer  van  openbare 
werken  (hij  die  openbare  werken  ten  uilvoer,  tot 
ttand  brengt).  \\  C. ,  W.,  S.,  L.,  ende  haren 
gheselscepe,  bedrivers,  van  te  doen  delvene  de 
roye  tusschen  der  Ezelbrucghe  ende  der  Wulf  haghe- 
brucghe,  Invent.  v.  Brugge  1,  448. 

3)  Van  bedriven  in  den  zin  van  regeeren  (zie 
ald.  3a).  Bestuurder,  opzicAter.\\ 'Een  Jnede,  die 
Aduram  hiet,  was  bedrivere  over  dat  diet,  Rijmb. 
11269.  Maertijn  Buser,  den  bedriver  van  besterfte 
in  Kenemaerlant,  Rek,  d.  (rr.  2 ,  324.  Den  bedrivere 
Alteens ,  8  s. ,  den  8  osers  eiken  4  s.  ,*  ende  den 
andren  eiken  3  s.  sdaechs ,  Invent.  v.  Brugge  3 ,  334. 

BEDROCH  ,  bedroge ,  znw.  o.  Bedrog,  leugen.  \\ 
(Opdat)   si    met  alselken  bedroghe  niet  meer  en 
vergramden  den   hertoghe,   Brab.  Y.  VII,  17365. 

BEDROCHELIJC  (bedrochgelijk),  bnw.;  o  als 
in  aftrochelen.  Bedrieglijk ,  vaUch,  ||  Die  valsche  be- 
drochghelijcke  serpent,  Bem.  W.  6d.  Overmits 
rade  ende  bedrochghelijcken  liste  des  .  .  bosen 
vyandts,  109<?. 

BED  BOEF ,  znw.  o. ;  Van  het  onz.  ww.  bedroeven. 
Droefheid,  verdriet,  tegenepoed.  \\  Claudius  hi  plach 
sere  te  lachterne  den  God  den  here ,  datti  den  scalken 
verhoef,  ende  den  goeden  gaf  bedroef,  Rote  6039. 

BEDROEFDE  (bedrl'fde),  znw.  vr.  Van  bedroefd, 
met  afleidingsuitg.  e  (got.  ei),  evenals  koude  van  koud, 
liebeYnn  lieb;  enz.  Droefheid.  ||  Bi  der  sunnen  onder- 
gange  es  betekent  bedrufde  ende  wedermoede ;  danne 
en  compt  oec  onse  here  nit,  Limb.  Serm.  ISd.  • 

BEDROEFENESSE  (bedruefkenesse  ,  be- 
droevenesse),  znw.  vr.  Van  bedroeven  (zie  ald.). 
Mhd.  betrüebenisee',  mnd.  bedrovenisee.  Droefenis, 
droefheid,  smart.  ||  Na  syn  doot  hertoge  Reinout 
waert  ghelaten  uut  der  vangenesse,  maer  der  doot 
bedrueffenesse  beroefde  hem  cort  tnatuerlic  leven, 
Brab.  Y.  VI,  11116.  Ne  ware  niet  dul  die  liete 
comen  te  bedroeffenessen  dese  blomen?  Lanc.  III, 
6711.  Hoe  sal  ie  ontgaen  desen  tormenten,  die 
ie  hier  sie  bereet  langhe  te  miner  bedroeffenessen, 
OFl.  Ged.  2,  35  b.  Bliscap  van  dijns  evenkerstens 
bedroefenesse.  Vod.  Mus.  2,  426.  Meshope  ende 
bedrueffenesse  ende  lauheit,  ald.  Twyf  als  soe 
baert ,  so  heeft  soe  bedroevenesse ,  want  hare  stonde 
comt,  Hs.  v.  1348,  286//. 

BEDROEFT.  Zie  bedroefheit  en  bedroeven. 
Men  vindt  ook  bedrüeft,  ja  zelfs  bedruecht 
(z.  ald.). 

BEDROEFTHEIT,  -hede,  znw.  vr. ;  van  be- 
droeft. Vgl.  mhd.  betrüebecheit. 

1)  Droefenis,  treurigheid.  \\  Die  quade  sal  leiden 
syn  leven  met  bedroeftheiden,  Doet.  III,  1349.  Ghelije 
dat  die  motte  doreknaecht  die  cledre  meneehfout , 
alsoe  bederft  .  .  .  bedroeftheit  des  menschen  zin, 
1340.  Om  dat  sine  jonghers, .  .  .  dese  viertich  uren 


waren  in  bedroeftheiden  groot  om  sinejammerlike 
doot,  Lsp.  II,  39,  105.  Dat  nienumt  gbencki 
en  mach  wesen,  die  die  doot  ofl  bedroeitbedc... 
oft  ander  mesquame  ontsiet,  Doet.  111,118.  Si 
sullen  haer  broet  in  sorghen  et«n  eade  haerTiter 
in  bedroeftheden  drincken,  D.  B.,  Ezeek.  13,11 
Op  die  bedroeftheit  der  dochter  mg  as  toIo  beik 
bedroeft  ende  besericht,  Jerem.  8,  21. 

2)  Ook  gebruikt  in  den  zin  en  ter¥erttUn^Tu 
het  Lat.  desolado.  Verlatenheid ,  eensatmkeü.  [\  k 
sal  die  steden  van  Juda  gbeven  in  bedroeftJiedsi 
D.  B.  Jerem.  9,  11.  Dat  haer  lant  werden  S9iè 
in  bedroeftheden  ende  in  ewelike  wispelinghe,  IH,  li 

BEDROEVEN  (bedroven  bedbüeves),  w. 
WW.  onz.  en  bedr. ;  mnd.  bedroven;  mhA. hetneia. 

Bedr.  —  1)  In  de  oorspronkelijke  beteekeais  m 
verwarren ,  troebel  maken ,  welke  bet.  in  het  ïk 
en  Mnd.  zeer  gewoon  is,  doch  in  het  lii 
zeer  zeldzaam.  Vandaar  het  deelw.  bedroefu 
troebel,  van  glans  beroofd.  ||  Die  VIII  sonae . . . 
stont  al  bedroeft  ende  ontset,  ende  hadde  a 
midden  . . .  een  var  we  roet  als  Moet,  WrAkel.Wfi. 
Ende  siet,  onse  .  .  .  schoenheit  ende  onse  claerbs 
sijn  bedroeft,  ende  die  heiden  hebbense  beiaê. 
D.  B.,  l  Machab.  2,  12.  Dat  water  vander  m» 
verdroghen  ende  die  riviere  sal  worden  bednd 
ende  verdroecht,  Jes.  19,  5. 

2)  In  de  war  brengen,  beroeren-,  lat  twriet. 
contnrbare.  \\  Nit  lichte  archwanich ,  nit  bedn{:de 
ander  lide,  dat  bedruft  die  conscientie ,  Zisi.  Sfft. 
21d.  Hude  allen  tit  die  clarheit  dinre  consdotkL 
dasse  nit  bedruft  en  werde  met  clenen  ogt  ^ 
groten  dingen,  ald.  (de  bet  1)  en  2)  vloeieifer 
ineen).  Doe  dat  die  coninc  Herode^  hoerde,  vet 
hi  bedroeft  {ongerust,  ontroerd) ,  ende  al  Jkeröiia 
mit  hem,  Hs.  Evang.,  Matth.  2,  3.  Die  fheKV 
taste  dat  vier  altemale  niet  noch  ne  bedroif^ 
niet,  noch  ne  dede  hem  niet  leets,  JZr.  p.  13^i 
l\b',  vgl.  Daniël  3,  27. 

3)  In  de  tegenw.  beteekenis.  Iemand  rdet  ti 
droefheid  geven ;  vooral  als  wcderk.  wv.  Hïi 
bedroeven,  bedroefd  zijn ,  treurig gestewd iwrt» 
terneergeslagen  zijn ,  thans  alleen  in  gebniil « 
bonden  met  het  voorz.  over.  —  a)  absolnatlil" 
bedroefde  hem  die  werd,  Ztf»r.  II, 44684. (Sii^ 
der  coninginnen  wale  dit  verstaen  altemale,  ^ 
haer  selven  bedroefde  sere,  Larr.  I,  963.Diêf^ 
rechte  mensche  en  sal  niet  hem  bedroeTen,  n^ 
ghesciet,  Doet.  III,  1345.  Alse  hi  {de  simdir 
hem  bekint  ende  bedrüeft,  Ruusb.  5,  118.  k^ 
u  om  Gods  wille,  en  bedrioeft  u  lieden  ni^.Bf 
V.  Bord.  44.  En  wilt  u  niet  te  seere  bedroeven. 5*.- 
b)  Met  een  2dennv.,  of  het  voorzetsel  nw  of  ^i 
Teghen  plach  si  hem  te  comen  willecome  Wis 
haren  here;  nu  en  heeft  hise  niet  vemoma, ^ 
bedroefde  hi  hem  harde  sere ,  Hor.  Belf.  -,  ^ 
Dat  hem  een  mensche  niergent  af  bedmereaai^ 
dan  om  sijn  sunden  al.  Wrake  III,  1249.^ 
hem  die  minnaren  alle  dage  af  bedroiea  o* 
beclagen ,  Rosé  4297.  Die  hem  bedroefde  sere  ^ 
{om)  van  sinen  kindren  tferlies,  Limi.  T,  7S). 

4)  Beweenen,  rouw  bedrijven  over.  {{  Joab  «* 
geboetseapt,  dat  die  coninc  sinen  soen  beweti^ 
ende  bedroefde,  D.  B.  II  Sam.  19,  1  (dil  r 
bruik  is  niet  aan  te  bevelen.  Lat.:  fuod  tu  p* 
et  lugeret  filium), 

5)  Met  God  als  ondw.  Droefheid^  smart  oeervnf^ 
brengen ,  hem  vervloeken,  synoniem  met  f«r«fi^><' 
ald.).  il  Amoris  was  daer  al  te  voren  comeo^^' 
vrienden  ende  borghen,  dyen  God  bedroven  moet^ 
V,  Bord.  11.  Karels  bode  heeft  hem  dootg^lijea,^ 


J 


66S 


ËEDR, 


ÖEDft. 


66Ó 


hem  Mamet  moet  scenden  ende  bedroeven  .  .  Mamet 
moet  hem  verwaten  ende  brengen  tot  enenquaden 
eynde,  60.  Gheraert  die  ander  sone  is  fel  ende 
qnaet,  God  moet  hem  bedroeven,  73.  —  Hiertoe 
behoort  het  deelw.  bedroeft,  d.  i.  ver  vloekt.  \\  Si 
8prac :  Bedroeft  si  dit  gewin ,  Boerden  1 ,  64. 

—  Onz.  Bedroefd,  terneergetlagen  zijn.  \\  {De 
engelen)  bedroven  .  . ,  als  hem  die  menschen  te 
sonden  keren,  Lucid,  4287.  Die  werelt  en  machs 
niet  ghesmaken,  want  si  verblijt  ende  bedroeft  in 
anderen  saken,  Rnusb.  5,  14  {Vod.  Miit.  3,  11, 
208).  Daer  die  minnere  tallen  daghen  of  bedroevet 
ende  hem  beclaghe,  Rosé  4297  var.  Florijs  (dat.) 
bedroefde  harde  sijn  moet  (nom.)  . . ;  hem  braken  die 
tranen  nten  oghen,  Flor.  302.  In  dieghene  es  die 
minne  Gods,  die  bedroeft  om  onsalicheit  sijns 
evenmenschen ,  Stemmen  173.  Hi  en  sal  niet  bedroven 
over  di ,  D.  B.  Ecclenast.  13,  8. 

BEDBOEVER,  znw.  m.  Mhd.  betruebare.  Hij 
die  in  dé  noar  brengt,  verstoort .  Slechts  in  gebruik 
in  de  uitdrukking:  bedroever  des  vreden, 
rutt',  vredeverstoorder,  Matth.  Anal.  3,  169; 
CUrc.  111:  vgl.  bedroeven,  bedr.  2),enLexerl, 
241 :  ein  betrüeber  aller  frid, 

BEDROEVICH,  bnw.  Mnd.  bedrovich.  Vgl. 
voor  de  vorming  besculdich,  besondich,  bebloedich, 
enz.  Hetzelfde  als  droevig.  Bedroefd.  \\  Die  be- 
droevige  verblitet  (nl.  het  geloof),  Gulden  Troen 
f.  30*. 

BEDROGEN.  Eig.  verl.  deelw.,  doch  als  bnw. 
gebruikt. 

1)  Van  bedrieghen.  De  eigenschap  van  bedriegen 
hebbende,  ervaren  in  het  bedriegen  (vgl.  b.v.  een 
bereden  huzaar).  Vandaar  valsch,  bedrieglijk-,  mhd. 
Setrogen.  \\  Droeme  dat  sijn  bedroghen  dinghe, 
laèr  en  houdic  mi  niet  an,  TVcy^  5730.  (ü  geloef ) 
tn  sal  oec  niet  twivelachtig  noch  bedroghen  sijn, 
Tuiden  Troen  f.  32  *.  Daer  na  wederproevet  hi  die 
)edroghen  lerers  ende  ondecket  hare  bedriegenisse, 
Kjr.  76,  f  .Md.  (Hs.  Epist.  64  b).  Sommich  ontfanghcn 
lie  bedroghen  lerers,  omdat  si  scone  vercierde 
roerde  haidden,  50  d.  Dat  dat  der  bedrogenre 
erers  meninghe  .  .  .  was,  tsout  vander  ewangeli en 
e  ontfanghen ,  51  a.  Als  die  bedroghen  Joeden 
ilaghen  die  Heydene  honden  te  hieten ,  51  d 
Hs.  Episf.  66  a). 

2)  Van  hem  bedriegen.  Vol  zelfbedrog,  ingebeeld, 
vaanwije;  mhd.  betrogen.  WDdX  is  der  bedroghenre 
nde  sede,  datse  hem  niet  en  laten  ghenoeghen 
lem  selven  boven  den  anderen  te  duncken,  mer 
«c  mede  scympen  ende  smelic  spreken  opten 
nderen,  Ned.  Froza  152.  Ene  bedrogene  e venmate 
gelijkstelling)  der  creaturen  te  Gode,  Limb.  Serm. 
Oa  (T.  en  Uitb.  6,  226). 

—  Afi.  Bedroghenheit,  eigentoaan;  mhd. 
?trogenheit.  \\  Dat  vgfte  rise  des  tackes  der  be- 
roghenheit  is  bespottinghe,  Ned.  Froza  152. 

BEDROGEN  ,  zw.    ww.  bedr.   Van  bedroch.  In 

steekenls  gelijk  aan  bedriegen.  \\  Hoet  di  ende  laet 

niet  bedroghen  (:  oghen) ,  Vod.  Mus.  1 ,  397 ,  107. 

BEDROGEN,  zw.  ww.  bedr.  Opdrogen,  uitdrogen; 

het   pa8S.    verdwijnen,  verminderen.  \\  Soe  waer 

ler  is ,  daer  is  hetten  ende  licht  ende  dat  is  een 

lich  ontfonct  vier,  daer  die  minne  der  werlt  bi 

idroghet  wert,  Stemmen  143. 

BEDROGENESSE  (bedruchhenesse,  bedro- 
lENNESSE),  «nw.  vr.  Van  bedroghen  (2de  art.). 

1)  Bedrog.  \\  Want  en  sal  niet  waer  wesen, 
aer  bedrogenesse  groet  wtgelesen,  Velth.  VIII, 
,  25.  Ende  yan  dien  daghe  voert  bleef  si  van 
len    bedrochhennes  quite  ende  vri ,  D.    War.  3 , 


297,  602.  Om  datte  viant  nyet  up  en  bringe 
bedrochhennes  ocht  enege  veisinge,  ald.  300,712. 
Dit  is  algader  bedrochenisse  ende  onmoghelic, 
nediim  falsa ,  sed  etiam  impossibilia ,  Ruusb.  6 ,  178. 

2)  Concreet.  ||  Spookverschijning ,  schim  (vgl.  ge- 
drocht). II  (Doe)  docht  hare,  datd  bedruchhenesse 
ende  fantoom  ware,  D.  War.  4,  272, 164.  Dat  vuer 
dat  si  waenden  dat  si  sa^hen,  dat  voer  wech  als 
een  bedrochnisse  .  .  .  ende  ten  dede  gheen  scade , 
Fass.   W.  10  a. 

BEDROM ,  znw.    o.    In   beteekenis   gelijk   aan 

bedrang  (zie  ald.).  Gedrang ,  (^hooping  van  menschen, 

II  De  paerden  vielen ,  deinsden  ende  sloughen  deen 

dandere   in    *t   bedrom    van   dier  nauwer  straten , 

Cron.  V.  Vlaend.  1 ,  216.  —  Zie  ook  bedr  ein. 

BEDROCKEN.  Zie  bedrucken. 

BEDRONGEN,  bnw.  Eig.  verl.  deelw.  van  be- 
dringen  (zie  ald.).  Eng,  naww  (door  opeenhooping 
van  eene  menigte  menschen).  ||  Ene  stat  coes  Wale- 
wein  die  here,  daer  hi  allene  buten  stoet,  ende 
met  hem  sijn  jonchere  goet,  daer  hyt  niet  en 
vant  bedrongen,  Lanc.  III,  20536. 

Aanm.  —  Nog  heden  wordt  in  dezen  zin  in  ge- 
westelijke taal ,  b.v.  in  Overysel ,  het  woord  bedrwngt 
gebruikt. 

BEDROPEN ,  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  bedropen ;  mhd. 
betroufen;  van  dropen,  causatief  van  druipen;  doen 
bedruipen,  en  vervolgens  bedroppelen,  besprenkelen, 
begieten.  \\  Soe  dat  soe  .  .  van  haren  bloede  be- 
droopt  was,  VI.  Bijmk.  1759.  Vgl.  Oudem.  1 , 366. 
—  Overdrachtelijk,  in  het  verl.  deelw.  Als  met 
droppels  voorzien,  gespikkeld.  \\  "Sa,  die  miraude  es 
hi  groene ,  bedroept  oec  met  roden  doene ,  Nat.  BI. 
XII ,  545  var.  Hi  draeget  enen  witten  scilt,  die  met 
swerte  bedroept  es,  Lanc.  II,  17329.  Een  scone 
ghescoeite  an  sinen  voet  .  .  al  bedroopt  met  roden 
goude.  Wal.  2996. 

BEDROPPELT,  bnw.;  eig.  deelw.  van  het  ww. 
bedroppelen.  In  fig.  zin.  Als  met  droppels  voorzien, 
gespikkeld  (verg.  Bedropen).  ||  Na  die  miraude  es 
hi  groene,  bedroppelt  met  roden  doene,  Nat.  BI. 
XII,  545. 

BEDROVEN.  Zie  Bedroeven. 

BEDRUECHT,  wissel  vorm  van  bedrueft  (be- 
droeft). Bedroefd  (vgl.  bedrueven,  Vad.  Mus,  2, 
438,  Wrake  III,  1260).  ||  Och  bedruecht  man  van 
hertten,  zere  tongemake,  Flageno.  1. 

BEDRUFTICH,  bnw.  Van  bederven  of  bedurven 
(zie  ald.).  Eig.  bedurftich  (vgl.  ons  nooddruft). 
Behoeftig,  zwak,  gebrekkelijk.  \\  Wies  ganc  trage 
es  ende  cort,  of  nauwe,  hi  esbedruftech,twivelec 
ende  onmachtich  in  allen  stucken,  Belg.  Mus.  3, 
235;  10,  289  (Hs.  Yp.  48tf). 

BEDRUC,  znw.  o.  Mnd.  bedruck.  Angst,  druk.  \\ 
De  onzuvere  geeste  ghingen  ute  ende  ghinghen 
in  die  verkine,  ende  met  groten  bedrucke  werden 
die  verkine  ghejaghet  in  die  zee,  Hs.  v.  1348, 
167^?.  —  Men  zou  eer  een  woord  als  bedruusch  op 
deze  plaats  verwachten;  Mare.  5,  13  heeft  noch 
het  een  noch  het  ander. 

BEDRUCKELIJC,  -HEIT.  Zie  bedruclicheit. 

BEDRUCKEN  (bedrocken),  zw.  ww.  bedr.  en 
wederk.  Mnd.  bedrucken;  mhd.  bedrucken.  In  ver- 
schillende opvattingen. 

Bedr.  —  1)  Het  transitieve  drukken.  Tegen  iets 
aandrukken.  \\  Alse  comet  ene  droghe  lucht ,  ende  .si 
ene  ander  mit  groter  drucht  jaghet  ende  bedrucket 
dan  .  .,  so  ontsteket  ende  hornet  clare.  Natuurt. 
683  var.  Alst  coren  boven  ghemicke  opten  velde 
wast  te  dicke,  soe  bedruct  deen  dander ,  Doet.  III, 
1013.    So   hief  een  migel  storm  in  d«  zee,  so  dat 


_x 


667 


BEDR. 


BEDR. 


66S 


dat  schep  wart  van  den  vlaghen  sere  bestoten  ende 
bedmet  f  L.  v.  J,  c.  66. 

è)  Naar  beneden  drukken,  omkuig  kouden,  ook 
met  eene  onstoffelijke  zaak  als  voorwerp.  ||  On- 
gheveinsde  nederheit,  die  niemant  verheffen  noch 
bedmcken  en  mach,  Rnusb.  4,  42.  Alle  dogede 
en  connen  dit  verlangen  onder  hen  allen  niet  be- 
drucken ,  het  en  clemmet  boven  al  te  Gode ,  1 ,  86. 
Dat  enghene  swaerheit  der  tijt  noch  der  ewecheit 
onse  gemoede  gereiken  noch  bedmcken  en  moge, 
ald.  82. 

2)  Fignnrlijk.  — d)  In  het  nauw  brengen,  verdruk  ken 
(vgl.  la).  II  Die  u  beniden,  bedmcken  ende  be- 
cnaghen ,  die  moghedi  gherne  om  Gode  verdraghen, 
Ruusb.  5,  133.  Die  woestheit,  daer  di  dyn 
viant  mede  bedmcken  sal  binnen  dinen  poorten, 
D.  B.  Deut.  28 ,  63.  Verlost  den  ghenen  die  bedmet 
is  mit  crachte  van  des  gheens  hant  dien  quelt, 
Jerem,  21 ,  12.  Den  toecomeling  bedmcken  si  mit 
overdade  sonder  vonnesse,  Ezech.  22,  29.  Op  dat 
die  gheue  die  mi  bedmcken,  verstaen  moghen, 
dattu  mi  niet  alinghe  ghelaten  en  hebste,  Gerl.  Peters 
211.  Alle  die  mine  siele  bedmcken  salstu  verliesen , 
Geert  Groote  90.  (De)  heydenen  ...  die  Arleblancke 
die  stadt  metten  lande  van  Provencien  seer  be- 
dmcten  ende  bedorven ,  Exc.  Cron.  62  b.  Dit  en 
willen  wy  niet  langer  liden,  dat  onse  dochteren 
aldus  bedmet  worden,  Ned.  Proza  214.  Die  hover- 
dich  sijn  ende  hare  naeste  bedmcken,  Ruusb.  3, 
201.  Ghi  en  moghet  nyemau  versmaden ,  bedmcken , 
ordelen  noch  verdoemen,  5,  131.  Goede  menschen 
versmaden,  bedmcken  ende  doden,  ald.  Si  wert 
verdreven  in  een  vreemt  lant,  arm  ende  ellendich, 
ende  ^hevaen  ende  bedmet  ende  beseten  van  horen 
vianden,  Ned.  Proza  32. 

b)  Terneder  druk  ken ,  ontmoedigen ,  treurig  ttemmen , 
bedroeven  (vgl.  \b).  Bij  deze  bet.  behoort  ons  bnw. 
bedrukt.  ||  Het  doet  mi,  helsche  geest,  bedmcken, 
Sacr.  853;  d.  i.  het  maakt  mij  bedrukt  {doen  als  zuiver 
hulpww.  opgevat,  óf  bedrucken  als  mi  bedr.).  || 
Sonder  wijsheid  veel  te  jaghen  maect  arbeit  groet 
ende  cleen  ghewin ,  ende  dat  bedrucket  seer  den  sin , 
MLoep  II,  2070.  Commer  ende  sorghe  van  herten 
ende  alle  vremde  saken,  die  ons  bedrucket  mochten , 
Ruusb.  5,  67.  Commer  ende  sorghe  . .  van  allen  crea- 
turen ,  diese  bedrucken ,  bedroeven ,  doden  ofte  ver- 
varen mochten,  171.  Ghi  en  selt  niet  haten  noch  beni- 
den,  versmaden  noch  bedrucken  met  wreden  woerden, 
4 ,  12.  Hoedt  u ,  dat  ghi  de  sieke  niet  en  bedroeft  noch 
en  bedmet  met  uwen  woerde ,  ald.  11.  Het  is  giiet 
gheen  vleisch  te  eten  .  .  noch  niet,  daer  dijn 
broeder  in  ghearghert  wert  of  bedmet  of  ghecranct, 
Ht.  16,  f.  11a  (2^»i.  14,21).  Oficiubedrucke(5>. 
£pi8t.  bedrocke) ,  wie  ist  die  mi  verbliden  sal  dan 
die  ghene  die  van  mi  bedmet  {H*.  Epist.  ald.  be- 
droctj  is,  /'.43tf  (II  Cor.  2,2).  En  wilt  niet  bedmcken 
den  neilighen  gneest  Godes,  f,  65d(Ephes.4,30). 
Aldus  wenende  ende  mijn  hert«  bedruckende, 
ƒ.  160</.  (Hs.  N.  T.  52r).  —  Ook  als  wederk.  ww. 
Hem  bedrucken,  zich  bedroeven ;  bedroefd , 
neerilachtiff ,  mismoedig  zijn.  \\  Dit  doet  mi  opstaen 
in  wederspoet  ende  bedrucken  (d.  i.  mi  b.)  in 
voerspoet,  H*.  80,  /.  5c.  Daerom  en  sal  hem 
nyemant  verheffen  diese  {die  gaven)  hevet,  noch 
bedmcken ,  diese  niet  en  heeft ,  Hs.  75 ,  ƒ.  34c. 

3)  Onderdrukken,  bedwingen.  Vgl.   BE  duwen.  || 
So  behoort  den  Coninc  stride  over  al  te  beletten 
ende  te  bedmcken,  Matth.  Anal.  3,  162. 

4)  Beperken,  in  enge  grenzen  betluiten.  \\  So  hout 
haer  vriendscap  so  bedmet ,  dat  soe  niet  vorder  hare 
^n  tmct,  dan  onder  hem  tween  of  lettel  meer,  <^.I' ,  9, 9. 


5)  Innemen  (eene  plaats),  (onnoodig)^£MÜiinlMi. 
Hetzelfde  als  becommeren  en  betUtten  (lie  ali).  | 
Wat  bedmet  hi  {de  onvruchtbare  boem)  die  ode. 
Es.  V.  1348,  191rf  {Luc.  13,  7). 

BEDRÜCKENISSE ,  znw.  vt.  Mnd.  hednclt^. 
In  bet.  gelyk  aan  het  meer  gewone  heimdkie. 
Verdrukking ,  nood,  gevaar.  \\  Doe  ie  berocft  vai 
vander  hulp  sijns  gebeets,  creech  ie  meere  peraik 
ende  bedruckenisse ,  dan  ie  ye  binnen  m^neD  kra 
gehadt  hadde,  Bienb.  15 «;  Ned.  Proza  t^l.B^ 
like  pine  ende  bedruckenisse,  Bmgm.  1,  iaê. 
Bedmckenisse  ende  strijt,  Gerl.  Petere  210.  hdff 
tijt  der  bedmckenisse  ende  der  ontroestyni^lie, 211. 
Dattu  my  niet  achter  en  latest  in  der  tgt  ^^ 
oltheit  ende  bedmckenisse,  ald.  —  Ook  ia  in 
min  juisten  vorm  bedructnisse.  ||  Do  nltf 
utleiden  mine  siele  van  bedmcinissen ,  edaea  it 
tribulattone  animam  meam ,  G.  Qroote  90. 

BEDRÜCLICHEIT,  znw.  vr.  Van  Wrtó. 
niet  voorkomend  bnw.,  afgeleid  van  hedrw^ 
(zie  ald.). 

1)  Van  bedrucken  in  den  zin  van  omUa/§hB^ 
bekommeren ,  bezwaren  {Ib).  Bekommering,  het  rrrM 
zijn  fft^^.  II  Die  sorchfoudicheit(Vulg./tftó«rtfA«a^ 
arum)  deser  werelt  ende  des  rijcdoems  bednclkcici 
doeden  dat  woert,  Ht.  71,  MaUh.  13,  21 

2)  Van  bedrucken  in  den  zin  van  onderdnÜÊt 
(2a).  Verdrukking,  /i;V«».  ||  Niet  allene sgiiYiW* 
van  hope,  mer  oec  in  die  bedmclichedeo,  & 
75,  ƒ.  Ic. 

BEDRUCTHEIT  (bedrlciieit),  znw.  \T.ïii. 
bedruckheit.  Vgl.  BEDRUCKEN  2«).  Ferirühti 
nood.  II  So  selgi  in  dat  lant  daer  ic  u  breB<;«iKi 
wesen  mit  rusten  sonder  bedmctheit ,  B.  r.  ISS 
ö4rf.  En  es  nicmen  .  .  die  sgns  selfs  vleesck  k^ 
oft  in  bedructheiden  latet,  Doet.  II,  1758,  De 
sal  syn  ene  grote  yammergheit  ende  b*dniktki 
in  ertrike,  L.  v.  J.  c.  196.  Daer  af  dat  dicwik 
goeden  gemackeliken  lieden  vele  bedmchedaoi^ 
overlast  gesciet,  Belg.  Mtu.  5,  94. 

2)  Droefenis,  smart.  Vgl.  BEDRUCKEN  Siyl» 
hi  .  .  tot  sinen  jongheren  quam ,  vant  hise  sUfat? 
van  bedructheiden ,  Ms.  71 ,  Ltic.  22 ,  45. 

BEDRÜPEN ,  st.  WW.  o.  —  1)  In  beteekenis  vS^ 
aan  het  stamww.  druipen.  \\  Si  en  sgnniet^tö 
nat,  die  men  mit  enen  water  beghiet:  èkf^ 
bedrupet  ende  dander  niet,  MLo^  IV,  1320. Tr 
„Die  een  en  bedmypt  die  ander  niet." 

2)  Op  iets  druipen,  het  bedruipen,  doofrirvftf^ 
nat  maken.  ||  Van  wat  houts,  dat  vercoft  vsib^ 
Haghe  hout ,  omdattet  die  stoven  van  den  Wt^ 
dat  ghebesicht  was  ter  feeste ,  niet  bednpa  ^ 
sonde,  Bsk.  d.  Or.  2,  8. 

BEDRUST,  BEDRÜUST.  Zie  BEDRCtsca. 

BEDRÜSTELIKE.  Zie  bedruustelike. 

BEDRUÜSCH  (bedruysch),  xnw.  m.InTonn 
beteekenis  samenhangende  met  druu*t  (xie  ali  ' 
met  ons  znw.  gedruisch.  De  grondbeteekenis  i$  Wf 
druisch,  dat  door  eene  snelle  beweging  ontstti-^ 
de  verschillende  opvattingen  van  bedmn^ck  *J^ 
liï  die  van  gedruisch  óf  die  van  sneükeid,  w^ 
meer  op  den  voorgrond. 

1)  Het  door  eene  snelle,  vooral  draaiesdr.* 
weging  ontstaande  geraas ,  vooral  het  snorrea  a 
een  rad,  wiel  enz.  ||  Tgheluyt  vanden  bedrast^ 
(/.  bedmssche)  des  wiels,  D.  B.  ^aèmm  ^.'• 
Dijnre  vianden  ziele  salmen  omme  daiyen  {L  èjv^ 
als  int  bedmussche  ende  die  omdraijnge  Taif£> 
slinghere,  I  Sam.  25,  29. 

2)  ledere  snelle,  ook  draaiende  bewegia^.  ■* 
zonder  dat  daardoor  geraas  veroorzaakt  w^  *> 


669 


BEDft. 


BEDÜ, 


670 


de  meeste  geyallen  beantwoordt  bedruu^cA  aan  het 
Lat.  mpetut. 

a)  Vaart ^  snelheid ^(yMtuimigheid^ grimmigheid'.  \\ 
Dit  paert  overreet  met  bedruscbe  (=  Tnetter  druust) 
Heliodornm  daer  neder ,  II  Machab.  3 ,  26.  Hi  liep 
te  hem  in  den  bedruscbe  sijnre  starcheit,  in  de 
grimmigheid  zijner  kracht^  Ban.  8,  6.  Si  worden 
bedorven  in  den  bedninscb  der  gramscap,  Ecclesiast. 
45,  23.  Wie  mach  bedrieghen  eens  geests  bedrusch  ? 
Proverb.  27,  4.  Also  en  sal  gheen  vresende  herte 
in  des  sots  ghepensen  niet  wederstaen  teghen  dat 
bedmnsch  van  vresen ,  Ecclesiast.  22, 19.  Si  sfjn  alle 
ghekeert  tot  haren  loep,  als  een  paert  dat  mit 
bedruscbe  gaet  ten  stride  waert,  Jerem.  8,6.  Hier 
by  (bij  den  luipaard)  wert  Alexander  beteykent 
om  zijn  groote  bedruusch,  Hs.  v.  1421,  1046. 
—  Ook  in  den  vorm  bedruust.  ||  Die  coninc 
sach  dat  si  met  bedruuste  {cum  impetu)  souden 
vallen  in  hem  ontzindelike ,  Hs.  v.  1348,  996. 

b)  Aandrang^  aanval.  \\  Hi  dode  achte  hondert 
man  mit  enen  bedruyssche,  uno  impetu^  II  Sam, 
23,  8.  Si  maecten  eenpaerlic  een  bedruysch  in  hem 
ende  sy  worpen  uter  stadt.  Pass.  W.  86t?  (ISSd). 
3)  Vooral  in  gebruik  van  alle  geweldige  natuur- 
verschijnselen. 

a)  Van  een  geweldigen  taind,  een  werveltoind.  \\ 
Dat  quam  van  eenen  bedruusche  ende  van  eens 
wints  ghemussche,  dat  die  kyel  also  verspranc. 
Brand.  1307.  In  sekerheit  ende  in  verberghen  van 
den  bedruyssche  ende  van  den  regen,  D.  B.  Jes. 
4,  6.  Ghelike  dat  die  bedrussche  van  Affriken 
waert  coemen,  21,  1.  Der  vromen  gheest  was  als 
een  bedruscbe,  bestotende  die  want,  25,  4.  Siet 
die  Here  sal  comen  in  enen  vyere,  ende  als  een 
bedruyssche  sine  wagben,  66,  16.  Dat  bedruysche 
van  tempeeste,  5 ,  28.  Hi  sal  di  ommewerpen  inden 
bedrusche ,  Xcelesiast.  11, 10.  Hi  salse  deilen  als  een 
bedruusch  van  winde,  Boec.  d.  ïVijsh.  6,  16. 
Sich,  een  vint  van  bedruysche  {ventus  turbinis) 
quam  van  noerden,  Ezech.  1,  4. 

b)  Van  een  onweder.  \\  Het  gesciede  doe  die  Here 
Heiyam  opheffen  wilde  bi  bedruyssche  in  den 
hemel,  Il  Kon.  2,  1.  Ende  Helyas  voeropmitten 
bedruyssche  in  den  hemel,  aÜ.  11.  Die  Here 
antwoerde  Job  uut  enen  bedruscbe,  Job  38,  1. 
Die  ontfanghen  waerste  inden  bedrusche  ende  inden 
waghen  met  vierighen  paerden,  Ecclesiast.  48,  9. 
Helyas  die  inden  bedrusche  bediet  is ,  al4. 13. 

c)  Yan  eene  hagelbui.  \\  Als  dat  bedrusche  eens 
hagels,  Jes,  28,  2.  —  Meermalen  wordt  bedruusch 
in  onze  vertaling  door  vloed  wedergegoven ,  b.  v. 
op  de  boven  oangeh.  plaatsen ,  Jes,  4 ,  6  en  25 , 4. 

BEDRUUST.  Zie  het  vorige  Art. 

BEDRUUSTELIKE  (bedrustelike),  bijw.  Ület 
aandrang \  lat.  impetuose.  \\  Doe  die  scarenquamen 
bedmsteleke  te  Jhesum  dat  si  souden  horen  dat 
vroort  Gods,  Hs.  v.  1348,  165a (X»c.  6,  1:  „als  de 
ichare  op  hem  aandrong^^). 

BEDUCHTEN  (bedochten)  ,  zw.  ww.  bedr.  en 
ivederk. 

Bedr.  —  Vreezen^  duchten,  beducht  zijn  voor.  || 
Den  cost  beduchte  hi  zeere ,  Brab.  T.  VII ,  8576.  — 
tfeestal  verbonden  met  een  afh.  zin  met  dat  of 
*ƒ'  II  Soe  bedochte  men  sere,  dat  die  bisscop  metten 
lertoghe  van  Gloucestre  verbont  hadde  moghen 
naken,  Brab.  Y.  YII,  14761.  Beduchtende,  dat  si  hem 
rerliesen  souden ,  Exc.  Cron.  20  c.  Beduchtende , 
»f  hem  God  alle  sQn  souden  niet  vergeven  en  hadt , 
lid.  23  b.  So  en  wouden  si  {de  moordenaars)  se 
liet  laten,  beduchtende,  dat  si  se  melden  soude, 
\ld.  S6  c.  De  ghene,  die  ter  misse  diende,  beduchte 


dat  die  werdige  man  .  .  .  sinen  geest  opgeven 
soude,  ald.  38  a.  Beduchtende ,  dat  sijn  swaert  onder 
der  Sarasinen  handen  soude  comen ,  ald.  82  b.  Sijn 
vader,  beduchtende,  dat  sijn  rijck  bi  hem  mocht 
verdorven  werden,  so  vinck  hi  hem  ende  deden 
blinden ,  ald.  88  c.  In  denwelken  te  beduchten  is , 
datter  die  meeste  rechtveerdicheyt  altoes  niet  in 
aengesien  en  wordt,  V.  d.  WaU  1,  489  (a.  1424). 
Zoo  ook  Invent.  v.  Brugge  6,  309. 

"Wederk.  —  Vreezen,  duchten.  Vgl.  het  mul.  hem 
vresen,  het  mnd.  sich  bevruchten  en  het  hd.  sichfürch- 
ten.  Met  den  2den  nv.  der  zaak,  het  voorz.  van  of  voor, 
of  een  afh.  zin.  ||  Nu  beduchtic  mi  wel  sere ,  dat  die 
coninc  iet  weet  van  der  minnen,  Lanc.  lY,  4286.  Grave 
Lodewijc  die  hem  beduchte  voer  skeisers  macht, 
Brab.  Y.  YI,  1216.  Daer  na  heeft  hem  her  Jan  beducht, 
ende  vreesde  hem  openbare,  dat  hi  niet  mechtich 
genoech  en  ware,  dat  hi  Yucht  behouden  mocht, 
7660.  Soe  beduchte  hi  hem  der  onvrame,  als  die 
twee  hope  te  gader  quamen,  9993.  Soe  beduchte 
hi  hem,  dat  na  de  doot  van  Yrou  Johannen  .  .  . 
sinen  kindren  stoot  ghevallen  mochte,  11368.  Die 
amman  beduchte  hem  boude ,  dats  hem  die  ruwaert 
storen  soude,  11583.  Bovendien  beduchte  hi  hem, 
dat  dinghelsce  met  Yrouwe  Jacoppen  souden  trecken 
altehant  in  Hollant,  YII,  14853.  Dat  zy  hem 
beduchten ,  dat  zy  . . .  belast  sullen  werdden,  Inform. 
240. Wanneer  eenich  van  den  poortren  ende  inwoenen- 
den  der  zelve  stede  hem  beduchtende  es  van  eenich 
van  den  andren  daer  binnen  woenende,  Cannaert  369. 

BEDÜCHTICH,  bnw.  Omzichtig,  behoedzaam.  \\ 
Wes   beduchtich   waer   du   gaeste   ende  weest  in 
vreesen,  Bial.  Creat.  86 «. 

BEDUDEN ,  BEDUDENISSE ,  BEDUDEB , 
BEDUDINGHE.  Zie  bedieden  enz. 

BEDÜEBWERKEN,  zw.  ww.  bedr.,  andere  vorm 
YOOT  borduurwerken ,  ^nd.  bedurwerken.  Borduren  || 
Yan  haren  vader  soe  heeft  hi  ontfanghen  een  costelijck 
cleet  beduerwerct  totten  voeten  toe  lanck ,  Oesta  R. 
f.  1  d.  Met  een  gouden  beduerwerct  cleet  behanghen , 
232  d.  (Die  clederen)  schenen  ghebreydet  ofte  be- 
duerwercket  te  wesen,  Bienb.  166  c.  (Hi)  lietse 
{de  spreuk)  beduerwercken  in  sinen  hantdwelen,  128/9. 

BEDULLEN,  zw.  ww.  bedr.  Yan  dul  in  den 
zin  van  dwaas  (zie  ald.).  Iemands  hoofd  op  hol 
brengen,  hem  misleiden,  \\  Sint  quam  een  in  der 
ghebare,  of  hi  keiser  Yrederic  ware  tote  Nusen, 
ende  dede  daer  cont,  dat  hi  kevser  waer  tier 
stout  ende  beduide  dus  de  liede,  Stoke  III,  776. 

BEDUNKEN  (hem-),  andere  vorm  voor  hem 
bedinken ,  in  de  hedendaagsche  beteekenis.  Zich  be- 
denken. II  Ghy  gheeft  donnosel,  erme,  zemple,aen 
u  twyfelinge  quaet  exemple:  bedunct  u  wel,  wat 
hebdy  voren?  Sacr.  479. 

BEDÜREN,  andere  vorm  voor  borduren.  \\  Sijn 
alder  waerdichste  vel  dat  met  slaghen ,  stoten  ende 
wonden  als  beduert,  veelrehande  vorwe  ghehadt 
heeft,  Qest,  R,f.2d.  Om  Jhesus  coevel  te  beduren, 
Hermans,  Gesch.  d.  R.  188. 

BEDURSTE.  Zie  bedorste. 

BEDURSTELIEE.  Zie  bedorstelike. 

BEDURTE.  Zie  bedorte. 

BEDURYEN.  Zie  bederven  en  bedorven. 

BEDUUS,  samengetrokken  vorm  van  bede  huus^ 
Rijmb.  22391. 

BEDÜ  YEN  {bedoof,  bedoven;  bedoven),  at.  ww. 
bedr.  Ags.  bedüfan,  immergere;  mnd.  beduven» 
Indompelen,  in  het  water  dompelen.  Alleen  voor- 
komende in  het  verl.  deelw.  bedoven,  ingedom- 
peld.  In  de  17de  Eeuw  nog  veelvuldig  in  gebruik , 
sie  VitUgk,  Wdb,  op  Hooft,  en  Wdb.  c>pBrederoo. 


6l\ 


BEDÜ. 


BEDÜ. 


m 


alsook  Oudem.  1,  370.  ||Hy  neyghede  hem  totten 
slijcke  .  . ,  mer  hi  en  wert  daer  niet  in  bedoven , 
Bern.  W.  63  b.  Ende  ligghen  al  bloet  int  water 
al  bedoven  om  der  groter  betten  wille ,  Mandev.  40  d. 
Overmits  dat  ...  de  landen  metten  water  bedooft 
(/.  bedoven)  ende  versmacht  zyn  geweest,  Enq,  10. 
BEDÜWEN,  zw.  WW.  bedr.  In  beteekenis  gelijk 
aan  het  meer  gewone  bedrucken  (zie  ald.).  Enen  — , 
iemand  verdrukken^  in  het  nauw  brengen^  bedwingen.  || 
In  bem  beduwet  nu  te  tiden;  die  Philistienen 
willen  up  mi  striden ,  ende  God  antwoord  mi  altoos 
niet,  Rijmb.  9691.  Met  worden  dat  ment  (de 
slang)  oec  so  beduwet  ende  metter  name  oec  mede 
van  Gode,  datteten  (den  tfeen)  spuwet,  Nat.  BI. 
VI,  492. 

2)  Iet  — ,  iett  onderdrukken ,  overwinnen  (vgl.  ver- 
duwen). II  (Dat)  men  de  condege  hovaerde  beduwe 
met  groter  onwaerde  ende  men  de  logene  versteke , 
Franc.  2913. 

BEDVAERDE  (?).  ||  Wat  zieke  die  bevonden  wort, 
dat  hy  achterhoudt  testamente ,  of  eeneghe  almoesene 
of  bedvaerde  te  commene  in  profiit  van  den  aermen 
levene ,  Cout.  v.  Brugge  1 ,  372.  Is  misschien  de 
bedoeling  bedevoer  de  ^  en  bet.  dit  dat  y^het  geld^ 
dat  men  aan  de  armen  geeft  tot  afkoop  van  eene 
bedevaart''^ 

BEDWAEN,  onreg.  ww.  bedr.  {bedwoech^  be- 
dweghen  of  bedwagen).  Van  dwaen  (zie  ald.).  Be- 
wattcAen^  wastchen^  reinigen.  \\  Met  sinen  ghe- 
benediden  bloede  bedweghen,  Èumb.  Av.  24. 

BEDWANGELIKE,  bij w.  Van  bedwanc{z{QtXA.). 
Hetzelfde  als  bi  bedwange  (zie  bedwang  1  a). 
Gedwongen^  ongaarne^  uit  dwang.  \\  Versorghet  se 
niet  bedwanghelic  mer  willichlic,  Mt.  Ib^  I  Petr.  ' 
6,  2  {Hs.  N.  T.  84  r:  Voedet  dat  cudde  Gods 
niet  bedwanghelyc,  mar  willichiyc). 

BEDWANG,  znw.  Mnd.  bedwank \  m\ïdi.  befwanc ^ 
bezwanc. 

1)  Dwang  y  noodzaak.  —  a)  Dwang  ^  die  ons  door 
iemand  of  ieti  buiten  ons  wordt  opgelegd.  \\  Tors 
daer  hi  op  was  gheseten,  stac  hi  met  sporen  ende 
het  spranc  lichtelijc;  het  dede  bedwanc,  Segh. 
1904.  Of  door  bedwanc ,  of  door  ghifte  of  door 
vrienscap  waren  si  hem  hout,  Fartk.  6856.  Der 
heren  macht  ende  hoer  ontsien,  dats  een  oerbaerlijc 
bedwanc,  Hild.  246,  8.  Hier  uut  desen  bed  wanghe, 
uit  den  dwang  dien  mijn  onderwerp  mij  aandoet  ^ 
willic  mi  met  crachte  breken ,  ende  wille  van  hare 
een  luttel  spreken ,  die  ie  voer  al  die  werelt  minne, 
Vr.  Heim.  228.  So  dat  hi  .  .  .  om  bedwanc  van 
enigher  minne,  anders  yet  kere  sine  zinne  dan 
hem  oorbaer  ende  eerlijc  si,  Ltp.  III,  20,  26.  Om 
gheen  bedwanc ,  om  geen  berouwen  en  wildi  sceden 
van  onser  vrouwen,  Sp.V^ll  ^  53.  Dat  hi  {de  zondaar) 
hem  bekeert  aen  sinen  danc,  ende  wort  behouden 
int  bedwanc.  Nat.  BI.  V,  1028.  Emmer  duncket 
mi  sljn  bedwanc ,  Vad.  Mus.  1 ,  348 ,  36.  Hy  moeste 
vallen  doer  bedwanc,  Troyen  4525.  Om  te  wetene 
die  heimelicheden  met  bedwange  ende  met  beden, 
Sp.  I*,  5,  37.  Ist  dat  gijt  doet ,  so  sal  men  seggen, 
dat  bedwang  dede ,  gij  en  dorstet  niet  laten ,  Heemsk. 
92.  Dye  grave  als  een  arm  slap  mensche  overmidts 
bedwanck  quam  ter  ghenaden  des  conincx,  Exc. 
dron.  118  c.  Dat  hem  de  noot  ende  bedwanc  gheleert 
hadde  enen  andren  ganc,  Stoke  III, 277.  Een  dief, 
die  leghet  ghepijnt  in  bande ,  al  1^ t  hijt ,  dat  doet 
bedwanc,  Doet.  2094.  — Bi  (van)  bedwanghe, 
gedwongen ^  genoodzaakt ^  tegen  zijn  zin,  tegen  ml  en 
d4tnk.  II  Wi  en  wordenre  {de  vijanden)  nemmermere 
quite,  en  si  bi  bedwanghe,  JAmb.  VI,  2214. Tseste 
aat  men  houdt  langhe  ende  node  gheve ,  en  si  bi  be- 


dwanghe, Fad.  Mus.  1,  372,  13.  Ay  licen,  God 
moet  beteren ,  dat  ie  hier  bi  bedwanck  moet  sji 
die  Kerckerier ,  Uitge  v.  Bord.  25.  —  Ook  inieL 
zin ,  door  dwang ,  met  dwang ,  mei  geveld.  ||  Dier 
waren  noch  meer  heren ,  die  bi  bedwange  wilda 
Gheraert  een  heere  maken  van  fionrdeu,  71 
Gheen  orloge  aenveerde  hi  dan  bi  bediuge, 
Exe.  Cron.  4c6b.  Doe  ik  sat,  wiert  er  ^biiehtea 
schaekspel,  en  moest  bg  bedwang  spelen,  £ii»(i 
40.  Dat  hij  van  bedwanghe  scheyden  mo^  ittr 
stat,  Fass.  W.  653.  —  Sonder  bedwanc,  rry- 
willig^  uit  eigen  beweging,  do(fr geen ^anf  of tieadi 
gebonden.  ||  Omdat  hi  swoer  mgns  heren  i^ 
sonder  bedwanc  ofte  noot,  ^/>^.  1186.  Diekeil^ 
leidemen  up  enen  waghen  ende  lietse  den  bee^ 
dragen ,  daer  si  wilden  sonder  bedwanc,  S^ 
IV',  31,  63.  Wat  huysen  dat  die  dakea  iS- 
gekeurt  worden  of  die  yement  selve  ran  nsfef 
dede  verdecken  sonder  bedwanc,  £tfü2.£»ri.  iSi, 
18.  So  sal  ons  die  amirael  moeten  sonder  be- 
dwanck opgheven  alle  zijn  lant,  Huge  r.  BeriSi 
—  Aanm.  Ook  Hor.  2S5S  heeft  het  Hs.  de»  tó- 
drukking ,  in  de  uitgave  verbeterd  in  toneer  m» 
danc. 

b)  De  dwang ,  dien  men  ziek  zêlven  opk§t,  m- 
togenheid^  zelf  beheer sehing.  \\  Overaet  ende  ötis^ 
dranck,  luxurie  sonder  gproet  bedwanck  .  .  dits^ 
al  punten  ende  saken,  dieseldentotterondenko, 
Hild.  69,  125.  Ie  prise  bet  vrie  armoede  & 
scalc  bedwanc  mit  groten  goede ;  ten  es  so  fsd 
silver  noch  gout,  als  te  leven  buten  alle  «m 
Spreuken  35  (vgl.  Fad.  Mtês.  2,  177,  23,  wiirtó 
het  woord  scalc  hier  ingevoegd  is). 

c)  in  de  min  of  meer  verzwakte  betcekenU  « 
drang,  aandrang,  staat  bedwanc,  Rijmb.  4991:  .' 
Doe  die  liede  beneden  saghen ,  dat  Hoyses  ^ 
verdaghen  upten  berch  so  lange ,  spraken  si  ^ 
met  bedwange  tote  Aaron  ende  si  seiden:  Jb: 
ons  Gode  die  ons  gheleiden." 

2)  Nood,  druk,  kommer,  zorg ,  droefheid.  \\  Bi8^ 
seghet,  dat  die  kemel  langhe  gedinct  der  sbfb 
in  sinen  bedwanghe ,  tenacem  hahent  memom»^ 
rum,  Nat.  BI.  II,  588.Van  hare  minne  hebbic  sofwü 
bedwanc ,  dat  ie  dor  haren  wille  moet  vircn  di^. 
Flor.  1907.  In  die  voerhelle,  daer  si  langhe wiwiii 
groten  bedwanghe ,  Lsp.  1,37, 107.  Daer  hi  meèm 
siere  qualen  sonde  comen  huten  bedwange,  daffk 
in  hadde  gheleghen  langhe ,  Amand  H  ,  Ti^ 
Dus  leefden  si  in  soeten  rouwe ,  in  soetea  ^ 
dwanghe,  Fl<n'.  344.  Dat  sine  dede  letei » 
groten  bedwanghe,  525.  Ie  ben  in  groten  ^ 
ende  in  bedwanghe,  Trogen  3230.  Dicke  sysi 
groten  vare ,  in  suchten ,  in  carmen ,  in  bcdwasf^- 
3500.  Soudic  bliven  soe  langhe,  soe  wariciö«9 
bedwanghe,  Limb.  III,  1029.  Hi  lach  langbei 
onmacht,  in  swaren  bedwanghe.  Wal.  9971. ï>* 
hi  also  langhe  leven;  hi  sal  hebben  een  i^ 
bedwanc,  een  harden  dobbel  hebben.  Wal  <4* 
L.  o.  H.  99;  enz.  —  Het  es  bedwanc,  W< 
treurig,  ellendig.  \\  O  wach,  seithi,  dits  bedwff 
dat  mijn  herte  is  so  seere  partien  {wederslff^ 
in  strijd)  teghen  mijn  sin,  Segh.  2302. 

3)  Overheersching ,  macht,  heerechetppij  (VffLif 
DWINGEN  2a).  — a)  Eigenlyk.  jj  Wie  de  p»^ 
waren,  de  Hollant  in  haren  jaren  hadden  «* 
haer  bedwanc,  Stoke  I,  6.  Die  Here  des  ^rdfl 
sal  met  Hem  pays  bringhen  over  al  met  9» 
godliken  bedwanghe.  Wrake  I,  17S4.  (f«!?^ 
maecte  in  den  selven  oerloghe  alle  die  Trwsfl 
onderdaen  den  Vrancschen  rike  .  . ;  dits  d«ff* 
bedwanc ,  .  .  daer  dat  Vrieslant  ye  in  quam ,  Bfi^ ' 


673 


BEDW. 


BEDW. 


674 


I,  704  (yerg.  ^.  III',  49,  45).  Die  tos,  die  sere 

was  bilde  dat  mijn  her  Walewein  .  .  es  comen  .  . 

nten  bedwanghe  yan  den  hertoghe,  diene  langhe 

hadde  ghepijnt,  W^al.  10879.  Hl  gheloefde  dat  na 

de  staten  die  saken  niet  vaste  en  mochten  staen, 

sine   moesten   bedwanc   ontfaen,    ende   een   hooft 

hebben,  Amand  I,  4975.  Al  hebdi  macht  of  groet 

bedwanc,  Hild.  156,  84.  Die  man  heeft  al  in  s^n 

bedwanc    deser    werelt   ommeganc,    Teest.    2812. 

Waendi  ons   hebben  in  n  bedwanc?  Rijmb.  33832 

var.  Yro  was  al  tfolc,   dat  si  gheqnijt  waren  van 

eens  quaets  wijfs  bedwange ,  Aéi  bewind  van  AiAalia, 

13651.  Dns  salie  breken  dit  bedwanc  van  Babylonien, 

14871,  Zoo  ook  12963,  19568,  1401,  7242,7324; 

Parik.  5817,   6077;    Wal.  3286;  Mex.  IX,  1170, 

1250,  1299;  i2^».  1,1845;  Lanc.  II,  42828;%^. 

2850;  ettz.  —  Ook  in  den  zin  van  vrije  betchikkmg, 

II  (Si)  abandonneerden  dat  al  ten  bedwanghe  van 

allen   heeren    ende   rechteren,    Invent,   r.   Brugge 

2,  276. 

b)   Bij    uitbreiding.    Macht.,  geweld,  \\   Oec   so 
lesen  wi  van  hem  ditte ,  dat  hi  wan  te  sinen  doene 
met  sinen   sweer  Pharaoene  met  bedwange  groter 
ghediet   bnten   lande   van   Israël,    JUjmb.    11895. 
—  Bedwanc  doen,  geweld  aandoen^  tchade  toe- 
krengen.  \\  Ghiericheit  van  aertschen  goede  en  dede 
hoer  {de  ere)  nerghent  gheen  bedwanc ,  Hild.  171 ,  18. 
e)  Figuurlijk.  Macht .^  invloed.  \\  Teerst  dat  hi 
hoorde  der  vogle  sanc ,  hi  ghewan  daer  af  so  groot  be- 
iwanc,   dat  hi  hem  ghere  minnen  daer  naer  ne 
dnderwant,    Flor.   1014.  Desen   riddere   en   ware 
liet  selke   subtijlheit  gesciet  .  .,  en  hadden  niet 
^eleit   daer   toe   bedwanc  van  minnen,  Lanc.  II, 
^3098.   Die   IQ  f  ende  goet  bi  hem  sonden  wagen, 
!n  lieten  sijt  niet  door  n  bedwanc,  ^m.  11,5107. 
üoeder,  .  .  .  dat  ghi  mi  droecht,  dies  hebt  ondanc, 
ode   ghi    mi   hadt   in  jon   bedwanc.    Wal.  4812. 
4)    Yan    bedwingen  in   den    zin   van    besluiten., 
naUnten  (vgl.  Oudem.  1,  374)  is  in  het   Mnl.   in 
rebmik    de    nitdrnkking    in    sijn    (ha er)    be- 
iwanc  hebben,  d.  i. in snchbesluiUn^ bevatten.  \\ 
Vat   80   die   aerde    in    hare   bedwanc  hevet,  dat 
"art   hem   onderdaen,  Alex.  X,  1082.  —  Vandaar 
at   bedwanc   de  beteekenis  aanneemt  van  inhoud, 
9t  geheel  van,  de  duur  van.  \\  Daer  eest  dach  al 
ten  somer  lanc,  ende  nacht  dies  winters  bedwanc 
tn  geheelen   winter  door,   Alex.  VII,  1779.  Daer 
ZB  menech  mager  ende  cranc,  dat  dede  hem  des 
Brkers  bedwanc,  dat  kwam  door  hunne  langdurige 
wangenechap,  Lanc.  III,  17362. 
BEDWELLEN,  zw.  ww.  bedr. 
1)  Eigeniyk.  letnand  van  zijne  bezinning  berooven, 
m  buiten  zich  zelven  brengen,  bedwelmen,  hem  zijn 
wustzijn   doen   verliezen.  \\  Si  waren  alle  daer  in 
me ,    dat    hi  .  .  .  hadde  des  duvels  name ,  diese 
er  alsoe    bed  welde  ende  onder  die  voete  velde, 
me.    II,   45096.   Die   coninc   rike  lach  bedwelt, 
ie  wiste  hoe ,  lAmb.  V,  1578.  Dus  so  sullen  wise 
Iwellen  .  .  ;  dus   en   sullen  si  niet  gevroeden, 
t  si  horen  ofte  sien,  Sp.  MV,  8,  36. 
2)  Fi^urlijk.  Misleiden,  van  het  spoor  brengen, 
leiden,    begoochelen.  ||  Deen    es   die   viant   uter 
len ,  die  pinet  hoe  hi  dl  bedwelle ,  ende  hoe  hi 
met  sinen  strecken  van  goeden  ghewerke  moghe 
(^ken,  Botte  v.  Sed.  139.  Hy  donct  my  sotter  dan 
1  kint,  laet  hi  den  bosen  hem  bed  wellen,  Hild. 
),  16.  Na  heeft  der  ghiericheit  ghewelt  dieclesi 
ereerflt    bedwelt,  210,    299.    De  werelt  enten 
it  feilen  die  pijnden  hoe  si  ons  bedwellen  mochten 
aer  neder  vellen ,  Z.  en  Lich.  122  {Belg,  Mus.  2, 
.Si  hebben  doet  geslegen papen, moenke,clerke 


ende  knapen  ende  capellen  mede  gevelt ,  aldus  hadse 
die  viant  bedwelt,  Lanc.  III,  9017.  Sy  (Circe) 
waende  my  also  bedwellen ,  Troyen  %20.  Vrient , 
ne  laet  jou  niet  bedwellen  den  groten  duvel  uter 
helle.  Wal.  3955. —  Ook  wederk.  gebruikt.  ||  Eest 
al  ghewonnen,  dat  men  telt  daer  die  ziele  haer 
in  bedwelt,  waarmede  de  ziel  zich  zelve  ten  ver- 
derve  voert  ,^'  daer  si  met  comt  in  dat  torment  ? . . 
neent,  her  scalc,  diet  wel  bekent,  Sc.  en  Cl.  55. 

BEDWELM,  znw.  onz.;  de  als  znw.  gebruikte 
stam  van  het  werkwoord  bedwelmen.  Zie  ald. 
en  verg.  bedwellen  1).  Van  het  lichaam  gezegd. 
Flauwte,  bedwelming.  \\  (Hi)  slouch  Woulter  op  den 
helm,  dat  hy  viel  in  een  bedwelm,  ende  was  van 
den  slaege  in  dole,  Qrimb,  I,  4497  var.  (Hi) 
sloughen  boven  opten  helm,  dat  hi  bleef  in  een 
bedwelm ,  ende  bleef  in  onmacht  int  gereide,  Limb, 
V,  1501.  Vgl.  de  Nederrjjnsche  bewerking  ald, 
dl.  2 ,  bl.  126 :  „  (He)  gaff  Demophon  eynen  slach 
up  dat  houft  dat  he  en  onmacht  lach  ende  (/.  in) 
sijnen  sadel  eyn  {l.  in)  groes  bedwelm." 

BEDWELMEN,  zw.  ww.  bedr.  In  beteekenis 
gelijk  aan  bedwellen  (zie  ald.).  Verbijsteren,  van 
zijne  bezinning  berooven.  Kil.:  p^^kj,  bedwelmen, 
opprimere,  aggravare.  ||  Die  (duvele)  doen  ons 
tsnachts  torment,  ende  bedwelmen  soe  onsen  sin, 
dat  wire  cume  bliven  in,  Lucid.  591.  —  O VI. Lied, 
en  O.  521,  86  wordt  van  de  liefde  gezegd: 
„  Hooren  ende  zien ,  die  beede  zijn  sake  van  desen 
bedwelemden  ongemake",  d.  i.  van  deze  treurige 
omstandigheid,  waarin  men  buiten  zich  zelven^ 
verbijsterd  van  zinnen  is. 

BEDWELMTHEIT,  znw.  vr.  Van  den  geest 
gezegd.  Zinsverbijstering,  zinsbegoocheling.  Yg\,  be- 
dwellen, 2).  II  Ons  heere  .  .  .  brochten  uter  be- 
dwellemthede ,  ende  seide  hem  die  bedrieghelichede 
van  den  viant,  Denkm.  3,  219,  68. 

BEDWINEN,  st.  ww.  onz.  Verdmjnen,  te  niet 
gaan,  \\  Ydel  es  die  gode  dient,  ende  alse  enebe- 
dervenesse  bedwinese,  Hs.  v,  1348,  261b, 

BEDWINGEN,  st.  ww.  bedr.  (bedwanc,  be- 
dwongen, bedwongen)',  mnd.  bedwingen;  mhd.  be- 
twingen. 

1)  Dwingen,  noodzaken.  \\  Dat  niemen  bedwongen 
en  si  Kerstijn  sacrament  tontfane ,  maer  sijns  dancs 
come  elc  daer  ane,  Sp,  II*,  22,  348.  Men  mach 
die  vrouwen  niet  bedwinghen,  nader  manne  wille 
te  singhen,  MLoep  1  2535.  Dat  wi  .  .  daden 
.  .  bedwinghen  eiken,  dat  hi  betaelde,  Brab.  T. 
Dl.  2,  bl.  581  {a.  1361).  Om  te  bedwingene,  dat 
hi  ende  sijn  goet  weder  inne  comen  in  de  stad, 
ald.  bl.  582.  Gwy  was  bedwonghen  hare  te  nemene 
tot  eenen  wive ,  Cron.  v.  Vlaend,  1 ,  138.  Si  be- 
dwonghense  achter  te  deysen  ende  maecten  se 
vluchtich,  Troyen  ?b.  16b.  Der  Joden  knechte, 
dien  .  .  cmusten  ende  doden,  die  daer  toe  be- 
dwonghen waren  van  haren  oversten,  Ruusb.  5, 
234.  So  zullen  wi  die  ghene  bedwinghen ,  ghenoech 
daer  voer  te  doen,  V.  d.  Wall  27  (a.  1252). 
Bi  haren  ghebede  ben  ie  nu  van  den  vegevier 
verlost  ende  ben  bedwonghen  totten  levene  weder 
te  keeren,  Exc.  Cron.  SSd.  Pippijn  bedwanc  hem 
al  weder  te  keeren,  dat  hi  der  kercken  van  Rome 
af  had  ghenomen,  64c.  Die  schuldenere  mit  .  . 
strencheit  .  .  to  vervolgen  ofte  to  bedwijngen  tot 
betalinge,  Nflb.  5,  193  (ö.  1486)  Due  bedwongense 
Symone,  dat  hit  {het  kruis)  dragen  muste,  Limb. 
Serm.  1 69i.  —  Het verl. deelw.  bedwongen  wordt 
ook  als  bnw.  gebruikt  in  den  zin  van  gedwongen,  onvrij- 
willig' II  Bedwonghen  vrient . .  noytwel  ghetrouween 
vrtiA    jioct.  n .  1085.  Bedwonghene  trouwe  en  diedet 


€75 


BEDW. 


BEED. 


676 


niet,  Bein,  1 ,  3162  (zie  TijdseAr.  1 ,  28).  Bedwongene 
eden  en  daden  niet,  Rein,  II,  3209.  Bedwongben 
kersten  en  was  noit  goet ,  L»p,  1 ,  48 ,  148  (II ,  45 , 
50).  Bedwongben  minne  en  was  noit  claer ,  III ,  2 , 
152.  Gbecocht  ende  bedwongben  minne  es  ongbe- 
duericb  in  eiken  sinne.  Vrouw,  en  M.  1,  769. 
Yerbolgben  ofte  bedwongen  eeden  sijn  yan  geender 
weerden,  Heemst.  17.  Den  bedwongben  dienste  en 
bebagbet  Gode  niet,  „nibil  illi  eoacta  placent 
serritia,"  Rnnsb.  3,  36.  —  Bedwongbene 
dinc,  dwang.  \\  Dattie  werelt  merken  sonde  .  .  . 
dat  bi  {Jestu)  anginc  die  doot  sonder  bedwongene 
dinc,  Sp,  I',  22,  8.  —  De  onb.  wfls  als  znw. 
gebruikt.  Dwang.  \\  Sone  mocbte  si  bi  gbene  listen 
tswijfs  berte  daer  toe  bringen  no  met  cracbte,  no 
met  bedwingen,  Bote  bl.  249,  vs.  3. 

2)  Beheertchen ,  overheenchen ,  overweldigen^  onder- 
werpen. 

a)  Eigeniyk.  ||  Hij  badde  Yranckrike,  dat  b(j 
mocbte  bedwinghen ,  ende  daer  toe  al  Lutteringben , 
Serv.  II ,  1057.  In  dien  tiden  . . .  waren  bedwongen 
die  vijf  steden  van  Sodoma  met  mogbentbeden  onder 
enen  coninc  alle  Yive,  Rijmb.  1588.  Onder  dine 
moegbentbede  moet  tfolc  sQn  bedwongen  sere, 
2376.  Als  ander  bedwongbene  man ,  badden  {de 
Friezen)  naer  twee  bondert  jaer  lantsheren,  Stoke 
I,  538.  —  Ook  met  toevoeging  van  ane  hem, 
aan  zich  onderwerpen.  \\  Alse  Artnr  badde  an  bem 
bedwongen  alle  die  liede  ende  alle  die  tongen, 
Sp.  III*,  50,  1.  Hoe  dat  bi  ane  bem  bedwanc  .  . 
al  Gallen  tote  Nerbone,  III*,  54,  43.  Als  Grave 
Florens  Yrieslant  bedwongen  bevet,  Grave  Gbye 
van  Vlaenderen  voer  over  om  Walcheren  an  bem 
te  bedwingen,  Mattb.  Anal.  3,  177.  —  Vandaar  de 
uitdr.:  bedwongben  bebben,  in  zijne  macht 
hebben^  in  bedwang  houden.  \\  Bondene  wan  Arnonde 
den  jongen,  die  badde  Vlaenderen  bedwongen 
XXI  jaer  metten  swaerde,  Sp.  III»,  89,  105.  Die 
viant  badde  bem  soe  bedwongben,  dat  bi  Gods  al 
vergat,  Theoph.  386.  Qnade  tonghe(n),  die  goede 
lieden  bebben  bedwongben ,  315.  Maer  .die  vroede 
beeft  talier  stond  sine  tongbe  bedwongben  in  sinen 
mond,  Amand  I,  2787. 

b)  Fignnriyk.  In  bet  passief.  Door  eene  ziekte^  een 
hartstocht  beheerscht  worden.  ||  Mennoen  die  sere 
was  bedwongben  van  goeder  minnen,  bi  boerder 
na,  Troyen  3226.  Dus  beeftse  magerbeit  .  .  .  so 
bedwongen  in  allen  sinne,  dat  enz.^  Rosé  9566. 
Die  van  drogben  boeste  es  bedwongben,  Nat.  Bl. 
X,  530. 

3)  Met  bet  voorz.  van  verbonden.  Verhinderen 
verder  te  gaan  met^  terugbrengen  van.  \\  Omdatten 
Bernaerdus  wonde  bekeren  ende  van  s^nre  on- 
wetenbeit  bedwinghen,  Ned.  Proza  278. 

BEDWING,  znw.  onz.  Eig.  stam  van  bet  ww. 
bedwingen.  Dwang  ^  geweld  (vgl.  bedwingen  1).  ||  Al 
dede  hem  redene  een  bedwinc  met  pronven,  ende 
soe  aen  gbinc,  en  es  hem  niet  gbenouch,  Wap. 
Rog.   537. 

BEDWONGELIJC,  bnw.  Slechts  in  de  uitdr.  be- 
dwongelike  noot,  van  zieken  gezegd.  Kommer- 
volle, treurige  toestand;  vgl.  BEDWANG  2).  ||  Daer 
sy  {de  arme  zieken)  licgben  in  haren  bedwoongeliken 
noot,  Invent.  v.  Brugge  6,  350. 

BEDWONGEN.  Zie  bedwingen. 

BEE,  BEEDE.  Andere  vorm  voor  beide  {Sacr. 
1310;  Bloeml.  3,  15 ,  258 ;  J?^i^.  i/i«.  9 ,  146 ;  e.  e.). 

BEËBBET  (behebbet),  bnw.,  eig.  deelw.  van 
bet  WW.  beëbben.  Door  den  eb  overvallen.  ||  Eer  si 
{de  walvisschen)  III  jaer  overgaen ,  salmense  bebben , 
men  moetse  vaen ,  en  waer  dat  si  behebben  (/.  be- 


hebbet) waren  in  tondiepe  ende  so  bevtren ,  Ifei.  Bl. 
V,  247   var. 

BEEDE.  Zie  beide. 

BEEDJAEN  (mv.  beedfanen),  znw.  m.  Van  fir. 
béjaune  (d.  i.  öec  jaune).  Eig.  een  jonge  vogel 
(met  nog  gelen  snavel),  en  bg  uitbr.  nieuweling ki 
het  een  of  ander  vak^  leerknaap  (vgl.  bd.  gelh- 
schnabel  en  ons  nestkuiken).  \\  Van  den  ontfanghere 
van  den  beedjanen ,  Invent.  v.  Brugge  6 ,  400.  Mids 
dat  de  stede  ghehouden  was  de  maeltgt  van  den 
beedjaen  (/.beedjanen)  uut  te  reedene,  oi^.  Ygl. 
bet  Gloss.  246.  —  In  sommige  gilden  werden 
mael tiden  van  beianyen  of  beianienfeesten  gegeven, 
waarover  zie  ald.  gloss.  592  b. 

BEËGENEN,  behegenen.  Zie  beeigenen. 

BEEIGENEN?  zw.  ww.  bedr.  Aan  eene  samen- 
stelling met  b  e  g  e  n  e  n  (zie  ald.) ,  d.  i.  opsieren , » 
orde  maken ,  kan  op  de  eenige  plaats ,  waar  het  woord 
voorkomt,  niet  worden  gedacht.  |i  Ie  dnchte  hem 
menich  zal  tachter  stellen  met  al  dese  taveemenin 
diveersche  plaetsen ,  ooc  salt  behegbónen  deghnene 
die  maetsen  of  decken ,  al  waeren  se  noch  so  scalc, 
ZVl.  Bijdr.  5,  317,  89.  —  Moet  men  bet  woord  ook 
opvatten  als  beé{i)genen^  in  den  zin  van  makendais^ 
hun  eigendom  verliezen ,  hun  geld  en  goed  kwijtraken  ? 
Mnd.  beégenen  en  mbd.  beeigenen  bebben  de  bet  vu 
„gericbtlich  als  eigentum  überweisen."  Dit  begrip 
is  een  volkomen  logisch  gevolg  van  de  vele  kroegen, 
die   volgens   Enich   overal  nit  den  grond  oprgzen. 

BEEKE.  Zie  baken. 

BEELDE,  znw.  vr.  Eene  plant,  thans  bike  g^ 
naamd;  vgl.  mnd.  billensdt  en  billemwortelen.  Orer 
de  afleiding  van  bilse  vgl.  Grimm,  D.  Wtb.  3,  30. 
De  hyoscyamus  niger,  btlze.  ||  Jusquiami  es  sere 
cout;  an  ouden  hofsteden,  als  iet  vant,  wutet 
vele  hier  int  lant;  groene  ist  met  ere  blonker 
bloeme ;  ie  waen ,  ment  in  Dietsche  b  e  e  1  d  e  noemt, 
Nat.  Bl.  X,  289.  De  Varr.  hebben  belie^  behu.- 
Afl.  beeldensaet  (zie  ald.). 

BEELDE  (bilde,  beilde),  znw.  m.,  vr.,  en 
onz.  Het  gewone  geslacht  was  evenwel  het  oni. 
Mnd.  belde ;  mbd.  bilde ;  bd.  bild.  Over  den  oorsprong 
zie  Kluge,  Etym.  Wtb.  i.  v. 

1)  Beeld,  gewrocht  der  beeldende  kunst.  ||  Beildea 
sach  icker  an  ghehauwen  van  rechter  coasta, 
OVl.  Lied.  e.  G.  459 ,  83 ;  e.  e.  —  Vr.  gebruikt D. B. 
Dan.  2,  34:  Hi  sloecb  die  heelde  aen  die  roet, 
die  yseren  ende  aerden  waren;  3,  5:  Soe  nlt 
neder  ende  aenbeet  die  gulden  heelde  ;a^.,3oM'^ 
Wijsh.  15,  5:  Hi  mint  ene  gbellkenesse  eenre  doder 

heelde  sonder  ziele;  Jes.  40,  20:  Hij  sochte  boe 
bi  gesetten  mach  die  heelde ,  dat  si  niet  verport  ei 
worde.  —  Dan.  3 , 5 :  „  Aenbeden  den  gulden  ifelii^ 
kan  het  woord  m.  gebruikt  zijn,  doch  het  is  ook 
mogelijk ,  dat  de  dat.  van  het  onz.  woord  is  bedoeld. 
—  Verklw.  beeldekijn,  *tf^^>.  ||  Datbeeldekfi 
sprac,  daert  menich  horde,  Sp.  I*,  56,  143.  Dw 
braect  van  sinen  brode  een  aeel  ende  boot  dia 
beeldekine  .  . ;  dat  beeldekyn  begonde  weder  spelei 
jegben  dat  kindekijn,  71,  8.  Hi  maecte  beeldekise, 
die  ghingen,  Rijmb.  2761.  II  beeldekine  hirdt 
cleene,  3590. 

2^  Bg  uitbreiding.  Gestalte,  gedaante.  Yan^MU^ 
uitdrukking  vrouwenbeelt,  d.i.  vrouw.Ygl.  hd.fretf*- 
bild,  weibsbild,  hetzelfde  slIb  frauenziwÊmer.  \\ ^ 
quamen  al  bi  een  galgen  veld ,  daer  aen  hinc  menk^ 
vrouwenbeeld,  OVl.  Lied.  118.  —  Vandaar  d«t 
beelde  elliptisch  voor  vrouw  wordt  gebruikt,  ■«•' 
alleen  in  Hoogduitsch-gekleurde  schriften,  <■ 
meestal  in  den  vorm  beilde.  ||  O  lieve,  siete, 
waerde  vrouwen,  laet  die  minlike  oghen  schoiwcit 


ö77 


BEEL. 


BEEL. 


678 


O  Balighe  wonnentlike  beelden!  MLoep  II,  4129. 
Die  yammerscrey  die  sy  daer  teelde,  dat  zuete 
lieflike  beelde,  354.  Sullen  wy  .  .  niet  eer  ende 
doechde  bewisen  allen  wijfliken  beelden?  3508. 
Toocht  mir  ghenaden,  beilde  zoet,  OVl.  Lied.  e.  O. 
98,  15.  Totem  so  sprac  dat  beilde  zoet,  107,  5. 
Ie  p-oete  dat  wivelic  beilde  goet,  107,  13.  Ghef 
mi,  minlic  beilde  zoet  dijn  hertze,  133,  1.  Doe 
sprac  dat  wivelike  beilde,  134,  9.  Een  wijflic 
beild  mi  so  behaecht,  141,  8.  Lijflic  beilde, 
speghel  claer,  mijn  cracht  es  jeghen  dijn  begaer, 
168,  11.  Soeter  beilde  en  leeft  neghein,  vul 
duechden  es  haer  edel  lijf,  198,  2.  Du  best  mijn 
beilde,  daer  ie  om  queilde,  382,  53.  MQn  uut- 
vercorne,  lieflic  beilde,  435,  197. 

3)  Foorbeeld  (in  hoogduitsch-gekleurde  geschrif- 
ten). ||  Daer  omme,  mensche,  nem  des  ware,  oft 
dn  heefs  versundet  zware ,  .  .  dattn  ne  gheen  bose 
beelde  en  geves,  Tien  PI.  1092.  En  gheeft 
gheen  beelde  ende  vliet  dien,  daer  men  quaet 
beelde  aen  mach  sien  der  sunden  ende  der  mis- 
daet,  1104.  Dat  zi  oec  den  luden  mit  goeden 
beelden  der  werke  ende  mit  nutten  woerden  dat 
bewaren,  dat  God  mit  hem  si,  B.  Orde  284. 
Dat  si  niet  mit  horen  bose»  beelden  ...  die  lude 
van  Goeds  offere  .  .  wedertien ,  219.  Hi  hevet  ons 
oec  beelde  der  ghehoersamheit  ghegheven ,  want 
hi  sinen  vader  ghehoersam  was  want  (d.  i.  tol) 
in  den  doet,  215.  Zoo  ook  247.  Die  oec  sinen 
evenkerslen  ergert  met  bosen  bilde,  Limb.  Serm. 
536.  Also  dat  se  gut  bilde  ane  ons  nemen  ende 
Gode    ane    ons    loven ,    28  d.   Zie   ook    27  a ,   bij 

BEELDEN. 

BEELDEGRAVER,  znw.  m.  Van  beeldt,  d.  i. 
beeld^  en  graven  in  den  zin  van  graveeren  (zie  ald.). 
Graveur.  \\  Die  maelres,  dye  scrivers  ende  die 
beeldegravers  eten  mthe,  op  dat  hem  tghesichte 
goet  blyve,  Barth.   667  a.  Vgl.  Rijmb.  3589. 

BEELDELIC  (bieldelijk),  bnw.  Beeldig.  Van 
het  vronwelnk  gelaat  gezegd.  Prachtig^  verrukkelijk. 
II  Dijn  bieldelic  aenscouwen  zoet  es  .  .  .  gheprent 
in  mijn  ghedacht,  OVl.  Lied.  en  O.   207,  5. 

BEELDEHUUS  (beildehuus),  znw.  o.  Nis.  \\ 
Ghelevert    in    der    ouder    halle   een  beildehuus, 
Invent.  v.  Brugge  5,  316. 

BEELDEMAKER,  znw.  m.  Mhd.  bild^emacher. 
BeeldAouufer ,  graveur.  \\  Item  Dire  de  beeldemaker  in 
den  Hage ,  die  minen  here  maken  soude  CCC  wapen- 
scilde,  Oi/rl.  v.  Albr.  238.  Hij  dede  alle  die  maelres 
ende  beeldemakers,  die  insijnlant  waren,  te  samen 
roepen ,  Oest.  R.f.  74  c.  Rechters ,  scouten ,  scepenen, 
timmerluden,  beeldemakerj,  Matth.  201. 

BEELDEN  (bilden),  zw.  ww.  hedr. {[beeldde], gAe- 
beelt  oi ghebeeldef).  Mhd.  bilden;  hd.  bilden. — 1)  Èene 
bepaalde  gedaante  geven,  vormen.  ||  Daer  quam  die 
ziele  af  ghebeelt  nae  Gods  beelde,  Lep.  1,21,6.  Comt 
te  mi ,  alle  ghi  santé  mijn ,  die  ghebeeldt  sijt  na  mijn 
anschyn,  II,  36,  1831.  Dat  hise  {de  ziel)  maken 
wilde,  ende  beelden  na  sijns  selfs  bilde,  III,  8,7. 
Die  selve  God,  die  niet  en  heelt,  die  heeft  die 
ziel  nae  hem  ghebeelt,  Hild.  192 ,  259.  (De)  natuer 
der  menschen ,  die  hi  na  zijns  selves  wenschen , 
recht  natuerlic  heeft  ghebeeldet ,  MLp.  1 ,  3.  Haren 
Scepper  . . .  daer  die  ziele  na  ghebeelt  is ,  Wrake  II , 
908.  Ghi  sijt  van  leden  ende  van  aensichte  Gode 
gheigc  ghebeeldet,  Tien  PI.  2333.    Daer  bi  werdi 

S beleert,  dat  onse  Heer  den  menschen  ghebeeldet 
eeA  naden  airebesten ,  dat  yemant  bedencken  con. 
Gulden  Troenf.  1  d.  Hi  sal  sinen  God  dare  in 
nemen,  ende  dien  crafteliken  minnen  ende  dien 
vast    in    hem  beelden    in  eenre   weseliker  wisen. 


Ruusb.  3 ,  75.  Nu  sulwi  ons  bilden  na  hare  {Maria) , 
sent  dasse  een  ligt  es  ende  een  bilde  alre  dogede 
ende  alre  selecheide,  so  sulwi  bilde  nemen  an  hare , 
Limb.  Serm.  27  a. 

2)  Afbeelden,  voontellen.  \\  Men  seit  dat  in  dit 
vergulden  dinck  alle  die  provincie  wonderlic  ghe- 
beelt waren ,  Past.  W.  3  c.  Alle  levende  redenen , 
die  in  dien  spieghel  godliker  waerheit  ghebeeldet 
sijn,  Ruusb.  6,  192.  Si  hadde  Jhesus  Cristus  beelt 
alsoe  edelic  in  haerre  sielen  ghebeelt  ende  ghedruct , 
Quldén  Troen  ƒ.  53  d. 

BEELDENSAET  (belsensaet,  belsemsaet), 
znw.  o.;  mnd.  billenedt.  Van  beelde,  inden  zin  van 
bihe  (zie  ald.).  Het  zaad  vslu  den  Agoicf/amuê  niger , 
bilzenzaad.  Over  de  afleiding  zie  Grirara ,  D.  fTtb.  2 , 
30.  II  Omdat  die  mussche  pleghet  tetene  dat  beelden- 
saet.  Nat.  BI.  III,  3199  var.  (de  varr.  hebben 
belsensaet,  belsaet  en  beluesaet).  Men  neme  thaerwe 
of  evene  ende  beeldensaet,  ende  latet  vallen  dat 
te  gadre  met  allen ,  X ,  302.  Ghi  selt  nemen  belsem- 
saet, wit  peper  ende  costi,  M.  en  Fr.  Heim.  1756. 
Nemet  witte  beildensaet,  opii  ana  II  scmpelen 
enz.,  Lanfr.  133r. 

BEELDER,   znw.  m.  Van  beelden,  d.  i.  vormen 
(zie    ald.) ;   mhd.  bildare.  Formeerder,  scAepper.  jj 
O  beelder  der  hemelen  ende  der  elementen ,  Godt ! 
Mar.  V.  N.  U,  807. 

BEELDERIE,  znw.  vr.  Het  algemeene  woord 
voor  alle  gewrochten  der  beeldende  kunst ,  evenals 
ons  scAilderij  voor  alle  scheppingen  der  schilder- 
kunst. Beeldwerk,  beeldAoutDwerk,  \\  Alderhande 
cunste  .  .  van  bcelderye,  ZFl.  Bijdr.  6,  229,  79. 
Haer  reghele  ende  costume  was  dat  int  cloester . . 
ne  was  ne  gheene  beelderye  dan  tcruciflx ,  Denhn. 
3,  186,  5. 

BEELDESCRIVER,  znw.  m.  Van  beelde  en 
scriven  in  den  zin  van  scAilderen  (zie  ald.).  Schilder. 
II  Michiel  der  varwer,  Martin  der  beildescriver , 
Martin  li  paintre,  Hor.  Belg.  9,  85.  Robin  van 
Cothem  den  beildescrivere  . . ,  dat  hi  heeft  ghestof- 
feert  van  goude  ende  olyverwen  een  cleine  nieuwe 
crucifix,  ZFl.  Bijdr.  1,  289  tweemaal. 

BEELDESNIDER  (beildesnider),  znw.  m. 
Van  beelde  en  sniden  in  den  zin  van  Aouwen. 
BeeldAouwer,  beeldsnijd^.  Vgl.  hd.  bildscAnitz&r.  \\ 
Bloc  Pouwels  sone  de  beeldesnidere ,  Diericx ,  Mem. 
2,  134.  Jan  Bulteel  de  beeldesnidere  .  .  heeft 
anghenomen  te  snidene  .  .  de  clausen,  setels, 
syteberden,  ghestoelte  ende  de  stofl'ereels  van  twee 
pilaeren,  338.  Comelis  Boene,  beeldesnider  .  . 
heeft  ghenomen  te  makene  ende  te  leveme  .  . 
eene  tafele  voor  Onser  Vrauwen  autaer  metten 
ystorien  van  den  vijf  feesten  van  Onser  Vrauwen, 
339.  J.  den  beildesnider,  van  dat  hi  4  beilden 
versneden  heeft,  Invent.  v.  Britgge  5,  336. 

BEELDINGE  (beldinge,  bïldinge),  znw.^r. 
Van  beelden  (zie  ald.).  mhd.  bildnng;  hd.  bildnng. 

1)  Afbeelding,  beeld.  \\  DAXiei  wesen  ende  die 
beeldinghe ,  die  God  in  die  siele  ghedrucket  heeft, 
die  en  mach  ander  godliker  verstandenisse  nymmer- 
meer  veranderen ,  O.  Troen ,  f.  'ib. 

2)  Foorstelling,  vooral  als  term  der  philosophie. 
II  Bekennisse   en   mag   nit   van    hare    solver   sin 

{d.  i.  sien),  si  mut  emmer  iwet  hebben  dar  si  af 
sie,  ende  alse  die  twee  inder  selen  sin,  bildinge 
ende  bekennisse,  so  velt  te  hant  terde  dar  tue, 
dats  minne,  Limb.  Serm.  Sld.  Gedenckenisse  ende 
beldunge  alre  denge,  die  der  monsce  ie  gcsag, 
SOc.  Alse  {de  ziel)  beldunge  in  hare  heft  van  allen 
dengen  .  .,  also  es  Got  een  belde  alre  denge, 
ald.   d.  Die  eerste  inval   ende   beeldinge  van  on- 


679 


BEEL. 


BEEN. 


680 


cnyscheit  die  enen  mensche  dicke  incomen,  Con. 
Som.  34a.  Och  hoe  yreseUc  ende  Teryeerlic  stont 
hem  voer  in  sinen  gheest  die  beldinghe  des  bitteren 
dodes,  Bmgm.  2,  340. 

BEELDEVAT,  mw.  o.  Van  deelde^  d.  i.  beeld, 
en  val  in  den  zin  van  bewaarplaats  in  het  algemeen 
(zie  ald.).  Door  Maerlant,  Sp.  1%  32,62,  gebruikt 
voor  een  tempel  vol  afgodtbeelden.  Ygl.  Halb., 
Aant,  bl.  107.  ||  Longinns  sprac:  „Na  segt  mi 
dat,  wat  doedi  in  dit  heelde  vat?"  Bg  Vinc.:  cur 
habitatis  in  idoliê? 

BEELFBOET.  Zie  belfroët. 

BEELC.  Zie  bulc. 

BEELWITE.  Zie  belewite. 

BEEMEN.   Zie  het  volg.  art.  en  bemen. 

BEEMSCH,  bnw.;  van  Bemen,  samentrekking 
van  Bohemen,  dat  in  het  Mnl.  gewooniyk  Behem 
of  Byhem  (d.  i.  BoAeim)  genoemd  wordt  (vgl. 
Limb,  II,  1107,  1118,  1278,  e.  e.).  Boheemach, 
mnd.  Bemetch,  \\  üngersche  ende  Beemsche  galden , 
OorL  V.  Albr,  203. 

BEEMT  (beemd,  beemt,  bempt),  znw.  m., 
tegenwoordig  bgna  alleen  het  eigendom  der  dichter- 
lijke taal.  Oorsprong  onbekend.  Weide,  weiland, 
veld,  II  Si  en  vonden  in  den  lande  noch  voetspor, 
noch  enich  lant,  noch  gras,  noch  beemt,  els  niet 
dan  sant,  AUx.  III,  974.  Een  pert  dat  in  der 
weyen  ginc  in  eenen  bempt,  die  daer  stont  bi, 
Brab.  Y.  VI,  4418.  Hare  scachte  staken  si  in 
derde  ende  sliepen  in  den  beemt  daema  op  die 
riviere  van  Ceya,  Lorr.  II,  578.  Als  sire  quamen 
vaste  by,  beten  neder  die  heren  vry  in  enen  beempt , 
Orimb.  I,  5531.  Dat  hi  sal  enen  tomoy  in  die 
beemde  van  Kameloet  doen  slaen,  Za^ic.  II,  16468. 
In  enen  sconen  beemt  ende  groene ,  688.  In  midden 
den  beemt  in  enen  pleine  vant  hi  ene  overscone 
fonteine ,  6553.  In  eenen  beempt  scoone  ende  groene, 
Orimb,  II,  658.  Met  sconen  beemden,  I,  45.  Die 
groene  beemde  werden  root,  II,  6057.  Die  beemde 
waren  al  verloren,  men  conde  gehoyen  niet  te 
voren,  Velth.  VI,  21,  51.  Dat  gars  .  .,  dat  in 
die  beemde  gewassen  was ,  VI ,  10 ,  37.  Oec  soelen 
wi  Vrouwe  Mechtelden  bewisen  twelf  morghen 
beempdten,  Nfih.  2,  241  («.  1368);  enz.  —  Ook 
in  het  mv.  beemen.  ||  Op  den  eersten  dach 
van  Meye  quam  die  gemeente  wt  Bruessel  met 
machte  ..  tot  in  de  Vylvortsche  beemen,  Exe. 
Cron.  123<?. 

BEEN  (bein),  znw.  onz.  In  de  bet.  van  beenen, 
lee  jambes ,  is  het  meerv.  been,  Lanc.  II ,  46884; 
Franc.  6686;  Stemmen  149;  Ferg.  5359;  Alex.  IX, 
436;  Lsp,  I,  33,  7;  Christ.  bl.  112;  Rein,  II, 
6822,  7044;  Bijmb.  en  L.  o,  H.  Gloss;  of 
bene,  Lanc.  II,  19372;  vgl.  60;  in  de  bet.  van 
beenderen,  les  os,  is  het  meerv.  been  re,  Rein.ll, 
3841;  Rijmb.  13788;  Nat.Bl.l,  474;  of  beenren, 
lAvre  d.  Mest.  7;  óf  been  e  (bene),  <§?.  I',  26, 
13;    IV*,   59,   39;  mncl.  313. 

1)  Been,  de  hedendaagsche  bet.,  algemeen.  || 
Stenen  ende  benen  ende . .  anderen  harden  dinghen , 
Stemmen  84.  Dat  al  steen  ende  been  ende  harde 
wair  sijn ,  ald.  —  Ook  in  de  volgende  uitdr.,  die  thans 
niet  meer  in  gebruik  zijn.  —  Te  beene  gaen, 
ter  harte  gaan,  na  aan  het  hart  liggen',  vgl.  mhd. 
ze  beine  gén.  \\  Si  mochten  vaste  daghen,  maer 
die  hem  holpen  draghen  van  des  hem  ghinc  te 
beene  ^  daer  vrienden  vant  hi  gheene,  OVl.JAed.e. 
G,  380,  15.  —  Int  been  geboren  sijn,  aan- 
geboren zijn.  II  Hem  es  dat  stelen  ende  dat  roven 
ende  dat  lieghen  eheboren  int  been,  Rein.  I, 
2496.  —  Te  bene  binden,  zich  iets  aantrekken, 


zich  bekommeren,  geven  om\  mhd.  ze  beine  binden', 
mnd.  tê  béne  binden.  Vgl.  Örimm,  D.  Wtb.  1, 
1384.  II  Noch  vremde  saken  te  onderwindene, 
noch  deinen  rouwe  te  bene  te  bindene  noch 
doer  ere  te  latene  vriheit,  Hadew.  I,  182,  189. 
—  Te  bene  bringhen,  ten  einde  brengen ^ 
voltooien,  tot  stand  brengen.  \\  Al  waric  u  {Maria) 
altoes  bi,  gi  ne  leret  mi  selve;  ende  oec  ni,  die 
men  heet  van  Nazarene,  so  ne  mocht  ics  niet 
bringen  te  bene,  Velth.  VIII,  34,  130.  —  Tc 
bene  roeren,  tot  in  het  been  aantasten;  overdr. 
geheel  vervullen.  \\  De  gulsege,  die  ie  meine  ende 
diende  vrecheit  ruert  te  beine,  heeft  lettel  vriende 
in  siere  partien,  Rincl,  bil,  —  Spreekw.  Quade 
tonghen  breken  been^  si  en  heelens  niet, 
d.  i.  doen  kwaad,  en  herstellen  het  niet.  \\  Daerom 
men  noch  te  seggene  pliet:  quade  tongebrect  been, 
si  en  heiles  niet,  Brab.  T.  VI ,  4465.  Vgl.  ^«vim 
31:  Quade  tonghen,  waer  si  sQu,  sgn  te  scnwen 
als  venyn,  want  quade  tonghen  breken  been,  al 
en  hebben  si  selve  egheen.  —  Verklw.  b  e  e  n  k  ij  n.  || 
So  vele  heeft  hy,  die  tbeenken  handt,  als  die 
tschaepken  vlaedt,  Spreuken  72.  Een  beenkg  n  uut  sire 
rechter  side.  Nat.  Bl.  VII,  867.  —  Dat  beenkgn 
metten  merghe  hebben,  veel  invloed  hebhen, 
bij  iemand  doen  en  laten  zijn,  \\  Daer  was  een  .  . 
gheheeten  Willem  Van  den  Berghe,  die  hadde 
doen  tbeenken  metten  merghe;  van  Orbeys  soe 
was  hi  heere ;  tregement  ghinc  doen  aen  hem  zeere 
van  hertoghe  Janne  ende  tbestier,  Brab.  T,  VII, 
8566.  —  Zie  ook  hersenbeen. 

2)  Eene  beenen  zelfstandigheid,  een  hoorn.  \\ 
Boven  den  oghen  op  sün  hovet  staet  hem  (ie 
slang)  een  been  als  een  doren  scaerp  ende  vreseÜc, 
Nat.  Bl.  II,  1118.  Die  hien  {mannetjeskreeften) 
kentmen  met  twee  been,  die  hi  onder  den  bnke 
hevet,  V,  282,  duas  spinas  mares  habent.  — 
Verklw.  b  e  e  n  k  ij  n ,  ald,  285  var, 

BEENEN.  Zie  benen. 

BEËNGET,  eig.  deelw.  van  b  e ën g e  n ,  benauwen. 
Ook  als  bnw.  in  de  bet.  benauwd,  gebrek  aan 
frissche  lucht  hebbende.  \\  Een  hof  daer  onse  gheminde 
in  wanderen  moghe  ende  hem  verluchten,  opd&t 
hy  niet  altoes  beënghet  ende  benauwet  en  sy  inder 
woeninghen,  Devoet  B.  (30)  20p. 

BEENHARNASCH ,  znw.  o.  Seheenplaai;  iet 
gedeelte  der  ridderlijke  wapenrusting,  dat  de  beenen 
bedekte.  \\  Deus  greves  et  une  plate  —  II  beenhe^ 
nassche  ende  eene  plate,  lAvre  d.  Mest.  26.  Dezen 
man  sel  op  ziin  hooft  hebben  een  stalen  helme, 
aen  zin  lijf  een  stalen  pansier,  .  .  been  ende  arm- 
haernascbe  na  dat  daer  toe  behoort ,  Ned.  Proza  81 
Beenharnas  ende  coppen  (?)  meede  deden  sy  af  dter 
ter  stede ,  Troyen  f.  82*. 

BEËNIGEN  (benigen,  benegen),  zw.  ¥▼. 
bedr. ;  hd.  beeinigen.  Zie  ENIGEN.  Vereeni§en. 
Beënicht  (benecht)  sgn  met  enen,  vereeeigi 
zijn  met  iemand,  in  innige  gemeenschap  met  hem 
sijn.  II  Die  heilige  man  die  doe  sat  in  sinecapelle 
ende  betde  sere,  ende  was  benecht  met  onsei 
Here,  en  horde  Gaidoens  roepenniety^^*^.  JVm.  7, 
449,  272. 

BEËNINGE,  znw.  vr.  Van  ^«^m ,  in  beteekenis 
gelijk  met  Beënigen.  Vereeniging ,  eenigheid,  overeen- 
komst. II  Van  wilker  overdaet,  scade  ende  verlies, 
die  si  ons  ghedaen  hebben,  .  .  .  wi  bi  ons  selves 
te  gheenen  besceyden  noch  beeninghe  (m  den  tekst: 
beenighe)  en  conden  noch  en  mochten  comen  tonseo 
wille  sonder  helpe,  raet  ende  troest  .  .  .  ons  lief 
neven,  JMüeris  2,  121a  {a,  1811). 

BEEN-INKE.  Zie  inke. 


681 


BEEN. 


BEES. 


682 


BEENSIPE,  bQw.  Yan  be^  en  een  eide,  uit  ene 

tide;  ?gl.  BE,  bamderside,  bedessideoii  begon- 

SIDE.  2an  de  eene  tijde  ^  eener zijde  ^  aan  den  eenen 

kênt^  ter  eener  tijde.  \\  Vanden  verbinden  tusschen 

den  hertoghe  van  Brabant  ende  sinen  lande  been- 

gide,  ende  min  heere  van  Ylaenderen  ende  sinen 

lande  banderside,  Rek.  v,  Oent  1,  456;  ook  457. 

BEENTE  (biente),  znw.  o.;  mnd.  henie.  Been- 

derm^  geleente,  \\  Ene  wonde  de  men  voer  enebele 

wonde  boten  of  beteren  sal,  de  sal  door  de  hnyt 

in  dat  vleesch  of  op  de  knoken  of  beenteghecomen 

wesen,  StadJt.  v,  Qron.  III,  39.  Soe  verrijst  allen 

menseben  biente  to  samen  ende  dat  ghebiente  staet 

op  recht  in  dien  daghen,  Lep,  Dl.  4,  bl.  346. 

BEER,  andere  vorm  van  bier.  \\  Yan  beer  brouwen 
bnten   der   stad   in    der   vryhede,   Stadr.  v.  Zwol 
169,  831. 
BEER  (ureuê).  Zie  bere  (Iste  Art.). 
BEER  {poreus).  Zie  bere  (2de  Art.). 
BEER  [bacca).  Zie  bere  (5de  Art.). 
BEERKIJN.  Zie  bere  (5de  Art.). 
BEERST,  znw.   |vr.    Andere   vorm  voor  bórêi^ 
Nat.  Bl.  II,  762  {var.  borst).  —  Yandaar  ook  het 
znw.    beerstaen    (?)    borst^  ald.   Y,   285:   Die 
beerstane  sQn  als  II  dome  (var.  beenkine). 

BEËRYE  (beërf),  andere  vorm  voor  bederve 
(zie  ald.).  Nut,  voordeel.  ||  Gthy  sult  smorgheus 
vroech  opstaen  ende  om  u  be-erve  gaon,  BoffJk.  v.  P. 
25,  51  {var.  bl.  35  beeme).  Sine  sile  geve  God 
haer  beërf,  Orimb.  I,  2999  var.  {ald.  dl.  2, 
bl.  318;  teJtsihe.  bedeif). 

BEÊRYET,  bnw. ;  in  de  uitdr.  bearvet  sijn; 
een  kind  {erfgenaam)  hebben  bij  iemand,  met  vnen 
men  gehuwd  if.  ||  Want  Roeleffs  wijf  bQ  Effbert 
Hovinge  bearvet  wordt,  so  is  se  mede  Egberts 
arffgenamen ,  ende  sol  schade  und  boete  mede  hebben, 
Ettt.  V.  Dr.  36.  Yan  echte  luyden  bearfft  toe  wesen, 
in  den  Isten  oflfte  selver  guederen  sullen  halfT  ende 
halff  sijn  (a.  1549)  E.  Pelinck,  Qeeeh.  v.  h.Huwel. 
in  Drenthe,  64.  Echte  luyden  die  beërft  bint, 
toe  wieten  van  haer  lichaem  geprocreëert  een  leven- 
dich  kint,  Magnin,  Best.  III,  a.  209  (a.  1558).  — 
Zie  ook  verervet. 

BEËSCHEN,  zw.  ww.  bedr.  Andere,  min  ge- 
gewone,  vorm  voor  vereeschen;  zie  ald.  en  verg. 
EESCEN.  Vernemen,  vragen  naar.  ||  Trouwe  noch 
Eere  en  beeschdic  niet,  O VI.  Lied.  e.O.S0b,212B 
(vgl.  306,  2139). 

BEESTE.  Hetzelfde  als  best.  Sijn  beest e(n) 
scaffen  ende  doen,  zijn  best  doen,  ]fijh.S,10Q, 
BEESTE,  znw.  vr.  als  afgeleid  van  het  Lat. 
bestia;  b.v.  Die  heeste  leliic  ende  quaet,  lamb.  X, 
662.  Dat  hi  ghere  beesten  ontga,  507.  Ygl.  verder 
473;  MeUb.  2284;  Wap.  Mart.  Gloss.;  Blisc.  v.M. 
9Q2;Lanc.  II,  39522;  Esopet  Gloss.  endecurieuse 
afleiding    Bijmb.  287. 

Aanm.  —  Ook  reeds  het  onz.  beest  was  in  het 
Mnl.  in  gebruik,  blijkens  eene  plaats  uit  den 
2>.  B.,  waar  men  beide  geslachten  aantreft.  ||  Soe 
sal  die  here  vanden  put  ghelden,  dat  die  heeste 
waerdich  is  ende  dat  dode  beest  sal  dan  sgn  wesen, 
Bxod.  21 ,  36. 

Beeste  wordt  mnl.  gebruikt  in  den  zin  van  — 
tf)  Viervoetig  dier.  \\  Die  beesten  hadden  groten 
strQt  jeghen  die  vogle  op  enen  t^t;  die  vleder- 
mnns  hilt  meiten  beesten,  Esop.  XLYI,  1.  Bi) 
Phaedr.  Append.  I.  18:  Bellum  gerebant  volucres 
cum  qttadrupedibus.  —  b)  Koe.  ||  Hare  perde  ende 
hare  beesten  mede  sullen  si  stallen  inder  heligher 
stede,  B^b,  1749.  —  Zoo  spreekt  nog  heden  een 
boer  v«n  s^ne koeien,  die  h^bt beesten  6{ ioebeesten 


noemt.  —  c)  Paard.  ||  Die  grote  comendur  . .  ende 
die  ander  ambochtslude  die  en  zolen  niet  meer 
beesten  hebben  dan  vier,  D.  Orde  2dS.  Yan  den 
ghetale  der  broedere  beesten  na  des  meesters  wille, 
ald.  Zoo  ook  230  tweemaal. 

—  Yerklw.  beestkijn.  ||  Dit  stom  beestkijn 
in  siere  naturen  es  soe  fijn,  Doet.  II,  3701. 

BEE8TELIJC  (-ike),  bnw.  en  bijw. 

Bnw.  —  a)  Van  een  beest.  \\  {De  vrouwen)  maken 
hoeme  twee  ghelijc  enen  stommen  vee  ende  enen 
sleyp  na  haren  ganc,  oft  waer  een  steert,  II  ellen 
lanc;  wonder  boven  allen  saken,  dat  t^tv^  aenschijn 
aldus  maken  beestelike  vorme  aen  haren  lichame, 
Teest.  2692.  —  b)Als  een  beest,  dierlijk,  beestachtig.  \\ 
En  went  niet,  dat  si  sQn  gesteleke,  mer  vlesche- 
leke  ende  besteleke ,  Luig.  1 ,  834.  God  moet  u  in 
u  rike  gesterken,  ende  en  latu  niet  ghewerken 
dat  beestelec  leven  si,  lAmb.  X,  791.  Ghenoechten 
van  den  lichame,  die  beestelec  sijn  ende  sere 
onbequame,  JSeim,  261.  De  liede ,  die  daer  quamen , 
die  beestelec  herten,  Christ.  681.  Die  droncken 
drinct  wert  beesteljjc ,  Oest.  B.  f,  203  d.  Die  derde 
natuerlike  cracht  dat  is  Redelicheit.  Die  twee 
andere  crachten,  ongheciert  met  doechden,  sijn 
beestelic,  Ruusb.  4,  139. 

Bijw.  —  Als  een  beest,  op  eene  dierlijke  wijze.  \\ 
Die  beestelij c  leven,  dien  wort  beestelij c  loen  ge- 
geven, Hild.  2,  139. 

BEESTELICHEIT,  znw.  vr.  Yan  beestene;  zie 
ald,  b).  Dierlijkheid.  ||  Bedwinghen  alle  onseden 
ende  die  beestelicheit  ende  die  gheneichteit  der 
naturen,  Ruusb.  4,  139. 

BEESTIGE,  bnw.  Dierlijk,  verdorven.  \\  (Lieden) 
die  so  beestich  sQn  van  sinne,  dat  sygenedoecht 
hebben  inne,  Lueid.  3913. 

BEET.  Zie  bete. 

BEETEL.  Zie  betel. 

BEEYAERT ,  bevaert.  Zie  bedevaert. 

BEËYELT  (bévelt,  behevelt),  bnw.  Yan 
evel  {euvel  of  oevel) ,  in  den  zin  van  ziekte  (zie  ald.). 
Met  eene  ziekte  behept,  ziek,  krank.  Yan  menschen 
en  dieren ,  ook  van  vleesch  van  zieke  beesten.  ||  Dat 
vierde  let  is  die  manlichede;  die  daeran  wert 
beëvelt  mede,  hine  hebbe  varinghe  medecine,  hem 
naecter  of  grote  pine,  Heim.  1313.  (Pieter) 
met  siere  scade  (d.  i.  schaduw)  ghenas  meneghen, 
die  beëvelt  was,  Bijmb,  25981  {varr.  bévelt  en 
behevelt).  Te  Dordrecht  lach  hi  bévelt  zware ,  ende 
hi  wort  des  wel  gheware,  dat  hi  der  dooi  niet 
mochte  ontbreken,  Stoke  II,  1365.  Deen  ginc  in 
behevelt  zwaer  in  sente  Stevens  kerke,  i^.  III ^, 
19,  52.  Waert  dat  eenich  vleeschauwere  behevelt 
goet  sloughe  ende  derof  bedreghen  worde,  ZVl. 
Bijdr.  3,  279.  Behevelt  vleesch  of  behevelt  goet, 
aid.  Die  buter  stede  vander  Sluus  beesten  cochte, 
die  behevelt  waren,  281. 

BEF  AMEN ,  zw.  ww.  bedr.  Slechts  in  het  deelw. 
befaemt,  door  het  algemeen  gerucht  als  schuldig 
of  de  schuldige  aangewezen,  met  eene  misdtuid  ge- 
doodverfd.  \\  Wilt  een  poorter  van  selfs  te  rechte 
commen ,  van  wat  zaken  dat  zij ,  daer  of  hjj  befaemt 
of  berucht  es,  de  scout  sal  hem  geleede  geven, 
Wiel.  Instr.  127,  353.  De  poorter,  die  befaemt  of 
berucht  es  van  zaken,  daer  geen  doot  an  cleeft, 
ald.  345.  Befaemt  of  beticht  te  syn  van  eenige 
misdaden,  aangeh,  bij  Y.  Hasselt  op  Kil.  38.  — 
Ygl.  ons  bnw.  befaamd. 

BEFERPELEN  (beforpelen),   zw.  ww.  bedr. 
Yan  ferpel,  d.  i.  boosaardige  list,  argelist;  z.  ald. 
en  Grimm,  D.  JVtb.  4,  173.  Bedriegen^ misleiden.  \\ 
Wat    cooper    hierin  versubtyit  wort  of  beferpelt 


683 


BEFF, 


BEFF. 


684 


worde,  dat  sonde  hem  die  rercoeper  oprechten, 
V.  d.  Wall  631  {a.  1437).  Soe  waer  dat  yement  van 
onsen  poorteren  . . .  worde  veronrecht ,  beschadicht 
ende  beforpelt  met  eenighen  rechte ,  O.  K.  v.  JDordr. 
47,  168;  O,  R.  v.  Dordr.  55,  168. 

BEFFE,  znw.  vr.  Niet  in  de  tegenw.  bet.  van 
afhangend  halslapje  bij  geestelijken,  hoogleeraren 
en  advocaten,  maar  in  die  van  mutt.  Kil.  bef  f  e, 
j.  almuUe  (ook  in  die  van /troy^^ ,  collare ,  ald.  60). 
Vgl.  Weigand  op  b  e  f  f  c  h  e  n ,  en  Klnge ,  Etym,  Wth, 
21.  De  afleiding  van  fr.  havette  wordt  zeer  onzeker 
door  de  opmerking,  dat  de  oorspronkelijke  bet. 
van  ons  hef  volstrekt  niet  wasspeekseldoeije^maAV 
dat  deze  nit  die  van  kraoff ,  loêse  kraag  is  ontstaan.  || 
Ene  beffe ,  die  niet  genaeit  en  zi  toe  den  scapprune 
{chaperon) ,  dat  hi  se  op  ende  ave  moghe  doen  alst 
hem  voghet  toten  arbeyde,  D.  Orde  308. 

BEFFE.  Zie  Beffen. 

BEFFEN,  zw.  ww.  onz.  Kil.  vetm\  gannire, 
latrare ,  et  nngari ,  nngas  effutire ,  illudere ;  vgl. 
hd.  haffen  en  bef  zen  ^  Schmeller  1,  213:  beffen, 
b  e  f  f  z  e  n ,  wiederbell^n ,  keifen ,  zanken.  — Vandaar 
ook  het  bij  hem  genoemde  beffe,  nngae,  irrisio. 

BEFIT.  Zie  boffit. 

BEFORPELEN.  Zie  beferpelen. 

BEFREMEN  (Hem)  ,  zw.  wederk.  ww.  Zich  he- 
vreemden ^  zich  verwonderen.  Vgl.  ontfremen.  ||  lek 
en  kan  my  niet  befremen  {niet  genoeg  verwonderen  ?) 
dat  U  Gen.  my  alsns  jamerlycken  verlaeten,  want 
men  ons  seder  die  reeckenschapp  geschiet ,  op  nye 
schuldich  is  twe  mainden,  Gedinkst.  2,  309. 

BEGADEN  (begaven),  zw.  ww.  bedr.  en  onz. 
{hegaedde ,  hegaet) ;  mnd.  hegaden ;  mhd.  hegaten.  Van 
gaden ,  d.  i.  gelijk  maken  of  gelijk  zijn  {lijken  := 
hehagen  =  gaden  ^  vanwaar  gading). 

A.  —  Bedr.  1)  Met  eene  zaak  in  ,den  4den  nv. 

a)  Het  gelijke  bij  elkander  brengen ,  ordenen ,  rang- 
schikken^ voegen.  \\  Die  blade  omtrent  sine  vloghele 
begade,  daer  si  siere  siden  ghenaken ,  Nat.  BI.  III , 
1663.  Men  sal  rosen  met  lanwerbladen  int  water 
sieden  ende  so  begaden ,  dat  boven  ghestopt  es  in 
den  mont,  VIII,  459.  Daer  ie  dine  wort  ende 
dine  dade  bi  so  bescrive  ende  so  begade,  datse 
elc  goet  meusce  ontfaen  moet  alse  warachtich ,  vray 
ende  goet.  Franc.  7313. 

b)  In  orde  brengen^  bezorgen^  klaar  maken ^ 
bewerken.  \\  Als  hi  dat  eten  hadde  beghaet,  so 
cleedde  soene  (Jacoh)  harde  sciere  met  cleeder 
goet  ende  diere,  Rijmh.  2352.  Aldus  was  beghaet 
die  arke  ende  was  ghedaen  na  dit  ghewerke ,  4843. 
Dat  goede  wijf  hare  cleeder  wiesch  vander  moodere 
ende  na  dies  deedsoe*^  droegen  ende  wel  begaden , 
Sp.  IV*,  37, 57.Wapene  dede  hi  begaden  ende  gaderde 
sijn  here  saen,  Rijmh.  19766.  Die  desen  visch  halp 
souten  ende  begaden.  Rek.  d.  Gr.  2,  171.  Quincius  oec 
die  besat  drie  buender  lants  te  Rome  .  .  . ,  die  hi 
hegaedde  met  sinen  handen,  Teest.  1318.  Alle  die  scepe 
deed  hy  begaden  in  die  payse  mit  goeden  staden , 
Troyen  f.  146  a.  Vrouwe ,  wat  seldi  ons  raden  dat 
wi  cierliken  begaden?  Umb.  VI,  2573.  Van  des 
bisscops  gewade,  hoe  hi  {Mozes)  wilde  dat  ment 
beghade,  Sp.  I»,  6,  35.  Die  Bertoene  .  .  .  goten 
een  heelde  bequame  van  copere ,  dat  si  so  begaden 
dat  sire  sinen  lachame  in  daden,  III',  21,  25. 
Dit  {liol)  was  met  crnde  al  doretout  ende 
begaet,  Velth.  III,  34,  63.  Dies  ghelijcs  mach 
men  begaden  van  den  verschen  louwer  bladen. 
Nat.  BI.  VIII,  479.  Ist  dat  mer  mede  wevetende 
begaet  een  cleet,  XII,  724.  Ghewreven  ende  met 
melke  begaet ,  aangemaakt^  835.  Begaetse  {de  bloemen) 
beide    met   soute    ende    in    aisyn,  debent  condiri^ 


IX,   289.   Met   mandragore  bladen  vronwen  melc 
stampen  ende  begaden ,  X ,  343.  Aldat  dede  si  be- 
gaden ,  soe  si  scoenst  mocht«,  i^.  II* ,  49, 41.— Het, 
(dat,   die  dine)  begaden,  ieie ^  zijne  saken^  w 
orde  brengen ,  inrichten ,  prepareeren.  \\  Eer  die  vrede 
uytghinc  begayden  die  Troyen  haar  dine,  Troyen  f. 
163  b.  Saul  deet  beghaden  bet  Rijmb.  8957.  Ie  sal 
achterbliven  ende  ontbieden  tes  g^  hebt  n  dine  begaet, 
Lanc.  II,  45956.  En  heb  ie  dat  niet  wel  begaet, 
dat   icse  int  stric   brenghe,  Lansl.   H.  277.  Du 
heeft  {heeft  het)  Eleasams  begaet,   Rijmb.  30818. 
Nu  begadet  heymelike,  siet  hier  miin  cappe  ende 
miin  paert,  ende  riidt  te  desen  watre  waert,Xbil. 
VI ,   1628.   So   mercten  si  dat  Elyzabeth  op  zond 
staen  van  den  bedde  der  ziecheit  saen  . . ;  dat  had 
haer   Sinte  Lutgart  begaet ,   Luig.  II ,  1060  (d.  i. 
dat  had   L.   haer  gedaan^  dat  had  zy   aan  L.  U 
danken).  —  Het,  die  dine,   so   (hoe),  anders 
begaden,   de   zaak  zoo  (hoe^   emders)  inriehlen^ 
aanleggen.   ||   Laet  ons   opsitten  ter  hant  .  .  ende 
begaedent  so,  al  sonder  beyden,  dat  hem  leet  st, 
Orimb.  1 ,  5389  var.  Si  namen  raet  .  .  hoe  sgt  so 
mochten  begaden,   dat  si  Keyen  mochten  ontladen 
vander   gevancnessen ,   Lanc.  III,  30348.  Hoenen 
dese   dine  begaedt,  dat   wi   dwater  mogen  liden, 
II,  45922.   (Die  Joden)  begaedden   so  die  saken, 
dat  si  hem  (Faulus)  hebben  verheent,  Sp.  I',  12, 
28.   Ie   soud»  u  raden  wel  te  desen,  hoe  dat  dine 
sout  syn  begaet,   dat   ghys  bleeft  al  onghescaet, 
Troyen   496.  Emmer  begaedt  also   die  sake,  dat 
hi    te    boven    si   int    spel.   Rosé    7270.    Ie   hebt 
ons   begaet  alsoe,  Cass.  496.  Nu  was  also  begaet 
die  dine,   Sp.   III»,   31,    14.    Dit   haddi  van  den 
Paus  van  Romen    al    hemeUke  so  begaet,  bij  de% 
Paus   zoo   ingericht,   Velth.    V,    10,    28.   Hoe  wi 
dit   mogen   begaden    nu,    II,   10,   67.  Men  sondt 
anders  begaden,  IV,  60,  73.  Ie  salt  al  anders  be- 
gaden ,  dat  dat  nemmermeer  en  sal  sgn ,  Lansl.  288. 

c)  Versieren,  optooien,  oppronken,  opschikken.  || 
Hare  plumen  streect  si  ende  begaet,  ofte  si  wil 
wesen  wit.  Nat.  BI.  III,  2704.  Gout,  daermen 
mede  soude  begaden  Sint  Aelbrechts  scrine,  Stoke 
II,  92.  Dit  sijn  de  chierlijcst*  ghewaden,  daer 
hem  Keyser  met  moge  begaden,   Sp.  III',  1,  H. 

2)  Van  het  noodige  voorzien,  de  noodige  zorg  be- 
steden aan  iets,  verzorgen.  ||  Die  drie  syn  begaet  ter 
cure ;  baniere  ende  coverture  hadden  si  van  mengher 
ghedane,  Troyen  1374.  Die  clnsenare  begactde 
dorsse  wel  van  al  dien  dat  hem  bedorste,  X«w- 
II,  45236.  Flandrijs  ors  hiet  hi  begaden  denstal- 
waerders,  dies  hem  ghebrac ,  FUndr.  1 ,  221. — Vooral 
gebruikelijk  in  de  volgende  twee  opvattingen: 

a)  Van  de  zorg  aan  wonden  en  gewonden  be- 
steed. Oppassen,  behandelen, genezen.  \\  Die  heren  Tan 
Grimbergen  daden  haer  ghewonde  wel  begaden; 
si  hadden  goede  meesters  dare,  diere  toe  namen 
goede  ware,  Grimb.  II,  5234.  Hy  dede  begaden 
syne  wonde,  ende  binden  soe  men  best  conde, 
Troyen  6634.  (Hi)  verbant  hem  al  sine  wonden, 
eude  begadese  soe  tien  stonden,  dat  si  genasei 
eer  iet  lanc ,  Lanc.  II ,  42942.  Her  Walewein  sonde 
hem  daer  naer  begaden  als  men  pleget  wonden, 
42628.  Men  dwoech  Waleweine  sine  lede ,  ende  hi 
begaetde  sine  wonden,  45340.  Ghescorde  monden, 
die   welke  men  aldus   begaeden  sal ,  Jan  Yp.  81. 

b)  Van  alles  wat  men  aan  een  gestorvene  doet 
vóór  de  teraardebestelling.  Gereed  maken  voor  de  be- 
grafenis. II  Minen  doden  lachame  begaet,  alse  giii 
der  andere  pauesen  daet,  Sp.  IV',  53,  53.  Die* 
lachame  van  Roelande  dedi  begaden  te  hande  met 
balsemen,  IV',  27,  39.  Doe  die  maghedcn  tamel|f 


685 


BEGA. 


BEGA. 


686 


begaedt  hadden  dat  salighe  l^c,  Lsp.  II,  58,  1. 
Sine  liede  ende  sine  cnapen  mede  .  .  begadene  na 
sine  doot,  ende  brachtene  met  ronwen  groet  te 
Bnicele  binnen,  Velth.  III,  42,  11. 

3)  In  een  zekeren  toettand  brengen^  behandelen, 
—  fl)  in  het  algemeen.  ||  Wat  duvel,  wie  heeft n  soe 
begMt?  —  Ie  hebbe  in  enen  joechtborren  {ver- 
iongingibron)  ghebaet,  Btuk.  106.  Wie  heeft  ualso 
begaet?  .  .  u  anscijn  es  al  mit  swerten  bestoven, 
129.  Die  balsaem  aldaer  had  hem  so  begaet,  daer 
hy  lach,   hy  hadden  totten  doemsdach  heel  ghe- 
houden    in   dat  vat ,  Troyen  ƒ.  146  b.  Sine  sndare 
leget  op  hem  also  begaet,  dat  wire  niet  dorren 
comen  an,  zijn  zweetdoek  ligt  in  zulk  een  toestand 
op  kem^  Sp.  III',  19,  67.  Wiene  hadde  also  begaet, 
UP,  21 ,  56.  Met  behendicheit  niet  clene  belesement 
{iet  serpent)  ende  so  begaet,  dat  sijn  vengn  niet 
en  scaet  ende  ment  mach  vanghen  met  ghemake. 
Nat,  BI,  VI ,   100.   Op  deze  plaats  kan  begaet  óf 
van  hegaden  worden  afgeleid,    samengetrokken  uit 
hegade  (3de  pers.  aanv.  wgs)  het ,  öf  van  begaen ,  uit 
begae  het,   zonder  dat  de  beteekenis  eenige  ver- 
andering ondergaat.  Vgl.  bij  begaen  2). 

b)  Met  het   oij  denkbeeld  van   slecht.  Slecht  be- 
handelen, mishandelen,  toetakelen,  ||  Dat  hine  alse 
enen  dief  begade ,  scoere  hem  thaer  af,  bonde  hem 
de  bande,  ende  leeddene  te  siere  scande  in  eenen  stoc, 
Sp,   ni%   2,  8  {Amand  II,  1394).  Daer  dus    die 
martelare    stont    begaet,    sprac   hi   an   den  juge 
qnaet,  II*,  9,  33.  Algader  dat  hi  pensde  ghinder, 
was  om  wijf  ende  om  kinder,  hoese  die  Bomeyne 
souden   begaden,    lUjmb,  34700.  Daer  dedi  hi  .  . 
ghevane  te   siere   feesten   werpen   voor    die  felle 
beesten;   .   .  .   sulke    dede    hi    anders    begaden, 
Bijmb,     34278.    Doe    dede    hi    in    corten     tiden 
sinen   vader   ontwee    sniden   .    .   . ;  aldus  begade 
bi   sinen    vader,   Alex,  II,   1139.    Dus  moete  die 
gene  .  .   den  grave  begaden  corts  naer,  al  waest 
hem   te   doene   swaer,   Velth.   III,   45,    74    (de 
tekst  heeft   ten   onrechte   begaven-,   vgl.   Taal-  en 
I^tb,   6,    307).   Hi  trac   hem  den  helm  af,  .  .  . 
ende  gaf  hem  soe  groten  slach  ende  soe  stranc, 
dat  hem   dat  bloet  ten  nese  uut  spranc;  alse  hi 
hem  sach  alsoe  begaden ,  bat  hi  Lancelote  genaden, 
Lane,    II,    29994.    Ghi   hebt  mi   begaet,    dat   ie 
daer  bi  vander  doet  niet  ne  mach  ontgaen ,  36368. 
Ie  wilre  vive  allene  begaden ,  dat  si  .  .  hem  geme 
op   selen    geven,    19982.    So  quam  die  felle  naen 
ende   allen   .    .   ende  begaetden  mi  alse  gi  siet, 
15196.   Ie   salne  alsoe  begaden  dat  hi  sal  hebben 
berouwenesse ,  van  sire  groter  verradenesse,  31841. 
Ie   sonse    alsoe   begaden,  daer  sonde  hem  ander 
castien  bi ,  3.  Dag,  R.  208.  Hoe  salie  se  begayen ! 
Playerw,    270.   Al  gaen  ie  begaet,  ghelapt,  ghe- 
scheurt,  OFl.  Lied,240.  —  Ene  stat  begaden, 
haar  plunderen,  verwoesten.  ||  (De  Gallen)  wonnent 
al  neven  den  R^n,  ende  begaedden  .  .  Rome  die 
vermaerde  port,  ende  hingere  XX  van  den  besten 
uptie   maerct  buten   der   vesten,   Sp.  I',  45,  12. 

—  Een  stegereép  begaden,  een  stijgbeugel 
onbruikbaar  maken,  \\  Daertoe  haddi  vanden  gereide 
stegereép  ende  daregerde  beide  valscelike  begaet 
met  liste,  dats  min  her  Walewein  nine  wiste, 
Lmnc.  II,  44713.  —  Vooral  is  begaden  in  dezen 
sin  in  gebruik ,  verbonden  met  een  b|jw. ,  waardoor 
de  slechte  behandeling  nog  duidelijker  op  den 
voorgrond   treedt.    —  Jammerlike   begaden; 

—  a)  van  personen.  Deerlijk  mishand'elen,\\  God  \eei 
door  ons  armoede  swaer,  ende  wert  daertoe  jammer- 
like begaedt  van  hen,  die  hem  hadden  onmaer, 
Rincl,  856.  —  6) Van  zaken.  Deerlijk  toemaken.  ||  Daer 


si  haerpaerdeende  hare  gewaden  jammerlike  moesten 
begaden,  want  het  reinde  ende  was  quaet  weder, 
Sp.  IV»,  37,  34.  —  Lachterlike  begaden, 
erg  mishandelen.  \\  Ie  liete  my  liever  te  bant  begaden 
herde  lachterlike,  Orimb,  I,  1873.  Hi  hitene  halen 
harde  saen  ende  .  .  .  oec  lachterlike  begaden, 
Lanc. III ,  11398.— O usiene,  leelike,qualike, 
onscone,  onsoete,  onsochte  begaden,  ge- 
ducht toetakelen,  havenen,  \\  (Si)  scoten  ende  worpen 
af  brant,  daer  si  die  vianae  entie  engiene  mede 
begaedden  harde  onsiene ,  Rijmb.  31634.  Ie  ben  so 
qualiken  begaet ,  het  mocht  ontfermen  herde  stenen, 
Èein,  II,  4094.  Dat  si  haer  pard  aldus  versaden 
opten  Eerchof,  ende  begaden  den  Kerchof  leitje  met 
haren  torde  (drek),  Velth.  VI ,  5 ,  11.  (Hi)  begadene  so 
onscone,  dat  hi  hem  dogen  utestac,  ^.  III',  56, 
54.  Bedi  Macheus  van  Babyionen  begaet  die  Grieken 
harde  onscone,  Jlex.  V,  397.  (Hi)  begadetse  soe 
onsochte ,  dat  hen  niet  gehulpen  mochte  die  wapine 
die  si  hadden  an ,  Lanc,  III ,  2235.  Amasa  quam 
hem  te  ghemoete,  dien  beghaedde  Job  onsoete, 
want  hi  heeft  dien  vermoert,  Rijmb,  10603.  Aldus 
.  onsoete  ben  ie  met  rechte  beghaet ,  want  aldus 
ghedane   daet  dedic  wilen  in  mine  daghen,  7118. 

—  Onz.  Van  gaden  (zie  ald.).  Behagen,  aan- 
staan. II  Ie  en  weet,  wat  gi  wilt  menen,  anders 
dan  mi  dinct  dat  wel,  dat  u  niet  en  begaedt  mijn 
spel ,  Rosé  8406 ;  „que  mes  solas  ne  vous  plaist  mie. 

BEGAEN  (beoangen)  ,  onr.  ww.  bedr. ,  wederk., 
onz.  en  onpers.  (beginc,  begaen  of  begangen).  Mhd. 
begdn,  begin;  mnd.  begdn,  begén. 

Bedr.  —  1)  In  de  tegenw.  beteekenis.  Ten  uitvoer 
brengen,  volbrengen,  doen,  bedrijven,  maar  zoowel 
van  goede  als  van  slechte  daden  gebruikt.  ||  Salmen 
ghinder  loon  ontfaen ,  men  moet  in  deser  tijt  begaen ; 
salmen  ghinder  maeyen ,  so  moet  men  hier  zaeyen , 
Lsp.  III,  25,  11.  Also  dat  God  al  over  al  die 
overste  wesen  sal  in  al  dat  men  begaet ,  III ,  1, 97. 
Alse  een  mensche  .  .  .  van  den  live  ghescheiden 
es,  en  mach  hi  voort  niet  goets  begaen,  III,  25, 
27.  Doe  dede  hen  Walewein  beloven  saen,  dat 
si  die  wet  selen  begaen,  de  huwelijksplechtigheden 
volbrengen,  Torec  3421.  Die  groete  dade  die  si  begin- 
ghen,  Heelu  8640.  Die  hem  te  haren  {der  wisen) 
werken  keren,  alle  wijsheit  hi  begaet,  die  betracht  de 
wijsheid,  Salad.  3.  Die  alsoe  vele  hadde  ghedaen 
vromer  daden  ende  begaen,  Brab.  Y.  VI,  5655. 
Der  wive  ghemeinsamhede  ende  tijt  ende  stede, 
daer  men  die  luxurie  mede  begaet,  Do<r/.  II ,  2750. 
Hieromme  sijn  wi  medewerkeren  gheestelike  alle 
d^r  dogeden,  diemen  in  erterike  begheet,  Ruusb. 
1 ,  20.  Een  goet  werck  begaen ,  Serv,  II ,  538 ;  996. 

2)  Met  den  4den  nv.  van  den  persoon  en  het 
bijw.  so.  Behandelen,  in  een  toestand brejig en ,  onge- 
veer geiyk  aan  begaden.  ||  My  had  ghevaen  in  syn 
huus  een  Ciclops,  hiet  Polifemius,  doch  dat  ie 
dien  also  beghinc,  dat  ie  hem  soud  een  dinc  te 
drincken  ghenoech  gheven,  Trogen  9559  var.  Die 
coninc  was  so  begaen,  dat  mense  over  dijs  waende 
bestaen,  Velth.  I,  38,  31. 

3)  Het  begrip  gaen  wordt  door  het  voorzetsel 
be  transitief  gemaakt.  Het  duidelijkst  blgkt  dit 
Lsp,  I,  11,  67:  il  Begaet  die  zonne  aertrike,  d.  i. 
beschijnt,  —  Begaen  neemt  zoo  de  bet.  aan  van 
bereiken,  inhalen, 

A)  Met  een  persoon  als  obj. —  a)  In  handen  krijgen, 
machtich  worden,  achterhalen,  vangen.  ||  Daer  toe 
worden  die  vreemde  gaste ,  die  met  hem  quamen , 
alle  ghevanghen  die  men  ghecrighen  conste  oft 
beganghen,  Brab.  Y,  VII,  11884.  (8i)  sloughen 
ende  vingen  alle  die  kerstine,   die  si  begingen. 


687 


BEGA. 


BEGA. 


688 


Sp.  III  ^,  2,  15.  Nero  hiet  al  yerslfien,  dat  men 
kersten  conde  begaen,  II*,  17,  35.  (Hi)  dede  .  . 
rangen  alle  die  M  conde  begangen,  II',  36,  215. 
Die  Phariseene  .  .  proeveden  nauwe  ende  sochten , 
hoe  dat  sine  begaen  mochten,  I',  24,  55.  (Hi) 
heefl  bevolen  dat  men  n  vaet ,  waer  so  dat  men  n 
begaet,  11^,  50,  47.  (Hi)  sloech  al  doot  dat  hi 
beghinc,  waest  wijf  of  man  jof  jongelinc,  Bijmb. 
30457.  Waer  si  die  serpente  begaen,  si  verteren 
se  ende  verslaen,  Nat.  BI.  II,  1494.  Sy  seggen, 
mogen  sy  n  begaen,  sy  selen  n  leggen  ghevaen, 
Grimb,  II,  347.  Hi  was  in  wane  comen  das,  dat 
hi  den  Keyser  sonde  begaen,  Sp.  III*,  4,  16.  Dat 
hi  wille  die  kindere  doden,  npdat  hi  Jhesns  begaen 
mach,  I*,  46,  4.  Hi  was  in  Jherusalem,  dien  ne 
mochten  si  niet  begaen,  Bijmö.  30029.  (Het  en 
mach)  niet  mit  sire  cracht  te  vijf  spronghen  begaen 
dat  dier ,  Nat.  BI.  II ,  2290  var.  Ontsiet  hi  hem 
**»  begaen  ist  in  corven,  ist  in  netten,  V,  1064, 
'.  i.  dat  men  hem  vangen  zal.  Waer  bi  dat  hire  een 
oegaet ,  3925.  Opdat  hise  mochte  begaen ,  Lanc.  lY , 
6715.  Konde  ik  iemant  van  s^ne  vrienden  begaen,  ik 
sou  se  schaden  daer  ie  mochte,  Heemsk.  17.  —  Ook 
in  de  uitdr.  beriden  of  begaen,  te  paard  of  te 
voet  achterhalen.  \\  Het  sal  u  beeden  costen  dieven, 
magie  u  begaen  of  beriden,  Lett.  N.R.1^,  136, 195. 
Waer  hijse  mochte  beraden  ofte  begaen ,  Heemsk.  6. 

b)  in  juridischen  zin.  Fangen,  gerechtelijk  over- 
tuigen. II  In  Beyeren  een  hertoghe  .  .  dieinordele 
wart  begaen,  dat  hi  verradelike  hadde  gedaen 
jeghen  Karle  sinen  here,  Sp.  III»,  87,  57.  Dus 
waren  die  papen  begaen ,  ende  moesten  sware  doot 
ontfaen,  I',  50,  63;  nl.  de  twee  prietters,  die 
Suzanna  belaagd  hadden. 

c)  Ontmoeten,  aantreffen.  \\  Alle  arme  hebbic 
ontfaen  te  gaste,  die  ie  mochte  begaen,  Sp.  II*, 
70,  62.  Wat  librarise  diene  beginc  mindene  vor 
alle  dinc,  III*,  87,  17. 

d)  Bezoeken i  opzoeken,  \\  Hi  hevet  begaen  alle 
die   heren,    „omnes  viros   visitavit^^   UI*»  4:5,  23. 

e)  In  vijandeiyken  zin.  Aanvallen,  aantasten.  \\ 
Walewein  doe  jegen  hem  ginc ,  ende  metten  swerde 
hine  beginc  ende  in  die  kele  hine  doe  stac ,  Lanc. 
III,  19509.  Dat  hi  (Artur)  sonde  .  .  die  weste 
eylande  *  begaen  ende  hem  maken  onderdaen ,  Sp. 
III»,  14,  64.  Daer  beghincse  op  een  velt  de 
Keyser  ende  wan  hem  an  haer  scepe  ende  menighen 
man,  Stoke  I,  66.  Men  en  cans  {het  serpent)  so 
niet  begaen,  dat  ment  ghehonen  mach  ofte  slaen, 
Troyen  424.  Zoo  ook  i§».  I»,  62,  33.  —  Ook  in 
het  pass.  in  fig.  zin ;  begaen  s  ij  n ,  aangetast  zijn 
door ,  behept  zijn  met ,  vervuld  zijn  van ;  in  beteekenis 
gelijk  aan  bevaen  sijn  (z.  ald.).  ||Dat  hi  metselker 
souden  was  begaen,  dat  hi  hem  en  verporde 
niet,  alsi  hem  dat  grael  sach  so  nare,  Lanc, 
III,  2746.  Die  werelt  mit  duustemissen  ende 
mit  eertbevinghe  beganghen,  Hs,  Ib  f.  179a 
{Hs.  N,  T.  115r).  Een  mensche  die  noch  mitter 
crancheit  des  vleischs  beganghen  is ,  Es.  88.  ƒ. 
21c.  (Si)  waren  mit  groten  mededoghen  begavet 
ende  mit  groten  sorghe  beganghen,  /.  62rf. 

ƒ)  Onverwachts  aanvallen ,  overvallen,  betrappen, 
met  een  persoon  of  eene  zaak  als  ondw.  ||  Overeen 
droughen  si  des  dat  si  Dariuse  daer  begaen ,  daert 
eenlijc  was,  ende  sine  slaen,  i%?.  I*,  29,  30. Tote 
Arleblanken  in  die  stede  beginghene  die  grave 
Constant  ende  slougene  doot  altehant,  III*,  10, 
52.  Daer  se  die  nacht  begaet,  daer  bliven  si  in 
haerre  rusten,  III*,  31,  10.  Die  nacht  beginc  ons 
daer  bi  daer  soe  Viroende,  III*,  46,  9.  Dat 
Snsanna   van   II   papen  was   begaen,   I',  50,  31. 


Daer  beginc  Hannibal  dorperlike  .  .  Cornelinse, 
I* ,  19 ,  35.  Coninc  Waleweer  .  .  wart  begaen  .  . 
daer  hi  vacht  in  enen  strijt,  III' ,  23,  22.  Nachts 
quam  up  hem  Adelaen,  ende  hevet  enen  bissoop 
begaen,  IV*,  6,  71.  Pylatus  .  .  begincsc  ende 
slouch  aldare  den  ghylre,  I^ ,  14,  69.  So  datteae 
die  winter  begaet,  diene  metten  conde  veralaet, 
Nat.  BI.  III,  1899.  Onse  ghevanghene  die  Solinun 
te  voeren  vinc  te  Tiniton ,  daer  hise  beginc,  Srab.  T. 
III,  878.  (Hi)  beghincse  daer  si  saten  die  Tin 
Amalech  ende  aten ,  Rijmb.  9726.  Dat  hi  in  die 
Baerdsche  zee  met  eenen  sere  swaren  tempeeste 
begaen  was,  Sp.  V ,  63,  1.  Dattie  coninginne  . . 
met  Lancelote  was  begaen ,  Lanc,  lY,  4499.  So 
dat  si  {de  spionnen)  worden  begaen  in  die  pawelyoene, 
Sp.  lY»,  66,  69. 

g)  Verraderlijk  behandelen,  misleiden.  ||  Dat  hi 
van  den  valschen  Pelag^aen  ghehonet  was  ende 
begaen,  die  onghelove  ende  herisie  sterken  wilde 
met  sire  clergie,  Sp.  III*,  25,  16. 

h)  Eindelijk  gaat  de  beteekenis  inhalen,  èereiiet 
over  in  die  van  treden,  raken,  \\  Die  dnvel... 
stac  die  want  onsochte  dat  soe  viel  ende  beghinc 
eens  edels  mans  kint ,  een  jongelinc ,  die  daer  binnen 
was,  Sp.  III' ,  28,  29.  Begatene  die  ghewelt  van  den 
stanke ,  hi  es  so  groot ,  ni  macher  lichte  af  bÜTea 
doot.  Nat.  BI.  III,  2882.  Dat  hi  wille  in  Bethleem 
die  kindere  doden  up  enen  dach,  up  dathiJhesos 
begaen  mach,  Sp.  1* ,  46,  4. 

B.  Met  den  4den  nv.  der  zaak. 

a)  Inhalen,  bereiken,  achterhalen.  \\  Metticn  die 
dach  den  nacht  beghinc  ende  die  heren  ghingen 
slapen,  Trogen  f.  263*  (d.  i.:  die  nacht  beghinc 
den  dach  (voor  de  schijnbare  verwarring  van  subject 
en  object  vergelyke  men  Fergi  626);  eig.  de  nacht 
haalde  den  dag  m;  m.  a.  w.  maakte  een  einde  ua 
den  dag,  volgde  den  dag  op).  Eerlijc  leven  .  .  > 
es  in  sinen  doen  so  machtich,  dattet  altoos  niet 
verloren  ne  mach  sijn  .  .  ,  want  waer  soot  die 
doot  begaet,  het  ent  emmer  in  weldaet,  ^.  I*,71> 
63,  d.  i.  „waar  ook  de  dood  het  leven  ochterkMU, 
overvalt,  m.  a.  w.  aan  het  leven  een  einde maeiC 
De  lesinge  der  druven  sal  begaen  den  sayendcn, 
reiken  tot  den  zaaitijd,  Es.  v.  1348,  Ib'id  (LevU- 
26,  5). 

b)  Verwerven,  verkrijgen.  ||  (Be  roerdomp)  heeft 
inghetrect  sinen  hals,  ...  om  vissche  te  begane, 
dier  hi  vele  pleghet  te  vane ,  Nat.  BI,  III ,  W3. 
Ghevalt  dat  si  te  lande  keren,  so  comt  een  cooiti 
ende  nemet  saen  al  dat  si  hebben  begaen,  ^'^•'•^i 
1486.  Mit  goeden  lijdzamighen  sinnen  machmenil 
te  veel  verwinnen,  datmen  niet  en  mach  begwi 
mit  overmoedighen  wederstaen ,  MLoep  IV ,  1283. 
Het  hevet  menech  dat  begaen ,  haddi  geseten  ofte 
gestaen  stille  in  huns,  hine  hads  niets  vonden, 
Lanc.  III,  1109.  Si  nament  (het  goed)  al  op  .  •. 
waer  dat  syt  conden  bevaen,  Velth.  II,  3, 69. Sus 
mosten  sy  aen  horen  handen  hoer  noturft  beganghen, 
Tafelboec  f.  19. —  Vooral  in  gebruik,  in  verbinding 
met  de  woorden  ere,  lof,  prijs,  dane,  bUscef^ 
derg.  Behalen,  genieten.  \\  Daer  hi  beghinc  loff ende 
eer,  MLoep  lY,  1697  var.  Dat  ie  danc  hebbe  be- 
gaen aen  allen  uwen  onderzaten,  lY,  1195.  Ie 
wille  prijs  ane  u  begaen,  Eleg,  1852.  Dj» 
heere  van  Walheem ,  die  groote  ecre  daer  diei 
van  Brabant  beginc,  Heelu  7815.  Van dire grooter 
eeren,  die  beide  hi  ende  ander  heeren  .  .  begin* 
ghen,  7463.  Van  dien  prise,  die  si  beide  dier 
begingen ,  8492.  Van  dier  eeren  ende  van  di« 
love,  dien  die  ridders  daer  beghingen,  8530.  Men 
mach  aen  ons  eer  begaen,  Troyen  f,  SSi-We-" 


689 


BEGA. 


BEGA. 


690 


altoes  na  die  eere  staet,  die  mach  wel  eer  ende 
prjfl  begaen,  39^.  Dat  si  die  bliscap  niene  be- 
gaen,  Yelth.  VIII,  19,  17.  Die  bliscap,  die  de 
minsce  begaet,  YIII,  32,  32.  Daer  hi  véle  eren 
beginc,  cHrc  62.  Dan  mach  die  brnyt  .  .  .jolijt 
ende  yrnechde  beguen  in  desen  pryeele ,  iVi?^?.  Prö«« 
334.  (Hi)  speelde  so  reynlic  ende  konstelic,  dat 
hi  gonst,  eer  ende  prijs  beginc  anden  coninc,  Geat 
Bom.  c,  153. 

e)  In  rechte  gebruikt,  yan  het  innen  van 
boeten  of  geldstraffen.  ||  So  wat  scepen  die  rechter . . 
ontbiet  .  .,  ende  niet  en  quame,  verbnert  II  se, 
rechtevoirt  te  begaen,  O.  K.  v,  JLoit.  24,  50. 
Op  die  boete  voerscr.  ende  die  rechtevoirt  te  be- 
gaen binden  staende  werve,  28,  71.  Op  II  se. 
ende  rechtevoort  te  beghaen,  44,  139.  Wie  dat 
niet  en  betaelde  binnen  sdaghes  sonneschgn,  ver- 
bnert  X  se,  rechtevoirt  te  beghaen, 49, 163. Ende 
dese  boeten  rechtevoirt  te  begaen  an  den  ghereet- 
sten  panden,  die  men  in  den  scip  vint,  50,  170. 
d)  Bezoeken.  \\  HQ  besoechte  ende  beghinc  clnsen 
ende  capellen,  Serv,  I,  1544.  {Sedert  da  f)  hg  die 
Gods  hnyse  beghinc,  2336.  Keert . .  ten  hnsen  weder, 
die  ghi  beghinct  ap  ende  neder.  Franc.  3863. 

4)  Omgaan,  met  den  klemtoon  op  het  voorzetsel. 
Een  plechtigen  omgang  houden,  vooral  ter  eere  van 
gestorvenen ;  vandaar  dat  begaen  de  bet.  aanneemt  van 

a)  een  lijkdienst  verrichten,  iemands  uitvaart 
plechtig  vieren.  Vgl.  hd.  fettlich  begehen,  het  znw. 
begangnite  en  het  mnd.  beganckenie.  Kil.  circumire.  || 
Dos  was  die  Yronwe  ter  erden  brocht:  des  was  de 
Grave  wel  bedocht,  dat  hise  beginc  also  wel, 
Stoke  lY,  1149.  Met  weene  ende  met  zanghe  .  . 
beghinghense  papen  ende  clerke  te  Parijs  insente 
Pieters  kerke,  Sp.  III',  20,  64.  Dat  kint  was  met 
groeter  ere  begraven  ende  begaen,  Segh.  414.  Wi 
soaden  ramen  dit  ellende ,  ende  varen  Grieken  bat 
gehende  dattie  vriende  ons  mogen  begaen;  want 
die  .  .  lichame  rast  te  bet ,  die  na  haerre  voorders 
wet  bi  haren  vrienden  syn  begraven,  Alea?.  YI, 
601.  Wair  enich  dode  begaen  met  4  tortisen  of 
mit  4  stalkairsen,  Leid.  Keurb.  43.  Hoeneer  die 
doden  begraven  syn,  so  sellen  die  erffnamen  .  . 
die  doden  begaen  in  der  kerken  .  .  mit  licht  ende 
mit  kersen  ende  offeren,  483.  Na  die  begravinge 
80  selmen  die  doden  begaen  ende  hoir  wtvairt 
doen,  ald. 

b)  in  het  algemeen.  Fier  en,  gedachtenis  vieren, 
herdenken;  vooral  van  kerkelijke  feesten.  ||  Nu  so 
saldi  voort  verstaen  hoe  haer  uutlede  is  begaen, 
Ltp.  II,  57,  1.  Hets  recht,  dat  men  sijne  feeste 
begheyt,  Serv.  II,  1478.  Die  wijdinghe  .  .  die 
men  wale  solde  begaen,  2254.  Dien  dag  eerde  hij 
ende  beghinck  sonder  eyngherhande  spfse ,  1 ,  755. 
(Hoert)  nu  vanden  seven  uren  die  de  kerke  daghe- 
like  houdende  es  hoechlike,  daer  wi  seven  poenten 
in  begaen  die  Cristus  passien  anegaen.  Lep.  II, 
61,  1.  Dye  hoechtgt,  die  wy  begaen ,  is  ghehy eten 
Pascha,  £em.  S.  ld  Alsmen  gehoghenisse  begaet 
alder  ghelovigher  zielen  {Allerzielendag) ,  154  0. 
Die  besnydinghe  ons  Heren,  .  .  die  wi  huyden 
begaen,  Bern.  W,  10a.  Die  toecoemst  ons  heren 
begaen,  het  laatste  oordeel  overdenken,  19^.  — 
Men  dat  ambt  (d.  1.  officie,  dienst)  ouch  beginck, 
dat  Christus  ghemartilyt  waert,  Serv.  I,  1562. 
Om  dat  Cristus  sine  pine  leet  op  ertrike ,  die  men 
daer  begheet  ter  messen,  Lsp.  II,  52,  53.  Dat  si 
eene  feeste  van  afgoden  hadden  begaen,  Sp.  III*, 
32,  7.  Tote  Rome.,  dien  hogen  tilt  te  begane,  III*, 
84 ,  4.  Up  onser  Yrouwen  dach  alsemen  hare  bood- 
icap  begaet,  die  annunciationis  dominieaef  I^,  53, 


90.  Dat  dochte  mi  wesen  tmeeste,  dat  si  up  de 
tijt  beghinghen,  Stoke  Yin,  836.  Mijn  huechnis 
suldi  dan  begaen  (nl.  aan  het  H.  Avondmaal), 
O.  H.  Pass.  10,  161.  Met  deser  figuren  beginghen  die 
Joden  dat  jaerghetide  der  doet  ons  Heren ,  die  toe  te 
comen  was,  die  wi  nu  begaen  dat  si  leden  es, 
Bunsb.  2,  103.  Dat  gulden  jaer  van  Jubileen  te 
Rome,  twelc  van  alderhande  nacien  van  volcke  in 
^oter  menichfuldicheyt  begaeu  wert  met  alte  groter 
devocien,  Exc.  Oron.  lS6d.  Die  ellende  begaet  men 
al  mit  seven  daghen.  Pass.  W.  202^?.  Mit  danc- 
baerheden  so  begaen  sij  daer  dage  der  bliscapen, 
Rs.  80  /.  22*.  Daer  om  begaen  wij  drie  duuster 
metten,  /.  Xlfid.  Also  dat  die  heylighe  nacht  mit 
veel  licht  ende  mit  veel  sanghe  seer  hoechliken 
beganghen  wort,  Rs.  88  ƒ.  47tf.  Eenjaergetide — ; 
dat  ambocht  der  misse  der  doden  begaen ,  D.  Orde 
221;  222;  274.  — Bij  uitbreiding  ook  gezegd  van 
het  honden  eener  kerkvergadering.  i|  Na  dien  tijt, 
dat  was  begaen  de  concilie  the  Lateraen,  D.  War. 
3,  288,  334.  —  Ook  van  het  vieren,  houden  eener 
bruiloft.  II  Sy  en  waren  niet  alsoe  ghedaen,  alsof 
sy  brulofi  hadden  bevaen  (/.  begaen),  want  haer 
helme  goet  ende  duere  waren  gesleghen  in  quar- 
tiere ,  Troyen  f.  156c. 

5)  Omgaan ,  met  den  klemtoon  op  het  werkwoord, 
rondgaan,  omgeven.  \\  Mine  borste  also  wale  beginc 
die  vlamme  te  dien  male,  Yelth.  Yll,  16,  33. 
Een  groot  vier  .  .  .  dat  beginc  hem  hals  ende 
haer,  Sp.  III*,  39,  73.  Dat  hi  hem  gave  also 
breet  stede  .  .  .  alse  eene  rieme  mochte  begaen, 
III*,  8,  29  {Var.  ommegaen).  Syn  here  wasomme 
begaen,  som  ghesleghen,  som  ghevaen,  III*,  14, 
85.  Penst  omme  grote  Bertaengen  dan,  welke 
fosseide  hem  gheliken  can  diese  heft  al  omme 
begaen,  Rijmb.  33841  var.  (In  de  twee  laatste  voor- 
beelden zou  men  ommebegaen  ook  als  één  werk- 
woord kunnen  opvatten ,  doch  vgl.  het  volg.  citaat). 
Dit  lant  is  een  eylant  ende  al  om  mit  water  begaen , 
Mandev.  f.  39  «.  —  Over  het  verl.  deelw.  begaen, 
als  bnw.  gebruikt,  zie  beganoen. 

Wederk.  —  Hem  begaen.  In  beteekenis  gelijk 
aan  het  meer  gewone  hem  bedragen  (z.  ald.). 
Zich  onderhottden;  zich  bedruipen;  het  kunnen  uit- 
houden, bolwerken.  ||  Dat  halve  deel  des  goeds  . .  dat 
velt  aen  dien  oerden , . . .  metten  andren  halven  dele 
zal  hem  mede  begaen  dieghene,  die  levende  blijft, 
D.  Orde  237.  Wanneer  een  kerke  ..  ledich  worde, 
daer  hem  twe  broeder  ofte  drie  met  moghen  be- 
gaen, die  mach  die  lantcomenduer  enen  werliken 
papen  lenen,  oft  hem  nutte  dunket,  309. 

Onz.  —  1)  In  beteekenis  geheel  gelijkyoai»,  doch 
met  het  bij  denkbeeld  yan  voortduring  der  werking.  || 
So  dat  men  daema  slapen  begaet,  1^.  III*,  18,65. 

2)  Beginnen,  aangaan,  aanvangen.  ||  Joghet  heet 
die  derde  etaet,  die  te  XY  jaren  begaet. 

3)  Te  werk  gaan,  zijn  wil  volbrengen,  betijen 
(vgl.  onze  uitdr.  laten  begaan).  \\  Om  dattem  God 
castien  liet,  so  wilder  Qod  beganghen  mede,  die 
wistet,  waer  om  dat  hyt  dede,  Hild.  50,  106. 

Onpers.  —  Iet  begaet  mi,  iets  vergaat  mij, 
het  loopt  voor  mij  af,  het  gaat  mij.  \\  Ende  begeet 
ons  dit  te  vromen,  wi  willen  de  borch  beleggen 
comen,  Qrimb.  II,  711.  Ende  ist  so  met  hem  be- 
gaen, hi  en  weet  wat  doen  of  eerste  bestaen, 
Rein.  II,  4429. 

BE6AER,  znw.  onz.  Eig.  stam  van  het  ww. 
begaren.  Begeerte,  verlangen.  Ygl.  Begeer.  ||  Te 
Jerusalem  was  haer  begaer,  O  VI.  Lied.  51.  Al 
hebbic  vroude  na  mijn  begaer,  therte  mach  mi  wel 
wesen  swaer,  Belg.  Mus.  2,  237. 


694 


BEGA. 


BEGA. 


692 


BEGAERTE ,  znw.  vr.Van  hegaren,  —  1)  Begeerte^ 
verlangen.  \\  Dat  Magdalena  deerste  was,  dieGode 
sach  na  sine  doot,  met  hare  begaerte  groot,  Xf«A/^. 
2081.  Int  jaer  Gods  VIc  ende  sesse  .  .  voer  hi 
(Gregorius)  te Gode  naer  sine  begaerte,  Sp.  III ',17,  6. 

2)  Hartstocht ^  begeerlijkheid,,  vooral  in  het  mv.  i| 
Si  ebben   gecranst  haren  lechame  met  begaerten 
ende  met  zonden ,  want  sise  scnwen  tallen  stonden. 
Franc.  2198. 

BEGANGELIJC,  bnw.  Van  begangen  of  begaen^ 
in  den  sin  van  handelen,  bedrijven  (zie  ald.  BEDR.  1). 
Eig.  bedrijvig y  en  met  den  3den  nv.  van  den  persoon, 
behulpzaam,  voorkomend,  \\  Gheiyc  tkint  den  vader 
beganghelic  moet  sjjn  te  siere  noot  by  rechter 
sculde  toter  doot,  Jmand  II,  3668. 

BEGANGEN.  Zie  begaen. 

BEGANGEN  (beoaen)  ,  bnw.  Eig.  verl.  deelw. 
van  het  ww.  begangen,  doch  als  bnw.  gebmikt  in 
verschillende  opvattingen. 

1)  In  het  nauw  gebracht;  benauwd;  tot  het  uiterste 
gedreven;  in  angst,  nood  verkeerende ;  eig.  omsingeld, 

jl  Doe  waren  die  van  Gomichem  seer  begaen  ende 
en  wisten  niet  te  beghinnen  .  . ,  ende  en  mochten 
nergent  dat  hooft  wel  njtsteken,  ende  waren  be- 
gangen laden,  want  sy  geenen  troost  an  niemant 
en  hadden,  Matth.  Jnal.  3,  330.  Doe  die  heer  van 
Arkel  ende  .  .  s^n  soon  vernamen ,  dat  die  mogende 
vorste  aldns  an  sinen  steden  ende  sloten  gecomen 
was  .  . ,  ick  laet  my  dnncken ,  dattet  doe  beganghen 
Heeren  waren,  331.  So  dattie  Coninc  van  Engelant 
doe  int  eerste  seer  beganghen  was ,  ende  hadde 
wel  weder  overgegeven  sine  gewonnen  steden,  351. 
Doet  aldns  qnaliken  in  den  lande  stont,  waren 
die  heren  begangen,  Clerc  143.  Doe  hadden  si 
gerne  .  .  getogen  weder  in  den  casteel;  maer  si 
en  konden;  si  waren  so  begaen,  Merl.  21336.  Doe 
hi  dat  sach,  doe  was  hi  zeer  begaen,  Devoet  B. 
(36)  69  V.  Opdatstn  alle  dye  ghene,  die  omme 
dinen  wille  beganghen  waren  troesten  soudest, 
Bern,  JF.  6  c, 

2)  Verlegen,  ontsteld.  \\  Doe  hi  {Jezus)  Petrum 
wonde  dwaen,wortPetms  zeer  te  mael  begaen,  O.  H, 
Pass,  10,  131.  Ghenadighe  heer. .,  sprac  die  ridder 
zeer  beganghen,  MLoep  II,  499.  Den  rechter,  die 
daerof  seer  wonderde  ende  wert  seer  begaen,  wes 
hy . .  dairof  sonde  mogen  wijsen,  Matth.  51.  Doe  waren 
die  van  Gomichem  seer  begaen  ende  en  wisten 
niet  te  beghinnen,  Matth.  Anal,  3,  330.  Si  was 
beanst  ende  begaen  {van  haar  stuk)  ,  , ,  ende  be- 
vende . .  soe  dede  si  die  dore  open,  Oest.  k.f.  153  a. 
Sijn  wijf  was  begaen  ende  si  en  wist  niet,  wat  si 
seggen  sonde ,  d.  Menichwerven  heeft  mi  dese  twyvel 
begangen  gemaect  sonderlinge,  Sp.  d.  M,  1, 110  <;. 
—  Vandaar  de  nitdr.  begaen  s\jnmetofom 
iet,  met  of  om  iets  verlegen ,  begaan  (in  dial.)  zijn.  \  \ 
Gi  coninc  ende  al  u  raet  waert  hier  seer  mede 
begaen,  B^n,  II,  4972.  Wair  yement  ...  om 
een  graf  beg^n ,  dien  souden  die  kercmeesters  een 
ander  graf  wijsen ,  Leid.  Keurb.  489. 

3)  Verstoord,  boos,  toornig.  \\  Als  die  Coepman 
dit  hoirde ,  wort  hy  sere  begaen ,  Matth.  260.  Du 
arme  menschk^n,  waerom  bistu  aldns  seer  ver- 
stoert  ende  beganghen  ?  Hs.  88  ƒ.  35  a. 

4)  Droef  te  moede,  treurig  gestemd,  ||  (Si)  quamen 
weder    totten    ghesetten    daghe    seer  behanghen 

/.  beganghen) ,  want  sy  niet  gevonden  en  hadden , 
at  sy  begheerden ,  Es.  80  /.  12  b.  Sy  en  mochten 
daer  niet  langher  bliven,  want  die  nachte  was 
nakende:  merc,  hoe  sij  beganghen  waren ,  /'.157  a. 
Als  die  bisscop  des  tempels  dit  hoerde,  wort  hi 
beganghen,  /.  Ibb,   Doe  die  beganghen  allendich 


S 


man  alleen  op  sijn  bedde  lach,  Hs,  88  /.  68  6.  — 
Jammerlike  begangen,  zeer  treurig  gestemd^ 
diep  verslagen.  \\  In  vresen  jammerlec  begangen  hilt 
hise  langen  tijt  gevangen,  Brab.  T,  VI,  4745. 
Die  niemare  quam  al  te  hant  vrou  Johannen  van 
Brabant,  dat  die  hertoghe  was  ghevanghen;  dies 
was  si  jammerlijc  begangen ,  6253.  —  Ook  begaen 
(begangen)  sijn  met  enen,  medelijden  met 
hem  hebben,  met  iem.  begaan  zijn,  \\  Dat  eenander 
uut  minnen  ende  lyeften  mit  hem  beghanghen  is, 
Bern.  S,  lic. 

BEGANGENISSE.  Zie  begankenisse. 

BEGANC ,  znw.  o.  Mhd.  begane. 

1)  Van  begaen,  in  den  zin  van  over  heen  gaan; 
het  trans,  gaen  (zie  ald.  bedr.  2).  Bereik.  ||  Ie 
niet  wonde  .  .  al  hebben  in  mgn  bedwanc,  dat 
die  sonne  heeft  in  haer  begane ,  Amand  II ,  3643 ; 
d.  i.  eig.:  wat  de  zon  binnen  haar  bereik  heeft, 
m.  a.  w.  beschijnt, 

2)  Van  begaen,  in  den  zin  van  te  werk  gaan 
('zie  ald.  ONZ.  3).  Handelwijze,  \\  Sint  dat  u  Pompejus 
dwanc,  emmer  waerdi  wederstranc,  ende  hebt  jeghen 
ons  ghestreden ;  quam  dat  van  uwer  moeghent- 
heden?  wat  volke  waest  dat  ons  oit  dwanc  ?  waendi 
hebben  an  u  begane  grote  hulpe  dan  tuwer  baten  ? 
Rijmb.  33827  var.;  d.  i.  gelooft  gij  dat  gg  dan  nu 
met  (eig.  van)  uwe  handelwijze  u  zelven  nog  hulp 
zult  verschaffen  (eig.  hebben),  dat  deze handelwjse 
u  nu  voordeel  zal  aanbrengen?  Deze  lezing  van 
C.  is  verre  te  verkiezen  boven  de  andere  en  onge- 
twijfeld de  echte. 

Aanm.— Van  detortelduifwordt  iVa^.5/.  UI,  3401, 
gezegd :  „  An  vruchte  es  haer  lijfs  begane,  ende  si  vliet 
des  sulfers  stanc."  De  bedoeling  is :  Met  vruchten 
voorziet  zij  in  haar  levensonderhoud;  begane  moet 
dus  beteekenen  onderhoud,  instandhouding,  maar 
van  het  ww.  begaen  kan  deze  bet.  moeilyk  worden 
afgeleid.  Denkelijk  schuilt  er  eene  fout  in  de  Hss. 
en  moet  men  lezen:  „An  vruchten  es  haer  Igf 
belanc,^^  d.  i.  aan  vruchten  is  haar  leven  gelegen; 
van  vruchten  hangt  haar  leven  af;  bg  welke  lexing 
de  Hss.  V.  en|«/.  het  naast  komen.  Zie  verder 
op  belang. 

3)  Van  begaen,  in  den  zin  van  een  plechügen  om- 
gang doen  {ald,  46).  Staatsie,  processie,  plechtige  om- 
gang, plechtigheid.  \\  Met  hymnen  ende  met  groten 
sange  ende  met  sere  bliden  begange  waren  si 
bracht  in  der  kerken,  Sp,  W,  38,  45. 

BEGANKENISSE  (begangenisse),  znw.  vr. 
Mnd.  begenknisse,  Mhd.  begancnisse;  hd.  (leichen-) 
begangnis, 

1)  Van  begangen  {begaen)  in  den  zin  van  over- 
vallen, in  het  nauw  brengen  fzie  ald.  2^).  Druk, 
bekommering,  \\  Een  hoemoedich  hert  .  .  is  onbe- 
voelic  totten  crancheiden  sijns  evenmenschen  ende 
en  voelt  niet  horen  last  ende  beganghenisse, 
Stemmen  56. 

2)  Van  begaiigen  {begaen)  in  den  zin  van  een 
plechtigen  omgang  doen  (zie  ald.  46). 

a)  Plechtige  omgang , processie.  \\  Dit  was  in  der  t^t , 
dat  die  beganckenis  was  {te  Aken) ,  Exc.  Cron,  1526. 

6)  Een  plechtige  omgang  ter  eere  van  een  ge- 
storvene, plechtige  uitvaart,  lijkdienst,  zielmis.  |] 
Begankenisse  ende  jaergetijde  .  .  alle  twee  jaer 
doen  .  .  ende  begaen,  Brab,  Y.  Dl. 2,bl.  633.  Des 
goensdachs  .  .  liet  die  coninc  van  Behem  .  .  den 
doden  coninc  van  Ungarien  begraven  met  groter 
solemniteyt  ende  beganckenisse ,  Exc,  Cron.  294«. 
Offer  beganghenissen  waren  of  doden  of  brailoftf 
Leid,  Keurb,  44.  Als  men  begancnesse  dede  tot 
Hairlem  over  den  here  van  Sinte  Anbin,    Oorl.  r. 


693 


BEGA. 


BEGA. 


694 


JUr.  48.  Dat  si  myn  lichaem  begaven  mit  be- 
hoorliker  nyivaert  of  negangheniiise ,  Matth.  Anal.  3 , 
37.  Men  ^oef  haer  doode  lichaem  in  den  velde 
sonder  kersteliker  nitvaert  of  beganghenisse ,  208. 
Zoo  ook  2,  288.  Dat  si  Bisscops  Willams  be- 
nn^enisse  ende  memori  .  .  in  eiken  jare  .  . 
doeo  sellen,  Mieris  2,  460tf  (a.  1327).  Die 
broeden  ende  die  kjnder  die  tot  sijnre  .wtvaert 
gheropen  waren ,  brochten  den  nacht  .  .  also  inden 
loTc  Qods  toe,  dattet  niet  en  sceen  enighe  be- 
gaogenisse  eens  doden  te  wesen,  Hs.  87  ƒ.  SSc. 

B£GAPEN ,  zw.  ww.  bedr.  Het  transitieve  gapen, 
(hergapen, 

1)  Inslikken^  verslinden.  \\T)%  eenheit  Gods,  die 
met  ewegen  hongere  .  .  al  dat  mint,  begaeptende 
Terslint,  Ransb.  1, 61  (bij  Snrius :  deAücens  absorbeC). 

2)  Bevatten^  hegrijpen.  \\  Nn  is  die  minnende 
siele  soaderlinghe  gnlsich  ende  ghierich  ende  gaept 
wide.  .  .  Maer  si  is  creatnre,  ende  en  mach  die 
alheitQods  niet  begri pen  noch  begapen,  Rnasb.  3,229. 

S)  Omvatten,  bereiken.  ||  Hy  voert  voele  seyls 
op  een  cleyn  schip;  hy  wil  voele  begaepen, 
jeuken  66. 

BEGAREN,  zw.  ww.  bedr.  Andere  vorm  voor 
begeren,  vooral  in  het  rijm  gebruikt  (zie  ald.). 
Verg.  over  de  «,  De  Vries,  Mnl.  Wdb.  4,  en  de 
daar  niet  genoemde  vormen  doren  en  deren,  ver- 
taren  en  verteren,  verwaren  en  verweren,  paren 
naast  peren  (Wal.  3806). 

Bedr. —  1)  Begeeren,  willen  —  a)  met  den  4den 
nv.  der  saak  of  een  onb.  wijs.  i|  T water  dat  wilen 
ere  David  begaerde  die   here   van   Bethleem    der 
fonteine,  Lett.  N.  W.  6*,  70.  Dn  begaers  {d.  i.  dn 
begaerdes)  oyt  dat,  nn  drinct  bloet  ende  make  di 
•at,   Sp.   !• ,   9,   27  var.  {in  Add.).  Te  doene  ter 
vaert  dat  sente  Dyonijs  hadde  begaert,  Sp.ll^ ,  13, 
21.  Soe  si  de  zale  hogher  begaren,  soe  dieper  wielt  de 
gront,  Hadew.  1, 48.  Wel  scone  joncfrouwe,  ie  begare 
jon  riddere  te  sine.  Wal.  9772.  God  gheve  jou  al 
dat  ghi  begaert.   Wal.  2980.  Dinket  jon  goet  ende 
ghjt  begaert,  2987.  Die  vrouwe  die  oerbaer  begaert. 
Vrouw,  en  M.  VIII ,  330.  Dan  ghesciet  als  men  be- 
gaert, Wap.  Mart.  I,  176.  Zie  verder  Lett.  N.  W. 
b\    79;    Yst.   BI.    2150;    Limb.   I,   2744;  Rijmb. 
4628,  6186,  30843;  Rnnsb.  2,  2;  Sp.  I*,  31,  31; 
!•,   49,    13;  IIV   66,   29;   Tragen  660;  Nat.  BI. 
II,  2426,  2482;  L^.  Qïosb.  ;  Htige  v.  Bord.  UI ,  GO. 
b)  Met  den  2den  nv.  der  zaak.  ||  Hi  machs  vraghen , 
dies  begaert ,  Ltp.  1 ,   1 ,   67.  Walewein  es  mine 
name  .  . ;  so  sect  mi  dn  we,  of  ghijs  begaert.  Wal. 
1071.    Alse    die   vechtens  begaerden,    Bleg.    390. 
Waer  daer  iemen  dies  begaerde,  1147.  Nu  creech 
hi  des  hi  begaerde ,  Hild.  145 ,  233.  —  Ook  met  eene 
bepaling    met  op.   lete  van  iemand  begeren.  ||  Die 
hem  Ueve  sonde  doen  ende  waerde,  waertdathgs 
op  hem   begaerde.   Lep.  I,  27,  61.  —  De  onbep. 
wjs  als  znw.  gebruikt.  Fer langen,  begeerte.  ||  Die 
wisen  setten  hoer  begharen  in  ghenoechten  altemale, 
Hild.   218,    144.  Als  die  heren  weert  in  de  sale 
vergadert  vraren,  vrageden  si  welc  sgn  begaren 
wair    ende    wat   hi   wilde,    Orimb.  II,  968.  God 
maketae  dor  haer  begaren,  na  haren  wille  maertelaren, 
^.  rV',  21,  26.  In  groet  begaren,  dat  si  gecrigen 
mochte  gesonde ,  IV*,  43 ,  28.  —  Ook  kan  begaren  ge- 
bmikt  worden  van  onvrijwillige  handelingen.   Zoo 
wordt    bg    Velth.   Kerstendoem  begaren  ge- 
bruikt  Toor   ket   Ckrietendom  willen   aannemen.  || 
Daer   ai    dns    reden  .  .,  qnamen  dese  crucenaren 
ende  rrai^eden,  of  si  kerstendoem  begaren,  ende 
wie  die  des  en  wilde  niet,  dien  daden  si  pine  ende 
verdriet,  Velth.  V,  16,  24. 


2)  Enen  — ,  iemand  begeeren  bij  zich  te  hebben , 
oproepen.  \\  Om  dit  trac  in  Vlaendren  myn  Her  Jan 
van  Namen  tallen  steden  dan,  ende  begarde  tfolc 
gerede  al  Vlaendren,  Velth.  IV,  68,  48. 

3)  Enes — ,    het   op   iemand  gemunt  hebben.  \\ 
Seghelijn,   die  sgns  begaerde,  sloech  hem  so  met 
sinen    swaerde  in   syn  scondere,   Segh.   4361  var. 

4)  Met  eene  zaak  als  onderwerp.  Iets  gaarne 
doen,  gewoon  sijn,  plegen.  \\  Dese  (steen)  begaert  in 
lode  te  staen.  Nat.  BI.  XII,  1320. 

*  BEGAT,  verkeerde  lezing  voor  bega  et  van 
bega  den,  bewerken  (zie  ald.).  ||  Dat  kordewaen, 
ruych  ofte  begat  (/.  begaet) ,  R.  v.  Vtr.  1 ,  213 ,  72. 

BEGAVEN,  zw.  ww.  bedr.  Mhd.  begdben\  mnd. 
begaven.  Van  gaven  (zie  ald.). 

1)  Stoffelijke  gaven  schenken,  begiftigen,  be- 
schenken. Met  den  3den  en  4den  nv.  van  den  persoon.  || 
(Stephanns),  die  bi  sgnre  pamslijcker  benedijngen  die 
plaetse  begaefde,  Exc.  (>oi».  19c.  Die  coninc  santse 
mit  groter  eeren  beghift  ende  begaeft  weder  in  hoer 
landen ,  69d.  Die  armen  begaefde  hi ,  die  naecte  clede 
hi,  76c.  Daer  nae  qnam  die  Honghersche  coninck  ende 
begaefde  den  heren  mildeliken,  ^Id.  Ik  wil  n  begaven 
ende  schoone  giften  geven,  Heemsk.  31.  Ist  dat 
yemant  huyert  een  maget ,  eer  dat  hij  ondertrouwet 
is,  ende  slaept  hi  mit  haer,  so  sal  hyse  begaven 
ende  te  wflve  hebben,  D.  B. ,  Exod.  22, 16.  Haren 
vrienden  sal  hi  dan  beghaven  mit  suverliken 
ghiften,  Barth.  194*.  Die  coninc  begavede  menege 
vrouwe,  Merl.  7670;  vgl.  7679. 

Aanm.  —  Voor  begaven,  Velth.  III,  46,  76, lees 
begaden.  Zie  Taal-  en  Lettb.  6,  308. 

2)  Geestelijke  gaven  schenken;  met  onstoffelijke 
eigenschappen  toerusten.  ||  Onse  lieve  Here  ons  mit 
drien  manyeren  van  gaven  begaaft,  Ned.  "Proza 
163.  —  Meestal  gebruikt  in  het  deelw.  beeavet 
(begaeft).  ||  Dat  hg  namels  mit  overvloeiende  ghe- 
naden  Goods  begavet  sonde  worden,  Hs.  88/.  \d. 
Doe . .  wort  hy  mit  groten  gheesteliken  t roest  in  sinen 
ghebeden  begaeft,  4c.  Wort  hy  mitten  vroechden 
des  heilighen  gheest  wonderliken  begavet,  10c. 
Hy  wort  van  den  Gheest  Goods  begavet,  Via. 
Want  Sinte  Franciscus  rechtevoert  mit  groter 
vleischeliker  becoringhe  begavet  wort,  20a.  Mit 
also  groter  droef  heit  des  herten  wort  hy  begavet, 
Md,  Vander  godliker  minnen  verwackert,  begavet 
ende  ontfunct,  39^.  Sijn  hert  wort  mit  vruechden 
ende  mit  rouwen  te  samen  begavet,  67rf.  —  Vandaar 
ons  bnw.  begaafd. 

3)  In  de  bepaalde  opvatting  van  met  den  geest 
Oods  vervullen,  bezielen,  in  geestvervoering  brengen. 

II  (Hy)  wordt  also  begavet,  dat  hy  van  hem  selven 
anam ,  Hs.  88  /.  46<^.  —  Vandaar  het  nog  heden  in 
dialecten  levende  begavenis  (begdves),  voor  toeval, 
beroerte. 

4)  In  het  algemeen.  Vervullen.  \\  Die  heilighe 
gheest  der  wysheit,  der  verstandicheit  .  .,  moet 
di  begaven  ende  vervollen,  Ned.  Proza  112.  Zie 
ook   Ondem.  1,  389. 

BEGAVER,  znw.  m.  Hij  die  gaven  geeft,  uit- 
deelt;  zegenaar.  \\  Alreovervloedichste  begaver ,  alre- 
rechtvaerdichste  ghelder  ende  betaelder,  Bern. 
W.  141a. 

BEGAVENISSE.  Zie  begaven  3). 

BEGAVINGE,  znw.  vr.  Van  begaven  in  den 
zin  van  bezielen  (zie  ald.  3).  Bezieling.  \\  Soe  wort 
hy  noch  nare  tot  meere  begavinghe  Goods  ghe- 
toghen,  Hs.  88  ƒ.  4c  en  6a.  Van  der  godliker 
begavinghe ,  die  hem  nae  synen  wensche  ghegheven 
worde,  23c.  Als  hy  onder  dat  volc  onversienliken 
van  den  here  enige  begavinghe  ontfinc,  46  c.   Soe 


695 


BEGE. 


BEGE. 


696 


wanneer  die  knecht  Goods  in  sinen  ghebeden  enighe 
begaYinghe  ontflnc ,  dan  selle  hy  segghen :  o  Heer, 
desen  troest  hebstu  mj  .  .  vanden  hemel  neder- 
ghesent,  ald. 

BEGEENSIDE,  voorz.  met  den  3den  nv.  Het- 
zelfde als  beffonnde;  z.  ald.,  en  ygl.  bedesside. 
Aan  ff  ene  zijd^  van;  hd.  jenteits  von.  \\  Van  een 
weghe  te  makene  begheenzide  sinte  Truden  bmgghe, 
aangeh.  Invent.  v.  Bruffffe  Gloss.  592^. 

BEGEER,  znw.  o.  Eig.  stam  yan  het  ww. 
hefferen,  Beffeerte^  verUtnffen.  \\  Dient  den  heren 
met  ylite!  dat  is  al  mgn  begheer,  Hor,  Belff,  10, 
188.  Neemt  ghine,  seit  Pylatus  weer ,  end  crunsten 
self  na  jn  begheer,  O.  H.  Pat^.  21 ,  539.  Te  cnssen 
di  is  sijn  begheer ,  a/£?.  24, 666.  Al  mijn  begheer  ende 
oech  mijn  troest  hebbich  zn  deer,  Vad.  Mus.  1, 
380,  1. 

BEGEERDE  (begerde),  znw.  vr.  en  o.;  hd. 
beffierde.  Beffeerte^  verlanffen.  \\  Dese  Keyser  wonde 
emmer  weten ,  ende  leider  ane  al  sijn  begheerde,  hoe 
groet  Yan  gonde  ware  sine  werde ,  Belff.  Mus.  10 ,  68 , 
36;  y^kij  verlangde  met  alle  ffeweld^  wilde  ff aarne 
weten,^^  Ende  moechdi  mi  daer  helpen  an,  dat  mijn 
begheerde  warde  veryult,  MLoep  1, 640.  Daer  hi  sinen 
broder  ter  eerde  doen  mochte  na  sine  begeerde, 
Lane.  III,  6963.  Oec  selke  vrouwen,  alsijt  weten, 
hebben  begerde  om  erde  teten  of  crijt  of  colen  sonder- 
linge ,  M,  en  Vr.  Heim.  1119.  Dien  u  mint  hem  weder 
bemint,  .  .  ende  weder  gheeft  begheerte  den  be- 
gheerden,  D,  War.  3,  247,  15.  Fallax  hadde 
begerde  negene,  dan  om  Flandrijs  te  slane  doet, 
Flandr,  I,  359.  Die  onderste  begerde  gelicter  Iven, 
ende  die  overste  Adame,  Limb.  Serm,  16d.  Omme 
tanhoorene  zyne  begheerde,  Invent.  v.  Bruffffe 
5,  446. 

BEGEERLIKE,  bnw.  en  bijw.  Van  begeren 
(zie  ald.).  Mnd.  befferlik. 

Bnw.  —  A)  In  actieve  opvatting.         > 

1)  Begeeriff.  ]'•  Dese  menschen  en  hebben  ghenen 
begheerliken  lost  tote  den  heylighen  sacramente, 
Rnnsb.  3,  182.  —  Die  begheerlike  cracht, 
de  kracht  d-er  beffeerte.  \\  Si  moet  vervullen  die 
begherlike  cracht,  1,  24.  Die  andere  natuerlike 
cracht ,  dat  ia  die  begeerlike  cracht.  Die  aal  gheciert 
sijn  metter  ander  sedeliker  doecht,  die  hetetGhe- 
maticheit,  4,  139. 

2)  Innig  ^  vuriff^  hartstochtelijk.  ||  Hier  omme 
als  bi  naturen  recht  hebben  wi  begerlic  vermanen 
te  al  dat  wi  goet  bewanen,  Sp,  II  •,  74,  120. 
Dat  hy  alle  den  dach  mit  begheerliker  minnen 
overdochte,  Hs.  88  f.  4:1c.  Een  vrouwe  is  erbaer, 
begeerlic,  eerlic  ende  lieflic,  Sal.  e,  M.  44.  Si 
plaghen  die  doden  mit  begheerliken  tranen  over  te 
bescreyen ,  Barth.  532A.  Enen  ynnighen ,  verhavenen, 
begheerliken  levene ,  daer  vele  menschen  toe  comen 
overmits  doghede  ende  die  gracie  Gods ,  Ruusb.  6 , 4. 

B)  In  de  thans  nog  gewone  passieve  opvatting. 
Waardiff  om  begeerd  te  worden.  Reeds  in  het  Mnl. 
gebruikeiyk,  b.  v.  MLoep  II,  3503. 

Bijw. —  Met  aandranff ,  met  ijver  ^  met  inniffheid,  || 
Soe  dat  ghi  .  .  claghet  hem  algader  uwen  noot 
seere  claeghelike,  ende  baedt  hem  begerlike  beide 
om  hulpe  ende  om  troest,  Brab.  Y.  Dl.  2, 
bl.  34,  VS.  38.  Dan  sal  in  oerbare  dies  heileghes 
landes  menech  minsche  sijn  bloed  sturten  .  .  ende 
selen  dan  Gode  vergelden  de  doet ,  begeerleke  ende 
devoteleke,  die  hi  doer  hen  leed  betterleke,  Christ, 
1103.  Daer  diende  ter  tafelen  menech  edelman 
en  diende  seer  begeerlijc  ende  met  groote  naerstig- 
heid,  om  dat  er  niet  gebreken  sonde  aen  spijse 
en   drank,   Heemsk,  2  (de  lezing  is  in  orde  en  de 


verandering  van  Matthes  (bl.  187)  overbodig.  Ygl. 
het  Lat.  cupide).  Dienende  Elizabeth  oetmoedelic 
ende  begeerlic   ende  mit  eemste,   Hs.  80  ƒ.  223. 

BEGEERLICHEIT,  znw.  vr.  Door  Buusbr.  ge- 
bruikt voor  —  1)  de  set  el  der  begeerten  .^  het  ge- 
moed. II  Onder  alle  dogede,  die  onse  gevoeleke 
begeerlecheit ,  ons  voor  indrukken  vatbaar  gewtoei^ 
ufeiien  jnach,  soe  es  dat  eenvoldige  verlangen 
meest  te  prisene ,  1 ,  86.  Dat  hoechste  werc  der 
karitaten,  na  wise  der  begerlicheit ,  87. 

2)  Be  begeerte^  het  verlangen.  \\  Om  ons  gherecht 
te  makene,  leet  hi  die  doot  in  groter  minnen 
ende  begheerlicheden ,  ex  vera  charitate  et  den- 
derio,  4,  126. 

BEGEERNESSE,  -nisse,  znw.  vr.  —  1)  Begeerte, 
beff eerlijkheid,  ffulzigheid,  wellust,  \\  (Gk>d)  sloech 
alle  die  liede  doot,  die  omme  tfleesch  maectea 
noot;  dies  nam  die  stat  die  name  daer  ave  vu 
begheernessen  die  grave,  Rijmb,  5588,  ^sepnlcn 
concupiseentia.^*  Phinees  .  .  greep  een  steecswaert, 
ende  ghinc  inden  bordeel  na  den  man  van  Israhel 
ende  doerstacse  beide  te  gader  den  man  ende  dit 
wijf  in    hare  begheemissen ,  D.   B.,  Num,  25,8. 

2)  Beffeerte,  verlanffen,  lat  desiderium,  \\  Begemisse 
ende  gebrukennisse  gots,  lAmb.  Serm.  182^. 

BEGEERRE  (beoerer),  znw.  m.  Van  he- 
fferen in  de  tegenw.  beteekenis.  Hij  die  begeert, 
verlangt.  \\  (Jhesns)  hevet  vele  begheerres  sgns 
troestes ,  mer  luttel  die  drucke  ende  Uden  begherea, 
Kal.  7,  166.  Een  begherer  der  vreemder  dinghe, 
Hs.  Ib  f.  117e  {Hs,  N,  T,  83p:  een  beghccrre). 
Begheerre  in  vele  wisen  alre  eren  ende  vrachtere, 
Velth.  VII,  20,  58  {aldtu  leze  sm»  voor  begherei, 
zie  Tijdschr.  1,  288). 

BEGEERT,  znw.  o.;  hd.  das  beffird.  Begeerte, 
verlangen.  ||  Nu  secht  mi,  wats  uw  begheerl? 
Lansl.  (H)  255  en  696.  Dit  gebot  verbiet  begeert 
of  consenteringe  enigher  echtscap  vleischelic  mit 
wiven  buiten  echtscap  t«  hebben,  Con,  Som,  bè. 

BEGEERTE  (begerte),  znw.  vr.  en  onz.  Fer- 
zoek,  verlangen.  Hetzelfde  als  begeerde  {zie ald.).  \\ 
Vrouwe,  dits  mine  begherte,  Theoph.  (Bl.)989.Ihi9- 
daneghe  dinc  dedem  sijn  herte  vallen  in  qnaden 
begherte,  Theoph,  359.  —  Ook  in  de  uitdr.  een 
begeerte  doen,  een  verzoek  doen,  het  verlangen 
kenbaar  maken.  ||  So  was  ghedaen  aen  die  vtn 
Ghendt  een  begheerte,  als  dat  si  tgelt  sondes 
ofstellen  ten  derde,  aang.  Invent.  v,  Brugge  Q\ou.Wi' 

BEGEGENEN,  zw.  ww.  onz.  Hd.  begegtnn. 
Bejegenen,  ontmoeten,  \\  Dat  hem  wat  wonderlics 
begeghent  was,  Hs.  88  /.  58c.  (Hi)  gheliedc open- 
baerlic  wat  dat  hem  begeghent  was,  67c. 

BEGECKEN,  zw.  ww.  bedr.  Mhd.  hegtcke%. 
Voor  den  gek  houden,  misleiden,  bedriegen,  den  spet 
drijven  met.  \\  Dies  ben  ie,  aerm  keitijf  begeectmidi 
mire  grote  roekeloesheit ,  D.  War.  3,  243,  61. 
Als  een  man  een  wfjtf  beghecket,  daer  hi  liefde 
mede  pliet,  MLoep  I,  2708. 

BEGECKINGE,  znw.  vr.  Mhd.  öegeckinge.  Be- 
spotting, beUediging.  \\  Alle  twist,  achtercüp,  be- 
spottinge,  begheckinge,  leugentale,  .  .  etc.  sckon- 
wende  als  een  doodelycke  peste ,  Belg.  Mus.  b,  190. 

BEGELDEN,  st.  ww.  bedr.  {begalt,  begoude»]. 
Van  gelden  (zie  ald.).  Betalen,  voldoen.  \\  Ie  vi« 
sculdich  offerhande  om  salicheit:  huden  heb  ie 
mine  ghelofte  begouden ,  D.  B. ,  Spreuk.  7 ,  14 

BEGEN,  znw.  o.  Andere  vorm  voor  fcy», 
Sp.  II',  11,  95;  Vad.  Mus.  2,  177,  32;  Rnnsk 
Dl.  2  Gloss.;  Rincl,  226;  enz.  Zie  BEGIN. 

BEGENNEN ,  andere  vorm  voor  begi9inen,Boelfe. 
82,  83;  L,  o.  H.  4024\Esm,  30;  Serv,  I,  1;  CêU 


697 


BEGE. 


BEGE. 


698 


1438;  Vod.  Mm.  2,  177,  31,  e.  e. Zie  beginnen. 
BëGENë  ,  bijw. ,  in  de  verwante  talen  onbekend ; 
misschien  samengetrokken  nit  bi-ge-eene  (vgl.  y^- 
iwee^gedriey  geviere  enz.).  Vgl.  Jonckbloet,  Aant. 
op  Wal.  Dl.  2,  bL  295  vlg.  en  Halb.  Aant,  80. 
Bijeen^  te  samen ^  te  gader^  vooral  in   verbinding 
met  «/.    Ongeveer   hetzelfde   als   atgader   en   als 
al  gemene^  waarmede  het  soms  in  varr.  afwisselt. 
Het  woord   was   al   in   de  middeleeuwen  aan  het 
uitsterven,    blgkens  de  talrgke  varianten.  ||  Tleec 
volc  begene,    clerke   ende   tgemene   diet   die   en 
wilne  kennen  niet,  Bp,  III ^,  38,  26.  Hare  tanden 
waren  nut  beghene  gevallen,  sonder  een  allene, 
"BijMé  347  var,  {tehet  gemene).  Hl   hadde  C.  ende 
XY  kinder,  sonen    warent   alle   beghene  {zonder 
vUiondering) ,   Sp,   I',  49,  4.  Tfier  verbernetse  al 
te  male  ende  dat  daer  in  was  al  bégheene ,  sonder 
hi  ende  sijn  kind  alleene ,  S^.  Dl.  2,  bl.  106,  vs.  20. 
(Hi)  voeredse  dor  there  gemene,  ende  sivliekense 
alle  beghene ,  Sp.  III^ ,  56 ,  41.  Die  edele  XII  stene , 
die  6od  vercoren  heeft  al  begene ,  Troyen  5414  var. 
(de  tekst  van  Segher  had  ten  onrechte  degene ;  vgl. 
Tekttcritiek ,  bl.  23).  God  gheve  hem  al  beghene  die 
quaet  voerdren  ens,^  Eoee  6907  var.  Want  hiit  mi 
seide  in   ware   tale   van   den  rauwe  al  beghene, 
4164  var,  (Venus)  die  al  beghene  die  rosen  plucte 
entie  blade,  2924  var.  (de  tekst  heeft  al  rene  ^  waar- 
mede het  ook  yr^wel  in  beteekenis  overeenkomt). 
God  die  macht  hevet  ende  ghebod  over  ons  allen 
beghene,  ÏFaL  7049. 

2)  Als  versterkend  toevoegsel  staat  begene  on- 
geveer in  den  zin  van  met  allen  (zie  al,  kol.  319).  || 
Sijn  name  horde  hegheene  {vooral,  in  Aef  bijzonder) 
een    heiden    coninc,    Sp.    III*,    46,  48.   Vrient, 
dronckenscap    scnwe   beghene,    want   so   es    vul 
ende  onreene ,  Bouc  v.  Sed.  904.  —  Vooral  met  eene 
ontkenning   verbonden.   Nieman,  niet   (clene) 
beghene,    niet  met  allen y  niemendal,  niets  ter 
wereld  of  niemand  ter  wereld,  in  ^t geheel  niemand. 
II  In  wille  hem  niemene  geliken   no  moenc,  no 
eensedel  begene,  no  bisscop  in  die  werelt gemene, 
^.  m^,  38,  10  (de  lezing  is  in  orde  en  de  door 
de  uitgevers  van  den  Sp,  Hist.  voorgestelde  ver- 
andering overbodig).  Fransoys,  die  hem  clene  up 
zine  wjjsheit  begene  getrooste,  Franc.  1539.  Dat 
vroomt  andren  lieden  clene,  ende  mi  selven  niet 
beghene,  4954. 
BEGERDE.  Zie  beoeerde. 
BEGEREN,  zw.  ww.  bedr.  / 
1)  In  de  hedendaagsche  beteekenis,  doch  ook  in 
de   ruimere   opvatting   van  vragen,  verzoeken,  het 
verlangen  uitdrukken  of  te  kennen  geven.  \\  Omme 
de  likedeelres . .  te  begheme  datmensejustichieren 
zoude,  Invent,  v,  Bntgge  3,  435.  Nooddorst  ende 
lavenesse  comen  begheren,  6, 14.Bistandicheyt  {hulp) 
beghercn  an  enen,  3,  502.  Aelmoessene begheren , 
6,  476.  —  De  onbep.  wijs   als  znw.  gebruikt.  ||  Ie 
gheve  hem  al  siin  begheren ,  lAmb,  X ,  762.  U  be- 
gheren wort  wel  gedaen,  Lett.N,R.b,2S2,  24.— 
Tewesen  begeren,  ergens  gaarne  willenzijn,  jj 
Ter  brulocht  wert,  daer  si  sere  te  wesen  beghert, 
Lmb.  XII,  1287.  —  Ook  met  den  2den  nv.  ||  Alsoe  en 
sal  der  vrouwen  Igf  niet  eens  anders  mans  begheren , 
X  PI.  2166.   Ofte   hi   Melioers    hadde    begheert, 
Parth.  2119.  Nu  come  vort  dies  beghere ,  Eleg,  1150. 
Dit  seit  hi  dat  recht  is  ende  begeert  des  ordels , 
R.  V,   Vtr.  2,  102;  vgl.  103.  Mede  so  begheerde 
hi  eens  ordels  van  ons,  137.  Zoo  ook  elders jdojw'»!. 
Hier  en  begerlc  uwes  comens  twint  Bose,fr.  bl.  256 , 
234  (op  deze  plaats  kan  men  öf  den  2den  nv.  be- 
tchouwen   als   van   begeren  afhangende,  en  ttoint 


als  bijw.  opvatten ,  öf  den  2den  nv.  van  tioint  laten 
afhangen,  in  welk  geval  begeren  hier  een4dennv. 
regeert).  (Hy)  begheerde  raets  van  hem,  Hs. 
88  f.  9c. 

2)  Het  gemunt  hebben  op,  —  a)  Met  den  4den  nv. 
der  zaak.  Het  op  iets  gemunt  hebben,  iets  treden, 
aandoen,  \\  Droemen  . . .  van  vuere,  van  blixem  ende 
van  anxteliker  barninge  der  luchten ,  twelc  gheschiet 
van  enen  vierighen  roke,  die  de  herssen  begheert 
ende  die  ymaginaci  verwandelende  is,  Barth.  88d 
(wel  als  latinisme  te  beschouwen;  lat.  petere), 

b)    Met  den  2den  nv.   van  den  persoon.  Hei  op 
iemand  gemunt  hebben,  hem  aanvallen,  aantasten,  || 
Als  die  coninc  sijns  begerde,  tart  hi  bat  naer  ende 

Srant  den  gonen  tsweert  uter  hant,  7274.  Die 
aer  meest  sijns  begherde  dedi  so,  dat  hine  ghe- 
rochte ,  dat  hi  tlictekin  toghen  mochte ,  Wal,  6422. 
Dandre,  die  sijns  begheren,  si  torden  an  metter 
vaert,  7302. 

3)  In  rechte.  De  medewerking  of  tussehenkomst 
inroepen  van.  \\  Als  die  nachten  ommegecomen  syn, 
so  sal  die  rentmeesters  clerc  begeren  den  rechter, 
dat  scependom  ende  den  clerc ;  ende  gaen . . .  ende 
vercopen  der  luden  goet,  ende  eigenen  dat,  so 
voirs.  is,  Matth.  172. 

4)  Rechten  doen  gelden  op  iets,  iets  opeischen, 
fr.  réclamer.  \\  Nemmermeer  eenich  recht  te  heeschene 
noch  te  begheerene  ant  voors.  leengoet,  Invent. 
V.  Brugge  6,  212. 

BEGERER.  Zie  beoeerre. 
BEGERINGE,  znw.  vr. ;  mv.  begeringen. 

1)  Begeerte,  verlangen.  \\  Ende  en  gheert  dit  noch 
dat  dan  ghelt,  dit  is  al  sijn  begheringhe,  MLoep 
1 ,  24.  Utegerect  van  begeringhen ,  D,  War.  3 ,  346, 
425.  Te  stervene  was  haer  begeringe,  4,  277, 
301.  Al  ghecr|jghen  wfj  onser  herten  begheringhe, 
Vad.  Mus,  4,  129.  Mit  vuerigher  begheringhe 
ende  crachtigher  wtstreckinghe ,  Stemmen  161.  Hi 
is  oec  een  minne  in  mjjnre  begheringhe,  139. 
Ongecuste  begeringen,  die  el  niet  genoegen  en 
mach  dan  minnen ,  Ruusb.  1,  32.  —  In  der  be- 
geringhen sijn,  begeerte  hebben,  \\  Die  sulke 
riddere  .  .  .,  die  in  der  begeringhen  zgn,  der 
ecclesien  viande  mit  crachte  te  verdri venene ,  D, 
Orde  210. 

2)  Zondige  begeerte,  begeerlijkheid,  aanlokking 
tot  zonde,  hartstocht.  \\  Om  dat  ie  begeringe  .  . 
van  den  minsce  quam  te  heme  {Christus),  Velth. 
VIII,  29,  21.  Daer  om  dat  si  daermede  begheringhe 
.  .  miden  ende  ontvlien  wouden.  Gulden  Troe% 
f.  58tf.  Din  bosen  begeringen  mag  si  so  lange 
volgen,  si  compt  in  bosen  wille,  lAmb.  Serm.lba. 
Alse  die  twe  begeringen  dan  also  versellen,  so 
geselt  die  sonde ,  ald.  c.  Si  ontstaken  in  hare 
begheringhen  {in  hartstocht  voor  Suzanna) ,  Hs,  v» 
1348,  86d.  —  Zie  ook  bedrieginge. 

3)  In  mystieken  zin.  Innig  verlangen,  innigheid. 
Vgl.  BEGEERLiKE.  jj  Doeu  beghonst  Eerstine  al 
saen  Te  denm  laudamus  met  groter  be- 
geringhen, Christ.  1188.  Die  in  den  daghe  synre 
sterflicheit  offerde  bedinghe  ende  begheringhe  flat. 
siipplicationes)  tot  den  ghenen,  dien  vanden  aoot 
behouden  mocht,  Hs.  75  Hebr.  5,  7.  Alse  wl 
hebben  moten,  in  allen  dogeden,  minleke  bege- 
ringen, Ruusb.  1,  84. 

BEGERTE.  Zie  begeerte. 

BEGETEN.  Bij  gissing  door  de  uitgevers  van 
den  Sp.  Hist.  hersteld  voor  beheten,  Sp.'lTL*,  43, 
63.  II  Dan  ga  ie  pensen  ende  maerken  om  apostelen 
ende  om  patriarken,  om  maertelaren  ende  om 
propheten,  die  en  laten  mi  niet  qualyc  begeten* 


T  1 


'/ .. , 


^ 


6Ö9 


BEOE. 


BEOE. 


700 


Het  18  het  tegenovergestelde  van  vergeten  (=  ags. 
andffUan ;  ohd.  antgezan)  en  beteekent  dus  {iets 
kwaads)  bedenien.  Reeds  het  Got  kende  bigitan 
in  de  bet.  vinden ,  verkrijgen ;  ohd.  bigezan ;  ags. 
begitan;  eng.  ^  dé'^tf^.  Zie  de  noot  op  Sp.  Hist. 
Dl.  2,  bl.  138. 

BEGEVEN,  st.  ww.  bedr.,  wederk.  en  onz. 
Mhd.  begeben ;  mnd.  begeven. 

Bedr.  —  1)  Met  een  persoon  als  object  in  den 
4den  nv. 

a)  in  de  tegenwoordige  beteekenis.  Verlaten^  in 
den  steek  laten^  aan  zijn  lot  overlaten.  ||  God  harde 
node  begheeft,  dat  hi  so  diere  ghecocht  heeft  met 
sinen  pretiosen  bloede,  Wrake  III,  279.  So  sal 
die  man  volghen  den  wive,  vader  ende  moeder 
begheven,  Rijmb.  680.  Vgl.  verder  JVa»r.  8818; 
Ferg,  4282;  Flor.  812;  Lorr.  I,  339;  II,  1240; 
Beatr,  138,  436,  468;  Heemsk,  63.  Urake,  die  sijns 
(afA.  van  niet)  niet  begaf,  Farth,  3408. 

b)  Met  rust  laten.  \\  Worde  mens  iet  gheware, 
der  leider  niemare ,  die  ons  langhe  heeft  begheven , 
Belg.  Mus.  10,  92,  111.  Wie  langh  seldi  mi  hier 
doen  merren?  wanneer  seldi  begeven  mi,  dat  mijn 
siele  qnite  ende  vri  moegh  wederkeren  te  haren 
sceppere?  Christ,  1578. 

e)  Faanoel  zeggen.  \\  Overmids  becoringen  begaf 
hi  Gode  ende  sochte  gerief,  Rnusb.  1,  64. 

2)  Met  eene  zaak  als  object  in  den  2den  of 
4den  nv. 

a)  Verlaten.  \\  Malcrois  hevet  hi  begheven ,  sijn 
casteel,  Kein.  I,  273.  Comter  enich  by  gheval,  in 
een  goede  Inwe  haven,  si  waren  sot  die  die  be- 
gaven ,  ende  seylden  weder  in  dat  meer ,  Hild.  246 , 
146.  Water  ende  gras  es  haer  leven ,  teerst  dat  si 
den  boom  begheven.  Nat.  Bl.  III,  737.  Oft  elc 
behonden  wil  sUn  ors  ende  sine  wapine  ende  sijn 
leven  soe  saldi  dien  wech  begeven ,  Lane.  II ,  43690. 
Daer  hi  een  begeven  hans  vernam,  III,  4660. 
Een  gestichte  bi  Assise,  dat  begeven  was  ende 
tevallen.  Franc.  1664.  Hi  soude  des  lants  moeten 
begheven,  Brab.  Y.  V,  4817.  Dan  sal  hi  slives 
begheven,  Lanc.  II,  46404. 

b)  Nalaten^  achterlaten^  vaarwel  zeggen^  op- 
geven, il  Ie  hebbe  gheleeft  bi  sdnvels  aert  ende 
hebbe  die  hope  van  mi  begeven,  Sp,  IV»,  64,32. 
Dese  bant  mach  hi  vergaen,  ende  werden  al  be- 
gheven ?  Limb.  XI,  672.  Dat  hi  wel  geware  waert ,  dat 
hi  emmer  moeste  begeven  sinen  vrille ,  Franc.  4986. 
Hadstn  niet  begeven  tgebod,  dat  di  God  gehoed, 
Rijmb.  360.  Ie  moet  leiden  een  ander  leven;  dit 
abjt  moetic  begheven,  Beatr.  79.  So  wilt  alle 
droef  heit  begheven,  die  der  werelt  toebehoert, 
Melib.  170.  Die  rudders  begaven  die  scande ,  jPra»c. 
3876.  Een  testament,  een  wet,  die  en  selen  wi 
niet  begheven.  Wrake  I,  1710.  (Si)  begaven  met 
haren  scaren  dat  dolen  ende  achter  lande  varen, 
Sp.  I»,  16,  24.  Dus  heeft  hi  Gods  ghebod  be- 
gheven, Bijmb.  9032.  Si  hebben  begheven  dat 
vechten  binnen  in  die  stede,  30922.  Eten,  slapen  . . 
dats  dat  si  node  begheven.  Nat.  Bl.  III,  339. 
—  Ook  met  den  2den  nv.  ||  Si  beghevens  bat, 
Flor.  68.  Beghef  diere  sotheit,  2112.  Gi  seles  be- 
geven, Lorr.  I,  869.  (Sodat)  soes  vordan  souden 
begeven,  Vrouw.  e.  M.  III,  63,  6.  Derre  talen 
seldi  begheven,  Beatr.  698.  Menne  wouts  niet 
begeven,  Stoke  VI,  187.  Oec  en  wil  sijs  niet  be- 
gheven. Nat.  Bl.  VII,  286.  Dat  klnt  des  niet 
begaf,  IV,  412.  (In  de  drie  laatste  voorbeelden 
kan  niet  ook  de  regeering  van  het  ww.  zyn,en  de 
2de  nv.  van  niet  afhangen).  Ghi  hiet  mi  dat  ics  be- 
gave,  Parth.  2970.  Daetsi  wel,  si  souts  begheven , 


Rein.  I,  21.  —  Ook  met  van  in  plaats  van  den 
2den  nv.  ||  Vrouwe,  van  dier  talen  begheven  wi, 
Parth.  3632.  —  Somtgds  ook  met  een  onb.  w|t.  |j 
Menich  heere ,  daer  ie  begeve  te  vertellene  af  die 
name,  Heeln  1296.  Dore  die  noot  moesten  si  b^ 
gheven  meer  te  vechtene  ende  vlien ,  Wal.  6426.  — 
Die  werelt  begheven,  afstand  doen  nm  ii 
wereld  en  hare  genietingen^  haar  vaarwel  zeggen, 
d.  i.  in  een  klooster  gaan.  Vgl.  bij  hem  begeven.  || 
(Hy)  vercoft  ...  al  dat  hy  hadde  ende  begaf  die 
werelt,  Hs.  88  ƒ.  117  c.  —  Vooral  gebruikt  via 
het  vaarwel  zeggen  van  zonden^  ondeugden,  tai.\\ 
Ie  eere  zonden  plie,  die  ie  minne  so  ntermaten, 
in  canse  begeven  no  gelaten,  Sp.  IV',  72,  12. 
Wildi  archeit  al  begheven ,  ende  daeraf  te  biechte 
gaeu.  Rein.  I,  2940.  Wye  dat  leert  in  miimeo 
leven,  die  moet  ghiericheit  begheven,  Hild. 85, 57. 
Die  prelaten  .  .  .  selen.  .  .  ghiericheyt begheven, 
Wrake  III ,  1074. 

Aanm.  —  Limh.  VI,  2720:  „Het  sonde  mi  tl 
miin  leven  ronwen,  liet  iet  mi  dus  begheveo: 
waendiit  mi  al  ontcreghen  ?  Neghi  bi  Gode  ende 
ghiiic  haer  ane ,  '*'*  is  de  nitdr.  vreemd  en  het  rgm 
is  bovendien  onzuiver.  Ook  ontcreghen  \atffaX,èMi 
het  geen  onb.  wQs  is,  begeven.  Misschien  moet 
men  lezen:  „Lietict  mi  aldus  begeven i  waendiit 
mi  al  ontgeven? "^^  en  verklaren:  „Het  zou  mQ  eeuwig 
spijten,  indien  ik  deze  gelegenheid  liet  voorbijgaan; 
gelooft  gy  mg  hierin  te  zullen  verhinderen,  m| 
die  gelegenheid  te  zullen  benemen?^* 

c)  Ophouden ,  eindigen ,  staken ,  ee»  einde  v»aken.  — 
n)  Met  een  znw.  in  den  4den  of  2den  nv.  ||  Wir 

es  alsulc  in  allet  lant,  die  soude  in  dnsdtneD 
donj'heu  sijn  wenen  begheven  moghen,  MiB. 
183.  Hieraf  eyst  tyt  te  beghevene  die  sprake, 
Jmand  I,  6938.  Dat  soe  begheret  hare  wenen 
ende  hare  carmen ,  Wal.  2128.  Die  doet  doot  al 
begeven.  Rosé  7660.  Eer  hi  den  slach  begaf, 
Limb.  III,  366.  Die  vrouwe  si  begaf  alle  diinc, 
Vrouw.  e.  M.  VIII,  130.  Hi  begaf  thant  sine  snre 
woorde.  Flor.  2684.  —  Dat  menighen  mao  wort 
te  sure,  eer  si  storms  widen  begheven,  Stoke 
IX,  440.  Ie  salre  of  segghen,  eer  ics  begheve, 
IV,  1078.  Doe  vandic  daer  meester  Reinaert,  die 
siere  lesse  hadde  begheven,  Rein.  I,  164.  Een 
Vrederijc  begaf,  sloechi  haer  II  conioge  af,  larr. 
fr.  III,  321. 

^)  Met  een  onb.  wijs.  ||  Eer  soe  noit  begaf han 
spel  jeghen  den  riddre  te  drivene,  Wal.  9680, 
Wet  dat  ie  niet  en  begeve,  alse  lange  alsiclere, 
te   prisene  van   Egypten    tlant,   Sp.    III*,   38,3. 

y)  Met  een  afh.  zin.  ||  Ie  bidde  u,  dat  rki 
niet  en  begheeft,  ghine  8|jt  ghetrouwe  dengoedei 
lande ,  Glor.  616. 

—  Vooral  gewoon  in  de  uitdr.  Sou  der  b^ 
geven,  zonder  ophouden^  onafgebroken,  aektereny 
voortdurend.  \\  Ten  sesten  wighe  .  .  .  vacktma 
achter  een  LXXX  daghe  nacht  ende  dach  sondcr 
begeven,  Sp.\^,  17, 71. Rouwesonder  begheven  bleu 
■mi  vort  al  miin  leven,  Ztmd.  11,67.  Dat  ics  hare  al 
min  leven  dancken  sal  sonder  begeven,  R^e  6S6 
var.  Si  hare  danse  dreven  ende  hare  spel  sonder 
begeven,  7963.  So  leedde  hi  ginder  agn  levei 
sonder  enich  ooc  begeven,  Fraeu.  4767.  Sonder 
begeven  es  hi  in  den  gebede  bleven,  6291.  Host 
van  herten  sonder  begeven,  Cass.  265.  Hare  ei^> 
te  sine  sonder  begeven,  1426. 

d)  Loochenen,  verloochenen,  ontkennen.  Met  ea 
obj.  in  den  4den  of  2den  nv.  ||  Ie  weet  vtl, 
dat  hi  gherne  soude  sine  wet  begheven  doorkare, 
Parth.   6810.  Die  ene  secgen ,   hi  es  waerlike  die 


m 


BEGE. 


BEGE. 


702 


besta  riddere  van  ertrike,  ende  andre  lieden  be- 
gheTen  des,  ende  seggtu,  dat  hijs  niet  en  es, 
Lainc.  n,  31546.  —  Ook  met  een  onb.  wgs.  ||  Twee 
broederen  .  .  begaven  te  wesene  broeder,  ende 
hadden  orloge  swaer  ende  groet,  zij  verloochenden 
den  broederband,  S^,  I»,  78,  12. 
3^  Yan  geven  in  de  hedendaagsche  beteekenis. 
a)  In  beteekenis  gelijk  aan  (m%  geven,  \\  Doe  begaf 
si  den  geest  eer  iet  lanc,  8p.  II*,  7,  18. 

h)  Yan  geld.  Uitgeven,  in  betaling  geven,  \\  Mits 
datmens  in  Yrieslant  niet  hogher  begbeven  en 
mocht,  vermita  men  kei  tekild  in  Vriesland  tegen 
geene  hoogere  waarde  mocht  uitgeven,  Oorl,  v. 
Jlbr,  269  (de  2de  nv.  des  (in  mens)  bangt  niet 
af  Tan  bet  ww. ,  maar  yan  bet  snw.  niet).  (Dat)  de 
Toors.  tresoriers  begbeven  moesten  tvoors.  gbelt 
na  den  prise  ende  weerde ,  Invent,  v  Brugge  5 ,  19. 
e)  Begelen ,  rangtchikken ,  de  plaatten  aanwijzen, 
Ygl.  onze  nitdr.  een  ambt  begeven.  ||  De  boofmeester 
ronpt  den  chanson  ende  dan  de  cbanson  begeeft 
de  tafele,  MaUb.  Anal.  1,  271. 

4)  Zenden,  doen  gaan  (vgl.  ons  wederk.  ww. 
tieh  begeven);  alleen  gebruikt  in  verbinding  met  m 
een  chetter,  tempel,  abdie,  ordine  en  derg.  Iemand 
M  een  klooeter  doen  gaan ,  van  de  wereld  afzonderen, 
mowtik  of  non  laten  worden,  \\  (Si)  bebben  den 
coninc  Hilderike  in  enen  cloester  begeven  .  .  ende 
daden  bem  moencs  abijt  andoen,  i^.  UI*, 68,  17 
{Brab,  T.  I,  1216).  Hare  entie  docbter  hi  begaf 
in  ene  abdie  bet  af,  III',  44,  101.  Darins  die 
stont  daer  na,  datse  (Mtasia)  hem  die  vader  wilde 
gbeven  .  .;  want  hire  bem  niet  wilde  gonnen, 
begaf  bise  inden  tempel  der  sonDen,  I*,  49,  24. 
Yrient,  hebt  maten  in  n  ron;  ik  sal  n  kortelnc 
begeven  in  een  rgk  klooster,  Heemek.  91.  Dat  de 
voorseide  Clays  zine  .  .  dochtere  wilde  begbeven 
ende  doen  cleeden  int  cloostre  van  de  Jacopinessen, 
Cont,  V.  Brugge  2,  206.  W.,  de  welke  zire  zuster 
begaf  int  clooster,  Invent,  v,  Brugge  4,  420.  Gbe- 
gheven  A.,  de  welke  zire  docbter  begaf  ter  Nonne 
bossche,  ald,  —  Een  kint  begbeven,  een 
kind  in  de  eene  of  andere  geestelijke  orde  doen 
opnemen,  het  voor  den  geestelijken  stand  bestemmen, 
il  Dat  men  ne  offere  enigben  nieuwen  papetosire 
eerste  messe  noch  enigben  kinde  dat  men  begbeeft 
.meer  danne  Y  scelegen  parisise,  Cout,  v,  Brugge 
1,  356. 

Onz.  —  Geiyk  men  in  bet  Mnl.  zeide:  mi 
begeven  al  die  lede,  de  kracht  in  al  mijne  leden 
begeeft  mij  (b.  v.  Lorr.  I,  128;  iSjp,  IV,  49,  183; 
vgl.  Ferg,  4062:  „So  dat  den  orse  alle  die  voeten 
begaven  ende  bet  viel  te  hope"),  zoo  kon  ook 
het  onz.  begeven  de  beteekenis  aannemen  van  zijne 
kracht  verliezen,  verminderen,  of  in  gemeenzame 
taal  het  afleggen,  ||  Doet  wel  die  wile,  dat  ghi 
leeft,  want  wanneer  ghi  bier  begeeft,  so  deylt 
men  uw  goet  in  drjen ,  Stemmen  14.  Men  doe  bem 
thoeft  of,  et  levet  langbe  nadat  die  buuc  beghevet, 
Nat,  BI.  YII,  530.  So  die  mane  meer  lichts  bevet , 
so  die  sonne  meer  begevet,  Alex,  III,  1267. 

Wederk.  —  Evenals  in  het  mnl.  de  werelt  be- 
geven geVjk  staat  met  onze  uitdr.  de  wereld  af- 
tierven ,  zoo  was  hem  begeven  hetzelfde  als  zich 
zelven  afsterven,  afttand  doen  van  zich  zelven,z%eh 
geheel  verloochenen,  zijne  zondige  natuur  dooden, 
Yandaar  dat  hem  begeven  de  bet.  aanneemt  van 
van  de  wereld  afttand  doen,  zich  van  de  wereld 
afzonderen,  in  een  klootter  gaan,  ||  Het  ne  ware 
<ut  ghi  u  leven  wandelen  wout  ende  u  begeven, 
ende  hier  bliven  in  religione ,  Lanc.  II,  8205  (vgl. 
17978).   Ie  hadde   gedaen   belof,  behildic  in  den 


wgcb  min  leven,  dat  ie  mi  dan  sonde  begeven, 
17979.  Sone  willic  van  u  niet  keren,  maer  ie  wille 
mi  met  u  begeven,  ende  met  u  bliven  al  min 
leven,  lY,  13008.  Dijn  lief  die  di  dede begeven 
es  in  dien  tornoy  doot  bleven,  Sp,  V ,  74,  117 
(er  moest  eig.  staan:  „die  di  di  dede  begeven," 
vgl.  Franck  op  Jlex,,  bl.  426).  Te  Clervaus  mede 
gbevel ,  dattem  een  begaf . . .  ende  belovede  moene 
te  sine,  ^.  I',  79,  1.  Ie  wille  mi  begbeven, 
Rein,  1,  1501.  Soe  willic  der  minnen  voert  afstaen 
ende  mi  in  enen  cloester  begeven,  Jiol-fr,  403 
(het  onz.  begeven  komt  in  deze  bet.  niet  voor: 
daarom  is  mi  ingevoegd).  Storve  oec  joncvrouwe 
fierte  joi  dat  si  hare  begave.  Oor  kb,  2,  134  d.  — 
Ook  met  toevoeging  van  het  praedicaat  moene 
of  nonne:  d.  i.  dus  eig.  zich  alt  monnik  of 
non,  d.  i.  door  monnik  of  non  te  worden,  af- 
tterven,  ||  Die  liet  varen  der  werelt  eere,  weelde 
ende  ridders  leven  ende  beeft  hem  moninc  be- 
gbeven, Brab,  Y,  II ,  5455.  Tote  Segusiam  gesciede 
een  dinc,  dat  hem  begaf  een  jongelinc  .  .  .,  ende 
waert  minderbroeder  gegeven  {leet :  begeven) ,  Frane, 
10347.  Dat  soe  hare  nonne  begaf  ende  stont  deser 
werelt  af,  Sp,  III*,  30,  7.  Dat  hi  bem  swaert 
moene  begaf,  ende  stont  sijns  graefscaps  af,  III* , 
89,  153.  Dat  hi  hem  moeste  begeven  te  Prunen 
swart  moene,  90,  55.  Zoo  ook  III*,  87,  65.  — 
Meermalen  ook  met  toevoeging  van  de  plaats, 
waar  men  zich  van  de  wereld  afzondert.  ||  Ie 
wil  mi  alhier  begeven  in  desen  clooster  ende 
dienen  Gode,  Hild.  147, 386.  Ie  sonde  mi . .  gbeeme 
begbeven  in  eenen  clooster,  Amand  II,  3392.  Die 
coninc  Bobort  voer  .  .  in  hare  hermitage  hem  be- 
geven ,  Lanc,  lY,  13029.  Dat  ie  mi  begaf  hier 
(nl.  in  die  capelle),  II ,  17978.  Sint  dat  ie  mi  hier 
begaf,  45664.  Perchevael  begaf  hem  daemaer  in 
ene  hermitage . .  ende  dede  ane  cledere  van  religione , 
III,  11025.  Hi  es  hem  begeven  gaen  te  Lysu  in 
die  heileghe  stede,  S^,  III*,  43,  72.~De  volle- 
digste uitdrukking  vindt  men  J^,  III*,  87,64:|| 
Hi  ttont  der  werelt  af  ende  begaf  hem  moene  .  . 
in  enen  cloetter, 

—  Yan  het  ww.  hem  begeven  is  het  verl. 
deelwoord  begeven,  dat  veelvuldig  als  bnw.  voor- 
komt, met  de  bet.  der  wereld  afgettorven,  van  de 
wereld  afgezonderd,  in  een  klootter  zijnde,  \\  Een 
begeven  man,  die  in  die  cruuste  ordine  was,  JPVanff. 
1866.  Begbeven  lude  so  doet  ere,  Stoke  X,  1097. 
(Het)  was  een  begbeven  man,  de  hem  de  boetscap  nam 
an ,  IX ,  571.  Beghevene  lude  soudens  niet  plegben , 
YIII,  852.  Moniken  ende  begbeven  lude.  Vrouw,  e.  M. 
XI,  73.  Nu  heeft  hi  die  grise  covle  an  ende  es 
een  begeven  man,  Zanc,  III,  16364;  vgl.  66.  Ne 
waer  ie  niet  begeven  man,  ie  sonde  over  mire 
nichten  vechten,  II,  8740.  Broeder  Gbgsbrecht.. 
een  begbeven  Willemen,  Beatr,  14.  Begbeven 
Inden,  monicken,  Luctd.  2228.  Eist  bi  begbeven 
(Lat.  reUgioti)  luden ,  eist  bi  ombegheven,  Y.  d.  Wall 
104.  Zie  nog  Huyd.  op  Stoke,  Dl.  3,  bl.  449; 
Hor.  Belg,  12,  23  en  24;  Invent. v. Brugge  2,324. 
—  Ook  gebruikt  in  de  min  of  meer  pleonatische 
uitdrukkingen  een  monee  begheven,  Bote  4386;  een 
begheven  elutenare ,  Bein.  1 ,  368 ,  gemaakt  naar  het 
voorbeeld  van  een  begheven  broeder,  d.  i.  klootter- 
broeder  (Die  sgn  kint  Willebrodus  begeven  broeders 
gaf  te  leren,  Clerc  13).  —  Begeven  ordine, 
d.  i.  klootterorde.  \\  Minrebroeders ,  Jacopün,  Tsair- 
troysers  ende  Augustijn  ende  ander  goede  begheven 
oerden,  Hild.  218,  133.  —  Begeven  leven, 
een  van  de  wereld  afgezonderd  leven,  klootierleven,  || 
Hy  dochte  .  .  in  een  begheven  leven  Gode  te  dienen , 


703 


BEGE. 


BEGI. 


704 


Pass,  W,  188  b.  —  Ook  wordt  begeven  als  znw. 
gebruikt  (mv.  beghevené) ,  in  de  bet.  klitosterling.  \\ 
Hoe   lieflike   si   de   beghevené   ende  al  de  lieden 
plach  tontfaen,  Stoke  IV,  1138.  —  Eindeijk  wordt 
van  het  deelw.  begeven   een   nieuw  werkwoord 
gemaakt,  nl.  begeven  sjjn,  dat  dus  gelijkstaat 
met   hem   begeven   hebben,   en  den  tgw.  tijd 
uitdrukt,   evenals   gelegen^  gezeten^   omgeven^  om- 
ringd gijn,    en    de   Mnl.  gevoent,  gecast^  gestaen^ 
gereden    sijn^    enz.    (vgl.     T.    en    Lettb,   4,   188). 
Begeven  sijn  bet.  dus  eig.  in  een  klooster  gegaan 
zijn ,  d.  i.  m  een  klooster  zijn,  |i  SQn  moeder  was  be- 
gheven  ende  leedde  eenre  nonnen  leven ,  Lsp.  II,  48 , 
373.  Te  Beverepaer  es  hi  begheven,  daer  wil  hi  wesen 
al  sQn  leven,  Ren.  911.  Nadat  hi  (Lancelot)  aldus 
was  begeven,  Lane,  IV,  13005.  Die  hermitage  .  . 
daer  sijn  oem  begeven  ware,  II,  45651.  H.,  dochter 
van  .  .,   die    begheven  was  ter  Biloke  te  Ghent, 
Invent.   v,   Bntgge   2,   367.   Die  begheven  was  in 
enen   nunne    clooster,   3,  138.  Mi   dunct   wi   sijn 
begheven  alse  eneghe  clusenaren ,  wij  zijn  hier  als 
het  ware  in  een  klooster^  Belg,  Mus,  10,  92,  106. 
Dat  wi  beiden  begheven  waren,  dat  wart  hem  al 
te  siere  pine ,  Rein,  1 ,  1487.  Dus  es  soe  der  werelt 
ontronnen,  ende  begheven  daer  met  nonnen,  ^.I^, 
65,  297  {var.  ende  heeft  begheven  hur  met  nonnen). 
Die  lichame  es  uter  erden  gheheven  .  .,  al  es  die 
ziele  in  hem  begheven  ^  al  is  de  ziel  in  het  lichaam 
als  in  een  klooster^  Vad.  Mus.  1 ,  306 ,  101.  Van  eenen 
selverinen  nappe  .  .,  die  men  sende  Fieters  Clerx 
dochter ,  doe  soe  begheven  was  int  gasthuus ,  Rek, 
V,    Oent   1,   386.  —  Ook  met  toevoeging  van  de 
plaats,   waar  de   afzondering  plaats    heeft.  ||  Een 
wijf,    die  was  begeven  in  een  zwaer  religioen ,  in 
eene  strenge  orde^  Rosé  400.   God  geve  hen  allen 
geluc  ende  ere,  die  in  dat  cloestër  begeven  sQu, 
Christ,  51. 

Aanm.  —  Het  gebruik  van  het  wederk.  ww. 
sich  begeven  in  den  zin  van  plaats  hebben, 
zich  toedragen ,  is  als  een  germanisme  te  beschouwen , 
hd.  sich  begeben,  waarvan  begebenheit.  ||  Het  waer 
dat  hj  van  een  huys ,  eenen  wagen ,  van  een  peerdt . . 
afviele  ofte  verdroncke,  ofte  woe  sich  dat  begeven 
mocht,  Landr.  v.  Vel.  10,  9.  Vgl,  Lubben  1, 
184*;  Grimm  1,  1282. 

BEGGAERT  (baogaert,  begaert,  bogaert), 
znw.  m.  Mud.  baggert;  mhd.  bégehart^  béghart; 
mlat.  beghardus.  Het  manneiyk  van  begine  (zie 
ald.).  Leekebroeder ,  lid  eener  vrije  godsdienstige 
vereeniging,  die  zich ,  zonder  eene  bepaalde  gelofte 
te  doen,  toelegde  op  de  beoefening  en  aankweeking 
van  christendeugd.  Vgl.  Grimm,  D.  Jftb.  1,  1295 
en  Hor.  Belg.  6,  231.  ||  Den  baggairden  om  Gode 
gegeven  1  gulden,  Oorl.  v.  Albr.  47.  —  Daar  zij ,  even 
als  de  bagijnen ,  spoedig  een  slechten  naam  kregen, 
vindt  men  beggaert  ook  in  een  ongunstigen  zin  ge- 
bruikt, b.  V.  ^Disp,  325 :  ||  Sulc  es  die  ontcropen  sceen 
der  weerelt  ende  liet  haer  leen,  ende  leerde  den 
beggaert  maken  (d.  i.  „hg  verliet  in  schijn  den 
dienst  der  wereld,  maar  genoot  toch  als  beggaert 
meer  dan  genoeg  van  hare  genietingen).  Daemaer 
hi  een  becgaert  sceen,  ende  wart  een  waersagre 
mare,  Sp,  III',  6,  54  (Vinc:  y^psetubproph^tam , 
deinde  magum").  Dit  sijn  lollaerde  ende  begaerde , 
Joden,  kersten  van  hovaerde.  Hor,  Belg,  12,  23. 
Een  bogaert  dede  ere  baghine  ene  alte  grote 
medicine.  Boerden  V,  7.  Ene  baghine  sagic  haer 
baren  ende  op  hare  enen  bogaert,  13. 
BEGICHTEN.  Zie  begiften. 
BEGICHTINGE.  Zie  beoiftinge. 

BEGIËN,    «w.     WW.     bedr.     {begiede^    begief). 


Van  gien  (zie  ald.).  Bekennen,  bekjden,  erkennen. 
Bedr.  —  a)  met  een  znw.  als  object.  ||  (Si) 
begien,  alse  die  hem  scamen,  hare  mesdaetaltesamen, 
Sp.  III',  35,  119.  Metten  monde  ende  metter  herie 
beghie  ie,  Here!  dine  godhede,  III',  13,  112. 
Die  Normanne  die  begieden  mesdaden  die  liem 
ghescieden,  IV*,  67,  .9.  —  Ook  met  den  2den  iit. 
der  zaak.  ||  Ie  gelove  ende  weet  mede  .  .  ende  ie 
begiets  oec  metten  monde ,  dattu  mi  mach  op  corte 
stonde  suver  maken  ende  oec  rene,  Velth.  I,  22, 
7.  Ter  ander  waerf  als  die  paues  hilt ,  d&t  hi  dies 
sonde  beghien,  .  .  des  achti  gelgc  eenen  drome, 
Sp.  lil»,  16,  26. 

b)  Met  eenen  afh.  zin.  ||  Beinaert  hevet  selve 
begiet,  dat  hi  es  in  spaues  ban,  Rein.  I,  292(4. 
(Hi)  heeft  met  sinen  geselle  begiet ,  dat  van  Gode 
al  goet  gesciet,  Sp.  II*,  19,  143.  Die  sielen  int 
helsce  dal ,  die  {waarvan)  Lucifer  beghiede ,  dat  iraer 
sine  maisniede ,  Wap.  Mart.  1 ,  960.  Thomas ,  wiltn 
noch  beghien ,  want  du  mi  heves  ghesien ,  ende  mine 
wonden  bevaan,  dat  ie  ben  opverstaen?  Brand.  H. 
1859.  Daer  naer  hevet  hi  beghiet,  dattem  die 
dinc  was  gesciet,  Sp.  III*,  34,  25.  Doch  beghiede 
hi  .  .,  dat  hare  gelove  ware  quaet,  III*,  52,  58. 
Dinghele  dorsten  niet  beghien ,  dat  si  Gode  hadden 
ghesien.  Brand.  1875.  De  Yoeden  hadden  doe 
overeengedreghen ,  so  wie  beghide,  dat  hi  Christns 
ware ,  dat  hi  ware  verbannen  uter  STnagog^n , 
L,  V,  J.  c,  173  (bl.  166). 

Aanm.  —  In  plaats  van  begoen,  Brab.  T,  Dl.  1, 
bl.  758,  dat  Willems  zonder  eenigen  grond  als  den 
verl.  tijd  van  begien  verklaart,  leze  men  t€>egen\ 
en  in  plaats  van  beghiet,  Rosé  fr.  bl.  255,  va.  118, 
moet  gelezen  worden  gebiet.  Zie  Taalk.  Bijdr.  1 , 
120  vlg. 

BEGIFTEN  (begichten,  evenals  vergichtcn 
naast  vergiften  (z.  ald.)),  zw.  ww.  bedr.  Mbd. 
begiften.  Begiftigen,  beschenken.  \\  Dit  sacrament  eert, 
loeft  ende  begift  van  der  Nieuwcrvaert,  t«al  u 
profijten,  &MT.  278.  In  een  cloostere,  twelck  si  selTer 
ghesticht  hadde  .  .  ende  van  haren  eygen  g'oeden 
rQckelic  beghift  hadde,  Exc.  Cron,  9  b.  Ooninc 
Karel  begifte  in  sijn  leven  sonderlinge  vier  bis- 
dommen, %be.  Die  coninc  santse  mit  groter  eeren 
beghift  ende  begaeft  weder  in  hoer  landen ,  69  k. 
Ie  sal  u  heer  maken  van  Gruenueille  ende  tui 
Bleys,  ende  daer  toe  sal  ie  u  beghiften,  datmen 
mj  des  eere  spreken  sal,  Huge  v.  Bord,  76. 

BEGIFTINGE  (begichtinge),  znw.  vr.  Mnd. 
begiftinge;  vgl.  begiftnisse  (Lubben  1 ,  185).  — 
1)  Schenking,  lat.  donatio.  \]  Van  begiftinge  onder 
kinder  unde  deelinge  der  vader  gueder ,  Pro  Ejceol.  6 , 
680.  Item  noch  van  begiftinge.  Alsoo  lange  als  ein 
mensche  gesunt  is,  soo  is  he  sjnes  goedes  ein 
here  unde  mach  dat  geven  wen  he  vril,  ald,  681. 
2)  In  den  zin  van  offergave.  ||  Ie  bidde  uwen 
heilegen,  weerdegen  name,  dat  mijn  offerande  ende 
mijn  beghichtinge  .  .  .  mach  syn  bequame ,  SUac. 
V,  M,  1504. 

BEGILEN,  zw.  ww.  bedr.  Van  gilen  (zie  ald.). 
1)  Bespott-en,  voor  den  gek  houden.  \\  Ende  men 
soudu  tallen  wilen,  waer  dat  men  hu  sagbe,  be- 
ghilen.  Rosé  7719  var, 

2)  Foor  den  gek  houden,  misleiden,  hegoocJk^Un. 
II  Want  hi  den  Keiser  beghilde  al  dare,  ende  hi 
ghebarde  als  of  hi  bade  eiken  der  siere  up  g-be- 
nade,  dat  si  ins  Keisers  handen  quamen,  Bijmh. 
31826  var.  Also  dat  hise  beghyide  ghinder,  dat 
si  hem  swoeren  up  Baal  hulde,  7706.  Ghenade, 
Gk)d,  lieve  Heerel  beweert  mi  in  de  laetste  wile, 
dat  mi  de  viant  niet  begile ,  Vad.  Mus.  5 ,  325 ,  10. 


705 


BEGI. 


BEGI. 


706 


3)  Begoochelen^  betooveren,  bezweren,  ||  Merci  up 
dese  tovenaren,  die  serpenten  beghilen,  i^.  III', 
41,  66. 

BEGIN    (begen;    sie   voorbeelden   ald.),   znw. 

0.  —  1)  In  de  tegenw.  beteekenis.  Aanvang  \  ^X^t- 

meen.  —  Sprw.  ||  Na  goet  begin  cornet  een  swaer,  ende 

na  cranc   ende   clene  begin  cornet  namaels  groet 

gewin,  Velth.   I,    3 ,   38.   —   Int   beghin,    of 

ten  beghinne,   om  te  beginnen^  al  dadeUjIe,  \\ 

Hi  seide  hare  ten  beginne,  dat  hl  haer  vrient  ende 

riddere  ware,    Lane,   II,   38320.  Knapen  riep  hi 

int    begin    ende    dede    Waleweine    yaen   aldaer, 

III,  19197.  Hi  stac  den  enen  int  begin  metten 

spere  ter  kelen  in,  dat  hi   doet  viel  ter  stede, 

23656.  Roept  hi  (een  vogel)  oec  te  vele  int  hnns, 

80  neem  ene  vledermnns,  ende  stamp  peper  daer 

inne,  dan  ase:  hi  swighet  ten  beghinne.  Nat  BI, 

ni,  1647.  Alsene  die  van  der  steden  sagen  das 

verkeert  van  seden  int  anscijn  droeve  ten  beghinne , 

heltsine  vor  ute  zinen  sinne,  Franc.  641.  % 

2)  Oortprong,  mv.  beghinne,  \\  (God)  machtich  is 
van  al,  sonder  beghin  in  s^nre  natnren,  daer  alle  be- 
ehinne  nat  rnren ,  waaruit  alle  oorsprongen  ontstaan , 
d.  i.  waaruit  alles  zijn  oorsprong  neemt^  Lsp,  II,  41, 38. 
8ijn  begin  nemen,  Binel,  226,  e.  e.  —  Te 
beginne  comen,  zijn  oorsprong  nemen,  ||  Alse 
die  mensce  es  ghewont  van  gherechter  minne, 
doet  der  oghen  wandel  vont ,  of  comet  ater  herten 
gront   dit    evel   te  beghinne,   Wap,  Mart,  I,  662. 

3)  Beginsel;  mv.  beginne.  ||  Dit  sijn  de  beghinnen 
niet  te  sondigen ,  J^.  d.  Volc,  (aangeh,  bij  Ondem. 
1 ,  396) ,  ƒ.  127». 

4)  Ondernemingi^).  \\  Die  Gallen  sgn  alle  van  zinnen 
beet,  ende  fier  van  swaren  beginnen,  ro/^^^^^^^/i^ 
en  moed  bij  moeilijke  ondernemingen  (?),  Sp.  I«,  7, 
14  (de  woorden  van  M.  zgn  niet  dnidelgk,  en  het 
Lat.  geeft  geen  licht). 

BEGINE   (beggine,   bagine),   znw.  vr.  Mnd. 
hegine\  mhd.  begine\   mlat.  beghina  (Dnc.  1,  637). 
Vgl.  Grinun,  D,  Wtb,    1,  1296;  MoU,  Kerkgesch, 
2»,  148   vlgg.   en   Te  Winkel,  Maerlant,  bl.  206 
vlg. ,  vooral    206 ,    noot  6)   en   de   daar  aangeh. 
schrijvers.  Zeekezuster,  bagijn,  lid  eener  vrije,  niet 
geordende,  geestelijke  vereeniging.  Vgl.  BEGGAERT. 
\l   Sine    was   niet   van   religione  alse  ene  nonne 
ocht    ene    beggine,    Bose    3620.   Ghi    beghijnen 
ende   ghi  nonnen,  ghi  hebt  een  zaleghe  vaert  be- 
gonnen,  Tolchdi  wel  der  rechter  straten,  Denkm. 
3,  116,  29.  Sweaters,  baghinen,  lollaerde,  si  sijn 
also  lal   van  aerde,   datse  qual^c  pinen  moghen 
Truw.  74.  Den  beghinen  aldair  om  Gode  gegeven  X. 
Dordr.  gulden,  Oorl,  v,  Albr.  143.  Dus  crigen  wi 
lollaerts   ende  beginen,   Theoph.   Bl.  87,   21.  Zoo 
ook  Boerden  V,  7  en  14;  enz. 

♦  BEGINGE,  znw.  vr.,  komt  op  ééne  plaats 
voor,  nl.  i^.  I«,  18,  27:  ||  {Augustus'')  beginghe 
was  geme^ne  beede  van  nederen  ende  van  cleene; 
no  van  cledren  no  van  gelate  ne  was  hi  fier  noch 
OBgemate.  —  Halb. ,  Aant,  3 ,  verklaart  dit  door  con- 
versatie, verkeering  met  menseken,  van  begaen,  d.  i. 
tnmgaan',  maar  dit  znw.  zou  beganghe  luiden  en 
niet  beging he.  Daar  nu  het  Lat.  thoro  heeft,  leze 
men  met  de  uitgevers  beddinghe, 

BEGINNEN  (begennen,  zie  voorb.  ald.),  onr. 
WW.  bedr.  en  onz.,  praeteritum  óf  began  (Hild. 
4,  61;  164,  12;  Lsp.  Prol,  90;  94.  Vrouw,  en  M, 
VIII,  206)  óf  begonde  (Stoke  VI,  442  var.;  I, 
632,  638;  Bijmb,  11426,  23776;  Hild.  33,  63; 
Troyen  663;  Wap,  Mart.  HI,  148)  óf  begonste 
(Ckrist.  1188;  Hild.  46,  32;  122,46;  Vrouw,  en M. 
VllI,    167,  186;  Stoke  VI,  442;  Lsp,  I,  34,36; 


36,  77;  Bein.  I,  64,  146,  2110,  1323;  Cass,  288; 
de  beide  laatste  vormen  behooren  eigenlijk  *  bij 
het  WW.  begonnen  (zie  ald.));  deelw.  begonnen 
of  begonst  {Exc,  Cron,  278^).  Vgl.  mu^.  beginnen 
en  over  den  oorsprong  Grimm,  JD.  Wtb.  1,  1296 
en  Kluge,  Etym,  Wtb.  22. 

Bedr.  —  1)  Behalve  met  den  4den  nv.,  ook 
met  den  2den  nv.  der  zaak,  in  de  tegenw.  be- 
teekenis. II  Doen  dit  vernamen  meerder  ende  minder 
.  . ,  wisten  si  niet ,  wies  beginnen ,  Orimb.  1,  6666. 
Ie  en  weet  niet,  wies  beghinnen,  Wint.  e.  IS.  607. 
Eer  si  vechtens  begonnen  hadden,  Exc.  Cron. 
Sic.  Des  moeti  aldus  beghinnen,  Ruusb.  4,  66. 
Ene  nieuwe  minne  beginnen.  Flor.  448.  —  Ook 
met  een  onb.  wijs  zonder,  later  ook  met,  te.  || 
(Hi)  began  naken  der  doot,  S^.  IV ',  13,  36.  Si 
begonden  rekenen,  Ilor.  226.  Daer  hi  lichte  bi 
mochte  beginnen  in  die  herte  ene  andre  minnen, 
616.  Dan  sal  hi  beginnen  coelen,  446.  Nu  hort, 
hoe  ie  u  sal  beginnen  {nl.  tellen;  vgl.  Theoph. 
118),  88.  Doe  hise  terst  'minnen  begonste,  verliefd 
op  hoAr  werd  (vgl.  lat.  coepï),  673.  Zie  verder 
Theoph.  27,  693  (Hs.),  699  (Hs.),  706  (Hs.)  e.  e.; 
Rijmb.  Gloss.  —  De  onb.  wijs  als  znw.  gebruikt 
in  de  uitdr.  in  sijn  beghinnen,  om  te  be- 
ginnen.  ||  Jalius  quam  te  Bome  binnen  ende  hi 
brac  in  S(jn  beghinnen  {hij  begon  met  open  te 
breken)  die  trisorie  van  dier  stat,  Sji>.  1*,  11,  36. 

2)  Over  iets  beginnen  te  spreken ,  iets  behandelen, 
fr.  entamer.  VgL  Grimm  1,  1296.  i|  Mogedi  dan 
hoger  joncfrouwen  minne  verdinen,  so  salie  u 
minnen  tenengader,  ende  des  seldi  beginnen  an 
minen  vader,  Lanc.  II,  37960. 

3)  Inwijden,  het  Lat.  initiare,  van  welk  woord 
zonder  twijfel  beginnen  in  deze  beteekenis  eene 
onjuiste  vertaling  is.  ||  Ghi  selt  heilich  maken  dat  • 
gheconsacreerde  borstkeu  ende  die  scoudere,  die 
ghi  van  dien  wedere  avedeilt,  daer  Aaron  mede 
beghonnen  es  ende  sine  sonen ,  Ruusb.  1 ,  262. 
Surius  vertaalt:  „quo  initiatus  est  Aaron  et  filii  ejus." 

4)  In  verbinding  met  beriden  komt  beginnen  voor 
als  krijgsterm,  met  het  obj.  veld,  tomoy  en  derg. 
Een  strijd  openen  (vgl.  ontginnen).  ||  Ay  God,  hoe 
loeslike  was  gehouden  tvelt  van  dien  verraderen 
heden,  diet  begonnen  ende  bereden!  Por^^.fr.  170. 

Onz.  —  Zijn  oorsprong  riemen,  ontstaan  uit 
(vgl.  beginsel).  II  Den  vader  setten  wi  als  te 
gronde ,  daer  alle  doghet  uut  begonde ,  Wap,  Mart. 
III,  147.  Van  dier  stonden  dat  ierst  kejsere  be- 
gonden, ^.  II*,  26,  3,  „dat  er  keizers  begonnen 
te  zijn,  d.  i.  dat  er  keizers  warend"*  —  Vandaar 
de  uitdr.  nie  beginnen,  altijd  bestaan  hebben, 
eeuwig  zijn,  \\  Die  wortel  daer  die  boom  uut  ran 
sonder  ende  ende  nie  began,  Van  V  Bomen  31. 

BEGINNINGHE,  znw.  vr.  Beginsel,  \\  Waer 
om  wi  achter  laten  bliven  die  leringhe  der  be- 
ghinninghe  Christi,  Hs,  Ib,  Hebr,  6,  1  {inchoa- 
tionis  Christi  sermonem), 

BEGINSEL,  znw.  o.  Mnd.  beginsel, 

1)  Begin,  aanvang,  tegenover  het  einde  (meer- 
malen in  het  Mnl.  insel  of  intsel  genoemd).  ||  Int 
beghinsel  vander  Meye ,  Hild.  61 , 3.  Elck  beghinsel 
heeft  een  scheiden,  116,  40.  Dierste  boec  nemt 
hier  insel,  hoeret  hier  des  anders  beghinsel. 
Wrake  1,  2032.  God,  die  was  voer  alle  beghinsel 
ende  sal  sijn  sonder  insel,  Teest,  274.  Dat 
ewighe  rijc,  dat  u  bereyt  is  van  beghinsel  des 
werelts,  Oest,  R,  f,  202a,  Die  ewicheyt,  die  noch 
beghinsel  noch  eynde  en  heeft,  24^.  Dese  maent 
sal  u  sijn  dat  beghinsel  vanden  maenden,  die 
eerste  maent  .  .  vanden  jaer,  J),  B.  Exod.  12,  2. 

23 


707 


BEGO. 


BEGO. 


708 


Inden  Kalenden,  dat  is  inden  bcghinHelen  vanden 
maende,  Num,  28,  11.  Int  beghinsel  van  der 
rekeninghen,  bovenaan^  ZVl.  Bijdr.  4,  7. —  Van 
beghinsel  (e),  van  den  beginne  af^  van  den  aanvang 
af.  II  Die  sterren  moeten  dien  ganc  gaen,  dien  si 
van  beghinsele  ghinghen ,  Alex.  III ,  1224.  Onse  .  . 
God  .  .  heeil  altoes  onse  salicheyt  begheert  van 
beghinsel  ende  is  noch  . .  die  begherende,  Stemmen 
30.  Ghi  selve  selt  oc  ghetughen  van  mi ,  want  ghi 
van  beghinsele  hebt  ghewest  met  mi ,  L,  v.  J.  c.  217. 
Aen  tbeginsel  van  desen  herch,  Mandev.Slb.  Toten 
beghintsel  (het  begin  ^  de  grens)  vanden  lande  van 
beloeften,  ald.  —  Int  beghinsel,  hetzelfde  als 
int  begin  (zie  ald.).  Vooreerst^  om  te  beginnen,  jj 
Nu  willic  ind  beginsel  dan  segghen  ende  oppen- 
baren  van  enen  bescop,  Christ.  70.  Int  beghinsel 
offeric  Gode ,  den  almachteghen  vader  .  .  ende  alle 
den  hemelschen  gheselscepe ,  mine  ziele  ende  minen 
lichame  der  kerkeliker  sepulturen ,  Vod.  Mm.  4, 357. 
—  Beghinsel  nemen,  een  aanvang  maken {sg\. 
ook  onder  2).  ||Waer  tbe'ghinsel  wert  ghenoraen, 
daer  settet  ende  s^n  begheren,  Hild.  105,  48. 
Recht  was,  dat  wy  dan  wederquamen  ter  stat, 
daer  wy  beghinsel  namen,  126,  229. 

2)  Oorsprong^  oorzaak.  \\  (Evax)  sat  bi  der  vrouwen, 
die  beghinsel  was  siins  rouwen,  Limb.  VI,  1003. 
Ruben  ...  du  biste  mün  starcheit  ende  dat  be- 
ginsel van  mijnre  droef  heit,  D.  B.  Gen.  49,  3. 
Beginsele  der  gracien  eerst  uutgoet  uut  des 
hemels  vaders  scoet,  Wap.  Rog.  911  (Ht.  be- 
roghise,  doch  vgl.  Taalk.  Bijdr.  1,  142).  —  Be- 
ghinsel nemen,  oorsprong  nemen.  \\  Aldus  so 
seit  Ypocras  . .  dat  syn  beginsel  neemt  dit  saet  an 
die  hersenen ,  M.  en  Fr.  Jleim.  687.  Dit  ongemac  . . 
nemt  beginsel  van  dat  hem  .  .  gebreken  hare 
stonden,  1724.  —  Ook  in  de  bijzondere  toepassing 
van  oorsprong  van  iemands  bestaan^  m.  a.  w. 
vader.  \\  Ie  hebbe  begert  vor  nu  harde  sere  te  sien 
u ,  want  gi  beginsel  van  mi  sijt  .  .  ende  Lanceloet 
sprac  hem  aldus  toe:  „S^^i  Galaat,  soe  secget 
mi !"  —  „Ja  ie,  here ,"  antwerde  hi ,  Lanc.  III,  9657. 

BEGOKELEN,  zw.  ww.  bedr.  Uhd  begoitgeln, 
begoukeln;  mnd.  begokelen.  Van  gokelen  (zie  ald.). 
Begoocheïen^  misleiden^  bedriegen.  ||  Selen  wi  ghe- 
loeven  desen  man,  die  al  tfolc  begoclen  cun, 
L.  o.  H.  1120.  Wi  weten  wel  dat  hi  heeft  u  be- 
gokelt  in  corten  tide  nu ,  2449.  Al  heeft  hi  u 
begokelt  hier,  ja  en  sidi  rechter  in  dit  lant: 
cruustene,   cruustene  al  te  bant,   2568.  'Vgl.  be- 

KOKELEN. 

BEGOEVERNANCHE,  znw.  vr.  Van  mïv.goiwer- 
nance^  d.  i.  dépense  (Carpentier,  suppl.  op  Duc. 
i.  V.).  Vertering  <^  onkosten.  ||  Van  begoevernanchen 
ende  costen  tharer  vaert  ghedaen ,  Invent.  v.  Bntgge 
2 ,  60.  Ghesent  tharen  costen  ende  tharen  begoever- 
nanchen 55  1^,  ald.  2,  99. 

BEGOMEN,  zw.ww.  bedr.  en  wederk.  Afgeleid  van 
gomen  (zie  ald.),  waarvan  de  oorspronkelijke  betee- 
kenis  iszien^  opmerken^  en  de  afgeleide  toezien^  z&rgen. 

Bedr.  —  1)  Van  gom£n  in  den  zin  van  zien. 

a)  Bezien^  in  oogenscAouw  nemen.  \\  Wat  dit  dieden 
mach  .  .  ,  dat  dese  vogel  dus  lude  creet,  ende 
opwerd  vlieget  ende  neder  cornet,  ende  onse  here 
aldus  begomet,  Velth.  III,  27,  25.  Hi  dede  oec 
wel  begomen  ende  bespien  die  stede  al,  ofter  in 
waer  enich  gescal,  VI,  15,  42.  Dat  hi  besouke 
ende  beghome  sente  Pieters  stoel  van  Rome,  Sp.  III*, 
1 ,  105.  Die  alrescoenste  jonghelinge  hilt  hi ,  omme 
dat  mense  begome  in  den  zeghe  tote  Rome, 
Rijmb.  34132. 

b)  Opmerken ,  letten  op ,  Aet  oog  vestigen  op ,  in  het 


oog  houden.  ||  Een  maet  man,  die  niet  en  can 
wederstaen  den  mechteghen  man,  aal  wiselike  dat 
begomen  hoe  hi  te  sire  vrienscap  salcomen,  Jf<?/i*. 
2808  var.  Hadden  se  haer  boetscap  gedaen,  die 
Eeyser  hadse  ontfaen  gereet,  eer  hi  daer  op  hem 
yet  street,  maer  doe  hi  int  striden  was  comen,  &o 
hadde  mens  niet  mogen  begomen,  Velth.  V,  40, 
76.  Als  die  Eeyser  in  ware  comen ,  datsi  hem  dan 
souden  begomen  met  haren  wapen  stillekine ,  V ,  9,  7. 
Ries ,  laet  staen  dgn  callen ,  want  wi  alle ,  dit 
beghome,  houdense  over  die  beste  van  Rome,  <S^.  I'', 
66,  106.  —  Als  iet  begome,  eig.  zooal*  %k  op- 
merk^ niet  veel  meer  dan  eene  bloote  bevestig-ing, 
die  gevoeglijk  onvertaald  kan  blijven.  ||  Also  dat 
wi ,  ads  iet  beghome ,  sijns  te  wers  mochten  hebben 
sere,  Edeio.  510.  Dat  vierde  (riit^) ,  als  iet  begome, 
is  dat  rike  van  Rome ,  Lsp.  1 ,  41 ,  17  var.  Beatrix, 
als  iet  begome,  biet  ene  vrouwe  int  lant  van  Rome, 
Franc.  9433. 

d^  Onderscheiden.  \\  Dus  selen  jonghe  liede 
leven  .  .,  alsi  soe  verre  sijn  comen,  dat  si  goet 
ende  arch  begomen,  Lsp.  III,  10,  259. 

2)  Toezicht  houden  over  iets^  toezien  op  iei^ 
(vgl.  besien  en  bescouwen).  \\T>\t  brugge,  die  daer 
over  gheet,  begoomt  een  goet  man,  /Tor.  2031. — 
Vooral  in  de  beide  opvattingen: 

a)  Besturen^  regeer  en.  \\  Si  scriven  oec  in  baren 
saken,  dat  dode  lieden  selen  comen,  ende  levende 
werden ,  ende  dlant  begomen ,  Velth.  V ,  1 ,  40.  Dat 
Her  Willem  .  .  .  van  Guelke  sonde  weder  comen, 
ende  soude  noch  Vlaendren  begomen,  Y,  25,  S4. 
Desen  bat  hi,  dat  men  begome  die  hindervraerde 
in  dat  dal,  dat  men  nu  heet  Roncheval,  Sp.  IT'  , 
24,  58.  Daer  na  sendden  die  van  Rome  C^tssiuse, 
dat  hi  begome  Surien,  Rijmb.  20545.  Tote  Jhemsalem 
dat  hi  doe  sende  Componiuse,  .  .  .  dat  hgt  be- 
wachte  ende  begome,  21906.  Vespasiaen  . . .  Tytus&e 
biet  dat  hi  begome  theer,  Sp.  II*,  2,  12. 

b)  Beschermen,  verdedigen^  bijstaan.  \\  Doen  Conlne 
Willem  had  gevryd  om  Coelne  die  straten ,  .  .  . 
hine  wilde  ander  stede  begomen,  Velth.  I,  3,  1. 
Dattie  van  Ludeke  souden  comen  entie  stat  bnlpen 
begomen,  IV,  60,  59.  XX  ridders  die  begomen 
dese  martse  hier  alomme,  Lanc.  II,  41756. 

3)  Van   gomen   in    den   zin  van  toezien  ^    zorgen, 

a)  Bezorgen ,  van  het  noodige  voorzien,  verzorpen^.  \\ 
Alle  dinge  die  nie  waren  .  .  dat  moet  tenen  inde 
comen,  sonder  die  ziele,  die  wi  begomen  cranke- 
like  in  dit  leven,  Velth.  II,  1,  1.  CC  Turken  .  , 
die  den  bode  wel  begomen,  ende  wachten  daer  al 
dien  nacht,  I,  8,  59.  So  bevelic  u  deze  scone 
joncfrouwe  .  .  .  ende  segt  der  coninginnen,  dat 
sise  begome ,  tote  dat  ie  tot  hare  come ,  Lanc.  III , 
19331.  Sine  jonghe,  ...  die  hi  nerenstlike  can 
begomen.  Nat.  BI.  III,  301  var.  Sye  hier  van 
Maerthen  {Martha)  die  figuere,  die  de  weerelt 
begoomt  van  nootdorste,  Wap.  Rag.  1439.  (Die 
man)  sweet  dicken  menich  dropel,  want  lii  moet 
begomen  die  nootdorfb  van  somen,  180.  —  Ook 
ironiek  gebruikt  in  den  zin  van  toetakelen;  rg\. 
begaden.  \\  Wi  willen  u  sekeren  overlunt,  datonsor 
maer  LXXX  selen  comen,  ende  willen  die  C  ^ 
begomen ,  dat  hem  haer  leven  rouwen  sal ,  Yeltli. 
V,  49,  44. 

b)  Bezorgen,  ergens  brengen,  aanbreiden,  ||  Na 
heeft  hi  hem  also  versien  van  groten  boghea 
cederbomen,  die  Agrippe  dede  begomen,  te  tct- 
sekerne  den  tempel  mede,  Rijmb.  30826.  IBsi. 
Schol.'.  „Maximis  snmptibus  et  labore  deducemêmm 
curat." 

c)  In  orde  brengen,  klaar  maken,  ordenen,  regelen.  [] 


709 


BEGO. 


BEGO. 


710 


Dat  men  sanderdages  sonde  comen  ende  den  tornoy 
weder  begonien,  Lanc.  III ,  21473.  Wondi  des 
(d.i.  dat)  met  ons  begomen,  alsi  verloren  hadden 
die  stat,  dat  hl  hem  saen  volget  na  dat ,  Yelth.  Y , 
13,  61.  Wie  dien  tornoy  sal  beriden  ende  begomen 
in  beeden  siden,  Parth.  3463.  Ende  dat  si  war- 
ueert  comen ,  ende ,  dat  si  mogen ,  begomen ,  eer  si 
weder  omme  keeren,  II,  20,  76  („  en  dat  zij  in 
orde  brengen ,  wat  zij  kunnen."  Ende  moet  worden 
ingevoegd  en  de  interpunctie  gewijzigd ,  om  den  zin 
te  herstellen).  —  Het  so  begomen,  hetzelfde 
als  Aet  80  begaden  (zie  ald.  en  verg.  onder  3  a). 
Het  zoo  inrichten^  aanleggen.  \\  Menigerhande  was  haer 
raet,  hoe  sijt  mogen  so  begomen,  dat  si  te  Romen 
souden  comen ,  Velth.  V ,  22 ,  6.  —  Ook  met  het 
obj.  strijt.  Betlechten.WDdX  hi  om  pays  daer  ware 
comen ,  ende  dat  hi  den  strijt  daer  wilde  begomen , 
II ,  12 ,  29,  —  Dit  obj.  kan  ook  worden  verzwegen.  || 
Hi  wildet  becorten  berde  bonde  metten  swerden, 
ende  so  begomen,  II,  6,  78. 

—  Aanm.  Begome^  Sp.  I»,  37,  33  is  eene  ver- 
keerde lezing  voor  begonne  (niet  d«'^m»^,zooalsde 
uitgevers  in  de  noot  voorstellen) ;  lat.  incipe.  Zie  be- 
gonnen. Zoo  vindt  men  nu  eens  een  tornoy  be- 
gonnen ende  beriden^  dan  eens  begomen  ende 
benden-  ook  hier  is  verwarring  tusschen  begomen 
en  begonnen  mogelijk. 

Wederk.  —  Hem  begomen,  in  beteekenis 
gelijk  aan  Aem  vonten  (zie  ald.). 

1)  Voor  zich  zien,  oppassen^  zorg  dragen.  |)  Nu 
vorsie  di  ende  begome  (nl.  di),  dattu  bi  idelre 
glorie  niet  ne  sceefi ,  Lanc.  III ,  5744.  Begoomt  u 
ende  besiet-,  dat  ghi  niet  en  lachtert  mi,  FariA.  885. 

2)  ZicA  voorzien,  voor  zicA  zelven  zorgen.  ||  Hi 
begomen  so  hem  in  den  somer  can,  dathemgheen 
hongher  gaet  an  in  den  winter.  Nat.  BI.  III ,  998  var. 
Dat  si  hem  buten  so  begomen  ende  gaderen  hem 
an  ene  side,  dat  si  anders  mergens  betide  die 
stat  mogen  stormen  an,  Yelth.  II,  13,  64. 

BECrON,  znw.  o.  Stam  van  het  ww.  begonnen; 
hetzelfde  als  begin.  \\  Int  begon  van  desen  wonde 
waendic  Uden  die  passaedse,  Wal.  1484.  So  van 
edelen  vrien  conne ,  so  van  dorpers  in  den  begonne , 
80  makets  ons  dese  taefle  vroet  die  erve  ende  dat 
grote  goet,  Stoke  I,  633. 

BEGONNEN,  zw.  ww.  bedr.  en  onz.  (begonde 
of  begonste,  die  als  tijden  van  beginnen  gelden, 
zijn  eig.  tijden  van  dit  ww.,  began  en  begon Yan 
beginnen.  De  beide  ww.  die  hetzelfde  beteekenen, 
loopen  vaak  dooreen).  Beginnen.  ||  Wat  dede  hem 
mir  vrauwen  werc  beghonnen?  OFl.  Lied.  en  Ged. 
358 ,  1287.  Ende  want  de  saecke  mit  den  warlQcken 
rechte  b«gant  is ,  ende  heer  Johan  darinne  geant- 
woerdet  heft,  Etst.  v.  Dr.  132.  Nu  willic  ooc  den 
stryd  begonnen ,  Bijmb.  29608.  Gi  sult  den  strijt  be- 
gonnen, Lanc.  II,  13168.  Dat  hi  mede  soude  be- 
gonnen met  enen  emere  vullen  tonnen ,  JVanr.  8643. 
Nu  hoort,  hoe  iet  sal  begonnen,  Jmand  11,5834. 
Nochtan  en  dorstic  noit  die  tale  begonnen,  Cass.  1512. 
Eer  hare  jonghe  plumen  begonnen.  Nat.  BI.  III, 
2495.  Van  vrouwen  moeste  dijn  sermoen  altoes 
beghonnen  of  enden,  Wap.  Mart.  II ,  41  var.  An 
desen  begonne  dine  pine  niemene  te  nemene  dat 
sine,  Sp,  I",  37,  33  (de  tekst  heeft  ten  onrechte 
begome.  Yinc:  ab  hls  ergo  incipe).  Dat  si  rustens 
sonden  begonnen,  tote  dat  die  heyte  leden  was, 
Lanc.  II,  13362.  Ende  die  tornoy  ter  sel ver  stonde 
in  beiden  siden  aldaer  begonde ,  21509.  (Als)  hiere 
np  sonde  sitten  begonnen,  Wal.  10754. 

BEGONSIDE,  voorz.  met  den  3den  nv.,  ge- 
vormd als   bedeiiide,  waarvan  het  het  tegenover- 


gestelde is.  Aan  gene  zijd^  van.Ygl.  GONE.  ||  Tote 
omtrent  XII  roeden  begonside  der  moerbrucghe, 
Invent.  v.  Brugge  4,  368. 

BEGOOM,  znw.  onz.  Yan  begomen  in  den  zin 
van  bezorgen  (zie  ald.).  Zorg,  bemoeiing.  \\  Dat  hier 
te  voren  Silvester  helt  ene  consilie  te  Rome  bi 
skeysers  Constantijns  begome,  Sp.  II»,  31,  72. 

BEGORDEN,  zw.  ww.  bedr.  {begordde,  begort)\ 
mhd.  begürten,  mnd.  begorden. 

1)  Omgorden. 

a)  Eigenlijk.  ||  Ie  hebdij  begort  ende  du  en 
hebste  mij  niet  bekent,  D.  B.  Jet.  45,  5.  Hebt 
uwe  lindenen  altoes  begordt,  L.  v.  J.,  <?.  203.  Over 
waer  segghic  u ,  dat  hi  hem  begorden  sal  ende  sal 

,   hem  dienen,   ald.   So  stont  hi  op  ende  nam  een 
linen  laken  ende  begordde  hem  daer  met,  c.  207. 

b)  Figuurlijk.  Omgeven,  omringen.  \\  Mine  tel- 
ghen .  .  beghort  met  sonderlinghen  bloemen,  Disp.  70. 
Ytalia  heeten  alle  die  lant,  die  andie  nortzidedes 
berchs  cant,  die  Alphes  heetet  in  Latgn,  beghort 
met  vasten  berghen  sjjn,  ^.  I*,  26,  17.  Yander 
anderen  siden  ist  mitter  zee  begordt ,  Barth.  506tf . 
(WestpAalen)  wordt  begordt  mit  tween  edelen 
ry vieren,  534^.  Een  zeer  groot  serpent  had  hoer 
den  hals  al  om  begort  ende  zoeck  (zoog)  haer 
borsten,  Devoet  B.  (36)  110 r. 

c)  Overdrachtelijk  in  den  zin  ya.n  toerusten ,  voor- 
zien van.  Ygl.  de  bijbelsche  uitdr.  aangegord  met 
kracAt.  \\  Godt  wil  hem  met  zijnder  gracien  be- 
gorden in  al  zijn  voorstel,  wercken  ende  doen, 
Belg.  Mus.  6 ,  46.  Soe  begorde  mit  starcheden  hare 
lendenen ,  ende  crachtichde  haren  arem ,  Hs.  v.  1348 , 
218»  (Proverb.  31,  17:  accinxit  fortitudine  lumbos 
suos).  Begordet  u  lenden  .  .  .  mit  reynicheyt ,  Gest. 
R.  f.  72c.  God  die  mi  begort  heeft  mit  starcheden , 
J).  B.,  II  Sam.  22,  40. 

2)  Als  met  een  gordel  verbinden,  aaneenAecAten , 
verbinden.  ||  Elc  es  an  andren  beghort;  daer  teen  es, 
tander  es  an  sijn  boort,  Disp.  566.  Ygl.  ook  begoren. 

3)  Inhouden ,  bevatten.  Ygl.  het  fr.  enceinte ,  d.  i. 
omAeining ,  van  Lat.  incingere ,  d.  i.  omgorden, 
—  Yooral  gebruikelijk  in  de  uitdr.  begort 
hebben,  dat  den  voortdurenden  toestand  van  het 
inA  uden  uitdrukt. 

a)  In  eigenlijken  zin.  ||  Dien  selven  tsaertere . . 
heeft  der  Jan  van  Artevelde  .  .  ghetlivreert  ende 
ghegheven  den  prioer  van  Tsaerterousen ,  met  al 
der  theere  (?)  ende  verbinde,  die  de  voerseide 
tsaertere  inhout  ende  begurt  heeft ,  Fad.  Mus.  4 ,  350. 

b)  In  bijzondere  toepassing  op  Aet  dragen  van 
een  kind,  de  zwangerscAap.  Ygl.  het  fr.  enceinte, 
dat  evenals  het  bovengenoemde  enceinte  afgeleid  is 
van  incingere,  en  stellig  niet  zonder  invloed  op 
ons  WW.  begorden  geweest  is,  althans  in  het  Mhd. 
en  Mnd.  heeft  begorden  deze  beteekenis  niet. 
Een  kint  begorden,  meestal  begort  heb- 
ben, Aet  dragen,  er  ztpanger  van  zijn.  \\  Haer 
brudegoem  ...  sal  Joseph  sijn  gheheten.  Begorden 
sal  si  een  kint  sonder  eneghen  man  bekint ,  Wrake  I , 
1672.  Eens  adtsoe  een  kint  begort.  Franc.  9465.  Over 
YI  maent  daer  nare  wart  men  an  hare  geware. 
dat  si  een  kint  hadde  begort,  Lanc.  II,  24294, 
Nu  pensic,  sone,  omme  die  dinc,  doe  dijn  moeder 
met  di  ginc,  dat  soe  seide  dese  wort:  „ie  hebbe 
eenen  wrekere  begort",  Sp.  I*,  12,  25.  Nu  heeft 
sy  boven  dien  een  kint  begort  ende  onteert  alle 
onse  gheslacht,  Sal.  e.  Mare.  37.  Yrouwen  die  kynt 
begort  hadden,  CA.  v.  WaelA.  6.  Yan  alsulcke 
vrucht,  als  Anthonie  Gerit  dochter  .  .  jegeuwoir- 
delike  begort  mach  hebben,  O.  R.  v.  Ihrdr.  2, 
186,  225.  Ist  dat  hi  .  .  .  een  w^f  slaet,  die  mit 


711 


BEGR. 


BEGR. 


712 


kinde  bekort  is  ende  hi  dat  kint  Terderven  doet,  \ 
D,  B.,  Exod,  21,  22. 

BEGOREN,  zw.  ww.  bedr.  Van  gore  (zie  ald.). 
Bezoedelen^  bevlekken.  \\  Dit  woert  minne  ende 
datter  toe  hoert ,  en  was  met  sonden  noyt  begoert , 
noch  met  ribaudien,  Wap,  Mart.  II ,  163.  —  Mogelijk 
is  het,  dat  begoert  met  de  gewone  wvlaamsche 
rekking  der  o  voor  r  een  vorm  van  begorden  is ,  in  den 
zin  van  verbinden  ^vatthechten  (vgl.  beoorden  2 ;  en 
Stroph.  Oed.  Gloss.) ,  doch  noodzakeiyk  is  het  niet. 

BEGRAMEN,  zw.  ww.  bedr.  Hetzelfde  als  het 
meer  gewone  vergramen  (z.  ald.).  Boos  maken, 
vertoornen,  vergrammen.  \\  Omdai  ie  Gode  soehebbe 
begraemt  met  sonden,  die  ie  teghen  hem  dede, 
N.  Doet.  2066. 

BEGRAVEN,  st.  ww.  bedr.  {begroef,  begraven 
of  begreven).  Mnd.  begraven-,  mhd.  begraben. 

1)  In  de  tegenwoordige  beteekenis,  zoowel  van 
personen  als  van  zaken  gebruikt,  b.v.  Rein.  I,  461 ; 
Troyen  6935;  Exe.  Cron.  S5d. 

2)  Het  trans,  graven.  Af  graven ,  graven  aan  iets.  || 
Die  wech  begravet   ochte   mans  lant,  so  dat  hem 
yemant  beclaget ,  hi  ees  om  XL  se. ,  Belg.  Mus.  6, 299. 

3)  Door  eene  gracAt  of  sloot  insluiten ,  van  de  aan- 
grenzende landerijen  scheiden.  ||  Ende  wil  die  meeste 
den  minnensten  [niet]  mede  begraven,  Dnmbar, 
Anal.  2,  319.  Daer  en  sullen  de  buer  sie  nietuth 
verwilkoeren,  begraeven  noch  verkopen ,  JtV*^.  v.  Dr, 
103.  In  den  jaer  ons  Heren  1367  begonste  Bisscop 
Jan  te  vesten  dat  Stedeken  Herdenberch  mit  plancken 
ende  dede  den  berch  slechten  ende  begraven ,  Matth. 
Anal,  3,  251.  So  sullen  wy  onsen  hof  omtrent 
begraven,  opdat  daer  nyemant  vreemdes  in  coem, 
Stemmen  86.  Mitten  huyse,  have  ende  lande,  also 
alse  dat  begraven  leecht,  zoo  als  dat  door  eene 
gracht  is  omgeven,  Nijh.  2,  101  (fl.  1367).  Op  die 
zuutside  in  den  nesse,  tieghens  den  lane  over, 
also  alst  metter  graft  begreven  is ,  O.  R.  v.  Amst.  18. 

4)  In  figuurlijken  zin.  Verschansen,  versterken.  || 
Oec  haddi  doen  begraven  Grimbergen  .  .  .  met 
grachten ,  Orimb.  1 ,  2963.  Het  (slot)  was  begraven 
alsoe,  dat  sire  niet  costen  comen  toe,  2677.  Daer 
waren  bynnen  veel  borghe,  ghevest  teghen  al  der 
lude  sorghen  op  hoghe  rochen  wel  gheset,  ghe- 
muert  ende  begraven ,  Troyen  f.  21  d.  Die  poorters 
vant  hi  onvervaert  ende  ghevest  met  enen  mure , 
ghetornet  ende  begraven  ter  cure,  Alex.  III,  606. 
Audenhoven  .  .  .  dwelc  was  wel  ghesterct  ende 
vast  begraven,  Brab.  Y.  VI,  10090.  Wie  couinc 
Alexander  sijn  heer  hiet  begraven  alom,  Alex.  I, 
(ed.  Snellaert) ,  bl.  186  titel.  Dat  si  sonder  vertrec 
senden  wt  horen  bedrive  van  elke  II  ryemen  een 
graver,  om  Staveren  te  begraven,  Oorl.  v.  Albr.  419. 
Die  gravers  die  tsloet  ter  Lune  begraefden  (het 
WW.  hier  zwak  gebruikt)  ende  die  sluce  opstoten 
ende  dammeden,  236.  Hi  stelde  sijn  armeye  met 
bussen  ende  begroeven  hem  ende  bestormden  doen 
die  stadt,  Exc.  Cron.  286  d.  Na  Sinxen  is  die 
hertoge  getogen  wt  sijn  pare  dair  hi  in  begraven 
lach ,  om  hem  te  scicken  te  striden ,  228  e.  —  Ook 
wederk.  gebruikt.  Hem  begraven,  zich  ver- 
schansen. II  Dese  liede  lagen  vergadert  nu  op  een 
berch  .  .  .  ende  hadden  hem  begraven  daer  in 
een  veste  stare,  Velth.  V,  12,  11.  Si  begroeven 
hem  daer  saen,  daer  si  laghen  up  dat  velt, 
&p.  1* ,  6 ,  14.  (Sy)  hadden  veel  grooter  bussen 
ende  veel  schermen  mede  ende  begroeven  hem, 
Matth.  Anal.  1,  416.  Des  nachts  begroeven  sy 
hem  voer  die  stede,  als  men  des  pleecht,  484.  Si 
hadden  hem  begraven  met  eender  grachte,  Exc.  Cron. 
134  a,  —  Ook  overdrachteiyk.  Versterken ,  bevestigen. 


Wederk.  gebruikt:  hem  begraven,  sieh  ver- 
sterken. II  Omme  hem  selven  wel  te  begravene  met 
vasten  vrienden  in  sijn  rike,  maecti  couinc  Diederike, 
Sp.  UI*,  36,  62.  (Hoewel  er  van  deze  beteekenis 
geen  enkel  voorbeeld  is,  buiten  deze tw^felachtige 
plaats  (zie  de  noot),  zoo  voldoet  de  lezing  toch 
veel  beter,  dan  begaven,  dat  alleen  begiftigen,  be- 
schenken kan  beteekenen). 

BEGREEP,  BEGRIJP.  Zie  begrip. 

BEGRIJPSAEM,  bnw.  Van  begripen  in  detegw. 
bet.,  in  de  uitdr.  begrijpsaem  der  reden, 
voor  rede  vatbaar,  verstandig oordeelende,  \\  Sodanighe 
menschen  zijn  oeck  sonder  vele  scriften  begrgpMem 
der  reden,  Bienb.  4^. 

BEGRIMEN ,  zw.  ww.  bedr.;  bg  ELil.  begremen, 
begriemen,  denigrare,  maculare.  Zwart  maken, 
met  pek  besmeren,  bevlekken,  bezoedelen.  Verg.  De 
Bo  1,  94  a.  II  Dat  vat  was  buten  belgmt,  endebe- 
peect  ende  begr^jmt,  datter  gheen  water  in  comen 
mochte,  Rijmb.  3467  („linivit  eam  bitumine  et 
pice").  Broosch  ende  wanc  na  den  lechame  die  lichte 
ontfaet  smette  ende  blame,  daer  hi  de  ziele  mede 
begrijmt,  Praet  834.  —  Het  verl.  deelw.  begr  jmt 
wordt  ook  als  bnw.  gebruikt  in  den  zin  van 
vuil,  smerig,  jj  Die  welke  scalc  sal  wesen  een 
begrijmt  smet,  Lucid,  2625. 

BEGRIP  (en  begriep,  begreep,  begrijp; 
verbogen  naamval  begrepe,  begriepe  en  begripé),mw. 
onz. ;  van  begripen  (z.  ald.).  Mnd.  begrip ,  begr^; 
mhd.  begrif.  In  verschillende  opvattingen. 

1.  Van  begripen  in  den  zin  van  berispen  (lie 
ald.  1,  e). 

a)  Berisping,  verwijt,  aanmerkingen. '\\  Dus  ant- 
wordi  daer  ter  stede  so  met  wysheden  ende  met 
liste,  dat  mer  gheen  begrijp  an  wiste,  „dat  men 
er  niets  op  wist  aan  te  merken,''^  Rijmb.  26358.  In 
begrijp  ende  in  verwet  van  onser  gulsecheit,  ^.III^ 
27 ,  38.  Hier  up  sullen  si  proeven  wale  dat  begrgp 
ende  scouwen ,  het  verwijt  toetsen  en  beoordeelen ,  111% 
44,  104.  Ie  kenne  ende  lie  wel,  dat  sonder  redene 
was  dat  ie  fel  in  begrype  te  huwaert  was ,  Awuati 
II,  447  (vgl.  VS.  419:  Dat  hi  u  versprac  al  sooder 
scout).  Dat  hi  begrgps  waent  wesen  vry,  Ofl 
lAed.  e.  O.  639,  691.  Ie  duchte  begrijp  van  onsen 

fhebuere,  Belg.  Mus.  3,  109,  36.  Dat  men  ver- 
raghe  liefs  begrijp  ende  piet  en  claghe ,  Vod.  Mui. 
1,  372,  19.  Als  die  waren  van  edelen  bloede  ende 
negeen  begrip  ontsaghen ,  ehevaUers  (sans  peur  et) 
sans  reproche,  Fragm.  Carl.  268.  Scuwt  scimpick 
begrijp,  ^^^'  ^V^^'  6,  337,  339.  Daer  tbegryp 
nauwe  is  {weucr  men  nauwkeurig  oplet,  of  men  ook 
aanmerkingen  kan  maken),  daer  is  de  vrientschip 
cleyne.  Spreuken  93.  —  Vooral  ge'bruikelgk  inde 
uitdrukking  sonder  begrgp  (begrip),  zonder 
dat  men  verwijten  of  aanmerkingen  maakt ,  oi  se  ie 
dttchten  heeft,  \\  Mochtic  u  dicke  comen  bi  sonder 
begrijp  ^^^  niders  fel,  soe  waric  alder  sorghen 
vri,  Vad.  Mus.  1,  390,  17.  Ie  wüdc  dat  mochten 
ghelieve  spreken  sonder  vaer,  sonder  begrgp  vu 
quaden  ghedochten,  noch  datter  niemen  en  hoorde 
naer,  zonder  de  verwijten,  de  aanmerkingen  van he%, 
die  er  slechte  gedachten  van  koesteren,  er  kwaad 
van  denken,  OVl.  Lied.  e.  Ged.  427,  48.  Den  tor 
bezien  zonder  begqjp,  243,  299.  Ie  sal  u  daer  nf 
doen  hebben  bate  .  .  .  dat  gise  bi  redenen  vel 
sonder  waen  ende  sonder  begrgp  salt  moegei 
ontfaen,  Lanc.  II,  6603.  Wi  willen  ...  dat  si 
(de  charters)  in  allen  dinghen  hebben  cracht  .  ., 
sonder  eenech  begrijp  ende  sonder  alrehande  arghe- 
list ,  Brab.  Y.  Dl.  I ,  bl.  804  {a.  1335).  Dat  ghi 
dese  wart  ghanslec   verstaet  ende  sonder  b^grjjp 


713 


BEGR. 


BEGR. 


714 


ontfaet,  L.  v.  J,  e,  1.  Bat  sQ  moghen  copen  paerde 
ende  andere  cleene  dinghen  .  .,  ende  dat  zy  dat 
weder  moghen  vercoopen  sonder  begrip,  ZFL 
Bijdr.  5,  148  (a.  1860).  Dat  men  alomme  daer  de 
dje  tebroken  is,  de  erde  somde  meughen  nemen 
sonder  begryp,  den  dyc  mede  te  makene,  InvenL 
V.  Brugge,  3,  504.  Ygl.  2,  47  en  60.  Eendere 
sonder  begrip,  een  anberitpelijk geestelijke^ Ned, 
Proza  240. 

h)  Schande^  blaam,  \\  Ne  wart  hi  dar  binnen 
niet  Yonden,  soe  mogewi  keren  te  hove  sonder 
begriep,  bi  orlove,  want  dan  selewi  .  .  .  onse 
qneste  hebben  voldaen,  Lanc,  II,  23293.  Batenich 
mensche  pleecht  des,  daer  begrip  of  arch  in  leecht. 
Lip.  III,  3,  616.  So  sont  dn  di  scamen  dan,  te 
doene  daer  begrip  es  an,  Sp,  I',  62,  77. 

2)  Yan  hegripen  in  den  zin  van  ondernemen  (zie 

ald.  2  b),  Onderneming,  \\  Wi  waren  bedroghen  daer 

mede  diat   hi   Keys   wapene   droech   doe   ende  bi 

Sagrimors  sotte  begriep  toe ,  diet  daertoe  brachte  . . . 

dat  wi  jegen  hem  josteerden  daer,  Lanc.  II,  31081. 

Hier  seldi  weten,  dat  elc  Tri  begrijp  van  moede 

ontsprinct  nte  Gode ,  animi  propoeitum  vel  coneeptum , 

Rnnsb.  1,  94.  legewelc  vri  begrijp  ochteopset,a^. 

Die  gront  ons  Trien  begryps,  liberiarbUrii^  ald,  73. 

TToorschreeTe  begrip  alsoo  by    hun   aengenomen 

ende    gedaen,    te   Terrichten,    V.    d.   Wall    661 

(a.  1444).  Daer  was  dehertoehe  .  .  .  gheTanghen, 

maer  hy  wart  haestelijc  Terlost  .  .  .  by  den  toe- 

doene  ende  stonten  begrype  Tan  den  Ylaemsschen 

heeren,  Cron,  v.  Vlaend.  2,  24.  —  Een  man  Tan 

groten  h  e^ii"^  e  ^  een  koen  en  ondernemend  man.  \\ 

Een  goet  ridder  .  .  .  ende  Tromich  in  elke  stede 

ende   Tan    groten  begripe   mede,  Lanc,  II,   6194. 

Het  was  een  man  Tan  stonten  ende  groeten  begrype, 

Cron.   V.    Vlaend,   1,    238.  —  Begrip   nemen, 

een    weg     inslaan^    zijn   koert  richten,  VgL   enen 

wek  begripen  (by  degripen  2  b),  \\  Noch  zo  stont 

hem  zyn  gedachte  een  reyse  te  doene  in  Pmsen, 

te  scaden  Littonwen  ende  Bnnssen ,  ende  zat  in  den 

Briel   op    een   scip;   in   Pmnslant   nam    he  eerst 

begrip,  Clagke  9S  (Gelre,  JVapenb,  60). 

3)  Yan  begripen  in  den  zin  Tan  omvatten  (zie 
ald,  4  a). 

a)  Het  omvatten.  ||  Scrontfnlen  te  ghenesene  .  . 
ende  dat  alle  met  sinen  begripe  Tan  der  hant. 
Jan  Tp.  136. 

b)  Omv€tng,  oppervlakte,  ||  Dat  begrip  haerre  stat 
te  cleyn  es,,  ende  zeere  bedmet  zyn ,  ^rad.  Y.  dl.  2, 
bl.  634  (a.  1378).  Hi  ghinc  daer  in  {in  den  zale) , 
ende  ombesach  se,  want  se  binnen haeren begriepe 
wonderliken  ghemaect  was,  Ned.  Proza  98. 

c)  Bij  uitbreiding.  Gebied^  macht.  \\  Om  dat  die 
hertoghe  niet  wale  en  sonde  moghen  weren  dat 
tote  alse  menegher  stat  oTer  Mase  in  dander  side , 
om  dat  dat  begrijp  sat  soe  wide,-Bra*.  F.  Y, 2724. 
Hoe  moghende  hy  was  Tan  ridderscepe,  ende  wat 
hy  had  in  synen  begrepe,  met  selTere  ende  met 
gonde  gheladen ,  Troyen  9476.  Alre  meeste  draghen 
si  {de  bijrivieren)  scepe  Tan  die  Tallen  in  haer 
begrepe,  Jlex,  VII,  1429  var, 

d)  In  concreeten  zin.  Vesting.  ||  Dese  twee 
broeders  metten  heer  Tan  Pont  horen  Tader  die 
begrepen  ende  maecten  opter  stede ,  daer  si  dit  dier 
Terslagen  hadden,  een  begrip  ende  Teste,  £xc. 
Cron,  S9b. 

4)  Yan  begripen  in  den  zin  Tan  inhoitden,  be- 
vatten (zie  ald.  4Ó).  Inhoud.  \\  Na  begripe  der 
brieTe ,  die .  daer  np  gemaket  ende  besegelt  syn , 
Ngh.  3 ,  20  (a.  1376).  Die  welcke  dese  bede  ont- 
faen    ende   wtgegeTen   hebben  na  tbegrijp  harer 


'  commissien,  Exc,  Cron.  llSc.  Na  tbegrip  ende 
dynhonden  des  .  .  charters,  Willems,  Éeng.  341. 
—  Ook  in  den  zin  Tan  rapport^  datgeen  wat  men 
te  rapporteeren  heeft.  \\  De  hoTedinghe  snllen  alle 
jaer,  als  hem  de  raet  boden  sand,  brenghen  hore 
rullen  ende  hore  begrijp  op  dat  huns  Toer  den  rade 
ende  rechten  daer  op  dat  si  anders  negheen  begryp 
en  hebben,  niets  te  vermelden  hebben^  Stadb,  v, 
Oron,  YIII,  32. 

6)  Oordeel^  beslissing^  eene  bet.,  die  de  heden- 
daagsche  nadert.  Alleen  in  de  uitdr.  staen  ten 
begripe  Tan,  in  den  zelfden  zin  als  elders  staen 
ter  claringe^  of  ter  proevinge,  ||  Dat  niement  .  .  . 
bringhe  gheen  Tleesch  binder  stede  Tan  der  Sluns  . . , 
np  tTleesch  Terbuert . .  ende  dit  staende  ten  begripe 
Tan  den  bailUu,  ZVl.  Bijdr.  3,  279,  16  («.  1389; 
doch  ook  de  bet.  berisping,  bestraffing  is  hier 
mogelijk.  Dan  behoort  deze  plaats  bij  1). 

BEGRIPELIJC,  bnw.  Mhd.  begrifenlich. 

1)  Yan  begripen  in  de  tegenwoordige  beteekenis. 
In  actieTen  zin.  Met  een  goed  begrip ,  bevattelijk, 
schrander.  \\  Dat  die  Taelman  sal  wesen  habel  Tan 
sinne  ende  begripelic  om  te  dencken  ende  te  Tinden 
alst  recht  ende  reden  heisschen,  Matth.  101. 

2)  Yan  begripen,  in  den  zin  Tan  berispen  (zie 
ald.  Ie,  a).  Berispelijk,  af  te  keuren.  \\  Begripelij  c 
mede  in  alre  wijs  so  es  ongemate  prys,  alse  wel 
alse  lachter  ongemate,  Sp,  I",  34,  106. 

BEGRIPELIJCHEIT,  znw.  Tr.  Mhd.  begriffen- 
licheit,  Yan  begripelijc  (zie  ald.  1).  Bevattelijkheid, 
begrip,  ||  Die  begripelicheit  mynre  ghedachten, 
Stemmen  169.  Als  hi  syn  onbegripelicheit  onser 
cleynre  begripelicheit  Terenighet,  161. 

BEGRIPEN,  st.  WW.  bedr.  {begreep,  begrepen). 
Mhd.  begrifen ;  mnd.  begripen.  In  Terschillende  op- 
Tattingen. 

1)  Aangrijpen,  aantasten,  aanpakken, 

a)  In  het  algemeen.  ||  Hi  begreep  tswaert  metten 
beden  handen.  Wal.  9922.  Hi  begreep  thooftende 
dwanct  an  hem,  8863.  (Hi)  begreep  dat  serpynt 
te  handen  beide  met  dauwen  ende  met  tanden, 
Lanc.  II,  29344.  Fergnut  begrepen  heeft  haren 
breidel  in  sijn  hande ,  Ferg,  4440.  Hi  deinsde  ende 
sach  een  hameide  die  hi  ben*eep ,  3766.  Hi  begreep 
enen  groten  staf,  389.  Hi  begreep  een  byl ,  Pass. 
W.  244^?.  Hi  begreep  den  poUaex  ende  slouch  den 
locarys  ontwee ,  Cron.  v.  Vlaend,  2 ,  163.  Sy  be- 
grepen de  siele  haestelike  ende  worpense  in  eene 
bernende  smesse,  Tondal,  44a.  So  begrepen  si  sijn 
hant  ende  syns  wijfs  hant,  D.  B.  Gen.  19,  16. 
Hi  stac  syn  hant  wt  ende  begrepet  zwaert,  22^ 
10.  Si  begreep  die  slippe  Tan  sinen  clede,  39, 
12.  Hi  begreep  sijns  Taders  hant  ende  pyndese 
hem  te  heffen  Tan  Effraims  hooft,  48,  17.  Die 
(wint)  begreep  alle  die  spelthanen  ende  worpse  in 
die  rode  zee,  Exod.  10,  19.  Hi  begreep  dat  calf 
.  .  ende  Terbrandet  ende  bracket  tepulTer,32,  20. 
Hi  begreep  een  byl.  Pass,  W,  24Ad,  Dat  Tuyer 
begrepen  ende  Terbamde  syn  clederen ,  2Sc.  Do  si 
opclommen  uten  water,  begreep  die  geest  des  Heren 
Philippum  ende  die  knecht  en  sachen  niet  meer. 
Es.  76 ,  Handel,  8 ,  39.  Zy  beduchten,  (dat)  men  hem- 
lieden Tan  dies  Toorseyt  es,  zoude  willen  begripen 
ende  pugnitie  begheeren ,  Invent.  v.  Brugge  6 ,  309. 
Here ,  hi  {de  visch)  begrypt  mi,  D,  B.  Tobias  6, 3.  Onse 
Here  begrepene  {Petrus  op  de  zee)  dare  ende  scaltene, 
dathi  in  twiTle  ware,  Jiyan^.  23606  9ar.  Dese  duTele 
sullen  mi  Tan  achter  begripen  ende  ten  eeuweliken 
Tiere  IcTcren ,  Tondal.  34Ï.  Begrypt  Baals  Propheten 
ende  een  Tan  hem  Inden  en  laet  niet  ontTlien, 
D.  B.  I  Kon,  18,  40.  Begryptse  leTende,  ald,20^ 


7-15 


BEGR. 


BEGR. 


716 


18.  Qhy  overtreders,  ghi  zijt  be^pen  in  dyer 
naenheyt',  in  7  nauw  gebracht^  Bern.  S.  9b.  — 
Ook  verbonden  met  eene  bepaling  met  met  of 
èi.  Iemand  beetpakken  bij.  \\  Doene  begreep  die 
viant,  metten  breydele  bine  bant,  Brand.  887. 
Antilogus  begrepene  mitten  breidele  doe,  Troyen 
3966.  Hi  was  begrepen  bi  siere  muien  so  vaste, 
ende  bi  den  voeten  vore;  al  dat  hi  pUnde  was 
verloren,  'Rein.  I,  694.  Die  goede  man  begrepen 
saen  bi  den  halsberge,  ¥erg.  2160.  Ferguut  be- 
grepen bi  den  hare,  2675. 

b)  Achterhalen^  inhalen  ^  bereiken.  Met  een  persoon 
of  zaak  in  den  4den  nv.  ||  (Hi)  volghede  hem  na 
seven  daghen  ende  hi  begrepen  inden  berch  van 
Galaad,  D.  B.  Gen.  31,  23.  Alstuse  begrepen 
hebste,  so  selste  hem  segghen:  Waer  om  hebt 
ghi  quaet  voer  gnet  ghegheven?  Qen.  44,  4.  Die 
viant  seide:  Ie  salse  navolghen  ende  begripense, 
Exod.  16,  9.  Te  hant  als  hien  begrijpt,  sal  hien 
slaen ,  Num.  36 ,  19.  Niet  dat  ie  te  hants  volmaket 
bin  .  .  mer  ie  volghe ,  op  dat  ie  begripen  moghe , 
daer  ie  in  begrepen  bin  van  Christo,  Ei.  75, 
Thilipf.  3,  12. 

c)  Vijandelijk  aangrijpen ,  aanvallen.  Met  den  4den 
nv.  van  den  persoon  of  der  zaak. 

a)  Met  een  pers.  als  ondw.  ||  Wouter, het  scijnt, 
dat  ghi  gherne  soudt  begripen  mi,  mochti  mi 
ghevenden  bloot,  Teest.  790.  Duillius  hevet  up 
eenen  dach  Haniballe  aldaer  begrepen  met  C  ende 
LXX  scepen,  Sp.  I»,  19 ,  43.  Die  van  Rome  streden 
met  scepen  ende  versloegen  ende  begrepen  die 
van  Carthago,  19,  6  {zij  grepen  de  Carthagers 
aan  en  versloegen  hen^^^  met  den  in  het  Mnl.  zeer 
gewonen  prothmteron).  Doe  qnam  hi  voort  te  Mofllee, 
dats  ene  stat,  staet  up  die  zee;  hi  hadde  met 
X<=  scepen  ter  see  waert  die  stat  begrepen ,  ende 
te  lande  waert  beseten  met  meneghen  deghene  ver- 
meten, Alex.  V,  719.  Dat  die  oude  Hanibal  met 
LXX  grotere  hooftscepen  Ytalen  hadde  al  begrepen, 
Sp,  I»,  19,  12.  Die  van  Cartago  worden  begrepen, 
ald.  22 ,  18.  Dus  nauwe  eist  dien  van  Rome  gescepen 
ende  dus  heefse  Hanibal  begrepen,  32,  31.  Haer 
gheselscap  bleef  by  den  scepe,  op  aventuer  oft 
ymant  begrepe ,  Troyen  f.  42<z. 

(i)  Met  God  als  ondw.  Straffen^  tuchtig  en.  ^Ya^ 
wilt  mi  niet  begripen  sere  in  grammen  moede, 
Boetps.  38,  1.  Ie  en  souds  ghenesen  nemmermeere, 
begrepe  mi  dine  gherechticheit,  OVl.  lAed.  en  G. 
6,  108. 

y)  Met  eene  zaak  als  ondw.,  b.  v.  eene  ziekte, 
een  ramp,  enz.  Aantasten^  trej^en^  bevangen.  \\ 
Marciaen  wert  eer  iet  lanc  metten  cortse  begrepen 
sware,  iSjp.  II*,  18,  130.  Up  eenen  Saterdagh, 
omtrent  den  avent,  begreep  haer  eenen  cauden 
curis,  Belg.  Mus.  6,  168.  So  wertse  met  eenen 
strangen  coorts  begrepen ,  Exc.  Cr  on.  SOb.  Dat  my 
machschien  enich  quaet  begrijp ,  soe  dat  ie  sterve , 
D.  B.  Gen.  19,  19.  Du  wetes  alle  die  pine,  die 
ons  begrepen  hevet,  Num.  20,  14.  Of  die  Here 
mit  ons  is ,  waerbi  hebben  ons  dese  quade  dinghen 
begrepen ,  Recht.  13,  23.  Doe  sij  wech  ghetijt  waren , 
soe  begrepen  (/.  begreep)  Godes  vrese  alle  die 
steden,  die  omtrent  daer  waren,  Gen.  36,  5.  — 
Metter  doet  begrepen  sijn,  stervende  zijn.  \\ 
Daer  liep  (/.  liet)  menich  ors  al  manc  syn  darme 
achter  velde  slepen ;  metter  doet  waren  si  begrepen , 
Velth.  IV ,  36 ,  36. 

rf)  Iemand  voor  het  gerecht  dagen ,  hem  in  rechte 
betrekken^  arresteeren.  \\  Dat  hy  hem  te  bet  sal 
verhoeden  te  seggen  of  te  doen,  datten  rechter, 
den  tscependom  of  der  steden  recht  tegendroech , 


dair  hy  om  begrepen  ende  bescadicht  mocht  worden, 
Matth.  143. 

e)  Aangrijpen^  in  moreelen  zin. 

a)  Met  den  4den   nv.  van  den  persoon.  Gispen^ 
laken  ^  berispen  j  terechtwijzen,  onder  handen  nemen.  || 
Nu  verstaet  elc  ende  begrype  mi  niet,  Amand  II, 
270.  Daer  hise  vriendelike  begreep  ende  castiede 
daer  of,  VI.  Rijmk.  3258.  Daer  si  den  keyser  heeft 
vernomen ,  dien  si  begreep  niet  alse  die  blode,  Sp. 
II*,  3,  96.  (Hi)  ginc  maken  feeste  vele  . . . ;  hieraf 
begrepenne  II  heilege  man,  II*,  29,  32.  Al  es  het 
waer,  hen  doghet  niet,   te  begripene  dinen  heere, 
Praet  2339.  Datmen  verwite   elc  anderen  ende  be- 
gripe ,  niet  in  felheden ,  maer  in  spele,  Vad.  Mtu.  1, 
372,  16.  Virgilius  die  wert  begrepen ,  ende  menich 
ander,   in  horen  dichten,  van  vulen  ongheleerden 
wichten,  MLoep   II,  620.    Die  wise  Salemoen  be- 
grijpt die   gheenen  die  dit  doet,  Bonc  v.  Sed.  88. 
Al   begripic    die   grongaerde    ende    die    dorpren, 
Rein.  I,  32.  Als  u  vrient  bedroeft  es,   dan  en  be- 
grijpten    niet,   Doet.   II,    2074   var.    Nyemen  en 
begripe  mi  in  dien,  dat  ie  dit  segghe  van  goeden 
vrouwen,  V,  d.  wiven    108.  Ne  begrgpten  niet  in 
sceme,   Denkm.   3,  178,  29.    Dat   ghine  begrgpt 
met  dommen  sinne,  Parth.   1568.  Vele  liedc  sjn, 
die  poghen ,  hoe  si  andre  begripen  moghen ,  Lsp.  U , 
43 ,  41.  Die  die  liede  meest  begripen ,  men  mach  se 
metten  selven  nipen,   Theoph.    47.  Niet  begripen 
anders   daet,  OVl.  Lied.  e.  G.  289,  1646.  Ooc  be- 
grepen sine,   alsi  saghen,   dat  sine  jongers  niene 
plaghen    te   vastene,   Rijmb.    23107.    Si  begrepen 
Onsen  Here,    dat   hi  at  metten  sondaren,  23100. 
Dat  u  vriende  u  dorren  vrylicken  begripen  ende  n 
ghebreken  thonen,  Exc.  Cron.  116 «.  Sgtvanlnttcl 
woerden,  soe  en  seldi  niet  begrepen  sijn,  Stemmen 
129.    Vgl.  verder   Troyen    3006;  Sp.  II«,  14,  60; 
ïVrake  I,  32,  1282;  Melib.    3313   var.]  Amand  l, 
1378;  enz.  —   De  persoon  wordt  ook  met  op  Ter- 
bonden.  ||  Begripende  gracieus  ende  coen  was  Amand 
op  die  heydine ,  Amand  1 ,  2478.  —  Ook  met  den 
2den  nv.  of  eene  bepaling  met  in  of  van,  ter  aan- 
duiding der  zaak,  waarin  men  iemand  berispt.  || 
Lanceloet  sat    ter  taflen,  daer   hi  lettel  at,  vant 
hi  altoes  in  ghepeyse  was,   ende  die  cnape  begrp- 
pene   das ,    Lanc.    II ,   26692.  Dat   hem  die  sfilke 
niene   betien,   dat  hi  sprake  uut  heresyen,  daer 
men    hem    in   begrepe   iet,   Lsp.  Il,  44,   89.  Die 
u   wilde   begripen   van  den  zeden ,    Rosé  C  5432. 
Begrüpse  niet   van  hare  zeden,  Boue  v.  Sed.  384. 
Om  aatmen  se  sonde  in  bloetheden  begripen,  Lane. 
III,    1169.    Van   goedertierheit . . . .    ne   machmen 
begripen  niet,  wat  goedheid  betre/t,  kan  men  nktt 
op  hem  aanmerken,  ubi  ?  Vorsiene ,  diet  lesen  hoorde, 
begreep  mi  daer  van  eenen  woorde ,  O  VI.  Lied.  e.G. 
280,   1377.    Begr^pt  di  iemant  van  dine  mesdaet, 
OVl.  Ged.  3,  113,  63. 

P)  Met  den  4den  nv.  der  zaak.  Aanmerkingen  méie» 
op  iets,  het  laken.  ||  Daerombe  sonde  deen  den  ander 
raden  dinge  die  niet  te  begripen  waren ,  Merl.  15700. 
Dat  hem  emmer  begripens  lust  mijn  gedichte  ende 
mine  wort,  Rijmb.  76.  Clenemesdaet  begrijptiserc, 
van  groten  maecti  gheen  parlement ,  26522.  Eer  dn 
spreex ,  besie  dine  wort ,  dat  niet  en  begripe  die 
ghene  diet  hort,  Bouc  v.  Sed.  266.  Al  die  werelt 
sal  dit ... .  ane  u  begripen  harde  sere ,  ende  meo 
saels  u  spreken  onnere,  Lanc.  IV,  8614.  Pander 
begreep  sinen  onsede,  -Sjp.  I^ ,  29,40.  Dat  sgn leren 
noch  sijn  leren  niement  en  mochte  blameren  noch 
begripen  daer  toe  mede  metter  waerheit,  Lsp.lH^ 

6 ,   25.  Lieden  van  gheesteliken  abite snllen 

begripen  mine  woort ,  1 ,  26 ,  97.  Daerom  en  sal  dese 


717 


BEGR. 


BEGR. 


718 


woortnlemantbegripendiese hoort,  II,  6,  85.  Hoe 
dat^i  moghoD  begripen  dat  dichters  briiighen  voort , 
Prol  31.  Oec  en  saldi  begripen  niet,  wat  ghivan 
hem  hoert  of  siet,  Melib.  1111.  Datmen  hore  dolin- 
ghe  sal  begripen  ende  souwen  over  al ,  Doet.  II , 
109  var.  Hoedt  uwe  woerde  nauwe,  dat  ghi  niet 
en  segt,  dat  si  begripen  raoghen  ofte  dies  si  ghe- 
ergert  werden,  Ruusb. 4,86.  (De Phariseën) saghen 
someghe  van  Jhesus  jongren  met  ongewasschen 
handen  eten.  Dese  quamen  te  hem  ende  begrepen 
dit,  L.  V.  J,  c.  112.  Dat  men ....  desen  brief  yet 
begrypen  moghe  ofte  laken,  Nijh.  2,  6  («.  1343). 

H)  Met  den  4den  nv.  van  den  persoon  of  der  zaak. 
Weerleggen^  iemands  woordden  bestrijden.  ||    Int  dis 

pateeren begrepenne   Baselijs  daer  .  .  .  .; 

dat  horden  andere ;  doe  seiden  si :  „o  philosophe , 
wie  begrijpt  di?"  Sp.  II',  72,  33.  (Seneca)  waste 
begripene  coene ,  aldaer  hem  de  heidenen  an  houden , 
IP,  10,  34. 

J)  jLiniait^n^  innemen^  bezielen^  in  het  pass.  || 
Met  meerren  moede  warti  begrepen,  te  verdrivene 
aten  lande   de  felheit  vanden  ouden  viande.  Franc. 
1178. 

2)  Aanvatten^  in  de  hand  nemen. 

a)  Eigenlijk.  ||   Ghi  hebt  een  glasen  werc  begre- 
pen, dat  broosch  is  ende  onghestide,  Hild.  124, 26. 

b)  Overdrachteiyk.  Ter  hand  nemen  ^  ondernemen , 
op  het  touw  zetten y  onderstaan,  het  plan  vormen.  \\ 
Ghi  snit  met  u  nemen  lieden,  die  vroet  sijn  ende 
conncn  bedieden  die  wet . . ,  want  allene  waert  u  te 
fel  te  begripene ,  Amand  1 ,  2326.  Nu  willic  u  seggen 
vort,  wes  (d.  i.  waf)  hi  begreep  met  groter  vromen , 
Brab.  Y.  VI,  1564.  Grote  sotheit  hebdy  begrepen, 
bestaet  ghys ,  Troyen  429.  Aldus  antworden  Apollijn : 
morghen  ganc,  dat  is  die  wille  mijn,  so  du  yerst 
moghes  ten  soepen   {^Hs.  Griecken) ,  die  dit  orloghe 
hebben     begrepen,     Troyen  f.   53  a.    Omdat    sy 
goede  ridderscepen  bi  der  mynnen  rade  begrepen, 
Troyen   2847.    Hoe    dorstuut    oyt   begripen  wale, 
dattu   my   hier   souds   be.staen,   10647.  Dat  opset, 
dat  ghi   hebt  begrepen,   MLoep  I,   1855.  Alsmen 
begrijpt  der  minnen  list,  2127.  Bedie  begreep  hi 
wonder  groot,    Parfh.    5306.    Die    over    zee   die 
crnce  ontfaen ,  eer  hijt  begripe ,  bepense  hem  wel , 
Boue    V.    Sed.  372.  Wye  dat  buten  sinen  maghen 
veel   begrijpt  ende  hem  dat  misgaet,  Hild.  198, 
68.    Nu     hort    watse   heeft   begrepen    te   secgene 
onder  die   genote,   Velth.  II,  19,  48.  Hi  begreep 
een   bedevaert    over   tmeer   ten   heilighen   grave, 
ClagheH  (Gelre,  Wapenb.  58).  (Amand)  bat  ootmoede- 
like  onser  heere ,  dat  hi  hem  ghesterken  wonde  in  dat 
hi  daer  begrypen  sonde ,  Amand  II ,  2086.  Wat  hi  be- 
grijpt, Overzee  141.  Gheraet,  wat  wy  begrepen,  OVl. 
Lied.  53,    8.  Dus  eist  begrepen,  Sp.  IV»,  8,  34. 
Als  sy  dat  werc  aldaer  begrepen  ende  opgeslagen 
hadden ,  Matth.  Anal.  3 ,  335.  Dat  wi  sonderlinghe 
hoge  saken  begrepen  hebben,  Nijh.  1 ,  418  (a.  1340). 
Waert  .  .  dat  die  stat  enech  ander  orloge  begrepe , 
V.  d.  Wall  458  {a.  1418).    Dat  hoert  den  scouwen 
toe,   dat    men   mit   st-adighen  ghepense   begrepen 
heeft.    Stemmen   142.   Als  syn   vader  noch  leefde, 
8o  was  dat  huwelic  begrepen  tusschen  hem  ende 
vrou  Marie  grave  Lodewijcx  dochter,  Exc.  Cron.  124«. 
—  Met  eene  bepaling  met  m,  b.v.  in  het  hart, in 
den  zin ,  heeft  begripen  de  bet.  van  het  plan  vormen, 
overleggen.  ||  Doe  begrepen   die   Scriben  ende  die 
Phariseï  in  hare  herte,   dat  sine  doeden  souden, 
Rnusb.  2,  154.  Die  jonge  coninc  Karel  in  den  sin 
begrepen    hadde,   dat   conincrijck    van   Napels   te 
conquesteren ,  Exc.   Cron.  263a.  —  Die  zee  be- 
gripen,    eene    zeereis    ondernemen,  ||   Bi     wilen 


ruste  hy  een  jaer  off  twee,  eer  hi  weder  begreep 
die  zee,  MLoep  IV,  1451.  —  Enen  wech  be- 
gripen, een  weg  inslaan.  \\  Hy  heft  met  XL  soepen 
den  wech  te  Troyen  wert  begrepen,  Troyen  f.  35  c. 

c)  Aanvaarden,  vrijwillig  op  zich  nemen.  \\  Si  hilt 
ewelijck  . .  suverheyt . .  ende  begreep  willich  armoede, 
ubi? 

d)  Instellen,  oprichten.  \\  In  voirleden  tiden,  in 
der  eren  Goids  ende  in  rechter  aelmissen  een  gast- 
huus  begrepen  ende  gheordineert  is  bi  goeden, 
eerbaren  personen,  Letd.  Keurb.  489,  11.  Datmen 
voirtan  geen  susterhuysen  of  geestelike  huysen 
binnen  der  vrijhede  van  Leyden  meer  begrijpen  en 
sal,  491,  14. 

3)  Ontvangen,  aannemen,  nemen.  \\  (Het)  ont- 
fanghet  ende  begrijpt  lichtelike  een  roeste  smette , 
Nat.  BI.  Xni,  132.  Bi  vele  lachene  endetonstede 
begrijp  men  int  herte  domhede,  wordt  men  stomp 
van  geest  (?) ,  Bouc  v.  Sed.  99.  Hier  naer  de  selve  . . 
die  begreep  in  huwelike  Baoult  dochter  van  Neele , 
VI.  Rijmk.  5989.  Loept  also  dat  ghi  (den  loen) 
begrypt,  Hs.  75,  l  Cor.  9,  24.  Alle  lopen  si ,  maer 
een  begrijpt  die  crone;  also  loopt,  dat  ghi^^  be- 
grijpt, üs.  V.  1348,  52c. 

4)  O  ingrijpen ,  eigenlijk  en  overdrachtelijk  ,  dus 
zoowel  omvatten,  omvangen,  als  bevatten,  inhouden.  \\ 
Wat  siere  in  (m  de  schelp)  begripen  can,  dat 
blijft  doet  al  gheheel.  Nat.  BI.  V,  850.  Noit 
man  mi  mochte  begripen,  hoe  wijt  hi  die  hant 
hadde  tier  tijt  ende  hoe  groet,  Lanc.  III,  7998. 
Doen  drie  daghe  waren  leden  . . ,  begreepse  een  wolke 
zaen  .  .  ende  voerese  over  die  Jordane,  Lsp.  II, 
36,  2039  var.  Hi  begreep  hem  om  den  hals  ende 
custen  ende  weende,  D.  B.,  Gen.  33,  4.  (Dbouc) 
mach  niet  begripen  al  dat  men  mach  segghen  ende 
spreken  met  monde,  Livre  d.  Mest.  1.  Soe  heeft  hi 
allen  menschen  ghescepen ,  daer  wonders  veel  in  is 
begrepen ,  Hild.  189 ,  25.  Hi  ducht  voer  die  scrifture, 
maeet  hijs  niet  goet  ende  pure  dattie  scrifture  be- 
gripen sel,  117,  17.  Gelyc  die  kueren,  die  dair 
of  sijn,  dat  genoich  begripen.  Leid.  Kettrb.  204, 
41.  So  die  brieve  begripen,  28,  17.  Alle  de  renten 
.  .  begrepen  in  onsen  brieven  vors. ,  Brab.  Y.  Dl.  2, 
bl.  553  {a.  1357).  Also  dat  begrepen  staet  in  die 
brieven,  daerop  gemaect,  Exc.  Cron.  IZld.  So 
begreep  dan  dese  cednle,  183^^.  Om  der  saken 
ende  faiten  willen  begreepen  in  den  voirscreeven 
bedachten,  V.  d.  Wall  572  («.  1444).  Gel  ij  oker  wijs 
dat  die  vorgen.  bryeve  .  .  inhanden  ende  begripen, 
Nijh.  3,  16  (ff.  1372).  In  enen  open  brieve  .  ., 
gelijc  alse  die  dat  inhelt  ende  begrijpt,  77.  So 
wanneer  hem  also  vele  gelts  van  den  gesticht 
weder  gegeven  worde ,  als  die  brief  begreep ,  Matth. 
Anal.  3,  295.  Ie  minne  een  licht  dat  blenct  in 
mijnre  sielen ,  dat  gheen  stat  en  mach  begripen , 
jS^www»  176.— Begrepen  \i^\ihQiL,omvat houden, 
bevatten,  \\  Alle  vruchte,  jono  ende  out,  die  de  werlt 
heeft  begrepen ,  Hild.  174,  11.  —  Begrepen  sijn 
in  ere  stat,  zich  op  eene  plaats  bevinden.  \\  Hi 
en  heeften  niet  ghescepen  in  sulken  stade  te  sijn 
begrepen,  al  daer  die  bose  meester  is,  Hild.  163, 
101.  Worden  wy  in  duustemis  begrepen,  der  oghen 
licht  is  ons  versperret,  223,  16. 

5)  Bezetten,  beslaan. 

a)  Eigenlijk,  eene  ruimte.  ||  Hi  riep:  die  Tybre 
is  begrepen  algader  mitten  Troyeschen  soepen, 
Troyen  f.  276^.  Wonder  haddens  die  Latyne, 
dat  sy  eer  der  sonnen  schyne  die  haven  saghen 
begrepen  {üs.  begreven)  ter  zee  wert  mit  veel 
soepen,  269c.  (Hi)  hevet  die  zee  begrepen  met 
IIII"    ende    VIIP  soepen,   Sp.  III*,  14,  59  (vgl. 


749 


BEGR. 


BEGR. 


720 


I*,  19,  25).  Hi  hevet  die  see  bedect  met  scepen, 
ende  dlant  met  tenten  al  begrepen,  Alex.  lY, 
223.  Een  yloet  van  CC  scepen,  daer  hi  mit  hadde 
begrepen  altenengader  dat  Swin,  Edeio.  1107. 
UÏÏxes  qnam  ende  syn  Inde  ende  heft  met  L 
soepen  voer  theer  tlant  begrepen,  Troyen  f.  &2d. 
Si  hadden  tlant  begrepen  met  ridderen  entie 
zee  met  scepen,  Sp.  I*,  16,  13.  Menelans  qnam 
hem  lieden  te  hnlpe  .  .  .  ende  hi  begreep  dat 
velt,  Troyen  Vh.  33d.  Als  die  Hertoghe  van 
Brabant  .  .  .  mit  vele  volx  nyt  sinen  steden 
van  Brabant  qnam,  begrepen  si  dat  velt,  Matth. 
AnaL  3,  369.  —  Éne  stat,  ene  herberghe 
begrip  en,  eene  sfad,  een  logies  betrekken.  \\ 
Die  Troyene  ginghen  njtten  scepen;  haer  herberghe 
hebben  sy  begrepen  daer  sy  wel  waren  ontfaen, 
Trayen  f.  33a.  Hertoghe  Jans  vrienden  die  be- 
grepen die  verbemde  stede  ende  bleven  dair 
leggen,  Matth.  Jnal.  3,  389.  (Si)  hebben  die 
stat  weder  begrepen,  gerepareert  ende  getimmert, 
Exc.  Cron.  2180.  —  Sine  woenstat  begripen, 
zijne  woonplaats  vestigen.  \\  (Hi)  qnam  van  Ludic  . . . 
ende  begreep  siin  woenstat  tsinte  Geerden  berge , 
Clerc  141. 

b)  In  bezit  nemen.  ||  Lodewyc  .  .  trac  ter  marct, 
begreep  dat  schepenhnns  ende  stac  sinen  standaert 
ten  scepenen  hnnze  nnt,  Cron.  v.  Flaend.  1 ,  226. 
Hi  begreep  terstont  der  stadt  hnys  ende  hi  track 
af  de  banier  des  graven  van  Ylaenderen ,  Exc.  Cron. 
141  rf.  Die  edel  Vranc  van  Troyen ,  die  tlant  biden 
Riin  eerst  begreep,  Clerc  8;  vgl.  9.  Als  hi  dus 
binnen  der  stad  was  comen,  rechtvort  .  .  begreep 
hi  der  heeren  huns,  JBrab.  T.  VI,  1666. 

c)  Vullen^  vervullen.  \\  Galeiden,  die  waren  be- 
grepen met  een  deel  goeder  liede,  Velth.  IV, 67, 
48.  —  Vooral  gebruikelijk  in  het  verl.  deelw.  in 
fignuriyken  zin:  begrepen  met  of  van  ere 
dinc,  met  of  van  iets  vervuld.  \\  Doe  wart  ont- 
steken die  wigant,  ende  met  torene  begrepen  te 
hant.  Ren.  1816.  Dat  ie  met  siere  doet  ben  be- 
grepen met  rouwe,  niet  met  bliscepen,  Lanc.  IV, 
8901.  Hi  werd  doe  begrepen  metter  airemeester 
bliscepen  van  der  werelt,  Lanc.  IV,  12871,  Als 
een  van  dranke  is  begrepen,  JDoct.  1364  var.  So 
wiere  mede  {met  minnen)  begrepen  is,  hi  wert 
ghepijnt,  Parth.  6667.  Ie  wart  so  begrepen  met 
uwer  minnen,  820.  Begrepen  met  so  groten  rouwe 
3610.  (Si)  wart  een  lettelkijn  begrepen  van  siere 
minnen ,  2880.  Begrepen  met  groten  vare ,  Lsp.  Il, 
36 ,  1722.  Begrepen  met  rouwen  ende  met  erscepen, 
Lanc.  II ,  3265.  Nuttelijc  sijn  in  vroetscepen ,  daer 
eist  goet  sijn  met  begrepen,  i^.  I«,  66,  76.  Met 
serecheden  begrepen,  Velth.  VII,  18,  40.  Die  met 
minnen  waren  begrepen,  Trof/en  2900.  Dat  hi  mit 
honger  is  begrepen,  Lticid.  4086.  (Sy)  voeren 
ten  groten  scepen,  die  mit  sorghen  waren  be- 
grepen, Troyen  f.  2ö3a.  Doe  wert  hi  ontsteken 
ende  begrepen  met  grooter  begheerten  om  die 
wapen  te  cryghen,  Troyen  Vb.  \^a.  Wy  selen  .  . 
met  minnen  begrepen  worden,  Ruusb.  3,  262.  Si 
waren  alle  metter  giericheyt  begrepen,  Ned. Proza 
212.  Mit  pinen  begrepen ,  Hs.  71,  Matth.  4,  24.  —  So 
begrepen,  met  zulke  gedachten  vervuld^  zoo  ge- 
stemd. II  Die  coninginne  es  tongemake  ende  so  begre- 
pen . . . ,  wine  mogense  niet  spreken  nu ,  Lanc.  IV , 
2960.  —  Ook  met  eene  bepaling  met  in.  Vervuld  zijn 
van.  II  Ie  ben  seker  dat  noit  begrepeu  ward  Lanceloet 
ter  coninginnen  wart  in  gepense  van  minnen  dorper- 
like ,  Lanc.  IV,  1619.  Ie  biddi ,  Here ,  op  oetmoet ,  dat 
ghi  in  evelen  moet . .  van  mi  begrepen  niet  en  moet 
sijn ,  Boetps.  6 , 1  (de  tekst  heeft  in  dinen  evelen  moet, 


maar  de  bedoeling  is:  Dat  gij  niet  vervuld  moogt  zijn 
van  toom  jegens  mij\  Ie  was  bi  u  begrepen  in  soe 
groter  bliscepen,  daer  gi  mi  ute  hebt  gewerpen 
nn,  Lqgie.  IV,  12887.  Dat  wy  in  soe  menige 
ongevallicheyt  zyn  begrepen ,  Bern.  W.  122a.  In 
groter  noot  begrepen  ende  in  ancsenen  groot ,  Partk, 
6972.  Daer  wul  die  viand  so  begrepen  in  nide  np 
hem,  Jmand  I,  3677.  —  In  den  rechte  be- 
grepen sgn,  ziek  met  het  recht  bezig  kouden,  || 
Baeliuwen ,  schouten  ende  schepen,  die  inden  rechte 
sijn  begrepen,  die  sullen  doen  hoers  heren  bot, 
Hild.  216,  131.  —  Vooral  verbonden  met  een 
znw. ,  dat  eene  gedaekte  of  een  voornemen  uitdrukt. 
II  Daer  sach  hi  enen  Moriaen  begrepen  in  een 
duUen  waen ,  Hild.  43, 56.  Die  soudaen  voer  begrepen 
in  dien  waen,  dat  hi  Melioer  hebben  soude,  PoriA. 
8004.  Vaste  begrepen  in  den  wille,  dat  hi  die 
sake  sonde  bestaen,  2687.  —  In  dien  be- 
grepen sQn,  ergens  van  vervuld,  er  opvitsijn.\\ 
Hi  wilde  zinen  gheselle  zien  ende  bleef  begrepen 
vaste  in  dien,  ende  bereedde  zine  vaert,  Bloeml. 
3,  9,  17.  Wi  syn  oec  in  dien  begrepen,  dat  wi 
ons  wel  willen  wreken,  Troyen  3008  var.  (Claris) 
was  emmer  begrepen  in  dien ,  dat  si  gheme  hadde 
ghesien,  dat  verholen  ware  bleven  die  minne, 
Flor.  3168.  (Ie)  ben  nu  bi  redenen  in  dien  be- 
grepen ,  dat  ie  justicie  sal  doen  baren  op  hen ,  die 
overhorich  waren  myns  geboots,  BH^e.  v.  Mar. 
292.  Die  in  dien  altoes  begrepen  waren  daer,  dat 
si  den  anderen  reden  naer,  Orimb.  1 ,  2682.  Welna 
ben  ie  in  dien  begrepen ,  dat  ie  u  wil  doen  slepen, 
Troyen  f.  2bb.  Si  worden  in  dien  begrepen,  dat 
syt  (het  kout)  daden  slepen  uter  doren ,  V.  d.  Honie 
617.  —  Ook  met  weglaUng  van  in  dien.  ||  Noch 
was  die  tymmerman  begrepen ,  dat  h^s  ynuner 
vermanen  wilde  .  . ,  dat  hi  dat  liedek^n  hadde 
ghesonghen,  Hild.  38,  206. 

6)  Vangen,  betrappen,  overvallen,  —  a)  in  het 
algemeen.  ||  Tis  eene  ghemeenlike  zake,  dat  dat 
den  vrouwen  dunct  een  wrake,  als  si  den  man 
begripen  moghen,  MLoep  IV,  2193.  Daer  seyden 
si,  dat  si  Suzanne  hadden  begrepen  mit  enen  manne, 
II,  2627.  Onder  haghen  ende  onder  linden  .  . 
croop  si  over  voet  ende  over  hande  om  den  man 
te  begripen  aldair,  IV,  2180.  Al  bin  ie  hier  be- 
grepen in  deser  stadt,  ie  wil  my  vrien,  Hild.  19, 

66.  Ende  hi  wart  van  scaemten  roet,  want  hi  hem 
so  begrepen  vaut.  Franc.  6060.  Hi  .  .  wart  be- 
grepen inden  snee  biden  voetstepen,  Sp.  IV',  46, 

67.  Die  nacht  hevet  mi  hier  begrepen ;  laet  mi  hier 
bliven,  III*,  26,  18.  Si  begrepene  in  haer  strec, 
Rijmb.  7114.  Dees  man  wart  met  eer  hasteger  doet 
begrepen,  D.  War.  3,  163,  189.  Alse  hi  (&en  pas 
zoeken  began,  begrepen  die  riviere  an  zinen  danc, 
Lsp.  I,  41,  61  var.  Alse  hem  dorloghe  begrepe, 
Sp.  I*,  24,  17.  Een  wgf  in  overspil  begrepen, 
Us.  71 ,  Jok.  8,  3.  Ie  sal  die  wise  begripen  in 
hare  sealeheit,  JSs.  76,  I  Cor.  3,  19.  —  Ook 
in  den  zin  van  iemand  in  zijne  woorden  vtmgen^ 
iemand  strikvragen  doen.  ||  Sulke  volg^den  hem 
ende  sochten,  of  sine  iet  begripen  mochten,  8p. 
V,  9,  33  (Vine. :  volentes  eum  capere  in  aliquo 
verbo  et  facto  et  aeeusare). 

b)  In  juridischen  zin.  ||  Begrijpt  men  metter 
dieften  snel,  soe  sal  hi  III  vont  aUoe  veel  goeds 
voor  die  diefte  gheven,  X  Plagk.  1587.  Waen 
sake,  dat  enieh  mensche  worde  begrepen  met 
dieftegen  guede,  Overijs.  Beckt  I',  162.  Wairt 
dat  yemant  van  den  poirters  van  Gorinchem  torff 
haelden  anden  moeren  ende  dair  mede  worde  be- 
grepen,   V,    d.   Wall   677    (a.    1446).    Die  hadde 


721 


BEGR. 


BEGR. 


722 


▼erboerd  sgn  hoefd  ende  sjgn  goed  ofmenbegrepe 

erghen  in  onzen  lande,  125  (a.  1303).  So  wie  be- 

dngen  worde  of  begrepen  mit  onrechter  mate  of 

mit  onrechter  wage,  Leid,  Keurb,  53, 11.  So  wie  . . 

die  irateren  onrejnde,  dat  scepenen  kenlic  wair,  of 

begrepen   worde   mit  twien   poirteren,  verbnerde 

12  SC.  Ende  wie  enighe  ynylnisse  dair  in  dede  bi 

nachte  .  . ,  die  dair  of  begrepen  worde ,  verbnerde 

2  scatte  boete,   7,  22.  Wert  eens  papen  dochter 

begrepen  in  onkuysheden,  D.  B. ,  Levit  21 ,  9.  So  wie 

den    anderen   npten   heyligen   {onder  aanbod  van 

tenen  eed)  begreepe ,  daer  hjj  niet  mede  en  wonne , 

Terbuerde  III  fi,  O.  K.  r.  Delft  I,  9,  10(vgl.bl. 

7,  10:  Item  die  den  anderen  npten  heiligen  begreep). 

Metter  mesdaet  begrepen,  op  heeter  daad  betrapt^ 

Invent.  v,  Brugge  2 ,  53.  Daer  menne  metter  yersker 

daet  begripet,   O,  R,   v,  Amet,  7.  Ende  hi  mitter 

Terscher  daet  begrepen  worde,  14. 

7)  Op  ééne  plaats  komt  begripen  wederk.  voor, 
in  den  zin  van  giek  vergrijpen,  nl.  Lorr.  111,6.  || 
6hi  sont  ontgelden  teser  tgt,  dat  gi  mi  dns  logen- 
streept;   ie   wane  gi  n  daer  in  begreept.  —  Vgl. 

BEORIPENESSE. 

Aanm.  —  Wat  begripen  beteekenen  moet  Velth. 
ly,  56,  87:  „So  wel  gescepen,  ende  den  lichaem 
80  edelike  begrepen,  hets  tscoenste  hondekyn, 
dat  ie  kinne,**  is  moeil^k  te  zeggen.  Het  beste  zal 
zjfn,  het  gebmik  van  begrepen  te  dezer  plaatse 
voor  rekening  van  den  schqjver  te  laten,  en  aan 
j,reimnot^^  toe  te  schrgveu. 

BEGRIPENESSE,znw.  vr.  Vgl.  begripen,  7). 
Misgreep ,  vergrijp,  mitdrijf.  \\  Ëlc  onser  spiegele 
hem  in  desen  ende  peinse  dat  hi  bescnldich  wesen 
mach  van  deser  begripenesse ,  Amand  I,  5443. 

BEGRIPER,  znw.  m.  Mhd.  begiifare.  Van 
begripen  in  den  zin  van  berispen  (zie  ald.  \e,  a). 
Berisper,  Vooral  in  den  slechten  zin  van  iemand  die 
«ummerkingen  maakt,  verwijten  doet,  iemand  hekelt 
en  daarvan  zijn  dagelij ksch  werk  maakt.  \\  Dn 
(JoAannes  de  Dooper)  waers  begripere  der  zonde, 
OVL  Lied.  e.  O.  24,  69.  Gene  es  der  valsceit 
bringere,  loes  ende  viant  der  simpelhede,  ende 
begripere  der  liede  mede,  Sp.  I*,  38,  14.  Ne  wes 
geen  vragere  te  groet,  noch  begripere  te  bloot, 
I*,  36,  137.  Omme  dat  si  begripers  waren  ende 
si  niemen  en  wilden  sparen  .  .,  dies  heetmense 
Satyriene,  1*,  76,  27.  Men  vindt  dat  dese  heilege 
sant  eens  hadde  een  vogelken  in  de  hant  .  .;  een 
begripere  saecht  ende  seide:  „Ghene  vroede,  gene 
onde,  vaert  also  een  kint  varen  sonde "  II*,  26,  38. 
Zoo  ook  11^,  6,  73.  Beg^pers  moeten  altoos  wesen, 
Ltp.  Frol.  40.  Daer  omme  moeten  hem  die  vroeden 
jeghen  die  begripers  hoeden,  Lsp.  II,  43,  45. 

BEGRIPINGE,  znw.  vr.  Berieping.  \\  Die  be- 
grgpinge    oft   berispinge,   Boeck  v.  d.  L.  J.  99  c. 

BEGRISEN,  st.  ww.  bedr.  (begrees ,  begresen).  By 
Kil.  :begrijsen,  frendere  in  algm. ,  fremere  ore  in 
alqm. ,  subsannare^^ ; Hor.  Belg.  7, 19:  „snbsanno, 
begrisen,  betpotten,  snerken."  Hoonen  door  spottende 
gebaren,  gezichten  tegen  iemand  trekken,  en  vervol- 
gens in  'het  algemeen  hoonen,  beschimpen.  \\  Quam 
yemant,die  dit  wilde  begresen,  als  wg  ons  somtijds 
willen  verhneghen ,  die  salmen  terstont  bayten  den 
closter  wgsen,  Belg.  Mus.  9, 185.  Alle  twist ,  achter- 
clap,  bespottinghe ,  begheckinghe ,  lengentale,  be- 
grisen, heileghen  .  .  .  schouwende,  5,  190.  Verg. 
ook  ONBEORESEN  {OFl.  Lied.  495). 

BEGROETEN,  zw.  ww.  onz.  Vastgroeien ,  wortel 
schieten.  ||  In  desen  pat  staet  menich  doren ,  diemen 
vaste  laet  begroeyen,  Hild.  199,  140. — Nog  in 
de  17de  eenw  in  gebmik  (Ondem.  1,  409). 


BEGROETEN,   zw.   ww.   bedr.  Mhd.  begrüexen, 

1)  Groeten,  iemand  goeden  dag  zeggen.  \\  Die 
ridder  bleef  alse  hi  was  eer  in  sün  ghepeins  even 
eens,  dies  en  begroeti  hem  gheens  ende  lietse 
liden  ongegroet,  Limb.  IV,  814. 

2)  Ironiek.  Een  vijand  aanvallen,  aantasten. 
(Verg.  de  namen  der  wapenen  courtoise  eolve  en 
goedendag',  en  Tekstcritiek ,  bl.  37).  ||  Dat  Qnintus 
Marins  van  Monju  van  Rome  qnam  .  .  endehevet 
die  Gallen  begroet,  die  saten  an  dies  berghes 
voet,  Sp.  I»,  58,  39. 

3)  Iemand  aanspreken ,  het  woord  tot  hem  richten.  — 
Met  eene  bep.  met  van.  Hem  over  iets  aanspreken.  \\ 
Hem  te  begroetene  van  der  dinc,  Velth.  1,26,15. 
Dat  wi  emmer  antwerden  moeten,  daer  ons  die 
coninc  af  wilt  begroeten,  VI,  13,  71  var.  —  Ook  in 
den  zin  van  iemand  ergens  over  aanspreken,  hem  er 
toe  aansporen,  dringen,  uitnoodigen.  ||  Ende  hi  be- 
groets  {d.  i.  begroete  des)  oec  der  Vronwen,  dat  si 
hem  waer  in  dien  getrouwe,  maer  het  (hadde)  haer 
herde  onwaerd,  Velth.  II,  40,  15.  De  lust  den 
wille  begroet  ter  leckemien ,  Wap.  Rog.  1718  (vgl. 
groeten  vs.  1797). 

BEGRONDEN ,  zw.  ww.  bedr.  Mhd.  hd.  begründen 
(schoon  in  anderen  zin).  Hetzelfde  als  het  meer 
gewone  vergronden  en  gegronden  (zie  ald.).  Door- 
gronden, peilen.  \\  Des  menschen  herte  es  boze 
ende  onbegrondel^c  ende  wie  saelt  kennen  ?  Ie  bem 
die  Here,  begrondende  dat  herte  ende  proevende 
de  nieren,  Hs.  v.  1348,  16b,  e. 

BEGROTEN  (begroeten),  zw.  ww.  bedr.  Ver- 
goeden, schadeloosstellen.  Kil.  „vetns  Compen- 
sare".  \\  Toter  tiit  toe,  dat  onse  poerters  voerseit 
begroot  sijn  van  hare  scaden,  die  si  daer  of 
gheleden  hebben,  V.  d.  Wall  245  («.  1355).  Vader 
ende  moeder  moghen  begroten  haer  kinder  metter 
custinghen,  Oorkb.  2,  342,  108  (a.  1290).  So  wien 
dat  de  beste  cavel  ghebnert,  dat  hy  den  andren 
begroeten  sal ,  Coitt.  v.  Gent  563.  Dat  zy  composeren 
ende  elc  anderen  begroeten,  564. 

BEGROTINGE  (begroetinge)  ,  znw.  vr.  Ver- 
goeding, schadeloosstelling.  \\  Ware  mids  dien  jeghen 
recht,  dat  hem  de  vorseid  handere  also  ghoeden 
sande  sonder  den  hoire  begroetynghe  te  doenevan 
der  eender  heeltsceede  van  den  coepscatte,  Cout. 
V.  Gent  635.  Den  voomoomden  hoyre  eenighe 
begroetynghe   te   doene   van   den  coopscatte,  639. 

BEGRÜSEN  (begrüisen),  zw.  ww.  bedr.  Van 
gruis  in  de  bepaalde  beteekenis  van  kolengruis. 
Met  gruis  bedekken,  en  vervolgens  in  het  algemeen 
bezoedelen,  bemorsen,  vuil  maken.  \\  Soo  mach  eenich 
vanden  anderen  cnapen  den  selven  wel  bemasscheren 
off  met  coolgmys  swart  maken ,  opdat  hy  leerende 
wercken  hem  niet  en  sonde  vermijden,  hem  tebe- 
gmysen,  V.  d.  Wall  791. 

=  In  de  17de  eenw  was  begrüisen  en  zijn  freq. 
begruiselen  een  zeer  gewoon  woord.  Zie  Ondem.  1, 
409  en  De  Jager,  Freq.  175. 

BEGUITEN,  zw.  ww.  bedr.  Van  guyt  in  de 
tegenwoordige  beteekenis.  Voor  den  gek  houden, 
foppen.  II  Eylacen,  snster,  ghy  beguyt  my,  dat  ghy 
segt,  dat  ghy  van  haer  niet  en  weet.  Mar.  v.  N. 
15,  338. 

BEHACHTEN  (beh aften),  zw.  ww.  bedr.  Mhd. 
beheften-,  nhd.  behaften.  Vgl.  Verwgs,  Gloss.  op 
Vrouw  e.  M.,  bl.  111. 

1)  Vasthouden,  in  hechtenis  houden.  \\  Off  hem 
daer  yemant  an  hyndert  off  weringhe  dede,  hy 
weer  wie  hy  weer,  dat  ghy  hem  den  helpt  halden , 
behachten    ende   toeven,  Ngh.   3,    170  (a.  1390). 

2)  Verbinden,  aansprakelijk  stellen.  Ygi.Diut.2, 


723 


BEHA. 


BEHA. 


724 


225  :behagteiif  obligare.  Vooral  in  het  verl.  deelw. 
in  gebruik.  Behacht,  beha  ft ,  aansprakelijk.  \  | 
Des  en  sullen  die  borgere  van  Oulenborch  dair 
niet  voir  behafft  oflf  beswairt  werden,  uytgesacht 
die  landtoU  to  Tyell,  Nijh.  4,  466  {a.  1472).  Voir 
die  Yoirscr.  hondert  dusent  gulden  behacht  te  wesen , 
12  {a.  1423).  So  sal  die  here  van  Moersse  bliven 
behact  (/.  behacht)  ende  verbonden  den  heren  vorser. 
2,  194  {a.  1364).  Wie  dat  sijn  burghe  wordt,  die 
is  borghe  voer  sinen  koer  ende  voer  die  zoene 
behacht,  Stadsr.  v.  Zwol  58,  34.  En  dede  hi  des 
niet,  soe  verloer  hi  also  vele  als  onse  burgher, 
ende  daer  waer  syn  burghe  voer  behacht,  61,  41. 
Want  des  abts  ende  convents  goede  voorscreven 
mit  dier  plechten  behaft  sonde  bliven,  R.  v.  Ufr.,2^  79. 
—  Vandaar  de  nitdr.  behacht  (behaecht)  goet, 
d.  i.  in  beslag  genomen  goed.  \\  Op  behacht  goed  en 
machmen  gheen  vonnissen  wisen,  en  si  vuyter 
hachten  metter  wet  (?),  R,  v.  TJccle  4,  16.  Wie 
behaecht  goet  aenveerdt,  dat  metten  rechte  be- 
haecht is,  ees  om  III  pont  jegen  den  here,  Belg, 
Mm.  6,  297  (Heeln,  bl.  544,  a.  1292). 

3)  Verstrikken^  overvallen.  \\  De  werelt  den  be- 
driegers slacht:  dats  die  gone  die  si  wacht,  dien 
si  meest  helst  ende  lacht,  ende  tierst  met  der 
doot  behacht,  Z.  ende  Lick.  193.  —  Een  andere 
vorm  van  dit  nauw  met  dit  ww.  verwante  be- 
heften  is  hetMnl.  beheept^w^.  behept.  Zie  beiiEept. 

BEHAECH,  znw.  o.;  eig.  stam  van  het  werk- 
woord behagen.  Behagen^  welgevallen.  ||  Te  lac,  te 
traech  in  duechdelic  werc  naer  Gods  behaech, 
on.  Lied.  e.  Qed.  417,  101. 

BEHAECHT.  Zie  behachten,  2). 

BEHAEL,  znw.  o.  Van  behalen  {z.  ald.).  Verhaal ^ 
schadeloosstelling,  vergoeding.  Sonder  behael, 
zonder  zich  te  benadeelen,  indien  men  zich  door 
onkunde  vergist.  Vgl.  verhael.  ||  Een  ytlick  sal 
doen  syns  selves  woerde  sonder  behael ,  ten  wer  dat 
hem  die  scepene  oirloflf  gheven  dat  een  ander  syn 
woert  vor  hem  doet,  Racer  5,  300. 

BEHAGE,  znw.  vr.;  mhd.  behage.  Behagen, 
welgevallen,  zin,  lust.  ||  De  minne  doe  met  mi  hare 
behaghe,  Hadew.  I,  170,  10  {of  my.yan  behaech?). 

BËHAGEL  (ook  in  den  samengetr.  vorm  baoel; 
zie  ald.),  bnw.  Mhd.  behagel.  Van  behagen  of  hem 
behagen,  met  den  in  het  Mnl.  gewonen  uitgang 
-el.  In  verschillende  opvattingen. 

1)  Van  behagen  in  de  tegenwoordige  beteekenis. 
Aangenaam,  behagende  aan.  \\  Behagel  den  god  der 
minnen ,  Hofk.  v.  Dev.  10  r.  —  Ook  van  alles  wat 
schoon,  sierlijk,  netjes,  keurig,  goed  in  zijn  soort  ib, 
vooral  van  al ,  wat  tot  den  uiterl^ken  tooi  behoort.  || 
Dijn  behagel  lijf,  dijn  vleesch,  dijn  bloet,  nam 
sijn  begen  uut  armer  vloet,  Rincl.  225.  Van  desen 
geluwen  gehaerden,behagelen,  gekijmden  musarden, 
1119.  Smenschen  haer  ende  sijn  naghele,  die  aen 
hem  staen  so  behagele,  Lucid.  5603.  Jahel 
betekent  die  behagle  entie  scone  maghet  Marie, 
Rijmb.  7384.  {Ledicheide)  ne  hadde  te  doene  ander 
sake  dan  si  haer  selven  behagel  make,  Rosé  555. 
Hi  {de  planeet)  doet  oec  sijn  den  winter  fel,  den 
somer  sochte,  behaghel,  IVap.  Rog.  1461.  Dat 
hi  quam  gegaen  tier  stad ,  daer  die  behagele  vrouwe 
sat ,  Limb.  X,  707.  Daer  was  meneghe  vrouwe  rike, 
scoene ,  behaghel  ende  valiant ,  Vergi  829.  Hovesch , 
cuusc ,  van  sconen  seden ,  sere  behaghel  ende 
achemant.  Vrouw.  e.  M.  I,  3.  Hi  .  .  sende  mi 
den  rudder  saen  .  .  ende  ene  joncfrouwe  behaghel 
mede.  Wal.  10382.  Scoon  orse,  .  .  behaghel  syn 
si  ende  groot,  Parth.  4254.  Tors  es  behagel  ende 
groot ,  Ren.  285.  Behaghele  worden . .  ghesiert  oft 


bloemen  waren,  Melib.  1142.  Wat  ghingdi  sien; 
enen  die  met  behaghelen  cleden  gecleedt  was? 
Die  met  behaghelen  cleedren  becleedt  syn,  die 
syn  in  der  koninghe  hove,  L.  v.  J.  c.  81.  Sy 
had  enen  behagelen  gewrochten  rock  aen,  D.B.,\1 
Sam.  13 ,  18.  Sij  maecte  haar  hooft  behagel ,  ald.  II, 
Kon.  9,  30.  Die  behaghel  abijt,  cierheit  ende  ere 
der  werelt  begheren ,  die  behoren  ter  hellen ,  Bnusb. 
5 ,  179.  Zie  nog  Lanc.  II ,  41463  ',Sp.lSf^  ,1  ,bA,enz. 

2)  Als  eigenschap  van  het  karakter.  Lief,  aardig , 
aanminnig,  beminnelijk.  \\{0\yi^mji%s\Ti)  was  recht- 
veerdich  noch  behaghel ,  doe  sy  tymmerde  dat  op»et 
soe  boesliken  teghen  der  eren  wet,ifLoq»IV,  334^ 
Si  was  behagel  ende  jolijs.  Rosé  3517.  Alse  clene 
ridderkine  . . .  ende  alse  behagel ...  als  gi  mi  saget 
in  geen  wout ,  Lanc.  III ,  12866.  Omdat  si  waren  also 
clene  ende  alsoe  behagel  oec,  12877.  Entie  ridder 
was  alineen  jolijs,  behaghel  ende  vrome  mede, 
Vergi  112.  Dair  ie  vrouwen  vele  vant,  hovesch, 
cuusc,  van  sconen  seden,  sere  behaghel  ende 
achemant,  V.  d.  Feesten  4. 

3)  Van  hem  behagen  (z.  ald.  A,  2).  Stont, 
fier,  hooghartig ,  vermetel.  ||  Daer  ne  was  jonc  no  ont, 
no  so  behagel  no  so  stout,  die  daer  wederspreken 
dorste ,  Lanc.  III ,  20563.  Die  juecht  es  stout  ende 
zeer  behaghel,  Hild.  71 ,  299.  Vele  ruddren  . . .  be- 
haghel ende  van  fieren  sinnen ,  Parth.  2293.  So  willen 
zi  hem  met  mi  verheffen  ende  zijn  behaghel  ende  fier, 
Praet  3275.  Te  Cardoel  es  comen  ene  behaghele  c^nin- 
ginne ,  die  te  nieman  wil  draghen  minne,  Ferg.  5124. 

4)  De  overdrijving  der  vorige  eigenschap.  Trotsch, 
laatdunkend,  overmoedig,  roekeloos.  ||  Ie  was  be- 
haghel ende  fier,  daer  om  benic  in  de  helle  bier, 
L.  o.  H.  4347.  Ie  was  behaghel,  onghemate,  fier, 
1430.  Ghi  die  so  behaghel  sijt,  laet  n  hoverde, 
Belg.  Mm.  2 ,  339 ,  75.  Die  dorper  heeft  so  bebagel 
een  herte ,  diene  meest  mint ,  doet  hi  meest  smerte 
ende  meest  hem  bidt,  versmaet  hi.  Rosé  7027. 
Der  avonturen  en  gheloeft  niet,  so  waerdi  harde 
sot  behaghel,  roekeloos  op  eene  zeer  onverst4imdige 
wijze,  Melib.  2675.  Waendi  dat  ene  scone  vrouwe 
sal  gheven  hare  minne  te  lone  eenen  knecht,  .  . 
die  rike,  behaghel  es  ende  zot,  ende  snachts  gaet 
singhende  achter  straten  ?  Rosé  C  7155. 

Aanm.  —  Maerlant  heeft  5/?.  I*,  2,  68  behagel 
gebruikt  in  eene  beteekenis ,  die  door  den  oorsprong 
van  het  woord  wordt  uitgesloten.  Hij  zegt  daar: 
„Een  haghel,  so  groot,  so  .staerc  ende  so 
behaghel,  diet  hem  al  ter  neder  slouch."  Wanneer 
behagel  den  zin  van  krachtig,  sterk  heeft,  hetgeen 
b.v.  op  de  boven  aangehaalde  plaatsen  Hild.  71. 
299;  Parth.  4254  en  Ren.  285  het  geval  kanz^'n, 
dan  kan  dit  toch  alleen  van  personen  en  hoogstens 
van  levende  wezens  gezegd  worden. 

BEHAGELAERT,  znw.  m.  Overmoedige  \trot*chr 
a4xrd',  ijdele,  ingebeelde  gek.  \\  Du  behagelaert , die 
ane  scoenheit  sneefs,  mi  jammert ,  dattu  alsoe  leefs 
dat  hoverde  in  dine  scoenheit  wast,  Rinel.  975. 
Fi  behagelarde!  .  .  scuwet  den  prekei  van  dies 
viants  garde,  dats  overmoet,  125.  Hoede  hare o«c, 
dat  si  nine  minne  noch  en  doe  in  haren  sinn« 
dese  behagelarde ,  diemen  vint ,  want  si  en  mixua 
nemmer  twint.  Wat  si  der  ere  lat^n  verstaen ,  dat 
selve  seggen  si  ere  andre  saen;  ende  'wat  a 
seggen,  alle  si  liegen,  want  si  doent  al  om  be- 
driegen ende  hen  te  rovene,  Rosé  12523. 

BEHAGELHEIT,  -hede,  znw.  vr.  Van  beAagr! 
(zie  ald.).  In  verschillende  opvattingen. 

A.  Van  behagel  afgeleid  van  behagen.  —  1)  B^ 
hiiaglijkheid.  —  a)  Van  personen  gezegd:  Netheid, 
opschik,  praal.  ||  Begheerstu  behagelheit  ende  sier- 


725 


BEHA. 


BEHA. 


726 


hede  den  lichaem  te  sierene  mede ,  Teest.  4008  ( Wrake 
111,  2397).  In  hem  selven  soe  wert  hysoe  froy,  dat 
hem  nyemant  en  dnnct  so  moy  van  gherechter  be- 
haghelheden ,  Hild.  98 ,  73.  Sone  helt  hare  twint  met 
behagelheiden ,  maer  goede  werke  altoes  tanegane , 
Bose  406.    Dat   si   aen   ghenen   man  (minne)    en 
legghe,   doer   ghene  scoenheit  .   .  noch  doer  des 
mans  behaghelheit  noch  doer  des  goets  ghiericheit, 
Fad.  Mm.  1,  395,  50.  Hi  sach  in  die  zale  comen 
/^reden  enen  jonchere  met  behagelheden ,  Limb.  X, 
283.  De    manne    die  hem   nutstellen   in    sonder- 
lingher  behaghelheit,  Rnnsb.  2,  176.  De  vrouwen 
maken   oec   so   inghe   cleedere,  dat  hen  (/.  hem) 
scande   es   ende    si  Toederent  buten  ende  binnen 
ende   viseren   meneghe   visevase   omme  behaghel- 
heit, om  er  goed^  netjes  uit  /^  ;n>» ,  a/£?.  Gulsicheit 
ende  behaghelheit  van  clederen,   5,  173.  Dat  sij 
die  bruut  haelden  uut  Madaba  mit  groter  behaghel- 
heit, D.  B.  I  Maccah.  9,  37.  Ende  sich  dat  grote 
gheruchte  ende  behagelheit,  ald.  39. 

h)  van  zaken.  Sierlijkheid^  kostbaarheid , pracht.  || 
Doe  sach  ie  weder  ende  voort  up  des  borchs  be- 
haghelhede  ende  up  die  pretieuse  stede,  OFl. 
Lied.  e.  O.  256 ,  677.  (Si)  gaet  haer  daer  bereiden 
met  wel  groter  behagelheden ,  Bose  5865.  —  Ook 
concreet  gebruikt.  Kostbaarheid ^  kostbare  zaak; 
vgl.  ciERHEiT.  il  6hi  die  hebt  grote  behagel- 
hede  ghefse  dor  Gode,  Rincl.  1227.  Alle  dese 
behagelheit  groet ,  .  .  salie  vercopen  in  drien  dagen, 
Rosé  8769.  Wat  baet  mi  u  behagelheit  groet  ende 
uwe  cledre  goet  ende  dire,  8388. 
B.Van  behagelj  afgeleid  van  hem  behagen  (zie  ald.). 
2)  Welbehagen,  en  vervolgens  gevoel  van  wel- 
gevallen, aangenaam  gevoel,  genoegen,  genot,  ver- 
maak. II  Die  orse  wel  doen  springen ,  dats  behagel- 
heit van  jongelingen ,  Hose  2147.  Te  Brucge  dreven 
se  grote  feeste,  ende  van  behagelheiden  groet 
oreeste,  Velth.  IV,  8,  11.  Hets  niemen,  diet 
mochte  vortbringen  die  feeste ,  die  de  stede  dreef . . , 
80  grote  behagelhede  als  men  daer  dede  in  die  stede, 
n,  15,  42. 
3J   Zelfbehagen,   ingenomenheid  met  zich  zelven. 

a)  In  slechten  zin.  ||  Doen  hi  dus  in  behaghel- 
heden  enen  tjt  tpeert  hadde  ghereden.  Wrake  lil, 
361.  Van  hoeverde  .  .  .  comt  ydel  glorie  ende 
ydel  roem   ende   behaghelheit,    Fad.  Mus.  2,  426. 

b)  In  goeden  zin.  Dapperheid,  zelfvertrouwen.  \\ 
Men  sal  van  sire  behaghelheden  beide  van  slaghen 
ende  van  steken  voer  syn  scone  amye  spreken , 
Troyen  5149.  Ochte  her  Ritsart  hier  seide  vor  u 
sine  behagelheide ,  so  moet  hise  vulbringen  mede , 
Lorr.  II,  3502.  —  Vooral  in  de  uitdr.  met 
groter  behagelheden.  jj  Tierst  dat  si  ver- 
namen die  mere  quamen  si  allen  wijchghere  te 
Grimbergen  wert  gereden  met  groter  behagelheden, 
Grimb.  1,  2632.  Dat  waren  vijf  ridderen  goet, 
die  met  heer  Woutere  reden  met  groote  behagel- 
heden, 3402.  Een  naen  quam  gereden  met  berde 
groter  behagelheden,  Lanc.  III,  13623.  —  Ook 
concreet  in  de  bet.  van  dappere  daad,  hetzelfde 
als  proaetse,  fr.  prouesse.  ||  Noit  en  was  Grave  . . 
de  in  Vrieslant  ie  ghedede  so  wtnemende  behaghel- 
hede,  Stoke  IV,  474.  Die  Heren  wilden  doen  een 
behagelhede  ende  traken  thaven  porten  wt,  Velth. 
IV,  54,  40. 

e)  Hooghartigheid.  ||  Behagelheit  hout  middel- 
hande  tusscen  die  eere  entie  scande, /^.I*,  47,  25: 
„Magnanimiüu  est  medietas  circa  honorem  et  inho- 
norem." 

d)  Frijmoedigheid ,  in  woorden.  ||  Lucius,  die 
nauwe  treken   wel  van  minnen  conste  spreken,  hi 


sprac  erehande  behaghelheide  nochtan,  maer  alle 
hovesheide,  Parth.  7122. 

4)  De  overdrijving  van  de  onder  3)  genoemde 
eigenschappen. 

a)  Trotschheid,  overmoed,  euvelmoed.  ||  Hi  en 
waende  den  keyser  sparen  niet  ende  quam  tote  op 
hem  gereden  met  wd  groter  behagelheden,  Lorr. 
II,  774.  Sonde,  mesprijs  no  dorperhede,  onmate 
noch  behagelhede ,  hoverde ,  felheit  no  scamp , 
L.  o.  H.  3163.  Om  dine  grote  behagelhede 
warpic  dl  in  dese  serichede,  4341.  Ho  verdie, 
behaghelheit,  giericheit  ende  nijdicheit,  gulsicheit 
ende  oncnyscheit,  Ruusb.  4,  14.  Dat  ofscheren 
des  haers  beteykent  een  suver  leven  sonder  be- 
hagelheyt.  Pass.  W,  226 «. — Ook  concreet.  Over- 
moedige daad.  ||  Nochtan  soe  dede  dese  here  be- 
haghelede  noch  mere :  hi  dede  selve  sQn  ors  drincken 
in  den  Rijn ,  om  dat  mens  ghedincken  emmermeer 
soude  daer  achter,  Brab.  T.  IV,  1341. 

b)  Fermetelheid ,  roekeloosheid.  ||  Die  heeren  die 
ons  sijn  dus  swaer,  bestormdese  coenelick  daer 
ende  loenden  hen  haer  behaeghelheyde ,  Orimb.  1, 
3936  var.  Roelant,  u  groete  behagelhede  dede 
Renout  wel  groten  scamp  alhier  in  desen  selven 
camp.  Ren.  1410. 

BEHAGELIJC,  -ike  (ook  in  den  samengetrokken 
vorm  BAGELIKE),  buw.  en  by  w.  Van  behagen  en  hem 
behagen. 

Bnw.  —  A)  Van  behagen. 

1)  Welbehaaglijk ,  welgevallig,  aangenaam.  \\  Heia 
groot  sotheyt  dat  wij  soeken  denghenen  behaghelic 
te  sijn,  welc  wy  weten,  dat  hy  God  niet  behaghelic 
en  is ,  Stemmen  3.  (Si)  bat  omme  alle  duechden ,  die 
haer  behaghelic  maken  mochten  voer  siin  aenschijn, 
Hs.  80  f.  13  b.  Het  hevet  uwen  vader  behaghelijc 
gheweest,   dat  rike    u  te   geven,  Hs.  88  ƒ.  SOa. 

2)  Sierlijk,  schoon,  voor  het  oog  keurig.  \\  Binnen 
dien  quam  daer  een  jonkvronwe,  die  seer  be- 
hagelijk  was,  Heemsk.  44.  Ende  schoerde  haren 
behagheliken  rocke,  D.  B.,  II  Sam.  13,  19.  Ghe- 
dect   met  behagheliken  clederen ,  Pass.  W.  157  a. 

B.  Van  hem  behagen.  In  goeden  zin.  Dapper, 
flink,  kloek.  \\  Meneghen  strijt  hadden  si  gehadt, 
dat  die  verloren  van  der  stad  .  .  . ;  doch  bilden  si 
hem  behagelike  emmer  alle  daghe  even  ghelike, 
Limb.  VII,  49. 

Bijw.  —  A.  Van  behagen. 

V)  Op  eene  sierlijke,  keurige  wijze.  \\  Die  here 
van  den  Sarrasinen  dedem  wapenen  behaghelike, 
Limb.  VI,  1050.  Hi  bereide  sine  vaert  .  .  .  met 
scoender  geselscap  behagelike,  XI,  1213.  Ghewapent 
so  behagelike ,  dat  nie  man  sach  dies  gelike ,  Lanc. 
II,  40567.  Dan  sal  die  mensche  in  desen  met 
sinen  scheppere  ghecleet  wesen  ende  ghesierdt  be- 
haghelike ,  Wrake  III ,  1282.  Die  chyeren  behaghelic 
haer  lijf  met  haren  dieren  ghewaeden ,  XPlag.  2258. 

B.  Van  hem  behagen. 

1)  In  goeden  zin.  —  a)  Met  zelfgevoel,  zelfver- 
trouwen, waardigheid.  \\  Doe  quam  daer  behaeghe- 
lijcke  mijn  heer  Geraert  van  Herlaer  op  een  ors  wel 
ghewapent  daer,  Orimb.  II,  4168  var.  Miin  her 
Échltes  ...  die  in  dander  side  behagelike  metten 
sinen  wtwert  reet,  Limb.  IX,  651.  Ie  mochte  u 
vertellen  cume,  hoe  behagelike  ...  si  opgingen 
genen  graet,  Lorr.  V,  226.  (Hi)  quam  ten  crite 
behagelike,  Limb.  VIII,  1489.  Aldus  behagelike 
quamen  die  van  Grimberghen  te  samen ,  C^n'md.  II , 
5716.  Doe  quamen  daer  vrouwen  ende  joncfrou wen  . . 
met  groten  scaren  behagelike,  Lanó.  II,  3973.  — 
b)  Dapperlijk,  moedig.  \\  Daer  hi  houden  sach 
ghescaert  behagelike   den    standaert,   Segh.  7781. 


727 


BEHA. 


BEHA. 


728 


2)  In  Biechten  zin.  Vermetel,  overmoedig y  boud.  || 
Niemen  en  spreke  behagelüe,  Velth.  ÏV,  50,92. 
BEHAGELICHEIT ,  znw.  vr. 

1)  Behagen,  welgevallen,  wentch.  \\  Die  behaghe- 
lichejrt  des  vleysch  es  om  schoenheyt,  rjjcheyt, 
glorie  ende  eer ,  of  om  sterche^  wille ,  Oest  K.  f.  6  d. 

2)  Vermaak,  genoegen,  nngenot.  \\  Verswelgere 
alre  spisen  .  .  .,  predicaren  der  behaechlycliede , 
Velth.  VII,  20,  67.  Die  vermaledide  sonde  der 
ydelre  behagelicheit,  Hs.  SO  f.  i^b,  —  Zie  ook 

BEHALICHEIT. 

BEHAGEN  (ook  in  den  samengetrokken  vorm 
bagen),  zw.  WW.  bedr.,  wederk.,  onz.  en  onpers. 
Mhd.  beAagen;  mnd.  behagen,  Vgl.  Klnge,  Stym. 
web.  22. 

Bedr.  —  Helpen,  bevorderen,  te  hulp  komen, 
vgl.  onz.  haga,  regelen;  en  skrt.  gahuhni,  ik  ben 
behulpzaam  (Klnge  t.  a.  p.).  ||  Om  de  nature  van 
wiven  om  te  behagen  haer  hitte  met,  so  heefteen 
purgatie  geset,  M.  en  Vr.  Heim.  1060. 

Onz.  —Met  den  2den  ut.  der  zaak  of  eene  bepaling 
met  in.  Behagen  scheppen  in  iets.  ||  Die  eerbaer 
sgn  ende  tm  yan  binnen  .  .  .  ende  der  wapen 
eaeme  behaghen,  MLoep  II,  688.  Van  eenen  man 
die  zaghic  verdoolt  in  erdscher  weilde;  hi  sprac: 
hier  in  behaghic,  OVl.  Lied.  e.  O.  380,  2.—  De 
onb.  w^s  behagen  wordt  als  znw.  gebruikt  met 
de  beteekenis  genoegen,  vermaak,  welbehagen.  ||  Al 
hoer  ghesin  hem  dair  nae  spoet  hoers  heren  eer 
te  helpen  draghen,  om  te  crighen  goet  behaghen, 
Hild.  20,  188.  Die  op  God  hoer  minne  draghen, 
die  werlt  is  hem  cranck  behaghen,  31,  99.  Wat 
willic  setten  m^n  behaghen  op  chierheit  groot  yan 
hogher  waerde!  77,  1^.  O  wee,  hoe  menichzoet 
behaghen  heb  ie  ghesien  in  sommighen  daghen, 
MLoep  I,  1675.  Dat  leyen  heeft  een  groot  behaghen, 
1805.  Mids  dat  hi  nu  ende  tallen  daghen  yrouwen 
sach  ende  schoen  behaghen,  2005.  Dair  in  setten 
hoir  behaghen  .  .  .  minne  te  draghen ,  II ,  15.  — 
Ook  in  de  uitdr.  behaghen  maken,  behagen 
scheppen,  veel  op  hebben  viet,  \\  Die  rike  yrouwen 
maken  groot  behaghen  an  haer  hoeft  ende  op  haer 
haer,  N.  Doet.  839. 

Wederk.  —  Hem  behagen. 

A.  Absoluut. 

1)  Genoegen  hebben,  vroolijk  zijn.  \\  Van  jonghen 
mannen  ende  maechden  die  hem  selyen  wael  be- 
haechden  ende  goede  minne  droeghen ,  MLoep  1 ,  113. 

2)  Zelfbehagen  hebben,  zich  zelven  genoegen  geven , 
voor  zijn  genoegen  leven.  \\  Wi  die  starker  sijn ,  sjn 
sculdich  die  crancheit  der  crancker  te  Uden  ende 
niet  ons  selyen  te  behaghen,  Hs.  75,  Bom.  15,  1. 
Christus  en  heeft  hem  selyen  niet  behaghet ,  glosa : 
hi  en  dede  niet  datten  yleysch  ghenoechlic  was , 
ald.  f.  n  b  (Bom.  15,  3). 

B.  Met  den  2den  ny.  der  zaak. 

1)  Behagen  scheppen  in,  genoegen  hebben  in  iets.  \\ 
Die  ridders  die  daer  binnen  laghen,  die  hem  oec 
stridens  bat  behaghen  souden,  alsi  dat  scouwen, 
Limb.  YIII ,  1109.  Lieye  kint ,  als  ie  yan  di  ghelach , 
hoe  wel  icx  mi  behaghen  mach!  dan  en  haddic 
rouwe  no  seer,  L.  o.  H.  3331. 

2^  Zich  iets  inbeelden,  zich  verheffen  op  iets,  eig. 
zelfbehagen  hebben  om  iets.  \\  Eest  logene,  esst 
waerheit  dattu  jaegs;  eest  waer,  dies  du  di  be- 
haechs?  L.  o.  H.  2699. 

G.  Met  een  bepaling  met  in.  Van  personen  ge- 
zegd. Welbehagen  hebben.  Vooral  in  de  yerl.  tijden, 
die  dan  de  bet.  yan  een  tgw.  tyd  hebben:  ie  heb 
mi  wel  behaget,  behagede  mi,  ik  heb  een 
welbehagen.  Vgl.  by  ON  PERS.  2) ,  en  ags. :  on  tham 


minre  s&wle  wel  gelieode  (Got.  vaila  galeikmda ; 
Matth.  12,  18).  il  Dat  is  m^n  lieve  sone,  daer  ie 
my  wel  in  behaghe,  Ruusb.  5,  98.  Mgn  vera>rra 
sone ,  daer  ie  mi  wel  in  behaghede ,  Hs.  71,  Mattk.  3  , 
17.  Mgn  gheminde,  daer  m^nre  sielen  wel  in  be- 
haghet hevet,  Matth.  12,  18.  Du  biste  mjn  ghe- 
minde soen,  in  di  heb  ie  mi  behaecht.  Mare.  1, 
11.  Mgn  wtvercoren  soen,  daer  ie  mi  wel  in  be- 
haechde,  Hs.  75  /.  119  a.  Mijn  siele  heeft  haer 
in  hem  behaghet,  ƒ.  201a. 
Onpers.  —  Mi  behaecht 

1)  Met  den  4den  of  3den  nv.  van  den  pers  en 
den  2den  nv.  der  zaak  of  eene  bepaling  met  van. 
Behagen  scheppen  in.  \\  Die  jonfronwe,  diet  toehorde, 
behagede  wel  diere  worde,  lAmb.  IV,  557  (is 
jonf rouwe  hier  Ie  nv.,  dan  behoort  deze  plaats bi) 
ONZ.).  Dies  words  mach  ons  wel  behagen,  Btjmb. 
134.  Tote  Acharon  waren  si  ghejaghet,  dies  den 
Joeden  wel  behaghet,  9255.  Na  etene  die  conine 
vragede  Lancelote ,  hoe  hem  behagede  van  den 
vate,  dat  die  joncfrouwe  brochte,  Lanc.  U,  15079. 
Oft  Got  wilt,  mi  sals  bat  behagen,  45786.  Die 
vrowen,  die  ten  torren  lagen,  begonste  des  strgts 
qualijc  behagen,  Lanc.  III,  17722. 

2)  Met  den  3den  nv.  v.  d.  persoon  en  eene  be- 
paling met  in.  Behagen  scheppen  m  iemand,  wel- 
behagen in  hem  hebben.  \\  Meestal  in  den  verleden  tgd, 
die  dan  de  bet.  van  een  tegenwoordigen  tgd  heeft: 
mi  hevet  behaghet,  tk  heb  een  welbehagen. 
Vgl.  WEDERK.  C.  II  Dit  is  mgn  soen,  in  welken 
mi  wel  behaecht,  Mandev.  f.  29  b.  MQn  gheminde 
soen,  in  wien  mi  wel  behaghet  hevet,  Hs.  71, 
Matth.  17,  5.  Du  biste  mijn  wtvercoren  soen,  mi 
hevet  in  di  behaghet,  Luc.  3,  22. 

BEHAGENISSE,  goedvinden.  Aldus  te  lesea 
voor  bichagenisse  (?),  Oor  kb.  2,435a:||  Sosoudewi 
onse  wive  enz.  te  Harlem  inlaten  op  een  bichagenesse 
ende  een  verbeit. 

BEHAGENTHEIT,  znw.  vr.  Genoegen ,  vermaak, 
genot.  \\  Dese  dochter  die  was  zeer  teeder  ende 
zeer  leckeriyck  opgevoedet;  daer  omme  dat  si  seer 
gheneyghet  was  .  .  te  sien  die  ghenoechte  ende 
behaghenthejrt  van  deser  werelt,  Gest.  Bom.  li. 

BEHAGINGE,  znw.  vr.  Hetgeen  iemand  behoedt, 
wat  iemand  aanstaat,  wat  hij  hebben  wil.  KiL: 
lubentia,  voluptas.  ||  Hi  en  sel  Gode  niet  geven 
sine  behaginge,  Ht.  Ps.  36r  (Ps.  49,  8  rantsoen). 

BEHALEN,  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  behalen;  mhd. 
beholn, 

1)  In  de  tegenwoordige  beteekenis.  Verwerven.  || 
Wy  hebben  behaelt  cranc  ghewin,  Wittek.  r.  S, 
88;  e.  e.  —  Ook  in  de  uitdr.:  pardoen  be- 
halen, ajlaat  verkrijgen.  \\  Te  behalene  alle  die 
pardoene  entie  aflate  om  rechte  soene  te  ghe- 
crighene  van  moeder  ende  vader,  Amand  I,  2064. 
Dat  lettel  yement  so  langhe  leeft,  die  sine  macht 
behouden  heeft,  die  dese  pardoene  soude  moghea 
behalen,  1508. 

2)  Hetzelfde  als  belopen  (zie  ald.).  lem.  bereiken, 
in  zijne  macht  krijgen,  krijgen.  \\  Nochtan  soudicse 
wel  behalen,  mochtic  gebmken  mgnre  talen,  JSias. 
I,  2043  var.  (ed.  Willems).  Mach  ick  mjnre 
woerden  gebmken,  ie  weet  soe  menighen  vont, 
ie  salse  wel  behalen,  Proza-Bein.  27r. 

3)  Met  iets  onaangenaams  als  object.  Ziek  op 
den  hals  halen ,  ondergaan  (vgl.  KiL :eene  siekte 
behalen).  ||  Daer  moeste  menich  de  dool  be- 
halen, Belg.  Mus.  8,  258,  134. 

BEHALICHEIT,  znw.  vr.  Besmet teUjkheid,  lat 
contagio.  Van  behaelijc,  behaellijc,  dat  o.  &.  l^ 
Houwaert  voorkomt:  „Afgr^slycke  ende  behaellgeke 


729 


BEHA. 


BEHA. 


730 


peste,"  MilêHiu'  klacht,  bl.  4  (Antw.  1577).  Vgl.  Kil. 
behaelende  siecte,  morbus  contagiosus.  —  In 
desen  sin  kon  hehalicheit  yoorkomen  (roorbeelden 
er  TttQ  E^n  tot  heden  niet  gevonden),  doch  niet 
in  den  sin  van  omamentwm,  waarin  men  het  leest 
Ht.  V.  1423,  2680  {Jeztu  Syr.  32,  3):  Ontfanckbe- 
haelicheit  der  gracien  tot  enen  cronen  (!),  oma- 
metUum  graüaê  aeeipe  coronam.  Hier  is  het  eene 
Tenchrjving  voor  behageliehnt  (sie  ald.). 

BEHANGEN,  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  behiMgen\ 
mhd.  hekdken. 

1)  In  de  tegenwoordige  beteekenis ,  Kil. :  velare, 
obténdere, 

2)  In  figanriyken  zin.  Verttrikken.  Kil.  „be- 
kanghen  met  gierigheid,  implieituê,  irre- 
Hiut  Moritia".  ||  Daer  om  mi  dese  lose  knechte  met 
logentael  hebben  behangen.  Rein,  n,  6324.  Den 
mensche,  die  noch  mitter  crancheit  des  vleisches 
behanghen  is ,  Es,  87  /.  26a.  Vgl.  onbehanohen. 

BEHANGSEL,  znw.  o.  BeAan^sel,  draperie.  Ygl. 
Kil.  41.  II  Een  spieghel  met  zyn  toebehooren ,  tey 
met  schilders  gont,  silver  oft  oock  met  eenich 
behancsel  yerciert,  soo  ende  gheljck  den  selven 
beTonden  sal  worden  ghestoffeert  te  zgn,  GeseA, 
V.  Jnt».  2,  646. 

BEHANTVESTEN,  zw.  ww.  bedr.  Y dJi  hantveet 
(lie  ald.).  Bij  kandoett  als  privilegie  verzekeren,  \\ 
Dat  mense  late  ghebmken  al  selke  vriheide,  alse 
hoer  ghebnre  behantvest  hebben  van  onsent  halven , 
Oorkh,  2,  2786  {a,  1288).  —  Zie  andere  opvattingen 
hjj  OndenL  1,  416. 

BEHEELEK.  Zie  behelen  (2de  Art.). 

BEHEEPT,  andere  vorm  voor  behept  {oï  behe ft , 
Ondem.  1,  419),  deelw.  van  het  ww.  beheften, 
hekeeAten,  behaehten.  Zie  behachten.  ||  Verstrikt, 
en  vervolgens  gekweld,  lastig  gevallen.  \\  Die  mit 
kaerlen  es  beheept,  die  heeft  den  dnvel  selver 
ghesceept,  Vrouw.  e.  M,  VII,  31. 

BEHEET ,  znw.  o. ;  mv.  behete.  Van  beheten  (zie 
ald).  In  verschillende  opvattingen. 

1)  Yan  beheten,  in  den  zin  van  voorspellen  (zie 
ald.  1).  Voorspelling.  \\  Die  diertQt  so  groet  entie 
sterfte  sonder  genoet ,  die  dese  sterre ,  dese  oomete 
wel  bediet,  na  horen  behete,  Velth.  TI,  26,  39. 
Nu  hort,  hoe  wijsl^c  hier  af  Maria  antwoorde  gaf 
den  ynghel  op  dit  beheet,  Lsp,  II ,  6,  87. 

2)  Van  beheten  in  den  zin  van  beloven  (zie  ald. 
3).  Belofte,  toezegging.  ||  Dat  scone  belof,  dat 
grote  beheet,  daer  hi  altoes  es  toe  bereet,  Limb. 
XI,  481.  Hebdi  verstaen  tsertogen  wort,  ende 
tgelof  ende  tgode  beheet,  daer  hi  toe  es  algereet? 
Cass.  260.  Om  dit  belof,  op  dit  beheet  voer  Gariet 
met  hem  gereet,  Zone.  II,  46906.  Jou  so  eest  al 
ghereet  np  een  covent,  np  een  beheet,  datghimi 
bi  nwer  ghenade  van  ere  bede  wilt  ghestaden, 
IVal.  3261.  Ie  biddu  .  .  dat  gi  doet  een  cleine 
beheet  uwen  lieve,  Cass.  1442.  Van  desen  behete 
mogedi  wel  sgn  blide  int  herte,  1472.  Het  was 
in  mjn  beheet,  dat  ickene  sonde  den  hoochsten 
maken  van  den  minen,  Jlex.  YIII,  833.  Oic 
haddi  .  .  van  den  keiser  goet  beheet,  Bdew.  293. 
Op  des  keisers  goet  beheet,  dat  hi  comen  sonde 
gereet,  473.  Oftn  vemen  met  beheete  verhoghes, 
Bouc  V,  Sed.  111.  Op  dit  beheet  sal  n  m^n  hnlpe 
wesen  gereet,  Qrimb,  II,  6484.  Ie  wille  . .  te  hant 
ghelden  m^n  beheet,  franc.  6637.  Gallicaen  voer 
blidelike  ten  Syten  wert  op  dat  beheet,  Sp,  II*,  30, 
18.  —  Dat  lant  van  Behete,  het  land  van  be- 
^f^f  gewooniyk  dat  lant  van  Promissoene  ge- 
naamd. II  (Mogses)  tfolc  verloeste  van  Pharaone, 
ende  leet  nnt  siere  felre  vete  int  soete  lant  van 


Behete,  dat  hem  God  hadde  geloeft,  Lucid.  1786.  — 
Een  beheet  doen,  in  twee  opvattingen.  Ygl. 
ene  bede  doen  bij  bede.  —  a)  Èene  bek/te  doen , 
iets  beloven,  \\  Ju  Anthiochien  dede  hi  beheet,  dat  hi 
die  kerstene  al  sonde  onteeren ,  hij  deed  de  belofte , 
nam  zich  voor,  Sp,  II*,  36,  28.  Ie  biddn  .  .,datgi 
doet  een  cleine  beheet  nwen  lieve ,  Cass,  1442.  (Gi) 
die  mi  sulc  beheet  hebt  gedaen ,  dat  gi  mi  wilt  in 
staden  staen,  Lane.  UI,  6630.  —  b)  Eene  belofte 
vervullen  (vgl.  onder  6).  ||  Als  ie  dat  beheet  doen 
sal,  sal  ie  mi  selve  geven  al,  Cass,  1449.  De 
bisscop  hem  behiet  hem  te  gevene  na  s^n  ge- 
doeren, daer  hi  mede  verbant  sQn  oegen,  ende 
hi  dede  wel  sijn  beheet,  Sp.  11^,  21,  79.  —  Ook 
in  den  zin  van  schoons  woorden,  goede  voornemens, 
hetgeen  iemand  zegt,  in  tegenstelling  met  z^ne 
daden.  ||  Wat  slaepti!  seit  hi  (Jezus);  in  a  beheet 
(als  men  u  hoort  praten)  es  altoos  die  gheest 
ghereet  als  te  stervene  om  minen  danc,  Rijmb. 
26061.  Da  seids  —  waer  es  nn  dat  beheet?  — 
dore  ons  te  stervene  te  sine  bereet,  iS^.  11^ ,  13 ,  27. 

3)  De  toestand  door  eene  belofte  ontstaan,  voor' 
uitzicht.  II  Bede  dese  Heren,  om  dit  beheet,  qnamen 
vort  om  tontfane  tAken  werd  ...  die  Coninccrone, 
Yelth.  YI,  1,  42.  Doen  dedi  daer  om  gene  dinc 
den  genen'  die  daer  was  gevaen  optie  marct  ver- 
bomen saen  .  .  . ;  dit  was  den  genen  een  qnaet 
beheet,  die  hem  willens  daer  liet  vaen,  Y,  9,64. 
(Hi)  swoer,  also  langhe  als  hi  sal  leven  dat  hi 
te  sinen  dienste  sonde  sgn  ghereet,  dats  Florise 
een  scoon  beheet.  Flor,  2726.  Dor  dat  beheet  van 
deser  eren  qnam  hi  jegen  die  wrake  ons  Heren, 
Alex,Y ,  333.  —  Yandaar  dat  beheet,  door  het  op 
den  achtergrond  raken  van  het  begrip  belofte,  de 
bet.  van  toestand  aanneemt  ||  Daer  een  vriende 
hebben  waent,  ende  dan  also  hebben  getaemt, 
dat  hi  op  haren  troest  es  comen  onder  sine  viande, 
si  dan  gomen  hoe  sine  bedriegen  mogen  gereet: 
dits  een  vresel^c  beheet,  Yelth.  Y,28,49.Daven- 
tnre  es  als  een  gs,  dat  stare  scijnt  ende  nochtan 
breket  onder  den  man,  ende  verdrinct  eer  hijt 
weet;  dits  emmer  een  cranc  beheet,  Melib,  2691. 

4)  Yan  beheten  in  den  zin  van  verzekeren  (zie 
ald.  4).  Verzekering,  \\  Meester  Wontere  Happe  . . 
maect  hier  een  inde  op  dit  beheet,  dat  hine  vant 
te  desen  male  van  Lancelote  meer  negene  tale, 
Lanc.  lY,  13041. 

6)  Yan  beheten,  in  den  zin  van  d^^/ln»  (zie  ald.). 
Bevel,  last,  gebod,  ||  Het  is  groet  laster,  ghy 
baroen ,  dat  ghi  wilt  mmen  dese  lande ,  ende  pays 
maken  tegen  die  vyande ,  dat  is  teghen  der  Goden 
beheet,  Trogen  f,  163a.  Nochtant  segic  n,  dat  sy 
wonden  niet  laten  haers  heren  beheet,  sy  en 
liepen  ten  mneren  ghereet,  /.  2646.  Nnradicwale 
te  deser  stont ,  dat  hi  vnlbringe  s^n  beheet ,  Lorr. 
III,  46.  Na  Elyen  stoent  Samnel  die  rechter  was 
ende  prophete  over  dat  folc  van  Israhel ;  si  vochten 
wael  na  sinen  behete,  Alex,  lY,  749.  Alle  gennechte 
es  n  gereet,  hout  ghi  n  ane  mgn  beheet ,  Zcmd.  X , 
728  var.  Hoe  Jheremias  die  prophete  te  hem 
qnam  bi  Gods  behete ,  IX  Best.  316.  Also  alst  is 
Gods  beheet ,  Lsp.  1 ,  10 ,  44.  Jefhen  sQns  sceppers 
beheet,  I,  24,  36.  Dit  dede  die  here  van  hier 
boven  .  .  zonder  beheet  van  yeman,  I,  37,  69. 
Sonder  des  keysers  beheet,  II,  48,  670.  Wi 
setten  ons  sceppers  beheet  achter,  III,  bl.  16,46. 
Also  was  Pylatns  beheet,  II,  36,  176.  Wy  be- 
reyden  onse  vaert  .  .  bi  den  beheten  van  onsen 
vader,  Qrimb.  1 ,  1698.  Men  dede  al  na  sinen  behete , 
Alex.  lY,  925.  Noch  bevel,  noch  beheet,  Brab.  T. 
YI,  9103.  Op  die  selve  tyt  reet  Symon  met  enei) 


731 


BEHE. 


BEHE. 


732 


knecht  tot  Egmonde  bi  beheten  des  proefsts  yan 
Bergen,  Oorl.  r.  Albr.  111.  —  Een  beheet 
doen,  een  gebod  volbrengen  (vgl.  onder  2).  ||  Dat 
wi  allegader  minnen  sullen  moeder  ende  vader, 
ende  altoos  snllen  sijn  gbereet  te  doene  hare  goet 
beheet.  Lap.  UI,  19,  33.  Here,  sprac  si,  ie  ben 
bereet  te  doene  alg^der  u  beheet,  II,  57,  14. 
Si  daden  haers  sceppers  beheet,  II,  18,  50. 
Si  doen  haers  sceppers  beheet,  I,  5,  24.  Wi 
daden  sijn  beheet,  Lorr.  I,  1071.  Die  bode  dede 
der  vrouwen  beheet,  Limb.  IV,  245.  Hi  dede  wel 
syn  beheet,  Sp.  II*,  21,  82. 

6)  Van  beheten^  in  den  zin  van  aanbevelen  (zie 
ald.  8).  Aanbeveling^  aansporing.  \\  Hi  hadde  daertoe 
beheit  van  heren,  als  men  seide  doe,  die  hem 
troest  gaven  hier  toe,  Brab.  Y,  V,  1558.  Si 
dichten  om  ghewin  sonder  der  naturen  beheet, 
Ltp,  III,  16,  333. 

BEHEGENEN.  Zie  beeioenen. 

BEHEILIGHEN,  zw.  ww.  bedr.;  mhd.  *<f^«7iy<?». 
Heiligen^  vnjden.  ||  Al  beheileghende  soe  bespraeide 
hi  den  outaer  VII  werf,  ende  doe  salfde  hine  ende 
alle  sine  vate,  Ruusb.  1,  265. 

BEHEIMEN,  zw.  ww.  bedr.  Kil.  sepire^  consepire, 
obvallare.  Omheinen^  door  eene  heining  omgeven^ 
en  in  fig.  zin  omvangen^  omgeven,  \\  In  dien  lichte 
wert  men  beheimt  ende  omvaen,  Buusb.  6,  86. 

BEHEINDE,    BEHEINDICH.    Zie    bekende, 

BEHENDICH. 

BEHEINEN,  zw.  ww.  bedr.  Omheimen  ^  met  eene 
heining  omgeven,  \\  Die  wijngaert  wort  betuunt ende 
behejnt,  Barth.  685*.  —  Vgl.  Oudem.  1,  419  en 

BEHENT. 

BEHEININGE,  znw.  vr.  Van  beheinen(z\üi\A.), 
Omheining^  omtuining,  \\  Dat  nyemant  .  .  .  setten 
noch  maken  en  sal  .  .  .  tnsschen  die  strate  ende 
plate  enige  betuyningen  of  behejningen  van  tuynen, 
noedanich  dat  die  zijn,  Leid,  Keurb.  146,  56. 

BEHEINTHEIT,  znw.  vr.  In  concreeten  zin. 
Heining^  omheining,  \\  Ie  sal  omwerpen  sine  {des 
tvijnstoks)  beheyntheit  ende  hij  sal  wesen  invertreden 
ende  ie  sel  hem  leggen  woest,  D.  B.^  Jes,  5,  5 
{Oetijdeb.  S.  ISd), 

BEHELEN ,  st.  ww.  bedr.  Van  helen.  Verbergen , 
geheim  houden.  \\  Oeck  kiest  men  rade  in  eiker 
stede  ende  oec  schouten  ende  wet,  ende  wes  men 
daer  te  rade  set,  dat  selmen  wiselic  behelen, 
Hild.  137,  66. 

BEHELEN  (beheelen),  zw.  ww.  bedr.  Van 
heel  in  den  zin  van  ongeschonden^  geheel.  In  orde 
maken ^  dicht  maken,  \\  Zoe  selhy  off  zynenaecome- 
linge  dien  waterganck  bestoppen,  alsoe  lange  ont 
(d.  i.  tot  dat)  2j  Berenwarde  hebben  behelet, 
Oorkb.  2  ,  219  *  {a.  1284). 

BEHELPEN  (behulpen),  st.  ww.  bedr.  en 
wederk.  {behalp^  later  behielp,  beholpen,  beholpen), 
Mhd.  behëlfen,  mnd.  behelpen. 

Bedr.  —  Met  den  3den  of  4den  nv.  van  den 
persoon;  ook  met  een  afh.  zin  of  een  onb.  wijs. 
Helpen,  bijstaan,  behulpzaam  zijn.\\W^TL  vriendete 
behelpen  ende  mijn  viande  te  hinderen.  Proza- 
Rein.  110  r.  (Hi)  bat  hem  vriendelic,  dat  hi  dair 
toe  behelpen  wonde,  dat  die  gene  ...  die  upten 
huyse  waren,  haer  Igf  mochten  behouden,  Clerc  139. 
Sy  hoopten  dair  vrienden  te  hebben,  die  hem 
behelpen  souden,  Matth.  Jnal.  3,  331.  Dat  se  te 
vergeefs  niet  en  werden  aenstoten  noch  aenvochten, 
maer  beholpen  mallec  den  anderen  mit  groter  eeren 
sinen  toren  wreken,  Brai.  T.,  Dl.  2,  bl.  707 
{a,  1403).  Hem  ende  sinen  vrienden  ende  sinen  magen 
mitter  borgh  te  behelpen,  Nyh.  1,  379  (a.  1338). 


Dat  hi  ons  ende  onse  erfnamen  daer  mede  behelpen 
sal  tiegen  alle  diegene,  die  nu  leven  ofl  namaels 
soelen  leven,  ald.  Dat  wij  onsen  lieven  here  .  .  . 
dair  mede  behelpen  (sullen) ,  als  mannen  hoeren 
here  mit  horen  openen  husen  sculdich  zijn  te  doen , 
2,  86  (a.  1356).  Weert  saecke,  dat  eenich  van 
onsen  heeren  onsen  seggen  .  .  .  niet  en  hielde , . . 
die  en  sal  mit  ons  vier  steden  .  .  .  niet  beholpen 
wesen,  daer  geen  hulp  en  steun  bij  vinden,  2,  107 
(a.  1358).  Hem  daer  mede  te  behelpen ,  wanneer 
hem  des  noot  is,  3 ,  70  {a.  1379).  Dat  wg  .  - .  hem  . . 
behelpen  soelen  ende  aen  staeden  staen,  1,  403. 
(a.  1339).  Oick  mach  een  yghelic  den  anderen  zjn 
lyfrenten  .  .  .  leenen,  overgheven  ende  behelpen, 
hém  aan  lijfrenten  helpen  (?) ,  jB.  r.  TJtr.  1 ,  277 ,  158. 
—  Ook  met  den  4den  nv.  der  zaak.  Bevorderen ,  onder- 
steunen. II  Omme  sunderlinghen  orbair  ende  nutsc^p 
onser  ende  onser  beider  landen ,  steden  ende  Inden 
mede  te  behelpene  ende  te  starkene,  Njh.  2,  37 
{a.  1348).  —  Van  het  deelw.  van  dit  ww.  wordt  een 
nieuw  ww.  beholpen  syn  gevormd  (vgl.  gecost 
sijn,  bedacht  sijn,  gestaen  sijn  en  zie  op  SIJN),  dat 
als  onpers.  wordt  gebruikt:  mi  es  beholpea 
met,  met  een  by woord  van  hoeveelheid,  b.v.  clevM, 
meer,  enz.  in  de  bet.  van  ik  trek  weinig ,  meer ,  minder 
enz.  voordeel  uit  iets;  heb  weimgtVLZ.  aan  iets.  \\  Och 
lieve  moeder ,  es  dit  uwen  wille ,  dat  ie  spreke  dit 
dorper  woort?  wat  mach  u  hier  mede  beholpei 
s^n,  dat  ie  dat  sonde  tot  Sandr^n  spreken  met 
minen  mont,  wat  zoudt  gij  daaraan  hebben?  LeauL 
H  817.  Hi  hadde  ooc  wel  ghemerct  ...  dat 
hem  wel  soude  beholpen  wesen  metten  dienste 
van  den  hertoghe  Antonijs,  Brab.  Y.  Vil,  4023. 
Segghende  voort,  dat  hem  int  fijn  met  sjnder 
vrientscap  bat  soude  sijn  beholpen,  dan  met  der 
gheenre  ...  die  hem  dat  rieden,  2297.  Als  dit 
grave  Willem  hadde  verstanden ,  dochte  hem  wel . . , 
dat  hem  clein  beholpen  ware  metter  ander  hellicht , 
VI,  3188.  Doe  dachte  Grave  Willem,  dat  hem 
cleyn  beholpen  waer  met  der  anderen  helft  {te» 
Mechelen^  alleen  te  behonden,  Exc.  Oron.  139«. 
Wair  vemant  int  voirs.  geselscap  ende  hem  alsoe 
deughdelic  niet  en  droegh,  dat  den  gemeynen  ge- 
selschape  met  hem  niet  beholpt  (/.  beholpen)  » 
waere,  Hermans,  Gesch.  d.  Red.  324.  —  ^smtgds 
ook  zonder  het  bgw.  van  hoeveelheid  en  in  *t 
passief.  ||  Wie  dair  mede  beholpen  is,  sal  dat 
huys  ghelden,  wie  daar  belang  bij  heeft,  O.  K. 
V.  Delft  II,  2.  Zoe  wat  hupsen  ende  goeden  daer 
mede  behulpen  zijn,  de  huizen,  in  wier  helamg,tem 
wier  nutte  dit  geschiedt,  sullen  tselve  gebroekea 
huys  ende  den  eygenaer  van  dien  die  laste  helpei 
draegen,  K.  en  O.  v.  Delft  76,  2. 

Wederk.  —  1)  Zich  helpen,  zich  verdedigen, 
beschermen,  staande  houden.  Absoluut  of  met  eene 
bepaling  met  met.  ||  Si  en  sullen  hen  na  desea 
niet  behulpen  mogen  .  .  .  tegen  ons  ochte  ons 
lant,  Brab.  Y.  VI,  10594.  {Die  drossaU)  begerde 
dat  mense  {de  stad)  hem  opende  te  hant  tot  mier 
vrouwen  behoef  van  Brabant,  opdat  si  haer  daer 
uut  mochte  behulpen  . . .  tegen  haer  viande ,  79^ 
Soe  docht  van  node  vrou  Johannen  dat  si  haer 
beholpe  met  machte,  8075.  Dat  ie  mgn  huns  he- 
setten  sal  ende  oec  mine  torren  al,  daer  ie  indea 
orloghe  mi  met  behelpen  moghe,  MeUb.  2306.  Dat 
ie  mi  met  minen  magen  en  vrienden  behelpen  es 
beschermen  moet,  Bel-,  v.  L.  278.  Die  mïogenüiejt 
Gods  hadse  so  mat  ende  moedeloes  .  .  .  ghemaect, 
dat  si  al  sinneloos  waren,  dat  si  noch  vlien  nock 
hem  selven  behelpen  en  mochten,  Exc.  Cron,  103  i^ 
So  en  was  daer  niet  veel  volcs  te  voete  of  te  paerde, 


733 


BEHE. 


BEHE. 


734 


daer  hl  hem  in  strijde  mede  behelpen  mocht, 
10^  d.  II<:  Pikenaers,  omme  hem  daermede  te  be- 
helpene,  Incent.  v^  Brugge  5,  554. 

2)  Zich  zelven  verzorgen^  in  sijn  eigen  onderzoek 
voorzien^  zich  bedruipen,  Synon.  van  hem  bedragen. 
Absoluut  of  met  eene  bepaling  met  met.  \\  lek  ben 
out  ende  en  mach  my  soo  wel  niet  behelpen  als 
ick  plach,  Troyen  Vb.  ^d.  Menich  mensche  sal 
doer  oock  naeckt  om  lopen  (door  het  dobbelen), 
die  hem  te.  yoren  metten  sinen  (tnet  het  zijne) 
sonde  hebben  beholpen,  Ned.  Proza  218.  Dat  zy 
hem  generen  .  .  met  lantneringe ,  de  sommige  met 
delven  ende  spitten  ende  daer  isser  een  die  hem 
behelpt  mit  coomanscip ,  Inform.  350.  (Zy)  hebben 
geenrehande  neringe ,  daermede  zy  hem  .  .  moegen 
behelpen,  dan  alleen  dat  heur  wij fs  moegen  honden 
een  coyken  of  twee ,  213.  Dat  sy  hébben  50  haert- 
steden,  daerof  de  25  hem  mogen  behelpen  ende 
dander  niet,  401.  Maer  behelpen  hem  sommige 
van  hueren  poorteren  mit  hopcoopen ,  mit  bouwerye, 
enz.  433.  Zoe  zy  gheen  secours  van  anderen  en 
hadden  ende  hem  selven  behelpen  mosten,  535. 
Soe  en  sullen  die  selven  sich  b3mnen  onser  stat 
nyet  behelpen,  ^^^n  bedrij  f  of  nering  mogen  uitoefenen, 
B.  V.  Zutf.  125,  42. 

3)  Gebruik  maken,  zich  bedienen  van.  Met  eene 
bepaling  met  met.  ||  Om  dat  si  hem  behulpen 
souden  daer  met  te  bat,  alst  quam  te  noet, 
Brab.  Y.  YI,  5856.  legelijc,  in  des  anders  dere 
hem  behalp  met  sinen  gewere,  sinen  viant  te  beraden 
noot,  5891.  Alle  letteren,  munimenten,  besceit, 
daer  met  si  hen  souden  willen  behelpen ,  YII ,  13421. 
Sonder  hem  te  behelpene  in  gheenre  manieren  met 
weghen  van  feite  eneghertieren ,  14605.  Dat  wij 
hem  onse  voirscr.  huys  met  zynen  toebehoren  .  . 
ox>enen  .  . ,  also  dat  .  .  zy  hem  dair  a£f  ende  mede 
behelpen  moegen,  Nijh.  2,  42  (a.  1349;  vgl.  3, 
959:  Ons  daer  mede  behelpen  noch  beraden).  Omme 
datter  hem  de  Prince  mede  {met  het  mesje)  be- 
hoort te  behelpen,  Matth.  Anal.  1,  263.  So  wie 
hem  mit  enigher  ander  wol  behelpen  wil  .  .,  die 
sel  him  tekenen  laten  in  der  stede  boec.  .  .  Ende 
van  dier  tp  voirt  .  .  en  sel  hi  hem  niet  behelpen 
mid  Engelscher  wol ,  Leid.  Keurb.  127 ,  3.  Enen  . . 
cloecken  .  . ,  weerachtigen  man  .  . ,  die  hem  mitten 
boge  behelpen  can,  171,  57.  Den  gene,  die  hem 
mit  valscher  mate  beholpen  hadde,  225,  19.  Die 
zei  zgn  bewgs  by  hem  hebben  .  .,  dair  hij  hem 
mede  behelpen  wil,  326,  19.  En  mach  nergent 
poirter  .  .  poirtrechts  genieten  of  mit  poirtrecht 
hem  behelpen,  dat  tegens  der  heerlicheit  .  .  gaen 
of  wesen  mach.  Oor  kb.  2,  21  ld  (d^.  1283).  —  H  e  m 
behelpen  met  nigromancien,  zich  bedienen 
van  f».,  met  duivelskunttenarijen  omgaan.  \\  Doe 
track  Éarel  tot  Ryemen  ende  vinck  den  eerts- 
bisscop  Gilbertus,  die  hem  behielp  ende  dede  veel 
wonders  met  nigromancien,  Exc.  Cron.  93a. 

4)  Genoegen  nemen  met,  zich  schikken  in ,  "WSOLTvdi 
zich  de  tegenw.  bet  ontwikkeld  heeft  van  het  met 
iete  stellen  of  doen,  roeien  met  de  riemen  die  men 
heeft.  II  Mit  horen  knechten  ende  mit  aenval  ^d.  i. 
aanwas,  aanloop)  van  alrehande  lude,  daer  si  hem 
mede  behelpen  mosten ,  Oorl.  v.  Albr.  102  en  103. 
Dese  suster  Mechtelt  .  .  conde  sich  seer  wael  be- 
helpen in  allen  dyngen ,  D.  War.  7 ,  37.  Vgl.  üitlegk. 
Wdb.  op  Hooft  1,  92. 

BEHELPINGE,  znw.  vr.  Verdedigingsmiddel, 
eig.  iets,  waarmede  men  zich  helpt,  zich  uit  eene 
verlegenheid  redt.  \\  Ende  moeg^n  die  pande  bynnen 
viertien  dagen  daer  na  vercopen  sonder  eenige 
pantweringe   van  enigen  rechte,  tsy  dienstrecht, 


leenrecht  .  . ,  off  eenige  ander  behelpinge  woedanich 
dat  die  sy,  Racer  7,  291. 
BEHELSEN,  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  behelsen. 

1)  Omhelzen,  omarmen.  Dus  wert  die sile behelst 
ende  gekust  van  haren  geminden ,  Ztind.  iStfrflt.  176a. 

—  Vandaar  enen  behelst  hebben,  iemand  in 
zijne  armen  houden,  omarmen.  \\  Doe  hise  sach  slapen 
so  soetelike  ende  hebben  behelst  so  vriendelike,  jam- 
merde  hem,   dat  hise  sonde  wecken,  Flor.  3292. 

—  Ook  in  mystischen  zin.  ||  Die  Vader  ghe vet  hem 
inden  Sone  ende  die  Sone  in  den  Vader  in  een 
ewich  welbehaghen  ende  in  een  minlgc  behelsen, 
Ruusb.  6,  192.  Dit  is  dat  werkelike  ontmoet  des 
Vaders  ende  des  Soens ,  daer  wy  minlic  in  behelst 
syn  .  .  in  ewigher  minnen,  ald.  Daer  wi ghedoept 
werden  in  dat  wide  behelsen  der  minnen  Gods ,  236. 

2)  Overdrachtelijk.  Omvatten,  bevatten.  \\  Met 
minnen  seldi  oefenen ,  behelsen  ende  besitten , 
dat  ghi  mint,  Ruusb.  3,  125.  Het  is  .  .  behelst 
in  onghebeelder  bloter  minnen,  nudo  amore  com- 
plexus,  4,  54.  In  desen  behaghene  sijn  behelset 
alle  die  uutvercorene  inglen  ende  menschen ,  vanden 
lesten  totten  iersten ,  6 ,  258.  Hi  wert  bevaen  ende 
behelset  in  die  grondelose  minne,  die  God  selve 
is,  ald. 

BEHELSINGE,  znw.  vr.,  omhelzing-,  mhd.  be- 
helzunge.  \\  Boven  de  minleke  behelsinghe,  die 
tusschen  ons  ende  Gode  es,  Ruusb.  2,  238. 

BEHELTELIKE,  -lijc,  hd.  gekleurde  vorm  voor 
behoudelijc,  bijw.  (zie  ald.)  en  vgl.  beiieltenis  3). 
Behoudens,  onder  voorbehoud,  met  behoud  van.  || 
Ten  ware  .  .  dat  dëselve  gesellen  begeerden  .  .  . 
des  eedts  verdrach  te  hebben,  beheltelyck  den 
heeren  der  stadt  hou  aff  en  toedoen ,  Fad.  Mus.  3 , 
124.  Beheltlichen  doch  onsen  genedigen  heren  synre 
gnaden  herlicheyt  ind  onss  onser  eren,  Nyh.  4,449 
(a.  1471). 

BEHELTENIS ,  znw.  vr.  Duitsch  gekleurde  vorm 
voor  behoudenis  (zie  ald.);  mhd.  beheltnisse\  mnd. 
beheltenis. 

1)  Behoudenis,  behoud,  zaligheid.  \\T)eu  doeWÏÜLQii 
slaep  der  tragher  ende  der  heiligher  beheltenisse 
versuminghe,  D.  Orde  238. 

2)  Inhoud.  \\  Na  beheltenis  sjjnre  brieve,  Nijh.  2,  50. 

3)  Voorbehoud.  —  Vooral  gebruikeiyk  als  bijw. 
door  weglating  van  het  voorzetsel  mei.  Met  behoud 
van,  onder  voorbehoud.  Met  den  3den  nv.  van  den 
persoon,  ten  wiens  gunste  het  voorbehoud  plaats 
heeft.  II  Alle  dese  voorscreven  punten  die  sijn , 
beheltenisse  heren  Willem  alle  sgnre  wyer  (d.  i. 
were,  erfgoederen)  ende  alle  synre  reynten,  met 
behoud  van  al  zijne  erfgoederen  voor  heer  Willem, 
1,  381.  Beheltenisse  ons  ende  onsen  erven,  379. 
Beheltenis  ons,  dat  thnys  open  sal  sijn  ons,  alse 
wijs  behoeven  ende  ons  noet  is,  2,  241.  Also  dat 
elkermallic  up  den  vurscr.  tolsteden  vry  varen  sal 
sonder  enigerhande  krot  of  hindemisse,  behelte- 
nisse alsulcker  alder  {ouder)  tolle  als  over  vijftich 
jaren  ende  daer  en  boven  op  die  selve  tolsteden 
gelegen  hebben,  Brab.  Y.,  Dl.  2,  bl.  639. 

BEHEM ,  znw.  o.  Bohevien ,  Alex.  VII ,  1416 ,  e.  e. 
—  Vgl.  BEEMSCH. 

BEHENDE,  bnw.  en  bijw.  Min  of  meer  duitsch 
gekleurde  vorm  voor  het  zuiver  mnl.  behendich, 
en  in  oorsprong  één  met  onze  uitdr.  bij  de  hand. 
Mhd.  behende',  mnd.  behende. 

Bnw.  —  Bij  de  hand,  gevat,  slim,  ervaren, 
kundig.  ||  Die  meneghe  in  loesheit  is  behende, 
MZfi  1,  1746.  Hadde  Dydamya  ghesgn  behende, 
doe  Achilles  hoer  bekende,  II,  1681.  So  hi  van 
woerden  was  behende,  4049.  Scalc  ende  beheynde  volc 


735 


BEHE. 


BEHE. 


736 


van  sinne,  Barth.  621a.  Haerder  behender  bedrie- 
ghinghe,  Bern.  W,  1,  4  a. 

BiJW.  —  1)  ^  ee%e  behendige  vnjze,  behendig,  || 
Sijn  ander  bant  hi  onder  stac  beneden  (/.  bebende) 
tuBscben   sine   been,  Bein.  II,  7334  (C  bevende). 

2)  Bij  de  hand,  nabij.  \\  Dat  volc  stont  daer 
mit  bebende,  end  wacbten  om  te  sien  dat  eynde, 
O,  H,  Pass.  26,  717.  Menighe  beeste  liep  daer 
omtrent,  anders  en  was  daer  niement  bebende, 
Segh.  222. 

BEHENDELIJC,  -ike,  bnw.  en  byw.  Ook  in 
den  samengetr.  vorm  bendelike. 

Bnw.  —  Met  kunst  gemaakt,  aangelegd,  en  ver- 
Yolgens  heimelijk,  geheim.  \\  Ene  faace  posteme 
es  ane  den  torre  beneden  bacbten  .  . ;  aldaer  es 
die  bebendelicste  Inganc,  Base  fr.  254,  21. 

BiJW.  —  1)  ^  9ene  behendige,  handige  wijze,  || 
Doe  liet  bi  Tidlen  .  .  .  bebendelike  inder  Trouwen 
scoot  die  pere  metten  yenine,  Segh.  9008. 

2)  Op  eene  kunstige  unjze,  kunstig.  \\  Stenekine 
alse  kerstale  stonden  bendelike  daer  in  gbeset ,  Flor. 
1543.  So  bebendelike  waest  gbewracht ,  fTal.  6079. 

3)  Op  eene  listige  wijze,  met  list;  in  kwaden  zin 
zooveel  als  scalkelike.  \\  Hets  die  meneghe  die 
bem  gbeneert  ende  wint  dat  bi  verteert  bebende- 
like met  voerrade,  Teest.  188.  Dat  syn  broeder  es 
bebendelike  comen,  ende  beeft  die  benedictie  gbe- 
nomen,  Bijmb.  2391  {Var.  scalkelike).  Die  Joden 
bebendelike  afqnamen  verradenlike  in  dier  ghebare 
als  oft  omme  gbenaden  ware ,  29852  {var.  bendelike). 
Na  Ebuberte  so  qnam  int  rike  met  scalcbeit  bebende- 
like Handnmar,  Sp.  UI',  25,  9. 

4)  Vandaar  in  het  geheim,  heimelijk.  \\  Haren 
bere  nopede  si  bebendelike,  Flor.  1659  var.  Die 
papen  badden  bebendelike  enen  inganc  gbemeenlike 
onder  daerde  alle  te  samen  gbemaect,  Bijmb.  17043. 

5)  Nauwkeurig,  met  zorg.  ||  Den  tyt  wacbte  bij 
bebendelijck  ende  Penella  des  gbelijck,  MLp  II, 
1517.  Sietstu  daer  niet  bebeyndelic  toe,  dn  selste 
dijn  wedersaken   verblijden,    Sp.   d.   M.  1,  106a. 

6)  Op  eene  geschikte,  passende  wijze;  met  overleg; 
met  waardigheid.  \\  Ie  salie  (/.  salne)  bebindelike 
wreken,  canic  die  waerbeit  wel  verstaen,  Zaïic.  II, 
44396.  Eer  ie  minen  sone  wreke  sonder  lacbter 
bebindeleke,  44411.  Voirt  sijn  gereden  die  beren 
bebendeliken  ende  met  eren,  Grimb.  II,  5680. 

B£B[ENDICH   (beheindich^    behindich,   ook 
in   den  samengetr.  vorm  bendich),  bnw.  en  byw. 
I.  Als  BNW.  —  Van  personen  gezegd. 


a)  In  goeden  zin. 


Schrander,  handig,  bij  de  hand.  \\  Een  die 
Engistus  was  gênant . . ,  dese  was  bebendicb  sere , 
Sp.  III*,  7,  64.  Die  jonfronwe  die  ntermaten 
bebendicb  was  ende  vroet,  Limb.  IX,  986.  Hiwas 
bebendicb  ende  vroet,  Denkm.  3,  133,  65.  Vrouwe 
Alljs  die  bebindicb  was  ende  wQs,  Veltb.  1, 40,  59. 

2)  Verstandig,  knap,  ervaren.  \\  Nu  sijt  be- 
bindicb in  uwen  raet,  Olor.  539.  Caumijs  die  was 
goedertieren,  bebendicb  ende  wael  gtieaSsii , MLoep 
III,  380.  Die  diere  cleder,  die  wilen  span  dat 
bebendegbe  volc  van  Ceren,  die  bem  met  siden 
werke  gbeneren,  Alex.  VIII,  242.  —  Ook  van  God 
gezegd.  Wijs.  \\  God,  die  scepper  veel  bebendicb, 
MLoep  II,  2836. 

b)  In  ongunstigen  zin. 

1)  Listig,  slim.  \\  Lusticb  ende  bendicb  overal, 
IX  Best.  142.  Deen  es  behendecb  ende  macb  wale 
gbeven,  ende  can  oec  wel  s^n  tale,  ende  wint  den 
andren  af  s^n  goet,  die  niet  so  rike  en  was  noso 
vroet  nocb  so  bebendecb  als  dander  man ,  Teest.  166 
fin   den   laatsten  regel   staat  behendech  in  de  be- 


teekenis  a,  1).  In  boren  rade  sgn  si  fel,  bebendecb 
sere  ende  snel,  boe  si  scat  bejagben,  Lett.  N.  W. 
5* ,  33. 

2)  Boosaardig,  slecht,  verderven.  \\  Antipater sgi 
oudste  sone,  fel  ende  bebendecb  was  die  gone, 
Bijmb.  21593.  Bebeindicb  ende  scalc  inilrequiet- 
beit,  Rnusb.  6,  32. 

B.  Van  zaken. 

1)  Listig,  slim  uitgedacht.  Lat.  subtilis.  \\  List 
ende  bebendigbe  zaken,  MLoep  II,  2477. 

2)  Fijn,  fijn  bewerktuigd.  ||  Die  verborgbene be- 
bindigbe  leere  der  scrifturen,  Rnusb.  6,  37.  Hi 
versteet  die  Scrifture  te  recbte ;  nocbtan  en  verstaet 
bi  niet  wel  .  .  alle  die  bebendigbe  sinne ,  diere  in 
vallen,  4,  259.  Die  behendige  natuer  bindet  die 
vrucbte  inden  bloeme,  D.  War.  6,  205. 

II.  Als  BIJW.  —  Op  eene  boosaardige,  gewuene 
manier.  \\  Soe  wye  den  anderen  met  vuysten  sliet 
off  met  voeten  stiet  .  .  .  soe  verde  tniet  bebeodich 
en  sy,  die  sal  verbueren  .  .  .  tbien  schelling 
aen  den  beer,  O.  B.  v.  Bordr.  2,  278,  82. 

BEHENDICHEIT  (beheyndicheit,  behindi- 
cheit),  -hede,  ook  in  den  samengetrokken  voim 
bendicheit),  znw.  vr.  Mud.  behendicheit;  mbd. 
behendecheit.  Van  behendich  (zie  ald.). 

1)  Schranderheid,  vlugheid  van  geest,  beUU^ 
overleg.  \\  Gbi  en  maect  gbeen  onderscbeet  tusschen 
loesbeyt  ende  bebeyndecbeyt  .  .,  want  bet  duet 
eiken  man ,  die  bebendecbeyt  niet  en  can ,  dat  tl 
valscb  si  ende  beraet,  daer  die  bebendegbe  met 
omgaet,  Teest.  19, 154.  Dus  siet  men  dat  bebendichede 
beter  es  dan  sterebede ,  j5!rop^  LVX,  19.  Aleid  ppde 
bare  te  bonden  jegben  den  swagber  torloghe  mede 
met  wel  groter  bebendichede,  Stoke  II,  1072.  Dit 
beeft  bi  met  bebindicheden  wel  toebracht  ende 
met  wijsheden,  Veltb.  II,  26,  5.  (Hi)  hoeptmede 
dat  bi  met  siere  behindicbede  boven  sal  comen 
clein  ende  groet,  III,  1,  21.  Perchevael  ende  gene 
heren  . . .  elc  wiesdem  sine  bebindecbede  ende  porden 
met  hem  uter  stede ,  Lanc.  Hl ,  18369.  Met  nere 
grotere  bendicbede,  Sp.  I» ,  68,  10.  Dat  bi  ▼» 
met  watre  ende  met  bendicbede  soe  vele  groens 
daer  ter  stede,  Sp.  III ^,  29,  25.  Elc  sette  sön 
{Schaak)-s^e\  na  sine  sede  ende  togbeden  beide 
haer  bebendechede  ende  pynden  bem  te  spelen  wel, 
Flor.  2735.  Josepbus  bebendechede  die  was  so 
groot,  dat  hi  dede  weder  onder  bem  saen  tl 
Galylee  sijn  onderdaen,  Bijmb.  28257.  —  Ook 
concreet  in  den  zin  van  een  goed  overlegd,  beraamd 
plan,  een  goed  overleg.  ||  Doe  nam  bi  dbeckenende 
goet  dat  water  sciere  op  sgn  boet  in  ere  vorme 
van  kerstynbede,  dit  was  ene  grote  bebendichede, 
Velth.  I,  53,  47. 

2)  List,  listigheid,  sUmkeid,  zoowel  in  goeden 
als  in  kwaden  zin.  ||  Met  beden  ende  met  bebin- 
dicheden es  bi  thuus  dor  dlant  gereden  ende 
maecte  vrienscap  tegen  die  heren,  I,  2,  51.  Doen 
ghinc  si  met  behendicbeden  den  boem  ontsteken 
van  beneden,  Esop.  XIII,  17.  Dus  bleef  acbter 
Bmnen  dinc  bi  miere  bebendichede  al ,  Béin.  1 ,  2464 
Van  CToter  bendicbede.  Nat.  BI.  V,  788  (wr. 
bebindecbede).  Ie  weet  wel  dat  sise  niet  en  namen 
den  ammirael,  no  ne  gbewonnen  bi  al  der  bende- 
cheden,  die  si  connen.  Flor.  2351.  Die  Romeine 
die  bi  rade  ende  met  groter  behendecheden  tüAof» 
vochten,  Bijmb.  31606.  Hiertoe  was  ghene bendic- 
bede, dat  soe  els  enege  byecbte  dede,  Sp.  P, 
89,  21.  Dan  salmen  noemen  gene  wgsbeit  maer 
bendicbede  der  scalcbeit,  Sp.  I',  42,  20.  Wat  soe 
ghert  .  .  ,  es  behendech-  ende  quaethede  jegben 
vriende  ende  viandemede,i2a«ff  (7  8762.  —  ZieoTcr 


737 


BEHE. 


BEHE. 


738 


hehendieheit  in  deze  bet.  vooral  Yelth.  I,  Cap.  34 
(in  regel  36  ald.  leze  men  hehendieheit,  in  plaats  van 
heheit).  —  Ook  concreet  in  den  zin  van  list ,  streek, 
listig  beraamd  plan.  My.  behendicheden.  ||  Dit  seidi 
om  een  behendichede ,  Yelth.  Y,  51,  63.  So  dat 
si  niet  nnt  (en)  mochten,  wat  behindichede  siere 
toe  sochten ,  lY,  28 ,  82.  Nn  hoert  behendicheit  van 
wiyen,  Stoke  YI,  198.  Nu  verstaet  alhier  ter  stede 
sheren  van  Enne  behendichede ,  lY,  1253.  Dit  was 
dolle  behendichede ,  dat  hi  {Alexander)  der  menscheit 
Tergat,  ende  hi  nochtan  dranc  ende  at,  <^.  I^ ,  34, 42 
(dit  was  een  dwaze  streek,  dat  h^  enz.).  Hi  sonde  oec 
wesen  herde  machtich ,  ende  vele  van  behendicheden 
connen,  Rosefr,  251, 139.  Die  grave  bi  behendicheden 
deden  {den  camp)  versten  II  jaer,  lAmb.  Y,  1860. 
Si  namen  gheme  langhen  vrede ,  ie  wane ,  op  selke 
behindechede ,  dat  si  hen  willen  wel  versien ,  Parth, 
7930.  Dan  sal  ie  soeken  selke  behendechede , 
Flor,  2846.  (Dat  men)  ne  qname  in  die  stede  met 
gheerande  behendechede ,  Èijmb,  467.  Met  gherande 
behendechede  ne  quamen  wi  in  hemelrike,  2448. 
Doe  peinsdi  ene  behendichede ,  hij  verzon  eene  list, 
Sp.  V,  3,  10.  Dat  w§  .  .  .  alle  dees  pnnten  .  .  , 
sonder  alle  behendicheit,  vast  ende  stede  ende 
on?erbrekelQc  handen  soelen,  Nijh.  3,44(^.1377). 
Dat  wi  .  .  selen  soeken  .  .  geen  ocsnyn  (d.  i.  voor- 
wendsel) ,  noch  behendicheit ,  daer  mede  belet  mochte 
bliven  dat  so  dese  wet  niet  en  geschiede  onsen 
lieden ,  £elff.  Mus,  6 ,  303.  Doe  die  pharisense  dat 
horden,  so  ghinghen  si  tegader,  ende  sochten 
ene  behendegheit  in  haren  rade ,  war  met  dat  sine 
bevaen  mochten  in  sinen  warden,  L.  v,  J,  c.  171. 

3)  Kunstvaardigheid,  kunst,  bekwaamheid,  talent, 
II  Daer  mocht  men  merken  an  den  snede  wonderlic 
werc  ende  bendechede.  Flor,  1512.  Daer  mochtmen 
merken  bendechede,  2425.  Daer  ie  hn  gheme 
alte  male  die  figuren  af  verseide,  constic,  met 
eenigher  bendicheide.  Rosé  C  138.  Ghemaect  met 
groter  behendechede,  Rijmb.  1132.  —  Ook  van  de 
kunst  zelve  gebruikt.  ||  Eerst  was  ghevisiert  bi  him 
smeden  entie  behendechede,  Rijmb.  994.  Dus  bleef 
die  behendechede  verloren  wel  Y^  jaer ,  tote  datse 
Tpocras  vant  daer  naer ,  7426.  —  Concreet  in  den 
zin  van  kunstig  uitgedacht  werktuig,  Ygl.  mlat. 
M^mifin.  II  Dese  maecte  die  behendechede ,  dat  noit 
man  ^uam  in  ghere  stede  daer  hi  des  ghelike  sach 
ene,  Rijmb.  4981.  Dat  Salomon  in  sinen  sin  vant, 
met  ere  behendechede  hoe  men  hout  ende  steene 
.  .  .  houwen  sonde  sonder  ghemns,  11291.  Hy 
was  van  vele  saken  vroet  .  .,  diese  maecte  ende 
wrachte ,  ende  die  bendecheit  bedachte ,  Troyen  5527. 

BEHENQEN   (behingen),    zw.  ww.  bedr.  Be- 
schikken,  het  aanleggen  (verg.  ons  ww.  gehengen).  \\ 
Geren  hier  van  eertsce  dinghen ,  hets  waer ,  men 
moget  so  behingen,  datter  doget  ave  comet  ende 
datter  zielen  oec  met  vromet,  Yelth.  I,  33,  46. 

Aanm.  —  Ook  Troyen  6558  heeft  het  Hs. :  „Waert 
dat  hy  hem  conde  behinghen,^"*  maar  daar  is  de 
lezing  van  Segher^s  fragmenten  beringhen  de  ware. 

BEHENTHEIT,  znw.  vr.  Y oor  behende-heit.Ysji 
bekende  (z.  ald.).  Eig.  Ust,  en  verv.  in  kwaden  zin 
arglistigheid.  \\  Nochtans  moeten  wi  in  anxt  staen 
om  die  behentheit  ons  herten.  Stemmen  18. 

♦  BEHENT.  jB.  r.  TJtr.  1, 194,  32:  „Waeryement 
die  der  stat  dienen  ghevullet,  bepoet,  behentofte 
betjrmmert  hadae,  dat  zp  mmen."  Men  zal  wel 
moeten  lezen  beheynt,  d.  i.  heiningen  gemaakt,  van 
beheinen,  afheinen,  afperken.  Zie  ald.  en  vgl.  Leid, 
Keurb.  146,  56  op  BEHEININOE. 

BEHERDEN,  zw.  ww.  bedr.  en  onz.  Mnd. 
bekerden,    beharden',  mhd.   beherten,  Yan   hert   of 


hart,  in  den  zin  van  sterk.  Duitsch  gekleurd  woord. 

—  Bedr.  Bekrachtigen,  versterken,  beveiligen.  \\ 
Maghic  die  ziele  beherden,  .  .  soe  eest  mi  comen 
wel,  wat  node  dat  vleesch  heeft.  Brand.  {H.)  b%^. 
Die  vede  {tegen  Adolf  van  Oelder)  te  beherden 
ind  dair  van  .  .  nyet  op  te  hoeren  {auf  zu  horen) 
noch  van  eyn  ander  to  treden,  Nijh.  4,  372 
{a.  1466). 

—  Onz.  Sterker  worden,  aansterken,  toenemen.  \\ 
Sin   beghin  is  herde  scone,  hi  moet  een  Inttelkin 
beherden ,  sullen  hem  uwer  {l,  uwe)  wapen  werden , 
D.  War.  7 ,  374 ,  8  {Esop.  bl.  9 ,  vs.  9). 

BEHEREN,  zw.  ww.  bedr.  Yan  heer;  mhd. 
behérren,  beherren. 

1)  Onder  sijne  macht  hebben,  aan  zich  onder- 
werpen, II  Die  doot,  diet  aldus  lange  al  beheren 
mocht,  verwonderde  haer  van  deser  nyer  mogen t- 
heit,  Bern.  S.  Ib, 

2)  Beheerschen,  regeeren,  besturen,  van  een 
land,  volk,  enz.  ||  Die  eerste  graefscip,  al  wast 
datse  van  anderen  Inden  daer  te  voren  beheert 
hadde  geweest,  ald,  12.  Dat  Godolyas  dat  volc 
beheerde,  B.  v.  1357,  206a.  Ie  en  sel  u  niet 
beheren,  noch  oec  mijn  kinderen,  mer  God  die 
here  .  . ,  die  sel  u  beheren ,  ald,  96c.  —  Beheert 
s^u;  mhd.  behérret  sin.  Een  bestuurder,  lands- 
heer hebben.  \\  Item  geloven  wg  .  .,  dat  wij  gene 
versameninge  noch  sprake  houden  en  zullen  .  . 
omme  eenige  lantsheeren  off  lantsvrouwen . .  bynnen 
der  stede  te  laten,  off  eenich  heerscip,  voir  die 
tijt,  dat  wfl  beheert  sjjn,  ZFl.  Bijdr,  6,  373 
{a.  1426). 

3)  Toezicht  houden.  ||  Ten  derden  schouwe  salt 
die  schout  besteden  om  den  minsten  penninck  ende 
voort  beheeren  alst  een  recht  is  ende  schepenen 
wysen,  O.  K.  v.  Enkh.  22,  106.  —  Ook  in  den 
zin  van  zijne  rechten  op  eene  zaak  doen  gelden,  \\ 
Wie  pande  gheset  siin,  die  sal  die  beheren  in 
die  naeste  ommegange,  off  men  en  sal  dair  na 
gheen  meer  rechts  van  doen,  K.v,Brielleld%,19. 
Soe  die  goede  luyden  vander  stede  bevynden,  dat 
sommige  vleyschstalleu  bliven  leggen  onbeheert, 
gebieden  daeromme  eenen  yeghelicken,  .  .  dat  zy 
haer  stallen  verheerghewaden  ende  die  beheren 
tusschen  dit  ende  halffvasten  naestcomende ,  O.  R. 
V,  Dordr.  1,  346,  166.  —  Beheert  ofte  on- 
beheert,  met  o  f  zonder  opzicht.  \\  Dat  nyemandt 
zyn  peerden  .  .  en  laeten  gaen  beheert  ofte  onbe- 
heert up  driesschen,  graslandt  enz.,  Cout.  v, 
Brugge  1,  216. 

Aanm.  —  „Hi  beheerde  hem  daerafteonthutene 
ende  \fi  ontervene,"  Oendsch  Chtb.  194,  is  fout; 
men  leze  begheerde. 

BEHEREN,  zw.  ww.  bedr.;  mhd.  behem.  Ver- 
woesten ,  met  een  leger  doortrekken.  Ygl.  Lexer  1 , 
165  en  verheren  (verherien).  ||  Ende  plaghen 
meest  al  Dnytschlant  ende  dat  lant  omtrent  Parys 
te  beheeren  mitten  zweerde,  Clerc  10. 

BEHESSEN,  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  behessen,  hd. 
behetzen,  Yan  wild.  Opjagen.  Een  velt  be- 
hessen, een  land  afjagen ,  zich  van  het  wild  van  het 
land  door  ongeoorloofde  jacht  meester  maken.  \\  Van 
behessen.  Nemant  sal  eens  mans  velt  behessen  mit 
kuylen,  panden  {netten?)  van  dat  hem  sonderlinge 
tokompt,  Westerw,  Landr.  28,  23.  Ygl.  Landr. 
v.  Wedde  84,  96:  Nement  sal  ein  mans  velt  be- 
hessen mit  kulen ,  panden  van  dat  hem  sunderlinge 
toehoort. 

BEHETEN,  st.  ww.  bedr.  {behiet,  beheten).  In  het 
mnd.  (niet  bij  Lubben ,  wèl  beheit)  en  het  mhd.  {be- 
hetzen) zeer  zeldzaam ,  in  het  mnl.  een  zeer  gewoon 

24 


739 


BEHE. 


BEHE. 


740 


woord,    in   verschillende   opTattingen.   Van   heten 
(zie  ald.). 

1)  Iemand  ieU  van  te  voren  zeggen^  iemand  iets 
aanzeggen^  verkondigen^  voorspellen.  \\  Hi  die  alle 
dinc  vermach  voer  op  Tan  den  berge  tOÜTeten, 
also  alst  Toren  was  beheten,  Velth.  I,  16,  72. 
Diene  ons  so  wel  Moyses  ende  dandre  propheten  in 
die  scriftnre  hebben  beheten,  dien  hebben  wi  ronden, 
Rdjmb.  22316.  Omme  dattie  valsche  propheten  hem 
alle  hadden  beheten,  dattie  van  Egypten  binnen 
Babylonien  sonden  winnen,  14833.  Dat  het  wilen 
was  beheten  van  (}ode  biden  propheten,  ^.  I^^ 
41,  33.  Dat  verdriet,  dat  n  die  prophete  behiet, 
JUjmb.  25558.  Dat  dns  beheten  wilen  was  vanden 
propheten,  26876.  Dat  das  was  beheten,  dat  eene 
maghet  sonde  dragen,  Amand  II,  2606.  Dits  die 
ons  die  propheten  langhe  te  voren  hadden  beheten , 
Theoph.  999.  Alsoe  als  die  propheten  langen  tijt 
dH  hadden  beheten,  Lanc,  III,  1759.  God  hevet 
ons  beheten  bi  zinen  heleghen  propheten,  Denkm, 
3,  201,  37;  Sp.  II»,  2,  43;  II»,  23,  176;  354. 

2)  Vooraf  bespreken^  bepalen^  afspreken.  \\  Nn 
was  die  strijt  so  saen  beheten,  dat  men  hem  niet 
conde  laten  weten  te  tide,  Velth.  IV,  28,  32.  — 
Ook  met  het  voorz.  van.  Vooraf^  te  voren  spreken 
over.  II  Laet  ons  opsitten  dan  ende  tote  ere  mire 
nichten  varen,  die  hier  bi  woent;  .  .  si  saeten  op 
ende  reden  totien  dat  si  qnamen  ter  steden,  daer 
hem  die  joncfronwe  af  behiet,  Lanc.  Il,  15595. 

3)  Beloven^  toezeggen.  \\  Zabnlon  so  behiet  hy  dat 
lant  dat  leegt  der  zee  by,  Ysacharre  behiet  hi 
tlant  tnsschen  den  berghe  enter  zee  cant  .  . ;  6ad 
benediede  hi  ooc  mede  ende  hi  behiet  hem  stont- 
hede,  Bijmb.  3307.  Hoe  hem  {Paris)  Jnno  behiet 
rijcheit  vele  .  .;  Venns  behiet  hem  dat  scoonste 
wijf,  Flor,  652.  Datmen  di  beheten  hevet,  eer 
die  tijt  comt  datment  ghevet,  en  saelstn  niet  be- 
heten voort ,  wantmen  lieghet  menich  woort,  D.  Cat. 
95.  Dit  behiet  ons  Apolijn,  la  promesse  éTAppolin^ 
Troyen  9047.  De  dnvel ,  die  hem  vele  goets  behiet, 
Stoke  I,  172.  Hi  behiet  hare  rijcheit  groet,  Sp. 
II*,  51,  7.  Hiere  groet  goet  mi  omme  behiet, 
II*,  18,  52.  Cristns  {hevet)  beheten,  dat  hi  sal 
hier  neder  beeten,  III*,  36,  .33.  Soe  behiet  te 
doene  den  jongelinc  dat  hi  riet,  I^,  65,  31.  Die 
coninc  gedochte  der  saken,  dat  hijt  wilen  Gode 
behiet,  I*,  16,  10.  So  datse  {Jstacia)  hem  die 
vader  behiet,  I',  49,  27.  Dune  moets  man  no 
wijf  die  leven,  beheeten  dinc,  dnne  wilt  hem  gheven, 
Bouc  V.  Sed.  109.  Die  vele  beheet,  hine  gonde 
wel,  hi  bont  metten  lieden  spel,  115.  Vgl.  nog  i2o^^ 
4759;  C  4018;  Velth.  VII,  15,  60;  Alex.  II, 
431;  927;  V,  351;  Ferg.  4392;  F.  d.  Houte  59; 
Lanc.  II,  41586;  42938;  46154;  III,  \l^m, Bijmb. 
3832,  20146,  24333. 

4)  Evenals  het  mnl.  beloven  de  bet.  van  verzekeren 
heeft,  zoo  ook  beheten.  \\  Acgraveyn  ne  micte  niet 
een  twint  op  dat  hem  die  naen  behiet,  Lanc.  II, 
5887.  (Hi)  behiet  hem  ende  belovede ,  dat  hi  hem 
thoeft  af  sonde  slaen,  hine  lyede  verwonnen  saen, 
4538.  —  Enen  slives  beheten,  iemand  zeker- 
heid geven  omtrent  zijn  leven  ^  voor  zijn  leven  in- 
staan (?).  Il  Hi  lach  acht  daghen  int  verdriet  ende 
hem  niement  slives  behiet  {var.  onthiet)  vander 
pine,  die  hi  had  ghedaen,  Segh.  7843. 

5)  Met  een  4den  nv.,  die  iets  kwaads  ^  iets  on- 
gnnstigs  nitdmkt.  Dreigen  met  iets.  \\  Die  doot,  die 
hy  mynen  vader  behiet,  moste  hy  selven  tierst 
smaken ;  soe  snldy ,  can  ie  n  gheraken ,  oec  drincken, 
dat  ghy  my  beheet,  2Voy«*  8735.  Dor  dat  gi  behiet 
{uitg.   beriet)   onsen   here  alsulke  scande,  alsnlke 


onnere ,  als  dat  men  {d.  i.  men  en)  hangen  sonde , 
Ben.  694  Hs.  (vgl.  bij  6). 

6)  Vandaar,  dat  beheten  de  beteekenis  van  berok- 
kenen aanneemt;  synoniem  van  beraden.  ||  God  ne 
wils  gehingen  niet,  die  hem  swaerre plaghe  behiet, 
Bijmb.  28031.  M^n  sware  verdriet,  dat  mi  m^n 
stiefmoeder  behiet ,  Wal.  5771.  —  Men  ziet  hiemit , 
dat  de  door  Ondem.  1 ,  418  voorgestelde  verandering 
in  beriet  op  deze  plaats,  en  de  door  Matthes ,  Ben. 
694  (vgl.  bij  5)  gemaakte,  overbodig  z^n. 

7)  Bevelen,  gelasten.  \\  Hi  behiet  hem,  hi 
moeste  vnlstaen,  sinen  broeder  te  sine  onderdaen, 
Bijmb.  2399.  Hi  belovede,  gaf,  ende  behiet  den 
papen  . . ,  dat  si  achten  sonden  omme  alsnlke  saken, 
Sp.  I^,  3,  12.  Segt,  wat  dat  gi  mi  beheet ,  j^/er.  X , 
558.  (Hi)  hadde  sgns  vader  coc  int  vier  gheworpen, 
om   datti  niet  en  dade,  dat  hi  hem  behiet,  JÜmb. 

IV ,  248.  Dan  sieti  weder  ten  sondaen  waert ,  diese 
{de  vrouKf)  hem  eechende  ende  behiet ,  dat  soe  hem 
worde  ontbonden  niet,  Parth.  5630.  Sij  dede,  dat 
haer  die  vronwe  beheet,  MLoep  II,  1447  var.; 
teksth.:  heet. 

8)  Evenals  het  mnl.  bevelen  de  bet.  van  aan- 
bevelen, opdragen  heeft,  zoo  ook  beheten  op  ééne 
plaats,  nl.  Sp,  III',  1,63.  ||  Siere  dochter  hi  hem 
behiet,  die  bi  namen  Constantie  hiet .  .endeseide: 
„Nem  mgn  keyserrike  met  derre  maget  ende 
plegere  wale."  —  De  Byzantijnsche  Tiberins  laat 
op  zijn  sterfbed  Manricius  komen  en  beveelt  hem 
het  ryk  en  z^ne  dochter  ium,  draagt  ze  hem  op. 
De  bet.  beloven  is  hier  dns  niet  de  ware. 

Aanm.  —  Bincl.  1274,  in  de  beschrgving  der 
legende  van  St  Maarten ,  leze  men  in  den  slotregel 
„so  werdi  met  Gode  beheet  "  die  geen  denkbare  ver- 
klaring toelaat:  ^so  werdi  met  Gode  becleet.^^  VgL 
Wrake  III,  1282:  yfi2kïï  sal  die  mensche  indesea 
met  sinen  Sceppere  ghecleet  wesen  ende  ghesierdt 
hehaghelike." 

BEHEVELT.  Zie  beévelt. 

BEHILIEEN  (behilicken),  zw.  ww.  bedr.Vaa 
hiiic,  d.  i.  huwelijk.  "Mud.  behilliken.  Door  huwelijk 
verwerven,  betrouwen,  aantrowwen,  Vgl.  behuwen 
en  BEHUWELIKEN;  hd.  erheirathen.  \\  Johan  vaa 
Bosinchem  .  .  .  had  behylickt  dat  hooch  ende 
daghelicks  gericht  van  Manderick,  Matth.  AnaL 
3,  595.  Desen  Hnbrecht  .  .  was  getronwt  mit 
joncvrou  Jatte  van  der  Leek,  daermede  behjlie- 
kende  tlant  van  der  Lecke,  601.  Een  geborec 
poirter  is  dat  verbant  gheërft  ende  een  behilictea 
{die  door  huwelijk  zijn  poortrecht  verwarven  kéeff) 
syns  wyfs  of  mans  goeden  ende  lasten ,  Matth.  127. 
Dat  wij  namels  niement  in  onsen  gerechte  tDordrecht 
setten  en  snllen ,  h^j  en  sij  een  ingeboren  poirter . ., 
off  hy  en  hebbe  siin  poortrecht  witliken  behiliet, 

V.  d.  Wall  453  {a,  1418).  Of  hi  en  heeft  a|B 
poortrecht  sel ver  behilict,  O.  K.  v.  Dordr.  57, 2U). 
Item  en  sal  gheen  man .  .  .  sgn  poirtrecht  moges 
behiliken  aen  een  lantpoirters  dochter,  merwelaea 
een  ingeseten  poirters  dochter,  O.  B.  v.  Dordr.  1, 
254 ,  18.  Vgl.  2 ,  146.  —  Ook  in  de  intr.  opvatting  vaa 
door  huwelijk  op  iemand  overgaan.  \\  Oft  enich  porter .. 
stalle  van  den  voirsz.  gilden  behylicten  of  aen- 
bestorven,  O.  B.  v,  Dordr.  1,  98.  —  Een  be- 
hilicte  soon,  hetzelfde  als  een  behuwede  soem 
(zie  ald.).  Behuwd-zoon,  schoonzoon.  |l  Ghif  mi  dga 
aochter  te  wive  ende  ie  sal  dgn  behilicte  soea 
wesen,  D.  B.  I  Maeeab.  11 , 9.  Sgn  behylicten  soeo. 
Pass.  W.  80fl?. 

BEHINDECH ,  BEHINDECHEIT ,  BEHINDE- 
LIKE.  Zie  behendech  enz. 

BEHINDEREN,  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  behinder*. 


741 


BEHI. 


BEHO. 


742 


Verkmderen^  belemmeren^  beletten^  katigvallen.  \\ 
Ghelijc  den  Hooghen  Wynt,  stoormich  enstranghe, 
alle  dynck  behyndert  by  zynen  tempeeste,  ZVl, 
Bijdr.'by  323,  277.  Aldus  so  werden  dese  dingen 
behindert  ende  benomen  aen  beyde  siden,  Troyen 
Vb,  28<?.  Op  dat  sy  haer  vianden  neder  trecken 
mochten,  ende  hoer  wederkeren  hem  mochten  be- 
hinderen,  Matth.  Anal,  3,  103  {Clerc  69).  Het  sy 
onse  yyande  of  ander  Inde  in  der  voirscr.  kercke,  huze 
ende  toebehoren  behindert ,  belet  of  gemoeyt  worden , 
Oorl.  V.  Albr.  534.  Omme  die  schouwe  ende  weder- 
schonwe  te behynderen ,  Overijs.  Dijkt,  2' ,  33.  Ist  dat 
een  behyndert  (gekweld)  is  myt  spenen  (jmüten), 
Lanfr.  179r.  Die  dnvelsche  temptaci,  dye  altyt.. 
den  mensche  behindert  ende  gheert  te  trecken  yan 
goeden  werken ,  QesL  U,  203.  Laet  de  serpente  gaen 
crupen,  daer  si  wil,  behindertse  in  gheenre  manyeren, 
116tf.  Die  sterke  behindert  ende  vecht  teghen  den 
sterken,  1443.  Soe  wanneer  (wi)  van  yemant  be- 
hindert werden,  dat  wi  dan  niet  ter  stont  .  . 
sellen  vloken ,  207a.  (Hi)  behindert  goede  wercken, 
die  die  mensche  .  .  doen  sonde,  M,  Also  dat  hi 
meende  sjjn  woenstat  daer  te  maken,  .  .  mer 
Haymon  .  .  behinderde  hem  daer  in  seven  jaer 
lanc,  Fois,  W,  188(r.  Omdat  hi  onse  verlossinge 
niet  en  wonde  behinderen  noch  vertrecken ,  Tcuc.  M. 
f.  84r.  Ende  wonde  nu  den  doot  Christi  weder 
behinderen,  mer  tegen  den  raet  Gods  en  is  geen 
raet,  /.  97r.  Also  hadde  hi  onse  verlossinghe 
^eeme  behindert  door  dese  vron,  hadde  hi  gé- 
c^nnen ,  ald.  Die  behinderdet  daer  hi  mocht ,  JHaU 
Creat.  bid.  Sou  wonde  dat  volck  . .  daer  en  teghens 
uresen  ende  dat  behinderen,  Bern,  W,  3<?.  —  Ook 
met  een  ontkennenden  bijzin.  ||  Onse  mghe  grove 
leven  heeft  ons  dit  behindert,  dat  wy  die  gaven 
Goeds  niet  bekennen  en  moghen,  Ht.  113,  /.  \^^d. 

BEHINGEN.  Zie  behengen. 

BEHOEDE,  znw.  vr.  Hoede,  betcherming,  ||  Gij 
edele  baroenen,  bl^ft  al  met  Gode,  die  moet  u  in 
sijn  behoede  ontfaen,  Reemsk,  89.  —  In  den  zin 
van  behoeder,  behoedster  (vgl.  beleit,  bereit,  loon 
e.  a.)  leest  men  het  Stemmen  54:  ||  Behnede  der 
rcynicheyt  is  caritate. 

BEflOEDELIJC,  byw.—  VjVoorzichtig ,  bedacht- 
saam.  II  De  abt,  har  gestelike  vader  .  .  custe  de 
nonnen  allegader,  daem  deed  hi  niet  behnedlic 
inne,  D,  War.  3,  144,  681. 

2)  Met  vele  voorzorgen,  op  eene  behoedzame 
wijse,  in  het  geheim,  \\  Desen  brief  sende  Barbara 
seer  behoedelic  totten  leeraer  Origenes  bi  enen 
die  si  betronwede,  Pasê.  W.  97<?. 

BEHOEDEN  (behueden)  ,  zw.  ww.  bedr.  en 
wederk.  Mnd.  behoden,  behuden.  Mhd.  behueten. 

Bedr.  —  1)  Bewaken,  bewaren,  beschermen,  be- 
veiligen, zorg  dragen  voor.  \\  Dat  men  den  wisen 
enten  vroeden  slot  ende  sloetel  laet  behoeden, 
Hild.  166,  165.  Dit  brievekin  ontfa  ende  totedire 
doot  .  .  sie  dat  vaste  si  beboet.  Franc.  6119.  — 
Vooral  gebmikeiyk  in  het  verl.  deelw.  behoet. 

—  a)  Beschermd,  beveiligd,  gevrijwaard',  in 
de  uitdr.  wel  behoet,  d.  i.  goed  beschermd, 
veilig.  \\  Mensche,  wildi  s^n  behoedt  vander  hellen 
gloede,  Tien  PI.  2550  (bl.  637).  Sonder  water 
was  hi  behoet,  Flandr,  I,  1014;  y^het  kasteel 
was  niet  door  water  beschermd^"*  Dan  moetmen 
wisen  ende  raden,  dattie  palen  sgn  behoet, 
Hild.  196,  34.  Altoes  blp  hi  wel  behoet  voer 
snlke  deilinghe,  alsmen  dede  al  daer  die  woec- 
kenaer  verschiet,  164,  204.  Een  goet  beghin, 
dat  salmen  keren  soe  dattet  eynden  mach  in  eren , 
dan  ist  middel  wel  behoet ,  dan  is  ook  het  midden 


verzekerd,  246 , 1.  Schaemte ,  Miltheit  ende  Oetmoet, 
die  soe  wel  waren  behoet,  sijn  nn  bloede  ende 
versaecht,  zij  waren  vroeger  beveiligd,  veilig,  in 
eer,  205,  109.  Dattie  palen  sijn  behoet,  196,  36. 
Die  ghemeente  tijt  {werpt  de  schuld)  al  opten 
heren  ende  op  prelaten,  die  se  leren,  dat  si 
daer  mede  sgn  behoet,  om  zich  zelve  daardoor 
te  vrijwaren ,  daarmede  te  verdedigen ,  95 ,  7.  In 
een  vel  beloken  altemale  dicke  ende  stare  ende 
wel  behoet.  Nat.  BL  III,  1996.  So  seldi,  mine 
ridders  goet,  daer  buten  u  decken  ende  behoet 
van  {geschermd  door,  bijgestaan  door)  den  uwen, 
Sp.  11^,  44,  49.  Wat  soe  in  ertrike  es  goet,  es  in 
maten  al  behoet,  wordt  beschermd  door,  ontleent 
zijne  kracht  en  waarde  aan  het  houden  van  de 
juiste  maat',  is  zonder  gevaar,  wanneer  men  maat 
houdt,  Lanc.  III,  25606.  Elc  moet  op  die  langhe 
vaert,  daer  menich  deghen  is  ghevaren,  die 
machtich  hier  te  voren  waren  ende  in  eren  wel 
behoet,  d.  i.  veilig  in  eer,  hoog  in  eer  staande, 
Hild.  156,  78. 

b)  Vandaar  by  uitbreiding,  zooals  men  uit  het 
vorige  voorbeeld  zien  kan,  van  iets  goed  voorzien, 
eig.  door  iets  beschermd,  veilig  in  iets,  —  a)  Eigenlijk. 
Voorzien  van.  \\  Si  waren  wel  behoet  van  dies  hem 
behoefde  in  beiden  syden,  2Voy<?»4293.  —  b)  Figuur- 
lijk. Vervuld  van,  behept  met.  \\  Des  mensenen  herte 
is  soe  behoet  mit  ghiericheden ,  .  .  dattet  selden 
wert  vervult,  Hild.  128,  40. 

2)  In  zich  bewaren,  behouden,  houden,  als  richt- 
snoer van  zijn  leven  aannemen.  \\  Soe  wie  mine 
woerde  hoert  ende  niet  en  behoet,  ie  en  oerdele 
hem  niet,  Hs.  71,  Joh.  12,  47.  Scamenesse  die  es 
sere  goet,  want  so  wie  diese  behoet,  al  ware  hi 
een  mesdadich  man,  nochtan  so  waerre  hope  an, 
Sp.  1%  62,  65. 

3)  Opsluiten,  in  eene  bepaalde  ruimte  houden, — 
Vandaar  de  uitdr.  behoet  houden,  d.  i.  op- 
gesloten houden.  \\  Van  den  outare  dede  hine  {de  duif) 
ter  vaert,  maer  in  die  kerke  hout  hine  behoet, 
Sp.  II»,  41,  16. 

4)  Ere  dinc  — ,  zich  hoeden,  zich  wachten, 
oppassen  voor  iets.\\  Men  hiet  haer  des  behoeden, 
dat  Rijt  selve  en  soochde  niet.  Flor.  254. 

5)  Verhoeden,  verhinderen,  beletten,  vermijden.  \\ 
Ghi  waert  vervaert  so  tien  tiden ,  dat  ghi  u  selven 
maket  verwoet,  ende  wanet  hebben  behoet,  dat 
ghi  niet  waert  comen  te  stride,  Alex.  VIII,  586. 
Om  te  behuedene  dese  ondaet,  soe  wort  ghemaect 
een  tractaet,  Brab.  Y.  VI,  10175.  En  laet  u  oec 
niemene  merken,  daer  ghijt  behoeden  moecht, 
Rnusb.  4,  86. 

6)  Enen,  iet  — ,  bewaken ,  letten  op ,  passen 
op,  in  het  oog  houden.  \\  Si  behoetdene  ende 
leedene  sciere  tenen  pauwelioene  wel  diere.  Wal, 
10359.  Hoe  zeer  een  wijf  behoedet  si,  nochtan  is 
hoer  begheerte  vry ,  Hild.  253 ,  13.  Nochtans  waren 
si  also  behoet  {in  kloosters),  dat  si  malcandernye 
en  saghen,  D,  War.  6,  396.  Ie  sal  behueden 
mine  wege,  dat  mi  min  tonge  niet  quaets  en 
plege,  Sp.  II»,  58,  21. 

7)  Wederk.  —  Zich  in  acht  nemen ;  voorzichtig, 
bedachtzaam  zijn,  \\  Die  dyaken  wille  hem  be- 
hoeden, ende  hevet  maer  enen  besant  gegeven, 
^.  III»,  44,  76.  —  Het  verl.  deelw.  behoet  als 
bnw.  gebruikt.  Op  zijne  hoede,  bedachtzaam,  voor- 
zichtig, ingetogen.  \\W&Ten  die  manne  also  behoet, 
dat  si  oghen ,  sin  ende  moet  wel  consten  besniden , 
80  ware  vrouwen  minne  spoet,  Wap.  Mar  1.1,917. 
(Hi)  hebbe  liever  ene  maghet  .  .  die  gheseed  es 
ende  behoedt,    ende  onder  die  goede  opghevoedt, 


743 


BEHO. 


BEHO. 


744 


Doet.  II,  1861.  Voor  valsch  ghetaghe  wes  beboet, 
Tien  PI.  2641  (bl.  637).  Syt  Yoorsienich ,  behoedt 
ende  gheordent  in  woerden  ende  in  manieren ,  Ruusb. 
3 ,  130.  Hi  was  behoedt  in  al  sine  wort ,  Ccus.  66. 
Van  worden  wel  sijn  behoet,  Vod.  Mm.  1,  98,6. 
Daer  na  {spreekt  Paulus)  van  sijnre  behoeder 
wanderinghe  onder  hem,  Hs,  Ib  f.  11b.  Reine 
herten,  .  .  beboet  van  woorden,  5>.  r.  1348 ,  2413. 

BEHOEDENISSE ,  znw.  vr.  Mnd.  behoiniise, 
behodenisse^  mhd.  beAueinisse.  Bewaking^  bescher- 
ming. II  Die  behoedenisse  van  haren  scapen  ende 
beesten,  Boeck  v.  d.  L.  J.  2Sb. 

BEHOEDER  (behueder),  znw.  m. ;  vr.  be- 
HOEDERSE.  Mnd.  BeAoder ,  beAoderscAe,  bescAermer^ 
bescAermster.  \\  Dit  was  doe  Maria  was  in  Nazareth  . . 
ende  Joseph  haer  behoeder  in  Betbleem  was,ZjjD. 
11,6,43.  Doe  Jhesns  sach  sijn  lieve  moeder,  ende 
oec  Sint  Jannen  haer  behoeder ,  heeft  hi  ghesproken 
dit  sermoen  ende  seyd:  „Wgf,  sich  hier  dynzoen!" 
Daer  na  sprac  hi  tot  haer  behoeder  end  seyde :  „Jan , 
sich  hier  dgn  moeder,"  O.  H.  Pass.  27,  749.  Dat 
Sebedens  kinder  moeder  Oristumme  leide  voer 
hant,  dat  hare  II  sonen  bi  hem,  behoeder,  sitten 
mochten  ten  hemelschen  voeder  in  dat  zaleghe 
lant,  Wap.  Rog.  1660.  Saleghe  moeder  Gods  .  . 
behaedersse  der  bedroefder  sinne.  Vod.  Mus  2, 
404,  64.  Damiaten,  dat  hier  voren  .  .  behoederse 
was  ijiet  opzicAt  Aad ,  de  baat  was)  van  der  zee  ende 
roverse  der  Kerstine,  ^Sjp. IV' ,  33, 41.  Ie  sal  dijn  be- 
hoeder wesen  werwaerts  dattn  tides ,  D.  B.  Gen.  28 , 
16.  Oetmoedicheit  is  een  behnederse  der  gracien, 
Ruusb.  3 ,  25  var.  (tekst  beAoederster).  —  Behoeder 
van  den  swerae,  drager  van  Aet  zwaard,^  ver- 
dediger^ bescAermer.  \\  Hi  was  behudere  van  den 
swerde  van  kerstenhede  al  te  voren ,  Belg.  Mus.  10, 
68,  24. 

BEHOEDERSE.  Zie  het  vorig  Art. 

BEHOEDICH,  bijv.  nw.  Van  Aem  behoeden  (zie 
ald.  7).  In  de  uitdr. :  behoedich  van  sonden, 
zicA  loacAtende  voor  zonde  \  op  zijne  Aoede^  zicA  in 
acAt  nemende  tegen  de  zonde,  jj  Si  schinen  buten 
ootmoedich,  reine,  cuusch  ende  behoedich  van 
sonden,  mer  si  bedrieghen  die  lude  daer  mede. 
Hor.  Belg.  12,  22. 

BEHOEDICHEIT ,  znw.  vr.  Van  beAoedicA  (zie 
ald.).  In  de  uitdrukking  behoedicheit  doen, 
bescAermen^  bewaken.  \\  Onse  Here  hem  voeghet 
jeghen  den  mensche  sere,  ende  doet  hem  behoe- 
dich ede  ane  siele  ende  ane  live  mede ,  Bed.  d.  Jf.  141. 

BEHOEDINGE,  znw.  vr.  BescAerming  ^  Aoede. 
II  Onder  die  bescherminge  Gods  almachtich  ende 
onder  die  behoedinge  van  Maria  synre  gebenedijder 
moeder,  Rtige  v.  Bord.  11.  —  Dat  rike  Gods  ne 
comt  niet  met  behoedinghen  der  tijt,  Hs.  v.  1348, 
6Sa  (letterlijke  en  onjuiste  vertaling  van  Luc.  17, 
20:  Non  venit  regnum  Dei  cum  observatione). 

BEHOEF  (behouf),  znw.  onz.  en  vr.  Mnd.  beAóf\ 
mhd.  beAuof.  Vgl.  behoeve  en  behoefte.  —  Zeer 
dikwijls  in  den  samengetr.  vorm  boef   (bouf). 

1)  BeAoefte^  gebrek.  ||  Sine  hemelsche  vader 
en  hevet  onse  rijcdom  (beter:  ons  rijcdoms)  gheen 
behoef,  Gest.  R.  c.  6. 

2)  BeAoefte^  noodzakelij kAeid.  \\  Vander  minnen 
der  broederlicheit  en  hadden  wi  gheen  behoef  u  te 
scriven,  Hs.  Ib^  I  TAess.  4,  19. 

3)  Concreet.  BeAoefte^  nooddruft  \  dat  wat 
iemand  beAoeft,  noodig  Aeeft.  \\  Die  minne  dede 
hem  grote  pine,  hine  at  el  niet  dan  rachine,  die 
hi  uter  erden  groef;  niet  wel  en  haddi  sijn  behoef, 
Ferg.  3026.  Dinghel  bracht  hem  alle  daghe  te 
siere   messen   .   .   zijn   behoef,  hostie  ende  wijn. 


Sp.  1\  86,  63  var.  Nu  biddic  u,  herc,  dat 
ghi  al  helpt  miin  behoef  versien,  lAmb.Yl^  1564. 
Visschen ,  voghelen ,  ander  beest  is  des  menseben 
behoef,  Hild.  174,  13rar.  Die  sijn  behoef  ...  van 
eten  ende  van  drincken  .  .  begheert  te  winnen, 
Gest.  R.  f.  48c.  —  Na  sijn  behoef,  m  overeen- 
stemming met  hetgeen  noodig ^  vereiscAt  was;  naar 
beAooren.  \\  Een  boghe  was  gemaect  in  de  erde 
van  steenen ,  naer  sijn  behonf ,  daer  menne  eerlike 
in  grouf,  Sp.  IV',  33,  80.  —  Enen  sgn  be- 
hoef doen,  iemand  van  Aet  noodige  voorzien.  \\ 
Voert  soelewi  onsen  here  voerscr.  sijn  behoef 
doen  ende  sine  herberghe  in  goeden  state  handen , 
Nijh.  2,  96  {a.  1367). 

4)  Nut,  voordeel.  —  In  de  uitdr.  tot  (te)  enes 
(of  in  plaats  daarvan  een  bezitt.  vnw.)  behoef. 
Men  zei  de  zoowel  tonsen  beAoef  als  tonder  behoef. 

a)  Ten  nutte ,  ten  dienste ,  ten  bate ,  ten  voordeele, 
ten    beAoeve   van.   \\  Daer  men   tfondament  ^roef, 
droecli  hi  tes  fondaments  behoef  op  sine  scondren 
twalef   manden    met   aerden,    Lsp.   II,    46,     156. 
Want  die  heilighe  Gods  cracht  alrehande  aerdsch 
goet  tsmenschen  behoef  wassen  doet,  m,  24:,  10. 
Hemel    ende    erde    ghemene,    ende   al    diatter    es 
binnen  wonde   hi  van  groter  minnen  tonsen  boel 
al  maken ,  Doet.  1 ,  466.  Wi  selen  nutten  van  dien 
daer  ons  God  heeft  af  versien  ende  tonser  behoef 
ghemaect  heeft,   II,  1846.  Des  sinxen  dages  was 
al   bereet   tsinen   bouf,    dat  men  weet,   dat  hem 
behoefde  ten   ridderscape,  Limb.  II,  81.  Ie  salse 
cortelinghe    werpen    doen    in   dit   vier;  die  dnTel 
brachtse  noit  hier  te   minen   bouf,    I,    2<>48  (de 
duivel    heeft    haar   niet   voor  mijn  genoegen   hier 
gebracht).    (God    die)    hemele   ende   aerde     mede 
tonsen    behoef    worden    dede,    Lsp.   II,    41,    49. 
Ter  kerken  boef,   Vod.  Mus.  1,  292.  Thes  godshns 
bouf,  2,  249.  Te  Jans  Storms  boef,  357.  Tot  der 
cameren   behoef,  3,   129.    Tes  menschen   behoef, 
Doet.   II,    1843.   Tonser  behoef,    1847.    Ie    hebbe 
tuwen  bouf  wapen  an,  lAmb.  Il,  1806.  Een  scip  .  . 
dat  ie  tuwen   boef  daer  sande,  PartA.  839.    Tes 
Keysers    bouf,    Sp.  IV*,  8,  64.    So  bevoirwairden 
sy  zielmissen  tot  des  doden  behoef,  Matth.  226. 
Hi  heeft  hemel  ende  eerde  ghescapen  ende  alle 
creaturen   te    synre   eren   ende    te    onsen    behoef, 
Euusb.  4,   23.  Tote  onser  alre  behoef,  170.  Been 
derdeudeel  tsheeren  bouf  van   den  lande,   dander 
derdendeel  tsbisscops  bouf  van  Dornike  ende  terde 
derdendeel   ter  stede  bouf  van  Ghend,   Vetd.  Mms. 
4,   369.  —   Ook    als    rechtsformule.    Tot    enes 
behoef,  in  iemands  belang.  \\  Tot  wat  recht  (ook 
ban ,  ald.)  die  scepenen  staen  willen ,  tot  des  heren 
behoef  ende  der  steden,  Matth.  131.  Ie  dag'he  A. . . 
oirkonde  te  segghen  tot  myns  heren  behoef,  134. 
Hy   mach    echt   kennesse  doen   daghen  tot  sjnre 
behoef,  ald.  Eenen   man  te   bestellen  (in  arrest  te 
nemen)   tot   synre  behoef,  192.   —   Meermalen  is 
te— behoef  niets  anders  dan  eene  omschrü  ving  van 
den   3den   nv. ,   en    kan    dan   het   best   door  voer 
vertaald   worden.  ||  Dijn  osse  .  .  hi   dreecht    djoc 
tuwen  boef,  mer  vore  hem  niet,  Rincl.  437.  Hem 
was   een   bedde  gemaect   daer  also   rikelike  .  .  , 
alse  ocht  Arturs  boef  ware,  Lanc.  II ,  8936  (/.  tArtars 
boef,  d.  i.   voor  ArtAur).   Ie  draghe,  vronwe,  aa 
minen   mast   die   soete   vrucht,  men   soeten   last, 
niet  tuwen  bouf  alleene,  Disp.  79.  Onse  Here  .  . 
heeft  dat  hoghe  rike  bereyt  ter  menschen  behoef, 
Teest.   2629.   (Hi)    dede  die  eervachtichede  tsinea 
bouf  nemen,    VI.   Rijmk.   2071.   Waer  oec    enigv 
dinge  comen,  die  heeft  men  daer  opgenomen  tes 
conincs  boef  overal  int  lant,  Velth.  VT,  16,  21. 


745 


BEHO. 


BEHO. 


746 


Som  ooc  offerde  hise  {de  vaten)  voor  Gode,  ende 
zom  hilt  hise  te  sinen  boef,  quaedam  vero  sibi 
reservavit,  Rijmb.  15064.  Te  wies  boef  salie  di 
voeden,  cwi  te  tervavero^  33391.  Een  goet  deel 
daer  ave  hebbic  gehouden  tuwen  boef,  heb  ik  voor 
u  bewaard^  33410.  {De  vrek)  jammerlijc  dat  ver- 
spaert  teens  anders  behoef  diet  verteert,  2^.111, 
21 ,  25.  Hi  dede  hem  spannen  twe  gondene  sporen, 
die  hi  te  sijns  selfs  boef  hadde  vercoren.  Flor. 
1558.  Dat  ghise  {de  joncvrouw)  an  den  coninc  vri 
te  minen  bouf  wilt  sonken  nu,  Limb.  XII,  905. 
Ie  hebbe  tonsen  boef  gereet  den  scoensten  stat, 
die  noit  man  sach,  Lorr,  II,  2044.  Hi  dede  een 
scep  touwen  tsinen  boef  enter  vrouwen,  2091.  Ie 
nie  en  sach  te  minen  behoef  soe  bliden  dach, 
een  voor  mij  zoo  heuglijken  dag  ^  L.  o.  H.  4225. 
{De  mieren)  die  welke  inden  oest  tot  haerre  behoef 
spise  reiden,  D,  B,  Sjpreuk.  30,  25.  Ie  hebbe  te 
mijnre  behoef  ghevonden  vele  rusten,  Hs.v.  1423, 
280«.  —  Evenals  de  3de  nv.  uitdrukt  zoowel 
den  persoon  ten  voordeele,  als  ten  nadeele  van 
wien  iets  geschiedt ,  zoo  ook  de  uitdr.  te  —  behoef, 
die  den  3den  nv.  omschrijft.  Vandaar  dat  te  — 
behoef  beteekent 

b)  Voor  iemand,  ten  nadeele  van  hem,  voor  zijne 
rekening.  ||  Dat  orloghe  is  so  vreselicke  ende  tonsen 
behoef  soe  scadelicke,  Troyen  f.  148</.  Hets  grote 
zonde  tonsen  behouf,  Sp.  V,  67,  59.  Negheen 
vre.seüker  venijn  was  nie  ter  zielen  behoef  ghe- 
vonden ,  tf.  Doet.  310.  Dits  te  minen  boef  drove 
niemare,  Lane.  II,  6804.  Nu  moets  onse  here 
wonden,  die  te  minen  bouf  gehouden  heeft  al  gader 
dat  hem  gaedt,  lAmb.  I,  1229.  Al  leet  ende  allen 
toren  es  te  minen  bouf  vercoren,  1915  (elk  ver- 
driet is  voor  mij  uitgezocht  en  bewaard,  er  is 
geen  ramp,  die  mij  niet  treft). 

5)  Met  het  ww.  sijn  verbonden  heeft  behoef 
de  kracht  van  een  bnw.  Behoef  sijn,  noodig 
zijn,  vereischt  zijn.  Vgl.  noot  zijn,  ü.  i.  noodig 
zijn.  II  Die  arme  hadde  si  te  maten  grouf,  als  ten 
wapen  was  behouf,  Alex.  VIII,  93  (de  tekst 
heeft  ten  onrechte  grof.  Vgl.  ^.  V,  67,  60).  Doe 
heeft  bedreven  Anthonijs  so,  dat  hi  Paulusse  groef 
also  als  daer  was  behoef,  Sp.  11%  32,  198.  Al 
datten  orsse  was  behoef,  dat  hadt  daer  op  eiken 
dach,  Segh.  5770.  So  hoghen  uutvaert  worter 
ghedaen  van  alle,  datter  was  behoeflf,  Hild.  110, 
100.  Alle  dat  gheen,  dat  ons  nootturft  ende  be- 
hoef sal  syn  totter  bruloft ,  Gest.  R.  f.  143  b. 

BEHOEFENISSE ,  znw.  vr.  —1)  Behoefte,gebrek, 
Diut.  2 ,  219 :  behufnisse,  indigentia.  —  2)  Voor- 
deel,  nut.  \\1oi  der  cameren  behoef ,  niet  tot  mynen 
(/.  myner)  behoefenisse  ofte  yemant  anders.  Vod. 
Mtu.  3,  129. 

BEHOEFLIJC  (behoevelijc,  behovelijc), 
bnw.  Van  het  onz.  ww.  behoeven  (zie  ald.  1). 
—  1)  Behoeftig,  arw».  jj  Hy  sach  sijn  oem  arm  enae 
behoeflijc  ende  heeft  hem  nader  wet  ghevoet ,  &^«^. 
R.  f.  3  b.  —  Ook  met  den  2den  nv.  Behoefte  hebbende 
aan.  \\  {De  stad  Oravé)  tallen  termine  sculdich  ware 
open  tsine,  wanneer  dat  sijs  behoeflijk  ^9i,er,  wanneer 
zij  er  behoefte  aan  had,  Brab.  T.  VI,  7963. 

2)  Noodzakelijk,  nuttig,  dienstig,  betamelijk.  \\ 
(Si)  sullen  hare  beleeders  senden  ter  plaetsen, 
daert  hemlieden  behoufvelick  is,  Cotit.  v.  Brugge 
1 ,  374.  Seght  of  u  kenlic  es ,  dat  ie  heden  in 
tiden  ende  in  wilen  hof  maecte  in  behoveliker 
steden ,  of  ik  te  recht  zat  ter  plaatse ,  tcaar  dit 
behoort ,  Belg.  Mus.  1 ,  46  tweemaal  (de  afleiding , 
aan  den  voet  der  bladzijde  opgegeven ,  is  onjuist). 
Aldus    eist    behoevelijc,    dat    wi    vervullen    alle 


gherechtechede,  Hs.  v.  1348,  46^  {Matth.  3,  15). 

Aanh.  —  Hs.  v.  1348,  221c:  „Al8  die  behoevelijc 
dach  ghevallen  was,"  is  eene  verkeerde  vertaling 
van  Lat.:  „cum  dies  opportunus  accidisset"  {Mare. 
6,  21). 

BEHOEFLIJCHEIT  (behoevelicheit,  behove- 
LiCHEiT,  BEHOUVELICHEIT).  Van  het  bnw.  behoeflijc. 
Zie  het  vorige  Art.  Mhd.  behóflicheit. 

1)  Behoeftigheid,  armoede.  \\  Oassiodorus  scrijft 
ons  oec  van  dien  dat  wi  behoeflijcheit  selen  vUen , 
want  si  dicke  met  haren  rade  den  mensche  stoect 

,ten  quade,  Melib.  2936.  Te  desen  live  quam  die 
mensche  vort  .  .  in  die  behoeflijchede  van  allen 
dingen,  dies  men  heeft  noet,  Sp.  II»,  75,  11. 
Dat  hy  van  rycdomme  tot  armoede  quam  ende 
van  overtoUichejrt  tot  behoeflicheyt ,  Stemmen  133. 
Dat  in  so  meniger  manieren  onse  behoeflicheit 
vervuUet  worde  overmits  sijnre  weldaet,  J9arM.  11a. 

2)  Bij  uitbreiding.  Nood,  gevaar.  Mv.  behoeflicheden. 
Il   Laet  ons  in  allen   dinghen  ons  selven  bieden 

alse  dienstknechte  Godes,  in  vele  verduldicheden , 
in  druckelicheden ,  in  behoeflicheden  ende  in  anxt- 
vallicheden,  Hs.  Ib,  II  Cor.  6,  4  {Hs.  Epist.  91  b). 
Aanm.  —  Hs.  V.  1348,  1163:  „(Judas)  sochte 
behouflijcheit,  dat  hine  hem  leveren  soude  sonder 
scaren",  is  behoeflijcheit  eene  verkeerde  vertaling 
van  lat.  opportunitas ,  gelegenheid  {Luc.  22,  6). 

3)  Behoefte,  noodd/ruft,  in  abstracten  zin.  Het 
behoeven ,  gevoel  van  behoefte.  ||  Allen  bruederen  dies 
begaren  maecte  hi  cellen  ende  gaf  hen  mede  die 
noet  te  haerre  behoeflijchede,  Sp.  II*,  66,  24. 
Vitaelge  ende  cleder  mede  horen  des  (/.  tes) 
menschen  behouvelichede,  Melib.  2901  var.  (bl. 
683);  vgl.  Doet.  II,  2203.  Du  en  doeste  mijnre 
behoefelicheit  niet  ghenoech ,  Hs.  88  ƒ.  92  b.  Dese 
gaven  en  worden  niet  ghedeylt  nader  menschen 
verdienten ,  mer  na  behoeflicheit ,  Hs.  75  f  34c. 

4)  Nooddruft  in  concreeten  zin,  datgene tcat men 
behoeft.  ||  Also  veel  aelmissen  gaf  si  den  armen, 
datse  niet  en  behielt  dan  nauwelic  cost  ende  be- 
hocflichejrt ,  Exc.  Cron.  ld.  (Si)  hadden  acht  jaren 
op  die  zee  den  heydenen  berooft,  so  datse  rijck 
ende  wel  voorsien  waren  van  alle  behoeflicheit, 
1003.  Item  en  sel  gheen  steenwarder  verminren 
eniger  gevangen  behoeflijchejrt  zQns  lijfs,  R.  v, 
Utr.  1  ,  344,  6. 

BEHOEFT,  znw.  vr.  Hetzelfde  als  behoef  {e.  ald.). 

II  Dat  ghy  met  den  ghenen,  die  de  voers.  timmerag^e 

hebben   doen   maken,   moecht   componeren   tonser 

behoeft,  te  onzen  behoeve,  Oesch.  v.  Antto.  1,  480. 

BEHOEFTE  (behoufte),  znw.  vr.  Nootdruft, 
wat  men  noodig  heeft.  ||  Daer  ombe  moet  hi  hem 
geven  redenlike  behoefte,  Gendsch  Chtb.  4.  — 
Sine  behoefte  hebben,  hebben  wat  men  noodig 
heeft,  wat  men  gaarne  hebben  wil.  ||  Daer  ie  sal 
hebben  al  .  .  .  mine  behoefte,  Lanc.  III,  1635. 
Vele  .  .  .  moncken  sijn  die  meer  minnen  cleen 
ghepijn  .  .  ende  van  allen  weelden  behoufte  te 
hebbene,  ende  ooc  groot  ghemac,  Amand.  I, 
990  {behoefte  is  dus  hier,  hetgeen  voor  onze 
ooren  vreemd  klinkt,  synoniem  met  overvloed).  — 
Enen  sine  behoefte  doen,  iemand  van  het 
noodige  voorzien.  \\  Men  dede  den  kin  de  sine  be- 
hoefte al  ende  droecht  daer  ten  kerstenhede, 
Lanc.  III,  23324. 

BEHOEFTICH,  bnw.  Van  het  onpers.  ww. 
behoeven  (zie  ald.).  Noodig.  \\  Als  de  maeltijt 
gedaen  was ,  begeerden  sij ,  dat  men  hen  versag 
van  hetgene ,  dat  behoeftig  wesen  soude ,  Heemsk.  44. 

*  BEHOENE,  Velth.  I,  17,  74,  verkeerde 
lezing  voor  behoeve.  Zie  ald. 


747 


BEHO. 


BEHO. 


748 


BEHOET  (behoed),  znw.  o.  Eig.  stam  van  het 
WW.  behoeden  (zie  ald.).  Bijna  altijd  in  de  nitdr. 
m  mijn  (dijn  enz.)  behoet, 

Vj  Beseherming^  hoede.  j|  Doe  nam  \i\  (Johannet) 
se  (Maria)  van  deser  tijt  in  sijn  behoed  mit  groter 
vlyt,  O.  H.  Patt,  27,  766.  God,  in  n  behoed 
settic  minen  sin  ende  minen  moet,  Vierde  Mart. 
491.  In  allen  noden,  waer  ie  sy,  bevele  ie  my  in 
dijn  behoet  voir  boser  yyanden  overmoet,  Hild. 
92a,  43.  Rein  edele  Keiserinne  .  .  nemet  mi  in 
dijn  behoet.  Hor.  Belg.  10,  83.  O  here,  nemet 
mi  in  u  behoet,  181.  (Crhi)  naemt  al  dysraelsche 
in  n  behoet,  Bliec.  v.  M.  1601.  Lgf  ende  siele 
stellic  in  u  behoet,  Huge  v.  Bord.  46.  Nemt  de 
fonteine   in  u   behoet,    O VI.  Lied.  e.  O.  478,663. 

2)  VeiUgheid.  \\  Die  wile  dat  si  stille  daer 
hilden,  dadensi  wechyoren  haer  goet,  daer  sijt 
hadden  in  behoet,  Velth.  IV,  37,  20.  (Si) 
namen  .  .  al  den  huysraet  .  .  ende  voerdent  wech 
in  haer  behoet,  Troyen  Vb.  22*. 

3)  Bü  uitbreiding.  Macht ^  bezit.  \\  Sowiebegert 
ere  ende  goet  .  .  ghelnc  geeft  dar  toe  spoet,  dat* 
hi  beide  in  sin  behoet  vercriget ,  D.  War.  7 ,  378, 2. 
De  Yrancsche  coninc  is  in  ons  behoet!  noyt  quam 
nienmare  int  lant  soo  biyde,  OFl.  lAed.Ql.CoTitt 
dan  een  oge  opslach  wort  dit  eigedom  van  deertsche 
goet  geset  in  ander  liede  behoet,  Hild.  1,16.  Doe 
hi  leet  die  zware  pine  ende  an  den  crnce  storte 
s\jn  Moet  om  ons  te  bringen  in  sijn  behoet,  Zt^trM;^. 
4238.  In  hebbe  gheen  ghelt  in  mijn  behoet, 
on.  Lied.  e.  O.  106,  26.  Wiltu  mi  jonnen  dgn 
behoet  {%w  bezit),  eer  mi  natnre  sterven  doet, 
90,  24.  Het  ware  di  noot,  sontstn  begheren  de 
blonme  thebbene  in  dijn  behoet,  408,  161.  (Si) 
es  vaster  vele  in  haer  behoet,  heeft  zich  zelve 
meer  in  hare  macht,  it  ongenaakbaarder ,  daxi  eneghe 
borch,  Fad.  Mus.  1,  378,  43.  Hout  u  tonghe  in 
n  behoet,  Sp.  d.  J.  86.  Die  coninc  van  Sodoma 
seide  tot  Abram:  Ghif  mi  die  zielen  ende  die 
ander  (dinc)  neem  in  dijn  behoef  (/.  behoet) ,  D.  B. 
Oen.  14,  21. 

4)  Ook  gebruikt  van  een  manl.  of  vr.  persoon ,  in 
den  zin  van  behoeder  of  behoedster,  beschermer 
(vgl.  beleit,  bereit,  behout,  behoede,  e.  a.).  ||  Sijt 
ghy,  tribnlacie,  mijnder  sielen  behoet,  ZFl. 
Bijdr.  6,  328,  21. 

BEHOET,   bnw.  Zie  behoeden,  wederk. 

BEHOÊTHEIT  (bkhuetheit),  znw.  vr.  Van 
behoet  in  den  zin  van  bedachtzaam  (zie  het  vorig 
Art.).  Bedachtzaamheid,  behoedzaamheid,  nauwlet- 
tende zorg.  WBesceydenheit  is  prioer,oetmoedicheit 
is  camerier, . .  behoetheit  is  custer,  j).  War.  1 ,  239. 
Dat  een  satich  swigen  ende  behoetheit  des  herten  een 
overgrote  doghet  was ,  Hs.  87/.  25c.  Behuetheit  ende 
scamelheit  van  gesicht ,  Sp.  d.  M.  1,  106r.  Wert 
alsoe  dat  n  die  dinghe  van  bnten  bevolen  worden, 
alsoe  vele  toe  meer  soe  behoefdy  behuetheit  van 
binnen  ende  van  buten,  Gerl.  Peters  203. 

BEHOEVE  (behove),  znw.  vr.  Hetzelfde  als 
behoef  (zie  ald. ,  en  vgl.  bederf  en  bederve). 

Behoefte,  nootdruft,  wat  men  noodig  heeft.\\A\. 
was  de  Grave  Willam  droeve ,  hi  moeste  sien  om  sine 
behoeve ,  Stoke  X ,  869.  Men  sal  u  bereiden  binnen 
desen  altemale  u  behoeve,  Limb.  IV,  714.  Visiere 
daer  in  al  dine  behoeve,  Sp.  I*,  34,  96.  Ob ander 
side  also  was  hi  sire  wonden  drove,  hine  hadde 
niet  gehadt  sine  behove,  Lanc.  II,  1470.  —  Na 
haer  behoeve,  in  overeenstemming  met  hunne 
behoeften,  met  hetgeen  zij  noodig  hadden,  d.  i. 
naar  behoor  en.  \\  Men  leide  die  ta5en  na  haer  behove 
Lanc.  III,   11264.  —  Vooral  gebruikelijk  in   de 


uitdr.:  enen  sine  behoeve  doen,  iemand  r«» 
het  noodige  voorzien.  \\  (Hi)  dede  den  perde  sinen 
(/.  sine)  behove,  III,  2684.  Ie  wille  dat  menne 
hier  wachte  ende  doe  alle  sine  behove ,  Lorr.  ft. 
I,  114.  —  Ook  van  een  gestorvene  gezegd: 
hem  alle  gebruikelijke  eer  bewijzen.  ||  Opdat  enich 
hare  gheselle  storve,  dat  menne  daer  groeve  ende 
daden  sine  behoeve,  lAmb.  I,  384.  Die  int  laot 
waren  daer  al  omtrent,  verre  ende  naer,  qnamen 
daer  ten  like  drove  ende  deden  heme  sine  behove , 
Lanc.  III,  9081. 

Aanm.  —  Ditzelfde  behoeve  schuilt  ook  op  eene 
plaats  in  Velth. ,  nl.  1 ,  17 ,  73 :  „Waerd  dat  men  (den 
hof)  eerde  oft  wonne ,  nemmermeer  droeg^  hi  gene 
behoene,  maer  buien  comen  souden  ute  gonen ,"  waar 
het  Hs.  de  ware  lezing  behoeve  heeft.  Het  bet. 
dus  koren,  graan,  eene  bet.  die  zich  zeer  geleidelijk 
laat  afleiden  uit  die  van  nooddruft  (in  concreeten 
zin).  Vgl.  het  lat. :  frumentum  en  fruges  YKa.frHig)or. 
Bij  Vinc.  31,  66  luidt  deze  duistere  plaats  aldus: 
„Qui  {hortus)  si  a  non  Christianis  excolatur ,  aut 
perpetua  steriHtate  damnatur  aut  in  penam  Sarace- 
uorum  inestimabilis  ultio  infertur."  Om  het  rgm  te 
herstellen ,  leze  men  „Waerd  dat  men  {den  hof)  eerde 
oft  groeve,  nemmermeer  droege  hi  gene  behoeve.^'* 
Men  ziet  tevens ,  dat  de  buien  van  Velth.  ontstaan 
zijn  door  het  verkeerd  verstaan  van  ultio,  d.  i.  wraak, 
straf,  dat  hg  met  uleus,  d.  i.rw^^,  heeft  verward. 

BEHOEVELIJC.  Zie  behoeflijc. 

BEHOEVEN  (ook  samengetrokken  boeven), 
behoven,  zw.  WW.  onz.  en  onpers.  Mnd.  behoren, 

Onz.  —  1)  Behoeftig,  arm  zijn.  \\  Die  kercke 
blincket  in  den  wanden  ende  in  den  weghen  ende 
in  den  armen  behoevet  si,  Stemmen  39. 

2)  Nood*g  hebben.  ||  Yeghewelken  ghereet,  die  ons 
behoeft ,  Ruusb.  4 ,  8.  Oetmoedich  ende  goedertieren 
sijn  allen  menschen,  die  ons  behoeven,  4,  21. 
Zie  verder  Gloss.  ald.  —  De  onb.  wijs  als  znw. 
gebruikt.  Behoefte,  wat  men  noodig  heeft.  \\  "Wie  so 
meer  dan  sijn  behoeven  te  samen  jaghet  met  gieric- 
heden,   dats  raet  van  mordadicheden ,  Hevm.  1750. 

3)  Met  een  onbep.  w^s  met  of  zonder/^.  Moeten. 
II    Daer   behoeven   wi   ons   voer   te   waren,  Neé. 

Proza  130.  Die  behoeven  grotelic  toe  \jt  sien,  dat 
si  .  .  niet  meer  verblindet  en  werden.  Stemme» 
113.  In  dese  woestine  behoevedi  hier  te  wandelne 
met  mi,  Sp.  IV,  36,  9.  Die  riddere  meiter 
mouwen  behoeft  te  hebbene  groet  geval ,  Lanc.  III, 
16313.  Du  hebste  mi  so  die  bedroghen ,  dat  ie  mi 
wel  hoeden  voor  di  behoeve.  Rein.  II,  7310. 

Onpers.  —  1)  Noodig  zijn  (ook  in  den  3den  pers. 
mv.).  Met  of  zonder  3den  nv.  van  den  persoon.  ||  Het 
behoeft,  dat  ie  dat  wel  hebbe  geproeft,  ^^.11*,  23, 
280.  Ander  dinc  dan  grote  tale  behoeft,  daer 
mense  {de  stad)  winnen  sal,  Limb.  VII,  118. 
Nu  behoeft  ons  sekerlike,  dat  wi  waren  (/.  varen ;  zie 
de  gelijkluidende  plaats ,  S^.  IV' ,  13 ,  73)  wgselike , 
Brab.  Y.  III,  1169.  Ie  saelt  wel  proeven  met 
lieden  meer  dan  mi  behoeven ,  Esop.  IV ,  8.  Fergnut 
behoeft  dat  hi  hem  wacht  van  des  resen  hameide- 
kine,  Ferg.  3632.  Ie  sal  di  helpen  ghewinnen  al 
datti  daer  toe  behoeven  sal ,  Flor.  1420.  Des  sinxea 
dages  was  al  bereet  tsinen  bouf  dat  men  weet 
dat  hem  behoefde  ten  ridderscape,  lAmb.  II,  81. 
Hens  gheen  dinc  dat  hem  behoevet,  dat  men  hen 
laet  hebben  breke,  Parth.  4074.  Dat  hem  ware 
slapen  goet,  ende  hem  een  bedde  wel  behoevede, 
631.  Bedi  segghic  u  te  voren,  dat  n  behoevet  te 
hondene  mate,  3669.  AI  die  chierheit  .  .,  die 
eneger  bruut  sonde  behoeven,  Beatr.  179.  Als  der 
naturen   mach   behoven,  Luctd,  1246.   Dats  dattes 


749 


BEHO. 


BEHO. 


750 


wysheyt  wel  behoeft,  MeUb.  881.  Sech,  waerof  es 

dijn   geest  bedrouft,   datti  te  wandelne  bebouft, 

on.  Lied.  e.  G.  490,  21.  Hem  beboeft  gbestade 

te  syiie   van   talen   ende  van  rade,   Troyen,  3919. 

Hem   behoeft   ende   bederf,   dat  hi  enz. ,  i^.  11'^, 

23,  266.  Zoo  ook  Stoke  VIII,  179.  —  Ook  met 

den  3den  nv.  van  den  pers.  en  den  2den  ny.  der 

zaak   (ook   door   eene  bep.   met  van  nitgedrnkt). 

II  Daer  ne  was  niemen ,  hy  en  hadde  genoech  dies 

hem  behoefde,  Troyen  4300.  Sy  waren  wel  beboet 

Tan   dies   hem  behoefde  in  beiden  syden,  4293. 

Hem   qnam   ghenoech   van   over  mere  alles  dies 

hem  behoefde,   2940.  Bin  enen  sconen  pauwelioen 

hadsi   des   hem    behoevede   al,  ParM.4331.  TVies 

haer  behoeft,   neemt   erote  ware,   L.  o.  H,  298. 

Van  al  dies  u  behovede  best,  PartA.  876.  (Dat) 

n  iet  ghebrect  des  u  behoevet,  4738.  Hi  gaf  hem 

al   dies    hem   behoevede.    Flor.   499.    Al   dat  gi 

vraget  ende  mi  behoevede  van  Cristns  comst,  van 

siere  dooi,  Sp.  II»,  23,  327.  Ie  hope  n  noch  meer 

holpen  hoeft,  Lorr.  11,4343.  Uw  vader  weetwale, 

wies  u  behoeft,  L.  v,  J.  c.  43. 

2)  Met  denzelfden  overgang  van  bet.  als  by 
bederven  (zie  ald.).  Het  is  noodiff,  het  is  nuttig, 
het  is  goed,  het  is  plicht,  het  past,  het  betaamt.  || 
Het  niet  behouft,  dat  die  heere  knielt  voor  den 
knecht,  Amand  I,  2285.  Dat  het  altoos  niet  en 
behoeve,  dat  menne  te  sente  Pieters  groeve  die 
sinen  stoel  maecte  so  root  met  so  menechs  menscen 
doot,  Sp.  IV»,  60,  77.  Ie  bringe  u  meere  (^yV^tw^/), 
die  emmer  geprueft  moet  sQn ,  ende  die  ons 
sere  behoeft  te  doene,  want  wijs  selen  genesen 
van  der  doot,  Blisc.  v.  M.  240.  JE)aer  was  in  den 
scepe  veel  spise  .  .  alse  met  conincs  kinde  be- 
hoeft tsine,  Flor.  1787.  Dies  hi  gedaen  had  die 
vard  over  zee ,  ende  wel  geproevet,  also  alset  enen 
ridder  behoevet,  Velth.  I,  63,  8.  Ons  en  behoeft 
te  lettene  meer,  Cass.  1048.  Dat  men  vander 
Drievoudechede  dispntere  daer  ter  stede,  ende 
ment  bi  scrifturen  proeve  wat  best  te  gelovene 
boeve,  i^.  III»,  39,  13. 

BEHOEVICH  (BEHOVICH),  bnw.  Mnd.  behovich. 
Behoeftig,  armoedig.  \\^\  die  den  armen  ghe ven  en 
selen  niet  behoevech  sijn,  Doet.  I,  666  \var.i  be- 
hoeftich  en  benodicht).  Van  bnten  snllen  wy  den 
behoevighen  te  hulpe  comen.  Stemmen  66.  Verlos 
den  behovige  ende  den  arme.  Es.  Ps.  90r.  Desen 
vriende ,  die  aldns  zeer  behovich  is ,  ie  en  hebbe 
niet  dat  ie  hem  mach  voersetten,  Bern.  S.  26£r. 
Den  behoevighen  te  hulpe  comen ,  Devoet  B.  (30)  \\v. 
BEHOEVICHEIT  (behovichhëit),  znw.  vr. ;  mnd. 
Behovicheit.  Behoefte,  nood.  ||  (Jezus)  die  daer 
oeck  mede  screyende  was  in  der  wieghen  ende 
die  alle  behovichheden  lidende  was,  die  dejonghe 
kindekens  pleghen  te  Igden ,  Bern,  W.  33^.  Minen 
mederidder,  .  .  uwen  aposter,  ende  een  dienre 
mijnre  behoevicheyt.  Es.  Epist.  88rf. 

BEHOEVINGE,  znw.  vr.  Van  *<?^<?r«i  (zie  ald.). 
Armoede,  gebrek,   behoefte.   ||   Vander  behoevinge 
of  overvloedicheyt  der  humoren,  Barih.  813«. 
BEHOLDELIKE,  BEHOLDEN.  Zie  behoude- 

UKE,   BEHOUDEN. 

BEHOOLDEN,  BEKOELDEN ,  BEHOOLT  (be- 

HOELT).   Zie  BEHOUDEN,  BEHOUT. 

BEHOOR  (behoer^,  znw.  onz.  Eig.  stam  van 
het  WW.  behoren.  Mna.  behór. 

1)  Van  behoren  in  den  zin  van  passen  (z.  ald. 
onz.).  —  1)  Datgene  wat  past,  betaamt.  \\  Dune  heefs 
niet  in  maten  behore,  Bincl.  236  (de  woorden  zijn  niet 
zeer  helder.  Misschien  te  lezen:  Dune  leefs  niet; 
behore  is  dan  de  3de  uv.  van  behoor,  en  maten  de 


2de  nv.,  die  daarvan  afhangt;  letterlijk  dus:  gij 
leeft  niet  in  betamelijkheid  van  maat,  d.  i.  gij  houdt 
nooit  maat.  Vgl.  het  fr.,  Vad.  Mus.  3,  bl.  228). 
Verstaet  wel ,  Sone ,  dats  u  behoor ,  Mask.  609.  —  Na 
behoor,  naar  behooren.  \\  Doen  ghevielt  op  enen 
dach,  dat  si  haer  vesperen  na  behoer  metten 
nonnen  sanc  in  den  coer,  Lutg.  II,  917. 

2)  Van  behoren  in  den  zin  van  recht  hebben, 
(zie  ald.).  Wat  iemand  rechtmatig  toekomt,  wettig 
toekomend  deel.  \\  Sint  elke  van  u  drien  heeft  s\jn 
behoer,  Mask.  1311.  Daer  bi  eisgic  gheheel  treestoor 
yerstwerf,  ende  daerna  mgn  behoor  van  dien  dat 
wi  hadden  te  voren,  493. 

BEHOORLIJC  (behoerlijc)  ,  bnw.  en  bgw. 

Bnw.  —  1)  Oeregeld.  \\  Dese  siechede  comen 
omdat  behorlike  tide  der  blomen  den  vrouwen 
gebreken,  M.  en  Vr.  Heim.  1123. 

3)  Betamelijk,  passsend,  gepast.  \\  Daer  en  can 
sy  niet  anders  gewillen ,  dan  dat  sy  meynt  dat  haren 
gheminden  ghenuechlic  ende  behoerlic  is,  Devoet 
B.  (30)  lör.  —  Ook  in  de  uitdr.  Behoorlijc 
8yn(enen),  geoorloofd  zijn,  en  met  verandering 
van  ondw.  mogen,  kunnen.  \\  Daer  en  is  anders 
gene  name  in  den  hemel,  in  welken  name  ons 
behoerlic  is  salich  te  werden ,  Hs,  8Q  /.  33  a. 

BiJW.  —  Op  eene  geregelde  wijze,  naar  behooren.  \\ 
Dwelcke  hi  namaels  heeft  volbracht,  als  ghi  be- 
hoerlic  sult   vernemen  ter  plaetsen  daer  dat  sal 
betemen,  Brab.  T.  VI,  1026. 

BEHOORLICHEIT,  znw.  vr.  Becht,  bevoegdheid. 
II  Entie  vooghdie  van  Elzaten  met  allen  haren 
behoorlycheden ,  Brab.  Y.  VII,  2662.  Alrehande 
personen  hebben  geen  behoirUcheit  te  spreken  in 
den  recht ,  non  habent  personam  standi  in  judicio , 
Matth.  103. 

BEHOORTE  (behoerte,  behoirte),  znw.  vr. 
Kil. :  concedentia ,  proprietas. 

1)  JTat  iemand  past,  opgelegd  is.  ||  In  der  nacht, 
alse  men  te  mettenen  Inudt,  so  comter  daer  IIII 
oft  V,  diet  doen  moeten  met  behoerten,  quibus  id 
facere  incumbit,  Ruusbr.  2,  188. 

2)  Wat  ergens  bij  behoort,  eigenaardigheid,  ver- 
eischte.  ||  Syn  tomekeel  dat  was  van  gonde  ende  van 
kelen  .  .  van  X  stukken,  na  syn  behoirte,  Orimb. 
I,  4638.  Soet  haer  best  betame  na  haer  scoenheit 
ende  behoerte,  Blisc.  r.  M.  1728. 

3)  Beurt.  Vgl.  behoren,  onz.  4).  ||  Hi  santse 
inden  Lybano  tien  dusent  telcker  maent  bi  be- 
hoerten, D.  B,  1  Kon.  6,  14.  Die  twee  vaders 
ghinghen  bi  behoerten,  Vaderb.  218rf. 

BEHOORT.  Zie  bohort. 

BEHOPEN,  zw.  WW.  ht^t.Eopen,  verwachten.  \\ 
De   twee   behopic   zekerlic,  maer  van  den  derden 
twivel  ie,   on.  Ued.  en  Ged.  497,  189. 

BEHORDEREN.  Zie  bohorderen. 

BEHORDINGE.  Zie  beördinge. 

BEHOREN.  Ook  in  den  samengetrokken  vorm 
BOREN  (boeren,  bueren),  ZW.  WW.  onpers., 
onz.,  wederk. ,  en  bedr.  Mhd.  behoren ;  Mnd.  behoren. 

Onpers.  —  Het  behoer t.  Meestal  met  den 
3den   nv.    van  den  persoon,  of  eene  bep.  met  te. 

1)  Eet  past,  het  komt  overeen,  het  behoort  bij. 
Met  eene  bepaling  mei  te.  \\  Hen  behort  niet  tonser 
lere  tontfane  die  ongewillech  es,  Sp.  I',  4,  46. 
Fedra  creech  alsulken  danck  als  dier  (/.  tier?) 
saken  bnert,  MLoep  III,  661. 

2)  Eet  past,  het  voegt,  het  betaamt.  \\  Ie  wil  doen  dat 
mybehoirt,  Vad.  Mus.  3,  11,  179.  —  Meestal  met 
een  onb.  wgs,  ter  aanduiding  van  datgene,  wat 
past  of  betaamt.  ||  Coninc,  ganc  niet  voerdere  vort , 
want  di  niet  te  doene  behort,  Lanc.  III,  3693. 


751 


BEHO. 


BEHO. 


752 


Van  minne  boert  my  wael  te  spreken ,  die  menich 
herte  heeft  doen  breken ,  MLoep  1 ,  491.  U  en  behoert 
niet  wel  te  verstaen,  daer  die  mannen  by  wilen 
gaen ,  IV ,  1939.  Des  en  boert  hem  ghene  schande 
te  spreken  f  385.  Mi  behort  te  verdraghene  miin 
mesyal,  Lirnb.  I,  910.  Den  borgermeeater  behoirt 
{te)  wesen  .  .  een  besorghende  man,  Matth.  59. 
Dair  en  behoirt  oic  niet  toe  te  doen  den  eerwairdigen 
rechter,  201.  Dat  njmant  yan  onss  .  .  bynnen 
desen  verbonde  annemen  ende  verdedingen  sal, 
dan  dat  nm  mit  rechte  boert  te  done,  N^jh.  3, 
870.  Dat  hy  hem  verthoenen  wonde,  wat  hem  best 
behoerde  te  doen,  Ned.  Proza  271.  Hierom  behoert 
ons  te  glorieeren  in  den  cmce  ons  Heren,  50. 
Heer ,  mj  behoert  hier  op  eerst  te  antwoerden , 
Gest.  R.f.  70*.  —  Ook  met  eenen  af  h.  zin  met  dat.  || 
Ist  dat  wy  ons  evenkersten  minnen  ghelijc  ons 
selven,  so  behoirt  ons,  dat  wy  ons  vertornen  van 
haren  sonden  als  van  den  onsen.  Stemmen  63. 

3)  Het  is  nuttig,  het  is  goed,  dat.  ||  Hem  (den 
mentch)  en  behoert  niet  allene  te  sine ,  Melih.  739. 

4)  Het  komt  toe^  het  is  het  recht  van.  \\  Het 
behoirt  den  ghenen  trecht  te  interpreteren,  die 
recht  te  gheven  heeft,  Matth.  56. 

5)  Het  is*  mij  opgelegd^  ik  ben  genoodzaakt ^  ik 
moet.  II  (Ie)  neme  op  mi  de  pine  half  voert,  die 
n  int  veghvier  te  doene  behoert,  Christ.  1483. 
Hoe  sonde  dat  moghen  sijn,  dat  een  meinsche 
sonde  werden  gheboren  van  siere  moeder,  ende 
hem  behooren  moeste  te  commene  in  haren  lichame 
anderwaerven  ?  Amand  I,  4151.  Daer  na  so  be- 
hoerde hem  te  lidene  dor  dat  lant  van  Samarien, 
L,  V.  J.  c.  115.  Alle  dinc  lidet  si  (de  minne), dat 
haer  om  der  waerheit  boert  te  Uden ,  Hs.  75  /*.  35rf. 

Onz.  —  1)  Passen,  bestemd  zijn  voor.  \\  Oec  behoren 
si  {boeren  en  kooplieden)  ghemeynlike  ten  edelen 
goeden  hnwelike,  dien  God ,  die  voersieneghe  wise, 
yerst  maecte  inden  paradise,  Teest.  3390.  Ende  hi 
{Lucifer)  ter  pine  enwelike  moest  behoeren,  Segh. 
5366. 

2)  Opgelegd  zijn,  noodzakelijk  zijn  voor,  voor 
iemand  zijn  weggelegd.  Met  den  3den  nv.  van  den 
pers.  II  Hoe  dat  znlken  wiven  behoert  groeter 
wee  dan  znlker ,  als  wi  lesen ,  alssi  van  kinde  sal 
ghenesen ,  Vr.  Heim.  791.  Bmeder  Florent ,  martielie 
en  sal  di  niet  behoren,  dn  behors ten confessoren , 
Sp.  II*,  25,  20. 

3)  lem.  toekomen,  iemands  recht  zijn,  hd.  ge- 
bühren.  \\  Doen  syt  wael,  so  bnert  hem  danck, 
MLoep  IV ,  12.  Wy  sonden  wel  hebben ,  dat  ons 
boort,  516.  Of  ghi  den  ghenen  minnet,  die  n 
minnen,  wat  danc  boert  u  daer  of,  Hs.  71,Luc.Q, 
32.  Of  ghi  den  ghenen  gnet  doet,  die  n  weldoen, 
wat  danc  boert  in  daeraf ,  ald.  33.  —  De  onb.  wijs 
als  znw. :  mijn  behoren,  datgene  waarop  ik  recht 
heb,  toat  mij  toekomt.  \\  Daer  gheeft  hi  eiken  af 
sijn  behoren,  Mask.  800.  Daer  soe  wonde  die 
gravinne  .  .  van  Namen  hoogher  sitten  gaen  ter 
tafelen  .  .  ende  meinde,  het  was  haer  behoren, 
zij  meende,  dat  het  haar  toekwam,  Brab.  T.  VII, 
2036.  —  Na  sijn  behoren,  overeenkomstig  zijn 
loensch  of  zijn  stand,  Sp.  IV»,  47,  55  {Aanhangsel 
Dl.  2,  bl.  534;  er  staat:  an  sijn  behoren). 

4)  Aan  de  beurt,  aan  de  orde  zijn.  Vgl.  bij 
BEHOORTE  3).  ||  Men  las  doen  opten  selven  sondach 
tes  convents  messe ,  als  men  plach ,  dees  enwangelie, 
want  si  behoerde,  Imtg.  III,  177. 

5)  wordt  behoren  gebruikt  in  opvattingen,  die 
zeer  nanw  aan  de  tegenwoordige  beteekonis,  be- 
trekking hebben  op,  zijn  verwant,  nl.: 

d)  In  den  zin  van  te  huis  behooren.  \\  Elck  voer 


I 


dair  hy  behoirende  was,  Grimb.  I,  5666  var. 
Chierheit ,  die  hi  brochte  voort  ende  in  den  tempel 
hadde  behoort,  Rijmb.  34017.  Nemmermeer  en 
wondi  lof,  daer  goet  man  behoerde,  Aiol-fr.  69 
(ofte  lezen:  daert,  en  behoren  op  te  vatten  als 
bedr.:  vernemen,  hooren?  z.  ald.). 

b)  Noodig,  vereischt  zijn,\\^w  behoerter  ^0^  dan 
sinlicheit  (d.  i.  overleg),  op  dattet  lieve  niet  en 
werde  leyt,  HLoep  I,  2099.  Wat  hnlpe  behoert  tot 
eiken  grade,  IV,  151. 

c)  Toebehooren,  met  eene  bepaling  met  te.  || 
Sone  willic  langer  beiden  niet  tanevaerde  dinc ,  die 
behort  te  di,  Bose  fr.  255,  119. 

d)  Geheel  in  onze  bet.,  maar  in  den  samen- 
getrokken vorm  boeren,  leest  men  behoren ,  Vad.  Mus. 
2,  372:  II  „Van  den  rechte,  datter  toe  bort,"  en 
„Up  enech  recht,  datter  toe  bort." 

Aanm.  —  Bnnsbr.  6,  218:  „Wat  behoren  wi 
yet  meer  ghetnghen;"  moet  gelezen  worden:  Wat 
behoven,  d.  i.  behoeven  wi. 

Wederk.  —  Hem  behoren,  passen,  betamen. 
Vgl.  hd.  sich  geboren.  \\  Doch  wil  ick  spreken 
daer  van,  daert  hem  behoert,  soe  ie  naest  can, 
N,  Versch.  4,  84,  17. 

Bedr.  —  Hooren,  vernemen.  Zoo  ook  mnd.  hs- 
horen-,  vgl.  Lubben  1,  202*.  ||  Wat  behoric  dit 
van  di?  Ghef  redene  diere  meyerien,  ^«.  r.  1348, 
171c  {Luc.  16,  2).  —  Vgl.  onz.  ba). 

BEHORICH,  bnw. ;  mnd.  behorich.  Behoorlijk, 
plichtmatig.  \\  Penitencie  te  setten  van  des  also  hi 
kent  dat  behoorich  es,  Amand  I,  4390. 

BEHOUDE,  znw.  vr.  Hetzelfde  als  behout.^tiL 
beholde.  Vgl  bederf  en  bederve,  behoef  en  behoeve, 
behoede  en  behoet. 

1)  Heil,  redding,  zaligheid.  \\  Die  bitterlikeo 
sterven  wonde  aen  een  cmce  om  onse  behoude, 
Wrake  III,  1851.  Cristus  quam  om  des  voli  be- 
houde, II,  1054.  —  Ook  gebruikt  van  een  manL 
persoon  in  den  zin  van  behouder,  verlosser.  Y^l. 
behout,  beleit,  bereit,  enz.  ||  Hoe  men  die  niwe 
wet  houde  van  Jhesus ,  onse  behoude ,  Lucid.  4221. 

2)  Bescherming ,  hoede.  \\  Daer  hi  g-heme  wesen 
sonde,  onder  sijns  zelfs  broeder  behoude,  Stokell, 
1041. 

3)  Veiligheid,  veilige  plaats,  foevluehtsoord.  || 
Sint  ons  onse  goet  altemale  gheroeft  was  in  den 
wonde,  waenden  wi  gaen  in  behoude  ende  sih 
aldus  verdoolt  hier,  Limb.  I,  938.  Dat  hi  ware  in 
sine  behoude,  Lane.  IV,  4408.  Heer  Willem  nam 
dat  ors  snel  ende  voeret  in  sijn  (/.  sine?)  behoude, 
Orimb.  II,  3172  {hij  voerde  het  v^y).  Zie  over  deze 
bet.  bij  BEHOUT  6). 

BEHOUDELIKE,  -leke,  -lake,  -luc,  -lec, 
(ook  in  de  meer  of  min  duitsch  gekleurde  vormen 

BEHOLDELIJC  ,  BEHOELDELIJC  ,  BEHELTELIJC) ,  bniT. 

en  bijw.  (als  bijw.  ook  behoudeliken);  mnd.  bekol' 
delic;  vgl.  hd.  vorbehdltlich. 

Als  BNW.  —  (?)  II  Hi  magh  up  breken  di  brantmnre 
ende  lechen  daemp  voert  sine  mure  ofi  sinen  ghevel 
buten  des  anders  scade.  Dit  is  te  verstane  vu 
beholdeliken  steinwerke  med  leyen  of  med  stiene 
ghedecket,  R.  v.  Zutf.QA:.  —  Het  bnw.  zal  hierin 
de  plaats  van  het  bgw.  behoudelike  staan  met  de 
bet.  van  uitsluitend,  evenals  ook  wij  het  bnw. 
bloot  gebruiken  in  plaats  van  het  bijw.  bloot,  alleen. 

Als  Buw.  —  1)  VeiUglijk,  op  sijn  gemak.\\T>sX 
nyement  binnen  der  ierster  mylen  of  binnen  der 
ander  milen  behoudelyc  die  herberge  nemen  ei 
mach ,  hy  en  moet  voertgaen  ter  derder  milen  ende 
nemen  daer  sijn  herberge,  Ned.  Proza  204. 

2)   Vooral    gebruikt    in    een   absoluten  nv.,  ia 


753 


BEHO. 


BEHO. 


754 


de  beteekenis  van  het  deelw.  behouden  (zie  ald.)  , 
in  welke  opvatting  het  nu  eens  de  beteekenis  van 
het  deelw.  behouden  zelf  aanneemt,  dan  weder  als 
voorz.  met  den  4den  nv.  voorkomt.  Met  behoud 
pan,  onder  poonoaarde  van  te  mogen  behouden. 

d)  Als  absolnte  naamval,  met  den  gen.  of  datief 
verbonden  voorkomende.  1 1  Hi  ontfaerme  dier  keytive , 
die  behondeliken  haren  live  dier  avonturen  s^n 
ontgaen,  Alex,  Y,  779  (Hê.).  Dat  si  behoudelike 
haren  leven  gheme  die  stat  hadden  opgegeven ,  I , 
937  (H*. ;  Franck  verandert  op  beide  plaatsen ,  als 
ook  III,  892,  behoudelike  in  behouden.  Zie  zgne 
Inl.  bl.  XCII).  Behoudelic  der  crucermarct  alle 
vrihede  te  ghebruken  na  den  marctrecht.  Leid. 
Keurb.  84 ,  69.  Behoudelic  den  carten ,  privilegiën , 
vriheden,  rechten  ende  costumen,  die  die  voor- 
leden keyseren  .  .  den  lande  van  Brabant  .  .  ver- 
leent hebben,  Exc.  Cron.  24a.  Behoudelike  der 
letteren  van  den  tekst,  met  inachtneming  van, 
D.  B.  Prol.  c.  Behoudeliken  der  overdrachten 
sraets,  R.  v.  Vtr.  1,  289,  8.  —  Ook  meermalen, 
evenals  in  het  mnd.,  met  den  datief  van  den  pers., 
ten  wiens  behoeve  eene  uitzondering  gemaakt  wordt 
of  voor  wien  iets  wordt  „gereserveerd."  ||  Nadien 
die  rait  eniger  gevangen  zake  gesleten  heeft,  en 
zei  die  steenwarder  gheen  gevangen  houden  voer 
horen  cost,  behoudelic  hem  zijns  steengelts,  be- 
halve alleen  dat  zij  hem  zijn  ^s teengel t"  betalen 
moeten  y  R.  v.  Utr,  1,  344,  7.  Behoudeliken  eiken 
pertiën  onvermjnret  hoers  rechts,  237.  Behoudeliken 
der  stadt  hoerre  waken  in  dien  ghilde  van  dien 
borgeren,  320,  199.  Behoudelike Tydeman voerseit 
alle  sijns  rechts  van  der  husinghe,  2,  23.  Be- 
hondeliken .  .  horen  man  sire  lijftochte,  105;  enz. 

b)  Met  een  ace.  verbonden ,  houdt  behoudelike  het 
midden  tusschen  een  voorzetsel  en  een  deel  van 
een  absoluten  naamval,  hetgeen  hieruit  blijkt,  dat 
men  ook  in  dit  geval,  nl.  bij  behottdelike  met  een 
4den  nv.  verbonden,  meermalen  nog  een  dat. 
vindt,  in  uitdr.  als  behoudelike  den  tcipper  sinen 
eoit,  behoudelike  den  amman  sine  core,  en  derg.  || 
Die  ghene  die  in  die  stede  waren,  gaven  up  die 
goede  stede,  behoudelic  lijf  ende  lede,  Alex.  III, 
892  (zie  bij  a).  Behoudelic  sijn  lijf,  Matth.  Jnal. 
1 ,  488.  Behoudelic  die  cuer  voirscr. ,  Leid.  Keurb. 
59,  25.  Dat  se  hem  de  stadt  opgaven  behoudelic 
haer  leven ,  Exc.  Cron.  88  a ,  125  a. ;  e.  e.Behoudelic 
der  vischmerct  (dat.)  hore  ordinancien,  met  in- 
aehtnemmg  van  de  ordonnancien  der  vischmarkt, 
B.  V.  Utr.  1 ,  274 ,  27. 

e)  Verbonden  met  eene  conj.,  nl.  dat  of  of. 
—  a)  Behalve,  uitgezonderd,  uitgenomen,  met  dien 
verstande.  \\  Behoudelake  dien  dat  zij  die  straten  . . 
laten  also  wyt  alse  . .  orbarlaec  es ,  Oesch.  v.  Anttv. 
1,  534.  Behoudelick  dat  hierinne  consenteren 
tmeestedeel  van  den  ingesetenen  van  derselver 
stede ,  Inform.  75.  So  maecte  de  een  . .  pays  metten 
keyser  met  voorwaerden  dat  hi  kersten  werden 
sonde,  behoudelic  dat  men  hem  een  deel  van 
Vrieslant  gave,  Exe.  Cron.  90  b.  Op  sijn  gelove 
{eeretroord)  mochte  hi  gaen  daer  hi  wilde,  be- 
houdelic dat  hi  tsavonts  thuys  quame,  125  <;. 
Behoudelike  dat  een  ygelic  barbier,  die  hoer  ghilde 
gewonnen  heeft  off  winnen  zeil,  wal  haer  scheren 
mach  ende  den  luiden  daerinne  dienen,  R.  v.  Vtr. 
1,  318,  198.  Behoudeliken  dat  zij,  soe  langhe  zij 
bnten  mueren  woenen ,  in  onser  stat  raide  niet  ge- 
koeren  en  zeilen  werden,  320,  199.  En  zoo  passim 
behoudelic,  -yc,  -ike,  -iken  dat,  ook 
behonwelijc  dat  (Invent.  v.  Brugge  5,  518). 
Behoudelic  of  zij  arme  kinder  afterlieten,  R.  v.  Utr.  1 , 


328,  212.  Behoudelike  offt  sake  ware  datter  een 
buerman  .  .  so  zware  tymmeren  wonde,  O.  R.  v. 
Dordr.  1,S09,  4.  Behouwelic,  waert  sake  dat,  met 
foeglating  der  voorwaardelijke  conjunctie,  2,  11.  — 
Ook  absoluut  gebezigd.  ||  Behoudeliken  {maar, 
doch)  tot  wat  tyden  dat  sinte  Victoir  opten 
vrydach  coemt  .  .,  so  selmen  die  merct  op  sinte 
Victoirsdach  inluden,   O.  R.  v.  Bordr.  1,  305. 

^  Mits,  behoudens  dat,  onder  voorwaarde  dat.  lu 
deze  en  de  vorige  bet.  is  het  woord  behoudelijc 
eerst  voorzetsel  geweest  met  een  3den  nv.  {be- 
houdelijc  dien,  zie  de  eerste  aanhaling  bjj  a)  en 
daarna  (met  de  relat,  partikel  dat)  voegw.  ge- 
worden. Zie  Tijdschr.  2,  195  vlgg.,  vooral  198.  || 
Behoudelic  dien  .  .  dat  hi  hen  oec  sonde  sweeren 
sekere  poente,  Brab.  T.  VII,  495. 

Aanm.  —  Dat  men  zich  zelf  niet  altijd  bewust 
was ,  met  welk  soort  van  woord  men  te  doen  had, 
bewezen  vreemde  constr.  als:  ||  Behoudeliken  der 
stat  haer  broeken  alleen  te  behouden,  R.  v.  Utr.  1, 
324,  5.  Behoudelic  des  waert  zake  (behalve  voor 
het  geval)  datter  yet  van  den  haiken,  lederen 
eymeren  oflf  oysvaten ,  verloeren  off  gebroiken  worde , 
340,  7.  Behoudeliken  nochtant  die  oude  over- 
drachten ...  in  hoerre  machten  {van  kracht)  te 
bliven ,  341 ,  225.  Behoudelic  anders  die  voerover- 
drachten in  hoerre  machten  te  bliven ,  344 ,  230 ;  enz. 

BEHOUDEN  (behouwen,  Spreuken  95;  Altd. 
Blatt.  1 ,  76);  ook  in  de  duitsch  gekleurde  vormen 
BEHOLDEN,  BEKOELDEN,  st.  WW.  bedr.  eu  wederk. 
{behilt ,  behielt  of  behelt ,  deelw.  behouden).  Behouden. 
Mnd.  beholden,  behalden.  Mnd.  behalten,  behalden. 

1)  In  bet.  ongeveer  gelgk  aan  de  tegenw.  op- 
vatting van  in  het  bezit  blijven  van.  —  Iet  be- 
houden, redden ,  bewaren ,  behouden.  \\  Die  sorghe 
hiet  hem  behouden  tlijf  ende  keren  te  lande 
ende  wesen  blide,  Flor.  2155.  Die  list  was  emmer 
goet  ghevonden,  daer  sy  hoer  eer  mede  behilt. 
Het  is  emmer  een  edel  schilt,  daermen  bij  be- 
houden mach  eer,  lyff,  goet,  op  enen  dach, 
MLoep  II,  3288.  Die  paden,  daer  hi  sijn  lij  ff 
mede  behelt,  I,  1540.  Daer  si  oic  mede  haer 
eer  behilt,  II,  3749.  Dus  brocht  ie  Isegrijn  in 
dwalen,  dat  hi  nauwe  sgn  lijf  behelt.  Rein.  II, 
4106.  —  Behouden  cost  (tegenover  cost  ver- 
loren, d.  i.  moeite  voor  niet) ,  niet  te  vergeefs ;  moeite , 
die  beloond  wordt;  werk,  waarvan  men  ds  vruchten 
^/w/t^.  II  Wat  wy  worme  vol  stinckender  souden  daer 
deur  doen,  es  al  behouden  cost,  Sacr.  974.  —  Het 
deelw.  behouden  als  bnw.  in  de  bet.  veilig. 
Vgl.  onze  uitdr.  in  behouden  haven.  In  de  uitdr. : 
doen,  houden  in  behouden  (behouder) 
hant,  in  veiligheid  brengen,  bewaren.  ||  Dat  daer 
boven  blijft  van  dien  jare,  dat  sal  die  deken 
houden  in  behouder  hant  tote  der  papen  behoef. 
Mieris^  2,  234  a.  Ende  ie  u  dede  in  behouden 
hande ,  Segh,  281. 

2)  Redden,  beschermen,  verlossen.  ||  Hem  dinct 
dat  hi  raets  behoeft  ende  list,  hoe  hine  behouden 
mach,  Elor.  1395.  Du  gheessels  ende  du  behouds 
mede ,  du  gheefs  na  rouwe  vrolichede ,  12f;»i*.  15881. 
Joseph ,  die  Egypten  behelt ,  3267.  Ende  behouden 
onse  ziele  van  lede.  Franc.  5988.  Halewi  tot 
ons  van  Sylo  die  arke  .  .  .,  ende  dat  si  ons  be- 
houde  vander  vianden  hande,  D.  B.  I  Sam.  4,  3. 
Wat  salie  segghen:  Vader  behout  mi  van  deser 
uren?  Es.  71,  Joh.  12,  27.  Es  hi  Gods  sone. 
God  behouden ,  Buusb.  5 ,  229.  —  Ook  in  de  thans 
niet  meer  gebruikelijke  uitdr.:  enes  lijf  be- 
houden, iemands  leven  redden,  iemand  in  leven 
laten.  \\  Tilike  namen  die  ingle  den  man  ende  sine 


755 


BEHO. 


BEHO. 


756 


dochter  .  .  .,  om  te  behoudene  haer  lyf,  Rijmb. 
1893.  Princen  diene  npnemen  sonden  ende  hem 
sgn  lijf  behouden,  29161.  Pharao  behilt  hem 
tleven,  3536.  Dat  sise  gherne  copen  sonden  met 
scatte  ende  haer  Ijjf  behouden,  Flor.3Q34t.  —  Van- 
daar ons  lijftèeAimd.  —  In  plaats  yan  e  nes 
Igf  behouden  yindt  men  ook  enen  behouden 
gebruikt.  ||  Hi  seidem  wat  hi  hadde  mesdaen ,  doe 
behilden  sine,  Bijmb.  17549.  —  Het  verl.  deelw. 
behouden  gebruikt  als  bnw.  —  a)  zalig  (vgl. 
onze  uitdr.  behouden  blijven).  ||  Al  te  male  die 
joetsche  scare  blgft  dan  behouden,  Rijmb,  10146. 
Bi  desen  woorden  wilmen  al  ghader  segghen,  dat 
Salomon  si  behouden,  qitod  *alvuê  til  Salomon^ 
10166.  Eist  dat  wi  willen  sijn  behouden,  so  sullen 
wi  behouden  bliyen,  29334.  Die  ghemeene  wech 
in  den  hemel,  dien  alle  kerstene  mensce  yan  node 
houden  moeten,  die  behouden  selensiin,  Ruusb.  3, 
197.  Soe  wie  behouden  wil  sijn  enae  comen  int 
ewighe  leyen ,  239.  —  b)  In  levenden  lijve ,  gezond 
en  wel  (ygl.  fr.  tain  «^  sauf).  ||  Si  waren  blide 
yan  haren  maghen,  dat  sise  behouden  comen 
saghen.  Flor.  179. 

c)  Met  een  ww.  yerbonden,  heeft  behouden  de 
bet.  yan  ons  toeg^  eig.  in  veiligheid.Ygl.  Gr.  o»/ojua», 
ik  ben  weg  ^  ik  ben  veilig.  \\  Alexander  heyet  ghe- 
beden,  dat  si  hem  water  wisen  souden,  maer  si 
schuulden  alle  behouden,  Sp,  I*,  44,  36.  Voor*» 
tchuulden  behouden  is  de  gewone  Mnl.  uitdr.  si 
sehuulden  in  haer  behout.  Zie  bij  BEHOUT  6).  — 
Oyer  het  deelw.  behouden  in  den  zin  yan  ons 
yoorz.  behoudene  zie  het  yolg.  Art. 

3)  Beschouwen,  bezien.  Vgl.  Eng.  fo  behold,  en 
beneden  4  a).  ||  Die  mouwe  mjjn  die  is  gheseten 
ten  slinkeren  hoecke  yan  den  scilde,  omdat  hise 
behouden  wilde,  Segh.  4928  (Hs.  scouwen).  Omdat 
hise  behouden  wilde ,  heeft  hise  aldaer  gheset ,  4936. 

4)  wordt  behouden  gebruikt  in  yerschillende  op- 
yattingen,  die  meer  of  minder  oyereenkomst  hebben 
met  ons  ww.  houd-en. 

a)  Verbonden  met  een  deelw.  of  met  de  yoorz. 
vore  of  over,  is  het  geheel  geiyk  aan  houden.  \\ 
Hoe  hyt  mach  doen  yoort  gaen  ende  staende  be- 
houden, JTrake  III,  1377.  Dat  menne  levende  be- 
houde,  Lorr.  II,  3871.  Die  de  tafelen  altoes staende 
behilden,  Ruusb.  1,  107.  Vor  waer  soe  magie  nu 
wel  behouwen,  dat  mi  seide  die  ingel  soete,  ,,ik 
mag  voor  waar  houden ,  als  waar  beschouwen ,  Blisc. 
V.  M.  1633.  Vgl.  bg  3).  Tcruce  .  .  .  ende  ooc  die 
twee  clare  zwaerde  .  .  .  behouden  wi  sekerlike 
noch  niet  oyer  elfs  gedroch.  Franc.  7354. 

b)  Houden,  vasthouden,  gevangen  houden  (ygl. 
beoripen).  II  Si  waren  inder  vrouden  ende  hi  in 
die  helle  behouden,  Sp.  III»,  31,  91. 

c)  Hottden,  tegenhouden,  terughouden,  doen  blijven.  \\ 
Floris  seide,  no  scat  no  have  no  goet  ne  gheen, 
dat  men  hem  gave,  ne  mochten  int  lant  niet  be- 
houden. Flor.  3936.  Als  si  oec  gaen  wonde  inde 
wustine  .  .  ,  so  en  constse  nieman  ten  dien  male, 
die  leefden  op  ertrike,  behouden  wale ,  Christ.  1611. 

d)  Houden,  in  eer  e  houden,  vieren,  heiligen. 
Verkeerde  vertaling  van  lat.  observari.  ||  Behoude 
den  Saterdach,  dattu  en  heylighes,  2).  B.  Deut. 
5 ,  12.  Behoude  die  maent  der  niewer  vrachten  ende 
des  eersten  tgts  van  der  lenten,  16,  1. 

e)  Houden,  meester  blijven  van ,  in  bezit  houden.  \\ 
Die  coninc  doe  was  van   Basan,   dien  sloghen  si 
ghenendelike  ende  behilden  sijn  conincrike ,  ÜSi/md. 
6008. 

ƒ )  Houden ,  volhouden ,  gestand  doen ,  volbrengen.  \\ 
Gi  selt  oec  behouden  wale  uwen  eedt ,  Rosé  10223. 


Die  coninc  hi  quam  selve  yoren  .  .  omme  te  be- 
houdene sgn  ghelof ,  Wal.  2261.  Behoude  ende  hore 
(prothusteron)  al  dat  ie  di  bevele ,  opdat  di  wel  moet 
siJn  ende  dijnen  kinderen  nadi ,  D.  B.  Deut.  12 ,  28. 

g)  Houden,  volhouden,  staande  houden,  jj  Ten 
weer  dat  hie  dat  mit  sinen  ede  behoelden  wolde, 
dat  hie  an  der  deernen  gien  scholt  en  hadde,  R. 
V.  TJtr.  1 ,  142 ,  14.  Daer  hi  dat  an  den  heyligen,  met 
een  eed  op  de  reliquien,  behoelden  wolde,  Stadr. 
V.  Zwol  142,  239. 

h)  Geiyk  aan  het  intrans.  houden,  d.  L  stil 
houden ,  halt  houden  (vgl.  ons  half).  \\  Doe  quam 
een  knape  ten  mure ,  die  vrachde ,  wat  si  behilden 
dare?  doe  seide  Keye  saen  daer  nare:  vrient,  wi 
willen  herbergen  nu,  Lanc.  III,  19728. 

t)  Geiyk  het  wederk.  zich  houden,  in  de  uitdr. 
behouden  an  enen,  zich  aan  iemand  vasthouden 
(in  fig.  zin).  ||  Wy  sullen  hem  ende  zgnen  erven . . 
behulpelic  .  .  wesen  in  allen  saiken,  dersyanons 
gesynnen   ende  behouwen,  Nijh.  3,  105  (a.  1382). 

5)  Iemand  onderhouden,  steunen.  In  het  passiei 
behouden  worden,  in  zijne  eigene  behoeften 
voorzien,  zich  generen.  ||  Zo  wye  behouden  wort, 
tsy  wijf  of  man  .  .  in  vileyneghe  manieren,  ie  .  . 
saJse  doen  punyeren,  ZVl.  Bijdr.  6,  234,  249. 

6)  Verkrijgen,  winnen,  ontvangen.  ||  Hi  hadde 
te  voren  een  wij  ff  ghehadt,  daer  hi  twee  sonen 
aff  behielt,  MLoep  III,  556.  Wat  ghi  bidt  van  dier 
wile,  ghi   behoudet  sieippands,    O.  Intern.  63.  — 

Aanm.  —  Over  de  uitdr.  behouden  ti)t,  die 
wel  bedorven  zal  zijn,  zie  by  bebinden. 

Wederk.  —1)  Zich  staande  houden,  zich  overeind 
houden, 

a)  Eigenlijk.  ||  Hem  quam  soe  groten  rouwe  toe , 
hine  mochte  hem  niet  behouden  doe  sittende 
in  syn  gereide,  hine  vel  in  onmacht,  Lane.  IV, 
4859.  (Hi)  decte  hem  onder  sgn  scilt,  daer  hi  met 
sorgen  hem  behilt,  Parth.fr.  1. 

b)  Overdrachtelijk. ^<f^  volhouden ,  het  uithottden.  || 
Overmits  dat  de  korting  van  den  Engelschen  zoe 
zwaer  zijn,  datter  de  dnipenierders  hem  qualickes 
aen  behouden  mogen,  Inform.  338.  Omme  dat  de 
brouwerijen  alomme  vermeerderen  ende  vermeni- 
ghen ,  ende  dat  de  brouwer  hem  scerp  (d.  i.  nausve- 
lijks)  daeran  behouden  mach,  476. 

2)  Zich  redden,  zich  beschermen.  \\  Si  laten  hem 
van  der  rochen  vallen  ende  behouden  hem  jeghen 
den  val  op  hare  horne.  Nat.  BI.  II,  2025.  Liet 
een  mensche  een  conincrike  ende  alle  die  werelt 
bi  na,  ende  hem  selven  behelde,  soe  en  hevel  hi 
niet  gelaten ,  Ruusb.  3 ,  47.  —  Over  de  verwantschap 
in  beteekenis  tusschen  hoeden  en  houden,  zie  bij 
die  woorden. 

3)  Zich  onder hotiden ,  zich  ophouden.  \\  In  duwieren 
of  in  riede  behilden  hem  die  goede  liede,  dat 
hem  tcoude  niet  mochte  deeren.  Brand,  603. 

Aanm.  —  D.B.  Jerem.  52,  6:  „opten  neghenden 
dach  vander  vierder  maent  so  behielt  die  hongher 
in  die  stat,^*  is  eene  verkeerde  vertaling  van  Lat: 
obtinnit  fnmes  civitatem. 

BEHOUDEN  (ook  behoüdent) ,  eig.  verl.  dedw. 
van  behouden  in  den  zin  van  bewaren,  behouden 
(zie  ald.  2).  Gewoonlyk  verbonden  met  een  2de-B 
of  3den  (ook  4den)  nv. ,  waarmede  het  dan  een  casus 
absolutus,  d.  i.  eene  bijwoordel^ke  uitdrukking, 
vormt.  Het  bet.  eigenlijk  met  behoud  van,  en  be- 
antwoordt aan  ons  voorz.  behoudens,  schoon  met 
eene  veel  ruimere  opvatting ,  daar  het  de  bet.  heeft 
van  behouden  zoowel  in  den  zin  van  blijven  bezitten , 
als  in  dien  van  voor  een  ander  bewaren.  Het  kan 
dus  ook  beteekenen  zonder  te  krenken,  te  kort  te 


757 


BEHO. 


BEHO. 


758 


doen  aoHy  inbreuk  te  maken  op.  Lat.  M/9o;fr.  iauf. 
1)  Als  deelw.  —  a)  In  eig.  zin.  Met  behoud  van , 
zmder  ie  verliezen^  behoudene.  \\  Dat  si  die  stat  op 
gouden  gheven  behouden  goet  ende  leven,  Ferg. 
4239.  Behouden   minen   live  ende  miere  eren  ne 
mach  ie  sonder  hare  niet  wederkeren,  Flor.  2130 
(wanneer    ik    mijn    leven    behoud^   en   ik   in   het 
beait  mijner   eer   blijven   wil,    kan  ik  niet  zonder 
haar  terugkomen).   Lanceloet    antwerde   dar  toe, 
dat  hi  gerne   sonde   doen   alsoe  behouden   siere 
macht  ende  sire  eren,  Lanc.  II,  22160.  Behouden 
sijnre  heerlichede,    soe   hoert   hi   gheerne   stjnre 
vrouwen   bede,    Hild.   216,  161  {wanneer  hij  zijn 
aanzien    er    niet    door   verliest).   Behouden    uwer 
werelt  eren,  Lanc.  II,  39954.  Behouden  ere  ende 
den  live,  III,   1065.  Behouden  harre  alre  leven, 
20334.    Behouden   onse    (/.   onser)   eren,    Grimb. 
I,  1793.   Behouden  mier  eren,  Parth.  4204.  Be- 
houden   siere    eren,     Vad.    Mue.    2,    284,    689. 
Spreec    emmer    dinen   viant    wel,    ende  wes  hem 
in   doene    fel,   behouden    (met  inachtneming    van) 
trouwe  ende  waerhede ,  Nat.  BI.  III ,  473.  Behouden 
alder  eeren,  MLoep  II ,  1278.  Behouden  lij£f  ende  eer , 
1323.    Behouden    der    eeren     van     dinen    state, 
gravitate   eervata,    Sp.   I",   36,   126.    Doot  hebbic 
liever,    de    doot   (/.    ere)    behouden,  dan  levende 
dorper  sijn  gescouden ,  Flandr.  I,  788  (vgl.  de  Aant.). 
Behouden  sijns  lijfs,  C/l^^  142.  Behouden  haer  heer- 
lichejrt,  Exc.  Cron.  122c.  Pelgrimme,  die  van  daer 
comen,  waer  sy  vredelyc  ende  behouden  deshoers 
herbergen  mogen ,  Ned.  Proza  202.  Behouden  haren 
termine,  met  behoud  van ,  d.  i.  binnen  hunne  grenzen  ^ 
Brab.  Y.  Dl.  1,  bl.  695.  6anc  nu  ende  soke  enen 
ghetrouwen  man,  die  mitti  gaen  mach  behouden 
sijns    loens,    toel    te    verstaan   voor   loon^   D.    B. 
Tobiat   6,    7.   —    Ook    met   toevoeging    van    den 
persoon,   voor  wien  iets  gereserveerd  wordt.  Vgl. 
BEHOUDELIKE.  ||  Behoudeu  die  (/.  den)  heer  ende 
partyen    hoers   rechts ,    O.  R.   v.  Dordr.   1 ,  351 , 
169.   Behouden  eiken  man  sijn  lyf,  Yelth.  V,  8, 
71.  —  Zoo  meermalen   behouden    den  scout 
siere    boeten,  en  dgl.  —  Behouden    dijns 
V redes,  zonder  uwe  goede  gezindheid  te  verliezen^ 
met  uw  verlof.  \\  Nochtan  bid  ie  u,  seg  mi,  be- 
houden  dijns    vreeds,    wat   rekenstu   meerre,    te 
Bchinen  ofte  wesen  ?  D.  War.  6 ,  199.  —  Behouden 
dinen   goeden  moet,  hetzelfde.   ||  Op   dander 
redene  .  . ,  dat  ghi  segt ,  die  wive  s^jn  quaet  ende 
dat   men   ghene  en   vindet  goet,  behouden  uwen 
goeden  moet,  soe  antwerde  ie,  lieve  here,  dat  ghi 
messegt  alte    zere,  Melib.    bil.  —  Behouden 
t  s  y  n  8,  met  behoud  van  het  zijne ,  zonder  er  iets  bij  te 
verliezen.  |)  Soe    wye   den   bosen   mach   verdriven 
behouden  ts^jns,  die  is  wel  ontladen,  Hild.   193, 
108  (de  verklaring  in  het  Gloss.,  alsof  tsijne  zou 
z^n  het  znw.  cijns,  in  den  zin  van  A^on,  is  onjuist. 
Vgl.  boven   Ned.  Proza  202:   behouden  des  hoers, 
en  zie  straks  bij  2). 

b)  In  den  zin  van  zonder  te  krenken,  te  kort 
l£  doen  aan ,  inbreuk  te  maken  op ,  in  welke  uitdr. 
behouden  dus  verbonden  wordt  met  eene  zaak ,  die 
van  een  ander  is,  die  iemand  anders 
toekomt.  ||  Dit  willic  spreken  behouden  der  eeren 
van  Rome,  Nat.  Bl.  III,  1953.  Behouden  der 
kindere  reeht,  Sp.  IV ',46,  148.  Behouden  uus  ge- 
bods,  Blisc.  V.  M.  2128.  —  Zoo  ook  in  de  uitdr. 
Behouden  uwer  bede,  zonder  uw  verzoek  in  den 
wind  te  slaan,  met  uw  verlof.  \\  Helich  vader,  be- 
houden uwer  bede  biddic  hu,  dat  ghi  mi  verlaed 
(/.  verlaet),  met  uw  verlof,  ik  verzoek  u,  dat  gij  mij 
daarvan  vrijstelt,  daarop  niet  aandringt,  Amandl, 


2201.  —  Behouden  hare  woerde,  zonderaan 
hun  woorden  te  kort  te  doen.  \\  Aertrgc  is . .  breet  in 
sinen  omganc  .  .  .  20425  milen,  nae  dattie  oude 
wise  segghen;  mer  behoudent  hore  woerde,  ie 
meent  meer  is  ende  groter ,  Mandev.  f.  45a. 

2)  Als  voorzetsel,  in  den  zin  van  zonder.  \\ 
Behouden  de  vrienscap  van  den  heere,  so  zal  ie 
zelden  vruechden  plien;  slevens  zal  mi  verdrieten 
zeere,  OVl.  Lied.  e.  G.  406,  86.  Es  men  hem 
mesdadech  sere,  wese  ghenadech  te  mere,  mach 
hijt  doen  behouden  vare,  zonder  gevaar,  salvo peri- 
culo,  Sp.  I',  43,  17.  Stucken,  die  men  willechlike 
geeft,  ontfaet  een  dankelike,  maer  gifte  en  es  wart 
eens  poitevins,  die  men  gevet  behouden  tsins, 
Bose  2220  (var.  sHns ;  Sijns  is  hier  de  2de  nv. 
van  hi.  Hier  moet  das  evenmin  als  boven  by  Hild. 
193,  108  aan  het  znw.  cijns  worden  gedacht.  De 
bedoeling  is :  Eene  gift  die  men  geeft  tegen  zijnen 
zin  (tegenover  willechlike).  Er  staat  eigeniyk  zonder 
zich  zelven,  hetgeen  het  best  kan  wedergegeven 
worden  door  het  fransche  malgré  sot). 

3)  Met  een  voegwoord  verbonden:  behouden  dat, 
mits  dat,  onder  voorwaarde  dat,  in  welken  zin  ook 
gebmikeiyk  is  behoudelijc  dat  (zie  ald.).  |i  Ie  scelde 
hu  de  gheheele  prondele  (rekening)  quy  tte ,  behouden 
dat  ghy  vulcomt  hu  woort,  Ned.  Kluchtsp.92,Q4k. 

BEHOtJDENESSE,  znw.  vr.  Van  behouden  (zie 
ald.  2).  Bedding,  behottd,  zaligheid-.  \\  Dieghelovet 
ende  diemen  doept,  te  behoudenessen  hi  coemt, 
Sp.  V,  39,  84.  Die  hermite  sprac  die  messe  om 
des  jongelincs  behoudenesse ,  I',  86,  101.  Omme 
der  zielen  lichtenesse  ende  om  ons  selves  be- 
houdenesse, Benkm.  3,  110,  259.  Van  behou- 
denisse  hairre  zielen,  Matth.  31.  Qhebenedyt  si 
die  Here  ende  Got,  .  .  want  hi  op  heft  gherecht 
den  horen  van  onser  behoudenesse,  L.  v.  J.  c.  7. 

—  Spieghel  onser  behoudenisse,  titel  van 
een  boek  uit  de  15de  eeuw;  lat.  speculnm  salvationis 
nostrae.  — InGodsbehoudenessevaren,  Gods 
zaligheid  ingaan,  naar  den  hemel  gaan,  zalig  worden.  \\ 
Hi  sciet  van  mensceliken  levene  .  .  ende  voer  in 
Gods  behoudenesse  in  Sporcle  upten  XlIIsten  dach, 
/^.IV«,  72,  48.  —  In  die  behoudenesse  sgn, 
zalig  zijn,  de  hemelsche  zaligheid  genieten.  \\  Hi 
hadde  berou  voer  sine  doot  ende  es  in  die  be- 
houdenesse, I',  74,  122. 

*  BEHOtJDENICHEIT.  Zie  behoudicheit. 
BEHOUDERE  (behouder),  znw.  m.;  vr.  be- 
HOUDERSE,  -ERSSE.  Mnd.  beholder;  mhd.  behaltare. 

1)  Hij  of  z^  die  beschermt,  behoedt.  \\  Der  stede 
van  Cathenensen  behouderse ,  de  beschermvrouw  van 
C,  Pass.  W.  12b  c. 

2)  Bedder,  redster.  \\  Onse  Vrouwe,  onse  vorspre- 
kerse ,  onse  getrouwe  behoudersse  der  werelt  ghe- 
mene,  Sp.  IV»,  fr.,  vs.  103.  Pharao  keerde 
Josephs  name ,  ende  heten  . . .  die  (/.  den)  behouder 
der  werelt ,  B.  B.  Gen.  41 ,  45.  —  Vooral  gebruikt 
van  Christus,  drcn  heiland,  den  redder  der  wereld; 
Lat.  salvator.  \\  Dattie  behouder  openbare  van  eenre 
maghet  zoude  zyn  gheboren,  Lsp.  II,  5,  126.  Dat 
in  die  stat  te  Bethleem  die  Behoudere  gheboren 
ware,  Bijmb.  21322.  Van  onsen  Behoudere  Jhesus, 
21859.  Sibilla  hadde  ghepropheteerd,  dat  die  be- 
houder sonde  gheboren  worden.  Pass.  W.  131c. 
Hoe  se  (die  deugden)  Christus ,  onse  behoudere ,  in 
al    sinen   levene   geoeffent  hevet ,   Ruusb.  1 ,  25. 

—  Sinen  behoudere  ontfaen,  het  Heilig 
Avondmaal  gebruiken.  \\  Galaat  knielde  daer  naer  ende 
ontfinc  sinen  behoudere  daer,  Lanc.   III,  10485. 

BEHOUDICH.  Zie  het  volg.  art. 
BEHOUDICHEIT,  znw.  yr.  Behoud, redding.  || 


759 


BEHO. 


BEHO. 


760 


Hoe  dat  hem  elc  sonde  bekeeren  ter  duecht  ende 
ter  salichede  Tan  der  eeweliker  behoudicheden , 
Amand  I,  4011.  Men  sal  dien  sijn  hovet  swert  .  . 
tvoerhoeft  ende  slaep  salven  daer  mede,  ets  hem 
grote  behoudenichede ,  Nat.  BI.  X ,  659.  Men  leze 
behoudichede ,  zooals  eene  variant  beAindecAede 
bevestigt.  Yan  beAout  kan  een  bnw.  beAoudicA,  en 
daarvan  een  znw.  beAoudicAeit  komen,  maar  be- 
AoudenicAeit  is  onzniver  gevormd. 

BEHOUDINGE  (beholdinoe  ,  beiioeldinge  in 
de  oosteiyke  dialecten),  znw.  vr.  Mnd.  beAoldinge\ 
mhd.  beAaltunge.  BeAoud^  redding  ^  verlotsing  ^  zalig- 
Aeid.  II  Du  biste  mijne  gloryeringhe ,  du  Jhesu, 
behoeldinghe  der  werelt ,  mundi  talvatio ,  G.  Groote 
95.  Nu  es  behoudinghe  ende  doocht  ende  trike  ons 
gods  ende  die  ghewout  siins  Christi,  Openb.  JoA. 
12,  10. 

BEHOUT  (beholt,  behoelt,  in  dnitsch  ge- 
kleurde stukken),  znw.  o.  en  vr.  Het  vr.  geslacht 
bijna  uitsluitend  in  de  bet.  van  ra/»^^'^^ ,  in  welken 
zin  beAout  het  geslacht  van  beAoude  schijnt  te 
hebben  aangenomen.  Mnd.  beAolt^  beAalt  (welke 
vorm  ook  in  het  Mnl.  voorkomt  in  dnitsch  ge- 
kleurde geschriften);  mhd.  beAalt.  Vgl.  Huyd.  op 
Stoke,  Dl.  I,  bl.  449  vlg.  en  behouden. 

1)  Levensond-erAoud^  datgene  wat  dient  om  zicA  te 
beAouden ,  d.  i.  m  Aet  leven  te  Aouden.  \\  Dat  ten  scatte 
was  die  ghone  ende  namer  uut  te  sinen  behoude 
III"*  maerc  van  finen  goude,  Sp.  IV*,  29,  88 
(voor  eigen  gebruik'^  Hist.  Schol.:  Tria  milia  auri 
talenta  Hircanus  levavit  de  sepulcro  David).  Die  van 
binnen  hadden  tfulle  te  harre  behout,  maer  dat 
hem  ghebrac  zout,  ende  waters  hadden  si  clejne, 
Rijmb.  28632. 

2)  Het  beAouden  blijven^  Aet  ontkomen  aan  een 
gevaar,  r^^^tn^.  ||  Dus  voer  elc  om  sijn  behout,  al 
waren  si  te  voren  stout ,  Velth.  II ,  51 ,  81  {ied^er 
zag  om  een  goed  Aeenkomen^"*  zooals  Le  Long  te 
recht  verklaart).  Die  bliscap  dreven  menichfout  van 
sijnre  coemste,  van  sijn  behout,  Stoke  II,  1287. 
Ende  so  henen  om  sgn  behout  toten  coninc  van 
Bytine,  Sp.  I*,  42,  24.  Maar  mijn  leetsman  .  .  . 
trac  mi  na  hem  int  behout,  lY',  60,  67  (hij 
trok  mij  naar  zich  toe ,  om  mij  te  redden ,  tot  redding). 

3)  Bij  uitbreiding.  ÏTftV,  geluk ,  zalig Aeid.  ||  Omme 
die  vrouwe  hoghe ,  daer  ons  af  quam  onse  behout , 
Wap.  Mart.  I,  968.  Dus  spreect  die  waerheit,  onse 
behout,  RiJmb.  122  (d.  i.  „ Dit  zegt  de  Schrift , 
onze  zaligheid").  In  minnen  settic  mijn  behont  ende 
mine  gewout  in  hare  hande,  Hadew.  1,  122,  5. 
Hi  es  mechtich  hen  ...  te  gevene  tweevout, 
die  in  hem  hopen  hare  behout,  Sp.  11^,  51,  30. 
Dus  ginc  hi  in  z^n  behout,  quite  gescolden  van 
der  scout  (zoo  werd  Aij  gered),  Franc.  9397.  — 
Hem  selven  int  behout  doen,  zicA  zeluen tot 
zalig Aeid  brengen,    voor  Aet  Aeil  zijner  ziel  zorgen. 

II  Verhuede  di  selven  met  gewout  ende  met  Gods 
genaden ;  doet  di  selven  in  dbehout ,  Vier  de  Mart.  470. 
—  In  die  Gods  behout  comen,  varen,  de 
zalig  Aeid  Gods  ingaan,  naar  den  Aemel  gaan,  zalig 
worden.  Vgl.  bij  beiioudenesse.  ||  Wel  XLIII 
jaer  hi  besat  den  stoel  van  Riemen  in  de  stat  ende 
voer  in  die  Gods  behout  alse  hi  XC  jaer  was  out, 
Sp.  III',  33,  73.  Laet  mi  selke  ghenade  ontfaen, 
dat  ie  come  in  dijn  behout,  daer  di  (/.du)  ordeel 
gheven  sout,  Vad..  Mue.  2,  403,  14.  —  Ook  van 
een  persoon  gebruikt  in  den  zin  van  beAot^der, 
evenals  men  ook  nu  nog  zegt:  God  is  onze  zalig- 
Aeid.  Vgl.  BEHOUDE.  II  Hi  die  mach  vergeven  sonde, 
dat  es  Jhesus,  onse  behout,  die  afdede  onse  scout, 
Lucid.  4397.   Van    der   reinere   Marien    live    was 


Christus    gheboren,   onse   behout,    Rijmb.  21352. 

4)  Vooral  in  dê  uitdr.  in  (sijn)  behout  doen, 
voeren,  en  dgl.  (zie  behouden  2).  Bewarvig, 
bescAerming ,  Aoede.  ||  Hi  dede  den  baec  in  snn  behont, 
Hild.  60 ,  154.  Wyen  hi  vint  in  karitaten ,  dien  neemt 
hi  selve  in  sijn  behout ,  121 ,  127.  Oeck  sonde  hi 
des  sloetels  nemen  goem  ...  of  wyemen  best  be- 
velen mochte,  of  selve  doen  in  sijn  behout,  166, 
216.  (Hi)  nam  den  roef  ende  voerdene  in  behont, 
Merl.  20740.  (Hi)  beval  hem  die  coninginne  .  .  , 
dat  sise  in  behout  voerden,  28177. 

5)  By  uitbreiding.  MacAt,  AeerscAappij ,  bezit.  ||  Dat 
hi  belopen  sal  die  stat,  entie  Romeinen  met  ge- 
wout onderlopen  haer  behout,  dat  si  aldus  al  die 
stede  .  .  .  dwinghen  sullen  ende  alt  lant,  Sp.  !•, 
30,  24.  Der  vrouwen  bleef  in  sijn  (/.  haer)b€hoat 
tGraefscap  .  .  .  van  Lovene ,  Grimb.  1 ,  290.  Haddi 
mi    in    sire   behout,  hine   gave   mi    omme  gheen 

fout,  Ferg.  1921.  Se  ven  planeten  .  .  .  ende 
aertoe  twaelf  tekin  .  .  . ,  dese  hebbent  al  in 
haer  behout.  Wint.  e.  S.  663.  Eenen  sommier  met 
goude  root  .  . ,  u  wijf  heeften  in  haer  behont, 
SegA.  9828  var.  (tekst  bandoen).  Het  en  sccen  ne 
ghene  ghelike,  dat  Honoriuse  iet  soude  bliven  in 
sinen  behoude,  Sp.  III*,  14,  72  (A^t  leek  erniet* 
naar,  dat  Honoriiu  iet*  in  zijne  macAt  zovdi 
Aouden).  Deen  hiet  Arnout,  enten  ghonen  liet  hi 
Vlaenderen  int  behout,  IV»,  56,  50  {hij  liit 
Aem  de  AeerscAappij  over  Vinanderen  imt;  eig.  VI. 
in  AeerscAappij).  Hier  es  Emout  quite  ende  vri  in  n 
behout,  PartA.  7262.  Si  gavent  den  kinde  in  sp 
behout,  in  eigendom,  om  te  Aouden,  Hor.  Belg.  10, 
21.  Die  sal  hebben  in  sijn  behalt  mate,  die  moet 
matig  Aeid  in  zicA  Aebben ,  inAouden ,  MLoep  II ,  2096. 
Die  duvel  .  .  neemt  die  ziel  in  sijn  behout, Hili 
163,  114.  Selve  blijft  hi  int  behout,  184,  62. 
(Armoede)  es  sekerst  int  behont,  Aet  veiligst  in  iH 
bezit,  vor  rovers  sonder  hoede,  Wap.  Mart.l^Tih 
var.  Weder  es  sekerst  int  behout,  rgcheit  so 
aermoede,  769.  In  onse  macht,  in  onse  behont > 
Lsp.  II,  36,  1695.  Alse  gise  {de  Rosé)  hebt  in  n 
behout.  Rosé  9377.  (Si)  hadde  ooc  in  haren  be- 
houde ghecreghen  die  stat  van  der  Goude ,  Brah.  T. 
VII,  16529.  Indien  wy  hertoge  .  .  Willem  ende 
Hermen  ...  dat  geit  van  den  vurscr.  koep  be- 
tailden  in  hoer  vrij  seker  behaldt,  in  ongestoord 
bezit,  om  het  veilig  te  bezitten  ,^'^.  4,  117  («.  14341 

5)  Ook  in  concreeten  zin.  De  plaais ,  waar  «^ 
iemand  in  zijne  macAt  Aeeft,  vooral  in  den  zin  van 
gevangenis,  kerker  (vgl.  DANGIER),  en  in  de  uitdr. 
in  sijn  behout  doen  en  dgl.  ||  Als  de  verraders 
dit  verstaen,  waren  si  te  blivene  niet  bout,  ende 
wildene  voeren  in  haer  behout ,  Stoke  V ,  30.  De 
Coninc  dede  al  te  hant  de  ghevanghene  in  sgi 
behout,  III,  1160.  Soutstu  twivelen  ofte  ontsien 
hem  tontfane  in  dijn  behout,  die  di  ende  mi  w 
menichfout,  ghecreet  heeft  ende  ghestoort,  Uf- 
II,  36,  1608.  Nu  biddic  ju  sere  dat  ghine  doet 
vaste  in  ju  behout.  Wal.  7414.  Hi  hiet  mi  siae 
rudders  vaen  ende  doen  vaste  in  sijn  behout,  5590. 
Die  joncfrouwe,  die  haer  vader  he vet  ghedaen  indei 
casteel . .,  over  dese  riviere,  in  sijn  behout,  5779.  D«t 

f  hine   leit   in  u  behout  ende  besloeg^t  vaste  die 
ore  ende  leidter  uwe  hoeders  vore ,  Lsp.  II ,  36, 923. 

6)  Met  een  bezitt.  voomw.  verbonden  neemt  behf^ 
de  beteekenis  aan  van  veilig  Aeid.  In  sijn  behont 
s  ij  n ,  eig.  in  zijne  eigene  macAt  zijn ,  meester  zijn  oeet 
zicA  zelven ,  d.  i.  t»  veiligAeid  zijn.  Alleen  van  het 
voorz.  in  afhangende,  en  meest  met  de  ww.  brenge»  en 
leiden  verbonden.  Enen,  iet  in  syn  behont 
brengen   of  leiden,   bet.   dus:  iemand,  iets  *^ 


761 


BEHO. 


BEHO. 


762 


veiligheid  brengen.  Vgl.  bg  4).  ||  Doen  dede  die  keyser 
dfter  ter  stede  leden  daer  .  .  die  Cardenale  in  haer 
bebout ,  met  gewapender  hant  tot  in  baer  herbergef 
Velth.  V,  36,  68.  Om  Gode  biddic  u,  dat  gi  mi 
leit  in  mün  behout  na,  Lanc.  II,  6161.  Gode  beval 
bgt  al  gneel  die  dinc,  ende  trac  in  sgn  bebout, 
Sp,  III*,  11,  42  (keizer  Honorius  trok  zich  terug 
(\ran  de  regeering)).  Gi  daedt  ons  keren  beden  bier 
ende  biet  ons  varen  in  ons  bebout,  Cms.  967.  Ie 
«d  u  nadat  bringen  in  u  bebout,  Zan^r.  111,25467. 
Ine  beesebe   u   niet    mere,    dat   gbi   mi  in  mijn 
bebout  leit  nu,  II,  11677.   Dat  gi  in  min  bebout 
leit  mi,  IV,  4691.  Soe  brocbtene  weder  in  sijn 
behout,  Sp.  I'*,  43,  71.  firenct  men  die  ziel  in 
haer  bebout  (zorgt  men  voor  de  toekomst  der  ziel), 
8oe  beeft   elck   sijn   toebeboren,   Hild.    106,   82. 
Eer  hi  ware  in  sQn  bebout,  Stoke  iy,1289.  Onse 
scade  es  al  te  groet,  ende  si  siin  in  bare  bebout, 
Hmb.   II,    1248.  —  Op  verscbeidene    der   boven- 
genoemde plaatsen  kan  men  in  sijn  bebout  bet 
best  wedergeven  door  bet  by  w.  loeg.  Die  weg  is ,  vóór 
dat  er  gevaar   komt,    is  in  veiligheid.  Door  deze 
opmerking   wordt  tevens  verklaard  de  uitdr.  Be- 
houden  scbulen    (Sp.   I*,   44,  38),   die  niets 
anders  beteekent  dan  wegschuilen,  wegkruipen.  Zeer 
duidelyk  big  kt  deze  bet.  weg  ook  op  de  volgende 
plaatsen.   ||   Die  van  Waerloes   waren  gereden  in 
haer  bebout,  eer  si  daer  quamen,  Velth.  IV,  69, 
60.  Sine  wapen  dede  men  int  bebout  (borg  men  weg) 
ende  sijn  ors  was  geleet  opt  stal,2'7a»^/r.  IV,  110. 
Hi  vlo  in   sgn  bebout,  Stoke  II,  1052.  —  Hem 
in  sgn   bebout  doen,  zich  schuil  houden,  zich 
weg  maken ;   eig.   zich   in  veiligheid  brengen.  \\  In 
hare  bebout  baer  Brunilt  doet,  i^.  III',  54,  34. 

7)  Bij  uitbreiding  ook  in  concreeten  zin.  De 
plaats  waar  men  veilig  is,  schuilplaats,  toevluchts- 
oord. Vgl.  onder  5).  ||  Ende  elc  bere  sere  vervaert 
trac  te  sinen  beboude  waert,  Sp.  I*,  33,  32.  Die 
rovere  die  ontvaert  tote  sinen  beboude  waert. 
Nat.  BI.  II ,  3544.  Te  baren  tenten ,  dat  si  quamen, 
in  baer  slote,  in  baer  bebout,  Qrimb.  II,  5553. 
Op  enen  bercb  in  een  wout,  daer  wildi  sijn  in  sijn 
behout  bedectelike ,  Lanc.  III ,  21965  (daar  wilde  bij 
zich  schuil  houden ,"  mnl.  „  behouden  schulen  ").  Ook 
op  deze  plaatsen  geeft  de  vertaling  door  bet  bij  w. 
weg  een  goeden  zin. 

BEHOUWEN  (behauwen),  st.  ww.  bedr.  Mnd. 
mbd.  behouwen.  Het  transitieve  houwen.  Van  bout  en 
steen,  en  bij  uitbr.  van  alle  gewrocbten  der  beel- 
dende kunst.  Behouwen  (vgl.  ons  onbebouwen), 
bewerken,  bearbeiden',  (een  beeld)  houwen.  \\  Soe  laet 
ons  lieflijc  ane  scouwen  al  dat  (overal  waar)  nature 
can  bebouden  (/.  bebouwen)  ene  beelde  na  baer 
(Maria's)  gbelike,  Vad.  Mus.  1,  350,  15.  Steenen 
te  bebauwene,  Invent.  v.  Brugge  6,  331.  Wagenscot 
te  bebouwen,  Rek.  d.  Buurk.  63.  Van  rafteren 
(ruwe  planken)  ie  bebouwen,  ald.  117.  H.  ende 
W.,  dLie  die  bort  reebten  ende  bebiewen  ten 
zagbenne.  Bek.  v.  Zeel.  2,  352. 

BEHOUWEN,  betzelfde  als  behouden  en  als 
BEUUWEN.  Zie  ald. 

BEHOVE,  BEHOVELIKE,  BEHO  VEN.  Zie 
BEHOEVE  enz. 

BEHUDEN  (behueden,  behuyden),  zw.  ww. 
bedr.  Niet  te  verwarren  met  behueden,  andere 
schrüfwijze  voor  behoeden  (zie  ald.).  Mnd.  behuden , 
dat  door  Lubben  verkeerdelgk  als  één  met  behoden 
(behoeden)  wordt  beschouwd.  Zie  ald.  1,  198^. 
Vgl.  HU  DEN  en  Taalk.  Bijdr.  2,  96—101.  Ver- 
bergen, wegbergen,  wegstoppen.  \\  Hier  leit  dese 
scat   bebujrt,   Proza-Bein,  34r.   Si   socht  die  dode 


leden  van  den  scolier,  daer  bise  bebuut  bad , 
Devoet  B.  (36)  80».  O  gi  bovelen ,  bedect  ons  ende 
behudet  ons  van  dat  vervaerlike  aensicbt  der  ver- 
woetheit  des  heren,  120r.  Houtstu  enegbe  dinc 
bebuut,  abscondito  ullo  criminali,  S^.  I^,  65,  244. 
Si  bebueden  (als  de  egel)  beyde  dat  boeft  ende 
die  voeten,  Bern.  W.  49(7.  Bebuedet  in  den  grave 
onder  der  aerden ,  Bern.  S.  111c.  Dat  daer  sulckes 
wat  in  is  gbebemelt  ende  bebuedet,  ald.  160a. 
Hore  gbeen  en  verstout  dit  woert;  bet  was  bem 
bebuedet,  soe  dat  sy  een  woert  niet  der  of  en 
verstonden,  Hs.  Lett.  113,  AAc,  aangeh.  Taalk. 
Bijdr.  2,  99. 

BEHUEDEN,    BEHUEDLIJC.  Zie  behoeden, 

BEHOEDELIJC. 

BEHUEDEN.  Zie  behuden. 

BEHULLEN,  zw.  ww.  bedr.  Mbd.  behüllen. 
Inhullen,  bedekken,  sluieren.  \\  Zij  was  overdect 
of  bebult,  overmits  dat  zg  droevich  was,  Hs.  v, 
1423,  123c. 

BEHULP ,  znw.  o.  ?  m.  ?  Mnd.  behelp ,  behulp  m. ; 
mbd.  behelf  m.  Hulp,  bijstand,  onderstand.  \\  Dat 
ten  versoucke  van  den  borgeren  .  .,  die  voor 
eenigbe  stadtscbulden  .  .  gearresteert  worden, 
zullen  uten  name  van  den  burgemeesters  ende 
scepenen  briefven  van  bebulpe  gescreven  mogben 
worden,  R.  v.  Utr.  2,  314. 

BEHULPELIJC,  bnw.  mnd.  behelplic,  bd.  be- 
hülHich.  Zie  behelpen.  Behulpzaam,  bereid  om 
te  helpen.  ||  Soete  vrient  Segbelgn  wiltu  mi  bebulpelic 
sijn,  wi  souden  soeken  gaen  dat  cruys,  Segh.  8715 
var.  Den  naevolgberen  bebulpelicb  toe  wesen  alsoe 
verre  als  sy  dat  van  eren  wegben  doen  mogben ,  Nijb. 
3,  63  (a.  1378).  Ons  of  onsen  erven  daer  bebulpelicb 
toe  wesen ,  dat  weder  te  wynnen ,  85.  So  solewy  malck 
den  anderen  vullencomentlike  bebulpelicb  ende 
bijstendicb  wesen  toe  malkes  rechte,  369.  lek  ben 
u  bebnlpelijck  ende  diensticb  des  dagbes  ende  des 
nacbtes,  Oest.  R.  f.  34  d.  Dan  so  sal  God  u  in 
allen  wederspoet  bebulpelic  sijn ,  136  d.  Dien  bi 
in  sommigen  plaetsen  seer  bebulpelic  badde  ge- 
weest, Fass.  W.  16  i. 

BEHULPELIJCHEIT  znw.  vr.  Van  behulpelijc 
(zie  bet  vorige  Art.).  Behulpzaamheid',  in  de 
uitdr.  bebulpelgcbeit  doen,  d-e  behulpzame 
hand  bieden,  bijstaan,  behulpzaam  zijn.  ||  Soe  selen 
die  drie  steden  vorseit  minen  be^e  doen  bebulp- 
lijcbeit,  om  die  ghone  te  bedwingen  baer  deel  te 
ghelden,  Brab.  T.  VI,  6803. 

BEHULPEN.  Zie  behelpen. 

BEHULPENISSE ,  znw.  vr.  Eig.  hulp,  onder- 
steuning. Bij  uitbreiding  gebruikt  in  den  zin  van 
het  te  baat  nemen,  het  gebruik  maken  van.  \\ 
Alle  argelist,  ferpel,  quade  bebendicbeit ,  alde 
ende  nije  vonde,  behulpenisse  geestliken  off  weer- 
liken  rechts  .  . ,  dat  enicbsins  wesen  mocht  tegen 
enicb  punt  of  artikel . . . ,  gentseliken  ende  temael 
wtgescbeiden ,  Nijb.  4,  61 ;  vgl.  45  (a.  1429). 

BEHULPICH,  bnw.  Van  behulpen  (zie  be- 
helpen). Behulpzaam,  bereid  om  te  helpen.  ||  Bidde 
den  recnter,  dat  bi  di  om  dinen  dienst  bebulpich 
si,  J),  Cat.  285  (verg.  Wyse  L.  v.  C.  145,  achter 
Bag.  V.  P.).  Ie  bid  u  dat  ghi  mi  bebulpich  sgt 
jeghen  uwen  sone,  dien  gbi  droecht,  Segh.  8.  Dat 
ors  neyede  sere  .  .  .  dat  hem  sonde  bebulpich  sijn, 
6552  var.  Ie  sie  die  ons  van  den  live  algader  sal 
bebulpich  sgn,  6602  var.  Dat  sy  .  .  .  den  dyck- 
grave  voorz.  bgstandich  ende  bebulpich  zyn,  soo 
wanneer  sys  van  hem  oft  van  onsen  weghen  ver- 
maent  worden,  V.  d.  Wall  386.  God  sonde  sonder 
twgfel  hem  gonstich  ende  bebulpich  sljn ,  JSrc.  CVoi». 


763 


BEHU. 


BEHU. 


764 


65  d.  Dftt  he  my ,  myn  lande  ende  Inde  sal  besendden, 
verantwerden ,  behnlpich  ende  geredich  sijn,  Ngh. 
3,  188  (a.  1394).  Behnlpich ,  geredich  ende  bysten- 
dich,  ald.  Soe  sondic  mijnen  genedigen  here  van 
Beyeren  . .  daer  leghen  behnlpich  wesen ,  359.  Of  hy 
ofliyich  worde,  dat  sy  dan  sgnre  dochter  behnlpich 
ende  bystandlch  wesen  wonden ,  Matth.  Jnal.  3 ,  354. 

BEUÜLPINGE,  znw.  vr.  Mnd.  behelpinge.  Hulp , 
bijstand.  \\  Ende  wy  oick  gene  temelicke  behnlpinge 
sgnre  goedertierenheyt  beoogen  en  mogen,  Matth. 
Anal.  3,  645. 

BEHUL8EN.  Zie  onbehulst. 

BEHUSEN,  zw.  ww.  bedr. 

1)  yan   huizfft   voorzien  y    met   huizen   bebouwen, 
II   Alle   erve,    die   gheleehen   sQn   .   .   np  enige 

wateren ,  die  sel  men  beplaten  eer  men  ze  behnyst, 
Leid.  Keurb,  4,  11.  Dat  .  .  Arend  .  .  den  seWen 
grond  niet  schnldich  ware  te  behnnsene,  nochte 
daer  np  te  doen  temmeme  of  metsene ,  Diericx , 
Mém.  2,  510.  I>en  Yoomoemden  grond  van  erven 
moghen  behnnsen,  ald.  Ende  znllen  de  vorseide 
religiensen  .  .  hebben  .  .  tselve  cloestere  ende  de 
hnnsinghen  van  dien,  .  .  ende  dat  behnnsen  ende 
betimmeren  redelic  ende  betaemelic,  alzoet  hem 
lieden  ghelieven  zal,  ald.  561.  —  Vooral  in  het 
deelw.  behnnst,  waarop  een  huis  ttaat.  \\  Datzy 
gheene  behnnsde  stede  hebben ,  die  hemlieden  toe- 
behoort, Cout.  V.  Oent  611.  Yoirt  en  moet 
niemandt  vellen  weecken  in  die  delf,  in  wateringhe 
of  in  graften,  die  behnyst  sijn,   O.  K.  v.  Delft 

II,  71.  Eene  rente  bepant  np  eene  behnnsde  stede, 
Diericx,  Mém.  2,  570.  Ende  besaghen,  waer  dat 
vrempt   gnet   behnset  was.  Bek.  d.  Cam.  3,  107. 

2)  Bewonen.  \\  Dat  hnns  sal  men  afbreken  nemmer- 
meer  te  behnsene,  Cout.  v.  Oent  1,  429.  —  Van- 
daar de  nitdr.  behnset  ende  onbehnset,  be- 
woond en  onbewoond.  \\  Alle  hofsteden  licghende 
binnen  den  scependomme  van  Bmcghe,  beede 
behnset  ende  onbehnset ,  znllen  bliven  gheldende  . . 
np  alznlken  chens,  als  sie  ghelden  .  .  npdendach 
van  heden,  Cout.  v.  Brugge  1,  279. 

♦  BEHUWELEN.  Zie  behuwen. 

BEHUWEN  (behouwen),  zw.  ww.  bedr.  Zich 
door  huwelijk  verwerven  ^  betrouwen.  Ygl.  behiliken 
en  beiiuweliken.  ||  Doe  qnam  hi  {Brennus)  int 
lant  van  Qallen  .  .  ende  behnwede  tlant,  Sp.  1*^ 
45,  6.  Hg  behnwede  .  .  tgraefscip  van  Reeters, 
Vl.  JUjmk.  5965.  Otten,  haren  sone,  die  Benthem 
behnwede,  Stoke  II,  630.  Diere  bnrghe  ende 
hoghe  stene  behnwedic  ende  menighe  stede.  Wal. 
3154.  Ie  moet  eer  varen  .  .  int  lant  dat  ie  be- 
hnwede nn ,  Zanc.  III ,  26910.  Soo  wie  die  hnyrwaer 
koopt  .  .  of  behnwelt  (/.  behnwet)  of  besterft. 
Mieris  2 ,  33*.  —  Met  het  voorz.  ane  (zie  aen  3) 
of  met  verbonden,  om  nit  te  dmkken,  door  het 
huwelijk  met  wie  (of  wien)  men  het  bezit  erlangt.  || 
Sijn  ontste  sone  .  .  behnwede  Henegonwe  met 
Bgkilden  der  scoenre  vronwe,  Sp.  III",  89,  121. 
(Majdmns)  ghewan  Bartaengen,  want  hi  behnwet 
met  ere  joncfrouwen,  III',  14,  42.  Want  ghi 
met  hare  .  .  behnnt  al  dat  Qrieze  rike ,  Limb.  XII, 
1243.  Ene  dochter  .  .  diet  lant  van  Bonen  hadde 
behnwet  met  Jnstase  dien  si  tronwet,  Brab.  T, 

III,  172.  Bmsele,  dat  si  met  hnwelics  rechte 
behnwet  hadde  an  Lambrechte,  25.  Ende  hi 
desen  cyrkel  van  gonde  ane  mi  dan  behnwen 
sonde,  Lanc.  III,  23161.  Ylaenderen  behonwede 
hi  .  .  aen  Margrieten  van  Elsaten,  Vad.  Mus.  4, 
427 ,  220.  Bouwgn  .  . ,  dewelke  an  Bichilden  sinen 
wive  behnwede  tgraveschip  van  Heneganwe ,  Cron. 
V.  Vlaend,  1,20.  (Hg  zal)  tpoorterscip  .  .  moghen 


behnwen  an  .  .  gheboren  poortessen  (/.  -erssen), 
Cout.  V.  Brugge  2,  84.  Dat  zg  die  vryheden  .  . 
behnwet  hadde,  ald.  92.  —  Een  behnwede 
sone,  dochter,  behuwd-zoon^  behuwd-doeiter; 
schoonzoon,  schoondochter.  ||  Hertoghe  Willem  .  . 
trac  haestelijc  te  Graven  waert  tot  sinen  behnweden 
sone,  Brab.  T.  VI,  8031.  So  repareerde  sgn 
behnyde  sone  Marcns  Agrippa  dye  siadt  van 
Agrippinen ,  Exc.  Cron.  A6c.  Dat  hertoge  Aclbrecht 
sinen  behnweden  sone  onderwgsen  sonde  Tsnder 
misdaet,  die  hi  vrou  Janne  gedaen  had,  149é. 
Hy  leide  drie  dachvaert  weghes  tnsschen  hem 
ende  sinen  behnweden  zone,  D.  B,  Gen.  30,  36. 
Soe  seide  Jndas  Thamar  sgnre  behnweder  dochter, 
38,  11.  Hi  en  wist  niet  dattet  sine  behnwede 
dochter  was ,  ald.  16.  Thamar  dgn  behnwede  dochter 
hevet  oncnysheit  gedaen,  ald.  24. Der joncfronwen 
vader  seide  tot  sinen  behnweden  soen,  Bieit.  19, 
5.  Opdat  si  in  haer  lant  tiden  sonden  mit  beiden 
haer  behnweden  dochteren ,  Buth  1 ,  6.  Van  dgne 
behnweder  dochter  is  geboren  die  dl  minnen  moet, 
4,  15.  Hely  behnwede  dochter,  Phinees  wgf, 
droech  kint,  I  Sam.  4,  19. 

BEHÜWELIKEN  (behouwelicken),  zw.  ww. 
bedr.  Hetzelfde  als  behuwen  en  behiliken.  Zich 
door  huwelijk  verwerven,  behuwen.  ||  Van  welcke 
landen  die  .  .  herttoghe  Jan  Henegonwe  ende 
HoUant  behouwelijckt  had  met  vronwe  Jacoppen, 
Belg.  Mus.  3 ,  79.  Lodewgc  van  Loen ,  die  ie  wive 
ghenomen  hadde  Aden  .  .,  daer  hy  mede  Hollaot 
behnwelict  had,  4,  197.  Ten  worde  hem  aneghe- 
erft,  of  hi  en  behnwelikedet  mit  sinen  wive, 
R.  V.  ütr.  1,  40,  87   (a.  1344). 

BEIAERDEN  (betaerden),  zw.  ww.  onz.  Van 
beiaert  (zie  ald.).  De  klok  luiden.  \\  Si  comen  mi 
te  ghemoete  met  der  kercken  staten,  singhende, 
lesende,  en  si  moeten  beyaerden.  Boom  d.  Ser. 
29,  568.  —  In  tegenstelling  met  luden  beteekent 
beiaerden  ook  verschillende  (meest  drie)  klokken  te 
gelijk  luiden,  die  te  samen  een  aceoord  vormen^  fr. 
sonner  ^  toute  volée.  Wvl.  trebbelen(i\e  De  Bo  i.  v.).  || 
Een  half  nere  Innden  ende  een  half  nnre  beyaerden 
metten  grooten  ende  aldermeesten  ghelnnde ,  Invent. 
V.  Brugge ,  Int.  158.  Men  sal  Inden  ende  beyaerden 
in  alle  prochiekerken  van  Qend ,  Diericx ,  Ifém^  1 , 
278.  Dan  sal  men  Inden  ende  beyarden  eerlec, 
Qesch.  V.  Antw.  3,  539.  Singhende  mease  .  ., 
met  orghelen,  met  beyaerdene  alle  die  messeghe- 
dnerende,  Invent.  v.  Brugge  4,  35.  Alle  dye 
clocken  vander  stede  Inyden  ende  beyaerden  hoghelic 
ende  chierlic,  aangeh.  Qloss.  ald,  31*.  — Vgl-ndl. 
de  klok  beieren,  en  het  znw.  koddebeier,  d.  ï.stok- 
zwaaier. 

BEIAERT  (beyaert),  bg  Kil.  frequentamentmm 
tintinnabulorum ,  d.  i.  klokgelui',  eig.  de  klepel j  die 
het  gelnid  voortbrengt  Vgl.  Grimm,  D.  Wtè.  1, 1368 
i.  V.  beiem.  —  In  obscene  toepassing  gebruikt,  j] 
(Hi)  spranc  dien  pape  tnsschen  die  been,  in  die 
bnrse  al  sonder  naet,  daer  men  dien  beiaert  mede 
slaet,  jRein.  I,  1270. 

BEIDE  (bede),  znw.  vr.  Mhd.  beiie.  —  1)  In 
de  bet.  van  de  onbepaalde  wgs  beiden  (z.  ald.),  als 
znw.  Het  wachten.  ||  Si  hebben  de  beide  te  swa^ , 
dies  soe  lanct  mi  na  hem  sere,  Limb.  I,  2740 
(het  wachten  valt  hnn  zoo  lang).  Al  valt  die  beide 
somwile  lanc,  Vad.  Mus.  1,  378,  25  Lange  hakea 
ende  beide.  Rosé  1968. 

2)  Uitstel,  vertoef.  \\J)9i  in  hn  zij  gheene  bede, 
daer  ghi  de  viande  ziet  ghescaert,  trect  mettea 
eersten  daerwaert,  Denkm.  3,  183,  40.  Wat 
holpt  dese  langhe  beide?  Men  verdoene  al  te  haat, 


765 


BEID. 


BEID. 


766 


Limi.  n,  1714.  Niet  lange  en  was  daer  af  de 
beide,  yan  dat  die  heilege  man  voreseide,  i^. 
II»,  29,  69  (niet  lang  duurde  het  of  het  werd 
▼eirnld  wat  hij  voorspeld  had).  Dese  beide  es 
te  lanc,  Fer^i  152.  Bat  hem  de  termt  entie  beide 
sonde  dinken  ntermaten  lanc,  Flor,  2851.  Mi  es 
leet  enege  beide,  Lanc,  II,  38864.  Langhe  beide 
nes  hier  niet  goet ,  Wal,  2120.  —  Beide  maken, 
hetzelfde  als  beiden  (z.  ald.).  Talmen.  \\  Si  ghinghen 
in;  enghene  bede  maecten  si,  Wal.  9352.  Da 
maecs  ons  te  langhe  beide,  ^.  III ^,  36,  36. 
Hensche,  dn  maecs  te  lange  beide,  g^anc  weder  in 
dijn  cloester,  Beatr,  726. — Vooral  gebruikelijk  in 
de  nitdr.  (al)  s onder  heide  (vgl.  tonder  beiden), 
onveneijld,  dadelijk,  \\  (Hi)  sloeghene  sere  sonder 
beide  in  die  limieren  van  den  helme,  Ferg.  4758. 
Haken  wi  den  meiusche ,  hi  zede,  na  onser  heelde ; 
sonder  bede  sceen  die  Gods  virtunt,  Wap.  Bog. 
602.  Waert  dat  so  {de  natuur)  werkens  vermede, 
alle  dinc  teghinc  sonder  bede,  ald.  1412.  Hi  voer 
wech  alsonder  beide.  Wal.  1340.  Ontwapent  n 
alsonder  beide,  Ferg.  2660.  Hi  ware  doet  alsonder 
beide,  3570. 

3)  Ook  concreet.  J)e  plaatt  toaar  men  vertoeft, 
verblijft',  verblijf  plaats ;  vgl.  eng.  abode.  ||  Dat  hi 
des  anders  dages  te  Raphay  quam  ende  daer  soe 
bleef  hi ,  alsoe  hi  tote  Evax  seide ,  dat  daer  sonde 
siin  sine  beide,  Umb,  I,  1701  (6f:  dat  hij  daar 
verblijven,  vertoeven  zou?). 

4)  In  rechte.  De  gerechtelijke  termijn,  de  tijd 
dien  men  heeft,  vóór  dat  men  voor  het  gerecht 
moet  verschijnen.  Vgl.  vrist  in  tagevritt  (Ben.  3, 
4093).  Vandaar  in  die  beide  staen,  in  rechten 
optreden,  borg  staan.  ||  Voer  mi  en  stonde  in  die 
beide  niemen  dien  ie  levende  weet,  Sp.V,  56,24. 

BEIDE  (BEDE),  onbep.  telw.  Beide.  \\  Waer  naemdi 
die  hoefden  bede,  die  ghi  achter  u  hebtgeknocht? 
Ferg.  684.  Zie  verder  Bein.  en  Bijmb,  Gloss.  —  De 
tweede  naamv.  komt  ook  voor  in  den  vorm  beidt.  \\  Si 
staen  tusschen  ghebmken  ende  werken,  ende  pleghen 
beids  in  volcomenheiden ,  Rnusb.  4, 227.  —  Evenals 
•lle  komt  ook  beide  als  onverbogen  telw.  vóór,  bj  alle 
naamvallen  en  geslachten  der  znw.  Zie  al  ,  kol.  314. 
Meermalen  is  ook  dit  willekeurig  door  de  uitgevers 
veranderd.  i|  Van  beide  sine  (/.  sinen)  voeten  voren, 
Jiein.  l,   2818  (Hs.;   Jonckbl.   beiden).  Van  beide 
haren   voeten,   2881    (Hs.;   Jonckbl.   beiden).  Ook 
bat  hy  .  .  beede  den  partien,  dat  si  souden  enz., 
Amand   II,   4512;   enz.  —  Wanneer  beide  voorop 
geplaatst  ia,  en  gevolgd  wordt  door  twee  of  meer, 
met    ende   verbonden    woorden,    neemt    beide    de 
kracht   aan   van   een   bgwoord.  Beide  —  ende 
beteekent  dan  zoowel  —  als  Vgl.  Lubben  1 ,  206a. 
Hetzelfde   gebruik  van  beide  by  meer  dan  twee 
leden  vindt  men  in  het  Mhd. ,  vgl.  Grimm ,  Oramm.  4 , 
954;  Germania  6,  224.  Indien  de  reeks  uit  meer  dan 
twee  leden  bestaat,  wordt  het  laatste  lid  in  den 
regel  met  ooc  aangehecht  ||  Beide  bi  nachte  ende 
bi  daghe,    Wrake  III,   1451  (Bein.  I,  408).  Beide 
roven  «mde  stelen,  J2^i».  1, 1691.  Spellen  ende  lesen 
bode  ende  ludesinghen  Crede,  Bein.  1 ,  147.  Nu  merct 
wel  dat  Esan  beede  root  was  ende  ru ,  ende  dat  hi 
eerst  ooc  was  gheboren ,  Bijmb.  2189.  Beyde  vleesch , 
broot   ende   capoen,    Segh.  3157  var.  Beede  mis- 
handelen   ende   slaen,    ende   ooc   in  enen   carker 
yaen,  Bijmb.  2873.  Beyde  inder  paeuse  hove  ende 
indcr  prelaten  met,  ende  inder  princen,  .  .  ende 
in  steden  ende  in  kanesijen  ende  oec  elx  in  abdgen , 
Wrake   II,  447.  —  Eene  enkele  maal  staat  beide 
in  deze  beteekenis  achteraan;  zie  b.  v.  het  boven 
aangehaalde  voorbeeld  uit  den  Bein.  (vs.  147). 


BEIDEGADER  (beedeoader  ,  bedegader)  , 
onbep.  telw.  Alle  twee,  beiden  te  zamen.  \\  Ie  ende  mün 
broeaer  beide  gader,  Limb,  I,  257.  Doe  stonden 
si  op  beide  gtuler,  X,  509.  Vader,  moeder  bede 
gfader  worden  gewect  biden  kinde,  Franc.  9494. 
Die  beide  gader  na  u  beiden  daer  in  die  stat, 
Lorr.  1,  1190.  Die  bejagheden  beide  gader  .  .  an 
Coninc  Otten  haren  sone  .  . ,  dat  men  hem  in  erven 
gaf  alt  goet,  Stoke  I,  699.  Vgl.  verder  Bijmb. 
en  Partonop,  Gloss.  —  Evenals  beide  neemt  ook 
beidegader,  gevolgd  door  ende,  de  kracht  aan  van 
een  bijwoord,  met  de  bet.  van  zoowel  —  a/^.  ||Hi 
verboot  hem  beide  ghader  ooms  wüf  ende  daer 
toe  svaren  (/.  snaren),  stief  kinder  ende  diere  af  comen 
waren,  Bijmb.  5370. 

BEIDEN  (beden,  later  ook  beyen,  b.  y.Blisc. 
V.  M.  649),  zw.  WW.  onz.  en  bedr.  Mhd.  beiten. 

Onz.  —  Wachten,  toeven,  vertoeven. — a)  Absoluut, 
of  met  een  bijw.  of  een  adverbialen  accusatief.  || 
Doe  si  vergfadert  waren  in  tcrijt  beiden  si  enen 
corten  tyt,  Lorr.  II,  355.  Gelloen  mach  wel  lange 
daer  naer  beiden,  eer  hi  comen  sal,  1300.  Twine 
hadstu   stille   ghestaen  beden,   tes  ie  verre  ware 
leden?  Esop.  XLIV,    9.   Hout,    ghi   heren,    ghi 
moet   beden,    lAmb.  IV,  1428.  Doet  sgn  gheselle 
ymmer  nemen  wonde,  so  beede  S.  Franciscns  een 
luttel   ende  hiet,  dat  hi  die  boerse  name,  Ned. 
Proza  239.   —   Vooral  gebruikelijk  in  de  nitdr. 
sonder    beiden    (beden),    zonder    te    talmen, 
dadelijk,  onverwijld.  \\  Syn   s waert  trac  hi  sonder 
beden.    Wal.  8661.  Ie  sie  wel  sonder  beiden,  dat 
gi  mi  uten  wege  wilt   leiden,  Lanc.  II,  39283. 
Sonder  beiden,  also  voUec  ende  also  saen  als  dit 
was     ghedaen,    Christ.     174;    enz.    —    Spreekw. 
Beiden  en  es  gheen  verlaet,  uitstel  is  geen 
afstel.  II  Men  dat  ghescreven  siet,  dat  beyden  en 
es   gheen   verlaet,    ^ra^^  1 ,  655.  Haer  begheerte 
en  wert  hem  niet  geweyghert,  maer  vervorstet, 
want  beiden  is  en  gheen  oflaten,  Hs.  Ib  f.  11^  d. 
—  De  onbep.  wQs  als  znw.  gebruikt ,  bet.  y^^M/^.  || 
Hi  laetse  scelden  al  moeder  ene  .  .;  met  bedene 
wan  dese  man  den  camp ,  Belg.  Mus.  10 ,  57 ,  182. 
6)  Met  den  2den  nv.  If achten  op,  wachten  met.  \\ 
(De  gierigheid)  sat,  alse  die  mochte  staen  qualec, 
ende  beidde  harre  bringren  met  crommen  handen 
ende  met  vingeren,  Bose  196.  Dat  hi  toghe  over 
die  vliet  vander  Mase  .  .  ende  haers  daer  beidde, 
Brab.    T.  VI ,   9954.  Alsmen  in  goeden  wille  es ,  en 
salmen  niet  beiden  des,  men  (d.i.  men  en)  salaltehant 
daer  met  voertgaen ,  Doet.  III ,  1563.  Sine  broeders  . . 
die    sgns  beidden   in   der   straten.   Franc.   6483. 
Ie  sal  uwes  hier  beiden,  Ferg.  2300.  Die  bi  hem 
vlieghen  ende  sgns  beiden ,  Nat.  BI.  VII ,  185  var. 
(Die  vrouwe)  beydt  haers  tflts  met  vresen  groet, 
Teest.  2800.  Waent  sulc  mensch  al  ghereyde  hebben 
des  hi  beyden  moet,  Hild.  93,  132.  Ende  beiden 
daer  der  comst  mine,  Lorr.  I,  926.  Daer  haers 
beidde   die   coninc,   II,   2012.   Mi  .  .,   die    bede 
(wacht,  verwachf)  der  doot  cortelike,  Amand  II, 
4002.  SHns  beiden  talre  stonde  verwoet  volc  ende 
ongesonde,  hem  wachtten  op,    Sp.   III*,   48,    13. 
Wi  en  willen  uwes  nyet  langer  beiden,  D.  War. 
4,   281,   394.   Ie   wil   dins  beiden  (geduld  met  u 
hebben,  oefenen)  dertig  iaer;   ia  ie  hondert  iaer 
willic  dins  beiden,  Limb.  Serm.  122^. 

c)  Met  het  voorz.  na  (naer).  ||  (Als die) zonder 
sorgen  beedden  na  den  dach  van  morgen.  Franc. 
1811.  Dese  riddere,  die  na  u  heeft  ghebeit  tote 
nu,  Umb.  V,  2037.  (Si)  hadden  te  Trieren  ge- 
daecht  ende  na  haren  nere  gebeit,  Lorr.  I,  1000. 
Die   beide   gader  na  u  beiden   daer  in  die  stat, 


767 


BEIE. 


BEIT. 


768 


1190.  Ie  hebbe  wel  ghebeit  naer  hu,  Denkm.  3, 
107,  190.  Ghine  badt  na  mi  gbebeit,  188,  82. 
Na  u  ende  na  niemen  el  beefti  gbebeit  ene  wile, 
Limb,  V,  1832.  Waerna  beidy  ?  Eeemtk.  33.  Zoo 
ook  Sp.  111%  9,  78;  13,  30;  Rijmb.  15320, 
23242,  23%7.  —  Ook  met  eene  zaak  als  ondw. 
lem.  wtichten ,  verbeiden ,  voor  hem  aansüuinde  zijn.  \\ 
Dese  pine  onsacbte  beit  naer  di  ende  na  dijn 
geslachte,  Sp.  1%  82,  53. 

d)  Met  bet  voorz.  achter.  ||  Hi  beedde  achter 
sinen    wert,    Flandr.   V,    157. 

e)  Met  bet  Yoorz.  omme.  \\  (Si)  beiden  gbemeenlike 
omme  tgelof  van  hemelrike,  ende  waren  in  haer 
ghebede,  i^.  I^,  41,  7.  Hi  beide  om  dat  bemstont 
te  doene,  tote  een  deel  na  der  noene.  Wal.  1977. 

/)  Met  bet  voorz.  op.  \\  Doen  beiden  si  up 
gbeen  dinc  el,  Parth.  3413.  Up  dfjn  gbebot  beiden 
si  alle,  AUx.  IV,  1581. 

g)  Met  een  afb.  zin  met  te.  \\  Wat  zaelt  gbebeit 
up  te  stane?  OFl.  Lied.  e.  O.  523,  164. 

Bedr. —  1)  Met  den  4den  nv.  van  den  persoon. 
Wachten  op  ^  afwachten.  \\  Daer  sullen  wi  beiden ,  alse 
riddren  cone,  Claerwijs  dien  bere,  6V»«.  878.  Onse 
Here  nam  dese  drie  manne  .  .  up  enen  bercb  ter 
bogher  steden,  dat  si  hem  daer  souden  beden, 
Bijmb.  23949. 

2)  Van  bet  znw.  beide  afgeleid,  in  den  zin 
van  uitstel  (zie  ald.).  —  a)  Enen  ere  dinc 
b.  — ,  iemand  uitstel  geven.  Vgl.  versten.  ||  Die  knecbt 
bem  gbenaden  bat,  dat  hijs  hem  beide,  Rijmb. 
24114.  Es  een  mensche  een  anderen  XII  dr. 
sculdeg,  ende  beit  bir  {d.  i.  hi  der)  heme  een 
jaer  over  sinen  dag,  hi  weets  heme  groten  danc, 
Umb.  Serm.  (T.  en  Lettb.  6,  226). 

b)  Iet  — ,  het  rekken^  uitstellen.  \\  Dat  hi  met 
subtylheiden  die  dinc  so  lanc  soude  beiden ,  dat  se 
des  winters  vlagen  uten  landen  souden  jagen, 
Edew.  661. 

BEIERINGE  (beyerinoe),  znw.  vr.  Van  het  nog 
gebruikelijke  beieren ,  d.  i.  klokluiden.  Eig.  klokgelui , 
en  vervolgens  in  overdracht,  zin  het  suizen ,  van  de 
ooren  gezegd.  i|  Dorst,  bitterichejt  des  monts,  zeric- 
heit  des  voerhoefts ,  beyeringhe  der  oren,  Barth.  270. 

BEIERKIJN.  Zie  beer  (5de  Art.). 

BEIEBMAN  (beyerman)  ,  znw.  m.  Van  het  nog 
gebruikelijke  beieren  (de  klok),  d.  i.  kleppen ,  luiden. 
Vgl.  BEiKERT.  Klokkenluider.  ||  Den  beyerman ,  dat 
hy  gespeelt  heeft  opte  clocke  1  st.,  Hermans, 
Oesch.  d.  R.  188.  Insgelics  den  beyerman  oeck 
gebeyert  heeft  van  8  uren  tot  9^  uren  toe,  189. 
Den  beyerman,  omdat  hy  op  de  kermisdach  ons 
liever  vrouwen  misse  des  morgens  gebeyert  heeft, 
gegeven  2  st.,  193.  —  Als  familienaam  nog  bekend. 

BEILAGE,  znw.  vr.,  misschien  hetzelfde  als  bilage 
van  biliggen,  gelijk  men  b.  v.  ook  beilevinge  vindt 
voor  bilevinge  (z.  ald.).  Het  bijliggen,  het  uit- 
oefenen van  vleescheUjke  gemeenschap,  Vgl.  hd. 
beilager.  ||  Waer  gi  moget  heilagen  dogen,  daer 
bent  der  waerheit  der  kennesse  haer  ogen ,  o  n  t  f  a  d  i , 
dats  sonder  uwe  mesdaet,  Hadew.  1,  233,  69. 

BEILDE,   en  de  samenstellingen.  Zie  beelde. 

BEILEVINGE.  Zie  bilevinge. 

BEILC,  beelc.  Zie  buelc. 

BEINIJN.  Zie  benijn. 

BEITEL  (BETEL,  beetel),  znw. m.;mnd.  betel, 
beitel;  mhd.  beizel.  Van  biten  in  de  oorspr.  bet.  klooven. 
Beitel.  ||  Die  wercman  van  houtwerc  leide  langhes 
die  regule,  hi  formeerden  mit  beetelen,  D.  B. 
Jesaia  44,  12.  Houwen  metten  beetele ,  Jan  Yp.  62. 
Metten  slage  vanden  beetel ,  ald,  Soe  suldi  hebben 
een  beetel,  65. 


—  Samenst.  Cliefbeitel,  Gesek.  v.  JjUw. 
2,  650. 

BEITEN,  BEETEN.  Zié  beten. 

BE J ACH,  znw.  o.;  zonder  mv.  Eig.  stam  van 
bejagen.  Mhd.  bejac;  mnd.  bejach.  In  verschillende 
opvattingen. 

1)  Van  bejagen  in  den  zin  van  bt^it  maken. 

a)  Eigenlijk.  Jachtbuit,  jagersbuit,  voortl  van 
dieren  gebruikt.  ||  Bi  enen  velde ,  daer  bi 
(Reituiert)  binnen  groot  bejach  van  vetten  hinneD 
hadde  gehad  wilen  eer.  Rein.  Bijl.  290,  3.  Daer 
ie  bi  nachte  quam  gheronnen  omme  bejach  in  ene 
molen.  Rein.  I,  118.  Also  als  hi  uten  wonde  hadde 
ghelopen  om  syn  bejach.  Rein.  I,  506.  Also  ie 
liep  om  mgn  bejach,  II,  6295. 

b)  Overdrachtelijk.  Krijgsbuii,  buit.  ||  Sulc  es,  hi 
hevets  joye  alsi  vrouwen  bedrieghen  mach:  dits 
sine  proye  ende  sgn  bejach.  Nat.  BI.  II,  689.  Hi 
waende  hebben  groot  bejach  an  sconincs  diere 
ghewaden,  Alex^  IX,  922.  Nu  vaert,  alse  gbi 
wilt,  hets  dach,  ende  voert  vor  u  uwe  be- 
jach, Limb.  II,  523.  Ie  can  bet  deilen  eenbejacb, 
ende  gheven  dat  elcken  werden  mach,  Troyen  f. 
84  ff.  Ie  wane  noit  man  ne  sach  meer  Waleweise 
pinen  om  bejach,  Lanc.  II,  37535.  Aldus bestaetdi 
sijn  bejach ,  37545.  Hi  (Christus)  nam  den  viaod 
sijn  bejach  ,  OFl.  Ged.  2 ,  58 ,  116.  Voer  met  u  ons  be 
jach,  Eleg.  1043.  Daer  ie  voer  om  mijn  bejach ,  7S4. 

2)  Van  bejagen  in  den  zin  van  deh  ververtt» 
a)  Datgene  wat  men  zich  verwerft  (hd.  erwerh)^ 
winst,  voordeel.  \\  Ie  was  tebarenteert  van  dien, 
dat  ie  daelmoesene  soe  clene  sach,  ende seide, bet 
ware  een  clene  bejach ,  La$ic.  II ,  24437.  Dat  bi 
bejach  in  alre  wise  hilt  over  eene  dinc  van  prise, 
Sp.  V ,  4,  21.  Du  heves  gebat  mün  ghelt  te  dinei 
groten  bejage,  ende  du  en  gholds  mi  niet  teo 
daghe,  1%  56,  120.  Hevet  hi  sijn  bejach  daer  van, 
so  hadde  hi  daer  hi  omme  began,  Lett.  N.  W.h*, 
36.  Is  dat  hi  criget  sulc  bejach,  dat  ghine  willik« 
croent,  so  es  hem  berde  wel  geloent,  D.  War.  7, 
374,  12.  So  wie  dat  meer  aensach  sijn  ghewia 
ende  sijn  bejach,  dan  die  bate  van  der  stede, 
Teest.  1282.  Die  gierich  sgn  om  sulc  bejach, Hili 
5,  178.  Om  te  meerren  syn  bejach,  162,  40.  Als 
die  voor  den  domesdach  gesent  es  om  der  nelen 
bejach,  FraTtc.  1687.  Omme  ghewin  .  .  .  staet  die 
clergie  al  te  zamen,  ende  niet  om  der  zielen  be- 
jach, Rijmb.  25485.  Dat  hi  bejach  over  doegt  belt, 
ende  vercochte  omme  ghelt  dat  paepscep,  "Bigmh. 
21936.  Si  ghingen  stifiekine  doden  ende  dadea 
jammerlic  bejach,  door  de  lijken  uit  te  schuUen, 
32813.  Valsche  tonghen  ...  die  sien  altoes  on 
haer  beyach,  MLoep  II,  1342;  vgL  Sjp.  Il',  32, 
183.  En  es  gbeen  bejach,  te  comene  ane  dnllea 
wiif,  Limb.  1,  216.  Here,  goet  bejach moetihcbbei 
ende  aventure,  IX,  200.  Een  goet  nieuwe  jaer 
gheve  hu  die  here  ende  goet  bejach,  O  VI.  Iaed.e.  G. 
406,  102.  Gierech  omme  bejach,  Kerk.  CL  ^• 
Ander  bejach  no  ander  ghewin  dan  cantate,  H^ 
1 ,  276.  Si  soeken  haer  ghelach  ende  nemen  vreemt 
bejach ,  Hadew.  1 ,  39 ,  53.  Ane  tbejach  sjjn  nujae 
attenten ,  want  beter  vele  dan  myn  renten  es  inlJB 
bejach,  en  aquerre  est  toute  m' entente.  Rosé  108S3. 
Dese  brochten  in  ouden  stonden  in  Itidien  om  be- 
jach menich  dier  daer  venijn  in  Xzch. ,  NaL  Bl.y^^ 
710.  Dat  si  den  tempel  hebben  souden  in  bejacb 
van  ghelde,  D. B.,ll Maceab.  11,  3.  —  Omme  be- 
jach,  uit  zucht  naar  voordeel,  uit  winsuekt.W'i^*' 
ooninc  seide:  hets  omme  bejach,  dat  hi  seget  dit 
hi  dit  sach,  Sp.  IV»,  23,  43.  —  Sijn  bejacfc 
doen,   z\jn  voordeel  doen,   winst  doen.  ||  Buuia 


769 


BEJA. 


IBEJA. 


11-0 


dien  dat  hi  tghent  coept  ende  hl  harentare  loept 
omme  te  doene  sijn  bejach ,  I' ,  66 ,  63.  —  B ej  ac h 
hebben  ane,  ffenot  hebhen  van,  baat  vinden  bij.  \\ 
Die  sire  lieder  herten  yerlieset ,  dats  een  lantshere , 
die  rieset  ende  die  ter  noot.  niet  ne  mach  an  die 
sioen  hebben  bejach,  Heim,  1503.  —  Zoo  ook 
sgn  bejach  hebben,  gijn  volle  ffenot  sviaken, 
zooveel  genoegen  y^rapen^'*  als  men  maar  wil.  \\  6he- 
rechter  wgf  haddi  in  sijn  leven  XY  edele  . . .  ende 
alsonder,  nacht  ende  dach,  yan  anderen  amien 
sijn  bejach,  Sp.  III»,  16,  73.  —  An  enen  en 
es  gheen  bejach,  bij  iemand  it  geen  voordeel  te 
vniden,  bij  hem  is  niets  te  halen.  ||  An  hare  en 
was  gheen  bejach ,  aerm  van  goede ,  van  dengeden 
rike ,  ende  si  lach  ontfaermelike  up  derde  ende  een 
lettel  stroes  daer  mede,  I',  67,  76. 

b)  Datgene  wat  men  zich  verworyen heeft, S^;n^, 
tigendom.  Vgl.  het  Gr.  xxyfia  yan  xtCtfiat.  \\ 
Elc  die  rike  was,  adde  sorghe  te  yerliesene  sgn 
bejach,  Bose  fr.  248,  26.  Gheloye  es  dat  heilichste 
bejach,  dat  erdsche  minsche  hebben  mach,  OFl.  Oed. 
3,  119,  539. 

3)  Van  bejagen  in  den  ein  yan  najagen,  streven, 
trachten  te  bereiken  (e.  ald.  4i).  Datgene  wat  iemand 
najaagt,  levensdoel,  streven,  pogen;  ook  dat,  wat 
iemand  doet,  zijne  zaken,  zijn  handel  en  wandel.  \\ 
Doet  dat  m^jn  herte  beme  seere  in  der  minnen  Cristi 
onsen  heere  dat  hem  belieye  mijn  bejach ,  N.  W.  Lett. 
5*,  91.  Aldus  so  sal  onse  Here  doen  mede  ende 
eiken  loyen  yan  sinen  bejaghe  ende  yan  hem  steken 
die  traghe ,  lUjmb.  26746  (vgl.  Matth.  26 ,  14).  Hi 
ne  wille  gheenen  gheselle  hebben  an  s^ns  selves 
bejach.  Nat.  BI.  UI,  2770.  Hi  haeste  zeer  in  sijn 
beyach  ende  liep  tot  horen  maghen,  HLoep  II, 
3560.  Hoe  comt,  Sone,  dat  ghi  begaert,  mids  des 
loes  verraders  bejach,  dus  te  quistene desen dach , 
Mask.  604.  Na  den  etene  so  lopen  de  broedere  ute 
alse  bien  ute  haren  va  te,  ieghewelc  omme  sijn 
bejach,  Ruusb.  2,  193. 

4)  Van  hem  bejagen  (zie  ald.).  Levensonderhoud, 
kost,  dagelijksch  brood,  broodwinning.  ||  Souden 
dichters  conste  draghen,  ende  twisken  tyde  gaen 
beyaghen  van  huse  te  huse  haer  beyach?  Hild. 
172,  96.  Die  huusman  die  sel  sijn  beyach  soecken 
in  dit  aertsche  dal,  209,  220.  Sinte  Mattheeus, 
dien  hi  sach  tollen  bewaren  om  sijn  beyach,  210, 
281.  Menich  jaer  ghinc  daer  na  voren  datterMyn 
noch  D  ij  n  en  was ,  ende  al  die  werlt  ghemene  las 
vander  aerden  hoer  beyach ,  218 ,  23.  Men  seit , 
dat  hi  {de  ooievaar)  jonghe  wint,  na  dien  dat  hi 
int  lant  vint  dat  bejach,  eest  groot,  eest  cleene. 
Nat.  BI.  III,  811.  So  moeten  sine  jonghen  dan .. . 
soeken  haerre  tweer  bejach,  2921.  Rijt  dan  uut 
om  u  beyach,  MZoep  l,  3232.  (Hi)  ghinc  recht  als 
een  Gods  bode  van  steden  te  steden  om  sijn  bejach, 
Amand  I,  6608.  Enen  sciltcnecht  .  .  .,  die  daer 
om  bejach  reet,  X«u;.  Il ,  37314.  Tenen  tide  soutsoe 
gaen  te  velde  up  enen  heten  dach  om  haers  lechamen 
bejach,  Dranc.  10142. 

BEJACHTE  (bejacht),  znw.  yt.  De  daad  van  het 
bejagen  f  Aet  bejagen,  m.  a.  w.  een  tocht  om  buit, 
strooptocht  (vgl.  jacht  van  jagen).  \\  Nu  secht  mi , 
ridder,  of  ghi  te  nacht  wilt  wesen  gheselle  in  mijn 
bejacht,  Eleg.  698  var,  (nauwkeuriger  ware  in 
mine  hejachi).  Doer  dat  donker  van  enen  wonde 
in  eenre  woestenien,  daer  Reynaert  sijn  toepade  had 
nae  s^nre  beiachten,  Proza-Bein.  1  v. 

BËJAECH,  latere  vorm  voor  bejach  (zie  ald.  4). 
Broodwinning,  levensonderhoud.  \\^\  en  wouden  niet 
gheneaen  wesen,  omdat  si  hoer  bejaech  niet  ver- 
lyesen  en  wouden.  Pass.  W.  23 d. 


BEJAERT,  bnw.  Thans  alleen  in  den  zin  van 
oud  in  gebrnfk,  maar  in  het  mnl.  ook  in  ver- 
binding met  jone.  Jonc  bejaert  is  dus  onze 
uitdr.  jong  van  jaren.  ||  Willem  van  Cleve  den 
bastaert,  die  doen  noch  jonc  was  bejaert,  ^ra^.  T. 
VI,  9096.  —  Ook  gebruikt  in  den  zin  van  tot 
zijne  jaren  gekomen,  d.  i.  mondig.  \\  Drie  sonen 
haddi  .  .,  daer  af  die  een  noch  jonc  was  onder 
sijn  daghe,  ende  niet  bejaert,  a/^.  2649.  Dat  gheen 
vry  vischcopere  .  .  .  iemene  sal  moghen  stellen 
over  hem  .  .  . ,  tvoom.  ambochte  doende ,  hij  en  zy 
bejaerd  mans  werdich  ende  hem  machtich  te  wapene , 
ZFl.  Bijdr.  6,  166.  Kynderen  .  .  .  onghehuwet 
zijnde  ende  bejaert,  Cout  v.  Brugge  1,  686.  Totter 
tydt,  dat  het  kindt  bejaert  ware.  Mieris  2,  163 d. 

BEJAGEN,  zw.  ww.  bedr.  en  wederk.  Mhd. 
bejagen;  mnd.  bejagen.  De  door  misbruik  sterk 
geworden  vervoeging  komt  reeds  voor  Gfrimb.  I, 
4144  (die  ere  bejoeghen);  imper.  bejach  (als  van 
een  sterk  ww.,  D.  B.  Jes.  Sgr.  32 ,  13 ,  zie  bj  jagen). 

Bedr.  —  1)  Het  transitieve  jagen,  nancisci 
venando.  —  a)  Eigenlijk.  Door  jagen  bereiken ,  be- 
machtigen, buit  maken.  \\  Alse  Isengryn  bejaghede 
een  calf,  oft  een  weder  oft  een  ram.  Rein.  I, 
2116.  Alse  wi  een  grote  proie  lagheden,  die  ie 
ende  mQn  oom  bejagheden  .  . ,  sone  mocht  ie  cume 
dene  hebben  van  den  aireminsten  rebben,  2126. 
Hi  stal  tgrote  ende  ie  dat  clene:  dat  wi  be- 
jaechden,  wart  ghemene,  2111. 

b)  Figuurlijk.  Verkrijgen,  winnen,  verwerven.  || 
(Die  scat)  es  qualike  bejaecht,  £leg.695  {y^opeene 
oneerlijke  manier  verworven*^).  Al  dat  goet  .  .  moet 
in  desen  tijt  sijn  bejaecht,  Lsp.  III,  26,  129. 
Van  den  goede,  dattere  te  gadere  es  bejaecht, 
daer  af  heet  (d.  i.  heeft)  de  vrouwe  deen  helcht 
ende  dander  deelt  men  in  tween,  Ned.  Proza  2. 
—  Deze  bet.  splitst  zich  in  twee  onderdeelen,  al 
naarmate  de  persoon  zelf,  of  een  ander  belang- 
hebbende is. 

a)  Iets  voor  zich  verkrijgen,  voor  zich  verwerven, 
winnen,  krijgen;  de  gewone  opvatting  in  het  Mnl.  || 
Dat  hi  tvolc  niet  bekeren  mochte,  no  bejagen, 
dat  hi  zochte.  Franc.  6246.  In  horen  rade  sgn  si 
fel ,  behendich  sere  ende  snel ,  hoe  si  scat  bejagen, 
Lett.  N.  W.  6*,  33.  Hi  bejagede  doch  een  paert, 
doe  ghinc  hi  vlien  metter  vaert,  Alex.  V,  641. 
Ghi  sult  an  hoghen  aflate  delen  ende  an  alt 
pardoen,  lieve  moie,  dat  ie  .  .  sal  bejaghen  over 
see,  J2«».  1,2894.  Doe  ne  conste  Reinaert  niet  be- 
jaghen, daer  ie  die  brieve  in  draghen  mochte, 
hij  kon  niets  krijgen,  3336.  Om  te  bejaghene  die 
crone,  Bijmb.  21799.  (Hi)  moet  allene  bejaghen, 
daer  si  hem  alle  op  ontdraghen,  C.  en  El.  241. 
Wat  wire  connen  bejaghen,  .  .  dat  sal  ie  deelen 
ende  ghi  kiesen,  699.  Daer  si  goet  onder  hem 
beden  mochten  bejaghen,  644.  Hi  en  heeft  .  .  . 
ander  toeverlaet  negheen,  dan  hi  met  stelen  can 
bejaghen,  221.  Om  soudenieren,  om  riddren  fijn, 
dier  si  bejaegden  herde  vele ,  Orimb.  II ,  409.  Die 
coninc  sonde  meerre  cracht  bejagen  van  ridders  ende 
van  lieden ,  Lanc.  II ,  46934.  Mochtic  mQn  part  weder 
bejagen ,  39449.  Elc  es  gierech  om  bejagen ,  om 
te  winnen;  mnl.  omme  bejach.  Kerk.  Cl.  190. 
Wie  es  so  coene  die  u  vraget,  wanent  u  comt ,  dat 
gi  bejaget?  160.  Doe  bejaghedi  (Arion)  ene  ruste, 
hij  wist  zich  eenigen  tijd  uitstel  te  verwerven.  Nat.  BI. 
IV,  367.  —  Eere  bejaghen,  lUjmb.  19232;  Chrimb. 
I,  4146;  II,  1273;  Stoke  II,  942,  zich  roem  ver- 
werven. Aflaet  b.,  Sp.  I',  60,  60;  70;  Lett.  N.  JTr. 
6»,  64.  Vriende  b.,  Velth.  UI,  60,  3;  Bose  1096. 
Pays  b.,  Nat,   BI.  II,  1936.  Sinen  wille  b.,  zijn 

26 


771 


BEJA. 


BEJA. 


772 


iin  krijgen y  Alex.  X,  91.   Rijcheit  b.  Lt^.  II,  36, 
1794.  Houde  (hulde)  b. ,  Bijmb.  20404;  Sp.  I« ,  10, 
11;  n  * ,  2 ,  28 ,  zich  de  gvmtt  verwerven.  Hnlpe  b., 
VL  JUJmk.  1561.  Danc  b.,  Rijmè.  20699;  Ltp.lUy 
23,  171;  Teest.  1020.  Prijs  b.  Maleg.  679;  Troyen 
2467,  2489;  Hild.  241,  84.  Herberghe  h.,£oMv. 
Sed.  702.  Bate  b.,  Zaïk?.  II ,  436Ö9.  Minne  b.,  Vr.e. 
M.  I,  210,  259,  768.  Spacie  b.,  uiUiel verkrijgen, 
Sp.  II»,  14,  168.  Luttel  h.^Ltp.  1 ,  7 ,  35.  Gesonde 
b.  Franc.  854.  Gracie  b.,  ald.  1484.  Genade  b.,  ald. 
3194.  Waerdichede  h.ald.   3380.  Soe  dede  si  die 
werke  van  ontfarmherticheden ,  omdat  si  dat  ewighe 
leven  daermede   bejaghen  soude,  Ned.  Proza  228. 
Bat  ghi  overmids  de  gheloeye  beyagt  dat  eeulike 
leven  in  sinen  name,  L.  v.  J,  c.  240.    Al  en  ware 
maer  een  cloester  op  vii  milen,  al  dat  men  daer 
binnen   bejaghen  mochte,  dat  souden  si  wel  ver- 
teeren ,  Ruusb.  2 ,  192.  Vgl.  ons  tainttèejag.  —  Ook 
met   by voeging  eener   bepaling  met  ane.  Iets  van 
iemand  verwerven.  ||  (Ie)  bejagede  anden  coninc  min 
here  dat  ie  mi  begaf  hier,  orlof,  Lanc.  II ,  17977.  (Hi) 
bejagede  anden  coninc  mede  enen  brief  tsiere  seker- 
hede,  ^.III«,32,  77.— Ene  stat  bejagen,  Aawr 
winnen y   bemacAttgen.  \\  Als   tvolc  uyt  es  gelopen, 
sullen  wy   slupen  uytten  haghen,  dan  sullen  wi 
die   stat   bejaghen,    Troyen  1331  var.  —  Met  een 
pers.  in   den   4den  nv.   Iemand  voor  zich  winnen, 
zijne  gunst  verwerven.  ||  U  grote  ridderliicheit . . , 
daer   ghi   bi   bejaghen   moget  alle  vrouwen  ende 
joncfrouwen,    Limb.   IX,   216.   Elc  raet  zoude  zo 
regieren   zynen   staet,    dat   hy   Gode   mochte  be- 
jaghen,   OFl.   Oed.  2,  68,  220.  Doe   bejagede  hi 
valsche    lieden,    die    kersten    bieten,    met    siere 
mieden,   Sp.   II*,  2,  35.  —  Iet  vri  bejagen, 
iets   vrij    krijgen ,    vrijdom    van  verplichtingen   ver- 
krijgen  vlor.  il  Daer   hi   thuus  wilde  keren  beja- 
gede hi  vri  .  .  .  bede   Rinsborch  ende  Egmonde, 
Stoke   II,  350.  — Kinder   bejagen,    kinderen 
verwekken,  kinderen  winnen,  in  het  bijzonder  van 
zulke,  die  buiten  huwelijk  worden  verwekt.   Een 
bejaecht  sone,  een  onechte  zoon.  \\  Die  gnveYtin 
Loncheestre,  .  .  .  Robberecht,    die  bejaecht  sone 
was  des   coninx  Heinrici,  VI.  Rijmk.  4618.  Vgl. 
Denkm.  1,  bl.  517.  —  Meermalen  komt  bejagen 
voor   in    verbinding   met  winnen  of  ghewinnen.  \\ 
Soudi  ghewinnen  die  joncfrouwe  ende  bi  liste  be- 
jaghen.  Flor,   2883.   Met   pinen  winnen  ende  be- 
jaghen, daer   of  die  lichame  hem  zal  bedraghen, 
L^.  I,  37,  95  var.  Yan  dien  groten  pardone,  dat 
daer  die  riddre  stout  ende  cone  selen  bejagen  ende 
winnen,  Casi.  1461.  —  Met  eene  zaak  als  ondw.  || 
Wat  duechde  dat  meest  bejaechde  die  vrienscap 
van  hemelrike,  Franc.  3438.  —  Bejaghet  sijn, 
eig.    verworven  zijn,  verkregen  zijn,  neemt  de  bet. 
aan   van  voorhanden  zijn,  aanwezig  zijn,  zijn.  Ygl. 
b  e  ca  n  t  s  ij  n.  ||  Daer  ne  was  bont  no  graeu  bejaghet, 
daer  men  mi  in  soude  winden,  Praet  4156   (de 
tekst   heeft  ten  onrechte  graen.  Vgl.  T.  en  Lettb. 
5,  121). 

|9Enen  iet  — ,  iets  voor  iemand  anders  ver- 
werven, hem  iets  verschaffen,  bezorgen,  voor  hem  be- 
werken. Somtyds  nog  met  bijvoeging  eener  bepaling 
met  ane,  ter  aanduiding  van  den  persoon, bij  wien 
men  iets  uitwerkt.  ||  Lof  endeeere  .  .  .  Marien  der 
moeder  enter  maget,  die  ons  hevet  dat  bejaghet, 
dat  tonser  feesten  sal  sgn  die  gone,  Jhesus  Cristus , 
haer  Ueve  sone,  Sp.  V,  85,  54.  Dat  si  die  duvele 
heeft  versaget  ende  den  sieken  gesonde  bejaget, 
II*,  13,  153.  So  goet  wert  si  in  corten  dagen, 
dat  si  de  duvele  henen  verjaget  ende  den  blenden 
haer  sien  bejaget,  II',  57,  149.  Ie  soudt bejagen 


{de  gezondheid),  mocht  soe  sijn.Joseph  sprac:  Bi 
trouwen ,  wiltu ,  ie  hebse  di  bejaget  nu ;  die  Sarras  ju 
sprac:  twelker  maniere  souttuse  bejagen  sosciere? 
Joseph  sprac :  wiltu  geloven  an  Goede ,  du  salt  al 
genesen   dan,    Lanc.  II,    2084.  Bidden   wi  desen 
XII  heren  .  . ,    dat  si  ons  bejaghen  ghenade  Tor 
Gode   van    onser   mesdade,    Tst  Bl.  4273.  Maria, 
die  ons  van  Yeven  misdade  bejaghede  aflaet  ende 
ghenade ,  Lsp.  1 ,  23 ,  106.  Om  dat  hi  (Mozes)  hem 
{den  Joden)   soude  bejaghen  van   haerre    mesdaet 
aflaet,  Rijmb.  5168.  Amand,  die  mi  arste    {d.  «. 
raste)    heeft   bejaegd    met  siere  bede ,  Amamd  II , 
4929.  (Maria)  bejaghede  hare  {den  wvoe)  eene  vearste 
(flf.  i.  vorste),  i^.  I^,  89,28.  Van  der  moeder  ende 
van  der  maghet,  die  ons  heeft  tparadjs  bejaghet, 
Theoph.   9.    Ie  sal  doen  dine  claghe  ende  sal  di 
soendinc  bejaghen,   1333.  Die   suver  maghet,  die 
den   sondegnen    bejaghet   soendinc  jeghen    Onaen 
Here,   989.   Die   nature   hadde  haer   {Maria)   be- 
jaghet  die   scoenheit,   daer  haer  mede  bedra^bet 
al    dat   hevet    menschen    name,    Claus.   316.    Om 
andren    lieden    moet    te    bejagene   dat   cruce    ons 
heren    te    dragene.   Franc.  7425.    {Fransois)    adde 
hem    {voor  Niclais)   an   Gode   bejaget   penitencie, 
8997.  —  Ook  met  een  objectszin  met  dat,  in  plaats 
van  den   4den  nv.  der  zaak,  en  in  den  re^l  met 
eene  bepaling   met   ane.   An  enen   bejaghen, 
dat,   bij  iemand  bewerken,   uitwerken;  van-  iemand 
weten  gedaan  te  krijgen ,  dat.  ||  Ooc  bejaghede  hi  . . , 
dat  hem  die  selve  kejser  gaf  den  ronden  tempel, 
Lsp.   II,  48,    759.  (Hi)  bejagede  al  daer  .  .,  dal 
soe  {de  orde)   worde   geconfirmeert ,   Franc.  2161. 
An   Josephuse   hi   hem   draghet,    ende    heeft    an 
hem  bejaghet,  dat  hi  hem  sette  .  .  te  makeneder 
steden  mure,  Rijmb.  28221.  (Hi)  hevet  oec  an  hem 
bejaghet,    dat   men  dien  aldaer  ter  stede  metten 
apostel  sal  ontliven  mede,   Sp.  I*,  4,  110.    ]>oen 
bat   si  haer,  dat  si  haer  dat  oec  wond  beyaghea 
aen    Gode,    dat   si   mocht   gedraghen    den    arbeit 
vander  ordenen  wale,  D.  War.  3,  320,  1290.  Dan 
roepen   si   an    Onsen    Heere,    ende  bejaghen    met 
beden   des,   dat   hi    daer   sende   zelencides    (eeme 
vogelsoort) ,  Nat.  Bl.  III ,  3636.  Dese  beja^de  aa 
Foeken  mede,  dat  die  kerke  van  Rome  der  stede 
hovet  van  allen  kerken  ware,    Sp.  III*,   59,  45u 
Dan  radic  wel   dat  men  bejaghe  ane  den  kejser, 
dat    hi    gheteme,    dat    hi    dese  jonfinonwe    neme 
{aldus    leze   men),    Limb.    I,   2252.     Ten     Jodea 
aroech    hi   haetscap   groet   ende   hi  bejaechde  aa 
den    coninc   dat   mense   al  sloughe  te  doet,  AUr. 
TV,  927.   —  Ëenigszins  anders  moeten    de  twee 
volgende  plaatsen  verklaard  worden :  ||  Natnerbad 
an  haer  bejaget,  dat  si  onverdrietelec  was  ,  />.  War. 
7,  394,  4.  Ane  hare  had  die  nature  bejaecht  .  ., 
dat  haers  ghelijc  niet  wesen  en  mochte ,  t^ad.  Mms. 
1 ,    333 ,   4 .  {de  natuur  had  zich  aan  haar  persoon , 
haar    wezen    zoodanig    uitgesloofd,   zóó   Aiutr    tot 
gedaan,    dat;    de    natuur    had  aan    hater    persoom 
bewerkt  (niet  bij  haar  uitgewerkt,  van  haar  ffcdatu 
gekregen).  Het  verschil  in  opvatting  ligt  dns  niet 
in  het  werkwoord,  maar  in  de  afwg kende  kracht 
van  het  voorz.  aen), 

3)  Met  een  object  dat  iets  onaangena^mu  ^  eene 
ramp  uitdrukt  (in  tegenstelling  van  de  onder  Ti 
genoemde  beteekenis  verwerven).  Veroorzaken^  he- 
rokkenen.  ||  Doe  was  bevonden  ende  bevrag^t,  dal 
hi  die  mort  hadde  bejaget,  Sp.  III*,  18,  83.  Het 
ware  scade  dan  alte  groet,  bejagedi  nwes  sel& 
doet,  Lanc.  III,  3197.  (Nu)  hebbic  tnsschen  bdd< 
bejaecht  viantscap  als  een  verrader,  Hein.  Nmi, 
387,   108.   Siecheit  in  thoeft,  bejaecht  Tan  covde 


773 


BEJA. 


BEJA. 


774 


ofte  andersins,  Belg.  Mus.  10 ,  276.  —  Deze  bet. 
splitst  zich  weder  in  twee  hoofdbeteekenisseu ,  al 
naarmate  óf  de  persoon  zelf,  óf  een  ander  het 
voorwerp  of  doel  der  handeling  is. 

«)   zich    zelven    berokkenen,    zich    op    den   hals 

iülén,  (^loopen.  \\  Daer  die  stat  in  mochte  bejaghen 

vele  vernojs  ende  vele  plaghen,    Wrake  III,  722. 

Tibert  heeft  ene  vaste  line,  die  hi  bcjaghede  an 

sine  kele  .   .   int  huns   daer  hi   den  pape   beet, 

Jtein,  I,  1940.  In   dien  dat  ie  uwen  evelen  moet 

daer  an  niet  en  waende  bejaghen,  Frouto.  e.  M, 

1 ,  80.  Dat  hi  gheenen  ondanc  en  bejaghe  in  deene 

noch  in   dander  side,   Ltp.   III,   4,  618.  (Dat  hi 

sonde)  viande  soe  vele  bejaghen,  dat  bijt  niet  en 

mochte  ghedraghen,  Doet,  II,  372ö.  Soe  dat  hi 

niet  en  was  ghesint  over  te  waden  in  dier  noot , 

want   hi   beyaghen   mocht   die   doot,   MLoep   II, 

180.  Du   hebs    den   doot   om   m^nre  liefden  wil 

beyaecht,  362.  Coerts  ende  apostemen  bejagen,  Lanfr, 

34r.  Omdat  hi  gene  grote  viantscip  bejaghen  en 

wonde  anden  (d.  i.  Uj  hef)  volc  van  Israhel ,  D.  B, 

I  Maeeab.  13,  17.  Vloeke  bejagen,  JHtp.  323.  — Bij 

Utenbroeke  wordt  die    doot   bejagen  onjuist 

gebruikt  in   den   zin  van  den  dood  ondergaan.  \\ 

Yaleriaen  ende  Gallen  daden  die  achtende  {persecutie), 

bi  wien  de  paeus  Steven  heeft  die  doot  bejaget, 

^.  IP,  11 ,  35.  Aureliaen ,  daer  Agapitus  ende  Sym- 

phoriaen  .  ^  hebben  bi  die  doot  bejaget,  ald.  41. 

b)  Iemand  anders  iets  berokkenen,  bezorgen.  \\  Met 

een  pers.  of  zaak  als  ondw.  ||  Ay,jonckfrouwe!dat 

hebdi  ons  bejaget  al,  Lanc.  II,  36748.  Deseover- 

daet  ende  andere  mede  .   .  bejagedem  meneghen 

viant,  Sp.  1\  101,  43. 

4)  Met  be  in  de  bet.  van  bedoelen ,  pogen ,  streven 
(vgl.  bedoelen,  beproeven  e.  a.).  Najagen,  nastreven, 
trachten  te  bereiken, 

d)  Eigenlijk.  In  het  Mnl.  zijn  nog  geen  voor- 
beelden gevonden,  doch  wel  in  het  WtA.  en  Mnd. 
b)  Overdrachtelyk.  Najagen,  trachten  te  krijgen, 
trachten  op  te  loopen.  ||  In  hetewys  en  genen  man, 
hi  ne  bejage  .  .  die  edele  wjsheit,  Velth.  1,34,3 
(vgl.  Melib.  836).  Vanden  questen  .  . ,  diemen  dore 
t^^l  moeste  bejagen,  Lanc.  lY,  301.Dune  souts 
genen  sot  te  vriende  bejagen,  Sp.  I*,  39,  16.  Ie 
rade  u  ende  wille  oec  wel,  dat  gi  enen  vrient 
bejaget,  die  u  help  dragen  dat  gi  draget,  Bose 
2712.  Diere  gherechten,  groet  ende  smale,  vet 
vleesch  willic  bejaghen,  Denkm.  3,  27,  372. 
Elck  beyaecht  wel  sijn  ontbiten,  die  bidden  can 
om  Gode  broot,  Hild.  172,  100.  Souden  dichters 
conste  draghen ,  ende  twisken  tyde  gaen  bejaghen 
van  base  te  huse  haer  beyach?  95.  Ie  hebbe  u 
gekoren,  dat  ghi  selt  gaen  ende  vrocht  beyaghen, 
L.  V.  J,  c.  215.  —  Ook  met  eene  bep.  met  ane, 
ter  aanduiding  van  den  persoon,  bij  wien  men  de 
moeite  doet.  (1  An  hem  hebbic  die  dinc  bejaget, 
die  tswert  vander  kerken  draget,  Sp.  IV*,  52,96. 
—  In  plaats  van  sijn  bejach  bejagen,  in  zijn 
onderhoud  voorzien,  gijn  kost  oploopen,  vindt  men 
ook  bejagen  alleen,  schgnbaar  intrans.  i|  Dese 
laetmen  bidden  bi  gedoge  van  doren  te  doren  ende 
bejaghen,  Bose  10740. 

Wederk.  —  Hem  bejagen  (vgl.  het  Mhd. 
en  het  Mnd.),  waarin  hem  oorspr.  3de  nv.  is: 
Hem  sgn  bejach  bejagen,  den  kost  voor  zich 
zelven  oploopen,  maar  door  de  weglating  van  sijn 
bejach  is  het  een  zuiver  wederk.  ww.  geworden. 
1)  In  zijn  onderhoud  voorzien ,  zijn  kost  oploopen. 
Hetzelfde  dus  als  hem  bedragen,  waarmede  het 
somtij ts  in  varr.  afwisselt  ||  Sulctyt  comen  die 
gallot«   bi  der  zee  ofte  uutlaghen,  die  met  rove 


hem  bejaghen,  Farth.  1073.  Daer  syn  so  vele  van 
dien  uutlaghen,  die  hen  met  rovene  bejaghen, 
6334.  Als  hi  sine  jonghe  slet,  helpt  hi  hem 
voort  toten  daghen,  dat  si  hem  selven  moeghen 
bejaghen,  Nat.  BI.  III,  236  (var.  bedraghen). 
Haer  weide  leet  te  dale  waert  ende  in  berghen 
ende  in  haghen,  aldaer  si  hare  can  bejaghen,  II, 
941.  Doe  hi  bi  den  honden  quam,  ende  si  hem 
tbeen  brengen  sagen ,  riepen  si :  dese  can  hem  wel 
bejagen,  Bein.  II,  7506.  Dus  bejaecht  hi  hem 
omtrent;  daer  hi  rike  liede  weet,  hi  nemt  hem 
haren  scat  ghereet,  C.  en  El.  260.  Dus  nauwe 
hebbic  mi  bejaget  (  :  gecnaget),  Bein.  I,  2134 
(Hs.  Niet  onmogeiyk  is  het,  dat  er  oorspronkeiyk 
in  het  Hs.  gestaan  heeft  bedragen:  gecnagen  (vgl. 
Jonckbl.  t.  a.  p.,  en  Tijdschr.  1,  18),  doch  het  is 
niet  zoo  noodig,  aldus  te  lezen,  als  ter  laatst 
aangeh.  plaats  beweerd  wordt,  en  in  geen  geval  is 
bejaget  fout). 

2)  Iets  voor  zich  trachten  te  verkrijgen,  zijn  best 
voor  iets  doen  (vgl.  bejagen  4t).  \\  Nu  gaet  enwech 
u  eire  bejagen,  u  sermoen  en  mach  niet  dragen 
(baten),  Bose  13161. 

3)  In  het  algemeen.  Te  verk  gaan.  ||  Des  nachts 
si  hem  aldus  bejagen:  si  hebben  twee  gheete 
geslegen,  die  veile  genajrt  ende  gedwegen  ende 
daeraigemaect  II  malen,  dat  vleesch  ziedsi  sonder 
talen,  Sp.  III*,  33,  90.  Elc  merke  hoe  si  {de mier) 
haer  bejaghet,  want  elke  miere  bordene  draghet 
na  die  groete  van  haren  live.  Nat.  BI.  VII,  662. 

BE  JAGINGE,  znw.  vr.  Het  blagen,  bijeenschrapen, 
verzamelen ,  ophoopen.  \\  Die  daer  samenen  dat  zei  ver 
ende  dat  gout  .  .,  ende  hare  bejaghinghe  ne  es 
niet  ends,  Twn  est  finis  acquisitionis  eorum,  Hs.  v. 
1348 ,  147c  (Baruch  1 ,  6). 

BEJEGENEN  (beiegenen,  beyegenen),  zw. 
WW.  bedr. "  Van  jegen,  d.  i.  tegen,  afgeleid.  —  1)  Eig. 
ontmoeten,  tegenkomen.  Met  een  pers.  en  eene  zaak 
als  ondw.  ||  Doe  hi  dat  boec  eerst  opdede,  be- 
jeghende  hem  {viel  hem  in  het  oog)  ons  Heren 
woert,  daer  hi  selt:  Ganc  ende  vercoep  al  dattu 
hebste  ende  ghif  den  armen  ende  volch  mi,  Ned. 
Proza  193.  Die  toecomende  dinge ,  die  u  beyeghenen 
moghen,  uw  deel  kunnen  zijn,  Gerl.  Peters  210. 
Wat  u  dan  beye&^ent,  dat  nemet  voer  dat  airebeste, 
dat  u  bescheen  {geschieden)  mach,  a/^.  211. 

2)  Aandoen,  treffen.  \\  Alse  hii  {de  vijgenboom) 
van  eenen  groten  winde  wert  beieghent,  Openb. 
Joh.  8,  13. 

3)  S^h  verzetten  tegen.  \\  (Hij)  zoude  dat  vonnesse 
niet  moghen  bejeghenen  noch  prejudiciëren  als 
gheleden  in  crachte  van  ghewysder  dinc,  Cout.  v. 
Brugge  2,  50. 

BEJEGENTHEIT,  znw.  vr.  Eig.  bejegening, 
maar  voornamelijk  gebruikt  in  den  zin  van  kwade 
bejegening ,  nadeel  dat  men  iemand  berokkent,  smaad. 
II  Eerachtich,  eerlic  leven  alteenen  wilt  dat  bi 
gracien  mi  verleenen  victorie  voor  alle  bejeghent- 
heide,  OVl.  lAed.  e.  O.  454,  106.  Hare  scaemte 
ende  hare  bejeghentheyt  es  mi  leedt,  Oron.  v. 
Vlaend.  1 ,  98.  Alle  andere  lettren  van  verbande . . 
ghemaect  .  .  ter  prejudictie  ende  bejeghenthede  . . 
onser  stede  van  Brugghe,  Cout.  v.  Brugge  2, 11.  — 
In  bejegenthede,  ten  nadeele.  \\  In  bejegent- 
heden  ende  bedervenesse  van  den  ingheboome 
vanden  lande  van  Vlaenderen,  1,  603.  Vele  zaken 
doen  grootelic  in  bejeghenthede  vander  poorterie, 
2    82 

'bEC,  znw.  m.  Fr.  bec.  Zie  Littré  1,  322. 

1)  In  de  tegenwoordige  beteekenis  Bek.  \\  Hi 
scuerde  hem  (tserpent)  sinen  bec  so  wide ,  dat  hem 


775 


ËECA. 


BECA. 


776 


thovet  hinc  in  twier  side ,  Wal.  361 ,  e.  e.  —  Ook  in 
de  spreekwijzen  —  Bec  jegen  bec  drincken, 
met  zijn  beiden^  in  gezellig  tamenzijn  drinken,  Fr. 
bec  h  bec,  d.  i.  en  tite  h  téte  (Littré  1,  321). 
II  Zo  sullen  wi  drinken  eenen  tueghe,  ende  wi 
sullen  senden  omme  pentsen ,  so  snllen  wi  drinken 
bec  jeghen  bec,  lAvre  d.  Mest.  19.  —  Op  den 
bec  riden,  over  de  tong  gaan.  \\  Daer  by  moeten 
se  een  ommeslach  vinden ,  vrouwen ,  die  becommert 
zijn  met  sulc  gbebrec,  of  zy  zouden  op  der  quaeder 
bec  haestelic  rijden,  Belg.  Mm.  6,  66.  —  Bij 
uitbreiding  wordt  bec  gebezigd  van  alles,  wat 
puntig  is,  en  wel  van  den 

2)  Angel  d^r  insecten.  Van  de  vliegen  zegt 
Maerlant:  ||  Men  vindt  becke  an  hem  somen,  daer 
si  mede  steken  sere,  Nat.  BI.  YII,  751. 

3)  De  puntige  nitsnijdsels  aan  den  boord  der 
kleederen  y  puntige  scAulpen.  \\  Sal  een  man  eencleet 
maken,  hi  doedt  fronsen  met  langhen  becken, 
Rnusbr.  2,  175. 

4)  De  punten  der  schoenen,  die  dikwyls  met 
kostbare  kettingen  en  edele  steenen  waren  ver- 
sierd. II  Scoen  zolen  die  broeder  draghen  zonder 
snoere  end  zonder  becke  ende  zonder  gaspen, 
D.  Orde  223.  Vgl.  de  Aant. 

5)  De  punt  van  een  snijdend  wapen.  \\  Metten 
becke  van  eenen  haexs,  Jan  Yp.  61.  Dat  den  houc 
ofte  den  bec  de  lyse  mach  dore  hebben  ghe- 
slaghen,  ald. 

BECAENT , bnw. Kil.  bekaemen,  bekaenen. 
Incanescere  situ,  mucescere;  bekaemt,  canussitu, 
mucidus\  bekaemtheyd,  canus  situs,  mucor. 
Van  het  eveneens  bij  Kil.  voorkomende  kaem  of 
kaen  (bl.  273),  d.  i.  schimmel,  en  van  eene  vloeistof 
gebezigd  kiem.  Verzuurd ,  bedorven.  ||  Ic.drincke 
daghelicx  bier ,  H  smaecte  me  hier  voortijts  bekaent , 
vermostelic,  ZFl.  Bijdr.  5,  316,  38. 

BECAET ,  bgv.  nw.  Van  code  in  de  tegenwoordige 
beteekenis.  3fet  eene  kade,  eene  water  keering  om- 
ringd. II  Dese  500  raergen,  die  de  inwoenders 
gebruycken,  zijn  bekaet,  Inform.  312. 

BECACKEN,  zw.  ww.  bedr.  Concacare{^\\.^'l).— 
Ook  wederk.  gebruikt  Hem  becacken,  zich 
bevuilen.  \\  Ander  die  dat  saghen ,  waeren  al  soe 
vervaert,  dat  zy  hen  van  anxt  becacten,  Gesch. 
V.  Antw.  \,  451. 

BECALLEN,  zw.  ww.  bedr.  Mhd.  bekallen-, 
mud.  bekallen.  Van  callen  (zie  ald.). 

1)  Bepraten,  bespreken,  a/spreken.  \\  As  vanden 
kirmyssen  (rommelzode?)  .  .,  daraff  is  bekalt  .  ., 
dat  wy  die  to  samen  an  onss  hebben  sullen, 
Nijh.  5,  79.  Unde  is  bekallet,  dat  men  synen 
genaden  .  .  den  Rosendall,  Hattem  unde  Grave 
leveren  sal,  108.  Und  is  bekallet,  dat  .  .  frunde 
myns  gnedigen  heren  .  .  vyande  werden  sollen  der 
hertogen  van  Oesterrick,  ald.  Alle  saken,  die 
bekalt  ind  opten  voirgehalden  dachfairden  benotelt 
sgn,  6,  55. 

2)  Bepraten,  door  praten  tot  andere  gedachten 
brengen,  overhalen.  \\  Doe  die  barbier  dit  vernam, 
bekalde  hi  die  scipluden  met  gelde ,  dat  si  hom 
lieten  lopen,  Dial.  Creat.  82^.  Nadat  die  biscop 
Jojada  gestorven  was ,  wort  hi  (Joas)  bekalt  overmits 
fiattieringe  der  moghender  princen.  Fase.  Temp. 
27r.  —  Ook  in  de  uitdrukking  Hem  laten  be- 
c allen,  zich  laten  blaten.  \\  Jouathas  liet  hem 
weder  becallen  ende  gheloefde  hair  woerden  ende 
gaf  hair  dat  span  te  bewaren ,  Qest.  R.  f.  149(7. 

3)  Hetzelfde  als  béclappen  (zie  ald.).  Ktoaad 
spreken  van  iemand,  hem  belasteren ;  of,  met  eene  zaak 
in  den  4den  nv. ,  op  de  spraak  brengen ,  uitbazuinen.  \\ 


Tegens  die  ander  Inden  ontruften  {diffamare)  ende 
becallen,  D.  War.  6,  201.  Ander  luden  souden  te 
becallen,  Devoet  B.  (36)  22r. 
BECAME,  BECAMELIJC.   Zie  beqüame  ,  be- 

QUAMF.LIJC. 

BECANDE,  znw.  vr.  (?)  Enen  in  becande 
sij  n,  iem.  bekend  zijn  {?).  ||  Dies  ons  wesen  mach  in 
becande,  dat  sy  berrende  licht  in  die  handen 
hadden,  daer  si  ons  lichten  by  huter  dolinghen  te 
werdene  vry,  Amand  II,  6190.  Doch  er  bestaat 
gegronde  twijfel  aan  dit  woord;  immers  de  vorming 
laat  zich  niet  best  verklaren  en  de  verzen  6190 — 93 
zgn  hoogst  waarsch^nlijk  geïnterpoleerd:  de  rijm- 
woorden komen  ook  vs.  6184  vlg.  en  6178  vlg. 
voor ,  en  in  vs.  6185  is  becande  het  impf.  van  bet 
WW.  bekennen. 

BECANDEN ,  zw.  ww.  bedr.,  in  beteekenis  gelgk 
aan  het  meer  gewone  beconden  (zie  ald.).  Bekótd 
maken.  ||  (Si)  gheloefden  daer  .  .  dat  siYIIjaer.. 
om  haer  broet  souden  gaen  in  ellenden,  in  Ylaender- 
landen,  eer  si  hem  souden  laten  becanden ,  Yelth. 
Y,  25,  48. 

BECANT.  Zie  bekent. 

*  BECARINEN,  verkeerde  lezing,  Lett.  N.  R. 
7',  130,  31  voor  becarmen.  Zie  berermen. 

BECAKMEN.  Zie  bekerhen. 

BEKE ,  znw.  vr. ;  mhd.  hd.  back ;  mnd.  beke.  Zie 
verder  Grimm  1,  1057;  Eluge  13.  In  dezelfde 
beteekenis  als  heden  beek;  b.  v.  O.  II.  F'.  65;  74; 
Vierde  Mart.  9 ;  e.  e.  —  Ook  gebruikt  in  de  thans 
verouderde  uitdrukking:  In  ene  valsche  beke 
s  e  i  1  e  n ,  in  verkeerd  vaarwater  zijn ,  den  verkeerden 
weg  opgaan.  \\(jO^  hi  doedt  ons  seinen:  wi  seilea 
in  der  valscher  beken;  onse  scep  cranc  sien  wi 
leken ,  Vierde  M.  278. 

BEKE,  BEERE  (?).  ||  Nyemant  en  moet  beeken 
barnen  binnen  der  vrij  bede  up  X  se.  Hollans; 
noch  en  ghien  poirter  en  moet  beeken  barnen  op 
eenre  mile  na  der  stede ,  bij  der  buete  voirs  O.  W,^ 
V.  Amst.  40,  51.  —  Zie  baken  en  beken. 

BEKEER,  znw.  o.  Bekeering.  Y g\.  mnd. bekere.  \\ 
Sonder  bekennisse  haers  selfs,  sonder  bekeer  ende 
rouwe,  Rnusb.  3,  203. 

BEKEERLIJC,  bnw.  Yan  bekeren  (zie  aldV 
Eig.  vlug  in  het  wenden ,  geschikt  om  om  te  ketren, 
en  vcrv.  vlug  in  zijne  bewegingen,  vlug,  snel.  |] 
Tlicht  .  .  is  vluchs  bekeerlic  ende  is  begin  alre 
natuerliker  beroeringe,  Barth.  338d. 

BEKEERNESSE,  znw.  vr.  Yan  bekeren  in  den 
zin  van  tot  het  ware  geloof  komen  (zie  ald.). 
Bekeering.  \\  En  gaet  niet  onder  dat  heidene  vole 
(want  de  tyt  van  harre  bekirnessen  en  qnam  nof 
nit),  L.  V.  J.  c.  51  Aant. 

BEKEERSAEM,  bnw.  Yan  bekeren.  Eig.  ge- 
schikt om  om  te  wenden ,  gemakkelijk  om  te  keerm. 
Yan  een  persoon  gezegd.  Hij  die  zich  gemaiielijt 
(ten  goede)  laat  leiden,  vatbaar  voor  goede  na- 
drukken, geneigd  tot  het  goede.  \\  (Si)  ontfingha 
die  nuwe  wet  ende  hier  omme  waren  si  bekeersam, 
haestich  ende  bereet  tote  allen  doechden ,  Ran»b. 
2,  114  (Surius  vertaalt  het  door  fiexilnles.  Dat 
tote  allen  doechden  bij  bekeersam  behoort,  blfkt 
uit  het  volgende  voorbeeld). 

—  Afl.  Bekeersaemheit.  II  Bekeersaemheittt 
den  wille  Gods  tote  allen  dogheden,  animifmti&i 
injlexio,  Ruusb.  6,  38. 

BEKEERT,  znw.  m.  Eig.  deelw.  van  het  ww. 
bekeren ,  in  den  zin  van  tot  inkeer  komen  (zie  ald.1 
Als  znw.  gebruikt  door  Yeldeke,  in  den  zin  vaa 
hij  die  van  de  wereld  af  stand  gedaan  keef t ,  kUtoster- 
ling ,  ongeveer  hetzelfde  als  een  begeven  man  (zie 


777 


BEKE. 


BEKE. 


778 


begeven).  II  Wijse  ende  geleerde,  die  gheordende 
ende  die  bekeerde,  Serv,  I,  632.  Gheleerde  ende 
ongheleerde,  werrentiike  ende  bekeerde,  1122. 
BUschopen  ende  gheleerden,  gheordende  ende  be- 
keerde, keersten  priesters  ende  leeraer,  II,  231. 
BEKEN  (beeken),  O.  W.  v.  Arrut.  40,  7. 
Waarschijnlgk  Wfriesche  dialectYorm  van  baken  ^ 
in  de  bet.  seinvuur,  vuur  in  't  algemeen.  Zie  beke 

eo  BAKEN. 

BEKEN  (bekin),  znw.  o.  Eig.  stam  van  het 
WW.  bekennen  (bekinnen). 

1)  Kennis.  —  a)  In  abstracten  zin.  ||  Onder  n  viven, 
dat  ghi  eendrechtich  tsamen  moet  bliven,  alsoe 
ie  hope,  na  recht  bekin,  dat  sal  volcomen,  Blisc. 
V.  M.  1810  (eig.  naar  juiste  kennis^  d.  i.  indien 
U  mij  niet  vergis). 

h)  Concreet:  Personen  die  men  kent ^  kennissen.  \\ 
Wie  soe  es  van  uwen  bekinne  lachtert  n  utermaten 
sere,  Limb.  IV,  384.  —  Ook  in  de  uitdr.:  Cl  e  in 
beken  hebben,  toeinig  kennissen  hebben^  geheel 
onbekend  zijn  (vgl.  de  uitdr.  hem  clene  bekennen , 
kol.  784).  II  (Si)  keerden  weder  .  .  ter  stad  wert 
in,  daer  si  hadden  clene  bekin,  doch  ontfinc 
mense  wale ,  Zimb.  VII ,  240.  Si  quam  te  Vinegen 
saen ,  allene  qnam  si  daer  in ,  daer  si  hadde  clein 
bekin,  VI,  2440. 

c)  Eene  plaats  die  men  kenty  schuilplaats  (van 
dieren  gebmikt).  ||  Die  herten  vloen  in  haer 
bekin ,  die  kindre  volgeden  sere  mede ,  1 ,  108. 

2)  Van  hem  bekennen  in  den  zin  van  begrip  hebben 
(lie  ald.  2e).  —  Inzicht,  begrip.  ||  God  gheve  hem 
beken ,  dat  si  hem  bedencken  moeten ,  JBem.  W.  1 , 
1436.  Ist  dat  hi  bi  avontare  tot  beken  comt,i>i0/. 
Oreat.  7Sd. 

3)  Enen  bekin  doen,  iemand  mededeeling 
doen.  Vgl.  bekennen  in  den  zin  van  mededeelen  en  de 
uitdr.  bekent  doen.  \\  Ie  sal  di  doen  so  claer  bekin, 
^ap.  Rog.  1626.  Om  claer  beken  hem  te  doene 
van   der   zaken,   Brab.    T.  VII,   14460. 

4)  Van  hem  bekinnen  in  den  zin  van  bij  zijne 
tennis  zijn  (zie  ald.).  Bewustheid.  ||  Die  grave 
bleef  doet  sonder  bekin,  ende  Ritsart  voer  sire 
straten,  Lorr.  II,  4643.  De  woorden  sonder  bekin 
zouden ,  zonder  den  zin  te  schaden ,  gemist  kunnen 
worden. 

BëKëNLIJC  (bekennelijc,  bèkEnnentluc), 
bnw.  en  bijw.  Mud.  be  kent  lic  \  mhd.  bekent  lich. 
Geschikt  om  te  bekennen  of  om  bekent  (mnl.)  te  worden. 

Als  BNW.  —  a)  In  actieven  zin. 

1)  Van  bekennen  in  den  zin  van  it^nn^y»  (zie  ald.). 
Begaafd  met  de  vatbaarheid  om  te  kennen,  om 
personen  te  kennen  en  te  kunnen  onderscheiden 
(verg.  ons  hedendaagsch  kennelijk,  van  een  kind 
gezegd).  II  Yewain  van  den  Velde  tooght  ons,  dat 
de  hond  is  die  bekenlicste  heeste  ende  die  loyalste 
van  der  weerelt,  Livre  d.  Mest.  41. 

2)  Van  bekennen  in  den  zin  van  begrijpen  (zie 
ald.).  Begrips- .  ||  Die  namen  .  .  die  condt  maken 
bekenninge,  die  worden  gehieten  bekennentlike , 
Barth.  ba. 

b)  In  passieven  zin. 

3)  Kenbiiar,  duidelijk,  gemakkelijk  te  onder- 
scheiden. II  Ten  ouste,  als  elkerlgc  van  siere  vrucht 
bekenlic  ware ,  soudemen  twiet  {het  onkruid)  utelesen 
dare,  Rijmb.  23390.  Dit  es  tslot  van  derepistelen 
fijn,  daer  ons  bekenlic  in  mach  sQn,  dat  sente 
Pouwels  segghen  wonde  dat  Christus  hemselven 
gheoffert  sonde  hebben,  Amand  II,  6108.  Daer 
mocht  men  wonderlike  achementen  sien  van  silver 
ende  van  gonde,  ende  van  lasuere,  also  elc  wonde 
hem  selven  daer  bekenlic  maken ,  Grimb,  II ,  6709. 


4)  Gemakkelijk  ie  kennen,  bekend.  \\  Van  desen 
landen  en  derfmen  niet  noemen  die  steden,  want 
si  siin  bekenlic  in  menich  lant,  Mandev.  c.  27. 
Dat  niemant  in  Vriesland  visken  en  sal,  hi  en  si 
bekennelike  ghebure  ende  wonachtich  binnen  Vries- 
land, Mieris  2,  212fl  («.1319). 

Als  BIJW.  —  Blijkbaar,  duidelijk,  \\  An  die  groot- 
heit  .  .  der  creaturen  so  machmen  bekenlic  sien 
den  scepper  van  desen ,  D.  B.  Boec  der  W.  13,6. 

BEKENNE,  znw.  vr.  Hetzelfde  als  beken,  ^ock 
opgevat  in  den  zin  ywa.  bekentenis.  ||  MitsWillems 
ende  synre  vrienden  oetmoedlAi  vervolch  ende 
guede  bekenne  van  sQnre  misdaet,  O.  R.  v.  Dordr. 
1,  317.  —  Zie  ook  bekinne. 

BEKENNEN  (bekinnen),  zw.  ww.  bedr.  en 
wederk.  (impf.  bekende,  becande;  deelw.  bekent, 
bekint,  becant).  Mhd.  bekennen ;  mnd.  bekennen.  In 
verschillende  opvattingen. 

Bedr.  —  1)  Leeren  kennen,  bekend  worden  met 
iem.  of  iets ;  zoowel  door  met  zijn  persoon  als  met 
zijn  karakter  bekend  te  worden. 

a)  Enen  — ,  iemand  leeren  kennen,  WDoeae  die 
keyser  oec  bekinde,  so  wil  hise  nemen  te  wive, 
Sp.  W,  79,  36.  Hi  claechde  vele  ende  harde  dicke , 
dat  hi  Beinaert  nie  (d.  i.  ooif)  bekinde,  Rein.  1, 
2808.  Ie  rade  des  elck  hem  daer  toe  reyde,  dat 
hi  bekenne  sinen  vrient,  Hild.  66,  272.  Die  in 
den  noot  vrient  bekinne,  sie  draghen  warachteghe 
minne,  Bouc  v.  Sed.  826. 

b)  Iet  — ,  iets  leeren  kennen  door  mededeeling, 
kennis  krijgen  van,  vernemen,  te  weten  komen.  \\ 
(Amand)  die  blyde  was  uter  maten,  als  hyspaeus 
brieve  bekende ,  Amand  II ,  3440.  Vrouwe ,  nu  bekent 
den  noet  van  desen  tween  wesen ,  Beatr.  882.  Nu  es 
het  tijt  dat  gi  bekint  der  kinder  name  ende  hare  doen : 
doudste  heet  Gadifeer  van  Pheson ,  Cass.  182.  Doe 
hi  horde  ende  bekende,  dat  Baasa,  coninc  van 
Israël,  hem  verbolgen  was  ende  fel,5]p.  I*,  29, 
62.  Die  sake  en  canic  niet  bekinnen,  waer  bi  dat 
wert  ghedaen,  Heelu  1806.  (Si)  senden  boden 
om  Amande,  die  daer  quam,  als  hyt  becande, 
Amand  I,  3149.  Daer  dedi  (^^n^^itr^z^)  sinen  ende ; 
die  paeus  Gregorius,  diet  bekende,  screef  sine 
vite,  Sp.  III*,  23,  33.  Doen  si  bekenden  der  heren 
sin  {het  plan),  Lanc.  II,  46877.  Tirst  dat  hi  die 
sake  bekint,  ward  hem  dat  herte  swaer,  III, 
23366.  Daer  wanic  dat  eerst  maer  becande  ülixes 
van  synen  lande,  Trogen^%l^,  Claudins  die  keyser 
bekende  die  mare  van  Herodes  ende,  Rijmb. 
27237.  Die  na  sente  Matheus  historie  ons  Heren 
generatie  bekennen  wilt,  hi  vindter  van  Abrahame 
tote  David  virtine ,  L.  v.  J.  c.  8.  Wie  was  die  sulke 
gave  becande,  Wap.  Mart,  III,  369.  —  Evenals 
het  Lat.  novi,  noveram,  heeft  ook  ie  hebbe 
bekent,  de  bet.  van  den  tgw.  tijd  t^  A:^,  en  staat 
ie  hadde  bekent  gelfjk  met  ik  kende.  \\  Dat 
kint  loech  up  hare  als  of  hetse  hadde  bekint, 
Rijmb.  17238.  Den  vorsten,  seitsi,  hebbic  becant, 
dats  myn  neve,  die  Grave  Roelant,  Ren.  6.  Sy 
wisten  wael  der  lude  sede,  ende  hadden  wale 
bekant  die  rechte  weghe  doer  dat  lant,  Serv.  II, 
1373.  Nathanael  vraegde  waer  bi  hevestu  bekennet 
mi?  Rijmb.  22329.  Van  allen  diene  hadden 
becant  was  hi  beclaghet  herde  sere,  Stoke  III, 
694.  Ie  hebbe  prochiepape  bekent,  N.  Doet.  383 
{Belg.  Mus.  8,  278;  zie  over  deze  plaats  Taalk. 
Bijdr.  1,  66  vlg.).  De  heer  heeftse  bekent,  wie 
sij  (/.  sijn)  sijn,  de  Heer  kent  ze,  die  de  zijnen 
zijn,  Hs.  Ib,  II  Tim.  2,  19. 

c)  Leeren  kennen  door  aanschouwing,  zien,  aan- 
schouwen. Vgl.   het  Gr.  olda-  ||  Qi  sal  doen  ge- 


779 


BEKE. 


BEKE. 


780 


reiden  een  instrument,  dat  so  wat  kersten  liede 
dat  dat  bekent,  bi  sal  bem  alte  sere  vervaren, 
S^.  II*,  4,  101.  Haer  docbte,  dat  si  nie  badde 
bekant  scoenre  ridder  in  enecb  lant,  Ferff.  787. 
(Hi)  maecte  sire  bede  geen  ende,  vor  bi  bem 
geboort  bekende.  Franc.  3951  („voor  dat  b^  zicb 
verboord  2^").  Een  beer  macbmen  billics  prisen 
daer  recbte  wijsbeit  in  wort  bekent, Hild. 72, 102. 
Buten  Europen  liggen  eylande  vele,  die  noit  man 
becande,  Alex.  VII,  1749.  Zine  te  voren  ebben 
bekint  jucbticb  ende  ongesint,  Irane.  10402.  (Si) 
vant  die  steden'.  .  .,  daer  die  martelere  lach 
gebende,  maer  waer  bi  lacb  si  niet  en  bekende, 
Sp.  II*,  49,  24.  (Pilatus)  dwoecb  sine  bande, 
aldaert  menecb  man  bekande ,  Rijmb.  26371.  Scoenre 
wijf  noit  man  bekande,  Ferg.  1196.  Een  licbt, 
daer  bi  bi  becande  den  wecb,  Amand  I,  6186.  Si 
badde  baer  aensicbt  overdect,  om  datment  niet 
bekennen  en  sonde,  2>.  B.  Oen.  38,  14.  — 
Vgl.  Halb.  Jant.  bl.  69. 

d)  Leeren  kennen  door  oplettendbeid,  bemerken ,  op- 
merken j  waarnemen.  Wiemen  ne  mocbte  bekinnen 
tseer  dat  bem  lacb  in  tberte  binnen ,  Farth.  2448.  Dat 
Satban  up  dat  cruce  sat  ende  wacbte  Jbesus  ende ,  te 
siene  of  bi  bekende  enegbe  smette  die  in  bem 
ware,  Rijmb.  26494  var.  Als  bi  bi  bem  (door  de 
vinnen)  macb  bekinnen  in  sinen  sprongbe  viscbe 
comen,  bevet  bi  sine  proie  gbenomen,  Nat.  Bl. 
V,  936.  Hy  nie  van  bem  becande,  dat  by  en  wilde 
hebben  gbeboent,  Troyen  10396.  Alse  bem  die 
Fransoysen  bekinnen  sonder  coninc  in  dien  daghen, 
hebben  si  overeengbedragben  ende  namen  raet, 
Sp.  IV»,  9,  36  (vgl.  Brab.  T.  II,  6631  lAlsi  hem 
sonder  coninc  sagben). 

e)  Leeren  kennen  door  den  geest,  inzien^  be- 
grijpen^ verslaan.  \\  Doe  bekende  si  wale,  dat  was 
een  warich  bode.  Lep.  II,  7,  96.  Doe  die  coninc 
{^Salomo)  boorde  dese  tale,  bekende  bi  alte  bant 
wale,  wien  tkint  behoorde  toe,  I,  47,  61.  Die 
vrouwe  ten  laesten  wail  bekande  ..,  dat  die  jongbe 
man  bair  wail  gonde,  MLoep  II,  1408.  Die 
ydele  predicare  .  .  sal  daer  wel  bekennen  dan, 
dat  bi  niet  en  bevet  daer  an.  Franc.  4099.  Gbi 
selt  sien  ende  gbi  en  selt  nit  bekinnen,  dat  gbi 
siet,  L.  V.  J.  c.  92. 

f)  Leeren  kennen  door  studie,  nagaan^  onder- 
zoeken. II  Gbi  beren,  die  wet  ende  recht  hebt 
bekent  nu  ende  echt,  Alex.  VIII,  621. 

g)  Leeren  kennen  door  gehruik,  zich  bedienen  van ^ 
gebruiken.  In  dezen  zin  bezigen  ook  wij  schertsend  de 
uitdr.  kennis  maken  met.  \\  Tis  reden  dat  si  vrouwen 
minnen  entaertoe  goeden  wijn  bekinnen,  Hild.  190, 
121.  Het  waert  te  tellen  al  te  lanc,  boe  my  mijn 
moeder  daer  toe  dwanc.  Ie  salt  beteren  metten 
brande,  dat  ie  wijfs  cleder  ye  bekande,  Troyen 
f.  45  i. —  Sinen  wille  bekinnen,  dat  dus  eig. 
beteekent  ondervinden^  genieten  wat  men  gaarne 
wil  (vgl.  bij  wille),  wordt  gebruikt  in  denzelfden 
zin  als  sinen  wille  doen  (vgl.  ald.).  ||  Dus  sijn 
lieden  die  niewer  om  el  vrouwen  connen  volghen 
so  wel  .  .  ,  dan  dat  sie  willen  bekinnen  baren 
wille  daer  ave,  Beest  129. 

2)  Deze  beteekenis  van  kennis  maken  mei,  kennis 
dragen  van,  wordt  overgebracht  op  den  omgang 
tusscben  man  en  vrouw.  Men  kon  in  bet  mul. 
even  goed  zeggen  eene  vrouw  bekennen  als  eenen 
man    bekennen.    Omgaan  met  een  man,  eene  vrouw, 

a)  Ene  vrouw,  ene  magbet,  een  wijf  be- 
kennen. II  Dat  ene  magbet  sonde  dragben  kint, 
die  noeyt  ne  was  van  manne  bekint ,  L.  o.  R.  189. 
— r  Ook   bekent  sijn  met,  in  denzelfden  zin.  || 


Hoe  si  mocbte  dragben  kint,  die  noeyt  ne  wu 
met  manne  bekint,  261.  —  Ook  de  thans  alleen 
gebmikeiyke  opvatting  van  vleesckelijke  gemeenschep 
oefenen  komt  reeds  in  het  Mnl.  voor,  b.v.  Z^i^.  Dl, 
3,  1110;  Sp.  II-,  70,60;Zai«:.n,23935;£.fliO. 
p.  Delft,  69,  10;  60,  11 ;  e.  e. 

b)  Enen  man  bekennen,  omgang  met  et» 
man  hebben.  Lat.  consuesse  viro.  \\  Hoe  mocbte  wesen 
dat,  dat  ie  een  kint  zoude  dragben  dan?  leen  be- 
kende noit  man ,  Lsp.  Il ,  7,  64  (vgl.  Lae.  1 ,  34). 
Begorden  sal  si  een  kint,  sonder  enegben  man 
bekint,  d.  i.  zonder  eenigen  man  bekend  ie  kebben^ 
Wrake  I,  1674.  Ie  heb  minen  eyghen  broeder 
vleyscbelic  bekent,  Qest.  R.f  102  a,  Ie  heb  twe  doch- 
teren, die  noch  gbenen  man  bekent  hebben,  D.  B.  Ge%. 
19 ,  8.  Wiven,  die  mannen  natuer  bekent  hebben,  die 
worget;  mer  die  meyskens  ende  alle  die  witen, 
die  maechden  sijn ,  bout  tot  uwer  behoef,  ald.  N»m. 
31,  17  (eig.  dus  „die  de  natuur,  d.  i.  ketgeslsdd 
van  den  man  hebben  leeren  kennen",  d.  i.  ^die 
vleescbelijken  omgang  met  een  man  gehad  hebben"). 

3)  Herkennen.  ||  Doe  Christus  was  opgbeütaen, 
ende  in  den  weghe  quam  gbegaen  .  . ,  en  hebben 
sine  niet  becant  .  .  ;  maer  doe  si  bem  dbroet 
sagben  breken,  hebben  sine  thant  bekint,  Doet. 
I,  676.  Bi  der  talen,  die  Brune  heeft  begonnen, 
bekenden  altebant  Beinaert,  Rein.  I,  538.  Den 
coninc  wart  die  herte  onvro,  die  Brune  bekende 
te  bant  ende  sprac:  Dits  mijn  seriant  Brune, 982. 
Nu  segt  mi  .  . :  bi  wat  tekene  men  sal  u  bekinnen 
overal,  alsmen  us  te  doene  heeft.  Rosé  10268.  En 
hebdi  genen  scilt  dan  ? — Nenic ,  dien  ie  dragen  wille, 
.  .  .  men  souder  mi  bekinnen  bi,  Lane.  IV, 570. 
Met  eenen  scerpen  anziene  wart  hi  bekennende 
te  dier  aren  sinen  gheselle,  Bloeml.  3,  15,  236. 
Te  richt  heeft  sy  dat  schip  bekant,  daer  sijt  van 
verre  int  water  sach,  MLoep  I,  1552.  Dat  dese 
ridder,  dien  ie  selve  ridder  gheslaghen  heb,  mi 
nu  niet  en  bekent,  Oest.  R.f.  68  b.  (^)  viel  opsgn 
moeder,  die  in  onmacht  lach,  ende  b^  bekende 
sgn  moeder,  Fass.  W.  41 «.  Begaert  wert  voor  hem 
geleit  en  Beyaert  rook  aan  de  pelgrims  en  bekende 
sijnen  Heere,  Heemsk.  85.  Daer  waren  Inde  wt 
Hollant  verdreven  .  .,  die  bekenden  des  conincs 
wapen,  Clerc  113.  So  quam  bi  in  een  nauwe strate, 
daer  hi  bekent  ende  aengetast  wert  van  sinen 
vianden,  Exc,  Cron.  255^. 

4)  Kennen,  weten.  Vgl.  Lat.  novi  van  noseo.  |) 
Een  man,  dien  soe  in  daensichte  niet  en  caa 
bekinnen  van  sinen  langben  hare ,  Pt^th.  2671. 
Soe  wat  riddren,  diene  becande ,  .  .  groten  priishi 
hem  gbeeft,  Umb.  VII,  920.  (Hi)  vraechde  hem 
dan  ofte  {d.  i.  of)  hi  die  litteren  iet  becant,  ^• 
II*,  73,  138.  Inne  bekinne  desen  man  (Jtf^rtw)  niet, 
ie  {Petrus)  en  roec  oec  wat  hem  gesciet,  L.  0.  E 
2276.  Oec  conste  soe  van  buten  ghebaren  scoenre, 
dan  soet  meende  binnen,  dus  mocht  menze  niet 
bekinnen,  Rijmb.  20422.  Sinen  soen,  dien  hi 
minde  voer  alle  die  hi  ye  bekinde,  MLoep  I^ 
1437.  Mit  enen  heucke  overslagben  .  . ,  dat  $i 
quaet  was  te  bekennen  II,  3369.  (Hi)  wandelde 
sgn  aengesicht,  dat  mens  conde  bekennen  nicht, 
IV,  2069.  Als  by  den  clede  quam  gbehende,  dtt 
hi  harde  wael  bekende,  I,  1067.  Die  zedich  vaer 
ende  goederhande,  ende  gbeen  archeyt  en  bekande, 
I,  3177  var.  Sone  mach  men  niet  bat  bekinnen  da 
mensche  dan  aen  sine  werken ,  Teest.  469.  Si  vochtea 
van  smargens  toter  none ,  dat  men  niet  en  conde  be- 
kinnen, welc  den  anderen  sonde  verwinnen,  Lanc.  lU, 
2426.  Hi  wiste  ende  becande,  dat  harde  vele  der 
viande  waren  gbeweken  in  die  stede ,  28467.  Sine 


781 


BEKE. 


BEKE. 


782 


wisten,  te  welker  stede  dat  si  glieraecten,  no  he- 
kinden ,  Wal.  9306.  Hem  die  dware  bekinde ,  die  de 
vaarAeid  wist,    had    (nl.    Goé^,    Kerk.    CL  229. 
Hi   seidet    mi,    diet    waer    bekende,   Hild.   23, 
106.  Die  de  cracht  haers  geests  bekinden  ende  die 
macht,    Christ.    903.    Die     {dwaze    maagden)    en 
kende  die  beer  niet,  ymmers  so  en  wonde  hi  haer 
niet  bekinnen ,  Bern.  W.  20a.  Also  snlwi  oec  Cbde 
bekinnen   ander  creatnren,  lAmh.  Serm.  963.  Ane 
hare   vrocht    seldise   bekennen,    L.   v.    J.   c.   49. 
Alsoe  men   die   sonne   bekent  an  boere  claerbeyt 
ende  die   rosé   aen   hoer  roke.   Past.    W.  6c.  — 
Amand  I,   2024:  „Amand,  diene   sacb    bekende, 
also  hem   de  Helighe  Gheest  insende,  viel  neder 
o?er  sine  knien,"   leze  men:  „Amand,  diene  taen 
bekende"   (Amand,    die  door  de  werking  van  den 
Heiligen  Geest  wist,  dat  Petrus  voor  hem  stond). 
Oudemans  verbetert   ten  onrechte  bekende.  —  De 
onbep.  wgs  als  znw.  gebruikt.  Kennis,  het  weten.  \\ 
Sonder  dit  bekennen  mach  in  desen  staet  niement 
wel  becliven,  no   na  dit  leven  behouden  bliven, 
Amand  1 ,  5593.  Die  welke  ansacb  Gods  moghent- 
hede  buten  bekennene  van  den  woorde,  die  bi  van 
der  scriftueren  hoorde,  3552.  Dat  hare  bekinnen 
worde  ontslegen  also  lange,  als  hare  God  slevens 
an,  Sp.   W,  49,  72.  Ocht  hi  sonder  u  bekinnen 
{buiten  uw  weten,  uwe  voorkennis)  hadde  geweest, 
seide  si,  hier  binnen,  Lanc.   II,   14751.   Hoe  wy 
een  claerre   bekennen  onser  ghebreken  hebben . . , 
hoe  wi  innichliker  gaen  ten  heylighen  sacrament. 
Stemmen  111.  —  In  deze  beteekenis  wordt  bekennen 
meermalen  met  laten  en  doen  verbond,  en  in  ver- 
schillende opvattingen  gebruikt. 

a)  In  eigenleken  zin.  Zaten  weten.  ||  (Floris  Y) 
voer  op  ter  selver  stonde  in  Zuutbollant  Tordrecht 
binnen  ende  liet  aldaer  doe  bekinnen,  dat  hitlant 
berechten  woude,  Stoke  lY,  112.  Wil  hine  mi 
oec  geven  niet  .  .  met  vrinscepen  ende  met  minnen, 
80  salict  u  doen  bekinnen,  Rertout  1025.  Sijtmfjn 
bode,  brief kijn,  aen  een  joncfrouwe  .  .  gruetse 
my  seere,  laet  haer  bekinnen,  dat  si  is  ghemint 
van  mi,  Éand.  Lett.  1870,  4. 

b)  Openbaren,  laten  blij  ken.  WDiue  tale  doet  ons 
(dat.)  bekinnen,  dat  du  een  Galileus  best,  L.v.J. 
c.  225.  Hi  was  vele  beter  binnen,  dan  bi  van 
buten  liet  bekinnen,  Theopk.  95.  Mine  herte  doet 
mi  bekinnen  .  .,  dat  soe  mi  niet  en  sonde  ontfaen 
in  hare  herte  binnen,  Wap.  Mart.  II,  61.  Die 
letteren,  die  men  daer  ane  sach,  ane  den  sarc, 
die  daer  up  lach,  deden  ane  tgraf  bekinnen,  wie 
daer  lach  begraven  binnen ,  Bein.  1 ,  455.  —  Hem 
laten  bekennen,  zich  openbaren.  \\  Alse  hem 
God  liet  bekinnen  stervende  vor  die  menscheit 
blent,  Disp.  461. 

c)  Met  een  pers.  in  den  4den  nv.  Iemand  open- 
baren, uitbrengen.  \\\c  bidde  u,  here,  dat  gi  mi 
ne  doet  niet  bekinnen  dan,  al  vragetter  om 
enich  man;  want  wordic  bekent  daer  (/.  dare), 
het  mochte  mi  rouwen  wel  daer  nare,  Lanc.  II, 
14244. 

d)  Mededeelen.  ||  Uut  uwen  boeken  willewi  vinden 
ende  soeken  die  redene  ende  doen  bekinnen,  Sp. 
II*,  23,  96.  Philosophe  van  groten  doene  .  . 
quamen  te  deser  consilien  binnen,  daer  selc  dede 
sinen  sin  bekinnen,  33,  5.  Die  vive  {vtnnen) 
wil  ie  di  doen  bekinnen,  Tien  Fl.  1240.  Ovidius 
doet  ons  bekinnen  int  boeke,  daer  hi  leert  minnen, 
Melib.  2282.  Nu  hebbic  u  die  gedane  al  .  .  in 
menegen  teken  doen  bekinnen,  M.  en  Vr.  Heim. 
933.  Avicenna  doet  ons  bekinnen  ende  Ypocras 
mede,  940.  (Hi)  deedt  den  priester  aldus  bekinnen. 


wat  mirakel  daer  was  ghevallen,  Hild.  176,  194. 
Die  gene  deet  (d.  i.  deed  het)  sinen  here  bekinnen , 
Lanc.  III,  23458. 

5)  Onderkennen,  onderscheiden.  ||  So  en  const 
nieman  met  sinen  sinnen  aen  haren  heileghen 
lichame  bekinnen  vorme  van  haren  leden  engene, 
Christ.  1139.  (Si)  berechtene  soe,  dat  men  ter  stont 
niet  bekennen  mochte  nese  noch  mout,  Lanc.  II, 
21624.  Lieden,  die  evel  ende  goet  bekinnen ,  jp/or.  12. 

6)  Bekennen,  belijden,  voor  iets  uitkomen,  de 
bedendaagsche  beteekenis.  ||  Dat  cruce  lyet  ende 
bekent ,  dat  enz. ,  Disp.  459 ;  e.  e. 

7)  Erkennen-,  van  de  waarde,  het  recht,  de  waar- 
heid overtuigd  sijn. 

a)  Met  een  persoon  in  den  4den  nv.  Van  iemands 
goed  recht  overtuigd  zijn,  iemand  in  zijne  waardig- 
heid erkennen. 

a)  In  het  algemeen.  ||  Dan  dinghen  si  {de  vrouwen) 
ende  vermeten  hem  das ,  elc  dat  si  die  liefste  was , 
entie  die  liefste  wert  bekent,  doet  an  haer  beste 
parement  .  .  .  ende  bemet  mettem  in  den  brant, 
iS^.  V,  37,  7.  Die  ridderscap  rechte  bekennen, 
men  cant  volscriven  mit  ghenen  pennen,  hoe  edel 
dat  hoer  wesen  es ,  Bloemt.  3 ,  81 ,  183. 

^  Yan  vorstelijke  personen.  ||  Hadsine  willen 
ontfaen  met  minnen,  ende  over  haren  here  bekinnen, 
Ales.  l,  925.  Si  seiden  {die  van  Aken)  tote  hem 
openbare ,  dat  hi  haer  Here  niet  en  ware ;  de  stat, 
woud  si  hem  niet  bekinnen,  hijn  soudse  teersten 
op  hem  winnen,  Stoke  III,  899.  (Doe)  si  vrouwe 
was  bekint  in  alt  lant  .  . ,  doe  maectmen  daer  die 
bruUocbt  saen,  Lanc.  II,  47170.  Nu  segt  minen 
neve  al  bloot,  dat  ie  hem  ane  die  vrancscbe crone 
niet  en  bekinne  eene  bone  {dat  ik  aan  zijne  aan- 
spraken op  de  Fransche  kroon  niet  de  minste  waarde 
hecht),  Edew.  276.  Die  Geldersche  bekenden  te 
bant  den  hertoge  Reinout  van  Gelderlant  gheweldicb 
hertoge  ende  heere ,  ende  hulden  en ,  ende  vort 
meere  hebben  sine  daer  voer  bekant  sijn  leven 
lanc,  Brab.  Y.  YI,  6475. 

y)  Yan   God   en   Christus.   Ze  erkennen,  in  hen 

gelooven.  \\  Juliaen  na  das  den  riddere  ane  sine 
oge  genas,  die  Gode  daerbi  heeft  becant,  ^.  II*, 
37 ,  129.  Helpt  mi  dat  ie  mijn  leit  verwinne ,  ende  ie 
u  {Jezus)  ter  noet  bekinne,  K  Tj». 22.  Den naecten 
Jhesus ,  dat  reine  vat,  wiltu  niet  bekinnen ,  Disp.  281. 

b)  Met  eene  zaak  in  den  4den  nv. 

a)  Iets  erkennen,  de  waarde  van  iets  inzien, 
vereeren.  ||  Hoe  Maria  ...  ten  temple  quam  mitten 
kinde  ende  boet  Symeon  bekinde,  hoe  Simeon  in 
het  kind  Jezus  den  Messias  zag,  Lsp.  II,  10,  54. 
Basilius  doet  ons  verstaen  ende  seghet,  dat  hier 
op  souden  scouwen  die  weduwen,  die  hovesche 
vrouwen ,  ende  dat  weduwescap  bekinnen ,  Nat.  BI. 
III,  3389. 

^)  Erkennen,  gelooven  in,  \\  Nabugodonosor . . . 
dancte  Gode  ende  bekende  sine  macht  over  der 
werelt  ende,  Bijmb.  16558. 

v)  Fan  de  waarheid  overtuigd  zijn,  vandaar: 
letten  op,  ter  harte  nemen,  waarde  hechten,  acht 
slaan  op,  geven  om.  ||  Here,  om  tkynt  dat  vore  u 
legbt,  dat  cleine  es  ende  gby  selve  wout,  soe 
biddic  u,  dat  ghy  my  des  ont,  dat  gby  myne 
woert  bekynt,  Troyen  5869.  Der  ghierigher  quaet- 
heit  is  zo  groot,  datsi  .  .  .  gheen  dinc  en  bekint, 
en  si  datmen  daer  ane  wint,  Lsp.  I,  28,  17.  Dat 
hi  gheen  van  desen  vieren  bekennen  wille  no  wel 
antieren,  Praet  1486  (de  vier  genoemde  deugden 
zyn:  trouwe,  minne,  recht  ende  redene).  Sie  offerde 
II  du  ven  met  haren  kinde ,  die  doetmoedeghe  God 


783 


BEKE. 


BEKE. 


784 


wel  bekinde,  waarop  d€  genadige  Ood  in  welgevallen 
nederzag,  L.  o,  H.  452.  Hi  (José f)  bat  in  siere 
lester  bede,  dat,  alae  God  hare  {der  Joden)  noot 
becande,  dat  si  met  hem  te  heleghen  lande  sgn 
ghebeente  sonden  draghen,  Bijmb.  3366  var. 

S)  Met  een  persoon  in  den  8den  nv.  en  als 
object  eene  zaak,  die  uitdrukt  datgene,  waarover 
men  gebiedt  (b.v.  stad,  burcht,  land,  recht,  enz.). 
Iemand*  recht  over  zulk  eene  zaak  erkennen,  hem 
aU  rechtmatig  leenheer  daarover  huldigen.  ||  Daema 
boden  si  die  bande ,  dat  si  den  coninc  bekinden  te 
bant  beide  borge  ende  lant,  ende  si  ontfingent  te 
lene  weder,  Lanc,  Hl,  22154.  Ygl.  bij  Lubben  1, 
210  6:  „He  sal  der  ttadt  bekennen  alle  recht,  ^t^t 
stadt   Tan   alle  sinen  vorefahren  behalden  hevet". 

c)  Met  een  obiectszin  met  dat.  Erkennen ,  be- 
lijden. II  Ulixes  die  bekende  daer,  dat  hy  hem 
seide  waer,  Trogen  10681.  (Si)  hebben  becant,  dat 
die  sege  opten  tjrant  Maxencius ,  dien  si  verwonnen, 
hen  anquam  bi  Gods  jonnen,  Sp,  II*,  19,  147. 

d)  Eene  formeele  verklaring  ten  gtmtte  van  iemand 
afleggen,  hem  iets  toekennen,  \\  Bekennet  die  ghast 
op  dien  dach  onsen  burgher  wes  of  winnet  hi 
hem  wes  of  mit  rechte,  Stadsr.  v.  Zwolle  93, 129. 
Ofgherekent  C.  ende  J.  in  die  jaerbeden  van  20, 
24  ende  281  mare  sjaers,  die  hem  mijn  here  be- 
kennede,  fa.  21   ©,  Rek.  v.  Zeel.  1,  501. 

Wederk.  —  1)  Zich  zelven  leer  en  kennen. 

a)  Eigenlek,  jj  Die  mensche  can  hemselven  cume 
bekinnen,  hoe  soude  hi  Gode  dan  versinnen,  Lsp. 

I,  2,  85.  Wildi  u  selve  wel  bekinnen,  ghi  vindt 
in  uwer  herten  binnen  ghenoech  des  ghi  u  moghet 
scamen.  Nat.  BI.  III,  2887. 

b)  Met  het  by denkbeeld  van  tot  inkeer  komen, 
zijne  zonden  belijden,  berouw  hebben.  ||  Of  Hi  sint 
hem  (den  mensch)  enich  torment,  daer  hi  hem 
selven  mede  bekent.  Wrake  III,  1200.  Die 
sondare,  die  hem  bekent,  bleef  behouden,  dander 
gescent,  i^.  V,  23,  31.  Sergius  Pauwels  heeftem 
bekent  ende  genas  van  siere  mesquame ,  ende  wart 
kerstijn  in  Gods  name,  I*,  11,  16.  (Doch)  en 
bleef  hi  niet  aldus  verloren,  hine  bekeerde  hem 
ende   bekende   kerstijnlike  vore  sinen  ende,  III", 

II,  33.  Tenen  tide  stont  die  sot  up  die  fonteine 
ende  maecte  spot  metten  ridder,  diese  cochte; 
ende  eer  hi  hem  bekennen  mochte,  sach  hi  die 
fonteine  verdroghen,  Sp.  III",  72,  17.  Ofte  hy 
wert  beroert  in  predicacien  ofte  in  goeden  exemplen 
vanden  heylighen  ofte  van  goeden  menschen,  van 
haren  woorden  ofte  van  haren  werken ,  soe  dat  hem 
die  mensche  bekennende  wert,  Ruusb.  6,  7.  Alse 
hi  (de  zondaar)  hem  bekint,  endebedrueft,  5, 118. 

c)  Met  het  bijdenkbeeld  van  nederig,  ootmoedig 
zijn  (vgl.  het  Gr.  yvdQ^  aavióp)-  |j  Hoort  hoe  hi 
(Herodes)  ende,  want  hi  hem  selven  niet  bekende, 
ende  dat  hi  hem  eren  liet  als  men  Onsen  Here 
pliet,  Bijmb.  27217.  Hemselven  bekennen  ende 
onverhaven  bliven,  agnoscent  se  ipsos  minimeque 
animo  se  extollent,  Buusb.  4,  155. 

2)  Begrijpen,  begrip  hebben,  weten,  leer  en  inzien. — 
a)  Absoluut.  Il  So  soude  mi  dincken  .  .,  nadat  ie 
mi  in  redenen  bekinne  (naar  mijne  bescheiden 
meening,  voor  zoo  ver  ik  begrip,  oordeel  meen  te 
hebben),  dat  het  niement  bet  en  behoort  toe  dan 
vrouwen  Gheertruden,  Amand  I,  5004.  Weelde, 
die  hem  wel  bekent,  (die  de  zaken  goed  inziet, zal 
in  de  meening  deelen,  dat  weelde)  wert  int  ende  al 
torment,  Sp.  I",  62,  27.  —  b)  Met  den  2den  nv. 
II  Parthonopeus  woude  dien  soudaen  te  Chief doren 
wel  ontfaen,  want  hi  bekinde  hem  wel  das,  dat 
het  wel  sine  ere  was,  Farth.  8014.  —  c)  Met  het 


voorzetsel  ane.  Begrip,  verstand  hebben  tan,  weten 
PAM.  II  Doen  sy  die  wonden  saghen  gapen ,  waendeo 
sy,  dattet  waer  ghedaen  met  hem,  mer  hy  ea 
waer  niet  ontgaen,  ten  waer  een  meister  van  oneot, 
die  hem  aen  wonden  wel  bekent ,  Troyen  f.  138i. 
Ene  dinc  willic  beghinnen,  daer  ie  mi  bat  mocht 
ane  bekinnen,  Theoph.  8.  Die  mint,  hi  doghet 
sware  avonture  eer  hi  hem  ane  minne  (/.  minnu) 
sede  bekent,  Hadew.  1,  9,  30.  Hoe  dat  hi  hem 
bekende ,  tot  het  inzicht  kwttm,  dat  Joseph  niet  en  wu 
verloren ,  Alex.  IV ,  585.  —  d)  Met  een  af  h.  zin.  jj  Be- 
kent u ,  waen  dat  ghi  zg t  comen ;  bekent  dat  scheiden, 
het  sal  u  vromen,  Esop.,  bl.  8,  vs.  17  (aan  een 
prolepsis  van  *t  subj.  moet  hier  niet  gedacht  worden). 

3)  Kennis  hebben  aan ,  ergens  bekend  zijn.  Absolnnt 
of  met  het  voorz.  ane.  \\  Om  dat  si  (de  wtairosen) 
hem  niet  en  bekinden  bi  sterren,  no  bi  steens 
cracht  bleven  si  al  dien  nacht  drivende,  JUx.  X, 
1290  (omdat  zij  niet  wisten,  waar  zij  warn), 
Aen  Creten  .  .  dreef  hy,  daer  hy  hem  cleen  bekande, 
Troyen  9321.  Daer  ne  woende  nieman  gehinde, 
daer  hi  heme  ane  bekinde,  Lanc.  II,  45357. 

4)  Bij   zijne    kennis  zijn,   bewustheid  hebben.  \\ 
Aldaer  dedi  (Kar el  de  Oroote)  sinen  ende;  welbc- 
wisti    hem    ende    bekende,    ende    maecte    scone 
testament,  dat  noch  ter  werelt  es  bekent,  ^.IV', 
32,  56  (Brab.   T.  II,  4338).  Vgl.  hem  beweten. 

5)  Belijden,  verklaren,  zich  r^r/t^^i».  ||  Boden  si 
ten  keyser  senden,  daer  si  hem  ane  bekenden, 
dat  hi  hem  hadde  gebroken  trouwe,  want  hi  hem 
gebrac  in  den  rouwe,  Sp.  IV*,  18,  65  (Brab.  T. 
III ,  1577).  Hoe  edel  dat  si  waren ,  si  waren  vech 
gesent  bi  scaren,  te  arebeidene  in  ellenden,  hen 
si  of  si  hem  bekenden ,  dat  si  gheloven  desghelike 
metten  coninc  Honorike,  III*,  37,  81.  —  Hem 
Kerstyn  bekenneji,  het  Christendom  aannevun. 

II  (Karel  zond  hun)  Gauweloene,  eenen  edelen  nun 
van  valschen  doene,  dat  si  hem  Kerstijn  bekenden, 
Sp.  IV»,  24,  9;  vel.  Brab.  T.  II,  3587:  „dat  si 
kerstendom  ontfinghenj* 

6)  Hem  bekennen  in  enen,  in  iemand  ge- 
loven, hem  belijden.  \\  Hoe  hi  den  Heiligen  Geest 
woude  senden  den  ghenen,  die  hen  in  hem  be- 
kenden, Sp.  IV ,  7,  33. 

7)  Eig.  tot  Jaren  van  onderscheid  komen,  vin- 
daar: voor  zich  zelven  kunnen  zorgen,  in  zijne  be- 
hoeften kunnen  voorzien,  zich  onderhouden.  Het- 
zelfde als  hem  bedragen  en  hem  bejeigen.  \\  Recht 
eest  dats  elc  vader  pliet  den  kindren  hare  bedorf 
te  winnen,  onthier  ende  si  hem  selven  bekinnen. 
Nat.  Bl.  IV,  582.  Wat  so  hem  met  proyen  bekent, 
es  ghetant  ghelijc  der  zaghen,  II,  78. 

BEKENNERE  (bekinnere),  -are,  znw.  m. 
Van  bekinnen  in  den  zin  van  kennen  (zie  ald.). 
Kenner,  hij  die  kent.  \\  Baptist^,  edel  dopere  Gods, 
bekinnere  oec  des  ewechs  words,  Rumb.  Jv.  18. 
God,  du  die  daer  best  alre  verborghenre  dinghea 
een  bekennare ,  du  die  daer  alle  dinghe  bekens  eer 
dat  si  ghescien,  Hs.  v.  1348,  Sic. 

BEKENNESSE  (bekennenisse,  bekinnesse, 
BEKENNis),  znw.  VT.  Mud.  bekentnisse ;  mhd.  *^- 
kentnisse. 

1)  Van  bekennen,  in  den  zin  xa,n  kennen  (tïetli')- 
Kennis.  ||  Noch  geen  bekinnesse  .  .  .  haddic  daer 
af,  van  genen  saken  die  nu  in  mynherte  smaken, 
Velth.  VII ,  16 ,  46.  Bekinnesse  eest  deen  .  .  . 
ende  Minne  eest  ander . . . ;  van  kinnesse  so  cont 
Minne,  VIII,  28,26.  Dat  is  ghewarighe  bekennisse 
Gods  (var.  kennisse),  Buusb.  3,  147.  Die  altoes 
sonder  bekennisse  haers  selfs,  sonder  bekeer  ende 
rouwe   in   hare   quaetheit   bliven,    203.    Soe  vele 


785 


BEKE. 


BEKE. 


786 


lichts  heeft  die  camere  als  die  ziele  bekennissen 
haers  selfs  heeft,  Ned.  Proza  338.  Ghewarighe 
bekennenysse  Gods  ende  ons  selfs ,  36  *  Dander 
die  beter  beken  nis  badden,  die  vraechden  na  die 
geestelike  verlossinge  van  Israbel ,  F.  m.  f,  164  r. 
—  In  bekennesse,  ter  kennis^  d.  1.  opdat  men 
eUu^door  zou  weten  \  waardoor  wordt  bekend  ge- 
maakt^ uitgedrukt^  bedoeld.  \\  Bie  Gods  sone,  onse 
broeder  lach  IX  maende  in  sijnre  moeder,  in  be- 
kennessen,  dat  hi  die  IX  coren  wilde  verlossen, 
Lueid,  1606.  Daerom  sal  God  na  die  plage 
die  werelt  laten  staen  XL  dage ,  in  bekennesse  al 
bloot,  dat  hi  bleef  XL  dagen  na  s^n  doot ,  2137.  In 
▼aerheit  ende  in  bekinnessen  hebben  wi  onsen 
seghel  ane  desen  brief  doen  hangben ,  aU  een  teeken 
der  echtheid^  Willems,  Meng,  456.  Dat  die  mede- 
delinghe  dijns  gheloves  openbaer  moet  werden  inder 
bekennisse  alles  gnedes  in  ons ,  Ht,  Ib ,  Philemon  6. 

2)  Van  hem  bekennen  in  den  zin  van  bij  zijn 
kennis  zijn  (zie  ald.).  Bewustzijn,  helderheid  van 
geett.  \\  (Hi)  heeft  in  goeder  verstennessen ,  ende 
in  grooter  bekinnessen  sijn  testament  gheordineert, 
Brab,  Y,  VII,  17647. 

3)  Van  hem  bekennen  in  den  zin  van  leeren  inzien 
(2  (t).  Bekentenis,  inzicht.  ||  Beroa  ende  bekennisse 
van  haer  onghelove,  Bevoet,  B  f36)  69  r. 

BEKENNINGE,  znw.  vr.  Mnd.  bekenninge. 

1)  Kennis. 

a)  Kennis  van.  ||  Weer  (d.  i.  weder)  si  levende 
of  doot  is ,  daer  en  heb  ie  gheen  bekenninghe  van 
ghehadt ,  Gest.  R.  f.  223  a.  Soe  hadde  Adam  weten- 
scap  ende  perfecte  bekenninghe  van  allen  dinghen, 
140*. 

b)  Kennis  aan.  \\  Doe  Appollonins  dit  hoerde, 
soe  hadde  hi  ter  stont  bekenninghe  van  haer ,  198  a. 

2)  Bekendheid.  ||  Dat  dine  heylige  naem  ende 
dgn  goede  gerufte  ende  dine  bekenninge  si  ge- 
yestiget  in  ons ,  Con.  Som.  94  a. 

3)  Middel  om  te  kennen,  kenmerk.  \\  Dese  vive 
worden  onderw^len  geheten  nociones ,  dat  sijn  be- 
kenningen,  want  si  maken  die  personen  bekent, 
Barth.  4  a.  Dat  hi  mit  drien  bekenningen  van  den 
anderen  onderkent  wordt,  4  b.  En  zoo  meermalen  ald. 

4)  In  rechte.  Het  kennis  nemen  van  eene  zaak, 
kei  beslissen  der  zaak;  lat.  cognitie  (vgl.  cognoscere 
eausam).  Zie  ook  KENNINGE.  ||  Des  sel  hem  Hughe 
belien  of  mit  hem  gaen  aen  bekenninghen  van  den 
scepenen,  R.  v.  Utr.  2,  125,  68. 

BEKENT  (becant,  bekint),  eig.  deelw.  van 
het  WW.  bekennen.  Gebruikt  als  deelw.  en  als  bnw. 
Zie  Van  Heiten  in  Tijdschr.  3,102—105,  die  hier 
en  daar  eene  andere  wQze  van  verklaring  voordraagt. 

A,  Als  Deelwoord.  —  Zeer  gewoon  in  de  nitdr. : 
bekent  sijn  en  werden.  Van  bekennen  in  den 
zin  van  opmerken,  bemerken ,  gewaar  worden  (zie  ald.) 
afgeleid,  beteekent  de  nitdr.  oorspronkelijk:  opge- 
merkt, ondervonden  worden  of  zijn.  \\  Vroechde  wert 
dan  wel  becant,  wanneer  die  somer  hem verclaert, 
Hild.  119,  5.  Malcanderen  nemen  sy  bijder  hant, 
dnsent  vroechden  werden  dair  bekant,  MLoep  II, 
1173  y^ werden  daar  ondervonden,  genoten,  ge- 
smaakf\  In  sijn  ander  jaer  wert  becant  ertbevinge 
groet  in  menich  lant,  i^.  II«,  45,  23.  —  Hiertoe 
behoort  ook  Jmand  1 ,  4785 :  „  Amand  ne  wilde 
rydens  niet  sijn  becand ,  hij  wilde  niet  rijdende  ge- 
zien worden.  —  Met  den  3den  uv.  van  den  per- 
soon. Iemand  in  het  oog  vallen;  door  iemand 
gezien ,  ondervonden  worden.  \\  So  dat  sy  quamen 
ant  ander  lant ,  daer  him  dat  chasteel  wort  becant, 
MLoep  I,  2907.  U  here,  die  van  so  hoghen  state 
was,   ende    here   van    al  Oriënt,   hem   es  nu  die 


doet  bekent,  Noch  v.  Salad.  22;  „door  hem  is  nu 
de  dood  ondervonden,  hij  is  nu  gestorven."  Ie  was 
gbebonden  in  enen  bant ,  die  my  was  yseren  becant, 
Tien  PI.  1225;  y^die  ik  ondervond,  dat  van  ijzer 
was."  Och,  myns  (/.  mi)  en  wordt  nimmermeer 
vroude  becant ;  „  door  mij  wordt  nooit  meer  vreugde 
ondervonden,  gesmaakt,  ik  zal  nooit  meer  vreugde 
smaken,  ubi?  —  Vandaar  dat  bekent  sijn  de 
bet.  aanneemt  van  het  concreete  zijn,  „het  zijn  in 
verband  met  den  waarnemer  gedacht"  (vgl.  De  Vries, 
Taalz.  19),  en  dus  meestïd  alleen  uoor  ons  zijn, 
bestaan  moet  worden  weergegeven.  i|  Als  die  tij t 
soe  es  bekint,  dat  die  nacht  den  dacb  verwint, 
Mloep  I,  2922;  „als  de  tijd  zóó  is,  zoo  ver  is 
gekomen."  Dapostelen  worden  harentare  elc  gbe- 
dreghen  in  sijn  lant,  daer  hi  predekende  was 
becant,  Sp.  V,  51,  40.  Dus  wert  Alexander  bekent 
(hier  en  elders  kan  bekent  ook  als  erkend  worden 
opgevat;  zie  Van  Heiten,  t.  a.  p.)  bisscop  van  Jheru- 
salem,  II*,  5,  64.  Die  meeste  van  der  scaren 
was  daer  AppoUijn  bekant,  n>,  30,  46.  Die  dan 
niet  en  si  verbrant,  sijn  geloeve  si  goet  becant 
{als  goed  erkend).  II",  68,27.  Pelagius  die  bisscop 
was  .  .,  wert  van  Valente  verellent,  eer  dese 
bisscop  was  bekent,  47,  37.  Over  dlant  van  Oriënt 
was  te  dien  tiden  keyser  bekent  Maximijn  Galerius , 
II*,  6,  1.  Zoo  ook  II',  12,  112.  Inghels  {een 
Engelschman)  was  Willebroert  becant ,  Stoke  1 ,  127. 
In  der  zee  op  een  eylant ,  dair  man  noch  wij  ff  en  is  be- 
kant, MLoep  I,  1603.  Een  gulden  appel  was  daer 
becant,  2013.  So  is  hi  so  veel  meer  gheschant,  als  hi 
bogber  is  becant,  3133.  Tusschen  hem  ende  dat 
serpent  es  altoes  onvrede  bekent.  Nat,  BI.  III, 
2911.  Vol  dogheden  soe  was  si  becant,  Brab.  Y. 
VII,  2144.  (Demetrius)  ward  daer  coninc  bekant 
in  siere  vorders  stede  ende  lant,  Rijmb.  19879. 
Daer  toe .  was  bi  die  vroetste  bekent  van  al  dien 
lande  van  Oriënt,  11221.  Die  seste  es  her  Ghier 
becant  {aldus  leze  men),  O VI.  Ged.  3,  111;  zie 
Taalzuivering  18.  —  Zoo  wordt  ook  de  uitdr. 
bekent  worden  gebruikt  in  de  beteekenis 
worden ,  en  van  zaken  en  gebeurtenissen  geschie- 
den, plaats  grijpen.  ||  Alsemen  dese  drie  poente 
vant  ane  den  man,  wert  hi  becant  riddere,  Vierde 
Mart.  723.  Een  vriendelic  drucken  bijder  hant  wart 
hem  beyden  daer  becant,  MLoep  lll^l ; geschiedde 
hun  beulen  daar,  werd  er  door  hen  beiden  gedaan , 
had  er  tusschen  hen  plaats.  —  Verg.  oescien  met  een 
3den  nv. ,  in  den  zin  van  gedaan  worden  door.  Ook 
in  het  Mhd.  werd  de  uitdr.  becant  sijn  in  denzelfden 
zin  gebruikt.  Zie  Ben.  1,  808a;  Lexer  1,  164. 

B.  —  Als  BNW. 

1 )  In  actieven  zin  (vgl.  ons  bekend  met),  steeds 
in  verbinding  met  sijn  of  werden. 

a)  Absoluut.  Kennende,  verstandig,  met  oordeel 
des  onderscheids  begaafd.  ||  Al  waer  een  mensche 
verdoeft,  van  redene  dom  oft  blent,  soe  dat  hi 
werde  bekent,  indien  hi  redene  verstoede,  Segh. 
32.  Waren  wy  alle  alsoe  bekent,  dat  elck  die 
waerheit  brochte  voert,  tsoude  opt  lant  ende  in 
die  poort  menighen  mensche  vromen  zeer,  Hild. 
122,  70.  Bider  goeder  {aventuren)  wart  hi  blint 
ende  bider  andre  {die  quade)  wart  hi  bekint, 
Rosé  4811.  Vipera,  dat  quade  serpent  was  mettem 
{bij  hen)  over  God  bekent  {erkend),  ende  maecten  hem 
ene  gelike  van  goude  scone  ende  rike;  doch  worden 
si  over  lanc  bekent ,  „  eindelijk  werden  zij  tot  kennis 
en  beschaving  gebracht?\  want  een  bisscop  van  Bone- 
vent,  hiet  Barbatus,  tracse  daer  af,  5;?.  III«,42, 
11;  zie  de  noot  aan    den   voet  der  bladzyde,  en 

vgl.   ONBEKENT. 


787 


BEKE. 


BEKE. 


788 


b)  Met  een  2den  nv.  Met  iett  bekend^  zeker  van 
iets,  II  Weg  dies  wel  becunt,  dat  es  die  helighe 
Amandf  Amand  I,  20Q4.  Oec  benic  (/.  benics) 
over  lanc  bekint,  ghi  hebt  over  al  de  waerheit 
ghemint,  Boetpt,  51,  25.  Mit  een  dmcken  by  der 
bant  80  wart  zjs  zeker  ende  becant,  dathemhoir 
minne  wee  beraet,  MLoep  II,  775. 

2)  In  passieven  zin  (vgl.  ons  bekend  bij), 

a)  In  de  tegenw.  beteekenis;  steeds  in  ver- 
binding met  werden  of  tijn,  ||  Deen  woende  te 
Bmgghe,  si  a  becant,  JSloeml,  3,  9,  12.  Te  hove 
werdi  saen  becant,  Fer^,  362.  Vgl.  2486  en  5268. 
Nereides  sfln  wel  bekint,  Nat.  BI.  IV,  727.  Dus 
dede  Onse  Here  sijn  bekint  dien  lieden  der  sonden 
wrake,  Sp.  Il»,  36,  28.  (Si)  wert  metter  (d.  i. 
bij  de)  keyserinnen  Severen  becant ,  diese  om  hare 
scoenheit  minde,  Sp,  II •,  79,  34.  Dus  eist  bekint, 
Wap.  M,  III,  312.  —  Vooral  gebruikelijk  in  de 
uitdrukking  becant  doen,  kond  doen,  bekend 
maken  y  ver  Aaien,  mededeelen,  zeggen,  spreken  van.  \\ 
Eer  hi  quam  ter  stede ,  daer  hi  sine  ghesellen  vant , 
daer  hem  die  inghele  af  dede  becant,  Amand  I, 
911.  Te  sendene  an  den  paeus  ende  doen  becant 
thelighe  leven  van  den  beere  Amoude,  1759. 
Voort  Amand  haer  dede  bekend.  .  .,  hoe  dat  God 
die  weerelt  sciep,  I,  4852.  Als  ie  u  voren  dede 
becant.  Lep.  I,  17,  78.  Aldus  soe  en  doen  si 
twint  van  Marien  gheboorte  bekint,  II,  1,  51. 
Hi  scr|jft  aldus  ende  doet  becant,  48,  101.  Als 
ons  Catoen  doet  bekant,  III,  13,  76.  Paulus  doet 
ons  bekint  in  sine  epistele,  Melib.  3205.  Petrus 
Alphontius  doet  ons  becant,  1846.  Daer  af  dat  ie 
n  te  hant  een  groet  deel  hebbe  doen  becant. 
Wrake  I,  1112.  Dien  eersten  doe  ie  di  becant,  die 
es  een  ghemeyn  dief  ghenant,  Tien  PI.  1575.  Nu 
soe  doet  mi  becant,  Esm.  80.  Daer  was  menich 
droeve,  doe  ie  u  becant,  Vad.  Mus,  1,  32,  48. 
Daer  hi  dede  becant  onder  menegen  de  wet  Ons 
Heren,  Sp.  II*,  57,  81.  (Si)  .  .  doreghinc menech 
lant,  daer  si  Gods  wet  in  dede  becant,  61,  25. 
(Dat  men)  dit  claer  doe  bekant  den  erdschen 
bisscop  in  elc  lant,  II*,  47,  41.  —  Ook  in  het 
passief.  ||  Hem  was  ghedaen  bekend,  dat  op  twee 
milen  of  daer  omtrent  stond  een  casteel ,  Amand  I , 
3386.  Ons  is  doen  daer  af  bekint,  datmen  daer 
altoes  joeste  vint,  Lanc.  II,  37871. 

b)  Vermaard,  beroemd,  ook  als  epitheton  omans 
gebruikt.  ||  Oec  es  hi  te  wapene  goet  ende  van 
groten  doeue  bekint,  Lansl.  776.  Van  den  welken 
wert  wide  becant  een  die  sempel  Pauwels  hiet, 
Sp.  II»,  13,  4.  Hier  bi  wart  die  lantshere  ghe- 
mint ende  verre  in  doechden  bekint,  Heim.  629. 
Roelant,  een  radder  stout  ende  becant.  Ren,  92. 
Den  edelen  Willem  van  Brabant ,  stout,  vroem  ende 
wail  becant,  MLo^  II,  4189.  (Hi)  was  eenconinc 
verre  becant,  IV,  265.  Die  edel  vrouwe,  wail 
becant,  1362.  Een  machtich  burgher,  wail  becant, 
2042.  Ay!  edel  oem,  wide  bekint,  Esm.  314. 

c)  Met  eene  bepaling  met  met  verbonden. 

a)  Bekent  met  enen.  Eig.  bekend  bij  (vgl. 
boven  Sp,  II  •,  79,  34),  en  vervolgens  in  aan- 
zien, gezien  bij,  aangenaam,  geliefd,  toelgevallig 
(vgl.  ons  spreek w.:  onbekend  maakt  onbemind).  \\ 
Jan  was  metten  bisscop  bekent,  ende  heeft  hem 
daer  toe  ghenent,  dat  hine  in  leet,  Rijmb.  26127. 
Den  man  haddic  {God)  so  gemint,  met  mi  soe 
was  hi  wel  bekint;  ie  maectene  na  die  vorme 
m\jn  .  .;  dien  selven  man  hietic  Adam,  L.  o.  H. 
4391.  Du  bids  mi,  dat  ie  di  vroet  make  of  omoet 
es   met  Gode  bekint;  trouwen  jaes,  Praet.  2713. 

P)   Bekent   met  iet.    Beroemd  door.   \\  Dese 


waren  naer  sine  doot  in  Antyochen  heren  gnnoot, 
met  miraclen  bekent,  Sp.  I',  5,  11. 

BEKEREN  (in  dial.  bekieren)  ,  zw.  ww.  bedr. , 
onz.  en  wederk.  Mnd.  bekeren.  Mhd.  bekeren. 

Bedr.  —  1)  Enen  — ,  iet  — .  Het  transitieve 
keer  en.  Wenden,  richten,  brengen  tot,  leiden.  \\  Dat 
icker  u  bi  wUle  leren ,  hoe  ghi  n  herte  s€lt  be- 
keren ter  vroetheit,  D.  Cat,  29.  Dat  sgt  {ket 
kind)  soude  wisen  ende  leren  enten  doegden  waert 
bekeren,  Lorr,  I,  1695.  Toter  tgd  dat  God  haer- 
lieder  beeder  herten  anders  bekeert  zal  hebben, 
Invent.  v,  Brugge  2 ,  330.  (Hi)  ginc  predeken  ende 
leeren,  ende  tfolc  an  Gode  bekeeren,  Sp.  I',  12, 
37.  Maghic  u  ...  in  dien  bekeren,  dat  ghj  in 
de  dagheraet  u  wapent,  Troyen  2997.  Om  te  be- 
kerne  onse  voete  in  den  weghen  des  ewelics  Treden , 
Ned.  Proza  10.  Bekere ,  Here ,  ende  verloessc  mine 
ziele,  Vad.  Mus.  2,  439.  Ommare  dochtem,  dat- 
men  dwort  ons  Heren  an  die  heidine  soude  bekeren , 
Sp.  V ,  95,  42.  —  Afterwaert  bekeren,  elo^n 
omkeeren,  \\  Ie  sel  singen  dinen  naem  int  aller- 
hoechste  in  bekerende  {jerundium)  mine  yiande 
afterwart,  Hs.  Ps,  8  r. 

2)  Enen  — ,  iem.  tot  het  rechte  geloof  brengen^ ,  de 
tegenwoordige  beteekenis.  ||  Menech  die  dit  anesiet, 
wert  ane  onsen  Here  bekeert,  Sp.  II*,  46,  18.  De 
bisscop  heeften  geleert  ende  an  onse  ghelove  bekeert, 
UI»,  57,  1.  Daer  hi  de  Jueden  wQsde  ende  leerde 
ende  an  die  Gods  wet  bekeerde,  Amand  II,  2693. 
Zoo  ook  Sp.    V ,  95,  58. 

3)  Iet  — ,  iets  wenden,  richten,  overbrengen  op.  \\ 
Hi  niet  conste  bekeren  dinc  die  men  van  buten 
siet,  watter  bi  mach  zijn  bediet  int  ware ,  dat  men 
niet  mach  sien,  Franc.  290.  Eest  dan  dat  g-hi  o 
leren  ter  clergien  wilt  bekeren,  Melib.  1217  r«r. 
„utt7f  studie  op  de  theologie  richten,  er  aam 
vnjdefC\  Dar  na  so  bekirt  die  heileghe  man  die 
prophetien   te   sinen   kinde  wert,   Ned.  Proza.  10. 

—  Iet  te  rechte  bekeren,  eig.  ietsdeJwUsU 
wending  geven ,  en  verv.  iets  goed  opvatten  (vgl.  iet 
keren  in  quade),  ||  Dune  souds  niemans  onwysheyt 
versmaden,  noch  hebben  leyt,  want  aen  beyde 
machmen  leren,  die  (/.  diet)  te  rechte  wilt  be- 
keren, Melib.  1239. 

4)  Enen,  een  lant  — ,  op  zijne  sijdc br^mgen^ 
tot  reden  brengen,  \\  (De  heeren)  die  hi  niene  conde 
bekeren  met  gevechte,  die  trac  hi  an  met  'worden 
ende  met  gichten,  Velth.  I,  2,  54.  Hi  sal  Axtnrs 
lant  winnen  al  .  .  .  entie  castele  metten  staden 
ende  bekeren  te  sire  hant ,  Lanc.  II ,  45537.  Omme 
tfolc  van  dien  steden  te  bekerene  ende  te  stelne 
metter  stede  van  Ghent,  Rek,  v,  Oent  1 ,  2118. 

5)  Veranderen,  meestal  ten  goede,  verbet^en.,  \\  Dat 
teekijn,  dat  men  al  plach  te  wige  te  voemc  vor 
dien  dach,  wert  bekeert,  transformatum  fuerat, 
Sp.  II*,  19,  101.  Hets  sake  daer  men  mede  be- 
keert(ptfr.  betert)  der  oghen  demsterhede,  tfai.  BI. 
II,  3914.  Nu  eest  tfolc  anders  bekeert;  men  vindt 
nu  luttel  lieden  so  dul,  Boerden  IV,  90.  Hi  dede 
den  volke  dafgode  laten  ende  bekeerde  so  wel  nter- 
maten  alle  quade  dinghe ,  als  een  out  man ,  Bijwsh. 
14551.  Om  te  bekeerne  des  coninx  sin,  18753. 

6)  Aanwenden ,  besteden ,  gebruiken  voor  een  seher 
doel.  Met  den  4den  nv.  der  zaak,  meestal  eene 
gelds  waarde  uitdrukkende.  ||  Dat  ment  al  ontfan^en 
soude  ende  bekeeren  van  slantswegen  om  die 
vremde  heeren  te  betalen  ende  te  yernueg^D, 
Brab.  Y.  VI ,  6588.  Soe  en  souden  die  hem  regeerden 
die  bede  niet  alsoe  bekeeren  tsijns  lants  profite 
noch  tsier  eereu,  VII,  10118.  De  goede,  die 
eeneghe   in  Brabant  ligghende   hadden  .  .,  waren 


789 


BEKE. 


BEKE. 


790 


langhe  te  voren  gheconfiskeert  ende  bekeert  tot 
shertoghen  tafle,  15774.  Het  {geld)  en  es  niet  be- 
keert ten  selven  oorbore,  10686.  (RycheytJ  gheeft 
God. .  .  den  goeden  menscbe ,  om  dat  hise  bekeren 
sal  in  goeder  wise,  Melib,  2951.  Sine  ghiereghe 
herte  fel  en  laetse  {den  rijkdom)  hem  niet  bekeren 
wel,  2958.  Die  dat  (^A^jn^y^i ^o^^ qnalike bekeren, 
Wrake  I,  946.  Dat  men  ghemeyn  goet  niet  en 
bekeert  .  .  ghetmwelijc ,  1108.  Die  wile  dat  sijt 
wel  regeerden  ende  ghemeyn  goet  wel  bekeerden, 
daert  scnldech  was  te  gane,  waaraan  het  moett 
hetteed  worden^  1242.  Comen  die  andere  vischen 
daerwert,  .  .  hl  vangetse  ende  eetse  ende  bekeretse 
(Hs.  bekretse)  in  ziin  voetsel ,  Lanfr,  129r.  Dewelke 
sommen  .  .  bekeert  ende  antghegheven  hebben 
ghesjn  inden  oorboor  van  enz.,  Invent.  v.  Brugge 
5,  175.  Die  voerscr.  snmme  van  pennynghen  daer 
toe  geheel  en  al  bekeren  in  goeder  trouwen, Nyh. 
2,  252.  £en  die  starker  es  .  .  nemt  hem  alle 
sine  wapene  .  .  ende  dwingt  hem  af  al  dat  hi 
beft  ende  bekiret  daer  hi  welt,  L.  v.  J.  c.  78.  Die 
meyere  wart  berucht  vor  siuen  here,  dat  hi  syn 
goet  qualec  hadde  bekirt  {Aant.  bestadt),  c.  148. 
XII  grote  Vlemsche  te  bekerenen  (/.  bekerene)  ende  te 
orbaeme  tot  haren  teynten,  Belg.  Mus.  4,  72.  Si 
en  selen  der  gulden  goet  niegerinc  gheven  noch 
bekeren  dan  in  nootsaken  der  gulden,  5,  83.  Al 
dat  goet  .  .  sal  men  bekeren  inden  orbare  der 
stad  ende  der  gulden ,  ald.  Zoo  ook  Oesch.  v.  Antw. 
1 ,  481 ,  e.  e. 

7)  Uitkeer  en  ^  teruggeven^  van  geld.  ||  Doverbate 
aen  den  ghenen  (üe  vercort  sijn,  te  bekeren, 
Braè.  T.  II,  471. 

8)  In  de  bijzondere  opvatting  van  het  teruggeven 
van  spijzen  door  de  maag ,  m.  a.  w.  overgeven ,  braken , 
uitspuwen,  in  welken  zin  ook  keren  gebruikt  wordt 
(zie  ald.).  i|  (Als)  hys  soe  vele  in  hadde  ghesteken , 
dat  hi  cume  mochte  spreken  .  .,  stac  hi  den  vin- 
gher in  sijn  storte  om  dattet  wederkeren  soude, 
dat  hi  geswolgen  hadde  soe  houde;  ende  als  hi 
hadde  bekeert  dat,  spoelde  hi  sinen  mont  ende 
at   dat  hem   was  te  voren  bleven,  N.  Doet,  1275. 

Onz.  —  1)  ZicA  begeven,  zich  wenden  tot.  Met 
een  persoon  als  ondw.  Meer  gewoon  als  wederk. 
WW.  (zie  ald.  2).  ||  Waer  wij  belenden  ofbekeeren, 
vtuir  wij  ook  komen,  overal  waar  wij  komen, 
wi  sullen  huwer  miltheit  ghewaghen,  Denkm.  3, 
224,  56. 

2)  Met  eene  zaak  als  onderw.  Zich  wenden, 
eene  zekere  wending  nemen,  uitloopen  op.\\  Hooft- 
sonden,  daer  onse  dinghen  bi  bekeeren  mach 
(/.  moghen)  in  droefheden,  Amand  II,  1336.  Al 
waer  dat  sake  dat  alle  dinc,  die  de  eerde  nie 
bevinc,  tsinen  ende  nu  bekeerde,  Velth.  VII,  17, 
35.  Daer  bi  duchtic  dat  uwe  tale  in  andren  saken 
sal  bekeren,  Limb.  IX,  360. 

3)  Zich  wenden  tot,  zich  richten  op,  zich  over- 
geven aan,  \\  Niemen  en  sal  traghen  sine  vaert  van 
bekeeme  te  Gode  waert.  Boet,  III,  1517.  Ter 
▼recheit  hi  so  bekeert,  dat  hi  de  tribute  meert, 
Sp.  II»,  27,  79. 

4)  Zich  wenden  van  eene  plaats,  terug  keer  en.    \\ 
Welken  tijt  dat  hi  sal  bekeren  van  der  brulocht, 
Amand  II ,  6199. 

ö)  Zich  ten  goede  veranderen,  zich  verbeteren. 
(Vgl.  bedr.  5).  ||  {Manasse)  bekeerde  also  recht  wel , 
dat  sonder  wonder  niet  ghevel ,  dat  hi  sulke  duegt 
dede,  Bijmb.  14517.  Dese  viif  ridders  in  diere 
wijs  bekeerden  van  haren  quaden  daden,  Brab.  Y. 
IV,  92.  —  Vooral  van  ziekten.  Bene  goede 
wending    nemen,    en    van    de    zieken    zelf,   beier 


worden,  het  gevaar  voorbij  zijn,  herstellen;  mnl.  ook 
vercoeveren,  aen  die  bate  sijn  (z.  ald.).  || 
Causon  (es)  een  corts  die  altenen  geduert  met  groter 
hitten,  tote  dat  men  bekeret  of  stervet.  Die  liede 
sceldent  die  hitte  of  theete  ongemae.  .  ,  Men  be- 
keerter  af  opten  oneffenen  dach  . . ;  dicwile  gevallet, 
als  men  niet  en  bekeert  {de  crisis  niet  komt)  opten 
7  dach,  dat  es  vrese,  És.  Yp.  31tf.  Want  es  der 
orinen  vele,  beteekent  int  ende  der  sucht,  dat  die 
zieke  es  bekeert,  22c.  Olye  van  rosen  es  goet  den 
genen  die  liggen  in  heeten  ongemake,  daer  men 
seker  af  es  te  bekeeme ,  Td.  Hets  goet ,  in  starker 
ziecheit  alse  die  altoes  liggen  in  den  rede  ende  in 
bekeerenden  ongemaken ,  in  ziekten  met  eene  crisis, 
acute  ziekten  ,  l%b.  Wacht  dat  gijt  niet  en  legt  optie 
dage,  dat  men  bekeren  soude,  want  die  gaetkine 
vander  buut  souden  daer  met  stoppen  ende  dat 
bekeren  souder  mede  verlingen,  vertraagd  worden, 
30c.  —  De  onb.  wgs  in  de  bet.  van  bekeringe 
(z.  ald.).  Crisis,  begin  van  beterschap.  \\'E,iLQ{l.Qtu) 
bekeren  quam  mi  doe  ane,  so  dat  ie  began  te 
verstane,  dat  ie  soude  genesen  wel;  maer  daerna 
mi  meer  mesvel,  want  al  die  siecheit  .  .  sloech 
mi  in  mijn  ogen,  Velth.  VIII,  33,  21. 

6)  Vooral  gebruikeiyk  in  den  zin  van  tot  het 
rechte  geloof  komen,  zich  bekeeren,  —  a)  Van 
heidenen.  Christen  worden.  \\  In  desen  tiden  be- 
keerden .  .  .  vele  liede  aen  Cristus  wet ,  Lsp.  II , 
48 ,  35.  In  die  stede  te  Sarras  .  . ,  die  bider 
hulpen  van  onsen  here  bi  Joseppe  bekerde  wilen 
ere,  Lanc.  III,  3540.  Hadden  si  {de  apostelen) 
gheweest  daer  ghegaen,  die  heidin  sijn  ende  on- 
gheleert ,  daer  hadde  mee  volcs  in  bekeert ,  Bdjmb, 
23266.  Doe  sij  bekeerde  ende  haer  vele  souden 
vergeven  worden ,  Es,  .80 ,  /.  104i.  Hoe  dat  int 
beghinsel  Vlaenderen  bekeerde,  Amand  I,  2809. 
Hier  op  bekeerde  die  couinc  Garaab  te  Gode  .  . 
ende  eer  die  coninc  Bottus  sterf,  bekeerde  hi  ende 
al  syn  lant,  Fersl.  en  jB^.  2 ,  39.  Zoo  ook  Stoke  II, 
394;  enz. 

b)  Van  zondaren.  Tot  inkeer  komen,  \\  Ie  hope 
datter  noch  bi  sal  menech  sondare  bekeren ,  jBca/V. 
1016.  Hoe  Theodas  bekeerde,  ^.  Dl.  II,  bl.  29 
opschrift. 

7)  Ver  keer  en-,  lat.  versari.  \\  Dat  beghin  van  sire 
viten    es   syn  bekeren  in  werelt  abite.  Franc.  93. 

Wederk.  —  1)  Zich  keeren,  zich  wenden;  in 
eigeniyken  zin.  ||  Doe  bekirde  hi  hem  te  sinen 
yongren  wert  ende  seide:  Comt  te  mi  alle  die 
arbeitt  ende  die  verladen  syt  ende  ie  sal  u  her- 
maken,  L.  V,  J.  c.  84.  Een  blint  man,  .  .  die 
hem  bewegen  en  can  no  bekeren,  if^/. 34101.  Den 
pape  seide  hi  {Onse  Here)  dese  woerde:  Ganc;  seght 
minen  volke  nu:  .  .  bekeerdi  u  binnen  vijf  daghen, 
soe  sal  ie  mi  te  u  bekeren,  ende  u  hulpe  doen 
met  eren ,  Brab.  Y,  III,  1472  (er  staat  verkeerdelijk : 
Soe  sal  ie  u  te  mi  bekeren;  vgl.  Sp.  IV»,  17, 62). 
Wat  vreesen  eist  dat  ons  verbiet  an  die  Romeyne 
ons  bekeren,  Bijmb.  29262. 

2)  Zich  keeren  tot  eene  plaats,  zich  begeven  naar.  || 
Wat  darf  mi  roeken ,  in  welke  landen  ie  mi  bekere, 
tes  ie  se  vinde.  Flor.  1379.  Walewein  vragede 
tien  tide  Taganase  in  welke  side  dat  hi  hem 
bekeren  woude ,  Lanc.  II,  3107.  Hine  darf  hem  nem- 
bermer  bekeren,  daerne  goet  man  met  ogenansiet, 
III ,  15579.  Die  leetsterre  die  u  sal  leeren ,  waer  toe 
ghi  best  u  sult  bekeeren,  Fraet  1639.  Om  dat  si 
sonder  helpe  sine  {zijne  hulp)  ne  wisten  waer  hem 
bekeren,  Bijmb.  5832.  Wi  en  weten  ons  werwert 
bekeren,  Sp,  II*,  42,  20.  Sente  Felix  wilde  hem 
bekeren   teere   port,   heet  Geronde,  II*,  32,  18. 


791 


BEKE. 


BEK  E. 


792 


Op  dat  hi  herwart  hem  bekere ,  Sp.  II*,  12,  60. 
Wapene!  waer  sullen  wi  ons  bekeren,  I»,  9,  29. 
Haer  man  die  is  altoos  stout  ende  waert,  daer  hi 
hem  bekeert,  Lsp.  III,  23,  138.  —  Vooral  ge- 
bruikelijk in  de  uitdrukking:  Waer  waert  ie  mi 
(hi  hem)  bekere,  en  derg. ,  waarheen  ik  mij  ooi 
begeve^  waar  ik  mij  ook  bevinde^  overal.  ||  Werwert 
ie  mi  bekere,  ben  ie  ongevallich  altoes,  Idmb.  I, 
178.  (Si)  bidden  hem,  dat  hi  pine  om  dere,  werwert 
dat  hi  hem  bekere,  IV,  732.  Een  ridder  dien  God 
van  ongevalle  moet  hoeden,  waer  hi  hem  bekert 
heeft,  1936.  Waer  ghi  u  bekeert  .  .,  soe  hebdi 
enen  vrient  ane  mi,  V,  938.  Dese  drie  poente 
hout  van  mi ,  lieve  kint ,  soe  waer  ghi  u  bekeert , 
Fad.  Mtu.  1 ,  339 ,  79.  God  onse  here  moet  u 
bewaren  .  .,  waerwaert  dat  ghi  u  bekeert,  Olor. 
565.  Die  const  can  . . ,  die  heeft  geen  noet . .  waer 
hi  hem  bekeert,  Belg.  Mat.  1,  129,  25.  Aey  lieve 
kint,  op  hoveschede,  so  laet  mi  dan  varen  mede, 
80  waer  {var.  werwaerts)  dat  ghi  u  bekeert,  Segh. 
2355.  Ie  moet  hare  te  dienste  staen  .  .,  soe 
werwert  ie  mi  bekere ,  Boerden  VII ,  49.  Waer  dat 
si  hen  bekeren,  alle  die  heeren  op  hem  gapen, 
Nat.  BI.  II ,  1298  var.  So  waer  so  hi  hem  bekeert, 
Sp.  III •,  15,  40.  Waer  dat  ie  mi  bekere,  willic 
u  wesen  onderdaen,  Lett.  N.  R.  7*,  164,  136. 

3)  Overdrachtelijk.  ZicA  gedragen,  zich  houden. 
Vgl.  het  Gr.  xqonoi, gedrag,  van  xqénofiat^zich 
wenden.  \\  Hoer  Igf  ende  hoer  ziele  sgn  pant, 
waer  si  hen  bekeren,  vore  hare  lant,  Lsp.  III, 
12,  7;  j^  waarheen  zij  zich  richten  in  zede  lij  ken 
zin,  d.  i.  in  welke  richting  hunne  daden  zich  be- 
wegen, hoe  zij  zich  gedragen^"*  Hets  messelij c,  hoe 
si  haer  sal  bekeren,  Laml.  667.  (Dat)  wi  hier 
binnen  scermen  leerden  (/.  leren) ,  soe  moghen  wi 
ons  te  bat  bekeren  ende  weren  herde  vromelike, 
Umb.  III,  1009. 

4)  Hem  des  bekeren  ane  of  te  enen,  zich 
in  iets  aan  iemand  gedragen,  zich  richten  naar 
iemands  scheidsrechter  lij  ke  uitspraak,  zich  houden  aan. 
Hetzelfde  als  het  meer  gebruikelijke  des  bliven 
an  enen  (zie  bliven).  j|  Doe  vraechden  voert  die 
heeren,  of  hijs  hem  soude  willen  bekeeren  te  hem 
lieden  waert  ende  haer  segghen  houden,  VI. 
Bijmk.  700. 

4)  Zich  begeven  aan  de  beoefening  eener  zaak, 
zich  zetten  tot,  zich  toeleggen  op.  ||Dieconinck  badt 
Blenseflueren ,  dat  sine  dede  wisen  ende  leeren, 
ende  te  wapenen  hem  bekeeren ,  zich  in  den  wapen- 
handel oefenen,  dat  hi  ridderscap  mocht  ontfaen, 
Segh.  1120  var.  Een  scolier  ...  die  sal  hem 
altoes  bekeren  te  nutteliker  leeren ,  Melib.  1080  var. 
Al  woudic  wijsheyt  nu  leren,  in  conster  mi  nu 
niet  toe  bekeren,  1301.  Selke  sijn  die  hem 
bekeren,  dat  si  andre  vogle  luut  leeren.  Nat.  BI. 
III,  75.  Siuen  dochtren  dedi  leren,  hem  an  zide- 
werke  bekeren,  ^.  IV»,  2,  79  (vgl.  Brab.  Y. 
II,  1825).  Boven  al  heeft  {het  volk)  hem  bekeert 
te  lesene,  Amand  I,  3667.  Wilstu  connen  ende 
leren  vele,  so  saelstu  di  bekeren  vroedelike  an 
mine  lere,  D.  Cat.  183.  Eist  dattu  di  wilt  bekeren 
an  de  arme  Gods ,  wanneer  gij  u  wilt  toeleggen  om 
een  arme  naar  Ood  te  worden ,  gef  der  werelt  armen 
dijn  goet.  Franc.  3527. 

5)  Verkeeren,  zich  bevinden,  het  Lat.  versari', 
vgl.  onz.  7).  II  Si  sitten  onvri  ende  eyghen  onder 
alle  heren,  daer  si  hem  onder  bekeren,  Lsp.  I, 
48,  78. 

BEKERICH,  bnw.  Van  bekeren  in  den  zin 
van  ontwenden  (zie  ald.).  Van  paarden  gezegd. 
Gemakkelijk  om  te  wenden.  \\  Haer  orse  sijn  groot 


ende  snel  ende  bekerich  haerentare ,  Par/A.  3788  ^/. 

BEKERINGE ,  znw.  vr.  Van  bekeren  (zie  ali 
onz.  6).  De  crisis  in  eene  ziekte,  het  keerpunt,  Jut 
begin  van  beterschap.  \\  De  nese  die  bloet  in  misse- 
liken  manieren,  alse  bi  vervul  ten  van  enegen  lede, 
alse  die  levere  of  die  melte,  of  bi  bekeringe  tu 
enegen  ongemake  of  bi  groter  ziecheit  enz.,  Et. 
Yp.  62(/.  Die  beginnen  vallen  in  frenesien  of  diere 
in  siin,  laetse  bloeden  een  goet  deel,  want  hets 
dicwile  haer  bekeringe,  of  sine  waren  te  flaen  of 
te  cranc,  ald.  \^0d. 

BERERMELIJC  (becarmelijc),  bnw.  Klaaglijk, 
het  medelijden  opwekkende ,  fr.  pitoyable.  ||  Dese 
danckbaerUke  stemme  scheelt  vele  van  dyer  be- 
kermeliker  stemmen,  Bern.  W.  97b. 

BERERMEN  (brc\rmen,  begarenen),  zv. 
WW.  bedr.  Mnd.  becarmen. 

1)  Met  het  onbepaalde  object  het  verbonden: 
Ten  gevolge  van  iets  kermen  en  kl-agen  (vgl.  he- 
sweten),  het  zuur  verdienen,  het  bezuren.  \\  Si  steleot 
al  den  ghemeynen  armen ,  diet  met  pinen  besveten 
ende  becarmen,  N.  Doet.  523. 

2)  Met  een  persoon  in  den  4den  nv.  Klagen  oter 
iemand,  weeklagen  over,  beklagen,  bejammeren,  jj 
Cu  waert  den  hase  hi  becaremde:  „Owi,  Cuwaert, 
sullen  wi  sceiden !"  Rein.  1 ,  3038.  Dus  bleef  hi 
allene  in  goont  wout  drivende  jammer  ende  ooge- 
dout  ende  bekarmde  siin  ors  Blanchaert ;  hen  weende 
nie  man  so  om  een  paert,  Lett.  N.  R.  7\  130, 
31  (de  tekst  heeft  ten  onrechte  becariinde;  zie  T. 
en  Lettb.  6 ,  300).  Hoer  joncfrouwen  en  worden  niet 
becarmet  .  .  .  ende  hoer  wednen  en  bescreidmen 
niet,  lis.  Ps.  85 p. 

BEKERSTEN,  zw.  ww.  bedr.;  onjuiste  vorm 
voor  bekersemen.  Van  kerseme.  Gr.  ji^^iafia,  heilige 
olie  (zie  ald.  en  vgl.  Halb.  Aant.  353).  Zalven.  \\ 
Mettien  quam  daer  cortelike  eene  duve  van  hemel- 
rike  in  haren  bec  eene  ampulle,  ende  daer  in 
kersemen  te  vuile ,  ende  alle  die  coningen ,  meerre 
ende  minder,  bekerstmender  mede,  alse  mensc 
sacreert,  Sp.  III»,  7,  81. 

BEKEUREN  (beküeren,  becoren). 

1)  Van  zaken.  Van  keure,  core  in  den  zin  van 
wettelijke  verordening  (zie  ald.).  Een  reglement  maken 
omtrent  iets.  —  Vandaar  de  uitdr.  bekuerde 
wateren,  wateren,  waaromtrent  bij  regl-ement  bijzim- 
dere  bepalingen  zijn  gemaakt.  \\  Dat  men  geen  baggert 
buyten  der  stede  lossen  noch  upwerpen  en  sal  op 
yements  schade ,  noch  in  genen  bekuerden  wateren, 
bij  der  boete  ende  pene  voirscr.,  Leid.  Keurb.  149, 
60   (vgl.  Mieris,  Beschrijving  van  Leiden  2,  518). 

2)  Van  personen.  Van  core  in  den  zin  van  boete  {i\t 
ald.).  Iemand  eene  beboeting  aanzeggen  (in  den  zin 
waarin  wij  nog  van  bekeuren  spreken).  ||  Die  ^ 
dan  bruekich  vinden,  die  sellen  sg  becoren  ende 
becoren  mogen  bjj  horen  eden,  R.  v.  Vtr.  1,276, 
154;  vgl.  296,  20;  enz.  Worde  hi  becoert  bi  twee 
scepen.  Keuren  v.  Hoorn  {a.  1429),  §  70.  "Des  hi 
elkes  dages  becoert  worde,  ald.  §  74.  —  Bij  uit- 
breiding iemand  de  les  lezen,  hem  beriepen,  door- 
halen. II  Om  dit  wassic  berespt  saen:  nu  hort  dese 
prophetie  vort,  daer  ie  aldus  om  was  becort, 
Velth.  VII,  10,  89. 

BEKEURINGE  (bekoringe),  znw.  vr.  Beboetinf, 
bekeuring.  Ook  concreet  in  de  bet  boete.  ||  De** 
becoringe  van  leempteu  .  .,  van  bloetwonden  ende 
van  vuysten  slage  .  .  sal  men  .  .  beteren,  Mieris 
2,  201  fl  (a.  1318). 

BEKIN,  BEKINNEN,  BEKINT.Zic  beken,  aso. 

BEKINNE.  Indien  de  lezing  van  het  Hs.,  JVöyw» 
560:  „Sy  wart  der  manen  saen  bekinne,"  juist  ii, 


793 


ÈEKl. 


BECK. 


794 


moet  hêkinne  een  bnw.  zijn  met  de  bet.  gewaar^ 
afgeleid  van  het  oude  znw.  kenne  (zie  ald.).  Ook 
de  lezing  der  var.  in  inne  geeft  een  goeden  zin. 

BEKIVEN,  8t  WW.  bedr.;  mnd.  bekiven,  TJit- 
ickelden^  uitvaren  tegen ^  lat.  objurgare,  \\  Hierom 
bekeef  si  Gorgiam  dageiycx ,  Proza- Sp,  67 a. 

BECKELKIJN,  verkleinw.  raabec.  ||  Sjjnbeckel- 
kyn  es  cort  ende  recht,  Nat.  BI.  III,  2313  var. — 
Voor  den  vorm  vergelyke  men  tackelkijn^  etuckel- 
iijn,  padelkijn^  doekelkijn^  bergelkijn,  e.  a. 

BECKEN  (bic KEN) ,  zw.  ww.  onz.  en  bedr.  Van 
bee.  Kil.  rostro  ictum  facere. 

Onz.  —  Fikken.  ||  {De  vogel)  bicte^^  enen 
boom  met  sinen  becke,  Yelth.  III,  29,  19.  Sullen 
▼jl  nu  als  musschen  bicken,  schralen  kost  krijgen  ^ 
viinig  opdoen ,  Vrouw  e.  M.  VII ,  64.  —  Vgl.  onze 
nitdr.  er  valt  toat  te  hikken. 

Bedr.  —  Met  zijn  snavel  {bek)  in  iets  pikken.  \\ 
Worme  ende  venijne  (/.  yenijnde)  slecken ,  die  dijn 
lichaem  sollen  becken.  Wrake  III,  2401. 

BECKEN,  znw.  o.  Zie  het  volg.  art.  en  beckijn. 

BECKENGESLACH,  znw.  o.  Het  slaan  tegen 
een  koperen  bekken,  vooral  als  middel  om  het  volk 
voor  de  eene  of  andere  juridische  of  openbare 
handeling  byeen  te  roepen;  in  onze  dagen  nog 
door  den  omroeper  ten  platten  lande  gebruikt, 
b.  V.  wanneer  er  iets  kostoaars  verloren  is  of  als  er 
het  een  of  ander  belangryk  feit  door  een  bijzonder 
persoon  ter  kennis  van  het  publiek  wordt  ge- 
bracht. II  Omme  tselve  {goed)  oepenlycke  den  eersten 
weeckmerctdag  andie  putte  upt  merctvelt  te  ver- 
coopen  mit  een  beckengeslach ,  K.  en  O.  v.  Delft 
41,  8,  vgl.  37,  1;  enz. 

BECKENEN,  zw.  WW.  bedr.  Eig.  een  onz.  ww. 
met  de  bet.  tegen  een  koperen  bekken  slaan.  Zie 
BECKIJN  en  BECKENGESLACH.  Bij  uitbr.  ook  ge- 
bruikt voor  kleppen  in  H  algemeen,  enmethetobj. 
clocke  verbonden.  ||  Dat  ghy  clocken  beckent  ende 
alrehande  teeckene  slaet  ende  doet ,  Oesch.  v.  Antw. 
3,  579. 

BECKEB,  andere  vorm  (met  umlaut)  voor 
bakker.  ||  Sconincs  becker  vulde  dander  broet  met 
goude ,  Fad.  Mus.  1 ,  45 ,  18.  —  Zie  verder  backrr. 

BECKET  (beckede),  bnw.  Van  bec  in  den 
zin  van  schulp,  puntig  uitsnijdsel  (zie  ald.  3). 
Oebekt,  d.  i.  gepunt,  geschulpt,  uitgesneden.  \\  Dat 
ghene  vrouwe ,  die  in  onser  stat  .  .  wonachtich  is , 
zal  langher  beckede  mouwen  draeghen,  dan  tot 
dien  utersten  lede  des  cleijnen  vinghers,  Overijs. 
Becht  I*,  56.  Dat  si  noch  knopede  mouwen,  noch 
karspedoeke,  noch  bonte  voederen,  noch  beckede 
mouwen  noch  bestemde  en  draghen.  Mieris  2, 
UU  (a.  1324). 

BECKIJN  (becken),  znw.  o.  Eig.  elk  bekken. 
1)  Waschkom ,  vooral  voor  het  toasschen  der  handen , 
hetwelk  in  den  riddertyd-een  meer  noodzakelijk  huis- 
raad was  dan  thans  en  daarom  ook  herhaalde  malen 
voorkomt.  Vergl.  ons  scheerhekken.  \\  (Hi)  ghinc 
hoofscelike  hande  dwaen  ten  beckinen,  daer  hise 
vant  staen,  Varth.  549.  Van  argher  coppe  men 
dicke  diinct,  dan  uten  arghesten  beckine,  554. 
Doe  brochtemen  Waleweyne  saen  een  beckijn 
van  roden  goude  .  . ;  men  gaf  hem  water  ende  hi 
ghinc  dwaen,  Wal.  986.  Een  scone  beckijn  ende 
een  dwale  vant  daer  Walewein  ghereet,  2680. 
Scone  beckin  ende  witte  dwale,  6738. Men brochte 
hem  dat  water  saen  in  twee  guldine  beckine ,  Terg. 
256.  Die  ene  joncfrouwe  die  tafle  leide,  dandere 
brochte  boeken  ende  dwale,  3676.  (Ui)  dwoech 
sine  handen  in  een  beckijn,  3821. 

2)  Het  bekken,  waarmede  iets  ter  kennis  van  het 


publiek   gebracht  wordt.    Vgl.    beckengeslach. 

3)  De  schedel  van  het  mensehelijke  hoofd,  ge- 
wooniyk  hersenbecken  geheeten.  Z.  ald.  en  vgl. 
beckineel. 

4)  Een  koperen  bekken,  dat  als  versiersel  aan 
de  stang  van  den  weerhaan  op  openbare  gebouwen 
aangebracht  werd.  Zoo  Invent.  v.  Brugge  5,  270; 
331;  333;  6,  491  e.  e. 

Aanm.  —  Foutief  is  becken,  Belg.  Mus.  1,118: 
„Mijn  herte  es  an  u  ghevest  {Es.  ghebest),  als 
een  clesse  {klis)  aen  een  becken  hest  (hs.  heet)". 
Men  leze  vest  voor  heet,  en  hecken  voor  becken. 
Zie  Tijdschrift  3,  181. 

BECKINEEL  (beckeneel),  znw.  o.;  mv.  bec- 
kinele.  Met  den  bastaarduitgang  eel  (vgl.  ons 
houweel,  tooneel)  gevormd  van  becken  in  den  zin 
van  hersenpan  (vgl.  het  mnl.  hersenbecken). 

1)  De  hersenpan,  in  welken  zin  het  woord  ^^XrXr^- 
neel nog  gebruikt  wordt.  Kil.  beckeneel,  hooft- 
schotel,  eranium.  \\  (Hi)  sloech  enen  boven  opt 
beckeneel,  dat  hyt  gecloven  heeft  tot  sgn  ogen, 
Orimb.  1 ,  3679.  Dat  hi  helm  ende  cuffle  sciere  ende 
dat  beckeneel  mede  al  dorstac,  Lorr.  11,3747.  (Hi) 
doresloech  hem  altemale  coifie,  halsberch  ende 
beckineel  ende  van  den  hovede  tbeste  deel ,  Ferg. 
2700  (in  plaats  van  halsberch  leze  men  helm, 
want  blikbaar  is  het  een  slag  op  het  hoofd).  Het 
op  de  twee  laatste  plaatsen  genoemde  cuffie,  coifie 
is  beckeneel  in  de  bet.  2). 

2)  Ben  bedeksel  der  hersenen,  een  stalen  o  f  ijzeren 
kapje,  dat  onder  den  helm  werd  gedragen  en  op 
het  hoofd  sloot,  om  de  kracht  van  toegebrachte 
slagen  te  verzwakken.  Ook  genaamd  sal^ide  {Keurb. 
V.  Leiden  Gloss.) ,  ijzerhoet  (ald.)  en  coifie  (fr. 
coiffe,  het  nederl.  kuif)',  mlai.  cerbellaria.  Blijkens 
Bek.  V.  Gent  1 ,  239  kostte  zulk  een  beckineel 
ongeveer  5  ffi ,  d.  i.  ƒ  30.  (Hi)  doresloech  hem 
helm  ende  beckeneel  ende  van  den  hoefde  een 
groot  morseel,  Ferg.  4785.  Met  sinen  swerde  hi 
afdroech  half  den  helm  ende  tbeckeneel,  2396. 
(Hi)  quarteleerde  hem  altemale  den  goeden  helm 
van  brunen  stale,  int  beckeneel  maecti  ene  scure, 
Flovent  570.  Dbeckeneel  was  so  goet,  datter 
tswert  op  onstoet,  588;  ook  Lett.  N.  B.  7,  148, 
147.  Seghelijn  verhief  sinen  brant  .  .  .  ende  sloech 
hem  opt  beckeneel  boven ,  Segh.  8596  (tekst:  hersen- 
becken).  Helme  hadden  si  ende  beckenele,  Alex.1, 
846.  Curien ,  selscutte  ende  beckineele,  Bosefr.  248, 
19.  Want  hi  den  riken  helm  .  .  .  ende  tbeckeneel 
spliten  dede,  Orimb.  I,  4830.  (Hi)  sloech  hem 
metten  sweerde  nu  opt  beckeneel,  dat  hem  spleet, 
II ,  2003  var.  Dat  daer  tsweert  dore  {door  den  helvi) 
dranc  ende  dore  tbeckeneel  mede,  2301.  Men  sloech 
croken  in  geheelen  helmen  ende  beckeneelen, 
2519.  (Hi)  sloech  den  ridder  loefsam  opt  becke- 
neel van  brunen  stale,  Lorr.  II,  494.  (Hi)  sloech 
hem  op  sinen  helm  van  flnen  stale,  dien  hi  door- 
sloech  metten  beckeneel,  so  dat  hi  den  ridder 
dat  hooft  doofde  totten  tanden ,  Utigê  v.  Bord.  66. 
I  beckineel,  II  |jserine  hantscoen,  ^un  bachinet,  II 
wantelets",  Idvre  d.  Mest.  26  {bachinet  is  het  ver- 
kleinw. van  bacin  =  bassin,  d.  i.  bekken;  vgl. 
Burguy,  O  loss.).  Die  sel  hebben  een  pansijser,een 
yserhoet  of  beckeneel ,  Leid.  Keurb.  158 ,  22. 

3)  Ook  voor  den  helm  zelf  in  gebruik.  Kil.  galea, 
(;Arm.  II  Diere  hadden  een  groot  deel  beide  waubeys 
ende  beckeneel  ende  een  deel  haddenter  platen,  Heelu 
6249.  Dat  op  deze  plaats  niet  het  gewone  beckeneel 
bedoeld  is ,  blykt  uit  de  omstandigheid ,  dat  alleen  de 
voornaamste  wapenen  opgenoemd  worden :  sommigen 
hadden  hamassen  en  helmen,  anderen  schilden. 


795 


BECL. 


BECL. 


796 


BECLACH(BECLAECH),znw.  o.  (mv.  beclage^-n). 
Klacht  {tegen  iemand) ,  grieft  bi^tam,  beruping.  \\  Al- 
dus antwoorde  Ghisebert  . .  op  sulc  beclach  eade  be- 
sprec ,  als  hem  Evert  .  .  doet  opter  helfle  van  der 
husinghe  ende  hofstede,  R.  v.  ütr.2, 193. Midsden 
beclage ,  dat  Daneel  de  schontete  .  .  hem  beclagede 
van  diverscheii  pointen  nte  sinen  tsaertere ,  ende  dat 
men  hem  diere  onghebrunc  dede,  OenéUch  Chtb.  12. 
Ist  dat  hi  {Nobel)  mi  voert  alle  broeken,  scnlden, 
beclaech  (mv.)  ende  anvechtinge  vergeven  wille, 
so  en  wort  nye  coninck  soe  rijcke  als  lek  hem 
maken  wille ,  Proza-Rein.  33  v.  Doe  Frontonius  haer 
beclaech  hoerde ,  Vaderb.  210  e.  Op  dat  ghi  sonder 
beclaghen   sijt   in  heilicheden  voer  Gode,  Hs.  75, 

I  TAess.  3,  13. 

BECLACHTE  ^beclacht),  «nw.  vr.  en  o.;  mv. 
bedachten.  Van  beclagen  in  den  zin  van  klagen 
over  iets  (zie  ald.). 

1)  Reden  van  beklag ^  grieft  klacht.  \\  Si  ver- 
trocken  hem  sonder  letten  haer  lieder  bedachte 
an  beede  zyden,  Benkm.  3,  119,  22. 

2)  Beschuldiging,  aanklacht,  punt  van  beschuldi- 
ging. II  Alsoe  dat  hij  op  sinen  vryen  voeten  wel  heen 
mach  gaen  sonder  enich  bedachte  van  yemant,  Proza- 
Rein.  86  v.  Dan  snllen  sy  hem  overgheven  bescreven 
alle  pointen  hairre  bedachten,  Matth.  30.  Of  die  lants- 
heer  verbonden  is  synre  steden,  lant  ende  luden 
hair  bedachten  aen  te  nemen,  ald.  Up  alle  die 
welcke  bedachten  de  voimoemde  van  Dordrecht  veel 
dilayen  ende  vertrecken  genomen  hebben,  sonder 
eenichsints  hnn  te  willen  saten  ende  verstaen, 
V.  d.  Wall  571  {a.  1444).  Deselve  bedachten  .  .  . 
ende  bmecken  te  . . .  beeteren ,  572.  Alle  de  faiten , 
brnecken  ende  begrijppen  in  den  voirnoemden  be- 
dachten verclairdt,  572.  Om  hun  te  hoiren  ende 
verantwoirden  up  die  voirscreeve  bedachten,  ald. 
Zo  hebben  dekin  ende  ghezwome  .  .  .  ghehoort 
heessche  ende  bedachten  van  partien  an  beede 
zyden,  Cannaert  392.  Zie  ook  Invent.  v.  Brugge 
Gloss.  593  a. 

3)  Twist,  oneenigheid  (vgl.  het  Lat.  erpostulatio 
en  het  Fr.  guerelle;  lat.  querela).  \\  Langhen  tijt 
discoort  ende  bedachte  opgestaen  heeft  geweest 
tusschen  onse  kerke  ende  den  scolaster  van  Brussel , 
Belg.  Mm.  1 ,  2. 

BECLAECH.  Zie  beclach. 

BECLAECHLIJC,  bnw.  en  bijw.  —  Als  bnw.  Dat- 
gene waarover  te  klagen  is ,  berispelijk.  Vandaar  het 
znw.  beclaechlijcheit  (zie  ald.).  —  Als  bijw.  Op  eene 
klagende  wijze,  klaaglijk.  \\  Hier  wt  mercte  die 
paeu ,  dat  hi  bescaemt  wort  ende  sprac  beclaechlic 
mit  toeme  totten  eghel  aldus,  D.  War.  6,  199. 
Hetzelfde  als   bekermelijc  (z.  ald.). 

BECLAECHLIJCHEIT,  znw.  vr.  Reden  van 
beklag,  berispelijkheid.  \\  Dat  u  siel  ende  u  lichaem 
sonder  enighe  beclaechlijcheit  moet  worden  ge- 
vonden in  der  toecomst  ons  heren  Jhesu  Christi, 
Oetijdeb.  S.  16*. 

BECLAGEN ,  zw.  ww.  onz. ,  bedr.  en  wederk. 
Mnd.  beklagen;  mnd.  beklagen. 

Onz.  —  Treuren,  weenen,  klagen.  Kil.  be- 
klaghen  ende  jameren,  lamentari,  p langere. 

II  Si  beclaechde  ende  weende  mit  alre  devocien, 
Pass.  W.  102<?. 

Bedr.  —  1)  Met  den  4den  nv.  van  den  persoon. 

a)  Betreuren,   over  iem.  treuren  na  zijn  dood.  \\ 
Als  dit  Werrjns  volc  sagen,  begonden  sij  te  be- 
clagen  haren   heere   en   seiden:    Wy    syn    nu    al 
verloren,  want  ons  Heere  is   doot,  Heemsk.  120. 

b)  Beklagen ,  medelijden  hebben  met.  \\  Der  vrouwen 
fellipt.    gen.)   si    alle  met  herten  beclagen,  Segh. 


9160  var.  Wat  wonder   eest   dat   Onse   Here  dien 
beclaeght  dus  sere.   Wrake  III,  1849. 

2)  Iet.  —  a)  Met  een  2den  of  4den  nv.  Overiett 
klagen,  het  betreuren,  spijt  hebben  van.  ||  Sommeghen 
ingelen ,  beclagende  das,  dat  Lucifer  soe  scone  vas, 
Lucid.  574.  Dies  noch  heden  alle  daghen  alle  die 
werelt  mach  beclaghen ,  Wrake  1 ,  74  (vgl.  ts. 
1094,  waar  het  wederk.  hem  beclagen  met  den 
2den  nv.  gebruikt  wordt).  Hem  was  die  ledebnuc 
so  groot,  dat  hi  beclaghede  sgn  ghewin.  Bei». 
I,  1528.  Si  deden  overlast  des  hertogen  dienaren, 
twelc  si  namaels  beclaechden,  Bjtc.  Cron.  113i. 
Daer  wasser  vele  diese  daer  of  {v.  h.  geloof)  toghen, 
als  (=  hetwelk)  hi  dicwile  becla^het  in  sinen 
epistelen,  Hs.  7b  f.  Ib.  Ay  lacen,  lek  mach  wel 
beclagen   der  deerllker   moort,  Huge  r.  Bord.  78. 

b)  Met  een  afh.  zin.  ||  Sinte  Franciscns  be- 
claghede seer,  dat  men  die  doechden  afterÜet, 
Hs.  88  ƒ.  SSa. 

3)  Met  den  3den  nv.  van  den  persoon ,  nl.  God,  en 
den  4den  van  eene  zaak,  nl.  eene  zonde.  Berouw  toone» 
aan  iemand  over  iets,  berouwvol  belijden.  \\  Gode  becla- 
gedi  sine  scout,  Sp.  III «,21,  14.  Ongehorde dorpre 
souden  beclagedi  Gode  daer  tien  stonden,  IV*, 58, 
154.  Inden  beghinne  vander  missen  soe  seldi  behen 
ende  beclaghen  Gode  uwe  souden,  Ruusb.  4,  68. 

4)  Enen  — ,  iemand  in  rechte  dagen,  (ff  ookt 
klagen,  beschuldigen.  Vandaar  ons  beklaagde {noAi 
Matth.  149,  e.  e.).  Zoowel  in  civiele  als  in  crimineele 
rechtspraak.  ||  Alsmen  yemant  zyn  huys  of  ign 
erve  aenspreect,  die  mach  ses  weken  stille  sitten, 
wil  hy,  eer  hy  ten  antwoerde  coemt,  van  den 
eersten  dage  dat  hy  beclaget  wort.  Dingt.  v. Dtlft 
24  P.  beclaeght  J.,  dat  hi  H.  stac  ene  wondde, 
Invent.  v.  Brugge  2 ,  85.  Daer  af  hi  vor  den  coninc 
van  desen  heren  es  beclaghet.  Rein.  I,  1348.  Dit 
ghi  trect,  oom  Reinaert,  tote  des  coninx  hoTe- 
waert,  daer  ghi  wel  sere  syt  beclaghet,  137^. 
Gelijc  den  dager  ende  die  men  beclaegt  aldair 
een  dach  van  rechte  geleit  is ,  .  .  also  mach  die 
beclaechde  hem  wel  mit  recht  vrien,  als  hem  ter 
vierschair,  dair  hem  een  dach  van  rechte  geleit 
is,  niement  en  beclaecht,  Matth.  150.  Ist  dat 
yement  des  anders  heeste  roeft  .  . ,  wort  hy  dej 
beclaecht  .  .  .,  hy  salt  beteren,  209.  Wie  dat 
wettelic  wert  beclaecht  van  scnlde ,  daer  af  heeft 
de  meyere  twaelf  penninghe.  Ende  den  bedaechda 
sal  men  ende  is  men  schuldich  te  bringhene  is 
tprostens  vanghenesse,  Gendsch  Chtb.  37.  Niemei 
moeyen  noch  beclaghen  noch  aenspreken,D.  Orde2l^ 

5)  Iet  — ,  zijne  aanspraken  op  eene saakinreckti 
doen  gelden.  \\  Soe  selmen  op  elcken  dinghedach  dat 
goed  beclaghen,  ende  weder  daghen  als  voor8z.i«, 
Dingt.  v.  Delft  25.  Coemt  yement,  die  op  dat  ervet* 
seggen  heeft  .  .,  seggende:  Ie  beclaghe  dat  erre, 
Matth.  113.  Ist  dat  niement  en  coemt,  voir  dat 
erve  vol  boden  is ,  diet  beclaecht,  of  die  ontnaestinge 
dair  an  gheert,  die  rechter  doet  lopen  een  vonnis, 
114.  Worden  die  erve  van  scepenen  vry  bekent^ 
of  worden  die  niet  beclaghet  mit  voirwkirden  off 
brieven,  so  sal  die  gene,  des  terve  is,  dat  erre 
belasten  na  sinen  sin,  116.  Yan  eenen  scepe,  dat 
hg  beclaghet  adde.  Rek.  v.  Oent  1,  455. 

6)  Ene  cuere  beclaghen,  eene  vergsderm§ 
bijeenroepen,  uitschrijven,  beleggen.  \\  Dat  elc  tii 
beede  den  wateringhen  zouden  doen  beclaghen  nock 
eene  cuere  ende  te  kennen  gheven  den  notablea, 
die  al  daer  niet  en  waren,  Vad.  Mus.  4,  107. Int 
jaer  1431  hebben  beclaecht  ghezgn  cueren  ter 
diverschen  stonden,  in  de  wateringhen  vander  Groede 
met  haren  medeplegers ,  ald.  Omme  dat  alle  dese 


797 


BECL. 


BECL. 


798 


saken  wettelike  ghedaen  ende  oyereenghedreghen 
sijn  in  eene  wettelike  beclaechde  cuere  van  beede 
den  wateringhen ,  108. 

Wederk.  —  Met  den  2den  nv.  der  zaak  of 
yan  den  persoon.  Zich  over  iemand  o  f  iets  bek  laffe».  || 
Des  beclage  ie  mi  nn  tote  n  ende  sonde  mi  gerne 
wreken  nn,  PartA.  6728.  Tfolc  dat  beclaegdem 
sere  der  pinen  jeghen  onsen  Here,  Bijmb.  5547. 
(Hi)  beclaegde  hem  der  sorghen,  daer  ne  God  nut 
moeste  borglien ,  9345.  Die  wet  (de  overheid)  magbes 
hare  beclaghen,  31133.  —  Ook  met  eene  bepaling 
met  bet  voorz.  van  in  plaats  yan  den  2den  ny.  |) 
Dat  men  allen  den  ghenen  ghenoncb  doe ,  die  bem 
met  redeliken  zaken  yan  mi  te  beclagbene  sullen 
mogben  bebben,  Vod.  Mus,  4,  357.  Hembeclagen 
▼an  Gode,  Hs.  80  ƒ.  43(r. 

BëCLAGENISSE,  znw.  yr.  Beiloff ,  klacht ,  aan- 
merkinff.  ||  Of  die  recbter  sonder  beclagbenisse 
Tanden  yianden  sijn  bant  dair  an  slaen  macb  ende 
worden  selye  clagber,  Mattb.  13  en  185. 

BECLAGEB,  znw.  m.  Klager  \  hij  die  mort^ 
murmureert,  \\  Die  beclagbers  suUen  die  wet  leren, 
D.  B.  Jesaia  29,  24  (Vuig.:  muantatores  discent 
legem). 

BECLAGINGE,  znw.  yr.  Yan  bet  onz.  beclagen 
(sie  ald.). 

1)  Het  weenen,  jammeren,  schreien,  misbaar.  || 
Dat  yolc  dat  deze  beclagbingbe  ende  screyingbe 
hoerden,  die  screyden  droyeÜc,  Oest.  R.  f.  19 d. 

2")  Beden  van  beklag,  my.  beclagingen.  ||  Om  dat 
hi  Declagbingben  in  mij  yonden  beeft,  so  beeft 
hi  gbewaent  dat  ie  sgn  yiant  bin ,  D.  B.  Job  33 ,  10. 

BECLAPPEN,  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  beclappen, 
beelafen,  Yan  clappen  (zie  ald.)  en  yerg.  ons 
achterklap. 

1)  Kwaad  van  iemand  spreken,  iem.  belasteren. 
Kil.  infomare,  diffamare,  \\  Soe  begonsten  som- 
migbe  quade  Inden  sinte  Gregorius  te  beclappen 
ende  seiden,  dat  bi  als  een  oyerdadicb  man  iJden 
scat  der  kerken  yerteert  badde,  Pass.  W.  235  (?. 
Daer  om  soe  sonde  ie.  niet  bescnldicbtofnydelic 
beclapt  werden,  Oest.  B.  f.  165  d^. 

2)  Verklappen,  verklikken.  Kil.  deferre.  ||  Istdat 
ghi  mi  becïappet,  ie  sal  u  boeft  .  .  .  met  yoer- 
hameren  an  stncken  slaen  ende  breken,  Gest.B.f. 
64  d.  Soo  wie  yan  yalscbe  maet  beklapt  werdt , 
ende  by  twee  scepenen  yerwonnen,  Handv.  v. 
Enkh.  12  tf. 

—  Afl.  beclappinge.  ||  Hoe  datter  yele  oyer- 
mits  beclappingbe  of  aenbrengingbe  yan  den  beelde 
werden  gedoot ,  Qest.  B.  ƒ.  64  d. 

BECLAUWEN,  zw.  ww.  bedr.  Iemand  als  het 
ware  met  klauwen  aangrijpen,  en  yery.  in  bet  alge- 
meen vangen ,  nch  van  iemand  meester  maken.  Door 
Yelthem  geyormd  woord.  ||  Becbte  na  des  aers  sede , 
die  sine  pride  node  laet  gaen,  die  bi  beeft  met 
clawen  beyaen ,  al  dese  gelike  mocbt  men  sien  yan 
den  keyser  ginder  gescien:  bi  wilt  beclawen  sine 
vianden  daer,  Yeltb.  Y,  80,  44. 

BECLEDEN,  zw.  ww.  bedr.  Inkleeden,  een 
sehoonen  schijn  geven  aan.  ||  Ie  can  terstont  mijn 
escnsacie  becleeden:  ie  ben  sieck  of  elders  dacb 
gbeseit  (ontboden),  ZFl.  Btjdr.  6,  330,  88. 

BECLEMMEN.  Zie  beclimmen. 

BECLIJF,  znw.  o.  Stam  yan  bet  ww.  becliven 
(de  ald). 

1)  Voorspoed,  welvaart,  voordeel  (ygl.  becliven 
2).  II  Huer  eer  icb  gbeer  yoral  beclijf ,  O  VI.  Lied.  e.  O. 
228,  38.  Gi  (Maria)  sgt  ene  die  dierste  oliyeende 
meer  geboget  in  uwen  becliye,  in  uwen  verheven 
toestand,  als  moeder   Oods,   dan    nie  minsce  die 


werd  geboren,  Yeltb.  Yin,  34,  5.  Dan  esser  yan 
een  ander  gb^se,  die  den  crijgbe  yolghen  om 
wat  beclijfs,  D.  War.  1,  412,  164.  D.  War.  1, 
412,  154.  Sullen  wy  niet  muegen  yan  ons  beclijf 
den  crQcb  gbecrigben?  427,  619.  Yoort  zo  zoudy 
te  zynen  becl^fye  .  .  .  yan  allen  trybuten  zjn  be- 
yrgt,  ZVl.  Bijdr.  5,  326,  369. 

2)  Voortduring ,  bestendigheid  (ygl.  becliven  3).  jj 
Mgn    prizen   es   baer  vele  te  clein,  dies  weinscic 
baer  al    beils    beclijf,    OVl.   Lied.  e.  G.  198,  15. 
Gbestade  bl^f  maer  d^n  beclgf ,  dan  doet  di  nummer 
scade,  126,  28. 

BECLIMMEN  (beclehhen),  st.  ww.  bedr.  en  onz. 

Bedr.  —  Beklimmen,  bestijgen.  \\  Daer  zy  waenden 
gaen  eten ,  moesten  zy  tbuus  beclemmen  met  grooten 
aerbeyt ,  Vad.  Mus,  5, 21.  Om  Molkenbuse  te  stormen 
of  te  beclimmen,  Mattb.  Anal.  3,  311. 

Onz.  —  Oprijzen,  opklimmen,  \\  Wat  sidi  ontzet 
ende  wat  beclemmen  gbepense  in  uwe  berten? 
Hs.  V.  1348,  131  d  (Luc.  24,  38). 

BECLIPPEN,  zw.  WW.  bedr. Kil.:  beclippen, 
becleppen,  deprehendere ,  capere  transenna  aut 
laqueo.  Yan  bet  eveneens  b^  Kil.  voorkomende  cleppe 
of  clippe,  d.  i.  transenna  of  laqueus,  bet  tegenwoordige 
klep.  Als  in  een  strik  of  knip  vangen ,  verstrikken,  over- 
vallen, verschalken.  ||  Also  alsi  liepen  scumen.., 
80  worden  si  som  beclipt,  Yeltb.  YI,  16,  31.  Dat 
die  conincgbe  van  Egypten  blide  waren  dat  %\ne 
beclipten  ende  «ine  beringbeden  met  menegen  man , 
JAmb.  YII ,  795.  Consti  beclippen  dese  viere  ochte 
den  enen  .  . ,  gi  sout  die  scande  .  .  .  altemale 
vergeten  der  mede,  Lorr.  II,  2513. 

BECLIYEN ,  st.  ww.  onz.  (becUef,  beeleven).  Mnd. 
bekliven;  mbd.  bekliben.  Yan  cliven,  den  grond- 
vorm van  bet  ww.  kleven.  Eig.  samenhang  krijgen , 
zich  vormen.  Ygl.  bet  mbd.  klibetac,  d.  i.  de  dag 
van  Maria*s  ontfangenis, 

1)  Opschieten,  wortel  schieten,  ontspruiten,  van 
boomen  en  zaden  gezegd.  j|  Gheiyc  dat  saet  dat 
men  mede  in  derde  werpt  .  .  ende  dat  beclijft  ende 
brinct  vrucbt,  M,  en  Vr,  Heim.  1010.  Ware  bi 
oec  met  wiven,  van  bem  ne  mocbte  niet  becliven 
enicb  saet,  695.  Doe  die  bome  beeleven  waren, 
dedi  desen  muer  .  .  .  maken  al  omme  dit  por- 
prns,  Bose  575  (fir.:  „Quand  les  arbres  fnrent 
creu").  Daer  na  so  comt  de  quade  gbeest  ende 
raeptet  op  daert  gbesait  was,  dat  nien  beclive 
in  den  gbeloeve,  L.  v.  J,  c.  93.  Mar  want  dat 
saet  engbeene  wortele  en  beft  in  bar  berte, 
so  en  caent  in  ben  niet  becliven,  ald.  — Fig.  van 
kwaad  gezegd.  ||  Omdat  God  niet  en  wonde,  dat 
wortele  ofte  zaet  zoude  van  dien  quaden  stroncke 
bliven,  daer  nocb  arcb  of  mocbte  becliven  (voort- 
spruiten), Lsp.  I,  29,  111. 

2)  Overdracbtelijk.  Voorspoedig  zijn,  toenemen  in 
welvaart,  voorspoed  genieten. 

a)  Yan  personen,  jj  Mocbtic  m^n  dingben  bouwen 
staende,dat  al  die  werelt  waende  dat  ie  Aymmer 
sonde  becliven ,  nocbtan  wondde  ie  vruecbden  ariven, 
Vrouw,  e,  M,  III,  9,  3.  Groot  baraet  met  wiven 
driven  laet  zelden  yement  wel  becliven,  Praet 
1124.  Wat  bere  dat  bem  daer  toe  set,  dat  bi  sijn 
meente  laet  becliven,  gbeen  beter  scat  en  macb 
bem  bliven,  Hild.  24,  256  en  238,  84.  Waer 
mocbten  doe  die  scalken  bliven,  die  nu  ter  werelt 
soe  veel  becliven,  zoo  in  eere  zijn,  19,  23.  Die 
weeldicb  wilt  zyn,  blyve  tbuys;  die  blyft,  by 
beclyft,  Spreuken  87. 

b)  Yan  zaken.  Toenemen,  wassen,  \\  Altoos  sonde 
die  doecbt  becliven  ende  wassen,  Vad.  Mus.  1 ,  92,  74. 

3)  De  gewone  bet.,  welke  nog  niet  gebeel  in 


799 


BECL. 


BECL. 


800 


onbruik  geraakt  is  en  waarby  de  oorspronkelijke  bet. 
en  de  verwantschap  met  ons  ww.  kleven  zich  nog  doen 
gevoelen.  Blijven  \  blijven  bettaan\  bettendigy  voort- 
durend zijn,  Gr.  diareXcJ  wv. 

a)  Absoluat  ||  Wille  hl  becliven,  behouden 
bliveUf  so  moet  hi  plien  alsulke  dinghen  als  zi 
voortbringhen  f  Praet  1703.  Si  mochte  noch  wel 
werden  een  boem  ende  met  sueter  vrocht  becliven, 
dan  si  te  voren  hadde  ghedaen,  Vad.  Mttt.  1, 
359,  60.  Wildi  dnechdenlijc  becliven,  OFL  Oed, 
3 ,  126 ,  204.  Om  dat  hi  clare  ende  wale  tonghelove 
alte  male  ontwortelen  woude  ende  verdriven  datter 
niet  meer  en  zonde  becliven,  Lap.  Il,  48,  711. 
Quaetheide  mach  daer  niet  becliven,  soe  moet 
ghehoont  int  ende  wesen,  Praet  1065.  —  Ook  in 
de  uitdr.  becleven  worden,  voortduren ,  be- 
stendig zijn,  \\J)9.i  horen  toern  word  becleven,  die 
nye  ontrou  en  had  bedreven,  Hild.  206,  253.  — 
Somtyds  raakt  het  begrip  voortdurend  geheel  op 
den  achtergrond  en  beteekent  becliven  niets  anders 
dan  zijn.  ||  Ja  sal  trouwe  staende  bliven,  dat  sal 
bi  desen  tween  {arbeid  en  handel)  becliven,  Teett. 
3384.  Dese  poenten,  daer  si  becliven,  moeten 
edelheyt  verdriven,  2074. 

b)  Met  den  3den  nv.  van  den  persoon.  Iemand 
by  blij  ven  y  bestendig  iemands  deel  zijn. 

a)  Met  eene  aangename  zaak,  iets  goeds,  als 
onderwerp.  ||  Van  daghe  te  daghe  voerwairt  meer 
sal  u  der  werlt  lof  becliven,  Hild.  196,  61.  Soe 
willen  wy  Gode  bidden,  dat  ons  sine  hulpe  moet 
becliven,  189,  119.  Als  die  jaren  hem  becliven 
70,  209.  Doet  ons  God  sgn  hulp  beclyven,  108, 
128.  Sinte  Jacop  .  .  helpt  mi,  dat  .  .  mi  Gods 
gracie  beclive.  Vod.  Mus.  5,  325,  18.  Alstu  zonde 
ende  quaet  beghinnes,  Gods  gracie  sal  di  niet 
becliven,  Praet  2373.  Gode  en  moet  geen  danc 
becliven,  BmmI.  997.  Also  mote  mi  becliven  goet 
ane  die  siele  ende  ane  dieven,  Lanc.  II,  44208. 
Van  haestecheiden  comt  selden  goet,  dat  u  in  eren 
moet  becliven,  45774.  Gi  moet  bliven  daer  u  al 
goet  moete  becliven,  46487.  Ie  wille  dat  n  al  goet 
beclive,  III,  1066.  Selden  siet  men  hem  becliven 
tgoet  dat  qualike  es  ghewonnen ,  Bouc  v.  Sed.  163. 

Aanm.  —  £en  enkele  maal  wordt  de  persoon  tot 
ondw.  gemaakt  en  de  zaak  als  eene  bepaling  met 
mede  er  aan  toegevoegd.  ||  God,  die  almoghende  sy 
moete  gracie  verleenen  dy,  daer  ghi  moghet  be- 
cliven mede  te  commene  ter  eewigher  salichede, 
Amand  I  4308  (hetzelfde  als:  „de  gracie,  die  di 
moghe   becliven"). 

^)   Met  eene  onaangename  zaak,  iets  kwaads, 

als  ondw.  ||  Becleve  hem  also  menigen  vlouc,  .  . 
alse  hem  es  gebeden,  hi  ware  te  nyeuten,  OVl. 
lAed.  e.  G.  336 ,  629.  Commer  sel  becliven  menighen 
mensche  behalven  u ,  Hild.  13 ,  12.  —  Als  tontbiten 
is  ghedaen ,  soe  sel  u  hongher  groot  becliven , 
200,  65.  Hem  sal  becliven  myn  ban,  Wap.  Mart. 

m,  7. 

c)  Met  het  voorz.  ane,  en  eene  zaak  als  ondw. 
—  a)  Hetzelfde  als  met  den  3den  nv.  en  zoowel 

van  iets  goeds  als  van  iets  kwaads  gezegd.  Iemand 
bijblijven ,  het  deel  zijn  van^bUjven  rusten  op.  \\J)i%i 
volc  mit  onrecht  zeer  bescheert  ende  ghi  dan 
mede  der  baten  gheert,  ende  laet  hem  daerom 
dienre  bliven,  tonrecht  sal  an  u  becliven,  Hild. 
46,  139.  Opdat  goet  wille  an  di  beclijft,  Rincl. 
213.  Mach  Godts  bermherticheyt  aen  my  be- 
clyven. Mar.  V.  N.  41,  997.  Dan  sel  hoop  an  ons  be- 
cliven, Hild.  160,  303.  Diere  gewant  ende  edel 
side  moeste  ande  goede  becliven ,  Vierde  Mart.  695. 
Pays  moet  met  hu  allen  bliven  ende  salichede  sal 


becliven  an  hu  allen,  die  hier  sijn,Jnamf  1,5361. 
^  Vat  op  iemand  hebben ,  zich  aan  iemand  heeht^n. 

II  An  u  (Maria)  ne  mochte  nie  becliven  ghepeins' 
van  dorperheden,  OVl,  Lied.  e.  O.  51,  51.  Here 
her  coninc ,  dat  moet  bliven ,  want  u  te  leeme  niet 
en  es,  en  mochte  aen  n  niet  becliven,  Salad.  75 
(Belg.  Mus,  6 ,  96).  £n  hadde  de  minne  des  jonc- 
heren  Echytes  ane  mi  niet  becleven ,  ie  ware  in 
mine  ere  bleven,  Limb.  I,  1980.  —  Met  een  per- 
soon als  onderw.  Zich  aan  iemand  hechten ,  iemand 
voortdurend  bijblijven,  \\  Men  mach  .  .  te  samen 
twee  heeren  dienen  niet  ende  an  beeden  becÜTen, 
Denkm.  3,  50,  998.  Den  duvel  .  .  die  bi  hem  du 
blivet,  ende  aen  hem  also  beclivet,  dat  hi  een 
duvel  heten  moet,  Tien  PI.  1065.  —  Ook  ia  de 
uitdr.  becleven  s^n  ane,  gehecht  zijn  aam.  || 
Den  andren  blinden  .  .,  dien  therte  ane  Gode  vu 
becleven,  Vad,  Mus,  1,  46,  25.  —  Becleven 
bliven  ane,  blijven  rusten  op,  ||  Altehant  soe 
bleef  die  vloec  an  die  kinderen  becleven  mit  Goods 
wrake,  Fass,  W.  \Z^d. 

d)  Met  het  voorz.  in. 

a)  Met  een  persoon  als  ondw.  Zich  hechten  om, 
blijven  bij,  aan  of  in  iets,  iets  behouden,  \\DtXn.. 
haer  inghebome  nature  verdriven  ende  in  vremde 
nature  becliven,  Teest,  3017.  Wie  in  Gods  minne 
vaste  blivet,  in  gode  hi  seker  beclivet  ende  God 
beclijft  weder  in  hem,  Tien  PI.  309.  So  macli 
hi  in  eren  becliven,  Lsp.  III,  3,  513.  So  sahie 
int  weldoen  doen  becliven,  Denkm.  3,  49,  970. 
Die  wil  becliven  in  te  minnene  wiven,  O VI.  Hei. 
e.  G.  115,  43.  Minre,  die  in  minnen  beclive, 376, 
1831.  Saghen  si  die  vroede  in  goede  bediren, 
482,  89.  In  desen  staet  .  .  wel  becliven,  Jmeni 
I  5593.  In  den  niewen  wech  sal  men  bekliven, 
II,  2158. 

^  Met  eene  zaak  als  ondw.  Blijven  in.  \\  Eei 
edel  roese  die  hebbic  vonden ,  mocht  so  becliven  ii 
therte  mijn,  Denkm,  3,  196,  1  (van  der  roeu 
des  crucen).  Dat  vort  ane  in  ons  becleef ,  Vod.  Mms. 
2,  408,  100.  —  Ook  in  de  uitdr.  beclereB 
s ij n  in.  Met  eene  zaak  als  onderwerp. 

lo.  Gehecht,  vastgehecht  zijn,  in  eig.  zin. || Des 
anders  daghes  hebben  si  met  dien  hare  sperei 
ghelovert  ghesien  ende  in  die  erdesconebecleTen, 
Brab.  Y.  II,  2910. 

2o.  Gehecht  zijn  aan  iets,  in  fig.  zin.  ||  Het  ware 
recht  dat  ment  (het  goed)  hem  name  ende  lietene  in 
sijn  armoede  leven,  daer  sine  nature  in  is  beclefen, 
Lsp.  I,  28,  70  var. 

30.  Onafscheidelijk  verbonden  zijn  met  iets.  il 
Hen  naket  die  helsche  gloet,  daer  rouwe  in  ti 
becleven.   Vierde  Mart.  196. 

40.  Onafscheidelijk  verbonden  sijn  met  een  pertto», 
vastgeworteld  zijn  in,  een  karaktertrek  s^n  te» 
iemand,  ||  Gheven,  in  wient  es  becleven,  ghe«« 
doghet  en  selmen  van  hem  zwigen,  Van  fieteni 
105.  God  ons  Here  den  ghenen  mint,  daer  miltleit 
in  es  becleven,  Vad,  Mus,  1,  341,  3.  Hovewcbe 
meltheit  . . ,  die  in  hem  es  becleven  wel ,  Cass,  36^ 

e)  Met  het  voorz.  te.  Blifven  in  of  b^'.  ||  ^> 
becliven  te  haren  vonnesse  die  sijn  verloren,  w>^ 
wi  Gods  gebod  verhoren,  S^.  U*,  40,  40  (.ift' 
blijven  in  het  vonnis  van ,"  d.  i.  ook  op  ons  ^^l 
toegepast  worden  het  vonnis  van  enz.).  Lantsherei 
die  ter  doeght  wouden  becliven,  2V«/.  949.  Doepei, 
daer  men  bi  beclive  ten  eweliken  salegen  Ure, 
Sp.  IV,  20,  73. 

f)  Met  het  voorz.  ut  e.  Verwijderd  blijven  ta»^\\ 
Ach!  wat  ees  siere  sielen  te  bat,  die uter wSskeJ* 
Gods  becleef,  Bincl.  503. 


m 


BECN. 


BECO. 


8Ö2 


—  De  onbep.  wija  als  znw.  gebruikt,  Sp.  II*, 
67,  81:  Mi  es  beter  met  Gode  te  bliven,  dan  te 
lerene  in  des  yleescb  becliyen,  d.  i.  „  dan  te  leven 
m  Aet  blijven  des  yleesches,''  m.  a.  w.  „dan  in  het 
Tleesch  te  bleven  leyen." 

BECNAGEN  (beknagen)  ,  st.  en  «w.  ww.  bedr. 
Het  transitieve  enagen  (sie  ald.). 

1)  In  eigenlijken  zin.  Knagen  aan,  af  knagen. 
Tgl.  heenauwen.WEen  wolf  becnaegde  bene  vele, 
£top.  YIII,  1.  Het  was  als  oft  all  omme  ende 
omme  van  den  mnsen  off  van  honden  beknaecht 
hadde  gheweest.  Vader b.  14a, 

2)  In  oyerdrachteiyken  zin.  Iet  becnagen. 

a)  Yan  beleedigingen  enz.  gezegd.   Ze  opsHiken, 
verdtwen,  er  op  moeien  knabbelen  als  op  een  been.  \\ 
Hj  en  is  niet  levende,  .  .  diet  sonder  verdienst 
wel  sonde  becnagen,  Mar.  v,  N.  7,  142. 

h)  Beknibbelen,    ergens   aan   knagen,  het  willen 
verkleinen',  vgl.   Sa).  ||  Diet  al  beknaghen  wil  te 
Toren  wat  hi  ghilt ,  tis  cost  verloren ,  Hild.  24t ,  87. 
3^  Enen  —. 

ü)  Aan  iemands  eer,  goeden  naam  enz.  knagen, 
afbreuk  trachten  ie  doen,  iemand  in  een  ktoaden 
naam  brengen.  ||  Die  n  beniden,  bedmcken  ende 
becnaghen,  Bnnsb.  6,  133. 

4^  Enen  — ,  iem.  kwellen,  martelen.  Vgl.  onze 
nitar.  iemand  knauwen.  \\  Die  viant  fel . .  hi  smp ,  hi 
doppet,  hi  maket  rebel,  op  dat  hi  ons  mach  in 
die  hel  becnaghen,  Hor.  Belg.  10,  133. 

BECNAUWEN,  zw.  ww.  bedr.  Het  transitieve 
knauwen.  Aan  iets  knauwen,  knabbelen.  \\  Die  wisse, 
daer  die  bake  an  hinc,  becnause,  soe  es  so  vet, 
iW».  I,  226. 

BECNOFTELIKE ,  byw.  BeknopteUjk,  bondig.  \\ 
Cronfleken  .  . ,  die  seer  cortelick  ende  becnoftelick 
procedieren  tot  hoer  tg  den  toe.  Fase.  Temp.,  Prol.  2v. 
BECNOPEN,  bedr.  onr.  zw.  ww.  (deelw.  be- 
cnoft).  Vgl.  ons  beknopt.  Mhd.  beknipfen;  mnd. 
heknuppen. 

V\  Eigenlek.  —  a)  Fastknoopen,  aanhechten.  ||  Elc 
laken  sel  hebben  een  nopteken . .  ende  dat  nopteken 
sel  becnoft  wesen  in  een  horn  (d.  i.  hoek)  van  siin 
aelfs  laken.  Leid.  Keurb.  122  §  1. 

h)  Vastbinden.  \\  Dan  dedemen  al  sine  lede,  dat 
mense  met  sennwen  becnochte,  dat  si  incrempen 
souden,  Sp.  n*,  44,  170  („cmdis  enm  nervis 
astrinxerunf^). 

2)  OverdrachtelQk.  Iets  vastknoopen  aan  iets, 
naar  aanleiding  of  m  den  geest  van  iets,  wat  vroeger 
gedaan  is,  iets  anders  doen.  \\  Die  dan  een  werc 
beghint  van  baten,  die  mach  op  teynde  hem  zeer 
verlaten,  ende  leven  in  goeder  hopen,  can  hi 
tmiddel  wel  becnopen,  als  dbeghin  ende  teynde 
wgst,  Hild.  89,  6;  ^indien  hij  het  midden  in  den- 
tel/den  geest  bearbeidt  als  het  begin  en  het  eindeJ*^ 
BECOELEK,  zw.  ww.  onpers.  Van  ifco^/,  inden  zin 
van  kalm.  Kahn  worden,  bedaren.  Van  het  weder 
en  vooral  van  den  wind  gezegd.  Oaan  liggen,  stil 
wtrden.  ||  Doe  hilt  hi  tschip  te  winde  waert 
dattet  weder  rechten  sonde,  mar  het  becoelde  alsoe 
honde  ende  dat  zejl  sloech  anden  mast,  Hild.  80, 
68.  —  De  onbep.  wjs  als  znw.  gebruikt.  Vind- 
stilte.  Il  Die  mast  die  most  int  water  zwinghen 
mitten  zeil  in  dat  becoelen,  ald,  64. 

BEC0EJ:LEN  (becoeckelen),  zw.  ww.  bedr. 
Hnd.  èekaehelen;  mhd.  begougeln,  begoukeln.  Be- 
goochelen  (JHut,  2,  217:  becokelen,  hariolari). 
In  het  Unl.  vooral  gebruikt  met  het  voorwerp  oogen. 
Set  oog  verblinden.  \\  Des  gelees  doen  dese  gokelaers 
mit  enen  crude,  dat  elitropia  hi^t  ende  becokelen 
der   Inde    oghen    daer   mede,    Barth,   6483.  Die 


ander  ogen  maect  hl  (de  steen)  dat  si  doncker 
schinen ,  die  daer  bi  comen  ende  becokelse ,  dat  si 
niet  sien  en  mogen,  667a.  Hy  bekoeckelt  hem  die 
ogen.  Spreuken  37. 

BECOlliIEBEN.  Zie  becohueren. 

BECOMEN,  onr.  ww.  bedr.,  onz.  en  onpers., 
(verl.  t^d  bequam  of  beeam,  O  VI.  Lied.  e.  O.  237, 
126;  Franc.  8906,  e.  e.;  mv.  bequamen;  deelw. 
beeomen).  Mnd.  bekomen;  mhd.  bekommen. 

Bedr.  —  1)  Het  transitieve  komen  (vgl.  begaan, 
beschijnen ,  enz.) ,  zóó  komen ,  dat  men  iemand  inhaalt , 
bereikt;  bij  iem.  of  iets  komen,  hem  overvallen.  Vgl. 
mhd.  einen  bekommen,  ihn  einholen,  en  be- 
gaan A  /,  en  B  a).  ||  (Hi)  bequam  se  daer  in  enen 
dan,  ende  sloecher  daemaev,  dat  van  den  vier 
dnsent  ribanden  daer  maer  en  bleven  te  live  veer- 
tich  man,  Merl.  20797. 

2)  Van  de  zon  gezegd.  Iemand  beschijnen.  \\  Jtin , 
80  laet  ons  nedersitten  onder  desen  sconen  bome, 
dat  ons  die  sonne  niet  en  become,  dat  wij  niet  in 
de  zon  zitten,  Teest.  2129. 

Onz.  —  A.  Absoluut. 

1)  Komen,  meestal  met  eene  bepaling  met  te.  \\ 
Si  sloughen  doot  altemale,  diese  werden  (d.  i. 
weerden)  ..,80  dat  men  bet  vort  bequam  daer  die 
raetsiere  waren,  Sp.  I*,  14,  62  „soo  dat  men 
dichter  kwam  bij  de  plaats,  waar,  enz."  Al  tge- 
stichte  daer  omtrent  slechts  ter  erden  al  bequam, 
dat  menegen  mede  dieven  nam,  II*  39,  49  y^het 
geheele  gebouw  kwam  plat  (slechts)  op  den  grond 
neer.'*'*  Wat  becoemdi  tot  mi,  tot  enen  man  dien 
gi  hatet,  ende  hebten  van  u  verdreven?  D.  B, 
Oen.  26 ,  27  „  waarom  zijt  gij  tot  mij  gekomen  ?  ** 
Het  (bloed)  becomt  in  den  mont  van  den  aderen, 
Jan  Yp.  60.  —  Vooral  gebruikelijk  in  de  uitdruk- 
king waer  hi  (si)  bequam  (bequamen),d.  1. 
eig.  waar  hij  henen  ging ,  m.  a.  w.  waar  hij  belandde 
of  bleef,  wat  er  van  hem  werd.  Vgl.  becomen  , 
onz.  6)  =  worden ,  en  deensch  at  blive  =  ons  worden. 
Het  het  bij  begrip  van  het  plotselinge  en  het 
wonderbare  van  het  verdwenen  (vgl.  Imc,  24,  31: 
hy  kwam  weg  uit  hun  gezicht,  en  St.-Bijb., 
Bicht.  6,  21:  de  Engel  des  Heeren  bequam  uyt 
sijne  oogen).  II  Die  sal  ie  u  nu  hier  noemen,  ende 
waer  si  sQn  henen  becomen,  Velth.  IV,  7, 11  (vgL 
onze  uitdr.  een  goed  heenkomen  zoeken). DtX mei 
noyt  sint  af  vernam,  warwerd  dat  hi  nenen  be- 
quam, III,  38,  81.  Dat  men  noit  en  wiste  nadas, 
waer  hi  voer  oft  waer  hi  bequam,  ende  waer  hi 
sinen  inde  nam,  Lanc.  IV,  12336.  Men  ne  hoerde 
daema  van  hem  ne  gheene  niemare,  waer  hij 
daemaer  bevoer  no  bequam,  VI.  Bijmk,  1778. 
So  waer  dattu  becomen  sijs,  God  moet  beteren 
u  verdriet,  Segh.  11192.  Die  here  bleef  vragende 
daer  naer,  waer  die  ander  ridder  es  becomen, 
als  hine  niet  en  hevet  vernomen,  Lanc.  II, 
7682.  Hi  sach  lopen  emmertoe  .  .  .  van  den 
spere  drupple  van  bloede,  ende  si  bequamen, hine 
wiste  waer,  29479.  Dat  ie  hore  enege  niemare, 
waer  dat  hi  becomen  ware,  42877,  43363.  Wi  en 
weten ,  waer  dat  hi  becomen  si ,  IV,  1643.  In  weet 
waer  hi  es  becomen,  in  en  sagene  noit  daer  nare, 
3646.  Waer  dat  ie  becomen  ware,  ^a/.  703.  Waer 
die  scone  joncfh)uwe  becomen  si,  4486.  Ie  sal 
weten  waer  si  sijn  becomen,  2911.  (Doe)  ne  waser 
man  noch  jongelinc,  die  wisten,  waer  hi  bequam, 
Sp.  III»,  36,  92.  Waer  sjju  volc  ende  hi  bequam, 
dats  dat  men  noch  nie  en  vernam,  IV*,  68,  36. 
Nu  hoort  waer  die  gheest  bequam,  als  hi  an 
Amande  orlof  nam,  Amand  II,  3933.  —  Ook  met 
eene  zaak   als  onderw.  jj  Men  wiste  hoe  (/.  hoet) 

26 


803 


BECO. 


BECO. 


804 


began  .  . ,  so  ne  deet  oec  hoet  beqnaiiif  Yelth.  V, 
16,  63.  —  So  becomen,  zoo  ver  komen.  ||  Som- 
wilen  (si)  g^ote  scaden  namen,  ende  somwile  si 
80  beqnamen ,  dat  sys  oec  te  boven  bleven ,  Sp.  III*, 
9 f  25  (vgl.  het  onpers.  becomen;  op  deze  plaats 
kan  men  so  hecomen  weergeven  door  het  verging 
hun  zoo), 

2)  Tot  zich  zelven  komen ,  tot  een  vroegeren  toestand 
terugkeeren^  en  wel  —  a)  By komen ,  na  eiken  min  of 
meer  bewnsteloozen  toestand.  De  volledige  uitdruk- 
king te  (tot)  hem  selven  becomen  vindt  met 
Flor.  1132,  Orimb.2,2SOd  var.;  gewoonlijk  alleen  be- 
comen. Vgl.  onze  uitdr.  van  een  schrik  bekomen.  || 
Floris  lach  langhe  in  ommacht;  als  hi  bcquam ,  enz. 
Flor.  1102.  Teerst  dat  hi  (Adam)  beqnam  (uit  den 
slaap) y  propheteerde  hi,  Rijmb.  548.  (Isaac)  ant- 
woorde,  alse  hl  bequam,  dat  sijn  broeder  es  scalkelike 
comen  ende  heeft  die  benedictie  ghenomen ,  2390.  Die 
broeder  becam  nat  sine  gebede,  daer  hi  in  lach^Franc. 
3133.  Dat  hij  als  doot  ter  aerdenvielen  lange  lag 
eer  hy  beqnam,  Heemsk.  22.  Alst  qnam  aan  den 
derden  dag ,  so  beqnam  Eeinont  en  ontwaekte ,  62. 
Binnen  dien  is  Reinout  becomen,  120.  Doen  viel 
in  onmacht  dat  edel  wyf  .  .  .  ende  als  si  becomen 
was ,  seide  si  enz. ,  Belg.  Mus.  10 ,  97 ,  259.  Als  si 
becomen  was,  so  seydese  dat  se  van  Hughen  niet 
en  wiste,  Huge  v.  Bord.  68. 

b)  Bijkomen  uit  eene  ziekte ,  er  van  verlost  worden^ 
genezen ,  er  boven  op  komen.  \\  In  Daniels  tiden 
wail  .  .  .  heeste  gemaect  van  enen  man,  Nabugo- 
donosor,  ende  bequam  mede  hier  af  bi  Daniels 
bede,  Sp.  I*,  50,  13.  Hi  bequam  .  .;  dat  vleesch 
wies  weder  in  der  pinen ,  dat  si  te  voren  daden 
dwinen,  II*,  52,  31.  Wie  so  bevoelde  eenech 
leet,  entie  dan  stroyeden  die  bloemen,  syn  ge- 
nesen  ende  becomen,  III*,  45,  88.  Hi  was  be- 
comen ende  genesen,  Lanc.  lY,  2801.  Sgn  kint 
van  der  doot  bequam,  Jmand  II,  2974.  Hare 
herte  becam  van  den  verdriete.  Franc.  8906.  — 
Ook  in  de  uitdrukking  becomen  worden, 
waarin  becomen  min  of  meer  een  bnw.  is  ge- 
worden (vgl.  onder  5),  ergens  behouden  af  komen 
(het  mnl.  genesen).  ||  Daer  ware  hi  bleven  doet, 
maer  datten  drouch  uter  noet  Ferrant,  dat  wel 
dragende  part,  soe  datti  becomen  waert,  Limb. 
IV,  1793. 

3)  De  overdrachteiyke  bet.  van  2  b).  Fr  boven 
op  komen,  iets  te  boven  komen ,  van  rampen  en  weder- 
waardigheden gezegd.  II  Si  keerden  ende  bequamen 
bi  exemple  die  si  ane  hen  namen,  bider  doeget, 
die  si  ane  hen  sagen,  Lanc.  II,  10575.  —  Ook 
met  den  2den  (of  4den?)  nv.  ||  Dat  hen  niet  mogelick 
en  es  hnere  schaden  ende  lasten  te  mogen  becommen , 
Inform.  2.  —  De  onbep.  wgs  als  znw.  gebruikt.  || 
Die  scade  es  soe  groet  dan ,  dattere  geen  becomen 
es  an,  Lanc.  lY,  5231;  „dat  er  geen  op  zijn  ver- 
haal komen  mogeiyk  is." 

4)  Opschieten,  opgroeien. 

a)  Eigeniyk,  van  boomen  en  planten.  ||  Doe  dese 
bomen  becomen  waren ,  Rosé  C  573  (var.  becleven). 
Wat  planten  men  vort  van  den  bome  nam,  sine 
wortelde  niet  none  bequam,  maer  si  bedorven  daer 
altemale,  Lanc.  III,  8481. 

b)  Figuuriyk.  Wassen,  toenemen.  \\  (Hi)  brocht . . 
die  lieden  in  suiker  kennessen,  .  .  dat  si  met 
allen  in  rechter  ootmoet  bequamen  ende  kerstyn 
leven  .  .  ghestadelike  hebben  upgheheven,  Amand 
I,  5816. 

5)  Worden ,  in  een  toestand  komen.  Vgl.  bg  onz.  1) ; 
het  Lat.  evadere,  en  het  £ng.  to  become.  \\  Dus  bemede 
in  der  minnen  viere  onse  Fenix  in  derre  maniere, 


onthier  ende  hi  tasschen  beqnam ,  IftU.  BI.  HI , 
1323.  In  anderen  vormen  hi  beqnam,  Sf.  U',  !tt, 
34,  hij  nam  andere  gedaanten  aan.  Tote  dwiter 
root  becomt,  Hs.  Yp.  186.  Dattie  violetten  Ueec 
becomen,  19a.  Die  venteusinge . .  es  goet  dengeno, 
die  sot  becomen  bi  quaden  saken,  43a.  Wut 
Serapis  dafgod  met  allen  den  anderen  goden  es 
gevallen  ende  te  pulvere  becomen,  Sp.  II*,  18, 
105.  Als  hi  groot  becomen  was,  Segh.  3937.  Dit 
volc  ghemeene  es  so  snel  omme  rike  becomen 
{om  rijk  te  worden),  ie  siet  daer  omme  il 
aromen  {dringen) ,  Denkm.  3 ,  30 ,  427.  Sine 
besine  (urine?)  becomt  niet  root,  ende  is  si  root, 
dat  duert  onlange,  Jan  Yp.  175.  Latet sieden totte 
dat  het  dicke  becomt,  177.  Zoo  ook  bl.  183.  — 
Ook  in  de  uitdr.  becomen  worden,  d.  l 
worden,  en  becomen  syn,  d.  i.  sijn  (vgi 
onder  26;.  ||  Dat  hi  vergadt  al  eerdsche  ale 
ende  wert  recht  als  een  gheest  becomen,  AnoMi 
I,  5764.  Dyanen  tempel  wert  becomen  in  ea 
kerke  Onser  Vrouwen,  Sp.  II»,  18,  102,  „weri 
{tot)  eene  lAevevrouwekerk^^  Die  wel  ghebome  mick 
wel  romen ,  dat  zyn  lot  goet  es  betomen  (/.  becomen), 
Wap.  Rog.  1507. 
B.  Met  een  persoon  in  den  3den  nv. 

1)  Met  eene  zaak  als  ondw.  Overkowun.W'^uX 
hem  swaer  vloec  bequam,  Wtqt.  Mart.  I,  512 mt. 
Eer  si  twaer  hadde  vernomen  van  des  horen  mai 
waer  becomen ,  MLoep  IV ,  1469.  Wanneer  snikt 
natnerlic  lopinge  coemt,  so  vallet  altoes  inder 
outheit  der  manen  na  dien  dat  die  etate  den  wiven 
becoemt,  Barth.  85a. 

2)  Behagen,  aanstaan,  bevallen,  de  gewone  mnl 
opvatting.  Met  een  persoon  of  eene  zaak  als  ondw.  || 
In  weet,  hoe  u  becomt  die  sprake  .  .,onredel$c 
dinct  soe  mi  syn,  Parth.  5936.  Die  stede  heeil 
hem  so  becomen,  dat  hi  sgn  ruste  daer  heeft 
genomen,  Sp.  II*,  32,  25.  Mi  en  beqnam  noyt 
twint  tale,  die  ie  sprac,  min  nomere,  II*,58,5& 
Eene  stede,  die  hem  bequam,  III \  13,  41. 
Dat  bequam  den  heidinen,  III*,29,  35.Datmende 
{de  vrouw)  om  doget  name,  die  den  man  daer  if 
bequame,  I*,  32,  79.  Op  dat  hi  hare  soe  beqnamc, 
dat  sine  gheme  te  manne  name,  limb.  YI,  3479. 
Si  {de  minne)  doet,  dat  hare  becomt  te  doene, 
Flor.  11.  Dattet  {offer)  Gode  en  bequam  niet,Iii;p. 
I,  26,  75.  Twe  manne  de  hem  beqnamen,  Stoke 
Y,  724.  Spreke  een  woert,  dat  my  becomt ,  Kinsb. 
5,  13.  Hoe  Crode  becomt  penitencie,  Theoph.l^ 
Ie  ne  become  niet  hem,  want  ie  ongelettert  IxBi 
Franc.  3035.  Vele  dat  hem  beqnam  ende  dochte 
goet.  Flor.  336.  Als  den  minnere  becomt  twist 
dan  dat  hi  metter  herten  mint ,  Vrouw.  e.  Jf.  I,<>lü. 
Vleesch ,  wilt  ende  tam ,  al  dat  nye  herte  bequo, 
Brand.  1611.  Soe  wye  der  werlt  becopen  (/.  be- 
comen) wil ,  die  Yolghet  recht  der  apen  spil ,  HlKt 
255,  98.  —  Gode  becomen,  Gode  weHekujUji 
zijn.  II  Langen  tyt  hebdi  mi  stade  verleent  te 
doene ,  dat  u  bequame ,  Bincl.  26.  Omme  dst  hi 
{Abet)  GU)de  bequam  omme  sine  soete  miltheit 
groot,  sloughene  syn  broeder  doot,  ^.I*,  10,50. 
Hine  voughede  niet  syn  leven ,  omme  te  becommest 
Onsen  Heere,  VI.  Rijmk.  4361.  Hoe  dat  men  btft 
Gode  bequame,  Sp.  W,  39,7.  —  Vooral  in  verba- 
ding  met  een  by woord  van  graad.  Wel  {wtUr 
sere)  becomen,  welgevallig  zijn;  by  ons  slechti 
gebruikt  van  de  gevolgen  eener  handeling^ 
vooral  van  eten  en  drinken.  ||  Hoe  wel  het  beoovt 
den  vrient,  als  hem  syn  vrient  ghetrouwelike  met 
herten  gheme  dient ,  Vrouw,  e.  M.  1,  806.  Alse  ki 
hevet    verhort    dit   doen,    hevet   hi   sine  (die»i) 


I 


l 


805 


BECO. 


ÊECO. 


806 


▼edawe  genomen,  so  wel  heyet  soe  hem becomen, 

^.  III',  18,  80.   Sulke  lettren  ende  snlke  tale 

ne  beqnam  niet  harde  wale  den  princen, I^,  18, 1. 

IMt  wort  beqnam  Socrates  aere,  I*,  54,  58.  Dese 

tale  .  .  beqnam  .  .  hem  niet  wale ,  Limb.  ^,  249. 

Hare  beqnam   al    siin   ghelaet,    III,    195.    Dien 

haer  tale  wel  beqnam,  Y,  1302.  Si  beqnam  hem 

herde  wale,  YI,  2469.  Dat  hem  wel  beqnam  die 

Trede,  VII,   1660.   Ons  allen  becomt  wel  u  tale, 

Yin,  262.  Oetmoet  soe  es  mün  name,  dat  goeden 

lieden  wel  beqname  (/.  wel  es  beqname  ?) ,  X ,  327. 

Waest  dat  hire  iet  in  vernam,  dat  hem  niet  wel  becam, 

Trane.  3497.  Het  (zwaard)  beqnam  hem  ntermaten 

▼ale,  Wal.  6750.  Al  der  werelt  beqnamedi  wel,  Parth, 

831.  Dat  zuchten  harde  wel  beqnam  den  bisscop, 

2019.  Sine  tael  beqnam  hem  wel ,  Hild.  180 ,  144.  Hi 

beqnam    der   joncfronwen    wel,    Ferg.    786.    Wel 

beqnam  hare  s^n  gelaet,  1229.  Die  zake  hem  doe 

wail  beqnam ,  MLoep  II ,  3164.  Een  rosé ,  die  haer 

beat  beqnam.  Flor,  2933.  Den  ammirale  dien  si 

altehant  beqnam   so   wale,    701.   Dat  mi  so  wel 

beqnamen   haer  seden   ende   haer  ffhelaet,  3435. 

So  wat  so  eiken  best  beqnam,  dat  dede  men  hem 

te  vollen  bringhen,  3903.   So   wat   den   mensche 

allerbest  becomt,  hondt  hy  totten  lesten  gheme , 

jfket  lekkerste  beetken  spaare  men  voor  V  laatste^ 

Vert.  V.  Boëth.,  aang.  bij  Hnyd.  op  Stoke,  Dl.  2, 

bl.  400.   —    Gode   wel   becomen,    Gode  wel- 

hekaaglijk  zijn.   \\  Dese  jaloesie  es  loenlijc   sere, 

want  si  wel  becomt  Onsen  here,  Lsp.  III,  6,  9. 

—  De   onbep.   wijs   als  znw.  gebruikt.  Genoegen^ 

bekomst^   toelbehagen.   \\  Als    siere   ene   {vlieg)   in 

siet  verwerren,  loept  siere  toe  al  sonder  merren , 

ende   etter   of  haer  becomen.  Nat.  Bl.  YII,  267 

(tan  de  spin).   En   maec   djn   becomen    (stel  uw 

genoegen)   niet   in   dien,    dat   niet   en   betaemt  in 

negeenre  wijs,   Sp.  II»,  87,  42.  Onlange  geduert 

al  erdsche   becomen,-  86.   Ie  mach  u  toegen  mgn 

becomen,    II»,    36,    63.   Daer   si   becomen   groot 

hadden  van,  Sp.  11%  6,  99. 

3)  Betamen ,  passen.  ||  Dit  doen  (nl.  misbaar  maken) 
ne  becomt  niet  coningen,  Lanc.  II,  34711.  — Ook 
met  een  persoon  of  zaak  in  den  3den  nv.  of  eene 
bep.  met  te.  Passen  bij,  overeenkomen  met , geseAikt 
sijn  voor.  II  God  geve  mi  al  dat  ter  minnen  bestbe- 
come,  Hadew.  1,  4,  17.  Enen  lap  vanden  nyen 
en  becoemt  den  ouden  niet,  Hs.  71,  Luc.  5,  36. 
Dat  hy  bon  eynen  busscop  sende,  sulken  die  heme 
beteme ,  ende  den  Inden  recht  bequeme  ende  die 
sy  (ken)  conde  gheweghen,  Serv.  I,  1397. 

Onpers.  —  Met  den  3den  nv.  van  den  persoon ; 
het  becomet,  beqnam  mi. 

1)  yergaan]  het  gaat^  vergaat  mij.  j|  Ach  oom, 
het  is  n  qnalic  becomen!  Lgf  ende  goet  is  al  ver- 
loren, Rein.  II,  3804. 

2)  BeAagen;  Aet  behaagt  mij;ltLt.juvat.  \\ILerodiea 
maecte  daer  na  die  stat  van  Cesarea  in  dere  der 
keyserliker  name,  ende  omme  dat  Aug^tuse  be- 
qname, Bijmb*  20675.  Hoe  dat  soe  sulc  mochte 
WQgen,  dat  Gk)de  beqname  in  alre  wgs,  Sp.  l"*  ^ 
74,  100.  Wondse  mi  te  wive  gheven  die  coninc 
haer  vader  ent  haer  beqname,  Limb.  XII,  902. 
Daer  na  Hi  (Ood)  nam  een  ruste  alsoet  hem  be- 
qnam, Tien  PI.  578. 

BECOMINGE,  znw.  vr.  Yan  becomen  in  den 
sin  yan  behagen  (zie  ald.  B  2). 

1)  Wil^  behagen  y  welgevallen,  Fr.  bon  pUUsir 
{=.  plaeere).  ||Hi  bat  den  coninc  dar  nare,  onware 
sine  becominge,  dat  hi  in  die  stat  ontfinge  den 
coninc  Bandemaguse,  Lane.  II,  21475. 

2)  Yan    sp^zen   en  dranken.   Smaak  er  in\  wil, 


genot  er   van.  ||  (Si)    hebben   luttel  hongers  ende 
luttel  becominge  in  hare  spise,  Hs.  Tp.  121a. 

BECOMMEBEN  (becomeren,  beconberen, 
becummeren),  zw.  WW.  bedr.  en  wederk.  Mnd. 
bekummeren,  bekumberen;  mhd.  bekumbem,  beküm- 
bem.  Yan  eommer,  d.  i.  l€ut  (zie  ald.). 

Bedr.  —  1)  In  nood,  in  moeilijke  omstandig- 
heden brengen,  iem.  lastig  vallen,  last  veroorzaken, 
iem.  kwellen,  belemmeren.  \\  (Si)  te  Tricht . . .  becom- 
mert  waren  met  vele  hoopen  ende  groote  scaren 
van  tshertoghen  volcke,  Brab.  Y.  YII,  543.  Tien 
daghen  .  .  .  was  die  Stat  van  Tricht  becommert 
doe  .  .  .  metten  volcke  van  wapenen,  584.  Als  hi 
om  die  vrucht  nam  goom  ende  hiere  ne  gheen  an 
ne  vant,  biet  hine  houwen  af  te  bant,  want  hi 
becommerde  die  stat,  JUjmb.  24200  var.  (v.  d.  vijgen- 
boom). Si  en  wonde  mit  uwen  dinghen  niet  becom- 
mert sijn  voertan ,  geen  last  meer  hebben  van ,  MLoep 
II,  4022.  Weert  dat  sy  ymant  bekummerden  off 
mit  ghewelltliken  saken  aenveerdichden ,  N^h.  3, 
64.  Gereide  dinen  wagen  ende  ganc  neder  datti 
die  regen  niet  en  becommer,  D.  B.  I  £b».  18,44 
(dat  u  de  regen  niet  ophoude).  Hoe  sal  mij  Pharao 
horen,  sonderlinghe  omdat  ie  becommert  bin  in 
den  lippen,  in  de  spraak  belemmerd,  Exod.  6,  11. 
Sich,  ie  bin  becommert  van  lippen,  hoe  sal  mi 
Pharao  horen?  6,  29.  Overmits  die  verteringe der 
voedeliker  humoren  so  dunt  dat  lichaem  dat  overste 
vander  huut  . . .  ende  becommert  die  stemme  ende 
dnntse,  Barth.  7Sb.  Wanneer  die  snbstancialighe 
vuchticheit  gecormmpeert  is  in  den  lichaem,  soe 
sal  alle  die  werckinge  der  sielen  tegader  becom- 
mert wesen,  76  a.  Si  syn  ter  borsten  becommert, 
belemmerd,  beklemd,  Jan  Tp.  161.  Dat  nyemant 
die  vijf  ambochte . .  becommeren  (AtM  verplichtingen 
opleggen)  sal  van  haren  diken,  noch  van  haren 
slusen  vorder  dan  men  enen  man  becommeren 
mochte.  Mieris  2,  307  a  (a.  1323).  Soe  wie  dat 
kerck  ofte  kerckhof  vervochte  of  becommerde, 
voor  den  dienst  onbruikbaar  maakt,  ontwijdt  (van 
kercken  te  ontwijen),  Schwartz.  1 ,  583  (=  O.  K. 
V.  Enkh.  30,  161).  —  Ook  in  de  bepaalde  be- 
teekenis  van  iemand  in  zijne  bewegingen  belemmeren, 
m.  a.  w.  hem  in  het  oog  houden,  nagaan,  bewaken.  \\ 
Den  hamborgher  scepen  te  becommeren  tot  Yoerde 
ende  anderswaer  buten  der  haven,  dat  si  gheen 
bier  wtsetten  en  souden ,  Bek.  d.  Gr.1, 400.  —  Het 
verl.  deel w.  becommert  wordt  gebruikt  als  bnw. 
met  de  bet.  armoedig,  behoeftig.  \\  Die  vrouwe  die 
daer  was  geseten  bi  den  becommerden.  Vrouw.  e. 
M.  YIII ,  103.  Die  becommerde  constet  qnalic  doghen 
134.  Die  becommerde  quam  weder  gaen  ende  liet 
hem  sinken  in  tbedde  neder,  260.  Ist  dat  dijn 
broeder  becommert  wort  ende  cranc  inder  hert, 
J).  B.  Levit.  25,  35.  Ist  dat  onder  u  eentoecome- 
Uncs  of  eens  vreemden  bant  soe  machtich  wort, 
ende  djn  brueder  so  becommert  wort,  dat  hi  hem 
dien  vercoept,  ald.  47.  So  arem  .  .  .  ende  so  be- 
commert, dat  hy  dese  vorseide  beteringhe  niet 
doen  ne  mochte,  Cout.  v.  Brugge  1,  347. 

2)  Vervullen ,  het  gemoed ,  meestal  met  iets  kwaads 
of  ongunstigs ,  het  bezig  houden.  \\  Gaet  toet  Elyza- 
beth  die  haer  nyet  van  spisen  een  ure  gehueden 
en  can  ende  becommert  haer  herte  met  u,  D.War. 
3,  310,  973.  Die  ydel  eer  .  .,  die  oec  sommighe 
van  den  ouden  menschen  becommert  hevet  ende 
bedroegen ,  Pass.  W.  106  b.  Wat  sal  di  tgoet ,  dat 
emmer  doet  becommert  wesen  dinen  moet?  So 
du  meer  heves  indyn  gewont ,  soe  du  mee  begheers 
dat  gout,  Alex.  YIII,  984.  —  Het  verl.  deelw. 
becommert  in  de  bet.  behept ,  verstrikt,  bevangen. 


807 


BECO. 


BECO. 


808 


II  Comende  om  te  besien  dat  graf,  so  wert  si  be- 
commert  metten  bosen  viant,  Exc.  Cron.  10  a.  Een 
edel  maghet,  die  .  .  .  veel  jaren  becommert  was 
in  haer  selven  inder  liefden  yan  eenen  jongelinc, 
36  b.  Want  si  nocb  teder  ende  cranc  s^n  .  . , 
ende  mit  veel  wijfliker  vresen  becommert ,  Stemmen 
147.  Een  wijf ,  me  twaelf  jaer  van  haerre  siecten 
becommert  hadde  gheweest,  Hs.  71,  Matth.^^  20. 
Die  van  enighen  evel  sijn  becommert,  Ht.  aangeh, 
Sp.  (oude  nitg.),  Dl.  3,  bl.  41.  —  Metter  doot  be- 
commert werden,  eig.  door  den  dood  worden  aan- 
getoet^  d.  i.  moeten  eterven.  \\  legelijc  .  .  hi  en  es 
soe  boghe  nocb  soe  groet,  hi  en  wert  becommert 
metter  doet,  Brab.  Y.  VI,  7361. 

3)  Eene  plaats  beslaan  (meestal  van  iets ,  dat  die 

? laats  niet  YeTèieni)  ^  bezetten ;  vgl.  besletten.  || 
n  den  aldercostelicsten  wjjngaert  en  hadde  hi  gheene 
stede  moghen  becommeren,  Eem,  W.  4  a.  Omdat 
hy  (de  Aof)  al  becommert  ende  bewassen  is  mit 
dystel,  mit  doeme,  mit  netel  ende  mit  alrehande 
ander  cmde,  Stemmen  84. 

4)  Bezigen  tot,  besteden  met,  bezetten.  Met  het 
obj.  tyt(Ygl.  hem  becommeren).  jj  Al  synentyt 
becommerde  hi  met  beden  oft  lesen  oft  scriven, 
Exc.  Cron.  22  d. 

5)  Belasten ,  bezwaren ,  met  schalden ,  plechten  en 
andere  geldeiyke  lasten.  ||  Noch  te  versetten  dorp 
of  stede,  ocht  oec  te  becommeren  mede  land 
ocht  slote,  Brab.  T.  VI,  9037.  Renten  die  be- 
commert waren  te  lossene,  VII,  17248.  Heer- 
licheiden  .  .  die  te  velen  inden  becommert  waren , 
7059.  Tgoede  lant  .  .  .  beswaren,  vercopen  noch 
versetten  noch  becommeren,  VI,  1952.  Int  eerste 
becommeric  alle  mine  leene ,  die .  ie  houdende  bem, 
III  jaer  lanc,  Vod.  Mus.  4,  338.  Den  vorseiden 
benlc  {een  out  bunder  groet)  met  lijfrenten  . . .,  no 
met  gheenen  andren  laste  becommeren  ofte  beswaren, 
340.  Hi  .  .  en  saelt  {het  erf)  niet  mogen  vercopen 
noch  becommeren,  Brab.  Y.,  dl.  2,  bl.  783.  So 
mocht  hi  dese  erve  al  vercopen  ende  becommeren, 
ald.  Dat  lant  is  dnc  becommert,  zwaar  betrist, 
D.  War.  7,  111.  Een  bede,  om  somige  renten  ende 
heerlicheden ,  die  becommert  waren,  te  lossen  ende  te 
ontlasten,  Exc.  Oron.  173  c.  Die princelgcke  domey- 
nen  .  .  .  werden  so  becommert,  ende  belast dattet 
noch  te  daghen  is ,  249  b.  Wat  hnys  off  erve  .  . 
becommert  zijn  mit  renten  off  mit  andren  voor- 
waerden,  O.  K.  v.  Rott.  34,  100. 

6)  In  gerechtelijken  zin.  Beslag  leggen  op  een 
persoon  of  eene  zaak. 

a)  Met  een  persoon  in  den  4den  nv.  lem.  in 
verzekerde  bewaring  nemen,  hem  arresteeren,  waar- 
mede het  meermalen  verbonden  voorkomt.  Vgl. 
ook  BESETTEN  én  BESTELLEN.  ||  So  en  sal  men 
ghenen  man  .  .  .  becommeren  noch  rastieren, 
Nijh.  2, 124  (a.1359).  Mede  en  sal  nyemant  van  ons  . . 
den  anderen  becommeren  noch  besetten  binnen 
den  termine  des  verbonts,  123.  Waert  dat  die 
geen,  die  becommert  ende  beset  wair,  binnen 
een  ure  geen  borge  en  settede,  so  sel  die  bode 
den  genen  .  .  .  den  scout  overleveren ,  Leid.  Keurb. 
196,  12.  Dat  men  die  Vriezen,  die  aldair  becom- 
mert waren,  ontcommeren  soude,  Oorl.  v,  Albr. 
61.  Die  (schipheren)  becommerde  her  Johan  van 
Heemsteden  .  .  .,  omme  dat  zy  solden  toUe  tot 
Staveren  ontfoirt  hebben ,  356.  So  mach  een  poorter 
enen  gast  van  buten  .  .  bekommeren  ende  bestellen 
bynnen  der  vryheit  van  onser  stede  . .  voir  penninc- 
scult  of  anderen  scade,  die  hi  up  hem  te  daghen 
hadde,  513.  Soe  en  sel  gheen  gast  enen  gast  be- 
commeren,   Keuren  v.   Hoorn  {a.  1429)  §  53.    Die 


een  landtman  .  .  mach  den  anderen  .  .  becom- 
meren op  een  eed ,  Schwartz.  1 ,  576  h,  enpastimali. 
—  Het  verl.  deelw.  ook  als  znw.  Een  becom- 
merde, iemand  op  wien  of  op  wiens  goei  haUs 
is  gelegd;  als  het  beslag  den  gebeden  boedel  betreft 
zou  men  den  belemmerde  kunnen  noemen  een  gefail- 
leerde. II  Wie  van  beide  geprefereirt  wordt  int  goed 
van  eenen  becommerden,  den  assisenaere  ofte  knus- 
heere,  Invent.  v.  Brugge  6,  184.  Vgl.  het  glosg., 
bl.  243. 

b)  Beslag  leggen  op  eene  zaak.  \\  Die  noch  die 
lakene  van  Leyden  niet  ontconunert  en  hadde, 
die  hii  becommert  hadde ,  Bel.  v.  L.  187.  Dit 
hi  ontkommerde  een  deel  goets ,  dat  hii  becom- 
mert hadde,  189.  Dat  nyemant  van  ons  hera 
vorser,  of  haren  ondersaten  in  des  anderen  beren 
lande,  sijn  guet,  erfnisse  of  reynten  besetten  oi 
becommeren,  noch  daerover  richten  en8al,Ngk2, 
123.  Ie  doe  u  alhier  een  wete  van  dat  Clais  i 
goeden  becommert  heeft  mit  recht,  Matth.  90. 

Wederk.  —  Hem  becommeren,  óek  heéi 
houden,  met  eene  bepaling,  ingeleid  door  met 

1)  Met  eene  zaak.  Zich  ergens  mede  besig  houie^ 
zoowel  eene  stoffdüke  als  eene  onstoffelgke  zaak, 
of  een  persoon  als  zaak  gedacht.  Eet  UeksM 
of  den  geest  ergens  mede  bezig  houden:  de  halden 
aan  het  werk  zetten  of  de  gedachten  op  iets  riekten 
De  laatste  is  de  meest  gewone  opvatting.  ||  Die 
tfolc  leeren  van  goeden  daden,  ende  en  beet»- 
meren  hen  daer  met,  Kerk.  Cl.  141;  siei  uke* 
daar  niet  mede  bezig  houden,  op  toeleggen.  (Wi) 
sulen  onse  begerde  opheffen  te  Gode  ende  sulen 
ons  becomberen  bit  guden  werken  ende  bit  gnder 
begeringen ,  Limb.  Serm.  16  a.  Dat  si  nyen  woade 
met  geestleken  saken  haar  so  becummeren  nocb 
onledich  maken,  D.  JTar.  3,  310,  997.  Encsgeei 
tyt,  dat  ie  mi  nu  met  uwer  welden  becnnunereB 
moet,  971.  So  dat  hi  hem  becommerde  aheeii 
met  hare,  om  haer  te  done  vrede,  III,  161, 13Ö. 
Daer  si  har  becummerde  mede,  136,  388.  Bissoof 
Frederik  .  .  . ,  die  hem  alle  wege  onledich  makede 
ende  becommerde  mit  synre  kerken  saken,  Matth. 
Jnal.  3,  312.  Dattet  {het  kind)  hem  mei  miii\M&r 
dighen  dinghen  der  werelt  en  soude  becommereB, 
Ned.  Proza  302.  Van  tercietide  totter  noene  be 
commerse  haer  met  wevenden  werken,  116.  Sobe 
commerdese  haer  met  heylige  lessen ,  datse  biaa  al 
den  bibel  houdende  was  in  hair  memorie.  Ere.  Cm- 
6d.  Godevaert  van  Billion  en  sette  geen  gedadita 
op  roven ,  want  hi  hem  beconuneren  wilde  m^ 
onsen  lieven  here,  103  a.  Met  wat  ghedachten  gU 
daghes  ende  nachtes  becommert  sgt,  Gulden  Troe* 
f.  1  b.  Die  altyt  met  goeden  wercken  becomni^ 
is,  16a.  Die  onwgslike  .  .  gedachten  enseldiai^ 
ontfaen  noch  u  daermedebecommeren,18<t— Vo 
het  deelw.  becommert  wordt  de  uitdr.  beeoB' 
mert  snn  gevormd  metdebeteekenis3«:tff9»>Ü 
Na  dat  die  zaken  .  .,  daer  hi  daer  mede  b^* 
mert  was,  vergan^hen  soude,  Brah.  T.  Vn,494" 
Dat  doutste  van  desen  met  haren  gebede  becoffli^ 
soud  wesen,  Christ.  169.  In  welker  timmeringoi  N<^ 
becommert  was  hondert  jaer ,  Boeck  v.  d.  L.J.^" 
Anders  becommert  s^n,  met  amdere  üfS^ 
bezig  zijn.  \\  Christus  is  mi  des  een  getnicb,  dit 
wanneer  ie  anders  becommert  was  ende  voor  bes 
geen  misse  en  dede,  so  openbaarde  hi  mi  is  ^ 
slaep,  Ned.  Proza  284.  —  Het  verL  deelw-  be- 
commert ook  als  bnw.,  in  de  bet.  heag.W^ 
comende  vant  hi  tvolc  becommert  om  sinte  Lu^ 
raden  te  begraven  in  der  kercken,  Exc.  Cr<mA^*' 

2)  Met  een  persoon.  Zich  ophouden  wtet,  oh^m».  il 


809 


BECO. 


BECO. 


810 


Bat  hi  hem  met  reinen  wiven  becommeren  sal, 
Belg.  Mus,  5,  256,10  (de  tekst  heeft  ten  onrechte : 
^dat  men  met  enz."Yerg.  de  Aant.). 

BECOMMERINGEf  znw.  vr.  Van  becommeren 
in  den  zin  yan  arreeteren  (zie  ald.  5  a).  InbeiUg- 
newung^  arrest,  \\  Dair  of  sullen  onse  scout  ende 
scepen  mit  recht  die  partien  scheiden  bynnen  drie 
daghen  na  der  becommeringhe  voirsc.  Ende  waer 
dat  sake,  dlit  eenighe  gast  boven  becommeringhe 
wt  onser  stede  yan  Bodelswaert  sceyde,  die  sonde 
berallen  in  des  claghers  claghe ,  OorL  v,  Albr.  513. 
Alle  becommeringhe ,  die  gheschien  zullen  .  . ,  die 
zal  onse  stadt-boede  doen  .  .,  ende  Tan  elcke  be- 
commeringhe zal  hy  hebben  een  halve  botken, 
Schwartz.  1,  575  6. 

BECOMMERTHEIT,  znw.  vr.  Yan  becommertm 
den  zin  van  behoeftig  (zie  by  becommeren  1). 
Eig.  dus  behoeftigheid^  vervolgens  ook  in  de  con- 
creete  bet.  van  datgene  wat  men  behoeft^  benoodigd- 
keid  (vgl.  de  beide  beteekenissen  van  behoef- 
LUCHEiT).  II  Selden  was  die  borse  ondaen  omme 
enege  becommerthede ,  en  ware  of  sire  (de  Vree- 
heit)  iet  in  dede,  Rosé  246. 

BECOMTE  (becompte),  znw.  vr.  Yan  beeomen 
in  den  zin  van  behagen  (zie  ald.  B.  2).  Bekomst , 
genoegen,  sooveel  als  men  wil.  Yan  spyzen  en 
dranken  gezegd  (vgl.  bedotte  en  bedorste).  Kil. 
vetus:  eonvenientia ,  congruentia,  ||  Ie  dranct  {het 
water)  .  .,  twelke  mi  becam  so  wale  dat  ics  mine 
becomte  dranc,  OVL  Lied,  e,  O,  237,  125.  Ie 
adt  vleesch  (d.  i.  vleesehs)  mijn  becompte,  Ned, 
Kluektsp.  85,  191. 

SECONDEN,  zw.  ww.  bedr.  en  wederk. 
Bedr.  —  1)  Bekend  maken,  verkondigen,  mede- 
deelen,  ||  Haren  here  si  beconden,  dat  die  mensce 
ware  ontbonden.  Franc,  9341.  Te  minen  jonchere  wil 
ie  keren  ende  tsinen  rade ,  ende  hem  beconden ,  wat 
ie  ane  u  heb  bevonden,  Qrtmb,  II,  5415.  Die 
eamt  hemli'eden  daer  beconden ,  Taf,  Lev,  Jez.  1 , 2. 
—  Ook  schjnbaar  onz.  met  het  voorz.  van.  ||  Nu 
wille  ie  u  voert  beconden  van  den  seven  dootliken 
sonden,  N.  Doet,  1916;  vgl.  vs.  37:  Teerste 
deel  sal  beconden  van  den  Vil  dootliken  sonden, 
zal  mededeelen  van,  handelen  over, 

2)  In  gerechtelij  ken  zin.  Bewijzen,  staven,  \\Soe 
wy e  .  .  den  anderen  dreigt  dair  mede ,  dat  he  des 
anders  guet  wuyst  off  ledich  duet  lyggen,  dat 
men  mit  twe  gueden  mannen  bekonaen  kunde, 
Nijh.  4,  182  {a.  1441). 

3)  Kennis  maken  met,  en  YeryolgeïLB'ondervinden, 
gevoelen.  Ygl.  bekennen  ,  1  y).  ||  Jhesus  hadde  alsoe 
menege  wonde,  alsoe  meneghe  doren  hi  beconde, 
X.  o.  H.  2883.  Hoe  groet  torment  heefstu  becont, 
3433.  ' —  Na  mgn  beconden,  naar  mijn  be- 
vinden, gevoelen,  weten',  een  onbeduidend  toevoeg- 
sel. II  Daer  quam  here  Seghere  Yan  der  Male  ende 
syn  sone,  wet  dat  wale,  her  Symoen,  na  mijn 
beconden,  Örimb.  H,  873. 

Wederk.  —  1)  Zich  bekend  maken  aan,  sich 
openbaren,  zich  voorstellen.  Met  den  3den  nv.  van 
den  persoon  of  het  yootz.  jegen.  \\  Enen  kerstenen 
heeft  hi  hem  becont,  Sp.  n%  20,  78.  Here  Jason , 

fhy  moecht  verstaen ,  dat  ie  dorperheit  had  ghedaen, 
at   ie  my  jegen  u  beconde,  Troyen  364.  —  Vgl. 

BECONDIGEN. 

2)  Zich  met  iets  bekend  maken ,  zich  orienteeren.  \\ 
Mi   ghelievet  meest  dese  eerste  waerf  int  foreest 
mi   te  merghene  metten  honden,   dat  ie  mi  daer 
te  bet  wille  beconden,  Parth.  1140. 

3)  Onderling  kennis  maken,  zich  overtuigen,  zich 
vergewissen,  \\  Min  her  Walewein  ginc  sitten  neder 


bider  joncfrouwen  ten  selven  stonden;  ten  irsten 
selense  hen  beconden  onderlinge  van  goder  minne  , 
Lanc.  II,  38316. 

4)  Met  iemand  kennis  maken  in  vQandelyken  zin, 
zich  met  iemand  meten.  \\  Dordy  mit  my  gaen  opt 
velt,  daer  ie  my  met  u  beconden  mach?  Trogen 
f.  57  e.  —  Ygl.   het  volgende   Art.,  wederk.  3). 

BECONDIGEN  (becundigen),  zw.  ww.  bedr. 
en  wederk. 

Bedr.  —  1)  Met  den  3den  nv.  van  den  persoon 
en  den  4den  der  zaak.  Verkondigen ,  bekend  maken , 
mededeelen.  \\  Welke  brieve  die  hertoghe  daer  be- 
cundeghen  dede  .  .  .  heer  Huwaerde,  Brab.  Y. 
YII,  3410.  Om  den  hertoghe  alle  dinghe  te  be- 
cundeghen  .  .  .  met  Merteken  den  bode,  4952.  Ie 
hebbe  ghezent  minen  inghel,  u  te  becundeghene 
dit  in  de  kerken,  Openb.  Joh.  22,  16.  (Hi)  becon- 
dichde  hen  .  .  .  die  poente,  die  bescreven  volghen 
hier  naer,  Brab.  Y.  YII,  12353.  Dies  seldi  van 
ons  horen  becondegen,  wat  boeten  datter  toe  be- 
hoort tselker  mesdaet,  Blisc.  v.  M.  504.  Tscrifture 
seit  in  den  latine  claer  becondicht ,  wi  hebben  alle 
in  Adam  gesondicht,  1221. 

2)  Openlijk  bekend  maken,  afkondigen, 

a)  Iet  — .  II  {Dat  men  sal)  bekondighen  dese 
voirscr.  ordinancien,  Nijh.  4,  234  {a.  1448).  Dat 
sy  .  .  van  onsen  wegen  bekundigen ,  ter  steden  daer 
dat  behoiren  ende  behoven  sal,  ende  gebieden, 
elkermalc  te  houden  enz.,  Brab.  Y.,  dl.  2,  bl.  727. 

6)  Enen  — ,  iemands  naam  openlijk  laten  be- 
kend  maken,  meestal  door  eenen  „helleman"  (zie 
dit  woord).  ||  Dien  .  .  sal  men  openbaerlec  .  .  tot 
allen  hoiricken  (d.  i.  hoeken)  van  den  straten  .  .  . 
bi  den  helleman  van  senteGuedelen,becundeghen, 
dat  yegewelc  die  persene  alsulc  kenne,  als  dair 
vore  zi  becundicht  werden,  Belg,  Mus.  10,  112. 
Ende  soe  waer  die  ghene,  die  aldus  hieraf  be- 
condicht selen  sQn,  daer  na  meer  van  desen  oft 
deser  gelike  saken  besculdicht  worden  vonden ,  die 
soudemen  uter  stad  van  Bruessel  bannen,  ald. 

Wederk.  —  1)  Zich  bekend  maken  aan,  zich 
voorstellen.  Met  den  3den  nv.  van  den  pers.  of  het 
voorz.  jegen,  Ygl.  hem  beconden  en  hem  aconis- 
ciEREN.  II  Hi  sal  hem  jeghen  u  becondighen  saen 
ende  noden  u ,  oft  ghi  wilt  spelen  gaen ,  Flor.  2607. 

2)  Kennis  met  iemand  maken.  Yandaar  de  uitdr. 
becondicht  sgn  met,  met  of  bij  iem.  bekend 
zijn.  II  Dan  gesciede  mi  niet,  dat  ie  liet  man  gaen 
desen  pat,  hine  was  met  mi  becondicht  bat  dan 
gi  noch  s^t,  Rosé  9468;  vgl.  (7  9298:  „Emmer 
moestic  n  bet  kinnen." 

3)  Kennis  maken  met,  in  vijandelijken  zin,  zich 
meten  met.  \\  (De)  Griecken  ende  (de)  Troyene , 
die  hem  met  sconen  (/.  coenen  ?)  ondersiene  becon- 
degen ende  sonder  groeten,  Troyen  3780  var.  De 
tekst   heeft:  versamenen,  d.  i.  handgemeen  worden, 

BECONTSCAPPEN,  zw.  ww.  bedr.  Hetzelfde 
als  beconden  (z.  ald.  bedr.  2).  Bewijzen,  lat.  pro- 
bare.  ||  Ten  zy  saeck ,  dat  de  gewalt  by  den  dediger 
bekent,  ofte  met  onparthydigen  bekundtschapt , 
ofte  by  sententie  ofte  contumatie  verwonnen  were, 
Landr,  v.  Vel.  7,  10.  Soe  verde  men  datselve  be- 
waerheeden  ende  becondtschappen,  conde  datsulcz 
gheschiet  waer,  O.  R.  v.  Dordr.  2,  278,  81. 

BECOORRE  (becoerre  ,  becoerder)  ,  znw.  m. 
Yan  beeoren,  in  den  zin  van  verzoeken  (zie  ald.). 
De  verzoeker,  de  duivel.  \\  Doe  quam  die  becoerre 
of  die  aenvechter  tot  hem  {Jezus),  Es.  71 ,  Matth.  4, 3. 
Doe  die  cloecke  becoerder  den  mensche . .  hadde  . . 
ghebracht  tot  der  hoverdien,  Bienb.  121b,  DiQ 
stricke  des  duvels,  des  b^coerders,  ald,c. 


811 


BECO. 


BECO. 


812 


BECOPEN  (becoopen)  ,  onr.  zw.  ww.  bedr.  (verl. 
tijd  becocht  of  becoff).  Mul.  bekopen. 

1)  Omkoopen  y  voor  zich  trachten  te  winnen  \  hd. 
erkaufen.  Ygl.  ^ecinghelen,  ó^gripen,  ^^ringhelen 
enz.  II  Al  heeft  mi,  seegt  si,  becocht  menech man 
ende  giften  brocht,  nochtan  .  .  .  min  ie  die 
Yoer  al  die  ghene,  die  ie  sie,  Etop.  LXII,  11 
(de  bet  betalen ,  die  voor  deze  plaats  in  het  Gloss. 
wordt  opgegeven,  past  hier  niet;  en  de  verandering 
van  becocht  in  betocht  is  onnoodig ;  verg.  Staten-Bijb., 
Deut,  27,  Kantt.  16:  Richter  ofte  getayge  ofte 
een  moordenaer,  daer  toe  becocht), 

2)  Bij  een  verkoop  toimt  behalen  op  iemand  \  een 
goeden  verkoop  doen  aan  iemand.  —  In  pass.  be- 
cocht sgn,  bekocht  zijn ,  met  tehade  koopen , 
een  iUchten  koop  doen.  Ygl.  het  dial.  miskocht  ^ 
Yan  Dale  94.  ||  Soedat  hy  doende  goede  coopman- 
scepe  ende  die  layden  becoopende,  sy  die  souden 
mogen  anoyeren  (honoreeren) ,  ende  hy  becoft  sijnde, 
soude  die  coop  te  nyet  willen  gedaen  hebben, 
22.  v.  Utr.  2,  218. 

3)  Betalen.  —  a)  Eigenlijk.  Kil.  tatie/acerej 
luere^  solvere.  \\  Hoe  duer  hi  becopen  moeste  den 
mensche  dien  hi  selve  ghemaect  had  mit  siinre 
hant ,  Mandev.  f.lb\  welk  een  grooten  prijs ,  losprijs 
hij  betalen  moest  voor  den  mensch^  dien   enz. 

b)  Overdrachtelijk.  Boeten  voor  iets ,  het  ontgelden. 

Kil.  multari^poenas  dare.  \\  Onse  Here  die  en  woude, 

dat  eenech  man  sonde  becopen  sgns  apostels  Pieters 

ontlopen,    Sp,   I*,   9,   38.    Dns   becochten  si  met 

rechte  groet,  des  heiiechs  Baptisten  doot,  Sp.  P, 

99,  73.   Dat  si  die  diefte  becopen.  Nat.  BI.  YII, 

652.   Saldi    becopen    .    .    uwe  mesdaet  XL  jaer, 

Bijmb.    6725.    Bese    mesdaet    si   sere   becochten, 

5026.  (Doe)  moesten  si  becopen  dese  sake, 27137. 

So  dat  wi  becochten  onse  sonden,  32251.  Ghecke 

minne  die  heeft  becoft  menich  edelinc  hier  te  voren, 

MLoep   1 ,    528.    Hi    sonde  di  doen  becopen  dine 

dompheit  (u  doen  boeten  voor ,  ze  u  doen  opbreken) ,  hi 

sonde  di  doen  slepen  ende  hanghen ,  Flor.  2107.  Nu 

hebbic  diere  ghenonch  becocht  tswaert  te  soekene 

metten  ringhen ,   Wal.  2932.  —  Ook  met  een  begrip 

in  den  4den  nv.,  waarvan  niet  de  persoon,  die  de 

schade    draagt,    de   oorzaak    is.   Boeten  voor  eens 

anders  schuld  \  de  verderfelijke  gevolgen  ondervinden 

van  ietsy   omkomen  door  of  bij  iets^  het  slachtoffer 

worden  van  iets.  \\  £n  lietict  dor  den  sondaen,  wi  beide 

sonden  becorten  mine  meesterie  {meerderheid)  .  . 

maer  doch  seldise  becopen  ghenoech,  Limb.  YII, 

148.   In  sinen  tiden  quam  dorloge  in  Ylaendren 

toe ,  dat  menich  man  becoft  heeft  ende  noch  vortan 

alle    dage    becopen    doet,    Sp.   IY«,  62,    70.    Hi 

hadde  den  wech   te  dire  becocht,  ende  lach  daer 

doet    int    groene    gras,    Lanc.    II,    45174.    Die 

bruloft  .  .  aie  synt  becoft  menich  man ,  Troyen  84. 

Daer  becochten  zi  den   strijt,   Oversee  64.  Yelen 

die  den  wijch  becochten,  Ben.  1624. 

^  Met  het  onbep.  voomw.  dat  of,  meer  gewoon, 
het.  Het  becopen,  het  ontgelden  ^  er  voor  boeten^ 
het  o  f  er  worden  van ;  met  de  ook  onder  a)  gemaakte 
onderscheiding  van  eigen  misdaden  ontgelden^  en 
het  offer  worden  van  ander  er  daden,  jj  Hadde  een 
nte  ere  roten  ghemist,  ende  na  hem  (den  leeuw) 
ghescoten ,  hi  soudene  ter  neder  loopen ;  anders 
dadijt  hem  becoopen ,  Nat.  BI.  II ,  2248.  Dat  si  II  doe 
mesdeden ,  sal  dat  kint  allene  becopen ,  V.  d.  Houte 
194.  Quamic  als  I  liebart  ende  woude  mi  arsatre 
maken,  dat  becochten  mine  kaken,  Esop.  XLIII,  20. 
Die  heylighe  scrifte  niet  en  meynt,  dat  (d.  i.  dat  het) 
Ruben  alleen  sonde  becopen,  MLoep  III,  820. 
Syt  beede  sware  becochten,  Sp.  I*,  69,  36.  Hets 


onrecht  dat  alt  volc  becoept,  dat  clene  menechte 
beloept,  I«  ,  54, 1.  Dat  hQt  hier  also  becochte,  lH* , 
28 ,  7.  U  staert  die  moetet  dan  becopen ,  Hild.  40 ,  59. 
Die  motent  selve  al  becopen,  135,  118.  Het  lal 
emmer  yemen  becopen ,  Mask.  750.  Soe  at ,  dat  soe 
zint  becochte,  Rijmb.  640.  Dat  becochtse  in  suiker 
wize ,  743.  Wie  so  Cayme  yermoort  .  .  . ,  sevcnvout 
sal  hyt  becopen,  893;  vgl.  nog  1046,  2974.  Soe  es 
onsculdich,  die  scont  es  mgn;  doet  becopen  dies 
de  scnlde  sgn,  straf  hem^  die  de  schuld  heeft. 
Flor.  3668.  Helpt  hn  Christus  ontfaermicheit  niet, 
ghi  sullet  jammerlike  becoopen ,  Ned.  Proza  19.  — 
Ook  reeds  met  eene  bepaling  met  met,  waarmede 
bekoopen  thans  onafscheidel^k  verbonden  is.  i|  Dat 
heeft  die  waerde  coninghinne  mitten  live  dier  becoft, 
MLoep  I,  548.  Dat  hi  dicke  adde  ghesocht,  ende 
met  menigher  pine  becocht.  Wal.  2867. 

—  Aanm.  Onjnist  is  de  oitdr.  die  doot  be- 
copen. Kal.  6 ,  82 :  II  Tdoeghen  dat  ghi  Uden  mocht, 
toter  doot,  die  ghi  becocht.  —  Evenmin  zoodeo 
wij  kannen  zeggen :  den  dood  ontgelden ,  yoor :  iets 
met  den  dood  bekoopen. 

BECOREN  (becueren),  zw.  ww.  bedr.  Mnd. 
bekoren ;  mhd.  bekom.  Yan  coren ,  d.  i.  proeven  (xi€ 
ald.  en  vgl.  Taal-  en  Lettb.  1,  160—164). 

1)  Proeven  j  smaken. 

a)  Eig.  II  De  gene  died  doen  yan  har  hoerden, 
ende  died  proefden  ende  becoerden,  si  seidei, 
dattet  spekele  yan  haren  monde  was  sneter  das 
enech  honech,  D.  War.  3,  133,  334.  Het  sonde 
werden  sere  te  sure  eer  men  die  tegheline  mare 
ende  den  roden  morter  scoorde,  die  meneger 
beesten  bloet  becoorde,  Alex.  Y,  897.  De  zin  is: 
de  „kalk,  die  het  bloed  van  vele  beesten  had 
geproefd  of  gedronken" ;  vgl.  vs.  852  en  T.  en  Letth. 
4,  108. 

b)  Fig.  Smaken ,  ondervinden ,  zeldzaam  met  dei 
2den  THadew.  1,  21,  16;  Z.  p.  Jez.  c.  240),  gew. 
met  den  4den  nv.  der  zaak.  Ygl.  JHut.  2,  207: 
becoren,  eomperiri.\\  kl%  een  mensche  heeft  ghe- 
sworen,  dat  hi  mi  {de  vunne)  nemmer  en  wü 
becoren  .  . ,  so  come  ie  stille  mit  minen  vnre  ende 
onsteke  al  siin  nature,  D.  War.  7,  387,  109.  Der 
minnen  plegen  es  onghehoert,  alse  hi  wel  kint, 
dies  hevet  becoert,  Hadew.  1,  21,  15.  Om  tswaer 
vemoy  ende  verdriet,  dat  hi  dogede  ende  wilde 
becoren  doer  onsen  wille,  Lucid.  1462.  Cleiae 
troest  eest  mi  .  .  dat  mg  n  meester  twee  pinencort, 
ende  ie  dan  ene  becoren  moet,  Bincl.  419.  Binnei 
vijf  dusent  jaren  moest  alle  die  helle  becoren  [di 
pijnen  der  hel  lijden)  ^  dat  van  menschen  wait 
gheboren,  Lsp.  UI,  23,  118. —  Zonder aitgedrakl 
object  vindt  men  becoert  hebben,  Hadew. 
1,  175.  Ondervinding  hebben.  \\  Mi  es  alse  eafs 
kinde  gesciet,  dat  na  sprect  dat  het  sprekei 
hoort,  eert  bekint  hevet  ocht  becoert  —  Vooral 
gebruikeljk  in  de  uitdr.  die  (der)  doet  be- 
coren, den  dood  smaken^  ondergaan.  \\  Meneek 
sal  daer  omme  de  doet  becoren  ende  mes  winde, 
eer  dorloghe  comen  sal  ten  inde ,  Melib.  408.  Gou 
moester  oic  om  senden  sinen  soen  in  eUendei 
ende  die  bitter  doot  doen  becoren,  Lsp.  1,22,37. 
Hoe  selen  wy  sonder  u  moghen  leven?  Wat  dode 
souden  wy  dan  becoren,  ochtewyu  aldus  verlor»! 
Troyen  5841.  Scheemte  heeft  meneghen  hoo^ 
gheboren  edelen  doen  die  doot  becoren,  Brah.  T. 
YII,  3243.  Ie  sal  op  dese  stonde  becoren  hier  die 
bitter  doot,  Fergi  899.  {Si)  bat  die  om  die  dotvt; 
mi  dunct,  si  heeftse  becort,  1005.  Ghi  selt  emmtf 
die  doet  becoren,  Limb.  I,  1860.  Soe  dat  hi  die 
doet  becorde,  XII,  304.  Hoe  hi  (CAmAi*)  die  doet 


843 


BECO. 


BECO. 


814 


moeste  becoren,  hoe  oat  hi  was  doe  hi  starf, 
Yelth.  YIII,  15,  10.  Ghi  moeten  na  ter  steden 
cronen,  of  gi  selt  de  doet  becoren,  Y,  35,  32. 
Tote  dat  hi  de  doot  becoorde.  Franc.  3423  (de 
tekst  heeft  ten  onrechte  öezoorde).  Dat  hl  die 
doet  nien  sonde  bekoren,  hine  sonde  tierst Eerste 
hebben  ghesien ,  L,  v.  J.  c,  24.  Dat  Christns  moste 
becoren  der  doet  ende  des  derds  dags  weder 
opherstaen,  e,  240.  —  Die  see  becoren,  de 
{jgevaren  der)  zee  ondervinden^  zich  op  zee  wagen.  || 
Nu  wil  ie  n  echt  seggen  Yort,  hoe  hl  die  zee 
voort  becoort,  Sp.  IV*,  49,  7.  Vgl.  onze  nitdr. 
zee  kiezen  en  mnl.  die  doot  kiesen,  d.  i. 
ondergaan. 

Aanm.  —  Onjnist  wordt  het  ww.  gebmikt 
Vad.  Miu.  1,  392,  17:  ||  Met  miere  valscheit 
hebbic  verloren  die  ghene,  die  was  myn  toeverlaet, 
dat  salie  metter  doot  becoren!  —  De  dichter  had 
moeten  schry?en  (of  heeft  geschreven)  „  daerbi 
salie  die  doot  becoren.'''*  Misschien  ook  verwarde 
hij  in  zijne  gedachten  becoren  met  becopen.  Vgl. 
de  Aanm.  bg  becopen. 

2^  Beproeven^   verzoeken^  in  verzoeking  brengen. 

a)  Tot  het  kwade  aanlokken  ^  zinnelijke  begeerten 
M  iemand  opwekken. 

a)  Met  een  persoon  als  onderw.  ||  Chenobea  was 
van  sinnen  wilt  ende  lyet  hoer  Yenns  so  becoren 
dat  sy  enz. ,  MZoep  III ,  558.  Nn  sie  ie  wael  te 
voren,  men  sonde  n  wel  mit  ghelde  becoren, lY, 
2085.  Niet  lichtelic  en  zondese  (mijn  wijf)  mynu 
bekaeren,  Ned.  Kluchtsp.  79,  7.  Om  dattn  metter 
zonde  becners  natnere,  0V7.  Lied.  e.  O.  493,  90. 
\Vie  hevel  dijn  herte  das  becoert?  fF'ap.  Mart.  I, 
150.  Waer  mede  ghi  heren  herte  becoort,  Sc.  e.  CL 
47.  —  Yooral  met  den  geest  van  het  kwaad,  den 
duivel^  als  onderw.  ||  Om  dat  hi  (de  duivel)  te  min 
lal  becoren  die  ghene ,  die  daer  messe  horen ,  Lap. 

II,  52,  7.  Soe  wye  dat  in  wanhope  sy,  daer  is  die 
fyant  gheeme  by,  want  hy  en  dan  best  becoren 
mach,  Hild..l44,  167.  Dattene  («^ ^^utp^Q  verwan 
te  siere  scame  Jhesas  met  vastene,  als  hine 
becoerde,  Sp.  II*,  23,  292.  Dit  (Zam)  was  becoert 
van  den  viant  om  te  brekene  onser  coringen  bant 
433.  Hi  hoerde  dat  Sathanas  sijn  wgf  becoerde, 
Belg.  Mue.  10,  52,  29.  Der  boese  gheyst,  die  den 
heiÜghen  man  Job  bekoorde,  Serv.  II,  353.  Die 
davel  altoes  begheert  den  mensch  te  become, 
Beatr.  65.  Met  qoader  liste  .  .  becordise  met 
vleescheliker  sonde,  die  nonne,  69.  Die  dnvel 
becorese,  929.  Hoe  dat  Jhesas  Christas  wart  be- 
koert  in  der  wastinen  van  den  evelen  gheeste, 
L.  V.  J.  c.  24  Optchrift.  Niet  en  verstaet  in  dit 
woort  dat  God  onse  here  yement  becoOrt  anders 
dan  {slechte  tracht  hij  hen  te  brengen)  talie  goede , 
Lep.  Il,  41,  147.  —  De  „viant"  wordt  somtijds 
ook,  als  bekend,  weggelaten.  ||  Wi  en  seggen  niet , 
dat  die  Gods  sone  becoert  was  iet,  maer  die 
menscheit,  Sp.  II*,  23,  295.  Die  wise  worden  wel 
becoort  of  op   ene  tijt  verdoort,  Hild.  194,  159. 

^  Met  eene  zaak  als  ondw.  Ten  kwade  ^  tot 
zonde  aanlokken^  brengen.  \\  Noyt  man  en  wart  ghe- 
boren,  zach  hi  Marien,  dat  hem  becoren  mochten 
eaighe  dorpemien,  Lett.  N.  W.  6*,  76.  Laet  ha 
blootheit  niet  becoren,  dat  si  hu  bringhe  ineene- 
ghen  vare ,  Denkm.  3 ,  88 ,  149.  £lc  mensche  wert 
becoert  van  siere  begherten,  Doet.  II,  511.  (Hi) 
vragedem  ten  eersten  worde,  wat  dinge  dattene 
beoorde,  Sp.  III',  30,  77.  Wat  mit  sonden  is  be- 
coort, diat  gaet  in  dnnsterheden  voert,  Hild.  224, 

III.  Wanten  (Jezus)  noyt  sonde  hecorde ,  Lett.  N.  W. 
5*,   18.  Hoe  si  met  ere  dolre  minne  becort  was, 


Beatr.  986.  Die  ander  clerc  wert  becoert  met  hare 
minnen  ende  beseten.  Boerden  III,  24.  In  die 
oefeninghe  .  .  en  mach  die  mensche  niet  becoert 
werden  van  enigher  sonden,  Rnnsb.  4,  27.  Si  en 
hebben  vleisch  noch  bloet,  daer  men  die  sonden 
mede  doet,  oft  datse  ten  sonden  iet  becoert, 
on.  Ged.  3,  133,  187.  —  De  onb.  wijs  als  znw. 
gebmikt.  Verzoeking.  \\  Dat  becoren  van  Lncifer, 
den  helschen  draken,  Hild.  220,  74.  Dat  doet  dat 
vleesch  in  toren  (/.  des  vleesch  becoren) ,  iZ^V  II, 
5844.  Een  reyn  wijf  die  wedersteyt  alle  becoren 
van  binnen,  Frouw.  e.  M.  Y,  50. — Becort  syn 
met  een  onbep.  wijs ,  eig.  in  verzoeking  sijn  om ,  m.a.w. 
lust  hebben^  neiging  gevoelen.  \\Tt  vraghene  ben  ie 
becoert,  Wap.  Mart.  I,  595.  Altoes  was  hi  becort 
te  comene  ten  keyserike,  Sp.  Il*,  23,  20. 

b)  Beproeven^  op  de  proef  stellen^  polsen.  WDtX 
men  enen  sot  becorde  om  wysheit,en  waer  gheen 
profijt,  Vad.  Mus.  2,  188,  330.  Ghi  heren,  wat 
wildi?  ghi  gaet  seer  becoren  mi,  Vrouw,  e,  M. 
lY,  203  (Umb.  XI,  99).  Dit  spraken  si  om 
hem  te  bekome  ende  omme  oksnn  te  vindene 
jeghen  hem,  L.  v.  J.  c.  164.  Waer  omme  bekordi 
mi?  Togt  mi  de  mnnte  dar  men  den  tsens  mede 
ghildt,  c.  171.  WathiantwerddedenPhariseensen, 
die  heme  wonde  bekoren,  c.  138  opschrift.  Doe 
qnamen  die  Pharisense  tote  hem  omme  hem  te 
bekome,  c.  138.  Nadien  dat  dese  dinghen  das 
gedaen  waren,  soe  becoerde  God  Abraham,  2).  B. 
Oen.  22,  1.  God  becoerdese  (de  rechtvaardigen) 
ende  vantse  syns  waerdich ,  ald.^  B.  d.  Wijsh.  3,5.  — 
God  becoren,  Ood  op  de  proef  stellen^  zien 
hoever  zijn  geduld^  zijne  lankmoedigheid  zich  uit- 
strekken^ Ood  verzoeken.  \\  Moyses  seide:  .  .  waer 
om  becoerdi  den  Here?  D.  B.  Exod.  17,  2.  Dn 
en  sals  den  Here  dinen  God  niet  becoren,  also 
dn  hem  becoerdes  in  die  stat  der  becoringhen, 
Deut.  6,  16. 

Aanm.  —  By  Nyh.  (5,  89)  komt  becoert  (be- 
kairt)  voor  in  eene  beteekenis,  die  als  een  germa- 
nisme te  beschonwen  is,  nl.  in  die  ykh verzoeken ^ 
aanzoeken y  uitnoodigen,  vermanen,  welke  bet  in 
het  Mnd.  zeer  gewoon  is.  Ygl.  Lubben  1,  215a.  || 
So  dan  .  .  onse  goedige  here  van  Cleve  .  .  dnrch 
schrifften  ind  baitschappen  hoge  bekairt  ind  ermaent 
is,  nmb  denselven  van  Egmont  ind  stat  Arnhem 
hnlpe  ind  bijstant  to  doen. 

BECOREN.  Zie  Becueren. 

BECOREN.  Zie  Bekeuren. 

BëCORINGE.  Zie  becuerinoe. 

BECORINGE  (becueringe^,  znw.  vr.;  mv.  be- 
coringhen. Mnd.  becoringe\  mnd.  bekorunge.  Yan 
becoren  in  den  zin  van  beproeven,  verleiden  (zie 
ald.  2).  Vezoeking,  verlokking  ten  kwade.  In  het 
Katholieke  Onze  Vader  nog  heden  gebrnikelijk 
voor  verzoeking.  ||  Yan  becneringhen  ende  van 
temptacien,  die  hi  algader  wederstoet,  Amand  I, 
1451.  Dat  hi  den  viant  mochte  wederstaen,  die 
hem  vele  becneringhen  hadde  ghedaen,  II,  1307. 
Soe  dattn  sels  in  eren  bliven,  ende  becoringhen 
van  di  driven,  Vad.  Mus.  1,  396,  82.  Ghy  snit 
waken  ende  beden,  op  dat  ghy  in  gheyne  be- 
coringhe  en  treden ,  Serv.  1 ,  44.  En  leidt  ons  niet 
in  becoringhen,  Lsp.  II,  41,  21  var.  en  146  var. 
En  laet  ons  in  neghene  becoringhe,  maer  beboet 
ons  van  qnade,  Vad.  Mus.  2,  418.  (Jezas*)  be- 
coringhe in  der  vasten.  Stemmen  22.  Overmids 
welken  .  .  in  der  tijt  der  becoringhen  dat  ghemoede 
nter  woeninghen  der  doechden  ghestoten  wort,  93. 
In  tranen  ende  in  becoringhen,  die  mi  toeghe- 
comen  syn  van  den  Joden,  Hs.  75,  Hand.  20,  19. 


815 


BECO. 


BECO. 


816 


—  Ook  Tan  hecoren  in  de  uitdrukking  God  be- 
coren  (zie  ald.).  Het  verzoeken  van  God,  \\  Ende 
hi  hiel  den  naem  van  dier  stat  becoringhe, 
om  den  twist  der  kinder  van  Israhel,  ende  om 
dat  si  den  Here  becoerden,  J).  B.  Exod.  17,  7. 
Zie  een  tweede  voorbeeld  bij  becoren  2  b), 
BECORTEN  ,  zw.  ww.  bedr. 

1)  Verkorten  \  Tan  een  ^reg  f^ete^^  ^  snel  afleggen, 
Ygl.  het  Lat.  viam  eorripere.  ||  Becortende  den  wech 
Tan  Bruessel  tot  Parijs  op  II  nachten  ende  eenen 
dach,  Exe,  Cron,  119r. 

2)  Verkorten,  te  kort  doen,  nl.  iemand  in  zQn 
rechten.  ||  Niet  te  dogen,  dat  sy  ofte eenig bekort 
ofte  belast  worden  in  der  Trjheden,  Handv,  v. 
Medembl  (Ah  {a,  1393). 

3)  Een  einde  maken  aan  iets.  \\  En  lietict  door  den 
.keyser  rike,  het  worde  becort  hier  ter  tyt   hare 

Talsceit  ende  haer  nyt,  Lorr.  II,  4009.  —  Vooral, 
ja  zelfs  bijna  uitslnitend  in  gebruik,  als  term  nit 
het  ridderwezen.  Een  geschil,  een  twist  beslechten, 
door  een  tweekamp  beslissen;  voor  eene  beleediging 
in  een  tweegevecht  voldoening  zoeken.  —  a)  Met  bij- 
Toeging  Tan  het  Toorw.  strQt,  twist.||  Die  desen 
twist  ende  desen  strijt  dar  becorten  in  een  crijt 
jegen  enen  Tan  hier  binnen,  Lanc.  III,  18262. 
Wi  sullen  desen  stqjt  nn  sceiden  ende  becorten 
tnsschen  ons  beiden,  C.  en  El.  376.  TgheTecht 
becorten  enten  str^t,  Segh.  6335. 

b)  Meestal  eTenwel  met  het  onbep.  Toomw.  het 
(dat)  als  Toorwerp;  het  becorten,  hetgeen  dns 
ongeTcer  gelijkstaat  met  ons  duelleeren,  een  twee- 
kamp (mnl.  eenwijch)  houden.  ||  Beter  eest  dat 
wi  twee  dat  becorten,  dan  daer  mee  liede  selen 
lijf  Terliesen,  Velth.  II,  7,  56.  Waer  ie  gesont, 
dat  becorte  ie  na  ter  stont,  ende  sonts  wel  n 
wedde  ontfaen,  Lorr.  III,  23.  Mach  men  dan  Tan 
alre  sake  te  payse  bringhen  wel  n  tween,  dat 
si  te  goede  ofte  neen,  .  .  het  wert  becort  op 
enen  dach,  Parth.  7857;  „dan  zal  er  een  twee- 
kamp dienen  plaats  te  hebben.'^'*  Hi  wildet  be- 
corten herde  bonde  metten  swerden  (/.  swerde), 
Velth.  II ,  6 ,  78.  Dies  willic  comen  in  een  crjjt . . , 
te  becortene  tnsschen  twee  sonneschgn ,  Wint.  e.  S. 
301.  Dar  hijt  becorten  jegen  mi,  Lorr.  II  3203. 
Dorendiit  becorten  jeghen  mi ,  of  anders  moet  si 
ontsculdich  wesen,  Limb.  III,  938.  Wildi  mi  recht 
hier  lenen,  soe  willict  becorten  merghen  Trouch, 
1031.  Wildijt  becorten  nu  ter  tijt  hier  Tore  hen 
in  een  crijt?  Lanc.  II,  40965.  Nu  hoet  u  jegen 
mine  steken  oft  gi  cont:  het  moet  hier  nu  becort 
sijn  tuscen  mi  ende  u,  41610.  Welet  ieman  be- 
corten alse  riddere  Tri  jegen  hem,  come  ende 
wint,  III,  15211.  Waerdi  te  Toet, ie sout becorten, 
des  syt  Troet,  15388.  Torec  seide:  dit  nes  niet 
waer,  ende  dat  willic  thans  becorten  daer,  25268. 
Mergen  selew^t  becorten  dan,  26653.  Sceiden  is 
een  blode  mans  aert,  maar  een  coen  man  becortet 
mitten  swaerde,  Ned.  Proza  352.  —  Somtijds 
wordt  becorten  gebruikt  als  krijgsterm.  Door 
een  geregeld  gevecht  tnsschen  twee  legers  uit- 
maken,  beslechten.  \\  Datsi  met  swerden  ende  met 
kniTen  becorten,  wient  {Woeronc)  Toort  soude 
bliTen,  Heelu  1444.  Tomech  ende  gram,  dat  hi 
niet  mochte  becorten  dan  donrecht,  datmen  hem 
leide  an,  Brab.  T.  V,  3582.  Laet  ons  becorten 
harde  tnsschen  ons  lieden  metten  swerde,  Velth. 
II ,  51 ,  33.  Alse  Here  Symon  sach  dese  dinc , 
wildyt  te  Telde  becorten  nu  in  enen  stride ,  1 ,  52 ,  8. 
So  wilde  hi  met  strgde  becorten,  wie  here  Tan 
Rode  bliTen  soude ,  Exc.  Cron.  130c.  —  Sijnrecht 
becprten,  zijn  recht  bekampen,  er  voor  opkomen , 


vechten.  \\  So  was  hi  tomich,  dat  hi  sgn  recht 
met  stride  niet  becorten  en  mocht,  ald.  —  Ook 
in  den  zin  Tan  om  iets  vechten.  \\  En  lietict  dor 
den  soudaen,  wi  beide  souden  becorten  mine 
meesterie  (d.  i.  meerderheid) ,  Limb.  VJJ ,  148. 

BECORTINGE,  znw.  Tr.  Van  becorten,  in  den 
zin  Tan  iets  door  een  tweekamp  beslechten  (zie 
ald.  2b).  Tweekamp,  duel.  ||  Van  natueren  es  hi 
quaet,  die  niet  en  heelt,  dat  hi  weet,  daer  comt 
af  so  menech  leet,  loghene ,  becortinghe  ende  rouwe, 
Belg.  Mus.  10,  343,  4. 

BECOSTEN,  zw.  ww.  hedr.lSjïd.  bekosten;  mhd. 
bekosten.  De  kosten  van  iets  dragen ,  bestrijden;  iets 
bekostigen.  ||  Int  XXVIIIste  jaer  .  .  .  ne  mochte 
ment  al  becosten  niet ,  Bijmb.  13678  var.  (nl.  de  repa- 
ratien  aan  den  temper).  Ens  niemene  .  .  .  alse  rijcke 
nu  Tan  goede,  die  tweede  minste  becosten  mochte, 
TS-ogen  5450.  Soe  sal  male  bi  hem  seWen  sgn 
huns  becosten  te  breken,  te  stutten  ende  weder  te 
maken,  Overijs.  Recht  I\  15.  Dat  die  laden  .  .  . 
desen  Aesdam  .  .  .  Toertmeer  becosten  zullen  ende 
aeuTaerden,  sonder  cost  ende  sorge*onser  porters, 
Priv.  V.  Brielle  2,  16.  So  sal  hy  die  more  mede 
becosten,  Stadsr.  v.  Zwolle  143,  noot  3.  Dieghoten 
to  becostene  ende  to  heldene  ...  in  allen  dien 
ghcToeghe,  die  daer  Toer  gheseghet  is,  ald.  144, 
noot  2). 

BECRACHTEN  (becraften),  zw.  ww.  bedr. 
Mnd.  bekre/ten,  bekvechten,  bekrachten;  mhd.  be- 
kreften.  — 1)  Met  kracht,  d.  i.  met  geweld  ten  onder 
brengen,  overwelven,  onderwerpen.  Van  personen 
en  land  gezegd.  ||  Soe  consenteren  wj)  Aylof  ende 
Sicke  .  .  .,  horen  cost  ende  scade  te  Terhalen  up 
onsen  Tyanden  in  OistTrieslant  als  OTerhorige  ende 
meynedige  Inde,  wair  sise  becraften  moghen,  Oorl. 
V.  Albr.  532.  Dattie  stat  hair  te  baten  woude  comen 
ende  helpen  hoir  die  geen  becraften ,  die  Tselsteyn 
gewonnen  hadden,  Matth.  Anal.  3,  357.  Waeit 
sake  dat  sy  Amersfoert  becrachten  of  gewinnen 
conden ,  ald.  377.  Dat  hi  die  stat  geronnen  hadde 
ende  becrachtet,  Exc.  Cron.  212  ó.  Of  wg  .  .  . 
becrachteden  enich  slot  of  stede  binnen  mgns . . . 
heren  Tan  Borgoengen  landen ,  Nijh.  4,  40  (a.  1426). 

2)  Met  eene  zaak  in  den  4den  ut.  Hjomdhaeen, 
in  kracht  houden.  \\  Dat  sy  alle  tijt  hulpen  starken 
ende  Torderen  sullen  ons  liefs  heren  .  .  .  tolners 
ende  zeeTonders  in  alle  saken,  die  zijs  te  doen 
sullen  hebben,  om  ons  liefs  Heren  tollen,  ende 
zeeTont  te  becraften,  Oorl.  v.  Albr.  504. 

BECRACHTER,  znw.  m.  Rij  die  sich  meester 
maakt  van  iem.  of  iets.  Slechts  als  Tar.  bg  Matth. 

82.  Zie  BECRACHTICH. 

BECRACHTICH,  bnw.  Vgl.  besculdich,  be- 
SONDICH,  BEBLOEDICH.  Krachtig,  sterk.  \\  Item 
sal  die  bode  wesen  een  becrachtich  Tangher  ende 
een  aentaster  der  misdadigher,  Matth.  82  {var. 
becrachter,  Tanger). 

BECRACHTIGEN  ^becraftigen  ;  in  Duitsch 
gekleurde  stukken  ook  becrechtigen),  zw.  ww. 
bedr.  Mnd.  bekrechtigen ,  bekreftigen. 

1)  Met  kracht  en  geweld  onderwerpen,  overwel- 
digen, onderwerpen,  ten  onder  brengen;  Tan  land 
en  personen  gebruikt.  ||  Wie  die  ghene  waren ,  die 
hadden  helpen  raden,  dat  Vianen  becrafücht  soude 
worden,  Mlatth.  Anal.  1,  477  (Tgl.  475:  hoe  die 
Joncker  Tan  Brederode  Vianen  weder  kreech).  (Hi) 
becrachtichde  syn  lant  weder,  dat  hem  afgewonnen 
ende  Terdestrueert  was,  3,  305.  In  den  jaer  139$ 
geboot  Hertoch  Aelbrecht  .  .  .  heenraert  ...  om 
Vrieslant  te  becrachtigen,  ald.  308.  Doe  toock 
Hertoge  Willam  in  den  lande  Tan  Lndic  mit  heer-; 


817 


BECR. 


BECR. 


818 


crachte,  bernde  dair  veel  dorpen  (ende)  becrach- 
tichde    sommifi^e    steden   ende    sloten,    ald,  337. 

Slerknles)  hadde  vui  int  oest  tot  int  westeynde 
e  werelt  so  verre  becrafticht,  so  dat  hi  .  .  . 
sün  palen  stac  in  de  Spaensche  zee,  om  die  over 
te  bmgghen  tot  in  Africa  ende  dat  oec  te  becraf- 
tighen,  Ned,  Proza  127.  Die  stadt  van  Bourges, 
die  bi  beleyde  ende  becracbtichde ,  Exe,  Cron.  64  d, 
Soe  badde  bertogbe  Willem  van  Sassen  bebende- 
lijcken  ende  bedriecblgcken  dat  bertoechdom  ingbe- 
nomen  ende  becracbticbt,  185  b.  Dat  bise  (dettad) 
met  vecbtender  .  .  .  bant  gbewonnen  ende  be- 
cracbticbt beeft,  206  b.  Int  jaer  1470  onam  dye 
grote  Tnrck  .  .  .  ende  becracbticbden  dat  grote 
eylant,  gbenoemt  Enboyen,  207  b.  Te  trecken  voor 
die  stadt  van  Lndic,  om  die  te  becracbtigen  ende 
gansselick  te  vernielen,  216a.  Dat  (Auy^^^Z^^ikir) 
weder  te  wynnen  ende  te  bekrecbtigen ,  Nijb.  3, 
85.  (Dat  si)  .  .  .  andre  slote  of  lande  bekrecb- 
ticbden  of  gewnnnen  bg  oestsyde  der  Emesen ,  ald. 
224.  Lande  te  bekrecbtigen  an  beiden  sijden  der 
Emesen,  ald,  Gby  snit  weeten,  dat  dese  keyser 
annam  die  slaven  te  becracbtigen,  omdat  zy  den 
rijke  ongeboersaem  waren,  Clere  47.  Dat  dese  keyser 
Heynric  annam,  die  Slaven  te  becracbtigen,  38. 
(Die)  Westvriesen,  die  bi  becracbtigede  ende  bem 
eendeels  onderdaen  maecte,  43.  Die  bem  grote 
hnlpe  bigebracht  bebben,  om  sün  recbte  erve  te 
helpen  becracbtigen,  30.  (Hi)  toocb  daer  mede 
tAlcmaer,  om  die  Westvriesen  te  becraftigen,  121. 
Wairt  dat  yemandt  die  stede  van  Leyden  becracb- 
tigen wilde,  Bel.  r.  L.  251.  —  Een  lant  be- 
cracbtigen ane,  een  land  terugbrengen  aan, 
weder  vereenigen  met.  \\  Die  landen  van  Yrieslant 
weder  te  becracbtigen  an  der  Graeffelicbede  van 
Hollant,  also  dat  beboerde,  Mattb.  Anal.  3,  300. 

2)  Versterken,  bevestigen.  Met  eene  stad,  een 
land,  en  derg.  in  den  4den  nv.  ||  Tot  wat  tyden 
dat  Hertoge  Ailbrecbt  belieft  te  becracbtigen 
die  stede  ende  tlant  van  Koevoerden,  Oorl.  v, 
Alhr.  483. 

BECRACHTINGE  (becraftinge  ,  in  Duitscb 
gekleorde  stnkken  ook  becrechtinge),  znw.  vr. 
Onderwerping,  tenonderbrenging.  \\  Inder  becraftinge 
van  onsen  lande  van  Oistvrieslant  .  .  .,  van  onsen 
ongeboersamigen  ende  meynedigen  Inden,  Oorl.  v. 
Alb.  527.  Inder  becraftingbe  van  onsen  lande 
van  Oistvrieslant  529.  (Wi)  geloven  beren  Symon 
Yoim.  inder  becraftinge  ons  lants  te  bnlpen,  534. 
Als  oick  sommigen  van  den  steden  oere  brieve 
van  oeren  privilegyen  in  der  overtreckingen  ende 
bekrecbtingen  diss  lantz  ontweldicht  sijn,  Nyb. 
5,  75  (a.  1477). 

BECRAFTEN ,  BECRAFTIGEN ,  BECRAF- 
TINGE. Zie  BECRACHTEN,  enz. 

BECRAKEN ,  zw.  ww.  onz.  Hetzelfde  als  eraken 
(rie  ald.).  Op  iemand  neerkomen,  iemand  treffen. 
Met  bet  onderw.  scade,  ongeval  of  eene  andere 
ongunstige  zaak,  en  eene  bepaling  met  op,  ter 
aanduiding  van  den  persoon,  dien  bet  ongeluk 
treft.  II  So  langbe  vliegbet  si  bem  acbter,  dat  die 
scade  ende  die  lacbter  op  die  moeder  moet  be- 
craken,  Nat.  BI.  III,  985.  Onderwint  di  niet  van 
fheenre  daet,  die  tot  di  waert  niet  en  gaet,  want 
du  moocbst  (/.  mocbts)  varinge  maken,  dat  al  op 
die  (/.  di)  sonde  becraken ,  Mattb.  Anal.  1 ,  66^ 
(Bouc  V.  Sed.  353).  Te  groten  rampe  ende  sere  te 
goede  (/.  tongoede)  quaemt  den  meestere  diese 
maecte,  want  allene  np  bem  becraecte  tongeval. 
Wal.  7912. 

BECRANKEN,    zw.    ww.    bedr.    Hetzelfde  als 


vererancken  (zie  ald.).  Verswakken,  jj  In  die  juncturen 
so  wartet  {de  wijn)  suur  ende  becrancket  de 
juncturen ,  Lanfr,  1099.  —  Overal  elders  leest  men 
in  dat  bs.  vererancken,  docb  ook  becrancken  kan 
bestaan  bebben. 

BECRIGEN,  st  ww.  bedr.  In  handen  krijgen, 
betrappen,  pakken,  \\  Also  varre  als  byen  becrigben 
can  binnen  desen  palen,  O.  R.  v.  Dordr,  2,  298. 

BECRINGELEN ,  zw.  ww.  bedr.  In  een  kring 
omsluiten,  omsingelen.  Vooral  in  gebruik  in  bet 
verl.  deelw.,  in  de  overdracbtelijke  bet.  van  in  nood 
verkeerende,  in  het  nauw  gebracht,  benauwd,  be- 
angst, II  Si  s|jn  becringelt  int  lant  ende  inder 
wildernissen  sfjn  si  besloten,  J),  B.  Exod.  14,  3. 
Doe  dit  die  kinder  van  Israbel  sagen,  dat  si  be- 
kringelt  {Staten-Bijb.  in  nood)  waren  .  . ,  so  borgen 
si  bem  in  duwieren  ende  in  cloven ,  I  Sam.  13 ,  6.  • 
Ie  bin  becringbelt ,  want  die  Pbilistinen  vecbten 
jegben  mi,  aïd,  28,  15  (St,-Bijb,  ik  ben  beang- 
stigd). 

BECRITEN  (becrijtten)  ,  zw.  ww.  bedr.  Van 
crijt,  d.  i.  cirkel  (zie  ald.).  Een  cirkel  beschrijven 
om  iets  of  iemand.  Lat.  cireumscribere.  —  Hem 
becriten,  een  kring  om  zich  beschrijven,  een 
cirkel  om  zich  trekken,  \\  (Hi)  nam  sijn  s waert  ende 
becrijtter  bem  mede  int  sant,  dat  bem  negbeen 
Gods  viant  ne  mocbte  gbenaken  omme  te  deerne, 
Val.  4786. 

BECROEDEN  (HEM  — ),  zw.  ww.  wederk.  Van 
bet  in  den  Teutbonista  voorkomende  croeden,  d.  i. 
onderwinden,  becommeren  (vgl.  De  Jager,  Archief 
4,  146).  Zich  bezig  houden,  zich  a/geven  met.  || 
List  ende  bebendigbe  zaken  .  .  en  sgn  in  minnen 
niet  verboden,  die  bim  daer  mede  wil  becroeden, 
macb  mit  list  ende  abele  dingben  die  vroukgns 
wael  bi  wilen  bringben,  dat  menre  off  gbewerft 
den  zegbe,  MLoep  II,  2477. 

BECROMEN,  zw.  ww.  bedr.  Alleen  voorkomende 
in  de  uitdrukking  sonder  becromen,  ÏVap.  Rog. 
23 :  II  Rogier ,  vrient,  wille  daer  toe  gomen ,  mi  tant- 
wordene  sonder  becromen.  —  De  uitgave  beeft  be- 
cronen ,  docb  bet  rgm  wy  st  becromen  als  de  ware  lezing 
aan.  Men  vergelijke  daarmede  bet  bnw.  onbekreumd, 
dat  men  leest  by  Beaumont  204 :  „  Daer  de  goede 
wel  bekende  vrienden  t'samen  vroÜjck  sijn,  en  in 
klaere  versche  roemers  omgaet  onbekreumde  wyn." 
Blijkbaar  is  de  bedoeling  ruim,  mild,  onbekrompen, 
en  becromen ,  bekreumen  moet  dus  beteekent  bebben 
bekrimpen,  beknibbelen,  betgeen  bier  uitstekend 
past:  antwoord  mij  zond^  iets  te  beknibbelen,  zeg 
mij  de  volle  waarheid.  De  eigeniyke  beteekenis  is 
vermoedeiyk  geweest  kruimelen,  bekruimelen ,  krui- 
mels ergens  afhalen ,  en  dus  beknibbelen ,  bekrimpen. 
Naast  ags.  cr4me,  cr4man,  ons  kruim,  kruimen, 
kruimelen,  staat  eng.  crum ,  crumble;  voorbeen  crume, 
crumme,  crome,  cromme  (Stratman  127);  mud. 
krome,  kromen ,  nnd.  kröme ,  krömen ,  krömeln  {Brem, 
JVtb.  2,  878),  en  ook  in  onze  volkstaal  zyn  de 
bijvormen  krummel,  krummelen  en  krummeUg  be- 
kend. Becromen ,  bekreumen  is  dus  de  wettige  bijvorm 
van  bekruimen.  De  overgang  van  beteekenis  spreekt 
nog  in  ons  kruimelig,  kleingeestig;  kruimelaar, 
een  kleingeestig  menscb ,  die  overal  als  *t  ware  de 
kruimels  afhaalt,  op  alles  beknibbelt,  bet  tegen- 
deel van  mild,  onbekrompen, 

BECRONEN  ^becroenen,  becreunen),  zw. 
WW.  bedr.  en  weaerk.  Mnd.  bekroenen.  Van  cronen, 
d.  i.  klagen,  kreunen  (zie  ald.). 

bedr.  —  1)  Klagen  over  iets,  \\  Siet  gbi  beren , 
om  dit  becronen  ben  ie  comen  te  deser  stat, 
Orimb,  1 ,  1268  {om  hierover  te  klagen),  —  De  onb. 


819 


BECR. 


BECR. 


820 


wQs  til»  znw.  gebmikt.  Eig.  behlag^  reden  van  be- 
klaff,  en  Tervolgens:  k^  door  recktrmiddelen  op- 
komen tegen ,  het  belemmeren  van  iets.  \\  Sonder  mij  da 
heren  van  Gelre  becroenen  ende  wederseggen,  Ngh.  3, 
105.  Sonder  ennich  becroenen,  wederseggen  off 
hindemiflse  mijnre  erffgenamen,  233.  Sonder  onsen 
toeme  ende  bekroenen,  6,  254. 

2)  Betreuren.  \\  Dat  men  aneva  den  strijd;  hiers 
gheen  ontgaen ,  wiet  becrone ,  Bijmb.  28726.  Gheen 
onrecht  sal  men  meer  becronen ,  dan  dattie  ghene , 
diet  al  honen,  daer  naer  setten  haren  moet,  dat 
men  segge,  si  sijn  goet,  Sp.  I',  8,  19. 

3)  Aanklagen^  beschuldigen.  Ygl.  beclagen  en 
ons  znw.  beklaagde.  ||  Si  hebben  hem  (Nartes) 
becroont  anden  keyser,  den  jongen  Jnstgn,  Sp. 
III»,  40,  78. 

WEDERK.  —  Hem  becronen,  zieh  beklagen. 
—  a)  Absolnnt,  of  met  een  afh.  zin  met  dat.  ||  Hi 
Taert  wech  ende  laet  Hector  daer,  die  mit  recht 
groten  Taer  mach  hebben  ende  hem  becronen ,  Tragen 
f.  70d.  Const  si  doch  const  met  consten  loonen,  so 
en  zoude  hem  niemen  connen  becronen ,  O  Vl.  Lied. 
e.  O.  234,  29.  (Sjr)  wonden  hem  becronen,  dat 
hem  die  stat  verboden  was  sonder  misdaet  boven 
der  stat  rechte,  Matth.  Anal.  3,  344.  Hem  be- 
croenende  .  .,  dat  tegen  recht  ende  bescheit  .  .  . 
onse  broeder  voirscr.  hadde  mit  geweldiger  hant 
gebonden  ende  beseten  dat  slot  yan  Weerde,  Ngh. 
4 ,  149.  Hem  becronende ,  dat  de  vors.  meesters  . . 
hem  . .  niet  onderdanich  . .  sgn  en  wouden ,  Brab.  Y. 
dl.  2,  bl.  646.  —  b)  Met  den  2den  nv.  of  het 
voorz.  van.  Zieh  over  iemand  oj  iets  beklagen.  \\  Dit 
hadden  si  sere  ommare,  dat  si  dus  waren  ge- 
hoent  ende  hebbens  hem  becroont,  ^.  III*, 
18,  52.  Ie  saelt  u  lonen,  dat  ghijs  u  niet  en 
selt  becronen,  Beatr.  891.  Si  worden  soe  ghe- 
loont,  dats  hem  nyemant  en  becroont,  Hild. 
249,  175.  Des  ie  mit  jammer  mi  becroen , 
J).  War.  8,  84,  31.  Van  allen  broeken  (beleedi- 
gingen)  ...  die  (/.  dier?)  wi  ons  aen  beyden  ziden 
manlike  op  anderen  becroent  hebben,  Nijh.  2,  86. 
Mijn  heer  en  sal  hem  niet  becronen  vander  stede 
noch  van  den  Inden,  Hild.  169,  446.  Alse  si 
saghen,  dat  men  hen  nemmeer  en  gaf  dan  den 
andren,  so  bekroenden  si  hen  van  den  hunshere, 
L.  V.  J.  c.  150.  Al  des  zi  van  enegen  der  voir- 
screven  pointen  van  yemene  hen  te  becronen  weten , 
Belg.  Mus.  10,  111.  Dies  sy  hem  becroonende  sijn 
op  den  graeve  van  Geldre ,  Oorkb.  2 ,  261  a.  Wair 
dat  .  .  him  diegmterdairof  becroende,  V.  d.Wall 
1 ,  152.  Wair  dat  sake  dat  hem  dair  yemant  of  te 
becronen  heeft  mit  redenen,  186.  Yan  denbossche 
die  goede  manne,  die  hen  becroenden  des  heeren, 
Brab.  Y.  VI,  2222.  Dat  sijs  hen  niet  en  souden 
becronen  der  groter  vrientschap  .  .  die  si  hem 
vortijts  bewesen,  4208.  Vele  gebreke  .  .  daer  de 
hertoge  van  Gelderlant  hem  af  becroenden ,  8927. 
Van  alzulken  zaken  als  hi  hem  becronende  was, 
Dl.  2 ,  bl.  519.  Alrehande  dachten  ende  ghebreken . . 
daer  wi  ons  af  becronen,  bl.  604.  Hopende  dat 
haer  wedersaken  daer  af  hem  niet  becreunende  en 
waren,  VII,  10022.  Van  den  landkustinghe ,  daer 
hem  Pieter  .  .  of  becroent.  Mieris  2,  211  i.  Dat 
si  hem  mit  reden  van  ju  niet  en  hebben  te  be- 
cronen ,  235  b ;  enz,  —  Minder  nauwkeurig  en  meer 
in  overeenstemming  met  ons  spraakgebruik  lezen 
wij  Tragen  4235:  ||  Menghe  maghet  .  .  is  mit 
scoenre  talen  ghehoent,  dat  haer  die  menghe  be- 
croent, voor:  des  haer  die  m.  b. 

Aanm.  —  Uit  de  bet.  zich  (nief)  over  iets  be- 
klagen  heeft   ons  zieh   bekreunen,  dat  steeds  met 


eene  ontkenning  wordt  verbonden,  de  bei  ontwik- 
keld van  zieh  (nief)  om  iets  bekommeren^  («vQ  <m 
iets  geven, 

BECRONINGE,  znw.  vr.  Van  becronen  (ric 
ald.).  Eig.  beklag  en  yerYoigtns  reden  van  beklag.  \^ 
Hebben  die  Vlamingen  scade  of  becroninge,  (bit 
men  die  daghe  daer  of  honden  zal  tot  Middelboreli, 
Cout.  V.  Brugge  1,  472. 

BECROON,  znw.  onz.  Stam  van  het  ww.  be- 
cronen (zie  ald.). 

1)  Klacht,  beklag.  j|  Sonder  pine  oft  sonder  be- 
croen en  mach  men  gewoenten  niet  afdoen,  diemen 
in  weelden  hevet  geploen,  Sp.  n* ,  87,  194.  Dit 
veel  dachten  ende  becroon  voor  ons  commen  z|i, 
aangeh.  Invent.  v.  Brugge,  Gloss.,  bl.  243vlg.  Soe 
waer . .  des  weder  becroen  ofl  meeren  {geruchten)  roir 
de  scepene  qname  . . ,  dan  souden  de  scepenen  dit 
voirt  den  amman  toegen,  Belg.  Mus.  10,  10». 
Waert  sake ,  dat  sy  dat  niet  en  deden ,  ende  daer 
becroon  af  quam ,  Mieris  3 ,  193  b.  Want  wi  meneger- 
ande  beclach  ende  becroen  van  langen  tiden  ge- 
hoirt  hebben  van  onsen  getrouwen  poirteren,  BrshJ. 
dl.  2,  bl.  625.  Clachten  ende  becroen,  Comt.  v. 
Brugge  1,  467. 

2)  Als  rechtsterm.  Het  belemmeren  vmn,  het  op- 
komen tegen  iets,  door  rechtsmiddelen.  Hetzelfde 
als  rro^.(Kil.  impedimentum).  \\  Sonder  crot  ende 
becroene  van  ons  ofl  yemants  van  onser  weghen, 
Nijh  1 ,  379.  Sonder  ennige  w^dersprake,  becroene  off 
hindemisse  van  mij  ende  van  .  .  m^nen  erfgenamen, 
3,  232.  Bnten  ennich  bekroen  off  wederseggen  Tin 
ons,  onsen  erven  ende  nakomelingen,  4,  117.  Baten 
enich  wederseggen  off  bekroen  onser  off  ymantz  Tin 
onser  wegen,  204.  (Dat  si  die)  mstelich  ende 
vredelich  gebmycken  sollen  .  .  buten  bekroen, 
hyndernisse  of  vervolghs  .  .  van  ons,  van  onsen 
erven  off  van  onsen  vrienden  off  magen,  114. 

BECROONTE,  znw.  vr.  Klacht.  ||  üp  t&it  vu 
vele  andre  becronten,  daenof  dat  zy  hemlieden 
beclaghende  waren,  dat  men  dede  contrarie  harer 
privilegie,  Invent.  v.  Brugge  5,  303. 

BECRÜPEN,  st.  WW.  bedr.  Van  CTf#p«»  (zie  ald.). 
1)  Het  transitieve  kruipen.  Over  iemand  kruipen.  \\ 
Ist  dat  si  (?)  den  mensch  onbecropen  laten  ende  si 
dien  mensch  scnwen,  soe  ist  die  rechte  steen,  ji 
ist ,  datten  die  mensch  over  hem  heeft  ende  trecmen 
den  steen  en  wech,  dat  si  dan  den  lichaem  be- 
crnpen,  Barth.  651b. 

2)  Kruipend  bereiken ,  iemand  al  kruipende  nadere^ 
vandaar  overvallen.  \\  (Hi)  waende  Spaenyarden  be- 
crupen  ende  al  heimeliken  beslupen,  Lett-,  N.  B. 
7^,  145,  66.  De  Vlaminghe  mochten  nietsegghei, 
noch  in  ghenen  lachtre  legghen ,  datse  her  Willem 
iet  besloep,  of  met  haesten  iet  becroep,  Stoke  IX,  697. 

BECÜEREN  (becoren),  zw.  ww.  bedr.Van  cueren, 
eoren ,  in  den  zin  van  kwellen  (zie  ald.  en  vgL  Tssir 
en  Lettb.  1,  160—164).  Kwellen,  f  otteren,  p^mge^ 
iem.  overlast  aandoen.  \\  Anxte  die  heeft  my  veelb^ 
coort,  als  ie  dichte  off  brenghe  voort  enigherhande 
hoghe  sake ,  Hild.  117 ,  29.  Alst  (herte)  mit  sorghen 
wort  becoort,  144,  119.  Hoeneer  dat  u  die  doot 
becoort,  soe  suldi  henen  ende  ghi  en  weet  was, 
149,  44.  Sonderlinghe  beduchten  hem  .  .,  die  hem 
selven  iet  sculdech  kenden,  dat  si  den  hertogbe 
Antonijs  becort  hadden  in  eenegher  "w^SyBrah-Y. 
VII,  619.  —  Het  deelw.  becoort  neemt  de  bet 
aan  van  beangst,  bezorgd,  eig.  gekweld  door  ójm 
gedachten.  ||  Doe  worden  die  van  Persi  becoert, 
ende  sorgheden  sere  om  haren  here,  Farth.  524^ 
Dese  woorde  heeft  Amand  ghehoert,  ende  weiltff 
omme   seere   becoort,   in   dat  men  hem  dede  so 


821 


BECU. 


BELA. 


822 


gTOote  eere,  ende  Yoert  (/.  wert)  recht  een,  deel  baten 
keere ,  want  hi  hem  dnchte  dat  hl  mochte  hem  dies 
verheffen  in  sQn  ghedochte,  Amand  I,  794.  — De 
onb.  wijs  als  znw.  gebr.  Kwelling.  \\  Nochtan  so 
werd  mi  na  dat  horen  al  te  sware  een  becoren, 
Velth.  VIII,  34,  12.  —  Ook  als  wederk.  gebr. 
Hem  becoren,  zich  zelven  kwellen ^  zich  in- 
spannen. II  Becoren  moet  ie  mi  selven  sere  om  der 
g«re  te  doene  ere,  die  mi  dicke  verloest  heeft, 
Velth.  Vin,  34,  14. 

BECUMEN,  zw.  ww.  wederk.  Van  eumen^A.i. 
klagen  (zie  ald.).  Hem  becnmen,  hetzelfde  als 
kern  becronen  en  hem  heelagen.  Met  den  2den  ny. 
der  zaak ,  of  een  af  h.  zin.  Zich  ieit  (te  laaf)  beklagen , 
ergens  epijl  over  hebben.  ||  Hi  moester  tparadijs  omme 
mmen ,  dies  wi  ons  allen  noch  becnmen ,  Lep.  1 ,  37 , 
79.  Die  oec  dat  (nl.  bidden)  yersnmen ,  wet  dats  hen 
becnmen  die  zielen ,  daer  si  staen  in  dat  yaghevier 
gheyaen,  III,  10,  213.  Want  ghi  n  bekuamt,dat 
ie  mi  sere  hebbe  yersnnmt  in  minen  raet,  Melib. 
2O60  (de  tekst  heeft  ten  onrechte  bekint\  ygl. 
Taalk.  Bijdr.  1 ,  67  ylg.). 

*  BECÜMMEN ,  waarschijnlijk  yerkeerde  lezing 
voor  bekennen.  \\  Wercken  der  waerheit  en  deryen 
namaels  niet  ontsien  de  gebruycken  der  Ie  yender 
schriften  der  pennen,  [becummende]  bekennende 
die  nn  zyn  ende  namaels  wesen  zullen,  dat  wy 
uut  rade ,  enz. ,  Mieris  2 ,  139a.  —  De  woorden  zijn 
niet  zeer  helder.  Vermoedelijk  had  de  copiïst  eerst 
by  vergissing  becummende  geschreven  in  plaats  van 
bekennende^  en  nadat  hij  zijne  font  hersteld  had, 
vergeten  het  woord  becummende  uit  te  schrappen. 
Van  beeumen,  d.  i.  beklagen,  kan  hier  wel  geen 
sprake  zijn. 

BECÜNDIGEN.  Zie  becondigen. 

BECUEBEN.  Zie  bekeuren. 

BECUPEN  (becuypen)  ,  zw.  ww.  bedr.  Van  het  in 
West- Vlaanderen  nog  gebruikelijke  kuipen  in  den  zin 
van  foppen,  er  in  laten  loopen  (De  Bo  1,  586a). 
Misleiden,  bedriegen,  in  den  val  (de  kuip)  lokken.  \\ 
Om  te  moghene  comen  an  dandere  zyde  vander 
vorseide  riyiere  ende  alsoe  becuypen  theere  van 
den  grave ,  Cron.  v.  Vlaend.  1 ,  100.  Merkende 
Philips  .  .  deze  bmgghe,  die  ghemaect  was  om 
hem  te  bedrieghene  ende  te  becnypene,  ald.  — 
Vgl.  Taalk.  Bijdr.  1,  17  vlg. 

BELABBEBEN,  zw.  ww.  bedr.  Bal.  belab- 
beren,  j.  belammeren,  impedire,  intricare, 
disturbare,  praepedire,  inquinare ,  polluere.  Kil.  heeft 
vrel  twee  werkw.  dooreengehaspeld ,  want  de  bet.  ver- 
hinderen  en  bezoedelen  zijn  moeilijk  overeen  te  bren- 
gen. Hoe  het  zij,  OTL%\myf.  belabberd,  dat  nog  heden 
in  gebmik  is,  staat  dichter  bij  belemmeren.  Iemand 
die  zegt:  ik  ben  belabberd,  bedoelt:  ik  ben  niet 
in  orde,  voel  mij  ziek,  ben  belemmerd  in  mijne 
gewone  verrichtingen.  Het  mnl.  ww.  belabberen 
daarentegen  beteekent  bezoedelen,  bevlekken,  ver- 
ontreinigen. \\  jyneT  si  op  laghen,  datwasvuul  hoi, 
dat  haer  urijn  had  benat;  si  waren  belabbert  ende 
beclat  ten  oren  toe  van  haers  selfs  drec,  Bein.  11, 
6534.  Vgl.  beslabberen  en  beslabben. 

BELACHEN ,  st.  en  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  belachen ; 
Mhd.  belachen.  Iemand  of  iets  tot  het  voorwerp  van 
zijn  lachen  maken. 

1)  Enen  — ,  iem.  bespotten.  \\  Die  ander  scare 
bespotteden  hem  ende  belacheden  hem,  He.  80, 
/.  146*. 

2)  Iet  — ,  lachen  om,  zich  verheugen  over  iets.  \\ 
Alst  die  vader  hadde  verstaen,  dat  sijn  sone  sine 
(des  vaders)  doet  belouch ,  dedi  dat  men  hem  thooft 
afolouch,  Sp.  1%  48,  66. 


3)  Met  den  4den  nv.  van  den  persoon.  Iemand 
(spottend)  toelachen.  \\  De  grave  Galon  beloeghem 
seer  en  seide:  gij  hebbet  den  koning  te  meniger 
stede  getrouwelij c  gedient,  maer  nu  faelgeerdy, 
Heemsk.  122.  —  Ook  zonder  de  bijbeteekenis  van 
spottend.  \\  Doe  mi  minne  eerst  minne  ghewoech, 
ay,  hoe  ie  met  al  hare  al  beloech!  Hadew.  1, 
62,  60. 

BELACHINGE,  znw.  vr.  Van  belachen  (zie  het 
vorige  art).  Bespotting.  ||  Den  enghen  wech  sal  dij 
wijsen  .  .  yersmaetheit,belachinghe,  bespottinghe, 
ofsnidinghe  dijns  eygen  willen,  Hs.  80,  ƒ.  70b. 

BELM)EN,  st.  WW.  bedr.  en  wederk.  (de  verl. 
tijd  komt  niet  voor,  maar  zou  luiden  beloef).  Und. 
beladen;  mhd.  d^/o/^.  In  beteekenis  ongeveer  gelijk 
aan  het  meer  gewone  verladen  (zie  ald.).  Belasten. 

Bedr.  1)  Belasten  met  iets,  iemand  iets  op- 
dragen. II  Men  sal  daer  niet  mede  beladen  der 
steden  boden  (nl.  met  iemand  te  pijnigen) ,  Matth.  201. 

—  Ook  in  de  bepaalde  opvatting  van :  iemand  met 
de  vereffening  van  een  geschil  belasten,  hem  de 
uitspraak  opdragen.  ||  Van  den  twiste,  dv  geweest 
is  tusschen  eedelen  Inden  heren  Reynoud  .  .  ende 
Reynoud  zinen  zoene  .  .,  des  si  ons  beladen  ende 
geloeft  hebben,  Nijh.  1,  182  (a.  1318).  Vgl.  de 
hd.  uitdr.,  aan  den  voet  der  bladzijde  vermeld: 
„des  si  beider  site  ons  belaten  hant."  —  Van- 
daar de  uitdrukking  beladen  sijn.  —  d)  Belast  zijn 
met.  II  Ik  ben  beladen  met  een  bootscap,  Heemsk. 
164.  Ter  tijt  toe,  dat . .  die  scepenenmit  den  vonnis 
beladen  waren  (m.  a.  w.  totdat  de  zaak  in  staat 
van  wijzen  is) ,  Dingt.  v.  Delft  47.  —  b)  Verplicht 
zijn  tot,  onder  de  verplichting  liggen  van.  Lat.  mihi 
imposiium  est.  j|  Ie  ben  beladen  met  manscape  ane 
Gherechticheit,  Limb.  X,  632. 

2)  Fig.  In  nood,  in  verlegenheid  brengen,  kwellen.  || 
Minne  hadse  soe  beladen,  datse  hem  tierst  wouden  be- 
raden ,  met  der  ghenre ,  die  hen  therte  in  hopen  hielt , 
Belg,  Mus.  10,  86,  33.  Ook  V.  d.  Wall 309.— Van- 
daar de  uitdr.  beladen  sijn.  —  a)In  het  algemeen 
in  nood,  in  verlegenheid  zijn.  ||  Als  een  mensche  so 
is  beladen,  dat  hi  selve  ghenen  raet  en  weet, 
MLoep  1,  1662.  Doe  icse  sach  so  seer  beladen, 
doe  waende  ie  haer  helpen  uter  noot,  Bein.  II, 
6360.  —  Ook  met  eene  bepaling  met  met.  Ver- 
legen zijn  met  eene  zaak,  aan  den  grond  zitten; 
niet  weten  hoe  haar  aan  te  leggen.  \\  Si  en  gaff 
hem  woert  noch  tael,  dan  dat  si  haer  wonde 
beraden  ende  was  mitter  saec  beladen ,  MLoep  IV , 
2080  var.  Drie  vragen  van  saken,  dair  sy  mede 
beladen  waren,  Matth.  66.  —  b)  In  bgzondere 
toepassing.  Door  den  vijand  in  het  nauw  gebracht 
worden.  \\  Daer  sloegen  de  Bidders  al  doot  dat 
hen  gemoete,  nochtans  waren  s^*  seer  beladen, 
Heemsk.  48.  Als  Dunay  Roelant  dus  seer  beladen 
sag,  sloeg  hij  sün  peert  met  sporen  en  doorbrak 
met  sijn  vromigneid  der  Heidenen   scharen,  100. 

—  Zie  ook  BELASTEN  2). 

Wederk.  —  1)  Zich  belasten  met,  de  zorg  voor 
iets  op  zich  nemen.  ||  Dat  men  dat  volvure,  also 
als  wi  ons  dies  beladen  hebben,  Nyh.  1,  339 
(a.  1336).  Wi  testamentore  .  .  beladen  ons  des 
vorscrevenen  testaments,  ende  gheloven  .  .  daer 
toe  doen ,  als  vorser,  is ,  347  (a.  1336). 

2)  Zich  bekommeren  over,  zich  bezig  houden  met. 
II  Dune  saltu  (/.  saldi  of  salt  u?)  daer  met  niet 

beladen ,  wat  hen  mach  deren  nacht  of  dach ,  maer 
wat  di  selven  letten  mach,  O VI.  Ged.  1,  76,189. 

3)  Zich  zelven  moeite  aandoen ,  zich  zelven  kwellen. 
II  Hoe  dattu  meer  murmereerste ,  hoe  du  dy  selven 

meer  belaeste,  Hs.  88/.  111^. 


823 


BELA. 


BELA. 


824 


BELAET,  hetzelfde  als  het  nog  gebraikel^ke 
verlaat.  Sluis  ^  waterkeering  ^  water loozing.  \\  Ene 
sluyse  te  leggen  in  die  selve  weieringe  mit  doren 
benoerden  tot  Oestenwolde,  dair  die  winterdgck 
syn  belaet  heft,  NQh.  4,  36  {a,  1425). 

BELAOEN,  zw.  ww.  bear.  Yau  lage^  d.  1. 
hinderlaag  (zie  ald.). 

1)  Lagen  leggen  aan,  in  den  eigenlijken  zin, 
het  Lat.  intidiari.  \\  Dicke  wjrle  dede  hyne  be- 
laghen,  omdat  hy  de  moeder  had  yerslaghen, 
Tragen  9363.  In  dien  wonde  qnamen  hem  ghinder 
te  ghemoete  Acastns  twee  kynder  ende  wonden 
Pelens  belaghen,  9985.  Nn  hoort,  met  welker- 
hande  sake  doli&nt  belaghen  den  drake,  Nat.  BI. 
II,  1486.  Daer  se  die  Tiande  met  haren  scaren 
onder  die  rootchen  hadden  belaghet,  Bijmb.  5980. 
(Si)  belaegden  den  Talsschen  Syba  in  ene  stat, 
hiet  Abela,  10607.  Omdat  tfolc  over  hem  sonde 
daghen  ende  bi  aTentnren  belaghen  hem  entie 
sine,  ende  slaent  al  doot,  2703.  In  enen  boom- 
gaerd . .  belaechden  sise  {Stuanna)^  16964.  Anthonis 
hadse  {de  Joden)  belaegt ,  ende  heefse  onderghedaen 
ende  gnejaecht,  28331.  Doe  dat  die  Zeloten  saghen, 
wilden  si  desen  belaghen  ende  stoecten  np  hem 
stryd,  30571.  Dat  sire  dan  die  hande  an  slaen 
(nl.  aan  den  ridder)  ende  bewachtene  ende  belagen, 
Lanc.  II,  44566.  —  Yandaar  de  nitdr.  bi  be- 
laechder  laghe,  in  eene  hinderlaag  ^verraderlijk^ 
onverhoeds.  \\  Met  dat  de  minre  stont  verladen 
metter  wonde  in  sinen  sin,  cam  Jalosie  van  achter 
in,  verradeiyc,  bi  belaechder  laghe,  ende  gaf  hem 
meer  dan  twintich  slage,  O  VI.  Lied.  e.  G.  354 ,  1168. 
Dootslach  by  belaechder  lage.  Wiel.  Instr.  126, 
348.  So  wie  yemand  dootslaet  bij  npsette,  bedroge, 
of  malicien  ende  belaechder  lage,  145,  476.  Is  sy 
{de  misdaad)  gheschiet  bij  belaechder  lage,  hij 
Yoorsienegen  rade  enz.,  160,  586. 

2)  Oyerdrachtelijk.  Bedriegen  y  misleiden.  Met 
den  3den  nv.  van  den  persoon,  evenals  het  Lat. 
imponere.  ||  Beda  seghet  sonder  waen,  dat  dat 
serpent  was  ghedaen  int  anschnn  ghelijc  der  maghet, 
ende  hadde  der  vrouwen  {o/  ellipt.  genitief?)  so 
belaghet  dat  si  niet  dant  anschijn  en  sach,  want 
tander  Igf  bedect  lach  met  lo veren  ende  met  risen 
mede.  Nat.  BI.  VI,  417. 

3)  Enen  — .  Iemand  ten  val  brengen ^  in  het 
verderf  storten.  \\  Ende  die  edele  Constanten  ontfinc 
hoevescheliken  den  tyrant  van  wien  hem  saen  wert 
becant,  dat  hine  valschelike  wilde  belagen,  Sp. 
n»,  1,  28. 

BELAEEN,  zw.  ww.  bedr.  Yan  laken^  d.  i.  berispen. 

1)  Enen  — .  Berispen,  beieuren.  WWairt  sake, 
dat  enich  ghesoden  laken  wel  ghemaect  an  den 
raem  quame,  die  en  selmen  om  luttel  ghebrecs 
wille  .  .  niet  belaken.  Leid.  Keurb.  80,  47. 

2)  Iet  — .  Afkeuren,  bekeuren.  \\  Niement  en 
sel  enigen  visch  .  .  an  die  marct  brenghen ,  anders 
dan  gave  ende  goet  is  . . ,  ende  tgoet  datter  belaect 
wort,  sel  tgasthnus  hebben,  ald.  54,  14  {Versl, 
en  Ber.  5,  41).  Wairt  dat  vinders  enich  vleysch 
bevonden  binnen  sinen  malen  also  ghebreclic ,  dattet 
hem  ghien  oirbair  en  dochte  te  bruken ,  dat  souden 
si  belaken  ende  die  halle  verbieden,  56,  19. 
(Tgoet)  datter  belaect  wort,  sel  tgasthnus  hebben, 
57,  21.  Wie  binnen  Leyden  enich  gheloit  leder 
coept  off  werct,  dat  van  buten  Leyden  comt,ende 
die  ghesworen  dat  belaken,  dattet  qualic  gheloyt 
is,  £e  verboert  12  se,  503,  6. 

3)  In  rechte.  In  hooger  beroep  komen  van  een  vonnis , 
appeleeren.  \\  Soe  mach  die  gheen  sijn  beraedt 
hebben   .   .,   drie   daghen   na  dat  ordel,   off  hyt 


belaken  will  off  niet,  Schwartz.  1 ,  554, 18.  Belaect 
hy  bynnen  deser  voersz.  tydt  niet,  soe  salt  staen 
alst  gewesen  is,  572a.  Wat  beneden  XX  Beyers. 
gulden  is,  dat  mach  men  belaicken,  572 j. 

Aanm.  —  Belaken,  Orimb.  I,  2528  var.,  is 
eene  verkeerde  lezing  voor  betaken  (z.  ald.). 

BELAKIN6E,  znw.  Appèl,  beroep.  \\  Wat  beneden 
tien  Beyers  gulden  is,  dat  sal  vast  staen  zonder 
belakinge,  Schwartz.  1,  572  d. 

BELANGE ,  bijw.  Steeds  met  eene  ontk.  ver- 
bonden: belange  niet,  bij  lange  na  niet,  vol- 
strekt niet.  II  Nochtan  mochte  hi  belange  niet 
gaen,  Lanfr.  49r. 

BELANGE.  Zie  belang,  Iste  art 

BELANGEN,  zw.  ww.  onz.  Mhd.  belangen, 
blangen.  Verlangen.  Ook  als  znw.  gebruikt.  |i  Dat 
u  aen  die  maescap  ende  aen  die  vrienscap  geen 
belangen  en  is  gelegen,  die  Christum  uwen 
brudegom  altoes  bi  u  hebt,  i^.  d.  M.  1,  ïb. 

BELANGEN.  Zie  belengen. 

BELANG ,  znw.  o. ;  mv.  belanghe;  ook  belange, 
znw.   vr.  Mhd.   belanc  en  belange,  das  verlangen. 

1)  Verlangen,  begeerte.  ||  Wacht  hu,  dat  gi niet 
ne  merret,  ghine  coemt  besien ,  daer  lelt  ghesperret 
huwe  herte  ende  huwe  belanghe.  Bate  C.  2545. 
Na  haer  (sgn)  belanc,  overeenkomstig  zijn  wensek, 
zijne  behoefte.  Nat.  BI.  II,  1988;  i^.  II*,  29,29. 

2)  Voordeel, gewin. Kil.  b e  1  an gh ,  r«  momentosa, 
necessaria;  ons  belang.  \\  Eenen  God  maken  si  oec 
Yulcane,  die  met  smedene  om  sgn  belanc  wan  sgn 
broet,  Sp.  IV,  20,  50. 

BELANC  (belang),  bnw.  Mud.  belank.  KIL 
(vetus)  propinquus ,  proximus ,  vieinus,  affinis. 

I.  Attributief  gebruikt.  Naastbijkomend,  naast, 
verwant.  \\  Nochtan  zouden  die  voerscr.  schepenen 
alle  ander  gout  ende  silvere  penninge  na  den  belange 
wert  {naar  de  naastbijkomende  waarde)  setten, 
Nijh.  2,  263  {a.  1370).  Nochtant  souden  die  scepenen 
.  .  alle  ander  gout  ende  silver  pennyne  na  bdange 
weert  setten,  ald.  268. 

II.  Praedicatief ,  in  verbinding  met  het  werkv. 
sijn:  belanc  syn. 

1)  Verwant  zijn ,  elkander  in  den  bloede  bestaan, 
familie  van  elkander  zijn.  Meestal  met  den  3den  nT.  || 
Alle  die  hem  ten  tienden  lede  sgn  belanc,  snllentbe- 
copen ,  Bein.  1 ,  2516.  Hi  was  syn  maech  ten  derden; 
Artoes  senden  daer  sonder  verden ,  om  dat  hi  den 
grave  was  belanc ,  Yelth.  lY,  21 ,  73.  Hi  nes  no in|n 
maech  no  mijn  neve,  no  niewer  belant  (/.  niewemt(?) 
belanc),  Vad.  Mus.  2,  276,411.  Met  huweUke  hem 
lieden  belanc  te  zyne,  Vert.  v.  Boëth.,  aamgeh-èij 
Huyd.  op  Stoke  Dl.  2,  bL  567.  In  allen  vierendcelen 
(d.  i.  kwartieren),  dair  hy  den  doden  in  belang  wasTtn 
maechscap ,  Matth.  223.  —  Yooral  gebruikeiyk  in  de 
uitdr.  na  (naer)  belanc,  «m  of  nauw  verwant.  \\  (Hi) 
gaf  S.  .  .  sgnre  dochter  in  huweUke  van  Lutscn- 
borch  grave  Heinrike ;  .  .  ende  om  dat  si  na  belane 
waren,  soe  moeste  het  hem  dispenseren  onse 
gheestelike  vader  die  paus,  Brab.  T.  Y,27.  Nn 
moghedi  sien  ende  merken  dan,  hoe  na  si  belane 
waren,  866.  Daer  es  so  menich  ridder  fel  die  hem 
wel  na  sijn  belanc,  Ben.  498.  Emme  de  coninghinnt 
.  .  was  hem  na  belanc,  Stoke  I,  453.  Hem  es  die 
menighe  na  belanc,  dies  niet  en  Igt  intopenbser, 
Bein.  II,  5108.  Si  waren  hen  alsoe  na  belanc,  dat 
sgs  haer  aennemen  sonde,  Vad.  Mus.  1,  60,  8d. 
Die  abdisse  vraeghde  .  . ,  hoe  na  dat  si  waren 
belanc,  Belg.  Mus.  1,  330,  148.  Die  grave  was 
van  maechscepe  naer  belanc  Ghwy  van  Ylaenderen- 
lant,  VI.  Bijmk.  6490.  (Otte)  was  van  der  sdw 
side  metten  coninc  van  Inghelant,  bedi  hi  was  heji 


825 


BELA.. 


BELA. 


826 


naer  belanc ,  5447.  Joseph  ende  onse  yrowe  waren 
YBn  enen  gheslegte  ende  deen  den  andren  na  belanc, 
X.  V.  J,  e,  8.  Hertoge  Anthonis  {loat)  corts  te  voren 
▼anden  princen  yan  Yrancrgcke  versocht  geweest 
te  comen,  dat  hi  niet  laten  en  wilde,  want hi der 
cronen  so  na  belanck  was,  Sxe.  Cron.  159a.  — 
Also  (alse)  na  (naer)  belanc,  evenna familie^ 
evm  futuw  venoant  \\  Yan  hare  moeder  waren  si  alse 
na  belanc  den  weesen  doe  van  Brabant,  alse  van 
Gaesbeke  was,  baer  neve ,  Heeln  158.  Si  waren  also 
na  den  hertoge  belanc,  Yelth.  I,  40,  43.  Mile  es 
mi  also  na  belanc ;  Aymergns  kindere  . .  syn  mgns 
oem  kinder,  Selff.  Mus,  1,  198,  421. 

2)  Iemand  aangaan^  ter  harte  gaam^  aan  het 
hart  liggen^  en,  sooals  steeds ,  met  eene  ontkenning: 
iemand  niet  hunnen  schelen  ^  of  met  yerandering 
van  snbject,  geen  belang  stellen  in,  niet  geven  om.  \\ 
Tweldoen  is  nut  Qode  ghesproten,  dair  om  ist  in 
hem  selven  claer,  al  wil  ment  straffen  hier  off 
daer;  dat  doen  die  gheen,  dies  niet  en  pleghen, 
ende  totter  boosheit  syn  gheneghen ;  dien  is  tw^doen 
niet  belanc ,  Hild.  83 ,  94.  Hem  en  was  niet  belanc, 
dat  hi  daeit  scone  was  iet  Tel , hine yielin modere 
also  wel,  Sp.  II*,  60,  48.  Yromelike,  sonderyer- 
drach ,  ontfinc  hi  ende  gaf  meneghen  slach ,  tote  hi  so 
out  was  ende  so  cranc,  dats  hem  nemmeer  was  be- 
lanc, Denkm,  3 ,  182, 4.  HoTerde  (d.  i.  hoovaardige) . . , 
mi  en  es  niet  an  di  belanc ;  gif  kunt  mij  niets  schelen , 
d.  i.  a  heb  niets  met  u  te  maken  y  Bincl,  1035. 

3)  Overeenkomstig  gijn<,  overeenkomen  met^  goed 
s^  voor,  II  Hi  sal  natten  talre  stont  salke  spise 
ende  snlken  dranc,  als  sire  complexien  es  belanc, 
Heim,  970.  Wolf  voer  Gode,  waenstu  syn  lam 
(dn  die  den  armen  bes  podersam),  daer  dalaet  es 
ane  belanc?  Binel.  834;  op  toien  vergifenis  toe- 
passeiyk  is,  m.  a.  w.  die  op  vergiffenis  kan 
hopen,^^  De  fr.  tekst  heeft:  Onide  il,  qne  diex 
sen  pékiet  (d,  i.  sans  péché)  Ie  relaist?  —  Ook 
sonder  regeering,  goed^  gepast  zijn.  ||  Baer  int  lant 
bleef  een  moenc  doot  .  .,  siere  ghesellen  meer  dan 
yiye  Tor  hem  lasen ,  alst  was  belanc ,  Sp.  lY*,  80, 23. 

4)  Betreffen,  behooren  tot,  in  betrekking  staan , 
Eng.  to  belong,  \\  Oec  en  waest  niet  belanc  allene 
an  toeren ,  maer  al  gemanc  dat  men  drinken  mocht 
of  eten  was  so  diere ,  .  .  dat  yercrigen  conde  geen 
man ,  hi  ne  waer  herde  rike  dan ,  Yelth.  YI ,  24 ,  41. 

5)  Er  op  aan  komen ,  gelegen  gijn  in,  bestaan 
w,  neerkomen  op,  af  hangen  van.  ||  Wie  dat  ere 
wilt  ghewinnen  .  .  hi  moet  cost  ende  pine  waghen, 
want  ane  die  twee  es  belanc,  sal  men  hebben  der 
eren  danc,  Fad.  Mus.  1,  73,  7.  Is  menhndeneen 
sondaer,  men  is  morghen  van  zonden  claer;  daer 
omme  ist  al  belanc  aen  des  menschen  nntganc, 
Lsp.  III,  8,  585.  Emmer  ist  ander  daet  belanc, 
daer  die  man  sal  hebben  danc,  D.  ITar,  9,  150, 
285.  Mate  sat  ander  heren  banc,  an  horen  rade 
was  veel  belanc ,  Hild.  205 ,  145.  Die  beste  yrient 
die  men  yint  dats  hi  die  yriends  ziele  mint,  want 
aen  die  ziele  eest  al  belanc,  Doet,  I,  420.  Mi 
es  m$n  al  ane  hare  belanc,  Hadew.  1,  158,  77; 
ook  146 ,  9  (daer  cleine  aen  es  belanc).  Dat  leyen 
entie  doot  es  yele  (bijw.  voor  een  goed  deel)  ande 
tonge  belanc ,  in  woorden  ende  in  smaken  gemanc , 
Frane.  2518.  Here ,  eest  n  hier  ane  belanc ,  so  yersta 
ie ,  dat  ie  sta  tnwen  wille ,  Yelth.  III ,  43, 52.  Soe  doet 
men  den  zieken  cliesteren ,  ende  gheeft  hem  recepten, 
cmye  ende  dranc,  daer  decwile  luttel  es  ane  beuinc , 
Doei.  2335.  An  my  en  is  niet  yeel  "helojiü^i, gelegen, 
verbeurd,  MLoep  I,  2073.  Aen  mi  es  cleine  belanc , 
rad.  Mus.  2 ,  207 ,  235.  Al  ghewaght  dewangheliste 
Onaer  yrowen  nit,  mar  Josephs,  daer  nes  nit  ane 


belanc,  Z.  v.  J,  c.  8.  Soe  ist  al  ant  licht  belanc, 
Hild.  225,  195.  Ygl.  nog  Wrake  III,  ^',Sp.W, 
43,  78. 

6)  Afhangen,  ter  beschikking  staan  van.  \\  Yer- 
eaye  Got,  dat  aUe  die  stqjt  ende  vanden  orloghe 
den  omganc,  aen  ons  tween  nu  waer  belanc,  so 
sont  saen  versceden  wesen,  Trogen  f.  129c.  Sgn 
ghelaet  was  so  fier,  al  {alsof)  hadde  gheweest 
an  hem  belanc  alder  werelt  ombevanc,  OFl.  Lied. 
e.  O.  241 ,  246.  Ie  wonde ,  si  mochte  myn  eygen 
syn  .  .  al  ware  al  die  werelt  an  mi  belanc ,  Lansl, 
202.  Dien  gaf  de  Keiser  Henric  .  . ,  want  het  an 
hem  was  belanc,  dat  weerlike  recht  in  de  hant, 
Stoke  II,  1152.  Doet  al  an  Gode  was  belanc, 
Hild.  50,  146.  Wattie  toUenaers  sullen  winnen, 
dats  an  davontner  belanc,  150,  36.  Om  vengnsoe 
hare  p^nt,  ende  maecte  enen  dranc,  daer  sijn  lyf 
an  was  belanc,  waarvan  zijn  leven  afhing,  waar- 
mede zijn  leven  gemoeid  was ,  Sp.  TH.'',  54,  38.  —  Ygl. 

ook  bü   BEGANC. 

BELANTMABOT ,  by w.  nitdmkking.  In  verbin- 
ding met  bewatermarct  gebruikt  in  den  zin  van 
voor  de  markt  te  land  en  te  water.  ||  Dair  vghelic 
coopman  .  .  keren  soude,  lossen  ende  laden,  .  . 
80  den  Heer  van  Yoren  dair  of  den  vryen  stroem 
gegeven  ende  verleent  is,  belant-marct ,  bewater- 
marct, Matth.  153. 

BELASERT,  bnw.  Yan  laserie,  d.  i.  lazarus- 
ziekte,  melaatschheid  (zie  ald.).  Met  melaatschheid 
behept,  melaatseh.  Thans  nog  in  de  platte  spreek- 
taal in  gebruik.  ||  Ghelyc  dat  liede  besmet  werden, 
die  hore  wandelinghe  herden  met  hem  die  belasert 
syn,  Doet,  II,  899  var. 

BELAST',  znw.  o.  Mnd.  belast.  Zorg,  moeite, 
last,  II  Sedich  in  allen  gheselscap,  ghestadich  in  allen 
belasten ,  starck  in  doechsaemheden ,  Schaaksp.  366. 

BELASTEN,  zw.  ww.  bedr. 

1^  Overlast  aandoen. 

a)  Yan  personen.  In  nood,  in  verlegenheid  brengen. 
Yooral  van  oorlogvoerenden  gezegd.  ||  So  na  sullen 
sy  ryden  den  gasten,  dat  sy  se  zware  zullen  be- 
lasten, Trogen  2204.  —  Het  deelw.  belast  als 
bnw.  gebruikt,  bet.  bezwaard,  verlegen.  \\  Nu  ben 
ie  belast  seer  utermaten,  hoe  ie  mgn  bootscap 
belegghen  sal,  Lansl.  (H.)  799.  Tis  onszwaer,dat 
w^  onsen  lichaem  castien  moeten ,  ende  wy  werden 
daer  van  belastet,  dat  wy  wat  abstineren  sullen, 
Sem  Jf.  ob, 

b)  Yan  landen,  steden  en  derg.  Schade  toebrengen 
aan ,  ze  benadeelen.  \\  Oec  en  sal  hertoghe  Anthon^s . . 
die  slote  enichsins  aentasten,  archnvllleghen ,  scade- 
ghen  of  belasten,  Brab.  T.  YII,  2814. 

c)  Yan  goederen  gezegd. 

a)  Bezwaren,  door  er  geld  op  op  te  nemen,  hetzelfde 
als  het  meer  gewone  becommeren  (zie  ald.).  ||  Alle 
dat  gheent,  dat  van  mi  bliven  sal,  sal  bliven  an 
myn  lieve  geminde  geselscap  ende  echtscap  al 
haer  leven,  soe  wel  huysraet  als  erven,  behouden 
dat  sjjt  niet  vercopen  noch  belasten  en  sal  moghen, 
D.  War.  5,  172. 

I?)  Aanslaan,  beslag  leggen  op  (ygl.  BECOmiEllEN). 
II  Anders  en  wair  die  heerlicheit  ende  stroem  van 
Yoren  niet  vry,  als  men  die  of  hair  goede  belasten 
mocht,  diese  versochten,  Matth.  153. 

2)  Even  als  bedrucken,  becommeren  en 
besletten  gebruikt  van  het  beslaan  van  eene 
plaats,  met  het  bijdenkbeeld,  dat  men  den  grond 
drukt.  II  A.  belaste  gisteren  die  aerde;  huden  wort 
hi  daer  weder  of  beladen ,  Dial.  Oreat.  846. 

3)  In  gerechtelpen  zin.  Met  eene  aanklacht 
bezwaren    aanklagen,  beschuldigen.  Ygl.  het  tegen* 


827 


BELA. 


ÖELE. 


828 


oyergest.  ontUuten  en  de  oltdr.  getiUgen  h  charge 
en  h  décharge.  \\  Gort  hier  naer  .  .  was  die  grave 
Lodewijc  ontboden  seere  haestelijc  te  Parijs  Toer 
den  coninc,  voer  wien  dat  hi  belast  was  met 
evelen  moede,  VI.  Rijmt.  9304.  In  hare  doot  sy 
ontlasten  alle  menschen  np  eertryke,  sonder  meester 
Pieteren  Boawins  ende  Joeris  de  Bnl ;  dese  belasten 
sy,  dat  yan  haren  opsette  wisten,  Oron.v,  Vlaend. 
2,  115.  Dat  onse  scout  .  .  of  yemant  nten  ge- 
rechte .  .  dair  om  {om  de  verkiezinge)  belast  worden 
of  dattie  selve  twee  scepenen  .  .  hier  om  van  mijns 
heren  genaden  van  Bargondien  of  van  yemant 
anders  belast  of  ter  talen  dair  of  geset  worden, 
y.  d.  Wall  594.  So  gheeft  die  bailin  .  .  eenighe 
geleide,  het  syn  heren,  steden  of  slechte  Inden 
om  veeden  wil ,  die  sy  hebben  of  om  ontsicht ,  dat 
mense  mit  recht  belasten  mocht  om  ander  zaken 
wil,  Matth.  216. 

BELASTIGEN   (belestigen),   zw.   ww.  bedr. 

Bemoeilijken ,  belemmeren^  verhinderen'^  hd.  helastigen. 

I)  Soedane  ghyffte  dair  (yemant  mit  recht  oflf  anders 

mede  belesticht  sQn   off  werden  macht,  Nijh.  5, 

143  (a.  1481). 

BELASTINGE,  znw.  yr.  — l)yan  heloiten  («ie 
ald.  1).  Overlast,  moeite.  ||  Of  scepen  .  .  insetten 
enighe  stataten  yoer  dat  ghemene  orber  .  .,  wie 
ons  daer  belastinghe  of  dede  .  .,  die  yerbreke 
{d.  i.  yerbrake)  teghen  die  stat  viertich  pont ,  Stadtr. 
V.  Zwolle  56,  26.  Nochtan  sal  hi  ons  die  be- 
lastinghe ofdoen,  eer  dat  hi  weder  in  die  stat  of 
inder  yryhede  .  .  moste  comen ,  ald.  Alre  saken , 
die  die  stede  selye  of  den  poirteren  belastinghe 
(Ht.  behaestinghe)  of  lichtenis  draghen  moghen, 
Matth.  130;  ygl.  de  noot  ald. 

2)  Yan  belatten  (ald.  2).  Besehuldiging.  ||  De 
simple  belastinge  of  inculpacie,  die  een  mede- 
geselle  den  anderen  doet.  Wiel.  Instr.  162,  600. 
Yan  ennigen  nijcheyden  (nieuwigheden)  off  be- 
lastingen, dat  dairop  nyemant  ennige  antwert  bij 
sich  selyen  en  .  .  gheyen^  noch  sich  dairan  nyet 
keeren  en  sall,  Njjh.  5,  75  (a.  1477). 

BELATEN,  st.  ww.  bedr.  Mnd.  belaten;  mhd. 
beldzen  of  beldn.  Eig.  iemand  achterlaten^  en  ver- 
volgens in  een  toestand  laten  of  brengen^  hetzg 
die  toestand  onaangenaam  of  wel  aangenaam  is.  || 
Nemmermeer  en  magicse  haten,  wat  mi  yan  hare 
mach  ghescien ,  nochtan  heefsi  mi  soe  belaten ,  dat 
mi  alle  yrouden  ylien.  Vod.  Mus.  1,  383,  67 
{pVl.  lAed,  348,  16).  Ie  drincke  wijn  ende  yette 
morseel;  nn  siet,  hoe  droegen  mi  belieten,  Sc.  en 
Cl.  161 ;  d.  i.  „  merkt  na  op ,  welke  goede  gevolgen 
mijne  bedriegerijen  (droegen)  voor  mij  hebben 
gehad;  in  welk  eenen  (goeden)  toestand  z{j  mij 
gebracht  hebben. 

Aanm.  1)  —  In  de  by  Lexer  (1, 171)  opgegeven 
bet.  van  dotare  nog  in  de  17de  eeaw  in  gebruik. 
Zie  Oudem.  1,  472  en  F.  Yan  Dorp,  Qed.  284 
(a.  1679):  wat  sijn  de  kinderen  van  oud'ren  wel 
belaeten,  die  op  goed  onderwijs  de  boose  nucken 
haeten ! 

Aanm.  2)  —  Segh.  999  var.-,  „so  wat  hi  binnen 
den  slaghe  belaet^\  leze  men  bevaet.  Zie  bevaen. 

BELDE,  znw.  vr.  Andere  vorm  voor  beelde (zie 
ald.).  II  Scoender  ghesiert  dan  ene  belde  sat  daer 
ene  maghet  uutvercoren,  Vad.  Mus.  2,  199,  130. 

BELECH,  znw.  o.  Hetzelfde  als  ons  woord 
beleg]  in  den  verbogen  nv.  luidt  het  belege 
of  belegge.  ||  Oft  sake  were,  dat  ennige  heren  .  . 
mit  veden  of  mit  belege  Wilhem  vorser.  .  .  aver- 
vyelen,  Nijh.  4,  73  (a.  1481).  Ygl.  belegge. 

BELECHIERE  (beleciere,  belesier,belen- 


sier),  znw.  vr.  Yan  het  fr.  belle  chère.  Over  de 
afleiding  van  chère ,  ons.  sier ,  zie  Littré  1 ,  591 ; 
Gachet,  bl.  88;  Diez  1,  111.  Yandaar  onze  uit- 
drukking goede  sier  maken  ^  fr.  faire  bonne  chère. 
Zie  Taalg.  9,  164. 

1)  Feestmaal,  maaltijd,  gastmaal,  jj  Sotte  melt- 
heit  .  .  (die)  hen  vercoept  alsoe  diere  hare  feeste 
ende  hare  beleciere,  dat  si  vercopen  al  hare  lant, 
ende  hen  no  biyft  no  geit  noch  pant,  Bose  9490. 

2)  A/scheidspartij ,  en  hij  uitbr.  geschenken,  die 
men  geeft  bij  zijn  vertrek,  drinkgeld,  f  ooi.  \\  Yerteert 
ende  te  belensier  ghegheven ,  te  samen  LX  gr. ,  Oorl. 
V.  Albr.  80  «» 81.  Yan  cost«,  wagenhuycr,  bclechier 
en  pitanci  (d.  i.  mondkost) ,  Bel.  v.  Leid.  402  en  403. 

BELEDEN  (beleeden),  zw.  ww.  bedr.  Mnd. 
beleden,  beleiden.  Yan  leet,  d.  i.  leed.  Leed,  sehênde 
aandoen.  —  Ook  als  wederk.  gebruikt.  Hem  h  el  e  e- 
d  e  n ,  zich  zelven  schande  aandoen ,  zich  verlagen ,  ziei 
weggooien.  ||  En  siedi  niet,  hoe  hi  hem  soude  beleden, 
ende  es  die  hoechste  vanden  lande ,  ende  doet  hem 
selven  die  grote  scande,  dat  hi  mint  soe  nederen 
wijf,  Lansl.  282.  —  Thans  is  beledan  door  be- 
leedigen  vervangen. 

BELEDEN,  BELEDEB,  BELEDIN6E.  Zie  be- 
leiden, enz. 

BELEEFT  (belevet),  bnw.  Eig.  p«rf.  part  act 
van  beleven.  Veel  beleef  d  hebbende ,  veel  ondervindimf 
hebbende  opgedaan ,  verstandig ,  knap.  Ons  woord  be- 
leefd is  nog  ééne  schrede  verder  gegaan ,  en  heeft  uit 
de  bet.  verstandig ,  een  juist  oordeel  hebbende,  die  vu 
wellevend  ontwikkeld.  ||  Dese  meester  Ypocras  wai 
een  al  te  doghenden  beleefden  man,  Matth.  95. 
Een  oude  wise  beleefde  broeder,  Dial.  OreaL  63«. 
Hem  ghemoetede  een  gheestelick  beleeft  priester, 
Schaaksp.  bOb.  Doe  die  gheestelike  vader  ende 
beleefde  priester  dit  hoerde ,  ald.  c.  Dat  vier  gnede 
belevede  knapen  waren ,  den  de  bepalinghe  .  .  vel 
kundich  was.  Racer  6,   123. 

BELEET.  Zie  beleit. 

BELEGENHLEIT  (belegentheit),  znw.  vr. 
Yan  belegen,  deelw.  van  beliggen,  in  den  zin 
van  belegeren  (zie  ald.  bedr.  3).  Belegering  in 
passieven  zin,  het  belegerd  worden.  Yerg.  bg  BC- 
leitheit.  II  Een  ygelic  sal  eten  dat  vleysch  sgns 
vrients  in  hare  belegentheit  endeinsinen  venioje, 
JD.  B.  Jerem.  19,  9.  —  Ook  in  concreete  opvat- 
ting. Eene  belegerde  stad,  vesting.  \\  Yergadere  van 
den  lande  dijn  scaemte,  dochter,  die  woens  inder 
beleghentheit ,  ald.  10, 17  (quae  habitas  ti»  obsidione). 

BELEGEREN,  zw.  ww.  bedr.  Yan  leger,  d.  i 
legger,  nauwkeurige  opgave,  h.  v.  van  de  grootte 
enz.  der  landeigen.  Éene  nauwkeurige  lijst  maken. 
II  Den  leghere  van  alle  den  lande  ende  erve  .  . 
nieu  vermaect  ende  beleghert  bg  my  Adriaen 
Noenbroot  (een  landmeter),  ZVl.  Bijdr.  1,221.— 
Ons  belegeren  heet  in  H  mnl.  beleggen  ot  be- 
liggen  (z.  ald.). 

BELEGGE,  znw.  o.  Hetzelfde  als  b  el  e  c  h.  BeU^, 
omsingeling  eener  stad.  \\  (Si)  maecten  daer  eea 
belegge  met  veel  knechten ,  Exc.  Oron,  299c.  Conioc 
Yvoryns  belegge  en  achte  Galefier  niet,  wantal 
hadden  si  voor  die  stadt  ende  casteel  gheleghei 
XX  jaer,  so  en  souden  se  die  niet  ghewonnei 
hebben,  Euge  v.  Bord.  67. 

BELEGGEN,  zw.  ww.  bedr.  en  wederk.;  verL 
tyd  beleide,  deelw.  beleget,  belegt  of  beleit',  ii 
dial.  ook  belachte,  belaeht.  Mhd.  belegen. 

1)  Leggen.  ||  Omme  aldaer  te  makene  ende  U 
belegghene  eene  brugghe,  Invent.  v.  Brngge  6, 
360.  —  Ook  in  de  uitdr.  vast  belegghen,  in 
twee  (^vattingen. 


82Ö 


BELE. 


BELE. 


83Ö 


a)  Eigenlek.  Vatt  leggen^  vast  maken,  \\  Ene 
coerde  soude  si  hebben  bereyt  an  eenre  mande  vast 
beleyt,  MLoep  1,  2559. 

h)  Oyerdrachtelyk.   Vast  maken ^  klaar  maken.  \\ 
Nu  sullen  wy  seinden  dese  werf  bondert  nian ,  die 
hem  dit  segghen,    ende   ons   dit   dinc   vast   be- 
legghen,  Troyen  f.  276c. 

2)  Bedekken,  overdekken,  overtrekken.  ||  Salomon 
maecte  twee  cherubin  .  .;  met  gonde  dat  sise  wel 
beleiden,  Rijmö.  11483.  Ende  hi  beleidse  {de  ark) 
mit  al  te  finen  gonde,  D.  B.  Exod.  37,  2. 

8)  Bezetten,  —  a)  Eigenlek,  vooral  als  krijgs- 
term.  Met  gewapenden  bezetten,  in  bezit  nemen.  || 
Datmen  hem  van  achter  soude  dien  wech  belegghen 
also  honde,  Stoke  III,  235.  (Si)  hebben  alle  die 
wege  beleit,  /^.  II',  32,  105.  Doen  qnam  hi  met 
groter  macht,  daer  Marceus  hadde  beleit  .  .  met 
sinen  here  al  die  straten ,  Alex.  lY ,  1092.  Weghen 
ende  grachten  hadden  si  al  beleghet ,  Brand.  2038. 
Si  ghinghen  na  hem  neder  ende  beleiden  die 
ghewade  (mv.  v,  gewat)  van  der  Jordanen,  D.  B. 
BecAt.  3 ,  28.  Coemt  neder  in  Madyans  ghemoete  ende 
belegghet  twater  Bethbara  totter  Jordanen ,  7 ,  24. 
Ende  al  Ephraym  riep  ende  beleide  die  wateren  tot 
Bethbara  ende  totter  Jordanen ,  ald.  Die  van  Oalaad 
beleiden  die  ghewade  vander  Jordanen ,  12 ,  5.  Die 
tamelike  steden  beleide  hi ,  II  Mackab.  8 ,  6.  Nemet 
met  n  CC  mannen  ende  belegt  die  wegen  ende  passa- 
gien ,  Euge  v.  Bord.  8.  Doe  dede  Bemaert  van  Naisel 
ttie  straten  wachten  ende  beleggen,  Zorr.  fr.  I, 
759.  (Si)  hebben  belegt  die  straten  met  vele  lieden 
ntermaten,  ald.  784. 

h)  Overdrachtelijk.  Vervullen  met.  Yandaar  het 
deelw.  beleit  d.  i.  vol  van,  vervuld  met,  zoowel 
met  eene  aangename,  als  met  eene  onaangename 
Baak  verbonden.  II  Dattu  afdoes  de  donkerheit ,  daer 
dijn  sin  es  nn  mede  beleit,  Sp.  IV,  17,  25.  Die 
van  minnen  is  ontseyt,  mit  goeder  hoep  is  hi 
beleyt,  dat  hi  sijn  doghen  sal  verwinnen.  Vrouw. 
e.  M.  Hl,  1,  6.  Welc  meer  wair  mit  ruwen 
(d.  i.  louio)  beleyt,  weder  die  sijn  lief  sochte  dair, 
dan  die  niet  comen  en  wair,  III,  5,  6.  Wi  doent 
met  onser  bedriechghelijcheit  .  .  die  met  ontrouwen 
is  beleyt,  dat  si  met  ons  hebben  mesdaen,  Vad. 
Mus.  1 ,  63 ,  199. 

4)  Belegeren,  insluiten,  omsingelen,  meermalen 
met  al  om  me  verbonden;,  de  gewone  opvatting. 

a)  Met  eene  stad,  burcht,  kasteel  enz.  als  object.  || 
Si  wapenden  hem  haestelike,  ende  voeren  wech 
gheweldelike ,  ende  beleiden  dien  berch  in  allen 
siden,  Flor.  123.  Hier  op  YII  milen  clene  so  es 
ene  stat  beleit  .  .;  het  heftse  beleit  .  .  een  coninc 
om  ene  wonderlike  dinc ,  Ferg.  3834.  Aldus  quamen 
sy  vore  die  stat ,  (die  sy)  .  .  beleiden  ende  daden 
saen  tenten  ende  pawelioen  slaen,  ende  beleiden 
al  omme  die  stede,  Grimb.  Il,  757.  Wy  sellen 
in  allen  sinnen  die  borch  beleggen ,  1 ,  3078.  Laet 
ons  beleggen  varen  die  stede  van  Mechelen,  II 
703.  Wy  willen  de  borch  beleggen  comen,  712. 
Es  dese  burch  beleit,  daer  ie  dit  gheluut  binnen 
horc?  fVal.  4446.  Wie  den  casteel  hadde  beleit, 
7602.  Hi  beleide  ene  scone  stede,  Jlex.  lY, 
1007.  Alse  hi  die  mare  hadde  gehoert,  beleide 
hi  al  om  die  poort,  YII,  211.  Alexander  ld  beleide 
die  stat  al  omme  uptie  fosseide,  IX,  831.  (Si) 
beleiden  den  tor.  Nat.  BI.  III,  354.  Doe  theidijn 
volc  die  sUt  beleide,  J^.  III»,  60,  30.  (SiJ  wilden 
Jhemsalem  beleggen,  lY',  21,  41.  (Si)  beleiden 
dat  hnus  al  omme,  Ri^b.  1869.  So  dat  men  die 
hoofstat  beleide,  13152.  (Sennacherib)  beleide 
Jhemsalem,    14478.    In    sijn   IXde  jaer   beleide 


Nabugodonosor  die  stat,  15888.  Die  stat  so  beleide 
hi  al,  14930.  6hi  selt  in  drien  daghen  sienalom 
ende  om  beleit  u  huns ,  Rein.  II ,  1394.  (Arnhem) , 
eyne  wiele  tijtz  heer  sweerlicken  mit  herkracht 
belacht  ende  bestallet  (=  ingesloten),  Nijh.  5,89. 
Alstu  veel  tgds  een  stede  sultste  beleggen  ende 
du  vele  bolwerken  maects,  omdattuse  winnen  sults , 
D.  B.  Leuter,  20,  19. 

b)  Met  de  bewoners  als  object.  ||  Ghi  quaemt 
ende  beleiten  hier  sonder  redene,  her  ridder  fier, 
ende  wouten  onterven  ende  ontgoeden,  Limb.  IX, 
485.  Met  rechte  was  hi  blide  (/.  onblide)  ende 
erre,  hi  was  beleid  na  ende  verre,  Flovent  222. 
Te  Graza  in  die  goede  stede  haddene  sijn  viande 
beleit,  Alex.  lY,  711.  (Die)  doot  hebben  mijn 
gheslachte,  daer  toe  belegghen  mi  met  crachte, 
Trogen  5734.  Hoe  die  heidine  beleiden  hare  broeders, 
Rijmb.  19176.  Anthiochus  die  hadde  beleit  Trifoene, 
20139.  Otte  qnam  daer  naer  ende  beleide  ons  in 
Aken,  Lorr.  ï,  1286.  Du  sults  worden  beleit  binnen 
dinen  poorten  in  alle  den  lande ,  D.  B.  Deuter.  28 , 
52.  Dat  si  David  ende  sine  mannen  belegghen 
souden,  1  Sem.  23,  8.  —  Ook  figuurlijk.  ||  Quade 
tonge  .  .  heeftene  nochtan  al  omme  beleget  so 
dat  sine  op  hare  tonge  dreget,  Rincl.  1386.  —  De 
onb.  wijs  als  znw.  gebruikt.  Belegering.  ||  Alsoe  als 
deden  van  Brabant  alle  die  ander  steden ,  sijn  si  daer 
na,  sonder  slach  ocht  stoot,  sonder  beleggen ,  ocht 
enegen  noot  grave  Lodewike  in  handen  gegaen, 
Brab.  Y.  YI,  3821.  Ende  Jan  liet  dat  belegghen, 
Rijmb.  20269.  Du  {Jeruzalem)  en  sultste  niet  om- 
keren van  dynre  zeden  .  .,  voer  dattu  voldaen 
sulste  hebben  die  daghen  dijns  belegghens,  D.  B. 
Ezech.  4,  8. 

5)  Overleggen,  het  aanleggen.  Kil.  componere, 
ordinare.  ||  Ie  sal  in  een  sermoen  u  biechte  open- 
bare seggen,  ende  dat  soe  wiselike  beleggen,  dat 
ghi  ende  u  kinder  mede  nemmermeer  te  ghere 
stede  ghenen  lachter  en  selt  ghecrighen,  Beatr. 
1008.  Nu  ben  ie  belast  seer  utermaten,  hoe  ie 
mijn    bootscap    belegghen    sal,    Lansl.    {H)  799. 

6)  Tot  een  bepaald  doel  aanioenden,  besteden, 
gebruiken.  ||  Die  hoer  ghelt  onder  hem  beyden  tot 
horen  baet  alsoe  beleyden,  Hild.  64,  220.  Wat 
soudic  hier  af  vele  segghen,  ende  vele  redenen 
daerin  belegghen?  Amand  II,  3109.  Zekere  ghedeel 
van  der  somme  .  .,  die  bi  den  voors.  viere  leden 
ghewillekuert  heift  gheziin  omme  die  te  belegghene 
aut  maeczel  van  den  torre  van  Westcappelle ,  ZF/. 
Bijd/r.  4,  317. 

7)  Als  rechtsterm.  Beschuldigen,  aanklagen.  \\ 
Ten  behoert  niemen  eerbaers  toe ,  yement  in  eenen 
dootslach  te  belegghen,  daert  kenlic  of  was,  dat 
hy  op  dien  tyt  .  .  niewert  an  velde  noch  an  vaerde 
en  was,  Matth.  182.  Alle  andere  Poirteren,  die 
men  in  den  dootslach  beleit  heeft,  sonder  die  gene, 
die  den  dootslach  op  hem  neemt  .  .,  men  mach 
hem  geen  dach  van  rechte  leggen,  ald.  195. 

8)  Yan  schade ,  nadeel  enx.  Vergoeden.  Ook  van  een 
persoon.  Schadeloosstellen,  even  als  in  't  mnd.(Lübben 
1,  221).  II  Al  want  den  tnt,  dat  Megnolt  .  .  den 
voorss.  schade  vol  ende  all  beleget  hevet,  Warfs- 
eonstit.  2.  Dat  en  sullen  wy  hem  nyet  schuldig 
wesen  op  te  richten  of  te  beleggen.  Racer  6, 
324.  Hem  .  .  van  dien  cost  .  .  beligghen  (/.  be* 
leggen),  quiten  ende  wael  ontheffen,  Nyh.  2,172. 

Aanm.  — Wat  belegghen  beteekent  3fLoep  lY ,  642 : 
„  Daer  sy  harde  grote  sonde  an  doen ,  als  sy  anders 
segghen,  dan  die  waerheit  mach  belegghen,"  is 
niet  met  zekerheid  te  zeggen.  De  bedoeling  moet 
zyn:  „wanneer  z^  iets  anders  zeggen  dan  de  waar- 


831 


BELE. 


BELE, 


832 


held  w/*  maar  de  woorden  drukken  deze  gedachte 
niet  geheel  uit.  —  Ook  Bem,  II,  6642:  ,,Bude 
onbesnode  belegghen  ende  connen  gheen  wijsheit 
gegronden/*  is  niet  duideljk.  De  Yries  verklaart 
{Taalk.  Bijdr.  2,  84):  ntwe ,  domme  {wezens)  maken 
slechte  plannen ,  leggen  hel  slecht  aan^  en  haalt  aan 
Spiegel,  Eer  tip.  VI,  638:  „Gheleerde  zgn  ver- 
keerae,  na  ons  ouders  seggen,  en  hoe  gheleerder , 
hoe  yerkeerder  in  *t  beleggen,"  waarin  hy  eene 
toespeling  ziet  op  de  spreuk  uit  den  Rein.  Het 
natuurlijkst  zou  het  zgn ,  indien  belegghen  een  znw. 
my.  kon  zgn  met  de  bet.  domoor,  weetniet y  ot eene 
soortgeiyke  beteekenis  {ende  zou  dan  natuurlek  in 
en  moeten  worden  veranderd). 

Wederk.  —  Hem  belegghen  in  eenre 
d  i  n  c ,  zich  op  iets  toeleggen  ,  zich  met  iets  bezig' 
houden.  ||  Die  wgs  sijn  hebbent  wael  ghehoort, 
ende  die  in  duechden  hem  belegghen,  MLoep 
IV,  2268. 

Aanm.  —  Verscheidene  der  genoemde  beteeke- 
nissen  vindt  men  by  beliggen,  andere  bf)  beleiden 
terug.  Deze  drie  ww.  hebben  door  gelgkheid  van 
vormen  grooten  invloed  op  elkander  gehad;  de 
verwisseUng  der  ww.  leggen  en  liggen  behoeft  voor 
niemand  verklaard  te  worden;  reeds  in  het  Mnl. 
zeide  men  beleit  met  en  belegen  met,  in  volkomen 
dezelfde  beteekenis,  nl.  vervuld  van,  lat.  obsessus. 
De  hoofdtijden  van  beleggen,  nl.  beleide  en  beleit 
zijn  volkomen  dezelfde  als  van  beleiden,  en  geen 
wonder  dus,  dat  men  beleggen  somtijds  gebruikt 
vindt  in  eenen  zin,  waar  men  veeleer  beleiden 
verwachten  zou,  gel^k  dit  o.  a.  met  het  wederk. 
WW.   hem   beleggen  het   geval   is.    Zie   verder   bij 

BELIOOEN  en  BELEIDEN  CU  Verg.  ook  AAN- 
LIGGEN en  AENLEGGEN,  Aanm. 

BELEGGINGE,  znw.  vr.  Mud.  belegginge.  Van 
beleggen  in  den  zin  van  belegeren  (zie  ald. 
bedr.  4).  Belegering.  \\  Omdat  hi  anders  niet 
hebben  en  sal  inder  belegghinghe  ende  gebreke, 
daer  di  dine  vianden  mede  woesten  sullen  binnen 
allen  dinen  poorten,  D.  B.  Deut.  28,  66.  Om 
belegghinghe  ende  om  die  woestheit,  daer  di  dijn 
viant  mede  bedrucken  sal ,  ald.  67.  Du  sulste  daer 
in  bescriven  die  stat  van  Jherusalem.  Ende  du 
sulste  jeghen  haer  ordineren  die  belegghinghe, 
Ezech.  4,  1. 

BELEIDEN  (beleden,  beleeden),  zw.  ww. 
bedr.  en  wederk.  {beleide,  beleit).  Mnd.  beleiden; 
mhd.  beleiten. 

Bedr.  —  1)  Leiden.— a)l^n en— . —  o)  Eigenlijk. 
Geleiden ,  iem.  den  weg  wijzen ,  hem  ergens  brengen.  \\ 
Aldus  beleet  de  blende  de  blenden,  Amand  II, 
2767.  Dan  mach  soe  gaen  met  bliden  zinne 
om  haer  vonnesse  voor  den  coninc ,  als  haer  beleet 
die  coninghinne ,  Praet  386.  —  ^  Overdrachtelijk. 
Leiden,  iemands  gangen  richten.  \\  Of  een  lantshere 
groot  sinen  lieven  knape  bevale  sijn  kint ,  op  dat  hgt 
wale  leren  soude  ende  beleiden,  Lsp.  I,  6,  32. 
Den  goetwilleghen  soe  {d.  i.  Gods  gracie)  beleet, 
Wap.  Rog.  488.  Die  mombore  waren  in  Brabant, 
ende  tkjnt  hadden  in  de  hant,  te  beleidene 
in  sire  waerde,  Orimb.  I,  6208;  j^het  kind  eene 
goede  opvoeding  te  geven,  den  rechten  weg  te  doen 
gaan^  Verleene  mi  gracie  ende  zekere  hoede 
des  Helichs  Gheests,  cUe  mi  beleeden  moet,  ende 
alle  myn  dinge  voorreeden,  OFl.  Lied.  e.  G. 
464,  90.  Ie  bidde  hu,  beleede  my  tot  sulcken 
state ,  als  daer  ie  hu  behaghelicst  in  dienen  mach, 
Belg.  Mus.  6,  166.  Die  wgsheit  beleide  den  ghe- 
rechtighen  Jacob ,  B.  JD.  Boee  d.  Wijsh.  10, 10.  Ie 
li>en  die  here  dgn  God,  di  lerende oerbaerlicheden. 


beleedende  di  in   den  weghe,  daer  dn  wandds, 
Jes.  48,  17. 

b)   Iet  — ,   a)  Eigenlgk,  van   eene  rivier  g^ 
zegd.    Leiden,   eene  andere  richting  geven,  verUg- 
gen.  \\  So  wanneer  wi  of  onse   nacomelinghe  . . . 
die  vorser.  Dijle  willen  beleiden,  soe  sal  men  dat 
beghinnen  te  doen  tot  Werchtere  .  .  .  ende  sela 
die  vorser,  riviere  vri  houden  ende  onbecommeit 
in  haren  stroem,  Brab.  T.,  dl.  2 ,  bl.  614  (a.  1369). 
—  I?)   Overdrachtelflk.    Leiden,  richten-,  kt  &> 
gere.  ||  Die  sinen  wille  so  beleet,  ende  doet,  dat 
de  zonden  van  hem  sceet,  die  helighe  gheest  daelt 
in  die,  Anz.  4,  70,   33.  Si  {verstannesse,  z»  e»ie 
ghedinkenesse)   beleeden   smenschen    staet  in  i|ï 
wesen  ende  in  sijn  leven,  dat  hi  bekent  goetende 
quaet,   Praet   669.   Vander   werclt   die   regutacie 
(/.    regulacie)    mgn   aventure    moet   al  beleiden, 
Vod.  Mus.  1,  306,  67.  Die  moet  die  ziele  hoeden 
ende  beleden  tot  goeder  gherechticheden ,  Lsp.  1, 
19,  27  var.  In   fdlen  desen  bidde  den  hoochsten 
heer,   dat  hi    in  waerheden  dinen  wech  bcleyde, 
D.  B.  Jez.  -Sir.  37, 16.  TalretijtbenedfitGode.cnde 
bidde  van  hem  dat  hy  dijne  weghen  beleiden  moet, 
Tobias  4,  20.  Pense  om  hem  in  allen  dinen  weghen, 
ende  hi  sal  dgn  ganghen  beleiden,  Proverb.  3,  6. 
Eens   simpels   gherechticheit   sal    sinen  wech  be- 
leiden,   11,    6.    Enen   wisen    knecht  sullen  sfn 
werken  voorspoedich  sijn  ende  sgn  wech  sal  worden 
beleidet,  13,  6.  (Dat  ie)  mine  siele  soe  bclededil 
ie   vander  werelt  schede,   BMmb.   Av.  21,^1. — 
y)  Goederen  vervoeren  met  een  geleièilfet,  een  ht- 
wgs,   door  schepenen  geteekend  of  schepenbrief, 
die  zelf  beleit  genoemd   werd.  ||  Alsoe  die  inge- 
setenen  .  .  .  hen  pijnen  te  behelpenc,  te  beschnd- 
dene   ende    te    beleidene   hair   goid  met  lovcnsfe 
beleide,  Gesch.  v.  Antw.  3,  678. 

—  Het  beleden  te  eenre  dinc  (?),  het  M 
iets  brengen.  \\  Lanc  leven  .  .  es  een  troest,  eea 
toeverlaet  te  comene  ter  ewichede,  die  ter  (/.diet 
ter?)  outheyt  wUt  beleden.  Wrake  I,  1346. 

2)  Enen  — ,  aan  iemand  eene  verplichting  op- 
leggen, hem  tot  iets  verbinden,  verplichten.  \\ 
In  twelke  de  vomomde  lieden  van  den  weve-iin- 
bochte  buten  redenen  ende  buten  bcsceede  beleet 
ende  bestellet  waren  meer  danne  hare  gcbners, 
Invent.  v.  Brugge  2,  469.  Vgl.  het  Gloss. ,  bl.  249. 

3)  Besturen.  \\  Laet  ons  vasthouden  desc  drie 
doechden  .  .,  soe  wort  ons  cloester  wael  beleydt, 
Ned.  Proza  216.  (Joseph)  bestuerde  ende  beleide 
dat  huys,  J).  B.  Gen.  39,  4.  Joatham  des  sconinca 
soen  beleede  tpalaeys  ende  vonniste  tvolc  vaoden 
lande,  n  Kon.  16,  6.  —  In  het  bij  zonder  evenwd 
gebruikt  in  de  drie  volgende  opvattingen. 

a)  Van  het  burgerlijke  bestuur  van  een  land,  eeiïer 
stad,  enz.  ||  Hi  maecte  in  die  stat  danne  hondertraeds- 
manne,  die  die  stat  souden  beleiden  met  rade  ende 
met  wflsheiden,  Z*p.  I,  43,  27  (vgl.  44,  69).  Ke 
goede  Octavianus,  die  dat  rike  belcidde  aldus, dat 
hi  maecte  wijslike  van  alder  werelt  een  rike,  II, 
16,  3.  Hier  aen  moghedi  leren,  hoe  men  een  stal 
moet  beleyden  met  sunderlingher  wijsheiden;  die 
ghierich  was  ende  fel  en  beleyde  noyt  stat  wel , 
Wrake  III,  704.  Dat  si  sullen  gherechticheit 
minnen,  die  een  stede  beleeden,  Denkm.  3,201, 
44.  Aldus  en  doechter  geen  van  beiden  geset  in 
steden  te  beleiden,  Hild.  4,  36.  (Die)  tvolc  mt 
macht  beleiden,  219,  92.  Die  vorsten,  die  dit 
volc  beleyden,  O.  H.  Pass.  26,  723.  Dus  was  Ie* 
leet  doe  Vrankerike,  Parth.  298.  Daer  siin  anuai- 
ralen  {emirs)  in  die  steden  te  bestieren  dat  volc; 
die   een   heefter  te    beleiden  IIIIc,  Manief.  ^ 


833 


BELË. 


BELE. 


834 


Mer  ie  beghere  die  onder  mij  sijn  te  beleidene  mit 
goedertierenhede ,  J).  B,  Esther  13,  2. 

h)  Als  krijgsterm ,  van  het  aanvoeren  van  soldaten 
enz.  II  God  late  ons  wille  ende  zinne  so  léeden  onder 
sine  vimmen  (/.  vinnen) ,  dat  wi  ghelunschen  dare, 
daer  hi  beleet  die  scare,  Wap.  Roff.  856.  Oic 
haddi  te  beleiden  hier  van  Grimbergen  die  voet- 
lieden  ,  Grimb.  II ,  4526.  Die  eerste  (scare)  beleyde 
hi  selve  ende  die  here  Guyt  van  Saintpol ,  Exc.  Cron. 
145  b.  Die  grave  van  Namen ,  die  dachterhoede  te 
beleiden  had,  145 rf.  Den  anderen  (battaelgé)  be- 
leyde heer  Anthonis ,  die  bastaert  van  Bourgondiën , 
210  A.  Naer  hem  rydt  de  tweede  escadre  van  den 
archiers ,  die  beleedt  es  by  den  man  van  wapenen  . . 
Ende  dan  rydt  de  tweede  escadre  .  . ,  ende  syn 
beleedt  by  den  stadthonders ,  Matth.  ^mz/.  1,304. 
Willem  van  Vaemewijc,  Willem  van  Use  .  .,  die 
de  vorseide  witte  caproene  beleedden  in  de  zelve 
bederve  binnen  drien  daghen,  dat  sij  nte  waren. 
Rek.  V.  Oent  1 ,  351. 

c)  Van    het    besturen   der   gilden.   Vgl.   by  BE- 
LEiDER.  li  Vinders,    omme    tvorseide   ambocht  te 
beleedene,  ZVl.  Bijdr.  3,  275.  Omme  tvornoemde 
ambocht  te  beleedene  ten  proffite,  nutscepe  ende 
oorbore  van  denzelven  ambochte ,  aïd.  1 ,  282.  Dat 
de  goede    knapen  vander  neeringhe  vanden  make- 
laers  .   .   .  znllen    hebben    dekene   ende   vinders, 
omme   de    vors.   neeringhe    te  beleedene,  5,  157. 
4)  Behand-elen.  —  d)  met  den  4den  nv.  van  den 
persoon ;  hetzelfde  als  mnl.  voeren,  lat.  tractare, 
II  Aldus   zon    men    dese   qnade   wijven  beleeden , 
iV«  noch   165.   (Hi)   warpse  in  vanghenessen  daer. 
Doe  worden  zeere  tonghemake  die  van  Vlaendren 
om  de  zake,  alse  die  alsoe  voer  dien  daghen  niet 
beleet  te  sine  ne  plaghen ,  VL  Rijmk.  4.S87.  Doen  die 
hertoghe  sach  . . . ,  dat  hi  niet  wel  beleit  en  ware  van 
hem ,  die  hem  trouwe  was  scnldich ,  was  hi  gram  ende 
onverduldich ,  Brab.  Y.  V,  1889.  Dasdane  wijs  es 
die  vrouwe    beleit  ende  doghet  pine  ende  arbeit, 
Ferg.   3851.  —  h)  Met   den   4den  nv.  eener  zaak. 
Behandelen^    aanleggen^  overleggen^  inrichten.  Vgl. 
by    BELEGGEN.  ||  (Hi)  peinsde   dat    hi   so  eerlijc 
sijn  reysen  also  sonde  beleeden  met  eeren,  datter 
met   soude   breeden    sinen  name,  Denkm.  3,  163, 
34.   Dat  seldi  so  beleiden  met  groter  ghetimpert- 
heiden,  dat  die  vrientscap  en  mindreniet,  Dor^.  II, 
2375.  —  Meestal  evenwel   met  het   obj.  sake(n) 
of  dinge    (dinc).   ||   (Hi)    beleede   so   die    dinc 
dat   hi   int   scip   quam,   Bloeml.  3,  13,  192.  Dat 
hi   in   aertrike  zonde  comen,  ende  alle  dinghe  so 
beleiden  . . . ,  dat  sijn  leven  noch  sijn  leren  niement 
en  mochte  blameren,  Lsp.  II,  6,  22.    Met  vreden 
ende  eendrachtecheiden  seldi  al  u  dinghen  beleiden, 
Ihct.  III,  1217.   In  onbescedenheden  (ö«l;«•*/«»^ft^) 
willen   si    alle   dinc  beleden,  Wrake  II,  596.  Met 
groter  scalcheiden  sijn  saken  . . .  beleiden ,  X«;p.  III, 
2 ,  55.  S^n  dinghen  .  .  beleiden  met  goeder  voor- 
sienicheiden ,    87.    Met   goeder    voersienecheyden 
salmen  dese  sake  beleydeu ,  Melib.  413.  Met  crachten 
no  met  dorperheden  mach  men  grote  dinc  niet  be- 
leden,   170Ö  var.   Met  gherechticheyden  .  .  .  haer 
saken  beleyden,  Teett.  1394.  Dat  ghi  die  cameren 
opreydet,  ende  alle  dinghen  wael  beleydet  teghen 
dat  mgn  wij  ff  sal  comen,  MLoep  IV,  1207.  Here, 
beleed    anders   de  dinc  van  desen  volke,  of  slach 
mi    doot,    want   die   last   es   mi  te  groot,  Rijmb. 
5586.  —  Ook  met  Jiet  onbep.  object  het.  Het  be- 
leiden,   te   verk  gaan.  \\  Aldus   so    waest  daer 
lange  beleet  tot  opten  somer,  Velth.  VI,  27,  28; 
eig.    „  zoo    wat  het  daar  aangelegd^  d.  i.  zoo  ging 
men  te  loerk,^'* 


5)  Ten  uitvoer  brengen,  uitvoeren,  tot  stand 
brengen.  \\  Omme  dies  wille,  dat  groote  saken... 
ne  moghen  niet  beleedt  syn  sonder  penninghen , 
Matth.  Anal.  1 ,  247.  Binnen  viertienachten  nae 
dat  men  dat  sal  hebben  beleyt,  Brab.  Y.  Dl.  2 ,  bl.  314 
(a.  1369).  Die  ghedoechsaem  is ,  hi  beleit  veel  mit 
wijsheden,  D.  B.  Spreuken  14,  29. 

6)  Aanwenden ,  tot  een  bepaald  doel  gebruiken , 
besteden.  Vgl.  BELEGGEN.  ||  Die  man  ...  sal 
bestimmen  ende  beleiden  sijn  goet  ter  bester  baten, 
Lsp.  III,  9,  27  (Hild.  97,  30).  Men  moet  pinen 
ende  arbeiden  ende  die  tijt  met  neereste  beleiden, 
Melib.  959  var.  Van  daer  vrov^exi  zï]  {d^  penningen) 
gedistribueert  ende  beleedt  in  de  appointementen 
den  (/.  der?)  officiers,  na  den  last  dat  sy  hebben, 
Matth.  Anal.  1,  247. 

7)  Als  rechtsterm.  Voor  het  gerecht  brengen.  Met 
den  aco.  van  den  persoon  of  der  zaak. 

a)  Enen  — 

«)  Voor  het  gerecht  brengen ,  oproepen ;  Kil.  dedu- 
eer  e.  \\  Niement  en  sal  beleeden  in  een  proces . . 
meer  dan  XL  getugen ,  Wiel.,  Instr.  101 ,  184.  Elcke 
partie  mach  wraken  .  .  de  getuge ,  beleed  bij  zijn- 
der  wederpartie,  103,  197.  In  dien  anders  binnen 
der  stede  eenighe  tuygen  beleyt  werden,  daer  op 
en  zal  in  rechte  geen  regart  genomen  werden. 
Leid.  Kenrb.  419,  18.  Alle  de  personen,  die  de 
voors.  partien  .  .  .  up  de  voors.  materye  ende 
questie  produceren  ende  beleeden  wilden,  ZVl. 
Bijdr.  6,  .346. 

^)  Beschuldigen,  aanklagen.  \\  (Ik)  heb  Roelant 
beleit  met  verradenis ,  beschuldigd  van  verraad, 
Heemsk.  135.  Worde  yement  van  al  desen  punten 
beleyt  of  besaect,  ende  worde  hem  daer  een  dach 
of  bescheyden.  Dingt.  v.  Delft  46. 

y)  Overtuigen,  iemands  schuld  naar  recht  be- 
wijzen; lat.  convincere;  vgl.  BELEIT  9).  ||  Wtdien 
huysen  niet  te  gaen  voir  die  tijt,  dat  hy  syn 
ommesettegelt  wel  betailt  heeft,  bij  der  boeten 
van  10  fip ,  also  dicke  als  yement  dair  of  beleet 
wort.  Leid.  Keurb.  156,  12.  Worde  hy  dair  off  be- 
leet mit  twee  scepenen  off  mit  drien  poirters, 
K.  V.  Brielle,  11,  9;  zoo  ook  28,  24;  40,  3;  41, 
7;  46,  1;  3;  4;  5;  62,  8;  9.  Laet  hy  daermede 
dan  niet  aff,  soe  bruect  hy  daeraen,  soe  ende 
indyen  dat  hy  daerop  beleyt  wordt  met  twee  oir- 
conden,  thien  pondt,  O.  R.  v.  Dordr.  2,  271,  69. 
Eiken  meinsche  bi  wetten  ende  bi  vonnessen  te 
beleeden  {Eed  van  den  Baljuio),  Cout.  v.  Brugge 
1,  487.  Zie  nog  O.  K.  v.  Delft  II,  12;  58.  — 
Ook  in  het  algemeen.  Van  iets  overtuigen.  \\  Valsch 
was  hi,  maer  met  (van)  valscheiden  en  haddene 
niemen  connen  beleiden,  soe  heiraelic  wrachte  dat 
gelaet,  dat  al  decte  die  valsce  daet.  Rosé  11249 
(fr. :  De  fausseté  ne  1'eust  il  (/.  on)  jamais  reté, 
Q.  i.  accusé,  arrété). 

b)  Iet  — .  a)  Voor  het  gerecht  brengen,  in  rechte 
aanvoeren.  \\  Hoe  men  tuychnisse  beleyden  sal, 
Leid.  Keurb.  419  opschrift.  Dair  of  sullen  die 
pertien  hoir  besceyt  ende  getugenisse  .  .  voir 
scepenen  produceren,  beleden  ende  voirtbrengen , 
212,  56.  Dat  in  gevalle  die  van  Dordrecht  groote 
defficulteyt  maicten,  ons  toe  te  laten  useren  van 
onser  commissie  .  .  .,  wy  die  hoeren  zouden  in 
tguendt  dat  zy  souden  willen  beleyden ,  Inform.  494. 
—  Vooral  gebruikelijk  in  de  nitdr. :  sine  smart  e 
beleiden,  aangifte  doen  van  eene  door  een  and^r 
gepleegde  mishandeling',  8 'm  e  smarte  beleden  op 
enen,  iemand  noemen  als  d^n  schuldige  aan  eene 
mishandeling.  ||  So  is  die  eerste  vrage  voir  wie  die 
gequetste    sculdich    is   syn   smarte   te   beleeden, 

27 


83S 


BELË. 


ÊELE. 


^36 


Matth.  97.  Is  hy  poirter,  die  die  smarte  ontfangen 
heeft,  ende  daerse  op  beleet  is,  men  sal  die  par- 
tyen tot  saterdages  ban  daghen  jeghen  malcander, 
162.  Zie  verder  98  pattim^  315.  Die  scepenen, 
daer  die  smarte  voir  beleet  ware,  K.  v.  Brielle 
26,  17.  Die  {smarte)  sullen  zij  dair  beleden  mit 
poirters,  die  «ij  dair  gecrigen  conden,  27,  18. 
—  Somtyds  Tindt  men  hiervoor  b  e  1  i  ë  n  (b  e  1  i  d  e  n), 
deelw.  b  e  1  ü  t  (b  e  1  i  ë  t),  gebruikt,  zooals  Matth.  163; 
bl.  182  vinden  wij  de  beide  woorden  belièn  en  beleden 
in  één  zin  gebruikt.  ||  Dairom  soscrijftdieclercdie 
smarte  vanden  doden ,  wie  hem  die  helijt  heeft  op, 
of  mit  (/.  heeft,  op  of  mit?)  wien  die  beleet  is  off 
wie  daervoir  gheruumt  heeft.  —  Beide  ww.  kunnen 
in  dezen  zin  gebruikt  worden,  en  men  behoeft  niet 
aan  het  eene  of  aan  het  andere  de  voorkeur  te 
geven ,  of  aan  verwarring  te  denken ,  zooals  Lubben 
doet  (1,  222  fl).  Zie  verder  beliên,  kol.  850  vlg. 

^)  Eene  saak  in  rechte  behandelen.  ||  Van  ge- 
lijcke  sullen  beleet  worden  saecken  van  weesen, 
crancksinnighen  enz.  ^  K.  en  O.  v.  Delft  31 ,  5. 
Vgl.  Kil.  44:  bel ey den  het  ghedinghe  tot 
tvonnisse,  cnrfttm  litit  ad  t enten tiam  perducere. 
Vgl.  ook  BELEIT  8). 

y)  In  rechte  erkennen^  voor  het  gerecht  contta- 
teeren.  ||  Van  beleede  scout.  Mieris  2,  160 ö. — 
Ook  hier  vindt  men  de  beide  ww.  beleiden  en  be- 
lten gebruikt.  Zie  beliën,  kol.  850. 

d)  Beleyden  de  erve,  judicem  ad  fundnm 
nectendum  in  rem  praetentem  ducere  (Kil.) ,  den 
rechter  op  een  erf  brengen  om  daarop  inleiding 
te  doen  (vgl.  10). 

8)  Ten  hoofde  beroupen  ofte  beleden, 
ofr.  aller  a  kief  (chief)  de  seTU.  Het  halen  van 
recht  in  eene  hoofdstad \  het  raadplegen  van  het 
rechtsprekende  college  in  eene  daartoe  aangewezen 
oudere  stad^  zooals  dit  in  twijfelachtige  gevallen 
door  de  schepenen  eener  stad,  of  door  partijen 
in  het  proces  geschiedde.  Zie  Invent.  v.  Brugge  ^^ 
283;  B.  V.  Zutf.  VI  vlgg.  en  vgl.  beleit  9). 

9)  Schouwen^  in  oogenschouw  nemen.  ||Und  sullen 
dusaanige  unde  andere  ontlgfden,  die  niet  natner- 
licker  wQse  vant  leven  ter  doodt  gekomen  zijn, 
niet  mogen  ter  aerden  bestadet  werden,  zy  weren 
dan  eerst  van  den  officier  ter  plaetsen  besichtiget 
und  beleydet,  Landr.  v.  Vel.  10,  10.  Itookt  {gaten 
in  de  straten?)  te  beleedene  met  scepenen  van 
Lede,  Gendsch  Chtb.  106;  vgl.  LXIII. 

10)  Iet  — .  Beslag  leggen  op  {onroerend)  goed 
voor  schuld.  Vgl.  BECOMMEREN  ;  beleeden  3) ;  be- 
leit 10);  BELEIDINOE  2)  en  Kil.  44:  beleyden 
in  tgoet,  mittere  in  possessionem  fundi  (niet  vol- 
komen juist),  il  Des  was  Clays  van  Scille  sculdich 
30  fg  tor.,  daer  sijn  huus  in  Reimerswale  over 
beleet  was  ende  gheeyghent  bi  scepenen  tote  mijns 
heren  behoef.  Bek.  v.  Zeel.  1 ,  211. 

Wederk.  —  Hem  beleiden. 

1)  Eig.  Zich  richten^  besturen^  d.  i.  xich  ge- 
dragen. Vgl.  Kil.  sgn  leven  beleiden,  instituere 
vitam.  I)  {Datjonghe  /t^<:^)ghemesijn  biden  goeden . ., 
daersi  an  sien  ende  leeren  alle  poente  van  eren , . . 
ende  hen  oec  alsoe  beleiden,  Lsp.  III,  10,  225. 
Eenen  lecker,  die  hem  so  beleet,  dat  hi  niement 
sculdich  en  si,  dit  vint  men  selden,  Belg.  Mus. 
10,  118,  20.  Wye  hem  selven  wel  beleyden,  daer 
en  staet  gheen  tijt  bescheiden,  sine  moghen  leven 
menich  jaer,  Hild.  70,  249.  Hi  es  wijs,  die 
hem  soe  beleit,  dat  hem  sijn  herberghe  si  bereit 
na  dit  leven.  Vod.  Mits.  2,  191,  427.  Beleeden 
wi  ons  als  de  vroede,  Praet  2835.  Ommeinqueste 
te  hoeme,  wie  hem  tonpointe  beleed  adde  in  con- 


trarien  van  miin  heere  van  Vlaenderen ,  IZ^it.  v.  Gent 
1,  400.  Ie  sal  ordonneren,  hoe  hem  de  panetier 
behoort  te  beledene  int  dienen  van  den  monde 
van  den  Prince ,  Matth.  Anal.  1 ,  259.  —  Vandaar 
de  uitdr.  wale  beleit,  d.  i.  eig.  sieh  goed  ge- 
dragende^ m.  a.  w.  deugdzaam,  braaf.  \\ Die  leefde 
in  der  minnen  keer  rackelic  (d.  i.  goed)  endewail 
beleyt,  MLoep  II,  3302. 

2)  Zich  ophoiulen;  het  leven  leiden,  door  brengen  \ 
lat.  vitam  degere.  \\  Aldus  hebbic  mi  beleedt 
metten  boeven  onder  die  cockine.  Wint  e.  S.  386. 
Soe  hebben  si  ooc  yammerlijc  ghevaren ,  die  hem 
in  onrust  hier  beleyden,  Hild.  170,  80. 

BELEIDER  (beleidere,  beleedere,  belee* 
der),  znw.  m.  Mnd.  beleider. 

1)  Van  beleiden  in  den  zin  van  leiden  (zie  ald. 
Bedr.  1  /?).  —  a)  Leider,  /«éifww».  ||God,onsebe. 
leder,  van  omoeden  draeght  de  vane,  Belg.  Mm. 
8 ,  449 ,  63.  Christus ,  onser  alder  behoeder ,  was  be- 
leider ende  stierroeder  van  der  gracien,  Am^  I, 
2454.  Dat  hi  {Mozes)  dar  na,  soot  was  anschine, 
beleedere  wert  van  Ysraheel ,  Taf.  Lev.  Jes.  \\ ,  7. 
Hi  is  die  beleider  vander  wijsheit,  JD.  B.  Boee  i. 
Wijsh.  7,  15.  So  wort  hi  (<Woz«)  eerst  beleider  van 
den  kinderen  van  Israhel,  Hed.  Proza  125.  Daer 
gheen  beleider  en  is,  sal  dat  volc  vallen,  merdaeris 
salicheit  daer  veel  raden  sijn ,  D.  B.  Spreuken  11, 14. 
(Joseph)  en  wonde  voertmere  hoer  beleider  niet 
wesen,  mer  hij  woudse  heymelic  laten,  Hs.  80,/'.23f. 

b)  Opvoeder,  gouverneur,  \\  Coenraet..,  die  (lal 
qui)  keyser  Henric  die  vierde  (/.  des  vierden)  also 
gheheten  beleyder  ende  maertogher  (magetoge)  plach 
te  wesen,  Matth.  Anal.  3,  81. 

2)  Van  beleiden  in  den  zin  van  besturen  {üetXi- 
Bedr.  2).  Hoofd,  regent,  bestuurder.  |j  Ghi  bisscoppe, 
dekene  ende  prelaten,  beleeders  van  der  helegher 
kerken,  Denkm.  3,  115,  32.  (Si)  gaven  die 
(/.  dien)  lande  den  naem  Britanien  vanden  naen 
hoers  beleiders,  die  Bryto  heite,  Barth.  484 «. 
De  stad  van  Lovene,  de  welke  haer  ghehonda 
hadde  ende  hilt  in  overhoricheiden  jeghen  hem, 
daerof  Pieter  Coterel  beleedere  ende  upsettere 
ghesgn  hadde,  Brab.  F.,  dl.  2,  bl.  684 («.1361). 
De  beleeders  van  het  Leprozenhuis,  Coui.v.BmggtX, 
372.  Bereckers  ende  beleeders  van  den  aennen  ende 
crancken  vomoemt,  Diericx,  Mém.  2,  543.  Hi 
sende  te  hant  tot  Judea  waert  Nychanor  des 
provoost  ende  den  beleider  vanden  elephanten ,  ^«^ 
over  de  olifanten  gesteld  vos,  II  Machab.  14,  U 
—  Voornamelijk  evenwel  in  gebruik  in  de  drie 
volgende  opvattingen. 

a)  Van  het  burgerlijk  bestuur  eener  stad.  iV 
overheid.  ||  Van  den  beleyders  die  daer  pogha 
dat  si  der  ghemeenten  goet  van  der  poort  .  •  • 
an  haer  selves  bate  legghen,  N.  Doet.  518.  Ali 
tfolc  ghesceeden  was ,  die  beleeders  ghinghen  r» 
snoevens  (/.  navons)  om  de  heymelichede  ter  na- 
ghenessen,  VI.  Bijmk,  10134.  De  beleeders  wam 
hem  contrare ,  10145.  Mids  dat  de  beleeders  vai 
Ghent  de  werrine^he  bilden,  10200.  So  verlorea 
hare  ghewelt  doude  beleeders  te  Ghend  int  stede, 
10327.  Die  oude  beleeders . .  bilden  hem  heymelic 
ende  huten  weghe,  10333.  Ende  sijne  belederesii 
wt  hem  wesen,  ende  sine  prince  sal  voert  cooeB 
van  midden  hem,  D.  B.  Jerem.  30,  21.  Hi  li<t 
beleiders  van  den  volke  Joseph  .  .  ende  Aztrias 
metten  anderen  heer  dat  bleef  om  Judea  te  b^ 
hoeden,  II  Machab.  10,  19.  Hi"  omhelsde  Macha- 
beum  ende  maeeten  beleider  ende  prince  van  PthoW- 
maiden  tot  Gerzenen,  Il  Machab.  13,  24. 

b)  Van  de  militaire  overheid.  Cammandantj  èerel- 


1 

1 


837 


BELE. 


BELE. 


838 


keèèer.  \\  Dat  ghy  beleider  ende  capiteyn  van  u 
broeders  sijt  in  dit  werc,  Trayen  Vb.  éd.  Beleders 
van  den  60  witte  capronen,  die  utetrocken  upden 
sehen  dagh ,  Rek.  v.  Oent  1 ,  229.  Janne  van  Steen- 
beke  ende  Jacoppe  vander  Hoyen,  die  beleeders 
ghemaecht  waren  van  den  serganten  ende  met 
hemlieden  ntetrocken,  479.  Die  waren  ghesent  te 
Cnrterike  metten  serganten  van  Yierambachten  ende 
vanden  lande  van  Waes ,  omme  haerlieder  beleeders 
te  sine ,  490.  De  vorsz.  twee  beleders  ghesent . . . 
met  tweevonde  serianten,  Invent  v.Srtiffffe2,S16. 

e)  Van  de  gilden.  Hoofd  van  hetffild.  \\  Der  Jan  van 
Wiendeke,  beledere  vanden  volle-ambachte ,  der 
Jacop  Deinot,  beledre  vanden  clenen  ambachten, 
"Rek.  V.  Oent  1,  38;  39.  Van  der  beleders  vanden 
ambachten  cledinghen  ende  van  derselver  beleeders 
ende  der  ontfangers  pensionen,  ald.\  enz. 

BELEIDINQE  (beleedinge),  znw.  vr.  Mnd. 
heleidunge. 

1)  Van  beleiden  in  den  sin  van  leiden  (zie  ald. 
Bedr.  1).  Leiding,  bestuur.  ||  Soo  es  sy  dan  princi- 
palic  dner  de  beleedinghe  Gods  tot  hier  ghecom- 
men,  Bei^.  Mus.  6,  157.  Omdat  hy  sal  oerdelen 
dat  oerdel  in  gherechticheden  ende  inder  belei- 
dinghe  van  herten,  in  direetione  cordis  suiy  JD.B. 
Boee  d.  Wijsh.  9,  3. 

2)  Het  beslag  op  onroerend  goed  of  op  den 
persoon  (hetzij  als  middel  van  rechtsingang  of  als 
wijze  van  execntie).  |i  Alle  maninghe,  beleydinghe 
ende  besettinghe,  et  si  mit  scepenen  of  sonder 
scepenen,  die  ghesciet  sgn  voer  dala  des  briefs, 
sint  dat  gheen  gherichte  gheweest  en  heeft,  Nijh.  2 , 
123  (fl.  1369).  Dat  sy  daerom  die  heren  unt  dier 
ander  beleydingen  daden  op  Sinte  Victoors  dach, 
omdat  hem  .  .  .  hoor  weert  op  dien  dach  niet 
tetcn  en  wonde  gheven  hoerlic  die  maeltgt  om 
twee  grote,  R.  v.  Utr.  2,  36.  Dat  die  beleydinghe 
mit  recht  stadicheit  hebben  sal,  want  sy  voor  die 
tgt  niet  voUeyst  en  hadden,  ald.  Dat  sy  daerom 
nter  leystingen  beleydinghen  ghedaen  hebben  van 
sunte  Yictors  dach ,  ald.  Dat  hem  die  beleidinghe 
niet  scaden  en  mach,  ald. 

3)  Schouwing^  bezichtiging.  Vgl.  BELEIDEN  9).  || 
Dat  oock    over   dusdanige  dooden   besichtignngh 
ende   beleydungh   by  den  scholten,  oirkondt,  ge- 
richtsluyden  geschiede,  Landr.  v.  Vel.  11,  12. 

BELEIT  (BELEET),  znw.  o.  Mhd.  beleit.  Van 
bileiden  (zie  ald.). 

A.  Van  beleiden  in  den  zin  van  leiden  ^  richten 
(Bedr.  1). 

1)  Geleide.  \\  Waer  mochte  soe  {de  ir»^/^)  hebben 
beter  beleet  om  hnlpe,  ende  wel  vertroost  te  zine , 
dan  deze,  die  emmer  es  ghereet  (nl.  het  geleide 
van  Maria)?  Praet  389. 

2)  Overdrachteiyk.  Leiding.  —  a)  Van  het  bestuur 
van  God.  Leiding^  bestuur^  bestier.  ||  Ie  bidde  n 
om  een  goet  beleyt,  Lansl.  613.  Veel  .  . .  kersten 
worden  te  gader  .  .  gheset  in  een  scip  sonder  .  . 
stnerman  in  die  wilde  zee  .  .,  mer  mit  Gods  be- 
leide  qnamen  si  ten  lesten  an  Marcelien ,  Ned.  Proza 
236.  Bi  den  beleide  ons  Heren  so  quamen  si  te 
Marcelien  an,  236.  —  Ook  by  uitbreiding  voor 
het  lot  zelf,  evenals  wy  spreken  van  de  leidingen 
Gods  met  den  mensch ,  d.  w.  z.  's  menschen  lot- 
gevallen. II  Of  God  die  ziele  voer  hem  ontbiet  bi  den 
stervene  wreet,  te  hoeme  haer  beleet,  Vap.  Rog.  636. 

b)  Van  de  natuur.  Regel ^  wet.  jj  (Tfieesch)  moet 
voetael  voert  ontfaen ,  salt  in  wassene  voert  vulstaen 
nacr  natuere  bereede,  fVap.  Rog.  381;  /.:  naer 
natneren  beleede ^  d.  i.  volgens  de  loet,  den  regel, 
den  eisch  der  natuur. 


c)  De  wijze  waarop  men  iets  behandelt \  dat 
beleit  des  lichamen,  de  levenswijze.  \\  Die 
dorine  ontvarwen  of  meer  varwen  nader  substan- 
cien  van  den  lichame  ende  naden  beleide  des  lichame, 
dat  es  te  verstane  van  etene,  van  drinkene,  van 
pinen ,  van  rusten  enz. ,  Hs.  Yp.  22  a. 

d)  Van  den  invloed  van  den  eenen  mensch  op 
den  anderen.  Leiding,  invloed,  raad.  ||  Al  wast  dat 
hi  sint  omsloech  . . .  bi  quaden  beleide ,  bi  valschen 
raet.  Rein.  II,  6966. 

3)  In  passieven  zin.  Richting,  koers.  ||  Dan  ver- 
liest zoe  {het  hart)  haer  beleet  van  weghe,  ende 
ooc  van  goeder  name,  soe  wort  in  dole,  eer  soet 
wel  weet,  Praet  747. 

4)  Van  het  leiden  der  bedding  eener  rivier  (vgl. 
bij  BELEIDEN).  Het  verleggen  eener  rivier,  jj  Soe  wie 
den  vorser,  commer,  het  si  ghemetst  oft  ghetim- 
mert  of  anders,  ende  syn  overhanghe  .  .  .  binnen 
den  naesten  vertiennachten  na  den  beleyde  {van  de 
Dijle)  ghedaen,  niet  en  rumpt,  Brab.  T.  dl. 2,bl. 
614  {a.  1369). 

"B.  Van  beleiden  in  den  zin  van  besturen  (Bedr.  2). 
5)  Bestuur.  —  a)  Abstract.  Leiding  der  regeerings- 
zaken,  regeering,  administratie,  jj  Die  ooc  beleit 
hebben  van  steden,  N.  Doet.  613.  En  sijn  princen 
noch  ander  heren,  die  langhe  mochten  regneren 
souder  ertsche  rijcheyt:  ende  al  dit  ertsche  be- 
leyt .  .  .  moet  mids  ertsche  rijcheyt  weseri, 
Melib.  2896.  So  hebben  wi  bi  onser  raden . . . ,  die 
wi  heien  van  den  Quaden  Belede  binnen  onsen 
1(5 ven  dit  bezeghelt.  Vrouw.  e.  M.  XI ,  274  {d.  i.  het 
wanbeheer,  wanbestuur ,,  d&i  vs.  282  genoemd  wordt 
guade  regiment).  Welc  ghemeen  goet  sprutende 
ende  meerrende  is  van  regimente  ende  beleyde  der 
ghemeente.  Leid.  Keurb.  101,  178.  Dat  si  sochten 
dat  beleet  te  hebben  vanden  rike ,  D.B.1  Machab. 
6,66.  Dat  si  {Antwerpen)  in  goeden  regiment  ende 
in  goeden  beleide  si  ende  blive,  Qesch.  v.  Antw. 
2,  606.  —  Zie  ook  beliede. 

b)  Concreet.  Het  bestuur,  de  overheid,  jj  Jonghe 
kintscheit,  die  nieten  weet,  maect  men  wethouders 
ochie  beleet,  O VI.  Ged.  2,  110,  86.  Dat  ware 
menegher  stat  goet,  die  nu  heeft  crancken  spoet, 
ende*  cranc  van  neringhen  staet,  om  dat  haer  be- 
leyt es  quaet,   Wrake  I,  1308. 

6)  Als  krygsterm.  Bevel,  commando;  ook  in  het 
mv.  Bevelen,  jj  Dander  tweede  schare . . .  had  don- 
getrouwe grave  Robrecht  van  Namen  in  sijn  beleet, 
om  die  achterhoede  te  bewaren ,  Exc.  Cron.  146  b. 
Deerste  (scare)  behielt  hi  ende  Eduwaert  van  Ghelre 
in  hair  beleden  {onder  hunne  bevelen)  met  menigen 
vromen  man,  ald. 

7)  Bij  uitbreiding.  Macht,  gezag.  \\  Dat  die  her- 
toghe  ...  op  goeden  troest  was  uutghetogen  . . . , 
den  Bossche  te  crigen  in  sijn  beleit,  Brab.  Y, 
VI,  9896. 

C.  Van  beladen  als  rechtsterm  (zie  ald.  bedr.  7). 

8)  Het  gaan  ter  hoffaert  (zie  BELEIDEN  8).  ||  Van 
den  beroupe  {het  hooger  beroep,  iof  van  den  be- 
leede, iof  van  der  sprake  {minnelijke  schikking), 
Cout.  V.  Brugge  1,  360.  Waerd  dat  deelmans 
{personen  belast  met  regeling  van  scheidingen)  be- 
roupen  worden  iof  dat  sij  haer  beleed  namen  als 
van  diere  zake,  iof  dat  partyen  in  vriendelijcheden 
onderlinghe  sprake  helden  van  acoorde,  Cout.  v. 
Brugge  1 ,  360.  Van  den  ghonen  die  bedraghen  zullen 
zyn  van  moorddade . .  zullen  scepenen  vanden  Honk . . 
haerlieder  beleet  nemen  an  schepenen  van  Brugghe, 
601.  Dit  zijn  de  hoven  leenen  ende  mannen ,  die  „haer 
hooft  halen"  (chief  de  sens,  fr.)  ter  buerch  van 
Brugghe  eist  bi  beroupe  of  by  beleede,  Invent.  Vn 


Ö3Ó 


BELE. 


BELE. 


840 


Brugge  4,  283.  Met  welken  beleede  de  mond  van 
schepenen  gheheelike  ende  al  ghesloten  was ,  5,2. 

9)  Gerechtelijke  erkenning{van  tchulcT)^  het  verlijrlen 
van  eene  gerechtelijke  akte  daarvoor.  \\  Van  beleode 
{in  rechte  erkende  ^  voor  het  gerecht  geconttaieerde) 
scout.  Van  ghienen  beleede  van  ghesekerde  scout 
en  sal  men  niet  meer  nemen  dan  ses  scellinghon, 
onse  baliu  die  helft  ende  die  scepenen,  die  ten 
belede   comen,    die    ander  helft,  Mieris  2,  100 /i. 

10)  Eene  phate  van  de  executie  ojt  onroerend  gotd ^ 
waarbij  den  eigenaar  het  bezit  wordt  ontrwinen ; 
vgl.  V.  d.  Wall  1416.  II  Van  denghenen,  die  recht 
gesproken  ende  gefordert  hebben  op  huyse  ende 
erve  binnen  Dordrecht,  soe  verde  dat  recht  van 
beleyde  gedaen  is  ende  den  nutganck  ende  inganck 
verboden  is,  O.  B.  v.  Dordr.  1 ,  137.  Thoenen  alduer 
dat  scepenen  blijcke  van  trecht  van  beleide,  ald. 
(zoo  nog  tweemalen  a//^.).  Heeft  hidarenbinnen  zijn 
ghemoede  niet,  so  sal  hi  recht  van  beleede  ghereu, 
209,  11. 

11)  De  ichepenbrief  zelf  ^  waaruit  van  die  executie 
blijkt.  II  Alsoe  die  ingesetenen  .  .  hen  pyncn  te 
behelpene,  te  beschuddene  ende  te  beleiden  hnir 
goid  met  lovensge  {door  de  schepenen  van  Lemen 
geteekend^)  beleide,  Gesch.  v.  Antw.  3,  577.  Die 
onbehoirlike  ende  geveysde  beleide,  ald.  Die  be- 
leide binnen  der  mercgreefscape  ter  execuci«ii  te 
stelleue,  ald.  (vgl.  bl.  139  en  Coxf.  v.  Ljven^c.1). 

12)  Oetitigenis;  vgl.  BELEIDEN  7  A).  ||  Twee  witt- 
achtighe  getaygen,  niet  suspect  zijnde  van  quade 
beleet,  K.  en  O.  v.  Delft  137,  1. 

BELEITHEIT,  znw.  vr.  Van  èeleU,  deelw.  van 
beleggen^  in  denzin  van  ^^%^r^  (zie  ald.  bedr.  4). 
Belegering  in  passieven  zin,  het  belegerd  worden. 
(De  belegering  in  actieven  zin  heet  in  het  mnl. 
dat  belegghen  otdie  belegghinghe  (zie  die  woorden,  en 
verg.  BELEGENHEIT)).  ||  Si  {Jeruzalem)  sal  wes«;n  in 
beleitheden  ende  da  sultstese  ommelegghen ,  D.  B. 
Ezech.  4,  3. 

BELEITSMAN  (beleetsman),  znw.  m.  Van 
beleiden  (zie  ald.).  Hetzelfde  als  beleider  (vgl.  ald.  2) , 
en  ons  znw.  leidsman). 

1)  Van  het  burgerlijk  bestuur  eener  stad  ge- 
zegd. Begentf  bestuurder^  raadsman.  \\  Hi  maecte 
in  die  stat  danne  hondert  beleetsmanne,  die  die 
stat  souden  beleiden,  Lsp.  I,  43,  27  var. 

2)  Van  het  bevel  over  soldaten.  Aanvoerder^ 
bevelhebber,  \\  In  den  eersten  {battaelge)  was  be- 
leetsman heer  Adolf  van  Clevc,  Exc.  Cron.  210  b. 

BELECKEN.  Zie  belicken  (Iste  en  2de  Art.). 

BELEMMER,  znw.  o.  Eig.  stam  van  het  werkw. 
belemmeren.  Vgl.  BELEMMERT.  Datgene  ^  wat  iemand 
hindert  of  in  verwarring  brengt^  hindernis.  —  Fig. 
Datgene  wat  het  menschelijke  hart  verhindert 
het  goede  na  te  streven^  zonde.  ||  Mijn  herte  ie 
Gode  niet  gheven  can,  want  daers  te  vele  belem- 
mers an,  OVl.  lAed.  e.  O.  600,  267.  Suver  minen 
aermen,  verdoolden  zin,  daer  es  zo  vele  belemmers 
in,  531,  395. 

BELEMMEREN.  Zie  belemmer  en  belemmert 
en  Kil.  44. 

BELEMMERT  (belimmert),  eig.  deelw.  van  het 
WW.  belemmeren.  Als  bnw.  gebruikt  in  den  zin 
van  in  verwarring  gebracht^  verward^  zonder  zelf- 
standigheid en  eigen  oordeel^  door  and^er  woorden 
verstrikt  en  vooringenomen.  \\  Wie  sijn  herte  is  so 
belimmert,  dat  hi  lichtelic  ghelooft,  dick  worden 
syn  saken  seer  verdooft ,  MLoep  IV,  182G. 

BELEMMERTHEIT  (belemmerheit),  -iiede, 
znw.  vr.  Van  belemmert.  Dat  wat  belemmert^  belemme- 
fing,  II  Van  te  zuverne  de  Leye  van  den  lissche  ende 


andere  belemmerthede ,  Invent.  r.  Bmgge  4,  369. 
Dat  de  belemmerthede  ghewert  mochte  ▼ordeo, 
370.  Of  thoeft  es  gheswollen  sonder  vele  belemmert- 
heiden,  so  doet  thoeft  ierst  sceercn,  Hs.  Yp.  111 
c  (uitg.   bl.  55). 

BELEN  (bielen),  zw.  ww.  onz.  Ohd.  bellai 
ags.  bellan-y  mhd.  bellen^  billen;  hd.  belle».  \ü  hi 
Mnl.  ook  in  de  vormen  bilen  en  bell^n  (zie  ald :. 
Blaf  en,  bassen.  WD^e  honde  saghen  den  evervliea. 
Daer  was  ghebielt  so  meuechvout,  dat  ghe»eal 
vervulde  al  thout,  Parth.  1179.  Die  ene  alse  eea 
hont  gedaen  .  .  .  maer  hine  heelde  niet,  Yelti 
VII,  17,  24.  Dat  hi  {d^  hond)  belde  {misteliinu 
hier  bellen  bedoeld)  ende  jancte,  IV,  56,27.0 
{wolven)  hulen,  maer  ne  beien  niet,  Nal.  Bl.  U, 
2378  var.  —  Ook  overdrachtelijk  gebruikt  fis 
allerlei  onaangename  geluiden ,  b.  v.  het  krijickf% 
der  duivelen.  Vgl.  ons  bassen.  \\  Beien  ende  hulei 
der  duvelen  ende  der  verdoemder  menschen ,  BbmI. 
3,  259  var.  {Ned.  Proza  42). 

BELENDEN  (belinden),  zw.  ww.  om.  ei 
wederk.  Mnd.  belenden.  Van  land.  Zie  over  dit 
woord  Taalk.  Bijdr.  1,  63.  vlgg. ;  en  2,  22  nwt 
Eig.  euin  land  komen,  doch  hoe  weinig  de  a^ei- 
ding  van  land  meer  gevoeld  werd,  blijkt  o.  i 
uit  Litcid.  Ö90:  „Som  sijn  se  int  water  belent" 
In  beteekenis  gelijk  aan  bekeren,  waarmede  bei 
ook  verbonden  voorkomt. 

Onz.  Beland^en,  te  l^ind  komen,  te  recht  hm^ 
Behalve  in  het  bovengenoemde  voorbeeld  oveal  met 
het  vragende  vnw.  waar  verbonden:  waer  ie  b^ 
lende,  waar  ik  terecht  kom.  \\  Die  in  de  keilt 
sijn  geseten ,  en  mogen  van  der  werelt  niet  vetöu 
niet  meer  dan  ons  es  bekent,  waer  dat  die  xlek 
belent,  Liicid.  5359.  Dan  dunct  (/.  danct)hiGo^, 
dat  hyt  {het  leed)  hem  sent,  soe  waer  dat  hi  \*- 
lent,  ende  nemet  in  goeden  moede  ,  ende  danctGödt 
van  allen  goede,  2781.  Verloren  wart  hi  oet  iaï 
ende  ende  men  en  weet,  waer  hi  helende,  Sp.l*. 
40,  39.  Ie  sal  mi  gheninden,  om  te  wet»? 
waer  si  belinden,  Lanc.  II,  27776.  No  hier » 
daer  waer  ich  helende,  ne  vindic  vruecht no troesl 
no  heil,  OFl.  Lied.  e.  G.  212,  18.  Nu  versta*', 
voort  .  .  waar  hi  helende  rechte  voort,  J»wil, 
2826.  Waer  dat  hi  helende  voort,  hebdi  hier vorfi 
wel  ghehoort,  II,  15.  Ende  dat  niement  en  # 
bekent,  waerwaert  dat  hi  es  belent,  545.  Dn? 
vianden  zijn  te  zware  eiken,  waer  hi  belent, w*' 
hij  zich  ook  bevindt,  Wap.  Rog.  210.  Waer  vij  te- 
lenden of  bekeeren,  wi  sullen  huwer  miltieit 
ghewaghen ,  waar  wij  ook  komen ,  overal  vaar  p. 
komen,  Denkm.  3,  224,  56.  —  Ook  met  hetb?» 
A«t^» verbonden,  henen  belenden;  vgl.  hen» 
becomen,  bij  becomen  1).  ||  So  dat  en  wwt 
moederbaren,  waar  si  henen  s^n  belint,  Xon-.ll- 
2391. 

Wederk.  —  Hem  belenden,  eig.  nfi  «* 
land  begeven ,  en  verv.  zich  ergens  h^en  begeven  h 
beteekenis  en  gebruik  niet  verschillende  van  b«* 
onz.  belenden.  Vgl.  bekeren  en  hem  bekeren.  \\  Wsf ' 
waert  so  ghi  ju  wilt  belenden,  ghine  moghetuiri 
comen  ten  ende ,  al  voerdi  vijf  hondert  milea  A 
mere,  Wal.  5947.  Menne  weet  waerwaert  ^ 
hem  helende,  Flandr.  V,  36.  Du  best  mir  vnieefcdfl 
principael,  so  waer  ie  mi  helende,  0^1. Lied. e. O 
106,  31.  Waerwaert  dat  ie  mi  helende,  in  su^ 
an  beghin  noch  ende,  308,  2211. 

Aanm.  — Z%>.  377  {Comb.  Hs.):  „Icseggkedit 
elc  antworden  moet,  waer  hi  wulle,  vleesch  t^ 
bloet  van  den  scape  belende "  leze  men  met  bf^ 
Groningsche  Hs. :  „Waer  wulle,  vleesch  ende  W   ^ 


8ii 


BELE. 


BELE. 


842 


van  den  scape  èelende".  —  Bel^.  Mut.  8,  278 
(;V.  Boet.  383):  „Ie  hebbe  prochipapen  belent^  die 
selve  maecten  dat  testament^  daer  haer  prochiane  ziec 
laghen,"  leze  men:  „ie  hebbe  prochipapen  i^ittf»^," 
d.  i.  ik  heb  gekend^  eig.  ik  heb  leeren  kennen.  Yg\. 
bij  BEKENNEN,  en  Taalk.  Bijdr.  1,  63  vlgg. 

BELENDEN,  zw.  ww.  bedr.  Van  land,  doch 
door  het  volk  met  lende  in  verband  gebracht.  Zie 
De  Vries  in  Taalk.  Bijdr.  2, 14—22.  Palen, gremen 
aan,  met  zijn  land  l^gen  naast  dat  van  een  ander. 
Vgl.  ons  belendende  geboutcen  en  belending.  \\  Een 
stucke  erfs  eude  lants,  .  .  ende  {en  daf)  belent 
hebben  J.  G.  en  P.  W. ,  Weatfr.  Dingt.  7.  Een  stucke 
erfs  ende  lants ,  .  .  ende  belent  hebben  P.  H.  an  die 
oestsijde,  ende  P.  F.  an  die  westzijde,  ende  G.  H., 
mit  anderen  goeden  lenden,  ald.  9. 

BELENEN  (belienen),  zw.  ww.  bedr.  Mnd. 
belenen;  hd.  belehnen.  —  1)  /»  beleening  nemen, 
geld  op  iets  voorschieten.  ||  Dat  van  na  voirtan 
nyemant  enige  goeden  van  Godscalck  voirs.  en  cope 
noch  en  beleene,  noch  hem  enich  geit  daerop  en 
geve,  O.  R.  v.  Dordr.l,  307,  100. 

2)  In   beleening  geven,  geld  op  iets  opnemen.  \\ 
Wye   euich    harnas  belyent   of  vercoopt,  om  dat 
nter  stede  voirt  te  vercopen  of  te  voeren ,  die  ver- 
buert  3  ffi ,  Leid.  Keurb.  164,  13. 

BELENGEN,  klank  wisselende  vorm  voor  be- 
langen, z.  ald.  en  verg.  het  mnl.  i^/«»c;  het  Eng. 
U>  belong  en  het  tgw.  aanbelangen.  Bereiken ,  onder 
zijn  bereik  hebben,  verkrijgen.  \\  Goeden,  roerende 
ende  onroerende ,  so  waer  sy  die  in  steden  of  daer- 
buten  mit  recht  belengen  oftebevijnden  sal  mogen, 
^.  V.  Utr.  2 ,  207.  —  De  misse  belenghen,  de 
mis  bijwonen.  ||  Hi  .  .  sal  eerst  alle  dagen  misse 
gehoort  (hebbeu),  waer  hijse  belengen  mach  mit 
nochteren  monde  ende  mit  ynnicheit,  Clerc  91. 

BELENT,  znw.  onz.  Van  belenden  {zie  ald.).  Eig. 
plaats  om  te  belanden,  zich  heen  te  begeven,  en 
vervolgens  in  abstracten  zin  uitkomst',  lat.  efngium. 
jl  Als  die  en  weet  negheen  belent,  stondic  van 
groten  vare  bleec ;  menichwaerven  ie  verzeec ,  O  VI. 
Lied.  e.  G.  284,  1505. 

BELES,  znw.  o.  Eig.  stam  van  het  ww.  ^^/^*^ 
in  den  zin  van  betooveren.  Betoovering,  bezwering.  || 
Ie  hebse  doen  twijfelen  op  claer  beles,  als  dat 
{d.  1.  dat  het)  gheen  sacrament  en  es,  Sacr.  349. 
BELESEN,  st.  ww.  bedr.  Mnd.  bele8en;.m}ïA. 
belesen. 

1)  Van  lesen  in  den  zin  van  bidden  (zie  ald.  en 
vgl.  het  znw.  lesse,  d.  i.  mis). 

a)  Eene  mis  over  iemand  lezen,  een  gebed  voor 
iemand  doen.  \\  Donreine  sacrament  .  .,  dat  haer 
pape  hadde  belesen,  doe  soe  ongeloveeh  hadde 
gewesen,  Sp.  III',  5,  13.  Amand  die  ghereedde 
hem  metier  spoet ,  om  dat  kint  kerstin  te  doene  . . , 
ende  daer  Amand  sonde  dat  kint  belesen,  also 
honde  andwoorde  hem  tkint  .  .  .  met  vulcomender 
voe«en:  Amen,  Amand  II,  2872. 

b)  Enen,  iet  — .  Door  gebeden  zegenen ,  vooral 
bij  eeyie plechtige  inwijding.  Vandaar  inwijden,  wijden, 
waarmede  het  meermalen  verbonden  voorkomt.  || 
(Hi)  wij  ede  dien  tempel  mede  in  onser  vrouwen 
ere  ^larien,  ende  mede  belas  hijt  in  dat  wijen  in 
deere  alre  martelaren,  Sp.  III',  59,  72.  Sinte 
Bonifacius  .  .  .  wie  (/.  wiede)  den  coninc  ende 
belas,  Sp.  III»,  68,  23  {Brab.  Y.  I,  1222).  Hi 
stont  vore  des  tempels  dure,  ende  sparste  na  der 
heidene  cnre  met  watere ,  dat  was  daer  toe  belesen , 
wie  dat  in  den  tempel  ginc,  Sp.  II",  29,  107. 
Cathecnminus  is  een  kint  dat  voor  die  kercke 
beleden    ia,   eer    datment    dopet,  I*ass.  (1489)  S. 


125  a,  aangeh.  bij  Oudem.  1,  481.  Als  een  kint 
belesen  is  voer  die  kerke,  eer  ment  kersten  doet, 
Fass.  W.  145  e.  Alle  baden  si  ende  wonden ,  dat  si 
doepsel  ontfaen  souden;  hi  beseinedse  ende  belas, 
also  alse  costume  was,  III ^,  42,  63.  Doe  hi  die 
vonte  hadde  ge  wijt,  belesen  ende  gebenedijt,  III* , 
39 ,  49.  Binnen  desen  suverde  hi  dien  tempel  ende 
belesen  hevet  hine  ende  teere  kerken  gewijt  in  den 
name  Marien,  11%  17,  179.  Daer  es  hi  in  den  stoel 
gheset,  ende  coninc  ghewijtende  belesen ,  5ra3.  Y. 
11,  5281. 

2)  Van  lesen  in  den  zin  van  een  toover formulier 
lezen  (zie  ald.). 

a)  Eigenlijk.  Een  toover  formulier  over  iemand 
lezen,  hem  betooveren,  bezweren.  In  dezen  zin  nog 
in  gebruik.  Fr.  exorciser.  \\  Enen  vogel  hi 
belas,  die  vlooch  al  daer  die  coninc  waa,  ende 
brochte  hem  in  droem  te  voren ,  dat  een  kint  soude 
siju  geboren,  Alex.  I,  229.  Die  steen,  die  den 
stier  in  draghet  jof  caprieornum  of  die  maghet, 
dien  seghtmen  sere  cout  wesen  ghesacreert  ende 
belesen.  Nat.  BI.  XII,  1175.  Die  desen  steen 
belesen  can ,  539.  Sonder  manen  ofte  belesen 
siet  men  daer  te  hant  figuren,  461  var.  Met  be- 
hcndicheit  niet  clene  belesement  ende  so  begaet, 
dat  sijn  vengn  niet  en  scaet,  VI,  100.  Nu  es  ene 
nature  in  desen ,  dat  sere  scalc  {d.  i.  lastig)  es  int 
belesen,  107.  Talreerst  moetmene  belesen,  dat 
hi  niet  en  si  van  felre  voere,  380.  TAnthiochen  in 
die  stat  heeft  hi  enen  afgod  gesat  met  dnvelien 
also  belesen,  Sp.  II*,  7,  11.  Enen  diepen  pit,  dien 
hi  .  .  .  dede  .  .  .  met  toeverien  al  belesen,  II*, 
37,  84.  So  haddene  Merlijn  belesen,  III*,  32,66. 
E. ie  joncfronwe  .  .  .  heeft  sine  wapine  so  belesen, 
diittere  uieman  en  can  genesen,  Lanc.  III,  13658. 
Pieter  Debboudt  hadde  wel  een  jaer  te  vooren  .  •  • 
te  Kousse  ghe voert  gheweist  eude  daer  belesen, 
Cout.  V.  Brugge  1,  16.  —  Ook  in  den  zin  van 
door   zijn    invloed   krachteloos   maken,   biologeeren. 

II  Mer  der  stoutter  Troyen  hande  en  const  hy  niet 
also  belesen,  hy  en  moester  af  verslaghen  wesen | 
Trogen  f.  261  d. 

b)  Overdrachtelijk.  Bezweren,  smeeken,  \\  Ie  wil 
u  belezen  ende  besweeren,  ende  manen  bij  al  dat 
u  mach  deeren  ...  dat  ghij  zecht,  op  goeder 
trauwen,  wat  u  letten  mach  of  ghebreken,  Nu 
noch  207. 

BELESEB ,  znw.  m.  Mhd.  beleser.  Van  belesen 
in  den  zin  van  betooveren.  Toovenaar,  bezweerder,  jj 
Die  vrienden  leydense  oeck  tebelesersof  tovenaers, 
dat  si  den  duvel  verjaghen  souden,  Fass.  W.  181  d, 

BELET,  znw.  o.  Eig.  stam  van  het  ww.  be- 
letten. 

1)  Van  beletten  in  den  zin  van  verhinderen,  be- 
temmeren.  —  a)  In  actieven  zin.  Het  verhinderen',  de 
belemmering ,  die  men  anderen  aandoet',  hindernis.  \\ 
Si  en  mochten  niet  passeren  door  dbelet  van  den 
swarten  hoop,  Exc.  Cron.  273  3.  Dese  historie  is 
ghemaect  niet  om  eenich  belet  van  goeden  wercken , 
Httge  V.  Bord.  3.  Daer  in  zij  laughen  tijd  groot 
belet  ende  achterdeel  bi  dien  van  der  Sinus  hebben 
ghehadt,  ZVl.  Bijdr.  4,  73.  Vgl.  ook  onder  a) 
het  citaat  uit  Nijh.  —  Sonder  belet,  zonder 
te  hinderen,  zonder  moeilijkheden  in  den  weg  te 
leggen.  \\  In  ghelike  soude  hi  mede  den  coninc 
van  Ingelant  vor  waerhede  restitueren  ende  weder- 
keeren,  sonder  belet  ofte  deeren,  sloten  ende 
steden ,  VI.  Rijmk.  6877.  — Vooral  gebruikelijk  in  de 
uitdr.  belet  doen;  in  twee  opvattingen.  —  «)  Be- 
lemmeren, verhinderen,  beletten.  Met  den  3den  nv. 
van  den  persoon  of  der  zaak.  ||  Te  blusschen  ende 


843 


BELE. 


BELE. 


844 


te  doen  belet  alsoe  vreseliken  opset,  Braè.  Y.Yl^ 
1736.  Die  overhorich  ware  den  deken  ende  vinders, 
yan  caeren  te  zoakene  ende  zijn  sloten  niet  openen 
en  wilde,  of  hem  enich  belet  daerin  dade,  ZVl. 
Bijdr.  6,  167.  Soe  sullen  mijn  Yoirscr.  genadige 
here  van  Burgondie,  van  Brabant,  etc.  ...  die 
gheen  diet  tbelet  deden , .  .  bedwinghen ,  dat  selve 
belet  aff  te  doen,  Nijh.  4,  233  (a.  1448). 

^)    In   ongelegenheid    brengen^    hinderen.  \\  'Ken 

mach   u    niet   gheven,    tsoude   my  doen  belet,  V 
Ma4tgd.  409. 

b)  In  pass.  zin.  Ret  belemmerd  worden  y  en  ver- 
volgens bezwaren,  grieven.  \\  Om  groote ,  cleene ,  rike 
ende  mate  recht  te  doene  ende  wet ,  updat  hi  toghe 
sijn  belet,  O  Tl.  Lied.  e.  O.  329,  420,  „mits  hij 
aantoone ,  waarin  hij  belemmerd  wordt."  —  S  o  n  d  e  r 
belet,  zonder  bezwaar  of  zwarigheid,  zonder  hinder, 
gemakkelijk.  W^o  goecoop  was  de  vytaylge:  zonder 
belette  doe  cocht  men  boven  tponds  groote  een  vette 
coe,  ZVl.  Bijdr.  6,  332,  141.  (Si)  maecten  hem 
sonder  enich  belet  huter  bataelgen,  VI.  Rijmk. 
6384.  In  ghelike  sonde  hi  mede  den  coninc  van 
lugelant  vor  waerhede  restitueren  ende  wederkeeren, 
sonder  belet  ofte  deeren,  sloten  ende  steden,  6877. 

2)  Concreet.  Beletsel,  dat  wat  iets  bekt  of  tegen- 
houdt, hinderpaal,  barricade.  \\  Kistdammen,  sta- 
kytsen  ende  andere  beletten,  Invent.  v.  Brugge  5,  289. 

3)  Be  persoon    die  onwettige  handelingen    belet, 
verhindert',  m.  a.  w.  wacht,  bewaker,  beschermer.  \\ 
Die    Gode    hebben    daertoe    {bij   het  vlies)  gheset 
sulcke   hoede    ende  sulcken    {zulk   een)  belet,  als 
men  daer  behoeft,  Troyen  398. 

4)  Eene  ingewikkelde ,  moeielijke  zaak.  In  den  be- 
paalden zin  van  oorlog  gebruikt.  ||  Want  hy  had  ghe- 
noech  te  doene,  den  strijt  ende  dat  belet  te  scry ven , 
<kier  menighen  in  stont  te  blyven ,  Troyen  f.  öl  b. 

5)  Van  beletten  in  den  zin  van  uitstellen  (zie 
ald.  3).  Uitstel,  vertoef,  pauze.  Vgl.  onze  uitdr. 
belet  geven.  \\  Hier  up  willic  maken  een  belet,  om 
dat  ghi  mi  sout  verstaen  te  bet,  Amandl\,^blQ. 
«  BELET ,  andere  vorm  voor  billet.  \\  Een  roUe 
van  parchemine ,  an  twelcke  dit  belet  ghehecht  is. 
Coat.  v.  Brugge  1,  580. 

BELETTEN,  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  beletten. 

1)  Verhinderen,  de  hedendaagsche  opvatting.  || 
(Si)  vernemen  wel  dat  sy  op  haer  reyse  ende 
vlucht  leggen,  mer  sy  en  hebbense  nye  mogen 
besetten  noch  beletten,  O.  R.  v.  Dor  dr.  1 ,  120.  Belet 
met  ongevalle ,  Flor.  1803.  Belet  bi  andren  ongevalle, 
1815.  Zoo  ook  1281 ;  enz.  —  De  afhankelijke  zin 
heeft  volgens  mnl.  spraakgebruik  de  ontkenning 
niet  bij  zich,  b.v.  Lanc.  II ,  34206.  —  De  onb.  wijs 
als  znw.  gebruikt.  Beletsel ,  hindernis.  \\  So  moghen 
si  sonder  eenich  beletten  vulcommelike  in  duechden 
bloyen,  Denkm.  3,  125,  119.  —  Het  verl.  deelw. 
belet  gebruikt  in  de  bet.  van  er  slecht  aan  toe, 
in  een  ongelukkigen  toestand.  \\  Die  grote  Cham  sijn 
broeder  die  starf ,  soe  (=  zoo  dat)  al  dit  lant 
belet  bleef,  Mandev.  bba. 

2)  Verhinderen  in  de  behartiging  of  uitvoering  van 
datgene,  wat  iemand  doen  moet;  hem  letsel  aandoen , 
lastig  vallen.  \\  Dat  die  selve  heer  .  .  .  van 
yemende,  het  sy  onse  vyande  of  ander  lude,inder 
voirscr.  kercke ,  huze  ende  toebehoren  behindert , 
belet  of  gemoeyt  worde ,  Oorl.  v.  Albr.  534.  —  Van- 
daar de  uitdr.  belet  sijn  met,  in  of  van  eenre 
dinc,  door  iets  gekweld  worden,  behept  zijn  met.  || 
Soe  ducke  had  hyt  {Troje)  oec  ontset,  alst  van 
hongher  was  belet,  ende  hem  ghewonnen  in  men- 
gher  wyse  voesteringhe,  dranc  ende  spyse,  Troyen 
f.  227  b.   Alse  hi  met  evele  ware  belet ,  ghinc  hi 


hem  baden  in  dat  bat,  <S|p.  in^ ,  50,  10.  Al  vaer 
hi  in  souden  belet ,  ghi  souten  te  ghenaden  bringhen , 
Beatr.  550  (misschien  te  lezen  beslet;  zie  beslettex 
en  Tijdschr.  1,  130;  doch  belet  in  is  ook  eene 
goede  lezing). 

3)  Vertragen,  uitstellen.  Yg\.  LETTEN.  ||  Hi  ginc 
sine  dinghen  besetten,  hine  dorste  sine  reyse  niet 
beletten,  Vod.  Mus.  2,  388,  283.  Vrient.verstaet, 
het  es  in  enen  vrede  gheset  van  heden  over  YII 
daghe;  gaet  tote  hem;  dan  eest  goet  belet,  Bel^. 
Mus.  10,  79,  114  (de  var.  Denkm.  3,  477,  124 
heeft:  „dus  eist  goet  verbeit^\  d.  i.  „daarom  is 
het  goed  te  wachten,  uit  te  stellen**). 

4)  In  den  weg  staan,  een  hinderpaal  zijn  voor.  \\ 
Hoe  dogt  hi  .  .,  dat  wijf  sijn  eere  dus  beletten, 
Rincl.  1003. 

5)  Een  boosdoener  aangeven.  \\  Wie  so  terde 
breict  ende  daema  belet  wert,  so  dat  menne  ghe- 
cryghet  omme  rechtinghe  mede  te  doene ,  Coat.  v. 
Gent  431.  Wiene  .  .  belet,  hy  sal  hebben  van  der 
stede  goede  hondert  pont  tomoyse ,  432.  —  Vandaar 

BELETTINGE,  znw.  vr.  Aangifte.  ||  Sinencost 
dien  hy  ghedaen  sal  hebben  omme  de  belettingbe, 
432.  Van  der  belettinghen  van  den  gheoen  die 
ghebannen  es,  ald. 

BELEVEN,  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  beleven. 

1)  In  de  nog  niet  geheel  ongebniikeiykc  op- 
vatting van  naleven,  in  beoefening  brengen,  t»  zij* 
leven,  zijn  handel  en  wandel  openbaren,  betraehU%. 

II  Wilt  dat  gheloeve  so  in  my  stereken,  dat  iet 
beleve  metten  wercken ,  Belg.  Mus.  6 ,  173.  Die 
(nl.  die  leringhe  der  Ewangelisten)  die  sondea 
si  predicken  «nde  leren  ende  selve  beleven  dat  si 
seiden,  Hild.  209,  134.  Want  ghi  hier  al  bele?en 
moecht,  ghevoecht  u  sel ven  totterdoecht,  187,53; 
„daar  gij  vrij  zijt  in  de  inrichting  van  uw  lete»^ 
u  zoowel  op  de  beoefening  van  het  kwade  als  Taa 
de  deugd  kunt  toeleggen,  kiest  de  laatste."  Twoort 
Gods  ghehoort  es  medicine  der  ziele,  als  ment  te 
belevene  pine,  O  VI.  Lied.  e.  G.  495,  140;  ,«^ 
men  zijn  best  doet  er  naar  te  leven.**  Ie  hope,  ie 
zal,  dat  ie  nu  hoore,  beleven  al,  496,  167.  Dea 
staet  van  religioene  te  anveerdene  ende  te  belevene, 
Diericx,  Mém.  2,  461. 

2)  In  den  thans  nog  gebruikelijken  zin  tm 
in  sijn  leven  ondervinden.  Thans  evenwel  bgna  uit- 
sluitend van  onaangename  en  treurige  ervaringea, 
in  het  mnl.  daarentegen  van  aangename  atkea 
die  men  ondervindt,  waarin  men  persoonlijk  deeli; 
vandaar,  dat  beleven  met  een  obj.,  dat  de  eene  of 
andere  feestelijkheid  uitdrukt,  den  zin  heeft  van 
bijwonen,  tegenwoordig  zijn  ^y ,  riw'öw  (vgl.  begaES 
en  het  Lat.  celeber ,  dat  met  het  hd.  belebt  in  bet 
overeenkomt ,  terwijl  beleven  =  eelebrare  is).  || 
Alse  ridderscap  daer  sal  wesen,  ende  die  tortoy 
beleeft  (gehouden  zal  worden),  binnen  desen  sullö 
wi  comen  hier  binnen ,  Lanc.  II ,  12497.  Ie  geloote 
dat  was  eenen  name  vrolic  of  genouchlyc  geghe^ei 
by  deliberatien ,  dat  hy  houdt  den  name  van  an- 
ghene,  ende  dat  de  houders  beleefden  de  groote 
chiere  ende  vrolichede ,  Matth.  JMal.  1 ,  267. 

3)  In  den  nog  gebruikel^ken  zin  van  eene  k- 
paalde  gebeurtenis  of  tijd  overleven,  beleven.  II 
Waert  dat  vrou  Jutte  dien  Paeschdag  beleeft  hadde, 
dat  hoor  die  renten  van  Paesschen  mit  recktó 
verschenen  was ,  R.  v.  Utr.  2 ,  49.  Ende  sy  «« 
hor  e  oudermoeder  doot  beleeft  hebben,  160.  Beleetóea 
sij  hoor  doot  niet,  so  en  hadden  sy  niet ghegef»; 
ende  want  sy  hoor  doot  beleeft  hebben  enz.,  1^1- 
Den  zelven  Vos  ghegheven  van  sinen  weddea 
van    den   jare    van    32,  van    dat    hi    beleTede, 


845 


BELE. 


BELF. 


846 


6  i^,  Bek.  V.  Zeel.  1,  493.  Heynric  ende  Jan, 
Yer  Hadewien  kindere,  dat  an  minen  here  comen 
es,  27  d.  tor.  sjaers,  die  maken  van  2  jaren,  die 
zi  beleyeden,  ende  wi  hebben  betaelt,  4  se.  6  d., 
ald,  500.  Heynric  Clays  s.,  dat  an  minen  here 
comen  es,  13^  d.  tor.  sjaers,  fa.  de  3  annis,  die 
hi  belevede,  ende  wi  hebben  hem  betaelt,  3  so. 
4^  d.,  501.  (Een  deel  der  jaarbede  is  in  leen  ge- 
geven; aan  de  gerechtigden  wordt  blijkens  de 
rekening  over  4  jaar  betaling  gedaan.  Twee  dezer 
,  pennincleenen "  zijn  echter  binnen  de  yier  jaar 
aan  den  Heer  vervallen  door  den  dood  van  den 
leenman  of  op  andere  wijze.  Voor  deze  worden 
daarom  slechts  zooveel  jaartermijnen  (1  en  2)  be- 
taald, als  hij  die  de  betaling  ontvangt,  jaren  ge- 
rechtigd is  geweest). 

BELEVEREN,  zw.  ww.  bedr.  Overleveren  ^over- 
geven. II  Wat  beleverstu  dij  selven  ten  tormente 
voer  tijt,  Vaderh.  Wc. 
BELEVINGE.  Zie  bilevinge. 
BELEWITTE  (beelwitte  ,  beluwitte).  Eig. 
een  bnw.  met  de  beteekenis  zachtaardig^  goeder- 
Heren]  ags.  W/r»/,  bilevit  (Grein  1,  117),  dat b.v. 
een  gewoon  epitheton  van  God  is,  de  goedertieren 
Fader^  bilevet  f&der,  pater  clemene^  mitis. 
Over  de  afleiding  zie  Grimm,  2).  Mgth.  1*,  392  en 
Vaa  den  Bergh,  Myth.  13.  In  de  Germaansche 
Mythologie  werden  de  Belewitten  echter  verpersoon- 
l^kt  tot  eene  soort  van  geesten ,  behoorende  tot  de 
elven  of  alven ,  die  in  de  Noordsche  Myth.  volstrekt 
niet  voorkomen,  maar  zooveel  te  meer  in  de  Bnitsche. 
In  het  Mhd.  heeten  zij  èilwisz^  pilwizy  bultoechSy 
biltoiht'^  zie  Lexer  1,  277;  Ben.  1,  127a;  Schmeller 
1,  230;  Grimm  2,  30;  V.d.  Bergh,  t.  a.p.  12— 14 
en  vooral  het  uitvoerige  en  belangrijke  artikel 
over  den  pilvnz,  Grimm,  D.  Myth.  1*, 391— 395. 

1)  Oorspronkelijk  dns  eene  soort  van  elven,  van 
den  mensch  genegen  geesten ,  die  men  zich  dacht 
Tan  het  mannelijk  geslacht  (blijkens  het  er  naast 
bestaande  vrouwelijke  bulweehein) ,  werden  de  bele- 
»itten  door  onze  voorvaderen  al  spoedig  als  vrouwe- 
lijke geesten  beschouwd,  als  goede  genii,  als 
penates,  ongeveer  gelijkstaande  met  de  goede 
holden  (vgl.  Grimm,  Myth.  1*,  303)  of  witte  wiven , 
waarmede  zij  in  den  Teuth.  worden  gelijkgesteld. 
II  Om  dat  hi  meer  gheloeft  dan  hi  sculdich  is  te 

gheloven.  Als  waersaghers  of  die  daer  in  geloven 
of  van  den  nachtemerien  of  van  den  gueden  ouden 
{d.  i.  holden)  of  beel witten,  Con.  Som.  11b. 

2)  Deze  goede  geesten  verloren ,  evenals  bg  onze 
hd.  naburen ,  in  de  voorstelling  onzer  voorvaderen 
langzamerhand  hunne  goedaardige  natuur,  zoodat 
belewitte  de  beteekenis  aannam  van  tooverheke^ 
tooverkol,  heks.  Kil.  lamia,  ttryx.  \\  Vrouwen  die 
des  nachts  pleghen  wanderen,  die  beelwite  waren, 
L.  f.  80tf. 

Aanm.  —  In  den  zin  van  toovenoAr  (van  het 
manl.  geslacht)  vindt  men  het  woord  tweemalen 
in  eene  Diep.  Theol.  van  1648,  aang.  bij  Grimm 
en  V.  d.  Bergh:  „hominibus  .  .  dictis  beeldwit, 
quos  facultate  aut  dono  videndi  spectra  noctuma, 
speciatim  manium  et  funerum  praeditos  creditum 
est,"  en  „de  illis,  quos  nostrates  appellant  beeld- 
itnt  et  blinde  belien^  a  quibus  nocturna  visavideri 
atque  ex  iis  arcana  revelari  putant." 

3)  Vervolgens  nam  belewitte  de  beteekenis  aan 
van  ieder  vrouwelijk  monster;  zoo  wordt  het  door 
Boendale  gebruikt  in  deuzelfden  zin  als  zeemeermin. 

II  Opten  derden  dach  .  .  sullen  hem  die  vissche 
baren  .  .  ende  meerminnen  ende  beluwiten,  ende 
sullen  80  briesschen  ende  criten,  dat  dat  anxtelike 


ghescal  toten  hemele  clincken  sal ,  Lsp.  IV ,  9,15 
(zie  het  Gloss.  op  beluwiten.  Boendale  moge  door 
het  Lat.  woord  bellua  gebracht  zijn  tot  het  gebruik 
van  het  woord  belewite^  en  misschien  zelfs  het 
eene  van  het  andere  afgeleid  hebben,  maar  voor 
ons  begrip  is  belewite  hetzelfde  woord  als  het 
onder  1)  en  2)  genoemde,  schoon  in  eenigszins 
gewijzigde  toepassing). 

BELFROET  (beelfroet,  belfort,  beelfort, 
balefroet,  bellefoort  {Hor.  Belg.  7*,  10), 
bellefroet),  znw.  o.  Van  het  mfr.  belefroi^  berfroi 
(Burguy,  Qhss.  39),  en  dit  van  Mlat.  berfredus  ^ 
belfredus  (Duc.  1 ,  639) ,  dat  op  zijne  beurt  komt 
van  het  mhd.  bërcvrit^  bërvrit  (Ben.  1,  107^; 
Lexer  1,  186),  d.  i.  wachttoren.  Vandaar  nog  het 
it.  battifredo  (Diez  1 ,  59)  en  het  fr.  lefroi  (Littré 
1,  324).  Van  het  ww.  bergen  en  vride^  d.  i.  be- 
schutting^  bevrijding. 

1)  Wachttoren^  torenvormig  bolwerk.  Kil.  arx, 
propugnaculum ,  specula  militaris;  Hor,  Belg.  7*, 
10:  een  toren  om  te  betpijen. 

2)  Een  toren  in  het  algemeen  y  ook  klokketoren. 
Dat  balefroit  van  gere  stede  (JBabel)  entie  hoge 
tor,  Sp.  I',  5,  13.  So  ginc  hi  op  een  hoghen 
toren  of  op  een  beelfroet,  Pase.  S.  81<?. 

3)  Een  bolwerk  of  kasteel  met  een  toren  (van 
waar  ook  de  naam  der  stad  Belfort) ,  en  in  het 
bijzonder  van  het  Romeinsche  Capitool.  Kil.  arx.  || 
Enen  berch  . . ,  hiet  Carpeius  (d.  i.  Tarpejue) , . .  daer 
hare  beelfroet  op  stont,  Sp.  II',  24,  5.  (Si) 
lieten  van  boven  nedervallen  .  .  alle  die  trappen 
neder  vanden  Capitoele  of  beelfroede ,  P<m*.  W.4Sb. 

4)  Ieder  voornaam  gebouw  met  een  toren;  in 
het  bijzonder  van  het  Stadhuis  der  Vlaamsche 
steden ,  vooral  van  Brugge  en  Gent,  anders  genaamd 
de  Halle.  ||  Si  voerdene  te  Brugge  waert,  ende 
Icidene,  met  hoeden  groot,  ghevanghen  op  haer 
bellefroet ,  Edew.  862.  Daer  omme  sloech  men  hem 
af  thoot  te  Brugge,  vore  dat  Bellefroet,  1297.  Te 
Brucge ,  drevense  grote  feeste  .  . ;  dat  Belfroet  was 
80  geordineert,  datter  die  Coninc  in  logeert.  Vel th. 

IV,  8,  11.  In  dierste  jaer  van  sinen  graveschepe 
verbarrende  dbeelfroit  ende  die  halle  te  Brugge, 
CroH.  V.   Vlaend.  1 ,  169.  Steene  ten  beelfroete ,  Rek. 

V.  Gent  1 ,  78,  Jant.  7.)  Somme  van  den  werke  dat 
binnen  desen  jare  ghewrocht  es  ant  beelfort,  103  en 
248.  Zie  nog  Diericx ,  Mém.  1 ,  94 ;  2 ,  26 ,  27 ,  46  enz. 

BELGADE,  znw.  vr.  Van  belgen ,  met  den 
bastaarduitgang -a^i2^.  Gramschap^  toom.  ||  Wy  hebben 
liever  syns  soens  belgade,  dan  hy  ons  enighe 
vrientschap  dade ,  Troyen  f.  25a. 

BELGEN,  st.  WW.  onz.  en  wederk.  (balch^  bolgen ; 
het  verl.  deelw.  komt  niet  voor ,  maar  moet  geluid 
hebben  ghebolgen\  vgl.  ons  verbolgen)  \  Q\Lè.,belgan\ 
ags.  be^an\  mhd.  belgan. 

Onz.  —Eigenlijk  opzwellen ,  waaruit  zich  de  in  het 
mnl.  gewone  bet.  heefl  ontwikkeld  van  Toornig  worden 
{zich  dik  maken)  ^  boos  worden  ^  zich  kwaad  maken. 

a)  Absoluut.  II  Wisselau  (dat.)  balch  sinen  moet, 
datti  op  die  were  scoet,  Vad.  Mus.  2,  265,  1. 
Bi  wilen  belghen  ende  daer  na  soene,  doet  de 
minne  ghestade  sgn ,  Hadew.  1 ,  15, 57.  (Hi)  balch, 
alse  men  begreep  dat,  dat  an  hem  qualike  sat, 
Sp.  I^,  32,  21.  Alexander  balch  omme  dit  doen, 
36 ,  27.  Dat  ie  balch ,  was  ie  sot ,  3 ,  23.  Die  vrouwe 
sere  belgen  began,  I',  5,  48.  Ay  vri  man,  ne 
belget  niet,  Lanc.  II,  6969.  Doe  balch  God  als 
hijt  versach,  Bijmb.  12285.  Lichte  belghen,  ver- 
soenen selden  dat  sijn  onspoede,  Ruusb.  5,  10. 
Selden  belchti  sonder  noet,  Parth.  5773.  Doe 
balch  hi  harde  ende  onvro ,  Flor.  366.  —  Zie  verder 


847 


BELG. 


BELG. 


848 


Sp.  111%  4,  33;  21,  42;  III»,  4,  9;  IV*,  45, 
124;  58,  133;  Ren.  1794;  Nat.  BI.  II,  919;  Rein. 
I,  1749,  3185,  3195.  —  Enen  belgen  doen, 
iemand  boos  maken.  Vgl.  bij  DOEN ,  Bedr.  2  A).  ||  Grodt 
seyt,  diese  {de  ouders)  belghen  doet,  dat  hem  te 
pijne  worden  moet,  fTijse  L.  v.  C.  189.  Zoo  ook 
Mor.  304,  313;  enz.  —  De  onb.  wijs  als  znw. 
Gramscap^  toorn ^  boosheid.  ||  {Ood-e)  en  gaet  geen 
belgen  ane  noch  gramschip  (es)  in  hem ,  Lncid.  5886. 
Die  onhovesche  .  .  maect  belghen  ende  overmoet, 
j^.  I",  73,  23.  (Si)  lieten  doe  haer  belgen  staen, 
Jlex.  III,  1331.  Hi  was  die  wreetste  van  hen  allen, 
als  hi    int   belgen   was  gevallen,  Lanc.  II,  5190. 

b)  Datgene ,  waarover  men  toornig  is ,  wordt  uit- 
gedrukt door  den  2den  nv.  of  eene  bepaling  met 
het  voorz.  omme.  \\  Des  balch  dabdesse  bedi  dat 
hare  trouwe  was  tebroken,  Sp.  I',  74,  106.  Dies 
bolgen  die  Fransoysen  sere ,  ende  quamen  up  hem 
vechten,  III»,  36,  74.  Dies  balch  Ulixes  uter- 
maten,  Troyen  9830.  Dies  hare  man  balch ,  Lanc.  II, 
7612.  Dies  moesti  belghen,  Rijmb.  10540.  Dies 
balch  die  meente  vander  stede,  28005.  Dies  bol- 
ghen  die  Zeloten  zere,  30339.  Dies  balch  Clarijn 
ende  grongierde ,  Parth.  5546.  Ghi  bolghes  dat  ics 
mi  onderwant,  2967.  Dat  hijs  soude  belghen  hooghe- 
like,  Jmand  II,  4594.  Des  balch  diegrave  Ayraijn 
Ren.  120.  Dies  balch  Joas  van  Israël,  Rijmb.  13837. 
Zoo  ook  Rijmb.  13345;  Sp.  I',  67,  70;  IP ,  5, 
28 ;  enz.  —  Daeromme  balch  dat  herscap  sere,  Theoph. 
(BI.)  98,  217.  In  aertdrike  balg  hi  (6'^m^/«)  mede 
om  sine  overhorichede  op  onser  alre  vader  Adame , 
Nat.  BI.  II,  3743.  Zoo  ook  Rijmb.  10235,  10793, 
18759;  Sp.  I',  11,  62;  I»,  2,  7;  IP ,  9,  35; 
III",  43,  68;  89,  175.  —  De  persoon ,  op  wien  men 
vertoornd  is,  wordt  evenals  thans,  uitgedrnkt  door 
eene  bepaling  met  het  voorz.  op.  \\  Langhe  bel- 
ghen op  dat  men  mint,  heeft  tebroken  meneghc 
minne ,  FroHw.  enM.1,  345.  Karle  ende  Lodewijc  ! . 
bolghen  sere  op  den  ouden ,  dat  hi  tkeiserrike  wilde 
houden,  Brab.  Y.  ÏI,  4609  (Sp.  IV» ,  39,  13).  Hier 
omme  balch  die  oudermoeder  BruniltuptienColum- 
baen,  Sp.  III',  9,  42.  Een  edel  man,  daer  hi  up 
belghen  began,  Sp.  III»,  43,  79.  Dese  balch  eens 
up  sinen  sone,  III»,  11,  41.  Want  hi  up  hem  endo 
up  hare  vrient  balch,  VI.  Rijmk.  3287.  Zoo  ook 
Rijmb.  9436,  13772,  31113,  32246. 

Wederk.  — Hem  belgen. 

1)  Opzwellen  van  trotschheid^  zie A  dik  maken;  \n\. 
sich  brosten.  ||  Edel  man  die  mi  dorper  noemt, 
beliechstu  (/.  bellechstu)  di,  dats  sere  versoemt, 
Rincl.  921. 

2)  ZicA  boos  maken;  hetzelfde  als  belden,  onz. 
a)  Absoluut.  II  (Hi)  belcht  hem  utermaten  zeere, 
dat  hi  dus  qualic  es  ontfaen,  Denkm.  3,208,118. 
Bolchdi  u,  so  haddic  al  verloren  beide  troest 
ende  raet.  Rosé  2964.  Gevalt  dat  gi  verliest,  dat 
gi  u  niet  belgen  en  selt,  Cass.  1703.  Die  her- 
toghe  balch  hem  sere,  Limb.  II,  1016.  Doe  balch 
hem  die  coninc  saen,  Rijmb.  12748.  Met  groten 
rechte  mach  ie  mi  belgen,  Rein.  Il,  54ü8.  Hi 
balch  hem  so  met  ge  welt,  *S/>.  I',  72, 17.  Alexander 
balch  hem  dan,  I*,  44,  47.  Zoo  ook  Hild.  205, 
97;  Mask.  1190;   Wrake  II,  924;  Ruusb.  4,  13. 

b)  Datgene,  waarover  men  toornig  is^  wordt 
uitgedrukt  door  den  2den  nv. ,  of  door  eene  be- 
paling met  de  voorzetsels  van  of  omme.  ||  Des  hem 
des  volcs  rijcsghenoet  bolghen  cleyne  ende  groet; 
want  si  hem  des  bolghen  sere,  dat  een  vrouwe 
soude  sijn  haer  here,  JFrake  II,  205.  Hier  omme 
so  bolgen  si  hem  das,  ende  wildene  steenen  om 
die    dinc,    Sp.    I',    15,    36.   Die   hem  herde  sere 


balch  das,  dat  hine  doe  ne  groette  niet,  LancU^ 
2586.    En  belcht  u   niet   das,     SegA.  4693.    Dat 
hys  hem  bolge ,  Velth.  II ,  9 ,  34.  Dies  hem  Claer- 
wgs  balch  wel  sere ,  Cass.  759.  Wet  dat  hem  diea 
onse   Here   belghet   harde    sere,  Wrake  III,  131. 
Wies    hem    bolghe,    Fad,  Mus.  1,  62,  168.  Ie  en 
saels  mi  belghen  niet ,  Frouto.  en  Ml,  82.  Zoo  ook 
Lsp.    III,    17,    84;  Velth.  V,  6,  68;  IV,  25,  51; 
PartA.  1784;  Alex.  III,  1199;  jy/w^.  6206, 1 0256, 
22544,  24356,  18610;  Ruusb.  5,10.  —  Seghelgn 
balch  hem  van  dien ,  dat  hi  sprac  sulc  onghevoech, 
SegA.  3670.  Onse  Here  balch  hem  van  desen ,  ende 
scaltse  om  hare  dorpernie ,  Rijmb.  5602.  Dies  balch 
hem  God  van  desen  dingen ,  SegA.  7213.  —  Waert  so , 
dat    hijt    verbrake,    dats  hem    God  bolghe  om  de 
sake,   Jmand  II,   601    (het  vnw.   des   {s  in  dats) 
wordt  in  dezen  regel,  zooals  meermalen,  expletief 
gebruikt).    Die    hem    balch     om    desen    dinghen, 
Grimb.  II,    2171.    Si  balgen  hen  ombe  dese  wort 
sere ,  Lanc.  II ,  21308.  Hier  omme  balch  hare  die 
vrouwe  sere,  Sp.  II*,  46,  29.  Daer  om  balch  hem 
onse  erdsce  vader,  IV»,  45,  56.  Daerom  balch  hem 
die   cenaet  sere,  Jlex.  V,  1127  (Es.;  vgl.    Tkeoph. 
(BI.)  98,  217).   Omme  dit  balch  hem  Holofernes, 
Rijmb.  17533. 

c)  De  persoon,  op  wien  men  toornig  i»,  wordt 
uitgedrukt  óf,  evenals  thans ,  door  eene  bepaling  met 
het  voorz.  op,  óf  ook  met  van.  ||  Ie  en  belghe  mi  niet 
op  u  sonder  sake,  Melib.  3315.  Als  hi  vernam  de 
dinc  .  .  .,  balch  hi  hem  zeere  .  .  .  up  den  grave 
met  erren  moede.  Ft.  Rijmk.  5053.  En  wildi 
u  niet  belghen  op  mi ,  SegA.  1399  var.  Ay  meester, 
en  belcht  u  niet  op  mi,  1544.  Die  heme  belghet 
op  sinen  broeder,  hi  sal  sculdech  siju  den  ordele, 
Ruusb.  2 ,  9.  Bedi  balgic  mi  te  meer  op  di ,  Lanc.  lU, 
15363.  God  belghet  hem  op  ons,  ...  dat  ghi 
Flovente  waert  so  feel,  Tlovent  228.  —  Dies  balch 
hem  God  van  [op)  Israël ,  Bywi*.  13737.  En  belcht  di 
niet  van  dinen  heer  nemmermeer,  SegA.  9670  p«r. 

BELGENISSE ,  znw.  vr.  Van  belgen  (zie  ali). 
Toorn  ^  gramscAap^  ongenade.  \\  Wie  hem  des  onder- 
wonde  te  doene,  die  sal  weten,  dat  hy  vallet  in 
swaerliker  belghenissen  der  Hoocheit ,  Matth.  Jm!. 
3,  158. 

BELGENSCAP  znw.  o.;  belgen scepe,  znw. tt. 
Van  belgen.  Voor  de  vorming  vgl.  tceddensekap , 
wetenschap.  Toom,  gramscAap.  ||  Dat  op  alle  die  ver- 
gadering gheen  belgheuscap  en  worde ,  D.  B.  LevU. 
10,  17.  Soe  sal  die  rechter  van  Delf  metygelicke 
poirters,  arm  ende  rijcke,  dair  varen  ende  doen 
beeteren  dat  onrecht ,  sonder  mgne  belgenscepe  of 
der   mijnre,    K.    en    O.    v.   Delft  245,  3.  —  Ygl- 

BOLGENSCAP. 

BELGINGE,  znw.  vr.  BoosAeid,  kicaadAeid.  \\ 
Ich  segghe  u,  dat  dit  kinderkyne  belghinge  is, 
Faderb.  2^0  d. 

BELGIOEN.  Zie  billioen. 

BELICHTEN,  zw.  ww.  bedr.  Mhd.  èeliuAteM;U. 
beleucAten.  FerlicAten ,  kunstlicAt  [kaarsen)  branden 
bij  (een  voorwerp  of  eene  plechtigheid).  ||  Geg.  Peter 
Victoersz.  5  st.,  om  onser  vrouwen  lof  mede  te  be- 
lichten, Rek.  d.  Baurk.  221.  Vgl.  ook  BELUCHTEN. 

BELIE,  znw.  o.  Eigenlijk  stam  van  het  wv. 
bellen  (zie  ald.).  Belijdenis,  geloof  (vgl.  heUi» 
bedr.  B,  «).  ||  Onsen  heer  Jhesum  Cristum  be- 
kennen wi  bi  natueren ,  bi  gheboert« ,  bi  der  macht 
ende  bi  belie.  Pass.  W.  150  3. 

BELIE.  Zie  beelde  (2de  Art.)  en  beeldensaet. 

BELIE.  Zie  belewitte,  Aanm. 

BELIEDE  (?),  O.  R.  v.Dordr.  1,94:  „Omme ^- 
meene  noot,  orbaereude  om  gebreck,  dat  die  stede 


849 


BELL 


BELL 


850 


Yoertijts  in  alrehande  beliede  gehadt  heeft,  ende 
om  te  sconwen  onraet  inder  stede".  Beliede  zal 
wel  eene  verkeerde  leziag  of  dialectische  vorm 
zijn  Yoor  beleede  of  beleide,  dat.  yan  beleet ^  d.  i. 
bestuur^  adminifiratie.  Zie  BELEIT,  5). — Vgl.  over 
de  Thesoriers  {Kamer  van  belijde)  te  Dordrecht, 
V.  d.  Wall  1470;  Balen  364. 

BELIEFNISSE ,  znw.  vr.  Van  belieüen  in  den 
zin  van  goedvinden^  toestemmen  (z.  ald.).  ||  Ferlof, 
vergunning,  toestemming,  ||  Dat  zij  van  deser  onser . . 
gracie,  octroy  ende  beliefnisse  .  .  doen  ende  laten 
der  vorser,  onser  nachten  .  .  rastelic  ende  vreed- 
samelic  genyeten  ende  gebmycken,  Nijh.  6,  20 
{a.  J473).  Alle  gehilicte  borgere  .  .  binnen  te 
bliven  .  .,  uutgescheyden  die  castelleyne  voerseyt, 
die  moilenairs  ende  die  gene ,  die  beliefnisse  hebben 
des  raits,  A  p.  l7/r.  1,  343,  6  (a.  1343).  —  Verg. 
de  Aanm.  by  believen. 

BELIEFTE  (belieft),  znw.  vr.  Van  believen y  in 

den  thans  nog  gebruikelijken  zin  van  aangenaam, 

welgevallig  zijn.  Welgevallen,  welbehagen.  \\  Opdat 

nyemant  en  wane ,  dat  die  compositoor  des  boecx  om 

tlant  sijnre  geboorten  te  eeren  na  sijnder  belieft  en  yet 

meer   daer   in   gheset   hevet,   dan    die   gherechte 

waerheit,  Exe.  Cron,  ld.  Onderwerpende  .  .  sinen 

wüle  der  godliker  belieften,  3Sc.  —  Te  belief  ten, 

ten  gevalle ;  overeenkomstig  den  wensch ;  volgens  den 

wil,  het  welgevallen  van.  \\  (Dat)  Loven,  Bruessel 

etc.  vergiffenisse  bidden  sonden  tot  harer  belieften, 

als  si  dat  begheren  sullen ,  146^.  Hier  heeft  gesonden 

Koning   Carel    van   Vrankrijk,    dat   ie   te   sijnder 

belieft  u   en  u  broeder  gevangen  sonde  senden  in 

Vrankrijk,   Eeemsk.   ö3.  So  mogen  wi  onsen  wille 

hier  hebben  tot  onser  belieften ,  Huge  v.  Bord.  41 . 

BELIEGEN,  st.  ww.  bedr.  Mnd.  belegen-,  mnd. 

beliegen.  Leugens  van  iemand  vertellen,  hem  belasteren, 

II  Die  mi  {den  arts  Philippiu)  belooch,  her  Alexander, 

die   heeft  u   liever  dan  een  ander,  Jlex,  II,  559. 

Ene   grote  claghe  sy  hem  doet  over  den  ridder 

ereutrijck   ende   beloechen  valschelijck ,  MLoep  II, 

480.    Des    maerghens    leverdesine   Pylaten,    ende 

bcloghene   sere  utermaten,  Sp,  V,  27,  25.  Salech 

sidi,  alse  u  de  liede  maledien,  haten  ende  perse- 

cutie   doen  ende  spreken  alle  qnaet  van  u  ende  u 

belighen,    L.   v.   J.   c.   35.   Of  mijn  ros  op  n  stal 

geargert  is,   suldij   ons   daerom  verraden  en  voor 

den  Koning  valschelijc  beliegen,  Eeemsk.  107. 

Aanm.  —  Beliechstu  di,  Rincl.  921,  is  eene  ver- 
keerde lezing  voor  beliechstu  di.  Zie  delgen 
wederk.    1). 

BELIËN  (belyen,  belijen),  zw.  ww.  bedr.  en 
wederk.  {beliede,  beliet).  Mnd.  belten.  Van  liën 
(zie  ald.).  Ons  ww.  belijden,  dat  zijn  d  ontvangen 
heeft  door  den  invloed  der  vervoegde  tijden  en 
door  valsche  analogie  sterk  geworden  is. 

Bedr.  —  A)  Met  den  4den  of  2den  nv.  der  zaak. 
rt)  Belijden,  bekennen.  Met  een  of  ander  bedreven 
kwaad,  als  object ,  hetzij  de  bekentenis  in  of  buiten 
den  plechtigen  oorbiecht  geschiedt.  De  persoon,  tot 
wien  de  bekentenis  geschiedt,  staat  in  den  3den  nv. 
II  Dat  hi  met  onsuverheden  ommeginc  sint  hi  die 
ordine  ontfinc,  eude  des  en  haddi  niet  belijet,/^. 
IV*,  80,  65.  Doe  quam  totera  al  te  hant  .  .  al 
meest  al  tfolc  van  Judea  ende  belyeden  hare  zouden, 
Rijmb.  22010.  God  den  ghenen^  quijt  ende  vriet, 
die  sine  sonden  hera  belyet ,  32349.  Wildi  u  offeren 
hier,  in  (/.  u)  sonden  al  beliende  metten  monden, 
ende  n  die  sonden  dan  rouwen,  Lanc.  III,  2945.  Dat 
hi  sine  sonden  belien  soude ,  2906.  Om  dat  si  hem 
souden  castien,  ende  haer  sonden  te  bet  belien, 
L,ncid,  3631.  Mochtic  belyen  mine  sonde,  sowaric 


blide,  vor  mine  doot.  Wal.  476.  Ie  wil  al  de 
quaetheit  mijn  belyen  ende  ghedechtichsijn,^o^/^«. 
38,  73.  Hore,  vader,  mine  zonden,  die  ie  wille 
belien  met  monden.  Franc.  8425.  Ende  en  weet 
gi  niet  te  belien ,  soe  saldi  belien  iuwe  blintheit , 
Stemmen  114.  Siedi  n  selven  wel  aen,  gi  selt 
ghenoech  vijnden  te  belien,  ald.  Op  dat  hy  se 
{de  zonden)  mit  claerre  biechten  beliet  na  synen 
vermogen ,  Ned.  Proza  204.  In  den  beghinne  vander 
missen  soe  seldi  belien  ende  beclaghen  Gode  uwe 
sonden,  Runsb.  4,  68.  Gode  .  .  belien  sine  sonden 
in  groter  bitterheit,  131.  —  Ook  als  rechtsterm  in 
den  zin  van  eene  verklaring  afleggen.  ||  Voort  so 
quamen  voor  ons  ter  selver  tijt  Braem  uter  core- 
maerct,  ende  belyede  ende  gheloefde  voor  hem 
ende  voor  joncfrou  Gouden  zinen  wive  .  .  Dirc 
van  Wulven  ende  Eerst  van  Wulven,  .  .  ende 
belyeden  ende  gheloefden  elc  voor  hem  selven ,  alle 
dese  hillixvoorwaerden  . .  vast  ende  stade  te  houden, 
R.  V.  Vtr,  2,  154.  (Si)  belyeden  aldaer  voor  ons 
ende  voor  horen  erfnamen,  157.  Herboert  van 
Pallas  .  .  oec  in  den  transfixbrief  niet  geloeft  en 
heeft,  daer  hi  voor  onsen  here  van  Utrecht  den 
hillixbrief  in  belyet  heeft,  160.  —  Beliende 
woert  (wo  er  de),  als  rechtsterm.  Be  woorden, 
waarin  iemand  de  eene  of  andere  gerechtelijke  ver- 
klaring aflegt ;  aldus  genoemd  omdat  de  partij  heeft 
verklaard  dat  „hi  wil  liën  an  (des  taelmans) 
woerden  ",  die  woorden  dus  als  de  zijne  wil  hebben 
beschouwd,  jj  Soe  seyt  dese  man  ende  ie  voer 
hem  in  zynen  belienden  woorden,  Westfr.Bingt.1. 
Heer  scout,  hier  staet  dese  man  ende  ick  met 
zynen  belienden  woerden,  ald,  9.  —  Met  den  2den 
nv.  der  zaak  of  het  voorz.  van.  ||  Hi  belijs  selve 
ochte  hi  wille:  wat  hi  belijt,  ie  swige  stille,  i2oj* 
6559.  Wats  scoenre  dan  belien  {belijdenis  doen)  van 
desen  enttien  God  dienen  daer  wi  af  lesen ,  die  anders 
niet  is  dan  al  goet?  Sp.  II',  28,  123  var.  {tekst 
dbelien).Geloven  met  groter  gewout,  die  thooft  es  van 
kerstin  rike,ende  dies  belien eenvoudelike,  i^anr. 
1594.  —  Ook  met  een  af  h.  zin  of  een  onb.  wijs  ver- 
bonden. II  (Hi)  belijede  daer  ter  stede  Gode  ende  sente 
Pietre  mede,  ende  alder  kerken  openbare,  dat  hi 
harde  mesdadich  ware,  Sp.  IV*,  76,  55.  Dathibi 
confessie  belijde,  brieven  ontfangen  te  hebben  van 
hertoge  Kaerle  van  Bourgondiën,  Exc.  ()ron.  233A. 
—  De  onb.  wijs  als  znw.  Bekentenis ,  belijdenis.  \\  Wat 
hebben  wy  meer  ghetuyghen  te  doen?  Wi  hebben 
syns  selfs  confessie  ende  belyen,  Boeck  v.  d,  L.  J, 
266a.  Zie  ook  boven  Sp.  II',  28,  123  (zie  boven). 
^)  Erkennen,  in  zijne  waarde  erkennen,  belijden, 
gelooven  in.  —  <z)  met  den  2den  of  4den  nv.  of  het 
voorz.  ane.  ||  Ie  wille  kerstindom  ontfaen  ende 
belien  des  Heeren  name,  Amand  I,  1733.  Hi  es 
die  ewelike  beliet  .  .  ant  kerstenheide,  Flandr, 
IV,  96.  An  alle  zijn  woerden  te  beliene,  Westfr, 
Dingt.  6.  Wie  sal  in  der  hellen  dijnre  belyen, 
G.  Groote  54.  —  Ook  in  rechte  erkennen,  consta- 
teeren.  —  Beliede  sculden,  voor  het  gerecht  aan- 
gegane schulden.  \\  Soe  wie  voirt  an  mit  scepene 
brieve  van  sculden,  als  beliede  sculden,  verwonnen 
sculden,  bekende  sculden  .  .,  pande  an  yements 
huys  ende  erve  binnen  Leyden ,  Leid.  Keurb.  207 , 
48.  Wat  recht  dat  men  sculdich  is  te  doen  van 
betalinge  van  tsheren  boeten,  van  smarten,  van 
verwonnen  of  belide  sculden  enz.,  Matth.  12.  — 
Enen  eisch  belien,  een  eisch  erkennen ;  erken- 
nen, dat  de  eisch  gegrond  is.  \\  Of  die  ander 
mach  hem  so  beraden,  dat  hy  den  anderen  syn 
heisch  belyt,  ende  so  is  des  gheschilts  einde, 
Matth.  106.  —  Ook  absoluut  gebruikt,  Merl.  2216 , 


851 


BELI. 


BELI. 


doch  de  woorden  zijn  daar  niet  helder,  en  Maik. 
276  vlgg.  heeft  geheel  iets  anders. 

Aanm.  —  Ook  nog  in  een  anderen  zin  komt 
beliën  als  rechtsterm  Yoor,  nl.  in  dien  van 
iemand  alt  den  dader  (eener  verwonding)  in  rechte 
noemen.  WDtXiei  so  kenlic  is  yan  scepenen,  datA. 
goeds  tyts  syn  smarte  voir  hem  belyt  heeft  op  B., 
Matth.  163.  Zoo  ook  182.  Hoewel  beliën  in  de 
bet.  yan  uitkomen  voor  iets,  lat.  profiteri ,  een  zeer 
goeden  zin  geeft,  zoo  maakt  toch  de  bepaling 
met  op,  die  belién  in  deze  opvatting  heeft,  het 
waarschijnlijk,  dat  in  deze  nitdr.  niet  eig.  beliën 
is  bedoeld ,  maai*  beleden ,  beleiden ,  voor  het  gerecht 
brengen,  dat  dan  ook  in  deze  nitdr.  het  meest 
voorkomt.    Zie    beleiden  Ib  a). 

b)  Met  een  afh.  zin  met  dat.  ||  Nu  gi  des  lyet, 
dat  ie  waer  hebbe  gecastiet,  belyet,  dat  hi  si  die 
gone ,  Enmannel  ende  die  Gods  sone,  Sp.  IP,  23, 219. 

B.  Met  den  4den  of  2den  nv.  van  den  persoon. 
Alleen  met  het  obj.  Qod  of  Chrittu»  verbonden. 
Qod  belijden,  in  Hem  gelooven.  Hem  eer  en,  ver- 
heerlijken, Gods  naam  groot  maken. 

a)  Met  den  4den  nv.  ||  Ane  Cristns  wi  ons  al 
keeren,  den  Gods  sone,  ende  beliën  ende  eeren, 
Sp.  II*,  4,  41.  Eenen  Mellijc  ende  eenen  Jan, die 
predeken  souden  ende  castijen  ende  hem  Gode  doen 
belijen,  III^,  10,  12.  Vort  hi  Gode  altoes  beliede 
ende  bekeerde  theidijn  diet,  II*,  29,  16.  Ie  belie 
di,  Here,  metten  mont,  Boetps.  32,  18.  Daer 
Christus  in  ghelovet  ende  beliet  wert,  Rs.  Ibf.  111  c. 
Soe  sellen  wi  voer  Onsen  lieven  Heer  nedervallen 
ende  beliën  Hem  ende  bidden  broet  der  ghenaden , 
Stemmen  121.  Als  die  prophete  David  seit:  Here, 
te  middernacht  stont  ie  op  om  dy  te  beliën,  Ned. 
Proza  203.  Ten  vierden  male  ontfinc  si  ende  ghe- 
baerde  enen  zoon ,  ende  seide :  Nu  sal  ie  den  Here 
beliën,  D.  B.  Gen.  29,  35.  Beseleel  .  .  dat  be- 
diedet  bellende  ochte  glorificerende ;  want  die 
ghehoersaem  wille  moet  altoes  Gode  beliën  ende 
glorificeren  in  allen  sinen  werken ,  Rnnsb.  1 , 
67.  Wi  gheloven  ende  beliën  den  almachtighen 
God  onsen  hemelschen  Vader,  dat  hi  is  inder 
naturen  enich  wesen,  6,  78.  —  Deze  bet.  van 
loven  gaat  geleidelijk  in  die  van  danken  over. 
Vgl.  onze  uitdr.  lof  en  dank;  het  wederk.  hem 
bellen  4),  en  de  gelijkbeteekenende  ww.  hem 
beloven  en  hem  bedanken.  \\  Here,  Vader  des 
hemels  ende  der  eerden,  ie  belie  di,  dattu  dese 
dinghen  verborghen  hebste  vanden  wisen  ende 
hebstese  den  kinderken  gheopenbaert ,  Hs.  71, 
Luc.  10 ,  21.  Zoo  ook  Hs.  v.  1S48 ,  óOd  {Matth.  11 ,  26). 

b)  Met  den  2den  nv.  ||  Gi  gebenedide,  ghi  wert 
die  gene,  die  mijns  belide,  als  ie  achter  straten 
ginc  .  .  .  ghi  cledet  mi  ende  voedet  wel,  Lncid. 
6693.  Die  mensche  hevet  God,  die  in  God  ghe- 
lovet ende  syns  beliet,  dat  hi  alle  dinck  vermach. 
Gulden  Troen  f.  31a. 

2)  Met  den  3den  nv.  van  den  pers.  en  den  4den 
nv.  der  zaak.  Iemand  iets  toekennen.  \\VLenB%\Q[odi 
die  macht  belyen,  soe  moechse  best  in  eren  dyen, 
Hild.  246,  16;  „men  zal  aan  God  de  macht  toe- 
kennen, overlaten,  Gods  macht  erkennen."*"* 

3)  Iemand'  iets  aanzeggen ,  toezeggen ,  beloven  ;  lat. 
polliceri.  \\  Niet  saleghere  es  dan  kerstijn  diét, 
want  hem  God  hemelryke  belyet,  Amand  1,2619. 
Dan  sal  ie  hem  beliën:  nye  en  kende  ie  u, 
scheidet  van  mi,  die  boosheit  werket,  Hs.  71, 
Matth.  1,  23.  Die  tyt  der  bclovinghe  naecte,  die 
God  Abraham  beleyt  hadde,  Hs.  15, Hand.  7,  17. 

4)  Schijnbaar  intrans.,  door  verzwijging  van  het 
object.  Fermelden,  verhalen,  spreken  van.  Meestal  met 


het  voorz.  van  verbonden.  —  a)  Met  een  persoon  als 
onderw.  |i  Warie  ter  weerelt  also  dn  (mnre)  s|i 
ende  ie  dan  minde  den  groten  prja,  alsic  di  vts 
hare  hoorde  belyen ,  dien  soadic  node  bi  jalosien 
gedogen  te  werpenc  onder  voet,  O VI.  lAed.  e.  G. 
324 ,  283.  —  Ook  treft  men  beliën  aan ,  in  de  nitdr. 
als  iet  belie.  ||  Dese  Vrederic  was  oec  die 
gone ,  die  desen  wan ,  als  iet  belie ,  an  smercgnTen 
dochter  van  Lombaerdie,  Sp.  IV»,  45,11.  — Voor 
zoover  de  bedoeling  der  onbeduidende  woorden  U 
na  te  gaan,  zal  beliën  ook  bier  mededeelen,  fuer 
zijn  beste  toeten  verhalen,  moeten  beteekenen.  Is 
dit  juist,  dan  vindt  men  in  deze  nitdr.  het  ww. 
belten  met  zijn,  meestal  verzwegen,  obj.  het 
verbonden. 

b)  Met  eene  zaak ,  met  name  een  boek ,  een  ^ 
schrift,  enz.  als  onderw.  ||  Ende  es  een  waerachtich 
woert  als  ons  die  geesten  claer  belyen,  MLoepll, 
1822.  Some  scrifturen  si  belyen  vander  moHcdcr 
Gods  Marien,  dat  soe  upt  amder  jaer  daemaer... 
mensceliken  ende  dede,  Sp.  V ,  47,  21. 

Wederk.  —  Hem  beliën. 

1)  In  beteekenis  niet  veel  verschillende  van  bet 
WW.  beliën.  Openlijk  erkennen,  belijden,  er  voor 
uitkomen.  \\  Bepeinst  u  wel  ende  beliet  volcomel^c 
van  uwen  sonden,  Beatr.  980  (aldus  met  Jon<i- 
bloet  te  lezen  voor  besief).  Si  bellen  hem,  Gode 
te  kennen,  mer  si  versaken  mitten  werken, ^«.75, 
Titus  1,  16.  Petrus  beliet  hem,  dat  hi  Christos 
is,  Hs.  71,  Mare.  Prol.  (Dat)  een  igclic  eneo 
silveten  penning  .  .  .  geven  sonde  .  .  .  ende  hem 
also  beliën  onderdanich  te  wesen  des  Roemschei 
rikes,  Hs.  80,  f  2,1  c.  Ende  worde  hi  daema  veder 
ghedaghet  op  ghetuuch  van  derselver  zake,  ende 
hi  dan  hem  zelven  beliede,  verbuert  XII  se, 
O.  K.  V.  Bott.  28,  73;  vgl.  23,  49. 

2)  Zich  opgeven,  zijn  naam  opgeven,  zich  Ute* 
opschrijven',  lat.  nomen  dare.  \\  Si  ginghen  alle, 
dat  si  hem  beliën  souden  elc  insynrestat,  ir#.  71, 
Lnc.  2,  3.  Opdat  hi  hem  beliën  soude  mitMarieD 
sinen  ghetrouden  wive,  ald.  5.  Daerom  ghinc 
Josep  van  Nazareth  tot  Bethlehem  .  .,  omdat  fai 
hem  oec  beliën  soude  mit  Marien  sinen  wgve,Hi. 
80  /.  27  c.  Zoo  pok  Hs.  v.  1348,  35  r. 

3)  Vandaar  de  overdrachtelijke  zin  zich  beseiU- 
baar  stellen  voor,  zich  voegen  tot.  \\  Wye  minne 
draecht  off  eer  begheert,  die  moet  ontschamelheit 
vertyen  ende  hem  in  schamelheit  belyen,  Hild. 
86,  48. 

A.\NM. — In  de  17de  eeuw  bet.  hem  beliën  niet 
meer  zich  voegen  tot  iets,  maar  zieA  behelpen,  xi 
tevreden  stellen ,  zich  vergenoegen.  Zie  OudeoL  1 ,  4&5 
en  486.  Voor  den  ouderlingen  samenhang  der  be- 
teekenissen  vergelijke  men  hem  beleiden,  hem  &^ 
helpen  en  hem  generen. 

4)  Van  beliën  in  den  zin  van  loven ,  danken  (zie  ald. 
B, fl);  hetzelfde  als  hem  beloven.  In  zijn  sekit, 
tevreden  zijn.  Met  den  2den  nv.  der  zaak.  ||  Waerre 
yement,  die  hi  yet  messeide  oft  mesdaen  hadde, 
dat  hi  quame  tote  hem ,  hy  soude  te  siere  vromei 
hem  in  restoore  so  voorsien,  dat  hi  der  bate  hea 
soude  beliën,  Amand  I,  5408. 

BELIENEN.  Zie  belenen. 

BELIËR  (belyer),  znw.  m.  Jï^/t;difr.||  Die  hier 
in  den  druc  belyars  sijns  naems  hebben  gheweest, 
Hs.  15,  f.  180  c  (Hs.  N.  T.  117  r). 

BELIEVEN ,  zw.  ww.  bedr.  en  onz.  Mnd.  k- 
léven.  Goed  vinden. 

Bedr.  —  Goedvinden,  toestemmen,  zijn  s*^ 
hechten  aan  iets.  Vgl.  BELIEFNISSE.  ||  Dat  sg  dsi 
selve  ver  bont  mede  besegelen  ende  believen  salies; 


853 


BELL 


BELL 


854 


N^h.  3,  368  (a.  1419).  Bisonder  hebben  wy  .  .  . 
mede  geconfirmiert ,  bestedicht  ende  belieflft  alsulken 
Yerbont,  als  dese  Toirscr. . .  vriende  onser  stad  van 
Arnhem  mit  den  anderen . .  angeg^ngen  hebben  ,4,4 
(a.  1423).  Dat  hi  alsdan  dese  hilichsvoirwerden  . . . 
consentieren ,  believen ,  gelaven ,  besweren  end  vor- 
brieven  sall,  4,  12  {a.  1423).  Sijn  hnisvron  beliefdet 
hem ,  dat  he  hun  gaef  den  bosch ,  sttmd  hem  toe,  wil- 
ligde hem  in,  Belg.  Mus.  5 ,  425.  Dit  is  aldns  belieft 
ende  overdragen  bij  den  raet,  JB.  v.  TJtr.  1 ,  308, 18. 
Onse  voervaderen  belieft ,  gegonst  ende  geconsentiert 
hebben,  319,  199  {a.  1335).  Belyefft  ende  gecon- 
senteert,  O.  R.  v.  Dordr.  1,  315.  Soe  gunnen  wy 
ende  believen,  dat  enz.,  Racer  3,  159. 

2)  In  de  nitdr.  believen  no  belasten, 
iemand  of  iets  goed  noch  ktoaad  doen ,  voordeel  aan- 
doen noch  nadeel  toebrengen,  zich  volstrekt  niet 
met  iets  bemoeien.  \\  Dat  nyemant  .  .  en  sal  die 
biemeringhe  vander  stede  moegen  believen  noch 
belasten  in  geenrehande  manieren  tot  bezwaeringe 
vander  selfaer  neringe  ofte  tot  belastinge  van 
eenighe  brouwers,  K.  en  O.  v.  Delft  169,  20. 

Onz.  —  Met  den  3den  nv.  van  den  persoon. 
Ongeveer  in  denzelfden  zin  in  gebruik  als  thans, 
nl.  aangemutm  zijn ,  genoegen  doen ,  behagen ;  hd.  be- 
lieben.  ||  Wat  ghi  doet,  dat  believet  mi  wel  ende  dien 
raet  dunct  mi  seer  goet,  Huge  v.  Bord.  41.  —  Door 
Bunsbroec  als  znw.  gebruikt  in  den  zin  van  de 
zinnelijke  aandoeningen,  dat  wat  den  (zinnelijken) 
mensch  behaagt.  ||  Ie  en  meyne  niet  snelle  bewe- 
ghinghe  des  believens  ofte  der  ghelost,  affectus 
vel  appetitionis  motus,  dat  nieman  beweren  en 
mach,  6,  40. 

BELIEVINGE,  znw.  vr.  Hetzelfde  als  belief- 
nisse  (z.  ald.).  Goedvinden,  vergunning.  ||  Óp 
behagen  ende  believinge  des  raets  out  ende  nywe, 
R.  V.  Vtr.  1 ,  323 ,  205. 

BELIGGEN  (belicgenJ,  st.  ww.  onz.  en  bedr. 
{belaeh,  belagen,  belegen).  Mnd.  beliggen;  mhd. 
heligen',  hd.  beliegen. 

Onz.  —  lAggen. 

d)  Van  personen.  Blijven  liggen,  nederliggen, 
hetzg  te  bed  of  op  den  grond.  ||  Scone,  wat  be- 
ligdi  dare?  Mach  enech  man  gehulpen  u?  iMnc.  III, 
18iB42.  Dese  nacht  es  utermaten  lanc;  mi  dunct 
hine  heft  engenen  ganc;  wat  beliggic  langer  hier? 
Rosé  2487. 

b)  Van  landen  enz.  lAggen,  gelegen  gijn.  Ygl. 
Diut.  2,  198:  beliegen,  adiacere.  —  Vandaar  het 
deelw.  belegen,  d.    i.  gelegen.  —  «)  Eigenlijk.  || 

Onderhalf  dachmael  lants  .  .  .,  belegen  op  de 
Rode,  Fad.  Mus.  2,  68.  Dat  die  vorser.  Wyn- 
garden  aen  den  Roesenberch  gelegen  ende  den 
selven  berch  binnen  der  vryheit  van  Loven  be- 
legen es,  3,  29.  Assize  te  gheven  van  alle  haren 
winen  (/.  wine),  die  hen  (/.  hem)  wast  op  haren 
wyngaerden  aen  den  vorser.  Roesenberch  begelegen 
(/.  belegen),  ald.  In  allen  steden  ende  dorpen, 
beleghen  in  Delflandt,  Oorkb.  2,  327  a  {a.  1290). 
fi)  Overdrachtelijk,  in  de  uitdr.  belegen 
8  y  n ,  d.  i.  gelegen  komen ,  behagen.  Alleen  in 
Duitsch  gekleurde  geschriften.  ||  Na  raede  unser 
beyder  vrenden,  dey  wij  dar  tho  keysen  sulen, 
dart  yme  und  sinen  erven  belegen  were ,  Nijh.  3,  4. 
Au  andere  slote,  heirlicheide  und  rente  des  lantz 
van  Gelre,  dey  eme  belegen  weren,  ald. 

c)  Van  water  gezegd,  eig.  blijven  liggen,  zooals 
het  is,  d.  i.  dik  worden,  bevriezen,  stollen.  \\  Des 
anders  daghes  men  ontsach ,  dattie  zee  beligghen 
mach,   want  het  vroes  so  oversere,  Stoke  V,  817. 

Bedr.;    vgl.   voor   verschillende    beteekenissen 


BELEGGEN.  —  1)  Door  de  ligging  bepalen,  beperken, 
d.  i.  palen  aan ,  begrenzen.  —  Vooral  in  de  uitdr. 
belegen  hebben,  tot  grens  hebben,  en  in  het 
pass.  belegen  sijn,  begrensd  zijn  door.  \\  Dat 
Heynen  hoven  van  Velsen  .  .  .  dese  drie  hoven 
lants  beleghen  heeft  op  die  zee  zyde ,  end  dat  ick 
selve  Florens  voirs.  beleghen  hebbe  mit  minen 
eyghen  erven  op  die  lant  zyde,  Oorkb.  2,  127 « 
{a.  1275).  Die  twe  ander  hoven  sien  (/.  sijn)  op 
alle  ziden  beleghen  metter  Heren  landen  van  sint 
Pieters  van  Utrecht,  Mieris  2,  227  a.  Dat  huys 
te  Poelgeest,  daer  die  eene  zijde  af  is  de  Maerne 
ende  die  ander  zyde  belegen  heeft  Dirk  van 
Sassenhem,  236a.  Alse  van  goede,  dat  in  den 
voirsz.  palen  beleghen  is,  323  b.  tAmbocht  van 
Vleuten  .  .  .,  dat  hi  met  zyns  selves  lande  ane 
beyden  ziden  beleghen  hevet,  348  a.  Een  huys 
ende  erve  .  . ,  dat  gheleghen  is  an  die  oude  Delf .  . 
ende  voert  beleghen  heeft  mQns  heeren  heerstraet, 
JHngt.  V.  Delft  23.  Een  huys  ende  erve  .  .  ende 
is  voor  beleghen  mit  mgns  heeren  heerstraet  .  . 
ende  after  beleghen  is  met  der  stede  vest,  a/£^.  25. 
Mijns  heeren  heerstraet  .  .  .  die  heeft  dat  voer  be- 
leghen ende  der  stede  vest  heeft  dat  after  beleghen , 
ald.  28. 

2)  Bezetten.  —  a)  Eigenlfjk.  In  bezit  nemen ,  vooral 
als  krijgsterm.  ||  Die  van  Israël  volgden  hem 
ane,  ende  belaghen  die  Jordane,  Rijmb.  7275 
(oecupaverunt  vada).  Die  Philistiene  hadden  be- 
leghen alle  die  ganghe  van  den  weghen,  die 
ghingen  tote  Belleem,  10731.  (Macheus)  die  de 
weghe  beligghen  sonde,  daer  Alexander  varen 
woude,  Jlex.  IV,  371. 

b)  Overdrachtelijk.  Vervullen  met.  —  Vandaar  het 
deelw.  belegen,  d.  1.  vervuld  van.  ||  Daer  na 
wort  hi  vast  beleghen  mit  vuerigher  minne  in  sijn 
herte,  die  him  dede  menighe  smarte,  MLoep  I,  3046. 
Sijn  sin  was  .  .  beleghen  met  donckerheiden , 
Sp.  IV,  17,  56. 

3)  Belegeren,  omsingelen,  insluiten.  —  a)  Met 
eene  stad,  burcht,  enz.  als  object.  ||  De  casteel  es 
stare  ende  vast  sere,  ende  bewaerd  met  so  groter 
were,  dat  hi  nine  vreset  heden  den  dach,  dat 
menne  iet  beliegen  mach ,  Lanc.  IV ,  5385.  So  dat 
hi  te  Surs  es  geraect;  die  sloten  jeghen  hem  die 
stat  .  .;  (hi)  belaecht  wiselike  ende  vaste,  Sp.V, 
16,  20.  Pampelttne  belaeh  hi  .  .  ende  wanse  oec 
metter  aventure,  HI",  86,  23.  Der  quader  gheeste, 
die  belegen  adden  die  stede,  Franc.  3272.  Doe 
belaeh  hi  Thebes  mede,  Sp.  1*,  13,  30.  Dat  si 
die  stat  Parijs  belaghen,  I V ',  59 ,  72.  Saus  belagen 
si  metter  vaert,  dat  si  ghewinnen  niet  enmoghen, 
64 ,  6.  (Si)  belaghen  .  .  mogendelike  menege  borch 
ende  menege  port,  65,  6.  Ene  stat  belaeh  hi  entie 
sine,  IV»,  12,  21.  Met  desen  volke  wart  Antyochen 
die  stat  beleghen  ende  vaste  besat  (d.  i.  ingesloten), 
14,  1.  Van  dage  te  dage  vort  belagen  si  al  omme 
die  port,  16,  59.  Dat  si  hem  beterden  saen  oec 
dat,  oft  hi  sonde  beliegen  die  stat,  Velth.  VI, 
27,  61.  Vart  met  uwen  here  tAken  toe,  ende 
beliget  daer  die  stat,  Lorr.  I,  522.  Die  van  buten 
gingen  na  dat  die  stat  beliegen  entien  casteel, 
Lanc.  III,  13248.  Beverepaer  haddi  belegen.  Ren. 
932.  Die  stadt  heeft  hi  al  om  beleghen,  ende 
duerde  dair  voir  menighen  dach,  MLoep  I,  2220. 
Zie  verder  Lsp.  II,  48,  675;  1040;  58,  182; 
Qrimb.  II,  687;  691;  Rijmb.  6977,  7161,  12421, 
14101,  14238,  20275,  25070,  30425,  30428; 
Lorr.  I,  1516;  Segh.  3992,  6683,  10064. 

b)  Met  de  bewoners  zelf  als  object.  ||  Dies  es  hi 
vore  Pheson  getogen  ende  heeft  sine  tenten  daer  ge- 


855 


BELI. 


BELI. 


856 


slegen ,  ende  die  kindre  so  vaste  belegen ,  dat  si  met 
sorgen  sijn  bevaen,  Cast.  244.  (Hi)  hevet  mare  ver- 
nomen, dat  sijn  casteel  was  verloren ,  met  crachte  so 
viel  hi  daer  voren  ende  belach  die  Alemanne,  Sp.  IV* , 
4 ,  2.  So  wreet  was  hy  synen  lieden ,  dat  sy  alle  teghen 
hem  rieden  ende  sy  hem  in  syn  casteel  belaghen, 
Troyen  f.  263^.  Die  van  Sans  dreven  die  van  Rome 
in  selker  plaghen ,  dat  sise  int  Capitolie  belaghen, 
Nat.  BI.  III ,  346.  (Hi)  laet  hu  vriendelike  weten, 
dat  hi  es  in  groeter  noet  swaerlike  up  syn  huns 
beseten  .  .  .;  hi  wert  wel  swaerlike  beleghen, 
Denkm.  3,  134,  85,  112.  --  Die  Tuerken  diese 
winnen  wilden,  hebbense  daer  binnen  belegen, 
Sp.  IV*,  4,  51.  Onse  lieden  worden  verloost  die 
beleghen  waren  sonder  troost ,  59.  Hi  belach  donse 
met  crachte,  16,  68.  (Si)  belaghen  met  ompayse 
den  vader  in  sinen  pallayse,  Sp.  IV',  6,  53.  Hi 
belaghene  in  ene  vaste  poort,  Mijmb.  20262.  (Si) 
worden  metter  Torken  here  beleghen  in  de  stat 
van  Edissen,  Stoke  II,  390.  Groot  Kaerle  .  . 
belach  die  Lorabaerde  in  een  stat,  hiet  Papia, 
Lsp.  II,  48,  1147.  Zie  verder  Sp.  III»,  47,  14; 
Lorr.  I,  1023,  1146;  L.  v.  J.  c.  158;  Oorl.v.Albr. 
227,  406,  427;  Oor  kb.  2,  334  en  335;  enz. — 
Ook  in  de  uitdr.  belegen  houden,  ingesloten 
honden.  \\  Mine  mage  .  . ,  die  belegen  houden  wale 
.  .  den  coninc  Yoene  in  Gyronvile,  Lorr.  I,  12. 
Dies  so  bid  hem  sere  nu,  dat  hise  (rf^  wwf^^/)  geve 
u,  ocht  gi  selten  houden  belegen  in  allen  siden, 
in  allen  wegen ,  Lorr.  I ,  *ö37.  —  De  onb.  wijs  als 
znw.  gebruikt.  Belegering.  \\  Laster  ende  groet  verlies 
sullen  wys  ontfaeu,  syt  seker  dies,  ist  int  beligghen 
of' in  den  stryt,  Troyen  f.  162 J.  —  Het  meerv. 
deelw.  bel  e  gen  e  als  znw.  gebruikt,  in  den  zin 
van  de  belegerden.  \\  Quite  die  beleghene,  dats 
bederve,  ende  ghef  ons  weder  onse  erve,  y^libera 
obsessos  ttios^\  Rijmb.  19335. 

4)  Bevechten^  bestrijding  aanvallen.  Met  den 
4den  nv.  van  den  persoon.  ||  Sijn  here  versaerade 
hi  te  hant  ende  belachse  in  een  foreest,  daer  si 
hem  verwerden  meest  metter  dickeit  vanden  bomen, 
«^.  III*,  48,  80.  Om  dit  onghevoech  hebben  si 
hem  anderwerf  beleghen,  Seg/i.  1024.  Doe  quamen 
die  cocken  metter  spoet,  ende  hadden  mi  beleghen, 
alle  vier  heb  icse  ghesleghen ,  754  var.  Aldus  was 
belegen  Seghelijn  die  roemsche  vanden  heydijn, 
10415  var.  (tekst  beleit). 

5)  Lagen  leggen ,  verraderlijk  aanvallen.  Vgl.  het 
znw.  lage^  en  ons  belagen^  waarmede  het  in  beteekenis 
overeenkomt.  ||  Hi  was  belegen  ende  verraden,  in 
een  foreest ,  daer  hi  voer  jagen ,  Lanc.  II ,  46780.  Hy 
en  is  van  nyemande  beleghen  noch  ghewacht,  die 
him  mach  deren,  MLoep  IV,  106.  Die  verrader 
Gallijn  heeft  den  edelen  ridder  beleghen,  Segh. 
8308  var.  {tekst  belaghet).  Si  hebben  u  beleghen 
om  u  te  benemen  tlijf,  8490. 

BELIINGE  (belihinge,  belydinge,  soms  ook 
ten  onrechte  belijnge  geschreven),  znw.  vr.  Van 
belten  (zie  ald.). 

1)  Belijdenis  ^  bekentenis  ^  hetzij  dit  in  of  buiten 
den  plechtigen  oorbiecht  geschiedt;  ook  in  rechte.  || 
Warachtiche,  vraye  belihinge,  Ol^l.  Lied.  e.  Ged. 
454,  86.  Alle  saken,  het  wair  by  getngenisse  off 
by  beliinge,  openbaer  te  wesen,  O.  R.  v.  Dordr. 
1 ,  315.  ï)ie  wortel  van  beliinghe  is  dat  ghelove 
van  herten,  Pass.  W.  6r.  Ie  ghelove,  dattu  nu  te 
hant  van  deser  beliinghe  groot  loon  .  .  sulste 
hebben,  Sp.  d.  Volc,  aangeh.  bij  Oudem.  1,  486. 
(Wi)  bidden  u  ynnichliken,  dat  uwe  waerdicheit 
ontfaeu  wille  siin  begeerlike  beliinge ,  Clerc 
90.     Men    wort    oec    bereider    tot    oetmoedigher 


beliinghe  der  ghebreken  in  der  biecht  ende  bnten 
der  biecht,  Stemmen  114.  Alle  de  martelie  der 
martelaren  ende  de  vaste  eersame  beliinghe  der 
confessore ,  Ruusb.  4 ,  69.  Du  beliet  hebste  guedc 
beliinghe  voer  vele  ghetughen,  Hs.  75,  I  r«i.6, 
12  {Hs.  Epist.  110*). 

2)  De  openlijke  belijdenis^  het  openlijk  afieggen 
eener  verklaring  ^  het  opgeven  van  zijn  naam.  Vgl. 
b  e  1  i  e  n ,  wederk.  2),  en  onze  uitdr.  geloofsbeltjdenis 
a/leggen.  \\  {Dat  elc  sonde)  belien  dat  hi  onder  dat 
keyserrijck  van  Romen  waer.  .  .;  men  hiel  dit 
beliinghe  of  bescrivinghe,  Paw.  ^.  129é?.  Beliinghe 
hiet  ment,  want  elc  .  .  seide  mit  sinen  moede, 
dat  hi  onderdanich  ware  den  rvke  van  Bomen, 
ald.  —  Ook  het  afleggen  eener  verklaring  ^  het  ter- 
lijden  eener  akte.  In  dezen  zin  komt  beliën  meer- 
malen verbonden  voor  met  geloven  {R.  v.  Vtr.  2, 
154  tweemaal,  e.  e.).  ||  Want  die  belydinghe  is 
ghesciet  voor  den  gheboren  ende  voor  den  onghe- 
boren ,  R.  v.  Vtr.  2 ,  155  en  160.  Noch  sy  en 
hadden  an  den  goede  niet,  daert  segghea  eade 
belydinghe  of  ghesciet  soude  wesen,  156;  e.  e. 

3)  Het  belijden  of  grootmaken  van  iemands ,  vooral 
Gods  naam ,  lof  zegging.  \\  Gaet  in  sine  poerten  mit  be- 
liinge ,  in  sinen  breden  ingangen  mit  lovesangen  ende 
beliet  hem ,  Hs.  Fs.  105r.  Sij  songhen  tsamen  den  heer 
in  soeten  sanghe  ende  belyinghe,  want  hijgoetis, 
D.  B.  Ezra  3,  11.  In  allen  werken  gaf  hg  be- 
liinghe den  heylighen,  D.  B.  Jez.  Sir.  47,  4. 

BELICKEN  (üelecken),  zw.  ww.  bedr.  Be- 
likken.  II  Die  houde  quamen  ende  si  belickeden 
sine  sweren ,  Hs.  Evang.^  Luc.  16,  21. 

BELICKEN  (belecken),  term  uit  het  dijk- 
wezen,  die  eigenlijk  beliken  moest  Xm^tn.  Een  dijk 
gelijk  Vlaken  door  het  aanbrengen  van  zoden  ^  ge- 
woonlijk likzoden  of  lekzoden  genoemd.  Zie  G.  De 
Vries,  Dijks-  en  Molenb.  229  noot  en  vgl.  mod. 
beliken ,  belikenen ,  d.  i.  begleichen.  \  \  De  glenyinge 
van  den  dijk  met  zooden  van  de  hooge  lande  te 
belecken  tot  preservatie  van  den  Schoorlsehendjk, 
aangeh.  bij  De  Vries ,  Dijks-  en  Molenb.  t  a.  p. 
{a.  1577).  —  Vgl.  L1CKEN. 

BELIMEN,  zw.  ww.  bedr.  Met  lijm  besmeren, 
voornamelijk  om  vogels  te  lokken.  Overdrachtel^k 
—  1)  Van  het  gehiat  gezegd.  Opsieren  om  te  ver- 
lokken. II  Dansers,  springhers,  die  scoon  ghehet 
belijmt  maect  om  te  vanghene  mede,  OVl.  Uei. 
e.  G.  448,  225. 

2)  In  het  algemeen.  Verlokken  ^  verleiden.  \]SQt 
{folie)  es  tlim  van  vele  souden  die  menighe  ziele 
zware  wonden ,  wanneer  dat  soe  mach  bezwimei 
den  mensche  ende  zinen  geest  belimen ,  Praet  1146. 

BELIMMERT.  Zie  belemmert. 

BELINDEN.  Zie  belenden. 

BELINIËN,  zw.  WW.  bedr.  Mud.  belinigen.  Vu 
litiie ,  d.  i.  lijn.  Van  eene  lijn  voorzien ,  eene  lij* 
zetten  op  of  bij.  Met  het  bijw.  onder  verbonden: 
onderschrappen.  \\  Item  dat  ghi  in  dit  tegen woor- 
dich  boec  vint  geteekent  tnsschen  twee  halw 
manen,  dat  is  den  text  van  desen  boeck  ende  dat 
suldi  onder  belinien  van  die  een  mane  tot  die 
ander  mane  met  een  rode  linie ,  Fase.  M.  f.  5r. 

*  BELINNEN,  st.  ww.  onz.  {bel^n,  belm*e%]\ 
ohn.  belinnan  (Tatianus ,  Cap.  81,  4:  bilan  thcr 
uuint,  cessavit  veutus;  c.  138,  12:  ni  biUtn  sia 
cussan  mine  fuozf,  non  cessavit  osculari  pedei 
meos ;  vgl.  Graff  2 ,  218);  ags.  belinnan.  Vgl.  Unnn^ 
Grimm,  Gramm.  1,  940  en  Got.  ajlinnan^  d.  l 
heengaan  j  wijken  (Schulze  207).  Volgens  De  Vries 
moet  in  de  verzen  van  den  Flandrijs  (I,  443;vgL 
de  aaut.):  ||  „Metten  spele  esser  de gelavie dore ge- 


857 


BELL. 


BELO. 


858 


ronnen,  om  Fallax  lijf  eest  al  begonnen,  want 
hem  tiser  vloech  door  den  buuc",  in  plaats  van 
begonnen  gelezen  worden  belonnen]  de  zin  is  dan 
volkomen  juist  en  bet.:  „met  het  leven  van  T. 
was  het  geheel  en  al  gedaan,"  hetgeen  met  de 
bet.  van  belinnen^  nl.  opkottden^  eindigen^  overeenstemt. 
Belinnen  komt  echter  noch  in  het  mnl.  noch  in  't 
mhd.  en  't  mnd.  elders  voor,  en  het  is  gewaagd, 
tot  het  bestaan  van  het  woord  uit  ééne  corrupte 
plaats  te  besluiten,  doch  wellicht  worden  er  later 
meer  voorbeelden  van  gevonden:  het  was  daarom 
raadzaam,  deze  gissing  mede  te  deelen. 

BELIOÜ.  Zie  baliu. 

BELIVEN,  st.  WW.  onz.  Mhd.  i«?/«*«i ;  Kil.  45  3 : 
„  b  e  1  y  V  e  n ,  vetut.  manere.";  got.  bileiban.  Hetzelfde 
als  ons  blijven.  \\  Waer  . . .  dat  zake,  dat  men  den 
dam  toet  openisse  beteringhe  doen  wilde,  daer  of 
londe  der  voerscrevenre  ecclesien  ghoet  beliven 
wnder  cost,  Oor  kb.  2,  399  i  {a.  1293). 

BELKEN  (belleken),  zw.  ww.  onz.  Kil.  bel- 
ken, bulken,  mitgire ^  boare.  Bulken^  loeien.  \\ 
Die  koen . . .  ende  ander  beesten  . . .  bellekeden  . . . 
allegader  ende  vloen  achterwaert,  Bienb.  106  b. 
Voer  die  menschelijcke  stemme  kreech  hi  ene 
beestelycke  stemme  ende  belkede,  135^.  Diealre- 
swartste  verre  .  .  .  liepe  (/.  liep)  daer  toe  mit 
lelijcken  bekken ,  1 39  d. 

BELLE.  Zie  beelde  (2de  Art.). 

BELLE ,  znw.  vr.  Mnd.  belle.  Hetzelfde  als  ons 
hel^  maar  gebruikt  in  eenige  min  of  meer  van  het 
hedendaagsche  spraakgebruik  afwijkende  opvat- 
tingen. 

1)  In  de  tegenwoording  opvatting  van  bel\  lat. 
tintinnabulum ,  vindt  met  het  b.v.  Lanc.  III ,  14385; 
Grimb.  1 ,3771 ;  Wal.  4894;  Sp.  I»  ,  26 ,  56.- Verklw. 
bellekijn  (belleken),  belletje.  Wal.  3522, 
3539,  3541,  7806;  Fhr.  1529,  1547 ;  i2(/»i*.  4914. 

II  Een  lad(^tn«Ie  metaal  of  een  clynckende  bellekijn, 
Getijdeb.  S.  70b.  —  Vandaar  de  uitdrukking  der 
valscher  bellen  volghen,  d.  i.  ziek  deerden 
klank,  het  geluid  laten  misleiden,  op  een  dwaal" 
»poor  laten  leiden,  m.  a.  w.  den  verkeerden  weg  op 
gaan.  \\  Si  volgen  al  der  valscher  bellen ,  den  rechten 
wech  ter  leider  hellen.   Vierde  Mart.  390. 

2)  De  beP  werd  ook  gebruikt  in  de  plaats  van 
ons  bekken  des  omroepers.  Zie  b.  v.  Belg.  Mus.  10 , 
112.  II  Dien  .  .  sal  men  openbaerlec  .  .  tot  allen 
hoiricken  (d.  i.  homecken)  hoeken)  van  den  straten , 
ghelijc  men  den  goeden  lieden  gewoenlike  pleecht 
te  cundighen  metter  bellen,  .  .  .  becunde- 
ghen.  —  Deze  bekendmaking  metter  bellen  had 
ook  plaats ,  wanneer  iemand  om  wangedrag  en  door- 
brenging van  zijn  vermogen  zjjne  zelfstandigheid 
verloor.  Vandaar  de  uitdr.  In  de  belle  sijn. 
II  Hy  is  in  sint  Antonis  ghilde,  hy  is  in  de  belle. 
Spreuken  85;  door  Meyer  verklaard:  hij  wordt 
uitgeroepen,  dat  hij  onder  curatele  staat.  Vgl. 
het  bij  Kil.  te  vinden  ww.  bellen  iemanden, 
j.  stadkindt  maecken  (zie  ald.  bl.  625 ;Zm^. 
Keurb.  170,  56,  en  het  Art.  belleman).  Doch  het 
St-Antonis  gild  heeft  in  den  regel  slechts  met 
armverzorging  te  maken,  daarom  is  de  ver- 
klaring waarschijnlijker:  hij  krijgt  bedeeling, geniet 
onderstand,  is  aan  d^  diaconie  vervallen.  —  Van- 
daar ook  de  uitdr.  op  die  belle  drinken.  || 
Somtyts  drinken  si  op  die  belle,  Beg.  v.  a.  Sp. 
32;  zie  Hor.  Belg.  6,  bl.  215.  De  bedoeling  zou 
volgens  Willems  zijn:  „somtijds  drinken  zij  zoo, 
dat  zy  onder  curateele  gesteld  moeten  worden." 
Doch  deze  verklaring  steunt  alleen  op  de  ver- 
klaring   van  Meyer   van  Spreuken  85  (zie  boven). 


De  bedoeling  is :  „  Somtijds  drinken  zij  tot  zij 
„aan  den  armen"  komen',  daarbij  past  vs.  33 
uitstekend:  y^ somtijds  moeten  zij  zich  lossen  uit  de 
gijzeling ,  waarin  zij  door  hunne  schulden  geraakt  zijn'''. 
BELLE,  znw.  vr.  Kelk,  beker,  slechts  op  eene 
enkele  plaats  bewaard  gebleven,  nl.  Tondal.  50a. 
II  Tondalus  sachere  ooc  stellen  guldine  nappe  ende 
selverine  bekers  ende  scoone  belline,  ghelijc  den 
hivoore,  bellen  sach  hi  daer  setten  up  een  tritsoor  ende 
up  tafelen.  —  Het  Lat.  waaruit  deze  eenigszins  ver- 
minkte plaats  vertaald  is,  luidt  bij  Vinc.(XXVII,  99): 
Ponebant  enim  cyphos  et  calices  aureos  et  argenteos , 
et  pixid^s  eburneas  super  paxillos  et  tabulas.  De 
pixides  beantwoorden  dus  aan  de  bellen.  Het  Gr.  pyxis, 
beteekent  doos  (hd.  büchse ,  eng.  box,  fr.  botte 
(Scheler  55)).  Nu  vindt  men  bij  Duc.  niet  alleen 
bolla,  vox  saxonica,  cyathus  (1,  717),  maar  ook 
reeds  bella,  male  pro  bolla  (1,  641).  Het  is  dit 
door  Duc.  verworpen  bella,  dat  de  latiniseering 
van  het  mnl.  belle  is ,  waarvan  in  Tondal.  ons 
een  voorbeeld  bewaard  is.  Het  woord,  dat  één  in 
oorsprong  met  ons  bol,  vinden  wij  terug  in  het  onr. , 
waar  het  bolle ,  in  het  ags. ,  waar  het  bolla  luidt ,  en 
in  het  eng. ,  waar  het  het  bekende  bowl  heeft  opge- 
leverd (E. Muller,  1»,  122;  Diefenb.,  Vgl.  Wtb.1, 
270).  De  vorm  belle  staat  dus  vast ,  al  blijkt  ook, 
dat  de  mnl.  vertaler  van  Tondalus  het  Lat.  van 
Vincentius  niet  zeer  goed  heeft  verstaan.  Men  zal 
wel  moeten  lezen:  „Scoone  bellen,  ghelgc  den 
hivooren  bellen ,  sach  hi  daer  setten  up  een  tritsoor." 
BELLEMAN,  znw.  m.  Van  belle  (zie  ald.  2). 
Omroeper.  ||  Ghelijc  men  den  goeden  lieden  ge- 
woenlike pleeght  te  cundighen  metter  bellen  bi  den 
belleman  van  Sente  Guedelen,  Belg.  Mus.  10,112. 
Ende  sal  die  voirscreven  belleman  voir  eiken  per- 
soen ,  die  hi  aldus  becundeghen  sal  metter  bellen, 
te  loene  hebben  tgeld  van  eender  halven  gelten 
wijns,  113.  Dat  ne  gheen  belleman  noch  bidderse 
eten  en  sal  ten  lijken  . . ,  noch  ten  kinderbedde ,  noch 
ten  jaergetijden ,  de  helleman  of  de  biddersse  en 
warens  op  tien  pond  ende  hare  ambacht  verloren 
dat  jaer,  7. 
BELLEMUNDICH.  Zie  balmondich. 
BELLEN,  zw.  ww.  onz.  en  bedr.  Van  belle 
(zie  ald.  2de  Art.).  Mnd.  bellen. 

Onz.  In  de  tegenw.  opvatting  (b.v.  Sc.  en  Cl.  201). 
Bedr.  Iemand  bellen,  bij  Kil.  j.  stadt- 
kint  maecken,  d.  i.  (bl.  625)  prodigiae  condem- 
nare.  Eig.  dus:  iemand  met  de  bel  laten  omroepen, 
bekendmaken  als  een  doorbrenger ,  een  ond-er  curateele 
gestelde.  Vgl.  bij  BELLE  (2de  Art.). 

BELLEN ,  zw.  (of  st.)  ww.  onz. ;  mhd.  bellen  {bal, 
bullen,  gebollen).  Eig.  blaffen,  geiyk  nog  hd.  bellen, 
doch  bij  uitbr.  ook  van  de  geluiden  van  andere  dieren. 
Vgl.  BELEN  en  BiLEN.  ||  Doe  ghingen  die  coeyen  mit 
den  wagen  briesschen  ende  bellen,  ^.  v.  1357 ,112  a. 
BELLEX.  Zie  billen. 
BELLEREN.  Zie  baleren. 
BELLONC  (bellunc),  bijw.  Alleen  gebruikelijk 
in  de  uitdr.  in  bellonc;  mhd  in  bellung  (Lexer  4 , 
174;    Schmeller   1,   229).   Van   het   mfr.  bellong, 
beslong,    barlong;  mlat.  bislongus,   d.   1.    tweemaal 
zoo  lang  als  breed ,  en  vervolgens  schuin.  Vgl.  Taai- 
en Lettb.  2,  210—214. 

1)  Als  term  in  de  wapenkunde. 
a)  In  de  schuinte  gebalkt,  geschuinbalkt ,  van 
een  in  de  schuinte  liggenden  balk  voorzien.  Vgl. 
Kietstap,  Wapenk,  147.  Fr.  bande.  ||  Syn  sciltwas 
van  zilver  wit  .  . ;  een  baer  van  lazuer  in  bellonc, 
Troyen  2140  (Fr.  „a  une  bande  de  belt").  Syn 
rikelicke  baniere  van  tien  stucken  van  kelen,  van 


859 


BËLO. 


BELO. 


860 


goade  in  bellonc  eesnedeD,  Grimb,  n,  1793.  Sgn 
baniere  fyne  in  bellonc  g^ende,  goet  ter  cuere 
beide  Tan  gonde  ende  van  lasnere,  4954.  Sijn 
baniere,  die  rikelic  was  ende  diere,  van  lasuere 
ende  van  gonde  in  bellonc  dwers  .  .  .  wale  ge- 
sneden, 6027.  Met  groten  banieren,  daer  dat  velt 
af  was  van  lasnre  .  .  .,  gebanderet  met  goude  in 
belanck    (/.  in  bellonc),  Merl.  14680;  vgl.  28269. 

b)  Van  schuine  ruiten  voorzien^  geschninru%t\  fr. 
lotangé.  Ygl.  Rietstap,  Wapenk.lb^.  \\  Vansilvere 
voerdi  den  scilt,  vgf  ruten  van  kelen  in  bellonc, 
Qrimb.  II,  6108. 

2)  In  het  algemeen.  In  de  schuinte ^  overdwars.  \\ 
Daer  slonch  hi  in  bellonc  teenen  slaghe  eenen 
ruese  ontwee,  IX  Best,  528.  (Hi)  geraecten  op 
dassel  ter  cure  ende  slouchen  in  bellnnc  dure , 
dat  beneden  den  gordel  wtqnam,  Limb,  lY,  1809. 
Daer  Godevaerd  sloech  een  rnese  ontwe  recht  bel- 
/  lonc,  Gelre,   Wapenb.  17. 

BELOEREN  (beloüken),  zw.  ww.  bedr.  Mhd. 
beluogen.  Van  hoeken^  eng.  to  look.  Beschouwen^ 
bezien^  nagaan.  \\  En  wil  niet  te  nauwe  belonken 
aercheit  van  wiven  noch  besouken,  Denkm.  3, 
5,  111. 

BELOF ,  znw.  o. ,  in  den  dat.  enkv.  en  in  den 
nom.   mv.   belove.  Eig.  stam  van  het   ww.  beloven. 

a)  De  belofte  zelve  ^  al  wat  men  iemand  op  meer 
of  minder  plechtige  wijze  belooft.  ||  Dus  had  die 
coninc  daer  een  belof  van  den  genen  die  hem  of 
daer  vore  dicke  waren  geg^en,  Velth.  II,  17,  73. 
Haer  belof  faelgierde  .  . ,  dattie  van  Ludeke  daer 
ter  stede  hem  geloef  den,  IV,  61,  75.  Niet  lange 
en  leet  naer  dit  beloef  (/.  belof),  hi  ne  sciet  van 
mi  ende  ruumde  thof,  O  VI.  Lied.  e.  G.  471,  434. 
(Hi)  ginc  hare  an  met  scoenre  tale,  met  belove 
scone  ende  wale,  Sp.  I',  66,  177.  Met  belove, 
dat  ie  di  dede,  11^,  1,  87.  Hier  ommequamhem 
daer  of  van  God  een  scone  belof,  III*,  41,  57. 
Van  henen  vort  daedsi  niewe  belove,  III",  67,  77. 
Dit  es  tbelof  van  minen  ghevene,  Nat.  BI.  XIII, 
148.  Dat  hi  (Christus)  tbelof  der  propheten  hadde 
vervult,  Lucid.  2127.  (Hi)  werd  .  .  .  bedroeft  om 
dat  belof,  Lanc.  IV,  669.  {De  ouders  van  Joh.  den 
Dooper)  verbeidden  sijn  (Oods)  belof,  Lsp.  III,  3, 
152.  Hem  al  quite  scelaen  .  .  van  belove,  Praet 
334.  Dat  scone  belof,  dat  grote  beheet,  lAmb.  XI, 
481.  Davids  rike  wies  talre  tijd  .  . ,  want  het  es 
Gods  belof,  Bijmb.  9888.  Het  was  al  sijn  belof, 
17844.  Papen  ende  wethouders  die  houden  amien 
boven  haer  belof  van  trouwen,  OVl.  Oed.  2,  110, 
98.  Nootsin  breket  al  belof.  Wal.  3385.  —  Sgn 
belof  gelden,  zijne  belofte  houden^  Rijmb. 
6264.  —  Sijn  b.  houden,  Rijmb.  6634,  34566; 
Franc.  192 ;  Vrouw.  <?.  if.  lU ,  52 ,  3 ;  Brab.  Y.  Dl.  2 , 
bl.  417;  Sp.  II',  13,  103.  —  Een  belof  vul- 
doen,  Melib.  548  var.\  Rijmb.  11744.  —  Een 
belof  nemen,  eene  belofte  ontvangen^  Rijmb. 
4138.  Zie  nemen.  —  Een  belof  breken,  ge- 
breken, laten  liden,  eene  belofte  verbreken^ 
Lsp.  II,  49,  101  var.\  Rijmb.  16606;  Sp.  P,  61, 
51.  —  Een  belof  doen,  eene  belofte^  gelofte doen^ 
Theoph.  559  ;  Melib.  2038;  Vl.Rijmk.  1617, 1520;  Sp. 
II » ,  20 ,  76 ;  Gnmb.  II ,  5400 ,  5407 ;  Hild.  234 ,  202 ; 
Lanc.  II,  3053  (Van  den  belove,  dat  hen  dede  Wale- 
wein);  Rijmb.  1960;  Praet  4692.-  Sijn  belof 
doen,  zijne  belofte  vervullen  y  gestoeid  doen  ^  Rijmb. 
7879,  7885;  Lsp.  III,  3,  113;  Lanc.  II,  43239, 
Pl-agerw.  344.  —  Op  (in)  dat  belof,  onder  deze 
belofte y  op  deze  verzekering ^  op  het  eerewoord.  \\ 
Dit  sekerden  die  Jueden  te  waren  ende  Metilius 
die  ghinc  of  entie  sine,  np  dat  belof ,  iSym^.  27724. 


Nochtan  willic  an  (/.  in?)  dgn  belof  ghisele  ont- 
faen  hier  of,  Sp.  III*,  8,  23.  Dat  hise  liet  gaen 
op  haer  belof  ende  op  haer  eede ,  Stoke  X ,  808. 
Die  up  anders  belof  tiet  ter  merct  om  te  copene 
yet,  moet  dicke  keren  onghecocht,  Lsp.  HI,  3, 
231.  In  dbelof  van  deser  dinc  met  willen  ie  ater 
kerken  ginc ,  i^.  II»,  13,  67.  —  In  een  b.  stacn, 
eene  belofte  gestand  doen.  \\  Dat  hi  wel  stonde  in 
dat  belof,  ende  des  niet  en  ghinge  of,  Br<A.  1. 
V,  4661.  —  Int  \ii\oï  zom^Xiy  eene  belofte  op  oA 
nemen y  iets  beloven.  ||  (Hi)  quam  int  belof  .  .  ., 
dat  hi  hem  sonde  verraden  de  stat,  Sp.  lY*,  15, 
60.  —  Tlant  van  belove,  het  land  van  belof U, 
Mandev.  1  a.  Dat  heilige  lant  van  belove ,  ald.  1  i. 
=  Opmerking  verdient ,  dat  in  het  Mnl.  mg  n  belof 
niet  alleen  beteekent  mijne  belofte  ^  datgene  wat  ik 
beloof  y  maar  ook  dat^  wat  aan  mij  beloofd  it^ 
zoodat  men  b.v.  in  het  MnL  „iemands  belofte 
houden^'*  kan.  In  deze  passieve  opvatting  wordt  hikf 
gebruikt  op  de  volgende  plaatsen.  ||  Ie  wille  ign 
belof  tallen  dagen  houden,  dat  hi  hem  niet  dar 
beclaghen.  Rosé  (C)  3135.  Hout  mi  vort  mijn  belof, 
enties  ne  moeti  niet  afgaen.  Wal.  3402.  Dat  si 
hem  daden  syn  belof,  Velth.  V,  29,  19.  Eer  sy 
scheiden  {l.  schieden)  uten  hof,  soe  gaf  hi  eiken 
sijn  belof  volre  dan  si  op  hem  begheerden,  Hild. 
260,  87.  Dus  ghinc  hi  daer  den  kindren  of  haer 
besprec  ende  haer  belof,  dat  hi  hem  vore  had  be- 
leeft, Velth.  IV,  47,  69.  God  heescht  sgn  belof 
vóldaen,  Nat.  Bl.  III,  1968.  Alse  die  Sassen  dit 
hebben  verstaen,  hebben  si  als  vroede  liede  ghe- 
daen  ende  hebben  kerstenheit  ontfaen,  ende  deden 
Karle  sijn  belof,  Brab.  Y.  II,  1048. 

b)  De  vervulling  der  belofte.  ||  (Hi)  eeschtc  den 
joncwive  daer  of  sijn  deel  ghelts  ende  haer  belof, 
Sp.  I*,  62,  20.  Den  bisscop  eyscht  hi  sgn  belof, 
II*,  24,  23.  Laet  mi  keren  nut  uwen  hovc  te 
minen  campe,  te  minen  belove.  Wal.  1839. 

c)  De  zaak  die  men  beloofd  heeft,  het  beloof  de.  \\ 
Noch   heetet  tlant  van  Jhemsalem,  dat  onse  erve 
es  ende  ons  belof,  Rijmb.  1726  (var.  C.  onse  belof). 

2)  Eene  plechtige  belofte  aan  God  gedaan  ^  eene 
gelofte  \  lat  votum  (vgl.  beloven,  bedr.  1).  ||Ten 
lesten  dedi  Gode  belof,  te  stane  der  werclt  of, 
Sp.  \\  66,  21.  (Si)  stonden  haers  *huweljcs  of 
ende  daden  der  suverheit  belof,  I',  86,  7.  Doch 
daden  si  belof  daer  ave,  waert  dat  hem  God  kint 

f  ave,  dat  sijt  setten  souden  ende  leren  inden 
ienst  Gods  ons  Heren,  I«,  28,  27.  Daer  dedi 
hi  {Jephta\  Gode-  sgn  belof,  Rijmb.  7863.  —  Iet 
int  belof  hebben,  gelofte  gedaan  hebhenvan,^ 
Dat  si  altoos  dor  gene  noot . .  des  aermoeden  ne  saeden 
(/.  scieden)  of,  die  si  adden  int  belof,  Franc.  1530. 

3)  ledere  met  eene  belof  te  gepaard  gaande  handeli»^. 
—  a)  Verbond y  verbintenis,  overeenkomst.  \\  Stadi  mit 
yemant  in  belove ,  wildi  sgn  van  goeden  love ,  so  hont 
hem  sijn  belofte  vast,  MLoep  II,  3039  (voor  den 
laatsten  regel  vgl.  onder  1  a)  op  het  einde).  Diet 
brake  {de  trouw),  daer  ne  ware  ghene  onsculde.. 
Josue  die  screef  daer  of  in  sinen  boec  dat  belof, 
Rijmb.  7056.  Ten  staet  op  gheen  belof  danck  ende 
eer  te  crighen  daer  of,  Hild.  241 ,  89 ;  „  d.  i.  ei^. 
y^het  staat  in  de  overeenkomst  niet  uitgedrukt",  oi^ 
zooals  wij  zeggen:  „het  staat  nergens  geschreven, 
het  is  volstrekt  geen  vereischte." 

b)  Eene  met  eene  belofte  gepaard  gaande  onder- 
neming. Vgl.  OELOF.  il  (Walewein)  scaemde  hen 
als  hi  dit  hoort,  datter  niemen  was  soghedaen, 
die  dat  belof  durste  anevaen  van  sinen  here  dei 
coninc.   Wal.  108. 

BELOFNISSE.  Zie^  beloefnisse. 


864 


ËELÖ. 


ÈELÖ. 


862 


BELOFT,  znw.  o.  Hetzelfde  als  belofte^  maar 
gebruikt  in  den  zin  van  de  vervulling  der  belofte 
(vgl.  BELOF  1  6).  II  Mirthoüs  diese  heeft  vercoft, 
qoam  tot  Pelops  om  8|jn  beloft,  MLoep  II,  2779. 

BELOFTE,  znw.  vr.  en  o. 

1)  In  de  tegenwoordige  beteekenis,  maar  in 
passieven  zin  gebmikt.  Dat  wat  aan  iemand  beloofd 
vordt;  de  inhoud  der  belofte  (ygl.  BELOF  la). 
II  Stadi  mit  yemant  in  belove ,  wilde  sijn  van  goeden 
love,  80  hout  hem  sgn  belofte  vast ,  MLoep  II ,  3039. 

2)  Overeenkomst ,  verdrag ,  verbond  (vgl.  b  e  1  o  e  ft  e 
en  bel  o  f  3).  ||Ende  is  ewelike  belofte  des  sonts 
voer  den  here ,  D.  B.  Num.  18 ,  19.  Ende  si  sullen 
mine  belofte  breken ,  Leuter,   31 ,    16.  Die  mijne 
belofte  hondet,  ie  salse  brenghen  in  m^'nen  heyli- 
ghen   berghe,   Jeeaia    66,    6.    Ie    sal   ghedenken 
myns  beloften  met  n ,  Gen.  9 ,  16.  (Abraham)  was  in 
beloften  mit  hem  {God\  Jet.  Sirach  44, 22.  —Vandaar 
de  volgende  uitdr.   voor  een  verbond  sluiten^  eene 
overeenkomst  tref  en. —  Ene  belofte  (beloefte) 
maken.  ||  In  dien  daghe  maecte  God  met  Abram 
belofte  (beloefte),  D.  B.  Gen.  16,  18.  Dat  sy  be- 
lofte mit  hem   ghemaect  hadden,  Jos.  10,  1  {dat 
zij  vrede  met  Israël  gemaakt  hadden).  Du  en  suis 
mit  hem  ghene    belofte   maken    noch    mit   haren 
goden,  Exod.  23,  32.  ~  Ene  belofte  doen.  || 
Want  dese  hadde  belofte  gedaen  mit  Abram ,  Gen,  14, 
13   (welke    Abrams    bondgenooten    waren).    Ie    sal 
mitti  belofte  doen ,  so  dattu  boven  hem  allen  regneren 
siilt8te,II/&m.  3,21. —  Ene  belofte  setten.|| 
Ie  sal  mine  belofte  (beloefte)  setten  tasschen  di  ende 
mi,  Gen.  17,  7.  Ie  sette  belofte  mit  minenoghen, 
dat  ie  niet  mispelsen  en  sonde   van  eenre  maghet , 
M.  31,    1.    Si   setten   beloften  an  haer,  Boec  d, 
Wijsh.  1,  16.  Hi  settede  belofte  den  conincDavid, 
Jet.  Sirach  ^5,  31.— Ene   belofte   slaen.  ||  Si 
sloeghen   beide   beloften   (beloeften),  Gen.  21,  32 
Ie  en  slae  u  dese  belofte  niet  allene,  maar  allen 
denghenen  die  hier  sijn,  Deuter.  29,  14.  In  dien 
daghe  sloech  das  Josue  belofte,  Jos.  24,  26. 

BELOFTOCHT.  Zie  op  belooftocht. 

BELOKE.  Dit  woord  leest  men  op  eene  duistere 
plaats,  lAmb.  II,  1062,  waar  een  ridder  op  den 
eisch  om  zijn  zwaard  over  te  leveren ,  ten  antwoord 
geeft:  ||  Het  sonde  mi  alle  miin  leven  scaden, 
gavic  u  een  haer  uut  minen  croke  ende  alsoe  vele 
te  men  beloke.  Men  zal  wel  moeten  lezen:  ende 
*lsoe  Tele  {een  vingerknip)  tenen  beloke,  en 
beloke  opvatten  als  een  znw.  Vgl.  ofr.  belloque 
(Diez   2,   361),  in  de  bet.  aardigheidje  ^  cadeautje, 

BELOKE.  Zie  het  volg.  Art. 

BELOKEN  (beloke,  biloke),  znw.  o.  en  vr. 
Van  beluken  (zie  ald.),  en  vgL  beluuc. 

1)  Omheining ,  park  \  fr.  eneeinte.  \\  So  Igd  die 
hage  .  .  .  ende  gaet  binnen  den  beloke ,  Rosé  2842. 

2)  Beperkt  of  afgesloten  grondgebied^  en  vervol- 
gens grenzen  in  het  alg. ;  Xai.Jines.  \\  (Si)makeden 
suver  die  steenroken  al  omme  ende  omme  binnen 
haren  beloken ,  Velth.  IV,  3 ,  21. 

3)  Buimte.  \\  De  meeste  p^pe,  die  binden  be- 
lokenen  van  den  voors.  oorghelhusen  staen  sal, 
Zri.  Bijdr.  6,  346. 

4)  Huis ^  woning^  <^/*  II  Die  huussoukinghe  doet, 
dats  te  wetene  bin  een  mans  belokene ,  die  beledere 
boet  LX  ^  .  .  Elc  man  mach  hem  verweeren  bin 
sinen  belokene  met  alrehande  wapine  up  sine  ver- 
weeringhe,  Wetten^  usagien  en  ordonnancien  van 
Hasebrouck  (Us.).  Dat  hi  qnam  in  evelen  wille 
binden    belokene  van  P. ,  Invent.  v.  Brugge  6,  81. 

6)  Gevangenis.  WILei  lach  een  Ridder  ter  biloken, 
Velth.  IV,  62,  16. 


BELOKEN,  bnw.;  eig.  deelw.  van  het  ww.  be- 
luken (zie  ald.). 

1)  In  de  uitdr.  beloken  (bloken)  paes- 
schen  en  sinxen  (pinxten),  eig.  het  gesloten 
p€MSch-  en  pinksterfeest^  de  octaaf  van  den  zondag 
na  P. ,  waarop  de  kerkelgke  viering  van  het  Paasch- 
en  Pinksterfeest  gesloten  wordt.  Kil.:  Pascha 
clausum;  fr.  la  close  Paques;  Meyer:  post 
finitam  hebdomadem.  Zie  Kausler ,  F/. IZt/mir. 
bl.  663  en  Duc.  6,  116.  ||  Nader  Octave  van 
Paesschen,  dat  men  heet  Beloken  Paesschen ,  JDt'n^^. 
V.  Delft  22.  Des  maendaegs  ...  na  den  belokenen 
Paeschdach,  Brab.  T.  VII,  9991  (ook  Mandev. 
23a).  Opten  Belokenen  Paeschdach,  12288.  Dat  men 
thuwelic  ende  de  feeste  houden  sonde  .  .  te  be- 
lokenen Paesschen ,  Fl.  Rijmk.  8736.  Tsatersdages 
binnen  beloken  chinxen,  Rek.  v.  Zeel.  2,  284; 
vgl.  394,  waar  men  „beloken  pin xstr en" leest, 
evenals  R.  v.  ütr.  1,  312,  186.  Des  Dinxedages 
na  belokenne  Sinxen,  Priv.  v.  Brielle  2,  23.  So 
dat  opten  beloken  Paeschdach  ...  die  gemeente 
weder  quam  ter  merct,  Bxe.  Cron,  167  a.  Smaen- 
daechs  na  beloken  paesschen ,  Brab.  Z.,  dl.  1 ,  bl.  782. 
Twisken  dit  ende  beloken  pinxter,  Leid.  Keurb. 
127,  2.  Men  sel  alle  jaer  die  vreden  vernuwen 
tot  vier  tyden  van  den  jair,  dat  sel  wesen  {o.  a.) 
upten  beloken  paeschdach,  ald.  218,  30.  üp  den 
Belokenen  Sinxendach  soe  hadden  uut  gheweest 
eenighe  gesellen  van  Gendt,  Cron.  v,  FÏaend.  2, 
183.  Daer  openbaerde  onse  here  sinen  apostelen 
eerst,  doe  hi  verresen  was  vander  doot  opten 
blokenpaeschdach ,  doe  hi  tot  hem  seide:  „pax 
Yobis",  Mandev.  f.  23  a.  Sdinxdaghes  na  den 
beloken  Pinxterdach,  Oorl.  v,  Albr.  160.  Des 
woensdaghes  na  beloken  Pinxter ,  Hs,  76 ,  ƒ.  38  d. 
—Beloken  (bloken)  Paeschavont,  Sinxen- 
avont,  de  avond  vóór  den  Zondag  naP.y  zaturdag 
avond  na  P.  Vgl.  AVONT.  ||  Dat  sy  te  wercken 
g^n  soelen  te  Paeschen ,  te  bloken  Paeschavonde, 
te  Sinxene ,  te  bloken  Sinxenavonde ,  ende  te  Kers- 
avonde,  te  Dertienavonde  (6  Jan.)  ende  niet  eer, 
Belg.  Mus,  4,  78.  Saterdachs  up  den  Beloken 
Sinxen-avont  quam  te  Gent  mare  enz.,  Cron.  v. 
Vlaend.  2,  146. 

Aanh.  Nog  in  het  Oosten  van  ons  land  in  ge- 
bruik in  den  vorm  Blokkenpaschen, 

2)  Van  de  lucht  gezegd.  Gesloten;  zóó  dat  de  zon  niet 
door  de  ioolken  kan  breken ,  met  wolken  bedekt,  en  ver- 
volgens somber,  donker.  ||  Tusscen  Hijfte  ende 
Ghent  bilden  si  haer  parlement  in  ere  belokenre 
nacht,  Rein.  I,  2269. 

Aanm.  Nog  heden  met  overdracht  op  personen 
in  gebruik,  in  de  uitdr. :  er  b e  1  o k e n  (d.  i.  somber, 
droefgeestig)  uitzien  (zie  Van  Dale ,  Wdb.  i,  v.). 

BELONEN ,  zw.  ww.  bedr.  Mhd. ,  mnd.  belonen, 
Beloonen ,  komt  slechts  zei  ven  voor  in  H  mnl. ,  als 
ook  in  *t  mhd.  en  mnd.  Het  gewone  woord  was 
lonen  (z.  ald.). 

Aanm.  —  Belonen,  Vad.  Mus.  2,  212  is  eene 
verkeerde  lezing ,  voor  beloven  (z.  ald.  Wederk.  2). 

BELOOF  (beloef)  ,  znw.  o.  Van  beloven  in  den 
zin  van  geloven,  vertrouwen  (zie  ald.  6.).  Geloof, 
vertrouwen.  \\  Hier  om  hebben  si  sulc  beloef,  dat 
hem  die  heer  betrouwet  wel,  warwaert  dat  hi 
henen  sel,  Hild.  168,  362  var. 

BELOOFDE  (beloefde)  ,  znw.  vr.  Hetzelfde  als 
beloefte  (zie  ald.).  Belofte ,  gelofte.  \\  Een  osse  of  een 
scaep,  die  die  oren  of  die  staert  of  hebben,  die 
moghestu  willichiyc  offeren,  mer  hier  mede  en 
machmen  beloefde  niet  ghelden ,  D.  B.  LevU.  22,  23. 

BELOOFNISSE  (belofnisse),  znw.  vr.Van^#- 


863 


BELÖ. 


BELO. 


864 


loven.  Belofte^  toezegging.  \\  Godsdiensticheyt  is  tot 
allen  dinghen  goet  ende  heeft  beloefnisse  des 
levens  dat  na  is  ende  dat  hierna  toecomende  is, 
Stemmen  AA.  Abrahams  gheslachte,  dien  die  eerste 
belofnisse  ghedaen  was,  Ha.  76,  f.  2a.  Wair  dat 
sake,  dat  yemant  enich  geit  daerroer  (voor  het 
scAoittampf)  gave  .  . ,  off  loefde  off  dede  loven ,  off 
mit  enigen  saken  van  beloefnisse  dairaen  qname, 
R.  V.  Utr.  2,  288. 

BELOOFTE,  znw.  vr.  hetzelfde  als  belofte 
[zïe  ald.). 

1)  Belofte,  toezegging.  \\  So  dat  wy  moeten  weer- 
dich  sijn  .  .  .  van  siere  beloofte  seere  scoone,  dat 
es:  te  commene  in  den  trone,  Amand  II,  6302. 
Ie  sal  die  beloefte  mijns  vaders  in  u  senden,  Hs. 
71,  Lue.  24,  49.  Die  beloefte  vanden  eweliken 
leven ,   Vaderb.  68  c. 

2)  Verdrag,  overeenkomst,  verbond.  ||  In  dien 
daghe  maecte  God  met  Abram  beloefte ,  D.  B.  Gen. 
15,  18.  Ie  sal  dien  mijn  belofte  settenin  eweliker 
beloefte,  17,  7.  Ende  si  sloeghen  beide  beloeften, 
21 ,  32.  Een  eedt  sy  tnsschen  ons  ende  aengaen 
wy  beloefte,  dattn  ons  niet  qaaets  doen  en  sels, 
26,  28.  Daerom  oom  ende  aengaen  wi  beloefte,  31,  44. 

BELOOFTENISSE,  znw.  vr.  Van  beloven.  Het- 
zelfde als  het  nog  gebruikelijke  beloftenit  {Ev.  Gez. 
182) ,  doch  gebruikt  in  den  zin  van  verdrag ,  overeen- 
komst.  Vgl.  BELOF  3);  belofte  en  beloefte.  || 
Dat  nyemant  .  .  van  hem  geenerhande  beloeftenisse 
ofte  schuit,  die  men  hem  aentien  mach,  ofte  be- 
tuygen  en  sal  oft  verwinnen  anders  dan  mit 
schepenen,  Nijh.  1,  235  (a.  1328). 

BELOOFTOCHT  (beloftocut,  -tucht),  znw. 
vr.  Van  beloven  in  den  zin  van  verzekeren,  borg 
stellen  (zie  ald.  2).  Belofte ,  verbintenis.  || 
Gheviele  dat  ie  of  mine  nacomelinghe  enich  van 
desen  .  .  .  beloeftochten  ende  voerwaerden  .  .  . 
brake,  Oorkb.  2,  470 «  («.1298).  Beloeftochten 
ende  voerwaerden  in  enighen  ponte,  ald.  Alle 
voerwaerden  ende  beloeftochten,  die  voerscreven 
staen ,  ald.  b.  Zine  borghen  ontsleghen  vander 
borchtucht  ende  beloftucht,  die  hy  over  hem 
ghedaen  hadde,  CoiU.  v.  Briigge  1,  675.  Hier 
omme  wildi  (God)  sine  belooftucht  vervullen 
ons  der  mede  te  leerne,  dat  wi  onse  belovinghe 
alle  weghe  in  goeden  dinghen  vulbringhen  sullen , 
Hs.  V.  1348,  \bd.  Na  sine  belooftucht  siin  wi 
ombeidende,  ald.  .34  a  (II  Petr.  3,  13).  Eene  per- 
soone  ten  steene  bevolen  met  een  compulsoire 
jeghen  een  vrouwe  omme  beloftuchte  van  huwelicke, 
Invenf.  v.  Bntgge  2,  332. 

BELOOP,  znw.  o.  Eig.  st^m  van  het  ww.  be- 
lopen (zie  ald.).  Mhd.  belóp. 

1)  In  de  tegenwoordige  beteekenis  van  loop, gang; 
in  de uitdr. : i e t s  op  sijn  beloep  laten  staen, 
iets  op  zijn  beloop  laten;  eig.  iets  den  loop  laten 
nemen,  dien  het  wil;  den  l-oop  van  eene  zaak  af- 
wachten, ergens  niets  aan  fi?o^.  I|  Dat  laet  ie  staen 
op  sijn  beloep,  Theoph.  BI.  82,  271. 

2)  In  de  uitdrukking  na  den  beloep,  die  eig. 
beteekent  naar  den  omvang,  de  uitgebreidheid  (vgl. 
Lubben  1 ,  226  b) ,  en  vervolgens  naar  evenredigheid, 
pro  rato.  \\  Wat  lakene  men  vindt  te  cort  ghe- 
crompen  na  den  beloep  .  .  .,  dat  sel  weseu  tot 
sgerechts  correxie.  Leid.  Keurb.  76,  34.  Wês  si 
corter  {laken)  leveren  dan  40  of  20 . . ,  dat  selmen 
den  coman  ofcorten  in  minringhe  van  den  ghelde, 
na  den  beloep,  ald.  105  §2.  Dat  en  yghelijc,  die 
tot  hondert  pont  .  .  ghegoet  sijn ,  gheven  sal  acht 
pont,  ende  die  beneden  hondert  ponden  ghegoet 
siin ,  die  soelen  daer  nae  gheven  nae  den  beloep , 


Nijh.  3,  43  (a.  1377).  Rede  goet  ende  coepsclut 
dat  salmen  deylen  na  beloep  des  elc  daer  mit 
rechte  an  heeft,  Stadr.  v.  Zwolle  130,  227.  Ni 
beloop  der  erfnis  die  na  verervet  were,  ald.  noot. 
Wie  te  licht  broot  bieke ,  elc  na  zinen  beloep  off 

gay  ment,  verbuert  XV  se,  O.  K.  v.  Bott.  Zb ,  1(}&. 
heen  poirter  meer  te  gheven  te  maechgelde  ran 
dootslaghe  dan  dat  afterzusterkint  V  se,  ende 
dair(?)  na  zijn  beloop,  ald.  19,  35.  Na  beloop  des 
wyns,  dye  hy  tapt,  Schwartz.  1,  564,  119.  Den 
clerck  (sal  hebben)  nae  beloop  zijn*  schryrens, 
O.  K.  V.  Dordr.  2 ,  267.  Die  heelc  witte  lakene 
zal  men  vullen  op  32  ellen  lanc  ende  die  halve 
witte  lakene  na  dien  beloep.  Voirt  alle  ander  hcele 
lakene  te  vullen  op  32  ellen  lanc  ende  die  balve 
lakene  na  dien  beloep,  O.  W.  v.  Amst.  51,  61. 

3)  Omvang,  uitgebreidheid.  \\  Dat  wi  vercoft 
hebben  .  .  eenen  moerdyc  .  .  met  alle  horen  be- 
loepe ,  Mieris  2 ,  353  a  {a.  1325).  —  In  de  be- 
paalde bet.  van  af  deeling,  fr.  section,  wordt  bet 
woord  vermeld ,  Invent.  v.  Brugge ,  Int.  356. 

BELOPEN ,  st.  WW.  bedr.  onz.  en  wederk.  Mbd. 
belopen.  Met  dit  werkwoord  kan  in  vele  opzicbtm 
vergeleken  worden  het  ww.  begaen,  waarmede  bet 
vele  beteekenissen  gemeen  heeft  (z.  ald.). 

Bedr.  —  1)  In  den  zin  van  het  tegenw  begaan,  ie- 
drijven,  van  slechte  daden  gezegd.  ||  Daer  men  die 
souden  in  becoopt,  die  men  in  dit  lijf  beloopt, -ifc/. 
VII,  609.  Het  es  groet  ongevoech,  dattie  kindere 
dat  becopen,  dat  hare  vorders  hebben  belopen, II, 
968.  Dat  onrecht,  dat  op  Europen  dicwile  es  be- 
lopen ,  973 ;  „  het  onrecht,  dat  jegens  E.  is  bedrepf, 
dat  Europa  is  aangedaan.''''  Kets  onrecht  dat  alt  Tok 
becoept,  dat  clene   menichte  beloept ,  5f>.  I' ,  54, 1. 

2)  Het  transitieve  loopen,  zóó  loopen,  dat  meo 
iets    bereikt,    inhaalt.    Vandaar    bereiken,   inhalen. 

a)  Met  een  persoon  in  den  4dennv.  ^rii/wAa/», 
inhalen ,  vangen ,  machtig  worden ,  in  handen  krijgen. 

II  Daer  werd  somich  gewont  van  den  Fransoysen  die 
si  beliepen,  Velth.  IV,  54,  34.  Dabt  ende  andre 
XX  ende  viere  sijn  in  cysternen  geslopen,  maer 
doch  so  wart  die  abt  belopen,  Sp.  IV* ,  55,  68. 
Can  ie  en  te  velde  belopen ,  ie  wane  wel ,  hi  saelt 
becopen,  Ferg.  45.  Hi  .  .  soude  met sinen sweerde 
Boelande  beloepen  beerde,  Roel.  II,  43.  Mer  die 
COC  heeftet  vernomen  ende  beliepen  eer  hi  ontquam, 
Rein.  II ,  7468.  Ie  sout  diere  becopen ,  mochtc  bi 
mi  daer  meer  belopen,  Bose  3212.  Dat  hijt  sonde 
becopen,  opdat  hine  mochte  belopen,  ii?rr.  II, 
4454.  Dat  si  souden  ...  al  verslaen  dat  si  wonnei 
ende  dat  si  belopen  connen,  Stoke  IX,  1032.  Eoe 
warf  wart  hi  uptie  gracht  bi  avonture  daer  b^ 
lopen,  Rein.  I,  348.  Die  hem  dicke  sullen  doen 
pant,  daer  sise  moghen  belopen,  Lsp.  IV,  1,  ^' 
Beliep  hine  daer,  hi  haddene  vermoort,  A)«*. 
10406.  Wat  Renout  met  sijnen  staf  beliep,  sloe^ 
hij  doot,  Ileemsk.  172.  Mochte  hi  den  waterconioc 
upt  velt  belopen,  hi  souden  soe  inden  stride  mit 
hem  ommegaen  .  .  . ,  dat  men  eweliken  daer  of 
spreken  soude,  Clerc  104.  —  Ook  in  verbindinf 
met  andere  gelijkbeteekende  werkwoorden.  ||  Mea 
hadde  u  heden  in  onsen  baren  belopen  connen  noch 
bevaren,  Cass.  1201.  Uwer  kinder  doot  selen  «i 
becopen  die  wy  beriden  of  belopen ,  Grimb.  U ,  3714. 

b)  Met  eene  zaak  als  object.  —  o)  Iets  bereHfn- 
II  Mocht    hi   die    feeste  daer  belopen,   hi  sonde 

sijn  goet  daer  wel  vercopen,  Flor.  1780;  „indies 
hij  het  feest  nog  y,haalde ,''''  bijwoonde,  nog  tij^i 
genoeg  kwam  voor  het  feest."  Die  ettinghcn  na 
sprosts  couteren  die  de  plouch  niet  en  beloept, 
waar  de  ploeg  niet  komt,  Gendsch  Chtb,  54. 


1 


'I 


86^ 


BELO. 


ÈELO. 


860 


f)  Vooral  verbonden  met  den  4den  nv.  een  er 
zaak,  die  men  wenscht  of  gaarne  heeft.  Verwerven , 
verkrijgen^  bekomen \  vgl.  ons  ophopen,  \\  Al  die 
have  die  si  ghinder  belopen  mochten ,  Rijmb.  1619. 
Vader  no  moeder  ne  hopen  dat  si  zullen  ander  oor 
belopen,  Franc,  8456.  Grave  Lambrecht  was  in 
der  hopen,  dat  hl  den  zeghe  soude  belopen ,  j^.  IV', 
37,  29.  Can  ie  beloepen  marteleren  lichamen  oft 
^ecoopen,  vrouwe,  ie  salse  bringen  hare,  11^, 
13,  33. 

^)  Somtijds  ook  met  eene  ongunstige,  onge- 
wenschte  zaak  in  den  4den  nv.  Zich  op  den  hals 
halen.  ||  Die  geenre  genaden  en  hoept,  hem  en  roect, 
wat  dode  hi  beloept,  Alex,  VII,  303.  Vgl.  onze 
gemeenzame  uitdr.   iets  ophopen. 

d)  Ook  wordt  belopen  gebruikt  in  den  zin  van 
ontvangen^  aannemen^  in  de  uitdr.:  kerstendoem 
(doopsel)  belopen.  ||  Bes  keysers  dochter  .  . 
ehenas  al  ende  heeft  beloepen  kerstendoem  ende 
dede  hare  doepen,  Sp,  II*,  35,  50.  Bat  si  tdoepsel 
so  hebben  beloepen,  dat  mense  anderwerf  niet  en 
sal  doepen,  II*,  3,  47.  Vgl.  over  deze  bet.  be- 
grip en  3),  kol.  718. 

e)  Ook  iêtt  bereiken  voor  een  ander ^  bewerken^ 
veroorzaken^  zoowel  met  eene  gewenschte,  als 
met  eene  onaangename  zaak  in  den  4den  nv.  || 
Twee  coninginnen  maecten  si  doe,  die  hare  orbare 
souden  belopen,  Sp.  I»,  38,  67.  Boe  dede  hi  vallen 
op  hare  bi  nachte  dat  huus  boven  daer  si  in  sliep, 
also  dat  hi  hare  doot  beliep,  II',8,48.  Bit  beliep 
ende  bewerff  hem  Lysania  sgn  neve.  Fase.  Temp, 
62r  (ook  63r). 

d)  In  v^andeiyken  zin.  Aanvallen^  aantasten.  || 
Dat  men  daer  bat  belopen  mochte  Barise  ende  sijn 
gewelt  dan  buten  op  dat  breede  velt,  Ahx.  II, 
612.  Siere  ridders  een  groot  deel  waren  belopen 
inden  start,  Stoke  III,  460.  Want  hi  Eduwaerde 
met  gewelt  beloepen  waende  op  dat  velt,  Edeio, 
705.  Bat  hi  belopen  sal  die  stat,  Sp.  1%  30,  24. 
Dien  hadde  Soliman  belopen,  IV',  15,  24.  Omme 
te  siene  oft  si  connen  die  kerstine  belopen  buten 
mure,  IV*,  16,  22.  —  Ook  met  eene  zaak  als 
ondw.  Lastig  vallen^  kwellen^  pynigen.  \\  Ëntene  de 
derst  COC  so  beliep,  dat  hi  lude  na  Fransojse 
riep,  Franc.  3943.  Wacht  wel  dat  dat  coude  niet 
belope  den  siecken ,  Jan  Yp.  92.  Soe  waer  dat  de 
wind  beloept  {komt  bij)  dat  bloete  been,  60.  Zoo 
ook  73. 

e)  Door  kracht  van  redenen  voor  zijn  gevoelen 
vfinnen^  iemand  overhalen^  inpakken.  ||  Reinaert 
sach  den  coninc  belopen ,  ende  wart  blide  in  sinen 
moet,  B£in,  I,  2518.  So  dat  hi  {Wolfram)  den 
Hertoghe  Rabbode  van  Vrieslant  so  hevet  belopen, 
dat   hi    hem   wilde    doen    dopen,    Stoke   I,    152. 

—  Ook  met  woorden  vangen ^  verstrikken.  \\  Bie 
coninc  wanedse  in  dien  beloepen,  Sp.  11^,3,  104; 
lat.  y^argumento  comprehendere?'' 

f)  Overwinnen^  in  het  nauw  brengen ;  laX.domare.  \\ 
Hier  omme  vielen  si  {de  Carthagers)  in  wanhopen, 
alsi  dus  waren  belopen,  want  si  verloren  saghen 
de  stede,  Sp.  I*,  54,  43.  Bie  Sassen  hebben 
gedaen  alse  wise  lieden,  die  waren  belopen,  ende 
hebben  hem  gedaen  dopen,  III",  86,  10.  Bat  gi 
niet  en  sult  wanhopen,  al  hevet  u  daventure 
belopen,  Alex.  V,  741.  Bie  minnentlike  dwanck 
beloipt  den  (/.  die)  mannen  wail  soe  zere  als 
vrouwen,    ende   bg    wilen   mere,  MLoep  I,  1162. 

—  Belopen  van  wine,  door  wijn  ontzenuwd^ 
krachteloos  geworden]  lat.  vino  domitus.  ||  Bie 
kerstine  van  den  Sarrasijnscen  wine  beloepen  waren 
harde   vele,  ende  vielen  in  dorperen  spele  metten 


Sarrasynscen  wiven,  Brab,  T,  II,  3706  {Sp,  IV», 
24,  99). 

g)  Onverhoeds  aanvallen,  overvallen.  Met  een 
persoon  of  zaak  als  onderw.  ||  Si  wachten  al  dien 
nacht  dure ,  al  gewapent  .  . ,  dat  sise  niet  belopen 
ne  mochten,  Zanc.  II,  34233.  Hen  hadse  belopen 
.  .  en  hadde  die  vrouwe  van  Lac  gewesen ,  33907. 
Bat  si  waenden  belopen  den  coninc  Artur . .  binnen 
sinen  paulione ,  IV ,  6210.  Alsi  waren  slapen  ghe- 
gaen ,  heeft  se  ülixes  also  belopen ,  dat  syt 
alle  moesten  becopen,  Trogen  9950.  So  dat  hise 
in  ghenen  moede  mach  belopen  sonder  hoede, 
Nat.  BI.  V,  527.  Bat  water  .  .  .beliep  die  luden 
tot  veel  steden  in  hare  husen,  Matth.  Anal.  3, 
404.  Want  hem  de  nacht  beliep ,  Heemsk.  168.  Als 
si  inder  processien  ghinck  .  .,  wert  si  mitten 
baren  belopen  .  .  ende  bairde  dair  ende  bleef  doot, 
Exc.  Cron.  ISSd.  Op  een  ander  tgt  .  .  wort  hy 
opten  weghe  vanden  duusteren  nacht  belopen,  Es. 
88  ƒ.  23b.  —  Thans  nog  in  gebruik  in  de  uitdr. : 
door  een  storm  behopen  worden. 

h)  Met  valsche  redenen  aanvallen,  verleiden,  ten 
val  brengen,  bedriegen.  ||  Bie  duvel  die  en  vant 
wech  no  sake,  tijt  no  stonde,  dat  hine  belopen 
conde,  Sp.  V,  73,  20.  Hoe  si  bedrieghen  ende 
beloepen  elc  andren  met  loeser  spraken,  N.  Doet, 
1717. 

»')  Tref  en,  raken,  en  in  fig.  zin:  iemands  gemoed 
treffen,  indruk  op  iem,  maken,  hem  aangrijpen,  \\ 
Vix  justus  salvabitur  .  .  . ;  dit  woort  heeft  mi  so 
belopen ,  dat  goede  hope  mi  es  ontslopen,  Praet  4858. 

3)  Omgaan ,  omhopen ,  met  den  klemtoon  op  het 
voorzetsel,  rondgaan,  rondhopen,  en  vervolgens 
onderzoeken,  nahopen.  ||  Mundus,  die  here,  dietal 
beliep,  Sp.  V ,  3,  42. 

4^  Omgaan ,  omhopen,  met  den  klemtoon  op  het 
werkwoord,  omgeven,  omringen,  \\  Baeromme  maecty 
grachten  diep  ende  ene  haghe,  diet  al  beliep, 
Troyen  10415.  Bie  linde  stont  in  een  vrijthof, 
mit  enen  mure  al  omme  belopen,  Wal.  5102.  Bie 
stat  hebsy  belopen  schiere  mit  eenre  muere  scoen 
ende  diere,  wel  ghetoernt  ende  ghepoert,  als  te 
sulcker  dinc  behoert ,  Troyen  f.  232  a.  Coninc  Jarba 
vercoft  mynre  vrouwe  also  veel  lants,  des  hefthy 
rouwe,  als  hy  mocht  uyt  ende  uyt  belopen  mit 
eens  ossen  huyt;  dien  deedsy  al  in  riemen  sniden 
ende  belieps  ten  selven  tyden  eenre  mylen  omganc, 
f.  254  c,  —  Ook  in  fig.  zin.  Omvatten,  Vgl.  BE- 
GRIPEN.  II  Bit  hevet  5  Syten  belopen,  Sp.  III*, 
17,  20;  „dit  alles  omvat,  bevat  Scythie." 

5)  Doorloopen ,  met  den  klemtoon  op  het  werkw. 

a)  Doorkruisen,  van  het  eene  einde  tot  het  andere 
doortrekken.  \\  Bat  hi  {Alexander)  winnen  soude 
ende  oec  belopen  Asien  al  ende  oec  Europen,  Sfp, 
1%  4,  11. 

b)  Van  eene  rivier  gezegd.  Door  hopen,  dooT' 
sneden.  ||  tLant  belopen  met  ere  rivieren,  dat  Ama- 
sonia  es  ghenant,  Nat.  BI.  1,  176. 

6)  Over  iets  hopen.  Meestal  gebruikt  in  het 
passief.  Met  eene  bep.  met  met  of  in. 

a)  Eigenlijk  gebruikt  van  vheistoffen.  Overloopen, 
bedekken,  overdekken.  \\  Alsoe  verre  alst  beloopen 
heeft  dat  etter,  Jan.  Yp.  101.  Ghi  die  hinct  naect 
aen  tcruce,  ende  sere  besprinct  ende  belopen  met 
uwen  bloede,  Vil  Worde  {Ferh.  II  KI.  Inst.  6*, 
46,  75).  Vgl.  onze  uitdr.  met  bhed  beloopen,  en 
beloopen  oogen, 

b)  Figuurlijk  ook  gebruikt  van  zand.  Met  zand 
(of  aarde)  overdekt,  bedekt.  ||  Baerof  datter  be- 
loopen es  ende  te  niete  geg^en  zyn  mitten  duynen 
die    verstoven    zyn,    wel  50   mergen,   Inform.AÜ, 

28 


Ö67 


6EL0. 


ÊELO. 


m 


Den  Yoorseiden  zeedijc  viye  roeden  met  aerden 
belopen  alsso  hooghe  ende  also  breet  boven  als 
den  goeden  lieden  .  .  .  goet  dincken  soude,  ZFl. 
JSijdr.  6 ,  374. 

c)  Overdrachteiyk.  In  iets  verzonken^  vervallen 
tot.  II  Omdat  soe  was  Arriane  ende  in  ongelove 
belopen,  deedse  die  coninc  dopen,  Sp.  III*,  43, 
64.  Die  Joeden  die  belopen  al toes  sijn  in  wanhopen, 
Bijmb.  31117.  Yaspasiaen  die  ward  belopen  om 
dese  dinc  in  wanhopen,  28653.  Ghelikerwijs  alse 
siden  bi  Loths  tiden  die  vyf  steden  belopen  waren 
met  dorperheden,  25656. 

7)  Het  is  belopen,  het  beloop  der  zaken ^  de 
loop  der  gebeur tenitsen  ie  van  dien  aard  geweest^ 
het  wat  te  voorzien.  Ygl.  ons  znw.  beloop  en  het 
loopt  er  op  oï  het  loopt  er  op  uit.  \\  Daventner  en 
willes  niet,  dat  die  dinc  aldns  ghesciet;  langhen 
tjt  ist  belopen ,  dat  Asia  ende  Enropen  onderliughe 
souden  stryden ,  Troyen  ƒ.  36  b, 

Onz.  —  Een  bedrag  uitmaken^  bedragen.  Vgl. 
onze  uitdr.  „dat  beloopt  honderd  gulden".  || 
Offte  dat  scot  so  hoge  niet  en  belepe,  als  Diric 
hebben  sall,  dat  de  buerrechters  dat  scot  dan  dair 
na  setten,  dat  Diric  sine  betalinge  kryge;  belepe 
dat  scot  hoger,  dat  se  dair  dan  rekenscap  van 
doen,  Warfsconttit.  93. 

Wederk.  —  Met  de  bet.  van  het  onz.  ww.  || 
Alsoo  vele  goed  es  uut  Meynoltes  goede  toe  bruijcken 
voor   sijnen   schaden  .  .  ,   als   sich  de  schade  be- 
lopen mach,   WarfMConetit.  2. 

BELOBTSEN,  zw.  ww.  bedr.  Van  lordten  of 
lorsen  ;  bij  Kil.  trahere'.y g\.  Oudem.  4, 193,  en  het 
aldaar  genoemde  lorden  en  ontlorden.  Beet  pakken^ 
vasthouden^  in  zijne  macht  houden.  \\  Dat  sijt  be- 
lortsen  in  allen  siden  so  wat  si  crighen  metier 
hant,  ten  mach  hem  ontsitten  noch  outrijden,  Sp. 
d.  J.  326.  Vgl.  VS.  321:  Lortsers^  flortsers,  die 
zyn  op  die  baen,  lieghers,  bedrieghers ,  die  houden 
tlant. 

BELOVEN,  zw.  ww.  bedr.  en  wederk.  Mnd. 
beloven;  mhd.  beloben.  Van  loven;  zie  ald.  en  vgl. 
Taal-  en  Lettb.  2,  18. 

Bedr.  —  1)  Eene  plechtige  belofte^  eene  gelofte 
doen;  lat.  vovere.  ||  Die  scrifture  .  .  die  seget: 
belovet  ende  geldet  dan,  Sp.\*  ^  35 ,  33  (lat.  rot;^^^ 
et  reddite.  Het  object,  inhoudende  datgene,  wat 
men  belooft,  is  in  het  Lat.  zoowel  als  iuhetMnl. 
weggelaten).  Bi  di  selven  ongeleert,  belovestu  eerst 
suverhede,  I*,  38,  64.  Ist  dat  yemant  beloefteen 
onsuver  beest,  die  men  den  Here  niet  offeren  en 
mach,  D.  B.  Levit.  27,  11.  Ist  dat  hij  den  acker  be- 
lovet heeft  te  hant  van  dien jaer  dat jubileus  begint, 
ald.  VS.  17.  —  Ook  in  rechte.  Zich  tot  iets  ver- 
binden. II  Wil  dan  die  ghast  onsen  scepenen  dier 
zaken  beloeven,  so  zoelen  die  scepeue  mechtich 
wesen  onses  burghers  ende  en  wolde  die  ghast 
dier  zaken  niet  beloeven  onsen  scepenen ,  so  mach 
hl  {alleen)  dien  dach  bliven  binnen  der  stad, 
Stadsr.  v.  Zwolle  58,  34.  Belovende  Lievin  van 
Melanen ,  Thomase  Rencwel  ende  AVillemme  Stoffort, 
Invent.  v.  Brugge  4,  203  (vgl.  204:  borchtucht^ 
Aor^^).— Dingen  up  beloefde  Yi^kni^ aanspreken 
onder  kennisgeving ,  dat  er  eene  gerechtelijke  ver- 
bintenis bestaat.  \\  Waert  dat  yemant  dinghede  op 
beloefde  hant  of  op  kennisse  van  scepenen.  Dingt. 
V.  Delft  14.  —  Ook  in  de  uitdrukking  een  wort 
beloven,  eene  gelofte  doen.  ||  Beloof  den  Gode  van 
Israël,  gheeft  hi  di  die  coninccrone,  te  makene 
sinen  tempel  scone  .  .;  dit  wort  beloofde  Darius, 
BAJmb.  17768. 

2)   Eene  plechtige  verzekering  geven ^  verzekeren^ 


aanzeggen  (vgl.  BELIEN,  5).^|  „Mijn  vrient sil  doen 
dat  hi  behiet ";  tier  selver  wilen  enter  stonde  ibe 
hijt  belovede  metten  monde  quam  dander  Iosmq 
sinen  pant,  Sp.  V ^  IS  ^  ^2  (van  Damon  en  PipUiasi 
(Hi)  behiet  hem  ende  beloefde,  dat  hi  hemtkoeft 
af  soude  slaen ,  hine  lyede  verwonnen  saen ,  Lont. 
II ,  4538.  Entie  sine  ghebode  braken  beloofde  hi 
.  .  meneghe  maledizie  swaer,  Rijmb.  5438.  Ie 
rade  ulieden,  dat  ghi  .  .  nedercomt  tot  mi . ., 
oft  ie  belove  u  by  mijnder  crone  .  .  snlc  vier  te 
makene,  dat  ghi  van  den  roeke  versmoren  nlt, 
Cron.  V.  Vlaend.  1 ,  63.  (Judas)  belovedet  of  Ter- 
sekerdet ,  ^«.  71 ,  Luc.  22 , 6.  —  De  onb.  wps  als  idy. 
gebruikt.  Verzekering  ^  het  zich  zelven  iets  behn», 
ernstig  voornemen.  \\  Nu  wilden  dese  XL  den  wech 
gaen ,  daer  men  hem  dede  ane  verstaen,  dattie  rovers 
die  liede  roven,  dit  wasdaer  hare  alre beloven, de/ 
namen  zij  zich  plechtig  voor^  Velth.  Il,  4,  27. 

3)  Loven ,  prijzen ,  goedkeuren  (opp.  laken).  VgL 
LOVEN.  II  Benadab  beloefde  horen  rade  ende  dede 
also  y  D.  B.  l  Kon.  20 ,  25.  Yemant  ..  die  ter 
laister  schouwe  belaevet  weer  van  den  heijmnedeo, 
Overijs.  Recht.  II',  17. 

4)  Danken;  eig.  zijne  goedkeuring  aan  iemaai 
t4  kennen  geven.  Vgl.  het  wederk.  hem  heloten  en 
het  gelykbeteekenende  hem  bedanken.  ||  Dat  God 
hem,  die  tsakerment  ontfeet,  dies  danct  ende  beloeft, 
dat  hi  sinen  lichame  ontfinc  hier  inerterike,  ^di. 
Mus.   2,   431. 

5)  Gelooven^  toevertrouwen ;  lat  credere.  \\  (Joseph) 
bestuerde  ende  beleide  dat  huys  dies  hem  belovet 
was,  D.  B.  Oen.  39,  4.  Also  wi  van  Gode  Jh^ 
proevet  sijn ,  dat  men  dat  ewangelium  ons  belovede, 
also  spreken  wi,  Hs.  75,  I  Thess.  2,  4. 

Wederk.  —  Hem  beloven. 

1)  Met  eene  bepaling  met  van  (somtijds ook eea 
2den  nv.).  Iemand  of  iets  prijzen^  loven ^  roeme*, 
zijne  tevredenheid  over  iemand  of  iets  uiten  ^iemeMi 
verhejfeny  iemands  lof  verkondigen  {\^.l^^.'ii)'^ 
Daer  oec  die  coninc  scone  gichten  gaf,  daer  heA 
die  heren  beloveden  af;  ende  beloeftlea  si  hem  iet 
alsoe  van  sinen  gichten  .  . ,  si  beloefdeu  hem  nock 
also  sere  van  der  coninginuen ,  die  .  .  gaf  deder 
vrouwen  ende  joucfrouweu,  Merl.  28443.  Icsülmi 
oec  proeven  soe  wale,  dat  alle  die  mi  bestaen  te 
male  .  .,  u  alle  selt  beloven  van  mi  ende  prisea 
selt  ende  sere  loven ,  limb.  1 ,  1533.  Wi  selen  soe 
vele  eren  doen  hare ,  dat  si  hare  al  oppenbare  van  ob> 
beloven  vor  (lat.  coranC)  u  sal,  alse  ghi  comt,  1601. 
Dat  ie  hare  tenegher  stad  moete  dienen,  soe  dit  si 
hare  moet  beloven  van  mi ,  VI ,  14.  Dese  twee  pointa 
{vroescap  en  vriheit)  behouden  de  stat  in  znlker 
eeren,  wie  daer  in  comen  of  verkeeren,  in  alla 
plaetzen  sijs  hem  beloven:  danc  hebbe  de  gruie 
Gods  van  boven,  OFl.  Lied.  e.  ö.  486 ,  208. Eenei 
den  vriendelicsten  man,  van  hem  ie  mi  te  vnlleo 
eau  in  deuchden  nemmermee  beloven,  469,  ^\ 
^  nooit  zal  ik  zijne  goede  hoedanigheden  penoiy 
kunnen  roemen.^^  Die  hare  sere  belooft  van  n  ende 
van  der  eren  die  ghi  hare  hebt  ghedaen,  Ztsii-in, 
452.  Hi  ware  die  hem  beloven  soude  vin  her 
Echites  emmermere,  woudi  hem  gheven  na  die 
ere,  VIII,  1322.  (Si)  selen  hem  beloven  vannic 
meltheit  in  eiken  hove,  XI,  609.  Inne  canmiiiei 
beloven  van  der  eren  (ik  kan  niet  genoeg  roeme%if 
eer)^  die  ghi  mi  hebt  ghedaen,  Limb.  XII,  ^ 
(gedeeltelijk  aan  de  var.  ontleend).  God  looe  i? 
uits  wel  ghedaen  ende  des  sal  hem  in  allen  hovn 
met  rechte,  hopic,  mijn  here  beloven,  Lorr.\^^ 
2733.  Dies  machtu  di  van  mi  beloven,  Piv| 
4252.   Alsic   te   sere   bem   verladen  soe  stien  ui  - 


86Ö 


fiELO. 


ËELÖ. 


87Ó 


dese   twee    in    staeden,   daer    omme   beloyic   mi 
meest  van  hem ,  Cois,  1607.  (Si)  beleefden  hen  van 
van   haren   wert  sere,  dat  hi  hen  hadde  ghedaen 
grote  ere,  Lanc,  II,  27736.  Si  beloefden  hem  sere 
daer  af,  dat  hem  die  van  Logres  .  .  ere  deden, 
33792.  Dat  si  bat  sculdech  te  dagene  ware  van 
mi  dan  te  belovene  hare,  III,  3219.  Doet  soe  van 
desen  kinde   nu,   dat   hem    dit  conincrike  van  u 
beloven  moge  ende  tkint  mede,   lY,  9291.  Daer 
hem  soe   af  beloofde  onse   Here  (iPonour  de  cui 
Dies  »e  vanta)^  IUhcI,  1265.  6i  moget  gereet  ver- 
dienen .  .,  dat   hem  God  sal  beloven  sere,  eé/ay 
Dieu  de  ton  dan  vanter  (coupl.  108),   1266.    Doe 
belovede  hem   onse   Here  van  dies  mans  ghelove 
Ruusb.   3,   182.   —    Ook   met  een   afh.   zin  met 
caasalen  objectssin   met   dat.  ||  Mine  vriende  die 
müns  scande  ghehadt  hebben,  selen  hem  beloven 
dat  ie   ghebetert   bem,  Litnb,   IV,  604.  —  Eene 
enkele  maal  beteekent  hem  beloven  niet  prijzen, 
roemen,  maar   zich    beroemen   op,   Ygl.   beiiën    en 
hem  eenre   dine   èeliën;    ons   danken  en   het  Mnl. 
hem   bedanken   van\   ons    loven   en   het   mnl.  hem 
beloven  van,  \\  Van  meer  maghic  mi  beloven:  ie 
cusse   vrouwen    ende  joncfrouwen,  Eeopet  XL,  8. 
2)  Met  den  2den  nv.  of  het  voorz.  van.  Zich  ver- 
heugen over\  tevreden ,  in  zijn  schik  zijn  met  iets ;  reden 
van  tevreden  Aeid  hebben,  \\  Daer  bi  bleef  hi  des  strijts 
te  boven ;  des  mocht  hem  alsoe  wel  beloven  van  Bra- 
bant her  Godevaert,  Heelu  8661.  Ie  wille  dese  saken 
op  mi  nemen  altemale,  ende  doense  u  betren  also  wale, 
dat  gijs  u  selt  beloven,  Lorr,  II ,  4583.  Da  venture, 
diet  al  geeft  ...  es   verbolgen  so  op  mi,  dat  ie 
en   weet   mi    wies    beloven,    Hein.    Bijl,  290,  22. 
Dats  ene  dine ,  dier  ie  mi  belove,  dat  gi  van  Artnrs 
hove  sijt,  Lanc.  II,  2820.  Dat  hy  s  hem  beloven  mochte, 
dat    {de   speer)   hem   wel   diende   sonder  breken, 
30311.   Het   {het  paarcT)   lichte   hem  ende  spranc 
boven,  des  mochtem  Walewein  wel  beloven ,  40007. 
Walewein    mochts   hem   wel   beloven,  dat  hi  sijn 
goeAe  ors  adde  bescreden ,  Wal,  734.  Die  hem  dies 
belovede  sere   Sp.  III*,  60,  46.  Ie  machs  mi  be- 
loven wel,    Cass.  1543.  Souds  hem  elck  man  wel 
beloven,    Hild.   23,    168.    Syns   loons  sel  hi  hem 
wel  beloven,  104,  78.  Zo  moghen  zij  hem  beloven 
wel  vanden  spele,  Vad,  Mus,  4,  119,8.  Soe  eerliic 
besteldi  sconinx  dine,  dat  (/.  dats)  hem  wel  belove 
(/.  belovede)  die  coninc,  Limb,  V,  1747.  Ie  sal 
mi  proeven  soe  wel ,  ghi  selens  (/.  seles)  u  beloven, 
VI,  753.  Dat  ie  in  dinde  van  minen  dagen  mi  sal 
beloven  echte  daghen  van  minnen ,  ge  me  voil  loer 
OU  blasmer  de  bien  aimer,  Rosé  3176.  — Later  ook 
met  4den  nv.  in  plaats  van  den  tweeden.  ||  Die  wert 
die  ghinct  hem  sere  beloven ,  Frouio,  e.  M.  II ,  67. 
—  Somtyds  ook  absoluut  gebruikt.  ||  Op  een  tijt 
so   was    daer   ghehovet,    so   dat  een  yghelic  him 
belovet,    MLoep   I,  619.    Si   beloven   hem    harde 
sere,  ende    comen   gheme,   sem  mine  ere,  Limb, 
V,  542.  —  Ook  met  een  afh.  zin  met  dat.  ||  Ie 
(God)  sal  mi  belonen  (/.  beloven) ,  dat  hi  (de  mensch) 
vol  vult  heeft  die  weelde  mijns  herten,  Vad.  Mus, 
2,  212.  —  Met  eene  ontkenning  verbonden  staat 
hem    beloven   volgens   Mnl.   spraakgebruik   in 
kracht  geiyk  met  eene  sterke  bevestiging  en  be- 
teekent dufi  groote  smart,  droefheid,   de  treurige 
gevolgen  van  iets  ondervinden.  Kil,  sich  quaelick 
beloven,  dolere,\\'Rei  (het  herbergen)  sal  sijn  in 
suiker  maniere,  dat  gijs  u  en  beloef t nemberm ere, 
want   gi    sulter  om   sterven  eere  dat  gi  van  hier 
«uit  moegen  ontgaen,  Lanc.  II,  17345. 

3)     jian     iemand    zijne    dankbaarheid   betuigen, 
iemand  dankbaar  zijn  voor  iets  (vgl.  bedr.  4).  De 


persoon ,  wien  men  dankbaar  is ,  wordt  uitgedrukt 
door  eene  bepaling  met  van;  de  zaak  waarvoor,  èf 
eveneens  door  eene  bepaling  met  van,  6f  door  den 
2den  nv.  der  zaak  óf  door  een  afh.  zin.  ||  O  edel 
wijf,  dies  moetic  mi  ewel^c  van  u  beloven,  £sm, 
540.  Doet  verstaen,  dat  ie  mi  van  hare  sere  be- 
love yander  feesten,  die  si  in  haren  hovemidede, 
als  ie  daer  was,  Lanc,  II,  9924.  Mi  en  was  inde 
stad  niet  ghedaen  dan  al  goet  ende  alle  ere,  dies 
ie  mi  belove  sere,  Limb,  II,  878.  Woudi  dit  dor 
onse  bede  doen,  vri  souden  u  danken  mede,  ende 
wi  soudens  ons  beloven  sere,  Velth.  V,  49,  19. 
Ie  belove  my  van  u  allen ,  dat  ghi  my  dicke  hebt 
wel  gedient,  Heelu  4706. 

BELO VENEN ,  zw.  ww.  bedr.  Freq.  van  beloven, 
Beloven,  toezeggen,  ||  (Si)  hebben  belooft  ende  be- 
lovenen  te  zamen  .  .  met  gheghevenre  trouwe  ende 
met  ghezworen  ede  ten  heylighen ,  Oor  kb,  2 ,  502  a 
(a,  1299). 

BELOVINGE,  znw.  vr.  Belofte,  toezegging,  || 
Die  tijt  der  belovinghe  naecte,  die  God  Abraham 
belyet  hadde,  Hs,  75,  Hand,  7,  17.  Guedertieren- 
heit  is  tot  allen  dinghen  guet ,  hebbende  belovinghe 
des  levens  dat  nu  is  ende  dat  toecomende  is, 
I  Timoth,  4,  8.  In  welken  God  die  onbeweech- 
licheit  der  belovinghe  sijns  rades  den  erfnamen 
overvloedeliker  openbaeren  woude,  Hebr,  6,  17. 
Waer  is  die  belovinghe  of  sinen  toecoemste,  II  Petr, 
3 ,  4.  Zoo  ook   Hs,  v,  1348 ,  Ibd,  —  Zie  beloof- 

TOCHT 

BELSEMCRÜÜT  znw.  o.  Bilzenkruid,  Vgl. 
BELSENSAET  OU  BEELDENSAET.  ||  Ghelijc  eenre 
bloemen  die  wast  op  belsemcruut,  Ruusb.  1,  236. 

BELSENSAET.  Zie  beeldensaet. 

BELTOORBOOM  (?).  In  den  Navorscher  van 
1866,  bl.  344  worden  allerlei  soorten  van  vrucht- 
boomen  opgenoemd,  als  kerseboomen,peereboomen  en 
ook  beltoirboeme. 

BELUCHTEN,  hetzelfde  als  belichten  (z.  ald.).  — 
In  het  bijzonder.  Een  licht,  eene  kaars  voor  een 
gestorvene  laten  branden,  als  kerkelijke  ceremonie. 
Vgl.  enen  belichten.  ||  (Si)  sullen  oec  mede 
onse  anderen,  die  mit  hem  begraven  ligghen  .  ., 
beluchten  mit  tween  lampen  bomende  aJle  wege 
beyde  nacht  ende  dach,  Ngh.  1,  342  (a,  1335). — 
Vgl.  hd.  beleuchten  en  ons  znw.  luchter, 

BELÜDEN,  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  beluden,  be- 
luten ;  mhd.  beliuten ,  hd. belauten,  —  l)Enen  b  — ; 
de  klok  voor  iemand  luiden,  vooral  voor  een  over- 
ledene,  hem  uitluiden,  ||  Item  zo  en  zullen  niet 
meer  dan  25  menschen  gaen  enen  dode  te  beluden , 
O,  W,  V,  Amst,  37,  7.  Zo  en  moet  nyemant  enighe 
vreemde  doden  beluden ,  .  .  anders  dan  die  coster, 
ald,  8.  Die  coster  zal  hebben  van  eiken  vreemden 
doden  te  beluden  twee  Hollantse  grote ,  ald,  Nyemant 
en  moet  dode  beluden  in  den  toirne  van  der  groter 
kerke ,  die  wile  dat  die  priester  upten  predicstoele 
staet  om  te  prediken  .  . ,  by  20  se.  denghenen  die 
eerst  lude,  ald,  9. 

2)  Iet  beluden,  de  klok  laten  luiden  bij  gC' 
legenheid  van  de  eene  of  andere  plechtige  handeling, 
tot  meerdere  bekendheid  van  het  feit,  Vgl.  iet 
belichten.  ||  Want  hi  die  husing  mit  gheaen 
ruminghe  ghewonnen  en  heeit,  noch  die  husing 
niet  en  heeft  doen  beluden  ter  clocken,  doe  hem 
die  ëyghenscap  van  Ghisebert  van  der  Horst  over- 
ghegheven  wort,  B,  v,  XJtr,  2,  147.  Zoo  ook  242, 
250,  252. 

BELÜDINGE  (beluydinge),  znw.  vr.  Het  luiden 
der  klok  bij  de  eene  of  andere  plechtige  handeling 
(om  daarop  cpmerkzaam  te  maken  en  er  zoo  openbaar* 


/ 


/ 


m 


BÈLÜ. 


6ELU. 


872 


Aeid  aan  te  geven.  \\  Na  der  overdrachten  des  raets 
cnde  der  beludinge  der  stat  van  Utrecht,  R.  v.  Ütr.  2 , 

210.  Die  overdrachte  ende  beludinghe  ende  waerin- 
ghe,    die    de    stat   van    Utrecht    fhedaen    heeft, 

211.  Dit  sel  men  tot  eiker  beludinge  voir  der 
scepen  hnys  .  .  .  nnthangen,  243.  Ist  dat  die 
eygenscap  belnyt  ende  nutgehangen  wert,  243. 
Eygenscappen ,  .  .  die  ter  clocken  niet  belnyt 
noch  nutgehangen  en  waren  ^  ald.  Als  der  scepen 
clerck  sijn  cedell  van  der  beludinge  uuthanget 
voir  der  scepen  huys,  2öO.  Dairoff  sel  der  scepen 
klere  hebben  van  eiker  beluydinge  enen  ouden 
boddrager,  262. 

BELUE.  Van  het  Lat.  bellna.  Groot ^  monster- 
achtig  dier.  \\  Dat  in  die  zee  van  India  sijn  beluen 
van  live  so  groot,  dat  si  doen  risen  selke  baren 
alse  ofte  grote  zeestorme  waren.  Nat.  BI.  IV,  86. 

BELUC ,  zoo  de  lezing  zuiver  is ,  andere  naam 
voor  de  belie  of  beUe^  het  beUeruaet^  bilsenkniid, 
lat.  Ayoseyamut;  Nat,  SI.  X ,  294  var.  Zie  beklden- 

SAET. 

BELUKEN,  st.  ww.  bedr.  (belooc,  beloken).Y9.n 
luken  (zie  ald.).  Mnd.  beluien;  mhd.  belüchen. 

1)  Sluiten^  dicht  doen,  toesluiten.  ||  De  man  telen 
moeten  sijn  .  .  beloken  ende  niet  open,  Diericx, 
Mem.  2 ,  35.  Sinter  dat  ie  desen  boec  liet  ende 
beloec,  Brab.  Y.  V,  9501.  Lettel  {kindtren)  vint  mer, 
die  wel  sproken  eer  hem  die  monde  {de  hersenpan) 
Was  beloken.  Nat.  BI.  I,  21  (lat.  „donec  fonti- 
culus  .  .  in  occipite  .  .  desiccetur").  Die  gracieuse 
borch  vorsproken  die  was  so  meesterlic  beloken, 
OVL  Lied.  e.  O.  256,  688.  Noch  staet  die  porte 
al  beloken  van  paradyse  ende  oec  besloten ,  L.  o.  H. 
143.  Cume  was  beloken  die  wonde ,  Alex.  IX , 
1045.  Die  doren  waren  beloken  omdat  si  vruchten 
der  Jueden  stoken,  Rijmb.  26901.  Daer  waest  be- 
loken met  cortinen,  4851.  In  dire  avontstonden 
van  din  sondaghe,  alst  spade  was  ende  de  doeren 
beloken  waren,  L.  v.  J.  c.  240.  Alle  die  woerden, 
die  dn  spreecste  in  belokenen  doren ,  D.  B.W  Kon. 
6,  12.  —  Ook  in  de  absolute  uitdrukkingen  (vgl. 
Tijdschr.  2 ,  190) :  —  Belokenre  ogen,  met  ge- 
sloten oogen ,  Velth.  VII ,  16 ,  62 ;  Sp.  II«  ,  57  ,  40 ;  61, 
31.  —  Belokenre  dore  (dure),  belokenen 
doren,  Rijmb.  13185,  met  gesloten  deur,  terwijl 
de  deur  gesloten  was.  ||  Doe  quam  omtrent  der  noenen 
ure  vore  hem  Faulus  belokenre  dure ,  Sp.  II  * , 
20,  35.  Vgl.  beslotenre  duere,  -S/?.  I«  ,38, 18. 

2)  Omsluiten  in  eigenlijken  zin. 

a)  Met  den  4den  nv.  der  zaak.  Besluiten,  om- 
geven. II  In  een  vel  beloken  altemale  dicke  ende 
stare  ende  wel  behoet.  Nat.  BI.  III,  1996.  Den 
telgh  van  enen  boeme,  die  wille  staen  in  goude 
fijn  ende  in  die  hant  beloeken  sijn,  XII,  1288. 
(Si)  heeft  hare  hande  ontploken;  die  bloeme  die 
daer  in  waren  beloken,  die  besach  se  alle  drie, 
Belg.  3fus.  1,  329,  101.  Hets  sulc  in  muer  be- 
loken ,  hi  sonde  node  tegen  u  stoken  orloge ,  waer 
hi  op  een  velt,  Velth.  V,  21,  21.  Al  sati  in 
enen  muer  beloken,  die  stalen  ware,  IV,  10,  56. 
Alse  of  si  {de  plaats)  beloken  waer  met  enen 
mure,  VIII,  11,  13.  Een  scone  pare,  dat  was  be- 
loken in  ere  mure ,  Rein.  1 ,  334.  Die  bosch  stont 
bin  enen  mure  beloken,  Sp.  I**,  48,  13.  In  eene 
clene  graf  beloken,  Theoph.  (BI.)  38,  24  var.  Sy 
besetten  al  die  toppen  vanden  berghen,  ende  si 
beloken  haer  weghen  mit  muren ,  J).  B.  Judtth  4 , 4 
{circumdederunt  vicos  suos  muris.  De  vertaler  heeft 
dus  blijkbaar  vias  suas  gelezen  in  plaats  van  vicos 
suos).  —  Ook  in  de  bepaalde  opvatting  van  in  de 
(tarde^  in  een  graf  besluiten,  begraven.  \\  Uweren  in 


die  eerde  is  hi  beloken,  Vod.  Mum.  4,  429,  26. 
Zijn  siele,  daer  derde  den  lichame  had  beloken 
af,  2>.  ITar.  3,  163,  199.  —  Ook  in  de  uitdruk- 
king beloken  hebben,  besloten  houden,  owtvai 
houden,  vasthouden.  \\  Ie  hebbe  mgn  cmnt  ver- 
loren dat  ie  hadde  hier  t«  voren  beloken  tussches 
minen  tanden,  6'.  en  El.  819.  —  Vooral  gebruikt 
met  toevoeging  van  in  die  (sin  e)  hant,  van  bet 
vasthouden  der  teugels  van  het  bewind,  iet»  in  zijne 
macht  hebben,  ||  Die  coninc  van  Ingelant,  .  .  die 
wel  in  die  hant  sijn  rike  hevet  beloken  al ,  Parth. 
3773.  (Si)  heeft  beloken  in  sine  hant  arme  ende 
rike  ende  al  mijn  lant,  1682.  Daer  hi  beide  borcb 
ende  lande  (tekst:  mande)  beloken  hadde  in  sgn 
lande,  Brab.  Y.  V,  2049.  Sommige  wanen,  dat 
si  die  werelt  in  haer  hant  beluken  sullen  ende 
alle  dingen  in  haren  handen  houden,  Barth.  90  a. 
—  Ook  in  de  spreekwijze  enen  beloken  hebben 
in  des  zwaerts  handen,  iemand  verdelgen  wut 
de  scherpte  des  zwaards.  \\  Om  dattu  eweiyc  viant 
hebste  gheweest,  ende  hebtste  die  kinderen  van 
Israhel  beloken  in  des  zwaerts  handen ,  2).  B.  Esed. 
35,  5  (et  concluseris  filios  Israël  in  manus  gladii; 
Zoo  spreekt  men  ook  van  des  swaerts  mont 
(zie  mont)). 

b)  Met  den  4den  nv.  van  den  persoon.  Omringen^ 
omsingelen ,  insluiten.  ||  Hem  laegen  so  sere  an  meer 
dan  si  twintich ,  diene  hadden  doe  onder  hen  be- 
loken emmertoe,  Lanc.  II,  10476.  Soe  hebbea 
wi  dandere  alle  gevaen,  want  wi  hebbense  alle 
beloken,  Heelu  5152.  In  Zelant,  in  selke  stede 
waren  die  dike  oec  tebroken ,  sodat  si  daer  worden 
beloken  met  watere,  dat  hem  scade  dede,  Velth. 
III ,  48 ,  54. 

3)  Figuurlijk.  Omsluiten,  omvatten,  bevatten, 
inhouden.  Vgl.  BEGRIPEN.  ||  Alle  die  schnrsen  S) 
eet  hidan,  die  sijn  poet  beluken  can.  Nat.  Bl.W, 
153.  Dat  siere  nemmeer  te  live  en  doet  sdaghes 
dan  si  beluuct  onder  den  voet,  VII,  295;  „quan- 
tum includere  in  anteriore  possit  pede".  Alle  stedes 
beluket  hi  mede  in  sine  godlicheit ,  Wap.  Mart.  III, 
184.  Alsoe  selewi  die  goutvaruwe  der  minnen  in 
ons  beluken,  Ruusb.  1,  67.  Met  vruchde  zal  ie  ha 
daer  croonen,  ende  met  eewigher  minne  in  mi 
belucken ,  V  Maagd.  452.  —  Ook  in  de  nitdr.  —  m) 
beloken  hebben.  Omvatten ,  bevatten ,  omelmtem. 

II  Soe  {de  rivier)  hevet  binnen  haren  lope  beloken 
hondert  castele  ende  meer,  Parth.  1081.  Dit 
firmament  .  .  heeft  in  hem  .  .  beloken  als  eea 
crocht  aerde,  water  ende  locht,  Lsp.  I,  8,  1.  Dit 
woort  heeft  in  hem  beloken  {vat  samen)  al  dat  hier 
voren  is  ghesproken,  II,  41,  181.  Wat  sonde  hier 
of  meer  ghesproken ;  dese  woorden  hebbent  al  be- 
loken, Lucid.  45.  —  b)  Beloken  sijn,  kevmi, 
vervat  zijn,  gelegen  zijn,  liggen  opgesloten,  ||  Ii 
dese  scoone  victorye  es  beloken  so  groot  welvarea, 
Belg.  Mus.  6,  46. 

4)  Opsluiten.  —  a)  Eigenlijk.  ||  Op  een  bedde 
{ginc  hi)  ligghen  droeflike  ende  dede  hem  daer 
in  beluken,  Parth.  1643.  Du,  die  daer  bianea  £ 
heefs  beloken,  Sp.  II»,  32,  104.  —  b)  Figaiiri|t 
Verbergen,  wegbergen.  ||  Alse  hi  niet  en  ach  te  <^ 
hare,  belooc  sijt  al  in  hare  herte,  Parth.  G406. 

5)  Afsluiten,  begrenzen.  \\  Ende  Jhercon  e^èt 
Azecron  mit  sinen  terminen  die  Joppen  sconwet 
ende  in  dien  eynde  wort  hi  beloken,  D.  B.  Jet. 
19,  46  {de  landT^2i\t  tegenover  Jajo',  lat.:  cam 
termino  qui  respicit  Joppen). 

Aanh.  —  Voor  b e  1  o  k  e n  als  bnw. ,  zie  Belokek. 

BELUSTIGEN,  zw.  ww.  bedr.  VgL  mnd.  beUuie^ 

(Lubben,  1 227^);  hd.  belustigen.  Vermaken^ 


\ 


873 


BELU. 


BEMA, 


87i 


iemand  genoegen  vertehaf  en.  \\  Dat  ie  in  voerspoede 
ende  in  allen  dinghen  die  tytlyckbelastighen,  van 
den  quade  mi  afkere,  Boec  v.  d,  L.  J,  168c. 
BELÜWITE.  Zie  belewite. 
BELÜÜC  (beluyc),  znw.  o.  Van  beluken.  Vgl. 
BELOKe(n).  Hok^  verblijf pUati  ^  woning.  \\  Hij 
maicte  daer  een  beluyck  van  droeghen  steyneu 
ende  also  bleif  hij  daer  vier  jaer,  f'^aderb.  152b. 
BEMACHTE!^,  zw.  ww.  bedr.  Lezing  van  De 
Vries,  Jlex.  IX,  1080:  „Wat  gode  sal  ons  (dat.) 
betnéickfen''\  voor :  „  wat  goede  sal  ons  benachten^\ 
ea  door  Franck  in  den  tekst  opgenomen.  Bemackten 
komt  elders  in  H  mnl.  niet  voor ,  maar  kan  bestaan 
hebben  en  moet  dezelfde  bet.  hebben  gehad  als  mnl. 
hemaehtigen^  nl.  macht  geven ^  d.  i.  beschermen^ 
ondersteunen^    helpen.  Zie  Franck  bl.  492  ald. 

BEMACHTIGEN,     zw.     ww.    bedr.    Mud.    be- 

mecAtigen.  Kil.  potestatem  d^re^  auctoritatem  dare. 

Macht  geven ^  machtigen ^  opdragen.  \\  (Wi)  bevelen 

ende   bemachtigen   van   onsen    weghen  ende  voor 

onsen  nacomelinghen   .   .,  onser  liever  ende  ghe- 

tronwer  stede  van  Dordrecht,  dat  sij  ons  ghebot 

voorsz.  doen  gheschien ,  V.  d.  Wall  362  (a.  1395). 

BEMAENRE,    znw.   m.    Duivelbezweerder.   Vgl. 

BKMANKN    3).  ||  Hi   ouderstont   als   een  bemaenre 

ende  hi  track  nut  sijnre  crancheit  macht  ende  nut 

sijnre  onmoeghelicheit  volstaen,   Vaderb.  Tó'dd. 

BEMAEST.  Zie  bemasen. 

BEMAETSEN  (bemetsen),  zw.  ww.  bedr.  Be- 

utetselenj  een  gemetseld  huis  zetten  op  {eene  plaats). 

Vgl.   BETIMMEREN.  ||  Dat  .  .  F.  noch  zyne  hoirs 

ende   erfghenamen   de   voorseyde    plaetse   niet  en 

zullen  moghen  bemaetsen  oft  ooc  anders  belemmeren, 

Incent.  v.  Brugge,  Int.  3öö. 

BEMAKEN ,  zw.  ww.  bedr.  Mhd.  bemaehen ;  mud. 
bemaken.  Bedekken ^  wegbergen,  wegstoppen.  \\  Omme 
dat  sendde  hise  {den  schat)  te  Alexandrien  Atha- 
nase  den  heilegen  vrien,  diese  bemaecte  in  ene 
maysiere  heimelike,  Sp.  II*,  29,  39.  Dezelfde 
bet.  heeft  mhd.  bemaehen.  Vgl.  bedoen,  dat, 
als  het  mnd.  bemaken,  de  beteekenis  bezoedelen, 
bevuilen  heeft. 

BEMALEN,  zw.  ww.  bedr.;  hd.  bemalen.  Van 
malen  (zie  ald.).  Beschilderen ,  schilderen.  \\  (Si)  dede 
enen  schonen  camer  bouwen  ende  dien  costelijck 
bemalen,  MLoep  II,  1850.  Seven  bemailde  tafelkins, 
Oorl.  V.  Albr.  42.  Waer  om  en  scaemdi  u  niet,  u 
kint  te  bemalen  ende  te  blancketten,  Gest.  R.  f. 
XfAd.  Die  ghelyck  syt  den  bemaelden  graven ,  ^o^c 
r.  d.  L.  J.  224^.  Dat  hij  conste  pingeren  of  bemalen 
houten  tafelen ,  Pass.  W.  224a.  In  saften  bedden  ende 
in  bemaelden  slaepcameren ,  Devoet  B.  (36)  101  r. 
God ,  die  .  .  dat  luchtige  middel  des  hemels  bemaels 
mitten  vuerigen  scijnsel,  lis.  Fs.  142p.  —  Ook 
wederk.  Zich  blanketten.  ||  Dat  si  hem  bemaelt  ende 
besalvet  hebben,  Devoet  B.  (36)  11  Ir. 

BEMANEN,  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  bemanen.  Kil. 
adjurare ,  conjurare ,  erorcisare.  Van  manen  (zie  ald.). 
1)  Van  manen,  in  den  zin  van  als  een  recht  van 
iemand  eischen,  b.  v.  van  een  leenheer  tegenover 
zgne  leenmannen,  enz.  Fan  iemand  eischen,  iemand 
krachten*  zijn  recht  tot  de  eene  of  andere  handeling 
aanmanen.  ||  Hier  omme  bemanic  di  sere  bider 
name  van  onsen  Here,  dat  du  getroulike  des  seges 
vort,  dat  du  van  mi  hier  hebs  gehort,  Sp.  IV*, 
31,  51.  Na  bemanic  u  allengader  bi  Gode,  onsen 
gerechten  vader,  .  .  dat  gi  mi  secgt  ende  laet 
bekinnen  die  rechte  waerheit,  Lanc.  II,  44307. 
Doe  bemaenden  die  coninc  diere ,  dat  hi  hem  seide 
dor  wat  saken  hi  ware  so  sere  tonghemake,  C.  en  El. 
958.   Nu    bemanic  u   bi  alle  dien,  dies  goet  man 


sonde  plien,  dat  ghi  secht  ende  brinct  vort  die 
ondaet,  1205  (de  tekst  heeft  vermaen;  Jonckbl. 
leest  manie,  maar  bemanen  verdient  de  voorkeur, 
omdat  be  en  ver  meermalen  aanleiding  tot  ver- 
warring gegeven  hebben,  en  bemanen  dus  de  ver- 
gissing begrijpelijker  maakt.  Vgl.  vs.  884,  waar 
ook  bemanen  en  vermanen  in  varr.  afwisselen  en 
zie  ook  Troyen  1772  en  7038,  vergeleken  met  de 
varr.).  Die  coninc  bemaende  den  Grave  mede  tsinen 
rade  te  comen  .  .,  enewerf,  anderwerf  ende  oec 
mere,  Velth.  III,  38,  9. 

2)  Bezweren,  ernstig  en  dringend  smeeken,  ver- 
manen. II  Si  bemaenden  ende  besweert,  dat  hi 
haer  seide  sijn  ghedochte,  C.  en  El.  884  {var. 
vermaenden).  Dat  hij  te  Metze  in  der  stat  doer  God 
mit  heme  voere,  des  bemaender  {d.  i.  hi)  heme 
voel  dnere  ecde  voele  oetmoedelike , /S^v.  1 ,  2150. 
Hi  bemaent  u  sere  ende  beswerdt  bi  vrouwe  Venus 
der  godinnen,  .  .  dat  ghi  dese  rosé,  die  staet  in 
desen  brieve  gheeft  uwen  alderliefsten  lieve ,  Fad, 
Mus.  1 ,  369 ,  10.  Noch  bemane  ie  u  meere  by  den 
zonnenboom  en  bij  der  manen  .  .  ende  bij  alle 
doode  papen,  ende  ie  bemane  u  bij  alle  die  ghe- 
selscape,  die  te  Babelonien  leyt  up  tcasteel.  Nu 
noch  220.  Ie  bemaendi  ende  beswere  .  .  bi  Jhesus 
Christus,  bi  sijnre  namen:  als  ghi  ghedaen  hebt 
al  te  samen  den  wech,  dat  ghi  keert  te  mi,  ende 
doet  mi  weten,  hoe  dat  si,  Brab.  Y,  II,  4373. 
Vander  macht  Gods  van  hemelrike  ende  sijnre 
Moeder  bemanic  u ,  dat  ghi  niet  nare  en  comt  nu, 
Sp.  IV',  35,  48.  Doe  bemaendijt  {het  hoofd)  wel 
diere  bi  Gode  vele  sciere,  dat  hi  hem  dade  ver- 
staen  hoe  zjjn  leven  was  ghedaen,  Brand.  145. 
Hi  bemanetse  vele  saen,  bi  Gode  ende  bi  zijnre 
cracht  .  .  dat  sine  met  vreden  lieten,  1848.  Ie 
beswere  di  ende  bemane  di  bi  den  levenden  Got, 
dattu  ons  segs  ochtu  best  Christus  Gods  sone, 
L.  V.  J.  c.  226.  Daer  hij  ons  in  {in  den  psalm) 
noedt  ende  bemaent,  te  bidden  teghen  die  ketters , 
Es.  V.  1423,  45c.  —  Ook  in  den  zin  van  Op  het 
geweten  af  vragen.  \\  Na  dese  tale  so  bemaendic  den 
kinde  wale ,  oft  also  ware  gesciet  alse  mi  die  vader 
hadde  bediet;  dat  kint  seide:  Jaet,  Here!  Velth. 
VI,  4,  87. 

3)  Bezweren,  den  invloed  verlammen,  vooral  van 
den  duivel  of  booze  geesten  gezegd,  door  het  uit- 
spreken van  bepaalde  formulieren.  ||  Soe  wie  die 
hope  ende  troest  setten  in  truffen,  in  boeten,  in 
dromen,  in  waerseggheren ,  in  tooverien,  inden 
duvel  te  bemanene ,  Ruusb.  3 ,  244  var. ;  vgl.  Sp. 
d.  Maechden  (1569) ,  bl.  154 :  Alsoot  eenen  priester 
gebuerde,  die  den  vyant  in  eenen  besetenen  mensche 
bemaende. 

BEMARKEN.  Zie  bemerken. 

BEMASEN  (bemaschen,  vanwaar  bemasche- 
ren,  zie  het  volg.  art.),  zw.  ww.  bedr.  Mhd. 
hd.  bemasen.  Zie  MAS  en  en  De  Jager,  Freq, 
1,  378;  2,  376.  Bevlekken,  bezoedelen,  vuil- 
maken, bederven.  W^iLiL  enen  mortiere,  die  ghe- 
bezeghet  was  in  mijns  heren  tsgraven  kokenne  .  . 
ende  bemaest  es  in  die  cokenne  8  soc. ,  Bek.  v. 
Zeel.  2,  355. 

BEMASSCHEREN,  zw.  ww.  bedr.;  ook  in  den 
vorm  BEMASCHELEN  (Kil.  en  Plant.).  Van  het 
bij  Plant,  voorkomende  ww.  maschelen  of 
mascheren,  d.  i.  zwart  maken.  Zwart  maken, 
bezoedelen,  bevlekken,  vuil  maken.  \\  Die  buut  was 
hem  ter  vaert  swart  bemasschert  ende  berompen. 
Brand.  990.  Soe  mach  eenidi  vanden  anderen 
cnapen  den  selven  wel  bemasscheren  ofif  met  cool- 
gruys  swart  maken,  V.  d.  Wall  791. 


875 


BEME. 


BEMO. 


876 


BEMERC ,  znw.  o. ,  stam  van  het  ww.  bemerken. 
Aamchouwing.  —  Vandaar  de  uitdr.  In  elcx  be- 
merc,  voor  aller  oogen^  ten  aanêchoutoen  van 
ieder,  \\  Hier  voortijts  plochtic  met  Toorspoede  te 
winnene  eenen  goeden  pennync  in  elcx  bemerck, 
maer  nn ,  al  hebbic  soorte  van  werck,  .  .  ie  moeten 
voeren  tAndwerpen  ofte  te  Brnghe  onghespaert, 
Zri.  Bijdr,  6,  330.  —  Int  bemerc  sien,  in 
het  oog  krijgen.  \\  Ie  zye  onsen  coster  ghnnder  int 
bemerc,  Ned.  Klnchtsp.  94,  15. 

BEMERKEN  (bemarken),  zw.  ww.  bedr.  Van 
merken  (zieald.).  Nog  heden  in  gebruik,  maar  in 
onbmik  geraakt  in  de  twee  volgende  opvattingen. 

1)  Beschoufoen^  in  oogeneehoitw  nemen  ^  aanzien.  \\ 
Bemeerct  eenen  lichame  doot,  somoghesta  verstaen 
al    bloot   sfjns   leerens   bedieden,  JFap.  Rog.  313. 

Vgl.  DOREMERKEN. 

2)  Besturen^  regelen^  het  oog  honden  op.  \\  Dan 
wonde  hi  dat  dusent  baroene  enen  conincstavel 
coene  hadden,  die  hare  dinc  bemarke,  dat  hiet  in 
Griexen  een  cyliarke,  Alex.  VI,  89. 

BEMETEN,  st.  ww.  bedr.;  hd.  bemessen.  Af- 
meten^ afperken.  \\  Drierleye  dinck  sintschelinge: 
lantcoep  ofte  lantwissel  mit  schutten  {var.  sloethSn) 
bemeten  unde  mit  paelen  beslaegen;  uutlovede 
bmyt  unde  gesoende  soene,  Pro  Excol.  6,  694. 

BEMIEDEN ,  zw.  ww.  bedr.  Van  mieden  (zie  ald.). 
Huren ,  omkoopen.  Hetzelfde  als  het  meer  gewone  ver- 
mieden  (zie  ald.  en  vgl.  bemanen  en  vermanen).  \\  Dat 
benam  die  coninchinne  ende  bemiede  met  feilen  sinne 
den  bode,  dat  hi  seggen  sonde,  dat  ter  vaertdie  coninc 
woude  Antigonuse  ghewapent  sien,  Rijmb.  20347  var. 

BEMICKEN ,  zw.  ww.  bedr.  Van  micken  (zie 
ald).  Iemand  tot  zijn  mikpunt  kiezen ,  het  op  iemand 
gemunt  hebben.  \\  Dat  ie  die  vianden  mochteslaen, 
die  u  den  lachter  hebben  ghedaen,  ghetorment 
ende  ghepijnt,  alsoet  uwen  live  schijnt,  dat  si  u 
seer  bemicken,  Segh.  6856.  Vgl.  Oudem.  1,  496. 
Doch  het  Hs.  heeft  ald.  eene  betere  lezing,  die 
in  den  tekst  had  behooren  opgenomen  te  worden, 
nl.  bevicken  (z.  ald.  en  Tijd^ch.  3,  217.) 

BEMINNEN.  Zie  *  benunne. 

BEMOEDERT,  bnw.  Van  moeder  oi  moder{di.\. 
modder)^  dat  thans  nog  voortleeft  in  den  samen- 
getrokken Yormmoer.Bemoddert,  beslijkt.  ||  Om  dat  si 
bemoedert  stonden,  seide  Fransoys  te  hem  met  moeten: 
vach    de   muedre  van  minen  voeten,  Franc.  8166. 

BEMOEDEN  (bemoeien),  zw.  ww.  bedr.,  wederk. 
en  onpers.  Van  moeden  (zie  ald.).  Vertnoeden^  ge- 
dachte hebben  op^  denken. 

Bedr.  —  Absoluut;  met  den  4den  nv.  der  zaak 
of  een  afh.  zin  met  dat.  ||Jhesum  Christum,  die 
mi  behoet  heeft  van  sakeo,  dies  ie  niet  bemoet 
ne  hadde,  noch  ne  wiste  daer  af  niet,  Amand  I, 
3313.  üuten  welken  zo  te  duchtene  ende  te  be- 
moedene  es,  de  plaghen  van  den  landen  gheresen 
zyn.  Gout.  v.  Gent  672.  Alsoot  te  bemoedene  es, 
Invent.  v.  Brugge  6,  23.  Priam  ..  bemoeide ,  datse 
dat  uut  boosheden  seyden  ende  began  te  suchten, 
Trofjen  Vb.  A6a.  Robbrecht  seide  .  . ,  dat  hy  wel 
bemoedde,  dat  als  de  Vlaminghe  int  castiel 
souden  sijn,  dat  dan  Richildt  tcastiel  sonde  doen 
beleggen,  Cron.  v.  Vlaend.  1,  27.  Als  icbemoede, 
Segh.  8557.  (Van  wien)  men  sal  bemoeden,  dat 
hij  ze  {de  brieven)  zelve  gemaect  heeft.  Wiel., 
Inêtr.  163,  541.  —  Iet  op  enen  bemoeden, 
iets  van  iemand  denken.  \\  Herman,  ay  mi!  des  en 
haddic  niet  bemoet  opti  .  .,  dattu  mi  souts  sijn 
dus  wreet,  Velth.  III,  47,  17.  Ie  vant  mi  bezweet 
an  al  mijn  lijf  van  gramscepen,  dat  dat  goede  wijf 
up  mi  bemoede  vilonie,  O  VI.  Lied.  e.  Ged.  478,  64*7, 


Wederk.  —  1)  Met  den  2den  (of  4den)  nv.der 
zaak  of  een  afh.  zin.  Hem  des  bemoeden, 
vermoeden^  ged4ichten  hebben  op.  ||  Si  brenese  alle  in 
haer  achte ,  die  doot ,  als  sy t  hen  minst  bemoeden, 
Brab.  Y.  VI,  7324  {var.  vermoeden).  Bloei  van 
alle  wapene,  als  die  hem  gheens  quaets  en  be- 
moede, Cron.  V.  Vlaend.  2,  23.  Sgn  herte  hadde 
gesijn  vol  spele,  haddi  hem  bemoet ,  dat  sijn  kinder 
hadden  geweest,   die  voeren  ginder,  Aiol-fr.  835. 

2)  Te  weten  komen  ^  vernemen.  \\  (Dan)  salie  vort 
scriven  .  .  wes  den  heren  es  ghesciet,  die  na 
hertoge  Janne  syn  bleven  .  .  soe  verre  als  ics  mi 
conde  bemoeden  bi  wisen  meesteren  ende  bi  vroeden, 

I   Brab.   T.  VI,  20. 

3)  Verttand  hebben  van,  ergens  van  weten,  des- 
kundige zijn.  II  Bi  goeden  rypen  rade  ende  groeter 
voersienigbeden  up  deze  zaken  ghehebt,  bi  en 
metteghenen,  die  hem  an  dnsghedane  zaken  be- 
moeden,  Diericx,   Mém.    1,  396  (var.  bevroeden). 

Onpers.  —  Mi  bemoet  ene  dinc,  ik  hei 
vermoeden,  een  voorgevoel  van  iets;  het  ligt  mij  op 
de  leden.  \\  Dit  vemoi  ende  dit  grief  bemoedde 
mi  van  eersten  dage,  dat  ie  u  nemmermeer  en 
sage,  Flandr.  V,  12. 

BEMOEIEN  (bemoyen),  zw.  ww.  bedr.;  mnd. 
bemoien,  bemoigen,  bemogen;  hd.  bemOhen;  ons 
bemoeien,  dat  slechts  wederk.  gebruikt  wordt. 
Bemoeilijken,  lastigvallen,  kwellen.  \\  Dat  wij  oec 
mitter  gherechticheyt  medeliden  sullen  hebben, 
de  wij  sien  dat  alsoe  ontscamelike  verworpen  wort 
ende  alsoe  onwüslijcke  vemoyt  (/.  bemoyt)  werl, 
Bern.  S.  lic  (de  druk  van  1495,  ƒ.  141^  heeft 
vermof/f).  —  Vgl.  BEMOET. 

BEMOEIEN.  Zie  bemoeden. 

BEMOET,  deelw.  bnw.  van  bemoeden  of  *^- 
moeien,  d.  i.  vermoeien;  mnd.  bemoien.  Vermoeid^ 
uitgeput,  a/gemat.  \\  Ghy  sloecht  Priame  mynen 
vader ,  soe  deed  ghy  myne  broeders  alle  ende  myn 
maghe  mit  onghevalle;  van  moerden,  van  storten 
bloet  wert  recht,  dat  ghy  wert  bemoet  ende  van 
hersen  tecloven ,  van  jaghen  ende  van  goede  roven, 
Troyen  f.  226*. 

BEMOYEN.  Zie  bemoeien,  2de  Art. 

BEMüRWEN  (bemürwen),  zw.  ww.  bedr.  Van 
morwen,  d.  i.  Z4icht  maken,  afgeleid  van  «u^rw,  d. i. 
zacht,  murw  (zie  ald.).  Zacht  stemmen ,  vermunten^ 
ook  overhalen  (tot  iets).  ||  (Si)  badt  hem  mit 
screyenden  ogen  ende  mit  swaren  versuchten  ende 
om  hem  te  bemorwen  ende  te  brengen  tot  ver- 
ghiffenisse,  viel  si  neder  op  haer  knien ,  £xr.  Cron. 
179*.  Hoopende  met  goetheyt  ende  met  sacbt- 
moedicheyt  hem  lieden  ie  bemorwen,  201^.  Dat 
God  mit  syn  re  ontfermherticheit  sijn  hert  woude 
bemnrwen,  Hs.  88  f.  49c.  Sinen  (/.  sgn)  harde 
stenighe  hart  en  wort  niet  bemorwet,  Pomm.  W. 
16*.  Opdat  .  .  .  hoor  herten  bemorwet  moghea 
werden  tot  groter  penitencien,  268a.  Die  kejser 
die  wert  verwonnen  ende  bemorwet  van  dat  veel 
bidden  ende  smeken,  Gest.  R.  bic.  Van  binnen 
beroert  ende  bemorwet  van  medeliden,  2094.  DsX 
onse  herte  daer  niet  van  beweket  of  bemorwet 
soude  werden  al  te  Uden  dat  ons  mochte  opcomea, 
Devoet  B.  (36)  102p.  So  laet  ons  {objecf)  doch 
die  bliscap  des  euwighen  levens  trecken  en  b^ 
morwen,  104r.  Die  mensch  mach  hem  bedroeven, 
dien  die  gbeselen  Gods  niet  bemorwen  mog-hen, 
3r.  Gheen  dinck  en  bemorwet  noch  en  treckrt 
Gode  meer  tot  ontfermherticheyt ,  Boec  v.  d.  L.  J. 
106^.  Dat  si  {de  hetaeré)  so  slecht  ende  slap  was. 
dat  si  eens  mans  herte  niet  bemorwen  en  conste, 
Bial.  Creat.S'ób.  Enen  totter  onreinicheit  bemorvea. 


877 


BEMT. 


BENA. 


878 


«/«.  Dat  die  yamerlike  pine  ende  die  minlike 
woerde  n  niet  bemorwen  en  moghen,  Brugm.  2, 
377.  Doe  mochten  die  herten  .  .  bemorwet  werden 
tot  fecreyen ,  ald.  390.  —  Vandaar  bemorwet,  als 
deelir.  bnw.  Zacht  gettemd^  bewogen^ aangedaan.  \\ 
Een  oemorwet  ende  een  rouwich  ende  oetmoedich 
herte,  Oeit.  R.f.  21b.  Ende  hij ,  bemorwet  mit  horen 
dienstei,  volchde  hem,  D.B.  II  Chron.  24,  17. 

BEMT.  Hetzelfde  als  beemt,  z.  ald.  Weiland.  || 
Heeft  etn  maet  man  bemt  of  lant,  Wrale I,1AM. 

BEMUREN,  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  bemuren]  mlid. 
bemuren.  Bemuren ,  ommuren.  —  a)  Eigenlijk.  Door 
een  muur  omgeven^  ommuren.  \\  Scone  poorten, 
hoghe  tonelen  bevest,  bemnert  ende  al  besloten, 
OVl.  Lied  e.  G.  239,  178.  Dus  weet  icket  bij 
naturen,  hce  die  jonghen  den  tuyn  bemuren,  ifZio^jp 
1,  9Ö9.  So«  waendic  noch  die  lieve  winnen,  die 
mi  te  vaste  sit  bemnert ,  dat  ie  dicwijl  heb  besuert, 
Hild.  93 ,  64.  Zoo  ook  Leid.  Keurb.  162 ,  6ö;  e.  e.  — 
Hem  bemuren,  zich  door  een  muur  omgeven^ 
vertehanten,\\^evi  legioen,  die  bemuurden hem  wel 
Rijmb.  30903.  'Doe)  hijs  niet  of  staen  en  wonde ,  so 
bemuerden  {hen?)  die  Joden  weder.  Past.  S.  24a. 

2)  Figuurlijk  AU  door  een  muur  omgeven  ^  ver- 
sterken^ verdedigen ^  vrijwaren.  \\  Enen  schat,  duer- 
bacr  ende  wain,  hadde  hi  besloten  ende  vast 
bemuirt ,  MLoep  1 ,  564.  So  sellen  wi  ons  bemueren 
teghen  den  viant  mit  ses  gedachten ,  Geest.  L.  Ibr 
{Stemmen  127).  —  Vandaar  het  deelw.  bnw.  be- 
mnert, in  de  beu  in  veiligheid^  voor  aller  oogen 
verborgen.  \\  In  des?r  minnen  parck,  daer  sy  twee 
tsamen  legghen  bemneyrt  ende  elck  den  anderen 
lieflic  ruert,  MLoep  II,  2266. 

BEMÜRMUREREN,  zw.  ww,  onz.  D.B.  Klaag l. 
3 ,  39 :  „Wat  bemnmureerde  een  levende  mensche, 
een  man  om  sgn  souden  ?"  —  De  bet.  moet  natuurlijk 
zgn  beklagen  y  klagen  oter,  en  de  vertaler  moet  weten , 
waarom  hij  het  basttrdw.  boven  het  zuiver  mnl. 
woord  verkoos ,  doch  dan  had  in  elk  geval  het  ww. 
bemurmureren  (=  bekiagen)  trans,  moeten  zijn,  en 
hg  moeten  schrijven  „vat  bemurmureerde  een  man 
sijn  {niet  om  sgn)  souden.** 

BEMURWEN.  Zie  bemorwen. 

BENACHTEN  (bin achten),  zw.  ww.  onz.Mnd. 
benachten\  mhd.  benahtm.  Een  nacht  overblijven ^ 
overnachten  y  den  geheeltn  nacht  b  lijven  ^  er  gent 
"'s nacht*  blijven y  meest  van  personen,  doch  soms 
ook  van  zaken  gebruikt.  HAlsmen  hem  oerlof  geeft, 
so  en  sullen  sy  nochtans  daer  niet  benachten ,  Matth. 
Anal.  1,  481.  Niet  danne  te  comene,  noch  daer 
buten  niet  te  binachten,  Nijh.  1,246  («.  1328\  Die 
in  der  scute  benachten ,  dat  (om^/)  menze  bi  aaghe 
niet  scepen  en  mochte,  JLek,  d.  Gr.  1,  412. Inden 
beden  benachte  hi,  Hs.  71,  Luc.  6,  12.  Hy  plach 
solcke  tyt  te  benachten  in  e^n  mans  huns ,  P/ut. /S. 
62<r.  Soe  benachte  si  in  onser  vrouwen  kercke. 
Fase,  W,  211  rf.  Dat  si  dicke  totten  grave  des 
heilighen  mans  alleen  te  benachten  plach,  272^. 
Op  een  tgt  als  hij  in  sgnre  bedinge  benacht  was, 
80  clam  hij  in  een  scip  ende  leerde  die  scaren, 
Jis.  80  /.  82^.  Als  die  byen  buyten  benachten, 
8oe  slaepen  si  opten  rugghen.  Bienb.  iV2b.  Soe 
willen  wi  op  den  palmavent  mit  hem  {Jezus)  be- 
nachten tot  Bethanien,  Brugtai.  2,  331.  (Jezus) 
predikende  opten  berghe  of  benachtende  in  den 
ghebede,  Bern.  S.  VóOb.  Nyemcnt  en  sal  houte 
legghen  up  steghen  noch  up  straten,  dat  dairup 
beoachtet ,  O.  W,  v.  Amst.  31 ,  42.  Die  daerop  be- 
nacht, die  mach  daer  op  bliven ,  R.  v.  Utr.  1 ,  187, 16. 

AaNM.  —  Voor  benachten,  Alex.ïK,  lOSO {Hs.\ 
leze  men  met  De  Vries  bemachten  (z.  ald.). 


BENADEN,  zw.  ww.  bedr.  Van  nad-e ,  d.  i. 
genade,  afleiding  van  het  bnw.  nat,  neder  (vgl. 
bat,  beter).  Begenadigen',  genade,  gratie  schenken. 
II  Doe  hi  {Abraham)  in  Sodoma  cam  ende  verwan 
vier  coningen,  die  dar  deden  quaet,  hy  gaifse  in 
Lots  handen  benaet  mede  te  doene  na  sijn  bestem, 
Belg.  Mus.  3,  280;  „hij  stelde  hen,  begenadigd, 
ter  beschikking  van  Lot."  Ende  want  wi  synt 
der  tijt  onderwijst  syn,  .  .  dat  .  .  Hubert  .  . 
onsculdich  was  ende  noch  is,  so  hebben  wi  hem 
benaidt  ende  van  onsen  sunderlingen  genaiden 
onse  landt  weder  omme  gegeven,  Nyh.  3,  333 
{a.  1415).  Omme  broecken  (d.  i.  misdaden) ,  die  ich 
synen  genaden  misdaen  ende  gebroikt  hadde,  .  . 
dair  sijne  genaden  my  nu  mede  benaedt,  4,  253 
{a.  1450).  Eynen  ijgeliken  .  .  recht  ind  vondenisse 
te  doin  ind  laten  wederfaren  ind  trecht  oprecht 
vueren,  then  were,  dat  wg  dair  aver  benaden, 
tenzij  dat  wij  gracie  schenken,  415   {a.  1468). 

BENAEMT,  deelw.  bnw.  van  het  door  Kil. 
opgegeven  ww.  benoemen ,  d.  i.  famosum  reddere ,  of 
misschien  juister  van  naem,  d.  i.  faam.  Fermaard,  be- 
faamd, bekend.  \\  Ende  dat  ie  ook  niet  en  wonde  al  te 
seere  sijn  benaemt  mede,  om  datmen  in  eenighe 
hoveerdichede  mochte  merken  dat  ictdade,  Amandll, 
6353.  Midts  dat  sy  verderffelyck  beschadight  geweest 
hadden  ende  veel  haers  medegelders  uytlandigh  ende 
voorvluchtigh  waren  ende  anders  seere  ende  kenlgck 
benaemt  waren ,  Handv.  v.  Medembl,  20a  (a,  1427). 

BENA  YEN  (beneyen),  zw.  ww.  bear.  Mhd. 
benaejen. 

1)  Het  transitieve  naaien.  Een  kleedingstuk  door 
naaien  in  elkander  zetten;  zeer  nauwkeurig  uit- 
gedrukt. In  de  Middeleeuwen  naaide  men  niet  een 
kleedingstuk ,  maar  men  benaaide  het.  ||  De  caproene 
.  .  coste  te  lakene  ende  te  benayene,  8  se.  gr., 
Gesch.  V.  Antic.  2,  636. 

2)  Op  of  in  iets  naaien,  een  kleedingstuk  voorzien 
van  iets.  ||  So  wie  van  dusdanigen  cledingen  heeft, 
benayt  mit  borduren  of  van  anderen  geliken  tekenen, 
Belg.  Mus.  5,  96.  Als  hi  .  .  sachticheit  daer  of 
ghevoelde ,  so  beneyde  hi  {Franciseus)  den  roe  mit 
coerden.  Es,  87  /.  23*.  Vgl.  Franc.  2278:  Als 
men  hem  een  roe  gaf,  daer  hi  zochteit  gevoelde 
an,   riedde  (/.  neide)  hine  met  pesen  van  binnen. 

3)  Enen  — ,  iet  — .  Door  naaien  verbergen, 
naaien  in.  Mhd.  einschnüren  (Lexer  1,  178).  ||  Vier 
besanten  van  goude,  die  ik  so  heimelijk  benaeit 
hadde,  dat  hyse  niet  vinden  en  konde,  Heemsk, 
79.  Wildij  mij  geven  tien  pont ,  die  name  ik  geeme 
en  benaidese  in  myn  kleederen,  141.  Als  dese 
Kersteloos  .  .  doot  ghebrocht  was  int  voorseide 
godshuus,  daer  mede  so  en  cam  niet  also  vele 
{geld) ,  als  dat  men  hem  sonde  hebben  ghemoghen 
decken  syn  hooft,  sonder  dat  hi  benayt  cam  in 
eene  matte,  Invent.  v,  Brugge  5,  349. 

BENAMEN ,  bijw.  Mhd.  benamen  of  binamen ; 
mnd.  binamen.  In  den  vollen  zin  van  het  woord, 
zonder  uitzondering  (lat.  norninatim).  \\  Men  leitse  ghe- 
vanghen  daer  altemet  dat  si  quamen ,  tot  dat  mense 
hadde  benamen,  C.  en  El,  {Hor, Belg,  4, 33,)  1113. 

BENAREN  (bynaren),  zw.  ww.  bedr.  Van 
naar,  d.  i.  noMw,  eng.  narr(7i9 ,  tegenw.  uitsluitend 
in  de  bet.  akelig,  treurig,  droevig  in  gebruik.  Vgl. 
het  dial.  een  eng  (=  ntuir)  gezicht.  Het  ww.  benaren 
(ofri.  binera,  benera)  bestaat  thans  nog  slechts  in 
het  deelw.  bnw.  benard.  Benauwen,  belemmeren,  mnl. 
ook  enen  iet  tonbruuc  maken.  ||  Nemande 
synen  vader  ende  syner  moder  an  horen  goede  to 
bynaren  {var,  benouwen)  by  eenre  hovetlossene , 
JTilk,  V,  Fredew,  XV,  26  {Pro  Exo,  4).Vgl.  Bichth.  641, 


879 


BENA. 


BENE. 


88C 


BENAÜTE,  znw.  vr.  Van  benauwen  (zie  ald.). 
Nood^  verdrukking.  W^^nzjiit  wil  rysen  ende  weiloe 
verduwen,  ZVl.  Bijdr.  6,  317,  70.  De  qnaede, 
moordadeghe ,  fenijneghe  slangghe,  se  houdt  my 
in  der  benauten  bedwanghe,  317,  81. 

BENAÜTHEIT,  znw.vr.  Van  ^^«^IM«;«»  (zie  ald.). 
Nood  ^  benarde  omstandigheden.  \\  Dat  zy  schuldich 
zyn  9  Ci^  Hollants  tsjaers  losrenten  .  .  .,  die  zy 
vercoft  hebben  .  .  .  uyt  benautheyt  van  der  oor- 
loghe  ende  de  oncosten  van  der  dgckaetge ,  Inform. 
269  (tf.  1514). 

BENAUWEN,  zw.  ww.  bedr.  en  wederk.  Kil. 
Mnd.  benouwen  y  benauwen. 

Bedr.  —  1)  In  het  nauw  brengen^  verdrukken^ 
belemmeren.  ||  Bedi  wart  si  {het  Jodendom)  also  be- 
nant ,  dat  soe  daer  na  bleef  kindeloos ,  dats  sonder 
vrucht,  die  altoos  te  hemelrike  iet  comen  mach, 
Rijmb.  10136.  (Hi)  benaude  die  stadt  seer  deerlij ck 
ende  hi  benam  alle  de  wegen  ende  besloot  .  .  . 
al   die  passagien,   Exc.    Cron,   299  r.   Zie  ook  de 

var.    by    BENAREN. 

2)  Beperken y  inkrimpen.  \\  Doe  dat  haer  man  .  . 
vernam  (nl.  dat  zij  zooveel  aan  de  armen  gaf) ,  be- 
nauwede  hij  dat  ende  liet  haer  alle  weken  een 
seker  mate  meels  gheven ,  Bienb.  76  d.  —  Ook 
minder  juist:  Die  twaalf  cleen  propheten  die  be- 
nauwet  (lat.  contractie  d.  i.  samengevoegd  in  eene 
kleine  ruimte))  sgn  in  een  boec,  J).  B.  Trol.  v.  d, 
Cleynen  Propheten. 

Wederk.  —  Hem  benauwen,  zich  beperken ^ 
inkrimpen.  \\  So  sallic  my  benauwen  ende  nemen 
paciencie  van  mijnen  luste ,  Ned.  Kluchtsp.  81 ,  71. 

BENAUWINGE  (benouwinge),  znw.  vr.  Ver- 
nauwing ^  belemmering  e  vermindering.  \\  Ter  benau- 
winghe  ende  verminderthede  van  den  rechten 
stroome,  Cout.  v.  Gent  680  {a.  1492).  Biechte 
sciint  siin  wesende  ene  benouwinghe  des  oordeels 
in  rechter  gheloven,  Be.  v.  1348,  264  «z. 

BENDE,  znw.  vr.  Hetzelfde  als  band,  maar 
met  klank  wijziging  gevormd.  Got.  bandi\iT.  bande. 

1)  Band  e  boei.  \\  Hulpt  si  mi  niet  uut  sorghen 
benden,  soe  es  mijn  dienst  te  male  verloren,  Vad. 
Mus.  1,  365,  55.  Ie  sit  hier  in  eenen  onbekenden 
starken  stoc  mit  yseren  benden ,  Vrouw.  e.  M.  VII, 
145.  —  Verkl.  bendekijn,  -ken.  ||  Mate  es  bende- 
ken mede  over  die  erdsche  weldichede,  O  VI.  Qed. 
3,  119,  541  (vgl.  Sp.  I»,  75,  57,  waar  bandekijn 
gelezen  wordt). 

2)  Band,  streep  ;  vgl.  Oudem.  1 ,  499:  „  Hebbende 
op  de  slijncke  schoudere  een  bende  van  fluweele, 
vier  vingheren  breet"  (uit  Van  Vaemewijck,-ff«A 
V,  België)  en  zie  ook  3).  ||  Wit  lakens  omme  benden 
te  makene  up  de  vorseide  wapenfrox,  Invent.  v. 
Brugge  3,  196. 

3)  In  de  wapenkunde.  De  rechterschuinbalk.  Fr. 
bande \  eng.  band\  hd.  rechtbalke\  twee  schuine 
lijnen,  die  door  het  hart  van  het  schild  gaan  en 
uit  den  rechterbovenhoek  naar  den  linkerbeneden- 
hoek loopen  (Rietstap  107,  waar  evenwel  ten  onrechte 
het  mnl.  band  in  deze  bet.  wordt  opgegeven,  men 
leze  bende).  \\  Sine  wapine  waren  algader  wit  met 
tween  roden  benden,  Lanc.  III,  13400.  Dat  mine 
wapine  .  .  .  daer  met  drien  benden  selen  wesen, 
IV,  3527.  Hi  hadde  witte  wapine ,  ende  inden  scilt 
twee  bende  roet,  3835.  Hy  droech  gout,  een  bende 
van  kele,  Belg.  Mus.  6, 106, 16(Gelre,  JVapenb.  7). 

BENDEN,  st.  WW.  bedr.  Hetzelfde  als  binden. 
Zoo  vindt  men  ook  venden  ndOAi  vinden ,  enz.  \\J)dL,tr 
na  met  ketenen  yserinen  dede  hine  benden  ende 
seer  laden,  Sp.  II*,  37,  138.  Met  keteoen 
benden   onsachte,   Sp.   II*,   12,    172.   Keemtene, 


bentene  ende  vaet ,  L.  o.  H.  2093.  Dan  vult  al  iel 
van  den  halse  toten  hoofde  ende  bendet,  Keukmb. 
6,   20.  Ende  laten  ons  die  minne  fijn  vri  maien 
ende  benden ,  Hadew.  1 ,  6 ,  79. 
BÉNECHT.    Zie    beéneciit,   en  vgL    bédelt 

voor   BEÊVELT. 

BENEDE.  Hetzelfde  als  beneden ,  z.  ald.,l^rz., 
Aanm. 

BENEDEN,  bijw.  en  voorz.;  lat.  infra.  Uit  he 
(zie  ald.)  en  neden  (vgl.  neder). 

BiJW.  —  1)  In  de  gewone,  tegenwoonige  be- 
teekenis.  Beneden  ^  onderaan ,  onder.  ||  Beneden 
tusschen  sine  been ,  Rein.  II,  7335.  Beneden  jpt  water 
{in  den  put) ,  6421 ;  enz.  —  Ook  in  de  thansniet  meer 
gebruikelijke  uitdrukking  Boven  ende  leneden, 
ook  Mnd.  boven  unde  beneden  (b.  v.  Lüblen  1 ,  232: 
the  boven  eme  unde  benetheme  {rechts  utd  links  van 
ihm)  wonet),  eig.  hooger  en  lager  gelegen^  dan  de  per- 
soon die  spreekt,  m.  a.  w.  rechts  en  linkfvan  iemand \ 
ook  overal,  overal  elders,  op  andere  pUatsen.  \\  Dat 
zy  poertersscap  betoenen  selen  met  twsen  van  boven 
ende  met  tween  van  beneden ,  Qesch.  o  Antw.  2 ,  500. 
Also  als  dy  vrede  boven  ende  benedei  gheleghen  is , 
Nijh.  2,  12  {a.  1344).  Die  tüns  sal  her  Giesbrecht 
bueren  metten  heren  van  Kuyc,  ge\jc  als  hi  boeven 
ende  beneden  doet,  70  (a.  1354).  Die  beken  benenen 
(/.  beneden)  ende  boven  lage,  Bacer  2,  225 
{a.  1447).  Die  wechte  {van  het  brood)  sael  wescn 
soe  swaer  als  booven  ende  beneden,  Racer  5,298. 
In  elc  let  boven  ende  beneder,  Wap.  Bog.  829. 
Eenen  zeedijc  .  . ,  also  hoghe  ende  alsoe  breet 
boven  ende  beneden ,  als  men  cvereendraghen  sal , 
ZVl.  Bijdr.  6,  369  («.1387).—  Zie  ook  daer- 
beneden. 

2)  Van  beneden,  van  ondei.  ||  Doe  nam  Josne 
twaelf  man  .  .  die  twaelf  staene  daer  ter  stonde 
beneden  namen  uten  gronde,  JRiJmb.  6549  var. 

3)  Naar  beneden,  naar  otder.  \\  Christus,  die 
van  den  Vader  eerst  clam  fan  daer  boven,  ende 
daelde  beneden,  Amand  II,  2444.  Enen  bile,  die 
beneden  woet  (d.  i.  viel)  ende  viel  den  knecht  op 
sijn  hoeft,  dattet  recht  nidden  wert  ghecloeft, 
MLoep  II,  1855.  Die  coninc  lachende  ghinc  be- 
neden, 1894.  Si  liep  beoeden  ende  ontdede  dye 
poorte ,  Hoge  v.  Bord.  28.  —  Vooral  gebniikel|k 
in  de  uitdr.  beneden  beten  d.  i.  afstijgen. 
{Bose  1368,  e.  e.).  Zie  bsten. 

Voorz.  —  1)  Met  den  3den  nv.  Onder,  lager  dan, 
beneden.  ||  Verre  benedei  den  sterren  staen  sonne 
ende  mane,  Rtjmb.  211.  Beneden  den  papen  .  . 
viel  twater  al  cleine  inde  groot  in  die  zee,  die 
men  heet  doot,  6540.  leneden  desen  kerchove  was 
noch  een  van  minderen  love,  11663.  Salomon 
maecte  een  werc  diere,  dat  scone  was,  beneder 
stede  {var.  beneder  d«r  stede),  12048.  Van  ysere 
die  been  beneden  den  knien ,  16326.  Als  hi  beneden 
den  berghe  quam,  22791.  Beneden  der  borst,  P^tJk. 
5222.  —  Ook  achter  sijn  naamval.  ||  Besiet  al  omme 
tparadys,  ghi  mogh«t  hem  wel  gheven  prijs  .  .  . 
boven  alle  steden,  die  den  hemel  sijn  beneden, 
V.  d.  Boute  121. 

2)  Aan  deze  zijde  van,  dicht  bij.  Vgl.  bij  Bijw. 
de  uitdr.  boven  ende  beneden.  Voor  ees 
landbouwer  beteekent  ook  nu  nog  boven  in  het 
land,  ver  van  zijne  woning,  en  beneden,  dit^i 
bij  de  boerderij.  |)  Beneden  der  woestinen  lacheen 
berch,  Rein.  I,  508.  Dit  was  beneden  ere  rivicrc, 
777  (verandering  in  beneven  (Jonckbl.  Glou.)  is 
onnoodig). 

Aanm.  —  Somtijds  vindt  men  den  vorm  be- 
nede. II  Noch  ^heerande  lette  mede  van  den  hoofde 


881 


BENE. 


bf:ne. 


882 


tote  benede,  maar  van  lechamenalghesont,  lUjmb, 
6243.  Dat  vyf  heren  scilde  is  of  daer  benede, 
Keuren  v.  Hoorn  §  60.  Hi  corte  hem  die  been 
beneden  (d.  i.  benede  den ;  vgl.  buten  voor  bute  den ; 
iuler  voor  buie  der)  cnien,  Wal.  6507.  Beneder 
(d.  i.  benede  der)  stede,  Rijmb.  12049.  Also  vele 
alst  selver  es  beneden  (voor  benede  den)  goude, 
Alex.  II ,  1082  (öf  goul  staat  zonder  lidw. ,  hetgeen 
om  altt  telver  minder  waarschijniyk  is). 

BENEDIDECHEDE,  znw.  vr.  Van  het  onge- 
bruikelijke bnw.  benedidechy  d.  i.  zegenrijk.  Zegen- 
rijkheid^  zegen.  ||  (God)  vervuUe  u  ooc  mede  met 
siere  benedidechede ,  Rijmb.  15681. 

BENEDIËN  (benendien  ,  benedihen)  ,  zw.  ww. 
bedr.  (verl.  deelw.  benedijtt^  Lipp.  151).  Van  het 
lat.  benedicere.  Zegenen. 

1)  Met  Ood  (of  Chritiui)  als  ondw.  en  een  persoon 
in  den  4den  nv.  Zegenen ,  zegen  schenken ,  voorspoed 
verleenen.  ||  Hi  die  sterf  om  onse  lieve ,  die  sonde 
die  werelt  dan  benedien  ende  ons  van  allen  qnade 
vrien,  Hild.  8,  188.  Doe  seindijt  al  ende  benedyede, 
omdat  hi  wilde  dat  sijn  werc  diede,  Rijmb.  277. 
God,  diet  al  mint,  beuedie  di,  lieve  kint,  Franc. 
2841.  Dat  in  Abrahams  zade  benedyt  alle  liede 
sullen  wesen,  Lsp.  II,  9,  46.  Haerre  suster 
Phisenien,  die  onse  Goede  benedien!  Cast.  All. 
Die  moedere  Gods,  Sinte  Marie,  segene  ende 
benedie  heer  Amoude  ende  syne  ^hesinde,  Grimb. 
1 ,  1017.  Met  siere  hant  hise  benedide ,  L.  o.  H.  4754. 

2)  Met  een  mensch  als  ondw.  en  een  persoon 
in  den  4dea  nv.  Zegen  over  iemand  afsmeeken^  Oods 
zegen  over  hem  afbidden.  \\  Al  daer  hi  (Mozes) 
benediede  Josephs  gheslachte  ende  vriede,iVrt^.  ^/. 
Vni,  103.  Leert  hem  dat  hi  benedien  can  ende 
nieten  maledie  voort  an,  Lsp.  II,  22,51.  Na  dese 
weerde  saen  qnam  die  heilige  Anna  gegaen ,  diese 
benediende  groet,  Sp.  II»,  68,  79.—  Rijmb. mU 
ironiek  gebruikt  voor  beschadigen ,  benadeelen.  Vgl. 
lat.  consecrare.  ||  Al  te  hant  benediden  si  Egiptenlant, 
80  dattie  hnse  ende  sconincs  zale  daer  af  vul  waren 
al  te  male.  Vgl.  Weiland,  Taalk.  Wdb.  op  zegenen. 

3)  Met  den  4den  nv.  van  den  persoon  of  der 
zaak.  Zegenen .,  den  zegen  over  iets  uitspreken^  eene 
plechtige  wijding  geven,  inzegenen.  \\  Daer  si  vonden 
beede  tsamen  Pietre  ende  Pauluse,  diese  wyen  te 
bisscoppen  ende  benedien,  Sp.  I« ,  6,  44.  (Si) 
hebben  dien  tempel  gewihet  in  Gods  name,  ende 
gebenedihet  in  sente  Peters  ende  Panlus  ere, II*, 
17,  21.  Te  Alexandrien  .  .  .  wart  hi  patriaerc 
ghewijt  ende  bisscop  ghebened|jt,  III',  60,  65. 
Doe  benedidemen  na  dat  water  ende  deedt  in  een 
vat,  II*,  23,  519.  Hi  nam  die  se  ven  broet  ende 
die  vesche  ende  benediedse,  L.  v.  J.  c.  121. 

4)  Met  den  4den  nv.  van  een  persoon,  die 
boven  ons  verheven  is,  vooral  van  God,  Christus, 
Maria  of  de  heiligen  gezegd.  Loven,  prijzen,  ver- 
heerlijken. II  Ay,  hoe  si  Gode  benediden  die  heilighe, 
diene  {Christus)  saghen  striden  leghen  des  duvels 
brant,  Wap.  Mart.  III,  336.  God  van  hemelrike 
ende  Maria,  maghet  fijn,  ghebenedyt  moetti  sijn, 
Beatr.  810.  Doen  benedidi  Kaerle  den  heere  ende 
dancte  hem  al  der  eere ,  Roel.  III ,  235.  Benediende 
onsen  Here  spranc  hi  op  daer  al  gesont,  Sp.  II«, 
54,  22.  Benedyt  Gode  van  hemelrike  voor  alle, 
die  lijf  hebben  ontfaen.  Belyet  sijns,  hets  wel 
gbedaen,  Rijmb.  15834.  Marien,  die  alle  tonghen 
benedien,  3653.  Dies  moet  hi  {Christus)  sijn 
gebenendijt  vroeg  ende  spade  ende  allen  tijt, 
Christ.  1237.  (Hi)  benendide  onsen  Here,  D.  War.  3, 
162,  165.  Danct  hem  .  .  .  ende  benendyden  euwe- 
leke,  164,   232.  (Si)  benendyde  onsen  Here,  316, 


1181.  Dan  sullen  si  benedien  Gode  van  desen 
saken,  Lsp.  IV,  4,  64.  Ie  wilre  omme  benedien 
ende  loven  altoes  Marien,  Beatr.  721.  Met  rechte 
maghic  u  {3ïaria)  benedien,  831.  Gebenedijt moete 
sijn  God  selve.  Franc.  3199.  Bened^ste  God  van 
hemelrijc,  Lipp,  151.  Ie  love  di  seere  ende  benedie 
diuen  name ,  lieve  heere ,  Amand  II ,  745.  Ghelooft, 
ghedanct,  ghebenedijt  so  si  die  heere,  4981. 

5)  Gelukkig  prijzen,  roemen,  verheffen,  zalig  spreken. 
Met  den  4den  nv.  van  den  persoon  of  der  zaak.  || 
(Hi)  benediede  Abrame  mede  van  Gode,  die  hem 
sine  viande  hadde  ghegheven  onder  hande,  Rijmb. 
1656.  (Wi)  benedie//^»  de  name  dijn,  want  met 
dineu  cruce  heeftu  wale  verloost  de  werelt  alte  male , 
Franc.  1584.  (Hi)  benediede  de  broeders  zere,  die 
in  gewerke  ofte  in  lere  den  zondare  daden  bekeren , 
4119.  Die  jonghelinc  si  ghebenedyt,  die  hem  so 
weerde  in  den  strijt,  Segh.  1044.  Dat  soch,  dat 
hi  van  sier  moeder  sooch,  benedide  menich  man, 
Parth.  5188.  Cursont  sietse  ende  benedyt  dien 
lichame  diese  droech,  5369.  Gebendyt  si  hope,  die 
geven  can  den  minneren  selken  troest.  Rosé  2645. 
Goeden  hope  moet  syn  ghebenedyt,  Vad.  Mus.  1, 
95,  1.  —  Het  verl.  deelw.  als  bnv.  Gezegend, 
zalig  geprezen.  \\  Die  ziele  blies  God  . . .  uut  sinen 
monde  ghebenendijt,  Lsp.  I,  18,  33.  Mit  sinen 
ghebenendiden  bloede.  Bed.  d.  M.  244. 

BENEDIïNGHE,  znw.  vr.  Van  benedtën  {zïfi  \iU. 
4).  Prijs,  lof,  dankzegging,  eer.  \\  Die  glorie,  die 
ere  ende  die  benedij nghe  . . .  gheven  den  sittende 
opten  throne,  Rs.  76,  Openb.  4,  9.  Den  lamme 
benedynghe  ende  eer  ende  glorie,  5,  12. 

BENEDIXIE  (bknedictie),  znw.  vr.  Van  het 
lat.  benedictio. 

1)  Zegen,  goddelijke  zegen.  \\  Op  ons  sal  comen 
algfiider  die  benedixie  ons  Heren  ende  nemmermeer 
ons  keren,  Doet.  II,  1608. 

2)  Plechtige  zegening,  door  het  opleggen  der 
handen.  ||  Die  van  enen  heilegen  man  begaren  de 
benedixie  in  hare  wechvaren,  5;|d.  II',32, 19.  Mine 
benedictie  heeft  hi  {Ezau)  onthouden,  vader,  nu 
benedie  my  {Jacob)  doch  mede,  Rijmb.  2396.  Des 
vaders  benedixie  can  siere  kinderre  hnys  seker 
maken,  Doet.  II,  1612. 

3j  Van  benedien  in  den  zin  van  loven  (zie  ald.  4). 
Dankgebed.  \\  Mettien  bepensese  haer  van  binnen, 
dat  si  tierst  segghen  soude  hare  benedixie,  Limb, 
I,  672. 

*  BENEET.  Verkeerde  lezing  voor  beveet, 
Mieris  2,  236a.  ||  Dat  Ysbrand  voorsz.  beneet 
(/.  beveet,  d.  i.  in  veden)  ware  teghen  yemant  die 
hem  te  macbtich  ware.  Zie  verder  by  beveet. 

BENEMEN ,  st.  ww.  bedr.  Mnd.  benemen ;  mhd. 
benemen. 

1)  Met  den  3den  nv.  van  den  pers.  of  der  zaak 
en  den  4den  nv.  der  zaak.  Iets  van  iemand  of  iets 
afnemen,  aan  iemand  of  iets  eene  zaak  ontnemen. — 
a)  Gezegd  van  iets ,  dat  men  gaarne  bezit ,  van  iets 
aangenaams.  Il  Ghave  hem  God  seghe  daer  of  ende 
hare  moghcntheid  bename:  wat  so  hem  te  moete 
qname  .  . ,  dat  soude  hi  slaen  ende  offren  Gode , 
Rijmb.  7864.  Hier  naer  benam  hem  buten  dat  here 
80  dat  water ,  dat  si  sonder  were  up  wilden  gheven 
haer  stat,  17551.  So  dat  wel  naer  hadde  benomen 
Homighen  man  .  .  .,  syn  leven  de  grote  vloet, 
Stoke  III,  942.  Hoe  hi  an  Medea  quam  die  hoirs 
vaders  rycheit  benam  ende  voer  mit  him  in 
synre  aert,  MLoep  I,  2157  var.  Haer  snchten  ende 
haer  beven  hadden  haer  teten  al  benomen.  Flor, 
578 ;  „  hadden  haar  haren  eetlust  ontnomen. " 
Als  hi  dit  hadde   verstaen,   swoer   hi   u   te  be- 


883 


BENE. 


BENE. 


884 


nemen  dlgf,  Segh.  1244  var.  U  vader  die  coninc 
meende  n  benemen  tleven  y  1268  var.  Ie  beneme  den 
vogelkinen  haren  sanc ,  Wint.  e.  S.  50.  (Hi)  benam 
hem  alle  siin  goede  ende  warp  hem  wt  alle  siinre  be- 
sittinge ,  Clerc  3Ö.  Soepen  ende  goeden ,  die  hem  be- 
nomen waren  by  die  van  Lnbeecke,  Inform.  85.  Het  is 
wel  het  tweede  deel  van  mijn  rijk,  ik  8alt  hen 
kortelijk  weder  benemen,  Heemsk.  32.  (Hi)  benam 
mg  het  geit,  79.  Eer  ik  op  konde  komen,  was 
mij  een  sweert  benomen,  120.  Des  (d.  i.  dal)  en 
mach  n  God  noch  gheen  creatnre  benemen ,  Rnnsb.  3 , 
86.  Dat  en  mach  my  nieman  benemen  noch  beroven 
een  oghenblic,  87.  Nochtan  en  hevet  hi  hem  niet 
{niets)  benomen ,  mer  hi  hevet  gaven  ghegheven  den 
menschen ,  ^^n.  fr,26b.  —  Ook  met  eene  bepaling 
met  van  of  nte  in  plaats  van  den  3den  nv.  || 
Grimuwaert  benam  mede  van  zinen  zwaerde  die 
snede,  Huge  v.  Bord.  I,  105.  (Hi)  benam  hem  dat 
swaert  wt  sijn  handen,  Pass.  W.  119r. 

b)  Van  iets  onaangenaams.  Iemand  van  iets 
bevrijden  y  verlossen.  ||  Omme  die  Vronwe  hoghe  . . 
die  ons  benam  dat  helsce  coat,  Wap.Mart.l^^^. 
Benemt  al  dat  ons  mach  deren.  Vod.  ift^.  2,405, 
7  {gebed  tot  Maria).  Dat  ie  qname  tote  di  ende 
dgn  evel  bename,  Sp.  1',  18,  65. 

2)  Enen  iet  — ,  iemand  iets  onthovden,  \\  God 
heeft  mi  kint  draghen  benomen,  Rijmb.  1735. 

3)  Iet  — ,  een  einde  maken  aan  iets^  het  ver- 
nietigen ^  doen  ophouden.  j|  Want  grote  hitte  ende 
conde  benemen  den  wint  also  honde,  Natunrk. 
1839.  Dat  begheren  die  cnnscheit  so  beneemt 
ende  dat  comt  door  sijn  ghesiehte,  Tien  PI.  1269. 
Dat  hoverde  benemen  can  harde  edele  seden  in 
den  man,  Teest.  2072.  (Si)  baden  dat  si  met  crach te 
quamen,  entie  werringe  benamen,  Rijmb.  27599; 
„  qui  seditionen  opprimerent^  Eene  scrifture  . .  die 
tgelove  niet  benam ,  nl.  het  geloof  aan  d^  waarheid 
van   het    verhaal   d-er   Drie   Koningen ^    I*,    45,  8. 

4)  Belatten ,  belemmeren ,  verhinderen^  de  gewone 
opvatting  in  het  Mnl.  —  a)  Enen  iet  — , 
soms  ook  zonder  3den  nv.  il  Nn  ne  syt  op 
mi  niet  gram,  dat  ie  hier  qnam  ende  n  be- 
nam n  sprake  van  minnen  goet,  Segh.  7611. 
Maer  ie  segge,  dat  goed  benomen  orloghe  ware 
ende  onvromen,  Grimb.  I,  1801;  „dat  het  goed 
zou  zyn,  indien  de  oorlog  belet  werd."  Hem  be- 
nemen sine  vaert  voren  sine  corte  beene ,  Nat.  BI.  II , 
2593.  Disdier  hevet  hem  die  vaert  benomen,  die 
in  syn  gemoet  es  comen,  hij  versperde  hem  den 
weg  y  Flovent  562.  Hi  benam  den  scepen  den  ganc 
{hij  versperde  d^n  schepen  den  doorgang)  y  Sp.  III*, 
15,  21.  Hoe  langhe  soattn  ons  onse  zile  benemen 
(in  de  Stat.-vert. :  Hoe  lang  zult  gij  onze  ziel  op- 
houden?), Z,  V.  J.  c.  182.  Ne  waendic  sgndaertoe 
comen ,  datic  die  bmlocht  hadde  benomen  van  Lode- 
wike,  maer  ie  en  can,  Zorr.  I,  701.  Oec  wilde  hi  te 
Egypten  waert,  maer  dat  hem  benam  die  vaert 
Ysichius  met  stareker  bede,  Sp.  II",  43,  27;  „hem 
in  de  reis  belette  y  hem  er  van  deed  afzien'\  Edel 
vrouwe ,  benemt  dat  striden  ,  want  ghi  hebbes  wel 
die  macht.  Wint.  e.  S.  484.  De  moeder  benam  de 
diuc ,  Franc.  8526.  Want  hare  tghaen  niemen  benam, 
Rijmb.  17625.  Newaer  die  joeste  benam  .  .  .  . 
die  coninc,  Parth.  4662.  Entie  nacht  an  beeden 
siden  die  benam  hem  dat  striden,  Sp.  I*,  69,  37. 
De  moeder  .  .,  die  benam  hem  de  vlocht  sine, 
II*,  15,  21.  Om  Coninc  Eduwaerts  coemste  te 
benemen,  Exc.  Cron.  133^.  —  Den  raet  be- 
nemen, het  plan  verijdelen.  ||  Nu  weiti  wel, 
dat  Gelloens  raet  es  altemale  benomen,  Lorr.  I, 
444.   Mettien  es  Gadifier  daor  comen  eude   heeft 


haren  raet  benomen,  Cass.  615.  —  Die  wege 
benemen,  de  wegen  belemmer  en,  versperren  y  be- 
zetten. II  (Hi)  benaude  die  stadt  seer  deerlgck  ende 
hi  benam  alle  de  wegen  ende  besloot  .  .  al  die 
passagien ,  £'jr^.  Cron.  299r.  — Vooral  evenwel  met 
een  onbep.  vnw. in  den  4den  nv.  (al,  het,  dat  enz.) 
II  Maer  God  hevet  hem  benomen,  hine  cons  niet 
te  hovede  comen,  Sp.  III»,  30,  7.  Hi  haestem  int 
riden  tier  tijt,  als  die  gerne  uten  bossche  qname, 
dat  hem  die  nacht  niet  en  bename ,  Lanc.  Il,  6106. 
Ie  wilde  wel  dat  ware  benomen,  ende  magie  daer 
te  tide  comen,  ie  saelt  benemen,  38501.  (Doe)  hi 
vernam  gene  geruechte  ende  dat  gescal ,  biet  hi  den 
meyer  dat  hijt  al  bename.  Doe  waest  sciregedaen, 
38508.  Ne  hadde/ Gaudijn  niet  benomen,  hiwaerstap- 
pans  tote  hare  ghegaen,  Parth.  5610.  (Hi)  wonde  hem 
varen  toe,  maer  het  bename  syu  maghe,  Grimb. 
II,  4056.  Die  rudders  sullent  benemen  mi, 
VI.  Rijmk.  2500.  Ghy  sult  sijn  daer  ghy  begheert, 
ende  niemant  en  salt  u  benemen,  Huge  v.  Bord. 
83.  —  Zoo  ook  Velth.  III,  44,  56;  Lane.  Hl, 
11361;  Lorr.  II,  126;  MLoep  II,  1342,  2144; 
Wap.  Mart.  I,  621;  RHn.  I,  2452;  U,  4475; 
Rosé  611,  5180;  Wal.  492,  1482,  2281,  10683, 
10800;  Sp.  I*,  54,  6;  I*,  58,  49;  1%  58,  23; 
I«,  12,  25;  II*,  29,  71;  II»,  4,  89;  III», 34, 13; 
Rijmb.  3628,  9493,  12368,  13431,  20347,  21148. 

b)  Met  een  onb.  wijs  ende  een  4den  nv.  (ace.  c. 
inf.).  II  Die  paens  Silvester  benam  iemene  hieromme 
te  werdene  gram  Constantine,  Sp.  II*,  32,  259. 
Mer  die  Griecken  ende  die  Troyenc  benamen  hem 
te  ghesciene,  Troyen  167. 

c)  Met  een  ontkennenden  bijzin.  Benemen, 
dat  niet,  beUttenydat.  \\  Ende  hi  al  onghewillech 
hevet  mine  man  gemaeet,  ende  benomen,  dat  si  te 
wighe  niet  en  comen,  Parth.  1655.  Die  cmne  be- 
namen, dat  dandere  niet  in  en  qnamen,  Sp.  I', 
45,  29.  Drie  daghe  heeft  hi  benomen,  dat  hem 
geen  spise  mochte  toecomen,  II*,  4,  67.  Corbohan 
te  hant  benam,  dat  kerstij nheit  nemmee  en  qnam 
ne  gheene  spisen  vander  zee,  IV*,  16,71.  Een 
loyfen  .  .,  dat  mede  beneemt,  dat  hem  alle  die 
luehte  niet  comen  en  mach ,  die  hem  comen  sonde 
na  inhout  hoors  briefs,  R.  v.  Vtr.  2,  109.  Twine 
haddi  sinen  vrient  benomen ,  dat  hire  niet  an  ware 
comen,  Sp.  III*,  16,  63.  Dat  niemen  en  conde  tien 
tide  benemen,  en  qnam  tenen  stride,  Velth.  II. 
50,  37.  Want  sine  Uede  hebbent  benomen,  dat  hi 
dore  dwout  en  vare  niet,  III,  37,  28.  Beneemt, 
dat  te  hare  niement  en  dar  comen  nare,  Lorr.  I, 
311.  Dat  hem  wart  benomen  daer,  dat  hi  niet 
vulbriugen  mochte  sulke  zaken.  Franc.  50.  Want 
hem  gope  dinc  benam,  dat  hi  ter  herberge  niet 
cam ,  7169.  Als  of  hi  hem  wilde  hebben  benomen, 
dat  hi  niet  eerst  voort  ware  comen,  Rijmb.  2221. 
Die  den  onzuvren  benamen,  dat  siere  niet  binnea 
quamen,  11633.  Hi  benam,  dat  van  der  zee  gees 
nootruft  comen  en  mocht,  Exc.  Cron.  lOld.  Benemen., 
dat  den  Brabanders  geen  vitalie  comen  ea  sonde, 
ISOd.  Si  benemt,  datmen  mit  soedanighen  gheei 
ghemenc  hebben  en  sel ,  Gest.  Rom.  e.  11. 

5)  Door  de  weglating  der  ontkenning  bg  dei 
afh.  zin,  ondergaat  de  beteekenis  van  beneme* 
eene  sterke  wgziging;  het  neemt  nl.  den  zin  aas 
van  noodzaken y  dwingen.  Benemen,  dat  is  nl. 
eigenlijk  beletten y  dat  men  iets  niet  doet;  déU  men 
anders  handelt.  ||  Dese  orloghe  die  benamen  dea 
Bertoenen ,  dat  si  met  vreden  lieten  der  Fransoysea 
steden,  Sp.  IV*,  52,  34.  Hoet  hem  benomen  hadde 
Keye,  dat  hi  sweech,  Lane.  lU,  11388;  vgl.  ts. 
11339:  (Keye)  seide,  dat  hi  swege  daer  of. 


885 


BENE. 


BENE. 


886 


Aanm.  1.  — Velth.  V,  60,  32:  „Die  ander» die 
dit  benamen  saen",  leze  men  vernamen  in  plaats 
Tan  benamen, 

Aanm.  2. —  Bij  Mandev.f.  5b:  ^Dine  grote  ho- 
Taerdicheit  en  mogben  wi  niet  benemen  /*  is  benemen 
e^e  yerkeerde  vertaling  van  het  lat. :  f,snperbiam 
tnam  snmmam  tollerare  non  possnm.**  De  vertaler 
yerwarde  tolerare  met  tollere. 

BENEN,  bnw.  Zie  benijn. 

BENEN  (beenen),  zw.  ww.  onz.  Bij  Kil.: 
,,beenen,j.  Flandr.  Schimpend  Van  been  in  den  zin 
yan  een  beenen  fluit  afgeleid ,  beteekent  h1et  eigenlijk* 
met  een  fluitje  verlokken  (zie  Ben.  1 ,  102a,  en  vgl. 
erbeinen,  ald.  en  Lexer  1 ,  610) ;  vervolgens  bedriegen 
en  eindelijk  hoonen  (dat  in  het  Mnd.  ook  den  zin  van 
bedriegen  had).  Vgl.  Wap,  Mart.  Gloss.  op  ver- 
ba enen;  Kil.,  en  vooral  Taalg.  3,  269—279. 

1)  Met  woorden  aanvallen^  schimpen^  schelden.  \\ 
Hierna  ghevielt  .  .  dat  die  heere  van  Gaesbeke 
sat  met  sier  vrouwen  ende  at ,  .  .  ende  sprac ,  dat 
niement  soe  seere  int  gemeen  e  hem  tegen  en  was , 
als  allene  her  Everaert  Tserclaes  .  . ;  die  vron  van 
Gaesbeke  daer  op  beende ,  als  si  hoerde  dese  dingen, 
Brab.  T.  VI ,  9066. 

2)  Met  daden  aanvallen^  een  aanval  doen  op.  \\ 
{Die  verrader)  seide,  dat  men  hdten  here  liete 
ronkeloos  enae  sonder  weere  swine  loepen  een 
groot  ghetal  .  .  ende  hier  up  sonde  seere  beenen 
van  Valkenberghe  die  pmeusche  heere  ende  pinen 
nerenstelike  seere  te  ghecrighene  die  proye,  VI. 
Rijmk.  6562.  —  Nog  over  in  de  Vlaamsche  uitdr. 
duivelen  en  beenen,  d.  i.  tergen  en  schimpen 
(De  Bo  89). 

BENEREN  (beneeren),  zw.  ww.  bedr.  Van 
den  ongebmikelijken  grondvorm  neren ,  mhd.  nem.^ 
neren^  d.  i.  redden  y  genezen  ^  behouden  ^  voeden  \\l^. 
ndkren.  Vgl.  ohd.  rurjan ;  got.  natjan ,  nasjanda , 
d.  i.  de  Heiland^  en  onze  ww.  genezen  en  zich 
generen.  Redden ,  behouden  y  zalig  maken.  ||  Ie  ne 
mach  mi  niet  beneeren,  of  ie  ne  machse  queeren, 
d.  i.  „ik  kan  mij  zelven  niet  behouden ,  ik  kan  niet 
salig  worden  y  indien  ik  niet  de  verzoeking  van  mij 
kan  afwenden."  Over  queeren  y  zie  dat  woord. 

BENETTEN,  zw.  ww.  bedr.  WidL.benetzen.Y9,n 
netten  y  d.  i.  nat  maken.  Nat  maken  y  bevochtigen  y 
besproeien.  ||  Gracie  es  den  reyne  (d.  i.  regen) 
g-helike ,  die  dalende  benet  terderike  ende  trect  ten 
wortelen  saen ,  Wap.  Rog.  976.  Naer  dattene  doepzel 
hevet  benet,  1487.  Men  seghet  dat  dese  fonteyne 
benettet  ghemenelike  die  plaetsen  van  al  aertrike, 
JVa/.  £1.  XI,  55.  Dese  fonteinen  8|jn  gewone 
tplein  te  benettene,  daer  si  staen,  IX,  124. 
Egypten,  dattie  riviere  Nylus  daer  te  siere  tijd 
benet,  Rijmb.  6374.  Hoe  haer  wapen  waren  benet 
metten  bloede  ende  besmet,  Velth.  IV,  43,  15. 
Vanden  watere,  dattu  vins  daer,  benette  dijn  ansichte, 
Vad.  Mus.  4,  320,  286.  Dat  elc  met  bloede  al 
was  benet,  Belg.  Mus.  1,  278,  60  {Sp.  II»,  14, 
60).  Eene  flume  loept  uten  Paradise  ende  benettet 
in  yremder  wise,  Sp.  I>,  21,  13.  Met sparswatere 
hise  benet,  II*,  41,  41.  Entie  adren  ontfaen  dat 
saet  ende  benettense,  M.  en  Fr.  Heim.  1611.  Du 
salt  siin  alse  een  benet  hof  ende  als  ene  fonteine 
der  watere,  Es.  v.  1348,  248<?. 

BENEVENE  (beneven,  beneffens),  bijw.  en 
Toorz.  Uit  be  en  neven]  Mnd.  beneven y  beneffens -y 
mhd.  benében. 

BiJW.  —  1)  In  de  oorspronkelijke  beteekenis. 
jian  iemands  rijde  y  naast.  ||  Dat  hi  daer  ware  doet 
bleven,  en  haddi  den  pilaer  niet  beneven,  Lanc. 
II,  943. 


2)  Langs  iemands  zijde  y  langs.  ||  (Si)  vlouwen 
van  groeten  vare  in  de  Schelde ,  die  daer  beneffens 
liep,  Cron.  v.   Vlaend.  2,  192. 

3)  In  de  nabijheid' y  in  de  buurt y  nabij  y  bij.  \\ 
Flandrijs,  die  daer  hilt  beneven,  Flandr.  V,  164. 
Abraham  groefse  daer  benevene  in  die  twivoudeghe 
haghedochte ,  Rijmb.  2068.  Daer  stont  sgn  broeder 
beneven,  9206.  Stant  in  den  hole  hier  beneven, 
5132.  Int  selve  laec  ende  daer  beneven  was  hem 
een  levende  visch  gegeven ,  Franc.  4481.  Met  andren 
reliquien,  die  dair  beneven  laghen,  Sp.  IV',  48, 
40  (Janh.y  2de  Partie,  bl.  535). 

4)  Tegenwoordig  bij  y  aanwezig.  \\  Ghi  weet  wel 
dat  ie  daer  beneven  niene  was,  Rijmb.  24722.  Es 
gracie  metten  qnaden  beneven ,  weder  heeft  hise  niet 
beseven?  )Vap.  Rog.  891. 

5)  Benevens  y  behalve y  bovendien.  \\  Oec  beloefdi 
hem  daer  beneven  .  . ,  dat  hi  die  ghelike  doen 
sonde  dat  hi  dede,  Rijmb.  25978.  Ie  wilt  di 
gheven  ende  andre  burghe  daer  beneven,  20007. 

Aanm.  —  Herhaalde  malen  ontmoet  men  beneven 
(om  te  rijmen)  op  plaatsen  waar  het  zonder  den  zin  te 
storen,  zeer  goed  kon  worden  gemist  en  waar  de  juiste 
beteekenis  moeilijk  is  aan  te  geven ,  b.  v.  ||  Scheyden 
mach  in  dier  naturen  menich  blyscap  doen  teschuren 
die  van  minnen  comt  beneven,  Hild.  116,  11. Ghi 
naemt  met  u  te  uwen  verdoene  van  uwen  rechten 
goede  beneven  ende  hulpt  der  kerken,  daer  si 
moet  beven,  Oversee  129.  Die  mi  hadden ghesekert 
al  .  . ,  dat  si  souden  syn  comen  hier  beneven ,  om 
mi  te  seggene,  twaren ,  hoe  si  daer  hadden  gevaren, 
Lanc.  II,  16058.  (Si)  cnielden  up  hare  knien  al 
omme  de  kerke  beneven.  Franc.  936. 

VooRZ.  —  Met  den  3den  nv.,  zeer  dikwijls 
achter  zyn  nv. 

1)  Ter  zijde  ra»,  aan  de  zijde  vany  naast.  \\ 
Alsene  die  waert  hevet  gehord ,  ginc  hi  Waleweine 
saen  beneven  ende  sprac,  Lanc.  III,  19177.  (Hi) 
sach  ten  ingange  beneven  der  dore  lettren  ge- 
screven,  II,  3487.  (Hi)  leidse  siere  ziden  beneven 
ende  hiltse  een  stic  indier  gebare ,  als  oft  soe  sijn 
getrouwede  wijf  ware.  Fortier  die  hem  beneven 
stont,  Segh.  9236.  Alle  dat  met  hem  was  ende 
hem  beneven,  10388.  Emmer  blivic  u  beneven, 
Wap.  Rog.  1316  Sit  hier,  Rogier,  mi  beneven, 
1396.  Ie  wane  wel  dat  si  beneven  deen  den  anderen 
ter  stat  waert  reden ,  Stoke  IV,  1510.  —  Beneven 
liggen,  van  landen ,  aangrenzen ,  grenzen  aan.  || 
Hem  wart  in  manscap  gegeven  dlant,  dat  hem 
lach  beneven,  Sp.  III*,  89,  115.  Dat  hem  die 
Grave  van  Henegouwe  .  .  .  leit  beneven,  Velth. 
V,  5,  11. 

2)  Figuurlijk.  Ter  zijde y  te  hulp.  \\  Gewan  hi  hem 
beneven  die  Gallen,  hi  hopede  gheval  te  hebbene 
omme  verwinnen  al,  Sp.  I*,  16,  10.  Dan  sullen 
wi  ons  nemen  beneven,  ons  tot  hulp  nemen y  ons 
toevoegen ,  alle  die  macht  die  wi  mogen  ende  sullen 
daermede  henen  togen  te  Logres  waert ,  Merl.  22407. 
—  Enen  beneven  wesen,  het  ter  zijde  staan.  \\ 
Mer  dat  hem  Vulcoen  was  beneven,  die  coninc 
waerre  seker  bleven,  Troyen  1516.  Wildi  wesen 
hem  beneven  ,  si  wilden  hem  West  Vrieslant  geven, 
Stoke  II,  185. 

3)  Langs  de  zijde  van ,  langs.  ||  Doe  sprac  die  here 
noch  totin  knecht:  ganc  ut  op  den  weghen  ende 
beneven  den  tunen,  langs  de  heggen  y  L.  v.  J.  c.  170. 

4)  In  de  nabijheid  van  iemand  y  nabij  y  in  de 
buurt  vany  bij.  \\  Dat  vier  scepe  .  .  .  van  den 
besten  sitten  bleven  up  den  zande  hem  beneven, 
Stoke  IX ,  894.  Hadde  hjjs  te  doene ,  hem  beneven, 
met  hem   te  blivene  ene   stont,  V,  868  var,  Sire 


887 


BENI. 


BENI. 


888 


(Gods)  jeghenwordicheit  es  beneven  dat  was  ende 
wert ,  JTap.  Marl.  III ,  205 :  „al  wat  was  en  wordt 
is  bij  z\jne  tegenw. ,  ondervindt  haar".  Ghejaghet 
hebben  sy  ons  ende  verdreven  onsen  fosseyden 
beneven,  Troyen  f.  78<?.  (Si)  togen  beneven 
tstat  van  Aken  ende  verbranden  ...  die  dorpe, 
die  omtrent  Aken  stonden,  Br  ah.  Y,  VI,  10964. 
Den  irsten  die  hem  trac  beneven ,  die  in  zijne 
nabijheid  kwam ,  wederstont  hi  stoutelike ,  Lanc.  II , 
3584.  Oec  ne  mach  hi  niet  leven,  hine  si  den 
watere  beneven,  Nat.  BI.  III,  405.  (Hi)  hilt  hem 
selven  daer  beneven  die  {d.  i.  dien)  ridders ,  daer  hi 
meest  tronwen  hadde  toe,  Lanc.  IV,  11018.  Alse 
die  coninginne  n  es  beneven,  401.  Dies  waren  si 
hem  beneven  na  den  doot.  Franc.  9602.  (Doe) 
stac  hyne,  die  hem  was  beneven,  Troyen  1411. 
Dat  den  meinsche  sonden  ghesciet,  es  bi  faeuten 
van  gracien  niet;  soe  bleve  hem  ghcrne  beneven, 
Wap.  Rog.  1080.  (Doe)  wart  soe  verheven  metten 
vleesche  Gode  beneven,  Sp.  I',  53,  68.  Daer 
du  Gode  zijs  beneven,  Lett.  N.  W.  5',  82. 
(Si)  namen  een  lant  hem  benevene,  dat  langhe 
Gallo-Grieken  hiet,  Sp.  I\  16,  28.  Zoo  ook  ald. 
81;  Sp.  \\  53,  43;  I»,  65,  38;  II*,  20, 143; 
I^  13,  60;  III»,  40,  8;  42,  43;  IV*,  21,  114; 
Franc,  4289 ,  4458, 4545 ,  5792;i2/;»i*.  11198 ,  23632. 
—  Deze  bet  kan  somtijds  in  die  van  o/)  of  m  over- 
gaan. II  Nemt  armoniaco  ende  mede  met  melke  in 
watre  gewreven  ende  doet  der  borst  al  omme  be- 
neven, 'M.,  en  Vr.  Heim.  2040.  Mijn  lere  laet  di 
zyn  beneven :  hi  mach  di  die  ewighe  vroude  gheven, 
Tien  PI.  927. 

5)  In  tegentooordigheid  van^  in  geselschap  van.\\ 
Gheeme  so    was    hy    hem   beneven    tallen  tyden, 
waer  hy  mochte,  ^«na»£^  II,  3166.  Dinenprochiaen 
dien    seldi    emmer   sijn   beneven,   soe  mach  dijns 
wel  werden  raet,  Tien  PI.  735. 

6)  Nabij  (van  den  tijd),  ophanden.  \\  Dat  hi 
z|jn  eenich  kint,  dor  Sinte  Fransoyse,  dien  hi 
mint  ende  wies  feeste  daer  was  beneven,  hem 
levende  wilde  geven,  Franc.  8663. 

7)  Benepens^  met.  jj  Dese  Robbrecht  quam  ghe- 
varen  ende  met  hem  in  der  scaren  van  Bloes  die 
grave  Steven  ende  Justaes  hem  beneven,  Brab.  Y.  III, 
847.  Doe  sente  Stevene  ende  ses  dyaken  hem  be- 
nevene ghecoren  waren,  Sp.  I«,  25,  7.  Dat  een 
voghel  .  .  .  neemt  met  hem  dat  jonc  verdreven 
ende  voedet  den  sinen  beneven.  Nat.  BI. Til ^  120. 
Dat  her  Wolfaert  bleef  verdreven  ende  sine  broeders 
hem  beneven,  Stoke  IV,  765.  Als  tgedicht  was 
ende  gescreven ,  liet  ie  tstaen  den  andren  beneven , 
Velth.  V,  1 ,  59 ;  „  met  en  benevens  de  rest." 

BENIDEN,  st.  en  zw.  ww.  bedr.  {beneet  en  be- 
nijdde) ;  mhd.  benid-en.  Reeds  in  het  mnl.  begon  het 
WW.  neiging  te  vertoonen,  om  zwak  te  worden, 
zooals  het  thans  bijna  uitsluitend  gebruikt  wordt. 

1)  Met  eene  zaak  als  voorwerp.  Iets  niet  kunnen 
velen ,  zich  aan  iets  ergeren.  —  a)  Met  den  4den  nv. 
der  zaak;  soms  met  den  2den,  b.  v.  Rijmb.  9336 
(als  in  HMhd.).  ||  Die  vader  wroegede  Martine  saen , 
want  hi  sinen  heilegen  wille  benijt,  Sp.  IIP  ,  28,  30. 
Die  overmoet  beneden  seere  alle  die  heeren,  Heelu 
1552.  Die  quaden  beniden  doeght,  ende  die  oude 
benidet  joeght,  Doet.  III,  507.  (Herodes)  beneet 
verde  ende  haette  recht,  L.  o.  H.  788.  Die  viant . ., 
die  smenschen  zalicheit  htneei^Lsp.  1 ,  22 , 9.  Quade 
tonghen  sijn  te  beniden ,  zijn  niet  uit  te  staan ,  Theoph. 
325;  vgl.  de  Aant.  —  Vooral  gebruikt  met  een 
onbep.  vnw.  (dit,  dat)  in  den  4den  nv.  ||  Dit  be- 
nijdde dus  Reinaert,  dat  sire  waren  so  vaste  binnen, 
dat  hire  negheen  ne  conste  ghewinnen,  Rein,  1 ,  340, 


y^hij  kon  het  met  velen  ^  het  was  hen  een  doom  in 
het  oog.'**  Dat  sach  die  jonghelinc,  diet  benide, 
ende  hem  luttel  goet  verblide  van  der  vriendeliker 
talen,  Belg.  Mus.  8,  98,  83.  Nu  seget  ons  die 
aventure,  dattie  coninc  Waleweine  beval  sijn  lant 
te  achterwaerne  al  ... ;  dit  beneet  Eeye  saea , 
Lanc,  III,  18612.  Dus  quam  die  Hertoge  irst  int 
lant  van  Limborch,  ende  stichte  br&nt  .  .  .  .; 
dit  beneden  alle  nu  sere  die  Heren  tusscen  Mase 
ende  Rijn,  Velth.  II,  44,  41.  Hi  regnccrde 
XXXIX  jaer.  Dit  benijden  die  kindere  sün ,  Sp.  IV' , 
5 ,  50.  Dat  si  bekeerden  daer  ter  stede  .  .  . ;  dit 
benijdden  die  quade  Jueden,  I*,  20,  5.  Sulke 
benijddent  sere,  R4jmb.  20328.  (Hi)  trac  dat  spere 
ut  gereeet,  dat  daer  sulc  beneet  wel  sere.  Lome. 
III,  11312.  Doe  quam  een  scalc,  die  viant  van 
der  hellen,  die  dit  benide,  Ned.  Proza  32.  (Hi) 
hiet  hem  willekom  met  een  vriendelijk  gelaet.  Dit 
benijde  Aymijn  seer,  Heemsk.  16. 

b)  Met  een  bijzin  met  dat.  ||  Om  dat  si  {de 
viandé)   so   zere    beniden,   dat  hi  {de  menseh)  ter 

froter  vruechden  zal  comen,  Lsp.  I,  7,  11.  Om 
at  sy  benydden  zere,  dat  yemen  soude  op  ertrike 
boven  hem  sijn  of  haers  ghelike.  Wrake  I,  689. 
Omme  dat  si  beneden,  dat  die  hertoghe  met 
vreden  ende  met  groter  rijcheit  besat  sijn  lant, 
Brab.  Y,  V ,  3689.  Si  beniden  utermaten ,  kunnen 
volstrekt  niet  velen  ^  dat  hi  tfolc  Saterdaghes  ghc- 
neest ,  Lsp.  II ,  36 ,  286.  So  dat  deen  benide  seere., 
dat  die  andre  met  hem  was  heere,  Nat.  BI.  IV, 
167.  Die  wise  man  en  benijdt  niet,  dat  eneghen 
mensche  goet  gesciet.  Boet.  III,  636.  Hoe  die 
duvel  benide,  dat  Adam  was  int  Paradijs,  Rijmb. 
585,  o/>*r^n/V.Dit  was  den  arbeiders  seer  verdrietelgk 
en  benijden  dat  hij  so  vele  dede,  Heemsk.  181. 
—  De  onb.  wijs  beniden  wordt  gebruikt  in  den 
zin  van  —  a)  Jaloezie ,  afgunst,  jj  Ghi  moghet  rideo 
bi  siere  siden  alle  u  daghe  sonder  beniden ,  zonder 
dat  men  u  benijdt^  C.  en  £1.  1025.  Ende  ie  sach 
daer  gheset  den  afgod  des  benijdens,  D.  B.  Ezech.  8, 3 
(idolum  zeli).  —  b)  Kwaadaardigheid^  nijd.  ||  Doet 
hijt  oec  up  een  beniden  of  in  des  landsheren 
onwaerde,  men  doe  dien  te  hant  ten  swaerde, 
Heim.   554. 

2)  Met 'den  4den  nv.  van  den  persoon.  Behalve 
in  de  tegenw.  bet.  (b.v.  Doet.  III,  503,  e.  e.) 

a)  Iemand  niet  kunnen  uitstaan ,  ziek  aan  iemand 
ergeren ,  het  land  hebben  aan.  ||  Ende  oec  die  esele . . 
die  goede  clerke  beniden  .  .  ,  ende  die  dwaes  be- 
nidet den  man,  die  doghet  ende  wgsheit  cao, 
Doet.  III,  503.  Wien  eest  dattu  bcnijds?  Rinel. 
918.  Van  den  volke  .  .  .  bestu  sware  benijdt  daer 
mede,  „odibilis  factus  es  omni  populo^\  Sp.  II', 
27,  67.  Dat  hi  niemene  benide,  diene  veile,  eode 
van  den  stoele  hale,   fTap.  Rog.  1862. 

b)  Vijandig  behandelen^  bestrijden.  ||  Ovcnnoet 
ende  heer  Dangier  wouden  mi  beniden  hier,  so 
daden  meest  al  dander  mede,  als  si  de  verwaent- 
hede  van  mi  saghen  also  groot,  O VI.  Lied.  e.  GeéL 
305,  2121.  Nu  werden  si  van  minnen  verweet, 
diere  dompelike  toe  tiden;  dit  doet  vrouwen  be- 
niden, Wap,  Mart.  I,  923.  Si  die  kerstine  ghe- 
loove  ghewoone  worden  waren,  begonsten  beoft 
te  werdene  van  den  heydenen,  Amand  I,  3421. 

c)  Mishandelen,  jj  Die  menscheit  {van  Christus)  liet 
hare  . . .  vaen  ende  beniden,  doerboren  hande ,  voete, 
siden ,  Wap.  Mart.  III ,  326.  Soe  wart  hi  versraaet 
ende  beneden  van  hem  allen  als  een  onghelovich 
mensche,  die  Gode  lachter  ghesproken  hadde, 
Ruusb.  5,  219. 

BENIDERB     (benider),     znw.    m.;    vr.   be- 


889 


BENI. 


BENN. 


890 


NiDERSCHE.  Van  heniden  in  den  zin  van  jaloersch 
gijn.  Mededinger^  —  tter ^  naijverige.  \\  En  wilt  niet 
aenbeden  vreemde  goden,  die  here  benidende;  die 
benider  is  syn  naem,  Exod.  34,  14.  Die  here  dijn 
God  is  een  verterende  vyer,  God  die  benidere, 
Beut,  4,  24.  Zoo  ook  5,  9;  6,  15.  God  is  heilich 
ende  starcke  benidere,  ende  bi  en  sal  u  sonden 
noch  n  misdaet  niet  vergheven,  Jottta  24,  19. 
Ende  haer  beniderssche  quelledse  en  moeydese 
anxtelike,  also  sere  dat  si  haer  verweet,  dat  die 
here   haer  vronlicheit  besloten  had ,  I  Sam.  1 ,  6. 

BENIDERSCHE.  Zie  het  vorige  Art. 

BENIDICH.  Zie  het  volg.  Art. 

BENIDICHEIT,  znw.  vr.  Van  het  niet  voor- 
komende benidieh^  d.  i.  nijdig^  kwaadaardig^  ge- 
vormd als  hetculdichy  besondich^  enz.,  van nt;/ (niet 
nidich).  Nijdigheid^  bootaardigheid,  \\  Dat  gansche 
vervolch  der  parabolen  .  .  .  was  teghens  die  be- 
nidicheit  der  Fharizeen,  Bern.  S.  lO^d, 

BENIEMAREN  (benieuh\ren),  zw.  ww.  bedr. 
Van  niemare  (zie  ald.). 

1)  In  opspraak^  in  een  slechten  naam  brengen.  \\ 
Die   anderwaerven  verstolen  goet  coept,  hi  benie- 
maert  hem  selven,  Keuren  van  de  vier  Ambachten 
{a.  1242). 

2)  Beschuldigen^  betichten^  vooral  in  het  verl. 
deelw.  beniemaert.  Voor  den  samenhang  der 
beteekenissen  vergelijke  men  berucht^  dat  ook  èn 
beschuldigd  (van  beroepen)  èn  in  een  sUchten  naam 
staande  beduidt.  ||  So  wie  dat . .  verstolen  goet  coept 
en  te  voren  niet  en  es  beniemaert,  hi  sal  weder  hebben 
dat  hire  omme  g^f ,  ald.  Waer  dat  zake ,  dat  eenich 
van  hemlieden  beniemaert  ware  van  eenigherhande 
goede  te  coopene  of  vercoopene,  dat  schepenen 
voor  hem  den  coopman  zullen  moghen  ontbieden 
.  .  ende  zullen  den  coopman  zegghen,  dat  hi  be- 
niemaert es,  ZVl.  Bijdr.  5,  148  (=  Invent.  v. 
Bntgge  2,  47). 

3)  Verbreiden^  bekend  maken ^  rondbazuinen.  \\ 
Hi  ghinc  ute  ende  begonste  te  predekene  ende  te 
beniemaeme  dat  sermoen,  also  dat  hi  (Jezt$s)  niet 
meer  openbare  in  die  stat  mochte  gaen,  Hs.  v. 
1348,  182a  {Mare.  1,  45).  —  Enen  b.,  het  ge- 
rucht verspreiden^  dat  ^i;.  ||Den  naesten nacht  daer 
mier,  M.  benieumaerde  O.,  dat  hij  wel  hondert 
man  adde  in  sQn  huus,  aangeh.  Invent.  v.  Brugge  ^ 
Qloss.  593a. 

BENIJN  (beinijn,  beinen,  benen),  stoffelyk 
bnw.  BeeneUj  van  been  gemaakt.  ||  Hen  was  bein^u 
noch  yvoren ,  Cass.  1684.  Waert  {het  oor)  beinen ,  en 
soude  niet  mogen  vouden,  Hs.  Yp.  134r.  —  Ook 
in  de  bet.  beenig ^  als  van  been  gemaakt.  \\  Die 
vlssche  hebben  allegadre  benine  oghen  ende  stare 
dat  vel,  Nat.  BI.  II,  16. 

BENNE,  mand.  Zie  bennevisch. 

BENNEN,  voorz.  Andere  vorm  voor  binnen.  \\ 
Bennen  desen  dat  si  dus  spraken ,  Cass.  217.  Bennen 
XX  dagen  van  den  tyde  sijnre  doot,  Gew.  v.  St.  Truyen 
%  16.  Want  meer  liede  heeft  hire  binnen  danre 
bennen  der  stat  sijn,  Lorr.  fr.  III,  31.  Bennen 
achte  daghen  daerna,  Brab.  Y.  Dl.  1,  bl.  768. 
Zoo  ook  Lorr.^  Nieuwe  fr.  45,191.  —  Zie  verder 
binnen. 

BENNEVISCH,  znw.  m.  Visch ,  die  bij  de  mand 
(ben)  of  het  tal  verkocht  wordt.  \\  Die  bennevisch 
ende  mosselen  salmen  vercopen  oostwerts  vanden 
bancken,  K.  v.  Brielle  36,  11.  Alle  .  .  die  benne- 
visch te  coep  hebben ,  37 ,  17.  Vgl.  16 :  „van  vier 
ben  spierincx."  Op  beide  plaatsen  staat  de  b  e  n  n  e  - 
visch  tegenover  bacvisch,  die  bij  het  stuk 
wordt  verkocht. 


BENNINGE ,  znw.  vr.  Anker  {?\  ||  Soe  wanneer  . . 
de  sciphere  mit  rade  ende  mjt  hengnisse  der  lude 
de  waren  in  den  scepe,  de  mastcorve  of  de 
benninghe  slippem  lete ,  Overijs.  R.  I ' ,  25  en  125. 
De  benninghe  te  ghelden,  also  guet  alse  hi  si 
vallen  leet  to  een  ds.  des  sciphern  rechte,  ald. 

BENODICHT  bnw.  Van  noot  (niet  van  nodich).  De 
zuivere  vorm  is  benodich,  evenals  besculdich ,  be- 
bhedich^  besondich  enz. ,  maar  deze  ging  reeds  in  vry 
ouden  tijd  in  benodicht  over  (vgl.  bij  besculdich  en 
besondich).  In  nood  verkeerende,  nood  hebbende^ 
behoeftig^  armoedig.  ||  Si  die  den  armen  gheven, 
en  selen  niet  benodicht  sijn,  Doet,  I,  655  var. 
Niemand  es  zo  ryke,  hyne  mochte  noch  ryker 
werden ;  ende  niemand  es  zo  benodicht ,  hyne  mochte 
noch  wat  keytivigher  zyn,  Boëth.  ƒ.  52A.  aangeh. 
op  Stoke,  Dl.  1,  bl.  613.  Die  borgermeesteren, 
scepenen,  raedt,  hooftluden  .  .  hen  zoo  benoodicht 
ziende,  Nijh.  6,  321. 

BENOEGEN  (benooen)  ,  zw.  ww.  onz.  Mnd.  be- 
nogen\'K.\\.  46:  Benoeghen,  j.  ghenoeghen, 
placere  (onz.)  et  satisfacere  (bedr. ,  vgl.  Lubben  1 , 
233).  Zie  ook  Oudem.  1,  506  en  vgl.  5,63:  onbe- 
noegen.  Genoegen  nemen  in  iets,  tevreden  zijn  met 
iets.  —  De  onbep.  wijs  als  znw.  gebruikt.  Genoegen, 
tevredenheid.  (|  Dat  dye  selve  tot  des  jonckeren  und 
den  (/.  der)  schepenen  benogen  syne  upgelachten 
broicke  vol  uth  betalt  hefft.  Racer  5,  311. 

BENOEMEN,  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  benomen; 
mhd.  benuomen, 

1)  Enen,  iet  — ,  uitdrukkelijk ,  met  name  noemen. 
II  Dat  sy  in  der  saken ,  daer  syn  Genade  in  benoemt 

ware ,  geen  schout  en  hadden ,  Matth.  Anal.  3 ,  345. 
Sy  had  hoor  benoemde  goeden  ende  aenval  .  . 
verbonden  .  .  in  hillixvoorwaerden  voor  den  on- 
gheboren,  R.  v.  Vtr.  2,  165.  Alsoe  sy  hier  myt 
namen  benoemt  syn.  Bek.  d.  Buurk.  55. 

2)  IJitdrukkelijk  aanwijzen.  \\  Soe  bewisen  wi  hen 
ende  benoemen  jaerlecx  dusentich  pont  van  diere 
jaerliker  renten,  die  si  ons  belooft  hebben,  te 
ghevene  viertich  jaer  naestcomende ,  die  scade  ende 
dien  cost  mede  te  gheldene ,  Brab.  T. ,  Dl.  2,  bl.  619. 

3)  Bepalen ,  afspreken ,  alleen  in  het  verl.  deelw. 
II  Dat  sy  in  syn  hulpe  quamen  op  enen  benoemden 

dach ,  Matth.  Anal.  3 ,  83.  Dat  si  op  enen  benoemden 
dach  te  Leyden  quamen,  122.  Op  een  benoemden 
dach  te  vechten  om  den  seghe,  161.  Dat  hy  uyt- 
comen  woude  ende  striden  tegen  hem  op  een 
benoemt  velt,  270.  Borghe  .  .,  die  men  lovede 
opten  benoemden  tyt  te  lossene,  312.  Op  een  be- 
noemden tyt  by  haer  gewapent  te  comen,  362. 
(Si)  quamen  tegen  malkander  op  enen  benoemden 
dach,  Clerc  36.  Zoo  ook  44  var.  (Hi)  beloofde 
hem  te  wille  te  wesen  tot  eenen  benoemden  ttjt, 
Exc.  Cron.  206r.  Weer  enighen  van  hem  erve  off 
ghuet  off  huijs  ghegeven ,  dat  in  sijnre  medeghaven 
is  op  benoemt  geit  gherekent,  Overijs.  R.  I*,  96 
(vgl.  bl.  3:  op  benomt  ghelt). 

BENOORDEN  (benoerden).  Zie  benorden. 

BENOOT  (benoet),  eig.  verl.  deelw.  van  het 
WW.  benoden.  Mhd.  benoeten,  d.  i.  in  nood  brengen, 
doch  uitsluitend  als  deelw.  bnw.  gebruikt.  In  nood 
verkeerende ,  in  nood,  in  gevaar.  \\  Here,  waer  saghen 
wi  di  benoot  so  sere,  ^(/m^.  25801.  So  benoet  ie  se 
alle  liet,  die  vive  en  moghen  den  sesten  nietghe- 
wapenen,  al  droeghen  si  over  een,  Parth.  1746. 
(Hi)  sloech  coenlijc  in  den  rinc,  daer  hi  benoet 
sach  den  jonghelinc,  4592  (ten  onrechte  heeft 
Bormans  op  de  laatste  plaats  het  woord  benoet  in 
den  tekst  door  benaut  vervangen). 

BENOOTEEDEN,   zw.   ww.   bedr.   Enen  — , 


801 


BENO. 


ËEPA. 


m 


iemand  tot  het  doen  van  een  eed  diaingen^  hem  een 
eed  opleggen,  Ygl.  NOOTEEDEN.  ||  Soe  salmen  sie 
doen  toeven  {gevangen  zetten)  ter  tyt  toe  dat  sy 
oer  koer  beset  hebeu  ende  %y  (ace.  pi.)  voert  te  be- 
noteden  na  den  statrechte  ende  wilkoer,  Racer  6, 87. 

BENOOTHEIT,  znw.  vr.  In  beteekenis  ongeveer 
met  benauwdheid  overeenkomende,  maar  een  ander 
woord;  zie  benoot.  Nood^  gevaar^  angst.  \\  In 
pinen,  in  benootheden,  in  anzten,  in  plaghen,  in 
karkeren,  He.  v.  1348,  63^. 

BENORDEN  (benorde(n),  benoorden,  be- 
kort), voorz.  met  den  3den  nv.  Benoorden^  ten 
noorden  van,  ||  Artar  van  Bertaengen,  die  alle  de 
lande  benorden  Spaengen  . . .  vromelic  wan  metter 
hant,  IX  Beet.  356.  Al  dat  lant  dat  legbet  nu 
benoorden  berghe  van  Moniu ,  Alex.  V,  1075.  Cume 
80  bleef  eenege  port  bewest  den  Rine,  benort  den 
berghen,  sine  gingense  dore  ergen  (=  eriën), 
Sp.  III*,  2,  12.  Benorder  havene,  StokeIX,177. 
—  Soms  ook  als  bgw.  Aan  de  noordzijde^  b.  v. 
Nijh.  4,  36. 

BENOSEN,  zw.  ww.  bedr.  Kil.  nocere.  Van 
noeen  (zie  ald.).  Benadeelen^  beschadigen.  ||  Want 
ghi  benoost  ende  belast  waert  seere  in  desen ,  dat 
hi  u  wilde  bistendich  wesen ,  Brab.  Y.  dl.  2 ,  bl.  34, 
VS.  45.  —  Later  werd  ben  oost  een  bnw.  Vgl. 
Ondem.  1,  506. 

BENOTELEN,  zw.  ww.  htdr.  Op  schrift  brengen , 
stellen;  notuleeren.  ||  Dat  alle  sakeu,  die  bekalt  ind 
opten  voirgehalden  dachfairden  benotelt  sijn,  van 
onsen  gen.  heren  voltagen  .  .  weren,  Nijb.  6,  55 
(a.  1493). 

BENOUWEN,  BENOÜWINGE.  Zie  benauwen  , 

-INGE. 

BENTDIJC,  znw.  m.  Van  bent ;  ohd.  bant ^  banz , 
d.  i.  gouwy  dat  nog  in  enkele  plaatsnamen  (Tm/^- 
bant^  Brabant^  Suifterbant  (Lubben  1,  150)  over 
is  (?).  In  verschillende  plaats-  en  persoonsnamen 
komt  Bent  voor:  Benthuizen^  Bentfort^  Bentveld 
(bij  Haarlem),  Bentheim enz.  ||  Alle meynewercken 
onder  die  schouwe  gheleghen  ende  dat  meijne- 
werck  oestwert  aen  den  bentdijc  liggende,  sullen 
die  zwoern  berichten,  Ocerijs.  Dijkr.  II* ,  19. 

BENTE.  (?)  Eeue  plaatsaanduiding.  ||  Item  soe 
•sullen  alle  dijken  bae ven  breet  wesen  XVI  voet  ende 
op  die  benthe  twelff  voet  .  .  .  Ende  die  middes- 
weterynghe  op  die  benthe  neghen  voet,  ende  alle 
zeegraeven  acht  voet ,  Overijs.  Dijkr.  II » ,  10. 

*  BENUNNE.  Verkeerde  lezing  Brugm.  2 ,  288 : 
„Een  yeghelic  neme  dat  hi  vermach  ende  can, 
ende  benunne  also  vele  als  hem  God  gav."  De 
verklaring  aan  den  voet  der  bladz.  make  zich  ten 
nutte  beantwoordt  niet  aan  den  vorm  van  het  woord , 
dat  geene  verklaring  toelaat.  Men  leze  beminnen 
dat  van  benunne  in  de  hss.  slechts  door  de  punt 
op  de  i  onderscheiden  is,  en  vatte  het  op  in  de 
bet.  tevreden  zijn  met.  Vgl.  gr.  dyanoiv  en  fr.  aimer, 

BEOOGEN  (beogen),  zw.  ww.  bedr.  Verwachten. 
Vgl.  Kil.  beooghen,  aspicerejObservare.OntiVfw. 
beoogen  heeft  de  bet.  van  bedoelen  aangenomen.  || 
Ende  wij  .  .  .  gene  temelicke  behulpinge  synre 
goedertierenthey  t  beoogen  en  mogen ,  noch  en  hopen 
te  vercrygen,  Matth.  Jnal.  3,  645. 

BEOOSTEN  (beoesten,  beoisten),  voorz. met 
den  3den  nv.  Ten  oosten  van^  beoosten.  \\  Een  dal 
beoisten  vliete,  B^k.  v.  Zeel.  1,  99. 

BEOOSTHALF,  bijw.  Van  be  en  oosthalf,  d.i., 
oostzijde.  Zie  op  halve.  Gelegen  aan  de  oostzijde , 
oostelijk.  II  Anderhalf  ymet . . .  beoesthalf  an  die 
vive  ymete  vorseid,   Vad.  Mus.  5,  287. 

BEORDINGE    (beuordinge),   znw.   vr.  Waar- 


schijnlijk te  lezen  beordeninge.  Hetzelfde  als  het 
bastaardwoord  ordonnantie ,  waarmede  het  verbonden 
voorkomt.  ||  Over  mids  dese  ordenanche  endedese 
behordinghe,  so  willen  wi  Jan  hertoghe,  dat  Jan 
Berthout  quite  si,  Brab.  Y,  dl.  1,  bl.  695.  Vgl. 
het  mud.  beor leven  =  veroorloven;  beorsaken  = 
veroorzaken. 

BEPALEN,  zw.  ww.  bedr.  Mud.  bepalen. 

1)  Van  pal-en  voorzien,  met  palen  versterken, 
vooral  tegen  den  golfslag.  \\  Eisen  hout  ...  die 
meren  binnen  mede  te  bepalen.  Mieris  2,  214^ 
(a.  1319).  Dat  dese  hoij maden  .  .  over  mennigen 
jaren  .  .  beslaegen  ende  bepaelt  lant  is  gewest, 
Etst.  V.  Dr.  162. 

2)  In  de  tgw.  bet.  Zie  bepalinge  2). 
BEPALINGE,  znw.  vr,  —  1)  Omtrek,  cirkel,  ook 

grens,  grensscheiding;  fr.  ragon.  \\  Binnen  der  eerster 
bepalinge,  beginnende  an  de  craen  ende  zo  voort 
dezelve  zijde  alomme,  streckende  buyten  der  onder 
gracht,  zoo  voort  rondomme  commende  van  Bake- 
nesse  tote  an  de  craen.  Wiel.  Instr.  179,  20. 
Dander  (huizen)  staende  binnen  de  tweeste  bepalinge, 
ald.  Dese  scheydinge  ende  bepalinghe  van  der 
voirss.  watere.  Racer  6,  122.  Een  twist  ende 
schelinghe  .  .  .  van  bepalinghe  des  watera,  ald. 
Den  de  bepalinghe  . . .  wel  kundich  was ,  123 ;  vgL 
ald.  „dat  ghescheyt  des  waters  voirscr."  Be- 
merende  bepaelinge  ende  uttganck  m^ns  g.  h.  van 
Utrecht  .  .  .  ende  den  heren  van  Ruenenlande, 
Btst.  V.  Dr.  212.  Wijsen  de  droste  ende  etten  sulcke 
bepaelinge  an  mynen  g.  h.  van  Utrecht,  ald, 

3)  Omschrijving,  duidelijke  aanwijzing.  ||  Oec 
bewijst  hijt  mitten  bepalinghe  van  sinen  brief, 
datter  Vranc  Vroede  aen  de  overside  naest  ghe- 
leghen  is  mit  siinre  hofstede,  K.  v,  Utr.  2,  220. 

BEPANDEN  (bependen)  ,  zw.  ww.  bedr.  Panden 
aan ,  beslag  leggen  op.  Kil.  oppignerare,  ||  De  lanthere 
mach  des  lantsaten  guet  bependen  voer  sine  hnere 
eer  he  uten  huus ,  kelner,  camer  of  love  vaert ,  S/adé. 
V.  Oron.  VII,  11.  Dat  Koep  oer  geit  under  Roeleff 
Huisinge  bependen  mach  (d.  i.  beslag  mag  leggen 
voor  het  geld,  voor  de  vordering),  Etsl.  v.Dr.b. — 
Ook  overdr.  in  de  bet.  van  becommeren  (z.  ald.).  Be- 
lemmeren. II  Soe  moegen  de  undei*sten  de  oeversten  oer 
water  niet  bestoppen  noch  bependen ,  Etst.  v.  Dr.  148. 

BEPEISEN ,  BEPEINSEN  (Hem).  Zie  hem  be- 

PENSEN. 

BEPENSEN  (Hem),  bepeisen,  bepeinsex. 
Wederk.  ww.  Van  pensen  (zie  ald.).  Hetzelfde  aU 
hem  bedenken,  met  welks  opvattingen  die  vao 
hem  bepensen  groote  overeenkomst  hebben  (zie  ald.). 
In  het  Mhd.  en  Mud.  niet  in  gebruik. 

1)  Peinzen,  in  gedachten  zijn.  ||  Parthonopeus 
verstout  se  {de  tale)  wale,  ende  bepeinsde  hem 
een  lettelkgn;  mettien  brac  van  der  herten  s^n 
een  suchten,  Parth.  2015. 

2)  Zich  bedenken,  ergens  over  denken,  nadenken. 
II  Die  hem  bepensde  ende  rieter  toe,  datmen  sonde 

kiesen  doe  den  jonghen  Grave  van  Hollant,  Stoke 
III,  797.  Si  was  hoofse  ende  goedertiere  ende 
bepeinsde  haer  harde  schiere  ende  dachte  hoe  ^ 
mochte  verwerven,  dattie  joncfrouwe  niet  sonde 
sterven.  Flor.  403. 

3)  Bedenken ,  bij  zich  zelven  overdenken.  —  Ie  b  e  - 
p  e  in  se  mi,  het  komt  bij  mij  op,  hei  komt  mèj 
voor  den  geest.  \\  Mettien  bepeisese  hare  dats 
(/.  das),  hoe  grote  scande  het  ware,  Xiwi.  111,691. 
Hi  bepenst  hem  menechwerf :  O  wi ,  ende  oflic  na 
ware  rike,  Lanc.  III,  25639.  Niemen  dict  »ck 
openbare,  ne  bepensdem  niet  van  dien,  dat  hen 
tselfs  soude  ghescien,  Rijmb,  32894.  Twi  en  haddic 


893 


BEPË. 


6EPI. 


894 


mi   bepeinst   te   voren,  dat  ie  an  enen  Jode  bet 
gheloefde  dan  ane  mine  wet?  TAeopA.  748. 

4)  Bedenken ,  overdenken ,  overpeinzen ,  zicA  reken- 
êchap  geven,  \\  Die  hem  wel  bepeynsen  sonde, 
wanen  hi  quame  ende  waer  hi  sonde  .  . ,  lii  soudem 
te  bat  honden  van  sonden,  Wrake  III,  2273 
{Teett.  3884). 

5)  Bedenken^  overleggen.  W^e^Qy Bi  dn  (/.  di\ 
wies  wilta  beginnen  Rincl.  476.  Doe  sprac  een 
van  hen  die  Cayphas  hit  .  .:  ghi  ne  wettnitnoch 
ghine  bepeinst  n  nit,  dattet  orborlec  es,  dat  een 
mensche  sterve  vor  alt  folc,  L.  v,  J.  c.  184.  Alse 
men  n  levert  din  gherichte,  en  bepeinst  u  uit, 
hoe  ghi  mogt  antwerden,  want  ie  sal  u  gheven 
redene  ende  .  .  wysheit,  c.  195. 

6)  Bedenken,  indachtig  worden,  zich  te  Hnnen 
hrejtgen.  Ie  bepeinse  mi,  ik  herinner  mij,  het 
schiet  mij  te  binnen.  \\  Mettien  bepensese  haer  van 
binnen ,  dat  si  tierst  segghen  sonde  hare  benedizie, 
Limb.  I,  672.  Doen  si  hadden  gedaen,  bepeinsden 
si  hem  saen,  dat  si  nie  en  gaven  haren  conine 
te  prosente  ghene  dinc,  YI,  2557.  Hine  moehte 
niet  gepeisen,  wie  si  was  nochdoe,  soe  dat  hi 
hem  bepeisde  doe,  dat  dat  die  selve  jonefrouwe 
was ,  dine  van  den  venine  ghenas ,  Lanc.  II,  30389. 
(Petrus)  begonde  te  wenen  bitterlike  ende  be- 
pensde  hem  seriehlike,  wat  sijn  mester  hadde 
geselt,  L.  o.  H.  2298. 

7)  Zich  bedenken,  tot  and-ere  gedachten  komen, 
berouw  hebben.  ||  Somwilen  bepeusdem  die  man, 
ende  keerde  tsinen  weldaden  dan,  Sp.  V,  66,  19. 
Doch  bepensde  hi  hem  ter  stede  ende  keerde  tsire 
herte  daer  {hij  keerde  tot  zich  zelven  in) ,  ende  liep 
den  andren  uaer,  ende  heeftene  mildelike  vorsien, 
Franc.  184.  Bepeinst  u  wel  ende  bellet  volcomelijk 
van  uwen  sonden,  Beatr.  980. 

8)  Het  verl.    deelw.  bepeinst  wordt  gebruikt 

a)  Als  bnw.  Met  ener  sake  bepeinst, 
vttn   ie  te   vervuld  in   zijn  geest,  in  zijne  gedachten. 

II  Alse  nu  loepen',  alse  nu  staen,  dat  bediet,  .  . 
dat  een  mensche  moet  zijn  gheveinst  ende  met 
quader  loste  bepeinst,  OVl.  Ged.  2,  61,  67. 

b)  Als  deelw.,  in  verbinding  met  de  ww.  s  ij  n  en 
werden  (vgl.  bedacht  sijn  en  werden). 

A.  Bepenst  werden,  een  besluit  nemen,  zich 
voornemen,  een  plan  maken.  ||  Bohort  werd  bepenst 
also  houde,  dat  hi  eten  soude  borne  ende  broet, 
soe  dat  hi  water  ontboet,  ende  maeeter  soppen  in 
daer  nare,  Lanc.  III,  6554. 

B.  Bepenst  sijn. 

a)  Door  nadenken  tot  een  besluit  komen ,  besloten 
zijn.  II  Dat  herde  wel  was  die  conine  tien  tiden 
bepenst  van  dier  dine ,  ende  hi  seide ,  dat  hi  daer 
toe  geme  wilde  acorderen,  Lanc.  II,  1793.  Ghy 
en  syt  hierop  niet  wel  bepeinst;  om  dat  een  deel 
bevet  gheveinst  ende  vertellet  haren  droem  ende 
^hy  daerom  nemet  goem,  en  varie  niet  ute! 
Troyen  5992;  „gij  zijt  hieromtrent  niet  goed  be- 
sloten,  op   dit  punt  handelt  gij  niet   verstandig.''^ 

fi)  Door  nadenken  tot  het  legrip  komen,  be- 
grijpen.  \\  Hi  weende  erstelike  want  hi  was  wel 
bepenst  das ,  dat  tgene  theilege  grael  was ,  daer  hi 
af  hadde  gehort  tale,  Lanc.  II,  17745.  Die  jone- 
frouwe was  bepeinst  schiere ,  Flor.  2943 ;  „  zij  had 
een   vlug  begrip,  wat  zeer  gevat.^^ 

Aakm.  —  Thans  is  nog  slechts  het  bcdr.  ww. 
bepeinzen  in  gebruik. 

BEPEKEN  (bepecken),  zw.  ww.  bedr.  Van ;»<?<? 
(in  den  verbogen  nv.  peke).  Kil.  bepeeken, 
pieare ,  pice  oblinere. 

1)  Met  pek  besmeren.  ||  Dat  vat  was  buten  bel  ij  mt 


ende  bepeeet  ende  begrijmt,  Rijmb.  3467  {var, 
bepect).  Dandere  {koffers  liet  hif)  buten  bepeken , 
Sp.  II',  6,  69.  Doe  dede  hi  de  bepecte  ontsluten, 
97.  Hi  hadt  daer  ghebracht  so  veel  meels,  dattet 
scheen  te  sijn  eenen  groten  bereh,  ende  dat  was 
in  sacken  bepect,  dattet  die  regen  niet  letten  en 
moehte ,  Exc.  Cron.  285^.  Zoo  leest  men  bij  Fruin , 
Bijdr.  9 ,  37 :  y,l^Qii  schip  te  vercalfaten ,  te  bepeken, 
te  teren." 

2)  Overdrachtelijk.  Als  met  pek  besmeren,  be- 
zoedelen. II  Ende  uwen  hals  niet  so  haerde  swart 
bepeket  no  bezinghet.  Brand.  1002. 

BEPINEN,  zw.  WW.  bedr.  Het  transitieve jm»^. 
(zie  ald.).  Met  den  4den  nv.  der  zaak. 

1)  Handenarbeid  voor  iets  verrichten,  werk  doen 
ter  verkrijging  van  iets.  \\  De  rykepynders  waren  up 
Sint  Jan  brug  ende  bepinden  het  goed  van  ghe- 
wichte,  het  is  te  zeggen  het  goed  dat  ten  weeg- 
huse  kwam ,  zij  behandelden  geheel  dat  goed ;  laadden, 
ontlaadden  en  vervoerden  het,  Invent.  v.  Brugge, 
Int.  12.  Vgl.  4,  439.  Die  das  te  makene  pleghet 
hole,  daer  hi  in  rusten  sal,  so  comt  die  vos  ende 
onsuvert  al;  aldus  bepijnt  menech  tgoet,  dat  een 
ander  al  verdoet.  Nat.  BI.  II,  3903.  Die  gene  die 
mit  sire  pine  .  .  voet  den  lichame  sine  ende  nuttet, 
als  bepijnt  es,  die  es  salech,  Lucid.  3405  (de 
bedoeling  is  blijkbaar:  „die  (de  spijs)  gebruikt, 
als  hij  {de  landbouwer)  er  werk  voor  verricht  heeft" , 
maar  aan  de  woorden  zal  wel  iets  ontbreken. 
Denkelijk  moet  men  lezen:  Ende  nuttet  die  spise 
alsi  bepgnt  es).  Dat  liede  zwaer  bepinen  met  handen, 
dat  eten  zi  met  bloedighen  tanden,  Praet  2139. 
Ie  sende  u  te  oestene,  die  ghi  niet  ne  bepiindet, 
maer  andere  bepiindent  ende  ghi  s^t  in  hare  pine 
ghegaen.  Es.  v.  1348,  85rf  {Joh.  4,  38). 

2)  Moeite  doen  voor  iets,  zijn  best  voor  iets  doen.  \\ 
Dattu  beghers,  bepijnstuut  yet,  OVl.  Lied.  e.  Q, 
505,  395.  Die  daer  goet  laet,  daert  es  bestaet 
ende  wel  bepijnt,  Belg.  Mus.  1,  128,  19  (d.  i. 
die  goed  nalaat  aan  hen ,  b{j  wie  het  goed  besteed  is , 
en  die  er  hun  best  voor  gedaan  hebben,  d.  i.  die 
het  verdicTien).  Dat  men  .  .  .  den  dijescepenen  .  . 
van  den  scauwene  ghelden  sal  eiken  achter  dat 
hijs  bepinen  sal,  naar  dat  hij  moeite  er  voor  zal 
gedaan  hebben ,  d.  i.  verdienen  zal ,  Z  VI.  Bijdr.  6 ,  368. 

3)  Pijn,  moeite,  verdriet  van  iets  ondervinden, 
het  bezuren.  \\  Ende  voer  tot  SintKatrinen  dat  s^jn 
lijf  moeste  bepinen,  Cl-aghe  50  (Gelre,  Wapenb.öS). 
Vgl.  bekermen  en  besweten. 

BEPLATEN,  zw.  ww.  bedr.  Van  plaet,  d.  i. 
schoeiing  (zie  ald.).  Den  waterkant  met  palen  en 
planken  voorzien  tegen  het  wegzakken  en  afspoelen 
van  den  grond,  schoeien.  ||  Alle  erve,  die  ghelegheu 
sijn  binnen  der  vr^hede  van  Leyden  up  enige 
wateren,  die  sel  men  beplaten  eer  men  ze  behuyst. 
Leid.  Keurb.  4,  11.  So  wie  binnen  der  vrihede  van 
Leyden  maken  wil  enighe  werve  uten  Riin  jof  wt 
enighen  graften  .  . ,  die  sel  dat  erve  eerst  beplaten, 
89 ,  9.  Van  erven  te  beplaten  bi  den  wateren ,  90, 11. 

BEPLEITEN ,  zw.  ww.  bedr.  In  de  latere  middel- 
eeuwen in  gebruik  gekomen  naast  en  in  de  bet. 
van  bedingen  (z.  ald.).  Bepleiten.  \\  Protagoras  leerde 
hem  dat  hi  ghelijc  een  goet  meester  alle  saken 
bedingen  ende  bepleyten  couste,  Proza-Sp.  67a. 

BEPfiOE VEN ,  zw.  ww.  bedr.  en  wederk.  Mhd. 
beprüeven.  Van  proeven  (zie  ald.). 

Bedr. —  1)  Ondervinden,  ervaren.  Vooral  gebrui- 
kelijk in  het  deelw.  beproeft,  dat  als  bnw. 
gebruikt  wordt  in  den  zin  van  ervaren ,  die  veel  onder- 
vinding heeft.  II  Men  sal  gheloveu  den  beproefden 
mau,  MLoe^)  1,   180.  Vgl.    BESOCilT   en  de  lat. 


895 


BEQU. 


BEQU. 


896 


spreuk:   Experto   crede  magistro  (Limb.  XI,  456). 

2)  Onderzoeken  {=  het  mnl.  ondervinden).  \\  Dat 
£1  (de  schepenen)  beproeven  ende  ondervinden  souden 
in  elke  jeghenhade  ende  overscriven  den  here  van 
Moermond  alle  die  ghene,  die  ghegoed  waren 
tote  100  ©,  Bek.  v.  Zeel.  2,  378. 

3)  Bewijzen^  overtuigend  aantoonen.  Fr.  protiver; 
lat.  probare.  \\  Wilt  oec  Verginius  ende  sijn  ge- 
slechte wederseggen,  dat  hi  en  can,  ie  wilt  be- 
proven  met  menichgen  man,  Jtose  5400.  Meester, 
sijn  si  dan  alle  verloren,  die  geit  hebben  in  haer 
ghewout?  ie  weet  dat  herde  wel  te  voren,  dat 
ghyt  qualijc  beproeven  soudt,  Vad.  Mm.  2, 
170,  145.  Ende  dat  beproeven  si  aldus  mitten 
scriften  in  hare  spraken,  niet  int  latine,  Mandev. 
30^.  Wive,  ochte  man ,  die  men  beproeven  mach ,  dat 
kauwetstern  {latteraarster  ^  Kil.)  sijn,  zal  men  bannen 
seven  jaer,  op  horen  nose  verloren ,  Cor.  v.  Antw.  6, 
26.  Also  menichwaerven,  als  ons  Bailliu  of  onse  Scout 
dat  mit  rechte  op  hem  beprouven  conde,  Priv.  v. 
Brielle  2,  89.  Daer  ment  der  (/.  ter)  waerheit  be- 
proeven conste,  Qesch.  v.  Antw.  2,  631. 

Aanm.  Parth.  4791  (Hs.)  zal  beproeven  wel 
eene  verkeerde  lezing  zijn.  De  tekst  heeft  de  veel 
betere  lezing  betpotten. 

Wederk.  —  Hem  beproeven,  eig. zich  ioonen^ 
bewijzen  y  en  by  uitbreiding  zich  gedragen.  \\  Alst 
(kind)  hem  dan  alsoe  beproeft,  dattet  boesheit 
achterlaet  .  .  .,  die  vader  salt  dan  bet  ontfaen, 
dan  oft  des  nye  en  hadde  begonnen ,  Hild.  115, 140. 
Kinder  die  hem  soe  beproeven ,  datse  die  vader  node 
siet,  dien  laughet  totten  vader  niet,  244,  78. 

B£QUAM£  (bequaem,  ook  became  (Franc. 
9949  e.  e.;  vgl.  het  praet.  becam  van  becomen))^ 
bnw.  en  bijw.  Mnd.  beqtieme^  beqikime;  mhd  be- 
qitame  van  becomen  (zie  ald.). 

Als  BNW.  — 

A.  Van  becomen  in  den  zin  van  behagen  (6,  2). 
Aangenaam,  zoowel  gezegd  van  alles,  wat  door 
zijne  uiterlijke ,  als  door  zijne  innerlijke  hoedanig- 
heden behaagt;  van  alles,  tcat  de  zinnen  streelt, 
zoowel    als    van  datgene,   toat  iemands  geest  boeit. 

1)  Aangenaam  voor  het  oog,  lief,  schoon,  liefelijk, 
bevallig,  mooi.  Van  personen,  dieren  en  zaken.  || 
£en  schone  maghet,  seer  bequaem,  Pema  was 
horen  rechten  naem,  31  Loep  I,  829.  Hi  hadde 
een  dochter  zeer  bequaem ,  lustelyck ,  scoen ,  556. 
Irundo,  dats  der  swalewen  name,  swart  van 
plnmen  ende  bequame,  Nat.  BI.  III,  2255.  Der 
tortelduven,  een  reine  voghel  ende  bequame, 3377. 
£ene  scone  stad  haddic  gemaect,  vele  bequame 
ende  wel  geraect,  L.  o.  U.  4405.  Smaragdus  es 
der  mirauden  name ,  van  groenre  vaerwe  bequame , 
Nat.  BI.  XI,  1025.  (Theseus)  hadde  enen  zoen, 
wael  becant,  scoen ,  ghelatich  ende  bequaem,  MLoep 
III,  446.  Ie  (Simeon)  ontfinc,  bequame  ende  scone, 
Jhesum  Cristum,  den  Gods  zone  in  mine  arme, 
Lsp.  II,  36,  1385.  Mariagnes  die  so  bequame 
van  scoenheit  was  boven  alle  wijf,  Sp.  I*,  24,46. 
(Si)  goten  een  heelde  bequame  van  copere,  III", 
21,  26.  —  Vooral  in  de  verbinding  scone  ende 
bequame,  waarin  bequame  nu  eens  eene  ver- 
sterking van  scone  en  daarmede  gelijkbeteekenend 
is,  dan  weder  op  de  innerlijke  hoedanigheden 
ziet,  en  door  lief  moei  worden  weergegeven  (zie 
onder  5).  Welke  der  beide  beteekenissen  bedoeld 
is,  is  dikwijls  moeilijk  uit  te  maken.  ||  Doe  God 
onse  here  Adame  ghemaect  hadde  scone  ende  be- 
quame, Doet.  II,  1739.  Sy  droech  hem  goede 
minne,  om  dat  hi  schoen  was  ende  bequaem, 
MLoep  III j  532.   Quercus  dats  der  eiken  name, 


een  scoen  boem  ende  bequame,  Nat.  BI.  Y,  743. 
Ene  maghet  ghaf  men  hem  saen,  die  vroet  mg, 
scone  ende  bequame ,  Rijmb.  2094.  (Maagden)  die 
scone  waren  ende  bequame,  6180.  Sjm  wyf  nis 
scone  ende  bequame,  7952.  (Abggail)  was  wgs, 
van  woorden  soete  ende  daer  toe  scone  ende  be- 
quame, 9564.  Uwen  sconen,  soeten  lechame,  die 
so  scone  es  ende  so  bequame,  Fitz/. 8297. (^oiiiai] 
scone  ende  bequame,  Franc.  8056.  Hoort  hier  die 
selve  groete  scone,  bequame  ende  soete  (nl.  Ah 
Maria),  Lsp.  II,  42,  1.  Met  miraclen  scone  ende 
beauame,  Sp.  III*,  1,  20.  Een  voghelkp  scone 
ende  bequame.  Nat.  BI.  TH,  2644.  Van  pliunen 
scone  ende  bequame,  3130.  Cyclada  dats  der 
crekelen  name,  some  vintmense  scoen  ende  be- 
quame, YII,  508.  Allee  dats  des  harinx  name, 
een  visch  scone  ende  bequame,  V,  95. 

2)  Van  onstoffel^ke  zaken.  Rein,  heerlijk.  W^vat 
claerheit  bequame,  keerde  hi  (God)  te  bant  op 
Adame,  Lsp.  II,  36,  1747.  Doe  voer  die  ciele 
bequame  uut  Marien  lichame,  in  Jhesus,  haen 
zoons ,  scoot ,  II ,  57 ,  35.  Sijn  anschijn ,  dat  be- 
quame hemelsche  licht,  bespuden  sij,  Vod.  Mut. 
2,  434. 

3)  Aangenaam  voor  den  reuk,  het  reukorga» 
s  tree  lende,  lekker,  welriekend.  ||  O  mme  dat  sjn 
roec  es  bequame,  Nat.  BI.  V,  1103. 

4)  Aangenaam  voor  den  smaak,  lekker.  ||  Lepu 
es  des  basen  name;  sijn  vleesch  es  vele  lieden 
bequame,  II,  2564.  Ostrea  dats  des  oesters  name, 

Shesont  visch  ist  ende  bequame,  V,  815.  Momi 
ats   des   moerboems   name,   sine    vrucht  die  es 
bequame,  523. 

6)  Van  het  karakter,  de  innerlijke  eigenschappe* 
gezegd.  Aangenaam,  lief,  beminnelijk.  ||  Van  goeden 
seden  ende  van  levene  bequame,  Sp.  11^,  SI,  16- 
Vgl.  verder  het  onder  1)  bg  scone  ende  be 
quame  aangemerkte.  —  Ook  in  den  voc.  gebruikt 
van  den  aangesproken  persoon ,  evenals  ons  Hef.  II 
Lof  ende  danc ,  God  here  bequame ,  soe  moet  u  ewelic 
toe  vloyen,  Blisc.  v.  M.  780.  Die  ridder  seideiNa 
segt,  bequame,  hoe  es  uwe  kerstine  name,  ^• 
V ,  74,  41. 

6)  Met  eene  door  den  3den  nv.  of  een  voorz.  uit^ 
drukte  bepaling.  Aan  iemand  aangenaam ,  gezien  ^;, 
dierbaar  aan,  welgevallig. 

a)  Van  personen.  ||  (Hi)  ware  in  alre  wijs  Gode 
bequamere  dan  du  sijs.  Franc.  2941.  Dat  hi  vele 
waerder  waren  ende  bequamer  .  .  .  Gode  na 
hemele  onse  here,  3154.  Om  onsen  here  te  sine 
became ,  9949.  Die  dochter  was  hem  zeer  beqwuntj. 
MLoep  IV,  1116.  Hi  (de  steen)  maectcn  behen- 
dich  diene  hout,  bequame  den  lieden,  staerr  ende 
stout.  Nat.  BI.  XI,  1255.  —  Ook  met  weglating 
van  den  3den  nv.,  als  bekend  voorondersteld  oi 
anders  uitgedrukt.  ||  Hi  (de  droeve)  en  es  nerjha 
bequame.  Boet.  III,  1364.  Hi  (d^  agaai)  maectei 
bequame  ende  lief,  Nat.  BI.  XII ,  57. 

b)  Van  zaken.  Aangenaam,  dterbaar  aan\  iet 
is  mi  bequame,  het  doet  mij  genoegen,  ^ 
is  naar  mijn  zin.  ||  Segt  welc  u  bequamer  si,  sot 
tanesiene  uwe  vriendinne,  soe  gepens  van  n»» 
sinne,  alse  gi  bi  hare  uiet  en  sijt,  Ctss.  1551 
Daer  omme  sijn  u  die  selve  wort  soe  bequame  .  - 
dat  ghijs  wet  eiken  danc,  Beatr.  646.  Segt  nv» 
wille  in  Gods  name,  hi  sal  mi  siin  herde  beqaamf* 
Limb.  VI,  1541.  Dinghen,  die  den  oghen  wd 
ghelinghen  of  der  herten  syn  bequaem,  Hil^I- 
223 ,  10.  Dat  si  (de  Jeeste)  bequame  moete  we»*" 
hem  allen  diese  hoeren  lesen,  Limb.  XI,  7.  Ü  *« 
waren    bat   bequame,   beter,   meer  naar  den  fl»j 


897 


BEQU. 


BEQU. 


898 


scone   ghewade   ende   goede   cleder,   Beatr,   264. 
Selke  (bloemen),  die   haer   beqname  wesen,  Flor. 
2901.  Dienst,  die  n    beqname   doch  te,    Rote  fr. 
254,    89.    Die    dienst,    die    de    goede   doet,    es 
6ode  beqoamer,  L»p.  II,  62,  37.  Sijn  dienst  was 
6ode  80  beqname,  Bijmb.  21482.  Dat  u  mijn  ster- 
Ten  soe   si   beqname,    Belg.    Mu*.    1,    117.   God 
(1.   Oodé)   is    beqnamer   rechten   ron    van   sonden 
dan  alle   die    bedevaert,    Stemmen  38.  Dat  woert 
was  6ode  beqnamer,  Ruusb.  3,  93.  Ie  ontfa  .  .  . 
Dwen  heyligen  lichame,  die  is  my  soete  ende  be- 
quame,  Rnusb.    5,    14.    Boesheit   nyemant  en  is 
beqnaem,   MLoep   I,   3175.  Desen  name  was  hem 
harde   wel  beqname,  Theoph.  141.  Dese  wort  syn 
hem  beqname ,  Bmnn ,  ende  daden  hem  so  sochte ! 
Rein.  1 ,  620.  Want  si  (mildheid)  Gode  beqname  sy , 
Velth.   I,  33,  73.  —  Vooral  met  het  onb.  vnw. 
het  (dat)  als  ondw.  Het  is  mi  beqname,  het 
M  mij  aangenaam,    het   is    mij    lief,   het  is  naar 
mjn  genoegen,  ik  heb  lust,  ik  ben  genegen,  ik  wil. 
Alst  n  es  beqname,  als  het  u  belieft.  ||Waert 
dat  u    beqname   ware  .  .  .,    men   sonde  mi   niet 
verdri?en.    Maer   es   dat    sake    dat  n   es  leet,  ie 
mme  die  berberge  gereet,  Ferg.  832.  Alst  onsen 
Here  was  beqname ,  so  wan  hi  an  hare  enen  sone , 
Rijmb.  15160;    „toen  het  met  Gods  raad  overeen- 
kwam,  toen    God    het   wilde.^''   Ridder,  eist  n  be- 
qname ,  nn  seeht  mi  wies  ghi  n  gheneert ,  C.  en  El. 
487.  Dat  was  hem  allen  wel  beqname ,  dat  hi  ont- 
fine  den   groten   name,   Ferg.   249.  Dat  het  ware 
hare  beqname,  dat  soene  te  manne  name,  Sp.  l'', 
11,  43.  Vrouwe,  sint  n  es  beqname,  soe  doe  iet 
gheme,    jAinb.   VI,    1011.   Dat  ware  mi  vele  bat 
beqname,    1321.   Ie   moneghe  jon,  dat  moete  be- 
qname  Gode   s\jn  ende  sire   moeder  mede.    Wal. 
4100.  Het  es  mi  beqname,  wat  soe  mi  doet,  7733. 
Hets   mi    beqname   van  jon,    mddre,   4580.  Dat 
was   Fransoyse   zere   beqname.    Franc.  4602.  Zoo 
ook   Hild.    1,   37;  58,  172;  119,  185;  202,  265; 
Tien  PI.  2189;  Ferg.  1041;  OVl.  Qed.  2,  51i.  — 
Ook  in  verbinding  met  andere  woorden  (bnw.  of 
znw.),  waardoor  de  bet.  van  lief  nog  duidelijker 
aan  het   licht   komt   (vgl.   boven   Ferg.   832:  u  es 
befuame  —  u  es  leet).  \\  Meneghen  waest  beqname 
ende  lief,  L.  o.  H.  796.  Ie  wilde  wel,  here,  waert 
nwe   bedarve  ent  n  beqname  ware  ooe,  here,  dat 
ghi   ons    blevet   emmermere.    Wal.    2534.    Opdat 
a  wille    es    ende   beqname,   ie   bidde  n,  segt  mi 
nwen    name ,   Lansl.  455.   Waert  n  wille  ende  be- 
qname,  so   sondie  gheme  nwe  name  weten.   Wal. 
2779.   Oft    n    wille  es  ende  beqname,  5318.  £est 
hen  beqname  ochte  verdriet   {lief  of  leet),  s\  moeien 
haer  vonnesse  horen,  Lorr.  V,  176. 

Aanm.    —   In   plaats    van    den   3den  nv.  vindt 
men  somtgds  een  voorz.  gebrnikt,  nl.  vore  (d.  i. 
9oor  hef  aangezicht  van)  en  m  e  t  (d.  i.  bij) ,  maar 
alleen,  wanneer  er  van  God  gesproken  wordt.  || 
Afi   dunct,    dat  weldoen,    vrolije   sijn,  twe  punte 
8i)n   van  hoghen  naem  .  .  . ;   daer  om  sijn  si  vor 
Gode    beqnaem,    Vrouw.   e.   M.   VI,  57.  Wie    na 
hem  laet    goeden  name,  dat  hi  vore  Gode  es  be- 
qname, Doet.  III,  317.  Ongheveinst  in  eiker  stede, 
dits  met   Gode  beqname  sere,  III,  1200.  Ontfer- 
micheit  .  .  ,  die    vor   den    here    es  soe  beqname, 
BlUc.  V.  M.  983. 
B.  Van  becomen,in  den  zin  van  passen  (ald.  C). 
I.  Absolnnt. 

7)  Aan  het  doel  beantwoordende ,  gepast ,  geschikt , 
netjes.  ||  So  beqname  waren  haer  woert,  Wrake 
I,  1564. 

8)  By  uitbreiding.  Qoed  in  orde,  ongeschonden.  \\ 


Dese  heilege  lichame  was  vonden  snver  ende  be- 
qname, Sp.  W* ,  49,  43.  Na  den  brande  vonden 
si  beqname  gheheel  den  heilegen  lichame,  11^, 
69,  5.  (Herodes)  maeete  eiken  (muur)  also  be- 
qname, Bijmb.  31291. 

II.  Met  eene  bepaling  in  den  Sden  nv. 

9)  Passende  voor,  in  overeenstemming  met.  \\  (Den 
doode)  gaf  sijn  goede  sone  alsnlke  eere,  alsnlke 
werden ,  alse  beqname  es  der  erden ,  Sp.  III* ,  75,  66. 

III.  Absoluut  of  met  eene  bepaling  in  den  3den  nv. 

10)  Heihaam,  nuttig.  ||  Daerbi  en  sonde  men 
niet  eten  dan  vor  dat  die  hongher  qname  an, 
soe  sonde  die  spise  sijn  beqname  ende  ghesont 
sijn  den  lichame ,  Doet.  III ,  1055.  Dat  merch  hier 
of  es  beqname,  wantet  ontslunt  den  lechame  ende 
es  goet  jeghen  den  heten  rede,  Nat.  BI.  IX, 235. 
So  sondet  syn  soe  veel  beqnaem,  die  zuete  spise 
mit  hongher  te  eten,  MLoep  II,  1788.  Si  syn 
nntte  ende  beqname,  (hun)  die  siee  syn  in  den 
lechame,  Nat.  BI.  VIII,  331.  Wantse  (de  trouw) 
eiken  heer  is  wel  beqnaem,  dat  hi  in  eren  set 
sijn  leven,  Hild.  207,  274. 

11)  Ook  in  de  thans  gewone  beteekenissen  van 
geschikt  en  knap ,  kwam  beqname  voor.  Zoo  b.  v. 
MLoep  II,  2621;  Franc.  8883;  Sp.  IV,  S,  80. 
—  Ook  als  znw.  gebr.  in  den  zin  van  geschikt, 
knap  man,  Sp.  U" ,  38,  72  (het  lat  heeft  geheel 
iets  anders,  nl.  duo  albati). 

Als  BiJW.  —  1)  Met  den  3den  nv.  Gode  be- 
qname, op  eene  Gode  welbehaag lij ke  wijze,  \\  Leve 
Gode  beqname  ende  wes  ghestorven  alder  werlt. 
Stemmen  18. 

2)  Op  eene  gepaste,  geschikte,  waardige  wijze.  \\ 
(Die)  ghewaden  .  .  .  daer  men  op  sacreert  be- 
qname Gods  ons  heren  lichame,  Lsp.  II,  48,  26. 
Assnria  .  .,  dat  van  Assur  .  .  ontfine  sine  rechte 
name,  ende  bleef  hem  ooe  sint  beqname,  Alex. 
VII,  1033. 

3)  Op  eene  verstandige,  bekwame  wijze.  \\  Een 
epistle  sereef  hi  beqname  vander  drievoldechede , 
Lsp.  II,  44,  188. 

BEQUAME,  znw.  vr.  Van  becomen  (zie  ald.). 
Genoegen,  genot  (vgl.  onze  nitdr.  ri;W  bekomst  eten 
met  zijn  genoegen  eten). 

1)  Van  de  genietingen  des  lichaams.  Zingenot, 
lust.  II  Ter  vierder  nacht  saltnse  ontfaen,  (meer) 
omme  kindre  an  hare  te  winne,  danne  omme  dijns 
vleeschs  beqname,  Bijmb.  15635. 

2)  Van  geestelijk  genot.  Genot,  blijdschap, 
vreugde.  ||  En  es  geen  hoeeskijn  (in  den  hemel) 
oec  mede  .  .  .  noch  in  ziele,  no  in  lichame,  en 
si  vervult  met  alre  beqname ;  het  sal  al  vol  sijn  ende 
overvloeien  van  alre  bliscap,  Velth.  Vlll,  32,21. 

BEQUAMELIJC  (becamklijc.  Nat.  BI.  V,343 
var.),  bnw.  en  bijw.  Mnd.  bequemelik;  mhd.  be- 
gtuemelich.  In  zyne  verschillende  beteekenissen 
geheel  overeenkomende  met  beqttame ,  doch  minder 
in  gebruik  (zie  ald.). 

A.  Van  bequame,  in  den  zin  van  aangenaam  (ald.  A). 

a^  Absoluut. 

1}  Aangenaam  voor  het  oog,  schoon,  liefelijk, 
lief,  ook  in  verbinding  met  scone.  ||  Scone  was 
hi  ende  beqnameltjc  Hector;  Parise  haddi  ghelijc, 
Parth.  219.  Dat  hi  haer  so  bequamelijc  doehte, 
dat  soene  anders  minnen  moehte ,  5746.  Men  seghet 
over  waer,  dat  die  nature  noyt  ne  makede  so 
seonen  man ;  bequamelijc  was  hi  te  seonwene  an , 
6218.  U  oghen  claer  ende  nwen  mont  .  . ,  n  arme 
lanc  ende  slecht  ende  al  n  lijf  beqnamelike,  7470. 

2)  Aangentuim  voor  het  oor,  welluidend,  liefelijk. 
Vgl.  bij  het  Bijw.  1). 

29 


899 


BEQÜ. 


ÊEQÜ. 


900 


3)  Aangenaam  van  smaak  ^  lekker,  \\  Beqnamelic 
es  hi  in  sijn  eten,  maer  onverdnwelic ,  Nat.  BI, 
Y,  343.  fiequ&melic  tetene  ende  ehesont,  614. 
Een  stic  van  ere  honichraten ,  die  beqnamelic  es 
te  maten,  Rein.   I,  1117. 

4)  Aangenaam  voor  het  gevoel^  liefelijk^  prettig.  || 
Hoe  soete  het  doeit  {doei)  ende  hoe  bequamelic  daer 
in  {in  den  tuin)  te  sine,  Flor.  2645. 

6)  Met  eene  bepaling  in  den  3den  nv. 

6)  Aan  iemand  aangenaam ^  welgevallig^  genoeg- 
lijk voor  iemand.  Van  personen  en  Eaken ;  ook  met 
het  onb.  vnw.  het.  ||  Die  lucht  die  zoe  {de  bloem) 
te  ghevene  pliet,  die  es  hem  zeere  bequamelic, 
on.  Lied.  e.  O.  406,  72.  Dats  Gode  bequamelijc 
sere,  dat  men  hem  dat  gheeft  dat  heeft  macht  te 
nuttene  als  men  leeft,  Sp.  11^,  2,  58.  Oftic  noyt 
teneger  stede  dat  di  {Ood)  bequamelic  was,  dede, 
Lanc.  III ,  9826.  Also  es  die  ghere  nu  in  'mi ,  dat 
ie  Gode  beqnamelic  si,  i^.  11^,  36,  67.  Daticker 
80  ghedoe ,  dat  haer  iet  bequamelic  si ,  Parth.  3286. 
Daer  thaer  lief  ende  bequamelijc  ware,  6812.  Daert 
der  vrouwen  beqnamelic  ware ,  6262.  Latent  andren 
Inden  lesen ,  dien  dit  donct  beqnamelic  wesen , 
MLoep  III,  17. 

B.  Van  bequame^  in  den  zin  Ynn  passend ,  overeen- 
stemmend. 

6)  Overeenkomend,  overeenstemmend.  \\  Nochtan 
dat  vele  valsche  ghetughen  daer  quamen  .  .  ., 
maer  haer  ghetnghenisse  en  was  niet  bequamelyc , 
Runsb.  5,  217. 

7)  Met  eene  bep.  in  den  3den  ut.  Nuttig,  keil- 
saam.  \\  Exemplen  ...  die  ghenuechlijc  sgn  te 
hoeren  ende  bequamelijc  sijn  den  leeken,  Belg. 
Mus.  8,  273,  93.  Ghi  selt  u  tonghe  daer  toe 
breken,  dat  si  oec  soetelec  sal  spreken  nadat  be- 
quamelec  si  ende  goet,  Doet.  I,  252. 

Als  BIJW.  —  1)  Op  eene  aangename ,  welluidende 
wijze.  II  Die  stimmen  soe  bequamelike  singen  ende 
soe  soete,  dat  hi  bi  dien  dingen  niet  ne  waende 
horen  menscelike  die  stimmen,  maer  geestelike, 
Lanc.  II,  4013. 

2)  Op   eene  gepaste,   geschikte   wijze,  gepast.  || 
Niement   en  mach  hoger  noch  soeter  noch  bequa- 
meliker  grueten  of  loven  die  .  .  .  maghet  Maria, 
dan  mitter  engelscher  grueten ,  Bevoel  B.  (36)  84  v. 

BEQÜAMELICHEIT,  znw.  vr.  Mhd.  beguame- 
licheit. 

1)  Van  bequamelijc,  in  den  zin  van  genoeglijk. 
Genoegen,  genoeglijkheid ,  genot.  \\  Claerheit  ende 
vroy licheit,  bequamelicheit,  scoonheit,  enz.  O VI. 
Oed.  2,  51a.  Ay  Heere,  dese  scoonheit  en  es 
niet  te  grondeeme,  hoe  groote  bequamelicheit 
ende  hoe  groote  vroylicheit  .  .  .  ende  hoe  mue- 
ghelic  eyst  in  den  inghelen  coor,  63a. 

2)  Van  bequamelijc  in  den  zin  van  overeenstem- 
mend (zie  ald.  6).  Overeenkomst.  \\  (Si)  hebben 
een  bequamelicheit  mitten  duutschen  van  Germa- 
nien,  mer  si  en  gheren  noch  en  roven  so  niet, 
Barth.  621*. 

BEQUAMICH,  bnw.  Van  bequame.  Vgl.  mhd. 
bequemicheit  (Lubben  1 ,  237a).  Geschikt,  gepast, 
het  bijbelsche  wel  aangenaam.  ||  Nu  es  die  bequa- 
mighe  tijt  dat  alle  menschen  met  rechte  selen 
vresen  den  lesten  dach,  Runsb.  5,  103. 

BEQUECKEN.  Zie  beqüickf.n. 

BEQUEKEN,  zw.  ww.  bedr.  Vgl.  mhd.  bequicken. 
Opkweeken,  herstellen,  ver  f risschen.  Kil.  re/ocillare, 
reficere.  \\  Hy  moet  oec  kennen  die  vervnlicheden 
idelen  ende  de  geïdelde  bequeken ,  dat  hi  den  sieken 
kan   leden   te   getemperden   fuchticheden ,   Lanfr. 

13r.  Vgl.   BEQUICKEN. 


BEQÜELEN,  st.  ww.  bedr.  (*^^im/,  in  den  cooj. 
bequole,  bequolen  {Bmel.  341;  lAmb.  III;  1218;  t^I. 
Aiol.-fr. ,  Aant.  op  ts.  966).  Mhd.  beqwUi.  Yis 
quelen  (zie  ald.). 

1)  Evenals  onze  nitdr.  htt  besterven  bet.  ie% 
gevolge  van  iets  sterven,  zoo  bet.  beqnelen  eig.  U% 
gevolge  van  iets  quelen,  d.  i.  uitteren,  verhnjnen, 
wegkwijnen ;  Kil.  elanguere.  De  door  JonckbL  ii 
LÖrr.  Gloss.  opgegeven  bet.  in  zwijm  vallen  is 
minder  juist.  Vooral  als  het  gevolg  eener  ziekte 
of  van  honger.  ||  Den  man  die  inden  moet  al  verert 
is  ende  verwoet,  ende  bequolen  van  siechedeo, 
Troyen  7824.  Die  maget  flne,  .  .  die  hi  waende 
dat  in  tverdriet  van  hongere  sere  bequolen  wtre, 
Sp.  11^,  4,  81.  Nochtanne  wasse  (de  Arwwede) 
Hongeren  cameriere  ende  diende  hare ,  so  dat  agt 
bequal  ende  bemende  was  van  hongere  al,  Km 
9526.  —  Iet  beqnelen,  ten  gevolge  van  ieU 
wegkwijnen ,  uitteren ;  meermalen  in  verbinding  met 
sterven  of  besterven.  \\  Miins  leets  es  te  vele,hets 
wonder  dat  iet  niet  en  bequele,  Idmb.  I,  1329.  Ie 
ben  seker,  dat  iet  bequole  of  storve ,  en  vondicker 
niet,  III,  1218.  Die  so  groese  droeif heide  haven, 
dat  sij  id  beqnelen  .  .  oif  besterven  sullen,  XII, 
1078  var.  (deze  regels  zgn  uit  de  Nederrgnxche 
vertaling,  maar  de  woorden  zgn  Mnl.).  Die  vrouwe 
viel  in  rouwen  so  groet ,  dat  sijt  enen  tg t  bequiL 
Doch  so  ginct  over  haer  al,  want  syt  bestiref 
cortelike,  Lorr.  I,  730.  Hare  soude  dunken ,  sonde 
sijs  helen ,  si  sont  besterven  oft  beqnelen,  BoselZlkl. 

2)  Bij  uitbreiding.  De  treurige  gevolgen  van  ietx 
ondervinden,  eene  zaak  bezuren.  \\H.Gntc)ï  es  doot, 
die  oec  bequal  sine  gulsicheit,  Wap.  Bog.  1218. 
U  minne  die  moet  ie  bequelen,  Vtzd.  Jfia.2,202, 
68.  —  Het  bequelen,  het  bezuren.  ||  Heesters 
warent  {de  heiligen)  van  goeder  scolen ;  hare  woert, 
hare  daet,  hoe  syt  bequolen ,  verlichten  die  Heilige 
Kerke ,  Bincl.  340.  Dat  sy  niet  en  connen  ghehelen; 
.  .  ie  moet  beqnelen,  Sacr.  1232;  d.  i.  j,ik  wtoet 
het  b. ,  dat  zij*^  enz.  Dus  moet  ghy  met  my  thameer 
vleesch  derven,  ie  salt  dnchtich  bequelen,  ^d. 
Kluchtsp.  80,  49. 

Aanm.  —  De  bet  bezwijmen  schijnt  beter  te 
passen  Ned.  Kluchtsp.  91,  45:  |i  „Wat  sal  dtn  de 
reste  blijven ,  berecht  my  datte,  eer  ick  bequele," 
doch  dit  stuk  dateert  uit  de  latere  Middeleenweo. 

BEQUELLEN,  zw.  ww.  bedr.  Van  het  intr. 
quellen  (zie  ald.).  Eig.  ten  gevolge  van  iets  ftef- 
kwijnen,  en  bij  uitbreiding:  de  treurige  gevolgn 
van  iets  ondervinden,  het  bezuren.  Vgl.  BEQUELEN 
2).  II  Can  tfieesch  niet  doen,  so  ghi  secht,  so 
dincke  mi  dan  groet  onrecht,  dat  bequellen  noet 
die  overmate,  die  men  hem  secht  (/.  lecht),  l^sf. 
Bog.  352. 

BEQUICKEN  (BEQUECKEN),  zw.  ww.  bedr. Hkd. 
bequicken-.  Kil.:  refocillare,  reficere  (ex  Plintiool 
Verkwikken,  verfrisschen.  \\  Doe  Samson  datwiter 
ghedroncken  hadde ,  so  beequecte  (/.  beqnecte)  ki 
sinen  gheest  ende  ontfinc  weder  crachte,  D.  B. 
Recht.  16,  19.  Watere,  meer  hem  daer  mede  te 
beqneckene,  dan  om  te  drinckene,  Judith  7,  7. 

-BER,  toonlooze  vorm  van  -boer,  die  niist 
-boer  in  \  mnl.  als  in  andere  ogerm.  talen  jnto- 
malen  voorkomt  Vgl.  Weigand  1 ,  142.  Het  i$ 
deze  uitgang  die  nog  by  ons  bestaat  in  dei 
vorm  — bre  (=  bere).  Zoo  vindt  men  mnl.  dém^ 
{Devoet  B.  (30)  23rf) ;  ondancber,  wamdelèer  {Bngu- 
2,  294,  299);  te  vmchtberre  {Devoet  B.  (30)  ör); 
onwandelber  (ald.  145r);  sienber ,  onsienber  (Bn^ 
1,  306);  enz. 

BERADELIJC,   bnw.  Van  hem   beraden,  d.  i. 


901 


ËEÉIA. 


ÖEftA. 


902 


overleggen  (sie  ald.).  Overleggend^  voorsichiig^  om- 
zieAtig,  ingetogen.  \\  Scamel  in  haer  tale,  beradelic 
Tsn  ghedachten,  Èoee  v.  d,  L.  J.  14^. 

2)  Verraderlijk^  valecA,  bedrieglijk,  ||  Met  ere 
beradeliker  daet  worden  die  goede  cnapen  yerslegen , 
Velth.  VI,  27,  64.  Of  heeft  men  hier  te  doen  met 
wne  yerkeerde  lezing  voor  verradelike? 

BERADEN,  st.  ww.  bedr.,  wederk.  en  onz. 
Mnd.  beraden;  mhd.  berdten, 

Bedr.  —  1)  Baden^  raadgeven,  —  a)  Met  den  4den 
nT.  der  zaak  en  den  3den  van  den  pers.  Raden  ^ 
aanraden.  \\  Hi  hevet  n  qualike  gbedient,  die  n 
beriet  desen  ganc ,  Hein,  1 ,  550.  Ghegbeyen  .  .  . 
den  adyocaet  .  .  over  de  moynesse  die  bi  badde 
hemlieden  te  beradene  np  den  beesch  yan  den 
^ye  yan  Saint  Pol,  Invent,  v.  Brugge  3,  408. 
—  Ook  met  een  afb.  sin,  zonder  dat  de  pers. 
uitgedrukt  wordt.  |)  Hi  beriet,  datmen  voere  np  dat 
gediet,  Sp.  I*,  18,  33.  Dies  si  ontbieden  Pontiusse 
ende  doen  bem  beraden,  boe  si  dmeeste  gelove 
daden,  U*,  16,  84  (zg  laten  hem  rAi^^^;»,boe 
zij  de  grootste  eer  aan  de  Gode  zullen  bewijzen;" 
of  moet  men  opvatten  doen  bem  bem  beraden, 
laien  hem  giek  bedenken'^), 

b)  Met  den  4den  nv.  yan  den  pers.  Raadgeven^ 
raden ^  voorlichten,  \\  Pointen  ...  die  wel  moghen 
staen  in  staden  hem ,  die  heren  sullen  beraden , 
Heim.  1868.  (Hi)  bat,  dat  bine  beraden  sonde ;  die 
goede  man  vrageden  also  boude ,  waer  af  hi  raet 
sochte,  Lane,  III,  2867.  Dus  beriet  soene  ende  met 
desen  sciet  soe  yan  hem  wenende  sere,  ende  beyalne 
Gode  Onsen  Here,  ParM.  2356. Die  lude  leerde  hg 
ende  beriet,  .  .  wie  sQ  Goids  rijke  souden  moghen 
erweryen ,  Serv.  1 ,  3104.  Ie  ben  haer  gevangen  daer, 
inne  mach  u  niet  staen  in  staden.  Maer  radiit,  ie 
sal  u  beraden,  dat  wi  selen  den  pays  maken, 
IMab.  XII,  861;  y^  indien  gij  het  vilt,  dan  zal 
ik  u  raad  gevenP  Maer  God  onse  here  diet  al 
yeniet,  als  bi  {Josef)  dat  peinsde  (nl.  Maria  te 
verlaten),  hine  saen  beriet,  eum  inetruxit,  L,o.H. 
265.  {Joxef  en  Maria)  riepen  an  den  hoghen  God 
dat  hise  beriede,  339.  —  Ook  met  eene  zaak  als 
ondw.  Leiden,  voorlichten.  ||  En  sidatkerebivalschen 
rade  der  niders,  die  noit  doght  beriet,  Vad.Mtu, 
1,  383,  53.  —  De  onb.^wQs  als  znw.,  indeuitdr. 
Negeen  beraden  weten,  geen  raad  weien.\\ 
Wildi  mi  niet  dat  helpen  draghen,  so  en  wetic 
mijns  negheen  beraden,  O VI,  lAed,  e.  (7.255,659. 

2)  Door  zijn  raad  of  zijne  aaneporing  bewerken, 
uitwerken ,  veroorzaken.  Met  den  4den  nv.  der  zaak. 

a)  In  goeden  zin.  Bewerken,  tot etand brengen.  \\ 
Die  menech  goet  dede  ende  daer  toe  beriet,  Sp.  W, 
34,  2.  Diet  allene  bevet  beraden,  dat  die  riddren 
daer  s^n  comen,  Parih.  5922.  Dat  wonde  God, 
diet  beriet,  Serv,  II,  394.  Dat  was  sgn  wille  ende 
sijn  ghebot,  dat  ment  beriet  ende  began,416. 

b)  Meestal  in  kwaden  zin ,  zóó  dat  de  zaak  die 
het  voorw.  is ,  ten  nadeele  van  den  een  of  ander 
geschiedt.  Bewerken,  brouwen,  de  hand  hebben  in, 
aanetoken,  op  het  touw  zetten.  \\  Dit  heeft  beraden 
die  lede  nyt;  hi  si  vermaledijt,  diet  beriet.  Flor. 
157.  Die  beriet  strijt  up  Jonathas,  Rijmb.  19820. 
Diet  alremeest  berieden ,  sgn  som  van  minen  liefsten 
maghen ,  die  ie  node  sonde  bedraghen ,  Rein.  1 ,  2198. 
—  Vooral  verbonden  met  een  onb.  vnw.  (dit,  het) 
en  het  onb.  telw.  al.  ||A1  warent  heidine,  die  dit 
daden,  die  Joeden  haddent  al  beraden,  Rijmb. 
26401  (nl.  den  dood  van  Jezue),  Dit  beriet  al 
Jesabel,  die  coninghinne,  Achabs  wijf,  12758. 
Maximus,  diet  alberiet.  .  .  omme die seone keyse- 
rinne,    daer   hi   ane  leide  sine  minne,  Sp.  III*, 


28,  15.  Twi  maecstu  also  groot  gescal;  du 
heves  dit  beraden  al,  III*,  20,  53.  Dat  beriet 
her  Robbrecht  al,  £em.  29.  Omme  dat  wi  sine 
scade  niet  berieden ,  Brand.  1988.  —  Ook  verbonden 
met  een  afb.  zin  met  dat.  ||Hi  .  .  maecte  ende  be- 
riet, dat  al  tlant  van  Galylee  up  Josephuse  ward 
ghevee ,  Rijmb,  28236.  Hy  was  algader  maker  des 
ende  beriet,  dat  Philochetes,  Peans  soen ,  van  ons 
is  los,  Troyen  6962. 

3)  Deze  bet.  bewerken,  veroorzaken  in  verband 
met  een  pers.  gedacht,  voor  wien  men  iets  goeds 
uitwerkt ,  gaat  over  in  die  van  iemand  iets  bezorgen. 

—  a)  Met  den  3den  nv.  van  den  pers.  of  der  zaak 
en  den  4den  nv.  der  zaak.  Bezorgen,  verschaffen, 
verleenen.  ||  Oec  soe  en  ghenueghet  hem  niet  die 
verewe,  die  hem  beriet  die  nature  van  Godes 
halven,  V.  d.  Wiven  39.  Bidden  hem  dore  ge- 
nade, dat  hi  ons  succors  berade,  also  dat  onse 
jonchere  blive  in  sijn  goet,  in  sijn  ere,  Qrimb.  II, 
5318  (vgl.  5362  en  6233).  Si  minden  vrouwen  wel 
bekent,  scone  ende  edel,  up  sulc  covent,  dat  hem 
God  oyr  beriede,  Wap.  Mart.  II,  176.  Joncfrouwe, 
nu  moeti  beraden  mi  wapine  ende  ors . . ;  ie  salre 
u  toe  beraden  ghenoech,  Parth.  3287.  Doe  riepen 
si  an  Gode  ghenaden,  ende  hi  gaf  hem  ende 
heefse  (l.  heeft)  beraden  Calefs  broeder  Othoniel, 
Rijmb.  7217.  Doe  riepen  si  an  Gode  ghenaden, 
die  hem  enen  troost  heeft  beraden,  7243.  Die 
ere..,  die  hem  die  vader  beriet,  13698.  Icwane, 
u  God  dit  beriet,  3124.  Doen  riepen  si:  St.  Jan 
heeft  {d.  i.  heeft  het)  ons  beraden,  Tst.  BI.  1616.  Ie 
sals  u  also  vele  (honig)  beraden,  ghine  atet  niet 
met  u  tiene ,  Rein.  I,  592.  God  die  mi  beriedt  den 
droem,  Rincl.  750.  Dien  nacht  hadden  si  alder 
genaden,  die  hen  {d,  i.  hem)  die  clusenare  mochte 
beraden ,  Lanc.  II ,  45347.  Beter  wapine ,  dan  ie  n 
sal  te  desen  tomoye  beraden  al,  Parth.  4194. 
Daer  si  den  kerstenen  werclieden  van  Trasonne 
hare  spise  berieden,  Sp.  II*,  35,  13.  Sij  hadden 
hulpe  groot,  die  hon  der  goede  God  beriet,  Serv.  II , 
1524.  Doen  stichte  hij  te  Gorzlaer  .  .  eyn  Goids 
huys  berde  eerlijck;  provonden  h^  daer  toe  {d,  i. 
daarvoor)  beriet,  II,  2074.  Een  beter  (ors)  salie 
u  beraden,  Lorr.-fr.  I,  453.  Soe  als  die  weert 
is,  soe  beraedt  Godt  oem  {d.  i.  hem)  die  gasten, 
Spreuken  40.  —  Hiertoe  behoort  ook  Alez.  1, 1299  : 
II  Wonde  mi  God  also  beraden,  dat  welctijt  soe  ie 
doet  bleve,  sulc  eAi  cleerc  mine  daet  bescreve, 
d.  i.  „wilde  God  mg  dit  verleenen,  mij  dit  voor- 
recht schenken,''''  Het  bijw.  also  vervangt  de  plaats 
van  een  onb.  vnw.,  evenals  Eng.  so  en  Lat.  sic  of 
ita.  Zie  bij  also  en  so.  —  Ironiek  gebruikt 
Rein,  1 ,  638.  ||  Reinaert  meende  van  groten  slaghen; 
dat  was  dat  hi  hem  beriet. 

b)  Met  den  4den  nv.  van  den  pers.  of  der  zaak, 
en  eene  bep.  met  van  of  mede  ter  aanduiding  van 
den  pers.  of  de  zaak,  welke  men  iemand  bezorgt. 
Voorzien  van,  begiftigen,  beschenken  met,  iets 
schenken  aan,  \\  Doe  riepen  si  an  Gode  ghenaden 
ende  hi  heeft  hem  (ace.)  beraden  met  enen 
prophete,   Rijmb,    7445.    Na   paues  Stevene  wart 

fecoren  .  .  een  paues  die  Gelasins  biet,  daer  God 
ie  werelt  mede  beriet,  Sp.  IV*,  35, 1.  Doe  waren 
vele  wel  (d.  i.  zeer  goed)  beraden  die  Grimberchsche 
heren  ende  voirsien  van  vele  lieden ,  Grimb.  1, 2679. 
Dat  hem  niemen  en  sonde  beraden  noch  van 
dranke  noch  van  ate,  Sp.  II*,  47,  42.  Die  lijfnere 
daer  hi  mede  beraden  die  goede  heeft  metten 
quaden,  tranc.  1433. 

4)  Met  den  4den  nv.  der  zaak.  Bezorgen,  in 
orde    brengen,    bereiden,    pi aepareeren ,    schikken^ 


903 


BERA. 


BERA. 


904 


regelen^  waarvoor  het  gewone  mnl.  woord  begaden 
is  (zie  ald.  en  verg.  onder  9).  ||  Sy  hadden  langhe 
daer  bevoren  haer  dinck  daer  toe  beraden,  alse 
die  wijsliken  daden,  -Sérp.  II,  1351.  Vgl.  Wederk.  3). 

5)  Met  den  4den  nv.  van  den  pers.  of  der  zaak. 
Verzorgen^  van  het  noodige  voorzien.  \\  Dan  ward 
die  werelt  als  die  bruut,  die  hare  vnlwassen  toghet 
al  nut  ende  met  vruchte  al  vuiladen,  als  diet  al 
wille  beraden,  Heim.  1103.  Gelijc  een  pottere 
maect  syn  vat,  sciep  God  eiken  ende  beriet  na  sijn 
gevoech ,  BincL  1013.  Dus  quani  die  riddere  beraden 
sine  wapine  ende  sine  gewaden  ende  syn  ors  scone 
ende  groet,  dat  was  al  be verwet  roet  algadermet 
sijns  selfs  blode,  Lanc.  11,  42595.  Staet  in 
staden  desen  cnape,  dat  hi  werde  beraden,  JAmb. 
X,  555.  Soe  wye  gberechte  ghecoechte  smaect, 
dat  is  die  gheen  die  Gode  uaect  want  hi  sellen 
wel  beraden,  Hild.  218,  151.  (Dat)  hidenlechame 
so  beraet,  dat  hi  hem  sine  nooddrufte  gheve, 
Heim.  1430.  Biddet  Gode  genade,  datti  u  berade 
ten  besten,  Vad.  Mm.  2,  42,  63.  —  Het  verl. 
deelw.  beraden,  van  het  noodige  voorzien ,  toe- 
geruit.  \\  Dat  gi  te  hove  comt  also  saen  so  tarnasch 
ende  so  beraden ,  dat  gi  mi  moget  staen  in  staden, 
Roie  fr.  248,  47.  —  Ook  gebruikt  van  iemands 
kinderen.  Ze  verzorgen ,  hen  aan  een  besf^ian  helden, 
hun  de  midelen  venchaffen  om  in  hun  onderhoud 
te  voorzien,  \\  Sidi  mit  kindren  verladen,  die  ghi 
niet  wel  en  cont  beraden,  so  doetse  dan  daer  toe 
keren ,  datsi  haer  ambocht  leren ,  Ltp.  III ,  3 ,  323. 
—  Daaruit  ontwikkelde  zich  de  speciale  bet.  van 

6)  {Zijnen  tinderen)  uitkeering  doen ,  een  huwelijkt- 
gift  medegeven ,  hun  uitboedeling  geven ,  hen  boedelen , 
hetzelfde  als  mnl.  een  kint  begeven  (welke  bet. 
bij  BEGEVEN  niet  is  vermeld).  Ëen  onberaden 
kint  is  dus  hetzelfde  als  een  onbegeven  tint.  Van 
hier  weer  de  beteekenis  uithuwelijken ;  vgl.  lat.  collo- 
care.  ||  Onse  kinderen  dat  wy  de  beraden  solen  nae 
rade  des  heren  van  Bronchorst,  Nijh.  2, 148  {a.  1360; 
vgl.  de  noot  ald.).  Waer  man  ende  w{jf  to  samen 
sitten  die  kinder  hebben  een  of  meer,  die  si  be- 
raden hebben,  Stadsr.  v.  Zwolle  129,  218.  Man  of 
vrouwe  die  een  kint  of  twe  of  meer  hebben,  dier 
si  een  deel  beraden  hebben  ende  een  deel  niet, 
130,  219.  Willen  die  kinder,  die  beraden  sin, dan 
inbrenghen  dat  goet,  ald.  Mer  en  wolden  dan  die 
beraden  kindere  niet  inbrenghen,  so  zolden  die 
onberaden  kindere  die  voerscreven  erffnisse  allene 
beholden ,  ald.  Die  met  hem  in  den  huus  wonen,  daer 
die  brudegom  ende  bruut  uyt  beraden  sijn,  Stadsr,  v. 
Zwolle  103 ,  152.  Vgl.  Nijh.  2 ,  148  noot.  Loveden  die 
kinder,  die  men  beriede ,  vader  of  moeder  niet  te  ont- 
gheven  of  te  ontmaken ,  131 ,  222.  Waer  man  ofte 
wijff . . .  oer  dochter  beraden  ende  boedelinge  geven , 
Etst.  V.  Dr.  16.  Als  vader  ende  moeder  starven  . . ., 
die  beraden  kinderen  hebben.  Racer  4,  231.  So 
sullen  die  geene,  die  beraden  sijn,  dat  goet  weder 
inbringen ,  ¥r.  Stadr.  205,  115.  Vgl.  onbiraden, 
ald.  —  De  intrans.  opvatting  van  dit  beraden, 
zie  bij  Onz. 

7)  Met  den  4den  nv.  van  den  pers.  en  eene  bep. 
met  van.  Iemand  beschutten^  beschermen  tegen.  || 
Dus  souden  die  starke  ende  die  vroede  den  cranken 
nemen  in  hare  hoede  ende  bewaren  ende  beraden 
beide  van  scanden  ende  van  scaden ,  Nat.  BI.  III , 
3205.  Die  hoecheit  {van  Maria^s  genade)  heeft  den 
Hemel  beraden  van  den  valle  die  zi  daden  die  nu  zijn 
helsche  keitive ,  Lett.  N.  ^.  5* ,  80.  —  De  onb.  wijs 
als  znw.  gebruikt.  Bescherming^  hoede.  \\  Of  zoedi 
minde  zo  overzeere,  dat  zoe  haer  bode  (praet. 
QOnj.)  in  dijn  beraden,  OFl.  Lied.  e.  G.  512,  556. 


8)  De  gewone  bet.  van  iemand  beraden  is  die 
van  iemand  helpen^  bijstaan^  hem  met  raad  en 
daad  ondersteunen.  Vgl.  het  Lat.  consuUre  alietn. 

a)  Met  een  menseh  als  ondw.  ||  Hem  salmen  mit 
herten  fijn  gheven  ende  staen  in  staden,  helpea 
ende  ooc  beraden,  Lsp.  III,  22,  14  var.  Die 
joncfrou  was  te  voren  mit  anderen  saken  soe  be- 
laden, sine  conde  mi  niet  wel  beraden,  Hild. 
53,  122.  Hi,  diese  sach  in  berouwe  groet,  ont- 
faermde  hoerre  groter  noot  .  .  .  ende  seide:  hi 
soude  hare  bersten,  Sp.  P,  66,  150.  Eenvon- 
dighen  lieden  staen  in  staden,  ende  onnoselen  sal 
hi  beraden,  Jleim.  171.  Weduwen  ende  weysen 
die  troeste  hi  ende  beriet,  Serv.  I,  2226.  Die 
andren  lieden  stont  in  st4iden  ne  mach  hem  selveo 
niet  beraden,  Rijmb.  26487.  (Hi)  bat  Gode,  dat 
hi  sijn  volc  mochte  beraden,  Sp.  III ^,  2,  51. 
Want  si  guede  gesellen  (ace.)  beraden  als  si  mit  com- 
mer  sijn  beladen,  Fr.  e.  M.  XI,  133.  Noch  hevet 
hi  mi  wel  beraden  jeghen  meneghen  viant,Par^. 
7681.  So  bid  ie  n  dat  ghi  mi  beraet  als  die  vader 
doet  Hjjn  kint,  Segh.  2878.  Hi  ne  const  hem  niet 
beraden  noch  ter  noot  staen  in  staden,  10279. 

b)  Met  Ood^   Christus^  Maria  of  een  HeiUge  ah 
ondw.  Helpen^  bijstaan ^  genadig  zijn.  ||  Almechtich 
Vader,    ewich    here,   die    de   zonderen    dus    zere 
mids    sire   goedheit   can   beraden   ende    bringhea 
ter   eweliker   ghenaden,    Lsp.  II,  36,  2001.  Alau> 
ghewaerlike   als   ie   das   gheloove,  moeti  {Marie) 
mi    beraden,  dat  ie  een  deel  van  uwer  ghenaden, 
eer   ie   sterve,  ghenieten  moete,  Parth.  2479.  Ea 
es  sondare  groot  no  clene ,  ghine  {Maria)  moetene 
beraden  .  .  .;    nu    staet   mi,  vrauwe,    in   staden, 
on.    Lied.  e.  O.  51,  45.  Want  soe  {Maria)  hevet 
al    beraden,    soe    es  van  dien  sondegen  die  sake. 
Sp.    I',  66,  164;    „«/  zorgt  voor^  helpt  iedereen,^ 
Bi    Gods    gracie,    die    mi    beriet,  Flandr.  1,  260. 
Gode,  .  .  .  die  niemen  moghen  beraden ,  ^.  I*,  15^ 
27.    Maria   heeftene   saen   beraden,    I^,    75,   40. 
(Hi)    bat  oec  an  hare  ghenaden,  dat  soene  moest< 
beraden,   I^ ,    77,    69.    Dat    hem    God    ahsoe  be- 
riede,   Hild.    175,    71.    Hi  sal  die  dode  doen  op- 
staen  .  .  ;  den  meneghen  (4de  nv.  enkelv.  van  d*€ 
meneghe)  sal  Hi  beraden,  Wrate  I,  1758.  God... 
die  den  meneghen  heeft  beraden ,  Doet.  III ,  1001. 
Ghi    {Maria)   hebt   den    meneghen    beraden    ende 
ghetroest  van  zericheit,  Rijmb.  11.  Aenbedet  tkint 
ghereit . . ;  het  sal  di  thant  beraden ,  Lsp.  II ,  9 ,  157. 
Sinte  Servaes ,  die  mich  loeste  ende  mich  dae  alsoe 
beriet,  Serv.  II,  2538.  Zoo  ook  Tkeoph.  1371,  e.  e.; 
Franc.  440,  5952;  Fad.  Mus.  II ,  404 ,  50 ;  66;  C.  en  EL 
546 ;  1401 ;  fFal.  479 ;  Lanc.  II ,  43135 ;  Z.  o.  H,  3220; 
Limb.    IV,    1488;    Nat.   BI.    II,    62;  Boetps.  32, 
52;    130,    52.   —  Ook  als  bepaalde  formule  God 
berade  mi,  di;  oi  God  moete  mi,  di  bera- 
den, God  zij  mij  ^  ?«,  enz.  genadig.  Die  rike  Godt 
moet   mi    beraden,    Ferg.   3178.   Nu  soe  moet  ai 
God    beraden,   want   die   scouden    die   syn  mine, 
Fad.    Mus.     1,    393,    63.   Hier    es    tende:    Gv^ 
moete    ons   beraden,    Rijmb.   27096.    Belyn,    Gvtd 
moete  u  beraden ,  Rein.  1 ,  3213.  Nu  berade  ons  God 
van    paradijs I    Flovent   362.   Dat    u   God    berade, 
Teest.   465.   —   Ook   met  hef  gelut  als  ondw.,  bf 
persoonsverbeelding  voor  de  gelutsgodin.  \\  Tgelve 
sal    u    vele    bat   beraden,   tgelt   en    hulpt  n  m^i 
een  slee,   Fad.  Mm.  2,  167,  61. 

9)  Ironiek  gebruikt  gaat  de  bet.  helj^m  over 
in  die  van  toetakelen  ^  waarvoor  het  gewone  woord 
begaden  is  (zie  ald.).  Vgl.  onze  uitdr.  it  s»l  jf 
wel  helpen  ,  d.  i.  it  zal  je  een  duchtig  pak  siamf 
geven  j  gebezigd  tegen  iemand  die  straf  heeft  vs^ 


905 


BERA. 


BERA. 


906 


diend.  ||  O  wacharme,  geselle,  boe  sidi  dus  be- 
raden! Ie  vmchte,  u  ne  sal  staen  te  staden  ersa- 
tere  ter  werelt  nembermeer,  Lane.  II,  45144. 

10)    De   onder   2)  genoemde  bet.  bewerken,  per- 
oorcaken^  in  verband  gedacht  met  een  pers.,  voor 
wien   men   iets   kwaads,   i«ts  nadeeligs  uitwerkt, 
gaat    over   in   die   van    bezorgen,  berokkenen.  Met 
den  3den  nv.van  den  pers.  en  den  4den  nv.  der  zaak.  || 
Twijf  beriet   hem   enen   ban ,    so  dat  hi  was  des 
lantü   verdreven,    Sp.   IV*,  14,  22.   De  ghene  de 
hem    dat   berieden   mochten    si   haten,    waren    si 
vroct,    Stoke   V,    838.    Die   grave,    die   dit   der 
coninginnen   vri    beraden    hadde,   Limb.  III,  911. 
Nochtan  Reinaert  di  tal  beriet.  Rein,  I,  1926.  Hi 
sal    ons  beraden   menegen  strijt,  Lanc,  IV,  4660. 
Noch   so   souden   si  ter  vaert  Cristumme  de  doet 
beraden,   also  die  scriben  ende  die  phareseeusche 
daden,    Teest.   3523.  —  Vooral    gebruikelijk   ver- 
bonden met  een  znw. ,  dat  verdriet,  ttnart,  nadeel, 
onheil,  sckad-e   uitdrukt,  b.  v.    Enen  toren  be- 
raden,  iemand  verdriet  berokkenen,  het  hem  aan- 
doen, iem.  in  verdriet  brengen.  \\Ddi,et  sij  mede  be- 
zwaren haer  doghen,  groten  toerne  hem  {sibi)  beraden 
ende   hoir   herte    met   drucke  laden,    MLoep  IV, 
2196.   Hi   es  die  den  meueghen  ontherft  ende  be- 
raet    toren    ende    scande.  Wal.  9006.  Hi  peiusede 
dus  ,   dat   hi   hem    toren  beraden  soude  ende  ver- 
driet,   Segh.   5274.    Hi  soude  hem  beraden  toren, 
Sp.    11^,   35,  48.  Dies  sal  hi  hem  beraden  toren, 
Éincl.    1049.  Alse  u  de  viant  meneghen  toren  be- 
riet,   want  hi  a  ziele  beneet,  Vad.  Mus.  2,  402, 
20.    Een    wijf,   die   na  geselscap  steit,  haer  wert 
lichte  beraden  toren,  zij  wordt  Ucht  in  verdriet  ge- 
bracht,    komt  er    licht    in,   1,  78,  5.   (Si)  woude 
emmer  beraden  toren  haren  sone ,  Wrake  III ,  2244. 
Hoe    eens    den   schalken    wort   beraden   torment, 
hoe  zij  eent  gepijnigd  znll^n  worden,  Hild.  33,  9. 
81     hadden   ons    beraden    stoot   {tegenstand)   ende 
meneghen  man  gheslagen  doot,  Wittek.  v.  S.  117. 
AVat   ghi  mi  al  leets  beraet,  Sp.  V,  72,  34.  Zoo 
ook    enen    leet  beraden.  Flor.  1910;  Rincl.  1154; 
^ad.  Mus.  2,  43,  118;  JBrab.  T.  VII,  15315. Enen 
noot  beraden,  Brab.  Y.  VI,  5893;  Stoke  11,797; 
Fragm.  Carl.  78.  Enen  arch  beraden ,  Sra^.  y.  VII, 
15325.   Enen   wee   b.,  MLoep  II,  777;   Lanc.  II, 
45383,  45795.   So  wee.  Ren.   1021   en   1067;   E. 
nose  b.  Segh.  9214.  E.  pine  b.,  S^.  IV»,  58,  45; 
G/or.    116;    Rein.    I,    2976;   Amand  II,  4621.  E. 
ongheval  b.,  Parth.  3020.  E.  rouwe  b. ,  Stoke  V, 
436.  E.  pleit  (moeite)  b.,  Lanc.  IV,  4591.  E.  ducht 
b.,  £rab.  r.  VI,  9604.  E.  vernoyb.,  ParM.  1756; 
Hor.   Belg.   12,   39,   319;   Bild.,   Versch.  4,  131. 
£.   scande  b.,  Theoph.  106;  Wal.  5671 ;  E.  scande  b. , 
Heim.  663;  Stoke  II,  137.  E.  scande  ende  scade  b. , 
Runsb.   5,  256;  Troyen  6960.    E.  scade  ende  ver- 
driet   b.,    Trogen   6496.    E.    lachter  b.,    Theoph. 
319.    E.  grief    b.,    Segh.    11512    var.,   9791    var. 
K.    meskief  b.,    Segh.   9791,    11512.    Scade    ende 
Terlies    b. ,  Lorr.  fr.  III ,  288.  —  Ook  met  eene 
xaak   als   ondw.  ||  Loghene   es    ene  mesdaet,  die 
live  ende  ziele  evel  beraet,  Tien  PI.  1845. 

Wederk.  —  1)  Eigenlijk.  Met  zich  zelven  te 
rade  gaan,  zich  zelven  raitdgeven. 

a)  Absoluut ,  of  met  eene  bep.  met  van,  op  of  om, 
thans  alleen  met  op  verbonden.  Zich  bedenken ,  met 
zich  zelven  te  rade  gaan.  \\  (Dal)  si  hoir  woude 
beraden  ende  antwoorden  hem  met  goeden  staden, 
MLoep  IV,  2081.  Nu  beraet  jou  van  desen.  Wal. 
4042.  Ie  wilre  my  gherne  om  beraden,  Troyen 
3140  (var.  op). 

b)  Met    een   vragenden   bijzin.   Overleggen,  met 


zich  zelven  raad  houden.  ||  Die  beste  van  den  lieden 
hem  bespraken  ende  berieden;  si  souden  hem  .  . 
alle  bespreken  ende  beraden,  .  .  watter  Orestes 
best  toe  dade,  Troyen  9365.  Doen  berieden  hem 
die  keytive ,  weder  si  wouden  hare  wive  varen  besien 
ende  hare  kinder,  Alex.  VI,  497.  Hi  ontboet 
hem  of  si  wouden,  dat  si  hem  beraden  sonde, 
weder  si  hem  wouden  ontfaen,  so  met  stride  weder- 
staen,  III,  593.  Die  Joden  ghinghen  hem  be- 
raden, wat  si  best  metten  boute  daden,  V.d.Houte 
615.  Oft  ghi  iet  vemaemt,  hoe  si  hem  berieden, 
waer  si  souden  varen,  doe  si  henen  scieden. 
Flor.  1896.  Dat  si  hem  berieden  in  welker  wyse 
dat  hi  mochte  helpen,  Amand  11,  71.  Soe  dat  si  hem 
berieden,  wat  hem  best  te  doene  wa.Te,Bsop.  XXIX,  2. 

c)  Met  een  byw.  van  wijze.  Het  aan/eggen,  te 
werk  gaan,  het  overleggen.  ||  Nu  hoirt  hier,  hoe 
hi  (Ulixes)  hem  beriet,  nl.  om  Achilles  te  vinden, 
MLoep  II,  2896.  —  Ook  een  besluit  nemen,  be- 
sluiten. II  (Hi)  hevet  hem  also  beraden,  dat  hi 
hem  sette  an  Gods  genaden,  Sp.  III*,  21,  15. 
Des  wilde  hi  hem  also  beraden ,  dat  hise  in  paise 
upnemen  wilde,  Rijmb.  29984.  Een  mocht  hem 
so  beraden,  hy  mocht  den  eisscher  syn  eisch 
belyen.  Of  die  heisscher  mocht  hem  so  beraden, 
hy  mocht  den  anderen  onlusts  verdragen  of  qujrte 
scelden ,  Matth.  142.  —  Vandaar  de  met  het  deelw. 
gevormde  uitdr.  also  beraden.  Zie  het  volg.  art. 

d)  Met  eene  bep.  met  het  voorz.  met,  gevolgd 
door  een  persoon  of  eene  zaak. 

a)  Met  een  persoon.  Te  rade  gaan ,  raad  houden , 
beraadslagen.  ||  Dan  sullen  wi  met  desen  heren  ons 
beraden  ende  bespreken ,  hoe  wi  ons  best  ghewreken. 
Rein.  1,  434.  Een  vroet  man,  die  Chusi  biet, 
daer  hem  David  mede  beriet  dicken,  alse  h\js 
hadde  te  doene,  Rijmb.  10439.  Ghi  soutu beraden 
met  uwen  besten  vrienden  ende  maghen,  Melib. 
2079.  Die  mitten  wisen  hem  beriede,  hi  soude 
hem  seker  bet  bewaren,  Hild.  88,  82.  Zo  zonde 
hem  de  ziekeheeren  gherne  bespreken,  beraden 
ende  bevroeden  met  manlic  andren  ommegherecht 
vonnesse  te  ghevene ,  Belg.  Mus.  7 ,  93.  Soe  beraet 
hy  hem  mit  synen  talman  ende  mit  synen  vrienden 
ende  als  hy  hem  beraden  heeft,  soe  komt  die 
talman  mit  dier  achtinghe  in.  Dingt.  v.  Delft  28. 

^  Met  eene  zaak.  Te  rade  gaan,  te  werk  gaan.  \\ 
Redene   es    nu   sere  versmaden  .   . ;  woudic   met 
redenen  mi  beraden ,  het  soude  tallen  steden  scaden, 
Kerk.  Cl.  131. 

2)  Overleggen,   het  pUn  maken,  zich  voornemen. 
II  Mettien  dat  si  hem  berieden ,  dat  si  wonden  ten 

tornoye  varen,  Limb.  V,  502.  Wel  si  XX.. jonge 
lieden  hadden  hem  beraden ,  dat  sy  Keyen  souden 
scaden  ende  scande  doen ,  Velth.  Il ,  16 ,  50.  Ende 
wat  lande  hem  beriet  jegen  Rome  te  settene  iet, 
dat  heelde  verscndde  entie  belle  clanc,  Sp.l*,26, 
59  (nl. :  hem  beriet  hem  te  settene,  „zich  voor- 
nam, om  zich  in  een  of  ander  opzicht  (iet)  tegen 
Rome  te  verzetten^*).  Een  pape  ...  die  hem  te 
makene  beriet  ene  muelne.  Franc.  8736. 

3)  Zich  gereed  maken,  zich  praepareeren  (vgl. 
BERADEN  4).  ||  Die  heren  hem  allen  scieden  ende 
hem  te  slapene  berieden,  Troyen  568.  Grave  Dirc 
.  .  vergaderde  een  groot  haer  .  .  ende  tooch  in 
enen  harden  vorst  .  .  tAlcmar.  Daer  hadden  hem 
die  Vriesen  stoutlic  tegen  beraet  (/.  beraden), 
zich  er  op  gepraepareerd ,  zich  er  tegen  voorzien, 
maatregelen  er  tegen  genomen ,  Clerc  48.  Amelis  . ., 
die  hem  wech  beraden  vaert,  d.  i.  die  wechvaert 
hem  beraden,  Brab.  T.  II,  327  (Sp.  III»,  77,68; 
die  hem  woch  te  beraden  vaert). 


907 


BERA. 


BI!:RA. 


908 


4)  ZicA  verzorgen.  —  a)  Eigeulijk.  Op  zijn  heil 
letten^  voor  zich  zelven  zorgen,  ||  Doe  mi  til  ij  c  dijn 
ghenaden  bekinnen ,  Uere ,  ende  mi  beraden ,  Boetp*, 
143,  33.  Nu  eest  tijt,  dattu  di  selven  (ChritlM 
aan  het  kruit)  beraet«;  na  soutn  weten,  bestn 
God,  qnite  di  selren  sonder  spot,  L,  o.  H.  3110. 
Die  sinen  tijt  hier  wel  bedrivet  met  goeden  wille 
ende  met  weldaden,  .  .  hi  beeft  hem  zelven  wel 
beraden ,  Praet  687.  —  b)  Zich  verzorgen ,  in  zijne  be- 
hoeften voorzien ,  zich  generen ,  zijn  onderhoud  vinden. 
Hetzelfde  als  hem  behelpen,  hem  bedragen  en  ^^m 
bejagen.  Zie  ald.  en  vgl.  ber.\den  in  den  zin  van 
helpen  (ald.  8).  ||  Tanden  borge  ende  vanden  staeden, 
daer  ie  mi  wel  in  can  beraden.  Base  10962.  Dat 
wij  .  .  sloten  noch  steden  nummermeer  set  ten  noch 
nemen  en  sullen,  noch  ons  daer  mede  behelpen 
noch  beraden,  Nijh.  3,  359  (a.  1419). 

c)  Met  een  ontk.  bijzin.  Ëig.  voor  zich  zelven 
zorgen,  dat  iets  niet  geschiedt,  d.  i.  zich  vrijwaren 
tegen,  verhoeden,  voorkomen.  \\  Al  waric  sterker  dan 
si  vive,  sone  mochtic  mi  niet  beraden ,  ie  ne  moet 
sieden  ende  braden:  die  duvel  hevet  mi  so  ghe- 
bonden,  Wal.  558.  —  Over  het  deelw.  beraden 
van  dit  wederk.  ww. ,  zie  het  volg.  Art. 

Onz.  —  Het  onz.  ww.  beraden  komt  hoofdzakelijk 
voor  in  de  bet.  van  het  wederk.  hem  beraden ,  en  bet. 

1)  Overleggen,  zich  bedenken. —a)  Absoluut.  ||  Sinte 
Fransois,  staet  mi  in  staden,  help  mi  teser  noot 
beraden,  Franc.  8987;  „help  mij  in  dezen  nood 
overleggen ,  raad  schaffen.'*''  (Hi)  hiet  die  heren  beiden 
met  staden:  hi  wildem  antworden  ende  beraden, 
Sp.  III*,  50,  89;  d.  i.  volgens  onze  woordvoeging : 
yfieraden  ende  hem  antworden''^  {bf  te  verklaren 
hem  beraden?).  —  b)  Met  een  onb.  wijs  met  te. 
Overleggen,  zich  voornemen,  besluiten.  ||  Ooc  waren 
si  so  fel  van  levene,  dat  si  al  die  goede  metten 
quaden  ende  al  die  poort  hadden  beraden  t%  ver- 
dervene  ghemeenlike ,  Rtjmb.  31980  (lat.  „  decreverat 
perire).  —  c)  Met  eene  bep.  met  het voorz.  met. 
Beraadslagen,  overleggen,  te  ratte  gaan  met  iemand. 

II  Balaam  sprac:  Laet  mi  beraden  {of  moet  men 
de  woorden  opvatten  als :  laet  mi  mi  beraden  ?)  met 
onsen  Here  ende  blyf  te  nacht,  Rijmb.  6038. 

2)  Trouwen.  Plant,  beraden,  beraedt  doen, 
hylicken  oft  ]iovLweu,semarier.Yg\.BEK\DE'S, 
bedr.  6). 

Aanm.  —  Velth.  VI,  9,  3:  „Dese  (ClemensV) 
beriet  vele  dincs  eer ,  vor  dat  hi  dede  sinen  keer , 
dien  hi  den  Coninc  hadde  gegeven ^\  is  niet  duidelijk, 
doch  beriet  zal  ook  hier  wel  als  overlegde  op  te 
vatten  zijn.  De  door  Verdam,  Taalk.  Bijdr.  1, 
139 ,  voorgestelde  verandering  is  geene  verbetering. 

BERADEN,  deelw.  bnw.  van  hem  beraden  (zie 
het  vorig  Art.).  Het  heeft  eene  opmerkelijke  over- 
eenkomst met  bedacht,  zoowel  in  bet.  als  in  ge- 
bruik (zie  ald.). 

A.  Als  bnw. ,  attributief  gebruikt. 

1)  In  de  uitdr.  Bi  beraden  rade,  met  voor- 
bedachten rade,  met  voordacht.  \\  Omme  dat  soe  bi 
beradenen  rade  Thanne  van  den  Zande  haren  wet- 
teliken  man  .  .  .  dede  jamerlike  ende  derliken 
quetsene,  Cannaert  155.  Die  huussuekinge  dade 
bi  dage  mit  beradenen  rade,  en  waer  op  sinen 
hantdadegen  viant  .  .  .,  hi  waers  om  X  pont, 
Heelu,  bl.  543.  — Mit  beradenen  moede,  na 
rijp  beraad,  jj  Mit  wael  beraidenen  moede  ende 
voirdrachten  synne,  Nijh.  3,  223  (a.  1400). 

2)  In  de  uitdr.  wel  beraden,  hetzelfde  als  w  e  1 
bedacht  (zie  ald.) ;  het  tegendeel  van  ons  tegenw. 
onberaden,   d.  i.  onverstandig.  Verstandig,  wijs.  \\ 
^.Ise    wise   lieden    ende    wel   beraden,   Cass.  962. 


B.  Verbonden  met  werden  of  sgn. 

1)  Beraden  sijn,  met  een  bijw.  verbonden, 
hetzelfde  als  het  meer  gebmikel^ke  wel  be- 
raden sijn  (werden),  eig.  goed  overUgd hebeen, 
d.  i.  verstandig  zijn,  een  juist  oordeel  hebben, 
gevat  zijn.  ||  Der  joncfrouwen  oom  waa  wel  be- 
raden, fTal.  4601.  Die  garsoen  was  wel  beraden; 
hi  seide:  Van  lachtre  ende  van  scade,  here,  so 
verde  jou  God  onse  here.  Wal.  1881.  Die 
sciltcnechte  worden  wel  beraden,  ende  quamen 
ghelopen  altehant  tote  Waleweine,  2516:  «z^  deden 
verstandig,  deden  er  wel  aan,  dat  zg  naar  Wale- 
wein  snelden."  Die  sinen  kindren  so  vele  doet, 
dat  hi  hem  namaels  bidden  moet,  hi  en  is  niet 
beraden  wale,  Lsp.  III,  3,  331.  Ygl.  ook  be- 
PEiNST  SIJN.  —  Crankelike  beraden  sgo, 
onverstandig  zijn ,  hetzelfde  als  evel  bedacht  sijn.  || 
Doen  wijs  niet,  soe  syn  wi  dom;  nochtan  vintmer 
noch  wel  zom,  die  cranckeliken  sijn  beraden, 
Hild.  178,  343. 

2)  Overleggen,  overdenken,  bedenken.  ||  Ay  jonc- 
frouwe!  nu  sgt  beraden  .  .  ,  hoe  ghi  mi  tliif  be- 
houden moget,  Lett.  N.  R.  1\  151,  63. 

3)  Overleggen,  besluiten,  een  besluit  newun, 
somtijds  met  bijvoeging  van  des.  Vgl.  ons  bnw. 
vastberaden.  \\YWv&Tï  sprac:  Nu  wert  beraden  ende 
gheeft  mi  antworde  van  den  saken,  Maleg.  375. 
Heren ,  sijd  beraden  ende  hebt  uwes  selfs  ghenadeo , 
Rijmb.  32027  {var.  sijds  beraden).  Also  dats  folc 
ward  beraden  dat  si  langer  niet  ne  wilden,  dat  si 
die  o  verbant  behilden,  30138.  Die  van  Rome  en 
wilden  nemmee  ghedoghen  die  overdaet  .  .  .  ende 
worden  anders  beraden,  dat  si  Pompeiuse  sendea 
int  lant,  Sp.  I*,  66,  14.  Dies  was  hi  sciere  be- 
raden, dat  hi  dus  sprac  te  Bruun  den  bere,  Rein, 
1 ,  478.  Here ,  seit  si ,  bi  ure  genaden ,  ie  sal  weseo 
alsoe  beraden ,  Cass.  1355.  Bi  inspiratien  des  heylichs 
geest  so  wert  hi  beraden  tot  geesteliker  ridderscap 
hem  te  geven  om  eewighen  loon  te  vercrggen, 
Exc.  Oron.  22a.  So  wert  hi  beraden,  mit  somige 
sinen  gesellen  te  gaen  int  clooster  te  Groenendale,  37/. 

4)  Met  den  2den  nv.  der  zaak.  Amn  of  over  iets 
denken.  —  a)  Aan  iets  indachtich ,  gedaehtieh  sijn.  jj 
Die  keyser  es  geheet  neder,  die  deser  woort  was 
saen  beraden,  ende  dede  af  sine  diere  gewadea, 
ende  hevet  hem  ontscoet,  Sp.  III •,  8,76. —  b)Op 
iets  bedacht  zijn.  Met  den  2den  nv.  van  een  aaaw. 
vnw.  of  een  afh.  bijzin,  jj  Een  ander  cnape  wis 
dies  bedacht,  ende  qnam  te  Gringolette  ghegmen, 
daerne  Waleweyn  liet  staen.  Wal.  838.  Hier  bi» 
elc  mensche  beraden,  dat  een  den  andren  sta  ii 
staden,  Nat.  Bl.  II,  1092.  Ie  belove  di  ooc  ghe- 
naden,  van  di  selven  wes  beraden,  Rijmb.  33129; 
j^wees  op  u  zelven,  uw  heil  bedacht,  zorg  toot  a 
zelven." 

5)  Ergens  op  verdacht,  voorbereid,  gepraepetrerri 
zijn.  Met  den  2den  nv.  des.  ||  Hi  sinde  om  vele 
liede,  dat  siere  quamen  te  sijns  soens  brnlocht  te 
samen ;  die  alle  hare  onsculde  daden ,  dat  sgs  niet 
ne  waren  beraden,  Rijmb.  25312. 

6)  Gestemd,  gezind  zijn;  in  eene  stemming  ver- 
keeren.  Met  het  bijw.  so  verbonden:  eoo  geUemi 
zijn ,  in  die  stemming  zijn  of  komen.  ||  Isegrgn  was 
so  beraden  .  .  .,  hine  wilde  des  laten  niet,  liiae 
vermaende  nichten  ende  neven,  dat  si  Beinaert 
bilden  vaste ,  Rein.  1 ,  1976.  Die  wet  {de  overkeii\ 
was  also  beraden,  dat  si  dien  mesdadegen  bis 
leggen  wonde  in  enen  ban,  Brab.  Y.  VI,  11564. 
(Si)  worden  also  beraden ,  dat  si  loveden  der  kersteae 
doen,  Sp.  II»,  10,  88.  {Omdat  ei)  also  warea  be- 
raden ,  datsi  ewelijc  in  souden  bleven  .  .  ,  so  staet 


909 


BERA. 


B  ERA- 


OIO 


hem  daer  ia  sine  ewelijc  in  die  pine,  Ltp.  I,  14, 
58.  Dat  ghi  also  8^1  benden,  dat  n  dat  van  herten 
si  leet,  ende  te  beteren  dat  syt  ghereet,  III,  1 ,  162. 
Almanien  quam  hem  scone  ende  Germanien  te  ge- 
naden; Lombardien  es  {d.  t.  es  des)  beraeden, 
ende  Ttalen  al  gemene,  Mex.  X,  1070. 

7)  Tot  iets  genegen^  bereid  sijn.  Het  den  2den 
UT.  des,  eene  bep.  met  t  a  n  of  het  bgw.  al  s  o.  ||  Die 
-wise  es  so  beraden,  dat  hl  wijsheyt  gherne  hoert, 
ende  met  rade  werket  voert,  Melib,  1735.  £ene 
dinc  bidstu  ml . . ,  dat  ie  mine  gode  verdreve . . . 
4aer  af  en  bem  ie  niet  beraden,  Sp.  III*,  6,  36. 
(81)  baden  hem  ghenaden,  doe  was  hijs  te  doene 
beraden,  III*,  57,  34.  Hl  was  dies  harde  wel 
beraden ,  dat  hise  hadde  doen  ontliven ,  maer  hine 
wilde  niet  meenedich  bliven,  Rijmb,  33470. 
Segt  Amen,  of  ghijs  sijt  beraden,  als  gij  wilt, 
34892.  Jonfrouwe,  des  ben  ie  beraden,  al  waert, 
dat  mi  sonde  scaden,  Limb.  YI,  151.  Da  best 
beraden,  dattn  wils  van  den  daden  spreken,  gij 
wDilt  over  de  dadelen  spreken,  Sp.  I*,  47,  42.  Si 
seiden  alle,  si  waren  beraden,  dat  sM  ooc  harde 
gherne  daden,  Bijmb.  4677.  Si  seiden,  dat  sQt 
l^eme  daden;  si  warens  saen  beraden, 2^/09^1»^  132. 
Amand  die  was  {d.  i.  was  des)  saen  beraden  ende 
seide,  dat  hijt  gheenre  dade,  Amand  II,  2671.  Si 
waren  dies  scire  beraden,  ende  seiden,  dat  sijt 
geme  daden,  Imc.  III,  18555. 

8)  Er  op  uit  zijn,  zich  ten  doel  stellen,  er  op 
èedaekt  sijn.  Met  het  bijw.  also  (so).  ||  Waerdiso 
beraden,  dat  ghi  wout  soeken  mijn  ootmoet  .  .  . 
ie  wonde  di  sparen,  Bein,  II,  7034.  Die  Hnnen 
-voeren  doer  die  lant  mit  heercracht ,  alsoe  beraden 
dat  sy  groten  scade  daden ,  Seru.  II ,  8.  Ware  enich 
man  so  beraden,  dat  hi  lant,  liede  of  staden  in  dis- 
corde  maken  wonde,  3/^^^.3178.  Willem,  Floreins 
acne  ende  Aden,  sijn  broeder,  was  dies  beraden, 
dat  hi  HoUant  onder  hem  dede,  Sp.  lY',  46,217. 

BERADEB,  znw.  m.  Yan  beraden  (zie  ald.). 

1)  Yan  beraden,  in  den  zin  van  raadgeoen, 
raden  (bedr.  1).  Baadsman,  en  by  uitbreiding  bestuur- 
der ,  regent.  \\  Hondert  oude  coos  hi  (Romnlus)  mede 
die  hiet  hi  beraders  vander  stede  .  .  .  ende  elc 
Tan  den  beraders  quam  .  .  .,  die  berechten  vyf 
daghe  die  stat  van  Bome;  doe  wert  daer  naPom- 
pilins  coninc  van  Rome,  ...  die  hiet  die 
beraders  Cenatnre,  Bijmb.  14421  (bü  Clignett, 
Bijdr.  213.)  Hoewel  iü  de  door  David  gebruikte 
Hbs.  op  de  drie  plaatsen  vaders  QxX.  patres)  lezen , 
200  geeft  toch  ook  de  lezing  van  Clignett  een  zeer 
g'ezonden  zin).  So  wie  scout,  scepen  of  raet  te 
Leyden  is ,  die  en  sel  nietghecoren  worden  goodshuys- 
berader,  gasthuysmeester,  berader  van  den  heyli- 
ghen  gheest.  Leid.  Keurb.  11,  2.  Dat  die  ghasthnys- 
beraders  {te  Leiden)  .  .  .  sien  (d.  i.  Bijn)  sculdich 
jaerlics  drie  pont  .  .  .  der  abbedissen  van  Rense- 
burgh,  OorJkb.  2,  396  6  (a.  1293).  Yan  den  beraders 
der  armer  hnyssittende  Inden ,  O.  W.  v.  Amst.  35, 
49.  Den  scoute  van  den  beraders  .  .  .  betoech  te 
bringhen,  ald.  —  Ook  in  den  zin  van  raadsman, 
auctor  coMt/u.  II  Lehartes,  heer  ülixes  vader,  dat 
was  Penelopen  berader,  MLoep  lY,  1477. 

2)  Yan  beraden  in  den  zin  van  helpen  (bedr.  8). 
Van  God  of  Christns  gebruikt.  Helper,  steun, 
trooster.  Heiland.  \\  Lof  hebt  dies ,  hemelsche  vader, 
want  ghi  mgn  troest  syt  en  bersider,  Blisc.  v.  M. 
1702.  Jhesus,  onser  alre  berader,  quam  sonder 
vader  van  Marien,  Bijmb.  4380. 

BERADICH  (in  dlal.  ook  beredich  ,  biredeg), 
bnw.  Mnd.  beredich.  Hetzelfde  als  het  meer  ge- 
bniikeiyke  geradich  (zie  ald.). 


1)  Yan  beraden,  in  den  zin  van  helpen  (ald.  8). 
Behulpzaam.  \\  (God)  wes  ons  daer  toe  beradich, 
dat  wi,  eer  ons  de  ziele  ontgheit,  ghecrighen 
sulks  vruchbaricheit ,  dat  wi  di  zien  ghenadich, 
daert  al  sal  syn  verladich,  OFl.  Lied.  e.  G.  439, 
87.  Yan  deme  heren  van  Bronchorst,  dat  uch  de 
behulplich  is  ende  beredich,  Nyh.  3,27  (a.  1376). 

2)  Listig,  slim,  \\  Dander  dat  din  vrede  stoer t, 
dats  der  lichame ;  die  vient  es  vel  {zeer)  biredeg ,  hi 
gaet  met  ons  slapen  ende  staet  met  ons  op ,  Limb. 
Serm.  101  d. 

3)  In  de  uitdr.  beradich  syn,  met  een  2den 
nv.  der  zaak. 

a)  Ener  sake  beradich  syn,  tot  iets  be- 
sl-oten  zijn,  iets  willen.  Ygl.  beraden,  2de  Art.  3).  1) 
God  es  ghenadich;  hi  mach  doen  dies  hi  es  be- 
radich, on.  Lied.  e.  Q.  497,  206. 

b)  Sgns  beradich  syn,  met  zich  zelven  raad 
weten,  niet  voor  zich  zelven  vreezen.  Ygl.  negeen 
beraden  weten  (Iste  Art.  1^).  ||  (Maria)  nem 
ziele  ende  lyf  in  dyn  bestier,  ie  bem  van  zonden 
zeere  verladich,  als  ie  (/.  die  ie?)  myns  niet  ne 
bem  beradich,  ald.  29,  76. 

BERAEST,  bnw.  Yan  roes  (dat  in  de  17de 
eeuw  nog  voorkomt;  zie  Oudem.  5,  762),  in  den 
zin  van  dwaling,  afdwaling  van  den  geest,  reuemtj. 

1)  Ferdwaasd,  zonder  bezinning  of  bewustheid.  \\ 
Als  dwase  lieden,  als  volc  beraest ende onbestiert, 
Brab.    Y.  Yl,  4920.   lek   biyve  staende  wel  soo 
beraest,  dat  ie  van  my  selven  en  wete  hoe  noch 
wat,  Mar.  v.  N.  6,  116. 

2)  Bazend,  woedend,  buiten  zich  zelven.  \\  Ie  sta 
van  herten  so  beraest,  dat  ie  en  weet  wat  visieren, 
Bubb.  35. 

3)  Benauwd,  in  verlegenheid.  ||  Nu  benic  beraest 
utermaten,  hoe  ie  mine  boetscap  seggen  sal ,  Xam/. 
820.  Ie  sta  beraest,  Plagerw,  105. 

Aanm.  —  Eerst  later  ontstond  het  ww.  beraesen, 
d.  i.  razend  maken  (Oudem.  1 ,  516 ,  vgL  510). 
BERAET.  Zie  baraet. 
BERAET,  znw.  o.  Mnd.  berdi-,  mhd.  berdt, 

1)  Yan  hem  beraden ,  in  den  zin  van  zich  bedenken 
(wederk.  1 «).  Uitstel,  vertraging.  \\  Waerom  soudic 
maken  lanc  beraet,  Troyen  f.  32  a  (Bénott  4478). 
—  Yooral  in  rechte.  Tijd  om  zich  te  bedenken, 
bedenktijd,  uitstel.  Ygl.  het  by  Kil.  voorkomende 
beraeddagh,  en  Lubben  1,239a, alwaar d^o^^ en 
dach  ook  als  synoniemen  verbonden  voorkomen.  || 
Die  rechter  nemet  op  sinen  danc  {op  eigen  gezag)  syn 
beraet,  ende  settet  uut  op  (/.  so)  lanc  in  vorsten ,  dat 
hem  des  lopens  verdriet ,  N.  Doet.  664  en  var.  Gheen 
dach  van  gnenachte  oft  beraet  moghen  nemen ,  Vad. 
Mus.  3 ,  336.  Enich  man ,  daer  een  oerdel  an  bestadet 
word  van  scepene  off  van  schuiten,  daer  ze  to 
richte  staed,  die  zyn  beraed  an  de  scepene  neemt, 
Stadsr.  v.  Zwolle  72,  76.  Ende  aldus  den  rechter 
yemende  beraet  te  geven  {d.  i.  dat  de  r.  iem.  be- 
raet geeft)  is  opcomen  eerst,  op  dat  ygelic  hem 
voirzien  sal  .  .,  dat  niement  hem  selven  noch 
andere  en  belaste  boven  recht  ende  reden,  Matth. 
143.  Geert  een  beraet,  geUkerwys  hy  geen  beraet 
crigen  en  mach,  die  rechter  en  oirloft  et  hem, 
also  en  moet  hy  mit  sinen  rade  niet  incomen,  hy 
en  moeten  bieden  ende  begeren  consent  des  rechters, 
syn  beraet  te  seggen,«/fl^.  (voor  het  laatstgenoemde 
beraet,  zie  onder  3).  Zoo  ook  Fr.  Stadr,  15 ,  18 ,  e.  e. 

2)  Yan  hem  beraden,  in  den  zin  van  beraadslagen 
(ald.  Wederk.  1  b).  Beraadslaging,  overweging, 
onderzoek,  \\  Die  daema  dan  noch  meer  broeck- 
achtich  ghevonden  worde,  daer  wolden  de  scepen 
een  zonderlinge  beraet  op  hebben ,  Stadsr,  v,  Zwolle 


911 


BERA. 


BERG. 


9i2 


119,  197.  Op  dat  ygelic  hem  voirzien  sal  mit 
goeden  berade ,  dat  niement  hem  selven  noch  andere 
en  belaste  boven  recht  ende  reden,  Matth.  143. 

3)  Van  hem  beraden^  in  den  zin  van  hesluiten 
(zie  ald,  \d),  De  vracht  der  heraadêlaging  ofover- 
weging^  het  bet  luit  ^  vooral  in  rechte.  ||  Syn  beraet 
te  seggen  ende  dair  op  syn  recht  te  formeren  ende  den 
scependom  by  te  brengen ,  Matth.  143.  Dat  niemant 
met  geenen  berade  nut  en  gaet,  hy  en  come  daer 
weder  mede  in ,  O.  R.  v.  Ihrdr.  1 ,  375  (de  bett.  1 
en  3  loopen  ook  hier  ineen).  Dat  beraet  sal  hy  weder- 
segghen  bynnen  viertien  dagen ,  ^V.  Stadr.  107 ,  142. 

^Huwelijk.  Plant,  beraden,  beraedt  doen, 
hy  Heken  oft  houwen,  se  niamr.  Zie  beraden, 
bedr.  6)  en  onz.  2),  en  Ommelander  Landr.  III ,  36, 
waar  ook  de  uitdr.  een  beraed  doen  voorkomt. 
Vgl.  Nijh.  2,  148,  noot  3),  waar  dit  evenwel  niet 
geheel  juist  vermeld  wordt. 

BERAETSAEM.  Zie  het  volg.  Art. 

BERAETSAEMHEIT,  znw.  vr.  Van  het  by 
Ril.  voorkomende  bnw.  beraedsaem,  ofschoon 
in  een  anderen  zin.  Beraedsaem  afgeleid  van  be- 
raden in  den  zin  van  helpen^  bijstaan  (bedr.  8) 
beteekent  behulpzaam^  waarmede  het  ook  in  vor- 
ming de  grootste  overeenkomst  vertoont.  Vgl.  hd. 
ratsam,  Beraedsaemheit  bet.  dus  dienstvaar£gheid  ^ 
attentie^  hulpvaardigheid;  in  het  mv.  attenties^  op- 
lettendheden. II  Sy  (de  lijfartsen  van  den  vorst) 
moghen  talier  hueren  in  de  camere  van  den  Prince , 
ende  syn  lieden  so  notable ,  so  goet  ende  so  groote 
clercken ,  als  sy  syn  moghen ,  met  vele  beraedsaem- 
heden,  Matth.  Anal.  1,  255. 

BERAETSAMICHEIT,  -hede,  znw.  yr.  Bespoe- 
diging ^  het  bieden  van  de  behulpzame  hand  in  de  eene  of 
andere  zaak,  ten  einde  haar  tot  een  goed  einde  te  brengen 
(vgl.  BERAETSAEMHEIT)  ||  Omme  de  goede  beraed- 
zamichede  van  den  voors.  appeele,  Invent.v.  Brugge 
4,  361. 

BERAETSTER,  znw.  vr.  Het  vr.  van  berader 
(z.  ald.).  Helpster,  beschermster.  \\  Weset  mijn  beraet- 
ster ,  helpt  my  ende  leet  my  of  daget  (/.  draget  ?)  my, 
daer  dijne  ontfermichede  houdt  stede ,  P<f/^nw  68r. 

*  BERAGEN,  verkeerde  lezing  voor  bejagen, 
Sp.  V,  60,  70  var. 

*  BERAKEN,  verkeerde  lezing  voor  beraden.  \\ 
Syn  vader  hadde  daer  te  voren  verbrandt  ende 
beraken  toren,  Brab.  T.  Dl.  2,  bl.  77,  vs.  126, 
/.  beraden  toren ,  d.  i.  onheil  gesticht.  Vgl.  bera- 
den, bedr.  10).  De  uitgever  heeft  door  de  ach- 
tervoeging van  [berokkenden] ,  waarmede  hy  beraken 
wil  verklaren  en  redden,  het  woord  als  echt  willen 
doen  erkennen ,  maar  te  vergeefs, 

BERACKEN.  Zie  bereckkn. 

BERAPEN ,  zw.  ww.  bedr.  Van  rapen  (zie  ald.). 
Kil.  beraepen,  colligere,  acquirere,  j.  behaelen. 
Fer krijgen,  bekomen.  \\  Alle  de  daghelike  vervalle 
ende  dat  hi  mitter  wet  berapen  ende  ghecrighen 
mach,  Oendsch  Chtb.  bl.  Clerke  ende  papen  doodde 
hi,  die  hi  conste  berapen,  Sp.  II»,  13,  13  (doch 
daar  verandere  men  lerapen  in  betrapen ,  daar  rapen 
niet  met  een  persoonlijk  obj.  kan  worden  verbonden). 

BERAÜWEN,  BERAÜWENESSE.  Zie  berou- 
wen, berouwenesse. 

BERBEER,  znw.  vr.  Hetzelfde  als  barbier 
d.  i.  baertmaker,  chirurgijn.  \\  In  den  welken  zeer 
vermaerde  berbeers  gebr^en,  Lanfr.  16r. 

BERBIENS,  i/Zötf^  IV,  383.  Zie  baersbiens. 

BERCH  (BERicii ,  berech)  ,  znw.  m.  Mnd.  berch ; 
mhd.  bërc. 

1)  In  de  tegenwoordige  beteekenis.  Berg.  \\  Die  om 
Junt   pincn   ende    winnen   al   ende  berich  slichten 


ende  dal,  Sp.  !• ,  15,  33  (in  den  laatsten  regel 
merke  men  een  „zeugma**  op).  Naden  oegst  die 
jaren  quamen  si  te  samen  daer  np  eenen  berech, 
!•,  45,  33.  —  Vandaar  de  volgende  thans  ver- 
ouderde uitdrukkingen. —  Van  berge  te  dale, 
van  d€  hoogte  af,  naar  beneden.  ||  Doe  Grimbcrt 
stout  in  deser  tale  saghen  si  van  berghe  te  dale 
Canticleer  comen  ghevaren ,  üni».  1 ,  283.  (Hi)  liep 
dien  dach  dore  also  wale  alse  ene  beke  van  berghe 
te  dale,  Sp.  III*,  34,  9.  —  Berch  ende  dale, 
op  bergen  en  in  dalen,  overal,  in  allé  richtingen.  || 
In  soecse  eer  mijn  leven  al,  dach  ende  nacht, 
berch  ende  dale ,  ie  en  sal  eer  horen  hare  tale , 
ferg.  2130.  —  Berch  ende  dal  riden,  varen, 
(adverb.  ace).  Zie  dal. —Te  berge  ende  te 
dale,  in  alle  richtingen ,  in  alle  opzichten.  Vgl.  de 
uitdr.  boven  ende' beneden,  bij  beneden.  || 
Te  berghe  ende  te  dale  horen  vryen  wille  mede 
{met  den  watermolen)  te  doene  tot  hore  oerbaer, 
Mieris  2 ,  249  b  (a.  1321).  —  Verklw.  b  e  r  g  e  1  g  n , 
bergelkiin,  bergeiken.  ||  Daer  es  oec  dat 
bergelyn ,  daer  Aron  in  begraven  wilde  syn ,  Velth.  I, 
12,  23.  Ende  die  goede  sente  Quintyn  die  stont 
daer  op  een  berchgelkijn,  OFl.  Ged.  2,  107,  169. 
Hermonium  is  een  berch  seer  cleine  .  .  .  ende  dat 
alremynneste  berghelken,  G.  Groote  63. 

2)  Gebergte,  berg  keten.  ||  Ende  hi  begrepen  in 
den  berch  van  Galaad,  D.  B.  Gen.  31,  23.  — C)ok 
van  een  bepaalden  bergketen  gebruikt,  vooral  vao 
de  Pyrenaeën  en  de  Alpen  (vgl.  ons  ultramonUanscA , 
d.  i.  eig.  Italiaansch) ,  meestal  zonder  lidw.  (vgl. 
Wap.  Rog.  IWQ'.  Eenen  up  berch,  anderen  int  dal). 

a)  Van  dePyr«*4ïtftf»»,ookPortiser8d.  i.  (^orftu 
[voor  porta]  Casaris  geheeten).  ||  Ten  derden  dagbe 
wisten  si  das,  dat  Karel  over  berch  was,5|p. IV', 
24,  71. 

ï)Van  de  Alpen,  ook  Mo nj  u  (Uonsjovis) geheeten. 
II  Artur  sette  hem  dat  hiwan  alle  die  horden  tei 
berge  an ,  Sp.  III* ,  64,  39  {Lanc.  IV,  10087).  (Artur) 
quam  met  groter  ere  ten  berge  toe ,  van  altemale  te 
lidene  ende  te  winnen  Ytale,  ald.  64  {Lanc.  IV, 
10108).  Dat  men  noit  eer  voer  dien  dach  in  dese  sidc 
des  berchs  en  plach,  Brab.  Y.  1 ,  1272.  Hoe  die  kcyser 
was  comen  vort  toten  berge  ane  dien  voet ;  nu  trac 
hi  over,  Velth.  V,  8,  1.  —  Zeer  gewoon  is  de 
uitdr.  over  berch,  over  de  Alpen  (ook  in  hel 
Mnd.;  zie  Lubben  1,  240).  ||  Sident  ward  sga 
hooft  na  desen  tote  Constantinoble  ghedraghen. 
Sident  daer  na  in  corten  daghen  ward  hier  over 
berch  brocht,  Rijmb.  23534.  Int  selve  jaer  .  .  . 
senddi  over  berch  in  Gallen  sinen  moenc  Mannis, 
Sp.  III*,  54,  63.  Over  berch  so  trac  die  coeoe, 
UI " ,  82 ,  72  (nl.  Karel  de  Groote  tegen  de  Lom- 
barden). Berengier  die  altemale  over  berch  was 
coninc,  IV*,  16,  6.  Zoo  ook  I*,  2,  2. 

3)  Burg,  burcht.  \\  (Si)  belaghen  dat  sterke 
casteel,  dat  doen  Grimberch  hiet.  Die  al  Doek 
den  berch  siet,  mach  merken  .  .  .,  dat  hi  noit 
meerren  en  sach,  Brab.  T.  IV,  248.  Opten  berck 
te  Montesclare  daer  es  beseten  ene  joncfrouwe, 
Lanc.  II,  36998.  Die  in  den  casteel  woent  .  .  , 
die  berch  heet  van  aventueren,  Flandr.  I,  639. 
Doe  sweghen  si  van  desen  dinghen  ende  sgn  bis- 
nen  den  berch  ghecomen,  Rein.  II,  3864.  VgL 
Oudem.  1,  527. 

BERCH  (BARCii),  znw.  m.  Mnd.  barek^  Hom- 
of  korenberg.  ||  Dat  Willaem  van  CnLmmendamBi« 
van  ons  hout  drie  morghen  lants  . . .  ende  hnsinghe 
ende  barch,  ten  rechten  erfliene,  Oor  kb.  2,  49i 
{a.  1299).  Die  den  torf  ende  thoy  thnus  holpei 
ende   tkoren    ende   den   barch  loyden.  Rek.  d.  Gr. 


913 


BERC. 


BERD. 


914 


1 ,  49.  Item  Heyne  Storm  van  decken  an  den 
barch  ende  an  die  molen ,  6  daghe,  8  se,  346. 
Item  soe  en  sel  nyementenichhoy  ofongedorschen 
coirn  noch  geenrehande  myghte  setten  noch  legghen 
in  ghenen  barghen  noch  an  scelven,  dair  men 
onder  gaen  mach  of  dair  men  beesten  onder  setten 
mach,  Leid.  Keure.  140,  41.  Die  van  Utrecht 
scoten  Tier  in  Ysselstein  ende  daer  bernden  vier 
bnisen  af  ende  enen  berch  ende  niet  meer,  Matth. 
Anal.  1  ,  484.  Daer  staen  7  huysen  leedich  mit 
berghen  ende  Hchuyeren ,  Inform.  302.  Gheen  hnes 
of  berghe  of  gheen  dinc  dat  ontilber  is,  Racer 
6,  74.  Drie  yseren,  den  barch  mede  te  heffen. 
Rek.  d.  Cfr,  2,  566.  Zie  nog  Leid.  Keure,  140, 
4;  147,  67;  278,  15;  K.  en  O.  v.  Delft  106,  25 
en  26;  enz. 

BERCHNAGEL  (barchnagel),  znw.  ra.  Nagel 
of  fin  in  de  stijlen  der  hooibergen^  waardoor  het 
dak  hooger  of  lager  kan  worden  gesteld.  Verg. 
Saksensp.  III,  46,  8;  Grimra,  JRjI.  675.  ||  Item 
van  een  barchnaghel  ,2    d. ,  Rek.  d.  Graf.  1 ,  346. 

BERCHHÜÜS  (berchuus),  znw.  o. Bergplaats ^ 
schuur .  II  So  wie  zijn  bergen  {hooibergen)  binnen 
der  stede  of  berchnns  zo  naer  de  huusen  stellen, 
datmen  bunten  niet  om  gaen  en  mach,  die  ver- 
bnert  III  ^^ ,  ende  sal  den  borch  of  berchuus  om- 
geworpen zijn.  Wiel.  Instr.  138,  433. 

BERCHROEDE  (barchroede),  znw.  vr.  Stijl 
of  paal  aan  den  hooiberg ,  waarop  de  kap  rust.  \\  Item 
6  barchroeden  en  6  laeu.  Rek.  d.  Gr.  2^  556. 

BERCHROEKE  (berchroke),  znw.  vr.  Van 
berch  en  roke,  roeke,  d.  i.  rots  {zie  eld.).  Bergrots^ 
rotsachtige  berg.  Vgl.  den  Fr.  naam  Rochetnont, 
II  Dea  anderdag^  Lanceloet  vernam  ene  berchroeke, 
daer  hi  an  quam,  daer  hi  boven  ene  hermitage 
sach,  Lanc.  IV,  12669. 

BERCHSTEDE  (barchstede),  znw.  m.?  Plaats 
voor  een  hooiberg?  ||  A.  Willekino  bij  der  straten 
de  uno  barchstede  lis. ,  Rek.  d.  Cam.  2 ,  39  en  76. 

BERCHTICH  (berechtich),  bnw.  Bergachtich. 
II  Soe  maect  hi  mi  die  berechtighe  weghe  neder 
met  sijnre  alteovergroter  oetmoedicheit ,  Stemmen 
137   {Geest.  L.  25p). 

BERCH  VREDE  -vriede,  znw.  m.  Toren  ^vooral 
als  verdedigingswerk^  hetzelfde  wat  in  andere  mnl. 
dialekten  b  e  1  f  r  o  o  t  wordt  genoemd ;  zie  ald.  ||  Dat 
flchultampt  ons  Kerspels  to  Blanckenham  mitten 
herchvrede  inden  Hamme,  Racer  6,  313.  Onsen 
bcrchvriede,  geheyten  die  Slynge ,  331.Voert  sall  hie 
omme  den  herchvrede  setten  ende  maken  een  plancket 
ende  beyde  graven  die  dair  omme  gaen,  schoen 
opraymen,  332.  Vgl.  Homeyer,  Sachsensp.  363,  401. 

BERDAX.  Zie  baerdax. 

BERDEEL,  znw.  o.  Klankwijziging  voor  ^<w/^^/; 
Ofr.  bordel  (Bnrguy,  Gloss.  47).  ||  Ambochten  daer 
Teel  lade  in  sondighen  . . ,  als  in  berdeel  te  houden , 
of  dobbelscoel  of  queecscoel  of  openbaer  stoven  te 
hoaden,  Con.  Somme  643.  —  Zie  bordeel. 

BERDEL,  benaming  van  een  visch.  j|  Drie  last 
harinck  .  . ,  vyf  hondert  berdelen ,  Diericx ,  3fém. 
1,  241. 

♦  BERDEN ,  verkeerde  lezing  voor  berren  of 
èemen,  Lanc.  II,  19209:  Hi  vant  daer  een  vier 
berdende  (/.  berrende  of  bernende)  claer. 

BERDEREN,  stofl.  bnw.  Van  bert  (zie  ald.). 
Fan  houty  van  planken  gemaakt.  —  Ook  in  de  uitdr. 
berderen  aensicht  of  aenscijn,  een  brutaal 
gezicht.  Kil.  berderen  aensicht,  os  impudtns^ 
frons  proterva.  ||  Ghy  hebt  een  hoeren  (d.  i.  hoornen) 
▼oorhooft  —  Ende  ghy  hebt  een  berderen  aenschijn, 
N<:d.  Klucktsp.  05,  38. 


BERDÜERWERKER,  znw.  m.  Hetzelfde  als 
borduurwerker.  Gewoner  is  de  vorm  bed n er- 
werk  en  (z.  ald.).  II  (Si)  ontboden  wise  verstandel 
mannen  als  smeden ,  tymmerluden ,  berduerwerckers 
ende  ander  consten ,  B.  v.  1357 ,  50  b. 

BERE  (beer),  znw.  m.  Hetzelfde  als  ons  beer^ 
mannelijk  zwijn ^  lat.  aper^  eng.  bóar.  \\  51  Scape, 
2\  beer,  ^  bake,  Rek.  d.  Gr.  3,  320.  Hi  hadde 
een  soch,  die  wilde  gaen  te  bere,  also  alse  soge 
plien,  Velth.  IV,  55,  14.  (Die  hont)  begonde  te 
speelne  .  .  metter  zoch,  oft  waer  een  beer,  18;  ««r. 

BERE  (beer),  znw.  m.  Hetzelfde  als  ons  beer. 
Beer\  lat.  ursus.  \\  Die  grave  quam  als  een  wilt 
bere,  hi  hadde  des  anders  groten  ghere,  (rnwi*.  II, 
2656.  Een  stare  bere ,  Vod.  Mm.  1 ,  28 ,  14.  Ie 
sie  enen  bere,  16.  Die  bere  voert  spranc,  19. 
Die  bere  liep  in  een  broec,  21.  Hi  leide  voer 
hem  die  bere,  28;  enz. 

BERE  (beer),  znw.  m.  Een  soort  van  storm- 
ram  (Kil.  vinea  y  instrumentum  bellicum)^  waarvan 
de  naam  ontleend  is  aan  het  dier  van  dien  naam, 
lat.  aper.  Vgl.  het  mnl.  soge  en  catte  {Aiol-fr. 
849);  ons  woord  stormr2t,m\  Scheler  op  raous- 
quet;  Aiol-fr.  849  Aant.  en  Taalg.  5,  295.  i| 
Voer  Ravenstein ,  daer  hi  dede  maken  eenen  beer, 
stare  ende  groot,  daer  hi  met  dede  groten  noot, 
die  waren  binnen  Ravenstein,  Brab.  Y.  VI,  5210. 
Si  hebbent  {Bovines)  beleghen  wel  ter  core,  ende 
enen  beer  ghemaect  daer  vore,  daer  si  die  stat 
ontsachtelike  met  bestormden  .  .  . ;  maer  die  van 
binnen  .  .  .  daden  alsoe  groote  weere,  dat  si  den 
beer,  als  liede  vaillant  altemale  hebben  verbrant, 
VII ,  17573.  (Hi).  belach  die  stede  van  Ziericzee  . . . 
mit  al  te  swaren  besitte,  dat  hy  mit  magnelen, 
mit  beeren ,  mit  catten ,  mit  evenhogen  . . .  stormde, 
Matth.  Anal.  3 ,  198.  Hi  lach  dair  voer  {voor  het  huis 
te  Woudenberg)  seventien  weken,  dat  hyt  stormde 
mit  beren ,  mit  bliden ,  246.  (Si)  hadden  enen  beer 
doen  maken,  die  poert  mede  op  te  stoten  .  .  ., 
ende  deden  dat  slot  opslaen ,  ende  manneden  horen 
beer,  ende  stieten  dair  mede  op  dat  winket  van 
der  poorten,  403.  Die  van  Utrecht  .  .  .  stieten 
derdewerff  mit  machten  mit  horen  beer  op  die 
cleyn  poort,  also  seer  dattie  poort  opspranc,  404. 

BERE  (beer),  znw.  o.  Eig.  dikke  weekestofin 
het  algemeen  (zooals  b.  v.  leem,  deeg),  en  ver- 
volg ons  modder  y  slijk.  Zie  Taalg.  5,  293.  Thans 
alleen  nog  in  gebruik  in  de  beteekenis  menschen- 
drek  (vgl.  den  beer  steken,  beersteker).  In  het 
mnl.  in  de  beteekenis  van  modder.  ||  Daer  so  stelde 
hem  God  ter  weere,  ende  warpene  int  helsche 
beere ,  Wap.  Rog.  595.  Vgl.  de  uitdrukkingen  helsee 
pit  {Amand  I,  13S2  y  35^7) ,  en  helsee  sHje  {Lsp.  llly 
14,  182,  e.  e.). 

BERE  (beer),  znw.  vr.  Hd.  beere y  doch  beer 
in  lorbeery  bacca  lauri.  Vgl.  ndl.  bes  en  bezie, 
wvl.  ook  beze;  en  zie  Grimm,  Wtb.  1 ,  1243  en  Kil.  60. 
Bes  y  bezie.  —  Verklw.  b  e  e  r  k  y  n ,  ook  in  den  vorm 
beyerkijn.  ||  Wat  es  dat  men  soeter  vint  dan 
geperst  beerkine,  alser  dat  soete  sap  ute  rint, 
Lett.  N.  W.  5» ,  24  {var.  beyerkine  {Disp.  151)). 

BERECH.  Zie  berch. 

BERECHT  (bericht),  znw.  o. 

1)  Van  berechten  y  in  den  zin  van  mededeelen, 
inlichten  y  antwoorden  (bedr.  5).  Mededeelingy  in- 
lichting y  onderricht,  antwoord  (ons  bericht).  \\  Twi 
en  doedi  mi  berecht,  daer  ie  hn  omme  vraghe? 
OVl.  Ued.  e.  Ged.  272,  1161.  Waer  soudic  berecht 
hebben  gheleert  up  sulc  vraghen ,  Wap.-  Rog.  33. 
Di  sal  berecht  ghescien  van  dattn  vraghes  myen, 
1130.   Vanden  Vader  ende  van  den   Sone   hebbic 


915 


BERE. 


BERE. 


916 


bi  di . .  Bcone  berecht  vereest ,  Wap.  Mart.  III ,  397. 
Wat  wil  icz  u  doen  berecht;  met  mi  eest  soe ,  ie  blive 
knecht ,  Sêgh,  556 ;  „  wat  zal  ikeru  veel  van  zeggen  ?'^ 
Den  sotten  behoeft  veel  berechte ,  Spreuken  101. 

2)  Van  berechten^  in  den  sin  van  aanmerkingen 
maken  (bedr.  6).  Aanmerking^  terecAftvijzing.  \\  Wie 
by  den  wech  timmert,  die  het  {heeft)  voele  berichts, 
Spreuken  64.  —  Ook  later  in  gebruik  (Harreb.  1, 47). 

3)  Tan  berechten^  in  den  zin  van  besturen  (bedr.  7). 
Bestuur,  macht,  beschikking.  ||  (Hoverde)  onneert 
alle  weldaet  slecht;  het  moet  al  staen  na  hare 
berecht,  Bind.  1098.  Al  moechs  dn  winnen  mit 
dinen  werken  dnsent  merc ,  die  weren  al  in  die  macht 
ende  in  alle  (/.  allen)  berichte  dijns  mans,  Ned. 
Proza  367. 

4)  Van  berechten,  in  den  zin  van  recht  doen 
(bedr.  15).  Becht.  —  a)  In  den  zin  van  gerechtigheid.  || 
Ene  weduwe  qnam  hem  voren ,  die  haren  sone  hadde 
verloren ,  ende  heeft  hem  om  berecht  gebeden  ende 
hi  berechtese  tier  steden,  Sp,  JV,  25,  37.  Twee 
lichtwive  quamen  daer  naer  omme  berecht  ten 
coninc  daer,  Bijmb.  11169.  Wet  ende  berecht  te 
doene  van  allen  sculden,  ZFl.  Bijdr.  3,  276. 
—  b)  In  den  zin  van  rechtsmacht  o[ rechtspraak.  \\ 
Oeschille  ende  gevechte  .  .,  dat  alleen  onder 
tberecht  van  den  bailiu  van  Rijnlant  staet,  Leid, 
Keurb.  221,  36.  Van  der  doot  van  mannen  van 
buten,  die  binnen  ghevallen  ende  ten  berechte  van 
binnen  toebehort,  Cout.  v.  Brugge  1,  382.  Tewien 
men  vertrec  hebben  zoude  moghen  omme  berecht 
te  hebbene  van  zaken,  Invent.  v.  Brugge  3,  510. 
Alle  de  vonnessen,  die  men  daghelicx  wyst  .  . 
voor  scepenen,  sittende  ten  berechte  van  partyen, 
6,  113.  —  Int  berecht  sitten,  rechtszitting 
houden ,  hetzQ  dat  berecht  op  te  vatten  is  als  recht- 
spraak, dan  wel  als  de  plaats  waar  recht  gesproken 
wordt.  II  Te  zittene  int  berect  (/.  berecht),  omme 
tvolc  dat  voor  hemlieden  quam  te  berechtene, 
Invent.  v.  Brugge  4,  178.  Ygl.  berec,  zooalsmen 
hier  ook  zou  kunnen  lezen. 

5)  Van  berechten  in  den  zin  van  door  een  gevecht 
beslissen  (bedr.  16^).  Gevecht,  kamp  en  hï]  uit- 
breiding veldtocht',  vgl.  bataille  en  berec.  jj 
Oec  hadde  die  hertoge,  te  dien  berechte,  baen- 
ritsen ,  riddren  ende  knechten ,  Brab.  Y.  YI ,  5657. 
Alsoe  lange  in  dien  berechte  als  s^n  ridders  ende 
sijn  knechten  daer  bliven  souden,  11715. 

Berecht,  deelw.  bnw.  van  hem  berechten, 
(z.  ald.).  Vooral  in  de  uitdr.  wel  berecht. 

1)  Eigenlijk.  Zich  zelven  goed  besturende,  en  ver- 
volgens wijs,  verstandig.  Ygl.  wel  beraden  en 
wel  bedacht.  II  In  desen  tiden  was  Hyldebrecht, 
een  wys  clerc,  een  wel  berecht,  die  vele  goeder 
bouken  dichte,  daer  hi  die  kerke  bi  verlichte, 
Sp.  lY*,  26,  59.  Yan  Gembloys  Zegebrecht,  een 
wys  moenc  ende  wel  berecht,  lY',  31,  63. 

2)  Bedacht  op  iets^  ergens  op  verdacht,  opmerk- 
zaam. II  Of  gine  siter  op  wel  berecht,  als  gijt 
maect,  dat  gi  wacht,  dat  gijt  niet  en  bernt,  Hs. 
Tp.  138/^.  Yan  welken  gi  sijt  altoes  so  berecht 
op  u  wachte,  dat  gijt  in  tijts  moget  weren,  a/^?.  139. 

BERECHTEN  (berichten),  zw.  ww.  bedr.  en 
wederk.  Mud.  berichten-,  mhd.  berihten.  Vgl.  BE- 
RECKEN,  en  het  lat.  regere. 

1)  Bichten,  eene  zekere  richting  geven,  sturen.  \\ 
Dat  ie  vor  hem  sal  gaen  ende  liden,  berechten 
haren  ganc.  Franc.  9612.  Dat  ons  der  heilighe 
gheyst  onsen  sen  berichte,  Serv.  1 , 5.  Hem  wonderde 
das,  hoe  dat  si  berechten  mochten  die  beesten,  die 
si  gereden  brochten,  Lanc.  III,  3954.  Dat  scip . . 
berecht  van  enen  stierman,  Franc.  6555. 


2)  Met  den  4den  nv.  van  den  persoon.  Tertckt- 
wijzen,  iemands  gangen  richten,  hem  leiden,  opie% 
rechten  weg  brengen  of  houden,  in  het  goede  voor- 
gaan. II  Die  werelt  wert  bi  haren  scouden  bederft, 
die  ons  berechten  souden ,  BineU  388.  Men  mag^her 
coninc  ende  heren  sien,  ende  middele,  die  die 
jonghe  berechten.  Nat.  BI.  VII ,  84.  Somech  meester 
volghet  mede,  diese  berecht,  YII,  126.  Enes 
voget  hadde  die  gone,  diene  berechte,  ^.  IU^ 
42,  110.  Entie  si  bekeren  conden  .  .  ,  dat  sim 
souden  berechten  mede,  Franc.  4058.  Dat  hoir 
Heer  niet  te  berechten  en  was,  hy  eo  bleeffii 
der  herdicheyt  voert,  hoe  qualic  dattet  hem  tct- 
ginc ,  Matth.  JnaL  3 ,  329.  Den  greve  van  Gnllck . . 
tberichten  {er  toe  te  brengen)  .  .  dat  he  dat  ..  ia 
dier  vire  heren  hant  setten  wille,  Nijh.  1,  172 
{a.  1318). 

3)  Te  recht  helpen,  eig.  iemand  die  naar  den 
weg  vraagt;  iem.  de  juiste  richting  aanmjzen,  tnh^ 
uitbreiding  iemand  behulpzaam  zijn,  helpen,  hij- 
staan.  \\  Mach  hi ,  dat  hi  dan  sal  uwen  wille  vor- 
dren  ende  u  berechten.  Flor.  2654.  Hovesackea 
biddre  es  wel  recht,  dat  menne  hovessceUie 
berecht,  Limb.  IX,  1.  Dies  nam  hi  {CAriittu) 
vleesch  van  minen  {Maria's)  live ,  om  te  berechteae 
die  keyüve,  Sp.  III»,  86,  33.  Ygl.  de  thans  ii 
dial.  nog  gebruikeiyke uitdrukking:  „ Berecht, A.i 
help  mij  wat  gauw,*^  tegen  een  winkelier  gezegd, 
TtuUg.  4,  29.  —  Met  de  voorz.  van  of  j  egen  ter- 
bonden.  Beschermen,  beschutten,  verdedigen  tegen ^ 
vrijwaren  voor.  \\  Diet  kerstenheit  al  te  gader... 
berechten  sonde  ende  beweren  van  al  dat  hem 
mochte  deren,  Brab.  Y.  III,  121.  (Dat)  soe  di« 
kerke  niet  en  berechte  van  pinen  ende  van  ghe- 
vechte,  Sp.  III*,  92,  43.  Dat  hi  den  paeus  wilde 
berechten  van  den  Roemscen  valscen  knechteo, 
91 ,  97.  Dat  hi  berechte  wel  s^n  land  jeghen  scalkeit, 
jeghen  viand,  Heim.  1437.  —  Vgl.  16*. 

4)  Eene  zaak  te  recht  brengen,  haar  verhelfen^ 
verbeteren.  \\  Ie  vruchte,  het  wert  al  versligeB, 
God  en  wilt  berechten,  Vierde  Mart.  299.  (lirtoi- 
ten)  te  doene  berechtene  van  dies  datter  aa  ghe- 
brac,  Invent.  V.  Brugge  2,  402.  —  Ook  eene 
wet,  enz.  berechten.  Haar  verbeteren,  «»- 
vullen.  II  Hie  machse  {de  keuren)  keren  ende 
bedwinghen  ende  berechten  omme  der  meentncht 
bedarve  {ajousteir  in  de  oorspronkelgke  vertaling), 
Cout.  V.  Brugge  1 ,  253.  —  Ook  verbonden  met 
de  eene  of  andere  ondeugd  of  misbruik.  Het  verhelff, 
verbeteren,  een  einde  er  aan  maken.  Hetzelfde  als 
vellen  (zie  ald.).  ||  Wildi  u  dies  onderwinden  ie  be- 
rechtene die  onsede ,  het  sal  u  costen  l^f  eidc 
lede,  Lanc.  II,  43602.  Dies  bolgen  die  Fransojsei 
sere  ende  quamen  up  hem  vechten  omme  salke 
overdaet  berechten,  Sp.  lïl*,  36,  74  (den  ItttMei 
regel  kan  men  ook  verklaren:  om  deze  misdaad 
te  wreken ,  te  straffen ;  vgl.  onder  15  ^).  —  Ook  eaei 
berechten,  iemand  in  een  beteren  toestand  brenffn, 
te  recht  brengen,  maken  tot.  \\  Dn  heefs  mi,  eaeii 
quaden  cnecht,  teenen  eweliken  oere  {wettife» 
er/genaam)  berecht,  Sp.  W,  13,  125. 

6)  Iemand  met  woorden  te  recht  helpen;  ke» 
inlichtingen,  opheldering  geven.  Het  tegenwoordige 
berichten. 

a)  Inlichten,  onderrichten.  Met  den  4dennv.nB 
den  persoon.  Vgl.  bg  betalen,  waarmede  hert^ 
ten  verscheidene  punten  van  overeenkomst  heeft; 
het'  Mhd.  berechten  heeft  ook  den  zin  van  het  Hal. 
betalen  of  gelden.  Vgl.  Lexer  1 ,  192.  ||  Daernevis 
niemen,  die  hem  conste  berechten;  sine  wisteai 
niet,    Ifal.  7580.  Hi  vant  in  gere  steden  maa  «> 


917 


BERE. 


BERE. 


918 


▼rouwe,  dat  secgic  n,  diene  mochten  berechten 
nu,  Lanc,  III,  11478.  Jacop,  vrient,  ie  moet  n 
▼rsghen  van  hoghen  dingen  ende  clagen ;  seldi  mi 
berechten?  Vierde  Mart,  286.  Op  dattnse  Toert 
moghen  berechten,  Trouwen,  ridderen  ende  knechten, 
die  niet  weten  wat  minne  sy,  3/Xo^/)1, 123.  Aldus 
berecht  sone  was  ie  nie,  Caes,  1626.  Als  hi  mi 
hadde  berecht ,  Wal.  3219.  Jacob ,  du  berechts  mi 
scone ,  Wap.  Mart,  III,  391. —Meestal  met  bij  voeging 
▼an  een  2den  nv.,  het  yoorz.  van  of  een  afh.  «in. 
Iemand  aangaande  tem,  of  iet»  inUehten^  mededee- 
lingen  doen.  (|  Of  hi  hare  berechten  soude  van  den 
ridder,  dien  si  sach  draghen  den  witten  scilt. 
Terg.  4004.  Berecht  mi ,  soe  doedi  wel ,  van  Wale- 
weine,  den  ridder  snel,  dan  salie  u  berechten  vort. 
Wal.  5795.  Dus  es  Walewein  van  deser  sake 
berecht,  1930.  Dat  ghi  berecht  sijt,  dies  ghi 
mi  vraghet,  3140.  Nu  hebbic  u  dies  ghi  mi 
vraghet  berecht,  wat  wildi  weten  mere,  7146. 
Berecht  mi  .  .  .  dies  ie  di  sal  vraghen,  Vierde 
Mart  229;  Vrouw.  e.  M.  IV,  169.  Mi  so  hebdi 
berecht  vriendelike  van  al  dat  ie  hebbe  gevraght , 
aki.  I,  841.  Van  stride . . .  en  constic  u  berechten 
niet,  Heelu  3030.  Yan  dien  menichfouden  ghe- 
rechten  mochtic  u  vele  berechten,  Troyen  3049. 
Martijn,  nu  berecht  mi  dies,  Wap. Mart.  1, 131. Ie 
bids  u,  berechte»  mi,  Teett.  1465.  Berecht  mi, 
hoe  dat  des  vols  staet  so  loes  mach  sijn,  141. 
Nu  berecht  mi  .  .  .,  hoe  so  maeght  comen  dan, 
574.  (Hi)  bat,  dat  men  hem  wilde  berechten,  oft 
si  in  hant  wilde  gaen,  Yelth.  lY,  14,  62.  Dattu 
mi  berechts,  waer  bi  dattu  hier  heefs  ghewoont 
tote  nu.  Lep.  II,  61,  40.  Dat  hine  berigte  van 
genden,  regte  alse  of  hi  sprake:  Here,  berigt  mi 
dat  ie  nit  en  sondege,  ende  geft  mi  terkenne  din 
weg  der  heileger  lide ,  Limb.  Serm.  31  c.  Zie  verder 
Teest.  636 ,  842 ,  1960  j  Farth.  3641 ;  Wap.  Bog.  420 ; 
Lep.  I,  1,  51;  II,  47,  25;  32;  Ferg.  3284;  3692; 
Wal.  6916;  8013;  Wap.  Mart.  111,392;  Wrake 
III,  605;  lUjmb.  15520;  Mor.  444  vlg.;  em. 

b)  Onderriehten ^  leeren,  onderwijzen.  \\  Q:]ii  BXiltae 
(de  geboden)  bat  verstaen ,  dan  icse  u  metten  dichten 
bedieden  can  ochte  berichten ,  Tien  Fl.  38.  Dichters 
die  in  haer  dichten  al  aertrike  willen  berichten. 
Lep.  III,  15,  223.  Wat  woudic  veel  die  werelt 
berechten  van  saken ,  die  mi  self  anvechten  ?  .  .  . 
so  waert  beter  dat  ie  sweghe,  Ksin.  II,  7711. 
Te  sticken  breken ,  dattu  biden  broeders  mijn . . . 
heves  gemaect  ende  berecht,  .FV-aik;.  4133.  Nochtan 
hadden  (kad  kern)  binnen  berecht  ende  verclaert 
thewelike  lecht,  5703. 

c)  Op  eene  vraag  antwoorden,  haar  beantwoorden.  || 
IHe  coninc  vraeghde  den  clerc  menigherhande 
Traghe  sterc,  die  hi  hem  berechte  wale.  Lep.  lY, 
1 ,  13.  Een  sot  soude  meer  vraghen ,  dan  twaelf 
▼roede  berechten  souden ,  Teest.  2083.  Berecht  mi , 
joncfrouwe  wael  ghedaen,  een  quaestie,  die  ie  u 
brenghe  aen ,  Vrouw.  e.  M.  I Y ,  65.  Dan  sal  ie  na 
u  vraghen  berechten,  soe  ie  best  bevroede  mi, 
I,  851.  Deen  vraget  ende  dander  berecht ,  ^.  IIP , 
18 ,  82.  Die  hem  weder  antwoorde  wel  ende  be- 
rechte hem,  Bijmb.  15494.  Berechtti  mi  dis  ie  u 
▼rage,  so  salie  u  oc  berechten,  in  wat  machte  dat 
ie  dese  werke  werke  ,L.v.J.  c.  167.  Deen  vraeghde , 
daiider  berechte,  Flandr.  I,  236.  Entoe  Flandqjs 
dies  berechte  {daarop  antwoordde)  Ingelbeerte ,  was 
hij0  vro,  lY,  90. 

<l)  Verhalen,  mededeelen.  ||  Plinius  horic  be- 
rechten, dattet  hem  eerst  na  winter  toghet,  Nat. 
Bi.  YI,  146.  Daer  ie  der  (/.  die)  namen  af  be- 
richte, Ueeln  8540.  Si  die  nu  dichten,  willent  al 


berichten   dat  gheschiet  te  deser  wilen.  Lep.  II, 

38 ,  81.  —  Meestal  met  den  3den  nv.  van  den  pers. 
en  den  4den  nv.  der  saak.  ||  Dus  scrivet  ons  Sege- 
brecht  van  Gembloys,  diet  ons  berecht,  Sp.  III", 

39,  7.  Dat  berechte  hi  hem  aldare  vriendelike, 
Amand  I,  2193.  Berecht  mi  ene  dinc,  her  ridder, 
dies  ie  u  vraghe,  C.  en  El.  450.  Claer  hebdi  mi 
dit  berecht,  Wap.  Fag.  345.  Nu  hebbic  u  berecht 
al ,  Wal.  5794.  Du  heves  mi  wel  berecht  dat  ware , 
9488.  Berecht  mi  dat,  Teeêt.  1277.  Bericht  mi. . . 
die  beste  waerheit  die  gi  wet,  Zan^r.  11,42991. — 
De  onb.  wgs  als  snw.  Onderrichting ,  beantwoording 
van  vragen.  \\  Scoen  berechten  ende  edel  vraghen , 
die  hoerdmen  daer  in  reynre  tucht ,  Hild.  18 ,  160. 
Het  dincke  mi  so  vremde  een  liet,  moestic  sberech- 
tens  ombeeren,  ie  hielt  al  over  sceeren,  Wap. 
Fag.  570. 

6)  Terechtwijzen,  giepen,  beriepen,  aanmerkingen 
maken  op.  ||  Someghe  lieden  berechten  (/.  berichten) 
ende  blameren  mijn  dichten ,  Teeet.  3088.  U  ooghen 
suldi  altijt  swechten  ende  op  niemant  meecke  (micke) 
slaen ;  wat  ander  doen ,  wilt  niet  berechten,  Sp.  d.  J. 
389.  Dus  eist ,  die  recht  omoedich  si ,  hine  berecht 
no  bespreect ,  waer  omme  dat  menne  verspreect , 
Franc.  3014.  Die  meyster  sprac:  .  .  .  Ylye  qnade 
gheselscap;  niet  en  berecht,  dat  dy  bevolen  is, 
Ned.  Froza  231.  Niet  alleen  en  willen  si  berechten 
ende  oerdelen  die  dinghen ,  die  haer  overste  doen. 
Stemmen  55.  Dese  menschen  willen  van  alle  dinghen 
weten  ende  te  allen  dinghen  spreken  ende  alle 
dinc  callingieren  ende  berechten,  Ruusb.  6,  96. 

7)  Regeeren,  leiden,  besturen,  het  opzicht  houden 
over.  II  Wat  so  men  qnalike  berecht,  dat  en  ge- 
duurt  in  geen  gevecht,  Sp.  I*,  19 ,  65.  (Hi)  lovede 
God  diet  al  berecht,  III",  31,  86.  Daer  moetict 
berechten  al  van  erderike  dat  geval  ende  al  dat 
doen  van  hemelrike,  AUx.  X,  1395.  Want  hi  moet 
alt  huis  berechten ,  Boee  d.  M.  f.  4.  Dandre  (Hen) 
.  .  berechten  die  bedaerve  wel ,  Nat.  BI.  YII ,  102 ; 
^besturen,   zorgen  voor   het   eten.*^  Knechten  diet 

fhetelde  daer  berechten.  Willek,  v.  S.  129.  Dat 
i  die  waghenars  ende  die  scuutlude  birechte. 
Rek.  d.  Cfr.  2, 514.  —  Yooral  gebruikelijk  —  a)  Yan 
landen,  steden,  enz.  ||  Ie  (Ahxander)  hebbe  ge- 
noech  tot  nu  die  werelt  berecht  .  .;  ie  moet  be- 
rechten nu  den  troen ,  Alex.  X ,  1387.  Hoe  Aristotiles 
.  .  sinen  jonghere  Alezander  leerde  die  werelt  be- 
rechten, Heim.  11.  Spaengen  viel  hem  te  berechten, 
Teest.  1360.  Met  wijsheden  berechte  hi  .  .  tlant 
van  Brabant,  Grimb.  I,  379.  Omme  te  berechtene 
Egypten  al,  Sp.  II*,  57,  1. Karel Marteel  .  .,  die 
Yrankerike  berechte  met  eeren,  lY^,  1,  63.  Die 
werelt  en  mach  men  niet  berechten  met  tween  heren 
sonder  vechten,  I*,  26,  49.  (Hi)  berechte  dat 
(Brabant)  oec  herde  wel ,  Yelth.  1 ,  39 ,  57.  Seven- 
hondert  baroene ,  die  berechten  die  stat  entie  veste, 
Flor.  2377.  So  dat  quam  een  vreemde  diet  .  . , 
ende  ghinghen  die  steden  berechten,  Lsp.  I,  34, 
68.  Elc  van  den  vaders,  quam  ende  berechten  elc 
vijf  daghe  die  stat  van  Rome ,  Btjmb.  14426.  Geeftse 
(de  crone)  enen  anderen  .  .,  die  d^'n  rike  mach 
berechten,  Aleae.  YI,  976.  Hoe  si  berechten  soude 
haer  rike,  Limb.  X,  1327.  Alt  rike  dat  hi  be- 
rechte keyserlike,  Lsp.  II,  15,  27.  Na  hem  be- 
rechte trike  Hyrene  met  Óonstantine  haren  sone 
gemene,  Sjp.  III*,  86,  63.  Sodat  ik  voortaen  .  . 
niet  wel  .  .  mag  .  .  de  groote  heerlgkheid,  daer 
ik  in  ben,  berechten,  Ileemsk.  13.  Die  een  vr^e 
stat  berechten.  Wrake  II,  1290.  Een  lantscap, dat 
een  landshere  wel  berecht,  Heim.  1517.  Dy  graef- 
schaepe  .  .  wale  handen  ende  berichten,  Nijh.  1, 


919 


BERE. 


BERE. 


920 


184.  —  In  het  bijzonder  gebruikeiyk,  verbonden 
mei  lant.  ||  Na  Abymalech  so  was  Tholarechire, 
.  .  . ,  hi  berechte  XXIII  jaer  tland  in  vreden , 
Rijmb.  7161.  Sulken  man ,  dien  wi  ghetrouwen , 
datti  tlant  berechten  moghe,  PartA.  3170.  Dat 
ghi  te  lande  comt  haestelike  te  berechtene  u  lant 
ende  n  rike,  om  de  teugeU  van  het  bewind  in 
handen  te  nemen  ^  Fhr.  3924.  Willem  siju  sone 
berechte  tlant  sonder  voghet,  Sp.  IV',  46,  247. 
Zoo  ook  IVS  37,  70;  Up,  I,  43,  4;  III,  13, 
55;  16,  71;  Heelu  548;  Velth.  IV,  69,  ^O.Ferg, 
5050;  Tee9t.  1009,  1012;  Stoke  III,  1355;%»!*. 
8568;  Alex,  VII,  63;  Heim,  1517;  Brab.  Y.  IV, 
1105;  Parth.  314  (Clandes  sijn  sone,  die  doghende- 
like  berechte  syn  lant  ende  sine  bede  (/.  sine  liede)). 
—  Ook  in  de  uitdr.  die  crone  berechten, 
het  rijk  betturen^  de  kroon  hebben.  \\  Int  eerste  jaer 
dat  Constantijn  alleene  berechte  de  crone  sijn, 
Sp.  III»,  90,  2. 

b)  Enen  b. ,  over  iemand  te  zeggen  hebben ^  hem 
betturen,  regeeren.  ||  Ghi  en  selt  niet  willen  domi- 
neren, ander  menschen  berechten  ende  regheren, 
Rausb.  6, 132,  19.  Die  here  wille  wesen  dan,  ende 
ander  liede  dan  berechten ,  Helm.  1426.  Martijn,na 
berecht  mi  dies:  berecht  een  God,  die  nienewies, 
alle  creaturen ,  fFap.  Mart.  1 ,  131.  Hoe  men  die  ghe- 
meente  berecht,  ^iniii.  410.  Cleene  menechte  . . .  vint 
men  berecht  sijn  met  rade,  Sp.  I",  61,  45.  Dat 
men  vele  volcs  ghemeene  berechten  moge  met  pine 
cleene,  P ,  19,  63.  Toter  tijt  dat  Delbora  wel 
berechte  tfolc  van  Ysrael,  Rijmb.  2239.  Dan  {de 
zoon  van  Jacob)  die  sal  syn  volc  berechten,  3313. 
Tfolc  te  berechtene  al  ghemene,  4467.  Twintich 
jaer  berechte  hi  (Simson)  wel  al  dat  volc  van 
Israël ,  8223.  Ut  di  sal  comen  die  richtre ,  die  be- 
richten sal  myn  volc  van  Israël,  L.  v.  J.  e.  16. 

c)  Van  een  leger.  Aanvoeren  ^  het  bevel  voeren 
over.  II  Enen  die,  na  sine  doot,  berechte  dat  here 
groot,  Rijmb.  6239.  Die  coninc  sat  np  enen  vaer- 
digen  henxt  ende  berechte  selve  die  ander  betaelge, 
Clerc  112. 

d)  Van  geesteliike  of  kerkelijke  betrekkingen.  || 
üec  gaf  hi  hem  die  abdie  te  berechtene  van  Toers , 
Brab.  Y.  II,  1314.  (Want  hy)  die  basscopdome 
berichtede  Colne  ende  ïryere ,  ende  Tongheren  . . , 
die  drie  berichtede  hij  al  tsamen  mennich  jaer 
ende  menghen  dach,  Serv.  I,  1007.  Dat  busdom 
hy  berichtede  mit  keersteliken  werken,  II,  469. 
Die  heilighe  Sinte  Monulphus  berichtede  wale  syn 
Gods  huys,  534.  Een  priester  .  .  .  berechte  die 
prochie  sine  met  sorghen  ende  met  groter  pine, 
Sp.  III' ,  38,  34.  So  wart  bisscop  . .  sente  Remakel 
te  Maestrecht,  dat  sente  Amant  teerst  hadde  be- 
recht, III',  26,  2.  Dat  hi  berechte  met  sire  pine 
dabdie  van  sente  Quintine,  111%  36,  21.  Sinte 
Remijs ,  die  de  kerke  te  Riemen  daer  berechte 
tweendeseventich  jaer,  Ltp.  II,  48,  616.  (Hi) 
berichte  sijn  prochye  wale,  Lutg.  1501. 

e)  Van  goederen.  Ze  beheer  en  ^  besturen.  \\  Eist  oec 
datmen  hnwelijc  doet  om  te  berechtene  een  goet, 
hoe  vele  bet  so  es  berecht  een  goet  met  eenen 
getrouwen  knecht,  Sp.  I»,  3,  1.  Ende  nu  alsi 
waren  groet,  eysten  si  hem  weder  haer  goet;  si 
wildent  selve  berechten  nu,  Velth.  IV,  69,  21. 
Die  kerken  goet  ende  Heylich  Gheest  {diaconiegeld) 
berechten   ende   hanteren  meest,    ÏFrake  III,  401. 

8)  Regelen^  in  orde  brengen^  inrichten^  klaar 
maken.  Vgl.  b  e  g  a d  e  n ,  waarmede  berechten  in  bijna 
al  de  verdere  beteek enissen  eene  groote  overeen- 
komst vertoont.  ||  Al  se  wi  bericht  hebben  die  port, 
Troyen  1336.  Men  dede  die  zale  wardelike  berechten 


herde  rikelike,  Lanc.  II,  15133.  Omme  tfosseittc 
delvene  ende  te  berechtene ,  Invent.  v.  Brugge^  1%L 
350   (vgl.   ald.:   te   delvene  ende  te  makene\  UI: 
fodiendis    et  faciendiê).  Eenen   {heemraad)  kieaea, 
.  .  die  hem  dochte  dat  lant  mede  bericht  (jerepgli, 
goed  bestuurd)  ware,  Nijh.  2,   258.  Van  datande 
kerke   ghewrocht  was  ende  an  den  steegher  ende 
an    den    ommeghanc    {torenomloop)    te    slichtene 
ende  te  berechtene ,  Invent.  v.  Brugge  1 ,  303  (vgL 
2 ,  431  vlg.).  Nu  ne  hevet  landshere  den  sin  (d.  i. 
verstnnd  genoeg),  dat  hi  sijn  ende  ende  siJD  beghio 
van   sinen   wandel  .  .  allene  mach  berechten  alle, 
Heim.  1537.  Eyn  ellendich  arme  man  .  .,dieonse 
lant  nyet  en  berichtet,  noch  slote  noch  burgheeD 
stichtet,    Serv.   I,   904.   —   Vooral   in  verbinding 
metdinc.  Die  dinc  heTech.ien,tie  zaken  regele». 
II  Alle  dinghe  wonde  hi  berechten  sonder  orloghe 
ende  vechten ,  Brab.  Y.  II ,  4484.   (Hi)  hccfl  line 
dinc  berecht;  ter  doot  gerede  hi  hem  echt,  JVmc. 
5883.   {Karel  trok  naar  Rome)  om  dat  hi  die  dinc 
wilde   berechten,   Sp.   III»,   92,  5.  Deerstc  mcsse 
suldi  zinghen  ende  berechten  al   huwe  dinghen, 
Denkm.  3 ,  193,  203.  —  Ook  van  spijzen.  Ze  bereidt», 
klaar  maken.  ||  Sijn  cost  die  was  wonderlike  groot 
in  vleessche,  in  vissche  ende  in  broot,  ende  daer- 
toe   waest  wel  berecht,  Rijmb.  11209.  —  Het  so 
berechten,   hét  inrichten,  het  deuvrheen  hrengtn^ 
het  zoover  brengen,   het  zoo  regelen;  hetzelfde  als 
het  so  begaden  (zie  ald.).  ||  Gonst  {d.  i.  conste 
het)  die  hertoghe  soe  berechten,  dat  hi  hem  Rode 
wonne   ave   .  .,    dat    hi   er   here    af  blcve  dan, 
Brab.  Y.  V,  3552. 

9)  In  orde  brengen ,  verrichten ,  ten  uitvoer  brenfen. 
II  Over  hem  {de  diakenen)  baden  si  in  haer  gebede 

dapostelen,  ende  leiden  hem  mede  die  hant  npt 
hooft  ende  hebbense  bracht  te  berechtene  haer 
ambacht,  Sp.  V ,  43,  49.  Van  dien  dinghen,  die 
hem  bevolen  syn  ende  dien  (/.  die)  sy  bercchlea 
moeten,  Ruusb.  3,  191.  Si  syn  .  .  .  onledirh  ... 
mit  dien  dinghen,  die  si  te  berechtene  hebben, 
4 ,  37.  Niet  en  berecht  dan  dy  bevolen  is ,  Stemme» 
122  (vgl.  de  betere  lezing  dezer  plaats  onder  6), 
Ned.  Proza  122).  Dat  die  moenc  saen  heeft  be- 
recht, iSj».  II',  48,  21  (lat  efficere). 

10)  Inrichten,  instellen.  \\  Vort  heeft  hyt(/.hi) 
bericht  in  Kerstnachte  die  misse,  <S^.  II*,  48,50; 
„constituit,  ut  noctu  misse  celebrarentur." 

11)  Aan  iemand  of  iets  zijn  recht,  zijn  eisei 
geven;  hem  {het)  van  het  noodige  voorzien. 

a)  Van  beesten.  Ze  toeiden,  het  opzicht  Aoade» 
over.  II  Enen  knecht,  die  die  scaep  up  tfelt  berecht, 
Rijmb.  9098. 

b)  Als  krijgsterm.  Uitrusten ,  toerusten.  ||  Emoit 
voer  te  Marberoen  ende  berichte  dien  «steel, 
Parth.  6375.  Die  Hertoghe  .  .  .  wonderde,  dathi 
ter  were  brochte  so  wel  berecht  een  here,  Stoke 
III,  397. 

c)  Verzorgen ,  bezorgen ,  van  het  noodige  voorzie»,  ij 
Vier  saken  doen  creaturen  striden:  deerte  es  fie^ 
heit,  die  haer  verheft;  ...  die  vierde,  om  hare 
vrucht  berechten.  Nat.  BI.  IV,  068.  Uwen  scep- 
pere  hier  boven ,  die  u  met  plumen  gecleet  heeft .  •  - 
ende  berecht  zonder  uwen  ducht,  Franc.  64^- 
Doe  brachti  vort  dat  scaespel,  in  een  ziden  forel 
{foudraal)  berecht  wel,  Lanc.  II,  18540.  Als« 
hare  perde  bericht  waren,  27940.  —  Van  wmde* 
gezegd.  Ze  verzorgen,  behandelen,  verbinden.  VgL 
BEGADEN.  II  Si  Ontwapende?»  tien  stonden  ende  dede 
berecten  (/.  berechten)  sine  wonden,  Lane.  II, 
28918.  —  Ook   van  het  verzorgen  zijner  kindere», 


hen  aan  een  bestiian  helpen,  hun  een  uitzet  geve» 


hd. 


921 


BERE* 


BERE. 


922 


autstatten.  Ygl.  BERADEN.  ||  Waer  man  of  wijf 
kindere  berichte  ende  dien  loeven ,  dat  si  hem  niet 
ontgheven  of  ontmaken  en  zoelen ,  dat  hem  onstade 
doen  mach  an  oerre  erfnisse,  Stadsr.  v.  Zwol/e 
131,  222. 

d)  Met  het  voorz.  van.  Voorzien  van.  \\  Beide  ridders 
ende  cnapen  waren  wel  bericht  van  wapen ,  Lanc.  lY, 
8201.  Enen  casteel  .  .  .  stare  ende  scone  bemnert 
al,  ende  wel  berecht  van  cantelen,  II,  7403.  Hi 
stont  op  ende  bat  na  das,  dat  men  hem  tetene 
gave;  men  berechtene  .  .  .  daer  ave,  111,  4398. 
Doe  dochte  coninc  Zegebrechte ,  dattene  God  niene 
berechte  van  kinderen,  die  naer  syn  leven  inden 
rike  waren  bleven,  Sp.  III",  34,  11;  „dat  God 
hem  geen  kroost,  geen  kinderen  geschonken  had." 

e)  Iet  b  — ,  iets  verschaffen^  bezorgen.  ||  Hier  na 
worden  si  beide  saen  in  enen  feilen  kerkere  gedaen , 
daer  onse  Here  saen  heeft  berecht  sueten  roke  ende 
lecht,  i^.  II*,  37,  191.  Ie  wilt  al  gaeme  doen, 
in  dien  dat  ghi  mij  berecht  scepe,  ridderen  ende 
knecht ,  MLoep  1 ,  660.  Ende  dat  hem  {den  clerken) 
gebrect  .  .  .  selen  die  leken  berechten  al,  Yelth. 
YII,  23,  52.  Also  groet  ghebrec  .  .  .,  dat  men 
horen  nootroft  niet  berechten  en  mochte,  Hs.  88, 
ƒ.  30a.  Ende  si  en  werken,  ten  waer  of  si  horen 
beesten  teten  berechten,  Mandev.  f.  16^. 

f)  Met  eene  ongunstige  zaak  als  voorw.  Berok- 
kenen^ bezorgen.  \\  Mocht  ich  hoir  dan  berechten 
wee,  men  gonde  myns  lichte  mee,  MLoep  II, 
2457  var.  (de  tekst  heeft  eene  andere  lezing, 
maar  ook  beraden  heeft  de  twee  bet.  van  ver- 
schaffen  en  berokkenen.  Ygl.  ald.  2) ,  3)  en  10). 

12)  Iemand  van  hetnoodige  voorzien.  Met  een  onder- 
geschikte^ bediende  enz.  als  ondw.  Bedienen^  ten 
dienste  st€um.  ||  E  vele  mote  di  gescien,  dattn  [beer) 
ets,  dar  wi  toe  sien  onsen  coc  ende  onsen  knecht, 
die  ons  dicke  wel  heeft  berecht,  Vad.  Mus.  2, 
278,  478.  (Hi)  hiet  den  sciltcnechten ,  dat  si  den 
radder  souden  berechten  ende  helpen,  dat  hi  slapen 
qname.  Wal.  2613.  Doe  brocht  men  hem  een 
orcussijn  ende  een  hooftcleet  scone  eude  sochte , 
si  berechtene  als  si  best  mochten,  2634. 

13)  In  iemands  zieUbehoeften  voorzien ,  zijne  geeste- 
lijke behoeften  vervullen.  Yooral  van  het  toedienen 
der  sacramenten  aan  stervenden^  hetwelk  tegen- 
woordig in  Nederland  iemand  bedienen  y  in  Ylaan- 
deren  nog  berechten  genoemd  wordt.  ||  Als  die 
ridder  was  gebiecht  ende  Goede  ontfaen  hadde 
ende  berecht,  Lanc.  II,  5053.  Dat  ware  grote 
sonde,  lietmense  sterven  sonder  sacramenten  .  .  . 
Doe  sprac  die  diaken:  Here,  waert  u  lief,  ie 
woudse  berechten,  D.  War.  6,  393.  (Hi)  sterff 
daemae  .  .  .,  wael  ghebicht  ende  bericht,  7,111. 

14)  In  een  zekeren  toestand  brengen ,  behandelen , 
met  iemand  of  iett  handelen;  hem  geven  ^  wat  hij 
verdient.  Vgl.  beoaden.  —  a)  Van  personen, 
vooral  in  slechten  zin.  Toetakelen ,  in  een  treurigen 
toestand  brengen.  ||  Hier  is  schandelic  ghevaren; 
hoe  heeft  mi  desen  dief  berecht!  Hild.  61,  194. 
Haddic  dl  hier,  ie  soude  di  so  berechten  dan, 
dnne  daets  nemmerme  edelen  man  scande  no 
lachter,  Wal.  9192.  (Si)  berechtene  soe,  datmen 
ter  stont  niet  bekennen  mochte  nese  noch  mont, 
Lanc.  II ,  21624.  —  Ygl.  verder  bij  berecken  ,  dat 
door  de  overeenkomst  in  vorm  verscheidene  der 
beteekenissen  van  berechten  heett  overgenomen,  en 
meermalen  in  de  Hss.  met  berechten  wordt  verward. 
De  Oostvlaamsche  aspiratie  der  k  voor  t  {berecht  voor 
berecC)  vergroot  de  moeilijkheid.  —  Ook  verbonden 
met  bgw.,  die  de  smadeiyke  behandeling  nog 
duidelijker  aantoonen.  —  Jammerlike^qualike, 


onsochte,  onwerde(like)  berechten,  deer- 
lijk toetakelen.  ||  Dieue  jammerlijc  berechten ,  ende 
hebben  hem  daer  .  .  afghesleghen  sinen  voet ,  ende 
sijn  tonghe  in  sinen  mont  ghecort,  ende  bitterlijc 
ghewont,  Brab.  Y.  YI ,  9124.  (Hi)  hadde  mi  qualjc 
bericht  saen,  en  had  min  grote  sin  gedaen,  daer 
ie  bi  jegen  hem  began  den  strijt,  Xa»^.  III,  4347. 
Mettien  slage,  die  hi  hem  gaf,  berechte  hine  soe 
onsochte ,  dat  hi  een  wort  niet  spreken  en  mochte , 

II ,  19105.  {Uet  paard)  warpene-vor  hem  op  die  erde 
ende  berechtene  sere  onwerde,  j^.  II»,  49,  109. — 
Het  verl.  deelw.  berecht  bet.  dus  in  een  zekeren 
toestand  y  er  aan  /o<f,  steeds  verbonden  met  een  bQw. 
van  graad  of  wijze,  b.v.  bat,  so,  also.  ||  (Si)  leiden 
onder  die  liebarde  mi . .  (ende)  Onse  Here  . .  halp  mi 
ter  steden ,  datsi  also  bericht  vonden  mi ,  als  icker 
geleit  was,  Lanc.  II,  24349  {in  denzelfden  toe- 
stand ^  als  toen  zij  er  my  brachten).  Echites  was 
oec  om  dese  sake  herde  sere  tonghemake,  dat  hi 
niet  bat  berecht  en  si,  ende  hi  van  derjonfrouwe 
vri  nu  nochtan  daer  sceiden  moet,  lAmb.  I,  2425. 
Demophon  was  te  moede  wee,  dat  hi  niet  bet 
berecht  en  was,  IX,  240.  Dat  al  mijn  lant  bat 
dan  nu  was  bericht,  Parth.  6750.  Alse  hi  hem 
gevoelde  also  berecht,  dat  hem  dochte  dat  hi 
vallen  moeste,  Laju:.  II,  20230.  (Als)  hi  hem  sach 
so   berecht  dan,    dat   hem  gene  bliscap  ginc  an, 

III,  2847. 

b)  Yan  zaken.  Er  mede  handelen.  ||  Cortelike 
na  dien  waest  {lichaam)  so  berecht ,  dat  mochte 
geduren,  Sp.  II*,  32,  80.  (Hoe  hi)  sinen  lechame 
oec  berechte ,  dat  hi  in  ghesonde  blive ,  Heim.  1440. 
Ende  daema  .  .  dede  hijt  al  toten  gronde  neder- 
werpen  ende  maken  slecht ;  dus  was  Hejmersbach 
berecht,  Brab.  V.  YI,  5399.  -  Ook  als  term  bij 
de  muntvervaardiging.  Op  het  te  mttnten  metaal 
eene  bepaalde  bewerking  toepassen.  Maar  welke?  || 
Tvoorsz.  werk  van  VIII  marck  silvers  . . .  moet . . . 
loffelyck  opgemaect  worden  . .  ende  met  drij  wercken 
gewrocht,  te  weten  quetsen,  berechten  ende 
legieren  in  YI  marck  silveren  gehaeft  in  platen 
ende  metten  sonne  gepasseert,  Y.  d.  Wall  793. 
Dat  men  wercken  moet  stuy vers  ende  andere  dier- 
gelijcke  soo  in  gout  als  in  silver  drij  wercken,  te 
weten  quetsen,  berechten  ende  legieren 
naar  de  oude  costuymen,  794. 

15)  In  juridischen  zin.  Het  transitieve  rechten  ^ 
richten.  In  eene  zaak  recht  dcen^  haar  door  eene 
gerechtelijke  uitspraak  beslissen ,  beslechten,  uitmaken. 

a)  Met  den  4den  nv.  der  zaak.  —  a)  In  eene  zaak 
vonnis  vellen ,  haar  in  rechte  beslissen ,  beslechten.  \\ 
Dat  alle  zaken  ghevallende  binder  vors.  steden  . . . , 
dat  die  behoren  berecht  te  zine  bi  der  wet  van 
derselver  stede,  Invent.  v.  Brugge^,  541.  Ghesent 
hevet  hi  om  sente  Remy ,  dat  hi  te  Lodine  quame  , 
bidi  daer  es  sulke  dinc  gesciet,  hine  caent  be- 
rechten niet,  Sp.  111*,  8,  45.  Of  God  tenjoncsten 
daghe  sal  ghepeins  ende  wort  berechten  al,  daer 
wi  oy t  in  mesdaden ,  Wap.  Mart.  1 ,  274.  Gescieter 
enech  vechten,  Aaron  ende  Hur  sullent  berech- 
ten, Rijmb.  4701.  Die  grote  sake  berecht  allene, 
Rijmb.  4475.  Claudius  hoorde  hare  tale  ende  be- 
rechte die  sake  wale,  27313.  Dat  hyt  soude  be- 
rechten comen,  Brab.  Y.  II,  1535.  Dat  souden 
die  rechtren  berechten.  Rosé  5269.  Wat  gesciet 
binder  vriheyt  van  Aemstelredamme ,  dat  sal  men 
berechten  bi  den  scepenen  van  binnen ,  O.  R.  v. 
Amst.  9.  So  moeghen  wi  dien  poerter  weder  binnen 
halen  ende  die  misdaed  daer  binnen  berechten, 
16.  Alle  .  .  .  quetsinghen  sullen  ambochts  heeren 
berechten   bi   scepenen,    Oorkb.   2,  334,  39.  Alle 


923 


BERE. 


feERE. 


924 


excessen,  die  daer  gescbien,  worden  berecht  by 
den  schout  yan  Hoorn,  Inform.  86.  8o  wat  so 
geschied  bin  Ame  .  .  .,  dat  sal  men  berechten 
bin  Middelbnrgh ,  Ned.  Proza  4.  Dan  soelen  wy . . . 
dat  berichten  ende  affdoin  bynnen  den  neisten 
yierthien  dagen,  Ngh.  4,  180  (vgl.  2,  287).  Dat 
hl  dat  berichte  ende  daer  over  richte,  2,  287.  — 
Ook  met  een  4den  nv.  duidende  op  den  inhoud 
van  het  vonnis,  in  den  zin  s9Si  alt  recht  uittpreken, 
II  Die  scepen  of  raet  sloeghe,  daer  si  waeren  van 
der  stad  weghen  of  om  dat  si  bericht  hadden  van 
der  stad  weghen,  Stadtr.  v.  Zwolle  57,  32.  Op 
dat  se  bericht  hebben  van  der  stad  wegen, «x/^^. 31. 

^  Richten ^  ttraffen.  \\  Men  heeft  geseit  te  menigen 
tiden ,  dat  men  om  onrecht  soude  striden  ende  om 
eten  sonde  men  vechten,  ende  dan  {dat  en)  sonde 
geen  baliu  berechten,  Yelth.  IV,  17,  13.  Roef, 
cracht  ende  ghewont ,  dat  de  heren  van  rechterscont 
over  al  souden  berechten  ende  scarpelijc  daer  over 
rechten,  Teest  894  {d.  t.  met  den  gewonen  pro- 
thusteron:  „scherp  zouden  vonnissen  en  overal 
ttraffetC*),  Overdadighe  sware  hovaerde  salmen  an 
enen  maten  man  al  anders  berechten  .  .,  dan  an 
enen  groten  here,  ende  so  berechten  {yar^^  dat 
elc  lere  tombeme  suiker  overdaet,  Èeim,  636. 
Dat  een  here  ne  mach  altoes  .  .  .  dinc  berechten 
die  hem  wel  cont  es ,  ende  niement  el ,  Rijmb,  1841 ; 
„quod  judez  sibi  soli  notnm  crimen  punire  non 
potest.  Al  dat  ghesciet  binnen  deser  chore,  dan 
sal  men  niet  hoegher  berechten,  dan  vierscatte 
{var.  beteren),  OarH,  1 ,  247  6  (a.  1248). 

b)  Met  den  4den  nv.  van  den  persoon. 

a)  Iemand  recht  doen,  hem  recht  verêchaffen,  || 
Om  me  tvolc  dat  voor  hemlieden  quam  te  berech- 
tene,  Invent,  v.  Brugge  4,  178.  Dat  hi  van 
gheere  zake  tien  tide  wilde  horen  sprake,  eer 
dat  arem  w\|f  berecht  ware  .  . ,  ende  (hi)  berech- 
tese  alsoe  dat  soe  hare  wel  ghepait  van  hem 
bilt  doe,  VI.  Rijmk.  2507.  Du  souts  uut  kiesen 
saen  moghende  Inde  die  Gode  ontsien  .  .  ,  die 
dit  volc  van  cleden  saken  berechten  ende  vreden 
maken,  Rijmb.  4470.  Sie  mogen  wel  wesen 
zonder  plecht,  die  in  dat  vonnesse  zijn  berecht, 
Anz.  4,  71.  Als  hi  die  weduwe  maete  vro,  die 
hi  berechte  van  {in  de  zaak  van)  haren  sone,  Sp. 
11^,  84,  7.  Omdat  mi  dese  wedue  nit  met  vreden 
en  laett,  so  salie  se  berechten,  dat  syt  mi  ten 
yoncsten  daghe  nit  en  hebbe  te  verwitene ,  Z.  v.  J. 
c.  166.  —  Ook  met  den  3den  nv.  |i  Van  dat  zy 
berecht  hebben  den  voochden  van  weezen  ende  haer- 
lieder  partyen,  Invent.  v.  Brugge  4,  415. 

ff)  Straffen,  tuchtigen.  ||  Si  ne  wilden  niet  be- 
rechten sine  viande,  Yelth.  II,  14,  31. 

16)  Bg  uitbreiding.  Als  ridderterm. 

a)  Met  den  4den  nv.  van  den  persoon.  Het  voor 
iemand  opnemen ,  sijne  partij  kiezen ,  hem  beschermen. 
Ook  met  eene  bep.  met  jegen,  ter  aanduiding 
van  den  persoon,  waartegen,  of  met  van  ,  ter  be- 
paling der  zaak,  waarin  men  iemand  verdedigt.  || 
Want  daer  een  ridder  comen  ware,  die  de  jonc- 
frouwe  wonde  berechten  jeghen  hem  ende  over  hare 
vechten,  Lanc.  II,  9378.  Soudi  Lionele  willen 
berechten  ende  den  camp  vor  hem  vechten,  23884. 
Wildi  dese  joncfrouwe  berechten  oft  van  hare 
sceden,  oft  jegen  mi  vechten?  44021.  Dat  mi  enech 
ridder  berechte  ende  jegen  Bridanne  vechte,  III, 
6619.  Dats  mi  leet,  van  derre  sake  en  salie  u 
connen  berechten,  Ferg.  4372. 

b)  Met  den  4den  nv.  der  zaak.  Voor  een  gerech- 
telij ken  tweekamp  bewijzen  of  bezlechten.  \\  Of  ghi 
wilt  8^11   hare  campioen,  so  comt  voert  ende  laet 


1 


ons  vechten.  Fergnnt  sprac:  ie  salt  berechten, 
Ferg.  4696.  (Ic^  wiUe  der  Diaget  recht  berechten, 
nu  eist  tiit,  aat  wi  vechten,  Umb.  UI,  297.  Ie 
soude  over  mire  nichten  vechten  ende  hare  claege 
in  deseu  berechten,  Lanc.  II,  8741.  Van  den  rid- 
dere  die  . . .  wilde  berechten  haren  noot  enten  camp 
vechten ,  jegen  die  haer  leit  op  den  moort,  FUndr. 
lY,  138  (Martin  leest  verrechten,  misschien  wel 
de  ware  lezing).  Hi  wille  vorden  coninc  vechten 
up  Harderike ,  ende  dat  berechten ,  dat  hi  looch 
als  een  valsch  man,  Sp.  III",  78,  16.  —  Ook  b| 
verdere  uitbreiding.  Door  een  (niet  gerechtelgk) 
tweegevecht  of  gevecht  tutzchen  meer  perzonen  be- 
slechten ,  uitmaken.  ||  Echter  ontbeet  (/.  ontboet)  nu 
hierenbinnen  die  ander:  Of  hy  tselve  wilde  be- 
rechten met  swerde  ende  met  scilde  ?  Yelth.  11,7, 
51.  Doe  wilden t  die  gonen  berechten,  died^v^fte 
porte  bilden,  ende  sloeghen  up  Waleweine,  Wal. 
6606.  Ygl.  becorten  2),  dat  hiervoor  de  gewone 
uitdr.  was. 
Wederk.  Hem  berechten. 

1)  Zich  besturen ,  zich  beheerschen  (vgl.  bedr.  7).  || 
Lanshere  ne  dooch  niet,  die  hem  selven  ende  sjn 
diet    mildelike    niet   ne    berecht,   Heim.    45.  Die 
hogheste  vroescap  eist  echt,  dat  een  hem  selven 
berecht,  355. 

2)  Zich  gereedmaken,  toerusten  ten  strijde,  zich 
voorbereiden  (bedr.  11  b).  ||  Up  enen  dach  so 
soutmen  vechten:  die  Eerstine  ghinghen  hem  be- 
rechten, als  den  wgch  te  vangene  an ,  iVoiir.  5797. 

3)  Zich  inrichten,  zijn  leven  inrichten,  eene  ge- 
dragslijn volgen  (bedr.  8).  ||  Het  was  een  ridder 
rike  ende  vrome,  die  also  berechte  home,  dat  hi 
huwelijc  ontseide,  Sp.  V ,  74,  1.  O  vuel  onreine 
knecht,  hoe  hebbedi  u  selven  dus  berecht?  Base 
3618 :  '  hoe  hebt  gfj  deze  gedragslgn  kunnen  volgen, 
hoe  hebt  gij  u  zelven  zoo  misdragen.^*  —  Ook  iu  den 
zin  van  schikkingen  maken,  beschikken  omtrent  zich 
zelven.  ||  (Daer)  woud  hi  berichten,  als  hi  dede, 
hem  selven  ende  al  syn  goet  oec  mede.  Als  dat 
gedaen  was  .  .  .  so  lacn  hi  neder  ende  was  doet, 
ChrUt.  1460. 

4)  Zich  verzorgen,  voor  zich  zelven  zorgen  (bedr. 
11  c).  II  (Hi)  aventnert  s^n  leven  ginder  om  te 
bescermene  sine  kinder ,  ende  hine  beghevetse  nacht 
ende  (/.  no)  dach,  tote  dat  hem  elc  berechtea 
mach ,  Nat.  BI.  III ,  207.  Hi  {de  arend)  const  hen 
wel  berechten ,  dat  hi  die  voghel  al  verwan ,  Segh. 
1798. 

5)  Zich  verdedigen,  zich  verweren,  zijn  reehi 
handhaven  (bedr.  15^).  ||  Hi  ne  can  hem  selven 
niet  berechten,  wat  soudi  dan  over  mi  vechten? 
Yelth.  II,  18,  35.  Het  welt  (vt/)  menech  vechten , 
daer  hi  hem  qualyc  can  berechten,  Torec  1542. 
Het  gaf  hem  op  groet  ende  smal  ...  al  sonder 
vechten ,  sine  mochten  hem  niet  berechten,  Aiol^fr. 
895.  Nu  sal  hem  Baselie  moeten  berechten  met 
anderen  volke,  907.  Hem  selven  sullen  si  berech- 
ten, ende  oec  vor  al  dander  vechten,  Ben.  1768. 
(De  verklaring  in  het  gloss.  zich  gereed 
ten  strijde  is  de  ware  niet.  Ygl.  Clariase  op  Hé 
bl.  133 — 136).  Want  gi  nu  saen  moet  vechten 
camp  ende  u  berechten,  Lanr.  III ,  12985.  Gi  moet 
u  andersins  berechten;  laet  n  scelden  ende  laet 
ons  vechten,  18401.  —  Ook  in  den  zin  van  reeit 
krijgen.  \\  Neemdi  mijn  ors,  hets  mi  leet,  ende 
mach  ie  mi  niet  berechten,  eer  iet  verliese,  it 
sal  eer  vechten,  Ferg.  2519. 

6)  Een  tweegevecht  houden,  met  iemand  kmmpen 
(bedr.  16).  ||  Nn  segt,  weder  soe  wUdi  beide 
tenenmale  nu  yechten  of  wilt  hem  elc  allene  be- 


d25 


ÊEtlÈ. 


BERE. 


926 


rechten  legen  mi  ?  nu  kiest  dat  ene ,  Lanc.  II ,  38086. 

B£R£CHT£R£(berechter,  berichter),  znw.m. 

1)  Ton  berechten  in  den  zin  van  besttvrett  (bedr.  1). 
Bettmrder,  opeicAter,  regent j  zoowel  van  God, 
als  van  allerlei  wereldiyke  en  geestelQke  betrek- 
kingen. II  Om  dat  dit  rike  hanget  an  u,  ende  es 
Bonder  berechtere  nu,  Lane.  lY,  7975.  Nochtan 
so  ne  sonde  ...  die  Bruut,  die  Heylighe  kerke 
myn,  daer  bi  niet  gesconfleert  syn,  al  es  dathaer 
bwechters  quaet  niet  en  doen  na  haren  staet,  Yelth. 
YII,  17,  40.  Dattie  berechters  van  eenre  stat... 
gkèmenen  oorbaer  achterlieten,  Lep.  III,  16,  128. 
Soe  wanneer  Gherarda  van  Leyden  ghebrake,  be- 
rechter  der  voerseyder  kerke ,  Mieris  2 ,  66  ^. 
Want  hi  is  berechter  alles  dyes  dat  hi  ghescepen 
hevet,  alzoe  dat  oec  een  blat  nyet  en  valt  up  der 
arden  zander  hem ,  JSoee  d.  Jf.,  /.  14.  Dat  aen  dien 
berichters  (der  orde?)  die  twee  zolen  zQn  mildichlike 
radende  ontfennicheit ,  D.  Orde  238.  —  Ook  in  den 
bepaalden  zin  van  landvoogd^  gouverneur^  door  den 
wettigen  vorst  met  de  macht  over  een  gewest  be- 
kleed. II  Dien  maecte  Anthonis  bi  hem  berechtre 
in  tlant  van  Jhemsalem,  Bifmb.  20721.  Hi  voer 
over  in  Ingbelant,  daer  hi  Willemme  van  Loe 
vant,  die  borechtere  was  gheheelike  van  algader 
den  conincrike,  VI.  JSijmk,  4678.  Die  wiledatwy 
Tan  ons  lieven  boelen  weghen  shertoghen  van 
Oelren  sijns  ende  ons  lants  meyster  ende  berichter 
wesen  zuele,  NQh.  2,  65.  Want  .  .  .  onse  lieve 
here,  her  Reynout  hertoghe  van  Gelren  .  .  .  ons 
overste  meyster  ende  berichter  s^ns  alinghen  lants 
van  Veluwen  ghemaect  hevet,  ald.  93. 

t\  Yan  berechten^  in  den  zin  van  recht  doen 
(bear.  8).  Bechter.  \\  Wine  sgn  niet  wroegeren 
Tan  den  sonden  no  berechters,  7et.  BI,  4097. 
Entie  dat  volc  souden  besyen,  diere  waren  ses 
dnsent . .  berechters  ende  beschrivers ,  Bijmb.  10980 ; 
„judiees  au  tem  et  scribas  sez  millia.''  Berechters 
hadden  si  (de  Joden)  vorwaertan  (na  Jostia),  nl. 
de  Bichteren,  Sp,  I»,  11,  27. 

3)  Yan  berechten  in  den  zin  van  verschafen, 
hetórgen  (bedr.  11  e),  Begorger^  bewerker,  \\  Wel- 
ken dach  die  berechter  onser  salicheyt  maecte, 
vercoes  ende  heyUchde,  Paee.  W\  123  f. 

BERëCHTICH.  Zie  op  berchticu. 

BEREOHTINÖE,  znw.  vr. 

1)  Yan  berechten^  in  den  zin  yaü  besturen  (bedr.  7). 
Bestuur^  opzicht.  \\  Dat  hoer  Igf  ende  hoer  goet 
der  broeder  berechtinghen  zi  onderdaen,  D.  Orde 
237.  Dat  hi  also  die  berechtinghe  des  huses  ende 
den  ordene  versie,  278. 

2)  Yan  berechten  j  in  den  zin  van  verzorgen 
(bedr.  Wc).  Zorg^  verzorging.  \\  Yan  dier  berech- 
tinghen der  zieker  broedere,  ald.  243. 

3^  Yan  berechten^  in  den  zin  van  terechtwijzen 
(beur.  6).  IWechtwiJzing ,  voorlichting.  ||  Der  mensce, 
di  den  geest  der  berigtingen  wilt  bekennen ,  di  mnt 
sig  in  sig  solver  trecken  ende  mut  sich  sonderen  van 
allen  uttersten  dengen ,  lAmb.  Serm.  31  d. 

=  Thans  nog  in  Ylaanderen  algemeen  In  gebruik 
in  den  zin  van  toediening  der  laatete  Sacramenten 
(zie  bedr.  16). 

BEREDEN.  Zie  bereiden. 

BEREDEN , zw.  ww.Yan  rede^  d. i.  tale.  Alleen  ge- 
bruikelgk  als  rechtsterm.  Mhd.  bereden ;  mnd.  bereden, 
.  1)  Met  den  4den  nv.  van  den  persoon.  Bewezen 
tegenover  iemand.  \\  Mach  bene  (hem)  dan  die  ancla- 
gher  betttghen  (var.  bereeden)  met  tween  onsen  bur- 
gheren ,  so  is  hine  naerre  over  te  gane  dan  die  andere 
te  ontgane ,  ende  en  mach  hi  hem  niet  bereden ,  so 
sal  M  hem  daer  ontsculdich  maken,  Stader.  v.  Zwolle 


86 ,  112.  Mach  oene  (hem)  dan  die  anclagher  bereden 
mit  tween  goeden  Inden  of  knapen . . ,  d^t  hi  die  jare 
daer  an  hee^,  150, 263.  Mach  hi  hem  des  niet  bereden, 
so  mach  die  ander  s^n  onschult  daer  voer  doen, 
ald.  Worde  hy  des  bereet  (=  beredet),  so  weret 
en  voersaet  ende  twivolt  cure,  B.  v.  Zutf.  13,  39. 
2)  Met  den  4den  nv.  der  zaak.  Bewijzen^  dat 
men  recht  heeft  iets  te  doen,  het  gerechtelijk 
bewijs  leveren  dat  men  bevoegd  is  tot  de  eene  of 
andere  handeling ,  of  recht  op  iets  heeft.  \\  Alle  die 
voersz.  keure  ende  boete  sal  ick  hebben  twee  deel, 
ende  die  poorte  tderdendeel ,  ende  die  salmen  nemen, 
waer  mense  mit  scepenen  ofte  mit  poorteren  bereden 
mach.  Mieris  2,  2026  (a.  1318).  Twintich  grasen 
landes  .  .,  van  welker  Herman  ende  Asingeden 
narcoop  beredet  hadden,  Warfsconstit.  139.  Want 
Hindrick  Schuttrop  den  naercoep  van  der  hoffstede 
beredet  hevet,  .  .  so  wyzen  wg  hem  den  naercoep 
toe ,  Etst.  V.  ihr.  39.  Oft  de  weddescat  der  vrowen 
eman  breken  muchte,  den  se  mit  scepene  bereden 
muchte ,  B.  v.  Zutf.  73 ,  84.  Ende  er  neman  breken 
en  muchte,  want  seys  in  were  was  ende  mit 
scepene  bereden  muchte,  ald. 

BEREDENEN,  zw.  ww.  bedr.  Yan  redene  (zie 
ald.),  en  vgl.  het  vorige  Art  Bepalen ^  afspreken, 
Ygl.  het  mhd.  znw.  beredenunge  ^  d,  i.  besprechung.  || 
In  alder  maten  als  dat  boven  beredent  es ,  Brab,  IT. 
Yll,  2907.  Te  aenhoome  sconincs  uutsprake, 
alsoet  beredent  was  te  voren  int  tractaet,zoeghyt 
mocht  hooren,  3411. 

BEREDENISSE  (beredenis),  znw.  vr.  Yan^^- 
reden  (z.  ald.).  Getuigenis^  het  aanbieden  van  het  leveren 
van  het  gerechtelijk  bewijs.  \\  Zoe  en  zal  en  gheen 
tuech  noch  beretenis  (/.  beredenis)  gaen  over  dobbel- 
ghelt  van  scepenen,  Stadsr.  v.  Zwolle  76,  87  var. 
BEREDINGE.  Zie  bereidinoe. 
BEREDINGE,  znw.  vr.  Mnd.  beredinge;  mhd. 
beredunge.  Bewijsvoering.  ||  Is  ghewgst  Fennen  den 
naercoep  toe ,  na  hoere  beredinge ,  Etst,  v.  Dr,  202. 
*  BEREEDE,  Fop.  Bog.  381:  lees  beleede.  Zie 
BELEIT  2b). 
BEREESCAP.  Zie  bereitscap. 
BEREET,   BEREET8GAP.    Zie   bereit,    be- 
reitscap. 
BEREGENEN.  Zie  bereiken. 
BEREIDE,  byw.  Mhd.  bereite ,  bereit.  Volgaarne, 
bereidwillig,  \\  Altoes   offert   hi   hem  bereide,   ist 
saeck  dat  hi  mi  bereide  (bnw.)  vyndet ,  Stemmen  32. 
—  Zie   over   een  tweede  plaats,  Qrimb.  I,  5390, 
bij  bereiden  ,  3^). 
BEREIDE ,  bnw.  Zie  het  vorig  Art.  en  bereit. 
BEREIDELIJC  (bereedelijc),  bnw.  Ygl.  mhd. 
byw.    bereitecUche.   Bereidvaardig ,   gewillig,    voor- 
komend.  ||  Hi  sal  wesen  bereedelic,  blidelic,  sim- 
pelic,  haestelic,  vromelic,  puerlic,  ende  gemeenlic, 
Con.  Somme  llbb. 
BEREIDEN.  Zie  breiden. 
BEREIDEN  (bereden)  ;  later  ook  in  den  samen- 
getfx>kken  vorm  bereen  (T ifatf^^. 417)), zw.ww. 
bedr.   en   wederk.    Mhd.   bereiten;   mnd.    bereden, 
bereiden, 

Bedr.  —  1)  Oereed  maken,  klaar  maken,  in 
orde  brengen, 

a)  Iet  — .  II  Dat  hi  door  hem woude pinen ende 
bereeden  sonde  alle  saken  die  hem  bedorsten, 
Amand  II,  3613.  Daer  schiet  die  abdt  endeghinc 
al  bereeden  groot  ende  smal,  dies  ter  saken  toe 
bedurste,  8649.  Ghi  moet  u  simpeliken  cleden 
ende  helpen  alle  dinck  bereden,  so  wes  hier  in 
den  hove  valt,  MLo^  lY,  1173.  Si  ghiac  sonder 
groot  gheschal  ende  bereyde  die  cameren  al  teghen 


927 


BERE. 


BERE. 


928 


die  coomste  vander  brnyt,  1227.  Soe  is  bem  sonder 
twy  bereet  hemelrgc  ten  lesten  tyden,  Hild.  126, 
236;    ,,hem    is    bereid^   tpeggeUgd  het  bemelrgk." 
Wie  dien  tornoy  tral  bereden  ende  begomen ,  Parth. 
3466.    (Hi)    bereide   al,  dat  hl  daer  toe  behoeven 
sal ,   Limb.  II ,  79.  Gaet  ten  vercoopers  ende  doet 
hu    ander   {olie)  bereen,   V  Maagd.  417.  Ie  hebbe 
yeghewelken  sine  stat  bereet  na  weerden  ende  na 
Terdienten,    Rnnsb.    5,   23.  (Dat  men  sonde)  alle 
dinc  bereyden  met  groter  voersienicheyden ,  Melib. 
2468.  —  Een  hof  bereiden,  toebereidselen  ma- 
ken voor  het  houden  van  een  hofdag  {cour  plénirre ; 
vgl.   bg  hof).  II  Sent  dede  die  here  een  hoef  be- 
reden costelijc,  als  hi  was  ghewoene,  daer  hi  gheen 
goet  jeghen  en  spaerde,  Belg.  Mt$s.  10,  77,  44. — 
Vooral  gebmikeiyk  in  de  uitdrukking  Sinevaert 
bereiden,  toebereidselen  maken  voor  eene  reit.  || 
Si    bereiden   hare   vaert  ende  voeren  ter  bmlocht 
waert,    lAmb.    XII,   1315.  Sibille  die  met  deinen 
doene    bereide   hare    bedevaert,    Limb.   VI,  1588. 
(Hi)    bereedde   sine  vaert,  Bloeml.  3,  9,  19.  Dus 
es  der   coninginnen   vaert  al  bereet  te  Norwegen 
waert,   Lorr.  I,  971.  —  Het  bereiden,  het  in- 
richten,   het  aanleggen,    ook    met    bijvoeging  yan 
also.  II  Die  keyser  selt  anders  bereden,  Velth.  V, 
29,  16.  Doe  wert  daer  also  bereit ,  dat  die  meester 
logicien    kersten  wert  thant  na  dien,  Sp.  II»,  33, 
64;    „toen    wert   het  daar  zóó  ingericht,  geregeld, 
toerd  er  bewerkt?"*   Dat  so   wert   bereit,  dat  men 
hem  te  voren   brachte,  II',  1,  28;  „hij  had  het 
zóó  aangelegd,  zóó  bont  gemaakt,  dat  h^." 

Aanm.  —  Up.  I,  19,  27."„Dien  moet  die  ziele 
hoeden  ende  bereiden^\  leze  men  met  de  Variant 
beleiden,  d.  i.  besturen,  leiden.  Zie  BELEIDKN,  1). 
b)  Enen  — ,  iemand  klaar  maken ,  gereed  maken , 
toerusten,  mVn^^^it.  ||  Moeder,  bereit  mi,  t waren, 
ie  wille  om  aventure  varen,  Limb.  IV,  675.  Hi 
quam  weder  in  sinen  sin  ende  dede  hem  baden 
ende  bereiden  ende  met  verschen  cledren  cleiden, 
VI ,  636.  Gallicaen  voer  blidelike  ten  Syten  wert . . , 
die  derwert  met  hem  heeft  bereet  twee  sonderlinge 
vroede  man,  Sp.  II»,  30, 18.  Haer  volc  dede  sy  onder- 
sceden  ende  te  vechtene  al  bereden ,  Troyen  4332.  — 
Ook  met  eene  bep.  met  sonder.  Eig.  iemand  nit- 
r tuten  zonder  {met  uitzondering  van)  ietê,  d.  i.  hem 
van  iets  verstoken  laten.  \\  Macharise  moete  God 
verdomen,  dat  hi  dus  sonder  kerstenheit  dese 
kinder  wonde  hebben  bereit,  Aiol-fr.  1\1. 

2)  Verzorgen,  van  het  noodige  voorzien.  Vgl.  BE- 
RECHTEN en  BERECKEN,  waarmede  bereiden  ver- 
scheidene punten  van  overeenkomst  heeft;  zie  ook  bij 
3).  II  Ende  dat  menne  warme  decke  ende  bereide 
ende  berecke,  Lanc.  II,  42625.  (God)  die  ouch 
dat  Ysrahelsche  diet  uut  Egipten  leyde ,  ende  hon 
wael  bereide,  Serv.  II,  1526.  —  Ook  van  wonden. 
Ze  behandelen.  \\  Emmer  soe  bereedet  dat  been,  dat 
die  hersenen  ghesuvert  werden  van  horen  etter, 
Jan  yp.  74.  —  Vooral  gebruikelijk  van  de  zorg 
voor  overledenen.  Hen  voor  de  begrafenis  in  gereed- 
heid brengen.  \\  Doe  Joseph  uwen  sone  bereiden 
halp,  ende  Nycodemus  mede,  O.  Vr.  Droef h.  27 
(Verh.  2de  KI.  Inst.  6»,  17).  Als  sente  Bave  dus 
was  verscheenen,  so  dede  menne  saen  bereeden, 
also  den  doden  lichame  behoort,  ^wmn^;?  II,  4097. 
Si  droegene  van  deer  stede  tere  ander  stat,  daer 
sine  ontdeden  ende  balsemden  ende  bereden  ende 
leidene  in  een  scrine,  Stoke  V ,  89.  Alse  hi  Luduse 
versach  doet  liegen  .  .  . ,  biet  hine  balsemen  ende 
deiden  ende  hoverdelike  bereiden ,  Z«»<?.  IV,  10060. 
3)  In  een  zekeren  toestand  ^«i^^»;  vgl.  BERECH- 
TEN en  BERECKEN.  Alleen  (of  vooral)  in  gebruik  van 


het  brengen  in  een  slechten  toestand.  Ia  nirer 
mnl.  steeds  met  een  bijw.  van  graad  (so,  tlso 
al  das),  of  van  w^ze  verbonden. 

a)  I  e  t  — ,  vooral  eene  landstreek.  HMorverwonln^ 
plunderen.  ||  (Hi)  heeft  dit  lant  aldas  bereet,  ob 
dat  hise  {de  dochter)  den  coninc  wilt  dviage&iTe, 
TW^r  1099.  — Het  bereiden,  A^/ó<w/a«iM.||Hi 
had  so  over  al . . .  bereit,  dat  hi  dar  niet  al  te  lade 
varen  iet,  Lorr.  II ,  272.  Laet  ons  opsitten  met  geweh 
ende  varen  in  Brabant  so  bereide ,  dat  hem  leet  wis, 
eer  wy  daervan  scheiden,  dat  sy  ons oyt sagen aae, 
Grimb.  1 ,  5389  (men  leze :  bereiden.  De  zin  is  ,  laten 
wij  den  boel  in  Brabant  eens  zoo  gaan  opseieppen ,  kei 
eens  zoo  gaan  roeren ,  dat ,  enz/^  Bereide  bet  ^• 
reed,  bereidwillig,  maar  wanneer  men  aldns  leest, 
ontbreekt  het  doel  van  den  tocht  naar  Brabaat). 

Aanm.  Het  gebruik  van  bereiden , Fats.  W.Vt&'. 
„  soe  bereyde  een  yselyc  storm  den  hemel,**  verdient 
afkeuring;  de  beteekenis  moet  hier  zynM/nKm, 
beroeren,   in  strgd  met  den  aard  van  het  woord. 

b)  Enen  — .  Hem  toetakelen,  mishandelen,  ud 
iemand  leven, 

a)  Met  een  b^w.  van  graad.  ||  (Hi)  heefl  die 
vijf  also  bereet,  dat  si  nemmeer  ghedoen  ie 
connen,  Toree  288.  Laet  ons  dese  aldns  b^ 
reden,  dat  hem  bi  ghenen  dulheden  kerstenmu 
en  sal  dorren  nemmermeer  jeg^n  ons  porren, 
Limb.  IX,  345.  Elc  bereidde  audren  soe,  dstter 
engeen  was  van  hen  beden,  hine  hadde  gebloette 
diere  steden ,  Lanc.  II ,  9766.  Walewein  hadse  ii 
suiker  manieren  bereit,  sine  mochten  niet  mere, 
3142.  Qualike  moetti  hier  comen  wesen,lioeW- 
reiddi  minen  naen  also ,  5286.  Hi  sloech  op  die 
gene  sere  doe,  die  sinen  broder  beredden  soe, 
21634.  Hine  bleef  doet  oft  so  bereet,  dat  hemdst 
keren  wert  ontseit,  39174.  Hine  hadde  cleder, 
cousen  no  scoen  .  .;  doe  vragede  hem  die  riddere 
gereet,  wanen  hi  quame  al.so  bereet,  zoo  vreeai 
toegetakeld,  in  dien  toestand,  17006.  Selve  was  hi 
soe  bereet ,  wat  hi  hadde  anegecleet . . ,  was  gescort 
ter  meneger  staden  44819.  Also  bereit  aisi  daer 
was ,  nochtan  kindene  Gringolet ,  45184.  Hi  ginckeie 
daer  also  bereiden,  dat  hi  bidden  moeste  genade, 
46642.  Daedse,  also  hi  wilde ,  bereiden ,  sine  daden 
an  die  maget  niet,  Sp.  II*,  28,  62.  Hine  keert 
nemmer  in  die  stad,  ie  bereidene  soe  enz.,  Iam^- 
II,  998.  (Hi)  sal  u,  seiti,  alsoe  bereiden,  alsoe 
hi  dede  hem  beiden,  VI,  2289.  Aldus  bereidense 
haren  waert.  Rosé  11502. 

/?)  Met  een  bgw.  van  wijze.  ||  Hadden  wioe 
{hem ,  d.  i.  Ood)  van  hemelrike ,  wi  soudenc  alsoe 
qualike  bereiden ,  alse  bereit  waren  onse  ghesellea, 
die  liggen  in  baren,  Limb.  l,  423.  God  van  hemel- 
rike ,  en  hebben  mi  niet  dorperlike  bereit  die  portre» 
van  binnen !  II ,  1503.  Men  sloech  hen  af  haode 
ende  voete,  ende  bereidese  harde  onsoete,  Jl^- 
VI,  435.  Die  n  bereiden  sonde  onsochte  ende 
stucken  slaen.  Rosé  13104.  Hi  sacher  selken  qnal|c 
bereet,  die  waren  ontwapent  ende  ontcleet,  L»e. 
II ,  45027. 

c)  In  de  bepaalde  opvatting  van  Iemand  in  «* 
zekeren  zielstoestand  brengen,  betx>overen\  vgl-  BE- 
RECKEN 6c).  II  Die  tovemie  die  ghi  hebtinne  ende 
onsen  sone  mede  hebt  verleit,  ende  so  daer  mei 
bereit,  dat  hi  (/.  hem)  moeder  ende  vader  He^* 
voeren  beidegader  hinderwert  vele  dan  ghi,  /<"^ 
I,  1770. 

Wederk.  —  1)  Zich  gereed  maken,  zich  ww; 
bereiden,  toebereidselen  maken.  \\  So  wat  poertersi 
outfaen,  die  hevet  zes  weken  hem  te  beredene,  ende 
dan  binnen  comen  te  wonen,  Racer  1, 117.  Alleténe 


929 


BERE. 


6ERE. 


930 


bereidde  si  hare ,  alsocht  si  henen  yaren  sonde  van 
ertrike  tehant,  IaUq,  II ,  287.  Dat  si  soude  van  ertrike 
scedeUf  ende  ginc  har  daertoe  sere  bereden,  296. 
Doe  bereiden  hem  de  payene  om  te  ridene  baten 
mure,  Aiol-fr.  861.  Die  vronwe  .  .  bereide  hare 
al  te  hant  dat  si  sanderdags  porren  soude,  Limb, 
VI,  1678.  Des  andren  daechs  bereydem  Seghelijn 
ende  die  vyf  neven  sijn;  si  namen  oerlof  aen 
haren  vader,  Segh,  3379  par.  Dns  wildu  om  sterven 
bereeden ,  Sacr.  706.  Smargens  als  die  dach  ontbrac , 
benden  (/.  bereiden)  si  hen  ende  wilden  riden, 
Lanc.  II,  38176.  Doe  hi  was  int  graf  geleit,  hebsi 
hem  daertoe  bereit  {maatregelen  genomen  om),  dat 
si  mine  ridderen  daden  wachten  tgraf ,  iSp.  I',  96 ,  41. 

2)  Met  te  verbonden.  Eig.  ziek  gereed  maken  om 
f  e  gaan  tot  of  naar,  en  verv.  zicA  begeven  naar 
(vgl.  Gr.  mtQaGxevd^ead'ai).  —  Ook  in  fig.  zin. 
ZicA  zetten  tot.  \\  Hoe  hi  noch  ter  doget  wert  soude 
hem  bereiden,  Limb.  IV,  367.  (Si)  bereidem  daer 
ten  riemen  in  de  galeide  met  croeter  vaert, 
Aiol-fr.  971. 

3)  Zich  toer  tuten,  zich  uitrukten,  en  wel  bepaal- 
delijk zicA  uitdossen,  zicA  kïeeden.  \\  Op  een  tijt 
ghinc  so  hoer  bereyden  mit  enen  hencke  oversla- 
ghen, als  doen  die  ghene  die  rouwe  draghen, 
M.lA)ep  II ,  3368.  Hi  toech  der  vrouwen  cleder  an , 
ende  bereyde  hem  als  een  wyflf,  3676.  Doen 
dese  jongelinc  opstont  ende  sine  gheselle,  bereiden 
si  hem  cierlike,  Limb.  IV,  462.  Die  coninc  es 
scoenlec  gecleet  ende  conincliic  bereet,  wel  ghe- 
wapent  na  coninx  seden,  X,  861.  Behageliic  was 
si  gecleedt,  ende  cierliic  bereet,  alse  coninx  kindren 
wel  betam,  981. 

Aanm.  —  Somtijds  wordt  bereiden  verward  met 
berieden,  verl.  tijd  van  beraden,  zoo  b.  v.  Amand 
II,  2096:  II  Mettien  bereedden  hem  die  Jueden 
saen ,  wie  daer  spreken  soude  vooren ;  Ues  berieden 
hem;  en  Limb.  VIII,  189:  Eens  smargens  vrouch 
tilike  stont  op  die  here  rike  ende  bereidem  son- 
der  sparen  ,  waer  si  wouden  savons  varen ;  lees  be- 
rieden hem ,  en  vgl.  vs.  200 :  „Ende  daer  souden  si 
hem  beraden,  wat  si  wouden  doen." 

BëREIDER,  znw.  m.  Van  bereiden  in  den  zin 
van  verzorgen  (ald.  2).  Verzorger,  bestuurder.  \\ 
Doe  hijse  gesien  hadde  .  .  .,  so  beval  hi  den  be- 
reider  van  sinen  huyse ,  ende  seide,  D.  B.  Oen.  48, 16 
(Stat.-vertaling:  Aem  die  over  zijn  Auis  was).  Om  dese 
sake  gingen  si  in  die  dore  totten  bereyder,  ald.  19. 
Joseph  beval  den  bereider  van  sinen  huyse  ende 
seide,  44,  1.  Doe  dede  Joseph  den  bereider  sijns 
hnys  voer  hem  comen,  ald.  4.  —  Vgl.  bereit. 

BEREIDINGE  (beredinge),  znw.  vr.  Mhd. 
bereitvnge;  mnd.  bereidinge. 

1)  Bereiding ,  Aet  gereed  maken.  ||  Du  hebste 
bereet  hoer  spise,  want  also  is  hoer  beredinge, 
Hs.  Ps.  69r  (Ps.  66,  10).  Vgl.  bereitscap  1). 

2)  Versiering.  ||  Gherechticheit  ende  oerdeel  is 
een  beredinge  dijns  stoels ,  Hs.  Ps.  96  r  {Ps.  89 ,  16). 
Vgl.  BEREITSEL.  —  Ook  in  den  concreeten  zin 
van  sieraad.  ||  Hi  {CAristus  na  zijne  opstanding)  hadde 
bereidinghe  ende  schoenheit  aenghedaen,  ende  hi 
was  verciert  mitten  lichte  als  mit  enen  clede, 
Bern.  S.  62  a. 

BEREIKEN",  zw.  ww.  bedr.  Mhd.  bereicAen. 
Bereiken.  —  Ook  in  de  uitdr.  metten  swerde 
bereiken,  hetzelfde  als  het  meer  gewone  bevaren 
metten  swerde,  of  bevaen  binnen  slage  (zie  BEVAEN 
en  BEVAREN).  Binnen  Aet  bereik  van  Aet  zwaard 
krijgen.  ||  Wat  hi  bereicte  metten  swerde ;  moeste 
emmer  sterven  daer,  Lorr,  II,  880. 

BEREIT  (bereet;  ook  bereide;  zie  het  tweede 


voorbeeld  bij  bereide,  bijw.),  deelw.  bnw.  van 
bereiden  of  Aem  bereiden  (zie  ald.).  Mhd.  bereite, 
bereit.  Mnd.  berede,  bereide. 

1)  Klaar,  gereed,  bereid.  \\  Smargens  doe  si 
souden  riden  ende  bereet  waren  hare  rossiden, 
Lorr.  fr.  1 ,  622.  Ende  ene  tafele  hadde  hi  ront . . . 
beide  nacht  ende  dach  bereet,  Sp.  II*,  7,  81. 
Waric  soe  vroet  dat  ie  u  mochte  gheraden  .  .  , 
daer  willic  emmer  sgn  bereet,  Troyen  3236.  Des 
sinxen  dages  was  al  bereet  tsinen  bouf,  Limb.  II, 
81.  Here,  hets  al  bereet,  wildi  gaen  eten,  V, 671. 
Tot  alle  die  brieven  bereet  waren,  Brab.  Y.  VI, 
6848.  Dat  sy  te  bliven  sijn  bereet,  ifXoéy  II,  2817. 
Gaet ,  maect  ghy  heet  vier  bereet ,  Sacr.  673.  Be- 
reet .  .  .  hoer  onrecht  te  wederstaen ,  BartA.  761  b. 
Soe  is  hi  bereet  enen  gheliken  te  doen  dat  men 
hem  ghebiet,  Ruusb.  3,  31.  Bereet  te  doen  dat 
God  .  .  wille,  ald.  Soe  wie  die  sonden  groter 
wegen,  soe  si  God  bereyder  is  te  vergheven ,  104. 
So  heeft  hi  een  scoon  linnen  cleet  bereet  ghehadt, 
Boec  V.  d.  L.  J.  287 d.  —  Bereet  ende  be- 
raden, klaar  en  gereed  {eig.  gereed  en  besloten).  || 
Al  haer  edelen  waren  bereet  ende  beraden  wech 
te  trecken ,  Ej?e.  Cron.  306  a.  —  Vandaar  de  uitdr. 
Bereit  syn  (werden).  Met  den  3den  nv.  van 
den  persoon.  Eig.  voor  iemand  klaar  zijn.  Met  een 
persoon  of  eene  zaak  als  ondw. 

a)  Ten  diertste  staan,  ter  vrije  bescAikking  van 
iemand  zijn,  gemakkelijk  voor  iemand  te  verkrijgen 
wezen,  ter  dispositie  zijn.  ||  Want  so  wat  dene  weet, 
is  den  anderen  al  bereet.  Vrouw,  e,  M.  X,  9.  XJ 
hulpe  si  hem  bereit,  SegA.  1629.  Den  rikeu  man 
es  men  bereet  van  allen  gheesteleken  dinghen: 
men  singt  hem,  men  leest  hem,  ende  aldat  de 
heileghe  kerke  van  buten  ghedoen  mach,  dats 
hem  bereet,  Ruusb.  2,  174.  Vgl.  het  tegenover- 
gestelde ONOEREET  SIJN. 

b)  Gemakkelijk  vallen.  \\  Syn  inkeer  is  hem 
alsoe  bereet  te  Gode,  Ruusb.  3,  63. 

c)  In  bijzondere  toepassing  gebruikt  van  de 
vleeschelijke  gemeenschap.  Iemand  te  wille  zijn.  \\ 
Natuer  die  prijst  die  duusterheit,  hoeneer  deen  den 
anderen  wert  bereyt,  daert  verborghen  hoert  te 
wesen,  Hild.  224, 106.  —  Vgl.  MLoep  IV,  970:  Hon- 
dert  off  twee  hondert  wive,  altoes  bereyt  te  haren  live. 

2)  Evenals  ons  gereed  in  dialecten,  zoo  heeft 
ook  bereet  de  bet.  van ^^«rAti(/.  ||  Oec  en  is  gheen 
bereyder  (de  vertaling  van  Surius  heeft  aptius) 
werc  ter  volmaecter  doecht  te  comen,  want  wi  an 
Gode  hangen  met  minnen  ende  met  love.  God 
stortet  alle  goet  in  hem,  want  hi  is  alrebereetste 
die  gracie  Gods  tontfane,  Ruusb.  3,  62. 

3)  Geneigd.  \\  Si  sijn  also  bereet  ende  ter  wraken 
also  heet,  dat  si  hem  selven  sonder  noet  werpen 
in  vemoeye  groet,  Melib.  29.  Bereet  tote  allen 
manieren  van  dogeden,  Ruusb.  1,  94.  Si  sijn 
altoos  lichtere  beweecht,  ende  beredere  op  te 
stane  dan  andere  menschen,  3,  204.  Also  als  si 
bereder  sijn  ten  quaden,  also  sijn  si  oec  bereder 
ende  vaster  tot  penitencien  te  doen ,  Ned.  Proza  96. — 
Bereet  sijn  tot  enen,  neiging  tot  iemand  ge- 
voelen, van  hem  willen  weten,  zin  Aebben  in.  \\  Si 
mint  ene  creature  heimelike,  daer  ie  niet  af  eu 
weet,  want  si  en  es  emmer  niet  bereet  tot  eneghen 
man  die  nu  leeft,  Esm.  414. 

4)  Bereidvaardig ,  Aulpvaardig.  \\  Dat  ghi  .  .  . 
eiken  van  hen  .  .  .  bistendich,  gehulpich,  gera- 
dich  ende  bereet  sijt,  Brab.  Y.  II,  bl.  723. 

BEREIT  ,  znw.  m.  Van  bereiden  in  den  zin  van 
verzorgen  (zie  ald.  2).  Verzorger,  bestuurder.  Vgl. 
beAoet,  behoede,  d.  i.  beAoeder;  beleit,(i.\.  beleider^ 

30 


93i 


BERE. 


BERE. 


932 


e.  a.  II  Omme  Eleasar  hiel  hi  vraghen,  die  al 
was  sijns  huus  hereyt ,  Rijmb.  2074  6';  „ad  Eliezer 
proeuratorem  domüs  süae".  Vgl.  bij  BEREIDER. 

BËRëIT,  znw.  o.  Alleen  in  de  nitdrnkkingbe- 
reit  van  stratenf  straattchoitwing,  \\  Boeten  tot 
drien  ponden  parisyse  ende  daer  onder ,  nteghe- 
leit  twist  ende  bereyt  van  straten ,  Gendsch  Chtb, 
124.  Vgl.  Gloss.  ald.,  bl.  L7. 

BEREITHEIT  (bereetheit;  ook  in  den  vorm 
BREETHEIT).  Gereedheid ^  ontvankelijkheid  voor  goede 
indrukken.  \\  So  sullen  wy  hem  dan  onse  herte 
bereyden  tot  enen  hoye ,  want  daer  staet  gescreven , 
dat  die  wise  wandert  in  breetheit  of  w|jsheit  sijns 
herten ,  Brugm.  1 ,  305. 

BEREITSCAP  (bereetscap),  znw.  vr.  Mhd. 
hereitschaft.  Van  hereit  of  hereet  (zie  ald.). 

1)  Gereedheid^  bereidheid^  beretdvaardigheid ^  ge- 
neigdheid. II  Als  hi  aen  hemlieden  gheen  bereet- 
scap  en  yant,  so  ontboot  hi  hertoge  Jan  dat  hi 
sijn  best  dade ,  Exc.  Cron.  128  a.  Soe  hebben  si  veel 
bereescapen  tot  sonden ,  Boec  v.  d.  L.  J.  88  c.  Si  be- 
voelt in  haer  een  bereetscape  ende  een  gheneych- 
licheit  liever  te  doen,  datmen  haer  heet,  dan  dat 
si  van  hoer  selven  aenghenomen  heeft,  Rnnsb. 
8,  37.  Aldus  maect  men  ene  bereetscap  ende  ene 
bevallijcheit  (d.  i.  bevatlijcheit)  ^  een  inwendich 
begheerlic  leven  tonfane,  6,  69.  Liden  dat  die 
mensce  dicwijl  ontfaet  van  binnen  ende  van  buten , 
ende  ene  bereetscap  maect  {getchiktheid  veroor- 
stiaki  y  aanleiding  geef  f)  tot  nienigherhande  beco- 
ringhen,  3,  68.  Dat  een  mensche  alsoe  grote  be- 
reetscap hadde ,  dat  hem  God  siin  sonden  soude 
vergheven  .  .  . ,  soe  waer  nochtan  die  bereetscap  als 
nietjegen  dat  God  is  bereet  onse  sonden  te  vergheven, 
103.  —  Ook  in  den  zin  van  het  gereed  zijn.  \\  Doe 
was  die  scrifture  voldaen  .  .  .  ;  waters  is  vol  Gods 
vloet,  want  sine  bereetscap  is  alsoe,  //»p.  Il,  31,  60 
{Pt.  66, 10:  „  flumen  Dei  repictum  estaquis"  enz.  De 
vertaling  heeft:  „Wanneer  gij  hetalzoo  bereid h eb t^^). 

2)  Toebereidgelen.  — Ook  in  de  uitdrukking  be- 
reetscap maken,  toebereid sel en  maken ^  maat- 
regelen nemen.Y  g\.  hem  bereiden,  wederk.  1).  ||  Ghi 
helle,  hoert  .  .  ;  maect  u  bereesohap  en  comes  af , 
sijt  blide  en  vro,  Blisc.  v.  M.  668.  (Die)  hare  be- 
reescepe  maect  echt  te  vaenic  in  den  Griecschen 
dan,  f^l.Rtjmk.  6247.  Dat  vanGloucestre  diehertoghe 
bereetscap  maecte  . . .,  om  met  Jacoppen  der  Vrouwe 
te  comene  int  lant  van  Henegouwe ,  Brab.  Y.  VII , 
14406.  Bereetscap  maken,  uni  den  hertoghe  van 
Gloucestre  ...  te  wederstaue  met  synre  macht, 
16839.  —  Ook  met  den  3den  nv.  v.  d.  pers.  Enen 
bereetscap  maken,  voor  iemand*  ontvangst 
toebereidselen  maken ^  hem  plaats  bereiden.  ||  Dit 
wilt  ons  Christus  altoes  gheven  gheestelike,  alsoe 
dicke  alse  wi  ons  aldus  oefenen,  ende  hem  in  ons 
ene  bereetscap  maken,  Ruusb.  6,  126. 

3)  In  concreeten  zin.  Vat  tcat  voor  ons  gereed^ 
beschikbaar  is;  hetgeen  men  voor  een  bepaald  doel 
noodig  heeft \  ook  voorraad^  materiaal.  Vgl.  ons 
znw.  gereedschap ,  welke  bet.  bereetscap  in  het  Mhd. 
heeft.  II  Oft  si  bereetscap  souden  vinden  van  boute, 
om  t  water  te  beiden  inden  te  overpalene,J?ra^.  Y.  VII, 
8639.  Dat  si  daer . . .  bereetscap  vinden  souden  van 
houte.  Noch  seide  hi  hem  . .,  dat  daer  houts  ghenoech 
ware  ende  alle  bereetschap  na  haer  ghevoech  toten 
palen  ende  bolwerke,  8661.  Als  sy  die  (onze  residentie) 
gevonden  hadden,  dat  sy  dan  alsulken  bereescap 
van  onsen  mannen  van  leen  niet  en  vonden  aldair,  als 
totten  hoetvonnisse  behoefde ,  Geseh.  v.  Antw.  2, 526. 

BERKITSKL,  znw.  o.  Van  bereiden  (zie  ald.). 
Toebereidsel.  Kil.  apparatus. 


1)  Toebereidsel^  ook  in  den  zin  van  wutatre^el, 
plan ,  voornemen ,  voorbereiding.  ||  Hoe  die  ghi  onbe- 
reyt  oft  met  cleyn  bercytsel  ten  heylighen  atcn- 
mente  gegaen  hebt ,  F.  m,  f.  74  r.  Dat  hj  sjn 
opset  ende  bereitsel  metter  macht  den  van  Bommel 
te  spysen  .  .  .  nyet  en  heeft  konnen  volbrengen, 
Gedenkst.  3,  30. 

2)  Bevordering.  ||  Sijn  heylicheyt  heeft  menign 
mensche  een  goet  bewijs  gheweest  ende  een  be- 
reytsel  tot  profite  sgnder  sielen  salicheyt ,  Ere. 
Cron.  26rf. 

3)  Van  bereiden ,  in  den  zin  van  toerusten ,  kleeée» 
(ald.  1*;  vgl.  Wederk.  3^.  KUedij,  toilet.  \\  Endebe- 
saghen  hem  hoe  dat  haer  bereitsel  hem  stoot, 
Proza-Rein.  81 ;  vgl.  Rein.  II,  6900:  Ende  sighea 
hoe  haer  steertgens  hingen  ende  hoe  hem  luer 
muulken  stont. 

BEREC,  znw.  o.  Stam  van  berecken;  vgl.  be- 
rechten. 

1)  Van  berecken,  in  den  zin  van  in  orde  brengen, 
bereiden  (ald.  3).  Toebereidselen;  concreet:  vmi toe- 
bereid is,  gerei,  praeparaat.  ||  Men  neme  sniphar 
ende  pee  ende  smout,  al  dit  berec  salmen  docB 
wallen  over  een,  Segh.  10107.  Vgl.  gerec,  dit 
hier  als  var.  voorkomt.  —  Ook  in  de  uitdr.  Op 
sgn  berec  sijn,  op  orde ,  op  streek  zijn.  Met  een 
bepaling  met  van.  Op  streek,  op  stel  zijn  vet  iets  ^ 
van  iets  voorzien  zijn,  Vgl.  te  gereke.  ||  Walcwei» 
was  comen  int  strec,  die  wel  waent  wesen  opsgn 
berec  van  goder  herbergen  optien  nacht,  X«ii^.  Il, 
44237. 

2)  Hetzelfde  als  berecht  4).  Rechtspraak,  recht»- 
maaht.  il  De  vonnessen  .  . ,  die  scepenen  ghevei 
zittende  daghelycx  ten  berecke  van  partien, f W.r. 
Brugge  2,  23.  Daer  men  te  berecke  zit,  Intent.t. 
Brugge  1,  435.  Clerc  van  den  berecke, 
hetzelfde  als  scepenclerc  (z.  ald.),  Invent.  v.  Brnfff 
6,  149.  —  Ook  in  den  zin  vun  de  pl/utts  waar  rffit 
gesproken  wordt  of  het  bestuur  zitting  hondt.  || 
Fransiins  ghecocht  te  Brugghe  omme  te  scrivfiie 
den  missaelbouck  up  tln:rec  {Ie  missel  desiïni  i 
P-hdtel-de-ville)?,  aangeh.  Invent.  v.  Brugge,(j\os&.  fl. 

3)  Hetzelfde  als  berecht  b).  Gevecht,  kamp ^tnM^ 
uitbreiding  veldtocht ,  welke  bet  ook  bataelge)iett^ 
(z.  ald.  2).  II  Hier  na  soe  quam  cort  na  dat  binnen 
Bruessele  .  .  van  Brighe  hertoghe  Lodewijc  .  .; 
ooc  quam  daer  met  in  dit  berec  heer  Willem  fl*»< 
van  Waldeck,  Brab.  Y.  Vil,  6146. 

*  BEREKEN.  Verkeerde  lezing  Velth.  I,  54, 
69,  voor  berecken,  zooals  het  Hs.  ook  heeft  Zie 
BERECKEN,  Wederk.  1). 

BEREKENEN,  zw.  ww.  bedr.  Mhd.  berecienn 
(d.  i.  rechnung  ablegen). 

1)  Rekenschap  afleggen  van  iets,  veranttPOorH^f 
doen  aangaande  iets,  het  verantwoorden.  \\  Lo^ 
meyeren  ende  loese  schepenen ,  die  moetent  na  hier 
berekenen ,  Brand.  667  {het ,  d.  i.  het  km  toe- 
vertrouwde;  tenzij  men  misschien  verkieze de / t» 
moetent  te  laten  vervallen,  en  berekenen  op  étv 
plaats  als  onz.  op  te  vatten ,  evenals  het  mhd.  ^ 
rechenen).  —  Ook  enen  iet  — .  ||  Wat  Lambert 
Oedeken  niet  bewijzen  kan  ende  bereeckeneo,  dst 
mach  Oedeken  vorsz.  verhaelen  in  Lambertzgvet, 
Etst.  V.  Dr.  93.  Wes  he  hem  bereeckenen kende,.- 
daer  voer  sol  he  hem  vuldoen  ende  betalen ,  ald.  ^> 

2)  Ter  verantwoording  roepen ,  rekenschap  doen  »J- 
leggen ,  en  bg  uitbr.  op  een  tekort  betrappen.  \\  Ea 
dienre  die  berekent  wart,  die  mach  wel  billics  ^i 
vervaert,  Hild.  161,  106.  Sel den  mach  ment  so  gke- 
nesen ,  die  voerden  heer  berekent  is ,  hy  en  moeter 
borghe  ende  wis  {vaste, zekere  inkomsten)  seiteii,i&^ 


933 


BERE. 


BERE. 


934 


scheydt  Tan  daen,  146.  Doe  die  here  rekeninge 
begeerde  van  hem,  wart  hi  menicli  dusent  mare 
berekent,  Schaaktp.  48^.  (Hi)  gaf  hem  te  kennen, 
hoe  hi  berekent  was  ende  ymmer  alsoe  veel  ghelts 
hebben  moste,  of  hi  most  daerom  sterven,  49a. 
BERECKEN  (beracken),  £w.  ww.  bedr.  en 
wederk.  Van  denzelfden  stam  als  berechten  ^  waar- 
mede het  dan  ook  dikwyis  door  de  copiisten  wordt 
Tcrward.  Bereden  en  berechten  hebben  eene  zeer 
groote  overeenkomst  in  beteekenissen ,  doch  dit 
verschil,  dat  van  berechten  de  meest  gewone  be- 
teekenis  is  besturen,  regelen,  en  van  berecken  die 
van  gereed  maken,  in  orde  brengen.  Vgl.  RECKEN 
en  het  met  beide  ww.  verwante  Lat.  regere. 

1)  Leiden,   voorgaan  in  het  goede,  onderrichten. 
II    Dese  heilege   man  alse  hi  ierst  plach  moenke 

te  bereckene,  Sp.  II*,  64,  2. 

2)  Besturen,  regeer  en.  \\  Al  dat  die  lichame  doet 
of  sprect,  dats  mids  der  zielen  diet  berect,  Lsp. 
I,  18,  61.  Naturen  crachte  si  doet  hem  doen, die 
alle  erdsche  dinge  berect ,  'Base  fr.  251 ,  135.  Hoe 
sonde  die  werelt  varen  dan,  ofte  si  niet  en  ware 
berect  met  vroetscapen?  Sp.  W,  12,  60.  Vlcesch, 
alsic  {de  ziet)  di  sonde  berecken,  began  die  werelt 
ane  di  lecken ,  Z.  ende  lAch.  169.  —  In  het  bgzonder 
gebruikt.  — a)  Yan  het  bestuur  van  landen,  enz. 

II  Al  tlant  was  sijn,  hi  moest  berecken ,  F^y.  286. 
Met  meerre  weeraden  .  .  ontfinc  tkeyserike  Galba, 
dan  hi  dat  berecken  conde,  Sp.  II*,  86,  23.  Hi 
coes  te  sinen  geselle  Valente  sinenbrueder,  dathi 
Oriente  berecke,  II*,  45,  15.  Dat  hi  berecken 
sonde  tlant  in  Germanien,  daer  hine  sant,  III*, 
58 ,  55.  Ghi  heeren ,  die  de  werelt  berecken ,  entie 
die  lieden  snit  betrecken,  wedewen,  weesenmoetu 
ontfarmen ,  Bouc  r.  Sed.  793.  —  b)  Van  geestelgke 
waardigheden.  ||  Hoe  hy  dbisscopdom  mochte  be- 
recken, Amand  II,  3419.  Dese  heilege  man  heeft 
berect  sinen  stoel  bi  der  g^cien  ons  Heren,  Sp. 
Il',  39,  16.  Dat  si  hare  gepeise  decken  hen 
diese  geestelike  berecken  {patribits  spiritualilus), 
II*,  60,  23.  Wel  te  bereckene  der  kerken  staet, 
II-,  44,  52. 

3)  In  orde  brengen,  klaar  maken,  inrichten  (vgl. 
berechten  8).  ||  Men  name  den  oppenbaren  scat  .  . 
ende  men  daermede  den  tempel  berect,  II*,  39, 22. 
Dat  die  Joden  hebben  berect  dat  fondament,  33. 
Alsemen  slapen  soude  gaen ,  die  wert  dede  berecken 
saen  elkerlijcs  bedde ,  Lanc.  II ,  28186.  Opten  selven 
dach  deden  berecken  . .  die  twee  coninge  . .  stoedsen 
(/.  staedsen)  ten  venstren,  14274.  Si  dede  berecken 
met  minnen  in  hare  selfs  camere  binnen  datter  die 
joncvrouwe  in  mochte  sijn,  35521.  Doe  hgt  wel  al 
hadde  berect,  heeft  hi  hem  in  den  pit  gestrect, 
Sp.  II*,  25,  39.  Een  fornayse  wert  doe  berect 
ende  met  stiurken  viere  geheet,  II*,  18,  74.  Doe 
dede  si  haesten  ende  berecken  haren  wagen,  Bose 
13621.  Om  sijn  orloge  te  bereckene  wel,  Sp.  II*, 

*19 ,  15.  Dus  wonde  Jan  in  Limborch  trecken  ende 
sijn  lant  daer  berecken ,  Brab.  T.  IV ,  1237.  —  Het 
deelw.  berect  met  wel  verbonden,  wordt  als 
bnw.  gebruikt  in  de  hei.  goed  in  orde,  sierlijk, 
netjes,  jj  Hi  vant  die  straten  scone  ende  wel  berect 
ntermaten,  behangen  met  sidinen  cleden ,  Za»c.  II, 
13251.  (Hi)  leidene  in  die  zale,  die  scone  was  ende 
berect  wale ,  16744.  Si  {de  fonteine)  dochtem  scone 
ende  wel  berecht  {d.  i,  berect)  ende  met  bladren  van 
pinneboomen  gedecht  {d.  i.  gedect),  22186.  —  Het 
8o  berecken,  het  zoo  inrichten.  j|  Doe  wert  het 
also  berect ,  dat  mer  ons  Heren  cruce  op  leide ,  Sp. 
n*,  50,  152. 

4)  Fan  het    noodige  voorzien,   verzorgen   (vgl. 


berechten  11).  ||  Nu  quam  te  sinen  dagen  die 
coninc,  dien  wel  hadden  berect  van  kinde  dese 
twee,  S^.  IP,  51,  62.  Ende  alsine  hadden  berect 
soe  si  best  mochten ,  sijn  si  getrect  nten  palayse , 
Lanc.  IV,  9063.  Aldus  quaemdi  alsoe  wale  in 
die  queste  berect  van  den  grale,  als  gi  sculdech 
ward  te  sine,  III,  2049;  y,van  het  noodige  voorzien, 
toegerust.'''*  Ende  dat  menne  warme  decke  ende 
bereide  ende  berecke,  U,  42625.  Si,  die  sine 
nichte  was ,  dede  saen  hem  wel  berecken  ende  wel 
ontfaen,  III,  3151.  Siln  paert  berecken,  Cout.  v. 
Brugge  1 ,  385.  —  Ook  met  het  voorz.  v  an  of  m  e  t. 
Voorzien  van.  \\  Si  dede  berecken  na  desen  die  muren 
ende  die  vesten  vander  stede  van  ridders  ende  seriante 
mede ,  Lanc.  II ,  33572.  Hi  sal  n  wel  beraden  . .  ende 
sal  u  wel  berecken  van  al ,  III ,  10878.  Si  vonden  die 
tafle  berect  doe  metter  spisen,  II ,  25691.  Die  orsbare 
was  bedect  met  dieren  samite  ende  berect ,  II ,  339. 
Ene  bare  .  .  met  pellen  ende  met  samite  wel 
berect,  5561.  Met  enen  roeden  samite  verdect, 
geiyc  ere  dwalen  berect,  III,  10657.  Van  den 
selven  {wapenen)  was  verdect  sgn  ors  ende  wale 
berect,  Orimb.  II,  2691.  Met  sinen  wapenen  was 
berect  sine  ors  ende  wel  overdect,  4815.  —  Ook 
in  de  bepaalde  toepassing  van  —  a)  uitrusten ,  toe- 
rusten ten  strijde.  \\  Op  een  swart  ors  van  snelre 
vaert  sat  hi  met  wapenen  overdect;  selve  was  hi 
wel  berect,  Orimb.  II,  2091.  Alsi  gescaert 
waren  ende  berect ,  sijn  si  ter  bant  voort  ghetrect, 
I,  4210.  Dus  quamen  dese  ghetrect  enten  stride 
wel  berect,  Limb.  VIII,  1023.  Ende  si  voren  uut 
dar  nare  wel  berect  ende  wel  gescaert,  Lanc.  II, 
10550.  (Si)  saten  op  haer  parde  verdect  met  ysere 
ende  wel  berect,  17659.— Die  scaren  berecken, 
het  leger  in  orde  brengen,  toerusten.  \\  (Hi)  dede 
sijn  volc  daer  berechten  (/.  berecken)  ende  vaste 
op  ten  berch  trecken,  Velth.  V,  16,  17.  tVolc 
ginc  hi  al  te  hant  beracken,  bestieren  tien  tiden, 
ende  w^sde  hem  hoe  hi  soude  striden,  Grimb.W, 
1381.  Te  handen  ghinck  men  die  scaeren  daer 
berecken,  I,  5501  var.  —  b)  Kleeden,  toerusten.  || 
Doe  vraechden  si  hare  .  . ,  waeromme  si  haer  hoeft 
niet  daermede  en  dect,  daer  si  Pauluse  mede 
hadde  berect,  Sp.  II',  20,  8.  Si  wilde  haer  daer 
nare  doen  berecken  na  enen  man,  ende  also  hem 
volghen  an,  Belg.  Mus.  9,  421,  108  {Sp.  IV,  45, 
45).  Hi  was  gecleedt  ende  berect  wale  (sierlijk  ge- 
kleed, uitgedost) ,  Lanc.  II ,  13258.  —  c)  Van  zieken. 
Over  hen  gaan,  ze  behandelen,  genezen.  ||  Daerna 
soe  beraete  (/.  beracte)  icken  .  .  metter  oliën  van 
rosen.  Jan  Yp.  72.  —  d)  Van  de  zorg  voor  gestor- 
venen. Hetzelfde  als  het  meer  gebruikeiyke  be- 
gaden,  waarmede  het  verschillende  punten  van  over- 
eenkomst heeft.  Hun  de  laatste  eer  betoijzen ,  hen  voor 
de  begrafenis  gereed  maken.  \\  Si  daden  berecken  daer 
naerder  joncfrouwen  lichame  aldaer  ende  balsemen  . . 
rikèlike,  Lanc.  lU,  9409.  (Hi)  sach  doot  liggen 
dien  clusenare  .  . ,  ende  als  sine  selen  berecken,  so 
hebben  siere  een  wijf  ane  vonden,  II',  36,  149. 
Also  men  doode  na  recht  berect,  Sp.  W,  46,  10. 
Si  namen  den  doeden  ridder  doe  ende  leiden  wel  eer- 
like  in  een  scoen  coffer  rike,  met  dieren  pellen  bedect, 
ende  droegene  also  berect  inden  midden  van  den  sale , 
Lanc.  II,  7670.  Dat  hi  met  eeren  wert  gevoert  te  lande, 
ende  met  groeter  have  berect  eerlike ,  te  wies  grave 
Onse  Here  dede  ende  doet  menech  sonderlingo 
wonder  goet,  II*,  63,  58. 

5)  Iemands  zielsbehoeften  voorzien ,  zijne  geestelijke 
behoeften  vervullen,  hem  de  laatste  sacramenten 
toedienen  (vgl.  berechten  13).  ||  Binnen  dat  hi 
daer    om    sach,   ontboet   si    den  heyleghen  man 


Ö3S 


BERE. 


ÈERE. 


936 


Njchomedise ,  diese  dan  heilichlike  heeft  berect; 
op  haer  bedde  si  haer  strect  ende  God  hevet  die 
ziele  ontfaen,  Sp.  U\  36,  29. 

6)  Jn  een  zekeren  toestand  brengen^  behandelen^ 
en  wel  in  een  goeden,  zoowel  als  in  een  slechten 
zin.  Vgl.  berechten  14).  —  a)  In  goeden  zin.  Ver- 
tieren^ mooi  Vlaken.  —  «)  Van  personen,  Yooral 
van  gestorvenen,  zooals  men  de  meeste  plaatsen 
bg  4d)  kan  verklaren.  —  P)  Van  zaken.  ||  Hare  werc 
heeft  God  also  berect ,  dat  niemens  werc  so  scoene 
en  bleec ,  ^.  II*,  4 ,  16.  Ensebie  deedse  (de  nagelen) 
nuttrecken  ende  deedse  werdelike  berecken  ende 
hieltse  over  reliqnien  gave,  49,  73;  „zij  liet  ze 
eerbiedig  behandelen,  sierlijk  in  orde  brengen."  Dat 
heile  (/.  heilege)  vat  .  .  .  met  enen  roeden  samite 
verdect,  harde  werdelike  berect,  Lane.  III,  9844. 
Breidel,  sambnwe  ende  gereide,  die  diere  waren 
ende  rike  ende  berect  mede  cierlike,  II,  11450. 
Alselc  was  oic  syn  banier  ende  sijn  tomekeel 
berect,  Orimb.  II,  3269.  —  b)  In  slechten  zin. 
In  een  slechten  toestand  brengen,  slecht  behan- 
delen, mishandelen,  toetakelen.  Vgl.  begaden  en  be- 
rechten. II  Nn  ducht  dese  heilege  man ,  dat  sijn 
sculen  ende  sQn  decken  iemene  qnalike  mach 
berecken,  iemand  in  moeilijkheden  zal  brengen,  Sp. 
II*,  5,  32.  Doe  dede  hi  die  berecken  mede  also 
men  Arriane  ierst  dede ,  ^.11*,  20, 131 ;  „in  quatuor 
aliis  saccis  panter  in  mare  projecti  sant."  Tsaade 
hadse  soe  berecht  (/.  berect),  dat  die  sesse laghen 
ghestrect  opten  vloere  hier  ende  daer,  Segh.  4623.  Si 
bleven  ghestrect  in  den  sande  ende  so  berect  in 
'onmacht,  701.  (Ei)  dede  de  maecht  swaerlec  be- 
recken met  slagen  ende  die  wincbraewen  nuttrecken, 
S^.  II*,  12,  37.  Dien  hi  met  des  perts  voete 
berecte  harde  onsoete,  Lanc.  II,  29055.  Soe  dat 
hire  drie  doet  sloech  doe  ende  dandre  berecte  alsoe, 
dat  si  hem  niet  weren  ne  mochten ,  29062.  Sconincs 
Arturs  liede  .  .  waren  soe  berect  in  den  stryt 
groet,  dat  si  meer  dan  halflagen  doet,  IV,  11425. 
—  Ook  in  den  zin  Y&n  toonden.  \\  Mijn  here  Ywein 
was  berect  soe,  dat  hi  wel  waende  sterven  doe, 
want  hi  sulke  seven  wonden  drocch ,  Lanc.  II ,  16336. 
Hi  nam  twee  ysere  te  handen,  dar  hi  hem  mede 
berecte  soe  .  .  .,  dat  hem  die  vingere  gevleescht 
waren,  23482.  (Hi)  leende  doe  op  sinen  scilt  soe 
berect,  soe  onvermogen,  hine  mochte  niet  vele 
meer  gedogen,  IV,  9630  (in  de  laatste  aan- 
haling kan  men  soe  berect  ook  verklaren  als:  in 
zulk  een  (treurigen)  toestand,  evenals  soe  berecht, 
maar  ook  dit  laatste  kan  vaak  als  zóó  gewond, 
getroffen  vertaald  worden  (vgl.  onder  14a).  —  c)  In 
de  bepaalde  opvatting  van  in  een  overspannen 
zenuic toestand  brengen,  betooveren.  \\  Hi  berecte  die 
ridders  saen  .  .  bi  sire  toverien  alsoe,  dat  si 
danen  niet  wouden  sceden  doe,  entie  joncfrouwen 
....   berecti    dies    ghelike,     Lanc.    II,    18352. 

Wkderk.  —  1)  Zich  zelven  beheerschen  (vgl. 
hem  berechten  1),  en  berecken  2)).  |j  God  gaf  n  sin 
ende  wijshede  ende  verstannesse ,  daer  wi  ons  mede 
berecken  souden  in  elke  stede,  Z.  ende  Uch.  217. 
-—  Ook  in  den  zin  van  zich  besturen,  zijn  leven 
inrichten,  lat.  instituere  vitam.  ||  Gebruke  sijns 
{God),  ghelijc  dat  hi  gerne  dade  dijns,  opdattu  di 
daema  wils  berecken  (/Z*.),  Velth.  I,  34,  67. 

2)  Voor  zich  zelven  zorgen  (vgl.  hem  berechten  4), 
en  berecken  4).  Hetzelfde  als  hem  beraden.  \\  Dat 
nieman  te  hemele  comen  mach,  het  ne  si  dat  hi 
hem  berecke  ende  sine  souden  niet  en  decke  met 
biechten,  Lanc.  III,  6458. 

3)  Zich  ten  strijde  toerusten  (vgl.  hem  berechten  2) , 
en  berecken  4tf).  ||  Si  bereden  hen  bi  stade  ende 


saten  elc  op  syn  pert,  van  allen  wapenen  wel 
bewerd,  IV,  4592.  Die  wilc  dat  hem  Walewcia 
berecte ,  gordijt  {het  zwaard)  hem  an  sine  side , 
II,  44644.  Dus  heeft  hi  wiselike  hem  bereet 
(/.  berect)  ende  es  coenlike  vortgetreet  (/.  vort- 
getrect),  Velth.  V,  4,  27.  Ghi  moest  u  here  achter 
doen  trecken  ende  wi  souden  ons  berecken,  Ferg. 
4271.  Doe  ghinc  hem  Artuer  berecken  ende  dede 
stappans  te  velde  trecken,  5431. 

4)  Zich  uitdossen,  zich  kleeden.  \\  Cortelike  si 
hare  berect  na  eenen  man,  ende  also  wech  trect, 
%  IV,  49,  11. 

BERECKER,  znw.  m.  Hetzelfde  als  bereehier 
en  beleider  (z.  die  woorden).  Bestuurder,  regent, 
verzorger.  \\  Ter  ootmoedigher  begeert*  en  sapplicatie 
van  den  deken ,  bereckers  ende  tgemeene  geselschip 
van  den  heylighen  crujce  ons  Heeren,  Belg.  Mus.  3, 
11.  Besorghers ,  bereckers ,  proviserers ,  ghecommit- 
teerden ,  (en)  regierders  van  den  gilde ,  Vod.  Mns. 
5 ,  14.  Bereckers  ende  beleeders  van  den  aermen  ende 
crancken,  Diericx,  ifó».  2 ,  543.  Dienstlieden  Jhesus 
Kerst  ende  bereckers  vanden  hemeliken  dinghen 
Gods,  Hs.  V.  1348,  9a  (I  Cor.  A ,  1 :  dispensatores , 
uitdeelers).  Die  bereckers  vander  deemsterheden  van 
deser  werelt,  ald.  198*  {^Ephes.  6,  12:  rectores 
tenebrarum   harum). 

BEREINEN  (berenen),  zw.  ww.  bcdr.  en  om. 
Samengetrokken  vorm  voor  beregenen.  Mhd. 
bereinet.  Vgl.  mul.  rein,  d.  i.  regen  (zie  ald.),  en 
Eng.  rain. 

Bedr.  Beregenen.  —  Vooral  in  het  verl.  deelw. 
bereinet  (bereent).  ||  Doe  die  huut,  hart  ende 
dinne,  wart  bereinet  ende  besceenen,  Sp.  IV', 
59,  72.  Joncfrouwe,  hadde  mi  ieman  geleent  sya 
huns,  In  ware  dus  niet  bereent,  Ferg.  740. 

Onz.  Jan  den  regen  blootgesteld  sijn ,  nat  worden 
van  den  regen,  nat  regenen.  ||  "Welc  tyt  dat  reinde 
ende  hoe  gedichte,  hi  en  bereinde  niet  een  twint, 
Sp.  II* ,  33,  77.  Het  gesciede,  daennen  ougesteji 
soude  haer  coren,  dat  dlant  bereinde  al  gemene 
sonder  haer  coren  alleene,  III*,  16,  109.  Ende 
daertoe  bereinen  zy  snachts  np  haer  bedde,  dat 
zire  omme  ondertiden  up  moeten  staen;  nochtan 
heefter  gheleghen  stoffe  wel  tien  jaer  lanc,  omme 
den  zieken  een  huus  af  te  maken,  Belg.  Mus.  7, 
93  (de  door  Willems  gegeven,  en  door  Oudem. 
1 ,  524 ,  nageschreven  verklaring  bevuilen  met  drek, 
die  op  niets  steunt  en  waarbg  op  overtollig  zou 
zijn,  moet  natuurlijk  worden  geschrapt). 

BEREN.  Zie  baren. 

BEREN,  st.  WW.  bedr.  {bar,  geboren).  Got 
bairan;  ohd.  beran;  mhd.  bém;  skt  bhar\  lat. /Ww; 
Gr.  (jDfi^(i>;  eng.  to  bear.  Dragen.  In  het  MnL 
weinig  meer  in  gebruik ,  maar  de  bet.  dragen  blykt 
nog  Belg.  Mm.  6 ,  202 ,  524 ,  waar ,  in  een  raadsel, 
welks  oplossing  Cain  is,  gezegd  wordt:  3f|i 
moeder  droech  mi ,  eer  si  gheboren  was ,  d.  i.  Eta, 
die  wel  ter  wereld  gekomen,  maar  niet  door  eeat 
moeder  gedragen  was.  In  dien  zin  kon  men  ze-ggvo^ 
dat  Eva  nooit  geboren  was.  —  Die  buken  die  ni<^t 
ne  hebben  gheboren  ende  de  borsten,  die  niet 
ghezoghet  en  hebben ,  Hs.  v.  1348 ,  293  d.  Zoo  o»k 
in   't  hd. :   die  mutter,  welche  vUch  geboren  ke^- 

BERENEN.  Zie  bereinen. 

*  BERENEN,  verkeerde  lezing  voor  bereves 
{Inform.  177);  zie  ald. 

BERENNEN.  Zie  berinnen. 

BERENT,  deelw.  bnw.  van  berenten;  mhd.  ^ 
renten  (vgl.  De  Bo  108);  of  van  het  znw.  renif 
afgeleid.  Met  rentebrieven  bezwaard ,  gehjfpothekferd. 
Ten  waere  tselfde  lant  herent,  bela^it  ofl  besa$t 


037 


BERE. 


BERG. 


938 


(/.  betijnst)    waer    met   schepenen  brieven,   onde 
wilcoren    oft   geestelicke   renten,    O.  IL  u.  Dor  dr, 

2,  308. 

BERËPSEN.  Zie  berispen. 

BEKEREN,  zw.  ww.  bedr.  Mhd.  berére ,  d.  i. 
benetze.  Van  reren^  d.  i.  loeenen  (zie  ald.).  Betreuren^ 
beweenen^  beschreien^  verdriet  over  iets  hebben.  \\ 
Meneghe  vrouwe  salt  bereren  in  heydenesse  uwen 
criich,  Limb.  IX,  362.  Hijs  saechte  gecastijt,  ge- 
leert,  die  souwet,  dateenander bereert, JRinr/. 631. 
Pat  menech  ridder  sal  bereren,  want  wat  hi  vant 
clene  ende  groet  in  die  boreb,  dat  sloechi  doet, 
Lorr,  fr.  III,    12. 

BERESP,  BERESPEN.  Zie  berisp, berispen. 

♦  BERETEN,  OorkbA,  311.  Lees  beteren  (zie  ald.). 

♦  BERETENIS,  znw.  vr.  Stadtr.  r.  Zwolle  76, 
87   var.  Verkeerde  lezing  voor  beredenu  (z.  ald.). 

BERE  VEN,  bnw.  Mnd.  bereven.  Hetzelfde  als 
bet  aldaar  ook  genoemde  berevelt.  Ybjï  reveoïrive^ 
d.  i.  hoepel  (zie  ald.)?  Vgl.  Taalg.  9,  275.  Of 
deelw.  van  een  niet  voorkomend  ww.  beriven,  om- 
hoepelen  ?  De  vorm  van  het  deelw.  is  althans  sterk , 
doch  vgl.  geleien^  d.  i.  gerimpeld^  T.  en  Lettb.  4, 
190.  Omhoepeld^  met  hoepeU  betingen.  ||  Een  be- 
renen  (/.  bereven)  vat  4  st.,  Inform.  177,  waar 
bl.  651  nog  eene  plaats  wordt  aangehaald  uit  Handv, 
V.  Amsi.  245.  Een  werkvat,  bereven  ofonbereven, 
aangeh.  Taalg.  9,  275. 

BERF  (berve)  ,  bnw.;  samengetrokken  vorm  voor 
bederf  y  bederve^  d.  i.  nuttig.  Mhd.  bidérbe^  biderbe, 
mnd.  bederve^  berve  ^  birve.  In  min  of  meer  duitsch 
gekleurde  stukken  vindt  men  ook  den  vorm  bierve 
of  birve.  Hd.  bieder,  vanwaar  biedermann.  Vgl. 
ook  het  in  MLoep  voorkomende  bederman. 

1)  Van  zaken.  Goed, goed  in  orde,  bruikbaar.  \\  Ach 
leder,  ie  en  sach  nie  sint  soe  berf  een  scep,  OFl, 
Qed.  3,  110,  417;  var.  goed). 

2)  Van  personen.  Braaf,  deugdzaam ,  rechtschapen, 
eerlijk.  Voor  den  overgang  van  beteekenis  ver- 
gelijke men  het  lat.  frugi  en  frugalis,  van  fruor, 
en  het  Gr.  XQTjajóg  van  j^gójfiai,  \\  Enenbervon 
man,  daer  wijsheit  ende  doecht  leit  an,  Hild.  73, 
33  var.  (nalezing).  Die  berve  provoest  was  oec 
verblijt ,  dat  siin  woort . .  voldaen  wort.  Pass.  S.  7  c. 
.  .  .  Soe  selen  wi  ende  onse  borghen  . .  manlic  enen 
goeden  bierven  man  .  .  in  die  leystinghe  voer  ons 
seinden,  Nijh.  1 ,  437.  Beseghelen  mit  seghele  birver 
lude,  aangeh.  «/<;?.  438.  Dit  ghesciede  ter  Nierborch , 
ende  daer  weren  aen  ende  over  gherichtslude  her 
Dirc  van  L^ienden,  heer  van  Hemmen,  Gherijtvau 
den   Haghe,    die  jonge,   ende  meer  berver  lude, 

3 ,  338  (de  door  Kijhoff  gegeven  verklaring  uit 
heérfde  moet  geschrapt  worden).  Hy  wort  op  mi 
toernich  ende  dreef  mi  van  hem  ende  hi  hielt  dat 
mijn  tutten  sinen,  aldus  berf  is  hi  {Ueinaer^X 
Proza-Eein.  28  r.  Dat  syn  die  berve  rackelicke 
coeplnde ,  Con.  Somm.  67  b.  Reyn  van  herten  .  . , 
puer  van  consciencien ,  berve  van  leven,  Brugm. 
2,  391.  Vermits  der  hulpe  Godes  .  .  ende  .  . 
berver  manne,  Racer  3,  119.  Vgl.  verder  Oudem. 
1 ,  526. 

BERFT ,  bnw.  Samengetrokken  vorm  voor  bervoet, 
baervoet,  d.  {.blootsvoets,  barrevoets  {yg\.  ons  treeft 
uit  drievoet}.  \\  Soe  wanneer  imant,  boven  sgn  echte  , 
kijndern  maickt,  soe  sall  deselve  den  kaeck  verboert 
hebben,  gelicx  die  naect  en  berfft  bevonden  worde , 
Overijss.  R.  V ,  107. 

BERGEN,  zw.  ww.  onz.  Van  berch,  In  de 
hoogte  gaan,  rijzen.  Vgl.  fr.  monter,  van  mont\  het 
tegenovergestelde  dalen,  van  dal-,  en  onze  uitdr. 
te  berge  rijzen,  \\  Groten  wysdom  die  meester  conste, 


die  sodanech  werc  ierst  begonste  ende  dat  water 
berghen  ende  dalen  dede.  Flor.  2422. 

BERGEN,  st.  WW.  bedr.  (barch  of  berch,  borgen, 
geborgen).  Got.  bairgan;  ohd.  bergan;  ^gs.beorgan-, 
mhd.  bergen ;  mnd.  bergen ,  bargen.  Bergen ,  in  veilig- 
heid brengen.  In  het  Mnl.  geheel  in  de  bet.  van 
ons  verbergen.  In  de  17de  eeuw  sterk,  in  debet. 
verstoppen',  zwak  in  die  van  in  veiligheid  brengen 
(Oudem.  1,  527).  Zie  Aanm.  2).  Van  personen  en 
zaken.  i|  Ie  barchene  met  haesten  doe  onder  onse 
bedde  int  bedstroe,  Teest.  2862.  Dat  hem  blgftvan 
siere  haven ,  en  sal  hi  berghen  noch  graven ,  Doet.  II , 
2935.  (Si)  quamen  getrect  uien  hagen,  daer  si  in  ghe- 
borghen  laghen,  Sp.lY',  24,  73.  Endebaerchene  (rf«» 
gordel)  onder  zijn  ghewant.  Brand.  802.  Diere 
namen  ie  u  niet  en  berghe ,  Orimb.  II ,  5724.  Hine 
wonde  sinen  raet  niet  berghen,  I,  738.  Ie  en  sal 
u  niet  berghen  Gods  sacramenten,  D.  B.  Boee  d. 
Wijsh.  6,  22.  Ghelikerwijs  ,  .  \ii  (de  zon)  dan 
beghint  te  daelne  ende  dat  inschinen  siregodliker 
rayen  te  berghene  ende  den  mensche  te  latene, 
Ruusb.  6,  89.  Berch  dine  doeghetlike  werke  soe 
du  naest  moghes,  Oeest.  L.  17».  —  Sonder 
bergen,  hetzelfde  als  sonder  hale,  openlijk, 
openbaar,  een  weinig  beduidend  toevoegsel  voor 
het  rijm,  Orimb.  I,  3739  var.-,  3957  var.-,  4715 
rar.— Wat  berghen  beduidt  Grimb.  II,  4122  var.-, 
„ende  was  daer  heere,  so  ick  berghe,"  is  niet 
duidelijk.  Waarschynlijk  is  het  door  den  schryver 
slechts  gebruikt  om  te  rymen.  —  Ook  wederk.  ge- 
bruikt. Hem  bergen, zich  verbergen , zich  verschui- 
len, toegschuilen.  ||  Myn  heere  Geeraert  van  Grimber- 
ghen, die  hem  noode  soude  berghen,  die  (/.daer^  goede 
lieden  waren  te  doene ,  Orimb.  1, 4766  var.  (Hi)  berch 
hem  daer  in  langhe  daghe  beide  in  bosch  ende  in 
haghe ,  Lsp'  I  ï  42 ,  15.  Doe  si  hem  alle  borghen  dus 
toende  hem  allene  Nichodemus,  II,  36,  795.  Si 
{de  eomeet)  bercht  haer  weder  zaen,  alsi  enen  tijt 
heeft  ghestaen,  I,  10,  71.  Dat  hi  int  scip  quam 
sekerlike  ende  barch  hem  daer  heymelike ,  .B/o^»»/. 
3,  13,  193.  Die  cuape  metter  bloter  huut  barch 
hem  ende  scaemden  sere,  Limb.  VI,  2747.  (Hi) 
barch  hem  in  een  lanccruut,  J-Vry.  95.  Doe  scoerde 
die  stienroets  ende  in  die  schore  berch  hem  onse 
here,  Mandev,  f.  21c.  Doe  si  vernam  dat  si  ontfaeu 
hadde,  so  barch  si  hare  ende  schiwde  hare  van 
den  volke,  L.  v.  J.  c.  2.  Mar  Jhesus  ontghinc 
hem  ende  barch  hem  ende  ghinc  uten  temple, 
178.  Alse  Jhesus  dese  wart  ghesproken  hadde, so 
ghinc  hi  ende  barch  hem  vor  hen,  193. 

Aanm.  1)  —  Lanc.  II,  7847:  „Hi  sach  omtrent 
ende  sochte,  ocht  hi  iewerinc  bergen  mochte",  leze 
men  herbergen,  d.  i.  overnachten ',Yg\,  Tekstcr,  74. 

Aanm.  2)  —  Somtijds  vindt  men  bergen  zwak 
gebruikt,  zooals  meermalen  in  het  mnd.  ||  Ende 
als  Adam  ende  Eva  hem  aldus  hoerden,  soe 
berchden  si  hem,  Boec  v.  d.  L.  J,  f.  10c.  Waer 
syn  dochter  haer  gheberghet  hadde ,  Pass.  W.  lOöi. 

BERGEN,  bnw.  Zie  bergijn. 

BERGICH,  bnw.  Bergachtig.  \\  Tlant  is  berchich 
ende  veldich  ende  is  wel  gewatert  mit  ryviren, 
Barthol.  499^.  Het  is  een  zeerp  ende  alte  coudeu 
lant,  berchich  ende  boschich,  513^.  Burguendia 
es  .  .  een  starck  berchich  lant,  490ö.  Ten  westen 
waert  ist  berchich  ende  ten  midweghen  zandich, 
496*.  Sonderlinghe  daer  die  bosschen  berchgich 
zijn,  667*. 

BERGIJN  (baroijn  ,  bergen)  ,  bnw.  Mhd.  bergin. 
Van  berg.  Kil.  poreus  castratus ;  mhd.  bare,  barg,  park, 
d.  i.  gesneden  varken ,  verwant  met  ons  beer.  Ook  berin 
genoemd.  Vgl.  bebinswel.  |1  Nem  bergin  smout 


939 


BERG. 


BERG. 


940 


ende  bargin  spec,  ende  braet  in  eene  panne ,  Ht. 
aang.  bij  Clarisse,  Heim.  bl.  428.  Nemt  bergen 
smout ,  saet  van  beylden  .  .  ende  doeter  toe  bergen 
smout,  Hs.  Tp.  8a. 

BERGINGE,  znw.  vr.  In  concreeten  zin.  Wat. 
geborgen  loordi^  provisie^  wintervoorraad.  \\  Aldaer 
haers  vaders  berghinghe  leit ,  pliet  altoes  een  leder 
te  stane,  Belg.  Mm.  3,  113,  188;  Tgl.  Diut.  2, 
197:  berginge,  abtcontio. 

BERHUÜT,  beter  beerhuut  geschreyen,  raw. 
yr.  Beerenhuid.  \\  Men  leidene  saen  op  ene  berhunt 
ende  sleeptene  tbere  al  nat  ende  nat,  Yelth.  Y, 
17,  9;  Ygl.  Ys.  15:  „optie  kunt  sleepte  men  so." 

*  BERICH,  rrouio.  e.  M.  IV,  133,  /.  besich 
(z.  ald.). 

BERICH.  Zie  berch. 

BERICHT,    BERICHTEN,   BERICHTER.   Zie 

BERECHT,  BERECHTEN,  BERECHTER. 

BERLDEN,  st.  ww.  bedr.  Mnd.  berid^n^  mhd. 
beriten. 

1)  Het   transitieve  riden.  Rijden  op^  berijden.  \\ 
Datter  veel  komen  sullen  Beijaert  te  sien  berijden, 
Heemsk.  74.  Zoo  ook  80. 

2)  Met  den  4den  nv.  eener  plaats.  Met  ruiten 
bezetten  y  rijdende  afleggen  (vgl.  onze  uitdr.  wegen 
a/loopen).  ||  Tierst  dat  si  quamen  int  lant  van 
Grimbergen,  .  .  .  bereden  sy  heiden,  hage  ende 
velt,  bosschen  ende  straten  met  ge  welt,  Grimb. 
I,  2523.  Wapenen  dede  bise  ende  hietse  varen 
op  die  montoenghe  ende  beriden  die  weghen,  die 
straten  in  allen  siden  ende  roven  die  pelgreme  of 
sise  vonden,  Flor.  117.  Oec  sach  mer  Brabant 
om  beriden  van  den  heeren  van  den  Rine,  die 
hem  daden  menege  pine,   F/.  Rijmk.  8058. 

3)  Met  den  4den  nv.  eener  stad.  Haar  aangrijpen, 
aantasten,  bestormen,  bestoken.  ||  Lieden  die  in 
cnrten  tijden  de  stede  sterkelic  souden  beraden, 
9131.  Met  meer  andren,  die  met  ¥n*eetheden  die 
stat  souden  hebben  bereden  van  Bruecel ,  Brab.  Y. 
YI,  11639.  Yan  daer  sant  hi  die  heeren  moye  .  . 
om  die  stat  van  Berghen  te  beriden ,  YII ,  15486. 
Daer  toe  wert  hi  weder  viant  der  stadt  van  Tricht 
ende  bereetse  vroech  ende  spade ,  Exc.  Cron.  126  a. 
Hi  dede  die  borch  van  Yylvorden  sterck  maken 
om  dye  stadt  van  Bruessel  te  ber|jden  ende  te 
quellen,  154  3. 

5)  Met  be  in  de  bet.  van  bereiking  samengesteld. 
Rijdende,  te  paard  inhalen',  in  handen  krijgen; 
achterhalen.  Ygl.  BEOAEN  en  BELOPEN.  Als  krijgs- 
term,  de  gewone  Mnl.  opvatting.  ||  Hine  begh eerde 
els  ghene  saken  .  .  dan  hine  op  een  velt  berede 
op  sulke  plaetse,  op  sulke  stede,  dat  hine  opt 
herde  mochte  beriden,  Stoke  III,  1291  (vgl.  be- 
neden Clerc  105).  Weltijt  sal  ie  den  keytijf  den 
here  van  Percen  ende  sine  gewelt  beriden  mogen 
up  een  velt?  Alex,  I,  436.  De  Ylaminge  sach 
men  beriden  van  den  Fransoysen  so  over  zeere, 
dat  si  worden  uten  keere,  VI.  Rijmk.  8030.  Doen 
hi  sach  straten  ende  grachte  liden  den  hertoge, 
daer  menne  mochte  beriden,  Heeln  4851.  Elc  sal 
poghen  om  anders  scande ,  waer  so  si  moghen 
andren  beriden ,  Wal.  10447.  Al  dat  sire  mochten 
beriden,  slogen  si  doet  te  dien  tiden,  Lanc.  lY, 
12577.  Mochte wi  bi  enegen  engiene  beriden  die 
edele  heren,  II,  43336.  Sy  sloeghen  al  dat  sy  be- 
reden, Troyen  2612.  Die  swoeren,  dat  metten 
swaerde  becopen  selen  die  sy  beryden ,  6235.  Die  van 
Cassidonien ,  die  niet  en  meden  {spaarden) ,  dat  sy  opt 
velt  beryden  mochten ,  4457.  Ofghy  Troylus  moghet 
beryden,  wacht  wel,  dat  hy  u  niet  en  ontvliet, 
froyen   f.   173  b.    So    ^ien   hy   beryden   mochte 


sloech  hy  doet  al  sonder  wéér,  268  6.  Die  moesten 
doe  waer  sise  bereden,  vore  hem  daer bliven doet, 
Yelth.  ni,  15,  84.  Die  grave  van  Clcermont  ... 
bereet  mitten  grave  van  Nygel  grave  Florgs 
an  allen  siden  ende  sloegen  alle  gemeenlic  ap 
him  mit  groten  nyde,  Clerc  86.  Dat  hine  be- 
riden mochte  npten  harde  velde,  105.  —  Ook 
met  andere  gelijkbeteekende  woorden  verbonden, 
b.  V.  begaen,  belopen.  \\  Het  sal  u  beeden  costeo 
dieven,  magie  u  begaen  of  beriden,  Aubry  195 
(Lett.  N.  R.  7»,  136,  195).  Uwer  kindcr  doot 
selen  si  becopen,  die  wy  beriden  of  belopen, 
Grimb.  II,  3715.  Also  dat  hij  niet  en  spaerde 
geestelijk  noch  wereltlgk,  waar  hgse  mochte  be- 
rijden of  begaen,  Heemsk.  6.  —  Schijnbaar  onr. 
gebruikt  als  synoniem  van  strijden,  oorlog  voeren, 
met  weglating  van  die  viande.  ||  Sine  souden  niet 
so  vele  striden  noch  orlogen,  noch  oec  beriden, 
Alex.  YII,  657. 

5)  Achterhalen,  narijden,  vervolgen.  \\  Dat  si 
betalen  voer  donresdaghes  avond . . ,  jof  men  sont^ 
beriden  ende  bedriven  met  den  nausten  rechte, 
Rek.  V.  Z<?^/.  2 ,  284.  —  Yooral  in  de  uitdr.  ballin- 
gen beriden,  d.  ^i.  hen ,  die  ond^r  den  ban 
liggen ,  door  gewapende  ruiters  doen  vervolgen  en 
opsporen,  om  hen  aan  hun  lijf ,  of,  indien  zij  niet  ge- 
vonden werden ,  aan  hun  goed  te  straffen.  Yandaar  dat 
de  uitdr.  de  twee  beteekenissen  heeft  van  de  ballingen 
vervolgen,  de  schuldigen  opsporen,  en  hunne  weer- 
spannigheid {contumacia)  aan  hun  goed  wreken.  YgL 
Huyd.  op  Stoke  Y,  1173;  Invent,  v.  Br.  Gloss. 
592—596,  en  vooral  Yan  Dale,  T.  en  LeUb.  3, 
195  vlgg. 

d)  De  ballingen,  de  schulden  opsporen  en  maaJ- 
regelen  van  executie  tegen  hen  nemen,  bepaaldel^k 
met  marechaussees  of  berijders  (zie  dat  woord).  |) 
So  wanneer  als  die  grave  of  die  burchgrave  of 
die  baeliu  sullen  rechten  off  baUinghe  beryden, 
daer  sullen  si  des  anderdaghes  te  voren  leggei 
ghebot  binnen  der  vorschen  (?)  ende  die  ballinghe 
heysschen  te  steene,  die  men  wil  beryden;  die 
daer  dan  niet  en  comen,  so  sal  die  grave  of  die 
burchgrave  of  die  baeliu  des  anderdages  riden  tot 
siere  prochikerken  ende  heesschen,  die  sy  willen 
beryden,  Oorkb.  2,  336,  59.  Als  men  Icgghct 
ghebot  ballinghe  te  berydene,  so  en  machmen 
gheene  vierscarre  houden  bin  dien  daghe,  a^60. 
Wie  in  sinen  banne  vernacht,  die  es  sculdichdrie 
scellinghe  . . ;  so  wie  die  dycgrave  beryd,  es  sculdich 
drie  pond.  Mieris  2,  312a.  So  wie  den  anderen 
doet  daghen  voer  den  grave  of  voer  den  burch- 
grave of  voer  die  baeliu,  ende  te  banne  wort 
ghedaen  of  bereden,  hi  sal  int  ghiselhuys  gaen, 
Oorkb.  2,  336,  58.  Laet  hi  {de  gedaagde)  hem  te 
banne  doen,  men  salne  beriden  ende  doen  npt 
ghiselhuus,  335,  50.  Die  niet  en  quamen,  bereet 
men  al  ende  woestetse  groet  ende  smal,  Stoke  V, 
1173.  Worden  sy  daer  ghysel,  so  sgn  si  quite 
van  den  beryde;  doen  sys  niet,  so  sal  hy  se 
beryden  ende  hebben  van  elcken  drie  pont ,  Oörü. 
2,  336,  59.  Ende  komt  hi  {de  gedaagde)  niet  binna 
onser  poirt  .  .,  soo  willen  wi,  dat  mene  dage 
tvierscare  aldaer,  ende  te  bannen  houde  tot  onser 
coemste  in  Walcheren;  so  sullen  wi  hem  dar  over 
beriden  sonder  verdrach.  Mieris  2,  276tf  (o.  1322). 
—  Ook  met  den  4 den  nv.  der  bezitting ,  waarop  mea 
'  de  weerspannigheid  van  den  eigenaar  verhaalt.  (1 
Ende  en  vonde  hi  enghene  have  te  panden,  so 
sonde  hi  des  mans  land  beriden  ende  eyghen. 
Mieris  2,  312fl.  Ygl.  verder  D.  War,  5,  bL  5fi^ 
en  573, 


941 


BERI. 


BERT. 


942 


6)  In  rechte.  Bene  landstreek  {bedrijft  di»tric£) 
ie  paard  doortrekken^  om  er  de  rechtsmacht  uit 
te  oefenen^  dijken  en  wegen  enz.  te  inepecteeren ^ 
enz. ;  in  het  alg.  een  district  berechten ,  met 
welk  laatste  woord  het  in  deze  bet.  synoniem 
is.  Zie  vooral  T.  en  Lettb,  3,  190  vlg.  ||  Als 
dat  onse  goede  luyden  van  Middelbarch  berijden 
zullen  mogen  over  al  Bewesterschelt  in  Zeelandt, 
Chart.  aangeh.  T.  en  Lettb.  t.  a.  p.  Men  sal  die 
lantweren  in  onsen  lande  van  Twenthe  holden  ter 
Huhouwe  ende  beryden  als  in  Sallant,  Racer 
3,  löö. 

7)  Bij  aitbreiding  ook  gebmikt  in  den  zin  van 
berechten  in  het  alg. —  a)  eeue  stat,  een  lant 
b  e  r  1  d  e  n  f  het  regelen ,  regeeren  (vgl.  berechten  8). 
li  Odonacer  hi  bereet  onder  hem  alt  lant  van  Ytale , 

ende  Rome  die  stat  also  wale,  Sp.  III*,  33,  76 
(bij  Martinas  Polonus ,  bl.  244 :  „  Et  sic  Odenatas 
urbem  Romam  ingressus  totius  Italiae  regnum 
habint.^^  Vgl.  Sp.  Inl.^  bl.  XX ;  ten  onrechte  brengt 
Halb. ,  Aant.  174 ,  dit  ww.  bereet  in  verband  met 
beraden).  Dat  wi  selve  selen  vore  varen  ende  selen 
die  stad  wel  bewaren,  ende  dageliics  die  stad 
beriden  ende  buten  tote  hem  tiden,  Limb.  VIII, 
173.  Als  Pontus  Pylatus  procureerde  ende  bereet 
tiantscap  van  Judea,  H.s.  v.  1348,  WLd.  —  ^)  Een 
tornoy  (velt)  beriden,  een  steekspel  inrichten ^ 
regelen^  organiseeren.^^xt  dien  tornoy  sal  beriden 
ende  begomen  in  beeden  siden,  Parth.  3464.  Ay 
God,  hoe  loeslike  was  gehouden  tvelt  van  dien 
verraderen  heden ,  diet  begonnen  ende  bereden ! 
Parth.  fr.  168  (dat  deze  bet.  van  beriden  stand 
hield,  is  waarschijnlijk  veroorzaakt  door  het  er 
op  gelijkende  ww.  bereiden  oi  bereden  ^dizXyoWomen 
eennlaidend  was  met  het  praet.  van  beriden ^  en 
dat  o.  a.  Parth.  3464  in  den  tekst  gelezen,  maar 
door  het  rijm  verboden  wordt). 

6ERIDERE  (berider),   znw.  m.  Mhd.  bertter. 

Van  beriden  in  de  juridische  bet.  (zie  ald.  6).  De 

persoon  j  die  door  den  baljuw  gemachtigd  wordt  ^  om 

in  een  bepaald  berijt  (d.  i.  district)  de  rechtsmacht 

uit  te  oefenen  en   hen  die  in  gebreke  waren  n&  te 

rijden  (in  deze  uitdr.  leeft  het  oude  begrip  nog 

voort).  Berijder.  \\  Eenen  Cristiaen  de  Blye,  sergiant 

ende  berydere  geweest  van  den  bailli  van  den  lande 

van  Aelst ,    Cron.  v.   Vlaend.  2 ,  156.  —  Vooral  in  de 

Ylaamsche  gewesten  komen  de   beriders  voor,  en 

nog  in  de   17de  eeuw  vindt  men  «e  vermeld.  Zie 

Invent.    v.    Brugge,    Gloss.  27^;    T.    en   Lettb.    3, 

199 — 201.  Het  best  zijn  de  beriders  te  vergelijken 

met  de  gendarmen  of  marechaussees  van  den  nienweren 

tijd  (ald.  201).  —  Ook  in  het  alg.  gebruikt  van 

de  dienaren  van  den  baljuw.  \\  Bi  den  beryders  te 

doen    onderzoukene    .   .,   of  men  yewers  bin  den 

Vryen   {van  Brugge)   de   contrarie   doet   van   den 

voorseyden  appoin tementen,  Cout.  v.  Brugge  1 ,  ^SS 

{eed  van  den  Baljuw).  Ghegheven  D. ,  H. ,  ende  haer- 

lieder  ghezellen,  beriders,  over  de  moynesse  die  zy 

hadden  de  haghepoorters  te  constreingeime  omme  te 

betaelne,  Invent.  v.  Brugge  3,  267.  Ghildolf  Waye, 

g'hesendt  int  Vrye  met  MichielFey  beridere,  omme 

kariin  waghenen  ten  orloghe,  4,  105;  vgl.  3,  537: 

{zij  moeten)  „enquerir  diligemment,  saucune  chose 

c8toit  faite  au  contraire  de  ce  qui  dit  est  {in  eene 

êcAikking  van  een  geschil  tusschen  Brugge  en  Sluis), 

et   tontes  les  fois  quil  leur  vendra  a  cognoissance 

oa  qnilz  en  seront  requiz ,  executeront  les  amendes 

et  fourfaitures." 

BERIE  (berrie),  znw.  vr.  Van  i^rw,  in  den  zin 
▼an  dragen  (zie  ald.).  Berrie^  bitrrie,  draagbaar.  \\ 
Qft  ^hi  metier  ploech  niet  wilt  gaen,  so  draghet 


mes  met  berien  saen,  Ferg.  400.  Sporren  (d.  i. 
sparren)  ende  spykcren  toter  beryen,  Oorl.v.Albr. 
237.  Item  20  berien,  tstuc  5  gr.,  Bel.  o.  L.  333. 
Ontfaen  van  der  berie  tot  Ammers  van  der  selver 
termine  voers.  18  se,  Bek.  d.  Gr.  1,  131.  Mit 
beryen  ende  tobben  daerop,  O.  K.v.B^tt.^^  ,lVd. 
Eene  berie  boven  met  eenre  cappe,  .  .  daer  men 
ten  feesten  van  den  processien  de  selve  heelde 
inne  ommedragen  sal,  Diericx,  Hém.  2,  339.  Een 
cordewagen  oft  pypegale;  een  berrie,  Gesch.  v. 
Jntw.  2 ,  649.  —  Aldus  ook  te  lezen  voor  bonrij,  Bek. 
d.  Baurk.  212(?).  i|  Zyen  fraengen  aen  die  2  cleder, 
die  aen  die  bonrg  hangen  sds  men  onse  lieve 
vrouwe  draecht.  Vgl.  de  plaats  uit  Diericx,  Mém. 

—  Samenst.  bierberrie  (z.  ald.). 

*  BERIEFT,  verkeerde  lezing  voor  be  brie  ft, 
MLoep  II,  324.  Vgl.  de  var. 

BERIEKEN,  WW.  bedr.  Kil.  subolere, persentlscere. 
Mhd.  beriechen.  Aan  iets  ruiken.  Van  de  lucht 
gezegd:  haar  inademen.  ||  Some  wouden  si  varen 
in  Grieken  ende  haers  selfs  lucht  berieken;  ende 
somé  binnen  Asien  bliven  ende  daer  haren  rouwe 
driven,  Alex.  VI,  501. 

BERIJF,  znw.  o.  Hetzelfde  als  gerief  {jgerijf), 
nl.  voorraad,  gemak.  ||  Sie  en  hadden  gheen  huysraet 
of  al  te  weynich  ende  wenich  berijff  van  husen, 
D.  War.  7,  33. 

BERIJT,  znw.  o.  (verb.  nv.  beride);  mM.beriz, 
beriz,  d.  i.  umkreis,  gebiet  (Lexer  1,  194,  waar- 
schynlyk  uit  het  Mnl.  overgenomen);  hd.  beritt 
(Grimm  1 ,  1525 :  bezirk,  den  ein  forstbereiter  {bosch- 
wachter)  wegebereiter  zu  bereiten  hat ,  evenwel  zonder 
bewysplaatsen).  Van  beriden  (zie  ald.  en  verg.  het 
uitvoerig  artikel  van  Van  Dale,  T.  en  Lettb.  3, 
187—203). 

1)  Van  beriden,  in  den  zin  van  aanvallen,  bestoken, 
(ald.  3).  Aanval.  \\  Vul  smetten  es  ons  vleeschich 
cleit:  Maria,  ad  nos  conuerte  stide;  fel  es  die 
viant  van  beride,  OVl.  Lied.  e.  G.  36,  208. 

2)  Van  beriden,  in  den  zin  van  vechten ,  strijden 
(ald.  o,  en  zie  vooral  Alex.  Ylï,  Gb6).  Strijd,  veld- 
tocht. II  O  Pandro,  willecoem  sijt  .  .;  ghebenedyt 
moet  sijn  den  tijt,  dat  wi  te  samen  in  een  beryt  elc 
anderen  als  wapenbroeders  vercoren,  Troyen  Vb.  24<r. 

3)  Van  beriden ,  in  den  zin  van  opsporen  van 
ballingen  of  gedaagden  en  in  't  alg.  van  hen,  die 
niet  aan  hunne  verplichtingen  voldeden  (contumaces) 
(ald.  ba).  Het  opsporen  van  hen,  die  in  gebreke 
waren.  ||  So  wie  ghedaghet  wort  om  des  tsgraven 
claghe ,  hi  mach  hem  recht  doen  sonder  ghiselinghen 
voeït  beriit.  Oor  kb.  2,  335,  50.  Dit  es  dat  C. 
ontfanghen  hevet  van  forfaiten  van  sinen  beride, 
Invent.  v.  Brugge  1,  190.  — Evenals  ballingen 
beriden  ook  bet.  bij  gebreke  van  verschijning 
der  gedaagden  hunne  goederen  aanslaan  {bb),  zoo 
ook  de  uitdr.  berijt  doen  op  enen.  In  fig.  zin 
toegepast  op  den  tijd  lezen  wij  haar,  Praet  674:  || 
So  hout  ghedinghe,  up  hare  ballinghe  doet  soe 
berijt;  d.  i.  „de  tijd  wreekt  zich  op  hen,  die  zich 
aan  hem  vergrijpen,  hem  onnut  besteden." 

4)  BerijdJag,  rechtsdag  waarop  zij  die  door  den 
berijder  beklaagd  waren,  voor  de  vierschaar  van  het 
Vrije  geroepen  werden,  om  zich  te  verantwoorden. 

II  Dat  van  nu  voortaan  gehouden  zullen  worden 
ten  Vrije  drie  wettelijke  berijden  in  elk  jaer  .  ., 
vóór  middewinter  teerste,  tandere  vóór  Paschen 
en  het  derde  vóór  Sint-Magdalena'sdag ,  aangeh. 
T.  en  Lettb.  3,  194  («.  1542).  Indien  de  verweerder 
ten  berijde  niet  en  komt,  zoo  zal  hij  blijven  van 
de  schuld  hem  geëischt  in  tvoorzeide  berijd,  ald. 
195;  vgl.  199. 


943 


BERI. 


BERI. 


944 


Ö)  Van  beriden  {ald.  1).  Het  berijden  ^  het  te  paard 
doortrekken  van  een  district^  om  er  de  rechtsmacht  uit 
te  oefenen;  fr.  chevauchée.Ygl.  Gheldolf,  Hiêt.  const.  et 
adm.  de  la  vil! e  de  Bruyes^  en  T.  en  Lettb.S^  196.  || 
Voert  soe  verclaren  wij  van  den  berijdeoYer  beyde 
zijden,  als  dat  onze  goede  luyden  van Middelburch 
berijden  zullen  mogen  over  al  Bewesterschelt  in 
Zeeï&üdX  ^aanff.  T.  en  Lettb.S,  190.  —  In  deze  en  de 
andere  juridische  beteekenissen  voornamelijk  in 
Vlaanderen  en  Zeeland  in  gebruik.  —  Ook  in  't  al- 
gemeen. J)e  berijding ,  de  oproeping  door  de  berijders 
om  zich  in  rechte  te  verantwoorden.  Vooral  in  de 
uitdr.  ten  onrechten  beride  ^beclaecht, 
voor  een  onbevoegden  rechter  „  bereden "  en  aan- 
geklaagd. Zie  eenige  voorbeelden  T.  en  Lettb.  3, 
196  vlg. 

ö)  De  rol,  de  lijst,  waarop  de  namen  der  be- 
klaagden waren  geplaatst.  ||  Beride  (mv.)  van  den 
proosschen  (prévótés)  ende  bannen  ten  canuenicschen 
ende  proosschen  de  anno  1409  tot  1435,  Invent. 
v.  Brugge  5,  76.  Comt  metgaders  3  sch.  gr.,  die 
zij  betaalden  den  clerken  sbaillius  ende  vander 
vierschare  van  den  Vrijen  van  zekeren  porters  der 
uut  {ute  den  beride)  te  doene ,  T.  en  Lettb.  3 ,  197. 
Vanden  poorters  daer  beclaecht,  uten  vors.  beride 
te  doene  casseren ,  ald.  —  In  dezen  zin  komt  ook 
BERIJTROLLE  voor,  Invent.  V,  Brugge,  (}\088.594:b. 

6)  Het  district ,  waarover  de  op  de  onder  4)  ver- 
melde wijze  uitgeoefende  rechtsmacht  zich  uit- 
strekt (vgl.  bedrijf).  Rechtsgebied,  district,  land- 
streek welke  men  bereed.  \\  Die  scouthate  ...  in 
toude  berijt,  aang,  T,  en  Lettb.  3,  193. 

7)  Bij  uitbreiding.  Macht,  heerschappij.  Ygl.  be- 
dwang. ||  Want  al  dat  mensceliken  name  voert  aen 
aal  dragen  na  des  en  tijt  .  .  ,  die  worden  van  mi 
vermalendijt  ende  geefse  u  over  in  u  heriji, Blisc. 
V.  M.  632.  Ghiericheit,  loosheit  ende  nijt  dese 
hebbent  al  in  haer  berijt,  Kein.  II,  7681.  Als  ghi 
(Amor)  de  herten  belovende  zijt  jolyt,  endetrectse 
al  lachende  in  u  beurijt  (/.  berijt) ,  Troyen  Vb.  303. 
Binnen  thien  dagen  keer  ick  vry  als  u  eyghen  in 
u  berijt,  Z\  d.  Ende  brenct  dat  vroulic  wesen  onder 
ons  berijt,  23  a. 

8)  Omvang,  uitgebreidheid.  Vgl.  BEDWANG.  Met 
den  2den  nv.  eener  zaak  verbonden,  kan  het  door 
het  bnw.  groot,  ruim  worden  weergegeven.  ||  O 
schoonste  van  vrouwen,  wilt  naer  jolijt  talen, 
sdrucs  berijt  smalen  ghi  alomme  doet ,  Boomd.Scr. 
15,  293.  Om  met  hu  te  levene  in  sweerels  berijt, 
ie  storve  liever  in  corter  spacie,  ZFl.  Bijdr.  6, 
334,  234. 

9)  Uit  de  bet.  district  (6),  ontwikkelt  zich  die 
van  plaats ,  waar  iemand  te  zeggen  heeft,  grondgebied, 
terrein.  Met  een  bezitt.  vnw.  verbonden  bet.  het  dus 
iemands  terrein.  In  (uut)  enes  beride,  bet.  dus 
op  iemands  terrein,  in  {uit)  iemands  nabijheid.  \\  Ach 
twifel,  twifel,  wacker  strijt,  die  altoos  sijt  in  mijn 
berijt,  dat  salie  hopen,  daghen,  OFl.  Lied.  e.  G, 
224,  31.  So  wil  ie  secretelic  dan  en  stille  gaen 
spreken  mijnder  nichten  ende  nemen  tijt,  dat  ghi 
moecht  comen  in  haer  berijt,  daer  ghi  u  tsamen 
moecht  avlseren  van  deser  sake  ende  acordereu, 
Troyen  ( Fb.)  29  c.  Mer  die  anxt  maecte  mi  so  snel 
die  ie  had  van  der  doot,  dat  ie  altemale  ontscoot 
ende    maecte    mi  uut  sijn  beride ,  Rein.  II ,  3544. 

10)  Eindelijk  heeft  berijt  de  bet.  van  moeielijke 
toestand.Ygl.  BEDWANG,  2).  ||  In  my  groeyt  zulc- 
ken  nijt,  .  .  dat  ie  quaet  genoech  sitte  in  dit  be- 
rijt, my  self  tot  deewige  maledictie  te  bringen, 
Jfar.  V.  N.  1,  135. 

B£)RIKEL  (uericole),  znw.  m.  Hetzelfde  als 


beril,  dat  ook  in  het  mnl.  werd  gevonden  (b.  v. 
Sp.  IV*,  26,22;J?flr^Aö/.344a;iVa/f.J?/.XII,460). 
Lat.  berylltts;  Gr.  ^rjffvkXog-  Ook  in  het  mfr.  had 
men  den  vorm  bericle  (b.v.  Ft.  e.  BI.  659) ,  van 
een  verkleinden  vorm  beric{u)lus  afgeleid  (Duo. 
1 ,  659).  Beril,  edele  steen  van  zeegroene  kleur.  \\ 
Achter  in  stonder  .  .  ende  voren  een  daer  behkel, 
Troyen  852.  Mirande,  bericolen  ende  sardonen, 
Flor,  1029. 

BERIL.  Zie  het  vorige  Art. 

BERIMPELINGE,  znw.  Tr.Rimpeligkeid.\\lh£t 
grote  berimpelinge  is  der  overster  huut  beteykent 
ghebreck  van  binnen,  Barthol.  110a. 

BERIMPEN ,  st.  WW.  onz.  {[beramp ,  berompen] , 
berompen).  Mhd.  berimpfen,  d.  i.  zu  etwas  die  stime 
runzeln.  Van  het  ongebruikelijke  rimpen;  mhd. 
rimphe ,  ramph ,  gerumphen ;  ohd.  rimfan ;  ags.  rimpam. 
Nog  over  in  het  znw.  rimpel,  vanwaar  rimpelen. 
Het  mnl.  ww.  berimpen  wordt  slechts  gebruikt  in 
het  verl.  deelw.  berompen,  d.  i.  gerimpeld,  ver- 
schrompeld. Zie  Tijdschr.  3,  110.  ||  Die  huut  was 
hem  .  ter  vaert  swart  bemasschert  ende  berompen , 
Brand.  990.  Een  harde  out  man,  die  een  berompen 
aensicht  hadde,  Fass.   W.  55  d,  —  Vgl.  ook  be- 

ROMPELT. 

*  BERINGE.  Onzekere  lezing,  Gerl.  Peters  222 : 
„Daerom  is  onse  opclimmen  ende  loep  stadich, 
altoes  beringhe  ende  vri."  —  Dat  heringe  naast 
geringe  zou  bestaan  hebben ,  met  de  bet.  van  dit 
woord,  nl.  snel,  is  niet  waarschijnlijk.  Men  leze  dus  óf 
geringe,  öf  hetgeen  nog  meer  met  de  lezing  van 
het    hs.   overeenkomt,   veringe   (==    varingé)',   zie 

VARINGE. 

BERINGELEN,  zw.  ww.  bedr.  Van  het  nog 
gebr.  ringelen ,  freq.  van  ringen ;  zie  ald. ,  en  vgL 
De  Jager,  Freq.  1,  516 — b\%.  Bedwingen,  tevtvten, 
aan  banden  leggen. — Vandaar  de  uitdr.  met  dorste 
berin  geit,  door  dorst  overmeesterd,  gekweld.  \\ 
Een  walpuyt  biers  en  heet  {d.  i.  heelt)  niet  vele 
ane  als  mensch  met  doerste  es  beringhelt, 
Playerw.  351. 

Aanm.  —  Als  freq.  van  beringen  in  den  zin 
van  omringen  vindt  men  beringein,  bij  Lexer  1, 193, 

BERINGEN,  zw.  ww.  bedr.  Van  ring,  in  den 
zin  van  kring  (zie  ald.).  Mnd.  beringen ;  mhd. 
beringen,  omringen, 

1)  Omringen,  omgeven,  omsluiten,  zoowel  met 
den  4den  nv.  van  eene  zaak  als  van  een  per- 
soon. II  Si  hadden  met  waghenen  haer  here  al 
beringet,  S^.  V,  65,  36.  Doe  nam  hi  eens 
ossen  huut,  die  sneet  hi  alle  uut  ende  uut  .  . 
ende  beringheder  in  teere  somme  ene  grote 
wide  stede,  III*,  8,  33.  Hem  dochte,  daer  hi  in 
slape  lach,  dat  hi  enen  libaert  vor  hem  comea 
sach  met  sterren  beringet  scone,  Lanc.Hl ,  5185.  Opt 
lant  sloeghen  sy  haer  teutte,  ende  beringden  ees 
groene  mentte ,  Troyen  f  258  b.  Die  Jendea 
hebbene  (Jezus)  beringhet,  ghevraget  vele  ende 
ghedinghet,  Sp.  V ,  16,  5.  Die  Jueden,  die  sere 
waren  fel,  beringden  onsen  Here  Jhesus  ende 
seiden,  Rijmb.  24660.  Doe  stonden  alle  die  dodea 
op  nut  horen  graven  mit  scone  blenckende  wapes 
ende  beringheden  dat  .kerchof  al  om,  Devoet  B. 
(36)  26  V.  So  woonder  een  Kersten  prince  ende 
coninc,  al  omme  beringhet  van  den  Turcken, 
rondom  in  de  Turken,  Huge  v.  Bord.  18.  —  Be- 
ring hen,  als  znw.  gebr.  Kring,  omvang.  |j  Daer 
vonden  si  staen  in  een  beringhen  alle  vive  die 
camerlinghen,  OFl.  Lied.  en  O.  270,  1107.  In 
diveerschen  passagen,  binnen  stands  berynghea, 
lied.  Kluchtsp.  90,  10. 


945 


BERI. 


BERI. 


946 


2)  In  vijandelijken  zin ,  omsingelen ,  insluiten.  Met 
den  4den  ny.  van  een  persoon  of  eener  plaats.  |i 
Dattie  coninc  entie  viande  comen  wilden  te  Ylaendren 
werd  met  al  der  macht . .  eude  daer  met  Ylaendren  al 
beringen,  Velth.  IV,  46,  6.  Dat  die  conincghe 
Tan  Ègjrpten  bilde  waren ,  dat  si  {l.  sine  ?)  beclipten 
ende  si  beringheden  met  menegen  nam ,  Limb,  Yll, 
795.  (Si)  hebben  {d,  i.  hebbeu  en)  berinct  so  sere ,  dat 
hem  niet  en  conste  die  here  verweren  in  die  grote 
noet,  Lorr.fr.  III,  32Ö.  Biden  rade  van  Abyaterre 
volghedem  dat  Juetsche  diet,  ende  beringedse  daer  si 
saten ,  die  van  Amalech  ,  ende  aten ,  Rijmb.  9726. 
Fabius  Gurges  wart  beringet  met  menegen  spiete , 
Sp.  I*,  6,  29.  Want  die  Gallen  alle  waren 
beringhet  metten  Roemscen  scaren,  !•,  6,  27. 
Die  Sarrasine  .  .  beringeden  .  .  gheent  scip  .  ., 
80  dat  nieweren  ontgaen  en  mochte,  IV*,  16,63. 
Berinct  hadden  sy  se  al  sonder  hoede,  Troyen 
1731.  Dat  mense  over  dys  waeude  bestaen  al 
heymelyc  ende  so  beringen ,  Velth.  1 ,  38 ,  32.  Dus 
hebben  sise  van  achter  berinct,  III,  13,  19.  Dus 
eest  al  beringet  al  omme  groet  ende  smal,  VI, 
15,  65.  Doe  hi  sach,  hoe  dandre  ghinghen,  diene 
al  omme  wilden  beringhen,  Stoke  II,  1091.  (Si) 
reden  hem  ane  doe  mettien  eude  beringhedense 
an  beden  sideu,  VII,  904.  (Sanl)  beringde  met 
ere  somme  ghenen  hoghen  berch  al  omme,  so  dat 
David  in  sorghen  was,  Rijmb.  9479.  Saul  dede 
sijn  huns  beringen ,  9339.  Die  ridders  .  . ,  die  van 
den  Joden  beringht  waren,  31901.  Die  Romeine 
ontsaghen  die  zaken,  dat  si  beringet  waren  met 
viere,  32576.  Zie  verder  i^.  IV»,  36,  9;  Heelu 
7284;  AUx.  lY,  691,  V,  276,  280;  VIII,  1180, 
1184;  IX,  366;  Rein.  1,779. 

Aanm.— Velth.  VIII,  16,  1780:  „Menseitdat 
Christus  verrisen  die  sake  was  van  onse  wisen: 
alse  een  teken  daer  af  maken  van  beringen  eniger 
saken,"  is  onherstelbaar  bedorven.  Ook  de  ver- 
gelijking met  Vincentius  (op  het  einde  van  diens 
werk)  geeft  geen  licht.  Daar  staat :  „  Dicitur  autem 
resurrectio  Christu  cauja  nostre  resurrectionis  fore, 
qnod  quodammodo  causa  motiva  est  liberalitatis 
patris,  ut  amore  Christi  faciat  fatres  ejus  resurgere 
gloriose." 

BERINGEN ,  zw.  ww.  bedr.  Van  ringen,  in  den  zin 
van  dwingen  (zie  ald.  en  vgl.  De  Jager,  Freq. 
1, 516).  In  beteekenis  gelijk  aan  het  mnl.  bedwingen , 
d.  i.  dwingen ,  noodzaken ,  iemand  ergens  toe  krijgen. 
Blise.  V.  M.  201  zegt  de  slang  van  Ë va :  „Canicser 
toe  beringen,  si  salre  Adame  wel  toe  bringen. " 
Vgl.  VS.  98:  „ie  weet  te  n«^^tf"  en  beringelen. 

BERINGET,  bnw.  Van  nng  in  onze  bet.  Met 
ringen  voorzien.  \\  Hy  toech  aen  dat  pansyer  .  . 
met  tien  veteren ,  alsoe  beringhet  ende  besloten . . , 
dat  ment  .  .  gheensins  of  crighenen  soudemoghen, 
Pass.  W.  271<?.;  vgl.  b\  (hi)  bereyde  veel  yseren 
ringhen,  tien  veteren  ende  daer  toe  veel  banden. 

BERINNE,  vrouwelijk  van  bere,  beer ,  lat.  ur«fi« 
z.   ald.).  Berin  ^  wijfjesbeer.  Mhd.  birin^  bdrin.  || 
'od   sendde  hare  ene  berinne,  die  bescudde  sine 
vriendinne,  Sp.  II*,  38,  47;  e.  e. 

BERINNEN,  st.  ww.  bedr.  en  onz.  {beran^  be- 
ronnen,  beronnen).  In  de  latere  Middeleeuwen  ook 
zwak  (b.v.  Brab.  T.  VII ,  13006) ,  zooals  steeds  in  het 
tegenw.  ndl.  en  reeds  in  het  Mud.  deelw.  berent 
of  berant.  Mud.  berennen\  mhd.  berinnen.  Van 
rinnen,  d.  i.  ioopen  (zie  ald.).  Eig.  zijn  twee  ww. 
berinnen  (st.)  en  berennen  (zw.)  door  elkaar  ge- 
loopen.  Beloopen,  over  Ioopen. 

Bedr.  —  1)  Berennen,  bestormen.  Met  den  4den 
nv.  van  eeue  stad,  burcht  enz.  ||  (üi)  heeft  belcit . . 


^ 


tslot  Ter  Vaez  .  .  ende  beronnen ,  nedergheworpen 
ende  ghewonnen ,  Brab.  Y.  VII ,  3049. 

2)  Met  eene  vloeistof,  vooral  bloed,  overdekken.  Met 
bloet  beronnen  (berant),  met  bloed beloopen.  \\ 
Grote  slaghe  ende  gedichte  gaf  hi  hare  ende  harde 
vele,  dat  hare  haer  hals  ende  hare  kele  met  den 
bloede  al  was  beronnen ,  Wal.  3706.  Doe  ghi  saecht 
hanghen  vor  u  oghen  u  kint  beronnen  al  met  bloede , 
O.  Fr.  DroefA.  13.  Ic  waen,  hi  selve  in  smerten  blijft 
of  beronnen  mitten  bloede ,  Hild.  252 ,  136.  Hi  lach , 
met  vieregen  bloede  beronnen  op  den  roestere ,  Rincl. 
308.  U  kint  met  bloede  beronnen,  OFl.  Lied.  e.  G. 
27,  44.  Al  over  die  merct,  daer  noch  lach  tsant 
met  harer  maghen  bloede  berant,  Brab.  Y.  VII, 
1.3005.  Hi  hinc  daer  uaket  eude  bloot,  mit  bloede 
al  over  beronnen,  Hor.  Belg.  10,  203.  Zoo  ook 
Limb.  Serm.  ^4m,  97<r,  155c;  Hs.  Ps.  202r;  mit 
bloede  ende  mit  spekel  beronnen,  ald.  20Zv. 

3)  Het  deelw.  beronnen  in  ^g.  zin.  Bedekt  met.  \\ 
Die  locht  wert  met  nevel  beronnen  . . ;  die  swercken 
vielen  uytter  locht  al  geheel ,  Troyen  f.  2S2d. 

4)  In  overdracht,  zin.  Fan  iets  vervuld.  WRi  wort 
beronnen  metter  vaert  met  ontfermenisse  te  hem 
(/.  hare)  waert,   Wrake  III,  1590. 

Onz.  —  3ret  iets,  vooral  met  bloed,  overdekt, 
beloopen  zijn.  Vgl.  bedr.  2).  ||  Dat  hem  die  lichame 
ende  die  lede  met  bloede  beronnen  menichfout, 
O.    Fr.   Droef h.    10   (FerA..2de  kl.  Inst.  6*,  51). 

BERINSWEL ,  znw.  o.  Mnd.  berswel.  Van  b  e  r  ij  n , 
bnw.  van  beer,  d.  i.  gesneden  varken',  hetzelfde 
als  bergijn  of  bargijn  (zie  BERGIJN),  en  swel, 
d.  i.  zwoord,  in  het  gewestelijke  zfw7,  d.  i.  zwoord, 
eelt,  vel,  nog  voortlevende.  Eig.  varkenszwoord, 
en  bij  uitbreiding  ook  varkensvleescA ,  spek.  ||  Grouve 
spise  ende  berinzwei  ende  ossinvleesch ,  Heim.  1361. 
Vgl.  de  Aant.  van  Clarisse  op  dit  vers. 

BERISP  (beresp),  znw.  o.  Eig.  stam  van  het 
WW.  berispen.  Iets,  waarop  aanmerkingen  kunnen 
gemaakt  worden,  gebrek.  Iet  beresp s,  iets  be- 
rispelijks.  \\  Ane  hare  en  was  niet  daer  ave  iet 
beresps  weder  of  vort,  Limb.  YIII,  1126. 

BERISPELIjfc  (beruspelijc),  hnw.  Berispelijk, 
af  te  keuren,  verkeerd.  ||  Die  mensche  .  .,  die 
zijn  gerufte  quaet  eude  zijn  leven  beruspelic  is, 
Bern.  W.  49<r. 

BERISPEN  (berespen,  beruspen),  zw.  ww. 
bedr.  (slechts  op  ééne  plaats  vindt  men  het  sterke 
praet.  berasp,  nl.  O.  H.  Pass.  26,  736).  Mnd.  be- 
rispen; mhd.  berespen.  Het  simplex  respen  o{ rispen 
komt ,  zoo  ver  bekend  is ,  in  het  Mnl.  niet  voor. 
De  oorspronkelijke  vorm  was  berepsen,  waarvan 
ook  nog  één  voorbeeld  bekend  is,  nl.  Limb.  Serm, 
188ö:  „Als  onse  here  bereepts  (/.  bereepst),  dat 
wi  alle  denc  bat  mogten  dueu  ende  volcomeliker ;" 
ohd.  rafsjan  of  refsjan ;  mhd.  refse  en  berefse , 
d.  i.  corripere.  Waarschijnlijk  hetzelfde  woord  als 
het  bij  Ben.  2 ,  729a  opgegeven  rispe  (st.  en  zw.  ww), 
d.  1.  zusammenraffen  (in  dial.  rapsen);  ook  dit  kan 
in  het  Lat.  door  corripere  worden  weergegeven. 
Misschien  was  repsen  of  respen  sterk  in  den  eig. 
zin,  en  zwak  in  zijne  fig.  beteekenis.  Op  deze 
wijze  zou  het  praet.  berasp  verklaard  kunnen  worden, 
al  zou  ook  de  fig.  zin ,  waarin  het  t.  a.  p.  gebruikt 
wordt,  de  zwakke  vervoeging  vereischen. 

1)  ScAelden,  tegen  iemand  uitvaren,  mei  woorden. 
II  Alsi  sach  dat  haer  nyen  mocht  bescieten,  so 
beresspese  Gode  ende  bieten,  dat  hi  herd  ende 
pilec  ware,  Lntg.  140.  Die  uutstortinghen  vander 
zee  openbaerden,  ende  die  fondamenten  van  der 
.  .  werelt  worden  gheopenbaert  van  sheren  be- 
rispeuen   (/.    -eue),  ab  increpatione  Domini,  D.  B. 


947 


BERI. 


BERG. 


948 


II  Sam.  22,  16.  Dat  hi  den  levenden  God  lachieren 
sonde  ende  berispen  met  woerden ,  II  Kon.  19,  4. 
Die  knecht  die  {sijn)  talent  in  der  eerden  groef, 
was  seer  beruspt  ende  een  qnaet  traech  knecht 
ghesconden,  Stemmen  74.  Die  scepenen  off  raed 
bemspede  om  vonnessen,  die  zi  ghewyst  hadden, 
O.  Keurb,  v,  Rott  32,  88. 

2)  Iemand  onder  handen  nemen ,  met  daden , 
kastijden^  ttraffen.  \\  Here,  en  berespe  mi  niet  in 
dinen  tome,  noch  en  begripe  mi  niet  in  dijnre 
gramscap,  Vad.  Mu»,  2,  438.  Biden  ondersoeken 
ende  biden  bemspen  mijnre  heymelijcker  sonden. 
Pass.  S.  37a.  Dat  seit  Ezechias:  dese  dach  is  die 
dach  van  berispene,  D.  B.  II  Kon.  19,  3.  Ende 
al  is  onse  heer  een  luttel  yertorent  om  beryspen 
ende  castien,  II  Macchab.  7,  33.  Salich  is  die  mensche 
die  vanden  here  berispt  wort.  Daerom  en  lachtert  des 
heren  berispen  niet,  Job  5,  17.  Hi  berispten  oec 
mit  pinen  inden  bedde,  Job  33,19.  Hi  sal  rechten 
onder  veel  volken  ende  sal  berispen  die  stercke 
volken  tot  int  verre,  Mieha  4,  3.  Hi  berispt  die 
zee  ende  maectse  droge ,  Nahum  1 ,  4. 

3)  Beschuldigen^  verwijten.  Meestal  met  den 
4dén  nv.  van  den  pers.  en  eene  bep.  met  van.  || 
Die  sullen  my  berispen  van  dieften,  D.  B.  Gen. 
30,  33.  Datse  vesschen  moghen  .  .  in  de  rivieren 
.  .  sonder  calengieren  ofte  berespen  van  iemenne, 
zonder  aanmerkingen  of  verwijten  van  iemands  zijde ^ 
Willems,  Meng.  460.  Zie  ook  het  boven  aangeh. 
voorbeeld  uit  Limb.  Serm.  —  Ook  met  den  pers. 
in  den  3den,  en  de  zaak  in  den  4den  nv.  ||  Om 
dat  zy  hem  siin  onnutte  leven  ende  wreetheit  be- 
ruspten,  Clerc  5. 

4)  Ook  van  het  beschuldigen  van  het  geweten, 
vroegen  (vgl.  bij  wroegkn  ,  dat  vroeger  beschuldigen 
in  het  alg.  beteekende).  i|  Die  worm  der  consciencien 
en  sal  niet  sterven,  mer  hi  sal  altoes  knaghen 
ende  berespen ,  Ruusb.  3 ,  255.  Want  hi  niet  berespt 
en  wert  {hij  heeft  geen  wroeging)  van  dootsonden , 
daer  omme  eest  hem  licht  al  dat  God  met  hem 
ghebiet,  6,  29. 

5)  Ook  reeds  in  de  verzwakte  beteekenis  van 
iemand  over  iets  onderhouden ,  onder  handen  nemen , 
de  les  lezen y  berispen ,  laken.  \\  Beresp,  fieewe, 
bescelde,  Us.  v.  1348,  233^.  Doe  dat  die  ander 
scaker  hoerde,  berasp  hi  hem  mit  desen  woerde, 
O.  H.  Pass.  26,  735.  Die  wise  beresptense  doe 
ende  seyden  openbaer,  dat  haere  raet  niet  goet  en  waer, 
Melib.  376.  Wie  enen  anderen  wil  bere.spen  des ,  des 
hi  self  niet  claer  en  es,  F  rouw.  e.  M.  III,  7,  1. 
Yan  heimeleken  sunden  ende  quaetheiden  berespese 
meneghen  in  heimelecheideu  ende  brachtse  te 
penitencien  weder,  Christ.  971.  Die  pharizeen, 
die  hem  bemspen  wouden,  omdat  hi  at  metten 
sondaren ,  Gest.  R.  f.  2Qb.  (Hi)  wordt  swaerlijken 
van  hem  beruspet,  Pass.  W.  11  a.  (Hi)  beruspten 
{den  duivel)  ende  seide:  Ganc  van  der  coe,  24i. 
Zie  verder  Teest.  3436;  Christ.  1017,  1367;Velth. 
VII,  18,  89;  VIII,  22,  2  ;  Z*;^.  II ,  21 ,  12;  Ruusb. 
4,  164,  168.  —  Ook  als  wederk.  gebruikt.  Hem 
berispen,  zich  zelven  onder  handen  nemen ,  zich 
zei  ven  beschuldigen.  \\  Sonder  gebrec  enesnieman, 
elc  berespe  hem  selven  dan,  Doet.  II,  755.  Alsi 
dat  hoerde  van  onsen  Here ,  berespte  si  haer  selven 
sere,  Ltitg.  I,  1425.  Berespe  di  selven  eer  een 
ander.  Stemmen  179. 

BERISPINGE,  znw.  vr. 

1)  Van  berispen  in  den  zin  van  kastijden  (ald.  2). 
Kastijding y  bestraffing.  \\  Dat  men  mtV  berespinghen 
ende  mit  vroeginghen  ende  mit  herden  boeten  die 
wederspenghen  siichte,  D.  Orde  258.  Die  here  sal 


op  di  senden  hongher  ende  dorst ,  berispinge  van  ille 
dy  n  werken ,  die  dn  doen  solts ,  D.  B.  Denier.  28 ,  ^. 

2)  Van  berispen ,  in  den  zin  van  wroegen  (tld.  4). 
Wroeging  y  zei  f  beschuldiging.  \\  Ende  als  wi  daer 
{ten  heylighen  Sacramente)  gheweest  hebben ,  vyndea 
wi  ons  dan  niet  minliker  ende  bereider  tot  ghehofr- 
saemheit  ende  berispinge  ende  tot  allen  diogeo, 
die  Gode  toebehoeren ,  soe  moeghen  wi  anxt  hebben, 
Stemmen  111. 

BERG  (BARC),  znw.  Kek.  d.  Gr.  2,  70  le«t 
men:  „Om  berc  te  halen  in  Berkenrgs  ende  in  den 
Coecamp  te  setten."  Is  berc  hier  het  bg  KiL  voor- 
komende barCy  bercy  d.  i.  boomschors  (eng.  bta-k), 
of  bet.  het  berkenhout?  Het  ww.  setten  doet  aan 
het  laatste  denken.  —  Boudgn  die  berchonwer, 
ald.  88,  lees:  berthouwer  (z.  ald.). 

BERKE,  znw.  vr.  Berk.  ||  Ghi  snit  daer  vinden 
jonghe  berken,  here  coninc,  dit  saldi  merken :  die 
alrenaest  den  putte  staet,  coninc,  tote  dier  berken 
gaet,  Hein.  I,  2583. 

BERKE.  Zie  Barke. 

BER-CLOCKE  ^borclocke,  buerclocke),  inw. 
VT.  Van  berren  (zie  ald.)  en  clocke.  Braniklok. 
II  Dat  enich  onser  borgher  de  borclocken  slocge 
op  enich  borger  off  dede  slaen,  alarm  liet  meh» 
tegen  een  burger,  Overijss.  R.  I',  42.  Slaen  die 
buerclocke  op  enen  gaste,  ald.  150  (tweemaal). 

BERKOEN.  Zie  Barkoen. 

BERN,  znw.  o.  Eig.  stam  van  het  ww.  benen 
(zie  ald.).  Vgl.  mhd.  büme,  d.  i.  brand.  Alleen  in 
de  uitdr.  in  berne  werden,  in  brand  vliegen.  \\ 
(Hi)  bant  hare  sterte  tsamen  saen,  ende  tusschea 
twee  enen  brant;  ende  die  liepen  int  coren  te  bant , 
80  dat  tcoren  in  berne  waert  entie  bome  entie 
wijnghaert,  Rijmb.  8084. 

BERN,  BARN.  Zie  op  born. 

BERNECAMER  (barnecamer),  znw.  vr.  Mnd. 
bernekamer ,  anders  brenngaden  genoemd.  Vgl.  Mkd. 
burnegadem.  Smelt  kamer,  de  plaats  waar  metaal 
gesmolten  wordt.  ||  Waer  dat  zake ,  dat  tghewichte 
int  weghehuus  ende  in  die  berncamere  te  ykene 
stonde,  dat  zoude  men  betren  in  merren,in  minderen, 
op  zinen  rechten  staet,  ZFl.  Bijdr.  5,  149  (hier 
dus  de  ijkkamer;  vgl.  BRANDEN).  —  Vooral  ^ 
plaats,  waar  edele  metalen  gesmolten  en  tot  geld- 
stukken gemaakt  worden ,  de  munt.  In  het  byzonder 
in  Vlaanderen  zoo  genoemd.  ||  Doen  reedt  Mer  Joes 
voer  de  barnecamere ,  sprinchen  hovc  waert,  Otm.r. 
Vlaend.  2 ,  75.  Van  108  pont  coprins  gewichten .  .ter 
bemecameren ,  Rek.  v.  Gent  1 ,  83.  Van  niewea 
ghewichte ,  dat  ter  bernecameren  bouf  ghemaect 
was,  214.  Somme  vanden  werke  ande  bernecamere, 
250.  Van  twee  maelsloten  ten  busse  bouf  die 
hanghet  in  die  barnecamere,  Invent.  v.  Bmffe 
4,  263.  Vgl.  CJout.  V.  Brugge  1,  bl.  458  en  459; 
Invent.  v.  Brugge,  Int.  184;  Berren,  bcdr.  3), 
en  Branthuus. 

BERNELIJC     (BERRENDELIJC  ,     BERNENTLIJC, 

BARNLIJC),  bnw.  en  bijw. 

Als  BNW.  —  1)  Van  bemen,  in  eig.  zin  (zie  ald. 
Onz.  1  a).  Brandbaar,  ontvlambaar.  ||  Vies  ver- 
gaderinghe  des  lichts  den  spiegel  ontfengt  eade 
maecten  lichteliken  bamlic,  want  hieltmen  dair 
een  dorre  licht  spongi  teghen  of  een  ander  bamlit 
dinc,  het  sonde  vluchs  bamen,  Barthol.  809^. 

2)  Van  bemen,  in  fig.  zin  {ald.  \b).  Brandeni, 
gloeiend,  vurig.  ||  Die  mit  bamen tliker  gheer  ai 
Samiten  liefde  ranck,  MLoep  U,  3326.  Dat  si  mit 
bementlike  minne  horen  broeder  droech  in  sinn«, 
III,  985. 

Als    BIJW,  —    Furi^lijk^    met   aandrang^  iêrtt 


949 


BERN. 


BERN. 


950 


toehtelijk,  II  (Hi)  anesochte  dieblyscip  groot  van 
daer  boven  van  hemelryke  met  al  siere  herten 
berrendelike ,  Jmand  l,  1357.  (Hi)  Tiel  in  sijn 
ghebede  so  berrendelike  met  heeten  sinne  .  . ,  dat 
hi  hem  seWen  al  vergat,  2517. 

BERNEN  (berrenen,  barnen  ,  barrenen, 
bornen),  st.  en  «w.  ww. ,  onz.  en  bedr.  (barn^ 
bomen  ^  gebomen).  Oorspr.  was  het  als  bedr.  ww. 
zwak  (got.  brannjaHy  ohd. mhd.  brennen^hd.  brennen), 
en  als  onz.  ww.  sterk  (got.  brinnan)^  doch  het 
trans.  ww.  heeft  het  intr.  brinnen  bijna  geheel 
verdrongen,  evenals  b.  v.  ook  met  het  intens. 
rennen  (got.  rannjan)  ten  opzichte  van  rinnen  het 
geval  is.  De  vormen  met  metathesis  komen  ook 
voor  in  ags.  biman;  mnd.  bemen^  bixmen\  bumen^ 
eng.  bum ;  mhd.  naast  brennen  ook  bemen ,  burnen  , 
bornen.  Het  onr.  heeft  brenna  ook  als  intr.  Ygl. 
BERREN  en  brinnen. 

Onz.  —  1)  Eig.  van  zaken.  Branden,  van  al  wat 
vlamt  of  in  vlam  staat,  ook  van  de  hel.  ||  Hi 
sach  bemen  bi  hem  claer  tortijtsen  ende  stallichte 
vele,  JTaL  4760.  Droghe  hout  ontstect  saen  ende 
bemct  sere ,  Vrowo.  e.  M.  1,  665.  Daert  (vier)  up 
die  zee  viel ,  berrende  twater  alse  stroe ,  Brand. 
1492.  Daer  sach  hi  een  colnmpne  staen,  die  docht 
hem  an  den  hemel  gaen  bamende  ontsteken  als 
een  vuer,  O.  H.  Patt.  34,  60.  Alst  bam,^o«t(?r 
brand  wat,  Invent.  v.  Brugge  3,  144,  145  (vgl.  4, 
198:  alst  bernede).  Soe  sal  bemen  (nl.  de 
stad),  Rijmb.  1890.  Die  doren,  die  daer  bemen 
dochte,  3651.  Die  lampen  hamen  daer,  MLoepïl, 
71  var.  Of  hi  bamende  vier  waer,  Rein.Jl,  5370. 
Twee  tortytse  bomen  daer,  Troyen  627.  Doe  hi 
den  doembosch  sach  bemen.  Stemmen  151.  Die 
cracht  des  bomenden  vners,  ifed.  Proza  330.  Een 
bemende  stallecht.  Rein.  I,  303.  Ghelijc  den  viere 
dat  berrent  lichte,  Praet  1514.  (Eene)  lampte, 
die  daer  berrende ,  Franc.  1879.  Een  licht  bemende 
ende  lichtende ,  L.  v.  J.  c.  120.  Datt  (intur)  beme, 
149.  Ene  tomme  .  .  die  bemede  in  allen  siden. 
Vod.  Mm.  4,  317,  153.  Dat  vier  dat  nu  bemet, 
318,  201.  Yander  bemender  hellen.  Lep.  1,4,  35. 
Vanden  hemenden  viere ,  1 ,  13 ,  37.  Se  ventien  daghe 
achter  een  bemde  die  stat,  Sp.  I*,  55,  53.  Water 
.  .  dat  berrende  oft  olye  ware,  II',  5,  25.  Een 
velt  esser  bi  gelegen,  dat  berrent,  II*,  36,  17. 
Die  hemel  dochte  bemen,  III*,  28,  58.  Dat  die 
laceme  altoes  berae ,  Rnusb.  1 ,  14.  Hieromme 
bemt  dat  vier  in  eiken  sondaer  (in  de  hel),  3, 
258.  Bemende  heet,  5,  71.  Bemende  colen,  ald. 
Bemende  blixemen,  104.  Ene  bemende  gloet,  116. 
—  Spreekw.  Als  thnys  berrent,  aen  de  colen  waermen, 
jeuken  92.  So  wel  berrent  een  erom  hant  als 
een  rechte,  94.  —  Ook  van  vtwrepwoende  bergen.  \\ 
Ten  berghe,  die  berrende  dan.  Brand.  1811.  In 
Cylicien  .  .  bernen  berghen  talre  stont,  Sp.  III', 
43,  1.  —  Het  deelw.  ba  rn  en  de  komt  ook  voorin 
den  samengetrokken  vorm  b  a  r  n  d  e  (vgl.  het  woord 
Bamdesteeg ,  naam  van  eene  straat  in  Amsterdam). 
II  Doe  droech  Sinte  Briccins  bamde  colen  inden 
scoet  tot  Sinte  Martijns  tnmbe  ,  .  . ;  ende  hi 
w«rp  die  bamende  colen  neder,  Paes.  W.  26c. 
Der  maghet  dochte  dat  doer  hoer  strote  ghinc 
enen  bamden  brant ,  34^.  —  In  geestelijken 
of  mystieken  zin  van  het  vuur  der  liefde,  en  van 
den  geestdrift.  ||  Een  vier  der  minnen,  dat  .  . 
berrent  inder  ewecheit,  Bnnsb.  1,  47.  Vier  .  . 
dat  .  .  berrent  nte  den  heilegen  geeste,  50. 

ff)  Van  personen,  vooral  van  hen,  die  de  pynen 
der  hel  ondervinden,  jj  Soe  (de  stad)  sal  hemen  ende 
jü  tfolc  mede ,  Rijmb.  1890,  Die  in  nyde  leveu  hier, 


ghinder  barnen  sire  om  int  vier,  Hild.  231,121. 
Ende  na  dit  knaghen  hier,  bemt  hi  int  ewighe 
vier,  Lsp.  I,  27,  101.  Daer  omme  bernstu  in 
donreine  hille,  L.  o.  H.  2111.  Hoe  daer  die  moeder 
metten  kinde  berrent  ewelike,  4101.  (Si)  bernen 
in  dat  heete  vier,  Litp.  I,  14,  20.  Bernende  in 
groter  pine,  I,  4,  39.  Bemen  int  helsche  vier, 
Amand  I,  2852.  Hi  wert  gepijnt  ende  bemt  in  die 
helsce  vlamme,  Rnusb.  4,  10.  Daer  si  (de  ziel) 
eweliken  bemen  moet,  Tien  PI.  2016.  Wijn  .  .  . 
smaect  in  den  monde  ende  bemt  in  den  buke, 
D.   War.  6,  204. 

b)  In  fig.  zin,  van  alles,  wat  met  eene  vlam  of 
een  gloed  wordt  vergeleken.  Branden,  gloeien 
(vgl.  onze  dichterlijke  uitdr.  het  barnen  der  gevaren). 
II  Ende  die  here  brocht  voert  een  bomende  wint, 
D.  B.  Exod.  10,  13.  Van  groten  druck  ende 
bemender  pijn,  MLoep  III,  410.  Als  die  bemende 
zonne,  1188.  Tfenijn  hemde  gelijc  den  viere, 
Sp.  IIP,  54,  58.  Begherende  die  bamende  maghe 
met  wijn  te  vercoelen,  Pass.  W.  20c.  —  Ook  van 
onstuimig  water  (vgl.  ons  znw.  branding).  \\  Over 
die  riviere,  die  berrent  altoos  ghelyc  den  viere. 
Wal.  5125.  Dat  herte  eens  quaden  menschen  is  als 
een  bemende  see,  dat  niet  msten  en  mach,  Stemmen2. 
—  Vooral  van  alle,  goede  zoowel  als  slechte, 
gemoedsbewegingen,  van  alle  mogelijke  driften, 
zoowel  van  den  drift  der  gramschap  en  van  den 
zinnelijken  lust,  eJs  van  den  geestdrift  voor  het 
edele  en  verhevene,  van  de  liefde.  Zoowel  ge- 
zegd van  den  hartstocht  zei  ven,  als  van  den 
persoon,  in  wien  hij  werkt.  ||  Daer  die  gonst 
(liefde)  .  .  .  bemende  wasset  tallen  stonden, 
MLoep  II,  1721.  Sine  begerte  ende  sine  sinne 
meer  sullen  bemen  in  hare  minne.  Rosé  fr. 
253,  286.  Alse  twijf  ontsteken  es  .  .,  so  bemt  si 
meer  ende  verhet,  geljjc  dat  yser  bemt  sere 
(d.  i.  seerre)  dan  tgout  doet,  M.  en  Fr.  Helm.  1593. 
Karitate,  .  .  daer  hi  mede  bernede.  Franc.  4686. 
Als  die  van  der  minnen  viere  bamede ,  4962.  Want 
si  meer  bemen  in  minnen,  Runsb.  4,  183.  Daer 
eest  heetst,  daer  onse  gheest  berrent  ende  ghe- 
doghet  die  minne  Gods,  5,  125.  Hoe  ie  meer 
smake,  hoe  ie  meer  beme,  ende  hoe  ie  meer 
begheer  te  hamen ,  Ned.  Proza  141 ,  63.  En  waren 
onse  herten  nit  bernende  in  ons  selven ,  L.  v,  J.  c. 
239.  Als  si  saghen  die  tenten  van  haren  mede- 
broederen al  om  bevangen  van  den  Turcken,  .  . 
80  begonnen  si  in  haren  moet  te  bemen ,  Exc.  Cron. 
99c.  Oec  doet  soe  (minne)  bemen  die zinne,  i^.I', 
46,  49.—  Zie  ook  bernende. 

2)  Verbranden,  tot  asch  verteren  of  vergaan, 
II  Want  hi   sine  hant  nine  mochte  daer  an  gedoen 

(aan  die  bemende  tomme)  .  . ,  sine  moeste  bernen 
ter  vart,  Vad.  Mus.  4,  317,  159.  So  wie  in  ander 
liede  huys  woent,  dat  berrent,  Belg.  Mus.  1,253. 

3)  Flikkeren,  fonkelen,  glinsteren.  \\  Pauwelioene, 
some  roet ,  some  groene ,  some  bemende  van  gonde , 
Alex.  IV,  1135.  Dat  si  (de  helmen)  enen  hemen 
dochten,  gelijc  dat  heet  yser  doet,  X<i«c.  11,44050. 
Sijn  oghen  bamden  als  een  vier.  Rein.  II,  3621. 
Claer  sijn  si  (die  steenen)  ende  bemende  roet. 
Nat.  BI.  XII,  450.  Syn  oghen  bomden  als  een 
vuer,  Segh.  8342  var.  (tekst  bornen).  Hare  oeghen 
bernen  als  een  robijn,  Vr.  Heim.  257. 

4)  Aanbranden,  van  spijzen.  ||  Roeret  altegaeder, 
dat  niet  en  berne,  Keukenb.  12,  11.  Doet  er  ineen 
luttel  water,  dat  niet  ue  beme,  Jan  Yp.  182. 

Bedr.  —  1)  Branden.  —  a)  Yan  vuur,  licht  en 
brandbare  stoffen.  \\  Het  gheviel  op  enen  dach  an 
den  avont ,  dat  men  iut  laut  bernen  sach  meuighei) 


951 


BERN. 


BERN. 


952 


brant  {fakkel)  up  de  hnse  harentare  .  .  . ,  want 
men  bemde  (nl.  vuur)  al  Scouden  dure ;  te  Borden- 
damme  bomde  men  mede  hier  niet  verre  yan  der 
stede  .  .,  daer  berndemen  ter  selver  wile  viere- 
baken  al  de  nacht,  Stoke  YIII,  1281.  Dat  mene 
dorste  bernen  daer  int  palays  kersen  of  vier, 
Parth.  613.  Hi  hadde  vergadert  eenen  hoop  honts 
te  bamen,  Segh,  3168.  Colen  bernen  metter  spoet , 
Franc,  2364.  Dat  mer  in  bemen  dadelecht,!?/;»!^. 
1919.  Dat  qyement  bynnen  Leyden  smeer  barnen 
en  moet,  dan  in  verwulfden  kelneren ,  7>iV/.  JTwrrA. 
141,  43.  Daer  men  niet  en  berrent  dan  snlfer 
ende  pee,  V.  Maagd.  709.  —  Het  branden  van 
vuur  in  den  haard  was  ook  eene  symbolische 
handeling,  waardoor  de  bewoner  van  een  huis  het 
inwydde  en  zich  feitelijk  tot  eigenaar  van  dat  hais 
verklaarde.  Zie  de  breedere  verklaring  van  dit 
vier  bernen  (in  Drenthe  vuur  ^0(?/(?» geheeten), 
T,  en  Leitb,  1 ,  32  en  33.  Vier  bernen  komt  dan 
ook  voor  in  denzelfden  zin ,  waarin  elders  wordt 
gesproken  van  eigen  vuur  en  rook  hebben ,  d.  i.  een 
eigen  huishouding  hebben,  in  tegenstelling  van, 
bij  iemand  inwonen;  vgl.  Cout.  v.  Brugge  1,  382: 
Dat  die  van  binnen  ncgheenen  man  van  buten 
bescudden  over  portre  .  .  .,  hi  ne  hebbe  jaer 
ende  dach  ghewoend  binder  stede  van  Brucghe 
ende  vier  ghebarrent,  eer  hi  siin  porterscep 
cochte ;  ende  zo  wat  portre  die  buten  woeuachtech 
es ,  dat  hi  drie  waerven  tsjaers  ende  telken  viertich 
daghen  binder  stede  woenen  . .  ende  vierbarnen 
moet,  andere  werd  hij  niet  meer  aU  poorter  beschouwd. 

b)  Een  brandoffer  brengen.  \\  Dat  si  se  {^het  dier) 
sloghen  npten  outaer  ende  bernedse ,  Rijmb.  1989.  Int 
tempel . .  bernede  hi  zine  specie  diere,  /*Va»c.  4899. 
Daer  men  up  plachte  berne  daer  diere  specitf,4880. 
So  bernede  hi  die  werdeghe  specie,  Rnusb.  6,  95. 
(Si)  bernden  twierooc  upten  outaer,  Rijmb.  4773. 
(Si)  bernden  in  den  tempel  ons  Heren  wel  diere 
specie,  11709. 

c)  Van  kalk.  ||  Bemets  calx,  Nat.  BI.  VI,  397. 
—  Zie  verder  by  brinnen. 

2)  Verbranden ,  tot  asch  verteren.  —  a)  Van  voor- 
werpen. II  Ende  van  den  vissche  saltu  mede  die  levre 
bernen,  Rijmb.  15623.  Wien  so  sulke  smerte  pijnt, 
barne  te  pulvere  hare  hovet  (nl.  van  lampreien) 
Nat.  Bl.Y  ^  714.  Datmen  desen  te  bernen  pleghet  te 
pulvere ,  VII ,  925.  Niet  lichte  en  laet  hem  bernen  dat 
hout ,  VIII ,  834.  Hen  (ebenus)  ne  mach  bernen  gheen 
vier  clene,  308.  (Si)  bernden  .  .  sinen  lachame, 
Sp.  I«,  16 ,  30.  Die  bemen  sal . .  deser  papen  beene, 
Rijmb.  12172.  Als  menne  hernei  {den  boom),  15597. 
(Hi)  bamde,  dat  hi  niet  met  hem  en  mocht  vueren , 
£xc.  Cron.  273c.  Doe  hi  {de  brief)  overluut  ghelesen 
was,  doe  deden  die  bisscop  hamen,  iV^/^.Pror« 314. 
So  wie  valske  laken  maecte  .  .,  dat  laken  selmen 
barnen.  Leid.   Keurb.  104  §   22.  Zoo  ook  71,  15. 

b)  Van  personen.  ||  Hier  af  soe  wil  ie  nemen 
wrake,  ende  elke  hemen  aen  een  stake,  Segh. 
5573  {var.  barnen).  Acgravein  ende  Mordret  wiseden 
dare,  datmense  sculdech  te  berne  ware,  Lanc.lV, 
4509.  Daermen  die  coninginne  bernen  sal,  4540. 
Tfier  .  .  daermense  in  bernen  sal,  4578.  Datmen 
u  hemde  {var.  bamde) ,  waerdi  waert  4710.  Ie  sal  u 
doen  hamen  in  een  vier ,  Segh.  2610.  Ie  sal  u  bamen 
aen  een  stake,  2623  var.  Alse  de  wyfs  ghepiint  waren, 
ende  up  den  dach  dat  sie  ghebarrent  waren,  (?o«^. 
V.  Brugge  1,  409  Jant.  Men  bernse  {dat  wijf), 
dats  mijn  raet,  Sp.  I',  65,  152.  Doe  gheboeten 
die  rechter  te  hamen  ende  int  vuyer  gaf  hi  sinen 
geest,  Tais.  W.  20c.  {Sardanapalui)  bernde  hem 
selven,  Rijmb.  13905. 


c)  Van  huizen,  steden,  landen  enz.  In  de  asei 
leggen,  te  vuur  en  te  zwaard  verwoetten.  \\  Die  ghene, 
die  ute  om  voeder  reden,  bemeden  soe  al  ombe- 
streden  Vrihoutheem,  Heelu  713.  Teerst  dat  hi 
quam  bi  Flaminine  bernede  hi  omme  hem  dat  lant, 
Sp.  I»,  30,  32.  (Hi)  berrendene  {den  eatteel)  tot« 
in  den  gront,  ende  hi  berrende  te  dier  stout  meer 
danne  hondert  ouder  wyf  ende  man,  VI.  Rijmk.  3990. 
Hem  was  gheberrent  een  cleen  husekin ,  3447.  Doe 
ghinghen  si  bemen  ende  storen  des  bisscops  Ananyas 
.sale,  Rijmb.  27630.  Hi  deedse  {Thebe)  al  bemen 
ende  breken,  Sp.  I*,  20,  26.  (Hi)  quam  dor 
Tsampaengen  getogen  tlant  bemen  ende  orloghen, 
Iir,  8,  11.  Doe  dede  die  Hertoghe  .  .  dit 
blochuys  .  .  ansteken  ende  bemen,  Matth.  ^iiai. 3, 
370.  Om  de  steden  te  bemen  ende  te  verraden, 
N.  Doet.  634  var.  {OVl.  Ged.  3,  bl.  151a).  Om  die 
{steden)  te  bernen,  Oorl.  v.  Jlbr,  146.  —  Bij  uit- 
breiding ook  van  de  personen,  wier  bezittingen 
verbrand  worden.  Door  brand  benadeelen ,  kun  br^td- 
schade  toebrengen.  \\  Die  andere  .  .  lude  . .  vienghe, 
rovede,  bernde  of  moerde,  Nijh.  2,  115.  —  Sckgn- 
baar  intr.  wordt  bemen  gebruikt,  meestal  in  ver- 
binding met  een  ander  dergelyk  woord ,  door  weg- 
lating van  het  obj.  Het  bet.  dan  brand  stichten,  jj 
Oec  voeren  sy  .  .  dicke  bemen  ende  roven  in  den 
hogen  lant,  Grimb.  I,  2714.  (Si)  trocken  te 
Bruessel  waert  ende  ginghen  bemen  in  de  vaert, 
2705.  Doen  ghinghen  si  bernen  ende  slaen,  ende 
vanghen  dat  si  wilden  vaen,  Parth.  159.  Hter 
vader  bamde  opt  huys  ende  siin  sone  wort  dar 
doot  geslagen,  Ned.  Proza  343.  Quadyen  .  .,  die 
houder  barnen  dan  sy  bliscen,  alle  die  soegaenie 
bomen,  ie  woud  mense  greep  by  horen  goraen 
{lendenen),  Hild.  127,  32.  Roven,  bamen  of  Inden 
te  vanen  (/.  vane),  O.  R.  v.  Amst.  8. 

3)  Iemand  eene  brandwond  toebrengen.  \\  JanBufTele, 
van  dat  hi  bernede  Hannine  Smaerseel  up  die 
marct  in  sine  cake  met  een  ysere ,  Cout.  v.  Bmgp 
1 ,  408  Aant.  —  Ook  als  term  in  de  geneeskunde. 
Door  branden  eene  wond  maken;  mlat.  cauterizare. 
Het  obj.  wonde  wordt  verzwegen.  ||  Alse  die  goede 
ersatre  doet,  (die)  nu  bemet  ende  nu  snijt  ende 
niet  sinen  zieken  en  spaert,  Sp.  III*,  69,  81.  — ■ 
Ook  met  den  persoon  als  obj.  ||  Diemen  bernen 
sal  of  sniden.  Nat.  Bl.  XII, 850. 

4)  Door  branden  doen  ontstaan,  veroorzaken.  || 
Die  sneewitte  heete  brant  bemede  in  zyn  vleesck 
tehant,  ende  bemedem  ene  vure  {vore)  van  den 
ogen  ten  oren  dure ,  Franc.  2635.  —  Met  het  voorx. 
ute  verbonden.  Door  branden  doen  verdwijnen,  \\ 
Die  minne  die  hi  hevet  te  Gode  .  .  die  berrent 
die  smetten  ute  den  cleede  sijnre  goeder  werkc, 
Ruusb.  2,  60. 

5)  Afbranden ,  van  land  gezegd.  ||  Item  in  Waerder 
van  landhure,  die  verhuert  is  .  .  te  6  jaren,  al 
vri  ghelt.  Ende  zi  moghen  tvierendeel  bamen ,  Bek, 
d.  Gr.  1,  220. 

6)  Het  verl.  deelw.  gebernet  heeft,  even  als  ons 
deelw.  gebrand,  de  bet.  van  door  branden  zswM, 
of  bruin  gemaakt.  Verg.  gebrande  emutndelen,  ge- 
brande koffie,  enz.  II  Gheets  home  .  .  .  ghebernet 
ende  ghebonden  dan  optie  nesegate  van  den  man, 
Nat.  Bl.  II ,  991.  Ghebemet  loec . .  met  aisine,  VII, 
829.  Ghebemedeplumen;  ghebernede  vilt.  Jan  Tp.5a 

7)  Van  metalen  gezegd.  Smelten.  Vgl.  berne- 

CAHER. 

BERRENDE.  Zie  Bernent. 
BERRENDELIKE.  Zie  bernelijc. 
BERNENT  (bkrnende),  bnw.  Eig.  deelw.  t« 
bernen  (isie  ald.),  doch  bnw.  geworden,  blijkens  dea 


953 


BERN. 


6ËR0. 


9S4 


snperl.  bemenst.  Van  het  onz.  bemen  in  den  fig. 
zin  van  voor  iets  goedt  of  edeU  gloeien  (ald.  1^). 
Oheiend^  bezield,  vurig.  ||  Ie  seght  u  met  gremmen, 
met  snete  bernender  stemmen,  TienJ*l.  1334 (^r^m- 
men  bet.  hier  droef  Aeid;  zie  de  Aant).  Omme  God 
dincken  allene  met  bernender  herten  rene ,  Doet  III , 
1805.  In  bernender  minnen ,  1847.  Sinen  hemenden 
belegen  wille,  Franc.  1353.  Gewillikc  met  hemenden 
moede ,  2189.  Mit  ynnighen  ghehede ,  met  hemender 
dcTOcien,  Ruush.  5,  67.  Al  hadde  hi  grote  denchden 
ende  seer  bemende   devocie,    Kal.    7,   167.   Mit 
alderbemenster  minnen,  2).  È.  I  Kon.  11 , 2  (arden 
Huivu)  amore).  Bemende  min  heeft  menich  man 
Hild.  254 ,  63.  Haer  bemende  gebet  dat  heet  was 
rejne  ende  onbesmet,  Lutg.  II,  942. 

BERNIER,    znw.   m.    Ofr.    bemier:    „celni  qui 
était  chargé  de  la  nonrritnre  des  chiens  de  chasse^ 
(Düc.  7,  61).  Ken  opzichter  over  de  jachthonden.  \\ 
I)it8  goet  gamement    ende    fier,    dit   en   droech 
noit  knecht    no    bemier,    noch   oec   onedel   man 
mede,  Lorr.fr.  I,  83. 

BERNINGE  (barninge,  borninge),  znw.  vr. 
Mnd.  beminge,  bemunge.  Vgl.  berringe  en  Mhd. 
bwmunge. 

1)  Èet  bemen,  hei  branden,  branding.  ||  Die 
droemen  vele  van  vuere,  van  hlixem  ende  van 
anxteliker  baminge  der  lachten,  Barthol.  %%b.  Hi 
boerde  dat  gloyende  yseren  op  mitter  bloter  hant 
ende  handelde  clat  sonder  enighe  berninghe  of 
sonder  enighe  qnetsinghe  z^ns  lives,  Bienb. 
119  a. 

2)  In  concreeten  zin.  Dat  wat  men  brandt,  brand- 
stof (zoo  ook  in  het  Mnd.).  ||  Ie  gadere  berninghe 
ende  bont  ende  make  pelsen  jeghen  tcoud,  Heim. 
813.  Andere  bemynge  .  .  en  wasser  toe  dan  nappen 
van  pladen ,  Heeln ,  bl.  348.  2^  last  ketenhouts 
omme  de  beminghe  van  scepen  hnus,  Invent.  v. 
Brugge  4,  263.  Als  die  berninghe  ghebreken,  so 
moet  dat  vuyr  nntgaen,  Bern.  W.  85<?.  Vier  last 
zwarts  torfs  elcx  jaers  tot  sijnre  borninge,  O.  R. 
V.  Dordr.  2,  62,  80.  Dat  gheen  hacker  no  brauwer 
no  vaerwer  enighe  baminghe  legghe  binnen  viertien 
voeten  ghehende  sinen  ovene ,  Cout.  v.  Bntgge  1 , 
361.  Van  te  copen  ossen,  peerde,  zaet,  beminge, 
etc.,  Stadsr.  v.  Zwolle  170,  336.  Verkenen,  zaet, 
hnde,  beminge,  noch  gheenrehande  gnet,  ald. 
Bat  hl  scaerselic  leve  mit  alle  sinen  ghesinne,  in 
eten,  in  drinken,  in  beminghen,  in  cledinghen, 
Ned.  Proza  176.  Omme  hare  baminghe  daer  uyt 
te  delvcne.  Mieris  2,  238tf. 

BERNINCHOÜT  (barninchout),  znw.o.Pleo- 
nastisch  gevormde  samenstelling  uit  berninge,  d.  i. 
brandstof  (zie  ald.)  en  hout.  Men  moest  óf  zeggen 
beminge,  óf  bemhout,  welken  vorm  Kil.  en  Plant, 
ook  opgeven.  ||  Es  hi  {de  wagen)  gheladen  met 
baminckhoute ,  Lett.  N.  JT.  6,  86.  Van  elcke 
sconwe  turf  .  .  1  stuver.  Van  barninckhout  den 
208ten  penninck,  Inform.  84.  Alle  aelmans,  die 
mit  turf  of  mit  bamincxhout  binnen  Leyden  comen, 
Leid.  Keurb.  238,  61.  So  wye  voirt  an  turf  of 
beminchout  bynnen  Leyden  brecget,  52.  Do  helft 
van  al  den  berninchoute ,  dat  commen  sal  van  den 
selven  goede,  Gendteh  Chtb.  195  noot.  Zoo  ook 
K.  V.  Vtr.  1,  120,  69. 

BERNIXCSTEEN  (BARNiNCSTEEN),znw.  o.  Mnd. 
benutein,  bamstein.  Gevormd  als  barninchout  (zie 
ald.).  Barnsteen.  \\  Een  tonne  baraincstecns  2  st., 
Inform.  lil. 

BEROGHT.  Zie  berucht. 

BEROCHTEN.  Zie  beruchten. 

♦  BEROEDEN   (Hem-).    Verkeerde   vorm   voor 


Hem  becroeden,  MLoep  II,  2780.  Zie  dat  woord, 
en  verg.  De  Jager,  Arch.  4,  146,  waar  zonder 
genoegzamen  grond  de  vorm  beroeden  verdedigd 
wordt. 

BEROEM,  znw.  o.  Mnd.  beróm.  Pralerij,  groot- 
spraak, hoovaardij.  \\  Idel  beroem  es  scande  groet, 
Lanc.  II ,  42824.  Opdat  hi  met  enen  deinen  berome 
ofte  hoverdie  niet  besmet  en  werde,  Ruusb.  3, 
18  Aant.  Horen  geliken  niet  benidende,  beroem 
schuwende ,  Hs.  80  /.  lAd. 

BEROEMELIJC   (beromeluc),   bnw.   en  bijw. 

Als  bnw.  —  Trotsch, pralend^  blufferig,  hoovaardig. 
Vooral  met  woorde  en  sprake  verbonden.  || 
Dus  siet  men  beroemelike  tale  (grootspraak) 
selden  vergaen  met  eren  wale,  Heelu  6011.  Grote 
beroemlike  worde  men  daer  onder  hem  secgen 
horde,  Velth.  IV,  62,  27.  Walewein  hevet  onder- 
vonden .  .  .  sine  beroemelike  tale.  Wal.  1729. 
Diene  logenare  soude  maken  van  sinen  beromeliken 
spraken,  Lanc.  II,  4857.  So  dat  uwe  beromelike 
onwetenhede  daer  mede  selen  inden  ter  stede ,  III, 
20704.  Nu  moetti  heden  u  beromelike  worde  be- 
copen,  26448. 

Als  BIJW.  (Beroemelike,  -lyc,  -lic).  —  Met 
pracht  en  praal,  in  glorie.  \\  Op  dat  hi  hem  be- 
roemelic  tonen  soude  te  wesen  die  Gods  soen ,  Hs, 
80  ƒ.  614. 

BEROEMELIJCHEIT  (beroemlijcheit  ,)  znw. 
vr.  Vgl.  BEROEMELIJC.  Hoovaardij ,  praal,  bluf.  \\ 
Hetine  melde,  die  geit  gevet  .  .  of  .  .  al  dat  ter 
wereld  hord  gemene?  .  .  hets  gene  melthede,  en 
es  maer  ene  beroemlijchede,  Velth.  I,  33,  11. 
Als  si  wanen  mit  vermetelre  heroemlicheit  verheven 
te  worden,  so  vallen  si  ende  dalen  ter  hellen, 
D.  War.  6,  197. 

BEROEMEN  (beromen,  berommen),  zw.  ww. 
onz.  en  wederk.  Mnd.  sik  beromen;  mha.  berüemen, 
beruomen  en  sich  b. 

Onz.  —  1)  Roem  dragen  op,  roemen.  Met  den  2den 
nv.  of  een  zin  met  dat.  ||  Van  desen  tween  {nijdigen 
en  moordenaars)  mach  men  cleyure  doeght  beroemen. 
Hand.  Lett.  1867,  bl.  34,  vs.  47.  Dune  moets 
oec  niet  .  .  .  dine  (/.  dire)  quade  daet  beromen, 
Bouc  V.  Sed.  1067.  Vrouwe,  ghi  moghet  wel  be- 
roemen, dat  die  naturen  van  uwen  blomeu  den  Gods 
zone  daden  comen,  Praet  141. 

2)  In  ongunstigen  zin.  Pochen,  pralen.  Slechts 
in  de  onb.  wijs  als  znw.  Dat  beroemen, 
het  pochen,  pralen,  pedanterie,  ijdelheid,  groot- 
spraak, trots.  Il  Alse  Taganas  amie  quam  ende  si 
dat  beromen  vernam,  si  spraker  toe  al  sonder 
beide ,  dattie  joncfrouwe  niet  waer  en  seide ,  Lanc.  Il, 
3089.  Beroemen  is  grote  dorperheit,  Troyen 
3916.  Ende  hiltmen^  over  beromen  niet,  Cass, 
1480.  Dit  was  sijn  {des  duivels)  sonderlinghe  be- 
romen, Wap.  Mart.  III,  280.  So  men  hooren 
mach  an  hu  berommen,  ZVl.  Bijdr.  6,  332,  151. 
Bi  beroemen  werden  vrouwen  gescent,  390,  211. 
Naer  mynen  berommene  quaet ,  D.  War.  1, 422,  495. 
Vele  bcroemens  en  es  gheen  prijs ,  ^»m»«?  Il ,  2244. 

Wederk.  —  Hem  beroemen. 

1)  Met  den  2den  nv.  der  zaak.  Roemen,  prijzen. 
(Vgl.  hem  beloven,  hem  bedanken,  hem  belien  e.  a.).  || 
Van  sinen  (nl.  van  Alphonsus)  worden  hem  menech 
beroemt,  diese  in  bouke  hevet  bescreven,  <§?.  IV', 
27,  58. 

3^  Zich  verhoovaardigen ,  zich  beroemen,  trotsch  zijn. 

a)  Met  een  bijw.  van  wyze.  i|  Wie  dat  hem  te 
hoghe  beroemt,  Glor.  15.  Dat  hem  nieman  te  hoghe 
en  sal  beroemen,  27.  Jonge  lieden  en  souden  dus 
hen  selven  so  sere  beromen  niet,  524. 


955 


BERO. 


BERO. 


956 


> 


b)  Met  een  bgzin  met  dat  ||  Hi  en  darf  hem 
niet  beromen,  dat  jet  dien  sal  syn  vryen,  Vrouw, 
e.  M,  YlIIf  16.  Nemmermeer  hadden  hem  beromt 
die  van  binnen ,  dal  si  ghedomt  den  hertoghe  hadden 
inden  stryt,  Val.  10661. 

c)  Gewooniyk  met  een  2den  nv.  of  eene  bep. 
met  V  a n.  II  Dat  hi  hem  beromda  das,  Jler.  IX,  7. 
Ic  darfs  me  berommen,  ZFl.  Bijdr.  6,  325,  364. 
Van  den  yianden  gheen  man  van  miere  doot  hem 
beromen  can,  Rijmb.  27837.  So  mach  iet  (/.  ics) 
mi  bet  beromen,  Praet  1798.  Daer  ghi  so  fiere 
jon  of  berompt,  3566.  Sy  beroemen  hem  eens  al 
te  armen  roems,  als  bj  hem  beroemen  van  hoerre 
edelre  gheboerten ,  Ned.  Proza  179.  Eenighen  dienst, 
dien  (/.  dies)  ic  mochte  mi  beroemen  in  myn  ghe- 
dochte,  Amand  I,  5176. 

BEROEMER  (bekommer),  znw.  m.  Bhifer^  groot- 
spreker.  \\  Een  beroemer  is  recht  als  een  kockoc, 
die  niet  singhen  en  can  dan  van  hem  selven ,  iV>d?. 
Proza  152.  Wat  moetis  van  dien  berommer  hooren ! 
tDynckt  hem  al  zyne,  ZVl.  Bijdr.  5,  320,  191. 

BEROEMICH,  bnw.  Hetzelfde  als  beroemelijc 
(zie  ald.).  Blufferig  ^  hoovaardig ^  laatdunkend.  \\ 
Menech  sprect  .  .  .  scoene,  beroemeghe,  onstaende 
woort,  Vad.  Mut.  1 ,  69 ,  45.  Om  eenighe  beroemighe 
woerden,  Cron.  v.  Pletend.  2,  65.  Onhovesche ende 
beroemeghe  wort,  Vrouw.  e.  M.  I,  356.  Dat  si 
beroemeghe  manne  ylien ,  357.  Als  een  hovaerdich 
ende  beroemich  lastede  (/.  lasterde)  hi  tgebot  syns 
heren,  Barthol.  198a. 

BEROEMINGE,  znw.  vr.  Mnd.  berominge. 
Hoovaardij ,  bluf^  voornamelijk  in  woorden,  groot- 
spraak. II  Wat  heeft  ons  die  beroeminghe  der 
{bluf  op)  rycheit  ghegheven  ?  i)«?ro^/ 5.  (36),  120  v. 
Die  vierde  sonde  van  verweentheit  is  beroemminghe , 
die  ghehaet  is  van  Gode  ende  vanden  menschen,  want 
een  beroemer  is  recht  als  een  kockoc,  die  niet 
singhen  en  can  dan  van  hem  selven ,  Ned.  Proza  152. 

BEROEP  (BEROUP),  znw.  o.  Eig.  stam  van  het 
WW.  beroepen  (zie  ald.). 

1)  Yan  beroepen,  in  den  zin  van  m/<!^^  (ald.  3). 
De  gerechtelijke  uitdijing ,  die  men  tot  iemand  riekt, 
wanneer  hij  tegen  plicht  en  geweten  gehandeld  heeft, 
uitdaging  tot  een  tweekamp.  \\  Mador,  dn  hefs  ene 
clage  onderstaen ,  daer  du  onteert  moets  wesen  bi . . ; 
hierombe  radic  di  nu  twaren  dattu  dijn  beroep 
laets  varen,  eer  di  arger  daeraf  gescie,  Lanc.  IV, 
3972.  Dattic  van  den  berope  quite  ware,  dat  gi 
te  miwaerd  hebt  gedaen.  Bedie  ic  hebbi  mi  .  .  . 
bescermet  in  desen  tide  jegen  n  totes  vespertide , 
9470.  Dit  hi  mi  al  van  desen  berope  bescermen 
sal,  3455. 

2)  In  rechte.  Appèl,  het  zich  wendden  tot  een 
hoog  er  rechtscollege,  om  hernening  van  een  vonnis. 
Thans  vooral  in  de  nitdr.  in  hooger  beroep. 
Vgl.  BEROEPEN  6).  II  Worden  scepenen  achter- 
volghet  van  den  beroepe,  dat  si  ghepriveert 
sullen  wesen  van  haren  scependoeme,  Cout.  v. 
Brugge  1 ,  308.  Die  terme  van  den  beroupe ,  350. 
Diese  {de  deelmans)  beriepe  ende  achterbleve  van 
sinen  beroupe,  dat  hi  verbuerde  XX  sceleghen, 
351.  Dat  de  .  .  scepenen  .  .  tvoorseide  beroup  te 
nieuten  ghewijst  hadden,  423.  Niet  wederstaende 
den  voorseiden  beroupe,  ald.  Zo  wat  wettelic  be- 
roup, dat  voordan  ghedaen  wort  binder  Sinus, 
ZVl.  Bijdr.  6,  7.  Dat  die  scepenen  van  der  banc  . . . 
souden  moeten  comen  binnen  den  genechte  tot  haren 
beroepe,  Coerb.  v.  Antw.  86, 11.  Want  N  ij  etappe  dat 
rocht  beriep ,  op  die  wijsheit  van  den  lande ,  ende  die 
se  ven  buren  dar  van  tuigeden ,  boven  dat  beroepen,  dat 
idt  tuich  niet  stantaftich  wesen  soll,  Etst.  v.  Dr.  14. 


BEROEPEN  (beropen,  beroupen),  st.  cnzw- 
WW.  bedr.  (fieriep ,  beroepen  (beropen)  en  (zw.)  beraft, 
berocht,  en  berucht,  uit  ♦  beroept  of  *  beroepef).  Vgl. 
gewrocht  van  werken ,  verknocht  van  knoopen ,  gesoeki 
van  zoeken,  enz.  Mnd.  beropen  (sterk);  mhd.  i^ 
ruofen  (sterk  en  zwak);  ohd.  hrofa»  (st.)  en 
hrofjan  (zw.),  zonder  verschil  van  bet;  goL 
slechts  hropjan  (zw.).  Ohd.  bihruofjan.  Terg.  BE- 
RUCHTEN. 

1)  jl?r  bij  roepen,  oproepen,  uitnoodigen.  \\  Yu 
alle  desen  daer  gi  ende  wi  beroepen  af  sjn,  set 
ons  daeraf  een  termyn,  Velth.  II,  20,  56.  Begeert 
van  hem  dat  si  hem  beroepen  willen  tot  ridder- 
spel  te  hanteeren,  Bxc.  Cron.  245  a.  (Si)  b^ 
riepen  eene  pronve  .  .  van  yiere  vroeden,  AaioMd 
II,  1489. 

2)  Van  een  afstand.  if<p^  roepen  afleggen, roepenie 
bereiken.  \\  Nochtan  machment  beroepen  al  (^ 
afstand  tot  den  hemel)  met  enen  roepe  .  .,  dis 
eest  min  dan  een  roepmael,  Segh.  7885  {Rs.  roepen). 

3)  Uitroepen,  aankondigen,  meestal  door  middel 
van  een  omroeper  of  heraut,  lat.  praecomsem.  H 
Een  erant  in  des  coninx  zale  vore  die  heren  alt^ 
male  beriep  enen  tomoy  groet,  lAmb.  V,  483. Die 
feeste  in  de  Haghe,  die  hi  hadde  doen  beroepen, 
Bek.  d.  Or.  3,  283.  Dat  te  Pisen  beroepen 
was  een  spel  van  wapinen,  Sp.  1* ,  7 , 3.  Beroepen 
grote  heren  spel,  Hild.  195,  19.  Artur  wm  so 
blide  daer  of,  dat  hi  dede  beroepen  \ïot,Lane.\\y 
47081.  (Hi)  quam  gereden  doen  na  das,  daer  een 
tomoy  beropen  was,  Torec  1026.  Die  lantshere 
dede  op  enen  dach  ene  feeste  beroepen ,  den  ridder 
teren,  Belg.  Mus.  10,  66,  53.  Dat  si  horen  man., 
bat ,  .  .  of  hi  enen  hof  tot  Oleermont  wonde  doen 
beroepen,  eene  cour  plénière  aankondigen,  Ckrt 
85.  (Hi)  heeft  een  costelic  hof  doen  beroepen  door 
alle  sijn  landen  van  allen  den  princen,  baroenen, 
heren  ende  ridderen,  Exc.  Cron.  213^.  Soe  salick 
u  sonder  merren  ghaen  beroepen  die  bruloft ,  &^- 
R.  f.  187tf.  So  waren  daer  twee  heren,  dye  e«a 
steecspel  beroepen  hadden,  Etc.  Cron.  280p.  B»t 
te  Pisen  een  spul  was  beroepen  van  wapenen, iV>^- 
Proza  351.  —  Enen  camp  beroepen,  een  strijd 
(meestal  tweekamp)  aankondigen,  (iemand)  tot  een  twee- 
kamp uitdagen,  hem  provoceeren,  \\  Here,  nu  hebkic 
enen  camp  jeghen  hem  beroupen  vor  den  coninc,  ÏÏsl 
1460.  Nu  hebbic  enen  camp  ieghen  hem  beronpei 
om  dese  dinc ,  1834.  Omdat  ni  (Porus)  dien  ctmp 
beriep,  Alex.  IX,  615.  W^ie  de  kampioen  we»« 
sonde,  die  den  kamp  beroepen  sonde ,  ^^am^.  17& 

3)  Uitdagen;  lat.  provocare.  Met  den  4den  ht. 
van  den  pers.  Bijna  alleen  in  de  uitdr.  te  camp  e 
beroepen,  tot  een  tweekamp,  tweegevecht  ml- 
dagen.  ||  Gi  wet  wel  in  wat  maniren  Walcwein  be 
ropen  es  van  mi  te  campe,  Lanc.  II,  38480.  Pat 
nieman  .  .  .  engeen  porter  van  den  Bosch  oa 
enigher  reden  te  camp  sal  mogen  beroepen ,  Brah-  f- 
Dl.  1 ,  bl.  784.  Dat  niemen  poortre  beroepen  maci 
te  campe ,  Cout.  v.  Brugge  1 ,  298.  Ende  zo  wat 
poortre  die  andren  beriepe  te  campe  ofziinveddj 
bode,  ald.  Vgl.  Bein.,  ed.  Willems,  bl.  180  Tlf. 
noot.  —  Ook  met  eene  bepaling  met  van,  ter 
aanduiding  van  de  zaak,  waarom  iemand  Yordt 
uitgedaagd.  i|  Hi  es  beroepen  van  mordade  te 
campe ,  omdat  hi  met  sinen  rade  enen  cnape  oaa 
sijn  leven,  IVal.  1897  (hfj  heeft  eene  uitdaginf 
ontvangen  om  zich  door  een  gerechtelijken  tveelanp 
te  zuiveren  van  de  beschuldiging  van  moord.  Later 
werden  de  gerechtelijke  tweekampen  vcrbodea; 
zie  de  zoo  even  aangeh.  voorbeelden).  —  Ook  wordt 
te    campe    verzwegen.   ||   Alse    die   cosiogiaM 


957 


BEllO. 


BERO. 


958 


werd  geware  dat  hi  so  stontelike  beriep  hare,  si 
werd  tongemake  om  dien,  ende  begonste  daer 
alomme  sien ,  oft  daer  enech  Mddere  doe  ware , 
die  sonde  willen  bescermen  hare,  Lane,  lY,  3439. 

—  Meestal  evenwel  met  eene  bepaling  met  yan. 
Enen  beroepen  van  ere  mesdaet,  iemand 
van  een  miedrijf  betichten,  \\  Gi  sijt  an  ene  sot- 
heit  comen,  dat  gi  mi  beroept  .  .  van  selkerdinc 
alse  gi  sprect  nn  .  . ;  ie  weet  mi  selve  nn  so  goet 
ende  van  deser  dine  so  claer,  ie  ontsie  n  niet  een 
haer,  Lane.  III,  22874.  Gi  hebt  gedaen  grote 
dompheit;  ie  beroepe  n  van  dorperheit:  gi  hebt 
mins  oems  ban  tebroken,  Lane.  III,  18911.  Datsi 
al  van  mordade  beroepen  .  .  den  genen ,  Lorr.  II , 
3608.  Des  conincs  drossate  Ansart,  die  beroepen 
was  van  sconincs  soens  doet,  Lane.  II,  32679; 
vgl.  40699.  Voor  den  coninc  onsen  heer,  daer 
beroepic  di  hier  of,  Bein.  II,  4942.  Die  Ritsarde 
beroepen   van   der   mort   hadde,    Lorr,  II,  3690. 

—  Yooral  in  de  nitdr.  enen  van  verranessen 
beroepen.  II  Alse  ieman  heropen  es  van  verranessen 
.  .  ende  hi  hem  daer  af  nine  verweerd ,  Lane.  lY, 
8541.  Ie  wille  met  n  varen  aldaer,  ende  den  dief 
heropen  daemaer  van  valsheide  ende  verranessen , 
Toree  1850.  Een  gravc  van  Boloengen  .  .  waert 
berucht  .  .  van  verranessen,  VI,  RiJmJt.  5429. 
Die  van  verranessen  beroept  man,  hi  moetene 
vore  vespertyt  dan  hebben  verwonnen,  Lane.  lY, 
9475.  Zoo  ook  II,  19398,  23569,  23977,  24006; 
lY,  3426,  3430,  8440,  3695,  3857,  8536. 

4)  Yandaar  dat  beroepen  de  bet.  aanneemt  van 
betchuldigen  y  betichten.  —  a)  Als  niet-gerechtelijke 
handeling,  buiten  rechte,  alt  den  dader  aanwijzen. 
(deelw.  berucht,  beru/ty  berochf).  Yerg.  vooral  bk- 
RUCHTRN,  waartoe  deze  uitdrukking  ook  kan  worden 
gebracht.  Slechts  in  het  pass.,  in  de  uitdr.  berucht 
sijn  of  worden,  beticht  worden  van,  onder  verden- 
king liggen  van.  \\  Hine  ware  tierst  van  siere  mesdade 
berucht  int  openbare.  Lep.  II,  44,  260. Die meyere 
wart  berucht  vor  sinen  here ,  dat  hi  sjn  goet  qualec 
hadde  bekirt,  L.  v,  J.  c.  148  {^Ltic.  16,  1). Zowat 
manne  .  .  berucht  ware,  dat  hi  huns  ende  hof 
bilde  met  eenen  anderen  wive,  ZF/.  JïyV/r.  6, 168. 
Twas  hem  leet  dat  hy  beruft  wair  . .  ende  wouden 
hem  alleweghe  verantwoerden ,  Matth.  Anal,  3, 
352.  Wort  hi  berucht  mit  quader  daet,  Oorkb,  2, 
338  en  344.  Quadien,  die  hem  (den  rechter)  ge- 
wroecht  syn  van  quaden  fayten,  dair  sy  mede 
bemft  syn,  Matth.  200.  Om  hem  voir  ogen  te 
leggen  die  feyten,  dair  hy  of  beruft  is,  201. 
Dicwile  wanen  wy  van  sommighe  werken  of  woirden 
onder  de  Inde  beruft  wesen,  dair  sy  nochtan  niet 
op  en  achten,  Stemmen  76.  Worde  yemant  beruft 
van  desen  saken ,  die  zoutmen  ter  antworde  onbieden 
voer  den  raet,  B,  v,  ütr.  1,  51.  Deghene  .  ., 
die  daer  of  beruft  waer,  ald. 

b)  Als  gerechteiyke  handeling.  Beschuldigen ,  euin- 
klugen  (deelw.  beroepen  en  berttcht).  \\  Wair  dair 
yement  berucht  {gedoodverfd)  van  dootslage  ende 
dair  af  wordt  beroepen  voert  gericht,  Brab.  T. ,  dl.  1, 
bl.  784.  Berucht  van  dieften,  ZVl.  Bijdr,  6,  165 
en  174.  Dat  hi  wel  vri  waent  henen  gaen  sonder 
van  iemen  beroepen  te  sgn,  Bein.  II,  6252.  Des 
ander  daghes  wert  hi  brocht  vore  Pylatus  ende 
berocht,  dat  hi  sculdech  ware  der  doot,  F.  d.Houte 
715  var.  Een  bisscop,  die  daeraf  (van  den  moord) 
berucht  was,  ende  .  .  die  oirkonden,  die  hem  be- 
dragen hadden,  wonde  .  .  omkoopen  mit  gelde, 
Mattb.  Anal.  3,  86.  Ghecalengiert  iof  beroepen 
Tan  valschen  vonnesse ,  Cout.  v.  Brugge  1 ,  308. 
Vgl.   Cout.  V.  Oent  469;  Y.  d.  Wall  108  en  400; 


Overijtt.  12. 1 » ,  136 ;  Wiel.  Inetr.  75 ,  33 ;  127 ,  353  vlg. 

5)  Bij  uitbreiding.  Smadelijk  bejegenen,  barsch 
toespreken,  beschimpen,  jj  Die  nonne  .  .  screyde 
ende  was  seer  droevich,  dat  si  onse  lieve  vrouwe 
so  beroepen  hadde,  Ned.  Proza  311.  Waer  dat  sy 
eenen  minre  zien,  si  beroepen,  bespotten  dien, 
D.  War.  7 ,  390 ,  199.  Des  dogen  rechte  minre  pijn , 
dat  sy  aldus  heropen  sijn,  203.  Die  enighen  .  .  . 
versprak  oft  berepe  om  stucke,  de  van  der  stat 
weghen  gherichtet  waren,  Overijs,  R.  I*,  1. 

6)  Als  rechtsterm.  Zich  in  hooger  beroep  wenden 
tot  een  hooger  rechtscollege ,  appeleeren  (Sp.  II ' ,  5 , 
66  reeds  wederk.:  hem  b.  vore  den  keyser). 

a)  Met  den  4den  nv.  van  den  pers.  of  het  rechts- 
college, van  welks  uitspraak  men  in  beroep  komt. 
Het  gebruik  van  dezen  4den  nv.  staat  in  verband 
met  het  oude  begrip  naar  hetwelk  het  appèl  was 
gericht  niet  tegen  de  partij ,  maar  tegen  den  rechter 
in  eersten  aanleg.  Deze  beteekenis  van  beroepen 
volgt  onmiddellijk  uit  4  b).  De  rechter  in  eer- 
sten aanleg  wordt  beschuldigd  een  ongerechte 
uitspraak  te  hebben  gedaan.  ||  Waert  dat  sake 
dat . .  deen  partye  die  banck  beriepe,  dat  diescepenen 
van  der  banc . .  souden  moeten  comen  binnen  den  ge- 
nechte tot  haren  beroepe,  Coerb.  v.  Antw.  86,  11. 
Diese  (de  deelmans)  beriepe  ende  achterbleve  van 
sinen  beroupe ,  dat  hi  verbuerde  XX  sceleghen ,  Cout. 
V.  Brugge  1,  351. —  Ook  in  het  pass.  Die  beroepen 
scepenen,   de  schepenen,  op  wie  men  appeleert. 

II  Jeghen  eiken  scepenen  die  beroepen  sal  syn 
tien  pond ,  Cout.  v.  Brugge  1 ,  308.  Yan  den  costen, 
die  die  beroepene  sccpene  doen  sullen,  ald. 

b)  Met  den  4den  nv.  van  het  znw.  vonnis  (pleit), 
of  eene  daarmede  gelijkstaande  uitdrukking.  Van 
een  vonnis  appeUeren.  ||  Zoo  wie  een  vonnis  beroept 
voor  den  bailliu  ende  voort  opbrengt  voor  den  grave, 
Mieris  2 ,  306.  Dat  die  scepen  deilen  (=  wijzen)  over 
recht,  dat  en  mach  onse  scoute  niet  beroepen ,  mer 
die  clagher  ende  houder  moghent  beroepen  op  hore 
boeten,  wilsi,  Oorkb.  2,  376^.  Dat  zg  vonnesse, 
dat  scepenen  van  Dixmude  in  haren  mont  hadden , 
wetteliken  beroupen  hadden  tonser  wet  van  Brucghe, 
Cout.  V.  Brugge  1 ,  423.  Alsoe  sal  ment  (vonnis) 
te  hoeve  brenghen,  alst  gewijst  en  beroepen  is, 
zooals  het  in  eerste  instantie  gewezen  is  en  er  van  is 
geappelleerd  ,y .  d.  Wall  119.  So  dat  wert  bedreven 
Paulus,  dat  hi  tpleit  beriep  vore  den  keyser, 
Sp.  II' ,  2,  34.  Ie  beroep  dat  vonnes  van  Alexander 
den  grammen  ...  tot  enen  meerren  heer,  als  tot 
Alexander  als  hy  ghesaet  ...  is,  Matth.  40.  — 
Beroepen  vonnessen,  vonnissen  waarvan  men 
in  hooger  beroep  komt.  ||  Yan  allen  beroepenen 
vonnesse  te  richten,  alst  haer  toe  comen  es  (d.  i. 
haercomen,  gebruikelijk) ,  Mieris  2 ,  30  d;  Y.  d.  Wall 
119.  Alle  heropen  vonnesse  die  men  beroepen  sal 
binnen  onser  vierscare  van  Zuthollant ,  ald.  275.  — 
Ook  met  het  onbep.  h  e  t  als  voorwerp  (nl.  het  als 
bekend  vooronderstelde  vonnis).  \\  Paulus  seide  dat 
hy  t  beriepe  voerden  keyser  te  Rome  saen :  vor  den 
keyser  tote  Rome  hevesstuut  beroepen  .  .  ende  du 
moets  oec  emmer  daer,  Sp.  I*,  26,  16. 

BEBOEPERE  (beroeper,  beropere,  berou- 
per(e)),  znw.  m.  Mhd.  beruofer.  Heraut,  \\  So 
quamen  daer  in  die  bane  dye  heere  van  Beaurains 
ende  dye  heere  van  Souzelles ,  die  beroepers  vanden 
steecspele  waren,  Ejec.  Cron.  280c. 

2)  Uitdager,  hij  van  wien  de  uitdaging  tot  een 
tweekamp  uitgaat.  \\  Die  beroepere  es  achterbleven , 
die  den  camp  jeghen  hem  heift  ghenomen,  ende 
ne  dar  niet  te  crite  comen,  JVal,  1900.  Ie  ben 
beropere  van  desen  ende  gi  snlter  verwerre  (ver* 


959 


BERÖ. 


6ER0. 


Ö60 


weerder y    verdediger)  '  iS  wesen,    Lanc,    IV,    8831. 

3)  In  rechte.  Appellant.  \\  Dat  die  beroepere 
moet  seker  doen  te  achtervolghene  syn  beroep, 
CouL  V.  Brugge  1 ,  308.  Wordt  die  beroepre  achter- 
Tolghet  van  sinen  beroepe,  hi  sal  verbueren  zes- 
tich  lib. ,  ald.  {Schepenen)  sullen  gehouden  sijn  te 
gheldene  de  beroepere  sinen  C08t  bi  sinen  eede, 
309.  Dat  men  dat  {beroep)  achtervolghen  zal  ten 
coste  van  den  beroupere  . . .  Ende  daernaer ,  opdat 
den  beroupre  medegaet,  hi  zal  moghen  verhalen 
zine  scade  up  den  ghonen  daert  behoren  zal,Zr/. 
Bijdr.  6,  7. 

BEROEPINGE  (beropinge),  znw.  vr.  Mnd. 
beropinge. 

1)  Oproeping^  vooral  in  rechte,  oproeping  om 
voor  hei  gerecht  te  verschijnen^  het  voor  het  gerecht 
dagen.  \\  Alse  dese  beroepinge  quam  te  voren  der 
reinre  maget  untvercoren ,  bedroevetsi  hare  om  dien 
pleit,  Merl.  2231. 

2)  Eitch.  II  Dat  men  den  aenclager  eher  nicht, 
off  boven  de  beroepinge ,  schuldich  sy  voor  yenigen 
rechte  te  antwoorden,  Fro  Excol.  6,  67ö. 

3)  Appèl ^  hooger  beroep.  \\  (Doe)  word  de  be- 
ropinge doet  ende  to  nichte  ghewiist,  de  Albetto 
Inaldigum  tegen  Itke  Redekum  heropen  hadde, 
omme  des  wille ,  dat  Albet  de  beropinge  den  rech- 
ters nicht  ghetoent  en  hadde  bynnen  teyn  dage 
na  den  tiit,  dat  em  de  doem  in  schrifften  ghe- 
gheven  was,   Warfsconstit.  35. 

BEROER,  znw.  o.  Beweging^  in  den  zin  van 
lawaai^  geraas^  opschudding.  \\  Des  tvolc  van 
vruegden  maecte  beroer,  Sacr.  Prol.  14.  Tvolc 
maect  van  vruechden  een  beroer ,  omdat  si  vanden 
sacramente  hebben  vernomen,  182. 

BEROEREN  (behoren  ,  berueren  ,  berüren), 
zw.  WW.  bedr.  en  onz.  Mud.  beroren;  mhd.  berueren. 

Bedr.  —  1)  Aanraken,  aanroeren,  aanpakken. 
Nog  heden  niet  geheel  in  onbruik ;  vooral  gewoon 
in  het  hd.  berühren.  —  Figuurlijk.  Een  plan,  eene 
saai  aanpakken.  ||  Soecti  dan  raet  .  .  .  ane  enen 
vrient  ongheproeft  dat  es  sere  ter  avonturen ,  hoe 
hi  dat  sal  beruren,  Melib.  1606. 

2)  Verroeren,  betoegen.  ||  Hine  conde  beroren 
niet  een  let,  Lanc.  Il,  45981.  Dat  hi  beroeren  en 
conde  een  let,  Merl.  34816.  Dat  dat  kint  alle  sijn 
leden  des  lichaems  beroeren  mochte ,  H*.  88/.  55  a. 
—  De  onb.  wijs  als  znw.  Betoging.  \\  Dat  vanden 
meesten  beroeren  is .  dat  is  bequaemste  in  den 
verstande,  Barthol.  82 «.  —  Beroeren  geven, 
zich  bewegen.  Vgl.  een  gil  geven,  een  scach  geven 
enz.  II  Waert  dat  sake  dat  het  hadde  leven  ende 
beroeren  mochte  gheven ,  Amand  1 ,  1677  (=  Sp,  II», 
10,  17).  —  Ook  wederk.  Hem  beroeren,  en 
in  het  pass.  beroert  worden,  zich  betoegen.  \\  Niet 
en  beruere  di  te  stride,  J).  B.  Deuter.  2,  19.  Si 
{de  long)  werket  altoes  ende  beroert  hare,  Ruusb. 
1 ,  121.  Crupende  dieren  die  beruert  worden  inder 
aerden,  of  visschen  die  onder  der  aerden  inden 
wateren  worden  beruert,  D.  B.  Beuier.  4,  18. 

3)  Figuurlijk.  Boeren,  bewegen,  indruk  maken  op, 
lat.  movere.  ||  Exempele  beroeren  meer  somwile 
dan  leringhe,  Ruusb.  3,  41.  Op  dat  hi  daermede 
haer  herte  beruerde,  dat  si  bade  voer  al  syn 
sunde  Gode  genade,  Christ.  1454.  So  dattie  duvel 
niet  en  vonde  stede,  stade  noch  oec  stonde,  daer 
hi  tfleesch  mochte  beroeren  bi.  Lep.  III,  25,  51. 
Siet  hoe  hem  dese  joncfrouwe  beroert  heeft,  dye 
wi  niet  en  mochten  beroeren.  Pass.  W.  63 <i. 

4)  Opwekken.  —  a)  Met  den  4den  nv.  van  den 
persoon.  Aanzetten,  aandrijven,  aanprikkelen.\\  Soe 
en   conde   hi  .  .  .  gheondervnsen   sinen   sone  van 


Gelre,  noch  daer  toe  berueren  dat  hi  sgn  seggen 
wilde  volvucren,  Brab.  T.  VI,  8093.  Daer  hem 
groot  wijsheit  toe  beruerde,  337.  Wat  mocht  u daer 
toe  berueren ,  dat  ghi  een  orloghe  ghinct  vneren  op 
een  weduwe,  10007.  Om  andere  zekere  redenen 
hem  daer  toe  beruerende  {moveerende),YYL,  15868. 
Ghi  en  selt  oec  ter  gheenre  uren  u  wgf  ter  gram- 
scap  berueren,  Doet.  II,  1925.  Doe  .  .  hi  datvolc 
tot  sinte  Peters  vrientscap  beroert  hadde ,  Pasi.  W. 
A2  d.  Berurt  int  herte  mijn  van  hogen  gepense, 
om  te  hogen  e  minen  name,  Caes.  1503.  —  Beroert 
worden,  zich  opgewekt  gevoelen,  lust  krijgen.  || 
Om  dat  sijt  niet  en  wouden,  .  .  wert  hi  bemert 
viant  te  werden  vtou  Johannen,  Brab.  T.  VI, 
7624.  Soe  wert  beruert  die  .  .  keiser  .  .  neder 
te  comen  in  Brabant,  6970.  (Doe)  worden  vader 
ende  moeder  beruert,  datsi  wouden  zonder  sparen 
te  haerre  dochter  spelen  varen,  Lsp.  III,  3,  732. 

b)  Met  den  4den  nv.  eener  zaak.  Opwekken  ^ 
verwekken.  \\  Hi  sonde  minnen  al  met  minnen  be- 
rueren ,  Hadew.  1 ,  149,  9.  Tberueren  des  groylikea 
levens,  Barthol.  569a. 

5)  Op  het  touw  zetten ,  aanstoken ,  de  hand  hehhen 
in,  veroorzaken,  aanleiding  geven  tot.  Lat.  movere 
(b.  V.  bellum,  litem,  sediHonem).  \\  Ghi  hebt  een 
evel  spel  beroert,  Wal.  6289.  In  desen  tiden  be- 
roerden .  .  die  van  Aquitaengen  gevecht  up  Pippine, 
Sp.  III*,  74,  13.  Dat  sullen  si  vierscattc  gelden. 
die  den  striit  beroeren,  Oor  kb.  2 ,  333 ,  24.  Wanttet 
hem  {nief)  genoech  en  was,  dat  hi  twee  stride 
beroert  hadde  sonder  enige  reden ,  Clere  146.  Wie 
jeghen  enich  van  den  voirscreven  pointen  hem  weder- 
speenich  maecte  oft  eenich  opzette  beruerde  om 
die  te  brekene,  Belg.  Mus.  10,  113.  Her  Jacop.. 
ende  Floete  .  . ,  die  (/.  diet)  beroeren ,  met  groter 
anxt  si  daer  ontfoeren,  Velth.  IV,  16,34.Pictew 
wive  .  .,  dewelke  up  de  stede  van  Brncghe  pleit 
ende  ghedinghe  beroerde,  Invent.  v.  Brugge i^*^. 

Onz.  —  1)  Zich  bewegen,  leven.  ||  Benedict  God, 
walvis  ende  al  dat  daer  beroert  in  den  vater, 
B.  V.  1357,  208fl. 

2)  Eigenlijk.  Bewegen,  in  beweging  geraken, 
bewogen  worden,  schudden.  ||  Als  hemel  endeaerde 
beroeren  sel,  Hild.  45,  64.  —  Ook  in  de  nitdr. 
doen    beroeren,  schokken,  in  beweging  brengen. 

II  Scaemte  dedem  syn  bloet  berueren,  Brab.  T. 
VII,  3250.  —  De  onb.  wys  als  znw.  Beweging.W 
Ie  mercte  wat  in  de  werelt  si,  dat  het  ü  heeft 
een  beroeren ,  ende  also  verstond  ie  bi  der  voeren,  dii 
die ,  diet  beroeren  hem  geeft.  God  si ,  Sp.W,  19, 28. 

3)  Figuurlijk.  Bewogen,  euingedaan,  gesckoit 
worden.  ||  Mijn  synnen  beroeren  duer  den  grootei 
clap  van  den  wyven,  Sacr.  1266.  Die  {engelen)  stiti 
beroren ,  maer  niet  om  die  vervemesse  vandcr  ge- 
rechter  doemnesse ,  Velth.  VIII ,  18 ,  29.  —  Ook  in  de 
uitdr.  doen  beroeren,  schokken,  m  betceginf 
brengen.  \\  T  verlangen  tsalmyn  hert  te  doen  bemcren, 
Plagerw.  70.  Sint  ie  u . .  hebbe  u  herte  doen  bernra», 
ende  van  haerre  minne  hebbe  geseit ,  Bose  4713. 
—  De  onb.  wijs  als  znw.  —  a)  Gemoedsbevegins, 
hartstocht,  aandoening.  \\  Al  heeft  die  yoecht  eei 
starck  berueren,  Hild.  70,  245.  Heeft  die  fi<'l 
alsulck  beroeren  entaertoe  redelic  verstaen,  106, 
68.  In  een  ewelgck  beruren  (?) ,  161 ,  357.  — 
b)  Stemming,  zin,  gemoedsgeste IdAeid.  ||  Ie  !*• 
gonst  te  zinghen  mede  in  een  vroilic  bemerei. 
O  VI.  Lied.  e.  O.  293,  1763.  Mit  stilre  htte  int 
berueren,  N.  Boet.  171.  God  wille  hem  geven s«k 
berueren,  dat  hi  hier  in  desen  leven  .  .  drag« 
moet  sulc  regement,  dat  hi  met  Gode  si  beleat 
ten  ordele,  Brab.  Y.  VI,  11970. 


96i 


BERÖ. 


IBËRÓ. 


962 


4)  Opgewekt^  geprikkeld  y>orden, 

n)  Van  personen.  ||  Die  crancheit  der  natueren, 
die  den  mensche  doet  bemeren,  dat  hi  in  al  des 
Ood  beyelt,  sinen  wille  niet  en  stelt,  ald,  497. 

b)  Van  zaken.  ||  {Adam  en  Eva)  ondaden  haer 
ogen  .  .;  niet  dat  si  blint  hadden  gewesen,  maer 
haer  kint  {kunne ^  geslaehttdrift?)  beroerde  in 
desen  .  .  in  haren  natnerliken  lede,  Lucid,  1087. 

BEROERICH  (beruerich),  bnw.  Beweeglijk 
{vtm  gemoed),  lichtgeraakt,  spoedig  in  drift  ont- 
vlamd. Vgl.  Diut,  2 ,  199 :  b  e r  u  r  e  g,  agilie.  ||  Dattet 
volc  yan  Yasconien  licht  is  ende  beruerich  Barthol, 
533^.  Een  wyf,  die  draecht  een  knapelk^n,  .  . 
licht  ende  beroerich  sal  soewesen,  Vr.Heim.ll^b, 

BEROERICHEIT ,  znw.  Beweeglijkheid  van  ge- 
moed, lichtgeraaktheid.  \\  (Die)  .  .  maect  lichticheit 
ende  beroericheit ,  ende  is  oec  haestelic  verweet 
totter  gramscap,  88a. 

BEROERINGE  (beroringe,  berueringe), 
inw.  vr.  Mhd.  berOerunge. 

1)  Van  beroeren,  in  den  zin  van  aanraken  (bedr.  1). 
Janraking.  \\  Die  kloeken  van  der  kerke  wort 
ghelnut  sonder  beroringhe  van  menscheliken  handen, 
Jjeg.  2Sb.  Met  den  vinghere  ons  Heren  Jhesn  .  . 
soe  yerstaen  wi  die  cracht  sfjnre  bemringhen, 
daer  hi  ons  yan  binnen  mede  beweecht,  Rnnsb.  2 ,  27. 

2)  Van  beroeren ,  d.  i.  bewegen  (onz.  1).  Beweging , 
het  vermogen  om  van  plaats  te  veranderen ,  ook  bewe- 
ging, schok.  II  Broecheit  doet  die  beroeringe  tragen, 
Barthol.  12b.  Om  die  beroeringe  der  vnchticheit,  82fl. 
Soe  en  is  hier  (in  den  hemel)  tgt  noch  stat  noch  beroe- 
ringhe,  noch  nemmermeer  yerwandelinghe,  Rnnsb.  6, 
126.  Tusschen  twee  .  .  beroeringen,  1,  120.  Een 
starcke  berueringe  . . ,  dair  die  bergen  af  spliten^nde 
schoren,  ^<xr/Ao/.  460a.  —  Ook  in  den  zin  van  be- 
^fging ,  gebaar.  ||  Alsoe  of  alle  iuwe  beroeringe  ende 
seden  riepen  ende  seyden  mit  Cristo :  mgn  rike  en 
is  van  deser  werlt  niet,  Gerl.  Peters  204. 

3)  Yan   beroeren    (onz.  2).     Oemoedsbeweging.  \\ 
Wy  sullen  .    .   .  den   toemighen   ende   beroerden 
menschen  .  .  na  sQnre  beroeringhe  ende  toernicheyt 
niet  antwoorden ,  Stemmen  66.  Die  .  . .  volghen  die 
sinlike  beroeringe  sonder  wederseggen  der  reden,  88. 

BEROER(E)LIJC  (beruerlijc),  bnw.  Mnd.  be- 
rór lic.  Beweeglijk.  ||  In  allen  sinliken  ende  beroerliken 
instrumenten  des  lichaems,  Barthol.  76b.  Die 
iuncturen  der  leden  ende  die  andere  beroerlike 
delen ,  86«.  (Tlicht)  is  alte  seer  beroerlic  ende  schiet 
doer  los  ende  vry,  338*.  Alle  dinc  dat inderlnchten 
vliecht  of  is  ende  beruerlic  (is) ,  4ö8i.  Die  levende 
longe  .  .  es  beroerlec  ende  licht,  Ruusb.  1,  121. 
Den  groten  walvis  .  .  ende  alle  ander  visschen 
beroerlic  in  den  water ,  B.  v.  1367 ,  la  {Oenes.  1 , 
21:  wemelend).  Ende  al  dat  beroerlic  is  ende  be- 
wcghelic  wert  in  der  eerden,  ald.  d.  Die  wijsheit 
is  beruerliker  dan  alle  beruerlike  dingen,  D.  B. 
Boec  d.  Wijsh.  7 ,  24. 

2)  Van  goederen.  Boerend.  ||  Alle  onse  goide, 
beruerlic  ende  onberuerlic,  Brab.  T.  Dl.  2,  bl.  676. 

3)  Oproerig,  roerig.  \\  In  materie  van  beroerten 
sftl  de  scout  .  .  vangen  de  beroerlicxste  ende 
tcrstont  den  hals  of  doen  bauwen.  Wiel.  Instr. 
167,  670.  By  zekere  beroerlike  woorden  by  hem 
ghesproken,  Invent.  v.  Brugge  6,  291.  Gheweest 
seer  beroerelück  in  dese  leste  commotie,  ^tfi^.Jfm. 
8,  896. 

BEROERNISSE,  znw.  vr.  Hetzelfde  als  be- 
roeringe ;  zie  ald.,  en  vgl.  Diut.  2, 207 :  b  e  r  u  r  n  i  s  s  e, 
commotio.  Beweging.  ||  Cleyne  zenen  daer  die  leden 
mede  op  ende  toegaen,  oft  haer  beroemis  door 
hebben,  F.  m.  f,  22v, 


BEROERT  (beruert)  ,  deelw.  bnw.  van  beroeren 
(z.  ald.). 

1)  Los,  beweeglijk.  \\  (Mbses^)  tanden  en  waren 
niet  beroert,  D.  B.  Deuter.  34,  7. 

2)  Aangedaan,  bewogen.  \\  Die  wort  .  .  also 
beruert  in  sinen  gront,  dat  hi  hem  keerde  tot 
onsen  Here ,  Brab.  T.  VI ,  2449.  Van  desen  woorden 
wert  dedele  here  corteliken  beroert  sere ,  Mask, 
768.  Die  suete  Moeder  der  ontfermharticheit  wort 
mit  medeliden  beroert,  D.  Far.  6 ,  394.  Dat  hi  door 
das   een  ghedeel  beroert  was,  Amand   II,  4463. 

3)  Ontsteld,  verlegen.  \\  Hen  mochte  geen  evel 
wesen,  sine  warenre  saen  af  ghenesen.  Ten  lesten 
worden  si  beroert  daermede ,  Sp.  III",  73 ,  27.  Dat 
mooncskin  waert  al  ondaen  ende  beroert  in  zinen 
sin,  Denkm.  3,  189,  112.  Soe  verwonderden  si 
hem  seer,  dat  die  scoene  vrouwe  so  vrilick  onder 
die  broeders  ghinghen.  Ende  si  worden  daer  in 
beroert,  want  die  broeders  waren  vervaert  van  alle 
vrouwen,  D.  War.  6,  388. 

4)  In  heftige  gemoedsbeweging,  toornig,  ver- 
bitterd. II  Die  hertoghe  dit  horende  .  .  wert  .  . 
beroert  ende  hi  swoer  dat  hi  dat  wreken  soude, 
Exc.  Cron.  113rf.  So  wert  hertoge  Jan  toornich  op 
dye  ghemeynte  van  Bruessel . . ;  so  wert  dye  hertoge 
seer  beruert,  123*.  Daerom  wert  hertoge  Kaerle 
soe  toornich  ende  so  beruert  op  Mechelen ,  datmen 
seyde,  dat  hi  die  stat  .  .  verderven  wilde,  208<r. 
Dese  twee  worden  soe  beruert  ende  verhit,  met 
worden  swaer,  Brab.  T.  VI,  6760.  Wy  sullen  .  . 
den  toemighen  ende  beroerden  menschen  wiken. 
Stemmen  66. 

6)  Van  de  geslachtsdrift  gezegd.  In  zinnelijken 
lust  ontbrand,  ||  Van  den  hersenen  wordt  dit  saet 
meest  genomen  .  .,  ja,  als  die  mensche  beroert 
ea,  M.  en  Vr.  Heim.  717.  Terstont  waert  dat  wijf 
beroert  totten  jonghen  monic  .  .  ende  vraghede, 
ofte  hi  sodanighen  (^nd)  hebben  wolde ,  Bienb.  119a. 

BEROERTE,  znw.  vr. 

a)  In  den  zin  van  oploop ,  oproer.  Vgl.  het  latere  mv. 
beroerten,  b.v.in  de  raad  der  beroerten,  d.  z.  troebelen. 
II  Curtelike  daer  naer   quam  tYpre  eene  beroerte 

zwaer,  dat  den  meneghen  coste  tleven,  Vl.Rijmk. 
8966. 

b)  In  den  zin  van  terechtwijzing ,  ons  gemeenzame 
woord  een  uitbrander.  \\  Sy  heeft  de  beroerte  te 
dege  opgesopen ,  zich  het  standje  erg  aangetrokken. 
Mar.  V.  N.  9,  180. 

BEROERTHEDE,  -heit,  znw.  vr.  Standje,  be- 
roering, opschudding,  lawaai.  \\  Daer  hoerde  Paulus 
(in  lacu  mortis)  een  grote  beroertheyde  van  mannen 
ende  van  wiven,  Devoet  B.  (30)  130p. 

BEROEST  (berost),  \mw.  Met  roest  bedekt,  ver- 
roest, roestig. 

1)  In  eig.  zin.  ||  Dat  beroeste  swaert,  daer  ghi 
my  te  Mombrant  so  wel  mede  dyende,  Huge  v. 
Bord.  66.  Een  swaert,  dat  men  niet  en  roert  of 
besicht,  wort  beroest,  D.  War.  6,  196. 

2)  By  uitbreiding.  Vuil,  versleten ,  smerig.  ||  Haer 
cleder  dorscuert  ende  al  berost ,  haer  scoen  dorgaet, 
haer  cousen  vermost,  Blisc.  v.  M.  1036. 

BEBOESTEN,  zw.  ww.  onz.  Verroesten,  door 
roest  bederven.  ||  Hy  soude  den  sloetel  node  laten 
sere  beroesten  ende  bederven ,  Hild.  167 ,  260  var. 

BEBOET.  Zie  berucht. 

♦  BEROGISE.  Bij  Kausler,  Denkm.  3,  47 
(Wap.  Rog.)  911,  leest  men:  ||  „Beroghise  der 
gracien  eerst  uutgoet  buut  des  hemels  vaders 
scoet,  wie  kent  daer  af  yet?"  De  eerste  regel  is 
bedorven.  Men  leze:  ^Beghinsele  der  graciën  eerst 
uutgoet,  enz.",  d.  i.  „  De  oorsprong  der  genade  is  uit 

31 


963 


BERÖ. 


BERO. 


961 


den  Hemelschen  Vader."  Zie  Taali.  Sijdr.  1,  lil, 
BEROYT  (beroeyt),  hetzelfde  als  ons  berooid: 
Mar.  v,N.9, 174, Boom  d.  Scr.  17,  330;  vgl.  Oudem. 
Bijdr,  1 ,  534  en  Dial.  Oreat,  10a :  „BeUel  ml  dat 
loen  Taji  dijure  woninge  ende  ganc  yan  mi,  of  ie 
sa]  di  al  beroyt  van  mi  werpen."  Kil.  beroyt, 
j.  berooft,  depanperatns.  Deelw.  van  heroyen^ 
in  den  zin  van  uitroeien  y  van  royen^  roden ,  hd. 
rotten  ? 

BEROKEN,  zw.  ww.  bedr.  Mhd.  beroueAenjhd. 
heraucheren. 

1)  Yan  rooCy  in  den  zin  van  Vfahn.  Bewalmen. 
—  Vandaar  het  deelw.  berooct,  eig.  bewalmd, 
berookt,  en  bg  uitbreiding  mtil,  tmerig.  \\  Haren 
roe  die  es  dnnne  versleten  ende  beroect  es  haren 
hoet,  Vod.  Mus.  1,  86,  110. 

2)  Van  roke,  in  den  zin  van  geur.  Ben  geur  doen 
inademen  van  (mnl.  met).  ||  Dat  mense  beroke,  es 
goet  .  .  .,  met  ogen  van  gesonten  vlesche,  ende 
met  den  clauwen  van  perts  voeten ;  daer  met  beroect 
met  goeder  moeten ,  dese  doen  snveren  die  secundine 
M.  en  Fr.  Heim.  2141 ;  vlg.  2009. 

BEROCKEN,  zw.  ww.  bedr.  In  de  17de  eeuw 
zeer  gewoon  (vgl.  Oudem.  1,  539).  Berokkenen ,  op 
het  towo  zetten.  \\  So  hebdy  quaet  spel  beroct, 
Boom  d.  Scr.  28,  547.  —  Vgl.  rockenen. 

BEROMMEN,   BEROMMER.    Zie    beroemen, 

BEROEMER. 

BEROMPELT  (BERUMPELT),bnw.  Hetzelfde  als 
berompen  (zie  berimpen).  Gerimpeld^  verschrompeld. 
II  Zwart  peper  die  van  den  vyere  verbrant  is  ende 
berumpelt,  Barthol.  659^.  Die  peper  scijnt  van 
buten  een  vuyl  choem  te  wesen  ende  zwart  be- 
rompelt,  660a.  Als  ie  out  ende  berompelt  bin 
worden  ende  gr^s  ende  blont,  so  makic  my  daer 
mede  claer  ende  blenckende,  Felgrim  65^. 

BEROMPEN.  Zie  berimpen. 

BERONNEN.  Zie  berinnen. 

BEROOFT.  Zie  het  volg.  Art.  en  beroven. 

BEROOFTHEIT,  znw.  vr.  Van  berooft,  deelw. 
van  beroven,  d.  i.  eig.  beroofd,  geplunderd  en 
vervolgens  ellendig ,  ongelukkig.  Ellende ,  rampzalige 
toestand.  Vgl.  bi)  beroyt.  ||  Sexagesima  be- 
teykent  der  kercken  beroeCtheit  ende  hoer  droef- 
heyt,  Pass.  JT.  20Sc. 

BEROST.  Zie  beroest. 

BEROUNESSE.  Zie  berouwenesse. 

BEROÜWE  (beroü,  beru),  znw.  o.  (en ml.?). 
Berouw.  Mnd.  beruwe,  berouwe,  berou.  \\  Ie  vergheve 
u  die  misdaet  .  .  .,  want  ghijs  hebt  berouwe  ont- 
faen,  Grimb.  II,  3250  var.  (vgl.  die  xkitdr.  berouwen 
ontfaen,  onder  berouwen,  onpers.  b),  en  be- 
rouwenesse ontfaen).  (Si)  stervene  ...  sonder 
kinnesse  ende  beru.  God  make  ons  hoverde  schu! 
Boet.  III,  464.  Men  heeft  dicke  gheseghet  vore  nu:  na 
haesteghen  raet  goet  (groet?)  berou,  Melib.  1552 
(men  leze  beru,  tenzij  men  ook  toen  ft»  uitgesproken 
hebbe  als  nou).  Doe  creech  hij  rechtevoert  berouwe 
voer  die  sunae  des  dootslages ,  Bienb.  19  d.  Ie 
en  hadde  .  .  .  gheen  berouwe,  noch  ie  en  biechte 
niet ,  145  a.  Ie  ghecreech  alste  groten  berouwe , 
ald.  Si  sQn  gescoert  ende  en  hebben  geen  berouwe, 
Us.  Ps.  39  V.  Op  dat  een  berouwe  des  herten  wart 
gheboren ,  Mandev,  30  b.  Heeft  hi  berouwe ,  Theoph. 
1038.  Dattu  berouwe  heves,  1330  (fl>.  berouwe- 
nesse). Want  hi  hevet  recht  berouwe  ende  hidoet 
grote  penitentie,  Theoph.  bl.  162.  Met  berouwe 
groet,  Sp.  V,  66, 137  (»ar.  berouwenisse).  —  Zoo  leze 
mtia.oo\iAmandl,  177,  berouwe  voor  betrouwe. 

BEROÜWELIJC.  Zie  het  volg.  Art. 

BEROUWELICHEIT ,   znw.    vr.   Van   het  niet 


voorkomende  berouwelijc  (vgl.  ons  onherouweUji) , 
hetzelfde  als  berouwieh  (zie  ald.).  Berouw,  ootwwed.  jj 
Mit  oetmoedighen  belien  coemt  men  tot  berouwe- 
licheit  des  herten  ende  alsoe  veel  dienen  ons  die 
Sacramenten,  als  wi  se  mit  berouwelicheit  ende 
ynnicheit  ontfangen,  Stemmen  111. 

BEROUWEN  (berauwen,  berüwen),  stww. 
bedr.,  onz. ,  en  onpers.  {berieu  en  berou  {beroH)\ 
beriewen  en  berouwen;  beroitwen).  Berouwen. 

Aanm.  —  De  oorspronkelgke  vorm  was  niet  berom- 
wen,  maar  beruwen,  dat  thans  beriewen  of  bermwen 
{berau  of  berou ,  mv.  berouwen ,  deelw.  berottwen),  zon 
luiden.  Mhd.  beriuwen ;  ohd.  bihriuwen ;  mnd.  berouwen 
of  beruwen  (praet.  berau);  vgl.  mnl.  blouwen,  ohd. 
bliuwan,  mhd.  bliuwen,  got.  bliggvan;  zie  ook  SPr- 
WEN  en  DUWEN.  Er  zijn  dus  in  het  mnl.  twee  ver- 
voegingen door  elkander  geloopen.  Door  deze  ver- 
warring treft  men  bg  berouwen  hetzelfde  verschynsd 
aan  als  bij  werden,  nl.  dat  praes.  en  impf.  8ch|B- 
baar  met  elkander  verwisseld  zijn,  vgl.  Taalt. 
Bijdr.  1 ,  139 ;  Bsop.  Gloss.  De  zwakke ,  in  H  mhd.  ea 
mnd.  voorkomende  vervoeging  kent  het  mnL  niet 

Bedr.  —  Een  reden  tot  droefheid  of  berouw  aiu 
voor  iemand.  Met  den  4den  nv.  van  den  pers.  (somt^ds 
onz.,  met  den  3den  nv. ,  b.v. :  Allen  sonderen  . ., 
dien  haer  souden  berouwen,  Ruusb.  3,  296).  ||  Die 
mageden  entie  joncvrouwen ,  die  dicken  hare  aonden 
berouwen  ende  heimelike  bijechte  spreken,  Sp.  IH^, 
36,  125.  U  berouwen  u  mesdade,  Ben.  1187.  Dien 
jammerlike  berau  die  vaert,  Heelu  4814.  Doe 
beriewen  hem  sine  souden,  IFal.  4570.  So  beram 
hem  die  weldaet ,  /Sjp.  I' ,  6 ,  47.  Alse  hem  berau  hare 
mesdaet,  I',  66,  159.  Dinc,  dieu  berau  also  sere, 
Lanc.  II,  11690.  En  gene  dinc,  die  hem  beroa 
also  sere,  26518.  Lancelote  berouwen  (impf.)  sine 
sonden,  III,  3137.  Orloge,  die  hem  berau  so  sere . 
IV,  7488.  Doch  dat  hem  berau  die  tale,  Bipmi. 
8409.  Alse  Judas  sach  dat  dus  ghinc,  berma  hem 
sere  die  dinc ,  26213.  Noyt  scheyden  mi  so  seer 
en  berieu,  Troyen  (Fb.)  31. 

Onz.  —  Met  den  pers.  in  den  Isten  nv.  eneene 
bepaling  met  van  of  in  den  2den  nv.  Berouw  hebeen 
over,  betreuren.  \\  Si  en  wil  van  hare  oncuoscbeit 
niet  berouwen,  Hs.  75,  Openb.  2,  21.  De  coni^ 
beraus  tier  steden,  dat  hijs  Waleweine  provea 
dede ,  Lanc.  III ,  239.  Het  es  oec  sulc ,  die  mesdoet , 
dies  na  berouwet,  Wal.  5896.  Het  es  mi  leet 
ende  berouwes,  Segh.  2295.  Dies  Brabant  noch  be- 
ruut,  Brab.  T.  IV,  774.  —  Zie  ook  bij  bedr. 

Onpers.  —  a)  Met  een  onbep.  vnw.  als  ondow. 
of  een  snbjectszin.  ||  Hem  sal  so  seere  berouwei 
ende  leet  sijn  .  .  .  dat  hi  so  lettel  pin«i  he^ 
ghedaen,  Amand  II,  5755.  Dat  sint  berma  sere 
hem  beden,  Velth.  II,  34,  38.  Al  te  bant  bem 
den  man ,  dat  hi  sulke  dompheit  began ,  Frame.  8493L 
Doe  berau  hem  .  .,  dat  hi  dor  der  quenen  bede 
hadde  gedaen ,  Lane.  II ,  16722.  Het  berau  thaot 
den  coninc ,  dat  enz. ,  III ,  10007.  Ende  {hef)  bcna 
hem,  al  waest  te  spade,  Sp.  I*,  48,  28.  Daer 
naer  berau  hem  dat  hijt  liet,  I^,  24,  39. En  beru 
den  abt  niet ,  dat  hi  so  swaer  gebot  hem  biet, 
III  \  34,  59.  Doch  dat  hem  berau  die  tale ,  Je^rai. 
8409.  Dan  berout  hem  eerst  vele,  Kose  C.  8884. 
Oft  mynen  man  beryeuwe ,  dat  hy  ghist«ren  vigeüe 
bilt,  Ned.  Kluchisp.  86,  218.  Hem  berieu  .  .^dsl 
hi  den  grave  hadde  gheloeft,  Stoke  VI,  98.  Hen 
berau  .  .,  dat.  Brand.  1836.  Het  berou  hem  so 
sere,  dat  hi  en  at  min  noch  mere,  Alex.  LX,  ló. 
Dat  berou  hem  harde  sere,  X,  763.  So  berau  hes 
dat  hine  vercocht  hadde,  L.  v.  J.  c.  226.  Laet  ka 
berouwen ,  heb  berouw,  Amand  II ,  946.Verg.  oaderl  U 


965 


BERO. 


BERO. 


966 


b)   Met  den   2den  nv.   der   zaak   en   den  4den 
van  den  pers.,  evenals  in  het  lat.  ||  Teersten  dat  dat 
sach  Judas,  beran  hem  alte  sere  das,  Sp.  1^,27, 
27.  Toent   aen  hen  (de  vrouwen)  altoes  uwe  ghe- 
naden,  ende  des  en  laet  u  niet  berouwen,  Salad. 
209  {y^heh   daar  ^en    verdriet   in,  berouto  over.'* 
Laten  is  zuiver  hulpwerkwoord ;  ygl.  Tekstcr.  47 
en  het  laatste  citaat  onder  a).  Daerna  berau  hem 
siere  weldaet,  Eeop.  Liy,6.  Hem  berieu  der  mesdaet, 
Franc,  3370.  Dien  des  strijts  sere  berou ,  Brab.  T, 
II,   5349.   Dies   Brabant  noch   beruut,   IT,   774. 
Dies   hare    herde   sere   bernwet,  Limb.  IV,  1360. 
Mi  berouwet  ere  zaken,  £t;«n^.  13865.  Mi  berauwes 
weder   sciere.    Brand.   1432.    Joncfrouwe,  mi  en 
berouwes  twint,  Fr,  e.  M,  I,  777.  Hemberaus.., 
dat  hi  die  sotheit  hadde  gedaen,  Lanc.  II,  925. 
Dies  hem  berau  sciere  ter  stede,  45970.  Dats  den 
coninc  minen  here  berou,  Lorr.  I,  1887.  Daer  na 
80  berau   hem  des   ende  hi  ghinc  werken  in  den 
wyngart,  L  v.  J,  c.  168.  Dats  hem  beruwet ,  ^«ojt?. 
XXXIV,  24.   Zoo  ook  Sp,  II*,  82 ,  12 ;  «w.  —  Het 
deelw.  berouwen  wordt  uitsluitend  gebruikt ,  met 
8  y  n  verbonden  en  een  3den  nv.,  en  heeft  de  bet. van  een 
tgw.  tgd:mi  es  berouwen,  t>Er ^^3  dtfrouio.  ||  Es  di 
dine  hoeveerdichede  berouwen   ende  du  wils  ont- 
faen  penitencie ,  Amand  1 ,  1169.  Diet  hare  dede ,  hem 
es  berouwen ,  Wal,  4565.  M^n  biechte  sprakic  tot  u 
in  spotte .  .;  hets  mi  berouwen ,  Vad,  Mus,  1, 55 ,  189. 
Het  sonde  den  enen  sijn  berouwen ,  Cats.  942.  Dat 
hem   namaels  was  sere   berouwen,   als  die  saken 
waren  ghesciet,  Laml,  130.   Het  es  hon  ouch  be- 
rouvren,   Serv,   I,   2518.   Nuchtens  eest  berouwen 
hare,  Sp,  II" ,  49,  25.  De  coop  was  hem  berouwen, 
O VI,  Lied,  243.  Doen  wast  hem  seer  berouwen, 
ald.  Doen  was  hem  berouwen  seere ,  dat  hi  sijn . . 
cronen  hadde  gheleent,   Brab,   T,  YII,  6648.  So 
was   den  paeus  berouwen,  dat  hi  den  coninc  .  .  . 
gheroepen    hadde ,   Esc,    Cron,   263  b.    Omdat  den 
Here  berouwen  was ,  dat  hi  Saul  coninc  had  gheset 
boven  Israhel,  D,  B.  I  Sam,  15,  35.  —  Ook  met 
den   2den  nv.  der  zaak.  ||  Also  hadde  hi  mi  ont- 
faen,   waers   mi   berouwen.   Brand,   1375.  —  De 
onb.    wQs   als   znw.   gebruikt   in  de  bet.  berouio, 
meestal  in  de  uitdr.  berouwen  hebben,  ge- 
winnen of  ontfangen,  berouw  krijgen^  en  mi 
wert  een  berouwen,  hetzelfde.  ||  (O^m^uj)  liet 
hem  an  dien  cruce  slaen ,  omdat  Mne  {den  zondaar) 
minlike  ontfaen  wilde ,  als  hi  berouwen  ontflnghe , 
Amand  1 ,  4382.  Als  Bave  hoorde  dese  tale ,  wert  hem 
een  berouwen  wale,  4334.  Updat  hi  berouwen  heeft, 
4394.  Bi  desen  soudi  .  .  .  hebben  berouwen  van 
uwen  mesdaden  II ,  713.  Oft  niet  een  bal  doech  hem 
huer  berouwen ,  Diep,  167.  Hi  ontfinc  den  scaker  dan 
omdat  hi  berauwen  ghewan,  daer  hi  an  den  cruce  hinc. 
Brand,   1371.  —  Als   bnw.  wordt  het  deelw.  be- 
rouwen gebruikt  in  de  uitdr.  Een  berouwen 
hert  e,   een    berouwvol  gemoed,  \\  Ghi   hebt   niet 
onwert  berouwen  herte,  die  dgns  \>e^\ï!tri^Boetps. 
51,  71;  vgl.  Ben.  2,  750  d:  „daz  berewt  und  daz 
gediemuotigt  hertz,  eonfritum  et  Aumiliatum  cor,^^ 

BEROUWEN,  bnw.  Zie  het  vorig  Art.,  op  het 
einde.       

BEROUWENESSE    (berauwenesse  ,   berau- 

NESSE,  BEROUNESSE),  -ISSE  ,  znw.  VT. 

1)  Berouw  ^  ootmoed^  bekeering.  \\  Yan  Beyeren 
LodewDC  .  .,  (die)  berouwenesse  had  ont&en  van 
dien  dat  hi  had  mesdaen  jeghen  den  stoel  van 
Romen,  Wrake  I,  593.  Penitencie  ende beraunesse 
(ende^  biechte,  Fland/r,  II,  130.  Want  hi  hembe- 
waerae  .  .  met  penitencien,  met  berounessen,  dat 
hi  der  eweliker  verdomenessenontvlo,  JPra»i7. 5900. 


Fransoys  die  sach  anden  man  .  .  berounesse  in 
rechter  waerhede  {oprecht  berouw)^  3351.  Entle  grote 
omoedichede  vander  berounesse,  3371.  (Doe)sinde 
haer  God  int  herte  saen  berouwenesse ,  Beatr,  485. 
Met  compassien  quam  hem  groete  berauwenesse , 
Bloeml,  3,  15,  274.  Met  goeder  berouwenesse  fine, 
Praet  624.  Met  berauwenessen  stille,  Wap,  Bog.  1020. 
Hevestu  claer  dine  berouwenesse  over  waer,  du 
sult  dan  van  Gode  ontfaen  vul  aflaet,  ^,  I",  4, 
65.  Naer  sine  doot  quam  mi  berouwenesse  an, 
in*,  50,  78.  Byechte  ende  berouwenesse  groot, 
III* ,  41,  41.  (Hi)  bleef  doot  in  berouwenessen 
groot,  IV',  22,  67.  Zoo  ook  L.  v,  J,  c,  134;  168; 
Buusb.  5,  220;  Lueid.  3745;  Vl,  Bijmk,  3729, 
3735,  3739;  Beatr,  641;  Bijmb.  22957;  33119; 
Zanc,  II,  31842;  Ned,  Froza  96,  97;  Amand  II, 
4998;  D.  B,  Deuteron,  30,  10;  J2»<?A/.  21 ,  6 ;  I  Zo». 
8,  33;  Geest,  L,  79»;  Sp,  1%  66,137»ar.;  Theoph, 
1330  {Hs.y,  enz, 

2)  Boetedoening^  boete.  Ygl.  ons  penif-entie,  van 
het  lat.  penitentia.  \\  Predeke  ende  castie  mede 
berouwenesse  in  elke  stede,  j^.  III",  27,93.  Ende 
omme  berouwenesse  daer  af  {als  boete  daarvoor) 
voer  hi  .  .  over  mere,  lY*,  56,  14. 

BEROUWICH  (berauwich),  bnw.  Berouwvol, 
ootmoedig.  ||  O  Here ,  stiert  in  mi  berauwich  ween, 
OFl.  JAed,  en  O,  ^1,  31.  Die  berouwighe  sunder, 
Bienb,  145^. 

BEBOÜWICHEDE,  znw.  vr.  Het  woord  zou ,  in- 
dien het  voorkomt,  slechts  berouw^  ootmoed^  kunnen 
beteekenen ,  maar  op  de  eenige  plaats ,  waar  het  ge- 
vonden wordt,  kan  het  dien  zin  niet  hebben,  nl. 
Amand  II,  4490:  ||  „Daer  dede  hy  .  .  voor  oghen 
legghen  van  den  Sarrasinen  die  berouwichede , 
ende  dat  by  hare  {der  Christenen)  nidichede  kerstin 
gheloove  mochte  te  nieute  gaen."  De  Sarrasenen 
lagen  op  hun  loer,  om  van  den  tweespalt  der 
Christenen  gebruik  te  maken  (vs.  4435).  Men  zal  dus 
misschien  moeten  lezen:  ontrouwichede, 

BERO  YEN  (beroeven),  zw.  ww.  bedr.  Mud. 
beroven;  mhd.  berouben, 

1)  Met  den  4den  nv.  der  zaak.  Stelen,  rooven, 
buit  maken.  Ook  met  eene  bep.  met  op.  ||  Eer  die 
knaep  mit  nauwer  liste  den  enen  baec  aldus  be- 
roefde ,  Hild.  32 ,  144.  Provanchie ,  die  men  op  die 
Yriesen  beroevede.  Bek.  d.  Gr,  Z,  319. 

2)  Met  den  4den  nv.  der  zaak  en  den  3den  nv. 
van  den  persoon.  Ontnemen,  ontrooven , a/nemen,  \\ 
Der  doot  bedrueffenesse  beroefde  hem  cort  tnatuerlic 
leven,  Brab,  7,  VI,  11118.  Vier  dine,  die  beletten 
ende  beroven  alle  doechdelicheit ,  Ruusb.  4,  199. 
Dat  hi  (/.  hem)  van  ouder ...  al  sine  tande  waren 
berovet,  Fersl.  en  Ber,  5,  20.  Dat  hooft,  dat  sy 
horen  vader  hadde  beroift,  MLoep  I,  2321.  Nu 
was  dair  een  eerbair  w^ff  die  horen  knecht  be- 
roefde tl^ff,  II,  1829.  Eer  hem  dat  cleynoetwaer 
beroeft,  2792.  Een  deel  der  hogher  salicheit,  die 
hem  nyemant  en  can  beroeven,  Hild. 32,144.  Sgn 
hulde  .  .,  die  ons  niement  beroven  en  can,  lap. 
III ,  1 ,  75.  Hi  hadt  (nl.  zijn  kind)  Macheuse  be- 
lovet;  heeft  hi  se  hem  nu  berovet? .i/^'dr.IV, 355. 
Dat  en  mach  my  nieman  benemen  noch  my  beroven, 
Ruusb.  3,  87.  Sijn  twee  oghen,  die  hem  die  sondaren 
berovet  hadden,  Pms,  W,  90a,  —  Somtijds  ook 
met  den  4den  nv.  van  den  pers.  en  den  2den  der 
zaak.  II  Si  en  salse  niet  beroeven  haers  wercs, 
Ruusb.  2,  242.  Daerom  en  sal  die  mensche  niet 
wanen,  dat  hy  enichs  goets  in  desen  sal  beroeft 
syn,  3,  91.  —  Thans  is  de  2de  nv.  steeds  door 
eene  bepaling  met  van  vervangen.  Zoo  ook  reeds 
Rein,  II,  4644. 


967 


BEKË. 


6ERR. 


968 


3)  Berooven,  uiiplunderen.  ||  Die  beroeft  hier 
TOre  waren,  Yelth.  Il,  4,  25. 

Aanm.  —  Bein,  II,  3592,  leze  men  met  Martin 
verdooft. 

BEBREN  (barren),  st.  en  zw.  ww.  onz.  en 
bedr.  (bar  of  ber,  borren^  geborren,  doch  meestal 
berde,  geberd).  Boor  assimilatie  ontstaan  nit  dérfMw, 
waarmede  het  in  bet.  geheel  overeenkomt.  Zie  ald. 
en  vgl.  borre  voor  bome, 

Onz.  —  1)  Branden. 

d)  Eigenlijk.  —  a)  Yan  zaken  gezegd ,  van  vuur  en 
licht,  en  verder  van  al  loat  vl^mt  oï  in  vl-am  ttaat , 
ook  van  de  hel.  ||  Een  vier,  dat  qnalike  beert 
(d,  i,  bert)  van  qnaden  groenen  eisen  )io\xie,Belg, 
Mus,  10,  52,  32.  Ghi  moet  hebben  berrende  licht 
in  hu  handen,  Amand  II,  6170  (vgl.  6191).  (Hi) 
vant  daer  een  vier  berdende  (/.  berrende  o/bemende) 
claer ,  Lane,  II ,  19209.  Van  der  tnmben  die  berde 
soe  lecht ,  die  in  lichter  laaie  stond,  21241.  Dat 
dat  vier  berde  claer ,  21699.  Ses  dage  berret  {Bome) 
ende  ses  nachte ,  ^.  II  * ,  8 ,  75.  Een  lampe  berrende , 
Sacr.  1260.  Daer  si  clare  lampten  sach  herren ,  Beatr. 
836.  Twee  rikelike  stallicnt  al  berrende,  Fartk. 
636.  Ende  die  {lampten)  horren  al  den  nacht  over , 
Bnusb.  2,  89.  Dat  helsche  vier  sal  herren,  lY, 
252.  Die  gheinsteren  .  .,  die  herren  moeten,  5, 
92.  Des  viertienden  daghes  .  .  snllen  hemele  ende 
aerde  herren,  Ltp.  IV,  9,  79.  Tvier  bert  schoen 
ende  claer,  Sacr.  685.  Berrende  lampten,  Sp.  II*, 
37,  66.  Gelike  al  vier  .  .  .,  maer  en  ber  niet, 
Yelth.  YII,  18,  6.  —  Ook  van  vnnrspuwende 
bergen.  ||  Den  berghe  die  bert  ende  heet  Etna, 
Nat.  BL  1 ,  423  var.  {teksthe.  barnet).  —  In  geeste- 
lyken  of  mystieken  zin,  van  het  vnnr  der  liefde 
en  van  den  geestdrift.  ||  Daer  dat  vier  der  liefde 
eweleken  .  .  .  herren  sal ,  Rnnsb.  1 ,  133.  Soe  wilt 
God ,  dat  syn  vier  .  .  .  altoes  berre  in  die  enecheit 
ons  herten,  158.  Hier  af  wert  dat  rike  onsteken 
ende  berret  al  in  vnericheit,  4,  243. 

^)  Van  personen,  vooral  van  hen  die  de  pijnen 
der  hel  ondervinden.  ||  Si  sal  daer  omme  herren 
in  een  vier ,  Olor.  759.  In  den  helschen  vliet . . , 
daer  die  du  vele  herren.  Vierde  Mart.  124.  Die 
nn  barren  in  die  hille,  L.  o.  J7. 3572.  Daer  sonder 
inde  kaitivighe  zielen  in  herren,  wallen  ende 
wielen ,  3955.  Daer  berret  die  moeder  metten  kinde , 
4033.  Si  selen  herren  in  die  hille,  4833.  Dat  elc 
lichame  metter  sielen  sine,  sal  barren  in  die  helsche 
pine,  4836. 

b)  Fignnrlgk,  van  alles  wat  met  eene  vlam  of 
een  gloed  vergeleken  wordt.  Branden,  gloeien.  \\ 
Den  berrenden  dorst,  dien  du  nu  dreechs,  en 
bluschste  niet ,  droncstu  den  Rijn ,  Bind.  554.  Soe 
mense  {jaloezie)  meer  jaegt,  soe  si  vele  te  meer 
berret.  Lep.  III,  6,  72.  Haer  vlamme,  die  mi 
herren  doet.  Vod.  Mus.  1,  74,  14.  Die  ynnichste 
gront  des  herten  berret  in  woede,  Ruusb.  6,  85. 
Hi  berret  swaer  in  hope  ende  in  vaer ,  Hadew.  1 , 
52  ,  19.  Mijn  herte  dat  bert  al  een  geloet ,  Lansl.  192. 

—   Zie  ook  BERRENDE. 

2)  Aanbranden,  van  spijzen.  Vgl.  bernen  (bedr.  4). 
II  Ferguut  mach  wel  so  lange  merren,  dat  s\jn 
rapen  selen  herren,  Ferg.  4983. 

Bedr.  —  1)  Branden.  — a)  Yan  vuur,  licht  en 
brandbare  stoffen.  \\  Men  berde  daer  stoppelen  sonder 
hout.  Boerden  III,  54.  —  Vier  herren,  ook 
als  symbolische  handeling  (vgl.  bij  bernen  ,  bedr. 
la).  II  Dat  hy  telcken  veertich  daghen  binnen  der 
stede  wonen  moet  ende  daer  vier  herren,  Cout.  v. 
Brugge  1,  583. 

b)  Van  brandoffers  en  andere  zaken ,  die  men  op 


het  vuur  legt.  ||  Dat  men  op  coelen  cnbebe  berre, 
Nat.  BI.  IX ,  300  var.  Yan  cruden  ende  van  selken 
dinghen,  diemen  berde  in  die  eere  Goods,  Ruusb. 
2,  22. 

2)  Verbranden ,  tot  asck  verteren.  —  «)  Van  voor- 
werpen. II  Grote  vlamme,  daer  hi  mede  hare  cleder 
herren  dede ,  Lanc.  II ,  19010.  Ie  sal  n  . . .  dmeerck 
doen  hemen  uten  schenen.  Wint.  e.  S.  350.  Te 
pulvere  hemt  mense  {de  tanden)  in  viere ,  Nat.  BI. 
n,  1392. 

b')  Yan  personen.  ||  Hoe  dat  wy  n  sullen  .  .  . 
zieaen^  herren  oft  roosten,  Sacr.  656.  Ay  hoere, 
dat  men  n  herren  moete!  Truto.  11.  Nn  sal  mense 
{de  koningin)  herren  heden,  lAmb.  III,  877. 

c)  Van  landen ,  kasteelen  enz.  In  de  aseh  leggen^ 
te  vuur  en  te  zwaard  verwoesten.  \\  Ie  hebbe  hare 
gedaen  menech  verdriet  ende  geweest  ende  geberd 
haer  lant,  Losm.  III,  11654.  Die  Brabantre  .  .  . 
wonnent  ende  berdent  {het  kasteel),  Brab.  T.  VI, 
2639.  Barrende  ende  destmeerende  dlant,  Ortm. 
V.  Vlaend.  1,  66.  —  B^  uitbreiding  ook  van  de 
personen ,  wier  bezittingen  verbrand  worden.  lemamd 
brandschade  toebrengen.  \\  Hi  bar,  hi  rovede  die 
viande  ende  nam  al  dat  hi  vant,  Velth.  VI,  11, 
52  {var.  hemde).  —  Schijnbaar  intr. ,  door  weglating 
van  het  obj. ,  wordt  berren  gebruikt  in  den  sin 
van  brandstichten,  meestal  met  roven  verbonden. 
Vgl.  Gr.  oiysvv  xaX  qiéqevv  xaX  xaeir- 1|  Als  sy 
hier  stade  saghen  yet,  voeren  si  roven  ende  berren, 
Grimb.  1, 2540.  (Si)  ginghen  berren  ende  roven,  5578. 

3)  Yan   metalen.  Smelten.  Vgl.  bernecahere. 
II  Dat  negheen  mersman  berren  en  sal  noch  doen 

berren  silver,  Willems,  Meng.  350. 

4)  Te  vuur  en  te  zwaeerd  uitroeien ,  de  overdracht, 
bet.  van  Ie).  \\  Omme  dat  {ongeloof)  te  beme 
algader  hevet  die  panes  Martgn  genomen  ene 
consilie,  Sp.  III«,  29,  94. 

BERRENDE.  Zie  berrent. 

BERRENEN.  Zie  bernen. 

BERRENT  (berrende),  bnw.  Deelw.  bnw.  van 
berren  (zie  ald.  \b).  Brandend , gloeiend ,  vurig.  ||  Mei 
innigher  herten  ende  met  herrender  begherten, 
Wrake  III ,  1460.  Met  berrender  minnen ,  1453.  Dat 
vier  der  berrender  minnen,  Vad.  Mus.  2,  213. 
Met  berrender  minnen  te  Gode,  Ruusb.  4,  49.  In 
berrender  minnen,  55. 

BERREWORTE ,  zuw.  vr.  Benaming  eener  ge- 
neeskrachtige plant;  eig.  brandkruid.  Vgl.  wORT. 
II  Branca  urcina  dats  berrewortte . .,  ende  si  maect 
harde  apostemen  mom  ende  rgpse,  die  sün  vu 
couder  naturen,  Hs.  Tp.  9Sd. 

BERRIE.  Zie  Berie. 

BERRINGE  (barringe,  borrikoe),  niw.  tt. 
Yan  berren  (zie  ald.).  Vgl.  Berninge. 

1)  Het  branden,  verbranden.  \\Yij f  y^>edeT{vradkt , 
turf  nl.)  te  herringen,  R.  v.  Uccle  6,  22.  En  bleef 
dorp  staende  doe  al  dore  berringhe  in  sgraven  last, 
si  en  worden  alle  doen  verbrant,-Brtfi.  F.  V,  3638. 

2)  Concreet.   Dat    wat    men  brandt,  hremèstof. 
II  Logys  ende  berringhe  om  niet,  Spreuken  81. 

Die  mach  barringh  winnen  uit  sijn  selfs  grondt, 
Friv.  V.  Briel  2,  233,  4.  Dat  men  .  .  .  vercocpoi 
sonde  .  .  alle  manieren  van  barringhen,  ghelgc 
dat  se  gegolden  hadde  voer  dorloghe,  (>xm.  v. 
Vlaend.  2,  137.  Dat  men  den  .  .  armen  .  .  b«- 
werven  mach  pottaeds,  scherbier  ende  borringke, 
D.  War.  6,  152. 

BERSCIP.  Onder  allerlei  benamingen  van  vaar- 
tuigen (hulke,  balenier,  caraque,  coggeseip  e.  a.) 
komt  Invent.  v.  Brugge  6,  277  ook  berscepe  ?oor 
(wel  mv.  van  berscip ,  hoewel  de  andere  benamingen 


969 


BERS. 


BERS. 


970 


in  het  enkv.  staan).  Het  woord  is  6f  eene  ver- 
bastering van  bariucMp^  gelgk  in  het  Gloss.  wordt 
aangenomen,  óf  eene  yerschrijving  voor  Óerseseepe 
(barseseepê).  Zie  baerdse. 

BERSEN,  zw.  WW.  onz.  Mnd.  lerten^  barsen] 
mhd.  èirsen,  pirsen\  hd.  birschen.  Van  het  ofr. 
berser  of  bercer,  mlat.  bersare  (Duc.  1,  663).  Over 
de  vermoedeigke  afleiding,  zie  Diez  2,  221.  Eiff. 
(in  het  ofr.)  jagen  mei  pijl  en  boog^  in  het  mnl. 
meestal  opgevat  als /o^^»  met  speur Aonden,  Zoo  ook  in 
het  mhd.  en  mnd.  ||  Of  ghi  wilt  varen  in  rivieren 
of  bersen  int  wont  ten  wilden  dieren,  ParM.  1114. 
—  Evenwel  wordt  het  ook  van  de  vogeljacht  (mnl. 
vliegen)  gebmikt,  waarvoor  in  rivieren  varen  of 
Beten  de  gewone  woorden  waren.  ||  Wat  vaerdi  in 
desen  daghen  met  valken  bersen  ende  jaghen. 
Overzee  222.  —  Ook  van  het  jagen  ^  het  opsporen 
▼an  het  wild  door  de  honden.  i|  Hi  berst  ende 
jaget  alse  een  hont,  Bose  6072. 

fiERSTE,  BARSTE,  wisselvormen  van  borst ^ 
lichaamsdeel.  Zie  ald. 

BERSTE  (borste,  barste,  burste),  znw.vr. 
Ook  in  den  manl.  vorm  borst.  Mnd.  borst  ^  burst; 
mhd.  brêsty  brêste^  brist,  brust\  ohd.  dr^^^o  (manl.) 
en  bresii  (vr.).  Vgl.  lat.  frustum.  Voor  den  overgang 
van  berste  in  borste^  ▼erg.  persse  en  porsse,  verste 
en  vorste  (ook  vurste),  gerden  en  gorden^  vermen 
en  vormen^  werden  en  worden.  Zie  Taalg.  1,255 — 269; 
Ciarisse ,  Natuur/t.  379  vlg. ;  Taal-  en  Lettb.  1 ,  203. 

1)  JBarst,  berst,  in  het  alg.  het  een  of  ander 
ffebrek  {defeef)  aan  eene  zaak.  Ook  van  onstoffelijke 
zaken  gebmikt.  ||  Nu  doen  wi  af  den  ouden  Adam, 
die  noch  in  desen  es  met  berste,  Sp.  111^,46,72. 

2>  Oebrek^nood,  ongemak,  behoeftigheid,  armoede. 
II  (Die  hier)  gedogen  grote  berste  van  coude,van 
honger  ende  van  dorste,  Lueid.  2826.  Yan  hongre 
ende  van  dorste  {var.  derste)  te  doghene  smertelike 
borste,  Bijmb.  28666.  Si  hadden  berste  .  .  groot, 
29829.  Van  groten  hongere  ende  van  dorste  ende 
van  swarre  borste ,  Lanc.  II ,  44186.  In  die  stede , 
daer  men  Kerste  diende ,  daer  en  was  geene  berste, 
Sp.  n»,  10,  96.  —  Ook  in  alliteratie  verbonden  met 
het geiykbeteekenende  b  r  e  k  e.  i|  Dat  deen  den  aodren 
nine  begeft,  alse  hi  breke  ende  berste  heeft, iSo^tf 
4609.  Doeght  met  uwen  evenkersten  als  hi  in 
breken  es  ende  in  bersten ,  Doet.  III ,  589.  Zoo  ook  in 
het  Mnd.  Ygl.  bg  breke.  —  Meestal  verbonden  met 
een  2den  nv.  of  eene  bepaling  met  van.  Oebrek,  be- 
hoefte aan.  \\  Hadden  si  van  cledren  berste  ende  oec 
honger  of  dorste,  Lucid.  3901.  (Si)  hebben  slapens 
groten  borst ,  Versl.  en  Ber.  4,9.  Ie  hebbe  berste 
van  selken  rade ,  als  .  .  aen  u  allene  leghet,  Theoph. 
440.  Moraet,  clareit  .  .  daer  of  en  hadsi  enghene 
berste,  fFal.  10284.  In  de  stede,  daer  pais  no  lechts  nes 
^ne  barste,  Franc.  7678.  Waters  moestsoe  ebben 
barste,  want  .  .  daer  was  harde  drooch,  10148. 
Daer  bleef  menich  doot  van  dorste,  omdat  hi 
waters  hadde  borste,  Alex.  Y,  697.  Om  dat  daer 
es  waters  berste,  stervet  van  .  .  derste.  Nat.  BI. 

11,  3072  (vgl.  3078.)  Entie  broeders  van  Jhesum 
Kerste  hebben  cout  ende  cledere  berste,  Sp.  III*, 
61,  67.  Alse  der  goeden  sal  si}n  berste,  <^.  I*, 

12 ,  26.  Die  rike  vrecke  heeft  broot  borst  (/.  broots 
borst?  in  geen  g^val  als  samenstelling  op  te  vatten ; 
zie  T.  en  Lettb.  1 ,  202  vlg.) ,  Boet.  II ,  690  var.  Zoo 
ook  Segh.  9718. — Ook  met  onstoffelQke  zaken  ver- 
bonden. ||  Eer  du  berste  hebs  s^tif^ts ,  eer  het  leven 
u  ontzinkt,  Wap.  Bog.  286.  Die  daer  te  voren . . . 
in  stride  warenjegen  Jhesum  Kerste,  enter  (=m£^ 
der)  zalicheit  hadden  barste ,  geene  hoop  op  s,  hadden, 
Franc.  1064. 


Aanm.  —  In  samenstellingen  wordt  in  het  mnl. 
niet  borst  gebruikt  (wel  in  het  Mhd.  (Ben.  1 , 
237a)) ,  maar  broke  (zie  ald. ,  en  vgl.  T.  en  Lettb.  1 , 
201  vlgg.). 

3)  Oemis.  ||  Hets  zwaerre  pine  ende  meerre 
berste,  dat  anscijn  van  Jhesum  Kerste  te  verliesene 
ten  joncsten  daghe,  dan  es  al  die  helsche  plaghe, 
Sp.  III*,  6,  149.  —  Eens  of  ener  sake  es 
berste,   een  persoon  of  eene  zaak  wordt  gemist. 

II  Daer  men  Jhesum  Kerste  niet  en  noemt  ende 
sQns  es  berste,  Sp.  I',  32 ,  63.  tYraje gheloove . . , 
so  waer  hi  vant ,  dats  eenighe  berste  mochte  wesen 
daer  omtrent,  Jmand  II,  1041. 

4)  In  jur.  zin.  Eet  in  gebreke  blijven,  het  niet 
kunnen  volhouden  of  volvoeren  van  eene  aanklacht, 
door  het  niet  nakomen  van  de  formaliteiten;  in 
dezen  zin  ook  mnd.,  b^  Lubben  1,  399.  ||  Weret 
zake  dat  een  man  den  anderen  wapen  overriepe 
voer  onsen  gherichte ,  volghede  he  der  klaghe  njet , 
die  verloere  vier  scillinghen  pajrments  voerscr. 
tieghen  dat  gherichte,  ende  dat  is  gheheten  eyn 
berst.  Racer  3,  37. 

BERSTEL,  wisselvorm  voor  borstel,  verkl.  van 
borst,  ohd.  borst,  burst,  bursti,  bursta.  Ygl.  mhd. 
bëm  (mnd.  beren),  d.  i.  te  voorschijn  komen, 
groeien.  \\  Met  herstelen  swart  ende  wit  so  es  be- 
hanghen  dit  {stekelvarken).  Nat.  BI.  II ,  2063. 
Yan  desen  herstelen  eest  ghesciet,  dat  menre 
hechte  van  messen  af  siet,  2062. 

BERSTEN,  zw.  ww.  bedr.  Ontborstelen ,  van  de 
borstels  ontdoen,  villen.  Mhd.  bürsten  (in  anderen 
zin).  Ygl.  BERSTEL  en  borstel;  mhd.  bürste.  || 
Dat  noit  en  was  geberst  so  bere,  noch  so  gevilt 
in  genen  sinne,  Bose  9618. 

BERSTEN,  st.  ww.  onz.  {barst  of  berst,  mv. 
borsten;  geborsten).  Ohd.  brestan;  mhd.  bresten; 
mnd.  bersten,  barsten,  borsten. 

1)  Vaneenscheuren,  bersten,  breken.  \\  Hi  wert 
swert  gelijc  der  aeide,  also  als  hem  dat  venijn 
daerde ;  terstont  berst  hi  op  die  stede ,  Segh.  9049  var. 
Die  stave  scorden  entie  (/.  ende)  borsten,  Yelth. 
lY,  30,  16.  Dat  serpent  barst  doe  saen,  ^.  III*, 
46,  64.  (Hoverde)  borste,  quame  si  daer  si  verseit 
worde  {aldus  leze  men) ,  Bincl.  896.  Opten  IX.  dach 
van  Oct.  dede  die  Turck  twee  gaten  bersten  .  . 
neffens  eenen  toren  den  heelenmueren  wech  nemende, 
Bxe.  Oron.  308a.  —  Ygl.  ons  znw.  bres ,  dat  wel  voor 
brest  (berst)  staat  en  waarvan  het  fr.  ^^^^  af  komt. 

2)  Voortkomen,  voortspruiten.  Ygl.  voor  den 
overgang  der  bet.  de  ww.  spliten  en  afspliten  en 
het  znw.  seheidinge,  d.  i.  rente.  \\  Bi  avontuer  die 
helle  is  geschoort  ende  dit  volc  isser  wt  geborsten, 
dit  volc  is  van  daer  gecomen  sonder  eenige  com- 
passie, Exe.  Cron.  1046. 

3)  De  bet.  ontbreken,  gebrek  hebben,  waaraan 
het  znw.  berste  zijne  beteekenis  ontleent,  heeft 
het  WW.  bersten  slechts  hoogst  zelden  in't  mnl.; 
op  ééne  plaats  vindt  men  het  ww.  in  deze  bet., 
doch  als  onpers.  gebruikt.  t|  Sute  Oot,  mi  es  ge- 
borsten, dat  ie  verderven  mut,  gin  trostet  mi, 
Limb.  Serm.  21a.  —  Zooveel  te  gewoner  is  in  't  mnl. 
het  WW.  gebersten,  Ygl.  ald.  en  Graff  8,  271. 

BERT,  een  zeevisch.  Zie  bart. 

BERT  (bort,  bart),  znw.  o.;  mv.  bort,  berde, 
bar  de,  borde,  borden;  en  berdere,  border;  verkl  w. 
berderken,  barderken;  mnd.  bret;  mhd.  brët;  ohd. 
bret  (mv.  bretir);  (hd.  breti).  De  oude  vorm  bert 
leeft  nog  slechts  in  de  uitdr.  te  berde  brengen; 
thans  is  het  verwante  woord  bord  het  gewone 
geworden.  Ygl.  Kluge  op  bort  en  brett. 

1)  Plank,  lat.  \\  Dat  hi  .  .  van  der  arke  een 


971 


BERS. 


BERT. 


972 


bort  nam  ende  brocht  neder  ende  daer  na  maecti 
anen  clooster  .  .  ende  dat  bort  is  noch  aldaer, 
Sp,  ly,  42,  41.  Entie  onde  holte  kerke  .  .  . 
braken  die  poerters  af,  ende  ghaven  die  holte 
ende  berderen  dien  aermen  Goits  hnse  to  Delf, 
Ned,  Proza  6.  Datmen  tot  egheenre  moelne ,  op  de 
Dij  Ie  staende ,  over  berdere  malen  en  sal . . ,  maer 
over  die  slechte  platen  van  den  onden  bedde, 
Braè.  T.  Dl.  2,  bl.  615.  Alrehande  hoechsel  yan 
plancken  .  .  die  metten  stutberderen  niet  op  en 
gaen ,  bl.  616.  Dat  dan  die  ghene  .  .  selen  hare 
berderen  insteken,  .  .  omme  water  te  hondene, 
bl.  440.  Vanden  zantkerren  is  overdragen,  dat  zQ 
hoer  border  after  hoge  hebben  zeilen,  R.  v.  Utr. 
1,  350,  9.  Recht  als  ene  scrine  gevoeget  es  met 
al  haren  berderen  in  hare  stapele ,  Runsb.  1 ,  109. 
Gescntsele  Yan  berderen ,  al  omme  ende  omme  den 
tempel ,  D.B.l  Kon.  6,15.  224  voeten  willige  borts , 
Hermans ,  Oesch.  d.  Red.  251.  Doet  men  bont  of  berde 
nten  scepe  npt  land  toten  Damme ,  ende  ment  ver- 
coopt ,  die  mare  ghelt  II  d. ,  vercoopment  int  water , 
het  ne  ghelt  niet,  ZVL  Bijdr.  5 ,  59  {a.  1252).  Item , 
dat  niement  bardereu  of  datter  toe  behoort  gronven 
en  mach ,  hi  ne  zy  vry  temmerman ,  6 ,  343  {a.  1441). 
Ende  daer  pleechmen  overdwers  latten  of  barderen  op 
te  nagelen ,  daermen  dat  hnys  op  decken  sal ,  Barthol, 
678tf.  Twee  viercante  barderen ,  daer  scerpe  prickel- 
kens  in  geslagen  waren,  bonden  si  hem  aen,  als 
wanneer  hi  voortginc,  die  slogen  beneden  aenzgn 
voeten,  Fatc.  M.  f,  lOOa.  (Die  bnig)  is  drye 
borden  breet,  Bern.  S.  IZ^d  (135a:  plancken). 
Ene  lade  van  drien  bardren  gemaect,  He.  Tp. 
146a.  (H)alve  berderen,  Diericx,  Mém.  2,  62 
{tweemaa^.  6  ghesaghede  bort,  die  trappen  mede 
te  tnskenscieten ,  Rek.  v.  Zeel.  1 ,  141.  Om  72 
ghesaghede  bort,  27  onghesaghedebort,  150achte- 
voet  bort,  25  zesvoete  bort,  ald.  140.  —  Ook  van 
de  plank ,  waarop  een  kind  te  vondeling  werd  ge- 
legd. Verg.  Grimm,  RA.  459—60.  ||  Dat  mnn 
moeder  mijns  vergeten  hadde  in  den  voetgeterde,  ende 
vonden  ware  op  enen  berde  vondelinc,  Rincl.  931. 

2)  Paneel^    houden   bord  waarop  men  schildert. 
II  In  Constantinoble  was  een  Juede,  .  .  die  in  een 

berdt  sach  gescreven  onser  Vrouwen,  scone,  ver- 
heven, ende  ghenaghelt  au  eene  want,  <^.  1^,93, 
1  {var.  bard).  Doe  wart  hi  al  in  frenesien  van  tome, 
enae  liep  met  genen  barde  ten  naesten  huse  met 
groter  onwarde,  .  .  ende  warp  gheent  beelde  in 
dat  drec,  ald.  10. 

3)  Houten  bord,  voor  afkondigingen  of  bekend- 
makingen. II  8o  hevet  Pilatus  boven  Jesus  hooft  een 
tafel  oft  bert  doen  nagelen ,  Boee  v.  d.  L.  J.  2Sld.  Dat 
men  dat  uutgescrefte  . .  op  berdere  genichelt  hangen 
sal  te  vgf  steden,  Bel^.  Mus.  10,  117.  (Si)scriven 
op  een  berde  au  die  poerte,  Ned.  Proza  5.  Indien 
yemend  bevonden  worde  zulcke  barderen  oft  scrift 
ghesneden,  gheclatert,  verdonckert . .  worde  (?),  dat 
die  zal  ghepugniert  werden,  Cout.  v.  Brugge  2, 
165.  Van  kosten  van  de  barderkens  alle  avonden 
af  en  aan  te  doen ,  2p. ,  6  sch. ,  ZVl.  Bijdr.  4 ,  96. 
Den  kosters  van  Sint  Donees  in  Brugge,  van  dat 
zy  de  barderkins  van  de  lotinge  af  en  aangedaan 
hebben,  gegeven  in  hoofschheden  20  gr.,  a/rf.  100. 

4)  Scherm,  vuurscherm.  \\  Die  rike  hevet  so 
werm  int  vier  .  .,  hem  en  helpt  bert,  scadue  no 
scerm,  Rincl.  587. 

5)  Bed^laarsclep,  houten  klep  waarmede  de  bedelaars 
klepperd-en  (c  1  a  t  e  r  d  e  n) ,  o»i  ^  aandacht  der  voorbij- 
gangers tot  zich  te  trekken.  \\  Ter  porten  claterde 
hi  sjjn  hart,  ende  riep  dat  hem  die  kele  smart: 
„Ghef  broet,  mi  honghert  bovea  pas'\  Rincl.  523. 


6)  foetenplankfe ,  voetenbankje.  ||  Waer  mjn 
here  sit  dan  .  . ,  ie  legge  hem  onder  voet  een  bert, 
Sc.  en  Cl.  121. 

7)  Speelbord,  voomamel^k  voor  het  schaakspel. 
Kil.  spel  berd,  magis.  ||  Tsaecspel  .  .,  dat  was 
so  diere  ende  dat  bert,  fFal.  11062.  Dat  bert,  dat 
bulten  wesen  sonde,  dat  was  al  van  flnen  goude 
wel  gemaect  te  poente  CToet,  Cass.  XVIII,  18^. 
Vgl.  SCAECBERT  eu  Huyd.  op  Stoke ,  DL  2 ,  bl.  624. 

—  Vgl.    OKBERDERT    CU   BERDEREN. 

BERTHOÜWERE  (barduouwer),  raw.  st  m. 
lemand  die  planken  gereed  maakt  of  houwt,  een 
plankenzager.  ||  Dat  ter  Sluus  zullen  moghen  x^n 
bardhauwers,  ZVl.  Bijdr.  6,  344  (a.  1441).  Dat.. 
de  vors.  temmerlieden  ende  bardhouwers  ter  Sinus 
hem  niet  verder  bewinden  en  zullen  moghen ,  dan 
dat  den  temmerwercke  ende  barthauwerscepe  toe- 
behoort ,  ald.  —  Aldus  wel  te  lezen  voor  berehouwere. 
Zie  BERC.    

BERTHOÜWERSCIP,  znw.  o.  Het  awibachtva» 
bert  houw  er.  Zie  het  vorige  Art 

BERTEREN ,  BERTERINGE.    Zie  barteren  , 

BARTERINOE. 

BERTSAGER,  znw.  m.  Van  bert  (zie  ald.). 
Plankenzager.  \\  Ligier  de  bertsagher,  Legier  k 
soieres  dags,  Hor.  Belg.  9,  S6b. 

BERTSPIKER  (bortspiker),  ook  bertspikingc 
(bortspirinoe)  ,  znw.  m.  Spijker,  om  in  een  plank 
te  drijven,  in  *t  alg.  spijker.  ||  300  laschysers, 
600  bortspikers,  100  middelnagle  enz.,  Rek.  v. 
Zeel.  2,  279.  Twee  hondert  bortspikinghe ,  700 
lascysers  ende  100  middelinghe ,  ald.  1 ,  140.  Van 
1500  bordspikinghe ,  700  lascysers,  enz.  ald.  141. 

BERTOEN  (bortoen),  znw.  m.  Een  engelsch 
schip  (breton).  Zie   Invent.  v.  Brugge  Gloss.  391. 

BERU.  Zie  berouwe. 

BERUCHT  (berocht,  beroft),  znw.  o.  Van 
beroep  gevormd  door  het  achtervoegsel  -t.  Vgl. 
gehucht  van  hof  en  ons  znw.  gerucht.  OerucAt ;  kt. 
fama;  ook  de  inhoud  van  dat  gerucht.  ||  Datyement 
van  den  porteren  bezeghet  worde  met  dootslaghe,  van 
rove,  van  dieften  of  van  enighen  andren  zwarea 
berofte.  Mieris  2,  149a  (ook  56a). 

BERÜCHTEN  (berochten,  beruften),  zw. 
WW.  bedr.  Van  berucht,  beruft.  Mnd.  beruchte», 
berochten. 

1)  Berucht,  verdacht  maken;  in  een  slechte» 
naam  brengen.  ||  Ander  lude  mit  souden  te  be- 
ruchten,  d.  i.  te  belasteren,  Hs.  75,  II  Tim.  3,1 
—  Vooral  in  het  deelw.  beruchtet  (berucht, 
beruftet,  beruft),  verdacht,  in  een  slechten  noém, 
onder  verdenking,  door  de  openbare  meening  aange- 
wezen als  de  dader,  gedoodverfd.  ||  Eeneghen  die 
berucht  waren  van  moortbrande ,  Invent.  v.  Brugge 
4 ,  412 ,  vgl.  413 ;  6 ,  25.  Doe  began  hi  te  nomen  die 
gheen ,  daer  si  mede  beruftet  was  ende  daer  hare  man 
die  ridder  suspicie  van  hadde,  Gest.  R.  f.  öOd.Dai 
si  den  anderen,  dair  si  van  beruftet  was,  veel 
liever  hadde  dan  haren  eyghen  man,  ald,  Alsoe 
wert  die  mensche  beruft  niet  alleen  van  sjn  eyghea 
wijf  .  .  .  mer  oeck  met  anderen  ghebueren,  156i. 
Beruchtede  lude  die  bardiel  opbolden  of  qnade 
ede  gesworen  hebben,  Overijs.  R.  I',  199.  Dicke 
wanen  wy  van  sommighe  werken  of  woirde  onder 
de  lude  beruft  wesen ,  daer  sy  nochtan  niet  op  en 
achten,  Devoet  B.  (30)  109v. 

2)  Beschuldigen,  aanklagen.  \\  Des  anderen  dagh» 
.  .  berufiften  die  papen  Susannam  om  haïr  ter  doot 
te  brenghen,  Matth.  148.  Dat  hie  an  der  deemea 
gien  scholt  en  bedde,  dar  hie  mede  berochtpt 
weer,  R.  v.  Zutf  142,  14.  Dat  si  dese  graye  voer 


973 


BERÜ. 


BERV. 


974 


den  keyser  herufte,  Pass,  W,  STc.  Dat  wgf ,  die  godes 
deerne  benift  hadde,  wort  mitten  davel  beseten ,  %^d. 
Dat  men  alle  bemchtede  lade  yan  ondade . .  antasten 
sall ,  Overijs.  K.  I* ,  167.  Om  te  vane  die  met  quaden 
ghelde  berucht  waren,  'B£h,  v.  Zeel.  2,  204. 

Aanm.  —  Het  is  somtQds  hoogst  moeilijk,  ja, 
in  het  geheel  niet  uit  te  maken,  of  men  bij  aen 
samengetr.  vorm  berucht  te  doen  heeft  met  het  deelw. 
van  het  cw.  ww.  beroepen ,  dan  wel  met  dat  van  be- 
ruchten.  Misschien  zelfs  is  berucht  oorspr.  slechts 
deelw.  yan  beruchten ,  maar  langzamerhand  door  de 
gelijkheid  der  bet.  ook  bij  beroepen  gebruikt.  Zeker 
is  het  dus  niet  of  niet  misschien  sommige  der 
onder  beroepen  4)  opgegeyen  yoorbeelden ,  eigenlek 
onder  beruchten  te  huis  behooren.  Ook  het  tegenw. 
berucht  zal  wel  eig.  deelw.  yan  dit  laatste  ww.  zijn. 
Ygl.  ook  ons  luidruchtig, 

BEKÜCHTICH,  bnw.  Mnd.  beruchtieh,  beroeh- 
tich,  Yan  berucht ,  deelw.  yan  beroepen  of  beruchten 
(zie  ald.).  Verdacht^  onder  verdenking  liggend-e^  in 
een  slechten  naam  (of  roep)  staande,  \\  Die  met 
hem  waren  aen  weghe  ende  aen  yelde ,  daer  Heju- 
rich  die  Ylyegher  doet  bleef,  ende  die  daer  mede 
bemchtich  sijn  of  in  enygen  saken  daer  mede  be- 
ruchtich  moegen  werden,  Ngh.  3,  96.  De  clufte, 
daer  de  beruchtighe  misdadige  angheyanghen  is, 
Stadb,  V,  Oron,  I,  16. 

BERUCHTIGEN,  zw.  ww.  bedr.  Hetzelfde  als 
beruchten  (z.  ald.).  ||  Yoert  mehr  sal  men  wroeghen 
(aanilagen)  yoer  een  gheluit  (fama,  het  midden 
houdende  tusschen  notorium  en  rumor),  dye  mit 
desen  saecken  yoerscr.  openbaer  niet  yan  haeren 
▼ianden  sinnen  gewroegetoffteberuchtiget,Magnin 
Beet.  V.  Dr.  2\  272. 

BERÜMFELT.  Zie  berompelt. 

BERÜSP,  BEEÜSPELIC,  BERUSPEN.  Zie 
BERISP,  enz. 

BERUSTEN,  zw.  ww.  onz.  Mnd.  berusten, 

1)  Rusten^  blijven  liggen ^  niet  behandeld  worden 
(Tan  eene  rechtszaak  b.  y.).  (|  Alsoe  alle  recht- 
Torderinge  na  den  afganck  yan  den  ouden  scepenen 
plegen  te  berusten  zess  weken,  die  en  zeilen  yoirt- 
aen  nyet  langer  berusten  dan  den  yersten  recht- 
dach,  R,  V.  Utr.  2,  801. 

2)  Busten,  uitrusten  van,  ophouden  met.  \\  (Wi) 
hebben  ghegheyen  yrilicken  te  berusten  yan  aUen 
ghemeenen  wercken  ende  yan  allen  dyckinge ,  Oorb. 
2,  204  tf.  —  Yooral  gebr.  in  de uitdr.  enen  laten 
berusten,  iejnand  met  rust  laten,  laten  blijven  in 
den  toestand  waarin  hij  is.  ||  (Dat  hi  wilde)  sijn 
jonghe  yrouwe  nichte  .  .  .  laten  rnsteiyc  yoortane 
berusten  yredeigc,  Brab.  T.  YII,  8374.  Yoert  be- 
loyewi  .  .  .  zijn  blsdoem  ende  zine  lude  te  laten 
berusten  in  alsulcken  rechte  .  .  .  alst  was  bi  zire 
yorder  tiden,  Oorb,  2,  388  6.  Die  mit  reden  waer 
te  custen,  die  heren  lieten  wel  berusten,  Hild.  211, 
329  var.  Dat  hi  die  Yriesea  altoes  in  roere  houden 
sonde  ende  nymmermeer  laten  berusten  mit  seker 
ghetal  yan  cloecke  mannen ,  Clerc  99.  —  Het  yerl. 
deelw.  berust  in  den  zin  yan  ongemoeid,  rustig, 
gerust,  \\  Alsdat  Aemt  ...  sal  berust  ende  onge- 
moyt  bliyen  inden  besit  yanden  10^  marghen  lants , 
O.B.  V.  Dordr,  2,  68,  87. 

BERÜT ,  bnw.  Berooid,  geruïneerd,  aan  lager  wal, 
op,  II  Dronckenscap  maect  menich  mensche  berut, 
Ned.  Kluchtsp.  93,  113.  Ygl.  onze  schertsende 
uitdr.  t^  ben  rut,  ik  heb  niets  meer,  ben  lens,  bg 
het  spelen  (De  Bo  963).  Misschien  met  ruten, 
plunderen,  ons  ruiten,  samenhangende. 

BERUUM  (beruim),  znw.  o.  Eig.  stam  yan  het 
niet  yoorkomende  beruimen]  mnd.  berumen;  achooü 


in  een  anderen  zin.  Vertrek,  aftocht.  \\  Soe  soude 
hem  onse  .  .  .  rechter  ene  tyt  setten  by  scepenen 
ende  raden  .  .  ute  dien  yoorsz.  kercken  te  gaene, 
joff  selye  daer  uyt  te  geleyden  war  dat  hys  be- 
geerde op  syn  seecker  beruym,  Mieris  2,  302  tf 
(Y.  d.  Wall  166;  ygl.  ruim, ald.  166). 

BERYE.  Zie  berf. 

BERYOET.  Zie  baervoet. 

BERVOETS.  Zie  baervoets. 

BES,  yoorz.  Mnd.  bet-,  mhd.  en  hd.  bis;  in 
het  mdl.  slechts  in  duitsch-gekleurde  stukken; 
het  gewone  woord  yoor  tot  was  te  of  tote,  en  yoor  tot- 
dat gebruikte  men  tote  dien  dat,  tote  dat,  tote  of 
onthier  ende;  in  dial.  ook  want  (went) ,  hent  en  ment. 
Zie  die  woorden.  ||  Bes  up  desen  dach  toe ,  Ngh.  2, 84. 

Aanh.  —  Bes  sine  te  bedde  hadden  bracht 
{Hor,  Belg,  12,  34,  164),  leze  men  met  Farth, 
1062:  Tes  sine  enz. 

BESACHTEN  (besaften)  ,  zw.  ww.  bedr.  Ygl. 
hd.  besdnften  en  besanftigen.  Verzachten,  bedaren, 
kahneeren,  \\  Yan  wes  bloet  syn  toem  besaft  sel 
werden,  JHal,  Oreat,  69d, 

BESADEN,  zw.  ww.  bedr.  Ygl.  ons  bezadigen 
(17de  eeuw),  yanwaar  bezadigd, ioi  rust  gebracht; 
mnd.  besadigen  en  hd.  besattigen.  Verzadigen,  ver- 
vullen met,  II  Dat  ander  yolt  ende  bezadet  mit 
Gode  in  warachtiger  yertroestinge ,  Con,  Som,  161a, 

BESADEN,  zw.  ww.  bedr.  Bezaaien,  en  bij  uit- 
breiding het  zaad  in  den  grond  werken,  \\  Metten 
ossen,  die  dlant  besaden,  lUncl,  134.  —  Ook  in 
den  zin  van  zaaien,  ||  De  someryruchten  die  in  der 
houderigghen  gront  besaet  waren,  Cout,  v.  Oent  689. 

BESAEDDE,  znw.  yr.,  thans  nog  in  W.-Ylaan- 
deren  bezaaidte  of  bezaaite  geheeten  (De  Bo  123). 
Te  veld  staande  oogst.  Slechts  in  Ylaamsche 
stukken.  i|  Alsulken  prijs ,  leeninghe,  latinghe  ende 
besaedde,  als  den  pachtere  .  .  gheleent  is,  Cout. 
V,  Gent  666  {tweemaal),  Dehuussinghe,boemeende 
besaedden,  ende  dat  die  besaedden  sculdich  syn 
enz. ,  668.  Yan  allen  den  huusen ,  boomen ,  cateylen , 
besaedden ,  leeninghen  , . .  achterstellen  yan  pachten 
of  renten ,  661.  Het  is  het  fr.  emblavure  otsemailles. 

BESAEIEN  (BESAYEN),  zw.  WW.  bedr.  Eig. 
hetzelfde  als  besaden  (z.  ald.).  —  Ook  gebruikt 
in  fig.  zin.  Bezetten,  bestrooien,  opvullen  met,  in 
het  yerl.  deelw.  besait  met.  ||  Die  raetcamer 
sal  binnen  suyerlic  ghemaect  wesen  ende  besait 
yan  poortraturen,  Matth.  80.  Zoo  ook  meermalen 
„  een  cleet  besait  met  sterren "  en  dgl.  uitdr. ,  in 
Invent,  v.  Brugge,  —  Ygl.  doresaeien. 

BESAEN,  znw.  yr.fr.  basane.  Het  woord  is  yan 
Arabischen  oorsprong.  Zie  Littré  1 ,  603 ,  en  Duc, 
Suppl.,  ed.  Carpentien  b  e  s  a  n  e,  vituHnum  vel  ovinum 
eorium  subactum.  Gelooide  schapenhuid,  meestal  eyen 
als  het  cordewaen  uit  Cordova,  aangevoerd  uit 
Spanje.  Zie  ZVl.  Bijdr,  6,  78.  ||  Een  dosine  corde- 
waens  of  besaens,  ald,  36.  Yan  elke  douzaine 
besaens,  Invent,  v.  Brugge  2,  68.  Zie  ald.  Gloss, 
27  b,  waar  nog  yermeld  worden,  swart  besaen, 
en  besaenleder. 

BESAESOE.  Zie  besaetse. 

BESAET.  Zie  besate. 

BESAETHEIT  (besaeitheit),  -hede,  znw.  yr. 
Hetzelfde  als  besaedde  (zie  ald.,  en  yerg.  bezaaid- 
heid  by  De  Bo  123).  Te  veld  staande  oogst,  \\ 
Yan  eeneghen  leeninghen,  latinghen,  prisien  ofte 
besaetheden,  Cout,  v.  Gent  668.  Up  dat  den  pachtre 
yet  gheleent  es  .  .  . ,  sy  in  beesten,  ofte  andren 
cateilen  buten  denhe8tieïhedeji,ensusdessemailles, 
ald,  Metgaders  den  leeninghen,  latinghen  ende 
besaetheden,   die  de  pachteren  up  de  goedinghei^ 


1 


975 


BESA. 


BESA.. 


976 


sculdich    syn    te  latene,   590.   Een   thiende   van 
bezaeytheden ,  Invent  v.  Brugge  4,  391. 

BESAËTSEL,  znw.  o.  Hetzelfde  als  besaedde 
en  beêaetAeit;  z.  ald.,  en  Tgl.  het  nog  in  W.-Vlaan- 
deren  gebruikelijke  bezaaüel  (De  Bo  123).  ||  Met- 
ghaders  de  leeninghen ,  latingnen ,  bezaetselen  ofte 
achterstellen  van  pachten,  Cout.  v.  Gent  579. 

BESAETSE   (besaoe,   besaesge,  bisaetse), 
znw.    vr.    Yan  fr.  besace,  it.  buaccia.  Bedelzak,  || 
Ene  bisaetse  datsi  vonden  inden  wech  .  .  . ,  als  of 
soe  Yul  penege  ware,  Franc.  3595.  —  Be  sage, 
B£k,  ^.  ^.3, 134;  166;  349;  besaesge,  a/^f.  151. 

BESAFTEN.  Zie  besachten. 

BESAKEN  (besaecken)  ,  zw.  ww.  bedr.  (deelw. 
betaeci,  en  soms  betaecht),  Mhd.  besaJten.  Het  mhd. 
besacAen  heeft  evenals  het  hd.  de  bet.  van  verzor- 
gen ,  eig.  zich  met  iemand  of  iets  bezig  houden,  Yan 
8ake,  evenals  bedingen  van  dinc. 

1)  Hetzelfde  als  versaken  of  misëaken.  Ver- 
loochenen, verzaken,  nalaten.  ||  God  heeft  mi  .  .  . 
om  n  salicheit  hier  ghesent,  om  dat  ghi  dafgode 
sondt  laten  .  .  . ;  ie  rade  u  dat  ghys  niene  besaect , 
Yst.  BI.  3269.  Die  wercken  ons  heren  Jhesa,  die 
si  gheloochenen  konsten  ende  die  sy  niet  en  konsten 
gheloochenen  noch  besaken,  Boec  v,  d.  L.J.ll7b. 
Dat  ie  der  waerheit  besaecte,  /^.  II ,  44 ,  550  par. 

(2  Als  rechtsterm.  — a)  Met  den  4den  nv.  van 
den  pers.  In  rechte  betrekken ,  aanklagen ,  voor  het 
gerecht  dagen.  \\  So  wair  die  rechten  .  .  .  besaken 
wonde  yement  van  enighen  moortwapen,  O.  K,  v. 
Bott,  18,  29.  Worde  enich  lantpoirter  bezaect  van 
den  baliu  van  Zoithollant,  Y.  d.  Wall  358.  Alle 
die  gene,  die  van  den  ongeval  ende  opsette  .  .  . 
besaect  sijn  off  besaect  sullen  worden,  396.  Soe 
mach  hij  daer  in  of  uyt  legghen  een,  twee  off 
meer  luden  ende  voert  daer  in  besaken  een,  twee 
off  meer  luden  ende  begheren  daer  af  een  vonnis , 
Dingt,  v,  Amtt.  6.  Yan  denghenen,  die  hij  daer 
thans  ingheleit  ende  besaect  heeft ,  ald.  Of  hy  den 
enen  wel  mach  noemen  ende  die  anderen  besaken 
in  zQnre  claghe ,  des  gheert  hy  een  vonnis ,  Dingt. 
V,  Delft  18  (tweemaal).  Worde  yemant  van  al 
desen  punten  beleyt  of  besaect,  ende  worden  hem 
daer  een  dach  of  bescheyden  vanden  hoechsten 
recht,  ald,  46.  Dat  yement  bruecte  binnen  der 
stede  .  .  .  ende  dair  besaect  worde  ende  vervolcht 
vanden  ghenen,  die  missdaen  ware,  Oorl.  v.  Jlbr, 
524  en  536.  Die  clerc  is  sculdich,  die  man  die 
verwonnen  is,  te  scriven  ende  jegen  wien  hy  be- 
saechtwort,  Matth.  141.  Ontsculdich  in  allen  saken, 
daer  mense  mede  mochte  besaken ,  MLoep  II ,  3987 
var.  Fineus  verloor  sijn  sien,  om  dat  hi  blint 
hadde  ghemaect  sjjn  kinder  ende  valschelic  besaeckt, 
III,  580  (aldus  leze  men),  —  Het  deelw.  besaecte 
als  znw.  gebruikt.  Gedaagde,  aangeklaagde.  \\  En 
coemt  die  besaecte  niet  ter  antwoirden ,  Matth.  99. 
En  can  die  besaekte  niet  antwoirden,  so  moet 
hy  een  verantwoirder  hebben,  om  trecht  te  vor- 
deren, 105. 

b)  Met  den  4den  nv.  der  zaak.  Aanslaan ,  beslag 
leggen  op.  ||  Dat  imboel  voirsz.  salmen  mitter  stede 
bode  moghen  besaken  om  sekerheit  van  den  voirsz. 
huyshuer,  O.  K.  v.  Delft  I,  24.  Alsoe  hier  sijn 
goet  besaecht  is  ende  mit  recht  toeghesproken  is , 
Dingt  v.  Delft  27. 

3)  Schijnbaar  intrans.  door  weglating  van  e  n  e  n , 
of  met  bijvoeging  van  een  infin.  Bene  zaak  tegen 
iemand  in  rechte  behandelen.  ||  Wair  dat  saecke ,  dat 
men  eer  besaecte  {eene  terechtzitting  hield)  binnen 
ses  weecken  van  dyen ,  datmen  besaecte  {over  zaken 
als   waarover   de  aankl<icht   hopt),  eenen  dach  te 


leggen  off  quyt  te  laeten.  Mieris  2, 236^  (o.  1320; 
aan  de  woorden  zal  wel  iets  haperen). 

4)  In  het  alg.  bestrijden,  door  heien.  \\  Non  we 
boeke  . . . ,  daer  hi  in  al  besaecte  hare  {der  vumniken), 
leven.  Base  10773. 

Aanm.  —  Hem  bes  aken  in  den  zin  van  zich 
gereed  maken  komt  in  het  muL  niet  voor ;  waar  dit 
gelezen  wordt,  nl.  Clerc  109  en  Oorl.  v.  Albr.  332, 
verandere  men  het  in  hem  besaten  (zie  ald.). 

BESACKEN,  zw.  ww.  bedr.  Laten  sakken-,  vaa 
hartstochten ,  tot  bedaren  brengen,  \\  Jhesus  .  . 
ghine  van  daer,  om  dat  horen  toeren  tebatbesact 
sonde  werden,  Lijd.  o,  E.  3. 

BESACKEN,  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  beeaeken.  U 
zakken  doen  (met  weglating  van  het  obj.)?  Zakken 
maken?  ||  Den  pinres,  die  die  sacken  versetten als 
sijs  noet  hadden ,  ende  te  boeten  ende  te  besacken. 
Bek.  V.  Zeel.  1,  143. 

BESALÜWEN  (beselewen,  beselwex),  zw. 
WW.  bedr.  en  onz.  Mhd.  beselwen;  mnd.  èesolen, 
besalen.  Yan  saluwen;  zie  ald.,  en  vgl.  SALUwen 
Kil.  50:  beseuluwen,  Flandr.  j.  bekladden. 

Bedr.  —  Bezoedelen,  vuil  maken.  \\  Si  dwaea 
hare  die  vute  ende  besiese  nauwelike,  ogse  iwergen 
beselwet  sin,  lAmb.  Serm,  llhe. 

Onz.  —  Vlekken,  vuil  toerden.  \\  Dat  hare 
witheit  uit  en  beselwe  van  haren  anschine,  Xtn^. 
Serm.  141a. 

BESALYEN,  zw.  ww.  bedr.  Mhd.  beuUben. 
Met  zalf  of  eene  andere  vettige  vloeistof  insmeren, 
bestrijken.  ||  Daer  dwoech  si  sgn  voete  mit  tranen 
ende  besalvedese  mit  salve;  want  die  lude  van 
dien  lande  plaghen  hem  te  besalven  voir  tbaden 
om  die  grote  hette,  Ned.  Proza  234.  Als  ie  mi 
mitter  edelre  salve  besalve ,  soe  warde  ie  ghesont, 
Stemmen  136.  Simon  hadde  eenrehande  salve  ghe- 
maect ende  daer  mede  hadde  hij  s^n  aensicht  be- 
salvet,  Paes,  W,  42d.  Soe  besalvet  hijt  {ouiaer) 
mit  cresame  (=  chrisma),  66d,  Des  eens  lichaeai 
besalfdemen  met  hoenich  .  .,  datten  .  .  die  byea 
steken  sonde,  157a.  Oly  .  .,  daer  hl  sgns  vaden 
lichaem  mede  besalven  sonde.  Pass.  S.  2A6.  (Hi) 
besalvede  met  olyen  dwijf,  Sp.  II',  57,  160.  Mit 
costelike  salve  besalvet,  Hs,  88  ƒ.  34c.  (Hi)  bc- 
salvedse  al  om  ende  om  mit  salven,  686.  (Judith) 
dwoech  haer  lichame  ende  si  besalvede  haer  mit 
.  .  mirren,  D.  B.  Judith  10,  3.  Ende  besalven 
dijne  oghen  mit  blanckette,  Ezeeh.  23,  40.  Daer 
met  besalvet  dat  seer,  dat  gheneset,  JanYp.  17S. 
Hiermede  besalvet  dine  wieke,  176.  Zoo  ook  165 
en  166.  Die  cnopen  te  bezalvene  ende  te  spalkene 
die  darmen ,  Hs.  Yp.  142^^.  Sulke  meesters  bexalvea 
dbeen  met  poplione  al  omtrent  of  met  angaentam 
fuscum,  147a. 

BESAMENEN,  zw.  ww.  bedr.  Mhd.  beseuune*; 
mnd.  besamnen  (Lubben  1,  2566;  vgl.  besamwulen, 
ald.  a).  Verzamelen ,  vergaderen,  oproepen ;  alleen  ia 
duitsch  gekleurde  geschriften.  ||  Zo  salmen  jaerlics 

f  roet  capitel  houden,   daer  toe  zalmen  besamenea 
ie  commendur  van  Ermenien  ende  van  Cypre  ende 
andre,  D.  Orde  284. 

BESANDEN,  zn.  ww.  onz.  Verzanden ,  door  zend 
verstopt  of  met  zand  overdekt  worden.  \\  Die  reede , . . 
en  mochte  Symon  niet  dire  verhueren,  omdat  li 
besant  was.  Bek.  v.  Zeel,  1,  100. 
BESANT.  Zie  bisant. 

BESARKEN,  zw.  ww.  bedr.  Yan  sare  (a.  ald.). 

Van  een  zerk  voorzien,   met  een  grafzerk  dekken. 

II   Worde  dat  graff  bynnen  jaers  nyet  besarkei, 

soe  is  de  grove  der  kerke  weder  verschenen ,  mer  was 

besarket  is,  ende  wedergeopent  wort,  enz.  Bacer 6,  Sa. 


977 


BESA. 


BESA. 


978 


BESATE  (besaet)  ,  znw.  yr.  Mnd.  besate.  Arrest^ 
h9ilagUgg%ng  y  imheilagnevnng  \  alleen  in  duitsch  ge- 
kleurde geschriften.  ||  Ende  men  sal  hem  ende  sijn 
gnet  Tervolgen  mit  besate  als  gasten  gnet,  Ooerijs,  K 
I',  158.  Men  sall  gheven  van  elcker  besate  enen 
oelden  Ylemssche  ende  van  der  ontsate  II  olde 
Ylemssche,  R.  v.  Zutf.  45,  142.  Wanneer  yemandt 
eenich  gereet  goedt  wil  laten  besetten,  die  sal 
salcken  besaet  maer  een  reys  derven  doen  laten, 
Landr,  v.  Vel,  21.  Geholden  zijn  tot  Tersekernngh 
yao  sgne  gedaen  besaet,  ald.  Soo  sal  men  de 
besate  met  twee  nabniren  mogen  doen,  edd.  22. 
Dat  de  besate  de  Reintken  gedaen  hefft  aen  Roeleffs 
haes,  tho  onrechte  gedaen  hefift,  EUt,  v.  Dr.  45. 
Item  en  sal  nyement  bespreek  oft  bezate  of  pandinge 
doen  op  enich  erve  ofte  guet  enz.,  Racer  3,  157 
(tweemaal).  Die  snllic  bespreek  ofte  besate  gewonlike 
gedaen  hadde,  ald,  Wolde  hye  der  besate  niet 
achten,  soo  mach  hem  die  richter  antasten ,  Za»»^. 
V,  Wedde  140,  177. 

BESATEN,  zw.  ww.  bedr.  en  'w%^%Tk.  {betatede 
en  betaette  (Jbetaté)).  Mhd.  besdzen]  mnd.  besaten. 
Verwant  met  besetien,  als  afgeleid  van  een  znw. 
saté  van  sitten. 

Bedr.  —  1)  Besturen,  regelen.  ||  Wysheit  besaet 
alle  dinc  snetelijc ,  disponit  omnia  suaviter ,  6.  Groote 
89  (Boec  d.  Wijsh.  8,  1).  Vgl.  hem  besetten,  Lsp. 
Gloss.,  dat  ook  met  hem  bestieren  in  de  var. 
afwisselt. 

2)  Bezetten,  beschermen,  afzetten,  door  eene 
heining  enz.  afsluiten.  \\  Ein  man  mach  sijn  koren 
and  hoylandt  besaten  ofte  bevreden  voer  der  naber 
beesten,  Landr.  v.  Wedde  202,  283. 

3)  Beslag  leggen.  \\  Of  daer  ein  man  besatet 
worde  mit  sijnen  gnde,  dat  mach  hie  vrien  mit 
einen  borge    enz.  Landr.  v.  Wedde  192,  265.  Zie 

ook  BESATINOE. 

Wederk.  —  1)  Zich  {zijne  zaien)  regelen,  zich 
toerusten,  zich  voorbereiden,  toeberetdselen  maken, 
maatregelen  nemen.  ||  So  die  reyse  afterbleef ,  daer  si 
kim  jeghen  besaec  (/.  besaet)  hadden ,  Oorl.  v.  Jlbr. 
332.  Daer  hem  die  grave  . .  mit  sinen  broeder  tegen 
besateden,  Clerc  36.  So  dat  die  grave  van  HoUant 
mit  sinen  volke  him  daertegens  bezatede,  ald. 
Grave  Florijs  .  .  bezate  {d.  i.  besaette)  hem  daer 
tegen  ende  nam  den  grave  van  Cleven  tot  sinen 
medegeselle  {om  naar  Clermont  te  reizen),  85.  Om 
deser  vermaninge  besaecte  (/.  besaette)  hem  Coninc 
Willem  over  berch  te  riden  als  pelegrim,  109. 
(Hi)  liet  of  dat  hi  voir  hadde  te  doene  ende  bezatede 
hem  mitten  volke  thnys  te  beclimmen,  140.  (Hi) 
besatede  him  daer  tegen  ende  quam  mit  groter 
menichte  van  volke  tAlcmaer,  144.  (Die  grave) 
besate  {d.  t.  besaette)  him  mit  alle  siin  macht 
daer  tegen,  151.  Daer  him  grave  Jan  tegen  in 
stilre  waer  bezatede,  153.  Doe  hem  die  confirmatie 
gecomen  was ,  besatede  hy  hem  om  tsinen  gestichte 
te  comen,  Matth.  Jnal.  3,  294.  Doe  besatten 
(/.  besaetten)  hem  die  van  Utrecht  dair  toe,  .  . 
om  horen  Heere  ende  den  sinen  dair  te  misdoen, 
298.  (Si)  namen  enen  sekeren  tyt  hem  elc  te 
besaten  ende  dan  in  den  velde  te  comen,  323. 
Hertoghe  Wiliam  .  .  besatede  hem  .  .  ende  voer 
in  den  selven  jaer  .  .  in  Engelant,  351.  (Si)  deden 
als  getrouwe  jonckers  .  .  ende  besateden  hem  dair 
toe  den  casteleyn  te  hulpe  te  comen,  357.  (Si) 
wonden  striden  .  .  ende  elc  van  den  partien  besatede 
hem  hart,  364.  Die  hem  daer  toe  besaten  dat  te 
doen,  389.  —  Vandaar  besaet  sjn,  tich  voor- 
bereid  hebben,  toegenist  zijn.  \\  Doe  die  besaet 
waren    ende   den    wynt   mochten   crigen,  quamen 


(si)  ter  Eem  mitter  provande,  389.  Die  van  den 
huse  niet  wael  besaet  en  waren,  357. 

2)  Zich  toeleggen  op,  zich  zetten  tot.  Vgl.  HEM 
BESETTEN.  i|  Dat  sv  hoer  boesheit  mosten  laten,  ende 
totter  doecht  hem  besaten ,  Hild.  101 ,  21.  Dat  vierde 
point  is ,  dat  een  taelman  hem  besaten  sal ,  wel  gesien 
te  wesen  mitten  rechter ,  Matth.  102.  Die  rechteren 
snllen  altoes  hem  dair  toe  besaten ,  yghelic  bereet 
te  wesen ,  124.  Omdat  ygelic  .  .  die  scarpheit  des 
rechts  wel  weten  sal,  ende  besaten  hem,  dat  hy 
dair  in  niet  bescadicht  en  worde,  152.  Als  die 
jonghen  in  den  scependom  hem  besaten  te  wesen 
van  manieren  als  voirs.  is,  so  sijn  die  on  de  hem 
scnldich  te  eeren,  49. 

BESATINGE ,  znw.  vr.  —  1)  Hetzelfde  als  besate 
(z.  ald.).  Arrest,  beslaglegging ,  doch  slechts  in 
duitsch  gekleurde  stukken.  ||  Und  sullen  de  scholten 
alle  peyndingen,  besatingen  und  badingen  .  .  in 
eygener  persoonen  doen,  Landr.  v.  Vel.  22.  Alle 
besatingen  op  yemants  persoone  ofte  goedt  gedaen, 
sullen  ontslagen  zijn  onder  behoorlicke  ontsaet 
ald.  23.  Fan  besatinghe,  titel,  ald.  20.  Schuit, 
daer  voor  de  besatungh  gedaen  sal  zgn,  21. 

2)  Bezitting  (of  moet  worden  gelezen  besit- 
tinge?).  II  Innocentius  .  .  heeft  dese  .  .  cloosteren 
ontfaen  totter  heyliger  kercken  van  Romen  mit 
horen  besatingen  die  sy  nn  hebben  of  namaels 
hebben  moghen  mit  eygendomme,  Matth.  Anal.  3, 96. 

BESCADEN ,  zw.  ww.  bedr.  Mhd.  beschoten,  gew. 
beschatewen;  vgl.  JHut.  2,  198:  be  se  aden, 
adumbrare.  Van  scade,  d.  i.  schaduw.  Beschaduwen , 
overschaduwen,  IbX.  obumbrare.  ||  Schade  die  menich 
velt  bescaet,  want  sgn  volc  dat  rust  daer  onder, 
Hild.  214,  84  var.  De  cracht  des  almegtegs  sal  dl 
beschaden,  L.  v.  J.  c.  3  (vgl.  Luc.  1,  35).  Een 
bleckende  wolken,  diese  bescaedde,  Hs.  v.  1348, 
72a.  Sine  scade  eiken  van  dien  bescaedde,  1516 
(Hand.  5,  15).  —  Ook  bescadüwen  komt  voor.  || 
Mit  sinen  sonderen  sel  hi  di  bescadnwen  ende 
onder  sgn  vlogelen  selstu  hopen,  Qetijdeb.  S.  Iba 
(ook  Ibd  en  lid). 

BESCADEN,  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  beschaden. 
Schade  doen,  benadeelen,  \\  Och  hoe  qualic  sijn  sy 
beraden ,  die  hem  selven  soe  beschaden ,  MLoep  IV, 
1669.  Die  hem  selven  soe  bescaden  ende  allen 
vrede  van  hem  trecken,  730.  Omme  der  copmans 
wille  .  .  .,  die  van  voer  Zwen  verdreven  ende 
bescaet  waren.  Bek.  v.  Qent  1,  305.  Op  dat  hy 
wapentuers  genoeuh  versamenen  wonde,  die  Inde 
mede  te  bescaden,  Matth.  Anal.  3,  175.  Die  .  . 
him  genomen  hebben  een  scip  .  .  daer  si  him 
mede  bescaet  hebben  tot  Xllc  scilden  toe,  O.  K, 
V.  Bott.  35,  104.  Dies  {door  den  watersnood)  de 
meneghe  wart  ghestoert  ende  bescaet  so  bitterlike, 
ri.  Rijmt.  6691.  Al  syn  mijn  oren  ofghesleghen , 
dat  bestaet  (/.  bescaet)  niet  (/.  mi)  twint,  Segh. 
4444  var.  {tekst  scaet).  Eer  hy  van  sijn  erff  be- 
scaet, in  de  uitoefening  van  eigendomsrechten  be- 
lemmerd  wordt,  ende  daerofif  verscheyden  sal ,  O.  B, 
v.  Dordr.  2,  305.  Daer  of  instaen  .  .  up  dat  syre 
by  bescaet  worden ,  Diericx ,  Mém.  1 ,  568  («.  1405). 

BESCADEWINGE.  Zie  bescaduwinoe. 

BESCADIGEN,  zw.  ww.  bedr.;  in  H Mhd. noch 
Mnd.  in  gebruik.  Vgl.  bescaden,  2de  Art. 

1)  Met  den  4den  nv.  van  den  ^era.  Benadeelen , 
schade  doen,  afbreuk  doen,  belemmeren,  leutig 
vallen.  ||  (Si)  branden  in  der  selver  reyse  ende 
bescadichden  den  hertoge  al  tot  's-Hertogenbosch 
toe,  Clerc  158.  Of  die  mombair  dat  niet  en  dede 
.  .  ende  die  kynder  dair  ofif  by  hem  bescadicht 
worden,   B.   v.    Vtr,   2,   272.   Aen  horen sculden 


979 


BESC. 


BESC. 


980 


ende  renten  niet  bescadicht  en  werden,  ald. 
Na  inhont  der  hantvesten  so  mach  men  gheen 
poirter  bescadigen ,  die  buten  den  ban  is ,  Matth. 
162.  Om  dat  ygelic  .  .  die  scarpbeit  des  rechts 
wel  weten  sal,  ende  besaten  hem,  dat  hy  dair 
in  niet  bescadicht  en  worde,  ald.  Dat  hy  sinen 
nabner  van  sinen  water  niet  en  beschadich ,  O.  R,  v, 
Dordr.  1,  308,  1;  vgl.  309,  3. 

2)  Als  rechtsterm.  Enen  — ,  iemand  in  rechte  aan- 
tp  reken^  vervolgen.  Iet  — ,  goedergen*  voor  aanepreken^ 
er  beslag  op  leggen.  ||  Dat  hy  hem  te  bet  sal  verhoeden 
te  seggen  of  te  doen ,  datten  rechter,  den  scependom 
of  der  steden  recht  tegen  droech,  dair  hy  om 
begrepen  ende  bescadicht  mocht  worden,  Matth. 
143.  Dair  ment  mit  recht  voir  beschadighen  mach , 
ald.  118. 

BESCADINGE,  znw.  vr.  Van  óescaden  {U  Jltï.). 
Betchaduwing ^schaduw .  \\  Die  bescadinge  des  daechs 
yander  hitte,  He.  v,  1348,  127a. 

BESCADINGE,  znw.  vr.  Van  bescaden(^%A.Ti.). 
Schade^  nadeel.  \\  Alle  die  doden,  rovinge,  brant 
ende  ander  bescadingen,  die  inden  orlogen  geschiet 
waren,  Exc.  Oron.  148^. 

BESCADÜWEN.  Zie  bescaden,  1ste  Art. 

BESCADÜWINGE  (bescadewinge),  znw.  vr. 
Schaduw.  \\  Te  wien  negheene  verwandelinghe  ne 
es  noch  neghene  bescadewinghe  der  warefte  {d.  i. 
waerfte),  echaduw  van  omkeering  y  Hs.  v.  1348, 
139a  {Jac.  1 ,  17).  Hi  was  hem  ene  bescadewinghe 
des  da^es  ende  een  licht  der  sterren  bider  nacht, 
ald.  252d. 

BESCAEMT,  bnw.  Van  scame  (zie  ald.).  Mei 
schaamte  of  schande  gepaard  gaande.  \\  Eens  nachts 
lagen  si  so  lange  tsamen  dat  si  te  spade  haerre 
scamen  worden  geware,  entie  clerc  siet,  dat  al 
bescaemt  es  (dat  het  noodtoendig  op  zijne  schande 
moet  uitloopen)  ende  hi  niet  ontgaen  en  mach, 
Sp.  IV",  46,  66. 

BESCAEMTE,   znw.   vr.  Schaamte,  schande.    || 
O  gheboerte  {uit  eene  maagd),  die  alleen  is  sonder 
wee,  alleen  sonder  beschaemte,  Bern.  W.  26a. 

BESCAEMTENISSE ,  znw.  vr.  (verg.  het  meer 
gewone  bescamenisse).  Van  bescaemt,  deelw.  van 
hem  bescamen ;  vgl.  gedachtenis ,  ontsteltenis.  Bescha- 
ming,  schande.  \\  Tot  zyn  meerder  confays  ende 
beschaemtenis  zyn  met  hem  wtgheleyt  twee  moorde- 
naers,  F.  m.  f.  101». 

BESCAERM,  BESCAERMEN.   Zie  bescherm, 

BESCHERMEN. 

BESCAERTEREERT.  Zie  op  bechaertereert. 

♦  BESCALLEN.  Verkeerde  lezing  voor  3«^a/^, 
Oudem.  1  ,   668.  Zie  bestellen. 

BESCAMEN ,  zw.  ww.  bedr. ,  onz. ,  onpers.  en 
wederk.  Mhd.  sich  beschamen. 

Bedr.  —  Beschaamd  maken,  te  schande  maken.  \\ 
Wye  den  anderen  beschaemt,  die  wert  ghegecket, 
hoement  raemt,  MLoep  I,   2681.  Daerom  ontsach 
ie  mi  hem  te  bescamen,  Ned.  Proza  282. 

Onz.  —  Beschaamd  worden.  \\  Eens  onghemaniert 
menschen  gave  dnet  die  oghen  bescamen,  D.  B. 
Jezus  Syr.  18,  18  (het  lat.  heeft  iets  anders,  nl. 
tabescere). 

Onpers.  —  Mi  beschamet,  ik  schaam  mij,  ik 
word  te  schande  gemaakt.  ||  Di  en  sal  niet  bescamen 
{non  te  pttdebit)  want  du  sultste  vergheten  des 
lachters  dijnre  joncheit,  B.  B.  Jes.  64,  4  (wel  als 
latinisme  te  beschouwen). 

Wederk. —  Hembescamen,  zich  schamen",  van 
het  gelaat  gezegd,  blozen.  \\  Jacob  en  sal  nu  niet 
bescaemt  worden,  noch  nu  en  sal  hem  sgn  aen- 
sicht  niet  bescamen,  D.  B.  Jes.  29,  22. 


BESCAMENISSE  (bescamenis),  znw.  vr.  Be- 
schaming, schaamte,  schande,  lat.  amfusio.  VgL 
BESCAEMTENISSE.  II  Een  bescamenisse  der  sonden. 
Gulden  Troen  f.  6 c.  Here ,  in  diis gherechticheit, 
mer  ons  is  huden  bescamenisse,  B.  B.  Dan.  9,7. 
In  bescamenisse  des  aensichtes,  Esra  9,  6.  Dese 
bescamenisse  en  sal  ons  niet  aanvangen,  Micia 
2,  6.  Myn  viant  salt  aensien,  ende  sal  bedect 
worden  mit  bescamenisse,  ald.  7,  10.  Hi  is  ver- 
volt  met  bescamenisse,  voer  glorie,  Habac.  2,16. 
Den  here  onsen  God  is  rechtvaerdicheit ,  mer  ons 
ende  bnsen  vaderen  bescamenis  des  aensichts, 
Barueh  2,  6. 

BESCAMPEN,  zw.  ww.  bedr.  Van  scamp-,  zie 
ald.  en  verg.  ons  beschimpen.  —  1)  Bespatten,  be- 
driegen. II  Die  princen  ende  die  overste  van  der  wet 
die  bespotteden  ende  bescampten  Jhesus ,  Lijd.  o.  E. 
40.  Die  Joden  spotten  mit  hem  ende  lacheden  ende 
bescampten  hem,  41.  Jhesum  te  pinen ,  te  bespotten 
ende  te  bescampen,  43.  Aldus  bescampten  die 
meesters  die  discipulen,  70. 

2)  Benadeelen.  \\  Datter  vele  meer  personen  bi 
ghequetst  zyn  ende  bescampt,  dan  yervoordert 
ende  bescudt,  Cout.  v.  Gent  607. 

BESCAMPEN ,  zw.  ww.  bedr.  Niet  te  verwarrea 
met  het  vorige  woord;  van  scampen;  ir.  eseamper; 
it.  scampare  (Scheler  170);  mlat  seampare  (snppL 
Duc:  scampare, liberare, servare).  Kil.  scampen, 
elabi ,  evadere.  Van  lat.  ercampare.  Vgl.  fr.  déeamper 
en  Wn.  ontschampen  (De  Bo  776).  Het  is  van 
dezen  stam,  dat  het  ww.  a/seampelen  af  te  leiden 
is.  Bevrijden,  in  vrijheid  stellen  (eig.  het  veld  doen 
ruimen),  vrijstellen  van  eene  verplichting.  \\  Dat  men 
niemene  sculdich  en  es  te  bescampene,  noch  dea 
enen  borghe  ute  te  doene  omme  den  anderen  te 
verzwaeme,  Invent.  v.  Brugge  1,  492. 

BESCAMPINGE ,  znw.  vr.  Van  bescampen,  Ic  Art 
Smaad,  bespotting,  hoon.  ||  In  grote  onsprekelile 
bescampinge  of  verworpenheyt.  Fase.  M.  f.  9ör. 

BESCANDEN,  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  beschanden. 
In  schande  brengen ,  schande  aandoen.  —  Vandaar  h^ 
deelw.  bnw.  bescandet,  bescant,  schandelijk^ 
aan  zonde  schuldig,  strafbaar.  ||  God  sal  tvleeseh 
niet  bescant  reken  . . .  maer  soe  {de  eief) ,  an  wien 
dat  {het  vleesch)  clevet,  Wap.  Rog.  666. 

BESCAREN  (besceren),  zw.  ww.  bedr.  Mhd. 
bescham.  Van  scaren,  d.  i.  tf»  slagorde  stellen. 

1)   Opstellen,  ordenen,  regelen,  van  troepen,   jj 
Dus  bescaerde  hise  .  .  ende  droech  selve  .  .  hier 
lieder  standaert,  Grimb.  I,  4966.  Wel  bescaert  ia 
twe  scaren ,  II ,  2886.  Als  die  van  Utrecht . .  staen 
beschaert  om  té  vechten,  Matth.  Anal.  1,  437. 

2  Met  scharen,  troepen  omringen.  \\  (Si)  haddease 
bi  na  al  omme  besceert,  Clerc  64. 

BESCAREN,  andere,  slechts  by  Hild.  Yoorkome&de 
vorm  voor  besceren  (zie  ald.). 

BESCARM,   BESCARMEN.  Zie  bescerm,  be- 

SCERMEN. 

BESCATTEN,  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  beschotten; 
mhd.  besehatzen.  Iemand  met  geldelijke  lasten  he- 
zwaren,  hem  eene  schatting  of  belasting  opleggen, 
geld  afpersen.  Steeds  gezegd  van  een  meerdere  tea 
opzichte  van  hen,  die  hg  in  zgne  macht  heeft 
Ook  tot  afkoop  van  plundering.  Brandsehattmg 
eischen.  \\  So  moeten  die  weduwen  sgn  bescat, 
ende  gelden  mede  dit  ende  dat  die  mageden  ende 
die  joncvrouwen,  Sp.  III*,  36,  123.  Dat  hi  tfolc 
van  sinen  rike  bescatte  sere  ende  zwaerlike ,  III*, 
49 ,  33.  Ic  sie  den  gherechten  vaen  beede  bescattea 
ende  vaen ,  Wap.  Mart.  1,10  var.  Dat  hise  {de  lieden) 
niet  80  sere  bescatte,  dat  sine  vloaken  omme  datte, 


98d 


BESC. 


BESC. 


982 


Heim.  137.  Dat  hi  sine  ondersaten  niene  bescatte 
bnter  maten,  147.  Dat  hi  sine  ghebnren  bescat, 
N.  Doet.  621.  Kejser,  coningben,  ander  heren, 
die  hoir  eyghen  volck  beseren  ende  helpen  be- 
schatten  boven  reden,  Hild.  76,  107.  Paep  nochte 
deken,  diese  {de  kuitüeden)  tonrecht  sonde  be- 
schatten,  211,  349.  Men  setter  desen,  men  setter 
dien,  die  tfolc  beschatten  ende  castjen,  226,  30. 
Als  die  lenwe  om  sijn  profijt  den  goedertieren 
beesten  beschat ,  scheeret  of  onder  die  yoete  dmct, 
Seiaaktp,  2b.  Dat  wy  se  nummermeer  beschatten 
en  snllen  off  bidden,  dat  aen  oir  goet  dreecht, 
Njh.  1,  239.  Heynric  die  casteleyn  yan  Hagen- 
stejne  .  .  .  bescattede  die  Stichtslnde  onredelic, 
Matth.  AnaL  8,  221.  Die  bnrchsate  van  Lienden 
des  Stichtes  Inden  al  in  een  bescaten  (/.  bescatten 
of  bescaetden?;  sie  bescaden,  2de  Art)  ende 
moyeden,  210.  Voert  en  sal  ick  myne  poorte 
noch  beschatten  noch  mit  beden  beswaren,  596 
noot.  Zoo  ook  Srab.  T.  V,  1053,  1055,  1057; 
ri.  Rijmt.  5484;  Mieris  2,  200a;  345<z;  O.  K.  v. 
Delft  II,  28;  R.  v.  Utr.  1,  383,  5;  Oeseh.  v. 
Jniuf.  4,  520. 

BfiSCATTER,  znw.  m.  Mnd.  hesehatter.  Hij  die 
iehatting  int^  die  geld  afyerst^  lat.  exaetor,  \\  Si 
sollen  .sQn  vaende  die  ghene,  die  hem  vinghen 
ende  sy  snllen  haer  bescatters  {in^^'^tti.drijvert) 
tonder  doen,  D.  B.  Je*.  14,  2.  Hoe  ghecesseerde 
die  bescatter  ende  hoe  gemstede  die  tribnnt?^/^:?. 
YB.  4.  Du  hebste  verwonnen  die  moghentheit  des 
geweldighen  bescatters  als  in  den  daghe  Madian, 
Bern.  W.  22*. 

BE8CATTINGE,  xnw.  vr.  Mnd.  bescAattinffé ; 
mhd.  beaekatsunge.  Schatting^  belasting ;  lat.  tributum, 
li  Dat  si  sullen  wesen  vriende,  bewart  van  allen 
nntwarden.  bescattinghen  ende  beden,  Y.  d.  Wall 
52.  Yan  dien  drien  landen  goet  te  nemene  of  be- 
scattinge  te  doene,  D,  Orde  312.  Yri  ende  bewart 
van  allen  nntvarden,  bescattinghen  ende  beden, 
Oorib.  2,  135*.  Wat  orbore  wy  doen  .  .  met  be- 
scattinghen .  .  in  des  graven  lant  van  Gelre ,  260*. 
Yry .  .  van  alre  beschattinghe  off  lot  van  gneden, 
494  tf. 

BESCAU.  Zie  bescouw. 

BESCAUWEN.  Zie  bescouden. 

BESCAÜWEN.  Zie  bescouwen. 

BESCAYEN ,  st.  ww.  bedr.  {[beecoefj]  beseaven). 
Mhd.  beeekaben.  Yan  scaven ;  zie  ald.  en  vgl.  T.  en 
Letib.  1,  234  vlg.  Eig.  afsehaoen^  afkrabben  en 
by  oitbreiding  van  landen  en  personen  gezegd, 
ee  mtphtnderen ,  uitmergelen ^  uitklèeden ,  berooven.  \\ 
Fellz  die  baelin  die  ierst  hielt  der  Joden  bu 
{sijde),  also  lange  als  si  hem  miede  gaven,  ende 
als  hise  hadde  wel  beseaven,  es  hi  an  dander  boert 
gehelt,  S^.  II',  2,  13.  Rovers,  {die)  wildentlant 
beseaven,  Bijmb.  13781.  —  Yandaar  het  deelw. 
beseaven. 

a)  Yan  zaken.  Kaal,  versleten,  in  waarde  ver- 
vttnderd  (vgl.  eng.  skabby).  \\  Sone  sceen  hi  niet 
rike  van  haven:  sQn  cleeder  waren  so  beseaven, 
D.  War.  8,  79,  35  (vgl.  Belg.  Mus.  8,  97,  36). 
Haer  juwelen  die  sijn  soe  beseaven,  men  machse 
oec  niet  met  eren  loven,  Belg.  Mus.  10,  65,  30. 

b)  Yan  personen.  Kaal,  armoedig,  berooid.  {iDai 
hi  sijn  goed  achter  hem  laten  moeste  ende  gaen 
siere  straten,  beseaven,  aerm  ende  bloot,  Amand 
I,  3860.  Al  bestu  arem  man  van  haven  ende  van 
rychede  sere  beseaven,  D.  Cat.  127.  Elck  wilden 
horen  (nL  kun  eonvenC)  houden  vet,  ende  dan  die 
ander  sQn  beschaven,  Hild.  11,  484.  Oec  schene 
ie  alsoe   beschaven,   dat   sijt  wel  halff  verloren 


gaven,  29,  207.  Al  schinen  wy  hier  aldus  beseaven, 
tcomt  al  buten  onse  scouden,  204,  78. 

BESCEDEN.  Zie  besceiden. 

BESCEDEN.  Zie  bescieden. 

BE8CEEPT.  Zie  bescepen. 

BESCEERNEN.  Zie  bescerenen. 

BESCEIDEN  (besceden)  ,  st.  en  zw.  ww.  bedr. 
en  onz.  {besckiet  en  besckeide,  betckeiden  of  be- 
sckeden).  Mnd.  bescke{i)den]  mhd.  besckeiden. 

Bedr.  —  1)  Scketden,  afsckeiden.  \\  Haer  lant 
bescied  hi  ghinder  van  Ysaacke,  separavit  eoe  ab 
Isaae,  Rijmb.  2116.  Omdat  Constantinobele  sciet 
van  den  roemschen  kelserike,  ende  bleef  besceiden 
ewelike,  Brab.  T.  II,  1632  {var.  gesceiden).  Met 
lode  ende  met  viere  bescedement  {var.  sceedment, 
{nl.  dat  selver).  Nat.  BI.  XIII,  117. 

2)  Onderseketden',  afdeelen.  \\  Een  orloy  {korloge\ 
.  ..daer  in  twaelf  wilen  besceden  waren,  Sp. lY^^ 
15,  93.  —  Ook  in  bijzonderkeden  noemen,  specifi- 
ceeren.  \\  Yan  deinen  costen  die  staen  verclaert 
ende  besceeden  in  den  moederbonc ,  Invent.  v.  Brugge 
2,  92.  Daer  ie  die  rekeninge  mijn  af  hebbe  ge- 
daen  ende  besceiden,  Brab.  T.  YI,  4702. 

3)  Af  deelden,  verdeelen.  \\  So  dat  hi  sinen  tyt 
besciet  in  drien  .  .  ;  dus  besciet  hi  nacht  ende 
dach  in  drien,  Yelth.  I,  21 ,  3.  —  Ook  in  den  zin 
van  korten,  klein  maken,  met  het  obj.  tyt.  ||  Met 
vederslaghe  no  met  sanghe  besceet  hi  {de  kapoen) 
niet  die  wilen  langhe.  Nat.  BI.  III,  2067. 

4)  Toedeelen.  Ygl.  onze  uitdr.  mijn  besckeiden 
deel.  il  (God)  beschiet  ons  . . .  elke  nature  na  mensche- 
lychede ,  M.  en  Vr.  Heim.  982.  Dalmachtige  God 
besciet  {of  te  lezen  besciet?)  allene  hemelsce  rycheit 
algemene ,  maer  en  gene  eertsce  dingen  en  horen 
te  hem,  Yelth.  YII,  22,  33. 

5)  Ondersckeiden,  juist  beoordeelen,  onderling  ver- 
sckillende  zaken  goed  uit  elkander  kouden ;  lat.  distin^ 
guere,  discemere.  ||  Daertoe  hoert  vele  w^sheden, 
salmense  {de  zaken)  alle  wel  bescheiden ,  Lsp.  III , 
12 ,  65.  Daniel  die  saken  wel  besciet ,  Sp.  II*,  56 ,  24. 
(Hi)  gaf  hem  oec  die  mogenthede ,  dat  hi  bonde 
ende  ontbonde  naer  dat  hi  besceden  conde,  III*, 
91,  10  {Brab.-  T.  II,  1466,  waar  ten  onreckte 
besteden  gelezen  \oordf).  Diese  {de  zaken)  al  sal 
bescheeden,  hy  moet  hebben  vele  wgsheden,  OT/. 
Qed.  2,  66,  38.  —  Den  tjt  wel  besceden, 
de  gebeurtenissen  goed  uit  elkander  kouden,  ervaren 
sijn  in  de  ckronologie.  \\  Een  Flegon ,  een  wgs  man, 
(die)  dien  tijt  wel  besciet,  i^.  I*,  31,  31. 

6)  Beslissen,  besleekten,  uitwijzen, uitmaken, hd. 
entsekeiden ,  zooWel  in  streng  juridische  opvatting 
als  in  algemeenen  zin. 

a)  Met  den  4den  nv.  der  zaak.  ||  Doe  niemen 
dat  besceden  conde,  besciet  die  coninc  in  corter 
stonde ,  want  hi  hiet  bringhen  een  swerde ,  ende  dat 
kint  deelen  metter  verde,  Rijmb.  11185. Diegene, 
die  dat  al  beschieden  (/.  bescheiden)  ende  betuyghen 
konde,  Handv.  v.  Medembl.  62*.  Dat  ghi  den  meter 
dort  verbeiden,  die  alle  mate  sal  bescheiden ,  Hild. 
18,  233.  Die  grote  consten  van  hem  beyden,  die 
en  mochtent  vreden  noch  bescheiden,  47,  263.  Hi 
die  alles  dincs  hevet  (/.  heeft)  macht,  die  seltint 
leste  wel  bescheiden,  82,  100.  Woud  elc man  sinen 
meerren  wijeken  .  . ,  tworde  licht  al  anders  be- 
scheiden, dan  mit  oerloghe  off  mit  stryden,  251, 
56.  Tgoent  dat  uwer  sonveraineteit  toebehoort  te 
bescheedene,  Invent.  v.  Brttgge  3,  510.  Ie  sonde 
vonnesse  wisen  .  .  ende  dat  wel  besceiden,  O VI, 
Ged.  2,  119,  164.  Ten  is  herte  no  ghedochte ,  die 
dat  wel  besceden  mochte,  TVoym  5410.  In  so  corten 
uren  .  .  werd  besceden  {opdenoordeelsdag),Ye\ilL, 


983 


BESC. 


BESC. 


984 


YIII,  17 1  40.  So  qaam  soe  tot  Salone  (Solon)^ 
die  besciet  die  redene  scone  {bijw.),  Sp.  I*,  49, 
29.  Bisscoppe,  die  dit  recht  te  bescedene  namen, 
III^,  7,  11.  Die  quam  in  Ylaendrea  ende  besciet 
met  wighe,  wies  tlant  wesen  sonde, III', 89, 180. 
So  sullen  wi  allene,  wi  twee,  die  dinc  besceden 
metten  swaerde,  lY*,  66,  104.  Men  sonde  elx 
recht  besceden,  IV*,  75,  6.  Datmen  Gode  aen- 
roepen  zonde,  dat  hi  dese  dinc  bescheden  wonde, 
Ztp.  II,  5,  43.  Dat  men  (/.  ment)  te  campe  be- 
sciedde,  £eiff.  Mus,  1,  27,  25.  Dat  sonde  be- 
scheyden  ende  verricht  warden  bi  hem  vieren  van 
onsen  rade,  Nijh.  2,  151.  Dat  si  dat  beschejden, 
Mieris  2,  213a.  Item  zal  hi  bescheiden  mit  den 
scepen  van  Medemblyc  dat  parlement  tnsschen 
Harken  ende  Martyn,  ald.  b.  —  Schijnbaar  intrans. 
staat  besceiden,  door  yerzwggin^  Tan  het  obj. 
twü£,  oneenigheid^  op  dezelfde  bladz.  ||  Dat  haer 
Dieric  van  Outshome  bescheyden  zal  tnsschen 
Nannekin  ende  Zivekin. 

b)  Met  den  4den  nv.  des  persoons.  Tot  een  vergelijk 
brengen^  verzoenen,  \\  Uns  tbescheden  ende  over  ene 
tn  bringen  van  allen  twe3nigen  (d.  i  itningen,  on- 
eemghêden).  —  Ook  in  het  pass.  ||  Wine  willen  niet 
syn  bescheiden,  dat  uitgemaakt  worde ^  welc  onser 
dattie  meeste  es,  Tet,  BI,  1466.  Tote  der  papen 
behoef,  die  omme  die  kerke  twien  ter  tyd  toe ,  dat 
si  (de  papen)  besceyden  {verzoend)  sien  (/.  sQn),  Mieris 
2,  234a.  —  De  onb.  w^s  besceden,  als  znw. 
gebrnikt.  Beslisnng^  verzoening^  vergelijk.  ||  (Mijn 
heere)  es  in  groeier  noet  om  eenen  man  die 
hi  heeft  doot;  vaert  tote  hem  met  hawer  macht 
ende  helpt  hem  om  een  besceiden,  Denkm.  3, 
134,  86.  Vgl.  Belg.  Mus.  10,  78 ,  82 :  „Helpt  hem 
doch  tot  enen  besceide."  Zie  besceit  7). 

7)  Bepalen,  vaaittellen. 

a)  In  den  zin  van  beslissen,  verordenen,  \\  Ende 
(hi^  heeft  hen  sacrificie  geset  van  beesten ,  also  die 
onae  wet  bescheeden  heeft  in  haer  gebode ,  ^.  II  * , 
23 ,  421.  Hermitagie  wilde  hie  pleghen  ende  nanwer 
leven  leden,  dan  die  cloestre  besceden,  111% 28,  14. 
Vogle  bescied  hi  hem  daer  ter  stede,  die  niet 
waren  van  vier  voeten,  dat  sise.  daer  wel  eten 
moeten,  Bijmb,  5346.  Dns  wast  besceiden  .  ., 
datten  de  grave  of  her  6hy  mochten  ontseggen, 
Stoke  Vin,  448. 

b)  In  den  zin  van  duidelijk  aanwijzen ,  uitdruk- 
kelijk noemen.  Ook  met  bijvoeging  van  den  3den  nv. 
des  persoons.  ||  Daer  en  staet  gheen  tijt  bescheiden, 
Hild.  70,  250.  Wat  boeten  hier  niet  claerlQck 
besceyden  zyn,  die  sullen  bescheyden  die  scoute 
metten  scepenen,  also  hun  best  ende  witt^lyck 
duncket.  Mieris  1,  545a.  Den  dach  can  ie  niet 
besceden,  Stoke  VIII,  471.  Die  coninc  besciet 
hem  enen  dach,  dat  hiere  sonde  wesen  dan,  III,* 
1316.  Stede  ende  stonde  . .  heeft  si  him  bescheiden 
wael,  MLoep  I,  2884.  Den  tijt  bescheyde  si  hem 
also,  II,  1453.  (Si)  bescheyde  hem  ene  stonde, 
IV,  1981.  Opten  dach,  dien  ie  hem  beschiet, 
Mask,  180.  Oec  zolen  zi  hem  besceden  ene  tijt, 
binnen  welker  hi  weder  come,  D.  Orde  312.  So 
besceidet  hi  anderwerve  enen  dach,  Hs,  75,  Rebr, 
4,  7.  Des  besceide  hem  die  coninc  enen  dach  .  . 
ende  sat  te  ghedinghe  ende  settese  te  talen,  ald. 
Hand.  12,  21.  Zoo  ook  Dingt.  v.  Delft 56.  —  D At 
jaer  besceiden,  Aet  jaar,  den  duur  van  het 
jaar  bepalen ,  vaststellen ;  de  tijdrekening  bij  jaren 
bepalen.  \\  Deerste  die  oint  jaer  besciet  .  .  dat  was 
Romulus  .  .;  ne  maer  tien  maende  maecti  int  jaer, 
Sp.  I',  14,  17.  —  Het  verl.  deelw.  besceden  in 
de   bet,   bepaald  aangewezen,  bepaald,  vastgesteld. 


II  Int  besceden  ambocht  van  Amemnden,  Mieris 
2,  306a  (m  den  tekst  besteden). 

8)  Orde  stellen  op,  regelen,  regeeren,  besturen. 
Met  den  4den  nv.  van  den  persoon  of  der  zaak.  || 
Grote  heren  die  arbeiden,  om  hare  liede  te  be- 
scheiden, Lsp.  in,  25,  75.  Hets  eene  sake  sware 
omberecht  volc  te  bescedene  ende  in  orloghea 
te  leedene,  Sp,  I',  19,  58.  Doch  en  consten  si 
niet  met  vreden  tlant  besitten  noch  besteden  (/.  be- 
sceden), sine  worden  onder  hem  drien  orlogeade, 
III -»,  21,  65.  Sonder  hoghen  ofte  meerren  wort  ni 
comanscap  bescheiden,  Hild.  41,  128. 

9)  Foor  een  ander  duidelijk  onderscheiden. 

a)  Verklaren ,  duidelijk  maken ,  synon.  van  hedUden 
(vgl.  ald.).  II  Gheene  herte  en  can  verstaen  noch 
tonghe  besceden  daer  bi  te  vullen  wel,  wat  God 
si,  Sp.  I*,  1,  4.  Sine  grootheid , sine lingde bcede, 
wanic  dat  nie  man  besceede,  I*,  26,  9.  Mine 
redene  blivet  onghesont,  mine  bescede  dit  d|B 
mont,  Wap,  Mart,  I,  660.  Aldus  ontbant  mi  ende 
besciet  mgn  meester,  II,  245.  Van  den  liebarde, 
dar  hi  hem  sine  doet  in  besciet,  Lane.  II,  21269. 
Letteren  .  .,  die  hem  bescieden  al  oppenbare  vai 
den  bedde  wat  dat  ware,  III,  8810. 

b'j  Omschrijven ,  beschrijven.  —  o)  Met  den  4dea 
nv.  van  den  persoon.  ||  Daerom  bescedicken  i 
alsoc,  Velth.  I,  35,  5.  —  ^  Met  den  4den  nv.  der 
zaak.  Eene  definitie  geven  van,  definieeren ,  awucirij- 
vm.  II  Gherech tichelt  es  ene  doghet,  die  ghi  aldas 
besceden  moghet  .  .,  dat  men  eiken  dat  sine  gheret, 
Beim.  1447.  —  c)  Uiteenzetten,  in  bijzonderheden 
verhalen  of  mededeelen ,  nauwkeurig  vertellen  of  be- 
schrijven; ook  in  de  verzwakte  opvattingvan  verhaJen, 
berichten,  mededeelen.  ||  Eer  ie  n  dat  bescheede,  hoe 
grote  pine  ende  hoe  leede  Bellizarius  den  Goten  dede, 
eer  so  willic  die  waerhede  besceden  van  JnsHniess 
jare ,  Sp.  III»,  27 ,  14.  Van  dingen  ende  van  wonder 
mede  .  .  sal  ie  u  hier  besceiden  voort .  . ;  die  vnfte 
boec  sal  u  besceiden ,  hoe  Heinric  qnam  in  werdic- 
heiden,  IV*,  52,  79.  Vandien  regene  .  .,  sonc 
bescedet  niemen  anders  dan  die  ystorie  Alexanders, 
1%  19,  43.  Dorloge  besceet  aldus  Oro8ins,I*,  19, 
10.  Alse  u  dbeghin  van  desen  boeke  besceet,  I*, 
28,  5.  Indie  ystorie  hier  nare  salmen  n  bescedea 
tware,  III*,  16,  65.  Alse  u  deerste  partg  e  beachiet, 
111%  4,  11.  Alse  u  die  boec  besciet  hier  vorea, 
III*,  32,  3.  (Hi)  besciet  ons  openbare  hare  gedane 
referebat  nobis  vultum,  III*,  47 ,  45.  Doch  ^kelovet 
die  redene  mine  .  .,  want  soet  met  redene  bet 
bescede,  III*,  31,  67.  Entie  bisscop  besciet.. 
qualike  die  drievoudichede ,  male  distinguene  ,lïi^, 
2,  73.  Alsemen  besceden  sal  hier  naer,  111*,  12, 
69.  Ie  en  vinde  'niet  wel  die  jaer  besceden  . . ,  hoe 
lange  elc  kint  na  den  vader  regneerde,  lil'',  55, 
100.  Nu  moeten  wi  cortelike  besceden  van  dea 
Vrancscen  rike,  III",  36,  51.  Nu  salie  n  hier 
vort  besceden,  wat  live  die  Vrancsce  heren  leden, 
ald,,^Z,  43.  Hier  moetic  der  Bulgren  rike  bescedes, 
hoet  stont  mogendlike,  44,  23.  Alse  n  die  jeestc 
besciet  hier  voren,  52,  13.  Agolant  bevragede 
dat  .  .,  ende  men  hevet  hem  besceden,  IV',  20, 
59.  Alsic  hier  voren  besciet  wel,  IV',  23,  97. 
Alsic  hier  na  sal  besceden,  IV»,  55,  71.  Oec  be- 
scied hi  {Jezus) ,  dat  dan  sal  wesen  drierande  vole, 
Bijmb.  25669.  In  cant  u  allen  (/.  alle)  niet  wd 
besceden ,  dat  daer  was  in  die  stat  gedaen ,  Vehk. 
V,  11,  8.  Also  alse  besceeden  die  clerke ,  Aa/,  2?/. 
III,  1457.  Nnmeer  sal  ie  besceiden  voort  vandai 
Hollanscen  graven  die  woort,  Stoke  I,  1285.  (£fr) 
besciet  hen  lieden  .  .,  hoedane  wapine  hi  droecb, 
Lanc,  II ,  24124.  So  besceyden  . .  die  onde  recktos, 


985 


BESC. 


feESC. 


Ö86 


Teest.  1977.  Sint  ie  u  die  waerheit  al  besceden 
moet,  Vod,  Mm,  1^  29,  46.  Dat  ie  al  niet  can 
beaceiden,  maer  som  so  sal  iet  bringen  te  voren, 
Velth.  V,  14,  60.  Ie  sal  bescbeeden  u  alle  drien, 
hoe  dat  eiken  sal  ghenoeeh  gheschien ,  Mask.  1256. 
Ie  hebt  al  besceden  te  voren,  haer  gheslachte  ende 
haer  rike,  Parth.  6661.  Daer  sal  n  dander  boec . . 
af  besceiden  treehte  ware,  11939.  —  Dus  eist 
besceden,  seoo  is  het  beschreven,  te  hoek  gesteld, 
d.  i.  volgens  de  kronieken,  \\  Dese  twee  en  mochten 
wesen  niet  langer  heren  ...,dan  XXYIII  jaer, 
dus  eist  besceden,  Sp,  III",  89,  74. 

10)  Bedoelen,  heteekenen,  synon.  van  bedieden,\\ 
Flandrgs   woort  .   .  verstont  hi  {de  centaur)  wel, 
wat   si   bescieden,    maer    gene    andworde    consti 
bedieden,   Flandr.   III,  166. 

11)  De  onb.  wgs  als  znw.  gebruikt. 

a)  In  den  zin  van  grens,  \\  (De)  Tanais,  die  int 
besceden  gelegen  is  tusscen  Bacteren  ende  Siten 
lant,  AUx.  VHI,  848. 

h)  In  den  zin  van  afstand,  \\  Tusschen  onsen 
Here  ende  die  goede  ziele  en  is  niet  vele  bescedens, 
Siemmen  27  (Qeest,  L.  16r). 

Aanh.  1)  —  La%c,  II,  16230:  „  Diet  wel 
beseiet,"  verandere  men  in:  „Diet  wel besiet f"*^ ósat 
een  tgw. tQ d  vereischt  wordt.  —  Hem  besceden, 
IL  v.ütr.1, 242, 11:1,  hem  besteden  (z.  ald.). 

Aanm.  2)  —  Niet  duidelgk  is  de  bet.  van  be- 
sceiden, Oorkb.  2,  218a  {a,  1284):  „want  die 
mensche  vergetel  is  ende  dit  leven  cort  is ,  zoe  ne 
moegewy  niet  lichtelicken  op  onse  geste  ofte  op 
onse  daet  besceyden  die  gene  die  na  langer  tyt 
nae  ons  comen  selen,  wy  ne  latent  hem  in  schrifte, 
dat  zy  (?)  daerop  besceyden  mach."  Yermoedelgk 
is  de  beteekenis  hier  verwijzen  naar, 

Onz.  —  Scheiden,  vertrekken.  ||  Wi  drinken  hier 
so  goeden  w^n,  wat  souden  wi  noch  besceiden 
dan,    on.   Lied,  e,  Q,  231,  16. 

BESCEIDEN  (besceden),  bnv.  en  bjlw.  Eig. 
deelw.  van  het  geiykluidende  ww.  Mnd.  bescheden; 
bescheiden',  mhd.  bescheiden, 

Bnw.  — 1)  Van  bescheiden,  in  den  zin  van  af- 
scheiden  (bedr.  1).  Afgescheiden,  afgezonderd ^  een- 
zaam. II  Der  woestinen  daer  een  gheestelic  of  een 
besceiden  leven  bi  beteykent  is.  Stemmen  147. 
Meer  gewoon  is  ^m  begeven  /^^ (zie  Begeven). 

2)  Van  bescheiden,  in  den  zin  yzji onderscheiden 
(bedr.  6).  Met  oordeel  des  onderscheids  toegerust. 
—  Vandaar 

a)  Redelijk,  met  rede  begaafd,  \\  Dat  ghi  naden 
godliken  heelde  gheformet  sgt  als  een  besceyden 
ende  verstandel  creatuer ,  Gulden  Troen  f.  2a,  Den 
heilegen  geest,  daer  die  mensche  af  redelic  mede 
es  ende  besceden  in  elke  stede ,  M,  e.  Vr,  ffeim.  96. 

è)  Verstandig,  wijs,  met  oordeel  handelend.  \\Qi\A 
.  .  sQt  so  wijs  ende  so  bescheiden ,  dat  ghi  so  niet 
en  sijt  te  verleiden  met  loosheit,  Rein,  II,  4326. 
Die  was  een  besceiden  man,  Stoke  II,  744.  Dat 
hi  senden  soude  besceidene  boden  ten  coninc 
waert,  Brab,  T.  V,  2203.  Daer  hi  goet  es  ende 
bescheiden,  Lsp.  III,  9,  29.  Vroetscap  ende  be- 
sceden sin,  III,  12,  67.  Besceiden  dat  zegghet .. , 
dat  elc  man  altoos  met  maten  gheven  sal  ende  ooc 
te  tide,  III,  23,  7.  Niet  allene  den  spoeden  ende 
den  bescedenen  maer  ooc  den  ombescedenen ,  J2«.  p. 
1348,  138a  (IP^r.2,18).  Oude  besceiden  mannen, 
R.  V.  Vtr.  2,  101.  {Nu)  bevroedic  wel,  dat  ghisjjt 
irijs,  ghetrouwe  ende  bescheyden,  Melib,  820.  Al 
dat  oyt  maecte  sine  (Oods)  bant,  dat  minnet  sire 
herten  bant  met  bescedenen  sinne ,  Wap,  Mart,  II , 
279.  In  allen  dogeden  motewi  besceden  s)fn  ende 


melde  van  gronde  ende  vol  van  karitaten,  Ruusb. 
1,  66.  O  besceidene  mannen,  o  wise  der  eerden, 
hoirt  nu,  Ned.  Proza  242.  Int  spreken  was  hi 
bescheydt  (/.  bescheyden),  Exc,  Oron.  22d,  Be- 
scheydene  ende  vroede  voirsienicheyt,i$^tf7n)»^87. 
Haer  naeste  vriende  .  .  .,  de  beschedenste  ende 
gestentichste  (lat.  constans),  Belg,  Mus.  10,  106. 
Bi  rade  huerer  bescedenster  ende  naester  vriende, 
107.  Eenen  anderen  gueden  ende  bischeiden  (nl. 
scheidsrechter)  weder  in  die  stat  setten,  Nijh.  1, 
246.  Dat  hi  (de  baeliu)  enen  bescheyden  man 
setten  mach  in  siere  stede,  Mieris  2,  269a.  Der 
ander  bescedenre  broedere ,  i>.  Orde  283.  —  Vgl.  de 
nog  in  de  vorige  eeuw  gebrnikelijke  uitdrukking 
„  de  bescheiden  lezerJ*^  —  Vooral  in  de  uitdr. 
beschedene  miltheit,  verstandige  mildheid, 
onbekrompenheid,  die  met  oordeel  te  werk  gaat.  \\ 
Beschedene  miltheit  can  waerden  ende  hoghen 
haren  man,  Lsp,  III,  3,  703.  Onder  alle  duechden 
ghemene  so  es  besceiden  miltheit  ene,  die  te 
prisene  es  zere,  III,  23,  1.  WQsheit  scuwet 
hoverde  .  . ;  si  soeket  bescedene  miltheyt ,  Melib. 
847.  Gherechtecheit  ende  goedertierenheit  ende 
daer  toe  bescedene  meltheit,  Doet.  II,  3732. 
—  Besceiden  met  eene  bep.  met  te  verbonden. 
Verstandig,  knap  in,  ||  Oec  was  hi  besceeden  sere 
te  kinnene  goede  geeste  ende  quade,  ^.  II*,  49, 118. 

3)  Matig,  ingetogen,  eene  bet.,  die  zich  uit  die 
van  verstandig  ontwikkelt ,  en  tot  de  hedendaagsche 
nadert.  ||  En  zoude  els  niement  drincken  wün, 
dan  die  van  naturen  sgn  voordachtich  in  allen 
goede,  bescheiden  ende  zachte  van  moede,  Lsp. 
I,  32,  91. 

4)  Van  besceiden,  in  den  zin  van  bepalen  (bedr.  7). 
Bepaald,  duidelijk  aangewezen,  \\  {Hi  hevet)  enen 
besceiden  dach  gheset ,  dat  hire  mach  comen ,  Stoke 
VII ,  296.  Elc  {der  bijen)  heeft  besceiden  ambocht, 
Nat,  BI.  VII,  163.  Int  besceyden  ambocht  van 
Amemnden  an  die  Zuytside,  Mieris  2,  310a.  — 
Vandaar 

6)  Duidelijk,  helder,  klaar.  \\  Wat  doech  daer 
langher  beiden  {stilstaan  bij)  dat  hi  (/.  bi)  hem 
selven  es  besceiden,  dat  uit  zich  zelf  duidelijk  is. 
Bed,  d.  M,  908. 

Bij  w.  —  Op  eene  ver  standje  wijze ,  met  oordeel.  \\ 
Of  hi  besceden  milde  si ,  Eeim.  664.  —  Gewooniyk 
besceidenlike  (zie  ald.).  Tegenover  dul  milde,  ald.  111. 

BESCEIDENHEiT  (bescedenheit),  znw.  vr. 
Mnd.  beschedenheit',  mhd.  bescheidenheit.  Van  het 
bnw.  besceiden  (zie  ald.). 

1)  Het  oordeel  des  onderscheids,  het  vermogen  der 
onderscheiding.  Vandaar 

a)  De  rede,  redelijkheid.  j|  Vanden  heilegen  geest 
dar  hem  {den  mensch)  bescedenheit  af  comt,  M.en 
Vr.  Heim.  148.  Nochtan  dat  ons  es  gegeven  be- 
scedenheit {Hs.),  Velth.  II,  1,  6. 

b)  Verstand,  juist  oordeel.  ||  Een  bloete  borst  .  . 
diet  besceedenheit ,  O  VI,  Oed,  2,  62,  167.  Also 
alse  tfolc  van  aertrike  in  beschedenheden  sgn  on- 
ghelike,  Lsp,  1,1,  43.  Bescheedenheit  volght  daer 
nare,  III,  4,  482.  Dat  hi  {de  wijn)  hoer  sinne 
niet  en  leide  ute  rechter  bescheedenheide ,  III ,  12, 
76.  Dan  sal  u  bescedenhede  .  .  merken,  hoe  men 
daer  in  sal  werken,  Melib.  1913.  Eneghen  goeden 
man  .  .  verleyden  ute  sire  beschedenheyden ,  Teest, 
2717.  Overmids  willege  gehoersamheit  ende  clare 
bescedenheit,  rationem  seu  intelligentiam,  Ruusb. 
1,  62.  Verlichte  redene  ende  clare  bescheedenheit, 
dilueida  discretione,  II,  121.  Wie  tot  rechter  be- 
sceydenheyt  comen  wil ,  die  vlye  der  werlt  wQsheyt, 
Stemmen  81.  Zie  ook  Rosé  C  4380;  Ned.  Proza  iiU 


Ó87 


BËSa 


BESC. 


988 


Mattli.  40;  enz.  —  Vooral  in  de  nitdr.  met  of 
na  (groeter)  bescheidenheit,  met  verstand^ 
met  oordeel  des  ondertcheid*.  \\  Ghi  selt  met  be- 
Bchedenheden  OYerpeinsen  wat  ghi  hebt  leden ,  Lep. 
III,  3,  869.  Tkint  .  .  dwinghen  met  bescheeden- 
heden,  III,  10,  35.  Daeromme  selen  si  leiden  met 
groeter  bescheedenheiden  al  hoer  dinghen  ende 
met  rade,  III,  12,  81.  (Die^  sijn  gheven  wille 
leiden  met  groeter  bescheedenneiden ,  III,  12, 133. 
Die  qnadien  .  .  van  hare  qnaetheit  castien  na  be- 
Bcedenheyt  .  . ,  dat  tfayt  groet  ende  swaer  es ,  Melib. 
2610.  {Een  rechter)  sal  .  .  wreken  wel  die  qnaet- 
heit, ja,  na  goede  bescedenheit  ende  na  usage  ende 
wet,  Doet,  II,  3436.  Ghi  moet . .  ghehoirsam  (sgn) 
Gode  ende  nwen  perlaten  . .  na  nwe  vermoghen  ende 
na  rechter  bescedenheit ,  Rnnsb.  4 ,  32.  Zie  verder 
Vrouw.  e.  M.  XI ,  250 ;  Xjrp.  II ,  49 ,  28  ;  Wrake  III ,  8. 

—  Te  besceidenheden  comen,  tot  jaren  van 
ondertcheid  komen.  Ygl.  Mhd.  evo  tinen  bescheiden 
jdren  komen  (Lexer  1,  204).  ||  So  sel  een  yghelic 
mensche,  die  tot  sinen  jaren  ende  tot  synre  be- 
sceydenheit  gecomen  is,  .  .  eens  in  een jaer onsen 
Heer  ontfanghen,  Oulden  Troen  f.  40a.  Die  jong- 
here,  die  sonder  doepsel  sterven,  eer  si  tot  be- 
sceydenheden  comen ,  Rnnsb.  3 ,  254.  Die  kyndere, 
die  sterven  eer  si  te  besceydenheiden  komen ,  4 ,  255. 

c)  Matigheid  ^  ingetogenheid^  zelf  beheer schvng.  || 
Sine   leringhe   salne   leiden  tote  alder  bescheden- 
heiden ,  want  beschedenheit  .  .  .  moeder  van  allen 
doeghden  es,  Doet.  I,  108. 

2)  Oordeel^  beslissing y  in  jnridischen  zin.  ||  Ten 
si  dan  zo  vele  dat  de  besceidenheit  des  lands 
commendures  anders  ordeniere,  D.  Ord^  217.  Zo 
bevelewi  die  ontfengnisse  (der  rechtszaken)  des 
bescedhede  (/.  bescedenhede^  den  (aan  het  oordeel 
van  hem ,  iden)  alsodaen  am  Dochte  bevolen  es ,  237. 

—  Tot  enes  besceidenheit,  volgens  iemands 
beslissing ,  goedvinden ;  lat.  secundum  liberum  arbri- 
trium  ,tT.  è  la  discretion  de  quelgu'un.  ||  Alle  laken  . . 
sullen  bezeghelt  wesen  totter  waerdeyns  besceiden- 
heit, Leid.  Keurb.  74,  27.  Dat  soudmen  corrigieren 
tot  des  rechts  besceidenheit,  want  sulke  brueken 
niet  en  hoeren  te  recht  geset  te  wesen,  216,  5. 
Dat  sal  staen  totter  scepenen  besceidenheit ,  216 , 8. 

3)  De  uitspraak  of  beslissing  van  het  geweten  ^ 
overtuiging  y  het  geweten.  \\  Die  bescedenheit  (conscien- 
tiae  libertas)  es  so  vri ,  up  dat  hare  trecht  mede  si, 
Sp.  UI',  11 ,  47.  Al  wroeget  hem  siere  herten 
bescedenhede ,  dat  hi  es  een  recht  zondare,  III  ^, 
36 ,  89.  Sine  stille  bescedenhede  (tacita  conscientia) 
soene  lach  in  die  ydelhede,  III*,  36,  35.  Dat  hi 
ghehoirsam  moet  s^n  in  allen  dinghen  Gode  .  . 
ende  sQnre  eyghen  besceydenheit,  Bunsb.  6,  196. 

—  Op  sine  besceidenheit,  volgens  zijne  over- 
tuiging,  op  zijn  geweten.  ||  Dair  nair  selen  die 
scepenen  alle  die  daghen  termineren  op  hare  be- 
sceidenheit, Belg.  Mus.  10,  112.  Also  verre  als 
hem  op  hare  besceedenheit  dinken  sal  dat  onser 
beider  beste  es,  Brab.  Y,  Dl.  2,  bl.  477.  Mom- 
boiren,  .  .  die  hen  op  haeren  eede  ende  be- 
scheydentheyt  duncken  sullen  oirboirlijckste  .  . 
te  wesen ,  ald.  651.  Op  haren  eed  ende  bescheiden- 
heit,  660. 

4)  Duidelijkheid.  \\  Ist  dat  die  persoen,  daerdie 
cracht  aen  geschiet  is,  selve  geclaecht  heeft,  sy 
sal  . .  mit  bescheidenheit  van  teykenen  ende  smarten 
dat  also  bewyst  hebben  mit  eerbaren  vrouwen, 
dien  des  bevolen  is  .  .  te  ondersoken ,  Matth.  208. 

5)  Ook  gebruikt  in  den  zin  van  onderscheidend 
kenmerk,  karakteristiek ,\),y.  ^.  IV»,  52, 17:  „Toghe 
4at8   die   bescedenhede  van  sroenscen  zinne,  van 


smenscen  zede;*^  thans  zeggen  wg:  «Het  oogisif 
spiegel  der  ziel." 

BESCEIDENISSE,  znw.  tt.  — 1)  Hetzelfde  ah 
het  meer  gewone  bescheidenheit  (zie  ald.).  Oordeel^ 
verstand,  oordeel  des  onderscheids ,  het  denkvermogen. 
II  Sulc  begheerten  der  zielen  hebben  een  beghiasel 
van  der  hemen  (hersenen),  ende  warden  alaoevol- 
maect  als  verbeeldinghe ,  besceydeniase  ende  ghe- 
denckenisse,  Ned.  Proza  346. 

2)  Bepaling,  \\  Onder  sulken  vorwarden  eide 
besceydenesse ,  alse  in  desen  brief  bescey den  staen, 
duidelijk  staan  uitgedrukt,  Oorkb.  v.  Oeld.  lOSSfo. 

BESCEIDENLIJC  (bescede(n)lijc),  bnw.  ea 
bgw.  Mhd.  beseheidenltehe(iï) ;  Mud.  beschedeUke{i). 

Als  Bnw.  —  1)  Passend,  redelijk,  voegtaam^  Hll^L 
Ygl.  BESCEiT.  II  Als  ons  ende  onsen  rade  .  . 
denct  .  .,  dat  moeghenl^c  ende  besceidenlgc  si, 
Nijh.  2,  37.  Enen  ygheliken  te  doen,  dat  recht 
ende  besceidelic  is,  73.  Alse  onsen  rade  .  .  . 
tytlic  ende  bescheidelic  dunct,  188.  Na«r  goedea 
ende  bescheedeliken  weghe  van  redene  ende  rechte, 
Invent.  v.  Brugge  6,  146.  So  dattet  den  gheieeht 
besceidelic  dunct  wesen,  Leid.  Keurb.  51.  Die  sel 

f  heven   sulke   boete,   als  den  rechte  besceydelie 
unct,  110,  131. 

2)  Duidelijk,  zichtbaar.  \\  Die  (kannen)  seUen . . 
geijkt  wesen  ende  mit  sinen  besceideliken ,  kenlikea 
teyken  geteykent ,  ald.  225 ,  19.  Soe  en  moet  nyemast 
gerst  noch  haver  backen  onder  tarwe  of  rogge, 
hg  en  sel  een  besceidelic  cmys  op  dat  broot 
backen,  233  §  8.  Gheen  dier,  dat  egerende  is, 
heeft  oren  die  bescheydelick  sgn ;  nochtans  hebba 
alsulke  dieren  heymelike  wegen,  Barthol.  llli. 
Als  Bij w.  Besceidenlike,  -Igc,  -lec,  -lec 
—  1)  Met  oordeel  des  onderscheids;  op  eene  ver- 
standige wijze;  met  oordeel,  verstatul,  beleid,  over- 
leg. II  Die  goede  vrouwen  salmen  minnen  .  .  . 
besceidelgc  ende  in  maten,  Lsp.  I,  22,  71.  (Dit 
Romeinen)  als  sgs  .  .  hadden  noot,  be8cheidel|c 
daer  toe  (tot  hun  schat)  ghinghen,  I,  34,  30. 
Over  mate  ende  over  rike  rechten  .  .  wel  ende 
bescheedelike ,  III,  11,  42.  Hem  die  bescheidelgc 
gaf,  III,  23,  6.  Somen  gaf  hi  meer,  somen  min, 
dat  conste  hi  wel  bescheidenlike ,  Flor.  186. 
Die  vrome  van  uwen  lande  es  goet  vorsien  be- 
scedelike ,  Lanc.  lY ,  5278.  Dat  men  cracht  inrt 
crachte  sal  bescheidenlec  weren  over  al ,  DocL  U , 
3485.  (Dat)  hi  vort  alle  sine  dage  bescedenlike 
sonde  gheneren,  Bein.  I,  1688.  Hoe  ghi  .  .  uwei 
huwelike  soe  bewaert,  dat  ghi  besceydelike  daer 
in  vaert,  Tien  PI.  2248. 

2)  Op  eene  duidelijke  wijze,  duidelijk,  blijkbaar.  \\ 
Als  hij  redelic  ende  bescheidelic  bewisen  mach, 
Nijh.  2, 53.  God  van  hiemelrike  dede  daer  beacbeide- 
like  Sinte  Servaes  groet  eer,  Serv.  1,690.  Tnascben 
Ylaerdinghen  ende  Sciedamme  sachmen  beaceldelic 
de  vlamme,  Stoke  IX,  545.  Segtmi  . .  beacedelike, 
wat  wijsheit  si,  Melib.  832.  Dat  mach  men  beschede- 
liken  sien ,  ist  datmen  daer  nauwe  op  merct ,  BarthU. 
544  3.  (Eij)  sprac  .  .  .  besceydelie  „Gloria  Patri 
et  Filio",  mer  hi  en  mochte  niet  spreken  „£t 
Spiritui  Sancto",  Matth.  Jnal.  3,  86.  Hoe  be- 
scheydelike  dat  hyt  hem  onderwysde,  ald,  305. 

3)  Op  eene  nauwkeurige  wijze,  nauteieurig,  » 
het  klein,  in  bijzonderheden,  ||  Doe h^i (het besimar) 
beset  hadde  .  .  bescedelec  ende  wale,  ZémkYJU, 
1729.  Die  woude  verstaen  .  .  de  questie  .  .  Iie- 
scedelike,  XI,  861.  (Sy)  beschickede  al  hoir sakea. 
als  sy  bescheydelicste  conde  maken,  MLoep  H, 
1987.  Hoe  hy  bescheydelic  sonde  weten,  wy* 
Achilles   waer  oiT  niet,  2894.  Doe  seide  hgt  hsef 


980 


BESC. 


ÊESC. 


990 


bescheidenlike ,  Flor,  228.  Soe  ghi  dat  hier- 
Yoren  bescheideljjc  hebt  mogen  horen ,  ^rad.  F.  YI, 
2487.  Merct  dese  yennaninghe  besceydelike ,  niet 
in  enen  corten  overloep,  mer  mit  vlite,  Stemmen 
119.  Die  Borgemeesters  sullen  .  .  alle  voirwairden 
ende  saken  bescheideliken  onderscheiden  .  .,  ende 
onderspreken  besceideliken ,  wes  den  hnerman  of 
coper  Rcnldich  is,  Matth.  173.  Ende  dat  .  .  .  be- 
sceidelic  te  bewisen  ende  hem  goede  rekeninghe 
of  {daarvan\  zie  bij  DA  er)  te  doen  alle  jair,  Leid. 
JCeurè,  17,  17.  Dat  ie  al  mifn  avonturen  sonde  y er- 
halen  bescheelgc,  JUar.  v.  N.  39,  941. 

4)  Op  eene  bill^ket  rechtmatige  wijze,  \\Yfi^  hie 
die  heerlicheit  ,  .  van  Boetgenbach  . .  redelic  ende 
besteidelic  (/.  besceidelic)  yercregen  hadde  weder 
onsen  lieven  neve,  Brab,  F.,  Dl.  2,  bl.  641. 

BESCËIDICH  (besceedich)  ,  bnw. ;  van  èescAeit 
(xie  ald.).  Ferstandiff,  yfij*-,  overleggend.  \\  (Hi) 
screef  .  .  .  den  wille  sQn  met  besceedigher  be- 
^heerten  fijn,  also  die  saken  waren,  Jsnand  II, 
1619.  De  plaats  is  niet  dnidelgk,  maar  ygl.  het 
afgeleide 

BESCEIDICHEIT  (bescedicheit),  -hede,  znw. 
▼T.  Mnd.  bescedicheit.  Hetzelfde  als  beseheidenheit 
(zie  ald.).  Oordeel,  verstand,  overleg.  ||  Spreken  met 
besceedicheden,  OFl.  Lied.  en  O.  289,  1648.  Be- 
scheedlc  hede  seg  ie  daer  bi,  Lsp.  III,  23,  1  var. 
Dan  sal  nwe  bescedechede  voersienlike  merken  hoe 
men  daer  in  sal  werken,  Melib,  1913  var.  Die 
qnadien  . . .  castien  na  bescedicheit,  2610  var. 

BESCBINEN,  zw.  ww.  bedr.  Causatief  van  be- 
seinen.  Mhd.  bescheinen\  ohd.  piseeinan]  mnd.  be- 
seénen;  hd.  beseheinen.  Ygl.  Grimm,  Wtb.  1 ,  1569. 
Toonen,  eum  den  dag  leggen.  ||  Gj  ende  in  gesellen  . . . 
hebbet  hier  valsceit  bescheinet,  Merl.  29103  (^«.; 
in  den  tekst  ten  onrechte  bescenen). 

BESCEIT  (besceet,  besciet),  znw.  o.  Mhd. 
èeseheit]  mnd.  besehét,  bescheit.  Eig.  stam  van  het 
nrw.  bescheiden. 

1)  Yan  besceiden ,  in  den  zin  van  scheiden ,  af' 
scheiden  (bedr.  1).  Scheiding,  afscheiding.  ||  Fares 
(Upharzin)  bediet  besceet,  Alex.  II,  1203. 

2)  Yan  besceiden,  in  den  zin  van  scheiden,  af' 
deeUn ,  van  landen  gezegd  (vgl.  onz.  1  d),  Qrens , 
grensscheiding,  scheiding.  ||  (Si)  waren  omtrent 
Nenwendike  ende  int  besceet  tnsscen  Ylaen- 
deren  ende  Artoys,  Yelth.  lY,  46,  67.  (Hi)  hietse 
Gardeterre,  om  datsi  stoet  op  tbesceet,  ende  si 
bescndden  sonde  .  .  .  dat  lant,  Lorr.  1,2126.  Dat 
derde  mare  of  besceyt  loept  vanden  voersz.  palen 
tot  een  ander  pale,  Oorhb.  2,  410  a.  Dat  vierde 
pale  of  besceyt  gaet  voert  van. den  voorsz.  pale ,  ald. 

3)  Yan  besceiden,  in  den  zin  van  afdeelen,  ver- 
deelen  (bedr.  3).  Verdeeling.  \\  Yan  den  seven  een  wen 
ende  van  des  tg  ds  bescheede,  Lsp.  II,  64  Titel, 

4)  Yan  besceiden ,  in  den  zin  van  toedeelen  (bedr.  4). 
Aandeel,  bescheiden  deel.  \\  Zo  wanneer  die  van 
Ardembnerch  .  .  .  haer  besceet  ende  tax  van  den 
Torseiden  laste  getaxeert  wort,  ZFl.  Bijdr.  4,  70. 

5)  Yan  bescei&n,  in  den  zin  van  onderscheiden, 
»U  elkander  houden.  Onderscheid,  verschil.  ||  Nohine 
-wiste  besceet  ne  geen  tnsscen  der  broke  ende  tander 
been,  Franc.  10283.  Logike  die  leert  openbare 
dat  bescheet  tnsschen  valsch  ende  ware,  Lsp.  III, 
14,  79.  Dat  hi  besceet  ne  wiste  engheen  vander 
minnen  vanden  tween,  van  Lancelote  ende  van 
Ginoyren  toe ,  hi  minnedse  beidegader  soe ,  Lanc.  II , 
S1166.  Een  dier  dat  best  weet  .  .  dat  besceet  van 
siere  spise,  weder  dat  soe  draghet  venijn  of  gans 
den  mensche  moghe  syn.  Nat.  Bl.  II,  2966.  (JW 
tafelè)  die  stont  sonderlinge  sonder  bescheet  beide 


nacht  ende  dach  bereet ,i^. II',7,81.  —  Negeen 
besceet  sien,  geen  onderscheid  zien ,  niets  dutdeliji 
onderscheiden.  ||  Siende  Inde  comen  daer  dicke  weder 
nat,  dat  hem  haer  oghen  staen  als  enenverdronckenen 
calve  ende  dat  si  inttel  of  ghene  besceyt  en  sien , 
Ned.  Froza  172.  Tis  als  doe  (/.  alsoe)  naer  ver- 
sleten, dat  men  gheen  bescheedt  daer  an  en  ziet 
noch  haer  mans  wapene  nochte  name,  Vad.  Mtts. 
6,  302. 

6)  Yan  besceiden,  in  den  zin  van  onderscheiden, 
juist  beoordeelen  (bedr.  6.).  Oordeel  des  onderscheids , 
verstand,  inzicht,  oor^^^/.  ||  Arpien,  die oec spraken 
na  den  man,  maer  gheen  besceet  so  ne  esser  an. 
Nat.  Bl.  111,276.  —  Een  woert  yan  besceide 
(beschee),  een  met  oordeel  uitgesproken  woord, 
een  woordje  van  pas.  \\  Dats  een  wordt  van  be- 
schee, Saer.  408.  —  Yooral  verbonden  met  voor- 
zetsels. Met,  bi  besceide,  met  oordeel,  op  eene 
verstandige  wijze,  met  verstand.  ||  Dat  de  mensche . . 
syn  goet  gheven  .  .  sal  .  .  met  bescheide ,  Doet.  1, 
881.  (Dat  sal  hi)  deilen  met  bescheide  Gode  ende 
den  vrienden  beide ,  II ,  2936.  Dat  sal  met  bescede 
wesen ,  MeUb.  3234.  Den  vierden  graet  en  sal  gheen 
man  mit  bescheyde  hem  nemen  an ,  MLoep  II ,  1691. 
Doe  sy  niet  meer  en  mochte  verhnden  mit  bescheyde, 
lY,  1522  var.  Yan  den  tween,  die  hoer  bederff 
alsoe  wrochten  mit  bescheide,  Hild.  64,  266.  Wel 
te  leven  by  bescheide,  dat  brenghet  oude  ende 
w^sheit  beyde,  69,  139.  Dit  moechdi  proeven  by 
bescheide,  187,  9.  Opdat  si  alle  mit  bescheide 
horen  sta«t  hantieren  souden,  208,  90.  Mit  be- 
scheide voortgaen,  Rein.  II,  4383.  Den  Boomschen 
coninck  .  .  .  met  bescheyde  onderdanech  te  wesen , 
Clerc  114.  In  redelicheden  ende  by  beschee,  Cron, 
V.  Vlaend.  2,  52.  Dienst  te  lonen  bi  bescheide, 
D.  War.  7,  874  (Esop.,  bl.  8),  36.  Hoor  mi  bi 
besceide,  OVl.  lAed.  en  O.  496,  163.  By  bescheede 
is  goet  gheleefl;  redene  is  goet  tallen  spele, 
Spreuken  88.  Dit  orloghe  hevet  ghevelt  Yrouwe 
Bedene  bi  bescede ,  Wap.  Mart.  1 ,  729.  Daer  men 
aenroept  met  besceide  Maria  en  Janne  beide,  Lsp, 
II,  61,68.  —  Sonder,  buten  bescede,  zonder 
oordeel,  zonder  verstand.  \\  Wel  hebstu  gesproken 
als  een  nuboren  kint,  sonder  besceit,  D.  War.  6, 
197.  Ie  waent  den  sulken  luttel  vraemt,  die  tsQn 
enwech  ghift  sonder  bescheit,  Hild.  79,  49.  Alsic 
hem  van  dien  ende  van  desen  dichte  .  .,  dat  hi 
daer  yet  mochte  venden,  dat  buten  bescede  waer 
ghemaect,  Teest,  93. 

7)  Yan  besceiden,  in  den  zin  van  beslissen  (bedr.  6). 
Beslissing;  meestal  in  juridischen  zin,  uitspraak, 
vonnis.  \\  Die  vader  gidT  hem  geheel  macht  te  doene 
dat  oordeel  na  sinen  wisen  bescheide,  Lsp.  lY, 
10,  5.  Doet  U)i  ghenen  bescheide  en  conde  comen 
wat  si  rieden,  Mein,  II,  4992.  Si  beloofden  beide 
hen  te  hondene  an  sinen  bescheide,  Sp,  II*,  30, 
26.  Haer  en  gesciede  gheen  bescheet,  ^ra6.  J*.  YI, 
8896.  Dat  wi  up  onse  ziele  ende  bi  onsen  ghe- 
sworen  eeden  ondervinden  nouden  een  besceet  van 
den  vene,  dat  gheheeten  es  de  Gheer,  Oorkb.  2, 
418a.  Dat  (si)  besceyd  nemen  zullen  alse  van  der 
costerien,  daer  si  omme  twien.  Mieris  2,  213a. 
Item  zal  die  baeliu  .  .  versien  tusken  den  buren 
Van  den  eestende  van  Zwaech  .  .  ende  daer  een 
bescheyt  of  maken,  ald.  b.  Dat  ylken  mynsche 
recht  bescheydt  ende  vondenisse  gheschye,  Nyh. 
2,  4.  Helpt  hem  doch  tot  enen  besceide,  een  ver- 
gelijk, eene  verzoening,  Belg,  Mus,  10,  78,82.  Om 
te  yisiteren  de  bescheeden  aldaer rustende,  iftvm/. 
V,  Brugge,  Int,  69.  Te  sien  of  men  niet  en  vindt 
eenighe    bescheeden,   ald,   —   Ook   in   het   al^. 


994 


6ËSC. 


ÊESC. 


992 


Bewijtgrond ^  argumenL  \\  Jhesns  seyd  hem:  Hebic 
misseit,  bew^s  mi  dat  mit  goet  besceit,  O.  H. 
Past.  16,336.  —  Vandaar  de  aitdr.  Int  bescheit 
g  a  e  n ,  komen  om  te  betlisten ,  tuttehen  beide  komen 
(Kil.:  intercedere,  conciliandi  gratia  intenrenire). 
II  Och  lieve  vrientf  gaet  int  bescheit  om  Gods 
wille,  de  slagen  maken  mQ  so  mat,  Flayerio, 401, 

8)  Foorwaarde  y  aftpraak.  Kil.  conditio.  ||  Soe 
wye  enich  ander  bescheit  makede  in  sijnre  comenscap 
yan  enigen  anderen  gelde ,  dan  alse  voerscr.  steet, 
die  weers  op  vier  pont,  Nijh.  2,  268. 

9)  Rede  lij  kAeid;  billijkheid  \  wat  rechtvaardig^ 
billijk  en  goed  it.  Vooral  met  re  den  e  verbonden. 

II  Scaemdi,  mensche,  die  redene  ende  besceet 
verstaes,  Nat.  BI.  III,  1789.  Volgen  redene  ende 
besceet  .  .;  niet  besceet  dat  men  hier  priset,maer 
dat  Cristns  heeft  gewiset ,  Franc.  2666.  Dan  beraet 
n  selven  wael,  hoe  ghi  recht  na  tbeste  bescheit, 
Rein.  II,  6236.  Die  van  redene  weet  besceet,  {die 
een  juist  oordeel  vellen  kan ;  vgl.  6) ,  hi  mach  weten 
dat  onse  Here  dit  wel  doen  mach  ende  mere, 
Segh.  6990.  Baten  redenen  ende  bnten  besceede, 
tegen  recht  en  billijkheid^  Invent.  v.  Brugge 2, 469. 

10)  Wettelijk  beynjt\  vandaar  ons  mv.betcheiden 
d.  z.  documenten,  bewijtttukken.  \\  Binnen  wat 
tijt  partyen  haer  bescheyt  van  kenningen  bereet 
zullen  hebben.  Leid.  Keurb.  340,  17  titel.  Hoor 
bescheyt  ende  getnychnisse  .  .  voor  scepenen  be- 
leden ende  voortbrengen,  ald.  Sonder  hoir  tngen 
of  besceyt  voirt  te  brengen,  212,  66.  Ende  hen 
voir  .  .  scepenen  met  openbaren  waerheit  ende 
bescede  des  niet  verantwoirden  en  connen,  Belg. 
Mus.  10,  112.  Elck  vermat  hem  recht  ende  bescheyt 
te  hebben,  thonende  haer  brieven,  £xc.  Cron.  166c. 
Dat  hi  die  {brieven)  mit  recht  ende  mit  bescheide 
wederleggen  moecht,  Ngh.  2,  193. 

11)  Bg  uitbreiding.  Recht,  vooral  verbonden  met 
het  gelijkbeteekenende  recht.  ||Dat  dier  stat  ende 
dien  luden . .  bescheydt  ende  recht  gheschye,  Nijh.  2 , 
6.  Dat  .  .  alremalc  .  .  van  den  anderen  recht  ende 
bescheyt  nemen  ende  gheven  sal,  113.  Also  verre 
als  men  oen  die  {brieven)  mit  recht  ende  be- 
scheide sculdich  is  te  handen,  81.  Dus  mach 
een  heer  wel  maken  zoen  mit  goeden  rechte  ende 
bescheide ,  Hild.  246 ,  60.  Niemen  hi  {de  heer)  ooc 
beswaren  sal, . .  buten  recht  of  baten  besceide ,  iC^»». 
II ,  4766.  Reinaert,  die  felle,  was  diese  verbeet  sonder 
bescheit  mit  valschen  laghen,  491.  Of  die  geen  . . . 
daer  toe  {tot  dien  twist)  bescheit  hadde  of  niet ;  heeft 
hi  daer  toe  geen  bescheit . . ,  dien  selense  doen  aflaten, 
Brab.  F.,  Dl.  2,  bl.  709.  — «  Te  besceide  (be- 
sceit s)  helpen,  iemand  recht  doen,  recht  doen 
wedervaren.  \\  Den  ghenen,  dien  misdaen  were  .  ., 
helpen  te  bescheyde,  Ni|h.  2,  124.  Nu  hulpt  mi 
noch  te  minen  besceit,  dat  ie  onsculdich  moet 
vonden  sijn,  £tm.  404.  Hij  sal  ons  .  .  besceits 
helpen  van  alsulken  saken,  als  onse  moeder  ende 
wij  .  .  te  vorderen  hebben,  Nijh.  2,  86.  Van  den 
inlaghen  .  .  zullen  wi  besceyt  doen  toet  der  tyd, 
dat  wi  weder  comen.  Mieris  2,  212^.  Dat  hi 
Sticken  .  .  bescheyt  doe  van  den  ponde ,  dat  hi 
hem  eyschende  es,  213^.  Dat  men  den  greve  van 
Cleve  na  sgnnen  brieve  bescheyt  doen  sall,  Nijh. 
2,  106.  Dat  elck  amptman  in  sgnnen  amptelcken 
manne  recht  vonnisse  ende  bescheyt  doen  sal ,  ald. 

—  Besceit  doen  hebben,  hetzelfde.  ||  Item  zal 
die  baeliu  Yeghen  van  Wiedenesse  bescheyt  doen 
hebben  van  Grote  Reyneken,  also  alset  in  die 
ander    reyse   ghesproken   was,    Mieris    2,    213^. 

—  Ook  wordt  besceit  in  deze  bet.  gebruikt  als  een 
bnw. ,  in  den  zin  van  billijk ,  rechtmatig ,  hetzelfde 


als  het  meer  gewone  beteheidelije;  zie  ald.  en  vgl 
behoe f {inw.)  in  den  zin  van  noodig  (bnw.).  j|  Also  vele 
alse  heren  Johanne  van  Moersse  . .  bescheit  duchte, 
Nijh.  2,  212.  Dat  twee  van  haren  vrienden  ende 
twee  van  minen  vrienden  moegelic  sal  duncken 
ende  bescheit,  271.  —  De  twee  beteekenissen 
recht  (znw.)  en  billijk  ( bnw.)  vindt  men  vereenigd 
ald.  181:  Die  sal  van  onsen  .  .  boele  nemen  also 
vele  bescheits  als  twe  van  sinen  ende  twe  van 
onsen  raden  recht  ende  bescheit  sal  dnncken. 

12)  Van  betceiden ,  in  den  zin  van  verklaren, 
duidelijk  maken  (bedr.  9). 

a)  Verklaring,  inlichting,  onderrichting.  Vgl.  voonl 
bediet  en  bedieden,  waarmede  het  ééne  enkele  mail 
verbonden  voorkomt,  en  onze  uitdrukkingen  iemand 
goed,  tlecht  bescheid  geven ;  nieuwsgierigheid  wacht 
kwaad  bescheid;  enz.  j|  Des  hebdi  vanden  driea 
ghehoert  veel  bescheits  ende  goede  woert,  MLo^ 
IV ,  16Ö.  Dat  ie  gheme  soude  weten  dbesceet  ende 
dbedieden  van  menegher(?)  der  lieden,  2Vef/.  1705. 
In  luttel  woorden  veel  bescheedts,  Spreuken  109. 

b)  Mededeeling,  antwoord.  \\  En  es  dit  niet  een 
scoen  bescheet?  Lipp.  36  (de  verklaring  aan  dei 
voet  der  bladzyde  is  onjuist). 

c)  Beschrijving',  nauwkeurig,  omstandig  verhaal. 
II  Nu  sullen  wi  besceet  seggen  een ,  wie  dese  twee 

Jacobpe  waren,  ^.  I',  27,  14.  Hi  maecte  har 
besceet,  hoedanech  sine  wapine  waren,  Lomc.  II, 
24147.  —  Besceet  doen,  beschrijven.  \\Figuei\k 
.  .  doen  bescheet  die  (/.der?) eerste bli8cap,^/uc. 
v.  M.  36. 

d)  Bericht,  mededeeling.  \\  Hier  in  mgn  onder- 
soeken  sone  vindic  ander  bescheet,  daer  ie  of 
dorste  dichten.  Nat.  Bl.  XII,  1144.  Om  te  ver 
nemen  daer  off  bescheyt,  MLoep  III,  1004.  Van 
welcken  lande  van  Amasonia  veel  bescheets  staet 
in  die  historie  van  Jason ,  Troyen,  Vb.  446.  Om  een 
goet  claer  bescheit  te  vememene  van  Sandergn, 
Lansl.  614.  Noit  en  quamic  daer  ie  vant  soescone 
bescheet,  als  ghi  mi  doet,  684.  Dub  ga  ie  u 
Nimmegen  .  .  van  haer  te  hooren  recht  bescheet, 
Mar.  V.  N.  16,  336.  Ie  gae  haelen  bescheet  te 
weten  watter  noch  achter  staet  int  brief  ken,  28, 
667.  Verstaet  wel  tbescheet,  hetgeen  ik  u  zeg,  Nb 
noch  34.  Hort  van  Adam  dat  besceet  {ketselfde  alt 
dat  bediet),  hoort,  wat  ik  uvan  A. verhaal , Bijmk. 
421.  —  Na  recht  bescheit,  zooals  men  naar 
waarheid  verhaalt.  ||  Daer  die  keyser  stont  gedeet 
rieselike ,  na  recht  besceet ,  metten  veile  Tan  enen 
liebarde,  Sp.  II»,  68,  7.  —  Besceit  doen, 
bericht  geven,  mededeeling  doen.  \\  Wi  sellentebaa 
doen  ende  vloeken  in  allen  kerken,  dier  of  w^t, 
tot  daer  (/.  dat)  hi  daer  of  doet  bescheet,  Rein. 
II,  6300.  Hier  off  wil  ie  u  doen  bescheit,  JfZo^ 
I,  1710.  Dair  aff  wil  ie  u  doen  bescheit,  1860. 

12)  Zeker  bericht,  zekerheid,  waarAeid,  \\  Naer 
die  Godheit  .  .  so  was  onstervel^c  sijn  ere,  dit  es 
een  besceit,  Wap.  Mart.  Hl,  319.  Dit  es  een  be- 
sceit ,  Rosé  C  4616.  —  Vooral  in  de  nitdr.  bescheit 
weten,  sekerheid  hebben ,  de  waarheid  weten.  \\  Ie 
weet  soe  goeden  bescheet  van  eenre  coe,dieiedoe 
vercocht,  ik  weet  het  zeker  aan  eene  koe,  eiu., 
Rubb.  71.  Hoe  hij  bescheyt  soude  weten,  wye 
Achilles  waer  off  niet,  MLoep  II,  2894Mr.Gheefl 
bescheit  en  wisten  sg,  3233.  Het  hebben  my  die 
ghene  gheseit,  die  daer  aff  weten  gaet  bescheit, 
IV,  1731. 

BESCELDEN,  st.  ww.  bedr.  en  ons.  {beteak 
of  bescout,  bescouden  of  beseouwen).  "Miud,  bescheiden; 
mhd.  beschelten. 

Bedr.  —  Met  den  4den  nv.  van  den  persoon. 


993 


BESC. 


BESC. 


994 


1)  Iemand  uitschelden^  tegen  iemand  uitvaren^ 
hem  beriepen.  \\  M^n  moeder  beschelt  mi  seere, 
om  dat  ie  mi  yerslapen  baen,  OT/.  Zê^e?.  265.  Hebt 
lieyer  den  yrient  die  u  bescelt  als  gh^s  yerdient, 
dan  diet  al  prijst  dat  ghi  doet,  Melib,  1800.  Dicke 
hebbic  die  genen  besconden ,  die  hem  an  die  boeke 
houden ,  daer  si  cleene  orboer  in  leren ,  T.  en  Lettb. 
3,  65,  1.  Al  was  ie  een  deel  bescouden,  jans  mi 
God,  ie  salt  onthouden,  OVL  Lied,  e.  O.  280, 
1387  (ygl.  78:  begreep  mi).  En  wildi  niet  sijn 
besconaen  van  haren  magen  .  . ,  so  moeti  minen 
raet  bestaen,  Ben,  505.  Wel  te  rechte  sgn  si  be- 
scouden  die  ghene,  die  niet  en  willen  hondenden 
dienst  Gods,  Lep,  I,  26,  101.  Die  goede  ghesellen 
die  mi  Telden,  die  soldich  node  waerlic bescelden, 
Vrouw.  e.  M,  YII,  132.  Vanden  besceldenden  ende 
Tanden  spuwenden  in  mi,  He.  v.  1348,  109r. 
Beresp,  neewe,  bescelde  in  alre  yerduldicheit, 
233ff.  Jalosie  heft  ons  bescouden,  daer  wi  af  sgn 
sere  yersaget,  Rote  3752.  Die  selken  willen  sijn 
bescouwen,  ende  die  selken  al  haer  lijf  gheblou wen, 
3  Dag.  H.  127.  Ghi  waert  wel  weert,  dat  ghi 
waert  besconden,  dat  ghi  yan  uwen  wive  wilt 
spreken  lachter,  Rubb.  63.  Yan  mi  en  werdijs 
{er  over)  niet  bescouden ,  al  sceeddi  van  hier,  Lanc, 
II,  32215.  Doe  bescalt  hine  te  sinen  scerne,l2fm. 
I,  936.  Do  settede  die  apostel  hem  selven  als  een 
^et  middelaer  daer  tusschen  ende  bescoutse  an 
beiden  siden  ende  vergaderdese  tot  eendrachticheit, 
H».  75  f.  2c,  Amgs  heeftene  seer  bescouden ,  om 
dat  hi  hem  dus  heeft  ghehouden,  £rab,  T,  II, 
343.  En  wil  mi  niet  als  een  onsinnich  mensche 
bescelden,  mer  berispe  dy  selven,  Rt.Lett.  (11635) 
f.  290rf. 

2)  Vermanen  ^  taaarschuwen ,  bestraffen  met  tooor- 
den.  II  Na  dattie  apostel  seit:  bestraffe,  bidde, 
beschelde,  Sp,  d.  VoU,  f.  219r.  Hi  bescoutse  {hij 
gebood  hun  scherpelijk)  ende  gheboet  hem  dat  sgt 
niemant  en  seiden,  Ès.  71,  Luc.  9,  21.  Jhesus 
bescout  den  onreynen  gheest  ende  maecte  dat  kynt 
ghesont,  ald.  vs.  42.  Hi  bescout  dat  rode  meer 
ende  het  wert  droge,  He.  Fs.  lllr. 

3)  Bestraffen  met  daden,  tuchtigen,  \\  Mocht  ie 
noch  syn  ons  heren  vrient  .  .,  ie  sonde  my  soe 
houden,  daer  ie  af  bin  beschouden,  dat  mi  en 
gheviel  nemmermeer,  Segh.  5490  var.  Heer  Loef 
de  hadder  twe  (moordenaars)  ghehouden,  hgn 
waender  niet  om  sgn  bescouden,  Stoke  Y,  387. 

4)  Op  iets  aanmerkingen  maken y  het  afkeuren, 
laken ,  er  iets  op  zeggen  hebben.  —  Als  rechtsterm. 
Appeleeren ,  appel  aanteekenen  (ook  mnd.  en  mhd.).  || 
So  wat  de  meere  deel  des  rades  voer  recht  vindet ,  dat 
en  sal  nemende  bescheiden,  sonder  eens  weder  int 
boec,  Stadb.  v.  Oron.I,  11.  Yan  enen  ordel  to  be- 
scheiden op  datraedhuus,a/^.  14  titel.  Soe  we  beschelt 
een  ordel  dat  de  raed  voer  den  hove  voer  recht  ghe- 
Tonden  hevet,  14.  Men  ne  sal  ghene  sake  be- 
scheiden op  dat  raedhuus  eer  die  raed  vor  den 
hove  een  recht  gheseghet  hevet,  a/d. 

Onz.  —  Schelden,  ergens  tegen  hebben  en  dit 
doen  blijken,  ||  Dats  hem  te  bet  soude  sijn  te 
moede,  ende  te  min  soude  bescelden,  die  de 
penninghe  soude  gelden,  Stoke  lY,  1352.  —  Be- 
schelden  teghen  enen,  tegen  iemand  aangaan, 
uitvaren;  met  hem  twisten.  ||  Sy  stonden  teghen 
Moysen  ende  seiden :  Ghif  ons  water  dat  wi  drincken 
moghen;  ende  Moyses  seide:  wat  bescheldi  teghen 
mi?  J).  B.  Exod.  17,  2. 

BESCELDINGE,  «nw.  vr.  Mnd.  bescheldinge. 
Bestrafing,  kastijding,  \\  Yan  der  stercheit  dyns 
hants   ontbrac  ie  in  der  besceldinge,  Hs,  Fs,  Air 


{Fs.  29 ,  10).  Die  fundamenten  des  ommegancs  der 
aerden  sün  geopenbaert  van  dynre  besceldinge, 
here,  ende  van  dgn  ingeestinge  des  geests  dijns 
toems,  ald.  16  r. 

BESCEMEN  (besciemen),  zw.  ww.  bedr.  Yan 
scheme,  d.  i.  schim,  schaduw  (zie  scheme).  Mnd. 
beschemen,  vgl.  Eil.  en  Plant.  Beschaduwen',  over- 
schaduwen. II  Die  cracht  des  aireoversten  sal  di 
bescemen,  Sp.  d.  Volc.  f.  150;  vgl.  Luc.  1,  35. 
God  die  heer  heeft  bereit  ederen  (lat.  hedera)  ende 
clam  op  Jonas  hoeft,  op  dattet  s^n  soude  een 
scaduwe  op  s^n  hoeft ,  ende  hem  bescemen  soude , 
D.  B.  Jona  4 ,  6.  Dat  die  heilighe  gheest  die . . . 
maget  Maria  beschemede,  Bern,  S,  &«.  Nochtans 
wort  si  {de  vuurzuiP)  des  daghes  mitter  doncker 
woleken  bescyemt,  Bienb.  149  d. 

BESCEMERT,  eig.  deelw.  van  het  ww.  be- 
schemeren,  d.  i.  donker,  avond  worden  (vgl.  b);  en 
vervolgCDS  bnw.  met  de  bet.  schemerdonker,  donker,  || 
Eer  men  die  dachcloc  ludet  ende  after  dien  dattet 
bescemert  is.  Leid.  Keurb.  61,  33.  In  den  avont, 
alst  beschemert  was ,  quam  een  soge  dair  an  stoten , 
Matth.  Jnal.  3,  335. 

BESCEMPEN,  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  beschempen. 
Beschimpen,  smaden,  hoonen,  bespotten.  Ygl.  BE- 
SCAMPEN.  II  Die  voerbi  ghinghen  bescemptenen  ende 
scudden  hoer  hoeft ,  Hs.  71 ,  Matth.  27 ,  39.  — 
Ook  bescimpen  komt  voor,  b.v.ifZo^;?  III,  140. 

BESCEMPT.  Hetzelfde  als  beschaemt  {zie  ald.).  || 
Des  bescempt  sgnde,  hebbende  hier  vaeraf,  Sacr.^&l. 

BESCENDEN  (bescennen,  bescinnen),  zw. 
WW.  bedr.  Mnd.  beschinden;  mhd.  beschinden.  Een 
doode  uitschudden.  \\  Die  enen  reroeff  doet,  dat  is, 
die  enen  doden  man  beroefift  ind  beschennet,  als 
hy  doit  is,  R,  v.  Zutf.  100,  33.  Stratenschinres 
ende  de  kerken  of  kerchove  beschinen  (/.  beschinnen), 
Stadb.  V.  Oron.  YIII,  19. 

BESCENDINGE.  Zie  bescininge. 

BESCEPEN ,  zw.  ww.  bedr.  Inschepen  (nl.  waren), 
laden ,  een  schip  bevrachten  met  iets.  \\  Yan  sulken 
schade,  als  onse  viande  gedaen  hebben  aen  tscip 
ende  aenden  guede ,  daerin  bescheept ,  O.  R.  v.  Dordr. 
2,  53,  71.  Dat  hi  .  .  tot  Sluys  besceept  hadde . . 
in  sinen  scepe,  dat  hi  doe  voerde,  achte  hondert 
wagenscots,  ald.  71,  94.  Noch  gheenrehande  goet 
salmen  moegen  .  .  bescepen  zwaerdereoft  diepere, 
dan  daer  men  wel  over  den  boom  voersz.  mede  sal 
moegen  vloeten,  K.  en  O.  v.  Bel  ft  119,  2. 

BE8CEREN.  Zie  bescaren. 

BESCEBEN,  st.  ww.  bedr.  Slechts  in  gebruik 
in  den  tegw.  tijd  en  het  verl.  deelw.  bescoren. 
Mnd.  bescheren;  mhd.  beschërn. 

1)  Het  haar  wegscheren,  afscheren,  scheren.  Yan 
mannen  en  schapen.  ||  Alst  (Aoor)  was  bescoren,  . 
hadde  hi  al  sine  cracht  verloren.  Rosé  8697.  Hem 
s^n  noch  die  claeuweu  voren  so  seer,  so  hi  was 
bescoren,  doe  hise  door  mi  moeste  ontscoeien, 
Rein.  II,  6757.  Dat  hi  also  bescoren  quam  ende 
over  al  sijn  vel  ghesmeert,  6902.  Dat  si  die  hoefde 
besceren,  Hs.  Ib,  f.  1616.  Een  scaep  niewinge 
bescoren,  Sp.  III*,  45,  58.  Waer  "ie  over  sot 
bescoren,  D.  War.  8,  85,  66.  —  Yooral  van  de 
tonsuur,  het  wegscheren  van  een  gedeelte  van 
het  hoofdhaar  by  personen ,  die  in  den  geestelijken 
stand  gaan.  ||  Die  bescoren  draget  sijn  vlies.  Kerk. 
Cl,  119.  Dat  hi  {de  monnik)  boven  es  bescoren ,  iÜ47«^ 
10385.  Als  een  pape  was  hi  bescoren,  Heelu  8848. 
Daer  saghic  enen  clerc  bescoren,  Sp.  III",  40, 
79.  (Si)  hebben  hem  {den  vader)  crune  bescoren, 
lY* ,  5,  53.  Daer  was  si  moenc  bescoren,  IV* ,  9, 
55.  Yan  den  hoghen  totten  laghen ,  die  sinte  Pieters 

32 


995 


ÈESC. 


ËESC. 


996 


y 


sloetel  draghen,  sijn  si  ghewyet  of  beschoren, 
Hild.  171,  127.  Als  een  pape  was  hi  bescoren, 
Velth.  III,  21,  18.  Sidi  abt,  so  prihore ?  Hi  ghinc 
u  harde  na  den  oren  die  u  die  crnne  hevet  be- 
scoren,  Rein.  I,  945.  (Doe)  hi  te  monke  wart  be- 
scoren ,  2692.  Al  die  broedere  zolen  hoer  haer . . 
geestelike  bescoren  hebben,  D.  Orde  224. 

2)  Oyerdrachteiyk.  Berooven^  afzetten^  plukken. 
II  Snlc  wert  dan  bescoren  ende  bescont  (gebrand) , 
dat  hi  goet  noch  eer  en  hout,  Bein.  II,  7625. 
Want  si  (ecalke)  u  eere  ende  lant  besceren  zwaerlec 
ende  onteeren,  Sc.  en  Cl.  72.  Dat  sj  tonrecht  sijn 
beschoren  off  hoir  goedekijn  off  ghebroken,  Hild. 
18,182.  Beschermen  was  dit  woert  ghenaemt , . . 
De  M.  is  aten  woerde  ghetoghen  .  .  .,  wanttet 
spellet  na  beschoren,  25 ,  65.  Op  datmen  tvolck 
bescheren  wonde  ende  placken  daer  men  mocht, 
26 ,  96.  Enen  schalken  knecht ,  diet  yolc  mit  onrecht 
zeer  bescheert,  46,  138.  Entie  dan  mit  onrecht 
gaen  besceren  hier  entaer  hoers  heren  liede,  96, 
112.  Sine  connen  hem  anders  niet  gheneren ,  danne 
tleke  volc  bescheren ,  Hor.  Belg.  12 ,  23.  Hi  hilde, 
dat  hi  Yonde ,  bescoren  liever  dan  hyt  Tor  gode 
sperde,  D.  War.  4,  46,  47. 

BESCEREN  (bescaren)  ,  zw.  ww.  bedr.  Slechts 
in  gebraik  in  het  deelw.  besceert,  be- 
s  c  a  e  r  t.  Mhd.  beschem ;  mnd.  bescheren.  Nog  heden 
in  het  hd.  In  het  Ndl.  is  yan  dit  ww.  in  ge- 
bruik het  te  onrechte  sterke  deelw.  beschoren. 
Toedeelen,  beschikken^  bepalen,  oorspronkelijk  van 
het  noodlot  of  de  voorzienigheid  ïn  gebruik.  ||  Hebdi 
ghesproken,  wanneer  u  yet  toequam:  „dit  is  be- 
scheert?" dit  is  eene  beschikking  van  het  noodlot, 
Moll,  Bijdr.  Bijg.  2.  Ten  weet  nyemant,  woe  (toaar; 
hd.  wo)  hem  syn  doodt  bescheert  is,  Spreitken  5. 
Der  boesheit  is  beschaert  int  leste  te  varen  hinder- 
waert,  Hild.  136,  233.  Den  wormen  wortet  vleysch 
ghegheven,  dat  hem  langhe  was  beschaert,  163, 
176.  Tsterven  is  ons  al  bescaert,  156,  77.  Der 
doot  soe  mochten  si  wel  vermoeden ,  want  si  waer 
hem  al  bescaert,  222,  208.  —  Mi  es  bescheert, 
voor  mij  is  weggelegd,  mij  wacht. 

a)  Van  gewenschte  omstandigheden.  ||  Mi  es  be- 
sceert dit  nieuwe  jaer,  OFl.  Lied.  e.  O.  226,  4.  Grose 
eer  is  .  .  der  vrouwen  besceert ,  Frouw.  e.  M.  XII , 
81.  Waer  hem  heil  af  is  bescaert,  Hild.  137 ,  75  var. 

b)  Yan  onaangename  ervaringen.  ||  Menighen 
arbeit,  menighe  scande  is  den  dieven  oeck  be- 
schaert, Hild.  10,  420.  Die  langhe  pine  swaer, 
die  naden  oerdeel  is  beschaert  den  sondaer,  die 
ter  hellen  vaert,  15,  146.  Want  hem  die  helle 
was  bescaert,  158,  98.  Wat  een  in  minnen  meest 
begheert,  daer  is  hem  dicwijl  of  bescheert  sonder 
twifel  meerre  lyden,  192,  14.  Dien  is  schade  ende 
anxt  bescaert,  248,  58.  God  di  laet  mi  bet  vergaen 
dant  mi  bescheert  is,  Proza-Rein.  14r.  —  Iet  is 
bescheert  in,  iets  gaat  gepaard,  is  onafscheide- 
lijk verbonden  met.  \\  Doch  ist  beter  openbaert, 
daer  schade  of  scande  in  is  bescaert,  Hild.  138, 
125  var.  Soe  ghiet  ie  loot  van  finen  goude,  daer 
groet  verlies  in  is  beschaert,  161,  428. 

BESCEREN  (besceriên),  zw.  ww.  bedr.  (vgl. 
keren  en  kerien,  eren  en  erien,  ver  heren  en  ver- 
kenen). Voor  den  gek  houden,  bespotten,  ledriegen. 
Vgl.  mnl.  sijn  se  eren  houden,  en  on»  gekscheren.  \\ 
(Hi)  ginct  (het  geld)  in  sine  hant  daer  tellen ,  om  dit 
besceerriden  deen  doe,  Velth.  I,  39 , 26. Die woent 
in  den  hemel,  selse  besceren  ende  die  here  selse 
besceren.  Es.  Ps.  Sv  {Ps.  2,4;  Statenvert.  be- 
spotten). Besceren  ende  bespotten,  Qetijdeb.  S.  113<r. 
—  Zie  ook  het  volg.  Art. 


BESCERENEN  (besceernen),  zw.  ww.  bedr. 
Freq.  van  besceren  (zie  ald.).   Voor  den  gek  houden, 
bespotten.  \\  Verstoede   siit   in    spotte,    soe  wahc 
bescerent  geliic  den  sotte ,  Limb.  V ,  1427.  Phesonie 
bescemede    dien    here,    Cass.   1766  (vgl.  1781:  si 
scorende  op  hem).  Hem  dinct ,  dat  hi  bescerent  si , 
putans   se   irrideri,    Sp.    II  •,    14,    67  (^Belg.  Mtu. 
1,  279).  Zeere  ghequest,  bescerent,  bespouwen  in 
u  anschijn,  Kal.  6,  ^{Verh.  I  1de  KI.  Inst.  6»,  46, 
58).    Niemene    besceernen   noch   onweerde  bieden 
met   woorden,    Ruusb.   4,    12.    (Jezus)  wart  ver- 
raden,  bespot,    bescerent,  ghegheselt  ende  ghe- 
slaghen,  6,  15.  Si  sonde  mi  scelden  ende  be-scemen 
( :  wemen) ,  mesdadic  een  twent  jegen  hare ,  Rosé 
3478.   Hoe   waenstu    bescemen   dwoert,    dat  alle 
salecheit  bringt  vort?   Sp.  W,  27,  77  {var.  be- 
stri ven,  zie  ald.).  Doen  Herodes  sach  dat  hi  was 
bescerent   vanden   drien   coninghen,   was   hi  sere 
gram,  Hs.  v.  1348,  39rf.  —  Enen  bescerenen 
van,    iemand  plagen   met.  \\  Dat    hine    bescemea 
sonde  van  Pelles  dochter,  iMnc.  II,  32605. 

BESCERM  (bescaerm),  znw.  o.  Mhd.  beschirm, 
bescherm.  Bescherming,  hoede.  WJitX  beyde  HoUant 
ende  Gelrelant  sonder  bescerm  ende  sonder  harde 
(herder)  waren,  Matth.  Anal.  3,  117. 

BESCERME   (bescaerme),   znw.   vr.  Vgl.  be- 

HOET  en  BEHOEDE,  BEHOEF  OU  BEBOETE,  enz. 

Bescherming,  hoede.  \\  Hout  altoes  in  n  bescaerme 
.  .  die  heleghe  kerke,  Parth.  1271.  Dugghcdane 
bescerme  der  ecclesien  .  .  niet  en  wil  jeghen  dea 
rechte  z\jn,  D.  Orde  216.  —  Ook  van  een  persoon 
gebruikt.  Beschermer,  regent.  Vgl.  behoede.  || 
Kaerle  Marteel  .  .  .,  bescherme  van  Vranckergck 
datmen  hem  coes,   Vad.  Mus.  3,  439,  41. 

BESCERMELIJC,  bnw.  Slechts  in  de  uitdr. 
beschermelike  wapene,  wapenen  van  ver- 
dediging. II  Also  dat  al  ziin  lijf  mit  bescermelike 
wapen  wel  bewaert  si,  Ned.  Proza  82  {Schaaksp.  iSb). 

BESCERMEN  (bescermen,  bescarmen,  bk- 
SCAERMEN),  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  bescAerwun; 
mhd.  beschirmen,  beschermen. 

1)  In  de  tegen w.  bet.  Beschermen,  beveiligen.  \\ 
Hi  soude  .  .  sinen  broder . .  bescarmen ,  Lanc.  III , 
6831.  Ne  conste  ons  wachtre  nochtc  hont  no  be- 
wachten  no  bescaermen ,  Rein.  1 ,  404.  Ghi  jaechsc, 
die  ghi  soudt  bescarmen ,  Kerk.  Cl.  154.  IMt  is  van 
beschermen ,  Gedicht  bij  Hild. ,  bl.  25.  Of  mi  de 
mogentede  van  Gode  bescermet,  Frane.  5209.  — 
Bescermen  vore  of  van,  beveiligen  t^gen, vrij- 
waren voor.  II  Te  hem,  diene  van  messciene  al 
besceermet  voer  die  honde,  Nat.  Bl.  XII,  756. 
Dese  steen  besceermt  kindre  in  hare  jonchede  voer 
onghevalle,  858.  Bidt  Gode,  dat  Hi  n  beware 
ende  bescerme  voor  uwe  viande,  Salad.  223.  Dat 
hy  mit  synen  lyve  dusent  scepe . .  bescermt  hadde 
van  den  brande  teghen  alle  onse  viande,  Troyen 
7694.  Dat  si  hare  kimpen  alle  beide  moeste  be- 
scermen van  leide,  Lorr.  II,  3548.  Daer  mede  die 
mensche  bescermet  wert  van  neyghingbe  inden 
souden ,  Gulden  Troenf.  27 i.  —  Ook  met  den  3den  nv. 
van  den  pers.  en  den  4den  der  zaak.  Enen  d  at  1  g  f 
bescermen,  iemands  leven  verdedigen.  \\  Wedewei 
ende  wesen  mede,  die  seldi  met  live  ende  met 
sprake  bescermen  haer  l^f  ende  haer  lede ,  Salad.  166. 

2)  Evenals  het  lat.  def endere  vereenigt  het  mul 
bescermen  als  krijgsterm  de  beide  beteekenissei 
van  verdedigen  en  afweren. 

a)  Verdedigen.  \\  Oec  beval  hi  oppenbaer  .  .  • 
Reynaude  van  den  dorne  wit  met  III*  ridders 
coene,  ochts  daer  iet  ware  te  doene,  datsgt  soada 
bescermen  wale,  Lorr.  II,  3561. 


Ö97 


BÊSC. 


BESC. 


998 


b)  Afweren.  \\  Neemt  den  scilt  .  .  daer  mede  dat 
elc  man  bescermen  mach  ende  bestriden  die  yiande 
tallen  tiden ,  Melib.  (E.)  1347  var,  (bl.  687).  {Die 
steen)  besceermet  die  gadoet,  a  eubitunea  morte 
defendit,  Nat,  Bl.  XII,  977. 

3)  Afweren^  beletten ,^  verAoeden.Ygl.  BEHOEDEN 
6).  IjWaer  die  Heiligbe  kerke  beeft  noot ,  moeti 
bescermen  hare  scade,  Salad,  129.  Dies  moetewi 
alle  verdienen  hier,  dat  ons  bescermt  moet  sijn 
dat  Tier  {dat  van  ons  geweerd  wordt  dat  vuur)^  ende 
dat  torment  ende  alle  die  sere,  L.  o.  H.  4842. 

BESCERMENEN,  xw.  ww.  bedr.  Freq.  van  be- 
êchermen^  met  dezelfde  beteekenis.  —  Vandaar  het 
mhd.  znw.  beschirmenunge  (Lexer  1 ,  208).  ||  O 
heilich  sacrament,  al  m^n  hoope,  ghy  hebt  mi 
bescerment  desen  dach,  Saer.  794. 

BESCERMENE8SE ,  -ISSE,  znw.  vr.  Mnd.  be- 
êckermenüse'j  mhd.  bescAirmenüse. 

1)  Betchermingy  hoede.  \\  In  sine  bescermenesse 

snldi  flijn,  Parth,   1990.   (Hi)   nam   den  joncheer 

"Willam  van  Hollant  in  synre  bescermenisse ,  Matth. 

Anal.  3 ,  148.  Bliven  inde  protectie  ende  bescher- 

menisse  van  onsen  vors.  gheduchten  heere,  ZVl, 

Bijdr.  1 ,  324.  Nu ,  helich  Cruce ,  ie  gheve  mi  in 

die  (/.  dine)  bescermenesse  nu  voordan ,  Amand  I , 

3661.  Bescermenesse  ende  goet  ghewin  es  hi  {de 

steen)  den  ghenen  an  die  hant,  die  verre  gaet  in 

vreemde  lant,  Nat.  Bl.  XII,  710.  So  settic  inder 

helegher  kercken  bescermenesse  al  dat  ghoed .  . . , 

ende  sonderlinghe  in   de  bescermenesse  .  .  tsbis- 

scops  van  Doemike,   Fad.  Mus,  4,  359.  Bi  deser 

beschermenissen   {nl.  Gods),  Exc.  Cron.  13r.  Daer 

toe  ooc   80  hebben  si   (nl.  poorters)  vrihede  ende 

vele  beschermenissen    {gen.^  afh.  van  vele),  dies 

si   te  dorpe  missen,   Lsp.  III,  26,  24.  Buten  be- 

Hchermenisse   der   steden,   Matth.   128.  Ghenomen 

hebben  in  hare  beschermenesse  de  goede  coopliede, 

Invent.  v.  Briigge  4,  292. 

2)  Verdediging^  zoowel  als  krijgsterm,  als  door 
middel  van  een  tweegevecht.  ||  Gelyck  hy  . .  bevinden 
zal . .  oirbaerlixte  voor  die  bewaernisse  ende  bescher- 
menisse  van  tlandt  te  wesen,  Meyl.  Delfl.  28. 
Tsurplns  es  besteet  in  de  defensie  ende  beHcher- 
meni.Mse  van  der  stede,  Inform.  9.  Tot  defensie 
ende  bescermenisse  van  den  lande,  420.  So  benic 
comen  na  dus  nare  hier  in  harre  bescermenessen , 
Lanc.  IV,  3870.  Ie  ben  gereet  te  bescermenessen, 
sprac  Lanceloet ,  dat  si  ongetrouhede  noit  ne  dede , 
BO  verranesse  mede,  3880. 

3)  In  concreeten  zin,  zoowel  van  zaken  als 
van  personen. 

d)  Van   zaken.  Borstwering  ^   verdedigingswerk.    || 
Welc    es  die  bescermenesse  hier  of,  die  dam,  die 
vesten   jof  die    mure,   diere    of  weren    die  felle 
g-hebure?  Heim.  1610. 

b)  Van  personen.  Beschermer^  verdediger.  Vgl. 
bg  BESCHERM.  ||  (Hi)  sant  dair  tot  beschermenisse 
ende    tot   eenen   regenten   vander  stadt   .   .  eenen 

Erefect,  Bxe,  Cron.  218fl.   (Hector)  is  haer  borch, 
aer  casteel ,  haer  bescermenisse  al  geheel ,  Troyen 
f,  S7c, 

c)  Van  plaatsen.  Het  gebied  eener  stad ,  ongey eer 
g'eiykstaande  met  vriheit  (zie  ald.).  ||  Binnen  der 
stat  vryheit  of  binnen  der  stat  bescermenesse, 
22.   r.    Utr.  1,  9,  19. 

BESCERMER.  Zie  het  volg.  Art 
BESCERMERS8E,  znw.  vr.  Vrouweiyk  van  be- 
sehermer.  Beschermvrouw^  beschermster ^  patrones.  \\ 
Sinte    Katrine,  die   bescermersse   des  cloesters  es 
ende   patronersse,  Lutg.  I,  94. 

BESCERMINGE,  znw.  vr.  Gebruikt  in  de  con- 


creete  bet.  van  verdedigingswerken.  \\  Dat  sy  alle 
die  heren  verjagen  wouden,  ende  hoer  casteel 
nederwerpen  ende  hoer  bescerminge  breken ,  Matth. 
Anal.  3,  173. 

BESCëRMSEL  ,  znw.  o.  Beschutting ,  bescherming, 
II  Mynen   schilt,  mijn  beschermsel  zide  ghy,   Vaii, 

Mus.  ö,  389.   —  Vgl.   SCERMSCILT. 

BESCERMTE,  znw.  vr.  Hetzelfde  als  het  meer  ge- 
wone bescermenesse. Bescherming^ hoede.  \\  (Dat) 
elc  coepman  daer  moghe  comen  ende  keren  mit 
haren  goede  in  sokeren  bescermten  ende  in  goeden 
payse,  Mieris  2,  156  a.  Dat  wi  dat  Bagijnhof  .  . 
ghenomen  hebben  ende  nemen  in  onse  seker  be- 
scermte,  250a.  Zo  doet  hem  alsulc  recht  ende 
bescermte,  als  ghi  doet  uwen  anderen  poirters, 
311^.  Alle  hoir  goed  .  .  nemen  .  .  in  onse  be- 
scermte, 323^. 

BESCERNEN.  Zie  bescerenen. 

BESCIEDEN.  Zie  bescien. 

BESOIEN  (besceen,  ook  in  den  anorg.  vorm 
bescieden),  zw.  (en  st.?)  ww.  onz.  Mnd.  2^«r^^» ; 
mhd.  beschèhen.  Geschieden^ gebeuren^pUats grijpen.  \\ 
Nie  en  seidhy  sake  noch  behiet,  sy  en  es  te  hare 
tyt  beschiet;  ie  weet  wel  dats  niet  en  ghebrac, 
wat  so  mijn  vader  voresprac,  Troyen  f.  29^.  Die 
Paus  orlovet  niet ,  dat  sgn  cronen  (in/*.)  daer  besciet , 
Velth.  V,  29,  57.  —  Met  den  3den  nv.  van  den 
pers.  Overkomen^  wedervaren.  \\  Wat  hem  daer  weder 
bescede,  dat  waer  sonder  broeke  tegen  die  stad, 
Stadsr.  v.  Zwolle  66 ,  57.  So  wes  dat  hem  bescede 
van  den  waker,  67,  61.  Wes  dat  hem  daer  be- 
schiede,  dat  is  broekeloes  teghen  die  stad,  100, 
146.  Wat  u  dan  beyegent,  dat  nemet  voer  dat 
airebeste,  dat  u  bescheen  mach,  Gerl.  Peters  212. 

BESCIET.  Zie  besceit. 

BESCIETEN  (in  den  Lanc.  ook  besciten  ge- 
schreven), st.  WW.  bedr. ,  onz.  en  onpers.  Mnd.  be- 
scheten]  mhd.  beschiezen. 

Bedr.  —  1)  Boor  schieten  beproeven ,  afschieten.  \\ 
Den  ghenen   die   der  stede  boghen  bescoten,  doe 
mense  leverde  meester  Arnoude,  Rek.  v.  Gent  1 ,  91. 

2)  Er  bij  inschieten  ^  verliezen.  \\  Der  siere  [van 
Darius)  blevere  vele  doot,  ende  Alexander  die 
bescoot  inden  wijch  IX  man  te  voet,  ende  Cende 
XX  ridders  goet,  Sp,  I»,  19,  39. 

3)  Bedekken^  afschieten^  afsluiten^  beschieten.  \\ 
Die  scoel  te  bescieten  myt  plancken  daer  sy  open 
was,  B^k.  d.  Buurk.  61.  Die  tabernakel  was  binnen 
al  om  bescoten  mit  hout  van  cethim,  B.  v.  1357, 
46^?.  —  Vandaar  beveiligen ,  baten ,  helpen,  steeds  met 
eene  ontkenning.  Een  zelfden  overgang  van  bet. 
vertoont  besluten  (zie  ald.).  Vgl.  ook  Onpers. 

II  Onse  gepense  groet  en  bescieten  ons  niet  tegen  die 
doet,  Velth.  II,  35,  30.  Dat  hem  sijn  plate  niet  en 
quam  te  stade  noch  en  bescoet,  Grimb.  II,  4612.  Dat 
hem  niet  bescoet  al . .  noch  stegereep  noch  gereide,  hi 
en  keerde  die  been  opwert  beide,  Lorr.  11,369.  So  dat 
hem  niene  mochte  bescieten  dat  gewere  in  genen  din- 
gen, Velth.  II,  52,  72.  Onse  gepense  groet  en  be- 
scieten   ons    niet    tegen    die    doet,    II,    35,    30. 

4)  Overvallen  f  bevangen,  \\  Dese  bruederen  worden 
mit  desen  wondere  soe  bescoten,  dat  sy  van 
vresen  ende  van  wonder  in  twyvelinghen  woerden, 
Faderb.  229b, 

Onz.  —  1)  Opschieten,  gedijen,  Vgl.  mhd.  jj  Wi 
lettel  hier  bescieten,  OFl.  Lied.  e.  Oed,  381,  32. 
Oec  gaven  hem  vuile  hande  sine  vianden  altoeste 
doene,  dat  noit  conste  bescieten  soene,  Lorr.  I, 
1722    {baten,   helpen   is   hier   de    ware  bet.  niet). 

2)  Door  weglating  van  het  bij  Bedr.  3)  bijge- 
voegde obj.  verkry gt  bescieten  de  bet. van  helpen^ 


999 


BESC. 


BESC. 


1000 


hêvoordeêUn  ^  haten.  Steeds  met  eene  ontkenning.  || 
Ghene  bede  soe  en  bescoet,  Brab.  T.  Y,  695. 
Engene  bede  noch  geen  ocsoen  en  mochte  daer 
besciten  niet,  Lanc,  III ,  16147.  En  geen  gheweer  en 
conste  bescieten  jeghen  den  hertoge  entie  sine,  Heela 
3548.  (Dat)  dat  schelden  niene  besciet,  Lsp.  III,  9, 77. 
Archernie  (/.  Acherme) !  en  besciet  geen  plardecken ; 
al  waensta  heymelijc  doen  dine  dinge,  hi  {God) 
anesiet  al  sonderlinge ,  Yelth.  1 ,  34 ,  70  (het  woord 
plardecken  is  cormpt,  maar  de  beteekenis  moet  zijn 
scAuil  houden^  verbergen^  moet  er  een  comp.  van 
deden  staan  ?).  Doe  Pylatas  sach,  dat  niet  en  bescoot, 
dat  niets  (of  Aet  niet)  baatte,  Hs.  r.  1348,  303^. 
Onpers.  Het  besciet,  het  baat,  het  helpt 
(ygl.  bedr.  3),  steeds  met  eene  ontkenning  ver- 
bonden, of  in  een  ontkennenden  zin  gebruikt. 

a)  Absolnut.  ||  En  bescoet  niet  een  ylas,  Yelth. 
Y,  5,  26.  Niet  ne  besciet,  dat  hi  verdraecht , I Y, 
6,  39.  Ende  (/.  en)  bescoet  niet  wat  si  ran,  57, 
46.  Alse  Bmne  sach,  dat  niet  bescoet,  24,  25. 
Algader  dese  dinc  en  bescoet  daer  niet  van  enen 
ase,  II,  47,  28.  Dat  en  beschiet  niet  enen  bast, 

I,  48,  93.  Nochtanenbescootnochniet,II,50,27. 
Dan  bescoet  min  no  mere,  Lanc.  III,  23632.  En 
bescoot  niet  wat  hi  pogede,  Sp.  lY",  43,  16.  Sint 
niet  besciet,  lAmb.  III,  137.  (Dat)  het  niet  en 
beschoot ,  wat  hi  dede ,  Hild.  43 ,  83.  Dit  en  bescoet 
cort  noch  lanc,  Brab.  T.  Y,  4615.  Doen  si  saghen, 
dat  niet  en  bescoet,  Fad,  Mm.  1,  60,  81.  Dat  en 
besciet  no  min  no  mere.  Rosé  3181.  Nochtan  en 
bescoet  algader  niet,  Teest.  3596. 

b)  Met  den  4den  nv.  van  den  pers.  ||  Dat  hem 
namaels  clein  bescoet,  Yelth.  I,  3,  36.  Dat  hem 
niet  bescoet  een  haer ,  II ,  35 ,  12  (zoo  ook  Lsp.  I , 
23 ,  38  var. ;  Yst.  BI.  2340;  Lanc.  III ,  16461 ,  22238). 
Gene  onscont  en  mocht  haer  staen  in  staden ,  dat  haer 
yet  bescoet ,  II ,  40 ,  36.  Dat  hem  lettel  goet  bescoet , 

II ,  46 ,  46.  Anderwerf  den  spere  hi  biet,  maer  en  be- 
scoet hem  niet ,  III ,  30 ,  15.  Dat  en  bescoet  den  grave 
niet,  dat  hi  hem  mach  ontsculdigen  yet,  Y,  5, 
17.  Al  had  daer  yemen  willen  weren  . . ,  en  hadden 
bescoten  niet  een  haer ,  22 ,  52.  Oec  en  saelt  u 
niet  bescieten,  Limb.  II,  1646.  Dat  hem  eentwint 
niet  en  bescoet,  I,  1213.  Hem  bescoet  niet  wat 
mer  toe  dede,  YI,  1680.  Maer  nu  en  bescoet  mi 
twint,  YIII,  1631.  Dan  mochte  mi  bescieten  twint, 
XI,  273.  Wat  besciet  ons  dat  wi  striden  ten  tween 
staden  ?  soe  en  can  niet  deen  den  andren  gehelpen 
iet,  XII',  504.  Hem  en  beschoot  niet  nochtan, 
Lsp.  III ,  4 ,  202.  Dat  hem  nochtan  niet  en  bescoet, 
Wrake  I,  861.  Dat  en  bescoed  har  doen  nyet  een 
twintekijn,  Lutg.  III,  810.  Maer  en  conste  hem 
niet  bescieten,  O VI.  Ged.  2, 106, 114.  Dan  bescoet 
hem  niet  ene  pere ,  Flovent  553.  Soe  sire  meer  na 
siet,  soet  haer  min  besciet,  Buusb.  4,  201.  Alse  si 
siet,  dat  hare  niet  en  besciet,  maer  altoes  pine 
verloren,  205.  Haestelic  si  ten  wapinen  liepen, 
maer  en  mochte  hem  niet  bescieten,  Vl.RiJmk.  10084. 

Aanm.  —  Meermalen  vindt  men  in  plaats  van 
bescoet,  door  het  verkeerd  lezen  der  Hss.,  in  de 
teksten  bestoet.  ||  Doen  hi  sach  dat  niet  en  bestoet 
(/.  bescoet)",  Wrake  1, 196.  En  bestoet  (/.  bescoet)  hem 
min  noch  mere ,  Brab.  Y.  II ,  6220.  Al  ware  een  here 
milde  ende  coene  . . ,  en  bestoet  {l.  bescoet)  al  niet  een 
vinde  {een  pion) ,  op  dat  hi  gherechticheyt  niet  en 
kinde ,  Teest.  1062.  En  bestoet  hem  niet  een  spaen , 
Segh.  3634  (/.  bescoet ;  Hs.  besloet ,  van  besluten ,  dat 
dezelfde  beteekenis  heeft  als  hescieien-,  zie  besluten). 

BESCIJN,  znw.  o.  Mnd.  beschin.  Eig.  stam  van 
het  WW.  bescinen  (zie  ald.). 

1)  Het  schijnen,  het  lichten.  \\  Mettien  sach  ie. 


des  lichts  beschgn  so  overclaer,  OVl.  Ued.  e.  G. 
242,  274.  —  Ook  in  de  bet  van  licht.  ||  In  een 
beschijn  hebbic  beseven  een  zoete  minlic  scieteo, 
280,  1397. 

2)  Bewijs.  Ygl.  bescinen  2) ,  en  bescinigen.  || 
Want  wy  gheen  byschiin  off  bewQs  en  seen, 
Warfsconstit.  29.  Alle  (eigennaam)  sal  Sgwert  . . 
daer  beschijn  van  geven,  van  de  gaede eweliken to 
ghebruken ,  ald.  87.  Waer  op  die  van  Ghenemudea 
ons  hebben  angebracht  met  waerachtigen  beschyene 
ende  hebben  ons  hoere  privilegiën  ghetoent.  Racer 
6,  200. 

BESCIJNSEL ,  znw.  o.  Licht,  schijnsel.  De  plttti, 
evenwel  waarop  dit  woord  voorkomt,  is  niet  rol- 
komen  helder.  ||  Den  selven  scoutiten  .  .  bj  be- 
scijnsel  der  voerseide  ghemeynten  vesticheit  ende 
statnt«n  by  hen  ghemaect,  mesdaen  ende  over- 
treden, .  .  qnyteren  wy  ende  quytschelden,  Gtw. 
V.  St.  Truyen  I,  8. 

BESCIJNTE ,  znw.  vr.  Schijnsel,  licht.  \\  Dm 
dolende  wordic  gheware  van  verren  ene  bcscynte 
clare  int  ende  van  der  prayerie,  O  Fl.  Lied.  e.  Gei. 
238,  146. 

BESCICKEN,  zw.  ww.  bedr.  en  wederk.  Mnd. 
beschicken.  Het  Mhd.  beschicken  heeft  eene  andere  bet 
Bedr.  —  Regelen.  ||  Hoe  ie  best  mgn  volc  scare 
ende  bescicke  mijn  orloge ,  Rosé  10012.  Hoer  erf- 
namen  sy  bijeen  nam  ende  bescickede  al  hoir zaken, 
als  sy  bescheydelicste  conde ,  MLoep  II ,  1986.  Si 
sullen  eiken  sjjn  werc  bescicken,  aanwijzen,  D.B. 
Num.  4 ,  27.  —  Ook  enen  iet  — ,  toedeelen.  Zie 
by  besceiden,  bedr.  4). 

Wederk.  —  Hem  bescicken,  ach  gereed 
maken,  aanstalten  maken.  \\  Als  hy  een  groot  stie 
gegaen  was,  bescicte  hem  die  knecht,  dat  die 
coopman  wel  vernam  an  sijn  gelaet,  dat hine wilde 
moorden,  Matth.  200  noot. 

*  BESCICT.  Exc.  Cron.  140rf.,  lees:  bescM 
d.  i.  verstand,  oordeel.  \\  Also  dat  gewoonlic  is 
van  allen  gemeynten  dye  bemert  sgn  ende  overeen- 
lopen  sonder  eenich  beschiet.  —  Misschien  ook 
moet  men  beschiet  lezen,  dat  graphisch  nog  dichter 
by  besciet  staat,  en  ook  Rosé  C  4516  gelezei 
wordt  voor  besceit  of  besceet  (zie  ald.  12). 
BESCIMPEN.  Zie  bescempen. 
BESCINEN,  st  WW. bedr.  en  onz. Mnd.  4*icil««» 
en  Mhd.  bescheinen  hebben  de  trans,  bet  van<^ 
blijken.  Ygl.  Grimm ,  Wtb.  1 ,  1559  en  besceineS- 
Bedr.  —  1)  In  de  tegw.  bet  Beschijnen.  ||  Upene 
nacht . .  wart  soe  bescenen  . .  met  enen  salegen lichte, 
Franc.  9845.  Themelsce  licht  bescenge  (d.  i.  besckee* 
haar ;  vgl.  Christ.  bl.  631)  doe ,  Lutg.  III ,  5.  Dal  (die) 
sonne  beschinet,  Parth.  8398.  Der  beste  een,  die 
die  sonne  ie  besceen ,  Ren.  1363.  Zoo  ook  O  Fl.  liei.  e. 
Ged.  66 ,  9 ,  1.  —  Zwak  vervoegd ,  Segh.  2166.  —  Als 
znw.  gebruikt.  Schijnsel,  licht.  \\  Uut  elcker  vcinstei 
sach  ie  risen  een  claer  bescinen  naturael ,  dat  docht 
mi  seinen  als  een  stael,  OVl.  Lied.  ^.  (r.  250,^l<• 
2)  In  jur.  zin.  Enen  — ,  als  schuldig  bewijze» ^*^ 
rechte  overtuigen.^  g\.  hd.  schein,  d.i.  bewijs,tTLi\t\^ 
volg.  art.  II  Were  yenich  man  oft  vronwe,  d« 
rogghen  molt  {motten,  d.  i.  mouten)  hadde,  ende  des 
beschenen  worde ,  de  brake  vyf  marck  ende  dit 
saet,  Stadb.  v.  Gron.  Y,  63.  Wort  yemant  hjjra 
boven  beschenen,  de  sal  breken  vyf  marck,  Ut 
27.  So  wel  {wie)  beschenen  ende  vertnghet  wort, 
30.  By  een  pene  van  X  marck  soe  vake  he  beschenei 
wort,  44.  Mocht  men  den  beschinenoflebewj»»! 
JEtst.  v.  Dr.  118.  Demen  dar  warha£fticb  van  ke- 
schinen  kan ,  147.  Dat  men  se  daerbovea  beschraes 
mochte,  dat  se  des  nyet  en  lieten.  Racer  5,  3^- 


iOOl 


BESC. 


BESC. 


1002 


Worde  wel  (d.  i.  loer^  iemand)  hiermede  beschenen, 
dat  twe  hoyedinge  of  .  .  twe  borgen  vertngeden, 
Pro  Exeol.  5*,  221.  —  Ook  Iet  —,  in  rechte 
èewijzen,  het  gerechtelijk  beunje  voor  iets  leveren; 
lat.  prohare.  \\  Dat  men  beschienen  mochte  myt 
twe  gude  mannen  of  die  ghene,  den  die  fuken 
weren,  Racer  6,  83.  Die  dat  mocht  beschinen self 
ander,  ald,  —  Slechts  in  de  Saksische  proyincien; 
in  de  Frankische  zegt  men  bedragen  (z.  ald.). 

Onz.  —  In  het  Limbnrgsch  in  bet.  gelijk  aan  het 
mnl.  seinen^  d.  i.  ons  b  lij  ken  ^duidelijk  zijn.  \\Qod 
hij  hneden  ende  beryet,  als  hoem  decke  wale 
beschejn,  Serv.  I,  1453.  Bes  der  goede  Sinte 
Servaes  een  sterck  honffcman  was,  als  decke  wale 
bescheyn,  824.  Dat  nyemant  en  richte  noch  en 
wrack,  alst  herde  wale  bescheyn,  II,  1560. 

BESCINIGEN  (besciningen),  zw.  ww.  bedr. 
Mhd.  beseénigen,  vermeld  by  Grimm,  Jrtb.l\  1559; 
hd.  beseheinigen;  ygl.  mnd.  beschinen,  dat  eyenals 
het  mnd.  bescinigen  in  het  dykrecht  gebruikt  werd. 
Overtuigend  bewijzen  (hd.  durchaugensehein  bezeugen). 
II  So  yaeck  als  hem  die  zwoem  dat  beschijnijnghen 
moeghen,  sal  hie  die  boete  gelden,  Overijs. Dijkr, 
!!■,  11.  Weert  sake  dat  hie  .  .  ghenen  dienst  en 
dede  no  orber  slands ,  soe  moegen  hem  die  zwoemen 
.  .,  wanneer  sQt  hem  beschijnijnghen  moeghen, 
afsetten,  n>,  29. 

BESCININQE ,  znw.  yr.  Van  bescinen  (ald.  2). 
Het  leveren  van  het  gerechtelijk  bewijs.  ||  Wo  men 
vechtinge  na  beschinynge  berichten  sal,  Stadb. 
V.  Gron.  V,  10  titel,  —  Of  yan  beschinnen,  d.  i. 
besckenden  (z.  ald.)?  Het  zon  dan  beteekenen 
slretatschenderij.  Deze  bet.  komt  meer  overeen  met 
de  woorden  nit  het  bovengenoemde  artikel,  waar 
men  leest :  jt^M^  vechtinge  ende  alle  beschinninge 
salmen  holden  ende  berechten  bi  der  beerclocke." 
—  Zoo  komt  ook  beschinen  voor  beschinnen  voor, 
en  wel  Stadb.  v.  Gron.  VIII,  19. 

BESCINNEN.  Zie  bescenden. 

BESCINXINGE.  Zie  bescininoe. 

BESCITEN,  st.  WW.  bedr.  Mnd.  beschiten-^mhd, 
besehizen,  Eig.  coneacare,  en  verv.  bij  nitbreiding 
bezoedelen,  bevlekken,  onteer  en.  \\  Sine  heilicheit 
heeft  hi  nn  besceten,  Truw.  85.  Nonnen  minne, 
beghinen  tonghe,  morwe  eyere,  kinder  jonghe  .  . 
beseiten  meneghen  op  eertrike,  Belg.  Mus,  1,11S, 
7  (hier  loopen  de  eig.  en  de  flg.  bet.  dooreen).  —  Het 
▼erl.  deelw.  besceten  wordt  als  scheldwoord 
gebruikt,  om  de  grootste  verachtelükheid  uit 
te  drukken.  Allerveraehtelijkst.  ||  Quade  besceten 
horstront,  hoe  sprectstu  soe  te  mi  ward  ?  X^Mf .  III , 
19744.  Vgl.  Grinun,  Wtb.  1,  1560,  en  vooral  de 
aanh.  uit  de  Lex  salica:  „  si  quis  alterum  concacatum 
clamaverit." 

BESCIWEN.  Zie  bescuwen. 

BESCOET.  Zie  biscoet. 

BESCOLTSCATTEN  (bescolscatten),  zw.  ww. 
bedr.  Van  scoliscat,  d.  i.  scultscat,  m.  a.  w.  de  ver- 
schuldigde som.  Vgl.  Mhd.  schultsehaz  (Lexer  2, 815). 
Het  den  4den  nv.  eener  vrouw.  Haar  onder  het 
storten  van  eene  bepaalde  som  plechtig  aan  iemand 
verbinden  of  verloven.  Hetzelfde  als  besekeren  (zie 
ald.).  II  Weert  sake  dat  een  (dat,)  onser  borger  een  jonf- 
frouwe  off  een  vrouwe  besekert  off  bescholscattet 
worde  ter  echtscap,  Overijs.  R.  V,  105.  Dat  een 
onser  borgher  een  joncfrowe  oft  eene  vrowe  besekert 
of  bi  schoelschacker  (/.  bischoelscattet)  woerde  ter 
echtscap,  ald.  8. 

BESCOMPEN,  zw.  ww.  bedr.  Hetzelfde  als  be- 
schempen  (zie  ald.).  ||  Doe  dusdanighe  woirde 
kundichde  die  heilige  man  mitten  gheest  derpro- 


phecien,   bescomten   si   en  uutten    bosen  gheeste 
vol  verbolgenheits ,  Ned.  Proza  241. 

BESCONEN,  zw.  ww.  bedr.  Mnd  beschonen-, 
mhd.  beschenen.  Sparen,  verschoonen.  \\  Hi  seide, 
dat  si  {de  avonture)  somwile  ter  cure  den  quaden 
sine  quaetheit  loont,  ende  dat  soe  nieman  en  be- 
scoont,  Alex.  III,  568. 

BESCOOPT,  bnw.  Van  scope,  scop,  d.  i.  deksel. 
Zie  vooral  Schuermans ,  Idiot,  596,  en  vgl.  Kil.  570 : 
schop,  tegumentum,  quidquid  tegit  (Becan.),  en 
het  eng.  shop,  Eig.  van  een  scop  of  deksel  voorzien ; 
in  het  alg.  gedekt,  bewaard,  beschermd.  Van  het 
gehoor  wordt  OVl.  Lied,  en  Ged.  462 ,  170  gezegd  dat 
het  is :  II  Bescoopt  vor  alle  vremde  lette ,  wel  bewaert 
van  alre  smette,  van  allen  quade  wel  behoedt. 

BESCOP.  Hetzelfde  als  bisscop,  Christ.  72; 
L.  V.  J,  c.  21,  e.  e. 

BESCOPPEN,  zw.  WW.  bedr.  Van  het  weinig 
gebruikte  ww.  scoppen,  d.  i.  spotten.  Kil. :  Eland. 
vetus',  j.  schobben,  spotten.  Vgl.  het  znw.  SCOP. 
Bespotten ,  een  loepje  nemen  met  iemand.  \\  Segt ,  dat 
iet  hem  ontbiede ,  dat  hgs  sal  hebben  sine  miede . . . , 
dat  hine  bescopte,  Ferg.  849.  Vgl.  het  Gloss.  ald. 

BESCOTEN,zw.ww.  bedr.  Turf,  co  ren  enz.—, 
de  hoeveelheid  der  lading  (van  het  beschot)  aan- 
geven, begrooten.  \\  Indien  eenich  cooren  vercoft 
ende  te  hooch  bescheet  wordt,  sulcx  datmen  dair- 
omme  moet  cavelen,  K.  en  O.  v.  Delft  150,  16. 
Ten  waere  dat  die  coopman  zyn  goet  niet  al  be- 
schoeten  en  mochte,  151,  20.  Omme  tgelt  dairoff 
te  ontfangen  van  tcooren  te  beschooten  ofte  anders- 
sins,  154,  6.  Gheen  turftonster  of  draegere  en  sal 
hem  moeten  onderwinden  vanden  turf  te  vercoopen 
ofte  te  bescoeten,  200,  4  (Oudste  K.  v.  Delft  27, 
22  (turftelster)). 

BESCOUDEN,  zw.  ww.  bedr.  en  wederk.  Van 
seouden,  d.  i.  broeien  met  kokend  water,  zengen,  eng. 
to  scald;  zie  ald. 

Bedr.  —  1)  Met  heet  water  overgieten  (Kil. 
calida  perfundere).  \\  So  sceppense  water  in  nese- 
gaten  ende  makent  heet  seere  utermaten  .  .  ende 
bescouder  mede  die  honde.  Nat.  BI.  II,  3018. 

2)  Bij  uitbr.  ook  van  vuur.  Zengen,  branden, 
schroeien,  vooral  van  het  helsche  vuur.  ||  Dat 
thelsche  vier  hem  niet  bescoude ,  Praet  1523.  Dattu 
di  niet  ne  laets  bescouden  in  de  vlamme  van 
helschen  viere,  4393.  Dat  mi  dat  (helsche)  vier 
niet  en  bescoude,  iSJp.  I*,  47,  12.  Ist  datmen 
desen  (steen)  duwet  sere,  dat  hi  smenschen  hant 
bescout.  Nat.  BI,  XII,  936  (lat.:  pressus nimium 
digitos  .  .  adurit;Yg\.  Alex.  VII,  1057).  Over  sine 
smerte  die  hQ  adde,  daer  hg  bescaut  was  inden 
dienst  vander  stede.  Bek.  v.  Gent  1,457.  Dat  men 
de  stede  (de  wonde  plek)  hamen  sal  met  goude 
toten  bodem  van  der  siecheit  ende  gheneset  niet 
achter  dat  beschanwen,  Jan  Yp.  115.  Dan  soe 
bescout  die  stede  met  eenen  instrumente  van  gaude , 
131.  Daema  soe  bescut  (/.  bescout)  de  wortelen 
met  eenen  gloeiende  isere,  104.  Dat  dat  ansichte 
niet  worde  bescont  U.  bescout),  ald.  Tote  dat  be- 
schonde  (l.  beschouae)  stuc  hute  vallet,  ald.  Alse 
die  mensche  es  bescaut  van  viere  ofte  van  water 
of  andersins,  173.  Cauteriseren  ende  beschanwen 
den  darme,  194.  Si  bement  met  ysere  ende  bescou- 
went,  ald.  Die  ogen  si  tranen  hem  ende  siinheet 
ende  bescouden  die  liere,  Hs,  Tp.  58^.  Zoo  ook 
129  ff,  137  rf,  141  rf. 

Wederk.  —  1)  Zich  branden,  zengen,  schroeien,  \\ 
Ghi  sult  u  houden  vrolic  ende  verhouden  in  der 
minnen  gloet.  Al  souddi  u  bescouden ,  ne  latet  niet 
vercouden,  OVl.  lAed,  en  G,  115,  29, 


1003 


BESC. 


BESC. 


100( 


2)    Figunriyk.    ZicA    branden,   ziek   de  handen 
branden,  de  treurige  gevolgen  van  iet*  ondervinden.  \\ 
Hi  wilde  wesen  uter  port ,  alse  men  doDgelt  roepen 
sonde,  daer  hem  menich  ane  besconde,  Yelth.  lY, 
8,  50  (vgl.  het  volgende  hoofdstuk). 

BESCOUDER.  Zie  bescouwe. 

BESCOÜDICH.  Zie  besculdich. 

BESCOUDIGEN.  Zie  besculdioen. 

BESCOUDINGE  (bescouwinge),  znw.  vr.  Het 
branden;  concr.  in  den  zin  yan  brandwond,  ||  Na 
willen  wy  jou  leeren  Tan  beschonwinghen  ende 
alse  die  mensche  es  bescaut  van  viere  ofte  van 
water  of  andersins,  Jan  Yp.  172. 

BESCOUT  (bescult)  ,  bnw.  Yan  scout,  d.  i.  tchuld 
(zie  ald.). 

1)  Yan  icout  in  den  zin  van  geldschuld,  lat.  aes 
alienum.  Met  schulden  bezwaard ,  schulden  hebbende, 
armoedig,  behoeftig.  \\  Omdat  si  souden  .  .  .  alle 
die  bescout  (egenos)  waren  vergadren  jegben  die 
rike ,  Rijmb.  27637  var.  (het  teksths.  heefl  besculde). 

2)  Yan  scout  in  den  zin  van  moreele  schuld ,  lat. 
culpa.  Met  schuld  beladen,  schuldig,  misdadig.  \\  Hi 
salre  in  {in  de  hypocriten)  vinden  selke  dinghe, 
daer  hi  mede  wert  bescout,  eest  dat  hi  hem  daer 
ane  hout,  Nat.  BI.  II,  543. 

BESCOÜTHEIT  (bescautheit),  znw.  vr.  Het- 
zelfde als  bescoudinge;  zie  ald.,  en  vgl.  mnl.  belemmert- 
heit  met  ons  belemmering.  Het  gebrand  zijn,  en  in  con- 
creeten  zin  brandwond.  ||  Yan  bescautheit  van  heten 
water  ofte  van  viere,  Jan.  Yp.  178. 

BESCOUW  (bescau),  znw.  o.  Eig.  stam  van 
bescouwen.  Het  zien,  het  beschouwen.  \\  SQn  haer 
was  scoon,  syn  leden  groot,  sijn  anschgn  manlic 
int  bescau ,  voor  het  oog ,  om  te  zien ,  O  VI.  Lied,  e. 
O.  265,  960.  —  Een  besconw  doen,  in  oogen^ 
schouw  nemen.  ||  Daer  so  dedic  een  bescau  up  den 
zevensten,  ald,  310,  2268. 

BESCOUWEN  (bescauwen),  zw.  ww.  bedr. 
Mud.  beschouwen;  mhd.  beschouwen. 

1)  Zien,  opmerken.  ||  Soe  moeti  hen  dienen  met 
trouwen,  als  ghise  in  doghene  selt  bescouwen, 
Salad.  206.  Also  mach  men  daer  bescouwen  starker 
boven  manne  die  vrouwen,  Nat.  BI.,  aangeh.  Natuur k. 
bl.  368.  Die  moeder  .  .  der  ontfaermechede ,  die 
haer  suchten  heeft  bescouwet  entie  mesdaet  die 
haer  rouwet,  Sp.  I',  66,  186. 

2)  Voorzien  in ,  ergens  voor  zorgen ,  er  op  letten,  \\ 
Bedi  so  hiet  hi  (Abraham)  die  stede: God  salt be- 
scouwen, Dominus  videbit,  Rijmb.  2010. 

3)  Aanzien,  bezien.  \\  Als  die  ghebure  ghe- 
vreischten  dat,  liepen  si  dat  wonder  bescouwen, 
Rein.  I,  1583.  Indien  tiden  bescaude  Jhesus  sine 
jongheren  {Es.  i  n  sine  jongheren,  latinisme) ,  ende 
seide.  Es,  v,  1348,  82^. 

4)  Wederzien,  terugzien,  \\  (Hi)  maecte  dennaen 
vroeder,  hoe  dat  hi  vader  noch  moeder  nemmer- 
meer  en  mach  bescouwen,  Segh.  3281  var, 

5)  In  genade  neerzien  op,  beschermen.  \\  Dat  hij  (God) 
ons  ghenadelike  bedencken  wille  ende  bescouwen, 
Serv,  1,  3214.  Die  mijns  behoeven  ende  mi  ge- 
trauwen,  die  comic  nu  aldus  bescauwen,  Sp.  lY*, 
113  (vgl.  112:  bescermic).  Ie  sal  bescouwen 
dese  stede,  di  ende  dit  volc  ooc  mede,  eist  dat 
ghi  doet  dat  ie  u  hiet,  Rijmb,  11765. 

6)  Eet  oog  houden  op,  iemande gangen  nagaan.  Met 
den  4den  nv.  van  den  pers.  ||  Die  twee  ouderen . . ,  diese 
(Suzanna)  bescau  weden ,  Us.  v.  1348,  86  c.  Ie  sal  den 
Here  van  Awans  bescouwen  ende  wederstaen ,  Yelth. 
lY,  59,  18.  Dese  homans  sullen  horen  eedtdairtoe 
doen ,  dat  sy  een  ygelic  bescouwen  sullen  ende  dat 
D^emant  verdragen,^i;7*r//^/fi^«f ,  leid.  Keurb.  237, 48. 


7)  Nagaan.  Met  den  4den  nv.  der  zaak.  —  Yaa 
dijken,  weteringen,  enz.  Nagaan,  of  ze  in  behoor- 
lijken staat  worden  onderhouden,  schouwen,  intpee- 
teer  en.  \\  Die  sluysen  ende  die  damme  selen  wj 
bescouwen,  gelycke  dat  men  andere  dycke  besc&uwet, 
Oorkb.  2,  219  ö.  Yoert  soe  willen  wy,  d&t  die 
geene  die  dese  brugge  te  vooren  dede  maecken, 
voertaen  maken  ende  beschouwen  sullen,  232 i. 
Dat  onse  bailiu  .  .  .  desen  dyc  ende  de  slozen . . . 
bescouwen  sal  ende  berechten,  257a.  Dese  vore 
ghenoemde  watergange ,  dat  si  die  bescouwen  selea 
met  haers  selves  rechtere ,  390  b.  Dien  {dijk)  sullea 
sy  selve  bescouwen  mit  haren  scoute ,  506  b.  Haere 
waeteringe  sullen  si  gemeenliken  doen  beschouwea 
binnen  haeren  ...  lande.  Mieris  2,  151a.  — Ook 
ene  core  bescouwen,  inspectie  houden,  of  de 
bepalingen  eener  keur  worden  nageleefd.  ||  Ende 
sal  dese  koere  naeden  tijt  onderhouwen  worden 
ende  byden  scout  ende  scepenen  bescouwet,  K.  en  0. 
V.  Delft  67,  2.  Ende  dit  sullen  moegen  bekoerea 
ende  bescouwen  die  scout,  die  vanden  gerekte 
ende  oick  die  boodens  ende  sheeren  dienres ,  109, 36. 
Zoo  ook  O.  K.  V,  Delft  1 ,  35  passim ;  36. 

8)  In  mystieken  zin.  Zich  aan  overpeiHsi»gen 
wijden.  Meestal  in  het  deelw.  bescouwende 
gebruikt,  b.  v.  dat  bescouwende  (ook  scou- 
wende)  leven,  het  kloosterleven.  ||  Dan  wil  ie . . . 
hoghe  dimmen  in  bescouwender  contemplacien ,  » 
afgetrokken  beschouwing  van  het  hoogere,  Rem.  H, 
4144. 

Aanm.  —  Yoor  bescouwen,  Jmand  H ,  i597 : 
„Als  die  mensche  heeft  ontfaen  in  souden  die 
doot  . . .  so  wert  onmoghelic  sgn  bescouwen  ,*^  leze 
men  berouwen,  d.  i.  berouw  (zie  ald.). 

BESCOUWEN.  Zie  bescouden. 

BESCOUWER  (BESCOUDER,  evenals  omgekeerd 
het  deelw.  bescouden  ook  bescouwen  geschreven 
wordt;  zie  bescelden),  znw. m. Mhd.  beeehouwmre, 
beschouwer.  Yan  bescouwen  6  en  7).  Opzichter^ 
opziener;  het  Gr.  èniaxonog.  \\  Jugen  ende  wet- 
houder makic  bescouders,  Praet  3329. 

BESCOUWINGE  (bescauwinge)  ,  mw.  vr.  Mnd. 
beschouwinge;  mhd.  beschouwunge, 

1)  Schouwspel.  II  Al  die  scaren  die  te  gader  daer 
waren  te  deser  beacauwinghe  ende  saghen  datter 
ghesciede,  sloughen  hare  borsten,  Hs.  v.  134S, 
119^. 

2)  Godsdienstige  overpeinzing  (vgl.  BESCOUWEN  8). 
II  Si  sach  oec  die  wijl  in  haere  bescouwinghe  ende 

in  haer  gebede  hemelsche  vysioen,    Paee.  W.^le. 

BESCREIEN  (ook  minder  juist  bescreidek),zv. 
WW.  bedr. ;  vgl.  mnd.  besckrien ;  mhd.  besckriem 
(beiden  st.  en  zw.).  Beweenen,  Met  den  4den  nr. 
van  den  pers.  ||  Die  derde  scaer  waren  sine  vrien- 
den ,  die  hem  {Jezus)  bescreieden ,  He,  80  f  1461. 
Hem  te  bescreien  mit  sgnre  gebenedider  moeder, 
175^.  Nyemant  en  dorst  hem  bescrejden,  die  ii 
zijnder  passien  alsoe  zeer  hem  verblide,  Bern.  W.  U. 
Die  ffemeyne  kinderkens  die  bescreyden  dftt  zware 
iuc ,  dat  op  Adams  kinder  gheleyt  is ,  mer  Cristus  die 
bescreyet  die  sunden,  die  Adams  kinder  hebben  ghe- 
daen,  57r.  O  mine  siele ,  bescreye  dinen  Here ,  dLiea 
beholder,  Brugm.  2,  376.  —  Als  anw.  Droefheid, 
geween.  ||  Och  wat  bescreyens  moste  daer  wesei 
onder  die  devote  herten  nu  over  Jhesum,  .  .  ut 
mit  Marien ,  ald.  379.  —  Thans  nog  met  den  4dei 
nv.  der  zaak ,  vooral  met  het  znw.  eene  faut. 

BESCRIDEN,  st  VfW.\iQ^v.{besereet,heeereiem\ 
Mhd.  beschriten;  in  het  mnd.  schgnt  het  woord ai^ 
voor  te  komen.  Yan  scriden  (zie  ald.)  en  verg.  BE- 
STRIDEN  (2de  Art.). 


4005 


BESC. 


BESC. 


1006 


1)  BetHjgen^   èeiUmmen,   vooral  yan  lastdieren 
gebmikt.  ||  So  yloech  Joab  in  den  tabernakel  ende 
bescreet   den   horninc   van   den   ontaer,  Hs,  Lett. 
11636,/.  165(7.  Enen  den  vroemsten  here ,  die  nie, 
wanic,  ors  bescreet,  lAmb,  lY,  1872. (Hi) bescreet 
Fyauwen  saen,  dat  grote  ors,  Lorr.  II,  678.  Tien 
tiden  daden  si  hem  Fyanwe  bescriden,  3666.  Die 
stiere   can   hi   wel   bescriden  ende  gaetne  op  den 
rugghe   riden,   Nat,  BL    II,   3830   var.  Zoo  ook 
Lane.  II,  37666,  37691,  38837;  III,  16649;  Wal. 
8660,  8414,  10133;  Ferg.2^^1  \Bén.\Qn\J)eitkm. 
3,  206, 28;  f7a>Mlr.  I,  603,  714;  «i«.  —  Bescreden 
hebben  (een  ors),  ie  paard  zitten^  op  een  paard 
rijden,   \\   (Hi)    hadde    een    wit   pert   bescreden , 
Lanc.  II ,  4426.  Daer  die  een  af  hadde  bescreden 
een  roet  ors,  46014.  Elc  hadde  enen  duvel  bescre- 
den,  reed  op   een  d.,   III,    17607    (zoo   ook  II, 
46962;  HI,   11557,  17178).  Dat  hi  syn  goede  ors 
adde   bescreden,    Wal.   736.   Tors   es   stare  ende 
goet;    haddict   bescreden   gelijc  dat  gi  doet  enz., 
Zorr.  II,  3663.  Alse  die  den  waghene  hadde  ver- 
loren ende  bescreden  hevet  een  paert ,  Sp.I'^^ld,  36. 
(Si)   hebben  maer  een  ors  bescreden,  zij  zitten  op 
één  paard,  Ren.  282.  Zoo  ook  Eleg.  317 ,  824.  Ene 
ezelinne  .  .  .  soe  hadde  die   Here  met  ween  be- 
screden.   Vod.  Mus.  2,  409,  12.  —  Bescreden 
hringen,  komen  aanrijden  op  een  Uutdier.  Zieby 
BRiNGEN.  II  (Polifemns)   brachte   enen   drommel- 
dael  bescreden,  Limb,  YIII,  1494. 

Aanm.  —  Schrijden,  lat.  gradi,  is  wat  de  bet. 
betreft,  slechts  eene  wijziging  van  loopen.  Het  is 
das  verklaarbaar,  dat  het  samengestelde  bescriden 
den  invloed  van  het  gelijkgevormde  beloopen  onder- 
vonden ,  of  althans  sommige  der  beteekenissen  van 
dat  WW.  heeft.  Zoo  bet.  bescriden 

2)  Zich  op  den  hals  halen,  ontvangen,  ondergaan 
(vgl.  BELOPEN  2,  b,  y).  \\  Die  de  doot  niet  en 
hadden  bescreden,  worden  dmeestedeel  al  blent, 
Sp.  II*,  10,  60  {bf  te  lezen  hadde?  Dan  is  de 
doot  ondw.,  en  behoort  de  plaats  bg  3). 

3)  Aanvallen,  aantasten  (vgl.  BELOPEN  2 ,  £^).  || 
Wanneer  si  werden  dns  bescreden,  soe  syn  die 
sinnen  ende  die  reden  soe  belast,  dat  si  vergeten 
ander  salicheit  te  weten,  Hild.  2,  87  (vgl.  vs. 
82:  si  syn  belegen  van  hem  drien,  die  op  hem 
scriden  al  in  een).  Die  vreese  van  der  doot  ende 
tsceiden  van  den  eerscen  goede  .  .  ende  dan  die 
ziecte  .  .,  dese  drie  hebse  also  zeere  bescreden, 
N.  Boet.  2321  {var.  bestreden).  —  Bescreden 
met  ter  doot,  tot  den  dood  vervallen,  eigendom 
van  den  dood  geworden,  in  het  niet  verzonken.  \\ 
I>ie  tide  die  wi  hebben  leden ,  die  es  metter  doot 
bescreden  ende  die  en  keert  nemmermere,  ghelijc 
dat  die  doot  niet  en  keere,  Sp.  I*,  64,  11  (Vinc: 
quicquid  etatis  retro  est,  mors  tenet). 

Aanm.  ~  Franc.  10376:  „Van  den  hoofde  toten 
Toeten  bescrijt  hi  (Franciscus)  hem  (den  zieke)  vele 
soete,*^  is  bescrijt  cormpt.  Men  leze  bestrijct.  De  in  het 
Gloss.  opgegeven  bet.  van  langs  gaan  is  noch  met 
bescriden,  noch  met  het  zinverwante  belopen  te  rijmen. 

BESCRIEÜWEN  (bescriewen)  ,  zw.  ww.  bedr. 
Van  het  ongebruikelijke  seriewen,  waarschijnlijk 
verwant  met  het  mhd.  schrawe  of  schraje  (Ben.  2, 
201;  Lexer  2,  784),  d.  i.  sprenkelen,  sproeien ',yg\, 
het  Vlaamsche  bnw.  schrauw,  vuil,  smerig  (Schner- 
mans  601).  Besproeien,  besprenkelen ,  bevochtigen.  \\ 
X>ie  vnnsch  coren  minghet  met  niewen,  of  dat 
droghe  met  water  bescryewen,  soe  dijnt  het  ende 
-waert  te  mere  vele,  N.  Boet.  661  en  var. 

BESCRIVEN,  st.  ww.  bedr,  ^nd.  beschriven; 
xnhd.  besehriben. 


A.  Yan  seriven,  in  den  zin  van  schrijven, 

1)  Schrijven,  beschrijven,  opschrijven.  \\  In  sQn 
graf  so  was  bescreven,  t^.  1^,  43,  14.  Dat 
hevet  mi  wonderlichede ,  twi  dut  niet  heves  be- 
screven, III  ^,  42,  24.  Dattn  heves  in  Mart^ns 
leven  vaste  beset  ende  bescreven,  dat  hi  seide 
enz.,  III ^,  42,  3.  Ie  segt,  als  die  mi  niet  en 
vermide  .  . ;  dit  dar  ie  wel  bescriven ,  Vierde  Mart. 
688.  Wat  sidi  nutghegaen  in  der  woestinen  te  sien  ? 
Dese  woorde  bescrijft  sinte  Matheus ,  Stemmen  146. 
Dat  gi  mine  leringe  altemale  vaste  in  u  herte 
bescr^ft.  Base  123%.  Sente  Panwels  .  .,  daer  wi 
af  be8(ï^even  horen,  die  teerst  een  moordadich  man 
was,  Rijmb,  3347.  Sinte  Pauwels  .  .  in  sjjn eerste 
epistel,  die  hi  bescrivet  totten  Corinthen,  Oest, 
R.  f.  24tf. 

2)  Opgeven  (in  een  boek,  een  geschrift).  ||  Enten 
beesten ,  daer  gheen  ghetal  gheen  boec  af  bescriven 
sal,  Rijmb.  4107.  Die  coninc  van  Trojen  hietPriamus, 
sinen  name  vinden  wi  bescreven  dns,  Parth.  1. 

3)  Iet  — ,  het  opschrijven,  boek  houden  van, op 
schrift  brengen.  Deze  bet.  is  bewaard  in  ons  znw. 
boedelbeschrijving.  ||  Telken  dat  die  mensce  misdoet , 
die  duvel  bescrivet  also  saen,  als   hi  die  sonde 
heeft  gedaen,  Lucid.  4328.  (Ber  stede  clerc)  sal  . . 
die  brieven,  die  an  hair  ghesent  worden,  .  .  be- 
scriven ,  of  die  antwoirde  dair  op  bescriven ,  Matth. 
74.   Alle   die   broken  .  .  te  bescriven,   76.  Des- 
ghelycx  sal  hj  bescriven  die  vreden ,  die  ghenomen 
worden;  .   .  oic  is  hy  sculdich  te  bescriven,  wie 
die  vrede  nam,  ald.  Bescriven  die  poirteren,  die 
malcanderen  doen  daghen,  137.  Die excysenaer die 
dexcyse    vander  bronwerie   hujert  ofte   bescryft, 
K.  en  O.  V,  Bel  ft  172,  13.  Men  ginc  besegelen 
ende   bescriven   die  soene ,  Lorr. ,  N,  fr.  26 ,  806. 
—  Ook  enen  bescriven,  hem  opschrijven,  zijn 
naam  opnemen,  in  een  bepaald  boek  noteeren,  recen^ 
seeren.  j|  Int  bescriven  van  al  den  volke  van  der 
stede ,  Invent.  v.  Brugge  6 ,  476.  Dat  alle  die  saud 
wilden  winnen,  datse  hem  zouden  commen  doen 
bescryven ,    aangeh.    Gloss.    ald.    28  d.    —   Ten 
Santen  bescriven,  onder  de  Heiligen  opschrijven, 
opnemen.  \\  Dits  hoe  hi  was  met  Sinten  bescreven , 
ende  hoe  dat  hi  was  verheven ,  Franc.  7731.  —  In  bg- 
zondere  toepassing  gebruikt  van  het  „boek  des  levens" 
(vgl.  Openb.  6) ,  waarin ,  volgens  de  voorstelling  der 
eerste  Christenen  de  namen  waren  opgeschreven  van 
hen,  die  tot  de  eeuwige  zaligheid  waren  bestemd  (vgl. 
Ev.  Qez.  51, 3).  Vervolgens  ook  in  andere  gelijksoor- 
tige uitdrukkingen.  ||  Dat  ick  na  dit  corte  leven  tot 
sgnre  blyscap  werde  bescreven ,  i&^i.  2666.  Helena, 
die  ten  rijcke  ons  liefs  Heren  is  bescreven,  11770. 
Ons  bescriven  {aldus  leze  men  met  de  uitgevers)  in 
des  conincs  ridderscap  sonder  enden,  Sp.  II*,  18, 
40.  Bescreven  te  sine  .  .  in  Q^ods  ons  Heren  ridders 
scare,  II*,  19,  60.  Ie  moet  sgn  bescreven  mettien, 
die    Cristns   gevet   dieven,   11^,   16,    16.  —  In 
des    dorpers    brief   bescreven    worden, 
met  een  ^  dorper  ^^  worden  gelijk  gesteld,   er  voor 
doorgaan ,  gehouden  worden.  ||  Want  woordic  logenare 
gescouden,   so  waer  mijn  ere  ende  mQn  leven  in 
des  dorpers  brief  bescreven ,  zoo  zouden  mijne  eer  en 
mijn  leven  met  die  van  een  dorper  worden  gelijk' 
gesteld,  zou  er  een  vlek  op  mijne  eer  en  mijn  leven 
geworpen   worden,   Flandr.  I,   781.  Zie  vooral  de 
Aant.,  waar  verscheidene  soortgelijke  voorbeelden 
worden  aangehaald,  en  ywg,  brief.  —  In  na- 
volging van  het  Lat  proscribere  ook  gebr.  in  de 
bepaalde   bet.   van   op  de  lijst  (der  vogelvrfj  ver- 
klaard en)  plaatsen,  vogelvrij  verklaren;  zoo  ook  in 
het  Mhd.  ||  Elinatus  sprack:  Ghi  s^jt  bescreven 


■1007 


BESC. 


BESC. 


1008 


ende  n  lijfis  op  een  groot  ghelt  gheset.  Appollonius 
vraechde:  Ende  wie  sonde  den  prince  van  sijn  lant 
bescriven  of  op  geit  setten  te  doden  ?  Oeat.  R.  c.  163. 

4)  Schriftelijk  toewijzen.  Met  den  4den  nv.  der 
zaak  en  den  3den  yan  den  persoon. 

a)  In  de  hoedanigheid  yan  machthebber.  ||  Dgn 
bisscopdoem  bescrivic  di,  Rijmb.  19943. 

b)  Bij  testament  vermaken;  ygl.  ons  bespreken ^ 
en  eng.  beque^th.  \\  Sijn  testament  verkeerde  hi  .  . 
ende  bescreef  Archelanse  trike,  21746. 

5)  Door  een  geschreven  stuk  bewijzen^  of  daarbij 
verklaren.  —  Ook  in  algemeener  zin  verklaren^ 
uitmaken,  erkennen.  \\  Hi  (de  duivel)  salse  alle  oyer 
sijn  bescriven,  voor  de  zijnen  verklaren^  Praetll77. 
Tgoet  wil  meyster  siin  bescreven,  tot  heerseher 
verklaard^  als  zoodanig  erkend  loorden^  Fersch.  3, 
166,  18  (vgl.  bl.  170);  Esop.  bl.  12,  vs.  18. 
Wie  hem  met  gheven  maect  soe  bloet,  dat  beide 
sijn  hande  ydel  bliven,  men  mach  hem  wel  vor 
ghec  bescriven,  OFl.  Oed.  3,  108,  218. 

6)  Door  een  geschreven  stuk,  schriftelijk  ge/asten 
te  verschijnen]  voor  het  gerecht  dagen;  dagvaarden. 
Kil.  scrip to  in  judicium  vocare.  Ook  convoceeren.  \\ 
Hoe  dat  onlanx  .  .  wij  mit  onsen  apenen  bezegelden 
brieven  hebben  doen  beschrgven  op  eynen  zekeren 
dach  onsen  .  .  here  Adolff  .  .  om  crachten  end 
gebrecken  willen,  Ngh.  4,  441.  Als  die  Inden 
sijn  onbekent  ende  dicke  vechten  ende  kiven,  soe 
mach  die  rechter  meest  bescriven,  Hild.  160,  30. 
Midsgaders  den  ghedepnteerden  .  .,  die  aldaer 
bescreven  waren  by  onzer  ghednchte  vrauwe, 
Invent.  v.  Brugge  6 ,  103.  Daer  de  drie  staten  van 
den  lande  van  Ylaendren  vergadert  waren  np  tbe- 
sceven  (/.  tbescriven)  van  onzen  ghednchten  neere, 
Invent.  v.  Brugge  6,  32. 

7)  Toeschrijven,  op  iemands  rekening  stellen.  \\J} 
doot  sal  men  op  my  bescryven,  want  had  ie  by 
nwer  syde  ghewest  ten  vreselicken  stryde ,  ghy  en 
waert  dus  niet  vermoert,  Troyen  2321. 

8)  Omschrijven,  beperken,  navolging  van  het 
Lat.  drcumscribere.  ||  Soe  machse  haer  tot  hnweliken 
state  keren  oft  in  suverheden  haer  selven  bescriven 
Blisc.  V.  M.  1901  (vgl.  Wdb.  op  Bredero  496). 

9)  Uitschrijven,  verordenen,  vaststellen.  \\  Dat 
men  in  den  zelven  husen  hoerjaerghetidebescrive 
ende  die  bega  vlitelike,  D.  Orde  222  en  274. 
Melchiades,  die  bisscop,  hiet  dat  men  bescreve  haer 
jaergetide  .  .  op  die  seste  yde  van  November, 
8p.  II*,  4,  137.  —  Ook  in  den  zin  van  gelasten, 
schriftelijk  bevelen.  \\  (Een  geschenk)  ghesonden  ter 
bmlocht  van  Michelet  Desprez  ten  bescrivene 
{volgens  ordonnantie)  van  mynen  heere  van  Middel- 
bnerch  Pieter  Bladelin,  Invent.  v.  Brugge  6,118; 
vgl.  de  noot  aldaar. 

B.  —  Van  scriven,  in  den  zin  van  schilderen. 

10)  Beschilderen.  ||  Die  kemenade,  die  metgonde 
was  bescreven  altemale.  Wal.  2620.  Sine  camere 
{moet  zijn)  scone  bescreven,  Sp.  III*,  36,  120. 
Dat  pinioen  aen  sinen  scacht  met  joncfrouwen 
hoefden  bescreven,  Segh.  4910.  Een  vergier  .  . 
met  beelden  bescreven  wale ,  Rosé  137  var.  J.  den 
scildere,  van  dat  hi  bewoorpen  {geverfd)  heiftmet 
olyevaerwen  tcamerkin  .  .  .,  enae  dat  bescreven 
heeft  (beschilderd)  met  scilderien  van  der  wapene 
van  Vlaendren,  Invent.  v.  Brugge  6,  314.  Van 
hondert  taergen  te  bescrivene  metter  stede  wapene , 
ald.  Int.  132.  Van  twee  beelden  te  scriveneanden 
muer  .  .  ende  den  mner  te  bescrivene ,  ald.  1 ,  436. 
Van  den  appelen  van  den  beelefroote  te  bescrivene , 
3,  173;  zoo  ook  488.  Van  den  voors.  schilden  te 
bescrivene  mpt  der  stede  vapene ,  5 ,  314.  —  Een 


bescreven  cleet,  eengekleurd^  veelkleurig  kleed, 
Zri.Bijdr.  6,  66. 

11)  Jf schilderen ,  uitschilderen.  ||  Doe  sach  hi 
bescreven  daer,  hoe  hi  ene  wednwe  berechte,  die 
haren  sone  in  enen  gevechte  verloren  hadde  met 
ongevalle,  Sp.  III',  16,  6.  Die  ymagie  van  onser 
vrouwen  . . ,  die  bi  miracle  was  bescreven,  UI*, 5, 65. 

12)  Bg  uitbreiding.  Afbeelden,  (in  kleuren)  voor- 
stellen. II  Dat  hi  Alexanders  ghedane  wel  bescrive 
ende  hi  hare  dat  heelde  bringhe,  Sp.  I*,  43,  8. 
Ie  sende  dl  in  een  cleet  bescreven  mine  ghedane 
in  mijn  leven,  I^,  17,  17.  Na  Nidecheit  so  stoet 
verheven  Sericheit  ende  wel  bescreven,  Bo9e  302. 
In  dien  voet  oec  van  den  schilde  stoent  bescreven . . , 
hoe  Daris  dat  rike  van  Meden  wan . . ;  Balthasar  sat 
daer  bescreven  (Franck:  ghescreven),  die  tien  uden 
coninc  was  bleven,  Alex.  Il,  1162.  —  Het  vcrl. 
deelw.  bescreven  wordt  verbonden  met  bi.  Zie 
Tekstcrit.  89.  ||  Hoerre  G-oden  ende  heerscappie 
ende  alle  datsi  bedreven ,  daer  was  die  duv<d  bi 
bescreven ,  MLoep  III ,  229 ;  d.  i. :  ,  Door  al  hunne 
daden  werd  de  duivel ,  het  toppunt  van  slechtheid 
uitgedrukt;  al  hun  daden  vertoonden  het  uitgedrukte 
beeld  van  den  duivel".  Leren  si  oec  wel  ende 
leden  quaet  leven ,  so  sijn  si  bi  der  clocke  bescreven, 
daer  scone  lucht  nut  gaet  ende  haer  selve  metten 
clepel  slaet  soe  sere,  dat  so  breket  ontwee  .  .  ; 
leren  si  qualic  ende  qualiken  leven,  so  s^n  si 
biden  roeke  beschreven,  die  tfier  verdoemt  ende 
verblint,  datter  geen  lucht  en  werd  heïojii,  Luód. 
3196.  De  2de  en  de  7de  regel  beteekenen:  ,zj 
worden  door  de  klok ,  den  rook  afgebeeld ,  verioonen 
het  beeld  van  de  klok  en  den  rook ,  zgn  bij  de  klok^ 
den  rook  te  vergelijken,  er  aan  ge  lij  k.^^ 

BESCRIVER,  znw.  m.  Mhd.  besehrUer.  Van 
bescriven  (zie  ald.  1).  Schrijver.  \\  Berechters  ende 
beschrivers,  judices  et  scribas,  Rijmb,  10981.  Die 
bescriver  van  desen  Croniken,  Clere  4. 

BESCRIVINGE,  znw.  vr.  Mnd  besekrivimge  \ 
mhd.  beschribunge.  Nauwkeurige  opgave;  TgL  ons 
znw.  boedelbeschrijving.  ||  Niet  daer  hnte  (uit  de 
gevangenis)  te  commene ,  tote  der  wilen ,  dat  hy  . . . 
sine  bescrivinghe  ende  sine  brieven  np  hadde  ghe- 

f  heven ,  Cout.  v.  Brugge  1 ,  330.  Tote  der  tyt ,  dat 
ie  bescrivinghe  ende  die  brieven  ghegheven  waren 
ende  vulcommen,  ald.  Ende  hy  binder  maend  .  . 
de  vorseide  bescrivinghe  ende  brieven  niet  np  en 
ghave,  ald.  (vgl.  bl.  329:  in  brieven  bescreven  al 
tgoet  dat  den  deele  toebehoert}.  —  Zie  nog  eei 
voorbeeld  op  beliïnge. 

BESCROMPEN.  Eig.  deelw.  vau  het  ongebruike- 
lijke st.  WW.  bescrimpen  (beschramp,  beserompen).  Vaa 
scrimpen,  d.  i.  samentrekken,  verschrompelen;  eng. 
shrimp.  Zie  vooral  E.  Muller  2,  382  vlg.  en  v^ 
mhd.  schrimpfen  (Ben.  2%  217).  —  Als  bnw.  ge- 
bruikt in  de  bet.  van  mismaakt, onkenbaar ,Uekjk; 
van  het  gelaat  gezegd.  ||  Sijn  aensieht  scheen  be- 
schrompen  van  tranen,  JPau.  S.  79c. 

BESOROVEN.  Eig.  deelw.  van  bescruven,  in 
bet.  gelijk  aan  het  meer  gewone  verseroven.  Zie 
VERSCHOVEN  en  VERSCRUVEN.  Achtera  f gesst,  terug- 
gedrongen. II  Si  twee  en  mogen  niet  met  vredea 
heren  stjn  van  eere  steden,  want  elc  wille  wesea 
boven:  deen  ofte  bede  moet  sijn  bescroren,  ^. 
I»,  78,  37. 

BESCUDDEN,  zw.  ww.  bedr.  Knd.  óeseJkudden ; 
Mhd.  beschüten.  Van  seudden,  d.  i.  schudden,  lat. 
vibrare,  quassare  (blgkens  den  ohd.  vorm  leut^ 
(Graff  6,  426).  De  mnl.  vormen  beseudden  en  be- 
soutten  hebben  even  weinig  met  elkaar  te  makea 
als  de  mhd.  beschüten  en  {be)schüt:fe.  Oorspronkel^k 


4009 


BESC. 


BESC. 


1010 


was  de  bet.  van  bgseudden ,  die  yan  door  lichamelijke 
aanraking^  handiasielijk^  opmerkzaam  maken  op  de 
aamoezigheid  van  gevaar^  tem.  wakker  schudden, 
hem  goed  (aan  alle  kanten  =  bé)  schudden.  Ygl.  ook 

ANESCUDDEN. 

1)  Beschutten,  —  a)  In  het  algemeen.  Beschermen , 
in  bescherming  nemen.  ||  (Haar  vader)  diese  na  rechte 
besendden  sent,  Lorr.  I,  670.  Datten  bescudde 
die  reyne  maget,  Sp.  I',  67,  82  var.  Die  wille 
besendden  den  mensche  qnaet,  hi  orlovet  sine 
ondaet,  II',  87,  188.  (Doe)  bat  si  nerenstelike 
Gode,  dat  hise  besendde  in  alle  node,  IP,46, 67. 
Die  onscoldech  es  der  daet,  salmen  besendden  met 
tronwen,  Doet.  II,  1364.  Hoe  hi  Jhesus  besendden 
mochte,  Rijmb.  26367.  De  (dié)  dese  (moordenaars) 
bescnddet,  dat  hi  es  haer  helper,  Stoke  Y,  346. 
Soe  sal  onser  jeghelic  .  .  den  anderen  .  .  helpen 
besendden  mitter  macht,  N^h.  2,  116.  Die  si 
bescudden  sonden  ende  te  rechte  honden,  dien 
nemen  si  thaer,  Praet  2029.  Als  onse  Here  Maria 
Magdalena  bescnddede  (in  bescherming  nam,  ver- 
dedigde met  voorden),  Ès.  80  ƒ.  104<2.  Si  willen 
haer  dolinghe  besendden  met  Sinte  Panwels  leringe , 
Lutg.  I,  711.  En  daet  God,  hi  ware  bleven, 
diene  besendde  met  siere  cracht,  Limb.  II,  364. 
Dat  die  yan  binnen  negheenen  man  yan  bnten 
besendden  oyer  portre  (iemands  aanspraken  op  het 
burgerschap  ondersteunen) ,  of  hine  hebbe  syn  porter- 
scep  ghecocht  wettelike  ende  hine  hebbe  jaer  ende 
dach  ghewoend  binder  stede  yan  Bmcghe,  Cout. 
V.  Brugge  1 ,  382.  Die  misdaden  te  corrigiren  ende 
die  doghenden  (dogheden?)  te  besendden,  Matth. 
60.  Hi  yermeerde  seer  tkersten  geloye  ende  be- 
schndde  die  heylige  kercke,  Exc.  Cron.  b2b.  Dat 
hi  der  heyliger  kercken  rechten  beschndden  wilde, 
67r.  Die  wel  ende  yromelike  besendden  die  Roomsche 
kerke  beide  mit  rade  ende  mit  werke,  Lsp.  II, 
49 ,  68.  Te  bescnddene  al  kerstinhede ,  Amand  II, 
2012.  —  Enen  iet  bescudden.  ||  Hi  besendde 
hem  dat  hare  ende  sochte  hare  profijt,  Vl.  Rijmk.  2908. 
tScependom  is  scnldich  mit  yonnis  yghelic  syn  \yf 
ende  lit  te  besendden ,  Matth.  64.— Ook  meteene  zaak 
als  ondw.  Nuttig,  heihaam  zijn.  ||  Wat  meest  bescud 
dit  arme  diet ,  quae  sunt . .  salutaria ,  Rijmb.  33767. 

b)  Als  rechtsterm.  Beschermen,  verdedigen.  \\  Om 
den  mensche  te  bescnddene  yoort,  sprac  ont- 
farmicheit  dese  woort,  Mask.  1133.  Icbenghereet 
jeghen  den  qnaden,  die  al  hier  steet ,  te  bescnddene 
den  mensche,  377.  Wi  sonden  ohs  besendden  bat 
Tor  den  keyser  int  gedinge ,  dan  wi  sonden  sonder- 
linee,  Lorr.  V,  80. 

r)  Als  oorlogsterm.  Gewapend  verdedigen. 

et)  Met  den  4den  ny.  yan  den  pers.  Te  hulp 
komen,  ontzetten.  ||  Om  te  bescnddene  sinen  oem, 
Cass.  962.  Gandgn  .  .  bescudden  (d.  i.  -dene) ,  datti 
danen  ontfoer ,  Parth.  6636.  Als  die  wilde  besendden 
geme  sGrayen  dochter  yan  Paleme,  Maleg.  187. 
Ie  com  di  bescudden  saen,  Ferg.  190.  Die  yan  der 
stat  lieten  naer  slaen  ende  bescudden  Pennevaren , 
4188.  Varen  wi  bescudden  den  goeden  man,  4166. 
Dat  se  (obf.)  hare  lief  bescudden  mach,  4627.  Die 
portren  .  .  yromelike  bescudden  den  ridder  coene, 
Idmb.  II,  1170.  Vaerten  bescudden  tilike ,  V ,  2146. 
Dat  si  hem  helpen  yromelike  bescudden  die 
conincginne  rike,  XII,  327.  (Hi)  sondene  be- 
scadden  .  .  jeghen  dien  coninc  entie  sine,  Ifal. 
2348.  Dat  hi  ons  te  deser  dine  besendde,  of  wi 
sgn  verloren,  7092.  Dat  hi  yan  sinen  ghesellen 
bescnddet  niet  en  was  met  zwaerden,  Sp.  iy>,  16, 
44.  Elc  pgnde  sere  te  bescudden  sinen  here ,  Qrimb. 
II,  2377.  Dat  ie  u  jegen  die  gene  al,  diet  weder- 


seggen,  besendden  sal,  Lanc.  II,  4969.  Die  jagers 
waren  in  groten  yare,  maer  Walewein  bescuddese 
daer  nare,  III,  11771.  Hi  sleet  daer  ene  joncfrouwe 
soe  sere ,  yaertse  bescudden ,  des  biddic  n !  14814. 
Omdat  ie  u  bescudden  sonde  nu.  Goddanc,  ie 
hebbe  bescud  u,  14884.  En  yindi  niemanne  daer, 
die  u  wilt  bescudden  .  .,  comt  weder  te  mi, 
16876.  Dat  sine  gesellen  echt  qnamen  toe  ende 
Keyen  bescudden  aldaer ,  19900.  Lancelote ,  die  hier 
comt  met  siere  rote  bescudden  die  coninginne, 
IV,  4601.  —  Ook  met  eene  bep.  met  yan.  Be- 
schermen tegen.  \\  (Hi)  besendde  sinen  yader  yan 
den  Sarracinen,  Lorr.  II,  727.  — -  Ook  wederk. 
gebruikt.  ||  Den  genen  die  om  last  ende  nootsaken 
wil  hemselyen  te  bescudden,  brokich  worden, 
Matth.  40.  Bescut  u  selven ,  of  u  naect  toren ,  Rein. 
II ,  6796.  Hi  ware  geyaen  nu  ende  doet ,  en  haddi 
hem  selye  bescud  niet,  Lanc.  II,  38492. 

^  Met  den  4den  ny.  eener  plaats  of  eener  zaak.  || 
Verdedigen,  besehermen.  \\  Die  heer  Amoude  syn 
lant  wouden  helpen  bescudden,  Grimb.  II,  792. 
Het  lant  helpen  .  .  bescudden  jeghens  elcken  man, 
793  var.  Soe  allene  met  haerre  bede  bescudde 
Parijs  .  .,  dat  die  Hnnen  met  gere  saken  der  stat 
niet  en  consten  genaken,  Sp.  III*,  46,16.  üholpe 
geme  die  graye  yaeliant  bescudden  . .  goet  ende  . . 
lant,  Lorr.  II,  1067.  Omdat  de  mensche  sal  sgn 
lijf  bescudden  oyer  al,  Doet.  II,  3299.  Naturlee 
recht  gheorloeft  oyeral  dat  men  dat  IQf  bescudden 
sal,  3171.  Men  sal  .  .,  yeehten  om  te  bescnddene 
dat  lyf ,  Melib.  3218.  Als  die  man  bescndt  sijn 
leyen,  3223.  Als  een  her  scnldich  is  sijn  open 
huns  te  yerweme,  te  bescudden  ende  ontsetten, 
Brab.  Y.,  dl.  2 ,  bl.  460.  Een  graefscap  te  bescudden 
mitten  zwaerde  ende  .  .  een  gestichte  te  besendden 
mitten  ernce,  Clerc  4.  —  Ook  met  eene  bep.  met 
yan.  Beschermen  tegen.  \\  (Hi)  bescudde  Bordeeus 
die  stede  mettien  stocke  yan  brande  fel,  Sp.  II* , 
38 ,  66.  —  Met  eene  zaak  (een  burcht  of  ander 
verdedigingswerk)  als  ondw.  ||  Om  dat  (de  burcht) 
.  .  .  bescudden   sonde   dat   lant,    Lorr.   I,   2127. 

—  Ook  wederk.  gebruikt  in  den  zin  yan  zich  ver- 
dedigen, zich  verontschuldigen,  ||  Waert  dat  yemant 
yan  ons  hieroff  siin  trouwe  yerbrake,  .  .  daer- 
mede  en  moghen  hem  die  ander  niet  bescudden, 
sy  en  sullen  doen  alse  yoorscreven  is ,  R.  v.  Utr.  2, 8. 

—  De  onb.  wys  als  znw.  gebruikt  in  de  uitdr. 
In  enes  bescudden  sgn,  toeschieten  om  iemand 
te  verdedigen  (ygl.  bij  IN).  ||  (Si)  souden  hebben 
min  her  Waleweine  wech  gevord  met  harre  macht . . , 
maer  die  yanden  here  binnen  desen  hebben  in 
sgn  bescudden  gewesen,  Lanc.  IV,  6494. 

2)  Beveiligen,  bergen.  —  a)  Met  den  4den  ny. 
yan  den  pers.  en  eene  bep.  met  yan.  Redden,  be- 
vrijden, verlossen.  Vooral  yan  den  dood  gebruikt.  || 
Om  hem  te  bescnddene  yander  doot,  C.  en  El. 
978.  Omdat  hi  yader  ende  moeder  sijn  besendden 
wonde  yan  der  doot,  Segh.  11786.  Gi  snit  van- 
der doet  bescndt  wesen,  bedi,  haddi  gedoet 
desen,  niemen  mochtu  bescudden  yander  doet, 
Lanc.  n,  6997.  Siin  pert  lach  op  hem  tier  stont 
Si  bescnddene  yanden  perde ,  ende  hievene  yander 
erde ,  6068.  Dat  «se  yan  dode  nu  ter  tide  bescndt, 
12637.  (Die)  eneberinne  .  .  besendde  yan  der  doot, 
Sp.  III*,  46,  26.  Dat  hem  die  mensche  telker 
stat  bescudden  sal  yander  doet,  Melib.  3227.  — 
b)  Met  den  4den  ny.  der  zaak  In  veiligheid  brengen.  \\ 
Die  in  den  yelde  syn,  dat  si  nit  weder  en  kiren 
omme  cleder  te  besehuddene ,  L.  v.  J.  c.  196.  Hine  ga 
niet  af  om  iet  te  besehuddene  dat  in  syn  hus  es,  199. 

3)  Bewaren,  behouden,  zoowel   voor   een  ander 


1011 


BESC. 


BESC. 


1012 


als  Yoor  zich  zei  ven.  ||  Soe  wie  dat  des  ^eens  ^et  be- 
scadt  ofte  onderheett ,  die  gernamt  es,  Brab.  T.^  Dl.  1, 
bl.  778.  Dat  hi  des  geens  goet  onderhadde  ofte  be- 
scndde ,  die  geraamt  ware ,  ald.  Elc  poortre  mach 
bescadden  ziin  poorterscip  met  driewaerf  yiertich 
daghen  te  hondene  woenst  .  .  .  binder  stede ,  Cout, 
V.  Brugge  1,  299. 

4)  Lotsen  {van  verpande  goederen).  ||  Dat  wi  die 
Yorgenoemde  veerscip  ende  tyenden  alle  jare  .  .  . 
op  sente  'Walbnrghe  dach  . .  loessen  ende  bescudden 
moeghen  van  den  vorsz.  heren  Jacop  ende  sinen  erfge- 
namen, N|)h.  2, 47.  Alle  jare  op  sente  Peters  dach  . . . 
soe  moeghewi  se  {de  tollen)  loessen  ende  bescadden 
omme  die  vier  ende  twyntich  hondert  aude  schilde 
vorser.,  50.  Dese  voergen.  tolle  .  .  weder  loesen 
ende  beschudden,  140.  Beschndden  sijn  gepeynde 
goedt  met   geit  off  met  recht,  Landr.  v.   Vel,  28. 

4)  In  beteekenis  aan  het  Mnl.  beacutten  gelijk 
(zie  ald.).  Schutten^  toeren^  beletten^  verhoeden.  \\ 
£s  hi  soe  vrome,  dat  hi  om  sinen  broder  come, 
ende  bescndde  hier,  oft  hi  mach,  den  menegen 
swaren ,  groten  slach ,  dien  hi  ontfaet  al  hier  ter 
stede,  Lane.  III,  11973.  Hy  wille  syne  doot 
bescadden ,  dat  sy  niet  en  ghesciet ,  Trogen  10388. 
Daer  omme  nam  hy  syns  goem  omme  te  bescadden 
synen  droem,  om  de  vervulling  er  van  te  beletten^ 
10403.  Dat  hy  bescadden  sal ,  dat  niet  opghenomen 
en  werde  by  den  ghemeenen  rechte  yet  te  ghescien, 
dat  der  steden  recht  teghen  draghet,  Matth.  62. 
Die  wysheden  .  .  .,  dair  men  grote  laste  mede 
bescnt ,  voirhoet ,  enz.  64.  Enich  man  ...  de  onscont 
aenghenomen  heeft  te  done  voer  gherechte,  de  mach 
de  onscont  besendden,  eer  hi  se  doet,  mit  dien 
ghelde  daer  hi  om  beclaghet  was ,  B.  v.  Utr,  1,16,5. 
—  Syn  scade  heBCuddeHyinaken^datmengeene 
echode  ondervindt'^  de  ondervonden  schade  {door  ver- 
goedin§^  te  eiachen)  herstellen^  keeren.  \\  Die  rechter 
heeft  by  den  boden  over  al  langes  der  steden  doen 
condigen,  dat  ygelic  syn  scade  bescndt,  Matth.  162. 

BESCÜDDENESSE,  -isse,  znw.  vr.  eno.Mhd. 
beschutnitee.  Bescherming ,  verdediging.  \  \  Ter  bewaer- 
nesse ,  bescaddenesse  ende  bescermenesse  van  onsen 
persoone,  landen  .  .  ende  ondersaten,  Cout.  v. 
Brugge  2 ,  74.  Ende  hy  daer  of  bescnddenisse  der 
heyliger  kercken  begeerde,  Mieris  2,  302*  (V.  d. 
Wall  155).  Van  eenen  rechten  bescaddenesse  myns 
lants  van  Hnesde ,  dat  men  heyt  ten  lantweeringhe , 
Meyl.,  Belfl.  132.  —  In  onganstigen  zin  gebruikt. 
Het  zich  verschuilen  achter ,  het  listig  te  baat  nemen 
van.  II  Argelist  .  .,  qnade  behendicheit  .  .,  be- 
hnlpenisse  off  beschnddenisse  geestliken  off  werlt- 
liken  rechten ,  Nijh.  4 ,  45.  —  Zie  ook  bescutnisse. 

BESCUDDER,  znw.  m.  Beschermer^  verdediger. 
II  Bescndder  vanden  heyligen  gelove,  Exc.  Cron, 
S05b.  Die  van  binnen  . .  coren  minen  here  Waleweine 
tenen  bescnddere  alle  ghemeine,  JFal.  10448. 

BESCÜDDINGE,  znw.  vr.  Mnd.  beschuddinge  \ 
Mhd.  beschütunge. 

1)  Van  bescudden^  in  de  bet.  1).  Bescherming, 
steun.  II  Veden  .  .,  dair  inne  wij  ons  in  bescuddinge 
ende  beschermnisse  onser  stede  . .  gemengt  hadden , 
V.  d.  Wall  550.  Oft  ons  den  stryl  te  swaer  viel, 
dat  wi  dan  moghen  hebben  een  vaste  bescnddinghe, 
Troyen  Vb.  \%b.  Off  yemant  .  .  der  beschnddongen 
gesonne,  maatregelen  van  tegenweer,  bescherming 
begeerde,  Njjh.  4,  210. 

2)  Schutting,  heining,  verdedigingswerken.  ||  Alle 
die  bescuddinge  der  dochter  van  Jnda  hevet  hi 
neder  in  die  airde  geworpen.  Es.  Ps.  193a.  Hi 
heeft  al  hoir  tanen  nedergeworpen ,  hi  heeft  al 
hair  bescuddinge  gesceifelt,  ald.  194r. 


3)  Yan  bescudden ,  in  de  bet.  4).  Lossing  van  te  pand 
gezette  goederen,  inlossing.  \\  Wanneer  wi . . .  die  loes- 
singhe  ende  bescuddinghe  ghedaen  hebben  . . ,  soe 
soelen  die  vorscreven  tyenden  .  .  weder  aen  ons . . . 
comen,  Ng h.  2, 47.  Heen  {d.  i.  bent)  de  veerthien  dagen 
der  beschudding  om  gekomen  zgn ,  Landr.  v.  VeL  29. 

BESCULDEN,  zw.  ww.  bedr.  Mhd.  besehulden. 

1)  Beschuldigen,  aanklagen.  ||  6hi  beschuit  mi 
hier  al  thant,  dat  ie  u  niet  ghelijc  en  draghe, 
Hild.  183,  49.  Wilt  my  voor  die  lude  besehulden, 
MLoep  II,  3357.  Yan  eenygher  .  .  mysdaet  .  . 
bescult ,  Oevf.  v.  St.  Truyen  §  47.  Wie  in  liden  is 
onverduld,  ende  daerin  sinen  God  bescult,  dien 
is  gheen  lof  te  gheven,  D.  War.  7,  382,  38. 

2)  Zich  schuUüg  maken,  begaan,  bedrijven.  \\  ïy^i 
hi  desen  jongen  grave  ymmer  meer  lasts  ende 
onleden  andoen  woude ,  die  nye  onduecht  tegen  hem 
bescult  en  hadde,  Clerc  145. 

BESCULDICS  (bescoudich),  -ech,  bnw.  Mnd. 
beschuldich.  Yoor  de   vorming  vergelijke  men  be- 
bloedich,  besondiche.  a.  Meermalen  ook  vindt  men  den 
minder  zuiveren  vorm  besculdicut  ,  ontstaan  door 
verwarring  met   het  deelw.    van  besculdigen   (vgL 
de  beide  vormen  besondich  en  besonduhf).  De  ver- 
bogen vorm  besculdichden  (d.  i,  den  schuldige) 
stelt  dezen  vorm  buiten  allen  twjfeL  Schuldig.  \\ 
Die    hem    besculdich   kent,    ontsiet,  Bein.  I,  53. 
Want  ie  kende  mi  beschuldich,  O VI.  Lied.  e.  Ged, 
313,   2350.   Weet  dat  hem  daer  menich  bekende 
besculdich,  Amand  1,  2922.  Die  ghene,  die  in  den 
voirscreven   daghen   besculdicht   vonden  werden, 
Belg.  Mus.  10,  112.  Al  waren  zy  lieden  besculdich, 
Cout.  r.  Brugge  2,  159.  Dat  ie  den  besculdechden 
proeve,   ui  reus  prodatur  (de  vertaler  las  bg  jer- 
giasing  probatur),  Sp.  II*,  15,  58.  Syt  verduldeelL, 
hoe  groetelec  ghi  sijt  besculdech.  Vod.  Mus.  1, 
57,    247.   Die  canoniken  die  des  dootslagfaes  be- 
sculdich  waren,    Bienb.    ISb.    Entes    ie   bin   be- 
scoudich {Hs.  scoudich;  varr.  bescouden),  dat  ea 
gheviel  mi  nemmermere,  Segh.  5494.  —  Met  den 
2den  nv.  of  het  voorz.  van.  Schuldig  aan.  \\  Mea 
soudse  besculdicht  houden  van  den  quaden  opsette, 
Brab,    Y.  YII,  12027.  Yan  desen  boosen  opsette 
quaet   sijn    besculdicht  vonden  .  .  een  groot  deel 
riker  liede,  12671.  Besculdicht  worden  vonden  der 
dinghen  de   here  van  Haverets  enz.,  15764.  Die 
zi  besculdicht  vonden  .  .  van  der  onrechter  infor- 
macien,  17348.  Hi  hem  besculdech t  kindedoevan 
al  dattie  cnape  seide  daer,  Lane,  III,  4722.  Men 
sal  al  clare  weten  .  .  dat  gi  bier  af  besculdecht 
sijt,  lY,  8517.  Dat  hi  besculdich  wesen  nAchvaB 
deser    begripenesse   {vergrijp),    Amand    I,    54tö. 
Want    hi    besculdicht    kende    hem    dies   hi   daer 
hoorde,   II ,    5590.   Men  mochter  in  verstaen  dat 
ghijs  besculdecht  waert  mede,  Doet.  II,  1343 ror. 
—  Hem  besculdich   geven,  ziek  schuldig  be- 
kennen,   verklaren',    schuld   bekennen,   jj    Ie    gheve 
my  besculdich ,  man.  Eens  hebbic  begeven ,  Belg. 
Mus.  6 ,  57.  So  wie  dat  hem  besculdich  gheefl  vam 
dat  hi  mesdaen  heeft,  es  ghenaden  dan  wel  weert, 
Melib.  3432  var.  Besculdicht  van  sonden  hi  hen 
geeft,  Sp.  II»,  13,  45. 
BESCULDICHT.  Zie  besculdich. 
BESCULDIGEN  (bescoudigen  ,  ook  minder  jnist 
bescultigen),   zw.  WW.  bedr.  Mhd.  beschuldigen, 
1)  In  de  tegenwoordige  heX^tketnA-Besekuldigen.  \\ 
Waer  een  man  ghewont . . ,  daer  sal  die  rechter  ende 
die  ghesworen  toecomen ,  die  wonde  . .  besien ,  ende 
by  haren  rade  dat  te  bescoudighen ,  alstmogheljc 
is.    Mieris    2,    90a  {Oorkb.   2,  375a  lezen  w^  op 
deze  plaats  bescultigen).  — Enen  besculdigen 


4043 


BESC. 


BESC. 


4044 


jegen,  iemand  verdacht  maken  bij.  ||  Die  doe  iet 
waande  hebben  mesdaen  ende  bescaldecbt  was 
jeghen  den  ammirale ,  Flor,  3427.  (Si)  besculdicbden 
den  grave  Tan  Charloys  also  tegen  sijnen  yader . . , 
dat  lu  hem  sien  noch  horen  en  wonde,  ^;irc.  Cron.  196&. 

2)  Iet  — .  Een  onroerend  goed  met  eehulden 
bezwaren ,  geld  opnemen  op  eene  onroerende  bezitting, 
hetzelfde  als  het  meer  gewone  becommeren  (zie  ald.). 
II  6o  wie  80  hans  hevet  staende  np  ander  mans 
(h)erYe,  dat  huns  ne  mach  hi  niet  besculdeghen 
no  becommeren,  Cout.  v.  Gent  478.  Zonder  dat 
(Auie  en  erf)  in  eenigher  manieren  te  yercoepene, 
ie  bescholdighene  oite  te  becommerene,  Diericx, 
Mém.  2,  541. 

BESCÜLDINGE ;  ook  minder  jnistBESCULTiNOE, 
znw.  vr. 

1)  Beschuldiging ^  verwijt.  \\  Sonder  angel  der 
bescnldinghe  teghen  de  clercken  als  onvolcomen 
byen,  Bienb.  41b. 

2)  Miedrij/,  misdaad.  ||  Van  allen  brneken ,  mis- 
daden ende  bescnltingen ,  Y.  d.  Wall  400.  Dat  wij 
alle  hoir  poorteren  quytgesconden  .  .  hebben  alle 
bnieken,  misdaden  ende  bescnltingen ,  401.  Zoo 
ook  376. 

BESCÜLEN,  st.  WW.  bedr.  Vgl.  Mnd.  beschuHnge. 
Wegbergen,  verstoppen,  doen  verschuilen,  in  het 
pass.  zich  verschuilen,  \\  Datte  soe  {de  kat)  bi  nachte 
in  donkeren  holen  yint  mnse,  die  hare  sijn  be- 
scolen,  die  zich  voor  haar  hebben  verborgen,  Nat. 
BI.  II,  2849  var.  (yarr.  bestolen,  yerstolen). 

*  BESCULNESSE.  Heelu  4822.  Verkeerde  lezing 
voor  beseutnesse;  zie  ald. 

BESCULT.  Zie  bescout. 

BESCULTIGEN,  BESCÜLTINGE.  Zie  bescul- 

DIGEN,  BESCULDINGE. 

BESCUMET,  bnw.  Yan  scume,  d.  i.  schuim  {zie 
ald.).  Besehuimd,  met  schuim  bedekt.  Met  spuwe 
bescnmet  ||  Die  mont  .  .  was  met  spnwe  al 
omme  bescnmet,  Sp.  V,  64,  16  (eig.  pleonasmus). 

BESCÜT  (bescud,  bescudt),  znw.  o.,  stam 
▼an  bescudden,  en  niet  yan  bescutten,  bljkens  de 
verschillende  schr^fwijzen  en  den  yerbogen  Vorm 
bescudde.  Mnd.  besehut',  mhd.  beschut. 

1)  Beschutting,  bescherming,  verdediging.  Yan 
BESCUDDEN  1).  ||  Ten  bescndde  yan  zinen  palen 
ende  yerwaemessen  yan  zinen  lande  yan  Ylaenderen, 
ZVl.  Bijdr.  4,  65,  Te  desen  bescndde  .  .  wart 
^equetset  menech  man,  Merl.  11164  (ygl.  *60  en 
'68).  Den  onderseten  ende  coiplnden  te  hnlpen 
ende  te  beschndde  kommen,  N|jh.  3,  209.  (Wi) 
hebben  hem  .  .  ende  sjjn  ondersaten  .  .  in  onse 
^nade,  schirm  ende  beschndde  genomen,  4,  73. 
Ie  wille ,  dat  in  n  drie  si  {aan  u  zij  toevertrouwd)  al 
m^n  bescndt,  Zanc.  II,  10269.  Of  hem  iemen 
▼olgede  naer ,  dat  (l.  dien  ?)  hi  besend  doen  mochte , 
Maleg,  550.  (Hi)  yloe  in  de  kerke  om  te  hebbene 
bescnt  yan  sinen  liye,  Cron.  v.  Vlaend.  2,  163. 
(Maria),  die  een  bescut  yor  toren  es,  Blisc,  v,  M. 
2037.  Dat  hj  {de  brief)  alleen  gemaect  was  tot 
enen  bescndde,  O.  R.  v.  Dordr.  2,  122,  159. 

2)  In  concreeten  zin.  Bezetting,  versterking,  || 
Yaerdelike  blaset  den  horen  om  meer  bescnds  yan 
daer  binnen.  Wal.  6348.  Wine  hebben  bescnt  yan 
binnen,  6802.  Also  tbescudt  yan  binnen  comen 
was,  worden  gescoffiert  die  van  buten  das,  ende 
en  mochten  jegen  hen  niet  gestaen ,  Lanc.  II ,  10497. 

3)  Exceptie,  uitvlucht,  voorbehoud.  Yan  bescudden 
6).  II  Elc  ysHUwe  betalen  zonder  eenich  bescud, 
sans  quelque  recours,  Cout,  v.  Brugge  1,  586. 

BESCUTNESSE,  -isse,  znw.  yr.,  andere  yorm 
Toor   het    meer   gewone   bescuddenisse  (zie  ald.). 


Verdediging,  versterking,  steun,  \\  Broec,  straten 
ende  graye,  ende  al  daer  qnam  bescolnesse  (/.  be- 
seutnesse) aye,  dat  was  hem  al  onweert,  sonder 
platen,  helme  ende  s weert,  Heeln  4821.  —  De 
bet.  blaam  onder  aan  de  bladz.  opgegeven ,  komt 
met  den  zin  niet  overeen;  bovendien  zou  de  vorm 
dan  besculdenesse  moeten  zyn. 

BESCUTTEN,  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  beschutten. 
Hetzelfde  als  bescudden  5);  zie  ald.  Schutten,  ver- 
hoeden, afweren,  den  voortgang  stuiten.  \\  Die  scnlde 
betalen  ende  die  vercoplnge  bescutten ,  Leid.  Keurb, 
199,  25;  zoo  ook  O.  K.  v.  Delft  1,  22.  Daerby 
veel  pericnlen  beschut  sullen  mogen  werdden, 
Inform.  264.  Als  hisach  .  .  die  grote  .  .  misdaet, 
.  .  om  dat  te  besentten,  soe  heeft  hi  snbtilijcken 
nutghescrappet  daer  ghescreven  stont:  ghi  selt 
dat  kijnt  .  .  doden ,  Gest.  Bom,  c.  20.  —  Ook  met 
den  4den  nv.  der  zaak  en  den  3den  van  den  pers. 
of  der  zaak.  Iemand  iets  afsnijden,  onderscheppen, 
lat.  intercipere.  \\  Want  die  berch  bescuttet  hare 
tlicht,  die  daer  tnsschen  staet,  Lsp.  I,  9,  72. 

BESCUTTENISSE,  znw.  vr.  verweermiddel,middel 
om  vrij  te  komen  van  eene  op  te  leggen  straf.  ||  Die 
en  sonde  ghiene  bescuttenisse  hebben  van  dien 
bueten,  omdat  die  bmeke  ende  die  zake  upten 
kerchove  wair  ghesciet,   O.    W.  v,  Amst.  39,  25. 

BESCÜTTINGE,  znw.  Wenng,  demping.  \\  Tot 
bescnttinge  van  brande,  Wiel  Instr.  138,  430.  — 
Ook  in  den  zin  van  het  afsnijden  van  den  toevoer  va» 
water  ijl).  \\  Van  slooten  ie  ruymen,  Soo  wie  beclaget 
wort  om  beschutten ,  die  sal  hem  moeten  (?)  binnen 
seven  dagen ,  ende  en  moet  hy  niet  binnen  7  dagen, 
soo  sal  die  schoute  gaen  opten  sloet  met  den 
schepenen  ende  den  sloot  schouwen ,  O.  K.  v.  Enkh, 
22,  106. 

BESCUWEN  (besciwen)  ,  zw.  ww.  bedr.  Yan 
scuwen  (zie  ald.). 

1)  Schuwen,  zich  verre  houden  van,  een  afschuw 
hebben  van,  \\  Sniten  af  ochte  stecse  nt,  dats  be- 
schiwe  sine  gheselschap,  L.   v,   J.  e.  133,  Aant, 

2)  Ontgaan,  vermijden,  ontkomen.  ||  Die  wyf... 
neemt,  om  eenlychede  te  bescnwene  daer  mede, 
i^.  I*,  3,  21.  So  mach  hi  Uden  ongescaet  dordie 
werelt  ongepaet,  oft  bescuwen  oft  beweren,  al  dat 
hem  mach  comen  te  deren,  I",  41,  11.  Men  mach 
bi  neghenen  wette  bescuwen  alrehande  lette,  I*, 
73,  13.  Hem  volgde  na  die  doot  ende  tongheval, 
dat  gheen  man  die  levet  bescuwen  can,  Jtijmb. 
33046.  Om  te  bescu^vene  al  wee,  sal  men  drincken 
den  dnntschen  traen  (d.  i.  den  wijn),  Denkm.  3, 
223,  26. 

3)  Beletten,  voorkomen,  verhoeden,  tegengaan.  \\ 

a)  Met  den  4den  nv.  der  zaak.  ||  Blentheit  maect 
den  menegen  vri,  want  vele  armoeden  bescuwet 
hi  er  bi,  Sp.  Il»,  87,  141.  (Hi)  dede  den ontsten, 
om  dit  bescuwen,  tlant  van  Ëenegonwen  behuwen, 
lY*,  62,  69.  Maer  hy  wille  syne  doot  bescuwen, 
dat  sy  niet  en  ghesciet,  Trogen  10388  var.  Om  te 
bescnwene  de  zware  plaghe  van  roeve ,  van  branden, 
ende  doetslaghen,  VI.  Bijmk.  4931.  Haestelic  soe 
wart  ghesant  van  den  paeus  een  legaet  .  .,  om  te 
bescnwene  tgrote  quaet  van  den  tween  coningen, 
5157.  Om  te  bescuwene  orloghen  ende  scade  van 
haren  kindren ,  5796.  Om  te  bescuwene  meere  scade 
van  orloghen  ende  twiste,  5823. 

b)  Met  den  4den  nv.  van  den  pers.  Beletten, 
tegenhütiden.  \\  Dese  dinghen  segghende,  mochte 
hi  nauwe  die  scare  bescuwen,  dat  si  hem  niet  en 
offerden,  Hs.  16,  Hand,  14,  18. 

BESDOM,  znw.  o.  andere  vorm  voor  bisdom,  || 
Uten  besdom  van  Ludeke,  Lutg,  I,  843. 


1015 


BESE. 


BESE. 


1016 


BESE,  znw.  vr.  bes,  bezie,  mv.  beten,  Vgl. 
BERE,  6de  Art.).  Nog  heden  in  het  W.-Vlaamsch 
(De  Bo  1 ,  124).  ||  Hy  smaect  een  frojt  yan  soren 
besen,  Hild.  116,  54.  —  Zie  ook  besie. 

BESEBUC,  Terbastering  van  het  hebr.  BeeUebul, 
en  gebmikt  als  naam  yoor  een  Tan  de  geesten  der 
hel.  II  Hets  Besebucs  cnape  of  sijn  gheselle, 
Wal.  8243. 

BESEELEN  (bezeelen),  zw.  ww.  bedr.  (?).  || 
Yoirt  en  moet  niemandt  brieven  doen  schreven 
dan  den  stedeclerck,  die  scepenen  bezeelen,  O.  K. 
V.  Delft  II,  27,  9.  —  De  woorden  z^n  niet 
dnidelijk  en  misschien  niet  jnist  overgeleverd; 
bezeelen  zon  knnnen  zyn  öf  een  andere  vorm 
voor  beeedelen  (z.  ald.) ,  óf  eene  verkeerde  schrgf- 
wijze  voor  bezegelen. 

BESEENDEN,  zw.  ww.  bedr.  Van  seent  d.  i. 
iynodtu  (zie  ald.).  Door  eene  kerkelijke  vergadering 
beboeten.  \\  Dat  hi  se  nutroept,  verwaten  of  be- 
zeend ,  excommuniées  ou  toumites  aux  peinet  syno- 
dales,  ghelike  haren  andren  prochianen,  Cout.  v. 
Gent  606. 

BESEERT,  bnw.  Van  het  znw.  seer  (zie  ald.). 
Hetzelfde  als  beterieht  (zie  ald.).  Bedroefd,  ont- 
steld, beangst.  ||  Doe  hi  stont  alsoe  bezeert,  ver- 
dnldeiyc  an  tcrüce  al  naect,  Hild.  236,  68.  Des 
wort  hi  beseert  int  leste,  Stoke  V,  1110.  Die  stat 
bliift  wel  verwaert  met  goeden  lieden,  tes  ghi 
keert,  en  siits  een  twint  niet  beseert,  Limb.  VII, 
1668.  So  68  hem  mede  die  boetscap  comen,  dat 
die  coninc  es  afgekeert.  Doe  werd  die  grave  seer 
beseert,  Velth.  VI,  20,  20. 

BESEFFELIJC,  bnw. 

1)  Van  besef  en  (zie  ald.  3).  Voelbaar ,  merkbaar. 
II  Siedi  dat  (^et  gezwel)  es  brunn  ende  zwart  ende 

niet  beseffelic  van  (door)  den  siecken ,  Jan  Yp.  132. 

2)  Van  besef  en  (zie  ald.  4).  Begrijpelijk,  ver- 
staanbaar. II  Dns  eist  beseffelic,  alsoet  welgheseit 
es ,  ITap.  Rog.  322. 

3)  Gevoelig.  \\  Waret  (liS)  beseffentliken,  het  sonde 
dogen  grote  pine,  Za»/r.  itr.Van  besef  en  {zie  ald.  4). 
Begrijpelijk,  verstaanbaar.  ||  Dus  eist  beseffelic, 
alsoet  wel  gheseit  es,  JTap.  Rog.  322. 

BESEFFELIJCHEIT,  znw.  vr.  Mhd.  besebelicAeit. 
1)  Van  besefelijc,  in  den  act.  zin  van  verstandig, if^^e 
bet.  o.  a.  nit  het  tegenovergestelde  onbeseffelije  is 
af  te  leiden  (zie  ald.).  Verstand,  inzicht.  \\  Die 
ziele  die  den  wille  en  heeft,  daer  beseffelicheit  an 
cleeft,  80  moet  al  ghedoghen  die  wrake ,  die  quaet 
doen  gheeft,   Wap.  Rog.  404. 

2)  Van  besefelijc,  in  den  zin  van  gevoelig.  Ge- 
voeligheid,   het  ontvangen  van  indrukken,  indruk. 

a)  Van  het  lichaam.  ||  Bider  beseffelicheden  der 
natneren  van  den  mnsen ,  die  ligghen  in  de  handen. 
Jan  Yp.  67.  Se  {de  tanden)  hebben  beseffelicheden, 
die  welke  dat  niet  hebben  andere  beeuen ,  109.  Van 
den  welken  hem  {den  tanden)  toecomt  die  beseffe- 
lichede,  116.  Dat  mochte  seer  quetsen  die  beseffe- 
licheden vanden  sennwen,  120. 

b)  Van  het  gemoed.  ||  Menich  heilich  mensche  . . 
die  .  .  bi  den  hoorne ,  dats  te  verstane ,  sonderlinghe 
beseffelicheit  nam  ane,  een  buitengetoonen  indruk 
ontving,  Amand  II,  3651. 

BESEFFEN  (beceffen)  ,  onr.  ww.  bedr.,  onz.  en 
wederk.  (praet.  besief,  besoef,  besef  en  besaf,  mv. 
besieven  of  beseven,  deelw.  beseven;  vgl.  heffen, 
(hoef  en  hief) ,  en  ontseffen  (ontsoef)).  Mhd. 
beseben.  Van  het  ongebr.  s effen;  Kil.  vetus,  com- 
prehendere,  simul  capere;  mhd.  sebe,  suop,  suoben, 
gesaben  (Ben.  2,  233a);  lat.  sapere;  gr.  óinietv, 
Ohd.   slechts  antseffan ,   antsebban  (Graff  6 ,  168) ; 


osa.  afsebbian  {Heliétnd,  bl.  2906).  Vgl.  Halb. 
Jant.  230  en  Grimm,  Gramvi,  2*,  8.  Zie  ook 
beseven. 

Bedr.  —  1)  Met  den  smaak  toaamenen  ^  smaken, 
proeven.  Lat.  sapere.  Deze  bet  is  in  het  mnl.  reeds 
zeldzaam;  men  vindt  haar  Belg.  Mus.  9,  151,69: 
„Daer  heeft  liefs  mont  den  mont  beseven"  even 
als  w^  spreken  van  het  ^proeven  van  den  liefde- 
kns"  (of  moet  men  het  als  aanraken  opvatten? 
vgl.  Gr.  dnx8i¥) ;  en  Pelgrim  63rf:  „Welcke  smaecke, 
als  hi  beseven  heeft  dat  lecker  morseel ,  dan  heeft 
hi  so  groot  riveel ,  ...  al  waert  dat  dandere  niet 
en  besieven." 

2)  Figuuriyk.  Smaken,  ondervinden,  ervaren.  \\ 
Helich  vader  sonder  ghelike  bekent  met  Gk>devan 
hemelryke  .  .,  dat  so  hebben  wy  hier  beseven, 
Amand  IX,  3063.  Dat  heeft  die  menighe  wel  beseven, 
Hild.  184,  117.  O  Troylns,  vrient,  lek  hebbe 
beseven  een  nyen  ghepeys,  Troyen  Vb.  30rf.  — 
Meestal  evenwel  öf  van  aangename  öf  van  onaan- 
gename gewaarwordingen. 

a^  Van  aangename  ondervindingen.  Smaken, 
genieten.  \\  Dyne  goetheit  hebic  wel  beceven, 
V  Maagd.  484.  Waert  dat  ie  dat  (n1.  minne)  bezieve, 
O  VI.  Lied,  e.  Ged.  612,  663.  Haddi  in  minnen  bet 
(/.  hiet,  iet)  beseven,  262,  867.  So haddestn Uever 
tghewin  van  ghelde  beseven,  JVap.  Rog.  863.  Hji 
meer  verdoemt,  die  hem  verheft,  alse  hi  die  ghifte^ 
Gods  beseft,  i^.  III*,  65,  63. 

b)  Van  onaangename  gewaarwordingen.  Onder- 
vinden, smaken,  gevoelen.  j|  Dat  hi  cnme  in  alsfn 
leven  eenege  siecheit  heeft  beseven,  Sp.  I',  28,^ 
En  geen  rouwe  en  mach  daer  si|n  beseven,  II*, 
6,  72.  Nochtan  dat  haer  negheen  vor  die  doot 
wee  en  besief,  III ^,  6,  62.  (Hg  die)  anders  niet 
en  hevet  beseven  dan  gevancnesse  ende  kaerker- 
leven,  37,  27.  Alsi  siecheit  beseffen  sware,  Nat. 
Bl.  II,  1080.  Niene  besief  (ptfr.  besoef)  hi  demster- 
hede  {in  zijn  geziehf),  Rijmb.  6442.  Hylarion  eer 
iet  lanc  besief  daer  al  selken  stanc,  dat  h^s  niet 
en  conde  verdragen ,  II",  18 ,  59.  Besefstn  dan  den 
vulen  stanc  niet?  ald.  66.  Dat  vlejsch  beseft 
gheene  qnale,  Wap.  Rog.  368.  Beseft  tverlies  on- 
vrame,  806.  Maer  wiltn  doen  sine  (sduvels)  bede, 
dn  snls  beseffen  den  onvrede,  1773.  Van  der  smerte, 
die  hi  besief,  O  VI.  Zied.  e.  Ged.  359,  1305. 
Zeericheit  .  .,  die  ghi  {Maria)  beziefl,  als  ghine 
al  naect  ant  cmce  zaecht  hanghen,  452,  52.  Die 
coninc  groten  ronwe  besief,  Velth.  IV,  40,  43. 
Ende  hevet  {de  basilisk)  die  roeke  {de  reuk  vmn  mie) 
iet  beseven,  et  cost  hem  te  hant  s^n  leven,  Nat. 
Bl.  X ,  697.  Naer  dien  dat  ie  door  di  besief  de 
bittre  doot ,  als  martelare ,  Praet  4548.  Si  . .  moesten 
beseffen  bede,  dat  in  harre  beider  lichamen  die 
ysere  vanden  glavien  qnamen,  Lane.  IV,  6460. 
Die  vierde  pine,  die  ghi  daer  naer  ontfinct, 
vrouwe,  ende  besievet,  Segh.  8456.  Het  en  besief 
alsulck  abuselijck  meskief  noyt  herte ,  Troyen  VI. 
S5d.  Ter  hoochster  glorien  .  . ,  daer  gheen  contrarid 
noch  verlangen  nymmermeer  en  wert  beseven, 
Hild.  160,  296.  •—  Ook  beseven  hebben  beeft 
de  onder  2)  opgegeven  beteekenis;  eig.  geswtaakt, 
met  de  tong  waargenomen  hebben,  en  vandaar 
proeven,  ondervinden.  \\  Es  gracie  metten  quaden 
beneven ,  weder  heeft  hise  niet  beseven ,  Wap.  Rog. 
891 .  Dies  heeft  hi  over  {voor)  dit  verganghelike  levei 
een  gheduerich  (d.  i.  eeuwig)  in  blyscepen  besevea, 
Amand  U ,  6038. 

3)  Gevoelen,  voelen.  — a)  Door  aanraking.  IJ  Als 
nieman  bi  hem  besief,  wert  hi  sere  tongemake, 
Lanc.   II,   5436.   Als    hi  was   gelegen   ende  sIjk 


1017 


BESE. 


BESE. 


loló 


besief ,  si  waende  dat  hadde  geweest  haer  lief,  7913. 

b)  Door  werkingen ,  waarvan  de  uitwerking  zich 
in  iemand  doet  gevoelen.  De  uittosrking  in  zich 
bemerken, 

a)  Het  betrekking  tot  het  lichaam.  ||  Alse  Bohort 
den  slach  hadde  beseven,  Lanc.  II,  22016.  Dathi 
clene  quetsinge  daer  besaf  oft  negene,  III,  3575. 
Soe  besef  hi  ene  wintswede ,  die  qaam  gereet  ende 
sloech  hem  int  ansichte  so  heet,  oft  vier  ware, 
9880.  Stee  dine  hant  in  dwater  dat  siet ,  ( Jupiter) 
en  doet  (d.  i.  doe  het)  di  beseffen  niet,  Sp.  11^, 
7,  101.  Die  heilege  lieden  heeft  hi  werpen  doen 
daer  in  (d.  i.  in  de  kokende  olie),  dies  si  en  be- 
sieven  meer  no  min,  11^,  53,  58.  Dies  niet  en 
twint  besief  dat  dier,  11%  18,  68.  Zo  bezief  ie 
een  scote  tot  in  mir  herten  gront,  OFl.  Lied.  e» 
Oed,  464,  247.  Wat  hi  mach  met  tanden  slaen, 
en  laet  hi  altoes  niet  ontgaen,  eer  hi  beseft  den 
tant  al  dare.  Nat,  BI.  II,  823.  Alst  slne  dracht 
hevet  beseven  binnen  in  sinen  buke  leven,  IV, 
566.  Wie  so  steken  beseft,  X,  687.  Als  hi  hem 
daer  besief  vanden  {voelde  «6^];itf»)  metten  heiegen 
dorboorden  handen ,  voer  daer  hene  al  de  stanc , 
Franc.  8269.  (Si)  dwouch  hare  ogen  in  dat,  die  te 
Toren  donker  waren ;  te  hant  besief  soe  verclaren , 
10178.  Nacht  ende  dach  hebbic  beseven  dyn  hande 
op  mi,  dat  ie  moet  beven  van  anxte,  Boetpi.  32, 
13.  Als  hy  die  wonde  heeft  beseven,  Orimb.  II, 
5166.  Porus  versaechde  hem  een  deel ,  alse  hi  dien 
slach  besief,  Alex.  IX,  646.  Die  coninc  spracmet 
staden  tierst  dat  hine  tasten  besief  {hem  voelde 
aanraken):  vlie  enwech,  onrein  dief!  sine  slaghe 
doet  hi  hem  beseffen,  Wal.  9906.  —  Ook  met 
den  2den  nv.  of  een  af  h.  zin.  ||  Mettien  besief  ie 
dat  mi  wee  de  wonde  dede  die  ie  droech,  OFl. 
lAed.  e.  Ged.  308,  2218.  Hi  besiefs,  dattene  vele 
hande  uter  cameren  drogen,  Lanc.  III,  9891. 
Tirsten  dat  Mordret  besef  das ,  dat  hi  alsoe  gewont 
was,  IV,  11989. 

^  Met  betrekking  tot  den  geest.  ||  Ie  sal  hem 
dranc  drinken  geven,  als  hine  heeft  beseven  in 
sine  herssene,  hi  sal  dan  doen  minen  wille  al, 
Lanc.  II,  15125.  Dat  bloet  liep  at  sinen  wonden, 
ende  die  dode  jonge  .  .  ontfingen  alle  gadere 
dieven,  alsi  dat  bloet  hadden  beseven,  III,  6533. 
Dat  ie  besief  .  .  m|jn  herte  metten  wederlichte 
ontsteken  vierlgc  als  een  brant,  OVl.  lAed.  e.  Oed. 
320,  171.  Die  int  herte  der  minnen  strael  van 
Floretten  hadde  beseven ,  Segh.  7678.  Suete  ontfaen, 
die  den  brant  van  Yenuse  heft  beseven,  Bote  C 
3521.  Beseftet  vrese,  .  .  et  (stekelvarken)  wint 
hem  te  gadre  als  een  bal.  Nat.  BI.  II,  1774. Die 
erde  beseffet  (nl.  de  macht  Oods  of  Gode),  Lucid. 
446.  Snee,  haghel  ende  wint  beseffen  al  der 
maechden  kint,  gevoelen  den  machtigen  invloed  van 
Ood,  453.  Die  dode  beseffen  mede  Gode ,  455.  Die 
hüle  beseffet  oec  eenparlike  die  macht  Gods, 457. 
Oec  alle  vreeselike  dieren  beseffen  Gode  na  haren 
manieren,  461.  —  Ook  met  een  afh.  zin.  Inzien.  ||  Als 
ie  aensach  die  bloame  zoet ,  bezief  ie ,  dat  mir  herten 
bloet  beroert  wart,  OFl.  Lied.  e.  Ged.  404,  40. 
Selve  heefti  wel  beseven  {gevoeld  of  ook  ingezien] 
ygl.  4),  dat  hi  te  spegele  es  gegeven  endetexem- 
plen  andren  lieden.  Franc.  1261.  In  mi  hebbic 
beseven,  dat  hnwe  woerden  stichten,  ÏTap.  Bog. 
1317.  —  Als  wederk.  gebruikt,  met  betrekking 
tot  lichaam  en  geest  beiden.  ||  Ay  mi,  ie  be- 
seffe  mi  zwaer,  gravem  me  sentioj  Sp.  11^,  36, 
10.  Nye  zident  bezief  ie  mi  ghezont,  OFl.  Lied. 
e.  Ged.  464,  249.  Die  hem  een  deel  siec  heeft 
beseven,  Lanc,  lY,  1143.  Gi  hebt  so  verre  genesen 


mi,  dat  ie  mi  beseffe  alsoe  gesont,  als  icoitdede 
teneger  stont,  2169.  Dat  gi  in  engenen  maniren, 
dat  orloge  en  begint  antiren ,  gine  beseft  u  van 
desen  van  algader  te  boven  wesen,  5303.  So  men 
(den  nederige)  te  meerre  eren  heft,  so  hi  hem 
onwaerder  beseft.  Franc.  3021.  —  De  onb.  wijs 
als  znw.  gebruikt  in  de  bet  gevoel  y  indruk.  ||  (Si) 
exponeerde  se  {de  woorden)  hem  so  vray,  dat  hi 
begonste  eenen  ommedray  ende  een  beseffen  te 
ghecrighene,  Amand  I,  4292. 

4)  Begrijpen y  inzien,  vatten,  bemerken ; Iaï.  eapere, 
II  Als  hi  besief,  dat  hi  hadde  mesdaen ,  Fl.Bijmkr, 

2901.  Gierbeert  hevet  dit  beseven  ende  merkte 
waer  sine  scade  lach,  Sp.  lY*,  29,  22.  Nu  hevet 
beseven  die  bisscop  ende  claer  vereescht ,  dat  hem 
seide  de  heilege  geest,  dat  si  martielie  hadden 
ontfaen,  II*,  17,  52.  Dat  si  beseven  wel  ebben .. , 
dat  Fransoys  was  mettem  daer,  Franc.  8908.  Dies 
hi  bezief,  dat  hi  van  dan  cortelike  zoude  moeten 
varen,  OFl.  Lied.  e.  &«£^.  460, 115.  Doe  si  beseven 
ende  sagen ,  dat  se  God  van  diere  plagen  gehouden 
hadde  te  siere  glorien ,  Litcid. 652.  —  Yroetscap 
beseffen,  verstand,  begrip  hebben.  \\  Die  noeyt 
vroetscap  twint  en  besief,  mach  weten,  dat  dat 
niet  en  betaemt,  Sp.  II',  20,  56.  —  Dikwgls 
ook  in  de  uitdr.  beseven  hebben,  d.  i.  eig. 
gevat,  in  de  hertenen  opgenomen  hebben,  en  vervolgens 

a)  Begrijpen,  doorzien ,  kennen.  ||  Ghine  hebt  niet 
dat  spul  beseven  der  aventure,  Maleg.  25.  Als  ie 
die  waerheit  hebbe  beseven,  aU  ik  het  goed  inzie, 
die  leiden  souden  tgemein  gediet,  sy  sien  wenich 
ofte  niet,  Hild.  6,16. 

b)  Weten.  \\  Oec  heb  ie  die  waerheit  beseven, 
datse  duerbair  cleder  draghen,  Hild.  210,  264. 
Daer  zi  noyt  af  .  .  profijt  ghecreech  van  eenen 
boeteene,  dat  z^t  weet  oft  heeft  beseven.  Overzee 
121.  Sine  en  hebben  savons  niet  beseven  wiet  hem 
lonen  sal  oft  gheven,  dat  si  smorghens  selen  eten, 
Fad.  Mus.  1,  85,  105.  — Ygl.  bekent  hebben, 
bij  BEKENNEN ,  bedr.  Ib).  Met  bekennen  heeft  beseffen 
meer  dan  één  punt  van  overeenkomst. 

5)  Bemerken,  iets  wat  buiten  ons  plaats  grijpt, 
opmerken,  gewaar  worden.  \\  Dies  rieden  die  sonen 
bede  heymelike  omme  tsfaders  leven,  dat  heeft 
Herodes  beseven  {^uod  praesentiens) ,  Bijmb.  2Ö932. 
Bruun  swam ,  dair  hi  besief  den  meesten  stroom , 
Bein.  I,  851  var.  Alse  ghi  dan  hebt  beseven,  dat 
si  u  meer  prisen  willen  geven  dan  ghi  wert  sijt, 
Melib.  1763  var.  Als  hi  die  sonne  beseft,  die  danne 
hebben  so  starke  oghen,  dat  si  die  sonne  connen 
ghedoghen.  Nat.  BI.  III,  104.  An  die  duve  men 
beseft,  dat  si  hare  somwile  verheft,  om  hare 
plumen  te  makene  scone,  1097.  Alse  hi  een  nat 
swerc  siet  heffen ,  hi  wille  dat  alle  dandre  beseffen, 
1849.  Yan  danen  over  XL  milen  machmen  beseffen 
. .  haren  stroom  al  in  die  zee ,  Alex.  YII ,  1433.  Met 
dien  heeft  hi  beseven  sinen  broeder  ende  ghesien, 
Belg.  Mus.  10,  81,  163.  Ooc  besieven  si  daer 
binnen  licht.  Franc.  1630.  {De  tasch)  daer  si  dat 
goet  in  bezeffen,  3599.  Ie  heb  an  mine  liede 
beseven,  dat  si  gerne  souden  striden,  Yelth.  II, 
10,  36.  Daer  men  in  besief  bate  oft  winninge, 
YI,  3,  28.  Als  Bave  dit  hadde  beseven,  beide  hi 
toot  sermoen  was  ghehend,  Amand  I,  5524.  Als 
die  keyseren  dit  hebben  beseven  .  .,  wilden  si 
in  de  were  sijn,  Sp.  II»,  47,  4.  Die  wachters 
hebbent  beseven,  II ^  47,  63.  Dat  widoch  hebben 
beseven,  dat  hi  al  noch  heeft  s^n  leven,  III*, 32, 
71.  Alse  die  bisscop  dit  heeft  beseven,  lY*,  50, 
64.  (Si)  en  hads  twint  beseven,  dat  si  te  sceeme 
was  gedreven,  Lanc.  Tl,  7943.  Alse  hi  sine  bcn^ 


1019 


BESE. 


BESE. 


1020 


hief  uten  watre,  hi  besief,  dat  si  ges  wollen  waren, 
18769.  Dit  wert  ghewaer  die  koene  deghen  ende 
heeft  den  kngf  beseven,  Segh,  3177.  Dezonne,die 
znndwart  was,  wert  int  oosten  weder  beseven, 
Taf.  Lev,  Jez.  I,  7.  Als  dit  beseven,  die  ghene 
diere  buten  waren,  so  waest  hem  leet,  VI.  Rijmk. 
9144.  Hi  sloech  af  in  slaghen  twee  mine  arme, 
des  heb  ie  grief;  si  waren  af,  eer  iet  besief, 
SeffA.  1002.  Alse  onse  Here  met  sinen  ropen 
(/.  roten)  in  den  Hemel  hem  verheft  .  .,  alse 
dit  die  mane  beseft  enz. ,  Velth.  VIII ,  27 ,  12.  —  In 
het  pass.  beseven  worden,  blijken.  ||  Si  es  de 
sorchfuldichste  .  .,  soet  es  besceven,  Bits.  v.  M. 
1872.  Datter  bi  soude  sijn  beseven,  dat  over- 
horichede  dede  beven  den  inghel  Lucifeere,  Wap. 
Rog.  1627.  —  Het  verl.  deelw.  beseven  wordt 
met  s ij  n  verbonden  tot  ééne  uitdr.  beseven  sün, 
in  bet.  gelijk  aan  bekent  sijn  (zie  ald.),  d.  i. 
het  zijn^  in  verband  met  den  toaamemer  gedacht^ 
m.  a.  w.  zijn  in  het  alg.  ||  Wy  brynghen  hem  een 
suver  maecht ,  die  een  conincghinne  ooc  es  beseven. 
Taf.  op  3  È.  46.  Gheen  meerder  vruecht  ter 
weerelt  en  is  beseven ,  dan  daer  man  ende  wyf  in 
payse  leven,  Spreuken  7ö.  Bat  ie  yet  moet  hebben 
ghescreven  .  .,  daer  doghet  in  mach  zijn  beseven, 
JVap.  Rog.  1391.  Wye  dat  vroljjc  waer  beseven, 
ende  onreyn  waer  sijn  werc,  sijn  woert,  Hild.  78, 
93.  Waer  is  Harsilles,  die  lichste  man,  beseven? 
Fad.  Mm.  4,  122.  De  snlke  werdt  scepene  .  ., 
daer  lettel  wijsheit  in   es  beseven,  07' l.  Oed.  2, 

67,  174  (vgl.  Huyd.  op  Stoke  I,  122).  —  Zoo 
vindt  men  op  ééne  plaats  beseven  hebben, 
in  den  zin  van  hebben^  bezitten^  maar  dit  voor- 
beeld verdient  geen  navolging.  Waarschijnlijk 
heeft  ook  het  rijm  er  invloed  op  gehad.  ||  Al 
heeft  hi  {een  mensch)  heilecheit  beseven,  hets 
beter  der  werelt  oncont  leven,  ende  voer  Gode 
sijn  bekent,  Sp.  III*,  55,  93  (de  verklaring  van 
Halb,  Aant.  230:  in  zich  ontdekt^  is  onjuist). 

6)  Evenals  zien  de  bet.  van  trachten^  beproeven 
aanneemt,  zoo  ook  besefen.  \\  Nu  gaet  vort  ombe 
beseffen ,  oft  gi  die  tombe  op  mocht  heffen ,  Lanc.  II , 
25226. 

7)  Gelijk  vernemen  eerst  waarnemen  met  den  geest 
beteekent ,  en  vervolgens  ook  van  het  waarnemen  met 
het  gehoor  wordt  gebruikt  (vgl.  vernuft  en  hd. 
vemunft)^  zoo  heeft  ook  beseffen  de  bet.  van 
vernemen^  hooren.  ||  Alsi  syn  word  dus  hebben 
beseven,  Velth.  V,  20,  48.  Doe  die  gone  dat 
beseven,  audita  factione^  Rijmb.  34554.  Als  dit 
Nero  heeft  beseven,  vlo  hi  uter  port,  Sp.  II', 
85,  104.  Als  sij  die  mare  hebben  beseven,  VI. 
Rijmt.  8610.  Alse  Hyrtacus  dit  hevet  bezeven, 
80   es   hi    an  Matheuse  comen,    Fersl.  en  Ber.  3, 

68.  Bi  der  bybele  eist  wel  beseven,  uit  den  bijbel 
verneemt  men ,  in  den  bijbel  leest  men ,  Wap.  Rog. 
1251 ;  vgl.  1260.  —  Deze  bet.  heeft  beseffen  ook 
in  de  weinig beteekenende  uitdr.  heb  ie  beseven. 
II  Dese   hope   langhe  te  leven,    ist  vierde  punt, 

heb  ie  beseven ,  dat  ons  den  zoeten  smaec  beneemt, 
Hild.  212,  103.  Dus  op  ende  neder  proefden  si 
hem,  hebbic  beseven,  Velth.  IV,  61,  64.  Een 
goet  herte  en  mach  niet  uutgeven,  daer  quaetheit 
in  si  beseven,  Sp.  II",  74,  173. 

8)  Even  als  bekennen  (bedr.  2) ,  zoo  heeft  ook 
beseffen  de  bet.  van  kennis  hebben  aan,  en  verv.  in 
bijzondere  toepassing  van  den  omgang  tnsschen 
man   en    vrouw.    Fleeschelijke  gemeenschap  hebben. 

II  Diene  drouch  es  maget  bleven,  sijn  vader  heeft 
geen  wijf  beseven  (feminam  nescit) ,  Sp.  III" , 
12,  43. 


Aanm.  —  FUvyerw.  18  wordt  b  es  e  f  f  e  n  gebruikt 
in  de  bet.  van  doen  beseffen  ^  d.  i.  vtededeelen, 
doen  kennen.  ||  Ie  en  mach  n  myn  verdriet  niet 
beseffen. —  Of  moet  men  lezen  doen  beseffen? 

Onz.  —  1)  Qevoel  hebben.  \\  Wert  dat  {deksni\ 
besieve  gheliic  eenre  zenuwen,  Lanfr.  19r. 

2)  Denkvermogen,  verstand,  begrip  hebben.  \\  Dat  ri 
noch  sien ,  no  hooren  noch  beseffen ,  Amnnd  II ,  3549. 
Fierheit  die  haer  verheft  in  al  dat  levet  ende  beseft, 
Nat.  BI.  IV,  669  var.  —  Ook  de  uitdr.  beseven 
hebben,  heeft  den  zin  ya-n  besef  hebben.  \\  Dingen 
die  sijn  sonder  leven  gelgc  als  of  si  adden  beseven, 
dienden  hem,  Franc.  6583.  —  De  onb.  wijs  als 
znw.  gebruikt.  Besef,  begrip,  oordeel  des  onder- 
scheids.  \\  Sint  dat  hy  eerst  beseffen  ende  kennesse 
had  de,  Belg.  Mus.  1,  89.  Al  dat  Ood  maecte, 
hevet  kennisse?  Jaet  .  .;  al  hevet  beseffen  ia 
Onsen  Here,  Lucid.  438.  Dat  hi  daelt  die  hem 
hogher  wil  verheffen,  dan  redene  gheift  in  zgn 
beseffen,  OVl.  lAed.  e.  Ged.  306,  2164. 

Wederk.  —  1)  Zich  gevoelen,  van  het  lichaam; 
hem  qualike  beseffen,  zich  ziek,  naar  voelen; 
zeer  ziek  zijn,  er  slecht  aan  toe  zijn.  ||  Een  van 
Centurioens  cnapen  bezief  hem  qualike  ende  sonde 
hebben  ghestorven,  ^j.  v.  1348,  195tf  {Lue.  7,2). 

2)  Hem  bese  f  f  e  n ,  besef,  begrip ,  verstand  hebben 
(vgl.  HEM  bedenken).  ||  Ooc  80  keunic  u  avgs  een 
deel,  so  ie  mi  can  beseffen,  indien  ik  het  goed  inzie , 
dat  ghi  niement  sout  verheffen,  hi  en  ware  enz., 
OVl.  Lied.  e.  Oed.  286,  1557.  Waneer  dat  zi  hem 
wel  beseffen,  aU  zij  goed  bij  hun  verstand  zijn, 
so   willen   zi   hem  met  mi  verheffen,  Praet  3274. 

BESEFFENINGE,  znw.  vr.  Van  het  freq.  he- 
seffenen,  waarvan  evenwel  geen  voorbeeld  is  aan 
te  wijzen.  QewaaruHtrding.  ||  Waer  omme  hets 
{de  hersenen)  een  ledt  principael,  daar  alle  de  be- 
seffeninghe  hute  sprinct.  Jan  Yp.  39.  Hute  de 
hersinen  spruten  tule  die  beseffeninghen  van  den 
mensch,  69. 

BESEFFENTHEIT,  znw.  vr.  Van  het  deelw. 
beseffent,  d.  i.  gevoelend  (vgl.  BESEFFEN  3).  Ge- 
voeligheid.  \\  Onderwilen  eist  (depolyp)  van  bruunder 
verwen  ende  lettel  beseffentheden  ende  seer  hart, 
Jan  Yp.  104. 

BESEGELEN  (besigelen,  in  dial.)  zw.  ww. 
bedr.  Mnd.  besegelen;  mhd.  besigelen.  Van  segeL 

1)  Zegelen,  het  zegel  op  iets  drukken.  \\  Waert 
dat  men  onreinleecheden  met  hare  {den  zmaragé) 
beseghede  (/.  beseghelde)  .  . ,  si  splete  ende  brake 
te  hans  ontwee,   Vad.  Mus.  1,  395,  25. 

2)  £ene  akte  met  een  zegel  voorzien ,  ten  einde  die 
bewijskrachtig  te  maken.  Dikwijls  in  de  nitdr.  be- 
segelen  ende  bescriven,  d.  i.  wtet een segel be- 
krachtigen of  doen  bekrachtigen.Ygl.  de  uitdr.  s  e  g  e  1  e 
ende  brief.  ||  Men  ginc  besegelen  ende  bescriven 
die  soene ,  Lorr. ,  N.  fr.  26 ,  303.  Want  den  Coninc 
goet  dat  dochte,  dede  hijt  beseghelen  ende  be- 
scriven, Stoke  III,  1458  (de  var.  beseghen  is 
onjuist;  vgl.  boven  Vad,  Mus.  1,  395,  26  ea 
MLoep.  II,  576  var.  Ten  onrechte  ontkent  Hnyd. 
daar  het  bestaan  van  besegen  of  beseggen).  Kochtaa 
wert  hoir  leven  nye  beseghelt  noch  bescreren, 
alsoe  die  menighe  dat  glosieren,  hun  leven  veri 
nooit  op  zegel  geschreven,  geautoriseerd,  MLoep  II, 
577.Voirt  en  sullen  die  scepenen  gheen  comenscap  be- 
segelen, dair  enich  bant  tnsschen  gaet  ende  daer 
zy  den  scepenen  in  lieghen,  O.  K.  r.  Delft  I,  5. 
—  Zoo  ook  wel  te  lezen  voor  bezeelen,«M  II, 
27,  9.  —  Ook  met  den  3den  nv.  van  den  pera.  ei 
den  4den  nv.  der  zaak.  Enen  iet  besegelen, 
iemand  iets  toekennen  bij  gezegelde  akte.  ||  Alsilkei 


i02i 


BESE. 


BESE. 


1022 


verbonden  .  . ,  als  ons  onse  lieden  van  onser  .  . 
stad  besegelt  hebben,  Brab,  T.,  Dl.  2,  bl.  683. 
Daer  voer  besegelden  bem  .  .  Wencelijn  ende  vrou 
Jobanna  .  .  .  een  seker  jaergulde,  Brab.  Y.  VI, 
7686.  {Margareta)  droecb  hem  ( Willem  V)  op  . . . 
dese  twee  lande  met  ripen  rade  ende  bezeghelde 
(nl.  hem)  die  stade,  Wrake  III,  2238.  —  Het verl. 
deelw.  besegelt  wordt  gebruikt  als  bnw. 

a)  In  den  zin  van  op zegel^  in  de nitdr.  besegelt 
hebben.  ||  Op  snlke  alde  rechten  .  .  als  sij  van 
onsen  voirvaderen  . .  ende  van  ons  besegelt  hebben , 
Nyh.  3,  298. 

b)AfgesloteH^  aan  het gemeene gebruik  onttrokken.  \\ 
Der    besloten   boegart   ende   der  besigelt  bome, 
lAmb.  Serm,  22b  d. 

e)  Figuurijk.  Fatt,  bestendig.  ||  Ach,  hoe  edel 
was  die  lieft!  Hoe  vast  bezeghelt  ende  bebrieft 
was  sy!  MLoep  II,  576. 

BESË6ELTE ,  znw.  vr.  en  onz.  Bevestiging  onder 
zegel y  bezegeling^  waarmerking  door  zegeling.  Ook 
in  concreeten  zin  gebruikt.  Dat  wat  met  een  zegel 
voorzien  i*;  gezegelde  akte,  overeenkomst.  Alleen  in 
de  zuidelijke  gewesten  in  gebruik.  ||  Beloeft  bi 
sekerheden  ende  beseghelten  te  hondene  ende  te 
▼ulcommen,  Brab.  Y.  Dl.  2,  bl.  416.  De  copie 
van  zulken  beseghelte  ende  verbinde,  427.  Naer 
der  ordinancien  ende  bezeghelte,  dat  ghi  onder- 
linghe  te  gader  hebt,  616.  Alsulken  verbonden 
endfe  besegelte  als  ons  onse  lieden  van  onser  .  . 
stad  besegelt  hebben,  683.  De  betalinghe  van  .  . 
achterstellen,  daerin  dat  de  stede  met  beseghelten 
Terbonden  is,  ZVl.  Bijdr.  4,  9.  Dat  die  van  der 
Sluus  den  lande  vanden  Vrijen  hare  beseghelten 
overghegheven  zullen  hebben,  67.  De  remissie 
ende  besegelte  van  den  privilegiën ,  Cron.  v.  Vleiend. 
2 ,  63.  Mids  den  bezeghelte  van  diversen  personen, 
Invent.  v.  Brugge  4,  66. 

BESEGELTHEIT,  -(h)ede  znw.  vr. ;  mv.  bezegelt- 
hedé.  Hetzelfde  als  het  meer  gebruikelijke  besegelte 
(zie  ald.).  Zoowel  in  abstracten  als  in  concreeten  zin 
in  gebruik,  in  dezelfde  beteekenissen  als  besegelte 
(z.  ald).  II  So  wat  letteren  .  .  of  besegheltheiden 
die  hier  of  zün,  Invent.  v.  Brt^gge  2,  470  (vgl. 
Despars  2,  2.).  (Dat)  die  eenige  van  hem  ge- 
^heven  {hebben)  huere  bezeghelteden  int  particuliere, 
Nijh.  6,  179.  Dat  dekin  of  vinders  of  bezetters 
eeneghe  personen  bezegheltede  gaven  of  ghescrilten, 
Cout.  V.  Brugge  1,  372.  Ontkennen  hoerluyder 
bantgescrifte  ofte  besegeltheit  ^K.enO.  v.  Delft  30 , 
4.  —  Ook  in  den  zin  yem  het  bezegeld  zijn ,  Diericx, 
Mem.  2 ,  275.  —  De  abstracte  bet.  bevestiging  onder 
zegel,  vindt  men  nog  bij  Hooft;  zie  JJitl.  Wdb.  I,  154. 

BESEGELINGE ,  znw.  vr.  Verzegeling.  \\  Metten 
zeghele  van  Sente  Jans  hoefde  gheordonneert  ter 
bezeghelinghe  van  den  maerctlakenen ,  Diericx, 
Mém.  2,  174. 

BESEGELTOCHT  (besegeltucht),  znw.  m. 
Hetzelfde  als  bezegeltheit  en  bezegelte  (zie  ald.). 
Gezegelde  overeenkomst.  \\  Dat  Jooris  van  Herts- 
berghe  .  .  .  sculdich  ware  te  vernoughene  de  voor- 
seide  voochden  naer  tinhouden  sjns  voorseits  be- 
zegheltuchts ,  la  lettre  qu'il  avait  scellée,  Coitt.  v. 
brugge  2,  213. 

BESECH.  Zie  besigh. 

BESECHEIT.  Zie  besicheit. 

BESEGEN  (klemtoon  op  be).  Zie  besigen. 

BESEGEN.  Zie  beseggen. 

BESEGGEN  (beseoen  ,  biseoen)  ,  zw.  ww.  bedr. 
(praet.  besegede,  beseggede,  besegde  of  beseide; 
deelw.  beseget,  beseecht  of  beseit).  Mnd.  beseggen  \ 
mhd.  besagen. 


1)  Iets  van  of  over  iemand  zeggen,  bepaal del^k 
in  ongunstigen  zin,  iem.  iets  te  laste  leggen,  hem 
beschuldigen.  Met  de  voorz.  van  of  met.  ||  Hoe 
TJlyxes  wert  beseghet  van  den  moert  ende  ghe- 
leghet  op  hem  oec  van  Thelamon ,  Troyen  231.  So 
verre  gaet  dat  niet  en  blivet,  die  paeus  Paschalis 
en  wart  beseget  van  derre  dinc  ende  up  hem  ge- 
leget,  Sp.  IV*,  36,  62.  (Hi)  was  van  erisien  be- 
seit te  Rome  ende  in  hoeden  geleit.  Franc.  9299. 
In  hadde  hier  nembermere  u  met  so  hoger  dinc 
beseit,  in  hadde  wel  die  waerheit  geweten,  Lanc. 
III,  22897.  Worde  enich  vreemt  man  .  .  vanenich 
van  den  poenten  voirs.  beseeght  .  .  ende  hi  metter 
waerheit  onsculdich  daer  af  vonden  worde,  ^ra^.  F. 
dl.  2,  bl.  618.  Waert  dat  yement  van  den  poer- 
teren  beseit  worde  met  doetslaghe,  van  roeve, 
van  dieften  of  van  enighen  anderen  swaren  be- 
roften.  Mieris  2,  66a  (vgl.  149a,  waar  men  bezeghet 
leest  in  plaats  van  beseit).  Ist  dat  men  hem  hier 
of  besecht  ende  nyet  bewysen  mach,  Schwartz.  1, 
687  b.  Si  worden  ghesteent ,  si  worden  beseit , 
si  worden  becoort,  Hs.  v.  1348,  263^  (hier  schijnt 
beseggen  absol.  te  staan  in  de  bet.  belasteren ,  doch 
de  lat.  tekst  heeft  een  geheel  ander  woord,  nl. 
secti  sunt,  d.  i.  zijn  verwond,  Eebr.  11,  37). 

2)  Van  seggen,  in  den  zin  van  scheidsrechterlijke 
uitspraak  (zie  ald.).  Door  een  zeggen  beslissen.  \\ 
Hoet  dan  die  gheswoeren  scheitslude  scheiden  ende 
beseghden  .  ,  . ,  dat  sal  ellic  handen  ende  voldoen 
sonder  arghelist,  Ngh.  3,  36.  —  Ook  met  den 
3den  nv.  van  den  pers.  en  den  ace.  der  zaak. 
Iemand  door  eene  scheidsrechterlijke  uitspraak  iets 
opleggen.  \\  Wonde  die  ghene,  daer  men  op  claeghde, 
der  saken  aan  den  ghesworenen  niet  bliven;  of 
bleve  hi  wael  der  saken  aen  hem  ende  richte  (d.  i. 
herstelde)  doch  niet  des  si  hem  beseeghden ,  Nijh.  2 , 
114  (vgl.  8,  33).  So  wes  hem  die  geswoeren 
richtsluden  beseggheden  of  bezegheden  .  .,  dat 
sal  hi  houden  in  allen  vormen  ende  vorwarden, 
3,  36;  vgl.  scheiden  ende  beseghden,  ald.  —  In 
het  pass.  gebruikt.  Door  eene  scheidsrechterlijke 
uitspraak  in  het  ongelijk  gesteld  worden.  \\  Wilker  . . 
van  ons  beyden  biseghet  wert,  die  sal  bi  siinen 
eyde  dat  richten  .  .  sonder  wederseggen,  Ngh.  1, 
246.  So  wat  die  ghesworen  segghen  binnen  der 
vorgen.  tijt  .  . ,  dat  sal  die  ghene  van  ons  .  .  . 
die  beseecht  wurde ,  handen  ende  daer  af  voldoen 
in  allen  manieren  .  .,  alse  hi  des  van  den  ghe- 
sworen beseecht  wurde,  Nijh.  2,  120.  So  wes  wi . . 
in  der  maten  voir  geclairt  van  den  voirscr.  punten . . 
beseegt  selen  werden ,  dat  onser  yegelic  den  anderen 
dat   volcomelic   houden  ende  voldoen  sal,  3,  219. 

Met  den  3den  nv.  van  den  pers.  en  den  4den  der 
zaak.  Iemand  iets  toewijzen,  toezeggen,  beloven 
(vgl.  Lexer  1,  200  en  Graff  6,  102;  bisagen, 
aMicere).  Hetzelfde  als  het  meer  gebruikeiyke 
beheten  (zie  ald.).  ||  Desen  beseide  Godteghevene 
dat  lant,  dat  hi  in  haren  levene  Abraham,  Ysaac 
ende  Jacob  mede  belovet  hadde,  Sp.  I*,  8,  43. 

4)  Het  verl.  deelw.  beseit  of  beseget  wordt 
in  het  Mnl.  gebruikt  in  denzelfden  zin  als  het 
meer  gewone  be  va  en  (zie  ald.).  Beeds  inhetohd. 
komen  de  twee  deelw.  bisaget  en  bivangan  vereenigd 
voor  (Graff  6,  103).  Zoo  ook  beseit  en  bevaen  in 
volkomen  denzelfden  zin,  Z.  o.  U.  1697 :  „Dat  daer 
ne  was  niemen,  hi  en  ware  doch  met  souden 
beseit  ende  bevaen."  By  Graff  wordt  de  vereenigde 
nitdr.  vertaald  door  irretitus ,  d.  i.  verstrikt,  hetgeen 
den  zin  van  de  plaats  uit  L.  o.  H.  zeer  juist 
weergeeft,  en  ook  volkomen  past  Stoke  V,  1107 
var.'.  ^Her  Jan  voer,  ende  voerde  mede  van  sinen 


4023 


BESE. 


BESE. 


1024 


Treenden  .  .,  die  hi  betronwede  alre  beste;  dns 
bleef  hi  beseit  int  leste.^'  —  In  den  goeden  zin  van 
b  e  y  a  e  n ,  nl.  voorzie»  va» ,  begaafd  met^  vinden  wj 
beseget,  Sp,  III*,  45,  43:  rt^\^  met  crancker 
spisen  daer  gheleyet  hadde  LXXX  jaer,  endeyan 
snlker  doget  (d.  i.  kracht)  beseget,  np  wien  bi 
die  bant  leghet  .  .,  dat  hine  van  alre  ziecheit 
quyt,  lat.  (summam  gratiam  eonteeutut).''''  De  ver- 
klaring yan  De  Jager,  Freq.  2 ,  855,  als  zon  beseget 
hetzelfde  zyn  als  be^ege»et^  d.  i.  gezegend  ^  is 
onjuist,  daar  he»edictio  nooit  eege  is,  maar  wel 
eege», 

Aanm.  —  Beiegge»  kan  niet  de  bet.  hebben 
yan  weigere»^  ontzegge»^  die  met  de  gewone 
opvatting  in  l^nrechten  strijd  is.  Bmgm.  2,  255: 
„Die  mensche  mach  hem  wel  beanxten,  dat  hem 
God  sinen  (/.  sine)  barmherticheit  beseggke»  of 
weygheren  sal,*'  leze  men  daarom  versegghe».  Be 
en  ver  worden  meermalen  in  de  Hss.  verward  of 
voor  elkander  gelezen. 

BËSEIKEN  (beseken),  zw.  ww.  bedr.Mnd.3f- 
seieAe»]  mhd.  beseicke».  Yan  het  nog  heden  in  de 
platte  volkstaal  gebmikelyke  zeike».  Bepiste»^  be- 
watere».  \\  (Dat  hi)  mine  kindre  so  (hevet)  mes- 
voert,  dat  hise  besekede,  daer  si  laghen  datter  twee 
noint  meer  ne  saghen ,  B£i».  1 ,  74.  Nat  beseyket,  II , 
6535  var.  —  Ook  als  wederk.  gebruikt.  ||  Die 
ghene  die  hem  beseiken  op  dbedde,  M,  e»  Vr. 
Heim.  1971. 

BESEINDEN.  Zie  besenden. 

BESëINEN,  zw.  WW.  bedr.,  andere  vorm  voor 
besege»e».  Vgl.  rei»  voor  rege»,  berei»e»  voor  be- 
regene»^  enz.  Knd.  be»ege»e»,  Yan  sei»^  in  denzin 
van  hei  teeke»  det  kruites  (zie  ald.).  Het  teeke» 
dei  kruitet  make»  over  iema»d  of  iete. 

a)  Met  den  4den  nv.  van  den  pers.  Zege»  over 
iema»d  afsmeeke»^  vooral  bij  eene  plechtige  wijding, 
wijde»,  jl  Alle  baden  si  ende  wouden ,  dat  si  doepsel 
ontfaen  souden,  ende  hi  beseinedse  ende  belas, 
also  alst  costume  was,  Sp.  III*,  42,  63.  Ygl. 
BELESEN  en  BENEDIËN  ,  en  Halb.  Aa»t.  94. 

b)  Met  den  4den  nv.  der  zaak.  Eer  aa»  iet»  be- 
wijze» ^  het  vereer  e».  \\  Dat  vule,  dat  in  haer  ore 
stac ,  beseinden  si  indier  gebare ,  alse  oft  sacrament 
dat  ware,  lY»,  70,  62. 

BESEKEREN,  zw.  ww.  bedr.  Mhd.  besicher». 
Yan  eekere»  (zie  ald.).  Iema»d  of  iets  zeker  maken, 
verzekere». 

1)  Iet  — ,  beveilige».  ||  Een  goede  slnyse  . .  alsoe 
sterck  ende  vast ,  dat  ons  ende  onsen  raeden  dunct 
datter  onsen  lande  wel  mede  beseeckert  is,  Mejl. 
Delfl.  66. 

2)  Enen  iet  — ,  Iema»d  iet*  verzekere»,  hem 
zekerheid  geve»  va»,  hem  plechtig  belove».  \\  Dit 
besekerdense  hem  aldaer  ende  vele  stucken  over- 
waer,  die  si  onlange  selen  houden,  Yelth.  lY, 
63,  27.  —  Ook  met  een  ace.  c.  inf. ,  in  navolging 
van  het  Latgn.  ||  {Wij)  besekeren,  ons  ende  onse 
erffnamen  .  .  ummermeer  te  saeme  te  blyvene  ende 
een  man  te  wesen,  Oorkb.  2,  2196.  Dit  hebbewi 
gelovet  end  besekert  bi  kurstenliker  trouwe ,  Oorkb. 
V.  Qeld.  1038  quater. 

3)  Met  den  4den  nv.  van  eene  vrouw.  Verlove» 
aa»,  o»der  eene  plechtige  verklaring  met  iema»d 
verbi»de».\\'D9X  een  {dat.)  onser  borgher  eenjonc- 
frowe  off  eene  vrowe  besekert  oft  bi  schoei  ^cacker 
(/.  bischoelscattet)  woerde  ter  echtscap ,  Overijs.  R. 
I',  8.  Weert  sake,  dat  een  onser  borger  een 
jonffrouwe  off  een  vrouwe  besekert  off  beschol- 
scattet  worde  ter  echtscap ,  ald.  105.  Ygl.  sekeren  , 
YERSEKEREN  en  Toalb.  2,  18. 


BE8ELEWEN.  Zie  besaluwen. 

BESELSGAP,  znw.  o.  Eig.  gezelschap:  ook  ^ 
bruikt  in  de  bepaalde  bet.  van  huweliji.  |]  Dat 
vrou  Jacoba  onbehoorlic  gescheyden  was  Tan  hertogv 
Jans  beselscape,  Exc.  Oron.  171c.  Ygl.  het  md. 
WW.  sik  beselschoppe»  en  het  mnl.  hem  vers  ellen, 
d.  i.  trouwe». 

BESEN,  zw.  WW.  bedr.  Hetzelfde  tls  htafen. 
Oebruike»,  aa»wende».  \\  Yan  een  kercsperre,  die 
hy  op  den  toern  beesde ,  Eek.  d.  Buvrk.  201. 

BESENDEN  (beseinden),  st.  en  zw.w^.bedi. 
besa»de  en  bese»de,  besant  en  besonden)-,  Kbd.  k- 
se»de». 

1)  Enen  iet  — ,  aa»  iemand  door  et%  hnèi 
late»  wete».  \\  Dat  ghy  al  denghenen  .  .  van  onsen 
weghen  beseynt,  versoeckt  ende  beveelt,  dat  si., 
sonder  vertreck  . .  die  grechte  . .  doen  volcomeUcke 
ruymen,  Gesch.  v.  A»tw.  1,  480. 

2)  Enen  — ,  omienui»dze»de»,henio»tbietléiL\\ 
Die  heeren  hy  doen  besande ,  die  gheme  tot  hem 
quamen ,  doen  si  die  reden  vernamen ,  Sen.  Il, 
1094.  Soe  hat  hi  .  .  sinen  heere,  sinen  broeder 
besonden  ende  die  vreemde  heeren,  Brab.  r.YIl, 
12452. 

3)  Enen  — ,  iemand  zenden,  afvaardigen.  \\  Oec 
machmen  besenden  die  comendner  van  Ermenien 
ende  van  PuUe ,  D.  Orde  275.  Die  coninc . .  sende  hea 
Y  galeyen  mit  veel  groter  scepen ,  daer  hi  hem  mede 
besende  siin  ammirael,  Clerc  158. 

BESENGEN  (besinoen)  ,  zw.  ww.  bedr.  en  oni. 
(deelw.  besing(e)t  en  besinci);  mhd.  besengen. 

Bedr.  —  Zengen,  verzengen,  verschroeien, z»tri' 
branden.  ||  Het  {dier)  warp  tfier  nt  so  groet,  dat 
hire  hem  met  besingede  .  .  den  scilt  enten  hals- 
berch  bede,  Lanc.  III,  3869.  Datter  een  hser  af 
besinget  si,  4904.  Yan  ere  blixeme  .  .  sowerdhi 
daer  al  besinct  ende  verbemt  te  pol  ver  al,  Yelth. 
YIII,  9,  43.  Die  blixen  si  doet  al,  want  tlitekei 
si  mede  bring^t,  want  et  is  altoos  besinget  daer 
dusdane  dinc  gesciet.  Natuur k.  774.  Nochtan  ae 
was  hem  daer  selfs  niet  besingt  een  haer,  Frsac. 
9391.  So  en  ware  .  .  huwen  hals  niet  so  hacrde 
swart  bepeket  no  bezinghet.  Brand.  1001.  —Het 
deelw.  besinget  wordt  ook  als  bnw.  gebrnikt 
in  den  zin  van  pikzwart  (vgl.  in  het  laatste  tow- 
beeld:  bepeket  no  bezinghef).  \\  Eenen  Sarra^a 
swarter  dan  een  besinget  sw^n,  Sp.  TV*,  25,19 
{Brab.  T.  II,  3744).  Die  bezgnchde  capellaei, 
Brand.  1007  en  1485  (in  H.  vs.  948  en  952  staat 
ten  onrechte  besinghelt).  Die  scillen  van  den  boe» 
die  is  al  swart  besenghet,  Mandev.  29d, 

Onz.  —  Zengen,  door  de  aanraking  met  vitnr  of 
vlam  zwart  worden.  ||  Dan  hem  die  vederen  be- 
singhen.  Nat.  BI.  YI,  178.  Daer  soe  grote  Tlanane 
of  quamen  doe ,  dat  haer  scilde  besingeden ,  X^- 
III,  7639. 

BESEREN,  zw.  ww.  bedr.  Mhd.  besiren.Ya 
het  znw.  seer  (zie  ald.).  Zeer  doen;  leed,  snert ^ 
verdriet  veroorzaken;  pij»ige»,  kwellen. 

a)  Yan  lichamelyke  smart,  van  pyn;  noghedea 
de  gewone  bet.  van  bezeere».  \\  (Honde)  die  enes 
man  aldus  beseren  heymelike  sonder  hoede, Hild. 
87,  22.  Ghi  beteret  (/.  beseret)  mi  80C8er€',(»D«B 
vliegen  soe  sere  biten?  lAnib.  IV,  1036.  —  ^ 
onb.  wgs  als  znw.  gebruikt  Pijn,  smart.  |]  Si 
volgen  al  der  valscher  bellen  den  rechten  wech  ter 
leider  hellen  in  dit  lange  beseren ,  daer  die  doTelea 
.  .  .  die  sielen  swarlec  scellen ,  tierde  Mart  3^ 
Alse  dat  vuele  valsche  bloet  liegen  sal  in  dife 
gloet  in  dat  lange  beseren,  488.  —  Een  ziecte 
van  beseren,  eene  pij»lijke  ziekte.  |)  Daer  k«p 


^\ 


^025 


BESE. 


BESE. 


1026 


is   neghien,  dats   een   riecte    yan  beseren,  Hild. 
242,  28. 

6)  Schade  doen,  henadeelen.  \\  Bie  jnecht  heeft 
menich  man  beseert,  eer  hi  wiste  waer  M  was, 
Hild.  70,  222.  Wat  der  zielen  (/.  die  ziele  ?)  mach 
bezeren,  dat  wil  ie  schnwen  ende  ontberen,  260, 
74  Als  ehi  om  myede  recht  yerkeert,  daer  ghin 
ziele  mede  bezeert,  121,  137.  £e7ser,coninghen, 
ander  heren,  die  hoir  ejghen  volck  beseren,  75, 
107.  Haer  mesdaet  heeftse  ghenoech  beseert.  Vod. 
Mum,  1,  69,  71.  Die  netel ...  planten  onder  tgoede 
ceem,  daer  die  vrucht  om  wert  beseert,  84,  21. 

—  De  onb.  wijs  als  znw.  gebmikt.  Schade ,  nadeel,  \\ 
Dats  een  anxtel^c  bezeren  ende  onyerwinlike  schade , 
Uild.  234,  244.  —  Ook  als  wederk.  gebmikt.  H  e  m 
bes  eren,  zich  benadeelen,  zich  rampen  op  den  haU 
halen.  ||  God  late  hem  maken  selc  gespan,  dat  hi 
ijde  Hertog  van  Brabanf)  winnen  moet  den  dan, 
ende  hi  hem  niet  en  hesere.   Vierde  Mart,  623. 

BËSERICH,  ook  (in  minder  zniyeren  vorm,  op- 
gevat als  het  deelw.  yan  beeerigen)  besericht  (ygl. 
óeseuldieht^  besondicht).  Hetzelfde  als  hetbnw.be- 
s  e  e  r  t  (zie  ald.).  Bedroefd ,  onteteldj  beangst,  ||  Dinct 
oyer  die  s^n  leden ,  ende  laet  msten  dinen  sin ,  wes 
niet  bezerich  altoes  daerin,  bedroefd  daarover, 
OFl.  Ged.  3,  113,  38.  Ie  ben  kejrtiyich  worden 
ende  .  .  erom  .  .;  besericht  ghinc  ie  alden  dach 
inne,  Vad.  Mue,  2,  440.  Eens  heylichs  mans  hart 
wort  besericht,  als  hi  penset  waer  hi  was,  waer 
hi  is  ende  waer  hi  wesen  sal,  Faee,  W,  70c. 
Samuel  wort  besericht  ende  riep  totten  here  al  dien 
nachte,  J).  B,  I  Am.  16,11.  Dit  en  mach  Jonathas 
niet  weten,  dat  hg  machschien  niet  en  worde  be- 
sericht, 20,  3.  Jonathas  wort  bezeericht  om  Dayids 
wille,  ald,  vs,  34.  Dayid  wort  seer  besericht,  want 
tTolc  wonde  hem  stenen,  30,  6.  Dayid  wort  be- 
nericht,  om  dat  die  here  Ozam  gesleghen  hadde, 
II  Sam,  6,  8.  Gkmck  eweech  in  payse  ende  en  werde 
niet  beseericht,  Vaderb,  \llc,  6hi  snit  bezerecht 
w^erden,  maer  nwe  zerecheit  sal  werden  ghekeert 
in  bliscepen,  Hs.  v.  1348,  138^. 

BESERIGëN,  zw.  WW.  bedr.  Hetzelfde  als  het 
meer  gebrnikel^ke  beseren  (zie  ald.). 

Kwellen,  bedroeven,  overlast  aandoen,  ||  Dn  en 
salste  den  toecomelinghen  niet  bezeerighen  noch 
qnellen,  J),  B,  JSxod,  22,  21.  Hi  sal  mitti  wonen 
in  die  stat  die  hem  ghenoghen  sal,  ende  hi  sal 
rusten  in  een  yan  dinen  poorten,  ende  en  be- 
xeerichts  niet  {ne  contristes  eum),  Beuter,  23, 16.  Den 
w^esen  {enJtv.)  ende  die  wednwe  en  wilt  niet  beserighen 
noch  en  yerdrnctse  niet  ongherechtelijc ,  Jerem,  22, 3. 
Si  hebben  . .  die  weese  ende  die  weduwe  besericht , 
Szeeh,  22 ,  7.  Dat  hi  besericht  den  maten  ende  den 
armen  mensche,  18,  12.  Dat  menne  nyrgherincks 
in  en  beseerichde,  Vaderb,  147a.  Palemon  en 
w^onden  nyet  beseerighen,  als  sijnen  lieyen  sone,  166^?. 

—  Enes  saken  beserigen,  iemands  zaken  be- 
AeKTtigen,  ter  harte  nemen  (eig.  door  iemands  toe- 
aiand  verdriet  gevoelen) ;  yertoling  yan  lat.  aliaffus 
vicevt  dolere,  ||  Nieman  en  is  yan  u  Inden,  die 
mioe  sake  besericht  (in  onze  yert.  dien  het  wee 
doet  van  mijnentwege),  D,  B,  I  Sam,  22,  8.  Ghe- 
benedyt  soe  moeti  wesen  yanden  Here,  want  ghg 
besericht  mine  sake ,  dat  gij  u  over  mij  ontfermd 
Aebe,  23,  21. 

BE8ET,  ook  besette  (de  yerb.  yorm  besete 
behoort  by  besit  (zie  ald.)),  znw.  o.  Mnd.  beset\ 
mhd.  beséz. 

1)  Van  besetten,  in  den  zin  yan  met  gewapenden 
voorzien  (bedr.  la).  Bezetting ,  garnizoen  ;\eii. proest- 
dium.  II  Dat  beste  besette  .  .  dat  s^n  goede  liede 


ghetrouwe  ende  sonderlinghe  ...  int  besetten  yan 
eenre  stat,  Melib,  2422.  Ygl.  het  fr.  establie,  d.  i. 
garnizoen, 

2)  Yan  besetten,  in  den  zin  yan  een  ambt  ver- 
vullen (bedr.  \b\  Benoeming,  \\  Dit  bezet  {van 
twee  priesters)  bliyet  staende  an  ons  ende  an  ons 
oer,  Oorkb,  2,  411a. 

3)  Yan  besetten,  in  den  zin  yan  omsluiten,  be- 
legeren (bedr.  3a).  Beleg.  \\  Oec  waren  daer  andre 
redenen  toe,  dat  men  dbeset  liet  yaren  doe, 
Brab.  T.  Y,  2867.  Soe  was  dbeset  te  hondene 
zwaer,  2866.  Na  topbreken  sbesets,  YII,  8891. 
Beide  yoetganghers  ende  te  paerde,  als  behoort 
ten  beset  yan  Malpertuus,  Éein,  II,  3764  (uitg. 
Willems). 

4)  Yan  besetten,  in  den  zin  yan  beslag  leggen  op 
een  persoon  of  zijn  goed,  arresteeren  (bedr.  4tf). 
Gijzeling,  arrestatie,  beslag,  ||  Gheen  pander  en 
mach  hebben  meer  dan  II  se.  yan  elcker  maningen , 
II  SC.  yan  eiken  beset,  Recht,  v,  JJccle  8,41.  Fan 
beset.  Wie  den  anderen  beset  enz. ,  Leid.  Keurb,  26, 
7.  Noch  beset,  So  wie  men  beset  enz.,  ald, 

6)  Yan  besetten,  in  den  zin  yan  beschikken, 
regelen-  (bedr.  9b),  Bestel,  beschikking,  beleid, 
bestuur.  II  Omme  raet  te  ebbene  .  .  up  dbeset  yan 
den  orloghe.  Bek,  v.  Gent  1,  418. 

6)  Eene  iemand  bij  uitersten  wil  opgelegde  ver- 
plichting, verbonden  aan  eene  ten  gunste  van  hem 
gemaakte  bepaling  (modus).  Zie  besetten  6^  en  8). 
II  Oyer  tbeset  yan  eenen  disch  alle  iaere  te  rech- 
tene yan  hondert  ende  twintich  broden ,  Invent.  v, 
Brugge,  Gloss.  66a.  —  Ygl.  DiSCH. 

BESET ,  bnw.  Eig.  deelw.  yan  het  ww.  besetten 
of  hem  besetten, 

1)  Yan   besetten,  in   den  zin  yan  van  menschen 
voorzien  (bedr.  1  a).  Met  menschen  bezet,  bewoond.  \\ 
Eist   dat   tlant   sal   sijn  beset,  tfolc  moet  houden 
Moyses  wet,  BJjmb.  14174.  —  Ygl.  beseten. 

2)  Yan  besetten,  in  den  zin  yan  vastzetten  (bedr.  4). 
Met  eene  bep.  met  in.  Vast  in  iets,  in  iets  ge- 
worteld. II  Tfolc  en  was  nie  so  wel  beset  beyde 
int  gheloye  ende  in  die  wet  alst  heden  es  op  desen 
dach,  Teest.  490. 

3)  Yan  besetten,  in  den  zin  yan  in  orde  brengen 
(bedr.  9).  In  orde  gebracht,  ordelijk,  en  bg  uit- 
breiding 

a)  Kalm ,  waardig ,  wijs ,  deftig,  Ygl.  Kil.  beset, 
compositus,  decens,  en  het  lat.  compositus  yan  com- 
ponere.  ||  Almeest  hebben  si  (de  hoovaardigen)  een 
zwaer  (jgravem)  wesen  yan  buten  ende  een  rgp 
besedt  aenscgn ,  Ruusb.  4, 278.  Blide  yan  herten,  wijs 
yan  rade,  yrolijck  yan  woerden,  beset  endewiselijc 
in  allen  seden ,  Pass.  W,  \9c.  So  hoert  mi ,  gi  besette 
mannen  (lat.  sapientes),  D,  B.  Job  34,  2.  Besette 
woerde  zgn  als  een  hoenichcoene  (/.  roete?  coeke? 
lat. /awM  meilis),  Hs.  v,  1423,  n&d(Proverb.  16, 24: 
composita  verba).  Die  sotte  en  betamet  niet  besette 
woerde,  177*  (Proverb.  17,  7).  (Hi)  waert  soe 
beset  in  seden  ende  alsoe  yeryult  mit  gracien, 
Vaderb.  12b, 

b)  Netjes,  beleefd,  beschaafd,  \\  Si  {de  minne) 
es  soe  hoyesch  ende  soe  beset,  si  sonde  mi  onst 
yan  herten  scincken.  Vod.  Mus.  1,  383,  69.  Ygl. 
onbeset,  d.  i.  plomp  (Yelth.  I,  38,  43;  e.  e.). 

4)  Yan  hem  besetten,  in  den  zin  yan  zich  plaateen, 
zich  vestigen  (ygl.  bedr.  \\d).  Gevestigd,  woon- 
achtig. II  Maria  bleef  daer  beset  met  haerre  nichten 
Elyzabeth,  Sp.  !• ,  40,  33.  Ygl.  beseten. —  Ook 
in  fig.  zin  gezegd  yan  den  nijd,  die  in  iemand 
huist,  zich  ophoudt,  \\  Sonde  yan  gheenre  zake  en 
heeft  zo  gherechte  wrake  als  niit,  want  hi  dien 

33 


1027 


BESE. 


BESE. 


4028 


zelven  et,  daer  ld  mede  is  beset,  Lsp,  I,  27,  97. 
BESETEN,  deelw.  bnw.  yan  betittm.  —  1)  In 
de  uitdrukking  Beseten  baeren,  Ingezetenen'^ 
pertonen  die  hoewel  geen  burgers ,  aU  inunmers  der 
stad  zijn  toegelaten^  hd.  en  mbd.  besëzzen]  mnd. 
beseten.  Ygl.  BESITTEN,  onz.  2).  ||  Dit  machm^n 
yertugben  ofmen  yersaken  wilde  mit  enen  raet- 
manne  of  mit  twe  borgbere  of  mit  yier  besetenen 
baeren,  Stadb.  v.  Oron.  YIII,  28.  —  Elders  en 
gewoonlijk  goede  liede  genoemd. 

2)  Bevolkt y  volkrijk,  \\  Dese  stad,  nocb  doe  si 
was  beseten  wale ,  multa  plebium  generositate  referta^ 
Sp.  !!•,  36,  31. 

3)  F'an  den  duivel  bezeten  ^  bezeten  ^  krankzinnig. 
Vgl.  BESITTEN  (bedr.  6).  ||  Van  enen  beseten 
menscbe,  daer  die  yader  om  bat,  L.  v.  J.  c.  129 
opschrift  (ygl.  ald.:  de  qnade  gbeest  heften 
beseten).  Jbesns  ghenas  beseten  liede  yele,  Lsp. 
III,  36,  497.  —  Ook  als  znw.  Een  beseten  (in 
den  sterken  yorm),  een  krankzinnige.  \\  Die  enen 
dnyel  nat  enen  beseten  sijns  yaets  {lichaam)  eens  dede 
yergeten,  Sp.  III ^,  26,  3.  Eenen  besetenen,  i^. 
m«,9,  ö. 

BESETHEIT,  znw.  yr.  Van  beset,  in  de  bet. 
deftig y  waardig  (zie  ald.,  bnw.  da).  Waardig- 
heid,  wijsheid y  deftigheid.  \\  Hi  gheyet  hem  oec 
besetheit  in  heylicheit  om  te  leren,  Pass.  S.  Sla. 
Si  was  orberl^c  den  anderen  in  wandelinghen ,  ende 
eersam  in  besecheit  (/.  besetheit)  yan  seden  ende 
Gode  ghennechl^c  oyermids  hemelscher  bescoa- 
winghen,  Ned.  Proza  281.  Mit  besetheden  aengaet 
men  den  strQt,  Hs.  v.  1423,  183  c  (ygl.  D.  B. 
Proverb.  24,  6:  Mit  besetheden  ontgaet  men  enen 
strijt). 

BESETMAN ,  znw.  m.  Persoon  aangewezen  als  ver- 
tegenwoordiger bij  het  verlij  y  de  hulde,  eed  en  man- 
schap ,  van  een  beleende,  die  om  zijn  stand ,  leeftijd , 
kunne,  zelf  daarbij  niet  kon  optreden,  b.  y.  eengeeste- 
lijke, eene  vrouw,  een  minderjarige',  ygl.  Bort, 
Tractaat  v.  h.  Hall.  Leenr.  VI,  2,  §  38  ylg.  Het 
woord  zal  komen  yan  besetten,  in  den  zin  yan  be- 
kleeden ,  nl.  iemands  plaats. 

BESETTELGELT ,  znw.  o.  De  kosten  van  het 
arresteeren  van  een  persoon  otvan  het  beslag  leggen  op 
goederen.  ||  Enich  man  of  yronwe  die  bezat  worde  ende 
qny  t  ghededinct  worde  yoer  den  scnlten ,  die  sal  qait 
wesen ,  ende  wye  yellich  wort  yoer  ghericht ,  die  sal 
dat  besettelghelt  gelden ,  Stadsr.  v,  Zwolle  165, 317. 

BESETTEN,  zw.  ww.  bedr.  en  wederk.  (deelw. 
beset  of  besat).  Mnd.  besetten;  mhd.  besetzen, 

Bedr.  —  1)  Bezetten,  vullen.  \\  Elc  yan  desen 
{partien)  ...  es  beset  met  maenden  drien,  bevat 
drie  m. ,  Lsp.  U,  64 ,  66.  —  Vooral  in  de  yolgende 
opyattingen. 

a)  Van  steden ,  landen ,  enz.  Bezetten  met  mensehen, 
bepaaldelijk  met  gewapenden,  zooals  nog  heden.  || 
Dat  hi  yare  te  Marberoen  ende  dat  besette,  Parth. 
6352.   Doe  dede  die  coninc  die  stad  besetten  ende 
yoer  wech,  lAmb.  V,  455. 

b)  Van  ambten,  posten  en  derg.  Vervullen.  \\  (Hi) 
besette  die  sciltwachten  ende  hietse  wale  wachten, 
Alex.  rV,  1293.  Doe  ginc  men  .  .  .  hare  wet  be- 
setten met  coningen ,  hunne  overheidsposten  vervullen 
door  de  verkiezing  van  koningen.  Vierde  Mart, 
660.  Commodus  beyal  Philippe,  enen  groten  here, 
dat  hi  der  baelgie  ere  t Alexandrien  besetten  yare , 
de  rechtsmacht  ging  uitoefenen,  S^.  II*,  57,  2.  Meester 
Gillise  .  . ,  die  yoer  te  Parys  ward  smaendages . . 
omme  daer  te  hondene  ende  te  besettene  tghedinge 
yan  Risele ,  Douay  ende  dat  daer  toe  behoord , 
Bek.  V.  Gent  1,  53. 


c)  Toerusten,  van  het  noodige  voorzien,  ||  Andre 
yele  coninghe  goede  heyet  Paris  al  ghescaert  wel 
beset  ende  bewaert,  Troyen  5783.  Die  orssen  wel 
yerdect ,  die  banieren  wel  beset ,  goed  voorzien,  goed  w 
orde ,  5787.  Die  warenesse  daer  men  met  een  huns  of 
een  stat  beset,  die  snn  in  yele  manieren,  MelU. 
2418.  —  De  onb.  w^s  als  znw.  ||  Dat  beste  besette . . 
dat  syn  goede  liede  ghetrouwe  ende  sonderlinghe . . 
int  besetten  yan  eenre  stat,  2422. 

d)  Vervullen,  voorzien.  \\  Den  heiegen  scat  met 
ons  heren  bulle  besat,  Franc.  7985.  Onse  Hen 
hadde  u  so  wel  beset . .  yan  allen  dogeden ,  Lome.  IT, 
5070.  (Die  Sassen)  bekenden  hare  schulde  . .  ende 
lieten  hem  besetten  ghewillichlike  met  {zij  lieten  ziek 
gewillig  geven)  kerstine  wetten,  Sp.  tH',  90,  65. 

2)  Bezetten,  in  bezit  nemen,  aanvaarden.  \\  Dit 
is  des  süsmeysters  eedt  yan  den  hoppensps  ende 
sell  hy  doen  als  h^j  snnen  sgss  beset,  IL  v.  Utr. 
1,  288.  Satanas  kynder  .  .  .  hebben  die  moai- 
borie  allene  beset,  Overzee  20. 

3)  Met  de  praep.  be ,  in  den  zin  yan  otmringiitg 
(ygl.  BE6RIPEN  e.  a.).  Omzetten,  owuingelen. 

a)  Van  steden,  burchten  en  derg.  Belegeren, 
insluiten.  \\  Dus  waert  Anthiocien  die  stat  beleghea 
ende  yaste  besat,  Brab.  T.  III,  1183.  Den  tempel 
te  besettene  al  omme  met  al  den  here ,  Bijmb.  33523. 
So  nauwe  was  besat  Brugge  ende  oec  elc  gewat, 
dat  hi  niet  oyer  comen  en  mochte,  Sp.  IV*, 
56,  90.  Met  desen  yolke  wart  Antyochen  .  .  . 
beleghen  ende  yaste  besat,  IV',  14,  2.  —  De  onb. 
wgs  als  znw. gebruikt. ^^£?ymM^.  II  Énen  casteel., 
soe  stare,  soe  yast,  dat  hi  bidien  no  besett«n  noch 
here  ne  darf  ontsien ,  Lanc.  TL ,  24551. 

b)  Van  de  belegerden  zelf.  j  |  Dat  hi  besetten  wilde . . 
die  in  Dayids  torre  waren ,  Bijmb.  19323.  Adelaeri 
wert  geleit  in  een  kamer  en  beset  yan  de  heeren, 
omdat  hi  hen  niet  ontgaen  sonde,  Heemst.  37. 

c)  Fig^urlyk.  Omeluiten,  afbakenen.  \\  Recht 
yonnesse  dat  es  beset  ende  ombeloken  metter  wet , 
Heim,  1515. 

d)  In  het  nauw  brengen,  benauwen.  \\  Alse 
Lanceloet  gesceden  was  yanden  castele  yan  der 
Charette ,  dame  Morguein  soe  besette  met  dreigea 
ende  met  herden  worden  .  .,  dat  hi  maecte  sine 
yart  recht  yort  te  Earmeloet  wart,  Lanc.  II, 
19597.  (Doe)  wert  al  Judea  jammerlike  met  orlogea 
al  omme  besat,  Sp.  II*,  3,  5. 

e)  Beperken,  bekrimpen,  inkrimpen,  \\  Men  yint 
dit  yan  Tpocrate,  dat  hi  beset  adde  sgn  eten  so 
nauwe  met  ende  beseten  {var.  met  yasten  nanwei 
dyeten),  dat  hi  so  clene  at  ende  dranc,  dat  hi 
ward  yan  liye  cranc,  Heim.  916. 

f)  Kwellen,  overlast  aandoen.  \\  Een  engel  te 
hem  quam  ende  heyet  genomen  s^n  let  {die  man- 
lichede),  dattene  also  swaer  beset,  Sp.  ILI*,  23,8. 

4)  Fasthouden,  vastzetten.  Met  den  4den  ny.  fu 
den  pers.  of  der  zaak.  Uitsluitend  als  rechtstera 
in  gebruik. 

a)  Met  den  4den  ny.  yan  den  -pers.  Besltig  Iste» 
leggen  op  den  persoon,  met  wien  men  prod^eerem 
wil,  hem  gijzelen,  arresteeren.  Somtijds  kon  door 
het  stellen  yan  een  borg  de  „besette**  peraoea 
op  yr^e  yoeten  blij  yen.  Vgl.  Leid.  Kemrb.  Glos», 
bl.  553.  II  Soe  wie  den  anderen  doet  beaeiten,sal 
gheyen  den  baliu  drie  scellinghen ,  Mieris  2 ,  I60é. 
Buyten  de  poort  en  mach  men  egeen  poorter  be- 
setten noch  beclagen,  2006.  So  wie  enen  anderei 
doet  besetten  in  der  poorten  tot  Cnlenborch,  die 
sal  hem  syns  rechtens  yersien  aen  den  rirhtcr, 
202a.  Dat  men  onse  poorters  yan  Oudewater  . . 
nergens  en  besette  yan  schade,  noch  yan  schalde 


4029 


BËSE. 


BESE. 


1030 


binnen  onsen  landen,  281  d.  Men  mach  Inde  be- 
setten  also  wail  in  tavernen  als  op  die  strate, 
Overijê.  B.  I',  163.  Soe  wie  men  beset,  die  sel 
een  borghe  setten  te  recht  te  comen,  Leid.  Kewrb, 
25,  7.  Wie  den  anderen  beset  binnen  der  yrihede 
van  Lejden,  die  sel  segghen  voir  den  bode  ende 
Yoir  poirters,  yoir  hoeveel  dat  hi  denghenen  be- 
daghen  wil,  dien  hi  heeft  doen  besetten,  ald. 
Een  poirter  mach  doen  daghen  ende  beclaghen  of 
besetten,  so  wien  hi  wil  die  gheen  poirter  en  is, 
ald.  8.  Poirters  malcander  bnten  te  besetten.  — 
Wat  poirter  .  .  enen  poirter  .  .  buten  der  stede 
besettede,  ald.  9.  Als  die  geen  aldus  beset  worde, 
80  sel  die  beset  is  rechtevoirt  een  borge  setten, 
ald.  196,  12.  Wairt  dat  die  geen,  die  becommert 
ende  beset  wair,  binnen  een  ure  geen  borge  en 
settede,  ald.  Wairt  dat  die  geen,  diemen  also 
besettede,  van  den  bode  ende  twee  poirteren 
noch  beset  noch  gehouden  en  wonde  wesen,  ald. 
Wanneer  een  bode  yermaent  wort  yemant  ie  be- 
setten, so  sel  die  bode  twee  polieren  dair  bQ 
nemen  ende  gaen  mitten  tween  poirteren  totten 
genen ,  die  hi  besetten  sal ,  ald.  Als  die  gast  recht 
ghedaen  heeft,  so  en  selmens  op  dien  dach  niet 
besetten  van  de  zelver  sake,  O.  K.  v.  Bott.  24, 
60.  So  wie  bezet  wert  ende  uter  stede  toghe,  eer 
hij  zekerhede  ghedaen  hadde,  ald.  61  (zoo  ook 
23,  49).  Mede  en  sal  nvemant  van  ons  .  .  den 
anderen  becommeren  noch  besetten  binnen  den 
termim  dea  YerfaontB ,  Nfj h.  2 ,  123.  Bezet  laet  (znw., 
Jkoorigè)  en  mach  nieman  erye  ontwisen,  Beeht.  v. 
Ucele  8,  40.  Met  besetten  man  en  mach  men 
niemen  leen  ontwinnen,  ald,  14,  88.  Zoo  ook 
Stadr.  V.  Zwolle  166 ,  166  paetim ,  167 ;  K.  en  O. 
V.  Delft  64,  4;  266,  62;  O.  K.  v.  Delft  I,  10; 
14;  V.  d. Wall 438;  Dimgt  v. Delft2^S,6,e,S; enx. 
Tgl.  ook  BECOMMEREN,  waarmede  het  meermalen 
verbonden  voorkomt. 

b)  Met  den  4den  nv.  der  zaak.  Beelag  leggen 
op  het  goed  va»  hem ,  tegen  wen  men  wil  proee- 
deeren.  Ygl  BESTELLEN  en  becommeren.  ||  Worde 
oer  goet  met  hem  bezat,  van  dier  bezettinghe  solde 
die  sculte  of  s^n  hoede  hebben  XII  penninghe ,  Stad. 
V.  Zwolle  166,  316.  Worde  eenichs  mans  of  vrouwen 
ghoet  bezat,  .  .  daer  solde  die  schnlte  van  eiker 
besettinghen  hebben  XII  penninghe  ende  die  schnlte 
nalt  verhoeden  an  dien  ghenen ,  die  s^n  g^et  bezat 
is,  166,  318.  Dat  (goed)  en  mocht  men  hem  niet 
of  panden  of  bezetten,  hi  en  hadde  dat  zine  {ald.  144: 
«yn  verdiende  loen)  daer  af  te  voeren,  99, 142.  Ten 
weer  dat  hi  den  scoef  of  dat  goet  opten  lande 
besetten  dede  of  bespreken,  betlag  deed  leggen 
op  het  gewatj  149,  262.  Soe  bestellen  ende  be- 
setten die  schout  ende  goede  Inyden  vanden 
^recht  alle  alsulck  verdient  loen  .  .  totter  Üjt 
toe  dat  sy  {de  dienstboden)  huer  hooftgelt  betaelt 
sullen  hebben,  O,  B.  r.  Dor  dr.  1,  332.  (Die)  enen 
poirter  of  s^n  goet  .  .  besettede.  Leid.  JGnir^.  26, 
9.  Dat  men  onse  poorters  van  Ondewater  noch 
haer  goet  nergens  en  besette.  Mieris  2,281^.  Dat 
nyemant  van  ons  .  .  in  des  anderen  heren  lande 
fiyn  gnet,  erfnisse  of  reynten  besetten  of  becommeren 
noch  daer  over  richten  en  sal,  NQh.  2,  123. 
Kiemens  poorters  goet  en  mach  men  besetten,  hi 
en  ware  vluchtich,  Ch.  v.  Wael-h.  8.  Zie  vooral 
O.  JB.  9.  Dordr.  2,  314  en  316. 

6)  Beletten ,  verhinderen.  Yan  personen  en  zaken. 

II  Waert  dat  si  wouden  ons  wederstaen  ende  dat 

besetten ,  soe  laet  er  ons  so  jegen  setten ,  dat  wi 

castien  die  ons  sijn  swaer,   Qrimb.  I,  3933.  (Si) 

Tememen   well  dat  sy  op  haer  reyse  ende  vlucht 


leggen,  mer  sy  en  hebbense  nye  mogen  besetten 
noch  beletten ,  so  sy  poorteren  sgn ,  O.  B.  v.  Dordr. 
1,  120. 

6)  Vattetellen.  —  a)  In  het  alg.  Faststellen,  bepalen^ 
inzetten  j  beschikken.  ||  (God)  he vet  beset  met  redene 
alhoe  men  die  wacheit  temperen  sal,  Heim. 
861.  Dat  hem  int  herte  ghenoeghet  al  dat  God 
doet  ende  beset,  Sp.  I*,  70,  90.  Dat  God  dus  in 
sine  wet  ordineert  ende  beset,  71 ,  30.  Die  (statuten) 
te  veranderen  ende  te  besetten,  ende  die  inghesat 
sQn  te  modereren,  Oew.  v.  St.  Truyen  §  39.  En 
doestu  des  niet,  so  selstu  van  ons  ontfaen,  dat 
die  keysers  beset  hebben  teghen  die  rebellen, 
Fass.  W.  198«?.  {De)  Phariseen  .  .  hadden  hare 
regie  beset,  wij  nadden  regels  ingesteld^  d.  i.  ge- 
regelde  inzettingen ,  instellingen,  Bijmb.  22047.  Soe 
zoelen  die  nyge  scepenen  .  .  rechtevoert  eer  si 
van  den  hnys  ghaen,  oer  ampte  bezetten  onder 
hem  {de  funetiën  onder  elkander  verdeelen)  sonder 
arghelist,  Stadr.  v.  Zwolle  163,  309.  Hi  besette 
bescedelike  al  snn  recht  ende  sine  (/.  sire)  baroene, 
als  coninc  sculdich  was  te  doene,  Farth.  280. 
{Doe)  elke  dinc  {hadde)  thare  ontfaen ,  also  hp 
{Ood  het)  hadde  beset,  Wap.  Bog.  1146.  So  datter 
ene  soene  wert  beset,  MLoep  II,  3282  var.  Dit 
was  al  beset  met  vorrade,  Yelth.  III,  41,  12. 

b)  Instellen^  lat.  instituere.  Ygl.  i^Rm.  bl.  160.  || 
Daer  aff  een  schoon  memorie  ende  feeste  van  onser 
liever  vrouwen  beset  is  te  Bruesel  in  sinte  Goedelen 
kercke,  Bsfc.  Cron.  119  «. 

eyWattttêlleny  overtuigend  bewijzen ,  eonstateeren. 
II  Weygert  h^s  derde  werven,  soe  verbuert  hy 
vQftich  pont,  alsoe  verre  alst  beset  ende  betuycht 
wordt  mit  drie  getuygen,  Y.  d.  Wall  437. 

d)  In  het  bgzonder  gebruikt  van  alle  bepalingen 
of  beschikkingen,  die  iemand  maakt  bt)  uitersten 
wil.  Bij  testament  bepalen.  ||  Zo  wat  die  sieke 
van  sinen  goede  ordeneert,  ende  beset,  dat  sal 
men ,  also  verre  als  men  mach ,  behouden ,  D.  Orde 
217.  Item  besette  ick ,  myn  eerste  jaergety de  gedaen 
te  worden  binnen  Middelburch,  Matth.  Jnal.  2, 
289.  Wat  hem  let  des  {van  hetgeen)  hi  te  sijn 
testament  beset,  N.  Doet.  2603.  —  S^'n  testa- 
ment besetten,  zijn  testament  maken.  ||  Si  en 
had  gheen  behoef,  haer  testament  te  besetten, 
D.  War.  7,  385,  36.  Onrechtveerdige  menschen, 
die  welcke  die  testamenten  niet  en  volbrengen, 
also  is  gheordineert  werden  van  den  ghenen  diese 
besetten ,  Exc.  Cron.  74a.  Ie  heb  beset  een  testament 
minen  uutvercoren,  Getijdeb.  S.  IB^d. 

e)  Ook  met  den  4den  nv.  eener  geldsom,  ffcuir 
vastzetten ,  zekerheid  geven  voor  eene  vordering,  door  ze 
te  vestigen  op  een  onroerend  goed,  dat  er  voor  mag 
worden  uitgewonnen  (het  geldt  meestal  het  vestigen 
eener  rente).  Somtnds  met  den  3den  nv.  van  den 
pers.,  ten  wiens  behoeve  de  handeling  geschiedt.  || 
Sine  wednwe  behilt . .  duwarie  up  dlant  van  Curtrike 
ende  up  de  stede ,  ende  vort  met  was  soe  {de  duwarie) 
upt  wout  van  Niepen  beset,  VI.  Byw*.  6864.  Yort 
moet  Willem  .  .  bewisen  ende  besetten  herfelike 
in  de  Hasselt  vi  pont  parisise  tsjaers,  Fad.Mus. 
4,  338.  Dat  joncfirouwe  Agnees  van  Zenelghem 
.  .  .  heeft  ghelooft  joncfrouwen  Grielen  .  .  te  be- 
zettene  ende  te  versekeme  .  .  twalef  ^  parisise 
sjaers  up  herfachtechede  har  toebehoerende ,  339. 
De  vorseide  twalef  G  parisise  tsjaers  te  bezettene 
joncfrouwen  Grielen  .  .  vor  de  wet,  ald.  Uptvor- 
seide  leen,  daer  dese  rente  up  beset  es,  343.  Yan 
den  vorseiden  leene  van  viertiene  pont  parisise 
tsjaers  ende  up  wies  leen  dat  sjj  beset  sgn,  344. 
(Het)  es  ooc  vri  poortgoet  te  Doynse,ommedesen 


i03l 


BESE. 


BESE. 


4032 


vorseiden  erveliken  tseins  {thijns)  mede  te  be- 
settene  ende  te  yersekerne,  355.  So  ghivec  .... 
minen  bastaerden  kindren,  eiken  twee  pont  grote 
tornoyse  tsjaers  te  sinen  leve  (/.  live  ?) ,  ende  wille , 
dat  mense  hem  wel  yersekere  ende  besette  np  tgoet  te 
Sconbronc  357.  Dese  Yorseide  tien  pont  .  .  hevet 
ver  Lisebette  .  .  .  bewist  (/.  bewiset)  ende  beset 
wettelike  np  hnns  ende  arve  darsoe  woende,Zr/. 
Bijdr.  4 ,  208.  Dese  vorseide  rente  mach  men  setten 
np  ander  huus  ende  arre,  daer  soe  wel  beset  es, 
ald.  Dat  die  coninc  behonden  sonde  .  .  Risele  ende 
Duway  .  .  tot  dat  hem  viii">  ponden  erflicken  renten 
np  Vlaenderen  wel  beset  waren,  Exc.  Cron.  122A. 
Dat  Lanweryns  Eeyster  bezetten  sonde  erfelicke 
ende  eewelicke  teere  lampten  vier  schellinghen  gr. 
tonmoise  sjaers,  dewelcke  lampte  hanghen  sonde 
by  de  palloere  voer  de  kercdnere  in  den  cloestero 
te  S.  Baefs,  Diericx,  Mém.  2,  390.  Tien  schelen 
groeten  tjaers ,  erfelic  beset  np  twee  hnsen  by  der 
geldmnnte ,  1 ,  466.  So  hebben,  wy  hemlieden  .  . 
bewijst,  beset  ende  yersekert  np  ons,  np  onse 
nacommers  ende  np  al  onse  goet,  wij  hebben  ont^ 
ome  nakomelingen  en  al  onê  goed  hiervoor  verbonden 
verklaardy  Qendtch  Chtb.  39.  Zoo  ook  Oeich.  v.  Antv.S, 
518  vlg.  e.  e.  —  Nog  heden  is  deze  bet.  in  Vlaan- 
deren in  gebmik.  Zie  De  Bo  124 ;  Schnermans  51.  — 
Ook  op  andere  dan  lichamelijke  onroerende  goederen 
kon  eene  vordering,  eene  rente  of  pacht  worden 
vastgezet,  \\  CCC  realen,  op  die  renten  yander  stadt 
yan  Tshertogenbossche  wel  beset,  Exe,  Cron.  I26c. 
Daer  men  beset  (sch^nbaar  intr.  door  weglating 
yan  het  obj.  eene  geldeom;  wanneer  men  geld  vast- 
zet) op  erye,  geit  of  coren,  dat  salmen  noemen 
metten  monde  op  dat  erye,  ende  besetten  metten 
cleeden  den  pacht  of  geit  (ygl.  heergewaden  en 
verheergewaden),  Beehi  v.  Uccle  8,  52.  Wi 
bewisen  se  ende  besettense  (de  200  r€)  h®™ 
jaerlix  .  .,  tontfanghen  op  onse  tollen  te  Machelen, 
Mieris  2,  232/x.  —  Ook  met  den  4den  ny.  der 
zaak,  in  de  nitdr.  Ene  boete  (of  ken r)  be- 
setten, zekerheid  stellen  voor  eene  boete.  \\  Om  dat 
die  poerter  mach  hem  rechtevoirt  die  boeten  be- 
setten, Matth.  136.  Als  hy  yerbannen  is,  dat 
niement  die  boete  yoir  hem  beset,  140.  So  yraecht 
die  rechter  of  yement  die  boete  yoir  hem  besetten 
wil?  Is  dair  yement  die  se  beset,  die clerc teikent 
hem ;  beset  niement  die  boete  yoir  hem ,  die  rechter 
bedinget  mit  yonnes,  165.  Die  in  bmeken  ver- 
wonnen syn  .  .  of  die  hair  boeten  yoir  tscependom 
beset  hebben,  169  (zoo  ook  218).  Enich  onse  bnrgher, 
die  des  anders  erye  anspreket  binnen  onser  yriheit, 
als  men  die  ansprake  doet,  so  sal  elc  sinen  koer 
besetten,  Stadr,  v.  Zwolle  119,  199.  Waer  enighe 
yronwe  die  oeren  koer  yerloeren  hadde  ende  dien 
niet  besetten  en  wolde  of  en  mochte,  155,  283 
(ygl.  Racer  5,  379).  En  besette  hi  sinen  koer  niet 
ende  bleye  in  der  stad,  157,  288. 

7)  Een  yonnes  besetten,  in  den  vereischten 
vorm  constateeren,  dat  het  vonnis  aldus  gewezen  is.  Zoo 
ook  het  mnd.  een  oordeel  besetten,  gerichtlich  be- 
glanbigen.  ||  lek  seg,  dat  gYïï^i  {het  vonnis)  besetten 
sult  naeden  recht  yanden  lande  binnen  staenden  yier- 
schare  met  zes  bneren  daertoe,  als  recht  es ,  O,  R.  v. 
Bordr.  2 ,  318.  Soe  besedt  ick  dat  yonnes  geweesen  by 
N.  ende  die  twee  yolgers  ende  wederronpen  by  N. ,  dat 
besedt  ick  yan  sheeren  weegen  een,  twee,  drie 
ende  vierwerflf.  Ick  yraech  n ,  N. ,  off  ick  dat  yonnis 
besedt  heb,  alst  recht  is,  offte  niet,  ald. 

8)  Met  den  3den  ny.  yan  den  pers.  wordt  de 
bet.  bd)  die  yan  Eene  testamentaire  beschikking 
fnaken  ten  gunste  van  iemand^  d.  i.  hem  iets  ver- 


maken^ legateer  en.  ||  Dat  ons  Ghristns  opten  Witten 
Donderdach  gelaten  heeft  ende  bezedt  in  testamente, 
dair  ons  al  der  salicheit  aen  lach,  Saer,  947.  Dit 
sy  {de  heilige  vaders)  .  .  armoede  hare  yriendyviK 
heyten  ende  besettense  haren  lieyen  yrienden  tot 
eenen  testamente ,  I^ed.  Proza  256.  Voert  so  ghere 
wi  ende  besetten  .  .  der  ebdissen  .  .  hondertpont 
sjaers,  wij  zetten  vast  op  naam  van,  vermaken  aan 
de  abdis,  Nyh.  1,  340.  Zoo  ook  2,  342  en  343 
passim. 

9)  Met  den  3den  ny.  yan  den  pers.  wordt  de 
bet.  be)  die  yan  Eene  gunstige  geldelijke  beschikking 
maken  voor  iemand,  en  bij  nitbr.  aan  iemand  toe- 
deelen ,  toevoegen ,  hem  voorzien  van.  \\  Den  senatnren 
die  .  .  yerarmt  waren,  besette  hi  renten  vanjaren 
te  jaren  ghevoechelike  te  haerre  noet,  Sp.  IP,  1, 
44.  Den  veraermden  senatnren  besette  hi  rente, 
daer  si  .  .  eerlike  op  mochten  leven,  II*,  5,  19. 
Hi  besette  hem  te  voren  cleeder  ende  rente ,  Bijmh. 
8268.  Nabnsardan  besette  hem  spise  ende  gbaf 
hem  ghifte,  15044.  Hi  gaf  hem  een  hnys  ende 
besettede  hem  sijn  lijftocht,  B  B.\  Kon.  11,8. Si 
bezetten  hem  {aan  Judas)  30  zelverine,  Rs.  r. 
1348,  105*. 

10)  Vaststellen  door  iets  op  schrift  te  brengen, 
te  boek  stellen,  beschrijven;  lat.  eomponere.  Meestal 
met  bescriven  verbonden.  ||  Oec  bescreef  hi  ende 
besette  XXXIII  capitelen  van  wette,  Sp.  IV*,  4, 
9.  Dattn  heves  in  Martijns  leven  vaste  beset  ende 
bescreven,  dat  hi  seide  enz.,  III  ^,  42,  3.  Nn  sal 
ie  die  reden  besetten  ende  daventner  scriven  voert, 
hoe  dat  nteqnam  die  moert,  Segh.  11332. 

11)  Vaststellen,  iets  op  de  daarvoor  hepaaUe 
plaats  brengen,  schikken,  ordenen;  ygl.  5a). 

d)  Ordenen,  regelen,  rangschikken,  als  krggstenn. 
II  Doe  tfolc  nten  tenten  varen  ende  dan  besette 
dine  scaren ,  Alex.  1 ,  589.  Hi  besette  sine  scaren, 
IV,  1625.  Op  dander  side  hevet  Mordret  sine 
batiüge  mede  beset,  Lanc.  IV,  11007.  Malart  besette 
dat  cembeel  (d.  i.  den  slag),  Lett.  N.  'R.  7\ 
146,  81.  Beset  in  ridder  ende  in  baroene,  Merl. 
8438,  e.  e. 

b)  In  orde  brengen,  regelen,  orde  stellen  op,  en 
wel  6f  met  het  obj.  sak  en  (dinc)  of  met  het  obj. 
1  a  n  t  (r  i  k  e).  II  Dat  hi  hem  thnns  sonde  maken  ende 
besetten  sine  saken ,  i^.  I',  13,  53.  Metten  Vranken 
Memvinc  voer  woch  besetten  sine  dinc,  III*,  24, 
117.  Dat  hi  die  dinc  yanden  keyserike  besetten 
wilde  wiselike,  IV*,  60,  11.  Beset  dine  dinc, 
{wané)  dn  sondet  sterven,  Bijmb.  14349.  (Hi)  besette 
alle  sine  zaken,  Limb.  VI,  1440.  Des  gheve  m^ 
ere  snlken  man,  die  dus  syn  dinc  besetten  cao  te 
poente  wel,  Parth.  6562.  Wy  moeten  varen  cade 
besetten  onse  dinc,  Troyen  3652.  Na  heeft  coniae 
Willem  alle  saken  den  rycke  aengaende  wgslic 
ende  wel  beset,  Clerc  110  en  136.  Bezette  düo 
huns,  want  dn  salt  sterven,  Us.  v.  1348,  60r 
{Jesaia  38,  1).  Entie  coninc  hi  besette  siin  laat 
ende  maecte  Evax  drossate  daer  ave,  Limk.  V, 
1732.  Ie  sal  besetten  miin  lant  ende  laten  in  minneer 
VIII,  1677.  Grote  noot  hebben  wi  ooc  mede  te 
besettene  onse  lant,  Rijmb.  19396.  Nu  hoert  vat 
die  Joeden  driven,  die  haer  lant  besetten  dss, 
28144.  (Hi)  maecte  rechtre  Domitiaen  in  Some . . 
tote  dat  selve  qnam  diegone  {Vespiuiaen)  ejkdehj§i' 
besette  na  sijn  ghebod ,  30768.  Besettet  wiselike . . 
der  Wandelen  rike,  Sp.  IIP,  29,  49.  (Hi)  voer 
weder  te  Zeelant  waert  ende  besette  daer  s|b  laat 
Stoke  X,  908.  Teersten  dat  de  boetscap  qnam . .. 
besette  hi  tlant  van  Zeelant  wale,  925. 

c)  In  orde  brengen^  gereed  maken,    ||   Ie   caa 


i033 


BESE. 


BESE. 


4034 


yesschen  met  netten  ende  een  eten  wel  besetten, 
Aiol-fr,  762.  Want  her  Reynoat  .  .  ons  macht 
ghegheven  hevet,  sQn  lyf,  sijn  zegel  ende  sine 
herbiBrghe  te  besetten,  N^h.  2,  94;  verg.  de  Aant. 

d)  1%  orde,   ten  uitvoer  brengen \  uitvoeren,  \\ 
Beset  u  bootscap  met  hen  tween,  Parth.  6326. 

e)  Schikken y  inrichten,  ||  Hi  bat  hem,  .  .  dathi 
die  dinc  besette  also,  .  .  dat  hi  in  Jhenualem 
s|jn  heelde  setten  niet  en  liete,  Sp.  V,  101,  35. 
Wi  üelent  hebben  so  beset  .  .,  dat  ie  bi  n  si, 
Farth,  6337. 

f)  Beeehikken  over,  besturen,  verzorgen. 

o)  Met  den  4den  nv.  der  saak.  ||  Al  dates  in  elke 
stat,  dat  behoet  hi  ende  besat  (0^.  t.  beset)  met  god- 
liker  hoede ,  Wap.  Mart,  1, 160.  Die  dat  volc  berechten 
can  entie  renten  besetten,  Heim.  1465.  Icbenhaer 
man  van  den  goede  van  Athenen ;  maer  ghi ,  heren, 
selt  keren  henen  ende  selet  besetten  wide  tote 
dier  wilen  .  .,  dat  miin  jonfronwe  verledicht  si, 
Umb,  VII,  1640. 

^  Met  den  4den  nv.  yan  den  pers.  Leiden,  be- 
sturen. II  Wise  lieden  .  .  wijs  van  zeden  ende  van 
wetten  ende  {in  de  kunst)  hoemen  heren  sonde 
besetten,  Heim.  1640.  Doen  coninc  Willem  doet 
was  bleven  .  .,  so  voer  die  hertoge  Heinrjc  te 
Hollant  ward  .  .,  om  dat  hi  tkint  wilde  besetten 
recht  na  sede  ende  na  wetten,  ende  vermonboren, 
Velth.  I,  39,  1. 

12)  Vergoeden ,  vergelden ,  schadeloos  stellen ;  hd. 
ersetsen.  \\  Dien  sullen  bezetten  Hanne  .  ..enz., 
ende  snlne  ghelden  twiscat.  Mieris  2,  21a.  Leden 
se  oec  eneghe  schade  an  peerden  ofte  an  wagenen , 
HO  sal  men  se  besetten  ghelljc  enen  borgher  ofte 
bner.  Pro  Excol.  6* ,  218.  Ten  zy  dat  hy  den  dooden 
off  misdaede  bysette ,  die  hy  gedaen  heeft ,  Schwartz. 
1,  559,  71,  en  680a. 

13)  De  nu  volgende  beteekenissen  zijn  variatien 
van  het  begrip  van  het  enkv.  zetten. 

d)  Zetten,  bevelen.  Met  den  4den  nv.  der  zaak 
en  den  3den  van  den  pers.  (vgl.  b.  v. :  „  het  is  den 
menseh^As^^te  sterven*^).  j|  O  aldersuetste  lichame . . , 
torment  ende  doghen,  arbeit  ende  pine,  die  n  be- 
aette  te  doene  mine  geest,  dat  deeadi  willechlike, 
Christ.  1613. 

b)  Opdragen,  overdragen,  aanbevelen,  meestal 
met  het  voorz.  ane.  ||  (Christus)  wonde  hem  (zijn 
apostelen)  besetten  ende  bevelen  sine  sacramente, 
8i|n  volc  ende  sijn  rike,  Bnnsb.  3,  151.  Sgn  rike 
liet  hi  niet  gheheel ,  maer  hi  maecter  af  XII  deel 
ende  besettet  an  twaelf  heren ,  Bijmb.  18475.  Soe 
wie  hare  thiende  niet  versocht  en  hebbe,  noch 
l^heene  brieven  daer  af  en  hebben ,  die  sal  daer  noch 
brieven  af  nemen ,  ende  versoecken  aen  onsen  heere 
den  Grave,  ofte  aen  den  gene,  daert  aen  beset  is, 
Mieris  2,  154  a.  Hier  bi  sal  dit  voorseide  cloester 
onsen  dienst  besetten  an  enen  man,  daer  wi  zeker 
an  (af?)8ien  (^.  t.  sijn)  ons  te  dienen  .  .  ,  in  alre 
maniere,  alse  onse  goede  Inden  ons  dienen,  2, 
164  d.  Hi  besette  harde  scone  keyser-  ende  coninc- 
«sTone  an  sinen  sone  Loduwike,  Sp.  lY* ,  32,  59. 
Ie  besette  n  dat  rike,  also  het  mi  de  vader  bezette, 
Ms.  V,  1348 ,  117a  (Lue.  22 ,  29 :  ordineeren).  Dat  ghy 
myns  niet  en  verghet,  ende  die  wapen  aen  my 
beset ,  Trogen  7954.  Die  ghene ,  daer  men  die  vrede 
an  neemt,  die  sel  binder  poorten  bliven  ter  tijt 
toe,  dat  hem  die  vredebrief  ghegheven  is,  off  an 
jemant  besetten,  dien  ontfaet,  O.  K,  v, Batt.  13, 9. 
In  onsen  dienste  ende  in  onsen  orbare,  dien  wi 
hem  andersins  beset  hebben  met  onsen  hnsen ,  met 
onsen  ambochten.  Oor  kb.  2,  174  a. 

c)  Opdragen ,  eene  zaak  ter  overweging  of  ter  be- 


slissing in  iemands  handen  stellen.  ||  (Karerj  sach 
tverlies  van  sinen  lieden  ende  hilt,  dat  hijs  up 
hem  wan,  ende  besettet  an  sine  man  (leenmannen), 
5jB.  IV»,  18,62. 

d)  Zetten,  plaatsen,  \\  XV  sonen . .  die  hi  al  hevet 
wel  beset  in  groter  heerscapien  ende  in  rijcheit, 
Velth.  I,  7,6.  Dat  wi  .  .  somege  broedere  .  .  . 
in  onse  ridderscap  besetten,  Sp.  III ^,  41,  10. 

e)  Uitzetten ,  besteden,  van  geld.  ||  Die^e  {rijcheyf) 
onneerlike  beset,  es  onwert  in  elke  stede,  Melib.  2889. 

ƒ)  Aanzetten,  aansporen,  ergens  toe  brengen,  Ygl, 
het  wederk.  hem  besetten.  ||  Doe  si  leveden, 
soe  besetse  dye  heylighe  gheest  tot  allen  goeden 
wercken.  Pass,  W.  ha, 

g)  Van  landen,  steden,  enz.  gezegd.  Met  eene 
bep.  met  ane.  Brengen  op  de  hand,  tot  de  partij 
van.  Il  Eerst  besette  hi  an  sine  partie  Egipten  ende 
Alexandrie,  Bijmb,  30713.  —  Ook  in  denitdr.  na 
(te,  ane)  sine  (enes)  hant  besetten,  een 
land,  eene  stad  aan  zich  of  een  ander  onderwerpen, 
Vgl.  onze  uitdr.  iemand  naar  zijne  hand  z  e  1 1  e  n.  || 
Toen  qnam  te  Bordeas  .  .  ende  besette  na  Bitsarts 
hant  beide  stat  ende  land,  Lorr.  I,  1411.  Voert 
voer  hi  te  Nerboene;  daer  qnam  Aymeri  die  coene 
ende  deet  hem  besetten  wale  na  sirer  hant,  1415. 
Te  Sent  Gilijs  voer  hi  vort  ende  besette  tsire  hant 
die  port,  1419.  (Si)  snllen  winnen  al  dat  lantende 
besetten  van  (/.  an)  hare  hant,  Lsp.  IV,  1,  75. 

h)  Zetten ,  richten,  ||  üptie  Hongren  daer  hi  mede 
comen  was  al  bnten  vrede,  so  besetti  sine  vaert, 
daer  hijs  lettel  te  boven  waert,  Sp,  IV»,  41,  23. 

Wederk.  —  Hem  besetten. 

1)  Zich  beperken ,  zich  beheersehen  (vgl.  BESETTEN, 
Ze),  II  Int  beghin  van  ertrike  besetten  hen  tfolc 
so  cranckelike:  wie  best  mochte,  hi  dede  pine 
den  andren,  Teest.  1040. 

2)  Zich  bekrimpen,  zich  inkrimpen ,  zuinig  voor  zich 
zelven  zijn  (vgl.  bedr.  3^).  ||  Snlc  here  hem  nanwe 
beset  ende  es  den  sinen  milder  bet ,  Heim.  31.  Het  nes 
ghene  mesprise  tale,  dat  here  hem  selven  nanwe 
beset,  doet  hi  sinen  lieden  te  bet,  36. 

3)  Zich  gereedmaken ,  zich  toerusten,  ook  vankrggs- 
toerustingen  (bedr.  9,  d  en  c;  vgl.  \  e).\\  En  haddic 
mi  niet  verlaten  .  .  np  n,  ie  hadde  mi  bat  beset 
te  desen  stride,  Velth.  III,  60, 46.  Dns  voer  deen 
in  Beyeemlant  .  . ,  ende  die  ander  in  Oestrike  .  .  . 
om  hem  te  besettene  daer  te  bet,  VI,  2,  49. 
Tanthiochen  keerde  hi  echt  ende  besette  hem  te  hant 
om  starkre  te  comene  in  tlant,  Bijmb.  19074.  Oec 
moet  hem  die  coninc  vorsien,  wat  weselijc  si,  wat  mag 
ghescien ,  ende  hem  der  jeghen  besetten ,  zich  daarop 
wapenen,  Heim,  343.  — Vgl.  vooral  HEM  BESATEN. 

4)  Zich  tot  iets  zetten  (bedr.  11). 

a)  In  de  tegenw.  bet.  Het  plan  vormen,  zich 
gereedmaken  om  iets  te  doen.  ||  Die  Wandelen  hem 
besetten  ende  gevoughen  van  Aff^ike  tlant  te  be- 
stane,  1^.  III*,  1,  18. 

b)  Zich  zelven  ergens  toe  brengen.  —  Hem  be- 
setten te  gheven,  zich  tot  geven  zetten,  blijven 
geven.  \\  Alsoe  lange  . . . ,  alse  ghi  te  gheven  u  beset, 
salmen  u  minnen,  Vad,  Mus,  2,  195,639.  —  Van- 
daar het  pf.  hem  beset  \i%h\i^Ti,  ergens  toe  komen. 

II  Wouter,  hoe  hebdi  u  beset  (hoe  komt  gij  ertoe, 
hoe  is  het  mogelijk) ,  dat  ghi  aie  X  ghebode  niet 
en  wet?  TeesL  2649. 

e)  Zich  op  iets  toeleggen ,  zich  bekwamen  in,  zich  mei 
iets  bezig  houden.  \\  Soe  siet,  dat  ghi  u  kint  tiet 
ter  scolen  om  clergie  leren ;  want  daer  af  comt 
vele  eren  ende  vordeels  te  meneghen  male  hen  die 
hen  besetten  wale,  Lsp.  III,  10,  64.  Daer  naer  so 
riet  hi  hem  saen  kersten  te  sine  Nestoriaen,  also 


1035 


BESE. 


BESE. 


1036 


dat  hem  Mabamet  daer  mede  hem  he?et  beset ,  ende 
Sergias  jongre  was,  Sp.  III' ,  14,  28. 

BëSETTËR,  znw.  m.  —  1)  Een  Blechts  in  Ylaam- 
Bche  oorkonden  voorkomende  yorm  yoor  bijzitier, 
asêessar  in  eenen  raad,  vooral  in  een  rechtbank.  || 
Es  hl  vindere  of  bezetter ,  zo  verbnert  hy  .  .  twin- 
tich  Bcellinghen,  Cout.  v.  Brugge  1,  371.  (De) 
voorseyde  vinder  of  de  bezetter  (verbeurt)  twaelf 
scellinghen ,  ald.  Dat  deken  of  vinders  of  bezet- 
ters renten . .  verdonkeren ,  ald.  Dat  dekin  of  vinders 
of  bezetters  eeneghe  personen  bezegheltede  gaven 
of  ghescriften,  372.  Dekin  ende  zine  (h)eet  ende 
bezetters ,  377.  Gheen  zieke  en  mach  honden  hnnt 
zine  hnnse  gaende,  meer  dan  twee  dappers,  ten 
ware  dekin,  vinder  of  bezewer  (/.  besetter),  die 
macher  houden  drie,  369. 

2)  Hij  die  beslag  legt  op  iemands  goed ,  of  iemand 
doet  arresteeren.  \\  Wair  dat  sake  dat  yemant  van 
des  schouten  knapen  enigen  persoen  beset  wonde 
hebben,  so  sell  diegene,  die  de  besettinge  begeerde , 
mit  des  schouten  knecht  gaen  tot  dengenen,  dien 
hy  beset  will  hebben  .  .  Ende  waert  dat  die  besette 
persoen  geen  borgen  setten  en  wonde,  ende  hem 
die  besetter  rechts  versage  aen  des  scouten  knecht . . , 
80  sell  die  besetter  syn  hant  mede  aen  den  besetten 
slaen  om  die  te  houden  ende  in  vangenisse  te  brengen, 
off  des  besetters  gemoede  te  hebben,  H.  v.  Utr,  2, 277. 
Die  besetter  mach  zijn  recht  dairop  vervolgen ,  ald. 

BESETTINGE,  znw.  vr.  Mnd.  besettinge \  mhd. 
besetzunge, 

1)  Van  besetten,  in  den  zin  van  beslag  leggen 
(bedr.  4). 

d)  Gijzeling,  arrestatie  van  een  persoon  (vgl. 
BESET  4).  II  Of  si  tot  ons  .  .  .  yet  te  segghen 
hebben,  et  si  van  besettinghe  of  van  enigher- 
hande  anderen  saken,  daer  af  sulen  si  ons  .  .  .  . 
te  voren  quyt  scelden,  Ngh.  2,  342.  Alle 
maninghe,  beleydinghe  ende  besettinghe,  et  si 
mit  scepenen  of  sonder  scepenen  .  .  .,  dat  sal 
doet  sijn  ende  niet  duden,  132.  Dat  alle  dagingen 
ende  besettingen  binnen  der  selver  steede  vriheit 
vallende ,  geschien  sullen  by  den  schout ,  K.enO. 
V.  Delft  13,  1.  Dat  alle  dagingen  ende  besettingen 
inhouden  sullen  die  naemen  ende  toenamen  van 
den  eyschere,  mitsgaders  des  ghene,  diegedaeget 
ofte  besettet  wordt,  ald,  3.  Teerst  dat  £e  scout 
dinghet  van  besettinghe,  J>ingt.  v.  Delft  3.  Zie 
vooral  Leid.  Keurb,  Gloss.  en  E.  v.  Utr,  2 ,  274—278 
(van  besettinghe). 

b)  Beslaglegging  op  de  goederen.  ||  Daer  solde  die 
schulte  van  elcker  besettinghen  hebben  XII  pen- 
ninghe,  Stadr.  v.  Zwolle  166,  318.  Dat  die  be- 
sette lakenen  .  .  in  besettinge  bliven  totter  tüt 
toe,  dat  joncfrou  Aleyden  .  .  .  volle  recht  ende 
uutrichtinge  geschiet  wesen  sall,  O,  R,  v.  Dordr. 
2,  108,  144.  Aisoe  N.  besettinge  begeert ,  wat  ick 
hem  schuldich  ben  te  doen  met  recht ;  . .  legter  u 
handt  op  dat  ghy  besedt  wilt  hebben,  ald.  315. 
Zoo  ook  Rek.  d.  Cam.  3,21;  enz. 

2)  Van  besetten ,  in  den  zin  van  geld  vastzetten 
(bedr.  6^).  Vestiging  van  eene  schuld  of  rente  op 
onroerend  goed ;  ook  de  aldus  verzekerde  vordering  of 
rente.  \\  Dat  scepenen  over  ghene  ghifte  staen  zullen 
van  hnse ,  no  van  erven ,  no  over  besettinghe ,  daer 
enich  man  ghifte  gheven  wille,  Cout.  v.  Brugge  1, 
402.  Te  betalene  zo  den  chaertre  van  besettinghe 
danof  zynde  dat  wel  verclaerst,  2,  189.  Ware  so 
sake  dat  joncvrouwen  Grielen  .  .  coste  ofte  scaden 
quamen,  als  omme  de  vorseide  bezettinghe  te  ver- 
volghene,  Vad,  Mus.  4,  339.  Van  der  besettinghe 
van   30    S    par.  siaers,  die  G.  beset  heeft  teenre 


capelrien  bouf ,  Invent.  v.  Brugge  2 ,  361.  YgL  6,  399. 
BESEVEN,  zw.  ww.  bedr.  ^het  praet  komt  niet 
voor,  deelw.  beseeft).  Hetzelide  ais  het  veel  ge- 
bruikeigker  beseffen,  doch  zwak  vervoegd.  Het 
omgekeerde  geval  zou  minder  verwonderen,  daar 
beseffen  eer  een  afgeleide  vorm  van  beseven  \a,^xs. 
omgekeerd.  Ygl.  trekken  (jetreet)  met  treken  (trae, 
getroken) ;  bakken  met  baken ;  enz. 

1)  Smaken,   ondervinden  (vgl.  beseffen  2).  || 
Hijr  en  can  ie  niet  beseven,  dan  rouwe,  droef  heit 
ende  mesweinde ,  Versl.  en  Ber.  5 ,  21. 

2)  Voelen,  gevoelen  (vgl.  beseffen  3).  ||  Ie 
hebbe  uwer  slage  gnoech  beseeft:  ie  geve  mi  op, 
ie  ben  mat,  Lanc.  III,  26690. 

3)  Inzien,  begrijpen  (vgl.  beseffen  4).  ||  I>at« 
niet  waer,  diet  wel  beseeft,  Doet.  TL,  2Ö06.  Hier 
aen  moghen  wi  beseven,  dat  God  die  zonden  macb 
vergheven,  Lsp.  II,  41,  123. 

4)  Beproeven  (vgl.  beseffen  6).  ||  Om  dit  so 
ducht  ie  mi  te  mere ,  omdat  van  n  {Maria)  in  allen 
kere  elc  svn  dichten  heeft  beseeft,  Yelth.  YIII, 
34,  20  (vgl.  VS.  25  onbeseefe). 

5)  Vernemen  (vgl.  beseffen  7).  ||  Hi  en  acht 
ons  int  ghemeyne  syn  knechte  niet  aUeyne,  mar 
syn  kindere,  wildyt  beseven,  Wrake  III,  1236. 
Sonder  die  welke  (vitaelgie),  wildyt  beseven,  die 
lichame  niet  en  mochte  leven,  Doet.  II,  2205. 

BESE  YEN,  bnw.  Yan  seve  (in  oorsprong  één 
met  seffen) ,  d.  i.  essentia, geest, pU,  merg  (Snellaert, 
Alex.  Dl.  2 ,  bl.  416) ,  of  smaak  (De  Bo  1021). 
De  vorm  zon  eigenlek  besevet  moeten  s^n,  doch 
door  de  gelnkheid  van  het  vaak  gebruikte  deelw. 
van  beseffen  (?)  werd  de  vorm  gewyzigd.  YgL  geUsen 
d.  i.  gerimpeld,  van  lese  (Taa/b.  4,  189—191), 
en  Tijdsehr.  3,110.  Van  levenskracht  voorzien ,  levens- 
sappen hebbende.  \\  Also  moeten  die  kinder  yerst  lerea 
dat  minder  ende  daer  na  ten  meeren  cleven ,  dan  es 
haer  const  yrst  beseven  ende  uut  eenre  wortelen  gbe- 
porret,  die  nemmermeer  enverdorret,  JKr/ió.  109S. 

BESE YEREN ,  zw.  ww.  bedr.  Yan  sever ,  speeksel. 
Mnd.  beseveren.  Bezeveren,  bekwijlen.  \\  Dat  scuum 
van  des  draken  mule  besevert  mi  mijn  aensichte, 
Oreg.  Hom.  46r. 

*  BESEWEB,  bezewer.  Yerkeerde  lezing  voor 
besetter,    Cout.  v.  Brugge  1,  369.  Zie   besetteb. 

BESIBBET,  bnw.  Yan  sibbe,  d.  i.  famUUbê- 
trekking  (zie  ald.).  Mnd.  besibbet;  mhd.  betippe. 
Verwant,  door  bloedverwantschap  verbonden,  en  bg 
uitbr.  verbonden.  \\  Yan  kinderen,  welcke  van  be- 
sibbede  olderen,  dessen  onwietens,  gebooren  sint. 
Pro  Excol.  6,  680.  Sonder  onsen  raet  ende  onser 
vrienden,  die  ons  besibbet  syn,  Cran.  v.  Vimend. 
1,  134.  Ygl.  De  Jager,  Freq.  2,  511. 

BESIBBEREN,  zw.  ww.  bedr.  Bezoedelen,  be- 
vlekken. II  Haerlieder  ziele ,  die  metter  zei  ver  sande 
van  .  .  simonie  zo  leelick  besibbert  ende  besaet 
zijn,  Despars  1,  145.  Yan  «^^^i».  Zie  beseveren. 

BESICH  (beisich,  besech),  bnw.  Mnd.  ^««tol; 
eng.  busg.  Over  de  afleiding  zie  E.  MuUer  1 ,  165. 
In  het  Mnl.  gebruikt  zoowel  van  personen  als  van 
zaken,  thans  alleen  van  personen. 

A.  Met  een  persoon  als  ondw. 

1)  JVerk  hebbende;  hd.  beschaftigt.  \\  Over  haer- 
lieder dachvaerden  die  zy  bezich  waren  metten 
Inghelschen,  Invent.  v.  Brugge  5,  297.  Onledirb 
of  besich,  Proza-Sp.  18^.  —  Ook  in  de  bfjsoDdere 
opvatting  van  besich  sQn  met  enen  wive, 
gemeenschap  met  haar  oefenen.  \\  Waert  dat  eea 
man  van  eeren  vonde  eenen  snooden  mensche  .  .  . 
besich  mit  zijnen  wive,  Wiel.  Instr.  142,  457. 
Een   vader   mach    dootslaen  .  .  .  den  man,    diea 


1037 


BESI. 


BESI. 


1038 


hi|   besich   vint  mit  Eender  dochter,    143,   461. 
YgL  BESIGEN,  Iff),  en  lUchL  19,  25. 

2)  Druk,  betDeeglijk,  dairUl.  \\  Lnstech  ende 
bericli  (/.  besich)  mede,  es  garen  der  yroawen 
sede,  Vrouw,  e,  M.  lY,  133.  Die  mane  can  wel 
die  kinder  maken  snel  ende  besich  in  baren  wesen, 
Vr,  Heim,  388. 

3)  Druk,  veel  te  doen  hebbende \  in  de  nitdr. 
Hem  besich  maken  met  iet,  zich  druk  met 
iett  maken,  snch  veel  moeite  voor  iete  geven,  zich 
in^tpannen,  evenwel  met  het  bgdenkbeeld,  dat  die 
moeite  niet  gewaardeerd  wordt  of  onnoodig  was 
(ygl.  onze  nitdr.  drukte  maken,  hetzelfde  als  be- 
veging,  leven  maken).  \\  Yronwe,  ghi  maect  sere 
besich  n  met  uwer  talen,  si  es  so  lanc ,  ghi  siughet 
al  enen  sanc,  Melib.  3107. 

4)  Vervuld  met,  met  hart  en  ziel  bezig  met,  zijn 
geheeU  aandacht  richtende  op,  ||  Mackt  mi  so  besich 
Yoort  met  di  {God),  dat  ie  d^ns  nemmermeer  ledich 
en  si,  O VI,  Lied,  e.  Oed,  11,  234.  Ie  seide  min 
geilde  .  .,  daer  ie  besech  over  sat,  daer  ie  haers 
bi  al  vergat,  Lanc,  11,  43566.  En  wisti  niet  dat 
mi  behoert  te  werkene  de  werke  myns  vaderende 
daer  in  besech  te  sine,  L,  v,  J,  c,  20.  Wes 
besich  met  desen  ghespinne,  dat  mach  dicommen 
ta  ghewlnne,  Wap,  Bag,  1141. 

B.  Met  eene  zaak  als  ondw. 

5)  Druk,  veel  werk  gevende,  \\  Ander  dinc  dan 
grote  tale  behoeft  daer  mense  winnen  süideetad) 
.  . ,  miin  here  besoncse  merghen  vrouch ,  nochtan 
werdet  besich  ghenonch,  er  zal  genoeg  te  doen 
sijn,  het  zal  er  spannen,  lamb,  YU,  121.  Hoe  sal 
men  hier  (m  den  bogaard)  gedienen  mogen  ?  Wine 
connen  conde  niet .  gedogen ;  het  worde  ons  besich 
in  dien  sale  ende  bi  viere,  het  worde  druk  voor 
ons  in  de  zaal,  d.  i.  er  moeten  toebereideelen  voor 
onz  gemaakt  worden  in  de  zaal,  Yelth.  I,  26,  78. 

6)  Nuttig,  noodig,  Ygl.  BESIOEN  2).  ||  Hi  vant 
die  taflen  gedect  eerlike,  ende  daertoe  genoech 
spisen  rike ,  ende  hi  vant  evenen  genoech  mede . . ; 
hi  vant  al  dat  hem  besich  was  ende  sinen  perde, 
Jjonc.  II,  7860.  Si  daden  des  conincs  gebot  al 
ende  loetgeerden  daer  hi  beval,  ende  bereitden 
hen  daer  mede  van  dat  hen  besech  was  daer  ter 
stede,  lY,  10825.  Men  sal  hem  geven  dies  hem 
besich  wort,  D,  B.  1  Machab.  10,  44.  Eemeels  die 
droghen  .  .  datten  heere  besich  sijn  sonde,  Judith 
2,  8.  Al  waric  stare  gelgc  Sampsoene,  soe  ware 
mi  beisich  mine  macht  (/.  cracht) ,  Fland,  1 ,  775. 

BËSICHEIT,  -HEDE,  znw.  vr.  Yan  besich 
(zie  ald.). 

1)  Yan  besich  (ald.  1).  Drukte,  bereddering,  \\  So  sal 
hi  opstaen  omme  des  anders  besegheit,  die  hi 
makt  met  roepene  ende  met  cloppene,  L,  v,  J,  c, 
48.  Be  pharisense  stonden  en  vragden  met  groter 
besegheit,  wat  hi  daer  toe  seide,  c,  148. 

2)  Yan  besich  (ald.  2).  Drukte,  overkroptheit  met 
werkzaamheden.  \\  Noch  sorghe  nochte  besichede, 
noch  oec  ghene  onlede  mede ,  nochte  verghetelhede 
en  nam  hem  dat,  ^.  I' ,  58,  7.  Nochtan  alsoeter 
kerken  ginc,  plach  soe  emmer  eene  dinc,  wat  be- 
sicheden  hare  overlach  {var,  onlede),  I',  72,  3. 
Das  werd  grote  besichede  int  land  te  herde ,  meniger 
stat  {men  kreeg  het  verbazend  druk),  Yelth.  YI,  21, 38. 

3)  Ook  in  concreeten  zin  van  Eene  zaak  die  moet  af- 
gedaan worden,  taak,  \\  Sine  miraclen  .  .  .  dedi 
scriven  .  .  .  ende  ondersooken  harde  wale  met 
somegen  cardenale,  die  te  suiker  besichede  mynst 
jonsten  dochten  ebben  mede,  Franc,  7952.  Die 
onghetrauwe  boden  mede,  die  niet  hadden  hare 
besichede   tharen   wille  gedaen,  VI,  Rijmk,  3479. 


Nn  lach  np  eene  besichede  (hij  had  iets  te  doen-, 
verg.  onze  nitdr.  op  reis  liggen)  Herodes ,  dat  hi  nter 
stede  van  Jhemsalem  moeste  varen  te  Cesarien  waert, 
Sp,  I*,  10,  1.  (Hi)  gaf  hen  enen  hamel  mede ,  dat 
si  met  pinen  hare  besechede  sonder  bate  niet  liden 
en  souden,  ne  eis  inanis  noetuma cederet oecupatio , 
II»,  34,  43. 

4)  Evenals  het  lat.  negotium  neemt  besicheit 
ook  de  bet.  aan  van  z€iak  in  het  algemeen.  ||  Laet  mi , 
seltsi,  gebrugen  daer  mede,  ie  sal  wel  doen  dese 
besichede  {dit  zaaJkfe) ,  Lanc,  II ,  14997.  Gi  sp  hier 
comen  tote  mi  om  ene  mine  besichede ,  daer  ie  u  ombe 
versoeken  dede,  die  willic  u  ontecken  algader, 
17499.  Ie  moet  varen  in  ene  besichede,  dar  ie  u 
niet  en  mach  leiden  mede,  19612.  Gl  hebt  gedaen 
qaade  besichede  ende  meneghen  man  gescaedt, 
25652.  Om  wat  besicheden  quaemdi  hare?  26003. 
Yronwe,  ghi  hebt  .  .  quade  besichede  gedaen, 
{male  egisti) ,  dat  ghi  wech  jaghet  daer  fellike  den 
besten  rudder  van  ertrike,  35741.  Ie  sal  uwes 
grote  breke  .  .  hebben  in  dese  besechede !  lY,  3677. 
Als  die  wille  hadde  te  verstane  van  andren  besic- 
heden, als  hi  quame  binnen  der  stede,  VI,  Rijmk. 
3392. 

5)  Yan  besich  (ald.  3).  Eene  zaak  waarmede  men  ver- 
vuld is,  datgene  wat  iemands  gemoed  bezig  houdt,  \\ 
Eens  messciede  den  keytQf  teere  hoghere  tg t,  dat  hi  bi 
haer  sliep.  Die  keyser  wist,  doch  hine  riep  dat 
hi  ter  ewangelien  ghinge,  want  het  ghenoucht 
hem  dat  hi  singe.  Hi  ontseit  hem,  alsè  dien  be- 
drouch  sine  besicheit  ghenonch,  abnuit  ut  male 
sibi  conscius,  Sp,iy*,i6,  92  (vgl.  ook  bg  BESICH  1). 

6)  Yan  besich  (ald.  6).  Hood,  noodzaak,  noodzakelijk- 
heid, II  Ie  weet  wel,  dat  gi  nte  uwen  lande  niet 
sonder  grote  besichede  ne  sciet.  Si  seide:  die 
besechede,  here,  ne  secgic  n  in  ghenen  kere, 
Lanc.  II,  26004. 

7)  Yan  besich  (ald.  6).  Nut,  nuttigheid,  belang,  syno- 
niem van  bederve  (zie  ald.).  ||  Dat  gi  wilt  met 
hare  varen  in  hare  vrouwen  besichede,  Lanc,  II, 
11050.  Alsic  ben  genesen ,  moet  ie  met  deser  vrouwen 
gaen  ende  hare  besicheit  onderstaen ,  hare  belangen 
voorstaan,  12336.  Dat  hi  der  joncfrouwen  besechede 
doen  sonde  jegen  wien  dat  ware,  hare  belangen 
behartigen,  hare  zaak  verdedigen,  III,  13386.  Ay 
God  here,  nu  moetti  mi  onnen  eere  te  done  mine 
besichede,  II,  16474.  Du  suis  goets  genoech  voren 
mede  te  hebbene  te  mire  besichede  {te  mijnen 
behoeve),  II,  35281  (vgl.  35288,  waar  bederve  ge- 
bruikt wordt).  Om  dat  geen  bode  .  .  .  bet  eBSt- 
lovet  te  gere  stede  van  sijns  heren  besechede,  dan 
die  here  selve  es,  lY,  2856.  Hi  voer  mede  om 
des  paues  besichede,  dat  hi  pine,  hoe  hi  belet 
die  dinc  daer  hem  Aystolf  toe  set,  Sp,  III*,  68, 69 
(vgl.  lat.  alqd.  est  e  re  mea),  —  Negene  be- 
sechede doen,  hetzelfde  als  negene  bederve 
doen,  niets  van  belang  doen,  niets  uitwerken.Ygl, 
BEDERVE  2  ^.  II  Die  besondicht  daer  in  {in  die 
queste)  wilt  gaen,  sine  doen  gene  besechede  dan 
sire  an  doen  dulhede,  Lanc,  III,  5082. 

Aanh.  —  Besecheit  vanseden,Ned,Froza2Sl, 
is  eene  verkeerde  lezing  voor  besetheit  (zie  ald.). 

BESICHTIGEN ,  zw.  ww.  bedr.  Schouwen ,  inspec- 
teeren,  bezichtigen,  \\  Und  sullen  dusdanige  nnde 
andere  ontiyfden  .  .  .  niet  mogen  ter  aerden  be- 
stadet  werden ,  sy  weren  dan  eerst  van  den  officier  ter 
plaetsen  besichtiget  undbeleydet, ZaïMfr.  9.  Vel,  10, 

BESICHTIGING,  znw.  vr.  Schouwing,  lijk- 
schouwing, II  Dat  oock  over  dusdanige  dooden  be- 
sichtigung  ende  beleydnnghe  by  den  scholten  •  • 
geschiede,  Landr,  v.  Vel,  11. 


1039 


BESI. 


BESI. 


lOiO 


BESIDEN  (BESiDE,ook  besiden),  bijw.  en  voon. 
Mnd.  besiden]  mhd.  bestip  besite^  bestten,  èesitet\  eng. 
beêides]  ndl.  bezijden.  Uit  het  voorz.  be  enhetznw. 
side  (ygl.  het  hd.  bei  teite).  De  samenstelling  wordt 
nog  duidelijk  gevoeld  in  het  by w.  nitdr.  b  e  s  i  d  e  n 
w  e  g  e  8,  d.  i.  ter  zijde  van  den  weg  (Lanc.  II ,  37680). 

Bijw.  —  1)  Ter  zijde  y  op  zijde.  ||  Aldas  hebben 
si  hem  bestaen  .  .  .,  voer  achter  ende  besyden, 
SeffA.  985.  Die  vronwe  ginc  besiden  staen » Lorr./r.  I, 
425.  Hine  keerde  hem  niet  besiden,  maer  hi  leit 
of  hi  ware  doot,  Lsp,  ^i  ^^i  76.  £lc  doen  van 
hem  besiden  scoet;  hare  scachten  si  vernamen, 
sere  si  weder  te  gader  quamen ,  Ferg  1828.  (Jadas) 
ontfangre  was,  .  .  ende  hadde  besiden  sinen  zac, 
aidaer  hi  sine  diefle  in  stac,  Sp.  V,  21,  32. 
Lanceloet  was  doe  daer  besiden  in  den  bosch  be- 
dectelike,  Lane.  IV,  4566.  —  Van  besiden, 
van  ter  zijde,  \\  Van  der  lacht  die  daer  in  qnam 
van  besiden,  Rein.  II,  6511.  Dit  siende  Huge 
qnam  van  besiden  ende  gaf  Agapaert  eenen  slach , 
dat  hi  metten  paerde  ter  aerden  viel ,  Rv^e  v.  Bord. 
62.  —  Ook  in  de  volgende  uitdr.  —  Enen  besiden 
leiden,  voeren,  trecken  of  nemen,  t^maM/^ 
ter  zijde ,  apart  nemen  tot  een  af  zonderlijk  gesprek  of 
geheim  onderhoud.  ||  Doe  nam  die  riddere  .  .  sire 
raoder  besiden  tenen  rade,  Lanc,  III,  18211  (vgl. 
Limb.  1 ,  1386).  Die  hi  niet  bescreven  en  siet ,  trect  hi 
besiden,  ende  an  hen  vant  hoeftsonde,  daer  hiseaf 
ontbant,  Sp.  II*,  61,  10.  Doe  hi  dit  sach  geselen , 
hevet  hine  besiden  gheleet  ende  beswoerne  onder 
eene  heet,  dat  hi  hem  dade  verstaen  enz. ,  I^ ,  87 ,  78. 
Ganres  die  verrader  fel  voerde  die  joncfronwe 
beside  ende  hietse  wesen  blide,  Segh.  8778.  Doe 
hevet  hine  besiden  gheleet,  Sp.  I',  77,  79.  — 
—  Hem  besiden  doen,  ter  zijde ^  opzijgaan.\\ 
Sere  wondert  hen  lieden  des,  ende  bidden  dat  hi 
hem  doe  besiden  een  stuc,  si  latenne  alBo  Uden, 
Sp.  II*,  66,  38.  —  Besiden  steken,  op  sijde^ 
in  den  zak  steken  (vgl.  het  boven  aangeh.  voorbeeld 
Sp.  I^,  21,  32), d.  i.  zich  iets  toeëigenen,  iets  ver- 
duisteren, wegmoffelen.  ||  Vroech  leren  vele  spreken 
ende  vroech  leren  besiden  steken,  sijn  twee  dinghe  . . 
die  tontleerne  sijn  berde  quaet.  Lep.  III,  10,173 
(de  opgegeven  beteekenis  in  het  Gloss.  ter  zijde 
stooten  is  niet  juist). 

2)  Op  zijde  af,  achter  af\  hetzelfde  als  mnl. 
op  h  o  e  r  (z.  ald.).  ||  Ie  weet  enen  wech  besiden ,  daer 
wi  dat  here  moghen  liden  sonderscade,  «S^^^.  4117. 

3)  Naast,  nevens.  \\  Stant  in  den  hole  hier  be- 
neven, an  desen  steen  hier  besiden,  Bdjmb.  5132. 
Die  sommier  daer  besiden,  Segh.  9682  var.  Boven,  bi- 
siden  ende  onder,  Lsp.  1, 11,  53.  Een  huys  . .  besiden 
aen  desen  hnse  staende,  O.  R.  v.  J)ordr.2, 103. 

4)  Afzonderlijk;  lat.  seorsim.  \\  Soe  sal  hi  nemen  . . 
drie  thiendendeel  blomen  in  sacrificie ,  die  besleghen 
sy  mit  olye,  ende  besiden  een  sestendeel  olyen, 
D.  B.  Levit.  14,  10. 

5)  Buiten,  in  de  uitdr.  besiden  staen,  d.  i. 
eig.  buiten  staan  en  bij  uitbr.  niet  meedoen,  by 
eene  deeiing  b.v. ;  m.  a.  w.  er  treurig,  slecht  aan 
toe  zijn.  \\  Haddic  minen  stoc  ghespaert,  doe 
hi  was  stijf  ende  wael  gesnaert,  so  ne  stondic  niet 
besiden,  O VI.  Lied.  e.  Oed.  201,  9. 

Voorz.  —  Met  den  3den  nv.  of  eene  bepaling 
met  van  (in  het  laatste  geval  is  besiden  zelf  eig. 
bijwoord). 

1)  Ter  zijde  van,  naast.  \\  Dus  waren  die  mure, 
besiden  den  duren  V  cubitus  breet,  Rijmb.  11473. 
Die  somier  liep  haer  besiden,  Segh.  9682.  Besiden 
{d.  i.  beside  den,  vgl.  bij  benkden  en  buten) 
scilde  es  hi  {de  beer)  gescotcn,  Flandr.  1,815. 


2)  In  de  nabijheid  van,  langs.  ||  Besiden  der 
woestinen  lach  een  berch,  Rein.  I,  507  ror.  (de 
tekst  heeft  beneven;  zie  ald.).  Dese  wech,  .  .  die 
hier  besiden  den  bosche  gaet,  Lanc,  II,  38046. 

3)  Buiten,  \\  Die  gulsighe  monike  .  .  ,  die  dicwi|l 
besiden  van  den  convente  aten,  omdat  si  sonder- 
linghe  spisen  eten  wouden ,  Bnusb.  3 ,  257. — 
Besiden  staen  van  ere  dinc,  verstoken  sijn 
van  iets.  ||  Van  desen  tween  sta  ie  besiden:  in  hebbe 
VTuecht,  no  ie  en  gheve,  O  F  l.  Lied.  e.  Oed.  317, 90. 

4)  Elliptisch  staat  besiden  voor  besiden 
der  waerheit  ||  Die  bode  bat  genaden  sciere, 
want  hi  en  hadde  niet  mesdaen.  Agulant  andworde 
saen:  gi  segt  harde  sere  besiden,  Lorr.  11,1284. 

BESIE ,  znw.  vr.  Bes ,  ook  van  de  ebruif  ge- 
zegd; vgl.  hd.  weinbeere.  ||  Die  rijpe  besien  van 
goeder  aert,  Denkm.  3 ,  222, 10.  Enen  wgngaerd . ., 
gheloverd  ende  met  besien,  Velth.  I,  26,  97. — 
Ook  in  den  zin  van  tros  druiven,  welke  bet.  ook 
mnl.  druve  heeft  (z.  ald.).  ||  Die  vos  sach  ene  besie 
hangen,  £sop.  LV,  1;  zoo  ook  vs.  4  en  6. 

BESIEDEN,  st.  ww.  bedr.  Mnd.  beseden;  hd. 
besieden.  Met  kokend  water  begieten,  broeien.  Het- 
zelfde als  het  meer  gewone  bescouden  (zie  ald.).  ||  Van 
zwine  te  besiedene ,  van  den  hare  te  doen  snidene , 
ende  van  verkine  te  buerene  (/.  vuerene),  aangeh. 
Invent.  v.  Br.  Gloss.  43  b.  Recht  als  die  honden 
ghinghen  lopen  van  den  hont,  die  was  besodea, 
so  laten  si  hem  in  den  noden,  Rein.  II ,  7534. 

BESIEKEN,  zw.ww.  onz.  Hd.  besiechen.Ziek  worden, 
in  eene  ziekte  vervallen.  \\  Ende  daer  die  garsoenbe- 
ziekede  ende  weder  thuus  quam ,  Rek.  v.  Zeel.  2 ,  372. 

BESIECT  (besieket,  besiecht),  dcelw.  bnw. 
van  besteken ,  d.  i.  ziek  worden  (Lexer  1,  215).  Ziek 
geworden ,  en  als  bnw.  gebruikt  siek, 

1)  In  het  algemeen.  Ziek,  krank,  van  menacheB 
en  dieren.  ||  So  dat  deen  wart  besieket  sware,  Sp. 
I* ,  52,  12.  Binnen  dien  .  .  ward  hi  sware  besiect, 
Rijmb.  21679.  Te  gansen  alle  die  ghene  die  besieet 
waren ,  Es.  80,  /.  71  a.  Om  dat  soe  so  wale  ri«t 
die  diere  dan  (l.  die)  soe  besiet  (/.  besiect)  w^t 
of  hebbende  arech.  Beest.  184.  Van  eenre  beesten 
die  besiect  es,  Doet.  Il,  905  var.  —  Ook  met  eene 
bepaling  met  van  of  met.  Ziek ,  lijdende  aan.  ||  Alle 
die  besiect  waren  van  enigher  siecten  worden 
ghesont,  cropelen  ende  blenden,  stommen  ende 
doven,  Fass.  JF.  177  c.  So  was  die  heüege  noArte- 
lare  van  artentike  besiect  so  sware,  dat  hi  en 
mochte  gaen  no  staen,  Sip.  II*,  18,  181. Die keyser 
Constantius,  besiect  sere  van  sware  gepeise  ende 
meere  van  apoplexien  swaer,  II*,  22,  2.  Hy  wert 
besiect  van  der  saghen  langhe  iyt,/ebre  quastaius, 
Matth.  Anal.  3,  32.  Malaetschap  daer  men  mede 
besmet  ende  besiect  is,  Bern.  S.  17a, 

2)  In  het  b^zonder  van  enkele  hevige  of  afzichte- 
lijke ziekten  en  kwalen. 

a)  Jichtig ,  rhumatisch.  \  \  Hi  was  besiect  ende  km , 
r.  d.  Houte  438  var.  (de  tekst  heeft  gichtech). 

b)  Bezeten,  waanzinmg.  \\  Enen  besiecten  gansU 
hi,  hominem  demonio  vexatum,  Sp.  II*,  52,  88. 

c)  Melaatsch  (vgl.  het  fr.  malade,  hetzelfde  woord 
als  melaatsch).  ||  Ghelijc  datmen  aen  die  besiecte  vent: 
gaet  die  besiecte  tenegher  stede,  sine  beaiectheit 
dracht  hi  mede,  Mask.  80.  Anno  1321  doen  vont  ma 
die  besiecte  Inden  in  Vrancryk,  Matth.  Anal,l,^ 
Ysoreid  die  besiecte  (Ie  mesel)  es  ghevonnesl 
beziect  (comme  meseaus),  Livre  d.  Meet,  41.  £ei 
lazers  mensche  quam  .  .,  ende  Jhesas  recte  sise 
hant  ende  ghereen  den  besikden  .  .  ende  altehaat 
wart  hi  ghesuvert  van  sire  lazerien ,  L.  v.  J.  r.  58. 
Soe  si   van  noots  weghen  van  hem  moet  scheids 


1041 


BESI. 


BESI. 


1042 


na  allen  gestande,  mits  dat  hi  besiect  is,  O,  J2. 
V,  Dordr.  2,  70.  Yan  der  mondborien  yan  den  gast- 
hnse  .  .  ende  yan  den  hnse  yan  der  banc  der  be- 
siecter  lieden,  Brab.  T,  Dl.  1,  bl.  734.  Van  den 
bnse  yan  der  banc  bi  Loyene,  daer  die  besiecte 
wonen,  DL  2,  bl.  612.  Dat engbeene beziecte liede 
yor  tayerne  drincken  en  selen  nocb  sitten,  Belg. 
Mut.  1,  263.  Int  jaer  1309  so  worden  oyer  al 
gbebrant  de  besiecte  lieden ,  ende  haddent  ingbeset 
oyeral  tyolc  te  yergheyen,  Belg,  Mue.  4,  206. 
Daer  woende  Sjmeon  die  besiecte,  Mandeü.f,^^, 
In  die  riyier  bade  Namana  yan  Soryen,  die  was 
besiect  ende  hi  waert  ghesont,  26c.  So  was  be- 
yonden ,  dat  de  beziecte  lieden  yenniedt  waren  . . ; 
dat  sy  fenQn  sonden  werpen  in  de  fonteynen  .  ., 
daeromme  soe  wordden  al  Vrankeryke  dore  de  be- 
siecte lieden  gbebarrent,  Oron.  v.  Flaend,  1,  173. 
Becht  ende  cuers  yan  der  Lazerien  yan  Brnghe: 
als  een  parsoen  . .  es  beziecbt,  Cout  v,  Brugge  X , 
368.  Yan  ere  onser  portericgen,  die  men  yoerde 
...  te  Bmcgbe  omme  te  proyene  of  soe  besiect 
ware,  Rek.  v.  Geni  1,  167.  Besiecter,  Jan  Yperm. 
164.  Besiect  zQn  en  besiect  gaen ,  Invenl.  v.  Brugge 
6 ,  105.  Besiect  ende  lazams ,  aangeh.  Gloss.  ald.  286. 

—  Ook  siec  zelf  komt  in  deze  bet.  yoor,  ald.  6^ 
106  (den  zieken  lieden). 

BESIECTHEIT,  -hede,  znw.  yr.  — l)^tó.  || 
Besiectbeit  die  yan  conden  comt,  He,  Yp.  18<;. 

2)  In  het  bijzonder.  MeUuUeehheid.  Yerg.  be- 
siect 2r).  IIGaet  die  besiecte  tenegher  stede,  sine 
besiectbeit  dracht  hi  mede,  Miuk.  81.  Omme  de 
ghene  te  yisiterene ,  die  berucht  zQn  of  fame  hebben 
yan  beziecktheden ,  Cout.  v.  Brugge  2,  111.  Hets 
goet  jegen  alle  besiectbeit  ende  jegen  zeter  ende 
single,  He.  Yp.  l%c.  Zoo  ook  21a. 

BESIEN ,  onz.  ww.  bedr. ,  onz  en  wederk. 
(b0*aeh^  betogen  ^  beeien;  imp.  enky.  besicA,  my. 
èesief).  Mnd.  besén;  mhd.  beteken. 

BEDR.  —  1)  Zien,  aantekouwen. 

a)  Met  den  4den  ny.  yan  den  pers.  of  der  zaak.  || 
(God),  diet  albesiet,  Frane.  703.  Hets  mi  ghenoech 
na  doch,  dat  ie  besien  mach  di  (Jotepk),  Bijmb. 
3230.  Dat  hi  tlant  besaghe  .  . ,  eer  dat  hi  smaecte 
die  doot,  6233.  Doe  ghinghen  si  den  yolke  so 
na  .  .,  dat  si  tfolc  mochten  besien.  6109.  God 
toogdem  dat  lant  mettien.  Jüiracle  waest,  dat  hyt 
besien  al  ghader  mochte,  het  was  so  groot,  6431. 
Dat  soe  doch  yan  derre  steden  wel  besien  mochte 
haer  lant,  16582. — Ook  met  yerzw^ging  yan  het 
obj ;  sch^nbaar  intr.  ||  Die  scepenmakers  niet 
langher  te  wercken,  dan  ze  bi  den  daghe  bezien 
moghen,  O.  K.  v.  Boit.  42,  124.  Die  mande- 
makers zeilen  wercken  anders  niet  dan  zi  by  daghe 
besien  moghen,  ald.  125.  Keer  d^n  oghen  al  om 
ende  om  .  .  ende  besich,  J).  B,  Deuler.  3,  27. 
Hi  ghiDC  besien  ter  stede,  daer  hi  liet  den  doden 
lyoen,  Bijmb.  8012.  Besiet  {zie),  daer  qnam  een 
scone  eerbaer  man,  Bienb.  150a.  Bezie , dg n geloye 
heyet  di   behonden   gemaect,   Ht.   v.   1348,  59c. 

—  Laten  besien,  laten  zien,  verkalen,  ver- 
klaren. II  Apollodijn,  die  yan  den  beesten  die 
dragben  yen^jn  in  sine  boeken  laet  besien.  Nat. 
BL,  Prol.  59. 

b)  Met  een  afh.  zin.  Zien,  bemerken.  \\  God  be- 
sach,  dat  het  was  goet,  Rijmb.  197.  Als  hi  heeft 
beaien  dat,  dat  soe  daer  qnam,  18214.  Tri^anns 
die  besach  daer  wale,  dattie  poort  was  sonder  man, 
29028.  Alse  panthera  dat  besiet,  .  .  datmensinen 
hovede  yliet,  Nat.  BL  II,  3226. 

2)  Bezien,  betehouwen,  bekijken.  \\  Sich  np waert 
ende  besich  de   sterren,   Sp.  I^,  5,  25.  Betaste 


ende  besich  mine  bande,  L.  v.  J.  e.  240.  Stant  op 
ende  besich  mi  wale,  in  hoe  arm  ene  sale  ie  yan 
erden  ligghen  moet,  D.  War.  2,  352,  9.  Entie 
saken  .  .,  die  waren  in  sancta  sanctorum  binnen, 
dectemen,  dat  mense  bekinnen  niet  ne  mochte, no 
besien,  Rijmb.  5510. 

3)  Zien,  bezoeken,  opzoeken,  ||  Wouden  si  in 
Grieken  yaren  ende  besien  wijf  ende  kinder,  hi 
gaf  hem  sinen  orlof,  Jlex.  YI,  494.  Dese  riddere 
opten  tsinxendach  tote  u  qnam  ende  u  besach, 
Lane.  Ui,  3377.  D3ma  .  .  Inste  mettien,  dat  yolc 
yan  den  lande  besien ,  Rijmb.  2677.  Te  yaeme  daer 
hi  wonde  .  .,  ende  sQn  gheslacbte  besien,  15181. 
(Si)  bat  Sinte  Fransoyse  mettien,  dat  hi  den  on- 
scnldegen  moeste  besien,  JPrane.  9221.  Hadde  mi 
gestaen  mgn  moet,  die  hermitagien  niet  te  besiene, 
Sp.  III*,  27,  90.  (Die)  met  siere  mayseniede  so 
geme  besach  daerme  liede,  III',  71,  17.  Ie  wille 
yaren  ende  mgn  w\jf  besien,  III*,  77,  3.  Hierom 
Amasias  die  coninc  .  .  heeft  ghesent  tot  Jojas . . , 
segghende :  com  ende  laet  ons  malcanderen  besien, 
J).  B.  II  CAron.  25,  17. 

4)  Aanzien,  aankijken.  ||  Ogier  .  •  besag  hem 
met  een  wreet  gesicht,  Heemtk,  123. 

5)  Het  oog  vettigen  op  iett,  betehouwen;  in  fig. 
zin,  opmerken,  letten  op.  ||  Die  mensce  (sal)  besien 
alt  gut  dat  heme  g^t  gedaen  heft.  Dit  besinnesse 
brenct  den  mensce  te  Gode,  lAmb,  Serm.  62c. 
Neghene  dinc  maecte  haer  seWen  .  .,  dat  willic 
dat  elc  besie,  Naf.  BL,  Prol.  95.  Besich  Maerten 
ende  Marien ,  die  twee  ghesustren  waren ,  Wap.  Rog. 
1417.  Dat  si  lesen  mochten  die  worden ,  ende 
daer  in  oec  besien ,  wat  si  doen  souden  ende  ylien, 
Sp.  I*,  14,  68.  Dit  siet  men  alle  dage  gescien, 
hier  op  sondewi  alle  besien,  lY*,  45,  41.Alsghi 
hierna  wad  horen  sult,  wildyt  besien,  MLoep  I, 
2189.  Besich  oec  ende  merke  dat  onderscheit, 
Sp.  d.  M.  1 ,  62c.  —  Ook  zonder  dat  het  obj.  staat 
uitgedrukt,  meestal  in  den  imp.  besich,  besiet, 
d.  i.  let  op,  merkt  op.  \\  Yan  dane  telle  ende  besich, 
ende  nem  emmer  elc  yort  op  s)|n  wort,  Natuur k. 
106.  Besich,  aldus  yendict  yertogen  in  de  Éwangelie, 
Rinel.  1029.  Om  dit,  besiet,  dat  men  te  bat 
sonde  wedersecgen  daer  sQn  cronen,  Yelth.  Y,29, 
34.  Ghi  eerbaer  yronwen,  nu  besiet,  ten  hoirttot 
uwer  oerden  niet,  MLoep  lY,  949.  Die  selyerine 

Êaenre,  besie,  meent  Abylon,  Sp.  III*,  17,  68. 
lesich,  dit  gedoechde  ie  doer  di,  Luód,  1880. 

6)  Enen  — ,  iemand  in  het  oog  houden,  op 
iemandt  bewegingen  letten.  \\  Daer  nam  hi  nte  ridders 
mede,  die  de  hoede  also  besaghen  yan  dien  die 
in  den  torre  laghen,  Rijmb,  190^34. 

7)  In  oogentchouw  nemen,  itiepecteeren  in  fig.  zin; 
onderzoeken,  onderzoek  doen  naar.  Ygl.  onze  uitdr. 
zien  of.  Met  een  4den  ny.  of  een  i^h.  zin;  soms 
ook  met  eene  bepaling  met  een  yoorz.,  b.y.  na, 
omme.  ||  Omme  te  beziene  achter  de  stede tgrote 
ghebrec  ende  de  nood  yan  wercke,/i»9«»^.p.^n<^^^ 

2,  347.  Omme  tweerc  te  henene ,  Invent.  v.  Brugge 

3 ,  333.  Eenen  yroeden  wiye  die  een  wyf  besach  . . , 
joef  soe  kint  drouch,  5,  484.  Die  een  meiskin 
bezaghen  dat  yercracht  was,  ald.  Eenen  bode 
ghezendt  te  Parys  omme  te  beziene  omme  jnweele, 
ald.  2,  408.  Die  spierres  hadden  ....  besien 
dat  helighe  lant,  Rijmb.  5868.  Tien  man  .  .  .  ., 
diet  {land)  maten  ende  besaghen  beede,  6923. 
Nu  besich,  sone!  na  die  waerheid,  Yelth.  I, 
36 ,  6.  Dat  hi  te  Paqjs  wilde  yaren  om  te  besien, 
oft  hi  aldare  eenigen  meester  yonde,  YI,  3,  35. 
Ie  woude  ghi  sendet  nu  om  te  besiene  of  u  oem 
quame,  Limb.  III,  218.  (Hi)   heeft  dese  heren 


1043 


BESI. 


BESI. 


1044 


gesent  tote  a ,  om  te  besiene  ane  n  (u  te  polten)  . . , 
of  ghiere  hem  selt  gheonnen,  XII,  1053.  Besich 
dine  herte  al  omtrent,  Wap.  Mart.  I,  218.  So  die 
mensche  hem  selyen  minder  besiet,  so  sy  hem 
selyen  min  mishaget,  6.  Troon  29a.  Nym  die 
poëten  in  dijn  memori,  ende  besich  menigherhande 
historie,  MLoep  I,  119.  Hoe  ghi  snit  te  hilic 
keren,  .  .  dat  suldi  yragen  of  besien,  Tkeoph. 
(BI.)  89,  184.  Aldas  machmen  sine  cracht  besien , 
Nat.  BI.  XII ,  668.  Om  dat  si  niet  wilden  gehingen, 
datmen  meer  besage  daernare  {joX.  naar  het  graf  van 
Jlaric),  S^,  III ^,  13,  44.  Als  hij  daer  quam, 
besagen  sg,  hoe  yeel  yolks  sg  yerloren  hadden, 
Heemtt.  170.  Besich,  oft  dgns  zoons  rock  is  of 
niet,  D.  B.  Gen,  37,  32.  —  Ook  in  den  zin  yan 
keuren^  yan  vee  of  waren.  \\  Zo  wie  .  .  heeste 
daden  slaen  .  . ,  eer  datse  de  wet  yanden  ambochte 
besien  hadde,  ZVl.  Bijdr.  6,  173.  Yan  enen  bere 
te  bezien, twe  placken,  R.  v,  ütr.  1,  122,  78. De 
zine  yercken  .  .  nyet  bezien  en  liete,  ald. —  Dat 
besien  ambocht,  de  betrekking  van  keurmeester , 
ald.  (tweemaal).  Zie  ook  besienre. 

8)  Naar  iet*  uitzien.  \\  Oec  dede  Constanten  be- 
sien om  n^emare  ende  ateriden,  Segh.  11370. 
Wanneer  die  mensche  beghint  te  laenwen,  so 
ontsiet  hi  enen  cleynen  arbeit  ende  beghert  ende 
besiet  nutwendighen  troest.  Kal.  7,  162. 

9)  Overwegen^  overdenken^  overleggen.  \\  Soe  be- 
siet, wat  ghi  begaert,  ie  sal  a  helpen  an  die 
yaert,  Limb.  YI,  1573.  Doe  antwoerden  si:  Wat 
gaet  ons  dat  ane ,  besich  da ,  dat  moet  gij  zelf 
weten,  Rausb.  5,  220.  Si  seiden  hem:  wat  gaet 
ons  dat  aen ,  dat  staet  di  te  besien ,  Et.  71 ,  Matth. 
^"^i  ^  iy^^'  onze  nitdr.  dat  ttaat  te  bezien,  d.  i. 
dat  is  nog  niet  zeker,  kan  nog  een  punt  van  over- 
weging  zijn).  Dat  hi  besaghe,  wat  hi  hadde  te  doene. 
Wal.  10489.  Hoe  men  die  worde  sal  besien,  daer  men 
te  beden  met  sal  tien ,  Yelth.  1 ,  20 ,  35.  Nu  besich 
wale  .  . ,  of  dese  stat  hadde  yerdient  desen  torment , 
Alex.  YI,  469.  Wonddi  sgn  goetheit  noch  besien, 
ghi  en  soud  yan  heme  so  sere  niet  ylien,  Christ. 
1217.  Die  coninc  sprac:  besiet  wie  draghet  beide 
lettren  ende  brieye,  overlegt  wie  zal  dragen^  Ferg, 
3004.  Here,  besiet,  wat  ghi  doen  wilt,  4968.  Na 
besiet,  yroawe,  of  ghi  awe  cleder  wilt  wisselen 
jegen  mi ,  Limb.  YI,  1723.  —  Ook  als  rechtsterm.  Een 
onderzoek  over  eene  zaak  instellen.  \\  Dat  die  scepene 
besien  sullen ,  weder  die  scout  .  .  yan  Mathijs  den 
yolen  roert  dan  en  doet,  R.  v.  Utr.  2,  16.  Dat 
die  scepene  besien  sullen,  of  die  scout  roerende 
is  yan  M.,  17.  Ende  doe  besaghen  die  scepene 
ende  kenden  na  yooroirdel  enz.,  ald.  —  De  onb. 
wgs  als  znw.  gebruikt  in  de uitdr.  Besien  doen, 
hetzelfde.  ||  Dat  die  scepene  yan  deser  sake  gheen 
besien  doen  en  sullen,  mer  recht  oirdel  gheyen 
tusschen  hore  twier  tale,  ald. 

10)  Toezien  op ,  zijne  opmerkzaamheid  schenken  aan , 
acht  geven  op,  zich  iets  aantrekken,  ergens  zorg  voor 
dragen.  ||  Diat  hi  (Pepijn)  .  .  die  Roemsce  saken 
besaghe,  die  sere  tegingen  in  dien  dage,i^. III*, 

68 ,  85.  Die  paues  yan  Rome  sendde  na  dat  boden, 
diet  besagen  bi  wetten,  lY*,  27,  130.  Echtheyet 
Cosdroe  ter  were  yersament  een  mekel  here;  enen 
die  Raxaces  hiet,  gheboot  hi,  dat  hi  besiet, III*, 
6 ,  93.  Sijn  lant  besien  ende  achterwaren ,  Yelth.  I Y, 

69,  3.  Entie  dat  yolc  souden  besyen ,  J^ym^.  10980. 

11)  Verzorgen,  voorzien.  Met  den  4den  ny.  yan 
den  pers.  ||  Elkeriyc  pijndem  yan  dien,  hoe  hi 
hem  dienen  mochte  ende  besien,  soe  dat  hem  ne 
gene  saken,  yan  die  hem  bedorsten,  gebraken, 
Jjanc.  III,  9059.  Die  ander  werclude  die  sal  hite 


werke  schichten  (d.  i.  schicken)  ende  sal  die  be- 
sien an  hore  noetaorften,  D.  Orde  291. 

Onz.  —  Toezien,  zorg  dragen.  \\  Besiet,  dat 
Beinaert  met  u  come,  Rein.  I,  1017.  Besiet,  dat^ 
hebt  een  sweerd,  Lane.  III,  18464.  Ie  can  bet  in 
alre  wysen  besien  om  ons  heer  te  spysen,  Troge» 
f.  84^.  Besich,  dattu  alle  dieteykenen  .  .  doeste 
yoer  Pharao,  D.  B.  Exod.  4,  21.  Besiet,  dat  ghi 
mijnen  saterdach  wachtet,  ald.  31,  14.  Ondersoect 
ende  besiet ,  dat  onder  u  nyemant  en  si  yan  sheren 
knechten,  II  Kon.  10,  23.  Yaert  wech  ende  besiet, 
dat  u  here  morghen  come,  Limb.  YUI,  1468.  — 
Ygl.  ook  bfl  be&.  1),  5)  en  7). 

Wederk.  —  Hem  besien. 

1)  Zien,  uitzien,   uitkijken,  een  kijkje  nemen.  || 
Hi  sende  enen  bode  tot  yor  de  stede  heymelicdie 
hem   besaghe,   hoe   dat  there   ghelogiert   lagbe, 
Limb.   YIII,   274.   Ie   wille   mi  noch  bat  besiea, 
eer  ie  mi  te  huwen  wille  tien,  X,  313. 

2)  Inzien,  bemerken.  ||  Wel  besiet  hem  des  de 
yader,  dat  wederroupen  dans  niet  algader,  F^om. 
705.  Ten  keeme,  eer  hi  hem  besach,  ontftnc  hi 
scade  al  ombewaert  achter  in  sgns  heren  staert, 
Sp.  lY*,  24,  58. 

3)  Zich  onderzoeken,  en  hg  uitbreiding  to/ «litffr 
komen.  ||  So  die  mensche  hem  seWen  minder  besiet, 
so  hy  hem  selyen  min  mishaget,  O.  Troem  29a. 
Wiltu  di  selyen  niet  besien?  Theoph,  1068.  Alsta 
beghins  di  te  besien,  waenstudanyindenghenade? 
1100.  Twine  besiestu  di,  sondich  man?  1106. 

4)  Zich  in  acht  nemen.  ||  Al  dies  selfs  u  vel 
besiet,  Rijmb.  25686  (lat.  vigilai^).  Dat  ghi  ■ 
selyen  niet  bat  en  besiet!  Lansl.  182.  Lanseloet, 
ie  wille,  ghi  u  bat  besiet,  196. 

5)  Toezien,  opletten.  ||  Besiet  n,  yraer  ghi  ■ 
fundament  op  sticht,  MLoep  I,  3224.  Dat  ghi  u 
claerlick  moecht  besyen,  eer  ghi  mit  desen  of  mit 
dien  in  minnentliken  banden  trect ,  3233  var.  Coemt 
yoert  ende  besiet  u  bet,  Segh.  437. 

Aanm.— l)Besien,  7Vï/'.<>p3ir.  71:  «Decroone 
die  met  yijf  tacken  wert  ghezien ,  die  mach  men 
up  eenen  coninc  dé'jnAft,"yerandere  menin  betien, 
d.  i.  betrekken,  betrekkelijk  maken,  toepassen.  Zie 
bij  BETIEN. 

2)  Hem  besien,  Beatr.  980:  „Bepeinst  u  wel 
ende  besiet  yolcomelijc  yan  uwen  souden ,"  yerandere 
men  in  hem  belién.  Zie  HEM  belien,  kol.  85S. 

BESIEN,  deelw.  bnw.  yan  besien  (zie  ald.). 
Gezien,  geacht,  geëerd;  lat.  conspicuus.  ||  Die  Zee- 
landers deden  daer  yeel  manliker  daden ,  ende  die 
Hollanders  warden  daer  so  wel  besien,  datmeas 
hem  menigen  (/.  menige)  eer  sprac,  zij  lieten  siek 
van  eene  zoo  gunstige  zijde  zien^  kennen,  Clere 
126.  Die  ayenturen  die  hen  gescieden  teldi  daer 
yoer  al  die  lieden,  dies  was  M  daer  sere  besiea, 
Lanc.  II ,  47093. 

BESIENNESSE,  znw.  o.  Beschouwing.  Zie  eea 
yoorbeeld  b^  besien,  bedr.  5). 

BESIENRE    (besiere^,   znw.    m.    Van    ietiem. 

1)  Opzichter.  ||  Den  tolscr^yer  ende  besiere  bb 
ther  tgt  wesende,  Nijh.  4,  318.  Tolners ,  besieres, 
schrQyers,  tolknechte,  321.  B^  onsen  tolner,  be- 
sierre  ende  tolschryyer  ...  tot  Lobeth ,  259  twee- 
maal. Dat  die  misyoerders  misse  sullen  moegen  ladei 
alle  die  weecke  door,  uytgesondert  den  lestea 
werckdach,  ten  waere  of  die  besienre  een  andera 
dach  leyde,  K,  en  O.  v.  Delft  122,  47.  Ten  xi 
dat  hij  eerst  .  .  den  besienre  yander  stede  wegei 
te  kennen  gegeyen  sal  hebben,  enz. ,  113 ,  48.  Dat  die 
misscheyoerders  . .  den  besienre  gehouden  snUen  s§« 
hoerl.  geit  .  .  te  brengen  binnen  sijn  hnyB,«/i^^. 


1045 


BESI. 


BESI. 


4046 


2)  Kêurmeetier,  vitUeur.  \\  Dies  sal  de  beziere  {van 
de  beêtten  die  getlaeht  worden)  yan  den  ambochte 
hebben  van  eiken  vetten  zwine,  dat  hi  beziet, 
twaelf  gnroten  parisis,  ZVl.  Bijdr,  3,  278.  Waert 
dat  de  beziere  voorscreyen  meer  name,tfM.  Yoert 
selmen  dien  bezienre  eden  .  .,  ende  gheyielenich 
ffhebrec  daerin,  also  yan  dien  beren  ofte  yercken, 
de  bi  bezien  badde,  dat  sonde  die  bezienre  ver- 
beteren,  K  V.  Utr.  1,  122,  3.  Eer  hi  den  bezienre 
yoldaen  hadde,  ald.  Des  die  besienre  goet  geschonwet 
heeft  yoir  den  knoep  ende  qnaet  viel  yoirden  knoep, 
so  sonde  die  besienre  dat  den  Inden  yerstoeren, 
123,  78. 

BESIERE.  Zie  besienre. 

BESIGEN  (besiogen  ,  besegen  ;  wel  te  onder- 
scheiden yan  beiden,  d.  i.  beteggen  (zie  ald.)),  zw. 
irw.  bedr.  (niet  b^  Lubben). 

1)  Gebruiken. 

a)  Gebruiken^  aanwenden  tot  een  bepaald  doel, 
gebruik  maten  van.  Met  eene  concreete  zaak  als 
yoorw.  11  Alle  die  vaten  die  te  besighen  behoerlic 
vraren,  D.  B.  Exod.  38,  3.  Een  man  en  sal  eens 
wijfii  cleet  niet  bezighen,  Beuter.  22,  6.  Daer  hi 
in  die  sacristie  was,  so  en  besichde  hi  nye  des 
biscops  zetel,  Ned.  Prosa  232.  Die  colomme 
ende  dandre  chlerhede  hilt  hi  te  beseghene  tere 
ander  stede,  Rijmb.  10067.  Elc  bezeghe  sine 
bande  ende  laet  ons  slaen  elc  andren  doot, 
34722.  De  selveren  lepels ,  die  men  in  den  reefter 
besicht,  Belg.  Mus.  6,  163.  Eenen  silveren  croes , 
om  te  beseghene  als  sy  siec  waren,  ald.  Oec  ne 
connen  zQ  niet  gecrighen  kerssen,  slapen  mede  te 
gane  ofte  te  wat  zaken  dat  z^se  te  beeseghene 
hebben,  7,  89.  Noch  yier  noch  panne  te  beseghene, 
ZFl.  Bijdr.  6,  164.  Die  meede  bezichde  ende 
yrrochte  zonder  alnnn,  ald.  171.  Met  den  besten 
ammelakene  .  .,  potte  .  .,  nappe  .  .,  scotele  .  ., 
lepel  .  . ,  scrine  .  . ,  kiste  .  . ,  stoel . . ,  cnssen . . , 
ketel  .  .,  dat  men  pleght  te  beseghene,  Cor.  v. 
JMw.  61.  Het  doet  minne  ende  niet  el,  die  n 
besegen  doet  die  oeghen,  Limb.  XI,  830.  Dat 
ghi  .  .  nwe  oren  (selt)  beseghen  mere  dan  n 
tonffhe.  Boet.  1 ,  305.  Behouden ,  bezitten ,  bezingen 
(/.  besighen)  ende  ghebrnken  .  .  dat  yoersz.  goet, 
Oorkb.  2 ,  410d.  Anders  en  sonde  dese  wjjse  meester 
.  .  dese  costele  medicinen  daer  niet  aen  gebesiget 
hebben,  Bern.  W.  58a.  —  De  onb.  wQs  als  znw. 
Gebruik.  ||  Dat  gheene  voercoepers  .  .  plancken 
coepen  en  selen  .  •  .,  het  en  zQ  te  haers  selfs 
beseghene,  Cor.  v.  Jntw.  60.  Yan  der  .  .  aerde 
maeS  hi  vaten  te  besighen  (ad  usus  noetrot) ,  D.  B. 
Boee  d.  Wijih.  15,  7.  Alsnlken  dinc  en  saldi  tot 
nwen  besighen  niet  maken,  want  het  is  heilech 
den  here,  Exod.  30,  32. 

b)  Gebruiken,  eten.  ||  Den  genen  die  steeds  veel 
heter  cmden  besighen,  Barthol.  91b.  Dat  sy  niet 
gebesicht  en  heeft  anders  dan  als  voirscr.  staet 
ende  nn  niet  en  besicht,  D.  War.  3,  83.  Die 
wormen  en  sonden  dat  plaester  niet  znghen  noch 
beslgen,  84. 

é)  Gebruiken,  betteden.  ||  Hoe  men  r^cheit  be- 
eeghen  sal,  Boet.  II,  2511  titel.  Ach  .  .  hoe 
beeeghet  tvolc  sinen  gheleenden  tyt,  OFl.  Z4ed. 
e.  Ged.  436,  1. 

d)  Gebruiken,  toepasten,  in  praktijk  brengen,  uit^ 
Oefenen.  Met  eene  abstracte  zaak  als  voorw.  ||  Men 
besicht  mi  \^edene)  zelden  daer  men  mach,  OVl. 
Lied.  e.  Ged.  399,  92.  In  allen  tiden  ende  overal 
men  gherechtecheit  beseghen  sal.  Boet.  III,  55. 
Ic  sal  an  n  tronwe  groet  beseghen  tote  in  mine 
doet,   lAmb.   YI,   1405.   In  can  nerghent  vinden 


minne,  daer  men  in  besecht  tronwe,  Vad.  Mut.  1, 
310,  91.  Over  de  fortse  ende  wille,  die  hy  sinen 
molensere  hadden  ghedaen  bezeghen  te  Untkerke, 
Oron.  V.  Vlaend.  2,  69.  Zonder  ongheordineerden 
wille  {willekeur)  of  jonste  derin  te  beseghene, 
ZVl.  Bijdr.  4,  5.  No  datter  niement  wille  of  jonste 
in  beseghe,  ald.  6.  Dat  negheen  van  hem  beeden 
hier  in  eenighen  wille  besigghen  of  voorderen  zal, 
Invent.  v.  Brugge  3,  382.  Dair  moet  die  priester 
snbtylheit  ende  synnicheit  in  besigen ,  V.  War.  3 , 
84.  Die  wreetheit  sgnre  gherechticheit,  die  hg 
ghebesicht  heeft  yeghen  die  sondaren  sQne  vyanden, 
B.  B.  Prol.  b.  Daer  van  eren  ende  van  wgshede 
te  besighen  was,  waar  het  zaak  wat  in  eer  en 
wijtheid  te  handelen,  Bein.  II,  4822  (nitg.  v. 
Willems ;  bt)  Martin  4810).  Nemt  ware ,  dat  ghi 
nwe  ghereghtheit  nin  besegt  vor  de  menschen  op 
roem,  Z.  v.  J.  e.  42.  Yan  der  .  .  neringen,  die 
menege  onteert  (/.  anteert)  ende  gebeseecht  (/.  gebe- 
secht)  heeft,  Brab.  Y.  Dl.  1,  bl.  724. 

e)  Even  als  het  tegenwoordige  ^^^nft^M ,  met  den 
4den  nv.  eener  vrouw.  Vleettchelijke  gemeentehap 
met  haar  uitoefenen.  ||  Lichte  wi ven ,  die  hen  laten 
besighen  om  geit,  Betchr.  v.  Haarlem  I,  178, 
aangeh.  door  Yan  Hasselt  op  Kil.  63.  Ygl.  bQ 
BESICU,  1). 

2)  Evenals  het  hd.  brauehen  de  bet.  van  be- 
hoeven, noodig  hebben  heeft  aangenomen,  zoo  ook 
het  mnl.  betigen.  \\  Mgn  vranwe  ne  gheeft  gheen 
werc  so  cleene,  ten  besicht  de  zinnen  wel  alleene , 
OVl.  Lied.  e.  Ged.  358 ,  1279.  Wye  dat  poot  alsnlken 
boom,  men  bezichter  nanwe  toe  te  sien,  Hild. 
176,  101  (vgl.  het  öloss.).  Indien  de  voors.  van 
onse  stede  van  den  Brielle  dat  selve  afgesteken 
land  niet  en  behonfden  of  besichden  tot  hare 
voors.  boosem  .  .,  mair  dat  lieten  liggen  ver- 
landende  ende  niet  besygende  {gebruikende) ,  Priv.  v. 
Brielle  2,  100. 

BESINÖELEN,  zw.  ww.  bedr.  Yan  tingel,  d.i. 
kring.  Omtingelen,  omringen,  int  luiten.  ||  Hier  en 
binnen  qnamen  die  hertoge  aen  deene  syde  ende 
die  here  van  Bavensteyn  aen  dander  side  ende 
besloten  ende  besingelden  dat  here  al  omme, 
Exe.  Cron.  211a.  (Hi)  heeft  ter  stont  een  deel 
volcx  genomen  ende  heeftse  al  omme  besingelt  ende 
verslagen,  ald.  b.  Mer  sy  en  besinghelden  Tymo- 
thenm  in  dien  steden  niet,  D.B.UMaeeab.  12,  IS. 
—  Ook  in  fig.  zin.  ||  Dat  die  hoecheit  der  werelt 
alomme  mit  verdriet  besingelt  (is),  D.  Fisr.  6,199. 

Aanm.  —  Besinghelt,  Brand.  {H)  948  en 
962  moet  veranderd  worden  in  besinget,  d.  i. 
besenget,  zwart  gebrand,  vertehroeid.  Zie  op 
besengen. 

BESINGEN.  Zie  besengen. 

BESINOEN,  st  WW.  bedr.  {betanc,  betongen, 
betongen).  Mnd.  betingen;  mhd.  betingen. 

1)  Een  liet  besingen,  een  lied  zingen  {ten 
einde  toe).  \\  Daer  na  moest  {het  lied)  bezongnen 
wesen,  OVl.  Lied.  e.  Ged.  296,  1844. 

2)  Ene  kerke  besingen,  den  dientt  in  eene 
kerk  waarnemen,  er  de  mit  bedienen.  ||  Die  kerke 
die  bezanc  aldare  >  Jheronimns ,  Sp.  III*,  27,  16. 
Dat  Allaerd  van  den  stienhnze  die  kerke  van  Oest- 
wonde  besinghen  doe.  Mieris  2,  211  a.  Waer enich 
pape,  die  sine  kerke  niet  en  besonghe  noch  be- 
singhen en  dede ,  so  sonde  die  deken  in  die  kerke 
enen  anderen  pape  setten,  213  a. 

3)  Ene  capelrie  heBingen,  voor  eene gettor- 
vene  eene  lijkmie  zingen.  Deze  mis  werd  gewooniyk 
gebonden  in  de  kapel  waar  de  doode  begraven  lag ; 
in  de  kosten  daarvoor  was  voorzien  door  den  over- 


1047 


BESI. 


BESI. 


1048 


ledene,  op  wiens  verlangen  de  mis  werd  gehouden. 
Vgl.  Lexer  1,  216.  ||  Twintich  pond  sjoers,  .  .  . 
tote  ene  (/.  ere)  capelrie  behoef,  te  besinghene 
alle  daghe  in  die  capelle,  daer  hi  leghet,yorsine 
ziele.  Mieris  2,  197a.  De  capelrie  ...  die  ver 
Lisebette  Buekels  .  .  .  sette  te  besinghene  in  die 
kerke  te  onser  Vrouwen  te  Biervliet,  ZVl.  Bijdr. 
4,  216.  (Si)  gaven  viere  gemete  lants  ...  ter 
capelriën  boef  in  die  kerke  van  Watervliet,  ende 
tsgeens  boef  diere  (/.  diese)  besinghen  sal  ende 
diere  toe  gewiet  wort,  Vod.  Mus.  2,  369.  Welken 
tiden  dat  die  capellaen  gewiet  es  ende  hise  be- 
singhet,  370.  Van  eenre  halver  tienden  .  .,  de 
welken  miin  here  miin  vader  .  .  gaf  .  .  der  vor- 
seider  abdiën  van  Bodelo  ervelike  teenre  capelriën 
bouf  te  besinghene  ewelike  in  den  vorseiden 
closter  over  zine  ziele,  3,  436.  —  Enen 
doden  beslngen,  voor  een  gestorvene  eene 
lijkmis  zingen^  mjne  uiioaart  vieren.  \\  Met  dien 
besinghen  sy  den  verstorven  ende  zgn  siele 
sonde  also  wel  geholpen  zfjn,  Seb.  Franck, 
aangeh.  bij  Huyd. ,  Froeve  3,  36.  Vgl.  Rein,  I, 
440—460. 

BESINNEN,  st  en  zw.  ww.  bedr.  en  wederk. 
Mnd.  èesinnen;  mhd.  besinnen. 

Bedr.  —  1)  Verzinnen^  uitdenken.  \\  Datnyemant 
inden  hemel  noch  inder  eerden  groters  bedencken 
noch  besinnen  en  can,  O.  Troen  33  <^. 

2)  Begrijpen^  bevatten.  \\  Die  dit  al  bezinnen 
wonde  .  .  .,  synre  herten  wert  een  razen ,  V Bomen 
163.  Wie  mach  die  ghenoechelicheit  besinnen  of 
bekennen,  G.  Troen  61a.  Al  snlkes  wonder  des 
groten  heer,  ten  can  gheen  man  besinnen,  Ror. 
Belg.  10 ,  62. 

3)  Zijn  zinnen  op  iets  zetten,  beminnen.  \\  Van 
tghene  dat  ick  meest  besinde  .  .  . ,  dat  is  dat  ick 
gheen  beter  en  vinde  dan  wel  te  doen  ende  vrolijck 
te  sijn,  i§>.  d.  J.  213.  —  Condijt  te  rechte  besinnen , 
lief  ende  leet  ghetroost  te  sQn  ende  God  alleen  te 
minnen.  Hor.  Belg.  10,  107.  —  In  de  17de  eeuw 
algemeen.  Vgl.  Oudem.  1,  688. 

Wederk.  —  Hem  besinnen,  {ergens  op)  be- 
dacht zijn,  gedenken.  \\  Op  dat  die  mensche  mit 
vrien  moede  hem  soude  besinnen  ende  leren  Gode 
te  dancken  ende  te  eren,  N.  Versck.  4,  84,  4.  — 
Het  verl.  deelw.  besonnen  wordt  volkomen  in 
denzelfden  zin  gebruikt  als  bedacht  (zie  ald.). 
—  Vandaar  de  uitdr.  besonnen  syn,  d.  i.  be- 
dacht zijn;  zie  ald.,  kol.  609,  *).  ||  Merct  hoe  sijn 
si  dan  besonnen,  dien  selve  te  voren  es  ghe- 
wonnen  beide  van  moeder  ende  vader,  ende  nu 
verdorret  staet  alle  gader,  Hild.  30,  293.  —  Thans 
alleen  als  bnw.  in  gebruik,  uitsluitend  met  de 
ontkenning,  onbezonnen,  d.  i.  onbedacht. 

BESIT,  znw.  o. ,  in  den  verb.  nv.  besitte  en  besete; 
mv.  beseten  en  besitten. 

1)  Van  besitten,  in  den  zin  van  belegeren,  zie  ald.  8). 
Beleg,  belegering.  Vgl.  beset,  znw.  3).  i|  Beide  voet- 
ganghers  ende  te  paerde ,  als  behoort  ten  besit  van 
Malpertuus,  Rein.  II,  3746  (de  uitg.  v.  Willems 
heeft  VS.  3765  besef).  Al  was  dat  besit  lanc, 
Brab.  Y.  V,  3786.  Men  soude  die  stat  harde  saen 
van  dien  groeten  besitte  ontslaen,  Edew.  1731.  So 
dat  die  grave  van  Hollant  daer  om  siin  besit  van 
Utrecht  brac ,  Cl^c  69.  Boerende  van  den  besitte , 
Oorl.  V.  Albr.  64.  Enen  scipman  die  .  .  .  alle  den 
tijt  mede  binnen  Dockem  in  den  besitte  bleef,  ald. 
226.  In  onsen  bezitte  voir  Haegenstein ,  V.  d.  Wall , 
391.  (Hi)  brac  van  den  besit  van  Utrecht  ende 
quam  mit  groter  macht  ende  besat  des  Hertogen 
Bosch,  Matth.  Anal.  3,  117.  Boelof  .  .  .  bracsyn 


besit  van  Groningen,  137.  Die  Kennemaers  brakei 
op  van  den  besitte,  176.  Grave  Ghye  leeghden 
voor  Zierickzee  met  al  te  zwaren  besete ,  Belg.  Mus. 
4,  204.  In  reysen,  in  daghelixen  orloghen  ende  ia 
beseten,  Nijh.  2,  116.  Daer  toe  snelewi  ...  tot 
desen  besete  seynden  driehondert  manne,  127. 
Wilke . .  ghewapende  lude . .  suelen  mitten  gbenen . . 
die  den  hulpen  ghesonnen  heeft  .  .  in  den  besete 
ende  in  der  reysen  ende  in  den  daghlixen  orloghe 
bliven,  dat  beseet  (/.  besif)  ende  die  reyse  ende 
dat  orloghe  uyt,  129.  Dat  besit  van  Culenborck 
breken  of  beletten,  164.  Oft  zaec  weer,  dat  enniek 
besette  (/.  besit)  van  ons  verbonden  .  .  gheviele, 
3 ,  44.  Ander  werken  ridderlike  bedreef  men  daer . . , 
als  in  selken  besitten  altgt  die  coene  gheeme 
ghewoonlijck  sgn  te  doene,  Brab.  T.  VU,  15501. 
Binnen  den  tiden  van  desen  besitte,  16505. 

2)  In  de  tegenw.  bet.  Bezit.  |)  So  sullen  wy  heren 
Gheryt  ende  sinen  erven  in  den  bezete  van  dea 
voirscreven  lande  .  .  .  stareken  ende  gehulpick 
wesen,  Mieris  4,  413.  Ende  man,  w^f,  dochi^ 
voorseyt  siin  in  helen  besete  hoor  echtscaps  ende 
goeden  naems  tot  in  hore  alre  doot,  R.  v.  üir.  % 
148.  Van  allen  goede,  des  die  persoen  ...  in 
besitte  ende  in  were  was,  5.  Ende  Willam  .  .  . 
des  eyghendoms  ende  der  husinghe  lange  jarea 
in  besit  ende  in  weren  gheweest  heeft,  47.  Also 
alse  hi  besitte  daerin  was,  ald.,  e.  e. 
BESITTELIJC.  Zie  het  volg.  art 
BESITTELICHEIT  (besitlicheit),  -hede  ;anw. 
vr.;  mv.  -heden.  Van  besittelgc,  d.  L  üo^  i«^ 
bezit  behoorende.  Vgl.  Lexer  1,  218:  betitzUck  fmoL 
Bezit,  eigendom,  bezittingen.  \\  (Hi)  ghinc  .  .  al 
droevich  heen,  want  hi  hadde  vele  besitlichedea, 
Hs.  71,  Matth.  19,  22  (vgl.  Hs.  Svang.^  Mare. 
10,  22:  Hi  was  vele  besittelicheit  hebbende;  aUL 
Matth.  19,  22:  vele  besittelicheden).  —  Ook  in 
den  zin  van  gehechtheid  aan  bezit  va»  aewdsche 
goederen,  aan  het  aardsche.  \\  Also  snlstu  alle  besitte- 
licheit .  .  uut  d^nre  woestinen  des  herten  pinen 
te  verdriven,  Stemmen  148. 

BESITTEN,  st.   ww.  bedr.  en  ons.  {besai,  be- 
saten, beseten).  Mnd.  besitten',  mhd.  besitsen, 

Bedr.  —  1)  Het  trans,  zitten.  Op  iets  zitten.  \\ 
Negheen  wilt  voghel  sonder  dit,  leest  men  dat 
te  wintere  besit  sine  eier,  NtU.  BI.  UI,  521.  Als 
si  drie  weken  beseten  siin  {de  eieren)^  soe  comen 
daer  enken  uut,  Mandev.  /.  126.  In  die  steei- 
roetse  is  een  voghel,  die  altyt  sinen  nest  bent, 
Qest.  Rom.  e.  17.  —  Enen  stoel  besitten, 
in  fig.  zin ,  op  een  troon  zitten.  \\  (Dat)  hi  omtrent 
derdalf  jaer  den  Boemscen  stoel  besat,  cf  dem 
pauselijken  troon  zat,  Sp.  UI*,  63,  19. 

2)  Voor  een  of  ander  doel  zitting  houden ;  eig. 
bij   {be)  iets  zitten.  In  deze  beteekenis  komt  U- 
sitten   met  houden   overeen.   Vgl.  Noordew.    333, 
337,   364,  waar   men   o.  a.  de   uitdr.    heewutede 
besitten   ende  houden  vindt.  |]  Venus,  wacr 
ghi  u   hof  besit  (d.  i.  hof  houdt,  uwen  zetel  hebt 
opgeslagen) ,  ocht  waer  ghi  soe  machtich  snt ,  daer 
moetic  emmer  tenegher  tyt  comen  oec  ende  bi  a 
wesen,  Fad.  Mus.  1,  312,  174.  Die  keiser  wart 
beraden    also,    dat   hi    wonde    besitten    doe   om 
keiserlike  consistorie,  Edew.  312.   De  manne  die 
de  wettelike  gaderinghe  besitten  ende  horen  sulln, 
Gendseh  Chtb.  21.  Zoo  ook  85.  —  Vooral  als  reeht*- 
term ,  met  verschillende  obj.  verbonden ,  b.  v.  r  e  c  h  t, 
oordeel   enz.  j{  Om   daghelix   recht   van  aculde 
of  van  slechte  smarte  te  besitten,  Matth.  46.  Dair 
men  daghelix  tot  gheteekenden  behoirliken  tydn 
recht  besit,  76.  Dair  men  recht  besit,  123,  179. 


i04Ö 


BESt. 


ÊÈSl. 


i05Ö 


Yan  leemten  sal  men  trecht  besitten  ende  dinghen, 
als   .   .  yoren  wel  gheseit   is,  312;  vgl.  D.  War, 
2,  117:  Oock    sal   men  van   sheeren  vege  recht 
besitten    met   sonnendaegschen   ban,    als   yemant 
recht  begeert  (a.   1666).  De  heeren  ende  de  stad 
op   morghen,    omtrint   der  tweeder  neren   nader 
noenen,    besitten   snllen   een   eninghe   op  {ziUvng 
Aoudgn   voor  een  overeenkomst  mei)  de  ghene  die 
honden   ende  leyen  op  vronwen  van  lichten  leven 
enz.,  Fad.  Mus.  3,  67.  Te  Josepat  in  dat  soete  dal, 
daer  God  sijn  oerdeel  besitten  sal,  Olor,  33.  Dan 
sftlment  (vonnis)  besitten  metten  rechter  ende  ses 
mannen.  Mieris  2,  305.  Hy  verzoende  binnen  den 
tyt  dat  scepenen  tfaict  bezaeten ,  Cout  v,  Oent  664. 
—  Die   waerheit  besitten,   soms  ook   ene 
stille  waerheit  besitten,  eig.  zUting  houden 
voor  het  doen  van  een  onderzoek^  het  houden  van 
eene  enquête  (zie  WAERHEIT),  het  nemen  vanpreee- 
dente   informatie.    Dit   geschiedde   over   bepaalde 
zware   misdreven,  alleen  door  *s  Graven  baljnws 
of  rechters,   soms    ook    door   schepenen,   die   in 
de  plaatsen ,  onder  hnn  gebied  gelegen ,  een  plech- 
tigen   omgang  hielden   en   hier   en   daar  zochten 
uit  te  vorschen ,  wat  er  tegen  *s  Graven  recht  en 
hoogheid  was  geschied.  Zie  Y.  d.  Wall  80 ;  Hnyd. 
op  Stoke  YI,  297;  Yan  der  Eyck ,  .B«<?)ir.  r.  Zuirf- 
Holland  119,  en  een  voorbeeld  van  het  „bezitten 
eener  (stille)  vraarheid,^'  ald,  389.  ||  Yan  vrede- 
brake,  van   bemfter   dieften,   van  moorden,  van 
kraften  van  vronwen ,  van  alre  overdaet  ende  feyten 
honden  wy  aen  ons  selven  of  wien  wyt  bevelen, 
de  waerheit  daer  af  te  besittene  mitten  scepenen, 
die   daer  geene  partie   in  en  dragen.  Mieris  2, 
6d9«  (a.  1340).  Waert  dat  hem  yemant  ter  waer- 
heit verwillekenrde  .   .,  soo  sonde  onsen  baillin 
die  waerheit  besitten  mitten  ambachtsheren,  7105 
{a,  1346);  vgl.  7125.  Die  waerheyt  sal  onse  baillin 
besitten  met  synen  clerck  ende  metten  ambochts- 
heeren,  Ilandv.   v.    Watert,   Aa,   Yoort   en   snllen 
wy,  ofte  niemant  van  onsen  wegen,  stille  waerheit 
besitten  binnen  onse  landen,  het  en  waer,dathen 
eenigerhande  Iniden  onderlinge  of  tegens  ons  ver- 
willekenrden  ter  waerheit  te  blyven  enz..  Mieris 
2 ,  7105.  Dat  hem  lief  si ,  dat  men  hoert  ene  stille 
waerheit  van  swaren  dinghen ;  de  scepene  wondent 
wel  ghehingen  .  .,  op  ene  vorwaerde,  dat  scepene 
de    besitten   sonden,    Stoke   YI,   296.    Soe   waer 
datmen   die   waerheyt  {in   een   dootslag)   besitten 
sonde ,  .  .  dattet  sonde  sijn  in  een  hnys  of  in  een 
kerck  besloten  met  eenre  opene  doer,  ende  dathy 
daer   voren   staen   sonde   met  synen  magen  ende 
vrinden,   O,  B,  v.  Dordr,  2,  302.  Dat  die  baelin 
die  waerheyt,  dien  hy  daer  beseten  hadde ,  datmen 
die  aldaer  inder  selver  vierschaer  openbaeren  ende 
nnten  sonde,  ald,  Ygl.  ald,:  „als  een  baelin  over 
die  waerheyt  ginck  si t ten." In  elcken ambocht  sal 
die  baelin  een  stille  waerheit  besitten ,  eens  sjaers 
ende  niet  meer.  Mieris  2,  315  {a,  1303).  —  Ook 
in  bet  pass.  wordt  besitten  in  deze  bet.  gebmikt. 
11  Die  waerheit  was  doe  beseten,  Stoke  YI,  316. 
Andere  qnade  faicten   ende  die   beseten  worden 
met  zeven  scepenen,  qtn  se jupentpar sept éehevins^ 
d.    i. :   waarover    zeven  schepenen    ffezeten,  zitting 
gehouden  hebhen  y   Cout.  v,  Oent  663.  tScependom, 
dair  die  vierschair  mede  beseten  was,  die  in  de 
vierschaar  gezeten   hadden  ^  sal    die   clerc   al   be- 
flcriven  in  der  steden  boec,  Matth.  218.  —  In  dit 
Toorbeeld  komt  beseten  in  bet.  ongeveer  overeen 
met  bes  et,   van   besetten\  z.   ald.  en  vgl.  Heim, 
917  en  918. 

3)  Ve  ruimte  van  iets  innemen^  eene  plaats  beshum^ 


in  iets  zijn]  ook  bewonen,  ||  Een  serpent  den  corf 
besat,  was  in  de  mand,  Sp,  UI',  83,  44.  Die 
sonden  daden  dat,  dat  haer  (der  stad)  name  sere 
es  vergeten  ende  van  lettel  lieden  beseten,  raro 
incoUtur  habitatore ,  Sp,  II*,  36,  14.  —  Zie  ook 
BESETEN,  2). 

4)  Jhor  zitten  beiomen ,  oploopen ;  vgl.  BEGRIPEN , 
BEOAEN,  BELOPEN.  ||  Beter  is  beseten  schande, 
dan  schande  belopen,  Hild.  21,  44;  Hor,  Belg,  9, 
10,  134:  Peijus  eurrendo  vieiumfit  quam  residendo, 

6)  Iet  — ,  op  iets  gaan  gitten^  in  bezit  nemen, 
bezetten]  vgl.  bi|  sitten. 

a)  Eigeniyk.  ||  Daertoe  hadden  si  allomme 
beseten  doe  dat  sitten,  Lanc,  III,  9130.  Alse  die 
hinne  haer  kiekene  broet,  heeft  hijt  (God  heC)  al 
beseten  (in  de  dnbbele  bet.  van  „hy  zit  op  alles, 
beschermt  alles  door  er  plaats  op  te  nemen,"  en 
„hij  bezet  alle  plaatsen,  is  alomtegenwoordig"), 
Wap,  Mart,  I,  307.  —  Den  aften  stoel  be- 
sitten, den  wettigen  stoel,  den  rechterstoel  innemen, 
Westfr,  Dingt,  7 ,  e.  e.  Zie  verder  bij  Aft. 

5)  Fignnrlgk.  Eene  plaats  innemen,  zich  daar 
nederzetten',  vgl.  3),  waar  evenwel  het  feitelQke 
innemen,  de  daad  reeds  geschied  was.  ||  Soe 
comter  twifel  inne  ende  besit  die  selve  stat,  daer 
si  weet  dat  ie  ben  comen,  Vad,  Jft».  1,311,127. 

e)  Yan  landen,  steden,  enz.  Innemen,  veroveren, 
in  bezit  nemen,  |)  Doe  die  kersten  die  stadt  besaten, 
so  waren  daer  tnsschen  drie  ende  vier  hondert 
kercken ,  die  al  gedestmeert  waren ,  Exc,  Oron.  100c. 
Men  begat  sQn  lant  van  Amon  tot  Jobac ,  D,  B,  Nitm, 
21 ,  24.  Ende  Israhel  versloech  desen  oec  mit  sinen 
sonen ,  ende  al  sQn  volc  tot  dattet  al  doot  was  ende  si 
^  besaten  sgn  lant,  ald,  vs.  36.  In  desen  tide  besaten 
wi  dat  lant  van  Aroer,  Deuter,  3,  12.  Die  kinder 
van  Israhel  die  nnt  Egipten  qnamen,  besaten  syn 
lant,  a^.  4,46.  —  Hetpf.  ie  hebbe  bes  e  ten  bet 
dns  eig.  ik  heb  in  bezit  genomen,  d.  i.  ik  heb  m 
besit,  \\  Uptie  felle  Wandalen  .  .,  die  tlant hadden 
in  langen  tiden  beseten  met  haerre  ghewelt,  Sp, 
III»,  26,  81. 

</)  Een  hart  — ,  het  innemen,  veroveren,  |)  Syt 
willecome,  Gloriant!  ghi  hebt  beseten  die  herte 
mQn,  gij  hebt  mijn  hart  veroverd;  g^  bezit,  zijt 
meester  over  mijn  hart,  Olor,  630. 

e)  Het  bezit  over  iets  verkrijgen,  ||  Wie  hevetnu 
dat  lant  beseten?  Ie  wille  dat  wel  weten,  dat 
tlant  sonder  oer  bleef  daer,  lamb,  YI,  2691  (het 
pf.  heeft   ook  hier  weder  de  bet.  van  een  praes.). 

/)  In  het  alg.  Ontvangen,  bekomen,  ||  Wi,  die 
den  last  hebben  gedragen  den  dach  al  dore  in  der 
hitten,  wine  connen  den  loen  niet  besitten,  Sp, 
II*,  76,  32  (nihil  consecuti  sumus;  de  var.  heeft 
gehitten,  dat  de  voorkeur  verdient).  Datse  .  .  van 
den  vegevier  verlost  sonde  werden  ende  die  vruecht 
der  hemelen  besitten,  Bxe,  Cron,  ^Id, 

6)  Enen  — ,  iemand  in  zijn  bezit  krijgen,  tn 
zijne  macht  brengen, 

a)  Eigenlgk.  ||  Doet  wech  (o  Gk>d)  onse  qnaetheden 
ende  onse  sonden  ende  hwii  ona(nosguepossideas), 
J),  B,  Eaod,  34, 9.  Dans  sonen  ghinghen  op  ende  voch- 
ten jegen  Lesen  ende  wonnense,  ende  sloghense  int 
zwaerts  mond  ende  besatense  ende  woendenre  binnen, 
Josua  19,  47  (zij  annexeerden  hen),  —  Yooral 
met  den  dnivel  sis  onderwerp.  Krankzinnigheid, 
toevallen  en  dergeiyke  kwalen  werden  aan  den 
invloed  van  den  dnivel  toegeschreven.  ||  Hem  zonde 
de  bet  sgn  talre  stonde  alse  die  qnade  gheest  hem 
bezate,  Bijmb,  9112.  Die  viant  te  hant  besat  des 
heren  dochter  ende  na  dat  werp  hise  int  vier,  Sp, 
II*,  18,  69.  Bi  siere  beden  worden  verjaecht  Iq 


1051 


BËSt. 


BESI. 


1052 


vele  steden  die  davele,  van  die  si  besaten,  Sp. 
II*,  38,  41.  In  hare  so  quam  die  yiant,  diese 
besat  altehant,  III*,  23,  26.  —  Ook  in  het  pass. 
beseten  met  of  van  den  viant.  ||  Dat  Karel, 
coninc  Lodaw^cs  sone  .  .  vanden  yiant  wart  be- 
seten, Sp.  lY*,  60,  66.  Twee  die  metten  viant 
waren  beseten,  JUjmb.  22906.  —  Ygl.  beseten  2). 
b)  Ook  van  handtasteiyke  overweldiging.  Jam- 
fat  ten,  aangrijpen,  aanranden.  ||  Daer  naer  so  besat 
hi  sciere  gheent  kint  ende  waerpt  in  den  brant, 
Sp.  III*,  26,  16.  Wie  es  die  man  die  heft  beseten 
ende  heft  teblouwen  minen  garsoen,  daer  ie  sliep 
in  mgn  pawelioen?  Ferg.  2260.  (Stephanut)  bat 
Gode  .  .  .,  dat  hi  hen  di  sonden  wilde  verlaten, 
diene  steinden  of  arch  besaten,  Minel,  338  (de 
woorden  of  arch  zQn  misschien  niet  geheel  luiver, 
maar  aangaande  betaten  kan  geen  twgfel  bestaan. 
Is  arck  byw.,  in  den  sin  van  ons  erg,  ster?). 

7)  Iemand  vervullen,  in  fig.  zin.  Steeds  in  het 
pass.  en  vergezeld  met  eene  bep.  met  in  of  met. 
Beseten  met,  voorzien,  bezield,  bevangen,  ver- 
vuld  met.  Hetzelfde  als  b  e  v  a  e  n ,  waarmede  het  ook 
verbonden  voorkomt.  Zie  op  bevaen.  ||  Mannen 
ende  wiven,  die  met  minnen  syn  beseten,  Vod. 
Mut.  1,  376,  30.  Hoe  si  beede  in  grooter  minnen 
beseten  waren  ende  hare  sinne  ne  consten  wel  ver- 
scheeden  niet,  Amand  I,  4766.  Wye  met  schoen- 
heit  wart  beseten  ende  onghelatich  is  daer  bj, 
Hild.  79,  77.  Ulizes  die  was  zeer  conftins  ende 
mit  twifelen  beseten,  Mhoep  II,  2892.  Doe  wart 
dat  serpent  bevaen  mit  groten  hongher  ende  beseten, 
Jtein.  II,  4880.  Die  metter  doget  syn  beseten, 
hebben  seker  goede  ghebneren ,  Fad.  Mut.  2 ,  186, 
2%.  Yondelinc  (te  zijn)  coric  .  .,  ende  (ie)  dan 
met  dogeden  ware  beseten,  BincL  934  (ook  hier 
nadert  de  beteekenis  weder  aan  beset).  —  Met 
arbeide  van  kinde  beseten  syn,  door 
barentweeèn  gekweld  worden,  Prane.  9638. 

8)  Met  be-  in  den  zin  van  omringing  (vgl.  be- 
gripen ,  begaen ,  enz.)  samengesteld,  heeft  betitten  de 
bet.   van   intlmten,   belegeren;    lat.   obtidere.  Ygl. 

BELIGOEN,  beleggen   en  BESETTEN. 

a)  Met  eene  stad,  burcht  en  derg.  als  obj.  Ook 
in  dezen  zin  heeft  het  pf.  dikwijls  de  bet.  van 
een  praes. ,  zoodat  die  stat  es  beseten  gelyk- 
staat  met  zij  wordt  belegerd  (eig.  zij  it  inge- 
tloten  geworden,  de  vijand  kteft  zich  er  om  ge- 
legerd). II  Pompejns  besat  Jhemsalemsaen,  iS^.  I*, 
76,  62.  Dese  stat  nochdoe  si  was  beseten  wale, 
II*,  36,  31.  Eens  besat  syn  port  met  crachte  van 
Persen  Sapor  die  coninc,  44,  12.  Alaricns  .  . 
hevet  Rome  die  stat  beseten,  III ^,  11,  36.  Dat 
die  coninc  Totyla  besat  Rome  met  sinen  Oester- 
Goten,  III*,  31,  14.  Dat  die  casteel  ware  beseten. 
Wal.  6793.  Die  casteel  hi  es  beseten  met  wel 
groter  heercracht,  6816;  vgl.  6831.  Jnwe  starcke 
vesten  sgn  beseten,  7214  en  7684.  (Si)  besaten 
Gabaon  met  groter  ommaten,  JUjmb.  6796.  Daer 
na  so  besat  Benhadap . .  met  siere  herscap  Samarien, 
13387.  Bachides  besat  die  stede  met  groter  moeghent- 
hede,  19703.  Dat  hi  beseten  hi^de  .  .  die  stat 
van  Tyren  .  .,  ende  hise  nochtan  niet  ne  wan, 
16686.  (Hoe  de)  Grieken  Troien  besaten,  F/or.  639. 
Sy  besatten  Agrippyne,  Serv.  II,  12.  Metzedatsy 
doen  besaten ,  ald.  33.  (Hi)  versamende  . .  een  groot 
heer . .  ende  besat  dair  mede  die  stat  van  Groningen 
al  om,  Matth.  Jnal.  3,  137.  Hi  hadde  met  twaelf- 
hondert  scepen  ter  see  waert  die  stat  begrepen  ende 
te  lande  waert  beseten,  Alex.  Y,  721.  Aldnssnlai 
varen  Beverepaer  besitten.  Ren.  916.  Den  cloester 
heeft  Roelant  beseten ,  918.  Hi  heeft  die  stat  beseten 


ende  heeft  daer  te  doene  vele ,  Limb.  Y ,  40.  (Si) 
hebben  dat  portekyn  bezeten ,  Stoke  II ,  492.  Die 
dese  stat  selen  swaer  besitten  ende  vechten  u, 
Wrake  1 ,  1836.  Aldus  wert  Woeronc  beseten  tu 
den  heeren,  Heelu  4164.  —  De  onb.  wysalsEnw. 
gebruikt  Beleg,  belegering.  ||  Seven  weken  ende 
drie  daghe  dogeden  donse  zware  plaghe  int  besitta 
van  Nichene.  Sp.  lY*,  8,  41.  Om  dat  hi  so  vut 
sach  die  stede  .  .  datse  hen  niet  dorsten  vervaren 
van  besittene  in  tien  jaren ,  Latte.  H ,  82190.  Es  dit 
sake,  dat  Lanceloet  mi  in  campe  verwinnet,  dat 
gi  sult  dit  besitten  laten  sciere,  lY,  8647. 

b)  Met  de  bewoners  der  stad,  enz.  als  obj.  || 
Aldaer  besatense  die  keytive  (de  Oallen)  ende  diden 
hem  anzt  vanden  Uve,  iS^.  I',  44,  19.  (Hi)  keret 
met  grotere  were  Archelaus  daer  beseten  in  eene 
veste,  I*,  71,  43.  Hier  binnen  belagense  die 
Gallen.  Tullius  Cicero  was  van  hem  allen  koret- 
man  van  diere  beseten  waren,  I*,  6,  27.  Dat  s 
waren  beseten  ende  in  een  harde  swaer  doen,  1*, 
6,  2.  (Die)  Sassen,  die  waren  beseten  in  die  steden, 
III*,  19,  23.  Daer  besatene  entie  sine  Bellizarins 
harde  saen,  dat  hi  nieweren  en  conste  ontgien, 
III*,  26,  74.  Zoo  ook  lYs  86,  46.  Opten  berch 
te  Montesclare  daer  es  beseten  ene  jondronwe, 
Lane.  II ,  36998.  Der  coninginnen ,  die  was  beseten 
in  allen  sinnen  vanden  ^coninc  van  Yrlant,  Lene. 
II,  46711;  vgl.  46716.  Hine  sonde  die  vrove 
hebben  te  wive  .  .,  die  hi  beseten  hadde  daer 
binnen,  III,  18078  ^zoo  ook  24398).  Hi  sonde 
weten  willen,  wiene  hadden  beseten.  Wal.  6838, 
vgl.  10376.  Dat  hi  es  in  groter  noot  ■wMrfike 
up  syn  huus  beseten,  Bêmkm,  3,  134 , 86.  Antonis 
die  volchde  na  ende  hadse  daer  beseten,  Aler.Y, 
1136.  Te  Gazen  <  .,  daer  wilen  Samson  was  beseten 
van  meneghen  Philistee,  Alex.  III,  848.  Dat  hi  . . 
bisscop  Coenaert  besitten  woude  up  Ysselmonde, 
Clerc  44.  Zie  verder  Fartk.  7849;  Ferg.  3867, 
4369;  Stoke  lY,  366;  Yelth.  I,  52,  4;  Ngh.  2, 
127;  196;  Bijmb.  16723,  33367,  34149;  ens. 

9)  Ook  in  den  zin  van  beperken,  bekriwyteu. 
Ygl.  BESETTEN  en  HEM  BESETTEN,  en  Ben.  3, 
333 :  umkreiten,  ||  Dat  hi  beset  adde  syn  eten  to 
nauwe  met  ende  beseten  (var.  (beter) :  met  vastei, 
nauwen  dyeten),  dat  hi  so  clene  at  ende  dranc, 
dat  hi  ward  van  live  cranc,  Heim.  917. 

10)  Ook  de  tegenwoordige  bet.  van  in  bezit  kekkn 
komt  besitten  voor.  |i  Selve  Reinout  .  .  bekilt 
Gelderlant  algader,  ende  besaet  (d.  i.  besat  ke() 
eenen  tyt  met  synre  vrouwen,  Brab.  F.  YI,6435. 
Zoo  ook  F.  d.  Houte  476  var.  e.  e. 

Onz.  — - 1)  Gezeten  zijn,  zitten ;  vgL  Ben.  2 , 333i. 
II  Met  wien  dat  ie  ben  beseten  om  drincken  ende 
om  eten,  N.  Doet.  1293  (var.  gketeten;  vgl.  1303: 
dan  seens  bi  wien  ie  ben  gheseten). 

2)  Ziek  ergent  vettigen,  nederzetten,  gaanwoiun. 
Yandaar  de  uitdr.  beseten  borger,  d.  i.  gextet 
burger.  ||  Yan  bezetenen  borgheren  scepen  te  wezen, 
Stadtr.  V.  Zwolle  161.  So  en  sal  njemant  scepen  ia 
Swolle  wesen ,  hi  en  hebbe  yrst  over  een  drie  jaer  be- 
zeten borgher  gheweest  in  Swolle,  ald.Ygl.  beseten. 

BESITTERE,  znw.  m.  Bezitter.  Zoo  b.  v.  Cent. 
V,  Brugge  1,  336,  343  (tweemaal),  enz. — Zie  ook 
het  volg.  art. 

BESITTIGE  (besitteoe),  znw.  vr.  HetvronwL 
van  bezittere.  Met  den  W.-Ylaamschen  uitgu^ 
ige  of  igge,  ter  aanduiding  van  de  vrouweljke 
persoon.  Bezittter,  boedelkoudtter ,  slechta  in  West- 
Ylaanderen  in  gebruik.  ||  So  waer  dat  ene  dood 
verstorven  es,  daer  bezittere  of  bezittighe  naf^ 
biyft,  Cout.  r.  Brugge  1,  368.  Dat  de  bezittefbe 


1053 


BESl. 


6ESL. 


1054 


ansprekelic  es  voor  tgnent  dat  sou  (d.  i.  soe)  in 
de  wettelicke  deelrollen  den  aeldinghers  van  hneren 
man  overghegheTen  heift,  658.  Dat  zoe  als  be- 
sitteghe  yan  alden  goede  bleven  naer  de  doot  van 
den  Yoorsejden  Janne ,  2 ,  64.  Bezittere  jof  bezit- 
tighe ,  1 ,  334  ptanm. 

BESITTINGE ,  znw.  tt.  Mnd.  hetittinge\  mbd.  he- 
ntMunge.  Beeit^ng  ^  dtf»V.  ||  Cloesters  dnllike  te  be- 
droeven of  baer  besittinge  him  af  te  balen ,  CUrc 
54;  enz,  —  Ook  in  de  bepaalde  bet.  van  ^ofM^^i»^, 
landerijen,  ||  Onde  besceioen  {knappe)  mannen,  die 
ackeren  ende  besittingbe  knnnen  meten ,  E,  v,  TJtr, 
2,  101. 

BESLABBEN,  sw.  wv.  bedr.  EjI.  beslabben, 
Utimbendo  inqumare^  cibo  Uquido  commaeulare.  Plant. ; 
beslabben,  slabben,  baver,  embaver]  be- 
slabber,  slabber,  baveur;  beslabbingbe, 
embavemeni,  inqumatio.  In  eig.  zin.  Het  drmien 
en  eten,  voornamelijk  het  vloeibare,  weder  uit  den 
mond  laten  loope»;  met  eten  en  drinken  morsen. 
(vgl.  het  znw.  tlabbe  of  slabbetje,  d.  i.  slobbe- 
doekje);  vervolgens  bezoedelen,  bemorsen  in  het 
algemeen.  II  M^n  hant  hebbic  beslabd  met  giste, 
Boerden  YIII,  7.  Om  twee  ffroete  ofomdriestaen 
si  beslabt  tote  den  cnie  in  den  mortre ,  Vod.  Mus, 
1,  326,  26.  ~  Ook  als  wederk.  ^bmikt.  j|  In 
haren  morter  beslabben  si  hem  selden,  ald,  327, 
97.  —  Ook  flganriyk.  Bezoedelen,  verontreinigen ,  be- 
smetten, te  seJkande  maken.  ||  Al  des  ghelijc  plaghen 
sy  van  hem  in  een  swaer  sentencye  te  vallen ,  die 
die  heilighe  oerden  (orden)  mit  bosen  werken  be- 
slabden,   Hs,  88,/.  34^.  •— Hetzelfde  bet.  het  freq. 

BESLABBEREK,  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  beslabbem. 
Met  eten  en  drinken  bezoedelen  en  in  H  alg.  bevuilen , 
bemorsen,  ||  Ie  sit  beslabbert  toten  oren ,  3  Dag,  H, 
353.  Ygl.  BELABBEREN  en  het  deelw.  belabberd. 

BESLAGE,  znw.  o.  (mv.  beslage).liixi^,  beslack; 
mhd.  beslac. 

1)  Yan  beslaen,  in  den  zin  van  slaan  (ald.  1). 
Beslag,  met  eene  vloeistof  aangemengd  en  geklapt 
meel.  Nog  heden  in  gebruik.  —  Yandaar  be- 
slachteile,  beslagpot,  ||  Een  beslachteyle  van 
metael,  ten  oft  eerde,  Gesck.  v,  Antw,  2,  646. 

2)  Yan  beslaen,  in  den  zin  van  versieren  (ald,  5). 
Versiersel,  belegsel,  meest  van  goud  en  zilver  gezegd , 
waarmede  het  in  de  tegenw.  taal  bijna  altijd  ver- 
bonden wordt:  gouden,  zilveren  beslag.  ||  Sy 
cleeden  hem  wael  opten  dach  .  .  mit  samite  goet 
ende  duere,  daer  in  stonden  menighertiere  beesten, 
voghelen  ende  bloemen  ende  steen,  die  ie  niet  en 
can  ghenoemen  ende  menich  beslach  duer  ende 
goet ,  Troyen  f,  bbd, 

3)  Yan  beslaen,  in  den  zin  van  afsluiten  (ald.  9). 
Net,  zegen,  vaarmede  men  eene  geheele  sloot  af  sluit. 

II  Yoirt  soe  en  sal  niement  vischkorve,  fnken 
leggen  norh  enich  beslach  doen  inder  Weteringen 
Yoirscr.,  Nijh.  4,  36.  Wie  die  vischkorven,  fnken 
of  beslage  vonde  ende  ophove  (d.  i.  ophoeve),  die 
mach  de  enwech  dragen  sonder  broicken,  ald. 

BESLACHTEILE.  Zie  beslach,  1). 

BESLAEN,  onr.  ww.  bedr.  onz.  en  wederk. 
(besloech,  beslagen  of  bestegen),  Mnd.  besldn;  mhd. 
beslahen.  Yan  slaen  (zie  ald.). 

Bedr.  —  1)  Het  tr?aïB\Me^%  slttan.  Iemand oï  iets 
slaan,  kloppen,  ||  Yel  te  droghene,  velup  te  slane, 
vel  in  de  bete  te  doene  ende  vel  te  beslane.  Vod, 
Mus,  2,  369  (uit  eene  keur  op  de  lakenbereiding). 
Of  ie  wel  ghesproken  hebbe,  wat  beslaestu  mi, 
He,  V,  1348,  122d, 

2)  Jhor  slaan ,  en  bepaaldel^k  door  een  handslag 
bekrachtigen,  omtrent  iets  bij  handslag  overeenkomen, 


afspreken,  bepalen.  \\Wn,i  cnaep  uut  s^n  besleghen 
loen  ende  begonnen  werc  ghinghe ,  eer  h|jt  volmaect 
had,  .  .  .  verbuerde  12  se.  Leid,  Keurb.  106  §6. 
Alle  besleghen  werc  sel  men  untmaken,  eer  men 
enich   ander  te    comme   (kuip)   draecht,   77,   39. 

3)  Bezetten,  eene  ruimte  innemen,  in  bezit  nemen.  Met 
den  4den  nv.  van  een  land,  stad,  enz.  ||  Die  wille  die 
stat  alleine  beslaen ...  als  coninc  yri,  OFl.  Lied.  e, 
Oed,  408,  173.  Yander  tijt,  dat  die  kersten  van  bi 
dees  syde  (d.  i.  bedesside)  der  zee  dair  tlant  be- 
sloegen ende  bevochten,  Exe,  Oron,  26  3.  Houdet 
af  den  boem,  waertoe  beslaet  hi  die  aerde,  Boeck 
V.  d,  L,  J,  173a.  Dat  niemande  eenighe  bruggen , . . 
ofte  gemeen  straten  beslaen  en  sal  moeten  mit 
eenigherhande  goet,  K,  en  O,  v.  Delft  203,  3. 
Soe  en  sal  ghien  man  synre  ware  (z^  aandeel  in 
het  gemeenschappelijk  landbezit)  gebruken  noch  be- 
sclaen  (innemen,  met  vee  doen  beweiden ;  hd.  mit  vieh 
betreiben  (Lubben ,  1 ,  273)) ,  hie  en  hebbe . .  eyghen 
cost,  Ji,  V,  Zutf,  96,  16. 

4)  Beslag  leggen  op,  \\  Datti  daer  omme  .  .  . 
haer  dnwarie  ende  haer  goede  dede  beslaen ,  Brab.  T. 
YII,  16611.  Soe  dat  hi  haer  goede  dede  beslaen, 
16286.  (Daarom)  dede  die  hertoghe  beslaen  .  .,al 
haer  goede  ende  duwaerie,  16741.  Soe  worden . . . 
haer  goede  in  Henegouwen  beslaghen  tot  shertoghen 
behoef,  16772.  Beslaen  haer  goede ,  toter  tyt  toe 
dat  vanden  vors.  gheloften  volden  es ,  Cout,  v,  Antw, 
1,  82,  4. 

6)  Aanraken,  bereiken,  inhalen,  \\  Jachhonde 
coemen  si  daer  et  (de  hyena)  gaet ,  ende  datse  sQn 
Scade  beslaet  (zoodat  zijne  schaduw  hen  aanraakt, 
si  umbram  ejus  tetigerint).  Nat,  BI,  H^  2091. 

6)  Bedekken,  overdekken.  \\  Een  glasiin  alemb^t 
alomme  bestopt  ende  wel  beslegen ,  Hs.  Yp.  106a. 
Een  scone  dal  dat  was  beslegen  met  tenten  al, 
Lane,  UI,  23884.  Straten,  paden  metten  weghen 
worden  metten  doden  beslegen,  Sp,  III*,  41,  19. 
Eerst  heeftet  hem  besle^hen  met  muederen.  Nat.  BI, 
YI,  471.  Datter  blyft  dat  besleet  metten  rosen,in 
een  eerden  verlaetvat.  Jan.  Tp.  64.  Yan  een  riet 
te  beslaen  daer  men  die  koersen  mede  ontsteect,  7  er.. 
Bek,  d.  Buurk.  214.  —  Yooral  in  gebruik  van  de 
versiering  met  edele  metalen  en  stéeTken,  Eene  ver- 
siering van  goud  of  zilver ,  enz.  op  iets  aanbrengen  (vgl. 
onze  uitdr.  een  gouden  beslag).  Met  goude  be- 
slegen, met  goud  opgelegd,  bewerkt,  versierd,  || 
Sam^t  met  goude  beslegen,  Alex,  Y,  946.  Daer 
waren  doren  wel  gheraect  houtine,  besleghen  met 
^oude ,  Bijmb,  11468.  Dat  hout  beslegen  met  goude , 
daar  men  specie  up  ofiRren  zoude,  11617.  (Poorten) 
met  goude  besleghen,  portae  qua  laminis  aureis 
deeoratae  erant,  11630.  Die  poorte  .  .  .  waren  met 
selvre  ende  met  goude  al  besleghen  menechfoude, 
31468.  Tselver  .  .  .,  daer  thout  mede  was  besle- 
ghen ,  33477.  Die  daer  siden  ende  purperen  pellen 
aenvaten  te  draghen  ende  mit  goude  ende  mit 
silver  ende  perlen  ende  mit  edelen  ghesteenten 
beslagen  gaen,  O,  Troen  lic.  Die  hoeftmast  .  .  . 
was  altemale  van  cristael  wel  besleghen,  Fragm, 
Carl.  171.  Zoo  ook  Bek,  d,  Or,  S,  160;  e.  e.  — 
Het  deelw.  beslegen  heeft,  evenals  in  het  mhd., 
de  bet.  met  iets  vuils  bedekt,  bevlekt,  bezoedeld. 
Ygl.  boven  Nat.  BI,  YI,  471.  ||  Met  bloede  washi 
besleghen,  Boel.  1, 302.  Sine  voete  beslegen  in  daerde, 
Franc.  8166  (vgl.  8166 :  omdat  si  (de  voete)  bemoedert 
stonden).  Die   met  muedren  was  beslegen,  8176. 

7)  Sluiten,  dicht  slaan,  toesluiten.  —  d\lei — . 
Annas  ende  Cayphas  besloeghen  vaste  die  aore  ende 
setten  daer  goede  hoeders  vore ,  Lsp.  II ,  36 ,  846.  Die 
kerck  was  beslagen  mit  desen  man,  Matth.  Anal, 


i055 


BESL. 


BESL. 


4056 


1,  471  (vgl.  ald.:  Si  sloten  alle  die  doeren  van 
die  kerck  toe). 

^)  £  n  e  n  — ,  hem  opsluiten ,  besluiten.  ||  Daerna  biet 
hi  die  kerstene  yaen  ende  in  karkeren  beslaen,  i^.  Il*, 
27 ,  63.  Die  {de  dochter)  deetsi  in  ene  tonne  beslaen , 
Toree  141.  —  Enen  in  bojen  beslaen, A^mm 
boeien  slaan ^  sluiten.  ||  Onsochte  was  bi  daerinne 
gbepiert  ende  in  boyen  .  .  .  sere  besleghen, 
Wal.  8288. 

e)  Van  bet  stoffelgk  overschot  van  een  gestor- 
vene. In  eene  kist  sluiten,  bijzetten.  \\  Sint  word 
syn  hoeft  gedregen  in  Patras  die  stat  ende  be- 
slegen,  Velth  I,  16,  19.  (Hi)  bracbtet  (gebeente) 
inden  cloester  tot  Middelbnrch ,  daert  noch  beslegen 
leit   boven    der  aerde  in   eenre  kisten,  Clere  126. 

8)  De  nitdr.  ene  kerke  beslaen  (sie  7a),d.i. 
haar  sluiten,  nam  de  bet.  aan  van  den  dienst  in  die 
kerk  verbieden,  haar  onder  interdict  stellen.  \\  Soe  wie 
dat  kerck  ofte  kerckhof  vervochte  of  becommerde, 
alsoo  dattet  beslagen  wordde ,  diesal  dat  weder  vrven 
. .  met  syn  zelves  goet ,  Schwartz.  1 ,  583.  Geviel ,  dat 
die  voirsz.  kerke  daer  omme  besleghen  worde ,  die 
gheloven  wi  wederom  te  doene  wienne  op  onsen  cost, 
y.  d.  Wall  166  (Mieris  2 ,  3026).  Sonder  die  kerk  of 
kerk  hove  daer  mede  beslagen  te  wesen  of  of*<:^  inter- 
dict te  komen ,  Charter  aang.  bij  Y.  d.  Wall  t.  a.  p. 
—  By  uitbreiding  ook  van  een  land  gezegd.  j|  Dat 
hj  (de  bisschop  van  Utrecht)  ons  verwaeren  (/.  ver- 
waeten)  mochte,  ende  alt  lant  van  Yrieslant  be- 
slaen. Mieris  2,  79a.  Die  soaden  syn  verwaren 
(/.  verwaten)  ende  in  den  ban  des  Paefs  monde . . , 
ende  al  tlant  van  Westvrieslant  zonde  bliven  be- 
slegen ende  tHeilighe  Sacrament  nemmermeer  in 
den  lande  te  hebben,  ald.  b. 

9)  Inwikkelen,  inkuilen. 

a)  Met  een  pers.  in  den  4den  nv.  ||  Mettien 
cnssede  hi  hem  menichwerf  ende  besloechen  in 
sinen  mantel  ende  droechen  nnt,  Pass.  W.  166c. 
Die  wort  daer  haestelijc  nntgedragen  in  een  linen 
cleet  beslegen,  Hild.  1,  20.  Beslaet  n  in  desen 
mantel,  MLoep  11,3385. 

b)  Met  eene  zaak  in  den  4den  nv.,  vooral  van 
koopwaren.  Inwikkelen,  inpakken.  \\  Snachts  so  dede 
sente  Germaen  die  been  in  sine  huut  beslaen,  Sp. 
III»,  44,  17.  Wie  dese  laken  untvoeren  wil,  die 
en  selse  niet  beslaen ,  dair  en  snllen  twie  wairdeyns 
of  meer  bi  wesen ,  Leid.  Keurb.  82 ,  66.  XYI  tonnen, 
daermen  die  erweten  voerscr.  in  dede  ende  be- 
sloech ,  Oorl.  v.  Albr.  106.  Van  den  torken  (toortsen) 
in  den  tonnen  te  doen  ende  te  beslaen,  433.  Een 
merseman ,  die  in  sine  merse  taflet  of  sac  of  pacskijn 
besleghen  heeft,  ZVl.  Bijdr.  6,  34.  Alle  bale, 
alle  packe,  ende  tonnen,  tsy  botter,  honich  of 
anders  enich  goet  dat  beslagen  is,  selmen opslaen 
byden  sysmeysteren  R.  v.  TJtr.  1,  347, 234  (het  tegen- 
overgestelde ontslaen,  of  ontdoen, a/^.).  Twee 
tonnen,  myns  heren  hamasch  in  te  beslane.  Rek. 
d.  Cfr.  S,  163;  vgl.  160  en  372.  Thnnnekins  daer 
buspoeder  in  besleghen  was,  Invent.  v.  Brugge  5, 
363.  —  Over  hoeft  (thoeft)  beslegen,  ge- 
heel en  al  ingepakt  (?).  j|  Van  allen  maercen  ende 
van  elcken  packsele  dat  der  maercerye  toebehoort 
ende  over  hoeft  beslegen  es,  dat  sal  gelden  twee 
schel.  (var.  overhoeft  bezeghelt).  Mieris  2,  3166. 
Een  tnrseel  .  .  dat  besleghen  es  over  thooft, 
Lett.  N.  W.  6,  81.  Van  eenen  packeel  dat  over 
thooft  besleghen  is  mit  maerserien ,  Oorkb.  2 ,  2476. 

10^  Verwikkelen  (in  eene  moeiiykheid),  maken 
dat  iemand  getroffen  wordt  door  de  eene  of  andere 
ramp.  \\  Haer  kynder,  .  .  die  si  (^ra)  alle  overmits 
)iare  snnden  mitter  zwaerder  maledixienbesloech, 


dat  si  alle  ymmers  moeten  sterven ,  over  wier  hoofi 
Hj  den  vloek  bracht,  Bern,  W.  lUd. 

11)  Van  water  gezegd.  Afsluiten,  keeren.  \\  Soe 
hebben  sy  .  .  een  cleine  beke  .  .  mit  een  dyke 
beslagen  ende  gemaect,  Divisie-chronijk ,  aamgek. 
by  Berkhey,  Nat.  Hist.  v.  HolUmt  1,  146.  Soe 
mochten  wi  beslaen  den  waterganc  sonder  weder- 
tale  .  .,  ende  daer  na  mochten  die  van  Lopike 
dien  dam  uitdoen,  Oorkb.  2,  3906.  Waer  oec  dit 
sake  dat  ie  die  Vlist  besloeghe  omme  miere 
woninghe  willen,  ie  sondse  leyden  dor  den  coppei- 
sloet  in  die  Ysele,  ald.  302«. 

12)  Opslaan,  in  elkaar  slaan,  oprichten,  fneti^ 
van  tenten,  kramen  en  van  alles,  wat  slechts 
tydeiyk  behoeft  dienst  te  doen.  ||  Si  sagen  daer 
menege  tente  beslegen,  Lane.  III,  18073.  Vu 
platen  ende  van  draynaghelen  ende  van  staken  tei 
tenten  te  beslane,  Bek.  v.  Gent  1,  497.  Wieupten 
Ryn  woent  ende  marctdaghes  stallen  beslaen  wil 
voir  syn  hnns.  Leid.  Keurb.  61.  Wie  marctdaghes 
staen  wil  npten  Byn,  die  sel  sgn  stal  beslaen  als 
die  dachcloc  des  selven  daghes  gheluut  is,  tdi, 
Wair  yement ,  die  den  anderen  van  sinen  besleghea 
stal  dreve,  ald.  Dat  niemande  binnen  der  steede  via 
Delft ...  sal  moeten  eenighe  stallen  beslaen  dan  des 
donredaechs,  K.  en  O.  v.  Delft  203, 2. Van  mgns  heren 
bedde  te  maken  ende  te  beslane ,  Rek.  d.  Or,  3 ,  122. 
Van  ploechysere  te  verlegghene,  te  scarpene  ende 
ghetonwe  (machines)  te  beslane,  £.  r.  Zeel.  2 ,  190. — 
Ook  in  de  nitdr.  die  vierscaer  beslaen,  eig.eif 
vier  schragen  (zie  by  Vierscaer)  opsUum,  en 
vervolgens  recht  spreken,  de  vierschaar  spannen,  \\ 
Doe  men  die  vierschaer  sonde  beslaen  ^  alle  die  stat 
qnam  daer  ghegaen,  MLoep  II,  3401. 

13)  Ook  in  algemeener  zin.  Inrichten,  in  orde 
brengen.  ||  Karel  dede  oec  .  .  op  die  yle  te  Par§s 
beslaen  twee  crit«,  Lorr.  II,  3668.  Boden,  die 
onser  comste  ghewonghen  .  .  ende  onse  herberghe 
beslonghen,  so  dat  wi  vonden  al  bereet  oase 
woenste,  Atnand  II,  6049.  Om  aldair  herberge  tot 
myns  heren  behoef  te  beslaen,  Oorl.  v.  Albr.  20. 
Ghi  moet  ander  herberghe  beslaen,  SegA.  3818. 
Den  forier  .  .,  van  dat  hi  .  .  de  herberghe  be- 
slonch  ter  Slnns,  als  onze  ghednchte  vrauwe  .  . 
aldaer  commen  was,  Invent.  v.  Brugge  4,  514. 

14)  Lant  beslaen,  het  afsluiten,  afpalen, 
omheinen.  \\  Dat  dese  hoy maden  voer  den  scheides- 
brieflf  .  .  beslaegen  ende  bepaelt  lant  is  gewest, 
Etst.  V.  Dr.  162.  Nadien  dat  die  weyden  bescMagfaea 
syn,  R.  V.  Zutf  97,  17. 

15)  Eene  stof  beslaen,  haar  bekleeden? 
voeren? overtrekken?  \\  Een  beslege  zwart  webbe,  Rek. 
d.Buurk.  168.  Een  beïïslegen  webbe  ende  een  rinc,  177. 

16)  Een  paert  beslaen,  als  thans,  Ferg. 
3721;  Invent.  v,  Brugge  1,  143  (waar  tweemalea 
beselane  staat  (/.beslane ,  ofmiuckien  besclane  (?)  V. 

17)  In  beslag  nemen,  bezighottden,  ophouden.  \^ 
bes  lach,  Kil.  oceupatio.  ||  In  quaema  niet  af  ia 
langen  tide,  het  sonde  mi  oec  te  vele  beslaen,  ie 
saelt  n  cortelic  overgaen,  Velth.  I,  42,  80. 

Aanm.  —  In  plaats  van  beslaen,  Oriwsi.  I, 
2995:  nSo  wort  (hi)  beslaen  met  siecheden  ende  be- 
swaert,*^  leze  men  bestaen  (zie  ald.) ;  en  JSsop.  XXX T, 
17:  „Die  vele  beslaen  enae  Inttel  sorghen,  soekea 
gherne  valsche  borghen,"  zal  men  het  eveneens  ia 
bestaen,  d.  i.  oiMi^ni^ntffi,  moeten  veranderen,  JSi0p. 
Oloss.  wordt  beslaen  in  de  bet.  ondernemen  opge- 
geven, doch  zonder  bew^splaatsen.  Vgl.  bestaek. 

Wederk.  —  Hem  beslaen  met,  eig.  siek 
met  (iemand  of  iets)  bezig  houden  (vgl.  Kil.:  be- 
si  ach,   oceupatio)',  ook   in  ongnnstigen  zin.  Ziek 


i057 


BESL. 


BESL. 


4058 


afgeven  met  \\  Die  hem  hier  heslaeA  met  yele 
gheselscaps,  die  sal  hi  eneghen  {eenzaam  maten), 
Ht.  V.  1348,  2aa.  —  MLoep  III,  222  eebrnikt  yan 
den  nmmehandel  van  Pasiphaë  met  aen  stier.  || 
Dat  was  een  wonderlike  jacht,  die  dit  wytP  int 
harte  droech,  doe  si  hoer  mitten  stier  besloech. 
BESLAPEN,  st.  ww.  bedr.  Mnd.  beelapen; 
mhd.  betld/en.  Behalve  in  de  tegenw.  bet.  eene 
vrouw  beslapen,  Stadsr.  v.  Zwolle  102  en  103 
jMunm,  enz. 

1)  In  de  oorspr.  bet.  yan  bij  iemand  slapen,  \\ 
My  heeft  een  nader  beslapen ;  hy  heeft  my  maecht 
gelaten,  OFl.  Lied.  161.  —  Malcanderen  be- 
slapen, bij  elkaar  slapen.  ||  Tensg  dat  sy  . .  dairna 
tot  eenre  tafell  mit  malcander  geweest  ende  mal- 
cander  openbairlic  beslapen  hebben,  R.  v.  Uir.  2, 
266;  soo  ook  O.  K.  v.  Delft  II,  27,  6.  —  Ook 
den  man  beslapen,  yan  de  yronw  gezegd. 
Slapen  bij  haren  man,  ||  Yan  joncfrouw  Mergriet 
yan  Amerongen  .  .,  doe  sy  horen  man  beslapen 
hadde,  een  gouden  am.  galden,  Bek. d. Buur k.^. 
Doe  sy  horen  man  Dirc  Taetse  beslapen  hadde ,  95. 
3)  Den  rocht  niet  recht  beslapen  heb- 
ben, ie  vroeg  in  hooger  beroep  gekomen  zijn  (?) ,  Btst. 
V.  Lr.  79. 

BESLATEN,  zw.  ww.  bedr.  Van  slaven  in  den 
zin  van  slavenarbeid ,  hard  en  moeilijk  werk  ver- 
richten, zich  voor  iets  inspannen,  zijn  uiterste  best 
voor  iets  doen.  \\  Tgoet  dat  snlc  scaemel  bloet  be- 
slaeft,  D.  War.  1,  416,  276.  De  lantlny  moetent 
beslaven  met  hunne  handen,  daer  men  inswerelts 
waranden  wel  af  vaert,  Ned.  Kluchtsp.  62,  64.  Zy 
beslavent  zeere,   om   z^n   yrienscepe  te  hebben, 
74,  36.  —  Verg.  bepinen. 
BESLECHTEN.  Zie  beslichten. 
BESLET,  znw.  o.  Van  besletten,  in  den  zin  van 
belemmeren  in  de  beweging  (ygl.  ald.  4).  ||  Belem- 
mering van  een  terrein,  das  rommel,  omboel.  ||  Item 
80  en  sel  gheen  beslet  van  cramen  noch  van  tafelen 
wesen   npten   Rjjn,   Leid,   Keurb.   61.  Zie   vooral 
Oadem. ,   Wdb,  op  Hooft,  bl.  42. 

BESLETEREN,  zw.  ww.  bedr.  Benadeelen, 
aeh^eruitbrengen;  eig.  belemmeren.  (|  Soe  wye  dat 
mit  onreden  menrhet,  die  avontuer  dat  gheme 
henghet,  dat  onreden  him  so  besletert,  sodathQs 
selden  wort  verbetert,  MLoep  II,  2799  (de  bet. 
ellendig,  verworpen  maken,  inhetGloss.  opgegeven, 
M  minder  jnist;  de  juiste  verklaring  is  gegeven 
door  HaJb.  Aant,  324 ;  zie  ald. ,  en  ygl.  got.  marzjan 
met  mnl.  merren), 

BESLETSEN.  Zie  het  volg.  Art. 
BESLETTEN,  zw.  ww.  bedr.  In  de  verwante 
talen  onbekend.  Over'  de  afleiding  zie  Tijdsehr.  1 , 
129.  Van  dit  besletten  komt  een  ww.  besletsen ,  dai 
nog  in  Vlaanderen  in  gebruik  is  (De  Bo  en  Schuer- 
mans).  Men  kan  besletten  bijna  altüd  door  het  fr. 
oeeuper  weergeven.  De  oorspronkelijke  opvatting 
is  binden,  de  vrije  beweging  belemmeren. 

1)  binden,  verhinden.  In  eigendoeme  be- 
slet, in  slavernij  verbonden.  \\  Dat  vanden  Wandelen 
bleef  te  live  .  .,  waren  in  Poelyen  lant  gheset 
ende  in  eighgndoeme  beslet,  i^.  III*, 26,  94;  ygl. 
de  noot.  lüsschien  ook  aldus  te  lezen,  J?^^i/r.  660 : 
„Al  waer  hi  in  souden  beslet ^\  voor  belet;  vgL 
Tijdsehr.  1,  130.  Doch  belet  in  iet  is  ook  eene 
^oede  mnl.  uitdrukking. 

2)  Verbinden,  vereenigen.  Beslet  met  eenre 
dlnc,  met  iets  verbonden.  \\  So  wat  lant,  dat  nu 
dyc  bont,  dat  en  zal  men  niet  vri  {hetzelfde  als 
het  nsnl.  onbeslet)  vercopen ,  ten  zei  beslet  bliven 
mitten    dyc,  diet  na  heeft,  Mieris  2,  3336.  Vgl. 


BEC0MMEREN,  waarmede  besletten  groote  over- 
eenkomst van  beteekenissen  vertoont. 

3)  Figuurlijk.  Iemand  binden,  verstrikken.  Metten 
afgoden  beslet,  in  den  dienst  der  afgoden  ver' 
strikt,  ni«y  14,  22.  —  Ook  wederk.  Hem  be- 
sletten, zich  verstrikken ,  zich  aan  banden  leggen.  \\ 
In  dat  gescrifte  toegede  hi  met ,  dat  hem  de  menege 
heeft  beslet,  die  dwerelike  goet  so  mint,  dat  het 
hen  als  met  banden  bint,  II',  19,  26. 

4)  Beslaan.  Met  den  4den  nv.  eener  plaats.  Die 
erde  besletten,  grond  innemen,  plaats  beslaan, 
met  het  bgdenkbeeld,  dat  daardoor  iets  anders 
belemmerd  wordt,  dat  die  plaats  meer  waardig  was.  || 
Ghelijcheit  {gelijkenis)  des  onvruchtbarighen  boems , 
die  die  eerde  beslette ,  Hs.  71 ,  Luc.  Prol.  Houwen 
op  {den  boom)  waertoe  sal  hi  oec  die  eerde  be- 
sletten? ald.  Loc.  13,  7.  VgL  onbeslet,  en  zie 
het  Wdb.  op  Hooft  en  Spiegel  der  Maechden 
(1669)  46:  Die  menschen,  die  alle  die  weke  met 
uutwendige  tyttelgcken  dingen  beslets  {d.  i.  be- 
sletst ,  bezet,  beziggehouden,  ingenomen)  ende  b  e  c  o  m- 
mert  hebben  geweest. 

BESLICHTEN,  zw.  ww.  bedr.  Hetzelfde  als 
beslechten  (vgl.  slecht  en  sUcht).  Mhd.  beslihten.  \\ 
Om  met  stride  die  sake  te  beslichten,  ^orc.  Cron,  130i. 
Het  believet  ons,  dat  hi  alle  dat  beslichte  ende 
berechte ,  Boec  v.  d.  L.  J.  191  b.  Vgl.  Uitlegk. 
Wdb,  1,  127  en  bestichten. 

BESLIREN,  zw.  ww.  bedr.  Eigenlek.  Bemod- 
deren, met  slijk  bedekken.  Figuurlijk.  Bezoedelen, 
bevlekken,  verontreiningen.  ||  Dat  wi  ons  leven  dus 
besliken,  is  vruchte  God  sal  pueren  {reinigen) 
die  werelt  tonsen  sneren,  Vierde  Mart.  169. 

BESLIMEN,  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  ^^j/i«i^n ;  mhd. 
beslimen,  op  te  maken  uit  besUmunge.  Met  slijm 
bedekken.  ||  Van  heten  ende  couden  humoren,  die 
de  vilmen  {vliezen)  der  maghen  beslimende  syn, 
Barthol.  263  b.  Humoren ,  die  in  den  darmen  be- 
siymt  leggen,  264 «.  — Het  deelw.  beslQmt  als 
bnw.  in  den  zin  van  slijmerig.  ||  Die  overvloedichede 
in  den  zweetghateren  der  aderen  werdt  beslij mt 
ende  dyck  ende  soet ,  8263. 

BESLITEN,  st.  ww.  bedr.  Van  sliten,  in  den 
zin  van  een  einde  maken  aan  (zie  ald.  en  vgl.  Kil. 
696:  siyten  den  twist.  j.  slissen).  Alleen  als 
.  rechtsterm  in  gebruik.  Beslissen ,  beslechten ,  uitwij- 
zen, il  Dat  met  recht  waert  besleten,  Hild.  3,  206. 
Soe  maect  hgt  sinen  here  vroet,  dattet  wel  mit 
vonnes  is  besleten,  64,  132.  Voert  salmen  alle 
rechten  beslyten  ende  eynden  opten  wech,  daer 
die  saken  van  roeren ,  Mieris  4,  7093.  Dat  selmen 
besliten  sonder  dinctael.  Leid.  Keurb.  3,  7.  Dat 
selmen  besliten  sonder  dinctael,  ende  die  in  den 
onrecht  bevallet,  verbuert  18  se,  134,  8.  Ten 
worde  eer  besleten  mit  rechte  ofP  ghedadiget, 
Westfr.  Dingt.  7. 

BESLOPELIKE  (besloeplire),  bijw.  Min  of 
meer  vreemde  afleiding,  van  beslupen;  ten  zij  men 
een  zwakken  tusschenvorm  beslopen  zou  willen 
aannemen.  VgL  slopenlike,  Flandr.  I,  667,  en 
slupelinge,  6^913.  I,  2279.  Op  eene  sluipende, 
gluipende  wijze  \  verraderlijk.  Vgl.  lat.  repente  (van 
repere,  d.  i.  sluipen,  kruipen).  \\  Dai  ons  ridder  no 
garsoen  verwite,  dat  wi  besloepiyc  comen,  Flovent  14. 

BESLOT  (besloet),  znw.  o.  Van  besluten  (zie 
ald.).  Omheining,  afsluiting;  ook  afgesloten  ruimte. 
II  Die  . .  maget . .  es  . .  vonden  in  den  beslote  des 
huis  {binnenshuis,  in  huis)  sonder  gheseLscap,  Ned, 
Proza  116.  Dat  dbeslot  {Hs.  bleslot)  van  desen 
boegaerde  es  de  gracie  ons  heren,  JAmb.  Serm, 
226  d.  Welc  dat  besloet  si ,  a/d.  —  Ook  in  flg.  zin 

34 


4069 


BESL. 


ÈESL. 


i060 


11  de  nitdr.  in  één  beslot  sinten,  in  éénen 
adem  noemen^  geüjkêtellen,  ||  Hierom  en  ondersceide 
hi  niet  den  sondach  in  dit  gebot,  mer  hi  sloet 
in  een  beslot  die  heilige  dage  al  onyersceiden , 
mid.  8,  220. 

BESLOTEN,  deelw.  bnw.  van  betluten;  vgl. 
mhd.  beêloxzen  (Lexer  1,  220),  en  beloken. 

1)  In  de  bet.  sluitend,  om  het  liehaam  üuUende, 
Tan  kleederen  gezegd.  ||  Zint  dat  papen  in  der 
werelde  hem  geestelike  lolen  honden  an  horen 
cledren,  zo  ist  yele  temeliker  dat  die,  die  in  den 
orden  zgn,  besloten  cleder  draehen,  A  Orde  224. 

2)  Vaêt,  bepaald,  in  de  nitdr.  besloten  ant- 
worde,  d.  i.  uiUluiUel.  \\  De  heere  van  den 
Qmuthnnze   beloofde   aldaer  nte  name  van  minen 

fhednchten    heere    ten    drien   neren    naer    noene 
esloten    andworde    te   gheve,    Onm,   v.    Vlaend. 
2,  262. 

3)  In  de  nitdr.  wel  besloten,  goed  sluitende, 
goed  in  elkaar  gUtende,  logitch ,  verstandig.  \\  Goede 
leer  ende  wel  besloten,  is  dickent  wysheit  unt- 
ghevloten,  Hild.  109,  159. 

BESLUPEN,  st.  WW.  bedr.  Ygl.  mnd.  besliken; 
mhd.  besl4ehen.  Sluipend,  plotseling,  ongemerkt 
iemand  overvallen;  hem  van  achteren  aanvallen.  || 
Hier  mede  ginc  hi  ende  heeft  bespiet,  dat  hi  be- 
sloep die  coninghinne,  i^  I*,  42,  14  var.  (dl. 3, 
bl.  440).  Alse  hi  besloop  .  .  sinen  viant,  I*,  14, 
13.  (Hi)  waende  Spaenyarden  becmpen  ende  al 
heimeliken  besinpen,  Lett.  N.  R.  7',  146,  66. 
Want  hy  by  nacht  pleecht  te  cmpen  ende  die  Inde 
te  besinpen,  Troyen  7214.  Die  ridders  die  ons  be- 
slopen soe  gister  nayont,  Lane.  II,  28067.  Datse 
her  Willem  iet  besloep  of  met  haesten  iet  becroep, 
Stoke  IX ,  699.  (Doe)  dachte  hise  in  den  steert  te 
beslnpene  mit  siere  macht,  Edew.  686.  Mi  beslop 
(/.  besloep)  de  wilde  man  ende  swanc  mi  op  sgn 
part  dan,  Flandr.  I,  102.  Alst  cout  es  .  .  .  dat 
menne  niet  en  can  besinpen ,  want  hi  moet  in  hole 
cmpen ,  Nat.  BI.  Y,  88.  —  Ook  met  eene  zaak  als 
ondw.  II  Die  scnnt  hoverde  .  .,  eer  sine  beslnnpt 
inden  lichame,  lUncl.  %1. 

BESLUTEN,  st.  ww.  bedr.,  wederk.,  onz  en  onpers. 
Mnd.  besluten;  mhd.  besliezen.  Van  sluten;%ie  ald. 

en   Tgl.   BELUKEN. 

1)  Sluiten,  dichts luiten ,  toesluiten.  \\  Jin  afgode 
hilt  hys  hem  al  ende  besloot  den  tempel  ons  He- 
ren, /^.  I* ,  39 ,  6.  Die  wachters  die  daer  quamen 
ende  den  carkere  besloten  vernamen,  II*,  29,  45. 
Bi  skeysers  gebode  .  .  worden . .  der  gode  tempele 
besloten,  II*,  22,  379.  Dat  alle  die  kerke  van 
der  stede  besloten  waren,  II*,  49,  48.  Die  doren 
.  .  sgn  onttaen  .  .,  als  oft  si  noyt  eer  besloten 
waren,  56,  Sloete,  daer  wi  onsen  tabernakel  .  . 
mede  .  .  beslnten  moten ,  Rnnsb.  1 ,  110.  Doe  leyde 
h|jt  neder  .  .  in  den  scr^n  ende  wort  besloten, 
Hild.  176,  176.  Mit  enen  steen  besloet  hy  tgat, 
Troyen  f.  262  d.  Die  vetheit  .  .  beslnt  die  matrice , 
M.  en  Vr.  Heim.  947.  Mettesen  reet  hi  danen  sciere 
ende  liet  den  casteel  besloten  staen.  Wal.  1700. 
Tere  duere  comen  si  ende  vinden,  dat  soe  besloten 
was,  9308.  Alse.. de  doren  besloten  syn,  L.  v.  J. 
c.  165.  Mign  God  heeft  sinen  enghel  ghesonden 
ende  hy  heeft  der  leeuwen  monden  besloten ,  D.  B. 
Dan.  6 ,  23.  Dat  enen  monec  .  .  s^n  gordel  was . . 
al  besloten  afghedaen ,  Rijmb. 26743.  —  Besloten 
lichame,  lyf,  onvoldoende  stoelgang,  gebrek  aan 
ontlasting.  ||  Die  besloten  heeft  den  lichame,  consti- 
patus,  Nat.  Bl.  YIII,  825.  Dien  besloten  lichame 
deert,  neme  water,  znker,  violetten,  X,  702.  Ygl. 
LICHAME.   —   Ook   in   de   volgende  absolute  uit- 


drukkingen; zie  Tijdschrift  2,  190.  —  Beslo- 
tenre  (beslotenen)  dore  (doren),  vset  ge- 
sloten deur  (deuren).  ||  Dat  hi  beslotenre  dore 
qnam  te  zinen  jongheren,  Lsp.  II,  6,  176.  (Hi) 
qnam  tote  hen  in  beslotenen  doren,  Rnnsb.  1, 
266.  Onse  Here  qnam  weder  te  hen  beslotenre 
doren  ende  sprac:  Yrede  si  met  u,  267.  Zoo  ook 
Sp.  II«,  67,  98.  —  Beslotenre  (beslotene) 
porte,  hetzelfde,  Sp.V,^,9.  —  Beslotene(ii) 
gr  ave,  met  gesloten  graf ,  terwijl  het  graf  gesUUen 
u>a*.  II  Hi  verrees  beslotenen  grave,  £(^.26731. 
Dat  hi  beslotenen  grave  nteqnam,  26736.  Indeire 
wys  mochte  Jhesns  besloetenen  grave  gaen  nat, 
26746.  Beslotene  sinen  grave,  Sp.  Y* ,  34,40.  Be- 
slotene grave,  ald.  28,31.  —  Beslotenes  Iffs, 
met  gebrekkige  ontlasting,  lat.  stipaius  ventrre.  \\ 
Die  beslotenes  lives  gaet  int  bat ,  hi  mach  ontsien 
sere,  Heim.  1252. 

2)  Yan  eene  vrouw  gezegd.  Haar  onvrmchthaar 
maken,  eig.  de  baarmoeder  toesluiten,  ||  Die  Here  had 
besloten  haer  vronlicheit ,  D.  B.\  Sam.  1 , 5.  Sick , 
die  Heer  heeft  mi  besloten,  dat  ie  niet  ghebarsi 
en  mach.  Gen,  16,  2.  —  Besloten  (maghet), 
maagdelijk,  ongerept,  niet  door  mannelijke  aam- 
raking  bevlekt,  onbezwangerd.  ||  Mettien  ontfinc  si 
waerUke  den  Gods  sone  van  hemelrike  ongheqnetst 
ende  besloten ,  Lsp.  II ,  6 ,  121.  Dat  Maria  beslot«i 
bleef  ende  maghet,  172.  Mettien  ontfinc  si  det 
heilighen  Gods  zone  vri ,  maghet  besloten  ende  on- 
bes  waert,  II ,  7, 115.  Besloten  vant  (nl.  Jezus  Mana\ 
besloten  liet,  Sp.  I*,  48,  12.  Wel  hiet  hise  {ie 
moedermaagd)  beslotene  porte,  ^.  1^,48,10. 
—  Beslotens  lyfs,  beslotene  lichame 
(lachame),  gen.  abs.,  hetzelfde,  ^.  I^,  34,  30; 
Lsp.  II,  6,  198.  Besloten  zeghels  joncvronliker 
reinicheit,  Hs.  v.  1348,  19r. 

3)  Figunrlük.  Sluiten,  besluiten,  een  einde 
maken  aan.  ||  Derwaert  reet  die  vremde  gast,  tot 
dattie   dach   den  nacht  besloet,  Lanc.  III,  20450. 

4)  Binnen  eene  beperkte  ruimte  sluiten ,  opslmitem. 
II  Domicillen  dede  hi  met  crachte  beslnten,  Sf. 
II*,  29,  36.  Doe  ginc  hi  neder  toten  diere  ende 
besloetenne  daer  binnen  sciere,  II*,  24,27.  In  ene 
cluse  hise  besloet,  11',  71,  37.  (Hi)  besloeteae 
daer  hi  wonde ,  recludens  eum ,  73 ,  88.  Ende  menie 
beslnte  .  .,  daer  hi  sine  penetencie  doe,  lY',  37, 
31.  Hier  omme  wart  hi  besloten  daer,  dat  hiniet 
predecte  openbaer,  clauserunt  Hieremiam ,  ne  puhliee 
praedicaret,  Rijmb.  14743.  Daertoe  hise  besloet  ii 
enen  torre  harde  vaste,  Lorr.  U,  3119.  Hi  stoot 
besloten  binnen  muren,  MLoep  I,  1403.  Hi  wart 
besloten  in  dat  parck,  1481.  In  enen  toren  va4 
beslnten,  Segh.  2633.  Die  Fransoysen  beslotei 
Childerick  in  een  cloester,  Fass.  W.  IZd.  Beslot» 
te  werden  om  penitentie  te  doen,  Exe.  Onm.  87a 
Yan  den  drake  dien  Silvester  besloet,  Sp,  U\ 
24  Titel.  Ligghende  besloten  den  termjn  van  eoei 
jare,  Invent.  v.  Brugge  3,  241.  Ze  ghinghen  ii 
eene  conclave  besloten  seven  daghen  Imnc ,  aangd. 
Gloss.  ald.  29a.  —  Enen  in  een  lant  be* 
sinten,  iemand  ergens  eene  bepaalde  woompksii 
aanwijzen.  \\  Hi  vincse  alle  ende  daer  nm  voerde  ki« 
int  lant  van  Caapya,  daer  dandre  waren,  harr 
ghenoot,  daerse  sint  Alezander  besloot,  lEysi 
14159.  —  Met  eene  bepaling  met  baten  verboBdei- 
Buitensluiten.  \\  Dat  si  lüdns  met  qnader  bodr 
buter  porten  besloten  waren.  Wal.  7001. 

5)  Sluiten,  wegsUdten,  wegbergen. —  a)  Eigenl^  P 
Hoe  die  ezel  in  die  kist  besloten  was ,  MLoep  IL  SSfï 
var.  Opsehr.  Daer  stont  een  ronde  kist«  groot,  daerBCi 
die  haver  in  besloet,  3553.  Alsmen  moet  van 


d06i 


BESL. 


BESL. 


1062 


wycken,  soe  isser  recht  soe  veel  ghewonnen ,  als 
of  ie  grepe  nader  zonnen  ende  wondse  in  kisten 
gaen  beslaten,  Hild.  83,  44.  In  den  screinendaer 
waert  besloten,  176,  177  var,  (Doe  si)  gaen  sonde 
halen  die  ander  helft,  daer  sise  besloten  hadde, 
Clerc  164.  Die  outerdwalen  ende  die  corporale , . . 
zalmen  wit  ende  reinlike  honden  ende  beslnten, 
D,  Ord^  262.  —  Van  een  overledene  gezegd.  Rem  bij- 
zetten.  \\  (Si)  besloten  met  groter  eere  daer  in 
(m  het  gewelf)  Karele  haren  here,  ^.lV»,33,8ö. 
— *)  Figuurlijk.  Verbergen^verhorgen  houden^  besloten 
houden.  \\  Haer  hoverde  es  onghemaet  ende  die  can 
si  qualike  so  beslnten,  men  wertere  gheware  van 
buten,  Teest.  2643. 

6)  Insluiten^  omtmgeten.  \\  Alse  mense  slaet 
achter  ende  voren,  aldusdane  wijs  sullen  wy  daer 
buten  alle  die  vander  stat  beslnten,  Trogen  1341 
var.  Die  stat  so  beleide  hi  al,  so  dattie  stat  be- 
sloten was,  Bijmb.  14930.  Te  Jhemsalem  dus 
onsochte  was  dat  lant  al  besloten ,  mm  Vetpatianue 
eingeret  Hierosolymitanos ,  30506.  Doe  geboot  koning 
Carel,  dat  men  Aymgns  volk  in  het  heir  besluiten 
sonde,  Heevuk.  42.  Hier  en  binnen  quamen  die 
hertoge  aen  deene  8|jde  ende  die  here  van  Raven- 
stejn  aen  dan  der  side  ende  besloten  ende  besingelden 
dat  here  al  omme,  Ezc.  Oron.  211*.  Beslute  dit 
volc,  heer,  in  diens  volcs  van  Israhels  handen, 
simt  hen  in ,  lever  hen  over  aan  ƒ.,  D.  B.  I  Maeeab.  4, 31 . 

7)  Chnsluiten.  \\  Sine  manlike  lede  mit  yser  sg 
beslnten  dede,  MLoep  III,  849.  Die  borstkijns 
machmen  wel  anstoten,  s|jn  sy  niet  te  vast  be- 
sloten (nl.  door  de  kleederen) ^11, 1313.— -YuïdA&r 
figuuriyk 

tf)  Van  personen.  Omringen,  bewaken.  \\  Si  mocht 
gaen  onghebonden,  mer  vast  besloten  tallen  stonden 
MLoep  II,  3876. 

b)  Van  zaken.  Verzekeren,  leveiligen.WD^i  vlies 
hadde  die  coninc  doen  beslaten  mitter  nygromanc- 
schen  virtuten,  ald.  I,  669.  Mine  rosen ,  die  ie  om- 
muren sal  ende  so  besluten  overal ,  datse  die  quade 
kn echte  en  sel  no  gewinnen  noch  gestelen,  Uose  3686. 

—  Daaruit  ontwikkelt  zich  de  bet. 

c)  Beveiligen,  baten,  helpen,  steeds  met  eene 
ontkenning.  ||  Hem  conste  die  halsberch  niet  be- 
sluten ,  Trogen  6048  {var.  ghesluten).  Sfln  sward 
besloet  hem  niet  twee  peren ,  Lanc.  II ,  44778.  Juwe 
were  mach  u  niet  besluten,  al  waren  siere binnen 
die  sjjn  buten.  Wal.  7039.  Sijn  vlien  conste  hem 
niet  besluten,  Ferg.  4086.  —  Vgl.onz.  3); onpers., 

en    BESCIETEN. 

8)  Afsluiten,  versperren,  belemmeren.  \\  Hi  dede 
de  bruggen  in  s^n  lant  afwerpen  om  den  weehte 
besluyten ,  op  dat  die  hertoge  niet  weder  en  keerde, 
Exc.  Cron.  130c.  Dat  hi  die  stede  met  enen  mure 
al  ommedede  ende  hi  beslote  lü  haer  uutlopen, 
lUJmb.  32623.  Het  is  ene  grote  pine  dit  lesen  ende 
dit  singhen  ende  dus  besloten  te  sine  vore  {be- 
Ummerd  te  zijn  in)  vrie  wandelinghen,  OVl.  Qed. 

2,    112,    lOÖ.  Vgl.  VORESLUTEN. 

9)  Uitsluiten,  uitzonderen. —kW^en  in  de  uitdr. 
Besloten    iüi,  t\g.  afgesloten,   uitgesloten    tijd. 

—  a)  In  rechte.  Tijden,  waarop  geen  recht  mag 
gedaan  worden-,  Kil.  tempus  elausum,  dies  nefasti. 
Yg\.  BEHOUDEN  TUT.  ||  Daervan  sal  hi  s^jn  onscult 
doen  altehant,  ten  were  binnen  besloetenen  tyde, 
Sfadsr.  v.  Zwolle  87 ,  112.  Datmen  in  besloten  tjden 
geen  eet  gedaen  en  heeft ,  2>irf.  jr«irJ.  203 ,  38.  Dat 
men  tallen  tMen  tsy  in  besloten  tyden  of  dair 
buiten,  eede  doen  sal,  ald.  Zie  vooral Matth.  169, 
waar  men  uitvoerig  beschreven  vindt ,  welke  tgden 
open,  en  welke  besloten  zijn. 


b)  Tijden,  waarop  geen  huwelijk  mag  worden  inge- 
zegend. Zie  Kil.  t.  a.  p. ,  en  de  uitvoerige  aant.  van 
cUiiBse,  Natuurk.  bl.  198  vlg.  |i  Tusschen  kersavont 
ende  daer  ute  gaet  die  besloten  tgt.  Natuur k.  111. 

10)  Omvatten ,  bevatten ,  hetzelfde  als  begripen 
(zie  ald.).  ||  Al  ist  dat  mense  {de  elementen)  ghe- 
voelt  ende  ziet,  men  machse  gripen  noch  besluten 
niet,  Lsp.  I,  17,  41. God (/. Gode)  besluut enghene 
stede,  maer  alle  steden  beluket  {var.  besluut)  hi 
mede  in  sine  godlicheit,   Wap.  Mart.  III,  183. 

Wederk.  Hem  besluten. 

1^  Süch  opsluiten. 

a)  £igenlgk.  ||  Doe  si  die  mare  vernam  .  ., 
dat  hoir  guede  man  was  doot,  besloot  sy  hoer  al 
heymelic  by  den  heelde,  MLoep  IV,  1379. 

b)  Figuurlijk.  Zijne  neigingen  bepalen  tot,  op- 
gaan in  iets.  \\  Dat  aertsche  goet,  daer  hi  hem 
selven  in  besloot,  Hild.  186,  291.  —  Vooral 
gezegd  van  hen,  die  zich  van  de  wereld  afzonderen, 
om  zich  aan  godsdienstige  overpeinzingen  over 
te  geven,  in  bet.  gelgk  aan  hem  begeven 
^zie  ald.).  Slechts  in  het  deelw.  besloten.  i|Daer 
aoe  woende  de  maget  Clare  .  .  ende  was  {d.  t. 
hadde  haer)  met  maechden  daer  besloten ,  JVanr. 
7883.  (Clare)  moeder  van  den  armen  vrouwen, 
diemen  mach  besloten  scouwen,  1783. Die  voirgen. 
beslotene  personen  vander  reguliere  oirden  onder 
sunte  Augustgns  regulen,  Nnh.  3,  276.  —  Be- 
sloten ordine,  hetzelfde  als  begeven  ordine, 
kloosterorde,  in  tegenstelling  met  de  Begynen  en 
Begarden  (s.  die  woorden).  I|  Wilen  sat  in  siere 
cellen  een  Charterius  .  .,  dat  beslotene  ordine  es, 
S^.  V,  83,  1. 

2)  Zich  afsluiten,  zich  verschansen,  eich  instaat 
van  tegenweer  brengen.  \\  (Hi)  voer  recht  .  .  tote 
Valenchine  indie  port  ende  dede  hem  daer  be- 
sluten vaste  jeghen  de  HoUansche  gaste,  Stoke 
III,  1426.  Si  ghinghen  hem  doe  vaste  besluten, 
de  binder  borch  waren  beseten,  VIII,  1230.  Doe 
brac  hi  syn  besit  ende  is  binnen  der  stede  van 
Valenschiin  getogen  ende  besloot  hem  daer  binnen 
tegens  die  HoUantsche  gaste,  Clerc  107. 

Onz.  —  1)  Een  einde  nemen,  eindigen,  uitloopen 
in  iets.  ||  Dat  nommermeer  anders  dan  in  goede 
ontfarmehertechheit  en  mach  besluten  des  minschen 
leste  dach,  Christ.  760.  Die  drie  sonnen  besloten 
in  eenen  regenboge  met  een  witte  streke  daer 
doer  gaende ,  Exc.  Cron.  306d.  Al  dat  staet  op  den 
wal  ende  besluitende  met  de  walbrugghe,  Invent. 
V.  Brugge  6,  648. 

2)  Sluiten  met,  overeenkomen,  met  iemands  aard 
overeenstemmen.  ||  Dese  pointen  .  .  dinken  mi  alle 
in  u  besluten,  Praet7.  Hiernaersalickerafscriven, 
alst  comen  sal  te  siere  stat,  ende  daer  die  redene 
besluut  van  dat,  wcuir  het  verstand,  de  verstandige 
behandeling,  de  orde  dit  eischt  (van  dat  zal  wel 
bet.:  wat  dat  betreft,  hetzelfde  als  het  meermalen 
overtollig  gebruikte  des),  Amand  II,  3982. 

3)  Door  weglating  van  het  by  6^)  uitgedrukte 
object  wordt  besluten  onz.,  in  de  bet.  baten,  helpen, 
steeds  met  eene  ontkenning  verbonden.  ||  Hier  en 
mach  besluten  tmaken  {het  zich  aanstellen  als)  den 
scamelen  noch  den  simplen  mede,  Cass.  1322. 
Haer  cracht  en  besloet  niet  ene  pere,  Lanc.  II, 
46630.  Wy  doen  aerbeit,  die  niet  en  besluut, 
D.  War.  1,  426,  689.  Het  was  dinc  die  niet  be- 
sloot, Wittek,  V.  S.  67.  Dat  was  dinc,  dat  niet 
besloot,  Eragm.  Carl.  13.  Ie  seide,  en  mochten 
(/.  mochte)  niet  besluten,  dat  si  dorperlike daden. 
Wal.  6262.  Daer  was  menich  perlement  gedaen, 
dat  lettel  besloet,  Velth.  III,  38,  7.  Die  ander 


4Ö63 


ÈÉSL. 


ËESM. 


1064 


baden  genade,  maer  dat  besloet  niet  een  pere, 
IV,  9,  14. 

Onpers.  —  Het  beslunt,  het  baat ^ het helpt^ 
met  den  Sden  of  4den  nv.  yan  den  pers.  en  steeds 
met  eene  ontkenning  verbonden.  ||  Niet  só  vele 
dat  hare  besloet,  Eoie  213.  Wat  sine  castiede, 
nine  besloet  twent  ane  heme,  cleine  no  groet, 
13587.  Wat  ie  mi  keerde  ter  were ,  en  besloet  mi 
niet  ene  pere,  Lanc.  II,  42725.  En  besloet  bem 
niet  ene  pere ,  45112.  Dat  en  besloet  hen  niet  eeo 
bast,  46971.  En  besloet  haer  niet  en  twint,  UI, 
1314B.  Danc  hebbe  God,  dat  niet  besloet ,  XÓrr.  I, 
1252.  Al  hadden  sise  met  slaen  gemort,  ende  (/.  en) 
hadde  niet  besloten  een  haer,  Yelth.  VI,  5,  48. 
(Si)  Yoerense  zoeken  hier  ende  daer,  dat  hem  niet 
en  besloet  een  haer,  Limb.  I,  443.  (Hi)  slouch 
meneghen  doet,  al  waest  dat  hem  niet  en  besloet, 
II,  1185.  Dat  hare  niene  besloet,  m,  811.  Dat 
ne  mochte  hem  niet  beslnten,  Val.  1684.  —  Ook 
met  yerz weging  van  den  (3den  of)  4den  nv.  van 
den  pers.  ||  Ha4de  de  Coninc  ghewilt  gheven  half 
dat  conincrike  .  .,  hetne  hadde  een  twint  niet 
besloten,  Stoke  Y,  1243. 

BESLUTERE  (besluter),  znw.  m.  Vronwl. 
BESLUTERINNE.  Mhd.  besliezore ,  besliezerin. 

1)  Rij  of  zij  die  sluit,  sluiter,  sluitster.  \\  Biecht 
is  een  holpe  der  sielen  .  .,  een  beslnterinne  der 
hellen,  biecht  sluit  de  hel  voor  ons,  bevrijdt  ons 
er  van,  Oulden  Troen  6c. 

2)  Slotemaker,  smid.  ||  Alle  die  starcke  heeren  . . , 
ende  elcken  yroet  man  ende  beslutere,  D.  B.  II 
Kon.  24 ,  14.  Wercluden  ende  besluters  een  dnsent , 
ald.  VS.  16  (in  onze  vert.  op  beide  plaatsen  timmer- 
lieden en  smeden). 

BESLUTINGE,  znw.  vr.  Mnd.  beslutinge\  mhd. 
besliezunge.  Yan  besluten ,  in  den  zin  yan  afsluiten , 
versperren  (ald.  bedr.  8).  Afsluiting,  versperring, 
belemmering.  \\  (Si)  hadden  die  stroemen  gesloten 
gehalden ,  .  .  oyermits  welker  beslutinee  wille .  . 
wg  . .  mit  alle  den  ghenen,  die  der  besintinge  der 
stroomen  . .  te  scaflfen  hebben  .  . ,  ter  yeeden  geco- 
men  waren,  Y.  d.  Wall  552. 

BESLUUT,  znw.  o.  Mnd.  beslut.  Stam  yan  het 
WW.  beslnten,  in  den  zin  yan  insluiten ,  opsluiten. 

1)  In  de  nitdr.  in  synbeslnnt  honden, 
ingesloten,  in  zijne  macht  houden.  ||  Al  datse  met 
den  crnch  halen  cunnen ,  se  hondent  vaste  in  hner- 
lieder  beslnnt,  D.  War.  1,  419,  376. 

2)  In  concreeten  zin.  Gevangenis.  Ygl.  danoier, 
dat  denzelfden  overgang  van  bet.  vertoont.  ||  Tmes- 
doen,  daer  die  ziele  bi  wan  den  helschen  beslnnt 
(/.  thelsche  b.?),  Wap.  Rog.  330.  Dat  hi  qnam  ten 
helschen  leede  int  donckere  beslnnt,  606. 

BESMAKEN ,  zw.  ww.  bedr.  Proeven ,  eten. 
Ygl.  mnd.  besmecien.\\  Yele  dinghen  tebesmaken, 
maket  een  walghinghe,  Bienb.  133(7. 

BESMAREN,  zw.  ww.  bedr.  Dialectvorm  van 
besmeren,  ohd.  bismdron,  alleen  in  het  rijm  (vgl. 
begaren,  dar  en,  paren,  vertaren).  Besmeren,  be- 
strijken, intortjven,  insmeren,  van  eene  vette  zelf- 
standigheid gezegd.  II  Dat  mense  met  heeten  smoute 
besmare  ende  in  den  kerkere  doe  daer  nare,  Sp. 
II',  12,  81.  Wie  datter  mede  (m^^  £^  0/itf)  besmaert 
was ,  hi  en  hadde  negeen  mwaert  {gevaar),  Sp.  II* , 
19 ,  83.  Met  oliën  hebben  sine  besmaert  ende  sine 
voete  sijn  genesen,  II*,  54,  16.  (Hi)  besmaerdere 
sijn  ogen  mede,  met  het  toater,  ald.  36.  Die  sgn 
smout  neemt  ende  wgn  ende  hem  daermede  besmaert. 
Nat.  BI.  II,  2263.  —  Ook  in  den  zin  yslu  zalven.  \\ 
Om  dat  hi  mi  heeft  besmaert  om  te  boodscepene 
den  goedertieren,  JIs.  v.  1348,  35d  (Jesaia  61, 1). 


BESMEREN,  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  beswuken\ 
ygl.  hd.  beschmeiehlen. 

1)  Met  zachte  woorden,  vleiend  toespreken-,  iemand 
trachten  over  te  halen.  \\  Om  dat  hg  hoor  ghenooch 
doen  wonde ,  so  besmeecte  hgse  met  aldnsdanighe 
woerden,  Fass.  W.  74a.  Doe  dat  Daciaen  sach, 
soe  peynsde  hi,  dat  hi  hem  besmeken  sonde,  dien 
hi  niet  verwinnen  en  mochte  met  tormenten ,  ald.  S. 
16a.  Waer  om  en  hebstn  mi  niet  van  beghinne 
besmeect  mit  sachten  woerden ,  ald.  b.  (Doe)  began 
hy  .  .  den  mensche  sachtelicken  te  besmeeken, 
so  .  .  dat  hij  bg  nae  ghevallen  hadde ,  Bienb.  127i. 

2)  Fermurven,  overhalen.  ||  Die  keyser  .  .  is 
besmeket  van  sinen  ondersaten.  .  .  so  dat  hg 
metter  jnsticien  ghemenget  hevet  die  barmhartiehejt, 
Gest.  Jt.  f.  51d  {c.  50).  Laet  hi  hem  daer  vui 
besmfiecken  of  wert  hi  vervaert  van  sinen  dreygen, 
die  gherechticheit  .  .  te  verzwighen ,  Bem.  S.  62«. 

BESMELTEN,  st  ww.  bedr.  Wegsmelten. 

a)  Eigenlek.  i|  Ist  dat  mer  of  maect  (van 
electrum)  een  vat  ende  men  vengn  doet  in  dat, 
het  besmelt  (varr.  scarrent,  snerct?)  endeverUset 
mede  sine  vamwe,  Nat.  BI.  XIII,  75.  Waar- 
schijnlijk is  delezing  besmelt  de  ware  niet,  daar 
het  Lat.  heeft :  stridet  quasi  violenciam  passum ,  en 
er  dus  een  woord  staan  moet,  dat  knarsen  of  iets 
dgl.  beteekent. 

b)  Figuurlijk.  Verhoijnen,  wegkwijnen.  \\  lek 
crgghe  sulcken  berou  hertel^ck ,  dat  my  therte  sal 
sluyten,  oft  ick  besmilte;  mijn  cracht  faelgeert 
my,  Mar.  v.  N.  35,  860. 

BESMELTEN,  zw.  ww.  bedr.  Yan  smelten, 
d.  i.  dunnen  afgang  hebben  (zie  ald.);  in  het 
bg zonder  van  vogels  gezegd,  het  fr.  éwteutir. 
Zijne  uitwerpselen  op  iemand  doen  neerkomen,  hem 
met  zijn  drek  bezoedelen,  lat.  concacare;  vgl.  SMELT. 
II  Een  odevaer  .  .  ontede  daer  sine  vlerke  ende 
besmei  te  (/.  -ten)  daer  wel  onsoeten  (/  -te)  vanden 
hoefde  toten  voeten,  Yelth.  lY,  10,  61.  Dat  hi 
den  havec  te  honen  pleghet,  want  hine  besmdt 
als  hi  can,  Nat.  BI.  III,  304. 

BESMEREN,  zw.  ww.  bedr.  Mhd.  besmêm, 
besmirwen. 

1)  Eigenlijk.  Met  de  eene  of  andere  vettige  zelf- 
standigheid bestrijken,   inwrijven;   vgl.  besmarek. 

2)  Figuurlijk.  Iemand  honing  om  den  mond  enteren, 
vleien,  trachten  te  verleiden.  ||  Sduvels  raden  of 
besmeeren  mach  niet  scaden  twee  peeren  den  goeden 
wille  ghestade,  Wap.  Bog.  241. 

BESMERTEN,  st.  ww.  bedr.  {^èesmart,  be- 
smorten).  Yan  het  sterke  ww.  smerten',  mhd.  smêrsen, 
eng.  smart.  Onkenbaar ,  leelijk,  scherp ,  bitter  maken. 
Het  eng.  bnw.  smart  bet.  nog  scherp.  Op  de  eenige 
plaats ,  waar  het  WW.  besmerten  voorkomt ,  wordt 
het  van  het  gelaat  gezegd.  Opmerkelijk  is,  dat 
smert  (smart)  ook  nu  nog  gebruikt  wordt  voor  e^e 
ontvelde  plaats,  eene  door  scherpe  stoffen  veroor- 
zaakte ontvelling  achter  de  ooren  of  inde  liezen v^n 
kinderen.  \\  Jou  {van  de  hoovacerdif)  groot  samblant , 
jou  fier  ghelaet ...  es  binnen  besmorten  met  venine, 
Praet  3154. 

BESMET  (besmit),  znw.  o.,  m.  (?).Ohd.  ^anr^ra.: 
mnd.  besmtt.  Ygl.  besmetten.  Vlek,  smet,  onreinheid.  \{ 
Yertyt  doch  u  dwase  opset  ende  wacht  u  selvea 
voir  besmet,  MLoep.  lY,  1953  var. 

BESMET  (besmit),  deelw.  bnw.  van  besme- 
ten (zie  ald.).  Vuil,  smerig,  onrein,  eig.  en  fig.  ||  Of 
die  eerde  was  besmit,  daer  wi  alle  s^n  bate ghesïpit, 
hoe  souden  wi  zuver  ghewesen ,  W^qf.  Rog.  183.  M|a 
handen  te  doene,  besmit,  onreine  binden  bome  èer 
fonteine,  O  VI.  Lied.  e.  Ged.  237,  111.  Si  eten  nei 


1065 


BESM. 


BESM 


1066 


handen  besmet,  Rijmb.  23670.  Ghi  zuverd  dat, 
datter  bnten  es  ant  vat,  binnen  latgd  al  besmid, 
23663.  Al  ist  (zwaard)  roestich  ende  besmit ,  Segh, 
984.  Die  een  vanden  drien  {tüeren)  was  niet  besmit, 
ende  hine  was  oec  niet  al  wit,  Lanc,  III,  6889. 
Of  hi  (de  merucA)  es  scone  of  besmit,  Praet  896. 
Een  snodel  ries  besmit,  Wap.  Mart  III,  17.  — 
Vandaar 

BESMETHEIT,  znw.  vr.;  mv.  besmetheden.  Smet, 
vlek,  sonde,  onremAeid.  ||  Ende  wi  ons  seWen  moghen 
sien  in  besmetheden  ende  sonden  so  yele,  Amand 
II,  6796.  Ie  sal  u  behonden  yan  allen  nwen  be- 
smetheden ,  D,  B.  Ezech,  36 ,  29.  Ygl.  Sp.  d,  Maegden 
(1669)   198:   Overmits  nwe  leel^cke  besmetheden. 

BESMETTEN  (besmitten)  ,  zw.  ww.  bedr. , 
wederk.  en  onz.  Mnd.  besmiiien;  mhd.  betmiizen', 
ohd.  bUmiezan. 

Bedr.  —  Beo  lekken,  bezoedelen,  bevuilen, 

a)  Eigenlgk.  ||  Yersch  vleesch  besmit  si  (de 
vlieg)  sonderlinghe ,  NaL  BI.  VII,  742.  Dn  (de 
wouv)  heefs  die  kerken  ende  die  ontaren  bevnlt 
soe  dicke  ende  besmet,  Esop.  XIX,  8.  —  Vooral 
in  het  deelw.  besmet.  ||  Die  colomme  staet  noch 
besmet  met  sinen  bloede,  Bijmb,  26382.  Dese 
heilege  lichame  was  vonden  snver  ende  beqname 
.  .  .  .,  van  geenre  dinc  besmit,  maer  welriekende 
ende  sneewit,  Sp.  II «,  49,  43.  De  sonne  en  wert 
oec  niet  besmit  daermede,  al  schynt  si  op  vnele 
saken,  II*,  66,  46.  8{jn  hals  was  lanc,  wit  ende 
slecht  ende  was  besmet  een  lettelkijn  van  dien 
halsberghe,  Parlk.  6208.  Die  aensichten  sgn  al 
besmit  metten  bloede,  SegA.  6068.  —  Zoo  ook 
Alex.  V ,  376 ;  e.  e.  —  Ook  van  besmettelijke  ziekten. 
£r  door  aangetast.  \\  Die  vanden  groten  evele  es 
besmit,  Nat.  BI.  XII,  697.  Enen  onsuveren  man, 
die  metten  groten  e  vel  (buikloop)  besmet  was, 
Pass.  fr.  74a. 

b)  Figuurlijk.     Ontheiligen,    bevlekken,   veront- 
reinigen. II  Oemoedicheit  die  den  minnere  wale  sit , 
daer  nte  spruut  al  edelheit,  hadse  ontrouwe  niet 
besmit,    Vad.  Mtu.  1,  399,  61.   Veel  Inden  uut 
Israhel   .   .  oflferden  den  afgoden  ende  besmetten 
den   Saterdach ,   D.  B.  l  Maechab.  1 ,  46.  Dat  wi 
den  Saterdach   besmitten   sullen,  ald.  2,  34.  Ghi 
richters,  die  hier  over  sit,  soe  waerlic ghi u ziele 
besmit,   N.   Doet.   461.   —   Vooral  in  het  deelw. 
besmet.  II  Met  meneghen  dinc  es  si  besmit,  daer 
si  met  pleghet  om  te  gane,  Hexe  62.  Wie  es  ooc 
gheboren  dan,  hine  es  van  sonden  seere  besmit, 
Amand  I,  1208.  Die  mit  woeker  is  besmit,  Hild. 
162,   66.  In    wat   sonden  hi  is  besmit,  163,  94. 
Dat  hi  in  zonden  wert  besmit,  217,  60.  Sidi  be- 
smit  in   die   overde,   of  met  enigher  hooftzonde, 
Maleg.  1026.  Die  hem  selven  wisten  besmit,  door 
deelgenootschap  aan  den  moord  bezoedeld,  bevlekt, 
Stoke  V,  946.  Zoo  ook  Wal.  6849;  e.  e. 

2)  Bij  uitbreiding.  Aantasten,  aanraken,  treffen. 

Vg"!.    het   Lat.  contingit  met  het  znw.  eontagio.  || 

Wat  siere  toe  gedoen  conden,  dat  verbrande  saen 

sonder  letten,  maer  Pontiusse  en  const  (het  vuur) 

niet  besmetten,  %  II',  29,  60.  Gomt  allen  lieden 

dit ,  oft  somegen  allene  besmet ,  an  aliquibus  tantum 

mori  imminet  (=  contingit),  IV,  4,  93.  Doe  sprac 

die   keyserinne:  Ood  ist  becant,  dat    ie  nye  van 

ander  man  besmet  en  hen  (bezoedeld  of  aangeraakt), 

Oeêt.  B.  c.  9.  —  In   viantscepe   besmet,   %n 

vijandschap  geraakt,  gewikkeld.  \\  Abaer   .    .  (die) 

was  besmet  in  viantscepen  jeghen  Isboseth,  want 

hi  bi  Sauls  amye  lach,  Bijmb.  9906.  —Denkm.3, 

197 ,  30:  „  eene  lelye  wit . .  met  roeden  bladeren  al 

besmit,'^  zal  besmit  wel  in  oneig.  zin  moeten 


worden  opgevat,  doch  de  woorden  zijn  misschien 
bedorven. 

MTederk.  —  Hem  besmetten,  besmitten, 
zieh  bezoedelen,  bevlekken. 

a)  Eigeniyk.  ||  De  beer  (poreus),  die  hem  te 
male  in  die  wase  gaerne  besmit.  Nat.  BI.  11,  SQO. 

b)YigVLva'\TJk.  Bezondigen.  ||  Noch  hebsi  hem  swaer- 
liker  besmet,  want  si  onnedele  ende  doren  bisscoppe 
te  sine  coren,  Bijmb.  30132.  Dat  si  die  poorten  sinten 
jeghen  vele  van  der  juetscher  wet,  daermede  hebsi 
hem  besmet,  want  die  stat  sonde  snn  ondaen  allen 
Joeden ,  30232.  In  wat  sonden  hi  es  besmet , 
Velth.  VII,  19,  94. 

Onz.  —  Fuil  worden,  eene  smet  ontvangen. 

a)  Eigenlek.  ||  (Tin)  dats  van  naturen  claer  ende 
wit,  maer  lichtelike  et  besmit.  Nat.  BI.  XIII,  103. 
Zilver  is  reyn  ende  wit,  het  en  roest  noch  en 
besmit,  N.  Versch,  4,  86,  39. 

b)  Figuurlgk.  ||  Wie  sonde  al  tquade  te  seggene  ge- 
hitten  ,  hem  en  sonde  de  mont  besmitten,  ^.11^,  28, 
113.  Minne  van  manne  ende  van  wive  es  dat  si  verga- 
deren met  live  ende  die  suverheit  besmet  tot  (/.  met) 
dien,  Lamc.  II,  13006.  Mine  suverhede  en  sal  niet 
besmetten  daer  mede,  13009. 

c)  Smetstof  ü»  zich  opnemen»  \\  Also  die  wive 
menstmum  ghedoeghen,  mach  men  tierst  sien  in 
haer  oghen  ende  te  hant  daer  af  besmetten ,  ende 
van  den  oghen  sonder  letten  voert  besmet  die 
lucht  daema,  Vr.  Heim.  1642.  Valtet  (corre)  op 
saet,  ten  sals  niet  besmitten,  D.  B.  Levit.  11,  37. 

BESMETTENESSE  (besmittenisse)  ,  znw.  vr. 
Onreinheid,  vlek,  smet.  ||  Ghewasschen  .  .  .  van 
allen  besmittenissen  der  sonde,  Oest.  B.  120b. 
Crlstus  .  .  wyes  die  besmettenisse  of  met  sQn  dier- 
baer  .  .  bloet,  IQb.  Een  spieghel  sonder  vlec, 
besmittenisse  of  vuyl ,  177  d.  Ist  dat  wi  ene  besmet- 
tenisse of  gebrec  hebben ,  203  a. 

BESMETTEB  (besmitter),  znw.  m.  Hij  die 
verontreinigt,  bevlekt;  een  schender.  ||  Een  neder- 
werper  der  heyliger  kerken,  een  besmitter  goeder 
maechden,  Clerc  30.  Doe  haer  niet  ghenoch 
wesen  en  mochten  alle  die  mannen  van  Hispanien 
tot  haerre  oncuuscheyt ,  si  wolde  oec  in  alsoe 
heylighen  oerden  besmetters  soeoken,  Bienb.  KHèd. 

BESMEUREN  (besmueren),  zw.  ww.  bedr. 
Hetzelfde  als  besmeren;  zie  ald.  en  verg.  besmaren. 
Nog  in  Zuid-Nederland  in  gebruik  (Schuermans  46). 
Besmetten,  bezoedelen. 

a)  Eigenlijk.  j|  Beplect,  besmuert,onzuver,  onreyn, 
Zri.  Bijdr.  6,  232,  188. 

b)  Figuuriyk.  ||  Ghy  zijt  ooc  besmuert,  ie  en 
stae  tot  uwen  begrijppen  (berispen)  niet,  Z>. 
War.  1,  409,  71. 

BESMIT ,  BESMITTEN ,  BESMITTER.  Zie  be- 
smet, BESMETTEN,  BESMETTER. 

BESMORSTEREN,  zw.  ww.  bedr.  Bevlekken, 
bezoedelen.  ||  Soe  dat  daer  menich  vuul  kalant  van 
den  elleboghe  tot  der  hant  van  den  bloede  be- 
smorstert  wert,  als  hadde  hi  enen  osse  ghehert 
ijfeslacht),  Brab.  T.  VI,  7179. 

BESMORTEN.  Zie  besmerten. 

BESMUDEREN,  zw.  ww.  bedr.  Bjj  De  Bo  en 
Schuermans  besmodderen.  Bezoedelen , bevlekken, 
ook  in  fig.  zin.  ||  Dat  ie  scuwen  mach  de  zevene 
(zonden),  daer  ie  ne  meende  niet  in  te  znevene. 
Ie  waen  mer  lettel  minnen  ziet,  sine  sgnreofbe- 
smudert  iet,  OVl.  Ued.e.Qed.  613,  687. 

BESNEDEN,  deelw.  bnw.,  van  het  ww.  be- 
sniden  of  hem  besniden. 

A.  Van  besniden. 

1)  Nauw,   beperkt,    eng  (vgl.  BESNIDEN  4).  || 


4067 


BESN. 


BESN. 


1068 


Dus  nauwe  mate  ende  dus  besneden  scynt  voer 
aldie  werelt  lede ,  tam  cireumcisa  integnUa , 
Sp.  I«,  40,  6. 

2)  Kort^  in  de  uitdr.  cort  be sneden, eig.ior^ 
afgetreden  ^  misschien  gevormd  naar  het  voorbeeld 
van  het  lat.  eoneinu.  ||  Siet  hier  een  cort  besne- 
den wort,  wat  God  de  Yader  uptie  erde  dode, 
Sp.  I«,  43,  18. 

8)  Beschaafd ,Jljn  f  schoon  ^  welgevormd'^  sjnon.  van 
welgeraect.  Vgl.  besniden  6).  Yan  het  lichaam 
en  de  manieren  gezegd.  ||  Yan  sinen  seden  diescone 
sijn  ende  besneden,  Brab.  T,  II,  1869.  Yrou  ont- 
fermicheit,  u  tale  besneden  hebben  wi  gehoert, 
Blisc.  V.  M,  1250.  (Oalaie)  die  soe  scone  was  ende 
80  besneden  van  alg^der  sinen  leden,  Lanc.lll^bl, 
Int  herte  vul  omoedicheden ,  in  worden  wQs  ende 
besneden,  vroet  van  zinné,  vroet  inden  mont, 
Sp.  I*,  32,  11.  Besneden  luden  van  vleesch  sgn 
van  naturen  abel  van  sinnen,  molles  came  aptos 
menie  dicimiu ,  Matth.  93.  —  Ook  als  epitheton 
ornans.  ||  Patriarken  ende  propheten  besneden ,  Blisc. 
V.  M.  1363. 

4)  Volmaakt  (eig.  afgewerkt).  \\  So  stare,  so 
vast,  so  besneden  was  tgelove  van  hem  beden, 
Sp.  III* ,  34,  63.  Hi  kende  sine  consiencie  soe  vry 
ende  puer  daer  in  ende  wel  besneden,  VI.  Rijmk. 
3522.  Sijn  grote  ontfermicheit  besneden  es  meerder 
dan  smenscen  quaetheden,  Blisc.  v.  M.  1172.  Lof 
hebbe  sgn  gracie  groet,  besneden,  1629. 

B.  Yan  hem  besniden  (d.  i.  zich  beperken). 

5)  Karig,  schriel,  in  de  uitdr.  nau  besneden.  || 
Rijcke  meen  te  in  alle  keer  die  hebben  selden  armen 
heer,  die  ghierich  is  ofPnau  besneden ,  Hild.  24, 259. 
—   Over  besneden,  Sp.    I*,   40,    22,    zie   bij 

BESNIDEN. 

BESNIDEN,  st.  ww.  bedr.  en  wederk.  Mnd. 
besniden;  mhd.  besniden.  Yan  sniden  (zie  ald.). 

Bedr.  —  i)  Besnijden,  besnoeien,  een  deel  van 
iets  afsnijden. 

a)  Yan  boomen  en  planten.  Snoeien.  ||  Ie  sallen 
(den  wijngaard)  legghen  woest,  men  en  salne  niet 
besniden  no  begraven,  D.  B.  Jes.  5,  6. 

b)  Yan  de  voorhuid,  b.v.  Rijmb.  1766,  1768, 
2687    vlg.   enz.;  de  thans  nog  gewone  beteekenis. 

c)  Fig.  van  ondeugden  en  gebreken.  ||  Die  niet 
en  weet  te  beliën,  die  heeft  nog  veel  ghebreken, 
ende  die  dunket,  dat  hi  niet  te  besniden  en  heeft, 
die  heeft  noch  genoech  te  besniden.  Stemmen  11^. 

2)  Besnoeien ,  zich  een  gedeelte  van  iets  toeëigenen 
(vgl.  geld  snoeien).  \\  Den  vrecken,  die  testament 
dus  heeft  besneden,  N.  Doet.  724. 

3)  Besnoeien,  de  waarde  van  iets  verminderen. 
Iet  es  besneden,  iets  is  in  waarde  verminderd, 
achtertiitgegaan.  \\  Die  doghet  (moed)  es  soe  be- 
sneden, dat  ie  luttel  nu  can  vinden  iemant ,  op  den 
dach  van  heden,  die  hem  mjjns  wilt  onderwinden. 
Vod.  Mus.  1,  312,  157.  Edelheit  es  leden;  die 
werelt  es  al  besneden,   Vierde  Mart.  759. 

4)  Beperken,  bepalen,  aan  banden  leggen,  be- 
toomen.  ||  Mate ...  besnijdt  alle  overdaet,  Sp.  I' , 
36,  1  (var.  OVl.  Qed.  3,  113,44:  besnoeit).  Alse 
hare  (minne)  scamelheit  besngt  ende  men  trouwe 
hevet  mare,  Wap.  Mart.  I,  421.  Waren  die  manne 
also  behoet,  dat  si  oghen,  sin  ende  moet  wel 
consten  besniden,  so  ware  vrouwen  minne  spoet,  919. 

5)  Bepalen,  bestemmen,  voor  een  bepaald  doel 
afzonderen.  ||  (God)  die  ons  .  .  .  heeft  besneden  te 
'deser  hoecheyt,  BUsc.  v.  M.  277.  (Hi)  heeft  sijn 
sin  daer  toe  besneden,  om  deser  vrouwen  loff  te 
breden,  MLoep  lY,  1347.  —  Sijn  leven  be- 
luiden, OMn  zijn  leven  eene  bestemming  geven ,  het 


inrichten.  ||  Ghj  moet  u  leven  anders  besn jen ,  die 
werelt  haten,  u  selven  temmen,  Belg.  Mus.  9, 
184,  34. 

6)  Door  snijden  bewerken,  beschaven,  ala  term 
van  de  beeldende  kunst  Ook  fig.,  op  een  steenea 
hart  toegepast.  ||  Hoe  men  dat  (het  wuauur)  be- 
sniden mocnte,  Ifat.  BI.  YII,  947  var.  Hoe  soade 
men  die  harde  stenen  herten  tescoren ,  diemen  niet 
en  mochte  besniden ,  Bern.  W.  116a.  —  Yandaar  het 
deelw.  besneden,  d.  i.  fijn,  beschaaf d  (tit sXL). 
—  Figuurigk  gebruikt  Pap.  Mart.  1 ,  556.  1|  Mi 
dinct  edelheit  began  ute  reinre  herten  .  .,  met 
dogheden  besneden,  met  deugden  gevormd,  d.  i. 
van  deugden  voorzien ,  er  mede  begaafd.  —  In  den  zin 
van  vormen  zal  het  ook  wel  moeten  opgevat  worden 
OVl.  Lied.  e.  Oed.  51 ,  51 :  An u (Maria)  ne  mochte 
niet  becliven  ghepeins  van  dorperheden ,  maer  een 
rein  omoedich  (het  woord,  dat  op  becliven  moei 
rijmen,  ontbreekt',  misschien  bliven?)  was  vast  in 
u  besneden. 

Aanm.  —  Lueid.  3671 :  „Sine  doecht  gaet  ter  werelt 
dure  ende  besnijt  elke  creature"  is  de  lezing  wel 
niet  in  orde.  Misschien  moet  men  lezen  bescgnt 

Wederk.  —  Hem  besniden,  zich  hetoomen, 
zich  inhouden.  \\  Ie  sal  mi  so  na  (/.  nau)  besniden, 
dat  alle  die  heren  vri  zeggen  selen,  dat  goet  si, 
Lorr.  II,  1079.  En  wilt  niet  volghen  al  u  begheren, 
mer  u  besnyden  in  allen  dinghen ,  Sp.  d.  J.  97.  — 
Ygl.  de  uitdr.  nau  besneden,  onder  besneden. 
—  Moet  hiertoe  ook  gebracht  worden,  Sp.  I*,40, 
21 :  „  Smekers  ende  spotters  mede  met  doghese 
hem  also  besneden,  dat  si  daden  dorpre  daden 
ende  sijt  leden  sonder  scaden"?  De  woorden  zgn 
duister  en  beantwoorden  volstrekt  niet  aan  het  lat 
van  Yinc:  Neque  licentiam  peccandi  aut  alluden- 
tibus  tibi  blande,  aut  illudentibus  proterve  per- 
mittas.  Ook  zyn  de  drie  woorden  hem  also  be- 
sneden door  eene  latere  hand  bijgevoegd;  zie 
Sip. ,  dl.  1 ,  bl.  466. 

BESNIDENESSE,  -isse,  znw.  vr.  en  onz.  Be- 
halve in  de  tegenw.  bet.  ook  gebruikt  in  concreeten 
zin.  De  afgesneden  voorhuid.  Ygl.  besnidinge  2).  || 
Te  Jherusalem  up  den  autaer  brochte  hem  dinghel 
ons  heeren  besnidenesse ,  IX  Best.  491.  Hi  móX 
ooc  over  in  Brabant  die  besnidenis  ons  heren  Jhesn 
Christi  .  .  .,  welc  besnidenisse  schone  miraculen 
dede ,  Exc.  Cron.  104  c.  Thejlich  besnidenesse  om- 
draghen,  Oesch.  v.  Antw.  2,  602. 

BESNIDINGE,  znw.  vr.  Mhd.  besnidumge.  Yaa 
besniden,  in  de  tegenw.  bet 

1)  In  abstraeten  zin.  Het  besnijden,  besnijdenis,  || 
Niet  dat  die  besnidin^he  quam  van  hem  (Moaes), 
mar  van  denghenen,  die  vor  hem  waren  ,£.  r.  Jl  ^ 
143.  Ochte  een  mensche  ontfeet  sine  beanidinghe 
op  den  saterdach,  ald.  Dor  die  onraste  ende  t^H 
so  was  die  besnidinge  ghespaert ,  Rijmè.  6587.  Dit 
was  die  sake  vander  ander  besnidinge ,  D.  B.  Jat.  5, 4. 

2)  In  concreeten  zin.  Het  afgesneden  gedeelte,  dé 
afgesneden  voorhuid.  ||  Die  besnidinge  ran  oasea 
Here  was  coninc  Kaerle  .  .  .  van  den  ingvl  Godi 
gebrocht,  Bijmb.  21359. 

BESNOEIEN,  zw.  ww.he^r.  Beperken,  inkorten, 
aan  banden  leggen.  Ygl.  besniden.  ||  Mate  .  .  . 
besnoeit  alle  overdaet,  OVl.  Oed.  3,  113,  4S 
(vgl.  Sp.  I  * ,  36 , 1 ,  waitr  besnüt  staai  voor  besBO€dt\ 

BESNOLLEN.  Hoewel  op  de  eenige  plaats,  wssr 
het  woord  besnol  voorkomt,  het  ook  een  bnw.  zfa 
kan,  is  het  toch  meer  waarschgnlgk  een  rw.  w. 
bedr.  met  debet.  Verschalken,  f  oppen,  bedriegen.^ 
Ie  legge  hem  onder  voet  een  bert ,  dus  wisch  ba 
ie  ende  so  wispelstert,  ie  maec  mi  cleine  ende  » 


4069 


BESN. 


BESO. 


d070 


besnol  (»/.  ie),  Sc,  en  Cl,  128.  Ygl.  de  aant.  yan 
De  Vries,  ald,  hl,  169;  hd.  besehnellen  (G-rimm, 
irtb.  1,  1588);  deensch  beanilde  (Molbach  1,79); 
beierschjc^ji^/^,  verschalken, bedriegen  (Schmel- 
Ier,  B.  Wtb.  3,  490), «cAim//, onwaarheid, slimme 
lengen  {ald,  489).  Van  het  st.  ww.  *tnillen^  snel, 
enuflun  (Qrimm,  Gramm,  2,  58),iiraarnit  aan  den 
eenen  kant  snal,  snelle»  ontstond ,  aan  de  andere  zijde 
een  (tot  dus  ver  niet  aangetroffen)  snbst.  snol,  lengen, 
bedrog,  vanwaar  (be)enollen.  Daarnaast  kent  onze  taal 
met  ander  suffix  het  znw.  snolle ,  tnol,  een  loos ,  be- 
drieglijk vrouwspersoon,  later  op  eene  ontuchtige 
vrouw  toegepast.  Bij  Tondel  1 ,  179  wordt  Yenus  nog 
goefe  snol  genoemd  en  11,  286  vindt  men  looze 
snol.  Het  denkbeeld  van  slimheid,  loosheid  stond 
dus  bij   hem  nog  op  den  voorgrond. 

BESNUWET,  bnw.  Van  snuto,  welke  bijvorm 
van  sneeuw  in  sommige  dialecten  van  Noord-Neder- 
land nog  voortleeft.  Vgl.  Cron,  v.  Vlaend,  1,  62: 
ffhesntidt,  d.  i.  gesneeuwd.  Met  sneeuw  bedekt,  vol 
sneeuw.  Uet  is  besnuwet  of  besneuwet,  er 
ligt  sneeuw,  ||  Die  meester  .  .  .  hadde  suverlic  in 
den  bomgaert,  daert  zeer  besnuwet  was,  doen 
decken,  Clerc  98  (vgl.  Velth.  I,  26,  72  vlgg.). 

BËSOCHT  (besucht),  deelw.  bnw.  van  ^««otfit^w. 

1)  Beproefd,  waarvan  men  eene  {goede)  onder ' 
vinding  heeft  opgedaan, 

a)  Van  zaken.  ||  Enen  broeder  diemen  des  ge- 
trouwen mach,  dat  hi  goeds  ende  besuchts  levens 
zi ,  D,  Orde  274. 

6)  Van  personen.  ||  Een  vroem  ridder  ende  een 
coene,  ende  wel  besocht  in  allen  doene,  Brah,  T, 
VI,  4626.  Gruetet  Appellem,  enen  besochten  man 
in  Christo,  Rs.  16,/,  19*  {Bom,  16,  10). 

2)  Die  veel  ondervinding  hee/t,  ervaren,  bekwaam, 
verstandig,  ||  W|jse,  besochte  luden,  die  die  proper 
doget  ende  virtuit  elcs  dinges  weten,  Ned,  Froza 
178.  Een  besocht  ende  een  verstandich  chirurgiin , 
Lanfr.  Inewn,  30r.  Aldus  mogen  wi  besochte  wisse- 
laers  worden,  diet  toehoort  ...  te  proeven,  oft 
Ajn  gout  is  oft  ghemaect  gout  is,  260.  Al  en  was 
hi  niet  besocht  mitten  (Ibeter  in  den)  letteren, 
Hs,  88,  f,  48  a.  Ie  ben  een  besocht  konstenaer, 
Gest,  fi.  22  a.  Een  subtfjl  clerck ,  die  besocht  was 
in  die  swarte  consten,  118  ff.  Alle  die  besocht  ende 
wijs  syn,  die  voeghen  hem  naden  gewoonten  van- 
den landen  daer  si  comen,  191  c.  Enen  abelen  be- 
sochten meester  cjrurgyn,  Matth.  92.  Vgl.  Hild. 
Gloss,  op  besocht.  —  Ook  in  de  uitdr.  wel  be- 
socht, bQna  hetzelfde  als  wel  bedacht  (zie 
BEDACHT,  en  vgl.  BESOEKEN  IQ).  Verstandig, sHm.  || 
Ave  die  was  wel  besocht,  ende  mercte  nauwe  des 
▼os  ghedocht,  Hild.  34,  133. 

BESOEC  (besouc,  besuec),  znw.  o.  Mhd. 
besuoeh, 

1)  Van  besoeken,  in  den  zin  van  vijandelijk  aan- 
tasten, aanvallen  {ald,  3).  Aanval,  \\  Ter  plaetsen, 
die  hi  wel  kende,  die  alnoch  hiet  dat  wermoes- 
broec,  heeft  hi  ghedaen  s^n  besoec,  Brab,  T,, 
VI,  1626. 

2)  Van  besoeken,  in  den  zin  van  onderzoeken 
{ald,  6).  Onderzoek ,  nasporing.  Meestal  in  de  uitdr. 
besoec  doen.  ||  Ten  alderbesten  dat  ie  can ,  hebbic 
der  waerheit  gedaen  besoec,  Brab,  Y.  VII,  170. 
Ie  wils  gaen  doen  besoeck;  wye  sal  my  leenen 
zijnen  calenghier,  Ned,  Kluchtsp,  81,  80. 

3)  Van  besoeken ,  in  den  zin  van  aan  een  ambtelijk 
of  gerechtelijk  onderzoek  onderwerpen  {ald,7).  Onder- 
soei,  enqtiéte,\\YeLn.  den  besueke,  dat  men  doet  in 
Brabant,  of  cort  doen  sal  ocht  van  der  beden,  Brab, T, 
VI,  6712.  Dat  si  een  besoec  doen  souden  tonder- 


vindene ,  bi  wiens  scouden  die  twist . . .  opghestaen 
was,  Brab,  Y,  VII,  Jafi>l.  208.  Dbesuec  dat  gedaen 
heeft  geweest  op  onse  rechteren  ende  op  onse 
ambachtsliede ,  Brab,  Y. ,  dl.  1 ,  bl.  793.  Een  wetteg 
besoec  doen  .  .  .  oppe  alle  de  gene ,  die  in  sgnen 
dienste  gewest  hebben ,  ald,  800.  Dewelcke  besoeke 
geordonneert  waren  by  alsesulken  raede ,  alse  voor- 
geseit  is ,  ald,  Welck  besoeck  •  sy  gedaen  hebben 
in  alle  dier  manieren,  dat  hen  bevolen  was,  ald, 
Vgl.  dl.  2,  bl.  666.  Besoec  daer  af  te  doen  ende 
die  waerheit  te  vernemen,  Nyh.  4,  163.  Alle  die 
mesdaden,  die  sullen  ghevallen  bi  nachte . . ,  sullen 
syn  berecht  bi  loialen  besoeke  van  den  grave 
sonder  scependoem ,  Cout.  v,  Brugge  1 ,  243  en  244. 
Tbesonc  van  den  ghescille,  Invent,  v,  Brugge  2, 
146.  Dat  sal  staen  aen  onsen  besoke,  wedert  van 
desen  twiste  ghecomen  ware  oft  neware,  Oorkb,2, 
3600.  Daer  naer  wart  een  besouc  ghedaen,  wye 
sy  waren  die  ghevlouwen  waren,  Cron,  v.  Vlaend, 
2,  114.  Zoo  ook  Oendsch  Chlb.  16.  —  Ook  in  den 
zin    van   Huiszoeking,  \\  (Si)  hebben  groot  besuec 

fhedaen  al  omme  binnen  der  stat:  si  sochten 
en  heere  van  Assche,  om  .  .  .  dien  te  vanghen, 
Brab,  Y.  VII,  11990.  Op  desen  selven  saterdach  dede 
men  groot  besuec  int  stede  om  den  heere  van  Assche , 
12014. —  Over  besoec  sitten,  zitting  houden 
voor  eene  enqttéte  oï  gerechtelijk  onderzoek,  Vgl.  over 
bedracht  sitten.  ||  Den  40  personen,  die  saten 
over  besouc ,  dat  men  dede  np  JPortegalen  ende  up 
Pietre  vander  Mersoh,  Bek,  v,  Oent  1^226,  —  Be- 
soec met  pinen  doen,  iemand  met  pijnigingen 
onderzoeken,  op  de  pijnbank  brengen,  \\  Lyttet  die 
poirter  ongevangen,  ongespannen  ende  sonder  be- 
soeck mit  pinen  op  hem  te  doen,  Matth.  198.  — 
Ook  met  weglating  van  met  pinen.  |i  6o  most 
die  geweldige  hant  op  hem  besoeck  doen ,  ald,  128. 
4)  In  concreeten  zin.  Het  stuk,  hei  proces- 
verbaal, van  de  enquête  opgemaakt,  ||  Dat  wy  dat 
besueek  hebben  gesien,  dat  gedaen  is  van  den 
rechte,  dat  her  Heinrick  van  Wilre  eysschende 
was  te  Wesele  ende  hoe  dat  besuec  (bet.  3)  ge- 
lopen es,  Brab,  7.,  dl.  1,  bl.  679.  Welck  besoeck 
(bet.  3)  sy  gedaen  hebben  in  alle  dier  manieren, 
dat  hen  bevolen  was,  ende  dat  besoec  hebben  sy 
aen  hem  bracht  en  hem  gelevert,  ald,  bl.  800. 

BESOEKEN  (besoken,  besueken,  besuken, 
bësouken),  onr.  ww.  bedr.  en  wederk.  (praet. 
besochte  of  besaehte,  deelw.  besochfy,  mnd.  besoken; 
mhd.  besuochen.  Van  soeken  (zie  idd.). 

1)  Zoeken,  opzoeken,  ||  Dese  bloemen  hebben  wi 
besocht  .  .  ute  Aristotiles  bonken,  Sp.  I',47,41. 
Ie  ga  allene  besueken  dat.  De  meysenieden  waenden 
wel,  dat  hi  tbordeel  sochte  ende  niet  el,  II*,  13, 
64.  Mach  men  besoeken  ende  vinden  dit  in  uwen 
boeken,  II*,  23,  198.  Sulke  boeke,  daer  hi  w^js- 
heit  in  besoeke,  Melib,  1083.  So  langhe  hjrt  be- 
sochte, dat  hi  in  dien  clooster  gherochte,  Amand 
II,  4131.  Doe  quamen  si  ter  haghedochte  metten 
doden  ende  besochten  den  wech.  Wal.  8437.  Om 
den  wech  te  besoeken,  daer  hi  tot  sinen  vianden 
comen  mochte,  Matth.  Anal,  3,  170.  Omme  tebe- 
souckene  hout  ter  speye  van  den  damme,  Invent, 
V,  Brugge  3,  339.  Logys  bezonken  omme  tvolc, 
6,  269.  —  Avonture  besoeken,  avontwren 
opzoeken,  op  avontuur  uitgaan.  \\  Op  den  lande 
ende  in  die  zee  selen  si  varen  in  allen  hoeken  om 
avonture  te  besoeken,  O VI,  Oed,  3,  109,  306. 
Dat  eenighe  cloecke  Namoreusen . .  wilden  avontuer 
besoecken,  Exe,  Cron,  2686.  —  Ook  met  eene  bep. 
met  omme,  in  de  plaats  van  den  4den  nv.  Zoeken 
naar,  \\  Dat  hi   uut  zoude  doen  rijden,  al  on^me 


4071 


BESO. 


BESO. 


1072 


besoecken  om  een  wgff,  die  natte  waer  yoer  sheren 
lijflf,  MLoep  lY,  1104  var,  Hi  selve  wonde  doen 
besoecken  binnen  Romen  in  allen  hoecken  om  enen , 
die  slants  profijt  wilde  werken,  Hild.  77,  105. 

2)  Bezoeken^  ergent  heen  gaan\  bet  Lat.  petere. 
Met  den  4den  nv.  eener  plaats.  Ongereer  de  thans 
gewone  bet.  ||  Datmen  niemen  nnttrake  met  cracbte, 
die  de  kerke  Gods  besacbte,  Sp,  III* ,  9,  10.  Up 
enen  dach  alssoet  (het  beeld)  besochte ,  Franc.  8196. 
Besoect  bi  {gaat  hij  naar)  die  havene  van  Galoye, 
dat  sal  sgn  tsinen  groten  yemoie ,  Zam^.  II ,  39915. 
Gringolet  die  besochte  {ging  naar)  den  oever  ende 
spranc  in  ter  vaert  tote  oyer  die  medewaert  zander 
rivieren,  Wal.  3738.  Hi  sloechse  met  willeger 
bande,  dat  si  besochten  die  erde  neder,  ter  aarde 
nedervielen^  Lorr,  II,  378. 

3)  Vijandelijk  aanvallen ,  aantasten ;  lat.  petere, 
II  Die  n  hnns  anevochten  ende  met  lederen  be- 
sochten, Melib,  2540.  Mijn  bere  besoacse  (de  stad) 
mergben  vroucb,  Limb.  VII,  121.  (Doe)  voeren 
si  die  stad  asselgieren  ende  besonken  in  meneghen 
manieren,  165.  Ene  romsce  scare  si  besochten, 
die  waenden  si  vinden  sonder  hoede ,  Rijmb.  33270 
var.  Doen  seyde  Aljames:  lek  sal  den  man  be- 
soecken ,  ende  hi  nam  een  stercke  spere  ende  wilde 
op  Hnghen  rijden,  Euge  v.  Bord.  69.  Die  gone 
diet  (/.  diene)  teerst  besochte ,  hi  corte  hem  die 
been  beneden  cnien ,  Wal.  6506  (vgl.  6497 :  die  n  e 
teerst  versoeken  sal).  Soe  wie  eenen  poertre  be- 
sochte binnen  sinen  sloten  ende  hi  met  crachte 
ende  van  noede  hem  ende  sijn  Igf  .  .  bescudden 
moeste,  sloeghe  hi  den  ghenen  dien  besochte, 
doet  ochte  let  af  .  . ,  hi  ware  qngte  van  den  bere , 
Ch.  V.  Waelh.  16.  (Doe)  besochte  elc  anderen  met 
groten  nide ,  Fl.  Rijmk.  6396.  Hoe  fellicke  sy  hem 
(d.  i.  elkander)  besochten  ende  hoe  vreselicke  sy 
vochten,  Troyen  8454. 

4)  Doorzoeken,  doorenufelen.  ||  Messinen,  pro- 
veien  si  besochten  ende  aten  tmes  met  haren  monde, 
Rijmb.  32870.  Wat  soe  met  hare  hadde  brocht  van 
over  twater ,  was  besocht  ende  vanden  rovers  hare 
ghenomen,  33369.  Doe  die  Bethsamiten  besochten 
die  Arke  ons  Heren,  Velth.  I,  56,  28;  vgl. 
T.  en  Lettb.  6,  305  vlgg.  Die  besoeken  heimelic- 
bede,  qui  abdita  scrutantur.  Nat,  BI.  XII,  1053. 
Toten  hemde  .  .  ende  toter  broeck,  die  was  be- 
socht ,  oft  siere  vet  in  hadden  brocht, Velth.  II,  3 ,  36. 
—  Ook  met  den  4den  nv.  van  den  pers.  Iemand 
aan  een  nautokeurig  onderzoek  onderwerpen,  alles 
%oat  hij  aan  heeft  doorsnuffelen,  jj  Icsal  a  doen  wel 
baestelike  besoeken  ende  die  met  u  sijn  al,  dat 
ie  die  letteren  nes  ondancs  sien  sal,  Lanc.  II, 
26337.  (Laban)  besocht  Lya  ende  beide  die  jonc- 
wive  ende  hi  en  vant  daer  niet,  D.  B.  Oen.  31, 
33.  Waert  dat  die  rechter  yement  wilde  bezoecken 
van  eenighen  ontscbamelen  wapenen,  so  wie  hem 
niet  en  wilde  laten  bezoecken ,  die  verbnerde  drie 
pont,  O.  K.  V,  Dordr,  18,  28.  Dat  soe  bi  nachte 
heymelike  den  coninc  besachte ,  of  hi  hadde  eneghe 
{soms)  oren,  Rijmb.  17703. 

5)  Onderzoeken,  zoowel  in  den  zin  YtLH onderzoek, 
navraag  naar  iets  doen,  als  in  dien  van  nasporen, 
tot  het  voorwerp  zijner  na^oringen  maken. 

a)  Met  den  4den  nv.  der  zaak.  ||  Dns  besochti 
in  dier  maniere  die  natnre  van  der  riviere, 
Sp  I*,  40,  1.  Hieromme  sal  elc  hem  selven  scel- 
den,  hem  selven  wronghen  ende  melden,  ende 
besonken  sine  zinne,  I',  63,  51.  Daer  hi  al  die 
byble  besochte  ende  nten  Ebrenscen  in  latijn  brochte, 
III*,  35,  13.  Eraclides,  die  dat  besochte  sowaer 
so  bijt  verpinen  mochte,   III*,  48,  93.  Tgheent 


l 


was   besocht  ende   waer   vonden,    m* ,   14,   35. 
Tnlius ,  die  ter  menichger  ore  die  heimelicheit  der 
scriftnren  besochte.  Rosé  5206.  Doe  si  hoer  comanscip 
besochten,  Hild.  62,  42.  Als  ai  hoer  rekeninghe 
besoecken,   150,  45.  Die  die  linde  wel  besochte, 
men   sonder  sachticbeit  in  vinden,  214,   38.  Als 
syn  gedochte  iet  de  helege  geest  besochte,  Freme. 
5332.  Vaste  besochtent  de  cardenale,   7959  (vgl 
7954:  pronven,  en  7955:  ondersonken).  iJs 
hi  in  menscelike  gedochte  dese  miracle  besochte, 
8147.  Die  man  besochte  sinen  sin  teeTonde,£tjic/. 
723.  Twee  boden  senddy  in  Tessale ,  diet  beaochten 
altemale,   waeraf  dat   die  dinghe  yerst  quameo, 
Troyen   9919.    Si  .  .  hebben  besocht  de  waerheit, 
Brab.   Y,  VI ,  10349.  Nn   heb  ie  .  .  der  dinghen 
veel   besocht,   MLoep  I,    159.    So  dattie   dochter 
dat  besochte,  ende  soe  den  vader  te  maren  brochte, 
dat  hi  al  sonder  oren  ware ,  Rijmb.  17709.  Dat  soe 
die  cracht  van  sinen  live  besoeken  sonde  ende  on- 
dervinden ,    hoe   sine   mochten    ghebinden ,   8166. 
Diet  .   .  recht  te  gronde  besochte,  Bl^c.  v.  U. 
1418.  (Hi)  dede  besoeken  die  rivier  te  veel  steden 
wair  hy  beste  mochte  overcomen,  Matth.  Anal,  3, 
192.  Van  bezonken  van  den  ghebreke  wesende  in 
de  moerpype ,  Invent.  v.  Brugge  5 ,  528 ;  vgl.  4 ,  299. 
Dat  hert  ende  s^n  werken  te  mereken ,  onderüsten 
ende  besoken,  Gest.  R.  c.  130^.  Besnkt  die  scriftnren, 
L.   V.   J,  c.  120  en  174.  Dat  was  besocht  dicwijl 
nochtan  ende   vonden  gewarlec,   Lutg,  II,   1313. 
Van  der  doden  bant  te  bezoeken ,  Stadsr.  v.  Zwolle9è; 
sijn    dode    bant   bezoeken,   ald,    89,    een   onder- 
zoek  instellen  naar  eene  schuld  van  zijn  erflater. 
—  Ook  met  eene  bep.  met  o  m  m  e ,  of  een  2den  nv. 
in  plaats  van  den  4den.    Onderzoeken  naar,  \\  Die 
conync  besochte   neerenstelike  omme  die  dinc,  of 
die  kerstine  souden  ontstaen  moghen,  Amand  II, 
1969.  —  Ook   met  den  2den  nv.  ||  Wat  die  v$f 
senne    van   bntene   begripen,   dat   brengen    si   te 
bant    der   silen,    dat   si    oec   dis   besiike,  Limb, 
Serm,  13». 

b)  Met  een  afh.  zin.  ||  (Hi)  dede  .  .  besneken, 
wie  kerstyn  waren,  Sp,  II',  51,  55.  (Hi)  besochte 
ende  vant  {door  het  lot  te  werpen),  dat  keyser 
Karel  verliesen  sonde,  IV %  14,  40.  (Dat  hi)  doe 
besonken  met  genende,  waer  Salvins  ende  sgn 
jonger  .  .  .  begraven  laghen,  IV*,  31,  48.  Want 
hi  met  groten  nerenste  besochte,  bi  welken  wege 
of  hoe  hi  mochte  vulmaectelgxt  dienen  onsen  here. 
Franc,  6399.  Die  coninc  besochte  .  .  onder  alle 
zine  wise  doe ,  hoe  dat  mochte  comen  toe ,  Lap.  H, 
48,  390.  Of  men  besochte,  wie  soe  ware,  Rijmb, 
18100;  zoo  ook  15511.  Doet  besoecken  ende  be- 
vraghen,  oflf  die  laden  hem  yet  beclaghen,  Hild. 
18,  179.  Informeeren  ende  besonken,  wie  datse 
(de  bruggen)  ,  .  gheploghen  hebben  te  doen  makene, 
Vad.  Mus,  4,  111.  —  Schgnbaar  onz.  staat  be- 
soeken, in  den  zin  van  peinzen ,  studeeren,  ||  Hets 
snlc  clerc  die  besochte,  die  tenen  meester  niet  en 
dochte,  Melib,  1179.  So  dat  hi  so  verre  besochte , 
dat  hi  te  sinen  rade  vant  te  sendene  an  den  paens, 
Jmand  II,  1757. 

6)  Opsporen,  nauwkeurig  letten,  het  oog  houden 
op.  II  Die  boeten  sullen  der  stede  knechts  hebben, 
ende  dair  voir  zullen  z^t  besoeken  ende  bewaren. 
Leid,  Keurb,  139,  31.  Voort  zullen  sg  verbieden 
ende  besonken ,  dat  gheen  hacker  .  .  .  no  vaerwer 
barninghe  legghe  binnen  veertien  voeten  ghehende 
sinen  ovene,  Cout.  v,  Brugge  1,  361.  —  Het  tgw. 
deelw.  in  de  nitdr.  nau  besoekende,9MMMp/^^&M. 
II  Hi  dochte  mi  wel  an  s^n  gebaren  een  nan  be- 
sonkende  offtchier,   OVl.  Lied.  en  Oed.  343,  819. 


1073 


ST.i 


BESP.  ó 


msf.a 


4074 


7)  Aan  een  ambUlijh^  ook.  gerechtelijk  ^  onderzoek 
onderwerpen, 

d)  Van  zaken.  Inepecteeren.  |)  Scepenen , .  . .  die 
met  hem  ommeghinghen ,  doen  men  de  vorte  (ver- 
Mchaalde)  wgne  besochte,  Hek.  v.  Gent  1,  337. 
Dit  zullen  de  deken  ende  yinders  scaerpelike  be- 
soncken,  ZVl.  Bijdr,  6,  176.  —  Ook  met  weg- 
lating Tan  het  obj.  Een  {gerechtelijk)  onderzoek  in- 
itellm.  II  Scoj,  duyel,  scoy  tot  yor  den  rechtere: 
het  geeft  wel  vrame  terstont  te  besoekene,  Bliêc. 
V.  M.  493.  —  Met  een  afh.  zin,  meermalen 
O,  R.  p,  Dordr.  l,  362,  363,  364;  doen  besoeken 
met  een  vonnis  yan  scepenen,  een  onderzoek  over 
iet*  instellen  door  van  de  schepenen  een  vonnis  daar- 
over  te  vragen. 

b)  Van  personen.  ||  (Hi)  bésochte  ende  ondenrant 
die  ghene,  die  mitter  hant  die  qnade  daet  hadden 
ghedaen  ende  rechte  daer  oyer  saen ,  Lsp.  II ,  49, 25. 
—  Ook  in  de nitdr.  enen  besoeken  mit  pinen, 
iemand  onderzoeken  met  pijniging ,  hem  door  pijniging 
of  foltering  tot  bekentenis  trachten  te  brengen.  \\ 
Wil  hy  der  zaken  niet  lien ,  hy  mach  hem  dairom 
doen  bezoeken  mit  pynen,  Matth.  196.  DieseWe 
niet  besoeken  met  penningen ,  k^^/ fo /^^r^j»  piningen , 
O.  E.  V.  Dordr.  2,  277,  79;  zie  de  noot  ald.  — 
Ook  in  de  nitdr.  besoeken  mit  pinen  an 
enen,  eene  foltering  op  iemand  toepassen.  ||  Te  be- 
soken  mit  pynen  an  den  genen ,  die  den  rechter  ge- 
melt  syn,  dat  sy  sgn  qoadien,  Matth.  200.  —  Vandaar 
dat  besoeken  door  weglating  yan  mit  pinen 
yolkomen  gel^k  wordt  aan  folteren  ^  pijnigen.  \\  Soe 
heeft  men  ...  die  personen  . .  besocht,  gheaerbeit, . . 
swaerlgc  ghepQnt,  soe  dat  si  .  .  .  bekinden  daer 
ende  yerliden,  Brab.  T.  YII,  12266.  So  sal  hy 
raet  nemen  mitten  scepenen,  die  daer  by  waren, 
daer  men  bésochte  (het  obj.  zit  6f  in  men,  d.  i. 
men  en,  6f  is  verzwegen),  Mfttth.  198. 

8)  Atmzoeken^  verzoeken^  beproeven^  polsen.  \\ 
Das  hebsi  den  ingel  besocht,  nl.  om  de  helft  aan 
te  nemen  ^  Bijmb.  15832.  Want  hise  altoos  om  den 
yrede  met  (lat.  per)  Josephnse  hadde  besocht, 
31084.  (Si  hebbene)  besocht,  of  hi  den  keyser 
volghen  wonde,  Sp.  III»,  30,  60.  —  Ene  van 
minnen  besoeken,  een  meisje  om  hare  hand 
verzoeken y  aanzoek  bij  haar  doen,  haar  tot  een 
mimnehandel  trachten  over  te  halen.  \\  Dat  si  hem 
soe  scone  dochte,  dat  hise  van  minnen  besocht«, 
ende  bat,  dat  si  sine  wesen  sonde,  want  hi  al 
hare  wesen  wonde,  Lanc.  III,  4415.  Hi  hadse  van 
minnen  besocht  saen,  II,  765.  , 

9)  Vragen^  vernemen  naar,  informeeren.  \\  Wat 
schaedt  versocht  oft  besocht,  ongheeyscht  is  onghe- 
weyghert.  Spreuken  109.  Herodes  vragede  ende 
bésochte,  waer  hem  ontfloen  wesen  mochte  Pieter, 
Sp.  I*,  9,  33.  Dat  hi  sonde  nut  onsen  boeken 
proeven  al  dat  wi  besoeken,  willen  weten,  II*, 
ii3,  319.  —  Meestal  met  eene  bep.  met  ane  of  een 
4den  nv. ,  ter  aanduiding  van  den  persoon ,  aan 
wien  men  iets  vraagt.  ||  Dies  men  an  meneghen  raet 
bésochte,  Stoke  III,  794.  (Ie)  wille  dine  bede  ontfaen, 
die  dit  ane  mi  bésochte ,  Wap.  Mart.  1 ,  47.  Nichode- 
mas  wilde  dit  horen ,  wat  dat  woort  bedieden  mochte; 
an  onsen  Here  hijt  bésochte,  JUjmb.  22406.  Den 
bode  .  .  daer  die  abdt  toe  {d.  i.  doe)  an  bésochte, 
twy  die  abdesse  verhiesch  die  dinc,  Amand  II, 
4102.  Alsi  an  Byase  besochten,  twi  hi  niet  en 
vlnchte,  Sp.  I*,  49,  62.  (Hi)  besocht  an  hare ,  wie 
8$n  vader  ware,  III*,  14,  8.  Snn  raet  an  hem 
beBOchte,  twi  hi  so  ghewillike  dede  des  paens 
wille,  in*,  26,  96.  Sinen  camerlinc  hi  bésochte, 
hoe    diere   men  sine  consen  cochte,  lY*,  83,  43. 


Fransoys  .  .  besocht  {d.  i.  besochtet)  an  Gode 
metter  bede.  Franc.  1539.  Dat  hi  bésochte  met 
siere  bede  an  Gode,  wat  syn  wille  ware,  Rijmb. 
8872.  Trechte  besocht  an  goeden  vroeden  lieden, 
Invent.  v.  Brugge,  Int.  421. 

10)  Verlangen,  begeeren ,  zoeken.  ||  Nochcamcaet 
noch  syden  doecken,  dat  gheen  man  en  moet  be- 
zoecken,  MLoep  II,  1603.  Dat  niemen  kersten 
wesen  en  sonde,  dan  diet  bésochte,  Sp.  II*,  22 , 370. 

11)  Eischen,  vereischen,  noodig  hebben,  meteene 
zaak  als  ondw.  ||  Wgf  ne  gene  daer  ne  was,  die 
in  zinen  wene  dat  kindekin  zogen  mochte,  also 
zine  nature  bésochte.  Franc.  10263. 

12)  Beproeven,  probeer  en, 

a)  Met  den  4den  nv.  v.  d.  pera.  Beproeven,  op  de 
proef  stellen.  ||  (Hi)  bésochte  sijns  selves  wijff,of 
hoir  oic  te  gheloven  is,  MLoep  II,  2064  var. 

b)  Met  den  4den  nv.  der  zaak  of  een  afh.  zin. 
De  proef  nemen,  beproeven,  trachten.  \\  Ridderen 
ende  baetselare,  die  de  wapenen  minden  seere ,  ende 
diese  hadden  int  gemeen  verre  besocht,  Orimb.l, 
2454.  Hi  .  .  .  sout  besoken  nu  te  male,  dan  liete 
hi  dor  engenen  vaer ,  Lanc.  II ,  43706.  Die  andere 
sijn  te  storme  gegaen  ende  besoeken  in  allen  sinnen, 
hoe  si  den  casteel  mochten  winnen,  III,  19876. 
Dat  soe  nemmermeer  die  dinghe  ne  ghedade  no 
bésochte,  dat  soene  te  valle  brochte,  i^.  I*,  8, 
14.  (Doe)  was  hi  te  Conpostelle  brocht  ende  te 
gravene  oec  besocht,  I*,  8,  31.  Die  viant,  die 
geme  bésochte,  hoe  dat  hine  belopen  mochte,  III*, 
36,  87.  Willen  sy  henen  varen  in  trouwen,  ende 
besoecken  ander  saken,  wy  sullen  hem  twalef 
scepe  maken,  Trogen  f.  216b.  Dat  si  besochten 
met  valscheden  van  den  vercoomen  heligen  man, 
hoe  sine  ghebrochten  des  levens  van ,  Amand  I , 
3056.  Die  staerke  macht  al  besouken,  kan  alles 
ondernemen,  Alex.  X,  1261.  — Ook  als  rechtsterm. 
In  rechte  trachten  gedaan  te  krijgen.  \\  Doch  hebben 
sjjt  so  verre  besocht,  an  heren  ende  an  baroenen 
brocht,  dat  men  die  inder  kerken  saten  sonde 
driven  haerre  straten,  Sp.  IV*,  15,  21.  —  Bij 
uitbr.  Gedaan  krijgen.  ||  Dese  vier  moenken  .  .  . 
pgnden  daer  omme  vroe  ende  spade,  -dat  si  die 
scole  van  Rome  brochten  te  Par^s,  ende  si  be- 
sochten dat  bi  den  paens  ende  bi  Karles  bede, 
Sp.  m*  ,  88 ,  77  {Brab.  Y,  II ,  1293  zijn  deze  voorden 
verdraaid). 

13)  Ondervinden ,  bij  ervaring  weten.  Voor  den  over- 
gang der  beteekenissenvergeiyke  men  het  mal.  onder- 
vinden, dat  ook  onderzoeken  beteekent).  ||  Want  hi 
vrome  is  ende  fel,  dat  hebwi  besocht algader wel, 
Segh.  10951.  Hets  dicwyl  besocht  ende  ondervonden , 
Matth.  220.  (Si)  hebben  scandelike  lachtere  ende 
slaghe  besocht  ende  voertmeer  bande  ende  kerkere, 
Hs.  75,  /.  105  c  (Hebr.  11,  36).  Jezus  is  een 
soeticheit  der  herten  . . . ;  diet  besocht  heeft ,  macht 
bekennen,  Hs.  f.  113 p. 

14)  Bevinden ,  iets  door  eene  gebeurtenis  of  door 
een  onderzoek  leeren.  \\  Daer  bevant  men  ende  bé- 
sochte, dat  een  man  meer  dogen  mach  daneenech 
heeste,  Sp.  I*,  44,  26.  So  dat  soe  .  .  .  mercte 
ende  bésochte,  dat  soet  verweren  niet  en  mochte, 
IV' ,  68,  38.  Int  jaer  dusent  ende  tienwaerf  viere . . 
alsict  inder  jeesten  bésochte ,  wart  die  derde  Heinric 
.  .  .  keyser,  IV* ,  46,  1.  Doe  besocht  syt  harde 
wel,  dattie  van  Jabis-Galaat  hem  niene  holpen, 
Rijmb.  8412.  Alsict  over  waer  hebbe  besocht,  23538. 

15)  Vernemen,  \\  Alse  Alezander  dat  bésochte, 
dat  men  elswaer  niet  en  mochte  die  porte  liden, 
Sp,  I^,  33,  43.  (Ie)  hebbe  besocht  selke  niemare , 
dies   mijn   herte   es   worden   zware,  Parth.  2976. 


4075 


BESO. 


BESO. 


1076 


Als  iet  besachte,  &>.  IIP,  16,  59;  Stoken, 541; 
1217.  Hebbic  besocbt,  ^.  III«,3,  TB.Tgheslachte 
hebbic  wel  Ternomen  ende  besocht,  daer  hi  of  es 
comen ,  Parth,  5825.  Na  saldi  horen  voert  bedieden 
van  den  stenen,  .  .  .  wat  crachte  ie  daer  of  be- 
sochte,  Nat,  BI.  XII,  1147. 

16)  Vinden^  uitvinden,  uitdenken.  \\  Grote  wysheit 
hi  besochte ,  diet  maecte  van  dier  natneren ,  dat 
ommermere  mocht  ghedneren,  Troyen,  Hs./.126a. 
—  Ook  in  den  sin  van  uitdenken ,  verzinnen;  sjnon. 
van  vis i eren.  i|  Maer  dat  mi  die  mare  brochte 
Cebalijn ,  diet  al  besochte ,  want  mine  name  niemen 
en  wroechde,  Jlea:.  YIII,  633. 

Wederk.  —  Hem  besoeken,  beproeven,  pro- 
beeren.  Zoo  ook  in  het  mnd.  ||  Hi  decte  hem,  so 
hi  best  mochte,  als  syn  meester  hem  besochte  op 
hem  scermen  ende  houwen,  SegA.  1423. 

BESOEKER  (besouker,  besueker),  znw.  m. 

1)  Yan    besoeken,   in   den    sin  van   onderzoeken 
(ald.  5.).  Onderzoeker',  hij  die  onderzoekt ,  naspoort.  || 
Snbtile  sonderlange  clerke,  besonkers  van  ons  Heren 
werke   ende    van  sire  moghenteit  al.  Franc.  6895. 

2)  Yan  besoeken,  in  den  zin  van  het  oog  houden  op,  na- 
gaan  {ald.  6).  Hij  die  de  hand  houdt  aan  voorgeschreven 
toetten  en  reglementen ,  hij  die  met  eene  speciale  enquête 
wordt  belast,  inspecteur  ^vgl.  BESOEKEN  7).  || 
So  waer  men  yemant  van  aen  vorser,  hneders  ende 
besnekers  om  deser  saken  wille  moeyenisse  dade, 
Brab,  Y.  Dl.  2,  bl.  616.  Dat  onse  meyer  ende 
rentmeistre  van  Loeven  .  .  van  allen  den  pointen, 
ordinancien  ende  coeren  voirscreven  hueders  ende 
eernsteghe  besuekers  selen  wesen ,  ald.  Dat  sy  ten 
versneke  haerder  voors.  besnekers  .  .  ten  steden 
ende  ten  dorpen ,  dair  hen  dat  van  hare  of  van  hare 
voors.  besnekers  weghen  cont  ghedaen  sal  werden , 
hen  onderdanich  B^n,ald.  667.  Dit  sQn  die  pointen, 
die  die  besneckers,  die  sy  hertoginne  .  .  van 
Brabant  nu  geordineert  heeft  besuecke  te  doin 
over  al  binnen  haren  lande  .  .  op  alle  die  ghene, 
die  drosseten ,  rechteren ,  rentmeesteren  of  andere 
dieneren  geweest  hebben,  688. 

BESOENEN  (besuenen)  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  be- 
sonen,  besunnen;  mhd.  besuenen.  Yg\.  BESWOENEN. 

1)  Verzoenen. 

a)  Met  een  twist  als  obj.  Door  een  zoen  of  ver- 
gelijk ten  einde  brengen,  uit  den  %oeg  ruimen.  \\ 
Dese  ghesel broeders  maecten  veel  soenen  van 
dootslagen  .  .  ende  van  menighen  swaren  veten, 
die  te  voren  niemant  besoeuen  mochte,  Matth. 
Jnal.  3,  242. 

b)  Met  de  twistenden  als  obj.  Ferzoenen ,  in  goede 
verstandhouding  met  iemand  terugbrengen.  ||  Dattie 
stat  van  Utrecht  .  .  ende  hoir  burgeren  .  .  mit  ons 
besoent  ende  verleecken  sijn,   ald.  373  noot. 

2)  Iemand  in  dei^  zoen  opnemen.  ||  Die  stat  van 
Utrecht  ende  van  Amersfoerde  werden  by  name 
mede  besoent,  dat  hem  qualic  gehouden  wert, 
ald.  Ruerende  van  dat  die  van  Utrecht  mede  in 
der  sneuen  bezuent  waren,  Bel.  v.  L.  179.  Die 
sg  dan  onschuldigh  vinden ,  die  sullen  wail  besoent 
binnen  der  Stede  van  Leyden  comen ,  ald.  257.  Des 
sal  hi  inder  zoene  vorsz.  bezoent  wesen,  O.  R.  v. 
Bordr.  2 ,  22.  —  Somtijds  met  eene  bep.  met  o  p.  Eig. 
iemand  in  een  zoen  opnemen ,  hem  met  een  ander  ver- 
zoenen, een  zoen  sluiten  o  i^  zekere  voorwaarde.  || 
In  allen  punten ,  dair  sii  oflf  besorget  {verzorgd,  voor- 
zien) ende  op  besoent  sullen  worden  inder  soenen , 
Y. d. Wall 456.  —  Ook  enen  besoenen  (ende  be- 
vreden)  op  een  goet,  in  den  sin  van  een  zoen 
aangaan,  tengevolge  waarvan  iemand  het  ongestoord 
bezit  van  dat  goed  is  verzekerd.  \\  Dat  .  .  .  onse 


helper,  die  om  onsen  willen  inder  veten  getreden  sji, 
vrylüc  bezoent  of  bevreet  sullen  wesen  op  horen  lenen 
en  allen  horen  goeden ,  Bel.  v.  L.  281 .  Item  sullen 
die  burchgreve  en  die  anderen  voirgenoemt  op  alle 
hoir  goede  besoent  wesen ,  beyde  op  leen  ende  op 
eygen,  391.  Dat  wy  .  .  niet  en  sullen  xueoen, 
vreden  noch  in  vorwairden  staen  .  . ,  wy  en  sullen 
mede  den  here  van  Culenborch,  sinen  (/.  sine) 
ondersate  (/.  -ten)  enz.  beznenen,  bevreden  ende 
bevorwairden ,  gelijc  ons  selven,  op  allen  horen 
goiden  .  . ,  so  wair  die  gelegen  siin ,  Ngh.  3 ,  290. 
Dat  wij  mitten  hertoge  van  Gelre  niet  zuenen  en 
sullen ,  wg  en  sullen  hem  {den  heer  van  Culenborci) 
bezuenen  op  sulc  geit ,  als  hi  optie  voirscr.  diensten 
{ambten)  staende  heeft,  wij  zullen  als  bepaling  w 
den  zoen  opnemen,  dat  hij  het  geleende  geld  teruf- 
ontvangt,  291  (a.  1409). 

3)  Met  het  obj.  geit.  Jls  sehadevergoeiing 
beloven;  bij  een  zoen  bepalen,  dat  het  moet  worde* 
betaald.  \\  Ende  (d.  i.  als^  dat  ghelt ,  dat  daer  besoent 
is,  betaelt  sij,  oflf  beaevaert,  de  gheseghet  sii, 
betaelt  sQn,  Overijs.  R.  I*,  61. 

BESOENGE,  znw.  m.  Yan  het  mfr.  besongne, 
besoigne  (Burguy  344);  fr.  besogne  en  besoim.  Over 
den  germ.  oorspr.  van  dit  woord  zie  Burguy ,  t.  a.  p. ; 
Scheler  48;  Diez,  Wib.  1,  386.  Het  zuiver  muL 
woord  is  besichede  (zie  ald.).  Zaak,  aangelegen- 
heid, belang.  ||  Dat  hi  eerst  te  haren  {der  eter  ken) 
bestringnen  {l.  besoengen)  dede  verstaen  ende  die 
termineren  mede,  ende  daemaer  berechte  hiandre 
besteede  (/.  besichede),  VI.  Rijmt.  3003.  Niet  ne 
ghinghen  voert  de  bezoengen,  10017.  Die  om  haren 
besoenge  varen,  Beest.  147.  Sal  ie  ooc  yemant  ia 
hulpen  staen,  daer  moet  miede  voren  gaen  of  sine 
besoenge  sal  niet  clicken  {gelukken),  Praet  1761. 
Dat  sine  besoenge  niet  sal  dieden,  2048.  —  Ook 
in  den  zin  van  ^noeilijke  zaak,  affaire.  ||  Om 
dat  geen  bode  te  gere  ure  bet  es  gelovet  te  gere 
stede  van  sjjns  heren  besechede,  dan  die  here 
selve  es,  comic  nu  mine  besoenge  ontacken  n, 
Lanc.  IV,  2856. 

Aanm.  —  Moet  men  L.  o.  E.  1036:  ^Hi  {Jezns) 
brac  donwet  die  was  geset,  ende  dede  die  be- 
sondiehde  van  hare  wet ,"  voor  besondichde  niet 
lezen  besoengen:  de  y^geboden,  plichten  hunner  wet?** 

BESOETEN,  zw.  ww.  bedr.,  gevormd  naar  het 
voorbeeld  en  als  tegenstelling  yan  besuren  en 
alleen  in  verbinding  daarmede  voorkomende,  In 
West-Ylaanderen  nog  heden  in  gebruik  (De  Eo  123). 
Genieten,  de  vruchten  van  iets  plukken^  de  mfor- 
deelen  er  van  smaken.  ||  De  sulc  bezuert  {doet  de 
moeite) ,  een  ander  moet  bezoeten ,  O  VI.  Lied.  e.  Oed. 
122,  9.  Het  gesciet,  dat  deen  besoet  dat  dander 
besuert,  362,  1394.  (Ood)  verleene  oii  saliche 
avontuere  om  te  bezoetene  dat  ie  bezuere,  456, 
17.  Wildyt  besoeten,  ghy  moetet  syn  besurende, 
Ned.  Kluchtsp.  53,  102.  —  Die  niet  beauert, 
niet  en  besoet  {Jles.  I,  1322);  niet  ne  besoet, 
{scil.  die)  niet  ne  bezuert  {Rosé  C  2572),  Wteniei 
zaait,  zal  ook  niet  maaien;  lat.  nU  siste  sudore.  — 
Spreuken  56  in  min  juisten  yorm:  „Wat  niet  be- 
suyrt,  dat  en  besoetet  niet." 

BESOEYEN ,  zw.  ww.  bedr.  MTaarschgnlgk  can»- 
tief  van  beseven  {beseffen),  gevormd  van  het  impf.  he- 
j(7<p/(zieby  BESEFFEN,  en  vgl.YO  er  en  vmn  yarei). 
Eig.  doen  smaken ,  doen  proeven ,  en  by  uitbreiding 
bezorgen,  verschaffen.  Kil.  besoeven,  ybesotfen. 
II  Ie  sal  .  .  hangen  stoppe  en  fiesache  aen  mf  aea 
hals,  en  brengen  ons  water  uut  oeaÜant  van  ak. 
Ie  sal  (/.  salt)  u  uten  dale  van  droef  heyt  beaoeren.  — 
Och  ja,  ie  souts  alte  gherne  proven,  FUgerw.  7a 


1077 


BESO. 


BESO. 


4078 


BESONDEN  (besdnden),  cw.  wit.  bedr.  en 
trederk.  Hetzelfde  alsheniDesondigeii  (sie  ald.). 

Bedr.  ^Doot  zonde  bevlekten^  verontreinigen,  \\ 
Want  het  sere  besunden  doet  (met  weglating  van 
het  obj.),  ^t  brengt  licht  tot  zonde,  Tien  FL  2197, 

Wederk.  —  Met  eene  bep.  met  ane.  Zonde  in 
iets  doen,  zijn  geweten  bezwaren,  ||  Scuwet  die  eere 
in  allen  stonden,  daer  du  di  ane  waens  besonden, 
Sp,  III»,  9,  83. 

BESONDER  (besunder).  bi|w.  Mnd.  betunder; 
mhd.  besunder, 

1)  Afzonderlijk,  \\  Dorpen  oft  steden  die  bi  onsen 
Yorderen  .  .  tzamen,  beznnder,  hoet  zi,  verpant 
sgn,  Brdb,  T,  VII,  1453. 

2)  Buitengewoon  y  bijzonder  (achter  zQn  bnw.>.  || 
So  scone  was  soe  (JuditA)  besonder  (zoo  bijzonder 
mooi),  Rijmb,  17571.  Indie  vaert  yant  hi  groet 
wonder,  dat  goet  te  home  ware  besonder,  ^.  UI*, 
66,  13.  Datter  nten  tronke  onder  wies  menech 
telch  besonder,  Lorr.  II,  597.  —  Een  zeer  ge- 
liefkoosd rgmwoord  op  wonder,  zonder  Teel  be- 
t«ekenis.  Zoob.v.  Sp,  I«, 47, 116;  I',  61 ,  89;  II»,  10, 
20;  n»,  48,  19;  n%  49,  38;  IVS  8,  34;  IV^ 
60,  3;  Lane,  II,  18675;  III,  2081;  enz, 

BESONDEREN,  zw.  ww.  bedr.  Wid.  besundem. 

1)  Afzonderen,  uitzonderen.  ||  So  is  hier  buten 
bezondert,  wanneer  onse  Heer  yan  Hollant  .  .  . 
binnen  Leyden  sQn,  dat  dan  een  jghelic  doblen 
mach,  Bel,  v.  L,  165  {Leid.  Keurb,  64).  Niets 
antghesteken  noch  besondert,  Qendseh  Chtb.  194. 
Tsnrplus  wert  all  tsamen  gebrujct  by  andere  weer- 
licke  persoonen ,  besondert  alleen  6  of  8  mergen , 
die  gebm jct  werdden  by  den  baghinen  tAmsterdam , 
Jnform.  51. 

2)  Tot  een  bepaald  doel  afzonderen,  bestemmen; 
van  een  leger,  vergaderen,  ||  Int  jaer  ons  Heren 
dertien  hondert  ende  vQftien,  so  werd  besondert 
in  Vrancrike  een  groet  here,  Velth.  VI,  13,  1. 
Dese  heeft  besondert  een  groot  here ,  maer  hets  al 
niet,  Sp,  TV,  46,  6. 

3)  Scheiden,  verwijderen.  ||  Elc  {torre)  stont  van 
andren  besondert  acht  roeden  bi  getale,  Lorr.  1, 2132. 

=  Het  deelw.  besondert  als  bijw.  gebr.  Zie 

BESONDERU 

BESONDERLINGE  (besünd-),  bgw.  Mnd.  be- 
tunder Haufe.  Afzonderlijk,  \\  Soe  souden  si  binnen 
▼iertien  daghen  ende  elc  harer  bezunderlinghen  te 
Bmessele  incomen,  Brab,  T,  VII,  13640. 

BESONDERNE,  bgw.  Mhd.  besundem;  mnd.  ^• 
e9Mderen.Yg\.  hd.  sondem.  Hetzelfde  als  b  es  on  de  r- 
like  of  besonderlinge;  z.  ald.  Voor  den 
▼orm  yerg.  men  wondeme  voor  wonderlike  {Lorr.  II , 
2444;  JVtfiM?.  2576;  2657;  4786 ;  5441 ;  enz.)  en  vgl. 
liübben,  1,  724  op  -erne,  -e rn^ e.  Afzonderlijk, 
op  eene  afzonderlijke  plaats,  \\  (Hi)  sachdat  lynwaet 
daer  ligghen  ende  dat  laken  daer  syn  hoeft  met 
was  bedekt,  nit  metten  lynwade,  mar  besondeme 
ende  oyereenghewonden ,  L,  v,  J.  e.  236. 

BESONDERT,  deelw.  bij  w.van  besonderen  (zie  ald.) 

Afzonderlijk,  voornamelijk  in  verbinding  met 
elc.  II  Elc  besondert  moest  aldus  sgns  rantsoens 
plegen ,  nadat  sijn  staet  was  gelegen ,  Brab,  T,  VI , 
4956.  Olifante  vierwerf  hondert,  op  eiken  enen 
casteel  besondert,  lAmb.  VIII,  833. — Ook  zonder 
elc.  II  Hi  salre  jegen  senden  hondert  ende  laetdie 
striden  besondert,  Lorr.  I,  339.  —  Zonder  ander' 
doel  dan  om  als  rgmwoerd  te  dienen  op  wondert 
en  h  o  n  d  e  r  1. 1 1  Doemen  screef  wel  besondert  neghen 
min  dan  dertien  hondert,  Wrake  III,  734.  Daer 
«yn  binnen  si  yflf,  hondert,  onder  ridders  ende 
knapen   besondert.   Lanc.    II,  39581.  Een  camere 


sachi  besondert  (:  wondert) ,  die  binnen  al  was  yan 
ivore,  Flandr,  I,  1025.  Vgl.  BESONDER. 

BESONDICH  (desondegh,  ook  in  den  jongeren 
door  b^gedachte  aan  het  deelw.  yan  besondigen  ont- 
stanen  vorm  besondicht  (besondecht);  vgl.  be- 
droevich  (zie  snppl.),  besculdicht  naast 
besculdich,  en  Theoph,,  bl.  130),  bnw. .^oiw^, 
met  zonden  behept.  Meestal  van  personen  gezegd, 
maar  eene  enkele  maal  ook  van  het  lichaam, 
het  leven,  de  ziel,  ||  Ie  ben  een  dat  beson- 
dichste  w^f,  die  nie  ter  werelt  ontflnc  Igf, 
L.  o.  H.  1414.  Dat  elc  besondich  knecht  sinen 
scepper  ere,  Ltmd.  1223.  Dat  hise  op  hem  sal 
wreken  om  hare  besondige  treken,  3459.  Den 
besondigen  scalc  vri  maken,  3857.  Die  besondege 
sielen,  die  hier  in  hoeftsonden  vielen,  5207.  Al 
ben  ie  een  besondech  wijf,  Beatr.  525.  Ie  aerm 
meinsche,  zere  bezondich,  OFl,  laed,  en  Qed,  38, 
261.  Siudent  dese  besondege  man  so  grote  oratie 
ghewan ,  Sp,  III* ,  33 ,  89.  Bi  enegen  besondegen 
man,  Lane.  III,  1814.  Eens  besondechs  ridders, 
2110.  En  haddi  niet  so  besondech  gewesen  alse 
gi  sijt,  2518.  Ende  ie  mi  stille  ende  openbaer  be- 
sondich mensche  belie,  Flandr.  II,  138.  In  minen 
besondegen  lichame,  Blise.  v,  M,  1694.  Ie  bem 
een  man,  besondecht  sere,  Bijmb,  22458.  Die 
besondechde  Magdalena,  23206.  Datten  een  be- 
sondecht w^f  antast,  23213.  Bezondichde  meins- 
ghen,  OVl.  lAed,  e,  Oed,  518,  1.  Onser  be- 
zondichder  meinsghelicheit,  ald.  532,  422.  Ie  ben 
een  besondicht  man,  Theoph.  211.  Ie  ben  beson- 
dicht ende  onvroet,  217.  Waendi,  yrient,  dat 
niemen  el  besondicht  en  es  dan  ghi  ?  234.  In  dese 
stat  en  si  niemen  besondecht  gelijc  mi,  Sp,  11^, 
56,  37.  Die  besondegede  ridder,  IV*,  72,  34;  zie 
ook  II',  40,  8.  In  desen  besondichden  live,  Vad, 
Mus,  5,  328.  So  besondicht  w^f  ne  was  negene, 
L,  o,  H,  1399 ;  vgl.  4608.  Bi  der  maget,  die  nie 
en  waert  besondicht,  die  nooit  zonde,  onreinheid 
pleegde  met  een  man,  Umb,  VI,  208.  Zie  yerder 
Fhr.  1257;  L.  v,  J,  e,  30;  Lett,  N,  W,  5»,  38; 
Lanc,  II,  2177;  25467;  ÜI,  5082;  5536;  5611; 
IV,  4587;  D.  B,  Jes,  1,4.  —  Ook  als  znw. 
Zondaar,  zondares,  \\  Van  desen  besondegen,  ald, 
345.  Die  besondege  {var,  besondechde;  tekst  son- 
daers)  entie  publicane  entie  wokeraers,  Bijmb, 
25258  var.  Het  leent  die  een  besondechde  den 
anderen,  Hs.  v.  1348  var,  198  <i.Vgl.  ald.-.  bezon- 
dechde  lieden  {tweemaal).  Dese  besondichde ,  die  op 
mi  screit,  L.  o.  H.  1485.  Die  besondechde  . .,  dat  si 
penitentie  sullen  ontfaen,  Rijmb,  23105.  Wes  ipi, 
besondeghe ,  sonderlinghe  goedertiere,  O,  Intern,  13. 

Aanm.  —  Over  besondichde,  L.  o.  JT.  1037, 

zie    bü   BESOENOE. 

BESONDIGEN  (besundigen)  ,  zw.  ww.  bedr. 
en  wederk.  Mnd.  besundigen.  Vgl.  bësonden. 

Bedr.  —  Bevlekken,  bezoedeld,  verontreinigen.  || 
Dat  si  {de  tong)  besondecht  sinen  mont  met  quaden 
woorden,    Tien.   Fl.    1322.  Dat  ander  {pwnt)  ,  .  , 
dat  ooc  tghevoelen   {het  gemoed)  seer  besundecht, 
1446. 

Wederk.  —  a)  Met  eene  bep.  met  ane.  In  iets 
misdoen,  zonde  doen,  zich  vergrijpen.  ||  An  die  af- 
gode  ende  an  die  wive  besondechde  hem  menich, 
Rijmb.  6194.  Ie  en  wil  mi  hieraen  niet  besondigen ; 
ie  gheef  Hughen  in  uwen  handen ,  jugeert  hem  oft 
hi  sterven  sal  oft  niet,  Huge  v.  Bord.  78.  — 
b)  Met  eene  bep.  met  met.  Hoererij  bedrijven,  || 
Dat  hi  met  ere  joncfW>u we  hem  besondechde  dorper- 
like  binnen  sinen  hnwelike,  Fad,  Mus.  4,  819, 
232.  Wanneer  dat  enich  mede  besondichde  (/.  hem 


4079 


BESO. 


BESO. 


d080 


daer  mede  b.),  dat  hy  daer  mede  sonde  werden 
geqnelt,  Ht.  p.  1423,  216  ó. 

BESOPEN,  zw.  WW.  bedr.  Mnd.(?)  mhd.  besoufen, 
causatief  Yan  besnpen,  mhd.  hetüfen^  d.  1.  ver- 
drinken (vanwaar  ons  bnw.  bezopen^  d.  i.  indrani 
vertmoardy  tmoordronken).  Doen  verdrinken^  onder 
water  zetten^  overttroomen.  ||  Nylus ,  die  dor  Egypten 
loopt,  hadde  tlant  al  meest  besoopt,  Rfjmb.  4109. 

BESORCH  (besorg),  snw.  o.,  stam  van  be- 
torgen.  Mhd.  besore. 

1)  Zorff^  bijstand,  behartiging  der  belangen  van 
personen  of  landen,  ||  Om  tbescnt  of  om  tbesorch 
des  hertoghedoms  van  Lutzenborch ,  Brab.  Y.  VII, 
1427.  —  Vooral  in  de  nitdr.  besorch  doen, 
zorg  dragen. 

a)  Absoluut.  II  Daer  af  die  heere  van  Culenborch 
hadde  ghelooft  te  doene  besorch  dat  men  van  houte 
na  al  ghevoech  behoefte  vinden  sonde  ghenoech, 
ald.  8737. 

b)  Met  den  3den  nv.  v.  d.  pers.  (of  het  voorz. 
vore).  Moeite  voor  iemand  doen,  hem  bijstaan.  ||  Soe 
selen  wi  hem  doen  besorch  in  haren  laken,  ald. 
1792.  Die  buten  onsen  weghe  gaet  neme  dats  hem 
te  hebbene  staet ;  voor  hem  en  doe  ie  gheen  bezorch, 
on.  Lied.  e.  Ged.  249,  490. 

2)  Bestuur,  bewind.  \\  Datse  haer  so  eerbaerlijc 
hadt  ghequeten  int  besorch  vanden  lande ,  Exc.  Cron. 
166^.  In  regemente  ende  in  besorch,  Brab.  F.  VI, 
1136.  Die  voorscreven  Anthongs  sal  sjjn  besorch 
des  hertoghedoms  van  Lutzenborch  .  .  .  moghen 
lossen  ende  redimeren,  ducatum  redimere  et  exsol- 
vere,  VII,  1337.  Dat  si  hen  hadden  soe  eerbaerlgc 
ghequyt  ende  soe  ghetrouwel\)c  int  besorch  van 
den  ghemeinen  lande,  11909.  —  In  besorch 
hebben,  nemen,  het  bestuur  hebben ,  aanvaarden 
over.  II  Joes  .  .  hadde  in  besorgh  dmercgraefscap 
van  Brandenborch ,  Brab.  T.  VI ,  697.  Godert  heere 
tot  Brandenborch ,  dat  hi  als  heere  hadde  in  besorch , 
VII ,  2691.  Die  derde  Jan  nam  sjjn  (/.  in)  besorch 
Brabant ,  Lotrijk ,  Lymborch ,  Fad.  Mus.  3 ,  446 ,  249. 

3)  Bescherming,  hoede,  zorg.\\  Dat  goede  hoede 
behoeft  in  stride,  ende  groot  besorch  hoert  ter 
banniere,  Brab.  T.  VI,  1382. 

4)  Het  in  orde  brengen,  de  voorbereiding,  toe- 
nuting.  \\  Toten  besorghe  sijns  oorloghen  jeghen 
dien  van  Gloucestere,  ald.  VII,  14866. 

5)  Oemak,  confort.  —  Eig.  dat  wat  iemand  noodig 
heeft,  waarvan  hij  voorzien  moet  zijn.  In  de  uitdr. 
sijn  besorch  nemen.  ||  Sonder  syn  logis  oft 
besorch  aldaer  te  nemene  op  die  borch,  Brab.  T. 
VII,  18023. 

6)  Verzekering.  \\  Welke  penninghen  wi  hebben 
bewesen  in  goet  besorch  opt  {voor  welk  geld  wij 
verbonden  hebben)  hertoghedom  van  Lutzenborch, 
ald.  1418.  —  Ook  in  den  zin  van  verzekerde 
bewaring  ||  Daer  na  saen  heeft  hi  die  goede  manne 
gevaen  ende  in  besorch  dede  hise  leggen  op  die 
borch,  Brab.  Y.  VI,  4741.  Die  ghe vanghen  heeft 
hi  al  omme  ghesonden  in  steden,  in  sloten,  int 
(/.  in)  besorch,  in  den  lande  van  Lutzenborch, 
VII,  2756. 

7)  Concreet.  Hetgeen  in  orde  te  brengen  is ,  zaak , 
taak;  lat.  negotium.  Vgl.  besichede  3).  ||  Die  heere 
van  Oeye  was  int  besorch,  bij  de  zaak,  n1.  tien  vrede- 
handel, Brab.  Y.  VI,  11058.Hertoghe  Jan  sant  om 
dit  besorch  heere  Petren  van  Lutzenborch,  VII, 
14445. —  Provoest  vanden  hesor g en  ,  zaak- 
waarnemer, zaakgelastigde.  \\  Lysias  des  conincz 
procurere  ende  syn  maech  ende  syn  provoest  vanden 
besorghen,  D.  B.  II  Maeeab.  11,  1. 

8)  Heeft  besorch ,  evenals  de  synoniemen  b  e  r  e  e 


en  berecht  (zie  ald.) ,  de  bet  strijd.  Ygl.  het  Lat 
rem  hahere  eum  alqo.  \\  Om  tbesorch,  dat  toe- 
comende  mocht  oprisen,  Brab.  Y.  VI,  1880.  Van 
Brabant  dierste  hertoge  Jan,  die  den  strijt  te 
Woeronc  wan ,  ende  grave  Heinric  van  Lutzenborch , 
die  daer  doet  bleef  int  bezorch,  7407.  (Hi)  reet 
selve  int  besorch,  VII,  2737.  —  Beide  beteekenissen, 
die  van  zaken,  en  van  strijd , oorlog kAu  besorch 
hebben  Brab.  Y.  VI,  2267:  Heere  Jan  .  .  dicye 
seder  den  hertoge  diende  in  sgn  besorch,  in  den 
orloge  van  Limborch  ende  voer  Woeronc  .  .  ia 
den  stryt 

9)  Van  besorgen  in  den  zin  van  vreezen  (ald.  6). 
Bezargdhfid,  angst,  vrees,  pijnlijke  onzekerheid,  \\ 
Seker  cooplieden  van  Straesborch  die  daer  langhe 
in   groot    besorch    gheleghen    hadden,    in    zwaer 
verdriet  ghevanghen,  Brab.  Y.  VII,  3093. 

BESORCHDELIKE ,  bijw.  Van  ^*<w<r*/ ,  in  onze 
bet.  Met  voorzorg,  voorzichtig  lijk.  \\  Si  nestelen 
inden  haechdoernen  ende  broeden  haer  eyer  be- 
sorchdeiyc  ende  si  minnen  of  liefhebben  haer 
jongen ,  Barthol.  4044. 

BESORCHSAEM  ,  bnw.  Zorgzaam ;  zorg,  bezorgd- 
heid hebbende  voor;  belangstellend.  Kil.  53 :  sollicitus. 
—  Vandaar 

BESORCHSAEMHEIT,  znw.  vt.  Zorg ,  bezorgd- 
heid, belangstelling.  \\  By  haerlieder  fiaumoedicheden 
ende  cleen  besorghsaemhede  voor  tghemeen  volc, 
niet  ronckende  (/.  rouckende)  up  tghemeen  orboor, 
Invent.  v.  Brugge  6,  220. 

BESORCHT.  Zie  besorgen  eUBESORCHDELIKE. 

*  BESOREN  (bezuren),  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  besoren. 
Het  is  niet  onmogeiy  k ,  dat  er  een  ww.  b  e  s  o  re  n  in 
H  mnl.  bestaan  heeft  (wel  te  onderscheiden  van  het 
by  Kil.  genoemde  besoer  en,  j.  besueren,acer- 
ba  pati ,  van  soer ,  d.  i.  zuer) ,  van  soren,  d.  L  rme , 
scherp ,  hard  en  droog  zijn ,  ook  pijnlek  zijn  (3  Dag. 
H.  304)  van  soor,  eng.  sear  (E.  MüUer  2,  356). 
Zie  de  verschillende  beteekenissen  van  soren  en 
seuren  by  Kil.  610.  Een  ww.  besoren  zon  dus  denk- 
baar zyn,  doch  alleen  met  doot  als  ondw., 
niet  als  voorw. ,  want  in  den  zin  van  mnl.  be- 
pinen  kan  besoren  niet  worden  opgevat;  die 
doot  bepinen  is  eene  onbestaanbare  uitdrukking. 
Doch  nu  op  de  eenige  plaats ,  waar  het  voorkomt , 
nl.  Franc.  3423:  „Tote  dat  hi  de  doot  besoorde, 
addi  enen  roe  ende  een  corde  ende  een  nedercleet, 
datti  drouch,"  de  dood  voorwerp  is,  zal  be- 
soorde wel  eene  schryffout  zyn  voor  becoorde. 
Zie  becoren. 

BESORGEN,  zw.  ww.  bedr.  en  onz.  Mnd.  be- 
sorgen; mhd.  besorgen.  Het  trans,  sorgen. 

Bedr.  —  1)  Zorg   dragen  voor    iemand  of  Uts. 

a)  Met  den  4den  nv.  van  den  pers.  Ferzorgen ,  m» 
het  noodige  voorzien.  ||  Die  fisisien  . . .  als  hi  sieke 
besorghen  sal,  Rijmb.  22955.  Besorgh  mi  desea 
man;  alsic  keere,  ie  loont  u  dan,  25435.  Altoes 
es  si  sere  vervaert  om  syn  lyf  ende  om  sga  ere 
ende  besorchtene  harde  sere,  Melib.  798  var.  Nu 
hoert  .  .  . ,  hoe  hi  bezorghede  {de  belangen  hekar- 
tigde  van)  zinen  veynoet,  Denkm.  3,  169,  120.  In 
allen  punten  dair  sii  off  besorget  .  .  .  siülea 
worden  in  der  soene,  V.  d.  Wall  456.  — 
Als  wederk.  gebr.  Hem  besorgen,  voor  sieh 
zelven  zorgen.  ||  Een  yghelic  ontfaet  sün  rentes 
ende  besorcht  hemselven,  alsof  hi  in  die  wereh 
waer,  Ned.  Proza  69  *.  legelgc  wille  hem  daa 
besorgen,  dat  hi  si  op  den  lesten  dach  bereet  te 
eeldene  syn  ghelach,  Brab.  Y.  VI,  4020.  —  In 
denzelfden  zin  Besorget  syn,  wesen.  ||  Die 
dach  van  morghen  sal  voor  hem  selven  besorghet 


i081 


BESÖ. 


BÈSÖ. 


408^ 


wesen,  Hs,  Evang,^  Matth,  6,34.  —  Ook  meteene 
bep.  met  van.  Voorzien  van.  ||  Wat  enen  eedelen  man 
toebehoort ,  daeraf  sal  ie  n  beaorgen,  Huge  v.  Bord.  19. 
Claramonde  besorchdese  al  van  eten  ende  drincken , 
ende  van  al  dat  hen  van  node  was ,  48.  (Hi)  dedese 
wel  besorgen  van  alle  dat  hem  van  node  was ,  64. 
Ie  ben  dns  langhe  besorcht  gheweest  van  al  dat 
mi  van  node  was,  59. 

b)  Met  den  4den  nv.  der  zaak.  Voor  iets  zorgen^ 
zijne  gedachten  over  iets  laten  gaan ,  Aet  behartigen ,  er 
moeite  voor  doen,  \\  Hoer  rechte  ende  haircomen  . . 
alsoe  besorgen,  dat  sy  des  wayl  te  vreden  sullen 
wesen,  Y.  d.  Wall  466.  Hi  besorghede  soe  sere 
tgemeyne,  dat  hLsgns  selfs  achtte  clejne,  T.  en 
Lettb.  3,  73,  69.  £lc  besorght  nu  snnderlinghe 
sgn  gherief  ende  sgns  selves  dinghe,  ald.  76,  137. 
r^tta  beghers,  bepgnstant  yet  ende  dattu  mint 
(/.  mins),  besorcstnat  niet?  O VI,  Lied,  en  Qed. 
606,  396.  Dach  ende  nacht  besorghende,  wie  dat 
zal  vermaken  myn  herte  geqnetst,  472,  479. 

2)  Verschajfen^  schaffen,  zien  te  krijgen.  \\  Ganc 
ende  besorch  spise,  die  wi  eten  mogen,  Limb.  II, 
414.  —  Thans  nitslnitend  met  by  voeging  van  een 
3den  nv.  des  pers. 

3)  In  een  toestand  brengen,  —  Vandaar  het  deelw. 
besorget,  in  een  zekeren  toestand,  in  de  nitdr. 
besorget  s|jn  en  sitten,  dat  hier  in  bet.  met 
sg  n  gelijkstaat,  vooral  van  onaangename  toestanden 
gezegd.  Er  in  zitten,  \\  De  roeder  dat  es  smenschen 
wille ,  die  in  dat  scip  cont  ende  nat  besorghet  zittet 
ende  stille,  Fraet  362.  Die  ziele  die  in  a  vat  be- 
sorghet es  coat  ende  nat,  nat  van  sonden  ende 
cont  van  gracien,  1673.  In  den  laec  Beatijn  man 
ende  wyf  waren  ooc  also  besorget,  in  den- 
zelfden  ellendigen  /!o^«^a»«?,  diesinteFransojshevet 
geborget   ende   halp  hem  uten  watre  diep.  Franc, 

9177.  Ygl.  BEOADEN,  BERECHTEN  en  BERECKEN. 

4)  Besturen,  regeer  en.  ||  Si  was  een  endevyitich 
jaer  hertoginne  .  .  na  hertoge  Jans  haers  vader 
doot ,  daer  af  si  dlant  besorghde ,  Brab.  Y,  YI,  11788. 

5)  Bewaren,  ||  Die  helen  connen  ende  besorghen 
{nl,^  iet),  daer  en  is  njemant  voir  ghevejnst, 
Jlila.  137,  26.  Hi  sal  den  sloetel  doen  besorghen, 
166,  241.  Hj  en  wilden  {den  sleutel)  wel  behouden 
doen  ende  besorghen  naerstelyc,  166,  246. 

6)  Yan  zorgen,  in  den  zin  van  vr^^zm.  Hetzelfde 
als  beduchten  (zie  ald).  Bevreesd,  beducht,  bezorgd 
zijn  voor  iets.  ||  Snlc  der  heeren  van  Brabant  die 
besorghden  seere  .  .,  dat  het  den  lande  namaels 
te  laste  comen  mochte ,  Brab,  Y.  YI ,  9648.  Qname 
hi  binnen  Rome  met  ghewelt,  het  ware  te  besorgen , 
datter  meerder  scade  af  soude  comen,  Exc.  Cron, 
296  d.  Die  hatighe ,  nydighe  .  .  mensch ,  staet  te 
besorgen,  dat  hi  nntghesloten  sel  werden,  Qest. 
R.f,  69  6,  —  Yandaar  het  deelw.  besorget,  in 
angstig  onzekerheid,  in  vrees  verkeerende.  \\  Teerst 
datti  lande ,  wart  hi  ghevaen ;  daer  men  doe  leedde , 
moesti  gtien ,  besorghet  wat  men  sonde  doen , 
Parth.  4099.  Dyn  vader  heeft  die  ezellinnen  ghelaten 
ende  is  besorget  om  u,  m  bekommerd  vo -r  u,  D. 
B,  I  Sam.   10,  2. 

Onz.  —  Zorgen,  zorg  dragen,  —  Deonb.  wysals 
znw.  gebruikt.  Zorg ,  bemoeiing,  inspanning,  ||  Uwen 
scepper  die  u  ghecleet  heeft  mit  plnmen  .  .  ende 
n  voedet  sonder  n  besorghen,  Ned,  Froza  238  (vgl. 
Mat^A,  6,  26). 

BESORGEBE  (besorger,  besorqre)  ,  znw.  m. 
Mhd.  bezorger,  Yan  besorgen  in  de  bet.  4).  Bestuurder , 
regent.  \\  Wes  selve  besorghere  in  myn lant ,  JZymd. 
3021.  Hi  biet  mede  .  .  .  sinen  oudsten  sone  .  .  . 
besorg^e    ^ijn    in   Jherusalem,   20689.   Het  {hoor) 


es  onder  bezorghers  ende  beleeders,  Hs.  v.  1348, 
40tf.  —  Besorger  van  den  gilde,  hoofd  van 
het  gild.  ||  Deeckene  ende  besurghers  van  sente 
Agneeten  gulde  van  Ghent ,  Vad,  Mus.  6 ,  12  Aant.  1). 

BES0BGIN6E,  Inw.  vr.  Mnd.  besorginge.  Eig. 
het  in  orde  brengen,  en  verv.  concreet  het  in  orde 
gebrachte,  de  zaak.  Ygl.  BESORCH  7),  waarmede 
het  in  bet.  overeenkomt.  Provoest  van  besor- 
ghinc,  hetzelfde  als  provoost  vanden  be- 
sorgen, zaakgelastigde,  zaakwaarnemer.  ||  Dat 
Lysias  den  procuroer  ende  provoest  van  besorghinc 
met  hem  was,  D.  B.  II  Maccab,  13,  2  (lat.  pro- 
curatorum  et  praepositum  ne  goei  o  rum). 

BESOÜTEN,    zw.   ww.  onz.  en  bedr.  Yan  sout. 

Onz.  —  Met  zout  doortrokken,  door  zeewater 
overstroomd  worden.  \\  Men  salt  (het  land)  bieden 
ten  ban  binnen  den  hoep,  dairt  binnen  besouten 
mach ,  Matth.  Jnal.  1 ,  270.  Die  grote  Waert  van 
Zuythollant  bi  ongheval  ende  vloeden  bezoudt  is, 
Y.  d.  Wall  366.  Wair  dat  sake,  dattet  lant  be- 
soute  van  vloeden,  Mieris  2,  270^.  Wair  dat  zake, 
dat  dat  lant  bezontede ,  Oor  kb.  2 ,  361ff .  Yan  ghe- 
broocken  dycken,  van  besouten,  ende  anders ,  Lams 
62  {a.  1422). 

Bedr.  —  Door  zeewater  bederven.  \\  Sonder  onse 
land  te  besoutene  of  scade  te  doene,  Friv.  v, 
Brielle  2,  23. 

BESFAEBSEN  (besparsen,  bespersen),  zw. 
WW.  bedr.  Yan  spaersen  (zie  ald.).  Nog  heden  in 
W.-Ylaanderen  in  gebruik  (De  Bo  114). 

1)  Besprenkelen,  besproeien,  met  vloeistoffen.  || 
Yan  desen  {water e)  wert  besparst  Yalentiaen ,  Sp,  II*  , 
29,  110.  Die  ziec  waren  versaemden  si  .  .  .  ende 
bespaersdense  daer  mede  {met  het  bloed),  III*, 
73,  26.  (Hi)  bespaersde  sine  beesten,  Franc.llSl, 
Besperze  mi,  heere,  met  ysopen,  ie  worde  ghe- 
zuvert  in  dat  dopen,  O VI.  lied.  en  Qed.  6,  114 
(vgl.  Boetps,  61,  29  en  Vad,  Mus.  2,  441,  waar 
op  de  overeenkomstige  plaatsen  bespraien  ge- 
lezen wordt). 

2)  Bestrooien,  met  vaste  stoffen.  ||  So  bespers 
syn  aes  met  pulvere  van  wilgheblomen ,  Nat.  BI.  III, 
1640  var,  (Si)  besparstendere  mede  (met  het  zand) 
haer  lant,  Sp,  II*,  68,  16. 

3)  Bespatten,  bevlekken,  bezoedelen.  \\  Dat  gras 
was  oft  met  roden  greine  besperst  was ,  ^üt/.  8686. 
Die  straten  van  Jherusalem  waren  alle  bespaerset 
bi  hem  metter  heileger  lieden  bloede ,  6|p.  I* ,  41 , 9. 
Ghecleedt  met  eenen  cleede  met  bloede  bespeerst, 
Openb,  Joh,  19,  13.  —  Ook  met  de  stof  zelve  als 
ondw.  II  Ene  ronde  wonde  daer  bloet  uut  ran  te 
meniger  stonde,  ende  (d.  i.  daf)  bede  roe  ende 
nedercleet  bespaersde.  Franc.  7028. 

BESPABEN,  BESPABBEN.  Zie  besperren. 
BESPABSEN.  Zie  bespaersen. 
BESPELEN ,  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  bespelen ;  mhd. 
bespiln, 

1)  Voor  den  gek  houden,  bedriegen,  misleiden, 
ook  van  den  duivel  gezegd.  ||  Dye  duvel  bespeelde 
dit  wyf,  soe  dat  hoer  dochte,  dat  si  den  kersten 
ghelove ,  dye  si  tot  die  tijt  ghehadt  hadde ,  tusschen 
hoer  borsten  droech,  Fass,  W,  212^?. 

2)  Een  wyf  bespelen,  haar  beslapen,  Ygl. 
spelen  en  spel.  ||  Datter  ein  junck  man  bespelen 
sal  ein  junckvrouw  unde  de  voedet  van  hem  ein 
kint,  Fr  o  Excol.  6,  703. 

BESPELLEN ,  zw.  ww.  bedr.  en  onz.  Yan  spellen 
(zie  ald.). 

Bedr.  —  1)  Bespreken ,  verhalen ,  mededeelen.  || 
Al  dattie  capittulen  tellen,  sal  u  die  jeest  al  be- 
spellen,  Troyen  240. 


1083 


BESP. 


ÈESP. 


1084 


2)  Btteehenen^  beduiden,  \\  Die  aren  die  boyen 
den  bedde  yloech,  dat  bespelt  den  vader  sgn ,  ende 
tjonc  betekent  Seghelyn,  Segh,  1812. 

Onz.  —  Beiproken  worden^  bedoeld ^gektntehetst 
worden.  \\  Bi  deser  favelen 'soe  bespellen,  die 
valsch  syn  ende  valscheit  tellen,  E^op.  IV,  25.  Bi 
deser  favelen  soe  bespellet,  die  an  heerscap  es 
ghesellet ,  die  metgroote  heeren  omgaat^  ald.  VI,  15. 
Over  den  overgang  tot  de  pass.  bet.vgl.  by  betalen. 

B£SP£R,  znw.  o.,  Mnd.   besper ^  beipar.  Stam 
van   beeperren  (zie    ald.).    Eig.    het   opsluiten^   en 
verv.  het  gevangen  z\jn ,  de  gevangenis ,  de  hechtenis.  || 
Moet    ie  bliven  nu  in   besperre,    soe   doedi   ons 
onrecht  groet,  Limb.  III,  1038. 

BESFEREN,  BESPEBINGE.  Zie  besperren, 

BESPERRINOE. 

BESPERREN  (besparen  ,  besparren  ,  be- 
spieren),  ew.  WW.  bedr.  Mnd-  besperen\  mnd.  **- 
sperren.  Van  sperren\  zie  ald.  en  verg.  ons  ver- 
sperren. 

1)  Belemmeren^  verhinderen^  iemand  de  uit- 
oefening van  gijn  functiên  beletten.  \\  Dat  si  den 
Grave  van  Cleve  ....  weder  {tegen)  ons  ende 
weder  alle  dieghene,  die  dit  goet  besparen  {hst 
gebruik  er  van  onmogelijk  maken)  ^  in  desen  goede 
helpen  halden  ende  bescarmen.  Mieris  2,  ö3£. 
{Toen)  en  waert  den  burgheren  van  Ghenemnden 
ae  visscherye  van  njemant  bespiert  noch  becroent, 
Racer  6 ,  127.  Yan  njemant  bespiert  {in  het  visschen)^ 
139.  Dat  ennich  bnrgere  .  .  des  anderen  .  .  erve, 
geit  ofte  gnet  besperreden  {het  gebruik  van  erve 
enz.  belette) ,  ottd  oeren  boninden  ende  schnlderen 
verbode  oer  landt  te  bouwen,  R.  v.  Zutf.  117. 
Spise ,  die  de  nature  bespaert ,  bexwaert ,  belemmert^ 
Rinel.  633.  (Hi)  betyet  hem  an,  dat  hy  bespaert 
heeft  een  stucke  erfs  ende  lants,  aan  iemands 
gebruik  onttrokken  j  m.  a.  w.  zich  toegeëigend  heef  t, 
Westfr.  Dingt.  9.  —  Vgl.  Ngh.  5,  168  noot:  de 
huweUjksgeboden  bespieren. 

2)  Zijn  recht  doen  gelden  op,  aanvaarden.  \\  Want  die 
plecht  in  horen  beclaechden  boedel  was,  die  sj  mitten 
recht  besperret  hadden,  B.  v.  ütr.  2,  204.  Dat  die 
plecht  sculdich  is  weder  te  comen  in  den  boedel , 
daer  sy  mit  recht  in  besperret  is,  ende  aldair  bliven 
sel  ter  tfjt  toe  dat  sij  mit  recht  uut  den  boedel 
wint,  ald.  Dat  die  boedelherde  zijnen  eedt  daer 
alsdan  op  doen  zeil  als  recht  is  . . ,  indien  denselven 
boedell  bynen  jaers  ende  daighs  besperret  wert, 
ald.   296    {var.    met    recht    aengesproken    wort). 

3)  Opsluiten,  vangen.  ||  Hoe  hadstu  mi  eens 
besperret  ten  putte,  Xein.  II,  6432.  (Dat  wy) 
noch  doen  sinten  noch  doen  besperren  in  geenre 
manieren  voirtaen  die  coepman,  Brab.  T.  Dl.  2 
bl.  632.  —  Figuurlyk.  ||  Hoet  u  dat  ghi  niet  en 
mert  ende  coemt  besien,  daer  ligt  bespert  al  u 
herte  ende  in  bedwange,  Bose  2585. 

BESPERRINGE  (in  dialecten  ook  besperinoe  , 
bespierinoe),  znw.  vr.  Mnd  besper{r)inge. Belemme- 
ring,  verhindering ,  tegenwerking.  \\  Sunder  enicher- 
hande  bespiringe  und  wedersage  undargelist,  Nyh.  3, 
59.  (Dat  sy)  ennich  krot,  bespjrringe,  schade, 
hgnder  off  gebteke  kregen  o£f  leden,  4,  219.  Dat 
he  dat  arve  .  .  rusteljcken  unde  vredelycken  heeft 
gebmycket  .  .  sonder  iegerhande  besperinge  edder 
ansprake,  Fro  Excol.  6,  680. 

BESPERSEN.  Zie  bespaersen. 

BESPEVEN,  zw.  ww.  onz.  Van  denzelfden  stam 
als  ohd.  spuon,  spuoan  (Graff  6,  317),  d.  i.  ge- 
lukken; vgl.  gaspuon,  met  dezelfde  bet.,  en  ags. 
^tövan  (Grein  471).  Zie  De  Jager's  Archief  4, 
252 — 255.    Baten,   helpen,    gelukken.    ||    Alse   hi 


siet  dat  niet  bespeeft,  so  peinst  hi  nauwe  ende 
beweeft ,  dat  hi  sulke  dinc  mach  vinden ,  dat  ld 
moghe  dat  wyf  seinden,  S^.  V,  65,  123. 

BESPIËN,  st.  ww:  bedr.  {[bespeeek,  bespegen)]. 
Mnd  bespien.  Bespuwen.  \\  Dye  hem  selven  veroot* 
moedicht  heeft  tot  dye  ghedaente  des  knechts,  tot  dit 
bespiën ,  tot  dat  hanghentnsschen  twee  moordenaere, 

F.  m.  f.  Ir.  In  de  geesselinge . .,  int  bespien ,..  ist 
cruys,  2r.  In  u  nuese  den  stanc  des  bespyens, 
lOr.  Als  die  .  .  gheslaghen  ende  vemedert,  mit 
spekel  bespegen  is,  ^«. /.17p.  Hoe  hi  verraden.., 
bespegen  ende  ghecmust  solde  werden ,  Bmgm.  2, 
333.  Syn  anghesichte  bespeghen,  eonspuentês  faaew^ 

G.  Groote  100.  Zie  verder  bespiewen. 
BESPIEN,  zw.  WW.  bedr.  Mnd.   hespen-,  mkd. 

bespëhen. 

1)  Bespieden,    verspieden,    zonder    bewterkt  te 
worden   nauwkeurig   beschouwen.   \\  Dat   sine   was 
comen   om   ander   dinc   dan  om   bespien,  wat  hi 
dede,  Lanc.  II,  26209.  Doe  sendde  Josue  .  .liede 
ter   stede   van   Hay,    diet  bespien   souden   wel, 
Bijmb.   6653.  Doe   wi   bespiet   hadden   dat  lut, 
6903.  Die  daer  of  wilde  nauwelike  bespien ,  wat 
in  dien  dienste  sonde  gescien,   Sp.  II*,  72,  88. 
—  Met  den  4den  nv.  van  den  pers.  Beloeren.  ||  Die 
dief  heften  bespiet,  die  altoes  hadde  in  syn  ge- 
dochte,  hoe   hi   die  lieden  roven  mochte,   Ferg. 
2498.  Dat  lam  {Christus)  dede  Herodes  sere  bespien, 
Ferh.  II  KI.  Inst.  6>,  49,  5.  Alse  Seghelyn  dat 
versiet,   datten  die   heiden  hebben  bespiet,  Segh. 
7197.  Doe   clam  Roelant  op  een  berch  bespiende 
die   heydenen,  Exc.  Cron.  %\c.  —  Ook  met  weg- 
lating van  het  obj.  ||  De  coninc  .  .  dede  bespien 
ende  wachten  op  de  fleume  Jordane  bet  dan  v|f 
dusent   mannen,   Cron.   v.    Vlaend.  1,  84.  —  De 
onb.  wys  als  znw.  gebruikt.  ||  (Si)  stacdiewerde 
vrouwe   rein  ter  zden  uut,  ter  brucghen  neder; 
in  sachse  noit  sider  weder;  twifel  vincse  in  syn 
bespien,   terwijl  hij  haar  beloerde,  OFL  Lied.  e. 
Qed.  306,  2154. 

2)  Beschouwen ,  nagaan ,  opmerken.  \\  Die  bloemen, 
die  si  dan  bespien ,  waer  hem  goet  of  mach  ghesciea^ 
Nat.  Bl.  YII,  77.  Sinne  ende  bespiet  der  minnes 
cracht  daer  inne,  Wap.  ifar^.  II ,  239.  Dn  sies  twee 
wege  .  .  deen  geeft  bliscap,  dander  verdriet;  sich 
vore  di,  du  best  bespiet,  gij  wordt  w  V  oog  ge- 
houden ,  fr.  tu  es  al  euag,  Bsncl.  199.  An  clergien 
hebbic  bespiet,  dat  zi  node  gheven  yet ,  Praet.  ^22. 

3)  Acht  geven,  zorg  dragen  voor,  zorgen,  iet  op 
iets  toeleggen..  \\  Hy  begonste  toe  bespiene  om  die 
gemeente  sonder  letten  ende  daerin  amman  ende 
scepen  setten,  Yelth.  lY,  43,  49.  Herman,  wat 
hebdi  hier  bespiet?  waarop  hebt  gij  het  toegelegd, 
wat  is  uwe  bedoeling  hiermede?  Here,  dat  ie  u 
lange  heb  geseit;  nu  mogedi  ende  ie  onse  leit  op 
hem  {Floris)  wreken,  III,  44,  64.  Clarette  beeft 
wel  bespiet  {gezorgd)  haer  scoenheide  te  g^veae 
enen  man  die  vele  bat  derschen  can  .  .,  dan  var 
enen  riddere  hem  verweren,  Lanc.  III,  14790. 

BESPIERE  (BESPIÊR^,  znw.  m.  Bespieder,  spiom. 
Il  (Si)  sonden  binnen  den  selven  dagbe  twee  be- 
spiërs  met  brieven  aen  den  capiteyn,  Exc.  Cron. 
290c.  Bistu  een  bailiu  of  eenbespyer,lioeh6et£(tm, 
waen  bistu,  ende  waerom  draechstu  deaen  groten 
stoc,  Felgrim  32a. 

BESPIEREN ,  BESPIERINGE.  Zie  besperren, 

BESPERRINGE. 

*  BESPIEWEN, St.  WW. bedr.  (ó«jp«i»,^<pMric», 
deelw.  bespouwen);  ook  in  den  vorm  bespol w£Ji 
en  bespu(w)en  {^eéïw.  bespuwen,  bespogen ,  td 
zwak,    bespuui,    bespouwef).    Mhd.    hespmwen.  De 


4083 


ËESP. 


BÈSt>. 


1086 


oorspronkelgke  vonn  is  tpiwen,  got.  tpetpan.  Zie 
yerder  bij  spuwen  ob  vgl.  bespiën.  Betpuwen.\\ 
Nu  coemt  hier  ....  die  u  steende  ende  even 
ghedichte  bespan  in  a  waerde  aensichte,  Mask, 
747.  (Si)  bespouwen  {var,  bespoghen)  sgn  soete 
anscbgn,  Ltp.  II,  51,  111  (vgl.  II,  63,  30). 
Hi  wart  .  .  besponwen  in  sgn  anschgn,  Runsb. 2, 
99.  8o  werdic  daema  om  u  gegeeselt  .  .  ende  be- 
sponwen ,  Yelth.  YIII ,  21 ,  15.  Gheqnest,  bescerent, 
besponwen  in  n  ansch^n.  Kal.  6,  80.  Bespot  ende 
met  gheselen  ghedreven,  bespuwen  (varr.  bespnnt, 
bespoghen),  ghecmnst,  JLiJmó.  24844.  Ghi  liet 
verbinden  n  heilighe  oghen,  n  anschyn  besponwen 
ende  blouwen,  Ferh.  II  KI,  Inst.  6*,  55,  37.  Si 
besponwen  n  schoon  ansichte ,  ald,  51 ,  112.  Siet . . , 
m^n  dochter,  hoe  mijn  sone  anderwerf  wert  be- 
spnet,  D.  JFar,  3,  159,  76.  Ghesleghen  ende  be- 
spuwen, Hs.  V,  1348,  1293.  Bespot,  bespouwet, 
gnegheselt,  ald, 

BESPIINGE  (bespyinge),  znw.  yt,  Yvlu  bespiën 
(e.  ald.).  Betpttunng  ^  ket  bespuiaen,  ||  Die  hals- 
slaege  ende  bespyinge  Christi,  S^,  d.  M,  1,  böb. 

BESFOEIEN,  sw.  ww.  bedr.  Hetselfde  als  be- 
sproeien, waarmede  het  in  varr.  afwisselt  Vgl. 
spreke»  en  speken,  eng.  speak;  toikken  en  wrikken', 
spiet  en  spriet,  deunen  en  dreunen.  |)  Neem  dan 
yan  alsenen  sap  .  .  ende  als  hi  ter  sonnen  sit, 
bespoeiene  ende  makene  nat,  Nal.  BI.  III,  1719 
var.  {tekstks,  besproyene).  Ygl.  verder  Oudem.  1, 609. 

BESPOT,  bnw.  Yan  apoite,  d.  i.  vlek.  Kil. 
macttla;  eng.  spot  Oevlekt.  j|  Hi  bescrgftse  {de 
spreeuwen)  bespot  bmun,  Nat.  BI.  III,  3361. 

BESPOT,  snw.  o.  Bespotting,  spot,  ook  in 
concr.  sin  spottende,  hoonende  woorden.  \\  Yersiet 
u  wael  .  . ,  datmen  van  u  gheen  bespot  en  scrive , 
MLoep  I,  2373. 

BESPOTHEIT ,  snw.  vr.  Bespotting,  koon,  smaad. 

II  Christus  passie  was  bitter  van  pinen ,  versmadet 

van  bespotheden  ende  vol  vruchtes ,  Pass.  W.  255c. 

BESPOTTEN,  ew.  ww.  onz.  en  bedr. 

Onz.  —  Spotten,  schimpen.  \\  Die  ghierighe 
phariseen  hoorden  alle  dit  ende  si  bespotten, 
Hs.  Bvang.,  Luc.  16,  14.  Si  bespotten  met  hem 
al  den  langhen  nacht,  Hs,  v.  1348,  299a. 

Bedr.  —  In  de  tegenw.  beteekenis ,  ^«.  v.  1348, 
129^  e.  e.  —  Ook  op  eene  onduidelgke  plaats, 
Yelth.  YII,  28,  43.  „Haer  sonen  ende  haerdoch- 
tere  mede  selen  daer  propheteren  gerede  ende  dat 
in  selker  reinichede  ende  in  selke  (/.  selker)  ge- 
-warichede,  so  dattie  lucht  in  hem  ne  can  niet  ne 
can  bespotten  vortan  " ;  lat :  et  hoc  in  tali  puritate 
veritatis  fiet,  ut  aerei  spiritus  irrisionem  in 
illis  tune  facere  non  possint. 

BESPOTTENESSE,  -nisse,  -Nis,8nw.  vr.^^. 
11  Alle  die  ghene,  die  daer  bi  waren  verweet  tot 
lachen  ende  bespottenis,  Bienb.  128  a. 

BESPOTTERE,  -er,  euw.  m.  Yr. bespotster , 
Spotter,  spotster.  \\  Die  enen  bespotter  leert,  hi  doet 
hem  onrecht  En  wil  niet  begripen  den  bespotter. 
Bestu  sot  ende  een  bespotter,  D.  B.  Spreuk.  9,7, 
8  en  12.  Den  bespotteren  s^n  bereet  vonnissen 
ende  slaende  hamers  der  sotter  lichamen,  Spreuk. 
19,  29.  Yan  een  yegelic  ben  ie  bespotster ,  P^/^rün 
A^  b,  Gi  en  zgt  anders  niet  dan  een  bespotster  ende 
die  ander  luyden  dingen  onderwint,  34  a.  Bespot- 
ters van  den  heyligen  ghelove ,  Boeck  v.  d.  L.  J.  100a. 

BESPOÜWEN  Zie  bespiewen. 

BESPRAIEN  (bespreien).  Mhd.  bespraken.  Yan 
spreien  of  spraien  (zie  ald.). 

1)  Besproeien,  besprenkelen.  \\  Dat  bloet  nam 
hi . .  ende  besprayder  sinen  geselle  mede ,  Sp,  III* , 


80,  41.  Die  tumbe  des  graven  sal  ie  bespraien 
mit  tranen,  D.  War.  3,  246,  8.  Als  Maria  .  . 
besprayt  es  metten  hemelschen  douwe,  Blisc.  v,M. 
1892.  Besprai,  mi  her  e,  metysope,  so  werdic  su  ver 
Boetps.  51,  29  (ygl.  Vad.  Mus.  2,  441:  Du  sels 
mi  besprayen  met  ysopen,  en  OVl.  Lied.  e.  Ged. 
6,  114:  Besperze  mi  met  ysopen).  Dat  hi  metten 
watere  .  .  besprayen  sonde  sQn  crancke  leden, 
Exe.  Cron.  16  d.  Alse  ghi  ghenomen  hebt  van  dien 
bloede . .  ende  van  der  oliën  . .,  soe  seldi  bespraien 
Aaronne  ende  sine  cledre,  Buusb.  1,  261;  vgl.  2, 
52.  Doe  nette  hi  sinen  vingher  in  dat  bloet  .  . 
ende  besprayde  seven  werven  .  .  dat  paviment, 
ende  met  den  selve  bloede  besprayde  hi  ende 
purgeerde  sevenwerf  dat  tabernakel,  2,  101.  So 
bespreyet  hi  die  kereke  binnen  ende  buten  mit 
wy water,  Pass.  W,  68 c.  Dan  bespreyt  hi  eerst  den 
tempel  mit  water,  10 d.  Doe  dat  vuer  wort  bespreyt 
met  sinen  bloede,  185a.  Doe  nam  Ghergn  water 
ende  bespraydese  in  haer  aensicht,  dat  si  weder 
bequam,  Huge  v.  Bord.  68. 

2)  Bespatten,  bevlekken,  besoedelen.Wtrtci eerst 
uit  u  opperst  kleet,  want  maegdenbloet  datspreit 
soo  breet,  soot  u  bespreide,  dat  ware  mi  leet, 
OVl.  laed.  118.  Christus  aen  den  cruee  ghenyed 
{genageld),  besprait  met  bloede,  Lutg.  I,  318. 
Wasschet,  o  mensche,  mit  dinen  tranen  syn  Uehaem, 
bespraeyt  synde  met  dien  alderheylichsten  bloede, 
Boee  v.  d.  L.  J.  290a.  Die  want  wort  besprayt 
mit  haren  bloede,  D.  B.  II  Kon.  9,  33.  —  Ook 
in  flg.  zin.  jj  Huet  dat  der  rim  noch  der  honechdou 
dat  bloyende  paradis  uns  herten  iet  bespraie, 
Limb.  Serm.  13bd.  lek ,  als  lazers ,  bespraeyt  met 
alderhande  sonden ,  Boec  v.  d.  L.  J.  195a. 

BESPEAIING  (bespreiing)  ,  znw.  vr.  Be- 
sproeiing, besprenkeling.  —  Aldus  zal  wel  gelezen 
moeten  worden ,  Pass.  W.  676 :  Die  seven  bespreyen 
(/.  bespreyingen)  des  waters  sgn  die  seven  uut- 
stortinghe  van  Christus  bloede.  # 

BESM:IDEN(bespreden),zw.ww.  bedr.(deelw.      /  (^ 
bespredék  of  bespreei).  Mud.  bespre{%)den',  mhd.  be-      ' 
spreiten.  Yan  spreiden. 

1)  Bedekken ,  overdekken ,  overspreiden ,  bekleeden, 
bestrooien.  ||  Dat  zoo  groot  een  lanc  wgngaert  ute 
siere  dochter  lachame  waert,  dat  hi  bespreede  al 
Azia,  Sp.  V,  1,  13.  Die  mersee  .  .  worden  met 
lelyen  ende  met  crude  ende  met  rosen  .  .  al  be- 
spreet,  S^.  III',  45,  84.  Die  straten  waren  al 
bespreit  met  pelne  ende  met  singlatoene ,  ^tf/^^r.  Y , 
942.  Daert  mi  docht  in  allen  zyden  mit  gnue, 
mit  bloemen  wel  bespreit,  Hild.  204,  8  var.  Dat 
hi  {de  pijnboom)  menech  blat  uutgheeft  .  .  ende 
al  sine  telgre  heeft  daermede  .  .  .  versiert  ende 
bespredet,  Y.  d.  Houte  256  var.  (vgl.  bl.  50 ,  134 : 
verciert  ende  bespredet). 

2)  Uitspreiden,  ontplooien.  ||  Daer  quam  een 
ylaech  in  corter  ure,  die  tseyl  bespreyde  rechte- 
voert,  datter  water  ghine  int  boort,  Hild.  80,  54 
{Tkeopk.  (Bl.)  83,  54). 

BESPBEC  (bespreec)  ,  znw.  o.  (mv.  bespreken)-, 
vgl.  Kil.  en  het  mnd.  besprake.  Yan  bespreken 
(zie  ald.). 

1)  Het  bespreken,  de  ruggespraak.  ||  Diehertoghe 
Anthonijs  .  .  antwoorde  gaf  .  .  sonder  beraet  of 
vertrek  ocht  iemans  ingheven  of  besprek ,  ^rad.  Y. 
YII,  2301. 

2)  Het  besprokene,  verhandelde,  jj  (Hi)  heeft  den 
hertoghe  te  kenne  gegheven  tbesprec  al  van  den 
huwelike ,  FL  Bijmk.  8720. 

3)  Gerechtelijke  aanspraak,  eisch,  vordering.  || 
Aldus  antwoorde  Ghisebert  ...  op  sulc  beclach 


4087 


BESP. 


BESP. 


1088 


ende  bespreCf  als  hem  Evert  Ghergts  soen  doet 
opter  helfte  van  der  hnsinghe  ende  hofstede ,  JB.  r. 
Utr,  2,  193. 

4)  Overeenkomst^  verdrag^   voorwaarde,  beding, 
il   Besprec  wesende,  dat  enz.,  Diericx ,  if^fli. 2 ,  8. 

Ende  dies  gheen  speciael  bespreeck  ghedaen ,  Couf. 
V.  Qent  18.  Tis  wel  geseyt  na  deerste  besprec, 
eer  gj  met  mj  sult  versamen  .  .  .  . ,  snldy  mj 
leeren  die  seven  vry  consten ,  Mar.  v.  N.  10 ,  214. 
Welke  voorwaarde  ende  besprec  es  in  deser  manieren, 
ZVl.  Bijdr.  1,  156.  Dus  ginc  hidaer  den  kindren 
of  haer  besprec  (in  pass.  zin :  wat  men  in  hun  belang 
was  overeengekomen',  vgl.  bclof)  ende  haer  belof, 
dat  hi  hem  vore  had  beloeft,  Yelth.  lY ,  47 ,  59.  Die 
coninc  . .  dede  Chaerle  gelofte  .  .  te  hondene  . . .  tbe- 
sprec  tusschenhem  ende  den  grave ,  Fl.  Rijmk.  6962. 

5)  Testament,  beschikking  by  uitersten  wil.  \\ 
Van  geliken  zullen  zy  doen  van  erfnissen,  die 
zulken  religieusen  toecommen  mogen,  nietjegen- 
staende  testamenten,  bespreken  of  makinge  ter 
contrarie,  WieL  Instr.  123,  326.  Van  Jacob 
Havens  wijfs  ntinghe  ende  van  horen  besprec  ende 
testamente ,  Rek,  d.  Or.  1,  352.  So  en  sel  gheen 
man  sinen  wive  .  .  voirdeel  maken  van  enighen 
goede  .  .,  mit  enighen  besprec  of  instrument ,  tensi 
dattet  bezeghelt  worde,  Leid.  Keurb.  30,  21. 

6)  Arrest,  beslaglegging.  \\  Item  en  sal  njement 
bespreek  oft  bezate  of  pandinge  dben  op  enich 
erve  .  .,  des  hie  gheen  besit  en  heeft,  eer  hie 
den  eigendom  ierste  gewonnen  heeft.  Racer  3, 
157.  Die  sullic  bespreek  oft  besate  gewonlike 
gedaen  hadde,  ald. 

BESFEEKEN,  zw.  ww.  bedr.  en  wederk.  Mnd. 
bespreken;  mhd.  besprëchen. 
Bedr.  —  1)  Het   trans,   spreken.  Spreken  over. 

a)  Met  den  4den  nv.  der  zaak.  Ergens  over 
spreken.  \\  (Hi)  dede  hem  bejden  uutsteken  hoir 
oghen,  sonder  meer  bespreken,  zonder  verdere 
pourparlers,  MLoep  III,  575.  Dus  eist,  die  recht 
omoedich  es,  hine  berecht no bespreect,  waeromme 
dat  menne  verspreect ,  Franc.  3014.  —  Op  deze 
laatste  plaats  is  misschien  nog  juister  de  bet. 
aanmerkingen  maken  op   iets,   te  zeggen  hebben  op. 

b)  Met  den  4den  nv.  van  den  pers.  Over  iemand 
spreken,  meestal  in  kwaden  zin,  hetzelfde  als  het 
mnl.  verspreken.  Berispen ,  afkeurend  over  iemand 
spreken,  zich  ongunstig  over  hem  uitlaten.  ||  Hoe 
sal  ie  dit  an  hem  wreken,  datmen  mj  niet  eu 
mach  bespreken?  MLoep  IV,  1743.  Wille  een 
gracie  impetreren,  hi  moet  ghevengheltofmiede, 
of  symonie  salt  hem  weeren,  ende  wel  bespreken 
voor  de  heeren,  dat  sine  besoenge  niet  saldieden, 
Praet  2043. 

2)  In  rechte  aanspreken,  syn.  van  berechten, 
in  welke  bet.  het  woord,  zoowel  met  den  4den 
nv.  der  zaak  als  van  den  persoon  verbonden, 
meermalen  voorkomt  in  den  Spiegel  van  Sassen 
(a.  1482);  b.  v.  f,  54:  Wort  yemant  besproken, 
nae  doede  syns  vaders  ende  synre  moeder,  dat 
hy  onecht  geboren  si.  Zie  Taalg.  8,  280,  waar 
nog  enkele  plaatsen  uit  genoemd  werk  aangehaald 
zyn.  —  Ook  in  rechte  op  iemand  iets  te  zeggen 
hebben,  hem  in  eene  bepaalde  hoedanigheid  wraken. 

II  Of  oere  een   den  anderen  syn  tuych  besprake, 
also  dat  {d.  i.  alse  dat)  de  tughe  bannich  waren ,  dat  ^ 
solden  se  male  den  anderen  bewisen,  Bacer6,69. 

Zoo  ook   101.  —  Vgl.  BESPREC  3). 

3)  Met  den  4den  nv.  der  zaak  en  den  3den  van 
den.'peTS.Verklaren,  uitleggen,  mededeelen.  \\  Menighe 
gracieuse  blomme  huter  scrifturen  hi  hem  besprac, 
4mand  II,  972. 


4)  Met  iemand  spreken  m  eene  zekere  hoedanig- 
heid, hem  spreken,  lat.  agere  cum  oZ^a.  ||  Die clesj 
wouden  hem  beraden  ende  onderwesen  hem,  d^ 
sy  horen  heer  eerst  mosten  bespreken  ende  ter 
antwoort  laten  comen ,  Matth.  Jnal.  1 ,  440. 

5)  Door  spreken  verminderen ,  tot  bedden  brengen. 
Vgl.  onze  uitdr.  iemand  bepraten.  ||  (Hi)hevetden 
paeus  gebeden,  dat  hi  bespreken  ende  berredea 
soude  des  keysers  overmoet,  Sp.  III*,  24,  7. 

6)  Afspreken,  overeenkomen,  onderling  bepalen, 
vaststellen.  \\  Dit  heeft  die  coninghinne  w«le  ende 
die  lupert  besproken  also,  Rein.  II,  3868.  So  w» 
besproken  een  huwelyc  van  eenre  scoenre  maghet 
ryc,  Bloeml.  3,  9,  35.  Dat  ene  brulocht  vare 
daer  besproken  tusschen  Lodewike  .  .  endeYoens 
dochter  der  maegt,  Lorr.  I,  1032.  Dus  liet  hise 
in,  als  syt  bespiuken,  Parth,  157.  So  wat  munten 
besproken  wort  in  vorwaerden ,  die  verc^pere  . . 
selen  nemen  .  .  payment  alsoe  goet  ende  also  vele 
als  die  besproken  munte  na  den  ghemeinen  loep 
des  lands  ghedraeght,  Cor.  v.  Aniw.  34,  115. 
Doe  ontboet  hi  sine  maghe  tenen  besprokenen 
daghe ,  die  constituta ,  Limb.  VI ,  413.  (Dat  hg) 
ghenen  tribuut  en  sette  in  dat  {land),  maer  name 
besprokene  scat,  Sp.  III*,  5,  29.  Doe  gaven  si 
ghisel  bi  vorworden  ende  oec  bi  besproken  worden, 
met  eene  bepaalde  formule,  dat  hi  de  kore  niet 
soude  doen  af,  Stoke  X,  179.  —  De  onb.  wjs 
als  znw.  gebr.  in  de  bet.  van  het  mnl.  besprec 
Overeenkomst.  \\  Het  was  die  alre  achterste  dach . . 
die  in  den  bespreken  lach,  Brab.  T,  V,  3492. 

7)  Met  zich  zelven  uitmaken;  beslissen,  beramen, 
overleggen.  \\  Here,  ghi  moet  die  doot  bespreken, 
hoe  wi  Waleweine  best  moghen  wreken,  Wal.  1757. 

8)  Zich  voornemen,  uitdrukkelijk  verklaren  tett 
te  zullen  doen,  beloven.  ||  Hi  swoer  .  .  dat  hi 
dordine  meer  en  brake  .  .  dit  heeft  hlre  besproken 
binnen,  Lanc.  III,  16345.  Die  sede  .  .  sal  ie 
breken  dor  haren  wille  ende  bespreken,  dat  icse 
sal  nemen  ende  houden  te  wive ,  Flor.  714.  —  Met 
den  3dennv.  van  den  pers.  Enen  iet  bespreken, 
beloven,  toezeggen.  ||  Om  enighe  goeden ,  die  welke 
si  arbeyden  te  beloven  den  scepper  alre  dinghen, 
want  si  ontsteken  waren  mitten  brande  der  ge- 
rechticheyt.  Pass.  JT.  238<?. 

9)  Bij  testament  toezeggen,  vermaken,  bespreken. 
Nog  heden  in  gebruik.  Vgl.  Eng.bequeath.  \\  Gheeste- 
like  renten  te  lossenen,  die  besproken  sgn.  Leid. 
Keurb.  30,  31  Titel.  Dat  enich  mensch  gheestelike 
renten  beprake  up  erven ,  die  gheleghen  s^n  binnen 
der  vrihede  van  Leyden,  grondrenten  aan  geestelijke 
stichtingen  vermaken,  gevestigd  op  erven,  gelegen 
binnen  L.,  ald.  Enige  goeden  ter  geesteliker  hant 
maken  ende  bespreken ,  187 ,  81.  So  mogen  alle  porte- 
ren  . .  dat  tiendendeel  van  horen  goeden  bespreken  . . 
den  drien  prochykerken  van  Leyden  .  .,  sonder 
dat  te  bezegelen ,  201 ,  33.  M^n  vader  .  .  heeA 
u  desen  gulden  appel  besproken  tot  een  testament, 
Gest.  R.  89r.  Als  hi  sterven  soude ,  so  besprac  hi 
den  outsten  soen ,  den  leenhouwer ,  dat  erf. . ;  deo 
middelsten  besprack  hi  sgn  scat ,  ende  den  joncsten 
besprack  hi  enen  costeliken  nnc,  110a.  Zoo  ook 
K.  V.  Brielle  14,  19. 

10)  Als  rechtsterm.  In  rechte  eiscken,  met  d«i 
3den  nv.  van  den  pers.  en  den  4den  der  zaak,  het- 
zelfde als  betalen  (zie  ald.).  ||  Die  den  ander 
sijn  erve  bespreket  {var.  die  des  anders  erre 
anspreket),  Stadsr.  v.  Zwolle  119,  199. 

11)  Een  toover/ormulier  over  iets  uitspreken,  bet 
betooveren.  \\  Hebdi  dat  sweert  yet  besproken  of 
besworen ,  Moll ,  Bijdr.  Bijg.  3.  Hebdi  enich  cmnt 


4089 


BESP. 


BESP: 


4090 


besproken,  ald,  Hebdi  dat  yser  of  water  yet  be- 
spoken ,  ald.  Ie  sal  dg  leren  .  . ,  boe  da  salste 
werden  gbemint  sonder  aersedye,  sonder  cmnt 
en  de  sonder  enich  bespreken  ofte  sonder  enige 
toverye,  Bienb,  69  i. 

Wederk.  —  Hem  bespreken. 

1)  OemeeTtsehappeïijk  over  iet»  spreken^  onderling 
heraadtl-agen ^  overleggen,  \\  Dan  snllen  wi  met desen 
beren  ons  beraden  ende  bespreken ,  boe  wi  ons  best 
gbewreken,  Bern,  I,  434.  Dat  si  bem  alle  be- 
spraken, boe  si  alrebest  gbewraken  dese  grote 
OYerdade,  467.  Die  beste  van  den  lieden  bem  be- 
spraken ende  berieden,  si  soaden  bem  met  goeden 
staden  alle  bespreken  ende  beraden,  .  .  watter 
Orestes  best  toe  dade,  Trogen  9366.  Doe  sGrayen 
Tolc  dat  versacb,  bespraken  si  hem  ende  berieden, 
dat  si  een  deel  van  baren  lieden  lieten  liggben 
▼oer  deen  casteel,  Stoke  lY,  336.  (Si)  bespraken 
hen  te  bande,  boe  si  boer  scade  ende  boer  scande 
best  gewreken  mocbten,  Orimb,  I,  6261.  So  dat 
hi  bem  daeromme  wel  besprac  mit  sinen  ridderen 
ende  knecbten  ende  oyerdroecb  daer  mede ,  dat  bi , 
«•jr. ,  Clerc  61.  —  Ook  met  den  2dennv.  des  ver- 
bonden. II  Wy  soudens  ons  met  n  bespreken  ende 
met  onsen  vrienden ,  Grimb.  1 ,  1439.  (Doe)  besprac 
bus  bem  op  enen  dacb  also  metten  Grave  van 
Cfeve,  dat  dat  volc  verloren  bleve,  bine  belper 
toe  met  sinen  rade,  Stoke  Y,  308  (in  dit  laatste 
voorbeeld  is  des  overbodig,  zooals  meermalen  in 
bet  Mnl.). 

2)  Terwijl  bem  bespreken  in  vele  der  ge- 
noemde voorbeelden  met  bem  beraden,  verbonden 
wordt ,  beeft  bet  self  somtyds  de  bet.  van  dit  laatste 
aangenomen  en  bet.  dan  met  ziek  zelven  te  rade 
ffoan^  overleggen^  zich  bedenken  (vgl.  bedr.  6).  || 
(Hi)  wonde  hem  dies  bespreken,  want  en  was 
noyt  ghesien,  dat  yemeut  gheloofde  voor  dien  te 
hondene  reinichede,  L»p.  II,  6,  30.  Dat  bi  dit 
onghevoech  optie  vanden  lande  niet  ne  wreke, 
maer  dat  hi  hem  soe  bespreke,  ocht  bi  op  hem 
come  ende  werden  daer,  endejegen  hem  metstride 
▼rorde  gespar  {l.  ende  werde  daer  metstridejegen 
hem  gespar?),  Lane.  II,  17143. 

BESPEEIEN.  Zie  bespraien. 

BESPREKELT ,  bnw.  Van  sprekel,  d.  i,  spikkel. 
II  Gespikkeld  y  gevlekt,  ||  Dat  si  ghebaerden  (lam- 
veeren)  van  menigberhande  verwen  bevlect  ende 
besprekelt,  J),  B,  Oen,  30,  39. 

BESPRENGEN  (bespringen),  «w.  ww.  bedr. 
Mhd.  betprengen,  Caus.  van  bespringen^  eig.  dnsq^t? 
i^ls  doen  springen  of  spatten. 

1)  Besprenkelen y  besproeien.,  besprengen  met  eene 
vloeistof.  II  (Si)  besprenghen  dat  beelt  mit  dien 
l>loede,  Mandev.  f,  42a.  (Hi  sal)  laten  die  wande 
des  ontaers  bespringhen  met  den  bloede,  Rnnsb. 
^  ,  64.  Aldns  selewi  onse  dorestile  . .  bespringhen 
met  des  lams  bloede,  168. 

2)  Bezoedelen  y  bevlekken  ^  bespatten,  \\  Ghi  die 
liinct  naect  aen  tcruce  ende  sere  besprinct  ende 
l>elopen  met  nwen  bloede,  FerA.  IT**  KL  Inst.  ^* j 
4^.  Zoo  ook  60  en  168.  Des  menscen  sone,  met 
l>loede  roet  die  lede  sine  al  bespringhet,  Segh. 
^322.  Hi  sach  s^ne  liede  moede  ende  besprenct 
fJZs,\  Franck:  bespringt)  metten  bloede,  Alex, 
•V  ,  619. 

3)  Bestrooien,  ||  Dat  salmen  pnlverenendemengben 
^t^éit  daermede  sQn  aes  besprenghen,  iVa^. ^/.  III , 
■%G^1.  —  Ook  flgnnriyk.  Bestrooien  ^  bezaaien  ^  vooral 

liet  deelw.  ||  Syn  (despaards)  hooft  was  al  besprinct 
bloemen ,  Flor,  1494.  Een  covertuer  bespringet 
gonde,  Lane.  UI,  23031.  Sijn  scilt  was  van 


gonde  roet,  besprinckt  met  leewen  van  lasnere, 
Troyen  f,  66*. 

BESPRENGENISSE  (bespringenisse)  ,  znw. 
vr.  Besprenkeling,  JHut,  2 ,  202  :bespringenisse, 
aspersio,  Vgl.  mhd.  besprengunge ,  respersio  (Lezer 
1,  223). 

BESPRINGEN.  Zie  besprengen. 

BESPRINGEN,  st.  ww.  bedr.  Mhd.  bespringen. 
Van  springen, 

1)  Aanvallen,  aantasten.  Het  een  pers.  of  eene 
plaats  als  obj.  ||  (Hi)  bespranc  die  (stad)  metter 
haest,  die  hi  wan  met  groten  arbeyt,  E:ee.  Oron, 
290^.  De  poorter,  die  besprongen  es  in  zijn  huys 
bg  z^nen  vianden,  Wiel.  Instr,  IA:,  22.  Swoens- 
daghs  .  .  soe  waren  groete  menichte  van  sprincben 
volke  te  Maelte  .  .  ende  bespronghen  Bonwin 
Rgms  hnns,  Oron,  v.  Vlaend.  2,  136. 

2)  Hetzelfde  als  het  zw.  besprengen.  Bespatten, 
bezoedelen  (vgl.  Lexer  1,  223).  ||  Mit  bloede  waren 
sy  bespronghen,  Trogen  f.  lOOtf. 

BESPRINKELEN,  zw.  ww.  bedr.  Besprenkelen,  || 
Dat  har   baer  met   blodegen   druppelen   over  al 
besprinkelt  was   sonder  ghetal,  Lutg,  n,   1200. 

BESPRINKEN  (besprenken)  ,  zw.  ww.  bedr. 
Hetzelfde  als  besprengen  (zie  ald.).  ||  Dn  selte  mi 
besprenken  mit  ysope  ende  ie  sel  warden  gereinicht, 
Hs.  Ps.  68r.  —  Besprinct,  Flor.  149  en  Troyen 
f,  666  (aangeh.  b^  besprengen)  kan  ook  van  dit 
WW.  zijn. 

BE8SC0P,  hetzelfde  als  bisscop,  Lutg,  II, 
616;  646  e.  e. 

BESSEM,  znw.  m.  Mnd.  bessem.  Bezem,  \\  Snlc 
was  die  enen  bessem  brochte,  snlc  enen  vleghel, 
snlc  een  rake.  Rein.  I,  722.  Dan  so  verthi weder 
ende  vint  dat  bus  ghekert  met  enen  besseme, 
L.  V.  J.  e,  72.  De  dienaers  van  den  watere  .  . 
leveren  scovetten  (scopas)  ende  bessemen,  Matth. 
Jnal,  1 ,  308.  Enen  bessem ,  daer  wy  onse  woeninghe 
mede  keren,  Bmgm.  1,  294.  JÜüt  desen  bessem 
sullen  wy  onse  woeninghe  .  .  suveren ,  $96.  —  Nog 
heden  leeft  de  vorm  bessem  in  dialekten  voort. 
Zie  Bein.  Gloss.,  en  Franck  op  Jlex,,  bl.  397. 

BEST  (beste)  ,  bnw.,  znw.  en  bgw.  Got  batista; 
ohd.  bezztsto.  Ags.  betsta,  besta  \  mhd.  beste  en 
bezzist]  mnd.  beste.  Snperl.  bg  go  et  (vgl.  ald.); 
comp.  bat  en  bet,  zie  op  bet. 

I.  Als  BNW.  —  In  hoofdzaak  komt  mnl.  best 
in  gebmik  met  ons  best  overeen;  vermelding 
nog  verdienen  de  volgende  by zonderheden.  —  Dat 
beste  let,  het  hoofd,  het  lidioaarmede  het  leven  ge- 
moeid is,  Ferg,  4173, —  Dat  beste  heeu,dehals' 
wervel  (?) ,  W'al,  373  (van  eene  slang).  —  Best  wordt 

febmikt  in  den  zin  van  het  best,  \\  Hoe  dn  net  n  best, 
at  men  dit  schelde,  Kein,  II,  6021.  —  Best 
sQn  met  enen,  ook  met  Gode,  hoog  bij 
iemand  in  eer  staan.  \\  Hem  halp  penitentie  soe  sere , 
dat  hi  best  es  met  Onsen  Here,  Theoph.  1191.  Ygl.  bg 
BET.  —  Dat  beste  recht,  het  hoogste,  striktste 
recht,  lat.  summum  jus,  \\  Dat  dit  waer  dat  beste 
recht,  Hein,  T^,  4136.  Daer  en  was  niemen  int 
hof,  diet  beste  recht  wist  hier  of,  die  wist,  hoe 
dit  eigenlijk  moest  beslist  worden ,  4986.  Ghi  moet 
ons   nu   dit   scheiden  na   dat  beste  recht,  4998. 

—  Na  minen  besten  wane,  naar  alle  waar- 
schijnlijkheid, Ygl.  onze  nitdr.:  naar  mijn  beste 
weten,  \\  Hy  peinst  na  sinen  besten  wane,  dat  hy 
coemt  om  hem  te  slane,  hij  geloofde  niet  anders,  of 
zijn  zoon  kwam  om  hem  kwaad  te  doen ,  Troyen  10681. 

—  Even  als  bat  (bet)  de  bet.  van  meer  heeft 
(b.  V.  bet  vore,  bet  achter,  bet  naer,  enz.),  zoo 
heeft  best  de  bet.  van  meest,  Yandaar  de  nitdr. 

36 


i09l 


BEST. 


Dat  beste  deel,  het groottte deel ^  wïk dê wuerder- 
Aeid,  II  Hi  heeft  geten  altemale  van  onsen  spisen 
dbeste  deel,  Ferg,  2641  (Ygl.  2646 :  hi  et  te  yele). 
Hi  doresloech  hem  .  .  coifie,  halsberch  ende  bec- 
kineel,  ende  Tan  den  hoyede  tbeeste  (/.  tbeste) 
deel ,  2702.  So  waer  zo  dat  beste  deel  der  broedere, 
die  te  jeghenwoerdich  sQn ,  hene  ghereet  {htm  raad 
g^efC)^  des  sal  die  meester  .  .  volghen,  D.  Orde 
233.  Welc  oec  dat  beste  deel  zi,  of  zi  niet  een- 
drachtich  en  zjjn,  dat  cal  men  te  oerdeel  des 
meesters  laten,  ald. 

II.  Als  ZNW.  —  A.  Als  manl.  znw. ,  waarbg  moet 
worden  opgemerkt,  dat  men  die  best  vindt  (in 
den  sterken  vorm),  voor  die  beste,  Kem,  II, 
7076.  Vgl,  Grimm,  Wtb.  1,  1660,  best  3). 

V)  J)e  aatuienlijisle  j  de  voomaavute,  de  edeUfe, 
meestal  in  het  mv.  ||  Want  ghi  die  beste  syt 
vanden  lande,  dat  ghi  sont  minnen  so  slechten 
wjjf,  Laml.  \h.)  191.  Dat  hire  in  ginghe  (in  z\jn 
wagenburch£)  ten  naesten  dage  met  sinen  besten, 
gheiyc  het  ware  in  eere  vesten,  Sp.  III*,  24,  48. 
Daer  waren  te  sticken  ghehonwen ,  die  beste  vanden 
Sassen  al,  lU*,  49,  88.  Die  coninc  Minos  ende 
die  beste  reden  selve  spelen  daer ,  MLoep  1 ,  2248. 
Die  rechthonders  vander  stede  ende  sommighe 
vanden  besten  mede,  II,  2557.  Here,  dit  kennen 
noch  die  beste,  die  te  hove  syn  comen hier , iZW». 

I,  86.  Ghi  hebt  die  eer  van  den  stride:  alle  die 
beste  bliven  n  bi,  II,  7372. 

2)  De  dapperste^  meestal  in  het  mv.  ||  Dit  ont- 
bieden ons  ae  beste ,  die  oint  stat  wonnen  of  veste , 
Sp.  III*,  51,  15.  Neemt  die  beste  nwer  maghe, 
ende  schiet  n  heymelic  inder  laghe ,  MLoep  1 ,  3099. 

B.  Als  onz.  znw.,  waarbg  moet  opgemerkt  worden, 
dat  men  zoowel  zegt  dat   best  aJs  dat  beste. 

1)  Wat  goed  voor  iemand  ie,  iemamds  geluk , 
voordeel,  belang.  ||  Myn  vader  heeft  minen  droom 
ghespelt  .  .  te  minen  beste,  fTal.  7786.  Ie  bems 
wel  wgs,  dat  ghi  m^n  beste  seer  begheert,  Rein. 

II,  6944.  Emmer  tot  dinen  besten  ziet,  let  op 
hetgeen  goed  voor  u  is,  Denkm.  3,  2,  33.  Dies 
doet  n  beste,  behartig  uw  eigen  belang,  zorg  voor 
u  welven,  lAmb.  Y,  991.  Als  ghi  daer  sgt,8odoet 
ja  beste.  Wal.  6032.  —  £nes  beste  doen, 
iemandt  belangen  behartigen,  in  zijn  voordeel  handelen. 

II  Ie  heb  altoes  u  best  ghedaen,  ende  voort  sal, 
waer  ie  can,  Bein.  II,  7562.  Die  monbaer  zoel  en 
der  kinder  roet  verwaren  ende  der  kinder  beste 
doen  daermede,  Stadtr.  v.  Zwolle  132.  Somoeghen 
die  monbaer  .  .  doen  der  kinder  beste  mit  dien 
ghelde,  ald,  Also  verre  als  hem  .  .  dinken  sal 
dat  onser  beider  beste  is,  Brab.  T.  Dl.  2,  bl. 477. 
Dat  ghi  .  .  onser  heerlicheit  van  Ghelre  beste  doen 
zullen,  R.  v,  Zutf.  110.  —  Ook  in  de  volgende 
uitdrukkingen.  —  Te  enes  besten,  zoo  goed 
iemand  kan.  \\  Gheraect  mi  toch  tuwen  besten, 
Limh,  1 ,  1121.  —  Ten  besten,  zoo  goed  mogelijk , 
Moo  goed  mogelijk  er  aan  toe ,  zoo  gelukkig  mogelijk. 
II  Als  een  waent  sijn  ten  besten ,  op  het  toppunt  van 
gijn  geluk,  werpt  sine  (de  fortuin)  neder  inder 
vesten,  Lanc.  lY,  10123.  Hadde  ten  besten  gehint 
sine  dinc,  10117.  Der  joncfronwen  dochte  doe  haer 
sake  ten  besten  gaen ,  Limb.  1 ,  964.  (Na  deu  wille,  d.i. 
den  coitue)  soe  heeft  hi  (de  man)  haers  ffoet  ontberen , 
ende  siin  aftrecken  ten  besten,  zo0  hin  hij  een  goed 
heenkomen  zoeken,  1642.  (Evas)  die  ten  beeten  es  ver- 
gaen  sgn  doen,  YI,  2236.  Tsinen  besten.  Mor.  2101. 
—  Ten  besten  niet,ii»^^a/ /ér  6^«^;Ygl.mnl.  een 
niet,  niet  één ,  by  een  ,  telw.  IJ  Hoe  si . . .  ten  besten 
niet  droeghen  over  een ,  niet  al  te  beet  overweg  konden , 
Brab.    Y.    111,    1066.   —  Dat    beste    hebben, 


BEST. 


het  voordeel,  de  bovenhand  hebben.  \\  ^  vochten  toUr 
nacht ,  . .  datmen  bekinnen  niet  en  ende ,  wie  dbeite 
hadde  optie  stonde ,  Leme.  III ,  19277.  —  Int  beste 
slaen  ,  ten  goede  uitleggen,  iets  goed  opeki*men.  Het 
tegenovergestelde  van  in  arge  keren;  lie ald. koL 
447.  II  Al  ons  vermonden  int  hattt  wil  slaen ,  Taf.  op  3 
f.  89.  —  Int  beste  spreken,  een  goed  woord  veer 
iewtand  doen.  ||  Nn  spreect  voor  mi  int  beate.  Hor.  Belg. 
10,  136.  —  Op  dat  beste  voegen,  tot  eem 
goed  eimde  brengen ,  goed  doen  ajtoopen.  \\  God  diet 
al  is  onverborghen ,  moetet  op  dat  beste  veeghes! 
Rein.  II,  7708.  —  Yor  dbeste  nemen,  mA 
schikken  in,  geduldig  dragen.  \\  Dat  si  alle  te  saoMB 
Gods  gesele  vor  dbeste  namen,  Sp.  UI*,  11,  27. 
—  Op  (over)  sijn  beste  honden,  in  sisen 
beste(n)  menen,  iets  naar  sijn  beste  weien  aan- 
nemen, het  er  zeker  voor  houden,  niet  beter  weten 
of.  Ygl.  bg  bnw.  ||  Dos  sgn  openbare  die  ghelotei 
comen  hare  ende  wi  sgn  nn  int  leste :  aldna  boadict 
op  myn  beste ,  Teest.  1938.  Als  die  ridder  over  s|d 
beste  hilt ,  dat  si  alle  slapen  waren ,  Vrouw.  e.  M. 
YIII,  184.  Dydo  meende  in  horen  besten,  dat 
Eneas  daer  bliven  sonde,  MLoep  I,  1094. 

2)  Ret  goede,  de  deugd.  \\  Trect  altoes  ten  besten, 
archeit  scnwet  ende  vliet.  Vierde  Mart.  801. 

3)  De  bet  van  het  meeste  heelt  dat  beste  ia 
de  uitdrukking:  —  Te  h t&itn, zooveel WÊogel^k,^ 
Als  si  te  besten  laghen  int  werc,  m  hetdiepstvan 
den  arbeid,  Boerden  X ,  27. 

4)  De  bet.  van  spoedig  heeft  b  e  s  t  in  de  nitdnk- 
kingen:  —  Na  syn  beste,  met  alden  besten, 
zoo  spoedig  mogelijk;  vgl.  het  fir.  de  son  wiieux,  en 
Ferg.  Gloss.  op  meest.  ||  Recht  hi  henen  vloena 
siin  beste  ter  statwert  toe,  Limb.  II,  1141.  Daer 
naer  ran  hi  tier  steden ,  barevoet  met  alden  besten 
(zoo  hard  hij  maar  kon),  twee  milen  ter  naestcr 
vesten,  Sp.  lY*,  32,  58. 

III.  Als  Bijw.  —  Best 

1)  Het  best;  op  de  beste,  meest  geschikte ,  gepaste 
wijze.  II  Hoe  wi  ons  best  ghewreken,  iZm.  1, 
436;  vgl.  468,  7024.  Hoe  hi  best  ten  coninc  ga«t. 
969.  Hoe  dese  daet  best  werde  gherecht  tes  coninx 
ere,  1004.  Wat  hi  best  dade  jeghen  Beinaerts 
overdaet,  1334.  Waer  hi  best  den  muer  bestoede, 
Rijmb.  31564.  Te  Cardoel,  waer  varic  daer  best, 
Ferg.  633.  —  So  ie  bestcanversien,  nam" 
mijn  bette  weten,  naar  alle  waarseht^lijkheid;hti- 
zelfde  als  naer  minen  besten  wane  (lic 
by  bnw.).  II  Ghi  scynt  wale,  so  ie  best  ane  « 
versien    can,    eens    conincs    taleman,  Ferg.    608. 


—  Somty  ds  moet  best  worden  weergegeven  door  < 
geheelen  zin ;  nl.  door  het  best  doen  met.  Ygl.  bet.  il 
Datmen  best  bestonde  (het  best  deed  met  man  ti 
vallen)  de  scare,  daer  Saladyns  baniere  in  ware, 
Stoke  II,  753.  Daer  quam  die  viant  vander  helle 
ende  ghaf  hem  den  raet,  dat  hine  best  te  doot 
slaet  met  ere  esels  cake ,  Rijmb.  864.  Wiea  ie  vai 
desen  dinghen  beest  (/.  best)  gheven  mach  dea 
prys,  het  best  doe  den  prijs  toe  te  kennen,  met  het 
meette  recht  toekennen  mag,  O VI,  Ged.  2  ,  120, 139. 
Wi  vlien  best,  eer  wi  alle  sterven,  ir«/l  632S.  Zo» 
ook  Sp.  IY\  57,  26;  ens. 

2)  In  de  uitdr.  best  gheboren,  superl.  vu 
welgeboren.  Aanzienlijkst ,  edelst  van  geboorte.  \\ 
Hi  was  best  gheboren  sonder  Lamfroit  allene.  Rein.  L 
798.  Faulas  Emulus  ende  .  .  Fulvins  .  .,  die  doe 
best  geboren  waren,  Sp,  I*,  22,  4. 

3)  Het  meest.  ||  Men  sel  noch  vernemen  om  laac 
wie  best  voordeels  werdich  si,  R^vsh.  7144. 

4)  Het  spoedigst,  soo  spoedig  mogelijk,  \\  loei 
ons  best  vlien,  Sacr.  661.  Ygl.  znw.  B,  4). 


i093 


BEST. 


ÈËSf. 


1094 


5)  Het  Uêfit  II  Up  dat  si  hem  die  beste  stede 
in  die  woestine  wisen  souden ,  daer  si  best  logieren 
wonden,  Bijmb,  7144. 

Aanm.  —  Een  comp.  bes  ter,  die  ook  thans  wel 
gehoord  -wordt,  komt  Yoor  Invent.  v,  Brugge  6, 
647:  ,,Omme  te  meerder  ende  d^«^  bewaemesse.*' 

BESTABBOMEN.  Zie  bestadbomen. 

BESTADBOMEN  (bestabbomen).  Yan  stat- 
b  o  m  e ;  £.  ald.,  en  vgl.  ^TkDi&ovkF.^, Schoeien^  den  hant 
van  hêt  land  met  een  houten  bekleedeel  tegen  den 
invloed  van  den  golfelag^  tegen  afkableling  vrij- 
varen. II  Dit  Yorseide  lant  es  bediket  jof  bestad- 
boemet,  Invent.  v.  Brugge  1,  36.  AÏb  dese  ka 
bestabboemt  is,  so  seU  die  grafft  wyt  bliven  .  . 
twee  meden,  O.  B.  v.  Dordr,  2,  114,  150. 

BESTADEGEN.  Zie  bestadioen. 

BESTADEN ,  zw.  ww.  bedr.  en  wederk.  (deelw. 
hêêtadet  of  bestoet).  Mhd.  bestaden;  mhd.  bestaten. 
Van  stat;  zie  ala.,  en  vgl.  besteden. 

Bedr.  —  1)  Plaatsen ,  eene  plaats  aanmjgen,  || 
(Dat  God)  die  ziele  moete  bestaden  in  dat  ewighe 
liecht,  Serv.  n,  2970. 

2)  Bergen  y  loegbergen^  eene  plaats  geven.  \\  Al 
hadde  hi  sine  diere  gewaden  ende  sine  crone  doen 
bestaden,  men  mochte  bi  diere  gebare  merken  wie 
de  coninc  ware,  Alex.  I,  817.  Si  ...  ynlden  haer 
coasen  ende  haer  broeke  {met  goud)  .  .  . ;  so  vele 
hadden  sQs  geladen,  si  en  oonstent  gedragen 
noch  bestaden,  III,  479.  Hier  hads  selc  so  vele 
(goud)  geladen,  hi  en  condt  gedragen  noch  be- 
staden, VI,  427.  Dat  toIc  was  'soe  geladen  met 
goede,  si  en  constent  bestaden,  YIII,  231.  Dar 
na  bestaede  si  .  .  dat  ponder,  dat  har bleyen  was, 
Lanc.  II,  22962.  Doe  bestaetmen  (teist  hesiede 
men)  dat  jnweel,  SegA.  3377.  Doe  dede  die  heilige 
Helene  bestaden  in  een  selveren  vat  .  .  dat  cmce , 
iS^.  11%  50,  167.  Wat  sond  hierafmeerghewach? 
veel  meer  goeds  dan  yement  waent,  namen  sy  vanden 
dneren  ghewaden,  silver  ende  gout,  sj  en  costen 
(/.  costent)  bestaden ,  Troyen  f.  20  a. 

3)  In  zijn  gemoed  wegleggen^  ter  harte  nemen.  \\ 
Datti  dine  vriende  raden,  saelstn  in  dinen  sin  be- 
staden, JD.  Cat.  395. 

4)  Het  toevoeging  van  ter  erden  (monden). 
Iemands  stofeUjk  overschot  wegbergen  <^  hem  ter  aarde 
óes tellen,  begraven,  ^^;(tf/^:«».  ||  Dpaepscap  van  Mets 
.  .  .  bestaeddene  ter  erden  binnen  Hets  met  groter 
werden,  Brab.  Y.  I,  321.  Alse  Godevaert  metten 
Baerde  bestaet  was  ter  aerde  in  die  abdie  van 
Affelgheem,  lY,  151.  Sijn  gewant,  daer  hij  mede 
wonde  werden  bestadet  toe  der  eerden,  Serv.  I, 
2954.  Daer  der  bosscop  reyne  ter  eerden  bestaet 
-was,  II,  401.  Hen  bestade  den  werden  mit  eeren 
totter  eerden,  1164.  Ter  aerden  bestadet  werden, 
Jjond/r.  V.  Vel,  10.  Op  den  dach  dat  dl^ck  ter 
eerden  bestaedt  ware,  Belg.  Mus.  1,  257.  Hen 
S4>aden  weten  doen ,  dat  ie  bestaet  ben  ter  monden , 
Xdmb.  X ,  1330.  Hen  bestaden  ter  erden  eerliic  na 
coninx  weerden,  1357.  Die  like  waren  bestaet  ter 
«rdon,  alst  recht  was,  met  groter  werden ,  Zorr.  II, 
1651.  So  namen  si  den  lichame  ende  bestaeddene 
ter  erden,  L.v.J.e.^9. 

5)  Plaatsen,  toedeêUn,  toezeggen.  \\  Doe  seide 
saen  her  Lyoneel :  ie  nemer  oec  vive  in  min  deel . . 
Acglavael  die  seide  doe:  die  andere  vive  horen 
mi  toe.  —  Doe  sprac  die  riddere  .  .  . :  dns  sQn  si 
aJle  bestaet  te  samen;  ende  waer  jeghen  salie 
-rechten  dan?  Idme.  III,  19998. 

6)  Plaatsen  j    van  de  hand  doen,  verkoopen.  || 
Scepensii  ia  gheender  wisen  en  selen  eopen  gheen 
assysen  ende  die  setten  ende  bestaden  voert,  JTrake  I, 


982  (de  verklaring  in  het  Gloss,  waar  het  door 
bevestigen  vertaald  wordt,  is  onjnist;  vgl.  be- 
steden 5). 

7)  UithüufeUjien ,  tig.  eene  eigene  woonplaats  aan' 
wijzen,  in  eene  eigene  huishouding  zetten.  Ygl.  lat. 
eolloeare.  \\  Oec  docht  hem  die  dochter  hoghe  aen 
Achilles  syn  bestaet,  ÏVöy«» ƒ.  44*.  Yier  dochteren 
die  hi  in  hnwelike  bestaede  harde  hochlike  (aan 
zeer  aanzienlijke  mannen) ,  Brab.  T.  lY,  367.  Aldns 
benam  .  .  .  coninc  Philips  van  Yrancrike ,  dat  die 
hertoghe  .  .  .  bestaden  en  const  sgn  kinder,want 
hi  en  constese  nerghen  bestaden  eerliken  aen  haer 
gegaden,  Y,  4709  var.  Alsoe  dat  hi  sgn  kinder 
bestade  een  deel  alsoet  Philips  gaedde.  Sinen  ontsten 
sone  .  .  .  bestaedde  hi  in  Yrancrike  aen  heer  Jans 
dochter,  4729.  Godevaert  .  .  .  bestaedde  hi  in 
Borboen  .  .  .  an  des  hertoghen  dochter  dare ,  4739. 
Hi  had  dertich  sonen  ende  dertich  dochteren  al 
bestaet  te  hilick.  Fase.  Temp.  18  r.  Yronwe,  ie 
wil,  se  met  n  vare,  tes  icse  bestade  na  minen 
wille,  Lmb.  I,  970.  Ne  ware  ie  ben  een  arm 
man ,  ghi  selt  nwer  dochter  eire  an  bestaden  ende 
dat  eerliic  si,  1175.  Sint  hi  ghelaten  heeft  sine 
wet,  sone  mochtise  {het  meisje)  in  de  werelt  be- 
staden bet,  XII,  929.  Bidi  ie  niet  wert  en  si  te 
tronwen  die  keyserinne  vri,  soe  seldise  vele  bat 
hoechelüc  bestaden  tere  andre  stad,  XII,  1257. 
Dat  hi  die  joncfronwe  sonde  bestaden  met  eren, 
Lane.  II ,  39188.  Op  dat  hi  niegherincx  bestaet  en 
si  {als  hij  niet  verloofd  is),  Vergi  133.  Ygl.  Nijh.  3, 
196:bestaidtzn  der  te,  ten  huwelijk  gegeven.Zit'EE,. 

8)  Weggeven,  geven,  schenken.  \\  Terde  (ors)  sindi 
harre  dochter  .  .  .,  dat  vierde  harre  suster  .  .  ; 
aldns  bestaetdi  sijn  bejach,  Lanc.  II,  37545.  Die 
twee  deele  {van  zijn  goed)  altesamen  heeft  hi 
salechleke  bestaet,  also  als  droech  sgn  heilege 
raet,  Sp.  II»,  41,  70.  —  Yooral  in  verbinding 
met  het  obj .  m  i  n  n  e.  ||  Ie  wille ,  dat  gise  {uwe  minne) 
in  ene  stat  (d.  i.  aan  een  persoon)  bestaet,  Bose 
2207.  Dat  die  beste  ridder  .  .  .  sine  minne  an  n 
hadde  geset,  want  hi  mochtse  bestaden  bet,  Lanc.  II , 
15458.  Hi  mochte  (sine  minne)  bestaeden  bet  Si 
antworde:  ie  weet  wel,  dat  hi  sine  minne  hout 
wel  bestaedt  ane  mi,  Lanc,  II,  12929. 

9)  Besteden,  gebruiken,  gebruik  maken  van;  eig. 
plaatsen.  \\AX  scheen  hi  int  nemen  fel,  hi  bestadet 
tsine  gheme  wel,  male  partis  optime  usus  est, 
Sp.  II^  5 ,  17.  Die  wel  bestaedden  haren  tijt ,11',  12 , 
146.  Sone  wondic  mine  jonghe  joghet  nemmermeer 
bat  bestaden,  Belg.  Mus.  2,  434 ,  63.  Sinen  tijt . . . 
nntteljjc  bestaden ,  Lsp.  m ,  25, 5.  (Die)  den  corten 
ti|t  beistaedt  wel,  147  var.  Hoe  wel  es  dat  goet 
bestaet,  dat  men  den  goeden  doet,  Parth.  6566. 
Soe  vele  bestaedt  mens  {van  het  goed)  qnalike  ende 
so  luttel  heves  die  siele  te  bat,  Teest.  2969.  Die 
moeder  Gods  beveelt  u  dat  ghi  hier  bi  ons  big  ft, 
want  het  is  haren  wille  .  .  .  dat  ghi  uwen  tijt 
hier  bestaedt,  hier  besteedt,  slift,  Exc.  Oron.  23*. 
Ie  woude  ie  tghelt  hadde  van  mijnder  coe ,  dat  ghi 
dus  wel  hebt  bestaet,  Busk.  156.  Soe  hebbic  wel 
bestaet  den  cost,  Belg.  Mus.  10,  67,  87.  Si  be- 
stadent  {het  geld)  in  anderen  oneersamen  dinghen , 
Rnnsb.  2,  183.  Dat  solt  is  guet,  mer  of  dat  solt 
bedervet,  waerin  {waartoe)  sal  ment  bestaden?  Hs.  71, 
Luc.  14,  84.  Hoe  hi  best  soe  grote  rijcdom  alre 
salichste  ende  nuttelicste  in  dye  ere  Goods  bestaen 
(/.  bestaden;  vgl.  Brab.  T.  Y,  4712,  waar  de  tekst 
ook  te  onrechte  bestaen  heeft)  sonde,  Pass,  W. 
164*.  Die  n  dient,  waerlike,  hi  bestadet  qnalike, 
aan  een  onwaardige.  Boel,  I,  512.  Ontseidic  datu, 
so  haddi  qnallc  bestaedt  au  uwen  dienst  ende  u 


1095 


BEST. 


BEST. 


1096 


pine  bede,  Lanc,  ü,  12929.  (Dat)  haer  dinken 
moge,  dat  si  wel  hevet  die  moawe  bestaet  {aan 
een  toaardige  geschonken  heeft  ^  een  goed  gebruik 
gemaakt  heeft  van  de  mouwi)^  die  se  hem  gevet, 
IV,  686.  Hertoghe  Willem  maectse  (Margareta) 
heer  in  Hollant  ende  dede  hem  eer,  want  sy  en 
mochtet  nerghen  bet  bestaden,  aan  geen  waardiger 
persoon  besteden^  Hild.  122,  39.  Andre  vriende  so 
keerdi  of,  daer  hijt  (nl.  het  raadplegen)  vele  bet 
an  bestade,  die  hij  daartoe  met  veel  meer  recht 
zou  gebruikt  hebben  ^  d.  i.  die  dit  veel  meer  waardig 
waren,  Denkm.  3,  132,  27. 

—  Ook  in  het  pass.  met  een  bgw.  yan  graad  of 
wijze.  I)  Noit  was  so  wel  bestaet  mowe  (m  zulke 
goed^  handen,  eig.  een  zoo  goed  gebruik  gemaakt 
van  eene  mouw),  die  vrowe  gaf  ofte  joncfrouwe, 
als  die  nwe  was  bestaet  daer,  Lanc.  lY,  2027. 
Neemt  ghenouch  yan  minen  scatte,  ende  ghevet 
den  aermen  datte,  daert  n  dinct  wel  bestaet,  die 
u  voorkomen  dit  waardig  te  zijn,  iSJp.  III*,  13,  37. 
{Dat  goed)  dat  hi  achter  hem  laet ,  dan  wetti  niet , 
hoet  es  bestaet,  in  welke  handen  het  komen 
zal,  Belg.  Mus.  6,  191,  206.  —  Hets  wel  be- 
staet, dat  hi  levet,  Ferg.  354  en  IU>se  fr.  248, 
5,  het  hem  geschonken  leven  is  aan  een  waardige 
besteed,  hij  is  het  leven  overwaard,  verdient  het  leven 
ten  volle.  —  Ook  met  weglating  yan  het  byw.  |i 
Die  daer  goet  laet,  daert  es  bestaet,  waar  men 
dit  waard  is ,  Belg,  Mus,  1 ,  128.  Malen  ende 
perde  .  .  mach  hi  geyen  znlken  hemeliken  yrienden 
des  huns,  daer  hi  ziet,  dat  bestaet  is,  dat  men 
het  verdient,  D,  Orde  287.  —  Vooral  met  eene 
bepaling  met  ane  en  een  bijw.  yan  graad  of  wijze: 
iet  es  (wale)  an  enen  bestaet,  iets  is  {goed) 
aan  iemand  besteed,  het  is  in  goede  handen,  het  is 
bij  iemand  op  zijne  plaats,  hij  is  het  waardig.  \\ 
Sone  yendwi  niman ,  die  onser  minnen  bat  werdech 
es,  dan  hi  ende  daer  wys  oec  bat  ane  mogen  be- 
staden, Limb,  Serm.  188(7.  Soe  verslet  dan,  dat  si 
ane  n  dat  ridderscap  so  wel  bestaet  nu ,  dattie  ere 
behouden  si  yanden  ridderscape  daerbi ,  Lanc.  III , 
1836.  Ay  .  .  goet  swaerd!  .  .  dune  sals  nembermer 
yinden  man,  daer  du  alsoe  bestaets  (/.  bestaet) 
werdes  an ,  alstu  heves  gewesen  an  mi ,  Lanc.  IV , 
12052.  {Het  zwaard)  en  ware  niet  wel  bestaet  an 
u ,  12084.  Ie  wil  yan  uwer  spisen  eten ;  het  is  bet 
bestaet  aen  mi  dan  aen  die  wichteren ,  Bein.  II , 
6676.  Hy  gaeft  {prs)  dien  hyt  geyen  woude ,  daert 
wale  aen  bestaet  was ,  dat  was  myn  heer  PoUidamas, 
Troyen  4499.  Dat  an  niemen  en  ware  bat  bestaet 
(nl.  het  koningschap),  dan  ane  den  riddrecoene,  Limb, 
YI,  2224. 

10)  Aanbesteden,  ||  Op  Sinte  Thomaesdach  was 
haer  Florans  ghereden  te  Haerlem ,  om  mijns  heren 
baerdze  {barge,  schuif)  ,  .  te  besteden  te  maken, 
Rek.  d.  Gr.  1 ,  339.  Ware  dat  quame  een  ongheval 
an  haren  slusen,  sou  souden  wi  die  vrese  (risico) 
bestaden  of  doen  bestaden  ende  nemen  onse  ghelt 
weder  twiscatte ,  Oorkb,  2 ,  391a.  En  dede  hi  hem 
dan  gheen  wederwerc  (wederwerc  doen  is 
tegelijk  met  iemand  werken,  zoodat  ieder  de  helft 
van  het  werk  doet),  so  mochte  dan  die  ghene 
die  des  wederwerkes  begheerde,  dat  bestaden, 
ende  dat  solde  die  ander  half  betalen  Stadsr.  v, 
Zwolle  80 ,  96.  Dat  al  bestaet  was  in  eere  summe , 
Rek.  V,  Zeel.  2,  278.  Clais  die  Costre  van  den 
niewen  dike  .  .  bestaet,  17  roeden  .  .  te  heelne, 
ald.  Weert  saeck,  dat  aen  yemant  bestaedt  worde 
dijc,  voet,  loep,  hoegen  .  .,  die  sal  s^n  geit  dair 
van  eijsschen,  Overijs,  R.  2*,  14.  Ofte  hie  of 
yemant   dijke,   voete  .  .  .  ofte   tune   aenneme   of 


aen   hem   bestaidt  worde,   ald,   15.  Zoo  ook  19; 
Meyl.,  Delfl.  183. 

11)  £en  ordeel  an  enen  bestaden,  kei  op- 
maken ,  ontwerpen  van  een  vonnis  aan  iemand  opdrage» 
(besteden  i\s  het  ware,  zie  Bacer  3,  141  noot). 
Ook  wel  een  ordeel  bestellen  geheeten,  zie 
Noordewier,  bl.  408.  ||  Enich  man,  daer  een  oerdeel 
an  bestadet  word  van  scepene  off  van  schuiten, 
Stadsr.  v,  Zwolle  72,  76.  Ende  so  sal  de  ghene, 
daer  dat  ordel  an  bestadet  is,  des  anderen  naesten 
richtdages  .  .  to  gueder  tyt  opt  huys  comen,  aU. 
(Onse  amptlude  ende  richters)  en  suUen  ghene 
ordele  bestaden  aen  hoeren  dienren,  dan  allene 
aen  guede  bescheiden  manne  .  .,  die  lantsaten  syi. 
Racer  3,  141. 

Wederk.  —  Hem  bestaden,rur>lr^A«rA». || 
Ist  saeck  dat  een  knecht  ofte  een  maghet  hem 
bestaed  met  yemant  in  onser  stadt,  Schwartz.  1, 
584a.  Enich  knape  of  maghet,  die  hem  bestadet 
ende  oeren  dienst  wederzeghe  den  oeren  heer  .  ., 
eer  si  an  oeren  dienst  quemen,  Stadsr.  v.  ZwolU 
151.  So  wat  knapen ,  amme  off  maget  hem  bestaed«t 
te  dyenen,  die  sal  sgne  vurwoerde  holden  vol- 
comelic,  Overijs.  R,  I',  188.  —  Bestaet  sgn, 
in  iemands  dienst  zijn.  ||  Vort  verbiedewi  aUen 
den  cnapen,  .  .  die  voer  meester  sin  bestaet,  dal 
si  neghene  vel  werken,  die  hais  selves  sin  ofte 
iemens,  sonder  hars  meesters,  daer  si  mede  be- 
staet sin,   Fad,  Mus,  2,  359. 

BESTADINGE,  znw.  vr.  —  1)  ÜUhuweliftmg.Ygl. 
BESTADEN  8).  ||  In  sgure  bestadunge  des  vurg. 
Edwarts,  Nijh.  3,  345. 

2)  Aanbesteding  (vgl.  BESTADEN  10).  |)  Soe  solden 
die  zwoern  dat  van  stonden  aen  bestaeden  .  .  ende 
soe  sal  die  schuit  dair  mede  vortvaeren  ghel|c 
voirscreven  is  van  anderen  bestaedyngen ,  Overijs. 
R.IV,  19. 

BESTADIGEN,  zw.  ww.  bedr.  Hetzelfde  al.^ 
bestedigen  (zie  ald).  Bevestigen,  bestendigen.  ||  In 
taerwen,  in  wine,  in  olye  hebbicne  bestadicht, 
Hs.  V.  1348,  78rf  {Genes.  27,  37).  God  fondeerde 
die  erde  inder  wijsheit  ende  bestadechde  die 
hemele  inder  vroetheit,  ald.  224«  (Prop«"4.  3 ,  19V 

BESTAEN,  oorspr.  vorm  bestanden  (zie  ald.), 
onz.  WW.  onz.,  bedr.  en  onpers.  (3de  pers.  prae^ 
bestaet  en  besteel ;  praet.  bestoet  en  bestont ;  parL  Le- 
staen  en  bestanden),  Mnd.  besten ;  mhd.  bestem ,  hestén. 

I  Onz.  —  1)  Blijven  staan.  Vgl.  heUggen,  be- 
vallen.  \\  Wat  sullen  wihier  langer  bestaen ,  Base  {O 
6382.  Hier  omme  heetic  di,  dattune  {den  boom) 
avehous;  wat  besteet  hi  hier?  L.  r.  J.  c,  141. 
Wat  wildi  hier  voren  bestaen,  ende  beneemt  dal 
te  hare  niement  en  dar  comen  nare ,  Lorr.  1 ,  310. 

2)  Blijven,  vertoeven.  \\  Omme  dat  lant  van 
Jherico  .  .  .  gheme  plechtet  {het  dier)  te  bestaae. 
Nat,  Bl.  VI ,  782. 

3)  In  dezelfde  bet.  alsdeuitdr.  laten  wesen, 
d.  i.  laten  blijven,  nalaten,  met  iets  ophouden,  vam 
iets  afzien,  vindt  men  de  uitdr.  laten  bestaen, 
waarin  bestaen  dus,  evenals  wesen,  oor^. 
blijven,  vertoeven,  halt  houden  beteekent.  ||  Hiei^ 
mede  latic  dat  bestaen  ende  spreke  Tan  de:9ei 
bosen  wive ,  MLoep  IV,  452.  Vgl.  onze  uitdr.  laat 
dat  staan,  d.  i.  staak  dat,  —  Syn  recht  latea 
bestaen,  m  een  proces mtstel vorderen, een  tervnjm 
nemen,  \\  Een  heb  den  anderen  doen  dagen  of  be- 
stellen, die  dach  van  rechte  come,  of  een  syn  recht 
mach  laten  bestaen  op  sinen  ban ,  Matth.  14^  Yfi 
1ste  uitg. ,  bl.  290  noot,  waar  Alkemade  verklaari: 
y^Zijn  recht  te  laten  staan,  niet  te  vorderen , geea 
dingtaal  te  houden.'^ 


1097 


BEST. 


BEST. 


1098 


4)  Blijven  ^  voortdurend  sifn,  en  in  het  élg.zifn 
(ygl.  lat  exittere  en  het  mnl.  bliven).  ||  Helpt 
mi,  dat  {het  gedicht)  nuttelyc besta,  Snellaert,i\r(f<f. 
Ged.  638,  106. 

5)  Met  \ieX  yoGTz.mti,  Bestaanbaar  ^vereenighaar 
zijn  met.  \\  Becoringhe  sonder  consent  van  wille . . 
besteet  wel  met  ghenaden,  Rnnsb.  3,  197. 

6)  Beginnen ,  een  aanvang  nemen.  Zie  by  bedr.  7,  b). 
—  In  de  volgende  opvattingen  met  den  3den  nv. 

lyiemaiui  ofiets  bijblijven^  bij  iemand  of  iets  blijven ; 
eig.  er  bij  staan.  \\  Dat  elcke  vleischonwer  gehouden 
sal  zgn,  eens  ter  weecke  zQnre  stal  selver  te  be- 
staen,  K.  en  O.  v.  Delft  181,  8.  Wi  daghen, 
dat  ons  (het  aardsche  goed)  niet  bestaet,  endedat 
on  se  zin  vergaet,  dan  claghen  wi  nomeer  nomin, 
Sp.  I«,  66,  15. 

8)  Bestand  zijn  tegen,  tegen  iemand  zijn  opge- 
tPOêsen ,  hem  aandurven.  Ygl.  Ben.  2*  ,  577,  4:  halte 
stand.  II  Sine  felheit  .  .  .  was  so  groot,  dat  hi 
en  spaerde  vader  no  moeder  dor  gene  waerde,  no 
niemen  en  was ,  die  hem  bestont,  hoe  groot  hi  was, 
hoe  namecont,  Sp.  III*,  26,  55. 

9)  Betrekking  hebben  op ,  betreffen ,  te  pas  komen , 
behooren  bij,  lat.  pertinere,  gr.  itQog^xetv.  ||  Ende 
mi  sake  en  gene  en  bestaet,  die  ghi  mi  yraghet, 
dat  ie  se  u  hale  {verzwege) ,  Parth.  4999.  Si  moesten 
al  suiker  feesten  plegen  alse  bestont  te  suiker 
minnen,  Lanc.  Il,  5428.  Singen  ende  lesen  began 
hi  saen,  also  te  siere  benedictien  bestoet,  ^.11^, 
56,  28.  Mi  es  al  dat  vergaen,  dat  ter  minnen 
mach  bestaen ,  J).  Cat.  5.  Dat  niemen  wilde  ontfaen 
doopsel  .  .  .,  hine  wiste  bede  quaet  ende  goet 
ende  dat  den  doopsel  bestoet,  Lueid.  4512.  Al 
datter  ouder  wet  bestaet,  Rijmb.  4645.  Want  si 
{de  feesten)  ter  onder  wet  bestaen  ende  onser  wet 
niet  an  ne  gaen,  6261. 

10)  Aangaan,   te   maken  hebben  met.  \\  Want  si 
{d€  geestelijke  dingen)  der  aerden  niet  en  bestaen, 
Lsp.  I,   17,  81.  Gheestelic  goet  .  .  .  dat  dat  der 
heiligher   kerken  es ,  ende  der  werelt  niet  en  be- 
staet,  I,   26,    131.    Dat  es  dinc  dat  mi  niet  ane 
en  gaet  gaet  noch  miere  bootscap  en  bestaet ,  Parth. 
7332.  Die  sal  u  ontfaen,  want  mi  en  modi  niet 
bestaen,  met  mij  hebt  gij  niets  uit  te  staan,  Limb. 
X ,   459.  In  weet  wat  di  dese  twee  bestaen ,  quid 
isti   tibi  sint,  Sp.  II»,  57,  116.  Die  mi  een  twint 
niet    en   bestaen ,   menschen   die  mij   niets  schelen 
kunnen,  Stoke  I,  170.  Daer  qnaem  selc  .  .  .  dies 
niet   en   bestaet,  die  er  niets  mede  te  maken  had, 
maer  hem  ontfermde  dese  valsce  daet,  Velth.  I, 
49 ,  63.  Sine  scoenheit ,  wat  bestaet  si  mi  ?  Ferg.  1413. 
Hy  ende  al  dat  hem  besteet  sullen  ons  harde  seer 
ontmoeten,     Troyen    1319.     Al    dat    bestaet    den 
vrouwen    .    .,    mindi    (i»/.   God)    so    met   goeder 
troawen,    dat    hise    vanden    honeghe    formeerde, 
Parth.   3599.  Zine   {de  kerk)  heeft  geen  lit,  dat 
haer   bestaet   .   .,  het  en  is  mids  der  ghirichede 
ontkeert  van  goeden  zeden ,  Overzee  114.  Die  daer 
naest  den  coninc  varen ,  wie  sijn  si ,  bestaen  si  hem 
iet  ?  Ja  si . . ,  het  sijn  die  van  der  tafelronde,  ¥erg.  341. 
Ie  en  heb  vader  nochte  moeder,  noch  oec  vrient, 
die  mi  bestaet,  die  belang  in  mij  stelt,  Segh.  1144. 

11)  Mi  bestaet  ene  dinc,  iets  komt  mij  van 
rechtswege  toe  en  dus  ook  ik  heb  recht,  aan- 
spraak op  iets,  II  Si  lietent  daer  an  haren  danc, 
en  bestoet  hem  niet  te  dele.  Wal.  7355.  Huwe 
spise  no  huwen  scat,  die  en  bestaet  ons  plat ,  Brand. 
2063.  Doe  (regeerde)  Ode  .  . ,  dies  {d.  i.  dien  des) 
o€€  niet  bestont  een  haer,  Sp.  III',  56,  97.  Doe 
was  een,  die  Cylpric  hiet,  die  {d.  i.  dien)  der 
erven    bestont   niet,    III»,   62,    25.   Her  Gyen  en 


bestonts  niet  .  .,  hi  hevet  ouder  broeders,  Stoke 
IX,  1345;  vgl.  VIII,  997.  Hem  niet  bestont  dat 
lant,  Lanc.  III,  16301.  Daer  bi  es  tfiants  titel 
quaet  te  hondene ,  dat  hem  niet  en  bestaet ,  Mask. 
541.  Dus  es  der  Joeden  conincrike  .  .  ghevallen  an 
dient  niet  bestont  met  allen,  Bijmb.  20799.  Hine 
worde  sgn  man  .  .  den  ghenen,  dies  noit  en 
bestoet,  Grimb.  I,  1296.  Daer  toe  bestaet  haer 
die  crone  van  al  Grieken,  Parth.  3148.  Ochte  ghi 
in  dien,  dat  u  nien  besteet,  onghetrowe  syt,  wie 
sal  u  gheven  dat  uwe  es ,  L.  v.  J.  c.  149.  —  Ook 
met  een  inf.  of  afh.  zin.  Recht  hebben.  ||  Dander 
{genade)  es,  dat  hem  besteet,  dat  hi  den  heileghen 
gheest  ontfeet.  Bed.  d.  M.  113.  Al  doet  hi  hare 
nu  dorpemie,  wat  bestaet  u  dat  te  wrekene,  wat 
hoeft  gij  dat  te  straf  en?  Lanc.  III,  12306.  Nu  laet  hier 
gaen  mine  amie !  Wies  besteet  u  hare  te  vorne  achter 
lande ,  wat  hoeft  gij  haar  overal  mee  te  nemen  ?  13072. 
Het  Gode  allene  bestaet,  dat  hi  sterven  doet  den 
man ,  Heim.  640.  Wat  bestaet  u  {wie  geeft  u  het  recht), 
dat  ghi  doet  up  ons  uwen  overmoet ,  Sp,  III*  ,  37 ,  37. 

12)  Toebehoor  en  aan,  het  eigendom  zijn  van.  \\ 
(Hi)  wilt  ons  nemen  al  ons  goet,  datten  cloestere 
nie  bestoet,  Belg.  Mus,  1,  333,  252.  {Qhi)  hebt 
der  heileger  kerken  goet,  dat  u  te  rechte  noyt 
en  bestoet,  Kerk.  Cl.  155.  Dat  hi  daer  vore  en 
spaerde  noch  Igf  noch  goet,  dat  hem sonderlinghe 
bestoet,  T.  en  Lettb.  3,  73,  50.  Dat  men  wel 
ontfaet,  dat  van  vrienden  halven  comt  ende  dat 
vrienden  oec  bestaet ,  Vrouw,  e,  M.  1 ,  294.  Dat  si 
vercoepen  wat  hen  bestaet  ende  gaven  den  armen 
dat,  Sp.  II»,  72,  44.  Al  dat  goet  dat  die  van 
Romen  ye  bestoet,  Hild.  1,  61.  Alt  goet,  dat  den 
coninc  Arture  bestoet,  Lanc.  Il,  42059;  vgl. 
43940.  In  gheleenden  cleederen,  die  hair  niet  en 
bestonden,  Matth.  178. —- Ook  met  eene  eigenschap 
als  ,ondw.  Eigen  zijn.  \\  By  der  dolheit,  die  hem 
bestaet,  verloren  zi  my,  Merl,  4492. 

13)  Passen,  voegen,  betamen,  Gr,  nQog^xei.  || 
Alse  hogen  lieden  wel  bestoet,  Lanc.  II,  43540. 
Dit  soudic  wedersegghen  saen,  maer  dat  mi  be- 
staet niet,  Brand.  1872.  Dine  bestaet  niet  hier  te 
sine,  JEsop.  XXX,  4.  (Si)  willen  hem  verheffen, 
al  ne  bestaets  hem  meer  no  min.  Nat.  BI.  II, 
3964.  Ene  aventure  .  .,  die  den  dorperen  no  den 
doren  niet  bestaet,  dat  sise  horen.  Flor.  2.  (Si) 
daden  dat  hem  bestoet  te  doene ,  1939.  Die  scoene 
joncheers  begerden  al  te  conne  dat  ridderen  be- 
staet, Jiol-fr.  879.  Wat  den  papen  anegaet  ende 
wat  den  lantsheren  bestaet ,  wat  tot  den  plicht  behoort 
van;  lat.  que  sunt  propria  saeerdotum  et  que  regum, 
Sp.  111%  6,  5.  Hadden  hem  die  Vranken  ente 
Romeine  also  vrienden  geweest  .  .  alsten  orloghe 
hadde  bestaen,  als  het  bondgenooten  betaamt ,111^, 
24 ,  77.  Te  herbergene  {iemand  te  logeeren  te  vragen) 
mi  niet  en  besteet,  Ferg.  747.  Als  hem  ter  werelt 
bestoet,  zoo  als  het  hem  overeenkomstig  zijn  stand 
paste,  Franc.  736.  —  Ook  met  eene  bep.  met 
te  in  plaats  van  den  3den  nv.  ||  Het  en  besteet 
niet  te  mi,  dat  ix  orlof  name  an  di,  X.  o.  ^. 
4333  (vgl.  onze  uitdr.  het  staat  niet  aan  mij, 
en  staan  in  den  zin  van  voegen),  —  Dikwjls  kan 
men  bestaen  in  dezen  zin  het  best  door  moeten 
weergeven.  ||  Sjjn  goet  mi  te  sterven  bestaet, 
zijn  goed  moet  bij  zijn  dood  op  m\j  overgaan ,  Limb, 
IX,  188,  Al  helden  si  hem  te  voren  blyde,  nu 
bestont  hem  zere  te  leyden,  dat  si  waren  dus 
verscheiden,  Hild.  62,  83.  Hi  trackene  wel  ghe- 
weldelike  boven  alle  sine  hoghe  baroene,  des  hem 
niet  en  bestoet  te  doene,  wat  hij  niet  had  moeten 
doen,  wat  niet  goed  van  hem  was,  Parth,  40. 


4099 


BEST. 


BEST. 


ItOO 


14)  Passen,  dienstig ,  nuttig,  goed  mf'n  voor, 
Daer  si  ne  wisten  wech  no  rtet|  die  hem  ter 
lyftiere  bestaet,  Franc.  1507.  Ten  lesten,  als  td 
was  vuldaen  dienst  ende  dinge,  die  hem  bestaen, 
die  helege  ziele  wordt  ontbonden ,  7659.  Wildi  hem 
hulpen  ende  gheven  raet  van  snlker  dino  als  hem 
bestaet,  TAeopA.  531.  (Hi)  gaf  hem  scat  ende 
ander  goet  vele  ende  ghenouch ,  alse  hem  bestoet, 
Sp.  I^,  51,  35.  —  Ook  met  eene  bep.  met  te  in 
plaats  van  den  3den  ny.  ||  Laet  ons  yaren,  hets 
tijts,  ende  doen  datter  toe  bestaet,  wat  noodig  is, 
wat  er  toe  staat,  Flandr,  Y,  148. 

Aanm.  —  De  bett.  5)  en  8) — 13)  laten  slechts 
het  gebruik  yan  het  w  w.  bestaen  toe  in  den  3den 
pers.  enky.  en  my. ,  m.  a.  w.  bestaen  is  in  de 
genoemde  beteekenissen  een  eenpersoonlijk  ww.  Zie 
oyer  het  gebruik  als  onpers.  ww.  bij  onpers. 

15)  In  den  bloede  bestaan,  verwant,  vermaagsckapt 
zijn.  Il  Cajms  gheslachte  ende  al  dat  Adam  ye 
bestoet,  Hild.  218,  20.  Hely  bestont  desen  ooo 
jiiet,  Éijtnb.  8581.  Sijns  neyen,  die  hem  bestaet, 
MLoep  III,  335.  Yan  al  den  gonen,  die  ghi  hier 
siet,  sone  bestaet  hem  negheen,  ïTal.  1916.  Alle 
die  gene,  die  hem  bestaen,  en  haddens  hem  niet 
doen  ayegaen,  Toree  177.  Negheen  ne  yaet  sgn 
gheslachte  dat  hem  bestaet.  Nat,  BI.  UI,  2779. 
Coomt  al  herwaert  die  Beinaert  bestaen  ende  mi, 
Rein.  Il,  5176.  Dat  icse  moeie  hiet,  al  seidic  so, 
si  en  bestont  mi  niet,  6572.  Al  den  ghenen,  die 
hem  bestaen  ende  ten  tienden  lede  anegaen ,  Lansl. 
827 ;  ygl.  676.  Hi  waent  dat  hi  es  m^n  broeder , 
maer  hi  en  bestaet  mi  twint,  Esm.  440;  ygl.  944. 
Ghi  waert  mgn  oeme,  waerdi  goet  .  .,  merghine 
bestaet  mi  twint,  ik  beschouw  u  niet  meer  als 
familie,  omdat  ghi  Gode  niet  loyen  wilt,  Segh. 
3727.  Bestadi  hem  iet  ?  .  .  Yrouwe ,  of  ie  hem  iet 
besta?  ie  ben  sijn  moeder,  11850.  Dat  hi  hem 
een  twint  besteet,  Parth,  5765.  Yriende  ende 
mage,  die  hem  bestoeden,  Cass.  340.  Si  ylietmi, 
die  mi  soude  broeden  bi  naturen  ende  yoeden ,  ende 
dese,  die  mi  niet  en  bestaet,  geeft  mi  troest,helpe 
ende  raet,  Esop.  XXX,  19.  Wat  ooc  so  hem  bestoet, 
zijn  geheele  gezin ,  Bijmb.  16041. —  Ook  met  eene  bep. 
ter  aanduiding  yan  den  ^r^uu^  yan  yerwantschap.  ||  Si 
bestonden  ten  derden  lede,  Brab.  Y.  YI,  195.  Si  bo- 
stonden alsoe,  naer  dat  die  Paus . .  dat  huwelij  c  mocht 
(/.  moest?)  consenteeren  .  .,  want  si  ten  derden 
lede  bestonden,  575.  Yan  swagherscape  bestonden 
si  ten  derden  grade ,  YII ,  7893.  —  Thans  zegt  men 
yooral  elkander  bestaan,  zonder  nadere  bepaling,  zoo- 
als  Brab,  T.YII,  7892.-Ook  met  het  bflw.  na  (naer) 
yerbonden.Ygl.  ons  znw.  nabestaanden\GtT.  oi  nQog^X' 
ovteg.  II  Der  maecht  .  .  (die)  hem  also  na  bestoet, 
Zorr.1,  612.  Daer  so  wasser  oec,  die  mi  bestoeden 
arde  naer,  Httge  v.  Bord.  lY,  158.  Grimbert,  die 
Beinaerde  na  bestoet,  Bein.  I,  1902.  (Hi)  bestont 
hem  .  .  herde  na  yan  bastardien,  Orimb.  I,  4953. 

II  Bedr.  —  1)  Het  trans,  staan,  in  den  zin  yan 
gaan  staan  (ygl.  onze  uitdr.  staan  naar  iets).  Eene 
Mudvng  aannemen  om  iemand  te  tref  en,  te  raken, 
d.  i.  hem  aanvallen,  aantasten, 

a)  Met  een  persoon  als  obj.  ||  Die  hem  sere  weren 
sonde ,  waert  dat  mense  bestoede ,  Limb.  Y ,  213.  Dat 
wi  selen  . .  ons  wapenen  . .  ende  selense  .  .  bestaen , 
YIII,  335.  Hi  wonde  dat  here  yrouch  bestaen ,  471. 
Yan  yoren  bestonden  sy  se  ende  yan  achter,  Troyen 
1732.  (Si)  selen  yier  coninghe  bestaen ,  die  welke  si 
doet  selen  slaen,  Wrake  I,  1870.  Datte  Maerscalc 
soude  gaen  ter  Yeren  ende  dat  yolc  bestaen ,  Stoke 
YIII,  113.  Datmen  best  bestonde  descare,  II,  753. 
Bechte  daer  hi  landen  zoude . . ,  heeften  sijn  broeder 


daer  bestaen ;  daer  yachtmen  mit  nide  groot ,  Itp.  Il , 
48,  343.  (Hi)  bestont  den  hertoge  SMa,Qrmh.\y 
251 ;  ygl.  254  en  510.  Dat  men  se  bi  nachte  soude 
bestaen   ende   stillekine  te  doot  slaen,  AUx.  lY, 
1185;  ygl.  1193.  (Si)  sagen  dat  mense  bestont  ?u 
yoren,  Yelth.  Il,  5,  39.   (Si)  selen  bestaen  den 
coninc  yan  Oesten,  YII,  9,  75.  Doe  bestont  hine 
metter  yaert  ende  sloghene  met  enen  stocke  doot, 
Bijmb,  10724.  Ende  men  dan  bestaet  there  mettor 
dagheraet,  17639.  (Hi)  heeft  die  yiande  bestanden, 
die  hebben  die  ylucht  ghenomen ,  19964.  So  dat 
si  die  boden  bestonden,   28001;  ygl.  19616.  Te 
nacht  .  .  ne  dorsten  si  u  niet  bestaen ,  om  dat  si 
u  gewapent  sagen,  Lane.  U,  19278.  Dattet  vare 
dorperhede  .  .,  datmen  enen  ridder  yerlode,  ende 
(hem)  meer  dan  een  man  bestede ,  43015.  Moriaea, 
die   harde   scire  was  bestaen  yanden  genen,  die 
daer  lagen ,  45049.  Hi  was  met  groter  cracht  be 
staen,   21861;  ygl.    Torec  479,    1116,  1877.  Nn 
hebben  si  al  om  ende  omme  Seghelgn  bestandea 
in  dat  crgt,   Segh,  2210.  So  soudic  se  alleen  be- 
staen met  minen  sweerde,  6349.  Doe  was  bi  be 
standen   daer  yan   eenre   scare,   7703.  Die  seren 
kinder,  die  binnen  sgn,  die  waren  fellike  bestaen, 
11074;  ygl.   1078,    1947,  1985,  3071.  So  dat  bi 
bestaen  begonde  Fhilippe  ende  gaf  hem  dootwonde, 
Sf,  I«,  12,  7.  In  desen  heeft  hi  bestaen  die  meesto 
scare   ende   omgedaen,   I*,   53,   27.   Met  gewelt 
bestont   hise    buten   mure,   68,    12.    Si  hebbense 
{de  roovers)  bestaen  ende  hem  yerwert,  III',  10, 
44.  Ygl.  I»,  5,  41;  I»,  46,  31;  65,  27;  H',  15, 
39;  lY',  24,  79;  lY»,  27,  17;  lY»,  4,  27;  11, 
29;   III»,  32,  31.  —  Ook  met  eene  bep.,  waw- 
door  het  strüden   nog  duideiyker  uitkomt  ||  Die 
Grieken   hadden   .   .   Cyruse  met  wighe  bestaen, 
Sp,  I*,  7,  49.  Si  wildene  met  wighe  bestaen,  III ', 
9 ,   30.   God  yerboot  hem  te  bestane  met  vigbe 
Esaus  gheslachte,  Bijmb,  5922.  Nichanor  ..vilde 
. .  Judase  met  stride  bestaen,  19489.  Hier gbeloofdi 
te  bestane  den  graye  te  campe  (ua  een  twetia^)^ 
Limb.  III,  1074.  Alsmen  wilt  bestaen  met  stride, 
Heelu  3947.  Eest  dat  ie  ten  campe  besta  den  genea, 
die  dit  heeft  gedaen,  Lanc.  II,  38820.  —  De  onb. 
wjjs   als   znw.    gebruikt.     Strijd,    gevecht.  ))  (Si) 
sconflerdene   ten   bestane,   so   dat   hi    hem  trike 
afwan,  Bijmb,  20448. 

b)  Ook  van  geyechten  van  menschen  met  dieren 
of  yan  dieren  onderling,  jj  Die  hem  gave  enegbe 
wonde  .  .  bestaen  soudine  openbare,  Nai.  BI.  II, 
2244.  So  wille  hine  {de  wolf  hem)  bestaen,  23^- 
Alse  hi  {de  wolf)  enen  osse  ofte  een  paert  bestaet 
wille,  2424.  Teerst  dat  si  sien  den  man,  besttea 
sine  ende  dodene  dan,  III,  1747.  Also  dat  (^  <• 
dat  het)  die  yisschers  bestaen,  daert  hem  niet  at 
mach  ontgaen,  lY,  113.  Dat  nieman  (de  boa)  es 
dar  bestaen,  YI,  220.  Gheljjc  datmen  wint  ese 
stede ,  moestmen  dat  dier  bestaen ,  eerment  moebte 
yerslaen,  246.  Ende  doet  altoes  niemenquaet,eBsi 
datment  swaerlike  bestaet,  771. 

c)  Met  den  4den  ny.  yan  eene  plaats  of  een  laad. 
II  Dus  heeft  Otte  die  coninc  saen  Aken  die  goede 

stat  bestaen ,  Lorr.  1 ,  627.  Dat  hi  die  poort  badde 
bestaen,  Bijmb.  28027.  Waer  hi  best  den  mtcr 
bestoede,  31564.  Die  stat  .  .  yan  achter  ende  tei 
yoren  bestaen ,  Yelth.  lY ,  53 ,  21.  Hoe  hi  so  sgn  laat 
behoede ,  dat  ment  niet  onyersien  bestoede ,Sp.l*^ 
19,  31.  Noint  bestont  hi  veste  no  stat ,  hine  makelt 
moede  of  mat,  I\  55 ,  17.  Dat  hi  die  stat  bestont  met 
nyde  ende  wanse,  III»,  33,  25.  —  Ook  met  eeie 
nadere  bepaling.  ||  Dat  hy  Üant  soade  bestaen  net 
stride,  soude  (/.  tsoude)  in  bant  gaen,Yelth.  II,  44,  Si 


1101 


BEST. 


BEST. 


1102 


d)  Ook  in  den  zin  yan  Uiaieren^  hestoken,\\'Dvd 
wormen,  diene  {den  menteh)  dns  bestaen,  sonden 
hem  wesen  onderdaen,  Luetd,  793. 

2)  Eene  zaak  aantasten  ^  aanpakken^  beet  pakken. 
II  Eer  hi   den  sac  dorste  bestaen,   dedine  enen 

andren  eer  ontbinden,  Velth.  I,  27,  118. 

3)  leTnand  aanranden ^  t»  ket  nauw  brengen.  \\ 
Theodosia  .  .  noch  die  keyser  Justiniaen  niet  en 
hebben  mi  bestaen,  maer  die  keyser  Bjocletiaen, 
d.  i.  „aan  de  beleedigende  behandeling  yan  mg 
zoa  men  niet  zeggen  dat  het  keizer  J.,  maar  D. 
was,"  Sp.  III»,  27,  94.  —  Ook  in  flg.  zin,  yan 
het  yerrtand  gezegd.  In  ket  nauw  brengen  y  ver^ 
bijsteren,  ||  Mijn  sin  es  so  bestaen,  dat  ie  en  weet 
wat  anegaen,  Melib,  229. 

4)  Iemand  aanklampen,  aan  boord  komen  met  woor- 
den, aanspreken,  met  een  yerzoek,  maar  ook  met 
barsche  of  onyriendelijke  woorden.  ||  (Doe)  wart  hi 
bestaen  yan  eenen  armen  wiye,  die  liep  an  hem  ende 
claeghde  ende  riep  dat  hare  coe  ghestolen  ware ,  FL 
JUj'mk,  2486.  (Hi)  heeften  herdelgc  bestaen  met  feilen 
stneren  woorden,  Ztp.  II,  23,  8.  Sinen  waerd  .  . 
ronpti  .  .,  ende  heeftene  aldns  bestaen :  sie ,  broeder 
waert!  Franc,  &864. 

6)  Overvallen, 

a)  Met  een  pers.  als  ondw.  Onverhoeds  aan- 
vallen, overrompelen,  ||  Dat  die  coninc  yan  Atnsien 
yan  achter  siin  here  bestoede,  Limb,  YIII,  510. 
Keert  ter  yaert  weder  ter  woestinen  waert,  dat 
si  n  ooc  niet  bestaen,  R^mJt,  6719.  Die  niemare 
dat  ghi  s^t  stolinghe  bestaen,  Parth,  7844;  ygL 
7861.  Die  yan  afteren  bestaen  enen  man,  Hild. 
87,  18.  (Si)  wilden  hem  allene  bestaen  met  yer- 
raetnessen  heymelike,  Yelth.  II,  36,  24.Dathine 
besta  onyersien,  Sp,  P,  80,  10.  Die  deghencoene 
qnam  inder  Persen  pauweljoene  ende  bestondse 
np  ene  ayondstonde,  I',  20,  33. 

b)  Met  eene  zaak  als  ondw.  Overvallen,  verrassen, 
II  Alse  ons  noet  bestaet,  lAmb.  Serm,  56b,  Daer 

heeft  de  donker  nacht  bestaen  hem  ende  sine 
broeders,  Franc.  2739.  Dat  ons  die  nacht  bestoet , 
Jiein.  II,  6326.  Myn  leyen  ten  indewerd  geet  ende 
mi  sciere  de  doed  bestoet,  spoedig  zal  de  dood  mij 
overvallen  (ygl.  lat.  instare),  Lutg,  II,  696.  Soe 
dat  haer  die  yake  bestoet  ende  sliep,  MLoep  I, 
1633.  Als  mj  die  yake  dan  bestaet,  II,  297.  Sfjn 
edel  yron  .  .  wert  bestaen  met  der  natnerliker 
doet  ende  sterf,  Exc,  Oron,  156a. 

6)  Overvallen,  plagen,  aantasten, 

a)  Met  eene  ziekte,  plaag  oï ongemak tlBQinAir,\\ 
Haer  sal  cortelike  bestaen  groetesiecheitofgroete 
qnale,  Vr,  Heim.  1126.  Daer  na  saen  wart  si  met 
siecheden  so  bestaen,  Lutg,  TL,  778;  zoo  ook 
1607;  III,  561.  So  wort  beslaen  (/.  bestaen)  met 
siecheden  ende  beswaert  die  .  .  hertoge ,  Grimb,  I, 
2997.  Hi  was  yan  hongere  ende  dorst  bestaen, 
jMtnc.  II,  17289.  Van  siecheden  utermaten  sere 
was  dit  kint  aldaer  bestaen,  Yelth.  II,  27,  4. 
^aer  een  met  siecheden  bestaen,  M,  en  Fr.  Heim, 
494;  zoo  ook  Invent,  v,  Brugge  6,  513.  Met  eene 
bamende  coortse  ende  frenesie  bestaen  ende  be- 
Taen,  Despars  3,  164.  So  wertse  metten  cortse 
bestaen,  Exc,  Cron,  32a.  (Hi)  ghebaerde  alsipleghen, 
die  metten  cortse  sQn  bestaen,  1^,  lY*,  79,  49. 
Een  hongherty t  heyet  bestaen  Ytalen  naer  Gregorius 
doot,  III',  17,  10.  Dat  hare  snster  was  bestaen 
met  onghemake,  Parth,  8121.  —  Ook  yan  den 
inyloed  yan  den  duiyel,  die  zich  yolgens  het  yolks- 
^loof  yooral  openbaarde  in  krankzinnigheid,toevallenj 
enz.  II  Amijs  wgf  wart  oec  bestaen  metten  qnaden 
^eeste  saen,  Sp.  III*,  80,  95.  Al  te  hant  sowert 


bestaen  ApoUonlos  yan  den  yiant ,  Belg,  Mus,  9 , 
427,  286.  Ten  andren  daghe  wert  bestaen  Paoline 
mitten  yiant  ende  sterf  also  te  hant,  433,  460. 
Dat  si  grnwelec  was  bestaen  yan  den  geeste,  die 
haer  ginc  an,  Christ,  697 ;  ygl.  1132.  —  Ook  mei 
weglating  yan  de  bepaling  metten  yiant.  ||  (Hi) 
es  met  siecheden  sere  beyaen;  hi  wert  ghister 
nayont  alsoe  bestaen,  dat  hi  noit  sint  woort  en 
sprac,  Lansl.  298.  Gort  na  dat  hi  hadde  ghedaen 
sijn  seggen,  soe  wort  hi  bestaen  endemetter  hant 
Oods  gheslagen,  Brab.  T.  TL,  3933. 

b)  Yan  rampen  en  ongelukken.  |[  Wie  die  noet 
toegebrocht  heeft  ende  dede  dese  ondaet  ende 
jammerhede,  daer  ie  mede  bin  bestaen,  e^r^OM^^iw^ 
waardoor  ik  getroffen  ben,  Segh.  9078  var, 

e)  Yan  hartstochten  en  gemoedsaandoeningen.!} 
Jacop  wart  bestaen  (hetzelme  als  b  e  y  a  e  n ,  d.  i.  &r- 
vangen)  met  yare,  Bijmb,  2366  var.  (Doe)  worden 
si  zo  gram  om  dat  gone  ende  met  felheden  so 
bestaen,  zoo  door  toom  bevangen,  dat  sine  te  hant 
deden  yaen,  Zsp.  n,  37,  26. 

7)  Eens  zaak  aanpakken,  aanvatten,  aanvangen, 
beginnen.— a)  Met  den  4den  of  2den  ny.  eener  zaak.  || 
Eermen  daer  bestont  die  porsse,  Bijmb.  29614. 
Dat  wi  den  aesten  (boek)  bestaen,  also  alse  die 
materien  gaen,  i^.  III*,  65,  119.  Hi  én  weet  wat 
doen  of  eerst  bestaen,  Bein,  II,  4430.  Segi,  ghy 
heeren,  wat  segdy?  wat  wy  nn  bestaen  gaen, 
gattn  beginnen,  Orimb,  II,  866.  Die  leweric  .  .  . 
wil  sgns  singhens  nn  bestaen,  Frouw e.  M,  XII,  3. 
Noch  aldoen  ...  en  waren  die  bntenste  mnren 
yan  der  stat  noch  niet  begonnen  .  .  .,  maer  men 
bestontse  .  .  .,  int  jaer  daarna,  ^rod.  J.YI,1629. 
(Kinderen)  die  spade  gaen,  dat  si  eerst  sprekens 
bestaen,  Nai,  BI.  I,  19. 

b)  Met  de  onb.  wQs  yan  een  ww.  met  (soms  zonder) 
te.  II  Al  die  werelt  bestont  te  daghen,  O.  E.  Pass. 
29,  845.  Dattet  yolck  bestont  {tekst  bogonste)  te 
scheiden ,  Hild.  122 ,  46  var.  Doe  bestont  hi  harde  te 
deneken,  146,  267  {var.  begonde).  Ber  hi  bestoede 
te  woeckeren  nae  eerdschen  goede,  164,  199.  Die 
knaep  die  zere  bestont  te  langhen,  60,  144. 
Doe  hi  yechten  erst  bestoet  jegen  die  here  yan 
erderike,  OFl.  Ged.  2,  71,  134.  Want  hem  die 
wech  wert  ondergaen,  doe  hi  te  clymmen  hadde 
bestaen ,  MLoep.  II ,  943.  Doen  yiel  Karel  op  hem 
ende .  bestont  met  droeyer  stemmen  .  .  te  screyen , 
Exc.  Cron.  %3e,  So  bestont  hi  te  wenfn,  96df.  Dat 
de  kerstene  ane  pine  eer  yaen ,  eer  mense  te  pQnne 
can  bestaen,  Sp,  II',  18,  63.  Het  {schip)  wert 
yerynllet  ende  si  bestonden  te  bedenren,  Hs,  71, 
L»c,  8,  23.  Die  hette  bestaet  te  laenwen,.0ar/^/. 
84^.  Also  langhe  als  si  wit  bliyen,  ter  tgt  toe  dat 
si  bestaen  swart  te  werden,  393^.  Als  hy  {de 
vijgeboom)  bestaet  te  draghen ,  611^.  Als  si  geyoelen 
dat  haer  hoemen  besten  hart  te  werden,  7493. 
Als  si  {de  haren)  ,  .  aen  dye  eynden  bestaen  te 
graenwen,  8126.  Dat  kindeken  doet  no  ne  weet 
sdtoes  ne  gheerhande  quaet,  onthier  ent  spreken 
bestaet,  Nat,  BI.  I,  12.  So  dat  al  dicken  bestaet, 
begint  dik  te  warden,  YIII,  646;  ygl.  YU,  380. 

—  Ook  in  het  pass.,  eyeaals  \xei\sX,eoeptusest.\\ 
Eechteyoert  so  es  bestanden  den  dach  te  blasene 
oyer  al,  Stoke  IX,  1142.  —  De  onb.  wijs  als  znw. 
gebmikt.  Begin,  aanvang,  ||  Sgn  boec,  inden  be- 
stane ,  spreect  yan  der  groter  woestine ,  Bijmè,  21012. 

—  Eyenals  het  lat.  coepi,  moet  ook  het  Mnl.  be- 
staen meermalen  öf  door^Am  ófmethetyolgende 
WW.  als  één  begrip  yertaald  worden.  ||  So  neren- 
stelike  hi  haesten  bestaet,  zoo  hardga^th^  loopen^ 
Pranc.  6442.  Een  man  ,  .  sonde  labnren  bestaen  in 


1103 


BEST. 


BEST. 


1104 


sinen  wgngaerd ,  ^oai»  wêrien^  9687.  Laet  ons  beiden 
bestaen  te  gane  ende  (op  veg  geutn^  heengaan  en) 
enen  pot  biers  te  gader  meten ,  Bram.  P.  187 ,  64. 
(Si)  worden  verraert  ende  worpen  haer  wapenen 
yan  bem  ende  bestonden  te  lopen  (gingen  aan  den 
loop),  £xe.  Cron.  211a.  Die  andere,  dit  siende^be- 
Htonden  mede  te  ylien  ende  te  lopen  (gingen  op  de 
vluchi),  elck  alle  dat  hi  mochte,  ald,  Yioletten 
men  aieden  bestaet  in  watre ,  men  gaat  heen  en 
kookt.  Nat,  BI.  X,  646.  Dit  makic  li  denghenen 
cont,  die  dit  bestaen  te  lesene,  gaan  lezen,  zullen 
lezen,  L.  v.  J.  bl.  1.  Enefonteine,  daer  die  Jordane 
aireeersten  nut  bestaet  te  ghane,  waaruit  de  J. 
ontspringt,  Rijmb.  1633.  —  Ook  alsintrans.  gebruikt, 
in  den  zin  van  beginnen,  een  aanvang  nemen.  || 
Hi  bestont  (nl.  te  regeeren;  Yinc.  coepif)  int  jaer 
ons  Heren  792,  Sp.  Vil*,  89,  37;  vgl.  lU»,  2, 
22.  Si  bestondens  (de  2de  nv.  des  vervangt  den 
inf)  .  .  .  int  jaers Gods  408rVinc. «?qpmm^,III*, 

2,  22.  Na  so  coemt  die  derde  etaet,  die  ten  v^ftien 
jaer  bestaet  (var.  beeaet),  Nat.  Bl.  I,  33.  Dat 
die  hitte  anegaet  vanden  onste  ende  bestaet,  II J, 
3321  var.  Die  werelt  wordt  seer  verblyt,  als  dat 
nuwe  jaer  bestaet,  Hild.  207,  6  var. 

8)  Aanvaarden,  aanpakken,  eene  moeilijke  en  ge- 
vaarlijke taak.  —  a)  Ondernemen,  onderstaan,  op 
zich  nemen.  \\  Men  bestont  anderwarf  twerc ,  i^(;»f ^. 
17861;  vgl.  VS.  609.  Die  sonder  twifelyet  bestaet, 
hi  es  bnten  sorghe  gheseten,  Hild.  94,  172.  Een 
man  sal  goeden  wille  haen  (hebben),  mach  hi  der 
wercken  niet  bestaen,  265,  81.  Wildi  bestaen  die 
avontnre,  Ferg.  3321.  Meneghen  vrien  aerbeit  men 
op  vrouwen  troest  besteit,  Fad.  Mus.  2,  200, 
153.  Die  vele  beslaen  (/.  bestaen)  ende  luttel 
sorghen,  soeken  gheme  valsche  borghen,  Esop. 
XXXV,  7.  Diene  bestaet  ghene  sake  sonder  raet, 
Heim.  1485.  Wi  sullent  gerne  met  di  bestaen  .  ., 
ende  avonturen  onse  leven,  Jlex.  YI,  933.  Want 
hgs  .  .  bat  es  vroet  dan  ie,  hoe  {hoewel)  hijs 
niet  en  bestoet,  Brab.  7.  YI,  33.  Neghene  dinc 
bestaet  hi  .  .,  hine  comets  over.  Nat.  Bl.  XII, 
1367.  Ie  en  hadde  den  aerbeit  niet  bestaen,  eten 
ware  doer  sinen  wille,  XIII,  162.  Noyt  en  wart 
ooc  dinc  bestaen  van  ons ,  sine  es  ooc  wel  vergaen, 
Parth.  6768.  Dat  wi  eerst  int  bedehuus  gaeu  alse 
wi  eene  dinc  bestaen,  Sp.  V,  22,  3.  Dus  hevet 
Ifarchus  die  dinc  bestaen  ende  screef  .  .  die 
ewangelie,  I',  15,  1.  (Als)  een  doghet  wille  ane- 
vaen,  hi  hevet  welna  dat  swerste  bestaen,  I*, 64, 
18.  —  Yooral  gebruikt  in  verbinding  met  woorden 
die  het  begrip  strijd  en  weg  uitdrukken.  ||  Enen 
fleren  strijt  bestaen,  Lanc.  II ,  3879.  WJch  b. ,  Bijmb. 
4955 ;  ^,  I*,  21 ,  41.  Daer  es  een  groet  twist  bestaen , 
Merl.  27125.  Camp  b.,  Maleg.  287.  Campspel  b., 
B^in.  II,  6760.  Orloge  b.,  i^.  UI*,  37,  72;ni«, 
90,  5.  —  Enen  wech  (woch)  b.,  een  weg  inslaan, 
eene  reis  ondernemen,  een  toeht  €Mnvangen,  Pass.  W. 
98rf;  Sp.  \\  21,  3;  lY»,  7,  13;  Kein.  I,  1096, 
1696,  2604;  iTane.  1338,  5041,  5102,  6116.  — 
Die  (ene)  vaert  b.,  Yelth.  I,  9,  64 ;iJi;;»i*. 23617; 
Bein.  I,  970,  1040;  Nat.  Bl.  III,  1824;  Terg. 
6026.  Enen  pat  b.,  Bose  7418,  7442.  Diereiseb., 
&yA.  11804.  — Met  het  obj.  minne  (liefde).  ^é?»kf 
amourette  op  het  touw  zetten.  \\  (Doen)  heeft  hi  ene 
nuwe  minne  bestaen,  MLoep  I,  398.  Yan  liefden, 
die  hem  beyden  dwanck,  ende  gheckelic  wort 
bestaen,  1078.  —  Doen  bestaen,  doen  onder- 
nemen, d.  i.  laten-,  lat.  niror^.  ||  Die  sen  te  Clement 
dede  bestaen  in  GWlen  te  predekene,  Sp.  II*,  16, 

3.  Die  u  .  .  desen  berch  lanc  over  to  lopene  dede 
bestaen,   Bein.  I,  563.  —  De  onb.  wijs  als  znw. 


gebruikt.  Onderneming.  Nog  heden  gebruikt  in  de 
uitdr.  een  stout  bestaan.  \\  In  allen  orboren . .  so  bsI 
hi  voer  dat  bestaen  ghereescap  doen  te  maken, 
Melib.  2471. 

b)  Op  zich  nemen,  op  de  schouders  nemen,  at»- 
vaarden.  ||  Doen  gaf  h^i  (het  keizerrijk) .  .yfUltwA 
sinen  neve  saen,  diet  vromelike  heeft  bestaen, 
Yelth.  I,  2,  12.  Dat  ghi  des  menscen  bederre  j 
bestaet,  zijne  bekommeringen  op  u  neemt,  sijne 
belangen  behartigt,  Blisc.  v.  M.  1431. 

c)  Beproeven,  trachten,  pogen.  \\  Omme  datrike 
van  Asia,  hoe  dat  hgt  winnen  besta,  Sp.  V,  71, 
5.  Men  sie ,  dat  men  ter  spoet  besta ,  hoe  dat  men 
Barlaam  geva,  Sp.  IV,  16,  7.  Dat  vier  dat  groet 
was  ende  sterc  wilden  si  te  blusschen  bestaen, 
Boerden  X,  26.  Die  den  berch  souden  bestaen  te 
winnen,  Bijmb.  29836.  Wilwi  dese  heren  bestaen 
te  werpene  uten  hove?  Verk.  Mart.  2.  —  Ook  in 
den  zin  van  beproeven,  de  proef  newten.  ||  Die  twee 
weghen  heeft  bestaen,  die  weet  wail,  welc bestu 
ghegaen,  MLoep  1,  961. 

d)  Wagen,  durven,  durven  doen,  meest  met  den 
2den  nv.  verbonden.  ||  Dat  hi  szwemmens  wonde 
bestaen ,  dat  hij  het  maar  wagen  zou  over  te  zmemmtA, 
MLoep  II ,  186.  Wye  des  bestaet ,  verwervet  schande, 
2600.   Sy   en   haddes   nymmermeer   bestaen,  III, 
226.   Nu   misdoedi  alte  zeer,  dat  ghi  schimpens 
dus  bestaet  mit  uwen  armen  ondersaet.  IY,1142. 
Ie   bem   die  gone   dies   niet  en   bestaet,  dat  ie 
wille  dat  men  verslaet  goede  riddere  ende  coene, 
Alex.   II,   671.   Hi    hads   bestaen,    die  sere  was 
vroet,   Bijmb.   18637.   Men   bestont    (waagde  hd) 
daer  ende  men  vacht.   Franc.  5829.  Sone  sondic 
niet   durren   bestaen,   durven  wagen,  dat  ie  datf 
over  sonde  gaen.    Wal.  5047.   Daer  ne  was  gheea 
so   stout,    die   hant   ane   mi   bestondt   te   doene, 
5592.  Die  ander  sprac:  ie  wilt  bestaen,  8580. 

9)  Bij  uitbreiding.  Verrichten,  ten  uitvoer  brengen 
uitvoeren,  doen.  ||  Sine  willen  niet  bestaen  enige 
doecht  (eenig  goed  werk  verrichten)  noch  anevaen, 
Lucid.  3876.  Als  si  yet  archs  willen  bestaen, Xip. 
I,  7,  74.  Datmen  met  haesten  bestaet,  siet  men 
dicwile  dat  qualijc  gaet,  Melib.  415.  Wel  soete 
wrene,  nu  moeten  wi  wonder  bestaen,  wondere» 
doen,  ie  ende  ghi,  Segh.  6646.  Al  eest  n  te  doene 
swaer,  het  sal  ymmer  also  sgn  bestaen,  308  var. 
Wildp  voert  aldus  bestaen,  ghi  sout  noch  goei 
ridder  sQn,  1650.  Yoer  mi  heeft  hgt  bestaen, 
9486  var.  (tekst:  ghedaen).  Dat  hi  altehant  be- 
staet, Sp.  11%  28,  64.  Als  si  bestaen  dat  reckt 
(de  gebruiken  opvolgen),  dat  es  dat  sine  dwaen, 
II',  48,  99.  Si  ginc  te  rade  metten  Heren,  vat  si 
haer  rieden  te  bestane,  Stoke  III,  1012.  Goede 
wercken  te  bestaen,  MLoep  17,  955.  —  Boef 
bestaen,  rooven,  plunderen.  \\  Mordenaren ,  die 
roef  bestaen ,  die  lude  wonden  ende  slaen ,  Leti.  N. 
W.  5*,  30.  —  Pine  bestaen,  moeite  doen.  || 
Dat  si  niet  bestaen  de  pine  meerre  broeders  altoos 
te  sine,  Franc.SOdS.  —  Den  dienst,  dat  ambt 
bestaen,  het  waarnemen,  vervullen.  \\  Dat  si 
gel^c  bisscopen  gaen,  alsi  den  dienst  Gods  bestaen 
met  mitren,  met  staven  bede,  Yelth.  I,  18,  49. 
lu  ammet  nu  bestaet  gelgc  of  gi  een  coninc  waerU 
Merl.  10210.  —  Enes  raet  bestaen,  hetselfde 
als  enes  raet  doen,  hem  opvolgen^  ten  mttoer 
brengen.  \\  En  wildi  niet  sgn  bescouden  .  .,  so 
moeti  minen  raet  bestaen ,  Ben.  505.  —  De  onb.  wjs 
als  znw.  gebruikt.  Bezigheid.  \\  Als  hi  dus  in  desen 
bestane  (hiermede  bezig,  dit  doende)  wanderende 
cam  bi  Bevane ,  Franc.  6445.  Alse  hi  was  in  desen 
bestane  (hiermede  bezig  was),  quam  een  ridder  an 


4405 


BEST. 


BEST. 


1106 


hem  geyallen  .  .,  diene  doe  van  achter  bestont 
{aanviel),  Lanc.  II,  26771. 

10)  Opzoeken,  bezoeken,  ergens  heen  gaan;  lat. 
petere.  \\  (Ie)  maecte  mi  dane,  d wilde  Egypten  te 
bestane,  Sp,  III^,  27,  97.  Hier  en  es  so  condich 
noch  Boe  goet,  ie  en  sal  hem  bestaen  doen  syn 
graf,  Troyen  4676. 

11)  Uitstaan,  te  verduren  hehhen,  \\  Den  anxt, 
die  ie  daer  bestoet,  en  leedic  noch  om  gheen  goet, 
Béin,  II,  6503. 

12)  Met  den  4den  nv.  van  een  gestorvene. 
Zijne  uitvaart  vieren,  hetzelfde  als  het  meer  ge- 
wone bega  en  (zie  ald.).  ||  Wümen  den  doden  be- 
staen, soe  moeten  oec  twelef  onser  borgher  met 
hem  eten ,  Stadsr,  v.  Zwolle  108 ,  162.  Als  die  dode 
bestaen  is,  ald,  Alsmendendodeeerdet of bestaet, 

109,  163.  Als  die  dode  gheërdet  of  bestaen  is, 
ald.  164.  Als  men  den  doden  bestaet  in  der  kerken, 
ald.  106.  Als  men  enen  doden  bestaet,  so  en  sal 
men  daer  niet  meer  over  hebben  dan  twee  stal- 
keersen ,  ald.  Yan  offeren  als  men  den  daden  bestaet , 

110,  167. —  De  plaatsen,  waar  het deelw. gebruikt 
is ,  bewezen ,  dat  men  hier  niet  te  doen  heeft  met 
het  WW.  besta  den,  deelw.  bestaet  (zie  ald.), 
waarbij  ook  steeds  de  bepaling  tereerden  ge- 
voegd wordt.  Ygl.  ook  bestandenisse. 

13)  Als  rechtsterm.  Bestaen  zQn.  Met  den  2den 
nv.  der  zaak.  £ig.  tot  iets ,  b.v.  de  betaling  eener  boete, 
gehouden,  verplicht  zijn-,  zie  Ben.  2,  580a;  bg 
nitbr.  in  de  nitdr.  des  gerechtes  bestaen 
snn,  voor  den  rechterstoel  moeten  verschijnen.  \\ 
Wie  jemene  doot,  die  sal  s^n  bestaen  des  gherechts 
jnijn,  Tien  PI.  983. 

III  Onpers.  —  Mi  bestaet  van  %jïQii.,ikheb 
met  iemand  te  maken,  hij  gaat  mij  aan.  \\  Ie  weet 
wel,  dat  hl  mi  niet  gheteme  ende  mi  niet  en  be- 
staet van  heme,  ende  hem  niet  van  mi  te  rechte, 
Flor.  780.  Yan  di  bestaets  (des  overtollig ;vgl.bQ 
AENGAEN  en  afgaen)  mi  clene  no  groot,  qutd 
kaheo  tecum  commune,  Bij mb.  22367.  — Ygl.  ONZ.9). 

Aanh.  —  Bestaen  komt  te  onrechte  voor  op 
de  volgende  plaatsen.  Segh.  4444:  „Al  s^n  mgn 
oren  ofghesleghen ,  dat  bestaet  niet  twint,"  lees: 
dan  (dat  en)  bescaet  mi  twint.  Zie  bescaden. 
—  Wrake  I,  196:  „Doen  hi  sach,  dat  niet  en 
bestoet^''  lees:  bescoot  (: groet).  Zie  b^  bescieten ; 
200  ook  Lsp.  1 ,  23 ,  38 :  „  dat  hem  niet  en  bestoet 
een  haer,"  lees  besloet  of  bescoet;Y&r.bescoet.Yg\. 
BES  LU  TEN.  —  Lonc.  lY,  9729 :  „  In  can  vertellen 
thonderste  deel  vander  feesten  niet  geheel,  alsoe  alse 
dlat^n  besteel,"  lees:  beseeet,  d.  i.  mededeelt.  Zie 
BKSCEDEN.  —  Lanc.  II,  16100:  „  Hets  soe  verloren , 
datmen  gene  dinc  vort  ne  mach  bestaen  van  hem, 
diere  in  gaen  cleine  ocht  groet,"  lees:  verstaen. 

*  BESTAEBLIKE.  Hs.  v.  1423,  208c  {Soec  der 
fFiJsh.  4,  5)  leest  men:  „Bestaerlijcke  scoten  en 
snllen  gheen  hoghe  wortel  gheven  noch  setten 
ghestadighe  vastheit ",  ter  vertfding  van  lat. :  „  adul- 
terinae  plantaiiones."  Men  zal  het  woord  bestaerlike 
wel  op  te  vatten  hebben  als  eene  schrijffout  voor 
bastaertlike,  eene  niet  zeer  gelnkkige,  maar 
denkbare  vertaling  van  het  lat.  woord  adulterinus. 

BESTAKEN,  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  bestaken;  mhd. 
besiêcken,  ofschoon  beide  in  eene  andere  beteekenis. 
Staken,  een  einde  aan  iets  maken.  Ygl.  onze  uitdr. 
een  stokje  ergens  bij  steken.  ||  Dat  hj  te  Delfos 
wilde  varen,  ende  daer  dancken  AppoUyne ,  dat  hy 
had  bestaect  syne  pyne,  TrogenlOl^O.  —  Hetmnl. 
bestecken  heeft  de  intrans.  bet  van  blijven  steken 
(Lexer  1,  226). 

BESTAL.  Zie  bistal.  Hetzelfde  als  b  i  s  t  a  n  t,  hnlp. 


BESTALLEN.  Zie  bestellen. 

BESTAMMET,  bnw.  Slechts  in  de  nitdr.  een 
bestammet  goet,  leengoet  of  hofgoet, 
een  goed,  dat  aan  den  stam  van  den  bezitter  werd 
ver  intocht  geacht.  Zie  Bacer  3,  54  vlg.  ||  Wanneer 
eyn  hofvrye  an  hem  copet  ofte  cryget  eyn  alink 
gans  vrye  gnedt  .  .,  versterve  he  daer  inne  ende 
verervet  dat  alsdan  van  den  enen  hofvryen  op  den 
anderen . . ,  ende  van  den  (dien)  tot  den  derden  .  .  in 
der  selver  echte  (hoorigheid)  wesende  ende  blyvende , 
soe  wort  dat  angekofte  gnedt  voors.  eyn  bestammet 
hofvrye  gnedt,  dat  is  ^  verstane,  dat  tselve  be- 
stammede  gnedt  vry  blyvet,  Bacer  4,  267  vlg.; 
vlg.  3,  54  noot  en  T.  k  Sande,  Consuet.  Feud. 
Tr.  prael. ,c.Jl,%  7:  Op  een  ghekoft dienstman  mach 
ghestammede  leen  niet  erven. 

BESTANDEN,  st.  ww.  onz.  en  bedr.  Oorspron- 
kelijke vorm  van  het  meer  gewone  bestaen  (zie  ald.). 

Onz.  —  1)  Behooren  tot,  bij  (vgl.  bestaen 
onz.  8).  II  Ofiïanden  die  ter  ouder  wet  bestanden , 
mjmb.  6253. 

2)  Verwant  zijn,  in  den  bloede  bestaan  {ald.  14^). 
II  Ie   wil   gaen  soeken  die  mi   bestanden,  Segh, 
798.  Dns  wil  ie  soeken  aventnre  harentare  after 
lande,  tes  ie  vinde  die  mi  bestanden,  1158. 

Bedr.  —  1)  Aanvallen,  oan/^^ffi ,  van  personen 
en  plaatsen  (vffl.  bestaen  bedr.  1).  ||  Soe  sondsi 
.  .  bestanden  die  van  bnten,  Segh.  10338.  Om  te 
bestandene  Anthonia,  R^'mb.  32899.  Doe  ment 
{Goude)  eerst  bestanden  sonde,  Stoke  X,  318. 
—  Ook  in  den  zin  van  aanranden.  \\  Als  si  sach 
haren  man  tkint  bestanden  dat  hi  wan,  Segh.  2257. 

2)  Durven,  wagen  (ald.  8i).  ||  In  dar  bestanden 
jeghen  hem  spreken  gaen ,  ik  durf  het  niet  wagen, 
Limb.  III,  584. 

BESTANDEN,  zw.  ww.  onz.  Mnd.  bestanden. 
Yan  bestant  (zie  ald.).  £en  bestand,  een  wapen- 
stilstand sluiten.  ||  Die  een  van  ons  en  sall  bnten 
den  anderen  nyet  bestanden,  vreden  noch  af- 
zwoenen,  Nyh.  5,  83. 

BESTANDENISSE,  znw.  vr.  Yan  *M^a«»  in  den 
zin  van  de  uitvaart  vieren  (bedr.  12).  Hetzelfde  als 
het  meer  gewone  begankenisse  (zie  ald.  2^).  Plechtige 
uitvaart,  lijkdienst.  Hs.  71  staat  als  opschrift 
boven  Joh.  11  (de  opwekking  van  Lazams):  {Te 
lezen)  op  bestandenisse  ende  op  jaertide. 

BESTANDICHEIT.  Zie  bistandicheit. 

BESTANT,  znw.  o.  Mnd.  bestant-,  mhA.  bestant, 
bestands.  Yan  bestaen,  in  den  zin  van  blijven  staan 
(onz.  1).  Het  op  zijne  plaats  blijven,  het  zich  van 
vijandelijkheden  onthouden,  wapenstilstand.Ygl.  „het 
twaalfjarig  b e  s  ta n  d."  ||  Alst  was  bnten  bestande 
reisde  ele  op  anderen,  Orimb.  I,  2865.  Lnden, die 
hoir  goed  ghenomen  ward  binnen  dien  bestande. 
Mieris  2,  208a.  Yerde,  bestand  ende  seker  tgt, 
es  van  twiste  een  overl^t,  Denkm.  3,  5,  107.  Zy 
bat  den  coninek  om  bestant  een  deel  daghen  eermen 
weder  vechten  sonde.  Die  coninek  antwoerde :  „  lek 
en  wil  n  niet  een  nre  bestants  gheven ,  Oest.  B.  c. 
173.  Zie  verder  O  VI.  Lied.  e.  Ged.  342,  801;  VI. 
Bijmk.  4826,  6766,  7789,  8834 ,  10013 ;  Dwiwi.  3, 
138,  206;  MLoep  I,  2230;  Oorl.  v.  Mbr.  52;  Bek. 
d.Cam.3,50.  —  Het  in  een  bestant  legghen, 
een  bestand,  wapenstilstand  sluiten.  \\  Het  es  in  een 
bestant  gheleit  {var.  het  es  eenen  vrede  gheset)  tote 
sondaghe  dat  ondergaet  de  zonne,  Denkm.  3, 135, 122. 

BESTABFTE.  Zie  besterfte. 

BESTABCHEIT,  znw.  vr.  Hetzelfde  als  starcheit. 
Sterkte,  kracht.  \\  Bestarcheit  ende  schoenheit  is 
haer  cledinghe ,  D.  B.  Proverb.  31 ,  25  QAÏ.forütudo 
et  decor. 


1107 


BEST. 


BEST. 


BESTE,  snw.  yr.  Andere  schryfwijze Toor  i^^f ^ 
Oat.  hêttia,  ofr.  bette).  Vod.  Mue.  1,  73,  26; 
Oarl.  V,  Albr,  69;  Nat.  BI,  XII,  1348;  e.  e. 

BESTE.  Zie  best. 
*  BESTEDE  (besteede).  Verkeerde  leaing  voor 
besechede,  Vi.  Bijmk. 3005 :  „daer naer  berechte 
hi  andre  besteede  ;^*  weet  hij  andere  zaken  uit,  Vgl. 
Y8.  3003:  besoengen^  waar  de  tekst  te  onrechte 
hestringnen  heeft.   Zie   besechede  en  besoenoe. 

BESTEDEN ,  zw.  ww.  bedr.  en  wederk.  (impf. 
betteedde  en  bettêidde,  deelw.  betteet  en  betteif), 
Mnd.  besteden;  mhd.  bettaten,  Tan  ttede  (zieald.). 
Vgl.  bestaden. 

Bedr.  1)  Plaatten,  aan  iett  QÏ  iemand  zijne  plaatt 
aannnjzen.  ||  Het  wert  ten  joncsten  daghe  claer ,  daer 
di  God  sal  besteden  met  sinen  lieven  leden,  Wap, 
Mart,  I,  856.  Rogier,  Gods  outfaermicheit  moet 
Jacoppe  hebben  bestelt,  daer  ie  gherne  qaame, 
Wap.  Rog,  53.  —  Fignnrlgk.  In  enes  herte 
beste det  sQn,  in  iemandt kart gep/^attt , geplant , 
gegrondvett  zijn,  ||  Si  es  coninghinne  in  mire  herten 
gront,  daer  si  es  bestedet  inne  nn  ende  oec  taller 
stont,  on.  Lied.  11. 

2)  Wegbergen,  vegtluiten,  aan  iett  eene  veilige 
plaatt  geven,  het  bewaren.  ||  Die  tsmeets  hamer 
wille  besteden ,  salne  {den  tmid)  doen  van  smedene 
yreden,  Wap,  Rog.  826.  Laden  omme  tghescot  in 
te  bestedene,  Invent.  v.  Brugge  4,  95.  Jnstiniaen 
besteidde  dat  algader  bin  sire  kemenaden  ,  Flandr. 
1 ,  219.  In  die  kerke  hyt  (dat  vingerlijn)  doe  brochte, 
of  hij  t  ieweren  besteden  {var.  bestaden)  conde,  Sp.V, 
61 ,  12.  Dat  menre  in  {in  den  koffer)  so  mochta 
besteden  die  jnwele  van  sconincs  croene,  11^ ,  6,  79. 
Dese  dinghen  besteedt  {mettet  en  tauf)  in  uwe 
kiste  of  in  nwe  scrine  ende  uwe  andre  jnweelen 
legt  in  n  fortsier,  lAvre  d.  Mett,  5.  Dat  hem  over 
blijft,  dat  besteet  hi  in  een  heymelike  stat,  daer 
hijt  vinden  mach  als  hi  hongher  heeft,  Barthol. 
744tf.  Want  ghijt  {het  tacrament)  met  eren  weet 
te  besteden  nae  syn  weerde,  Sacr.  211.  Hi  be- 
steedde die  wapine  ende  hevet  saen  tpaert  npten 
stalle  ghedaen.  Wal.  3005.  Die  vos  bestedet  {het 
zwaard),  5173.  (Hi)  beval  den  andren  ter  vaert, 
dat  elkerlijc  bestede  syn  swaert,  7575.  Neemt  eke 
noten  .  .  ende  legse  in  asiin  .  .,  daerna  drogese 
.  .  ende  besteetse,  Lanfr.  106r.  Ziele,  nu  hebstu 
vele  goets  besteet,  opgelegd,  weggeborgen,  vergaderd, 
jeghen  vele  jare,  Ht.  v,  1348,  158a  {Luc.  12, 19). 
Zie  nog  Cout.  v,  Brugge  1,  385.  —  Te  be- 
stedene geven,  in  bewaring  geven.  \\  Syn  aecz, 
die  hi  syns  sculdenaren  wyf  ghegheven  hadde  te 
bestedene,  OFl.  Ged.  2,  323.  De  prinche  vraghde 
den  werdt,  oft  de  mdders  hem  niet  en  gaven  te 
bestedene,  Cron.  v.  Vlaend.  1,  41.  So  souden  sy 
dat  ghelt  .  .  der  wairdinnen  geven  te  besteden, 
Matth.  101.  (Si)  gaven  der  vrouwen  tghelt  te  be- 
steden, ald,  —  Tautologisch  is  de  uitdr.  be- 
steden te  bewaren,  aan  een  ander  ter  bewaring 
toevertrouwen.  ||  Ist  goet,  dat  men  mach  driven 
of  draghen  .  .,  die  rechter  sal  dat  goet  besteden 
te  bewaren,  86,  ald.  Men  moet  dat  goet  besteden 
te  bewaren,  als  voirs.  is,  88. 

3)  In  zijn  gemoed  wegleggen,  ter  harte  nemen, 
beoefenen.  ||  Mensche,  hen  {de  gebod-en)  sAsohesiee, 
alsoe  se  God  ghegheven  heeft,  Tien  PI.  2476. 
Van  den  ghenen,  die  vroescap  hebben  leit,dieno 
doghet  no  redene  int  herte  en  roeken  te  bestedene, 
Etop.  I,  15. 

4)  Met  toevoeging  van  ter  erden.  lemandt  ttoffe- 
lijk  overtchot  wegbergen ,  bijzetten ,  ter  aarde  bettellen. 

II  Die  Joden  en  sal  nieman  ter  erde  besteden  dan , 


Wrake  U,  956.  Dat  die  Ttn  binaei  eeriih  m 
Cjpre  den  coninc  rike  ter  erden  besteden  hia 
Limb.  IX,  879.  Vgl.  bestaden,  en  M-  *it/*aai 

5)  Plaatten,  van  de  hand  doen,  Pcri0qpA.|!te 
alle  coepliede  .  .  sekerlec  selen  gaen  ende  kem 
ende  haer  comescap  {d.  t.  comenicapjbeitadaKv 
de   Mase    ende  op  desside,  Brak.  f.  TI,  KiSI 

6)  Geven,  wegtehenken,  Toomameljk  net  k 
obj.  h  e rt  e.  ||  In  mochtae  {mijn  hart)  niver bestek 
bet,  dan  daer  icse  hebbe  geset,  Lêm.  IT,  ^ 
Myn  hertze  heeft  mi  ontstreden  ene  die  uéÉt 
creature.  Ie  wil  (/.  wilt)  au  nienen  el  boteéa, 
OFl.  Lied,  e,  Ged,  67,  14. 

7)  Bene  woonplaatt  aanwijsen  otmiemMtiyimi 
aan  een  minderjarige ,  een  kind  ter  versoryi»§  kt- 
vertrouwen.  \\  Dit  kint  sullen  wi  besteden,  %i 
295  en  305.  Dat  hi  (dat  kind)  .  .  bestedet  etifle 
man,  diet  ophielde  tot  sinen  jaren,Jlf£0^  1,193$ 

S)  UUhuweUjken,  meestal  met  bgvoefiafm 
te  nuwelike.  ||  Oec  so  en  conde hertog)ie Jat- 
zjn  kinderen  nergens  eerlic  te  huwelic  besteda, 
Exe.  Cron.  ISbd. 

9)  Iet   — ,   iett   betteden,  plaatten,  ee%[^ 
gebruik  van  iett  maken ,  {iemand)  iett  tekente»  »b  «w 
guntt.  II  Een  monech  oec  . .  quam  op  een  merie  ^ 
reden.  Hort  hoe  hise  nn  sal  besteden :  enei  cnapc  ha 
hisegaf,  Velth.  IV,  33,  52.  Men  gaf  den lieik|«8 
man  goets  genouch,  want  eiken  dochte,  ditisi 
niet  bet  besteden  mochte,  1^.  111%  60,70.Setki 
ter  taflen  ende  doeten  eten;  ghine  connesno^ 
{aan  niemand)  bat  besteden ,  want  hi  es  n  niat 
ter  noet,  Belg.  Mut,  10,  82,  200.  —  Ook  ia  fei 
pass.    met   eene    bep.   met   a  n  e.    Iett  it  wel  ta 
iemand   betteed,   h\j  it   het  waardig,  kif  hitfte 
recht  op.  ||  Al  waert  van  claren  woekemittei  f 
souden    den   volke  wel  bedieden ,   dat  wel  bestifi 
ware   an    henlieden  {dtU  dat  geld  man  gtm  ma- 
diger  per  tonen  kon  getchonken  worden),  ende  gb«Ta 
hen  paerdoen ,  Fraet   2027.   Omme  te  deelie  ok 
te    ghevene   den    armen   daert   an    besteet  wm 
omme   de   minne  van  Gode,  Invent.  v.  Bruffei, 
346.   Omme  . . .  provenden  te   gheven  daert  ke* 
lieden    bestelt    (d.    i.   goed  betteed;   zie  b|  ^^ 
staden,  9)  zal  (dinken?)  wesen,  4,36.  — ffieilK 
behoort  ook  Wap,  Bog.  1342.  ||Mgn  zinbibiven 
wel    bestelt,   mijne  bedoeling  valt  bij  •  iafodt 
aarde,  it  bif  u  op  hare  pUuitt,  wordt  goei  begrrfe^ 

10)  Verrichten,  doen.  \\  Merct  an  hu  selTciallc 
die  leden,  ende  besied  den  dienst,  die  si  besteda. 
Amand  I,  4576. 

11)  Janbetteden,  uitbetteden.  |j  Omme  te  b^ 
stedene  de  brexemen  die  tebroken  waren  is  ^ 
dyke,  Invent.  v.  Brugge  5,  356.  Dat  besteidt  f»s 
een  ghedelf,  451.  iSin  zelt  die  rechter  besteda 
te  diepen  off  in  te  halen,  O.  K.  v.  Roit.  51,1^ 
Daer  tejnden  macht  {het  tUk)  die  rechter  bestedei 
off  te  doen  op  der  gheenre  cost ,  die  tgoet  hv 
is,  O.  r.  V.  Bott.  61,  175;  vgl.  174.  Soo  f« 
schouwe  beschouwet  wert  ter  deraer  schonire  eii< 
bestedet,  O,  K.  v.  Enkh.  27,  136.  So  sal  ^»{if 
krengen)  besteden  wech  te  doen  op  des  ^bcao 
cost,  djese  toebehoirde,  K.  v.  Brielle  134,  4.  & 
nog  O.  K.  V.  Delft  I,  30  (tweemaal);  Leid^  te^ 
Gloss.,  en  vgl.  bestaden. 

12)  Bettellen,  laten  gereedmaken,  ||  Doe  hi  di^ 
bier  dair  bestede.  Bek,  d.  Gr.  2,  409.  Doê  b« 
dat  bier  bestede  te  brouwen  tot  Alcmaer,  531 

Aanm.  —  Besteden,  Sp.  III*,  21, 65:, Doe* 
en  consten  si  niet  met  vreden  tlant  besitten  wad 
besteden ,"  verandere  men  in  besceden,  d.* 
ordenen,  regelen,  betturen.  Zie  besceiden  7). 


.2:^ 


1109 


BEST. 


BEST. 


1110 


Wedérk.  —  Hem  besteden,  ziek  verhwrmy 
van  dienstboden  enz.  Ëig.  snch  plaatsen^  zieA  eenê 
betrekking  {plaats^  bd.  eine  stelle)  verschaf  en,  Ygl. 
BESTEBTSTER.  ||  Soe  we  sich  bestedet  in  enen 
dienst  bynnen  Groninghen,  de  sal  den  dienst 
holden,  Stadb,  v.  Oron.  YIII,  39  (van  de  sieh 
bestedet  toe  dienste),  Wair  enicb  wyester  off  ofsteker , 
die  hem  besceden  (/.  besteden)  te  werken  daer  sj 
niet  en  qnamen,  R,  v,  Vtr,  1,  242,  11.  Hem 
besteden  met  enen,  giek  hij  iemand  verhuren^ 
Oeat.  Bom,  f.  lOt?. 

BESTEDIGEN  (ook  in  den  samengetrokken 
Torm  bestegen) ,  zw.  ww.  bedr.  Hnd.  bestedigen ; 
mbd.  bestatigen.  Bevestigen,  bekrachtigen,  Ygl. 
BESTADIOEN.  ||  Yortmee  bestege  vir  yronwe  van 
fichonecke  mit  desen  brieve  alsnlge  brieve  ind 
Torworden  enz.,  Nijb.  2,  60.  Dat  wi  onser  liever 
stat  .  .  van  Arnhem  .  .  bestedigen,  vesten  ende 
genseliken  conflrmiren   alle  haere  .  .  privilegiën, 

3 ,  5.  (Dat  wij)  geconfirmiert  ende  bestedicht  hebben, 
confirmieren  ende  bestedigen  .  .  alle  privilegiën, 

4,  4.  Zoo  ook  5,  95^.  Om  hem  .  .  inder  recht- 
▼aerdicheyt  te  bestedighen ,  Boee  v.  d,  L,  J.  22a.  Dat 
hi  verworve  aen  den  paeus  .  .,  dat  hi  dat  voer- 
ghenoemde  spetael  bestegede,  J).  Orde  209.  Be- 
stedighen mit  hantvesten  end  mit  privilegiën,  zo 
wat  hem  in  gheesteliker  gaven  van  goeden  laden 
ghegheven  wert,  210.  Dese  .  .  oerden  .  .  hebben 
.  .  menigherhande  pawese  .  .  verlucht  ende  be- 
stedighet  mit  menigherhande  vriheit  ende  privi- 
legiën ,  212.  Dat  hi  dese  ghezette  vastelike  houde 
ende  hise  mit  zinen  inghezegele  ewelike  be- 
stedighe,  313. 

BE8TEDIGINGE ,  znw.  vr.  Bevestiging,  ver- 
sterking, bekrachtiging.  ||  Utercorenheit  dats  also 
vele  alse  ene  bestediginge  der  ercorenheit,  Limb, 
S&rm*  Xoc, 

BESTEDINGE,  znw.  vr.  Aanbesteding.  Nog  in 
gebmik.  ||  Yan  den  voors.  ghedelve ,  twelke  anghe- 
nomen  was  by  diversche  persoonen  in  24  be- 
atedingben,  Invent.  v.  Brugge  6,  451. 

BESTEETSTEB.  Zie  het  volg.  Art. 

BESTEETSTERIGGE ,  znw.  vr.  W.-Ylaamsche 
vorm  van  besteetster.  Ygl.  -ege.  Besteedster, 
zij  die  dienstboden  plaatst,  htm  eene  betrekking 
bezorgt.  \\  Roberte  die  besteetsteriggbe  verhnert 
joncwiven  ende  knapen  ende  menighe  voestre  int 
jaer,  Livre  d.  Mest.  38. 

BESTEGEN.  Zie  bestedigen. 
*  BESTEIDELIKE,   verkeerde   lezing  voor   be- 
Bceidelike,  Brab.   T,,  dl.  2,  bl.  641.  Zie  ald. 
bgw.  4). 

BESTEKEN,  st.  ww.  bedr.  en  onpers.  Mnd. 
heeteken;  mhd.  besteeken,  hoewel  in  andere  be- 
ieekenissen.  Yan  steken  (zie  ald.). 

Bedr.   —    1)   Met  een  scherp  werktuig,  steken, 
aantasten,   en  in  het  alg.  aanranden,  aanvallen.  \\ 
Die  papen  connen  vele  beraet;  ie  besteecse  harde 
node,  Sein.  1,  1196. 

Aanm.  —  Besteken:  reeken,  Orimb.  II, 
112  vlg. ,  moet  veranderd  worden  in  besoekeni 
roeken',  zie  Tijdsehr.  1,  133. 

2)  Met  den  4den  nv.  der  zaak.  Iemand  iets  inblazen , 
tem.  door  listige  woorden,  heimelijk  voor  iets  winnen. 
Ygl.  het  lat.  insinuare,  instigare,  en  onze  nitdr. 
i^m,  iets  insteken.  ||  Die  Geldersce  .  .  .  hebben 
vernomen  dese  saken;  aen  eneghe  dat  sQt  soe  be- 
staken .  .  .,  ende  die  brachtent  soe  verre  vort.., 
dat  qnam  tot  eenre  dachvaert,  ^ra^.  T.  YI,  11026. 

3)  Bezetten,  opvullen,  voorzien.  ||  Twee  hoofden 
ghemaect  an  twee  polderkins  .  .  ende  die  te  be- 


stekene ende  te  crammen  met  stroo  orame  de  be- 
hondenesse  van  den  dycke ,  Invent.  v.  Brugge  5 ,  356. 

Onpers.  ~  Het  besteect  mi,  eig.  het  prik- 
kelt mij  aan  (vgl.  het  pikeert  mij),  d.  i.  ik  heb  zin, 
lust  in  iets ;  ik  voel  mij  tot  iets  aangeprikkeld.  \\  Zeder 
heeft  gheweest  z^n  zede,  dat  hi  die  zonden  wrac, 
nn  hier,  nn  daer,  alst  hem  bestac,  X«jd.  1 ,  30 ,  28. 
Selc  kejser  oec,  alst  hem  bestac,  den  pans  ate 
sinen  stoele  stac,  II,  60,  87.  Bestaect  mi ,  ie  sondi 
te  handen  hier  beten  doen  met  groten  scanden, 
Lanc.  III,  14835.  Aldns  voer  te  meneger  stont 
die  hertoge  Jan  van  Brabant  in  sire  viande  lant, 
alst  hem  bestac,  met  overmoede,  Heeln  2087  (de 
verklaring  van  Willems  aan  den  voet  der  bladz. 
is  onjuist).  —  Ygl.  besteken. 

BESTEL,  znw.  o.  Eig.  stam  van  bestellen  (zie 
ald.).  Gedrag ,  karakter.  Ygl.  hem  bestellenl). 
Tegen  iemand  die  zich  boos  maakt,  zegt  een 
eremiet;  |)  Kint,  blijf  te  vreden  {kaVuC),  dat  radic 
wel ;  de  pais  Gods  zi  in  dgn  bestel ,  rust  en  kalmte 
moeten  in  uw  karakter  zijn,  in  uw  karakter  merk- 
baar wezen,  OVl.  Lied.  e.  O.  608,  469.  Ygl.  het 
tgw.  gestel,  dat  echter  voornamelijk  van  het  lichaam 
gezegd  wordt. 

BESTELEN,  st.  ww.  bedr.  Yan *Ap/^ (zie ald.). 

1)  Stelen,  ontstelen;  ook  met  den  3den  nv.  van 
den  pers.  ||  Coninc,  die  scat  was  bestolen :  ne  waer 
hi   ooc   ghestolen   niet,   daer   ware   die   mort  bi 

Shesciet  ane  n  lijf,  Sein.  I,  2162.  Numerketdes, 
at  het  (het  bokje)  niet  bestolen  es ,  Sijmb.  15333.  — 
Dat  hi  (Jezus)  hare  bestolen  ware,  26780.  Alse 
hi  dns  wast  verraden ,  wart  hi  (de  steen)  hem  des 
nachts  bestolen,  Sp.  l" ,  56,  28.  Dat  hi  (Jezus) 
hem  bestolen  ware,  I^ ,  96,  62.  Hi  es  ons  be- 
stolen nachts  bider  apostelen  laghen,  I^ ,  96,  52. 
Dat  soe  (Blansefher)  mi  wort  bestolen,  Flor.2S16 
var.  (in  D.  War.  1,  608,  307).  Yan  eenen  .  .  . 
selverne  nappen  die  bestolen  was.  Bek,  v.  Zeel. 2, 
217.  Yan  Symon  ...  die  scaep  bestolen  haddenp 
die  heemisse  in  Malland,  ald.  270.  —  Enen  dat 
lijf  bestelen,  iemand,  op  eene  listige  wijze  van  het 
leven  berooven.  ||  Wie  hem  tiyf  hadde  bestolen, 
Sp.  I«,  29,  64. 

2)  Wegstoppen,  verbergen.  \\  Die  hadde  heymelike 
bestolen  hondert  propheten  in  twee  holen,  Bijmb. 
12613.  Soe  {de  kat)  bi  nachte  in  donkeren  holen 
vint  mnse,  die  hare  sijn  bestolen,  die  zich  voor 
haar  verborgen  hebben,  Nat.  Bl.  II,  2849  (var. 
verstolen,  bescolen). 

BESTELGELT  (bestellegelt),  znw.  o.  Yan 
bestellen  9).  Zie  ald.  Het  geld,  dat  men  den  ge- 
rechtsdienaar (bode)  betaalt  voor  het  arresteeren  van 
iemand  of  iets.  Ygl.  het  mhd.  bestelle-tac.  \\  Die . . . 
den  6d.  i.  van  den)  bode  had  begeert  eenen  man  te 
bestellen  tot  sjnre  behoef  ende  boet  hem  syn  be- 
stellegelt, Matth.  192. 

BESTELIEE.  Zie  beestelike. 

BESTELLEN  (bestallen,  bestillen),  zw. 
WW.  bedr.  en  wederk.  (praet.  bestelde,  enbestalde; 
deelw.  bestellet,  bestallet,  bestelt  en  bestalt).  Mnd. 
bestellen;  mhd.  bestellen,  Yan  stellen  (zie  ald.). 

Bedr.  —  1)  Bezetten,  vooral  met  gewapenden. 

a)  Van  bezetting  voorzien.  ||  Alsnlke  hayse,  sloete 
ende  vesten,  alse  wi  .  .  .  bestalt  ende  beseten 
hadden ,  ontsetten ,  Nijh.  2 ,  116.  —  Yandaar  bestalt- 
brief  in  de  noot  3 ,  aid. 

b)  Belegeren,  insluiten,  ||  Weer  oeck ,  dat ennich 
van  ons  sijn  slot  offte  stat  bestallet,  belegen  off 
betymmert  worde,  III,  869.  Oft  gevyel,  dat  die 
eertzbisscop  ...  off  die  syne  .  .  .  der  stede  .  .  . 
een  off  meer  bestalden,   lY,  206.  Also  .  .  .  her 


1114 


BEST. 


BE§T. 


1H2 


Wilhem  .  .  .  ind  die  stad  Arnhem  .  .  .  eyne  wiele 
tijtz  .  .  .  sweerlicken  mit  heerkracht  belacht  ind 
befitallet  (is),  Y,  89.  (Si)  hadden  die  stat  al  om 
ende  omme  bestelt  mit  ongetalliken  wapentaers, 
Matth.  Jnal.  3 ,  174.  Hi  bestalde  ende  wan  Merode, 
Gelre,  Wapenb.  103.  Dair  na  .  .  .  bestalde  hi  ende 
belach  een  sloot  hiet  Hamersbach ,  104.  Die  Grave 
.  .  .  besat  ende  bestellede  dat  .  .  .  casteel  omtrent 
een  jaer  lanck,  Matth.  Jnal.  181.  Zoo  ook  176, 
323, 328, 386.  (Si)  togen  rechtevoert  voir  Amersforde 
ende  bestelden  dat  alomme,  Clerc  119.  —  Zoo  leze 
men  ook  de ,  Ondem.  1 ,  558,  op  bescallen  aangeh. 
plaats,  voor  bes  cal  de. 

2)  Bezetten y  vervullen  ^  betrekken.  \\  Ie  bidde  n, 
wilt  ghi  desen  nacht  die  wake  bestellen,  Exc, 
Cron.  243^. 

3)  Orde  stellen  op ,  in  orde  brengen ,  inrichten.  ||  So 
eerliic  besteldi  sconinx  dinc,  dat  (/.  dats)  hem 
belove  (/.  belovede)  die  coninc,  Limb.  V,  1747.  Hi 
.  .  .  voorsach  al  ...  die  ghebrekenessen  van  der 
stede,  ende  besteldet  al  in  suiker wyse , dat menne 
met  rechte  wel  mach  prisen,  Amand  II,  301. 

4)  Besturen^  beheer  en.  \\  Datmen  bestelle  alsoe 
sheren  renten,  dat  hi  ghedoe  eerlij c  na  sinen  staet. 
Lep.  III,   13,   61   var.   {de  tekst  heeft  bestimme). 

5)  Ook  met  den  4den  nv.  y.  d.  pers.  Besturen  ^ 
leiden  y  onderrichten.  \\  Die  coninc  van  Yranckeryke 
was  te  Pevele  eenpaerlike  ende  halp  bestellen 
tfolc  aldaer,  Amand  II,  2775. 

6)  Voor  iets  zorgen  ^  moeite  doen^  zich  op  iets 
toeleggen.  Ygl.  ons  bestellen  (b.v.  in:  zoo  heb  ik 
het  besteld)^  en  ons  znw.  bestel^  d.  i.  zorg^  bezorging  ^ 
bestuur.  II  Yort  sal  sy  .  .  .  mit  emste  bestellen, 
dat  .  .  die  ghene ,  die  joncfron  Aliden  van  Poel- 
gheest  ende  Willem  Cnser  bi  nachte  doot  sloeghen, . . 
aengetast  worden  ende  gehouden,  Brab.  Y.  Dl.  2, 
bl.  683.  Desgeliken  sal  hy  .  .  mit  ernst  bestellen , 
dat  Jan  vander  Maelstede  .  .  ende  anderen  .  . 
sullen  mit  horen  live  ende  goede  aengetast  worden 
ende  gehouden,  ald. 

1)  In  een  zekeren  toestand  brengen  ^behandelen.  \\ 
Wy  suUense  {de  Christenen)  bestellen  nae  haer 
recht,  behandelen  zoo  als  zij  verdienen^  Sacr.  675. 
—  Yandaar  het  deelw.  bestelt  in  de  bet.  in  een 
zekeren  toestand  ver  keer  ende.  —  a)  Van  het  lichaam , 
vooral  in  ongunstigen  zin.  Slecht  er  aan  toe  ^  in  een 
slechten  toestand ^  ongelukkig  ^  rampzalig.  \\  Wistijt, 
hoe  si  sijn  bestelt,  dien  (d.  i.  die  en)  hebben  no 
cleder  no  pant  no  geit,  ende  altoes  thuus  een 
quaet  wyf  vinden,  3  Vag.  H.  67.  —  b)  Yan  de 
ziel.  Gestemd^  gehumeurd.  \\  In  hoerde  noit  van 
quaden  wive,  die  noit  aldus  wel  was  bestelt,  306. 
Ghevader,  hoe  sidi  dus  bestelt?  Hoe  hebdiusel ven 
dus  vercocht,  364. 

8)  Besteden.  \\  Omme  te  wetene,  wie  men  de 
voers.  aelmoessene  gheeft  ende  bestelt ,  Cannaert  92. 

—  Als  rechtsterm. 

9)  Met  den  4den  nv.  van  den  pers.  Beslag 
leggen  op^  arresteeren.  \\  Buten  redenen  ende 
buten  besceede  beleed  ende  best^Uet,  Invent.  v. 
Brugge  2,  469.  Dat  recht  van  daghen  ende  be- 
stellen, Matth.  85.  Dat  hy  van  den  clagher  aldair 
ghedaecht  of  bestelt  was,  149.  Enen  man  te 
bestellen,  192.  Zoo  ook  82,  58,  86  vlgg.  passim ^ 
184,  enz.  So  mach  een  poorter  enen  gast  van 
buten  .  .  .  becommeren  ende  bestellen  bynnen 
der  vryheit  van  onser  stede  .  .  voir  pennincscult 
of  anderen  schade,  die  hi  np  him  te  daghen 
hadde,  Oorl.  v.  Albr.  315.  Zoo  ook  K.  v.  Brielle 
10,  7;  11,  11;  55,  6;  70,  3. 

10)  Met  den  4den  nv.  der  zaak.  Beslag  leggen 


op.  II  Elc  mach  voer  zyn  hnyshnyer  in  zijn  hnjs 
bestellen  sulc  goet  als  hi  daer  in  vint,  mittei 
bode ,  O.  K.  v.  Bott.  29 ,  79.  Yan  zulken  schiepei 
ende  goeden ,  als  tot  Campen  ende  anderswair  indeü 
gestichte  bestellet  hebben  geweest,  Oorl.  v.  Alhr. 
359.  Scepe  ende  goede  te  bestellen  ende  te  besetten, 
501.  Zoo  ook  K.  V.  Brielle  11,  11;  55, 6;  147 ü. 
Bestelde  goeden,  Matth.  90.  Yoort  soe  bestellen 
ende  bezetten  die  schout  ende  goede  Inyden  .  . 
alle  alsulck  verdient  loen ,  als  enige  boden  verdient 
hebben,  totter  tijt  toe,  dat  sy  huer  hooftgelt  be- 
taelt  sullen  hebben,  O.  R.  v.  Dordr.  1,  332,  141. 
Wederk.  —  Hem  bestellen. 

1)  Zich  gedragen  j  zich  houden ,  zich  aanstellen.  \\ 
Ie  wil  noch  eens  blasen  minen  horen  ende  besiea, 
hoe  si  haer  bestellen  sal,  Lansl.  {H)  366.  Want  ie 
hebbe   noch   meer   ghesellen,    die  hen  selve  also 
bestellen.  Spreuken  in  Anz.  5,  342. 

2)  Zich   gereed  maken ,    in   staai  van  tegenweer 
brengen.  Ygl.  HEM  BESETTEN  en  hem  besaten.  |1 
Wi  selen  jeghen   there  uuttrecken  ende  ons  be- 
stillen  ( :  willen) ,  lAmb.  XII ,  130. 

3)  Zich  begeven  in  iets.  \\  Die  in  hilic  hem  be- 
stellen, Hild.  155,  203  var.  Want  si  in  onrust 
hem  bestellen  sonder  noot  mit  vryen  wille,  170, 
36.  —  Ook  in  den  fig.  zin  van  zich  in  iets  verpen^ 
zich  met  iets  bezig  houden,  afgeven;  in  iets  op- 
gaan, II  Die  hem  in  zonden  laet  versmoren,  waer- 
hede  ne  kenne  no  wille  horen,  ende  (ni.  hem)  u 
dese  werelt  so  bestellen ,  si  moeten  ewelike  quellen, 
XII  Art.  d.  O.  57  (in  Anz.  4,  70).  Si  doen  oec 
ledighe  traghe  ghesellen  hem  an  quade  wive  be- 
stellen, N.  Doet.  937. 

BESTELLINGE ,  znw.  vr.  Mnd.  bestelUnge;  mhd. 
bestellunge.YAn  bestellen,  9);  zie  ald.  Arrest,  beslag.  |] 
Die  daghinghe  of  bestellinghe  sal  die  bode  doen  van 
sHeren  weghe,  Matth.  85.  Of  een  poirter  die 
bestellinghe  ghedaen  had,  so  sal  hyt  den  rechter 
of  bode  segghen ,  86.  Zie  verder  ald.  passim  en  138. 

BESTEM,  znw.  o.  Yan  bestemmen  (aie  ali). 
Datgene,  wat  men  bepaalt,  goedvindt \  goedvinden, 
wil.  II  Hi  gafse  in  Lots  handen  benaet  (/.  bevaet, 
zie  bevaten),  mede  te  doene  na  sijn  bestem, 
Taf.  Lev.  Jez.  II,  3  (=  Belg.  Mus.  3,  280). 

*  BESTEMDE.  Yerkeerde  lezing  voor  bestede, 
d.  i.  geregen  {nl.  mouwen).  Mieris  2,  3414.  Zie 
op  besten. 

BESTEMMEN  (bestimmen)  ,  zw.  ww.  bedr.  Mnd. 
bestemmen;  mhd.  bestimmen. 

1)  Aan  iets,  vooral  aan  geld  eene  zekere  be- 
stemming geven ,  het  voor  een  bepaald  doel  gebrmie» 
of  besteden.  \\  Nemt  tswinsich  {d.  i.  twintich)  grote 
unde  bestemse  wael  in  zeevissche  {et  les  empkiez 
bien),  Hor.  Belg.  9 ,  78.  De  welke  vyftech  ponden . . 
men  bestemmen  sal  bi  den  rade  van . .  den  voeckt, 
Cout.  V.  Oent  527. 

2)  Tot  zijne  bestemming,  ter  bestraider  plaalss 
brengen.  \\  Op  die  selve  tyt  reet  Symon  .  .  tot 
Egmonde  .  .,  om  tbier  te  bestemmen,  dat  in  der 
plaiten  ghebroken  was,  Oorl.  v.  Albr.  111.  Om 
mijns  heren  pairde  te  bestemmen,  325. 

3)  Figuurlijk.  Tot  zijne  bestemming  brengen, oen 
zijn  doel  doen  beantwoorden,  leiden,  richten.  \\Uff^ 
dat  wise  {de  zielen)  bestemmen  moghen,  dat  si 
Gode  moghen  doghen,  Doet.  III,  783. 

4)  Besturen,  beheer  en,  van  goed.  {|  (Dat  ghi) 
uwes  Heren  goet  also  bestemt,  dat  ghi  van  Hem 
niet  en  wert  ghewent.  Wrake  III,  79.  (Hi)  s»l 
bestemmen  ende  beleiden  sgn  goet  ter  bester 
baten ,  Xj?>.  lU ,  9 ,  30  ( =  Hild.  97 ,  30).  Als 
een  drossate  .  .,  die  bestimt  sijns  heren  goetiaae 


4113 


BEST, 


BEST. 


1414 


tgoet  en  heeft  niet  die  drossate,  maer  hi  be- 
stimmet  ter  meester  bate,  DocL  II,  8416. Datmen 
bestimme  alsoe  sheren  renten ,  dat  hi  gbedoe  eerlijc 
na  sinen  staet,  L^.  III,  13,  61. 

BESTEN,  zw.  WW.  bedr.  Mhd.  be*ten\  nrnd. 
basten;  vgl.  bestinge  (LtLbben  1 ,  290).  Ohd.  6^«^an ; 
hd.  beiteln.  Kil.  63:  besten,  leviter  eofuuere, 
Yan  bastj  d.  Lband;  zie  ald.  en  vgl.  driegen  ,  en 

OPBESTEN   en  ONTBESTEN. 

1)  Bijgen ,  toerijgen ,  met  groote  steken  vastmaken ; 
in  het  mnl.  bijna  nitslnitend  gebroikt  met  het 
obj.  mouw  e,  de  mouw  over  de  hand  dichtrijgen ^ 
hetgeen  dikw^ls  met  gouddraad  geschiedde;  zie 
Weinhold ,  Die  Deutschen  Frauen  442  vlg.  ||  Doe 
Tessemdic  die  naelde  saen,  ende  bem  das  nter 
stat  gegaen  allene ,  bestende  mine  moawen ,  Bose  87 
(rgl.  de  aant.,  en  ys.  542—545).  Mer  ghy, 
Troyesche  baroen ,  ghj  cleet  n  mit  singlatoen  ver- 
weendelike  als  een  wijf;  mit  weelden  leid  ghy  ul^  f; 
uwe  moawen  condy  naawe  besten  ende  a  hoaden  byn- 
nen  Tosten ,  dansen  ende  joye  maken ,  Tragen  f.  267(;. 
Twee  coninghen  besteden  hem  s^jne  moawen,  Reemak. 
28  (zie  het  Gloss.).  Dat  si  hoer  moawen  on(t)beste , 
als  si  ghebest  waren,  Tass.  W,  27c,  Dat  si,  als 
men  die  ewangelie  las  . . ,  (uit  eerbied)  haer  moawen 
ontbeste,  als  si  ghebest  waren,  Ned.  Froza  228. 
Dat  si  noch  knopede  moawen,  noch  karspedoeke, 
noch  bonte  voederen,  noch  beckede  moawen  noch 
bestemde  (/.  bestede)  en  draghen.  Mieris  2,3416. 
An  dese  onzeghelbair  lakene  ghien  starte  te  sneden 
noch  te  besten,  O.  W.  f.  Jvu^.  53 ,  63.  Die  (lakene) 
Eal  men  vonden  ende  besten  op  al  salke  voade 
ende  bestinghe  alse  haer  lantwize  is,  54,  12. 

2)  Overdrachtelijk.  Fereenigen  met;  vgl.  mhd. y^- 
èesten,\\  Wie  dat  anderen  noyt  verriet,  die  davele 
.selense  besten  met  harre  spisen  mesten,  d.  i.  in 
hun  drek  werpen ,  eig.  er  mede  in  aanraking  brengen , 
Vierde  Mart,  815.  W^n  herte  es  an  a  ghebest  (Hs.), 
als  een  clesse  aen  een  hecken  vest  {aldus  te  lezen) , 
Belg.  Mus.  1,  118,  16.  Zie  Tijdschr,  3,  181. 

BESTENEN,  st.  ww.  h^^t,  {bestan,  bestenen). 
Aldus  te  lezen  met  Franck,  Alex.  lY,  462:  || 
Hi  was  die  alre  eerste  man,  die  te  gader  hadde 
twee  wijf;  recht  waest,  dat  hyt  bes  tan  (:  man; 
Hs,  bescoude):  van  oude  verloos  hi  tsien.  Ygl. 
Oudem.  1,  625  en  Franck  t.  a.  p.,  bl.  437. 

BESTEBF  (bestorf),  znw.  o.  Yan  besterven 
(zie  ald.).  ||  Érfenit,  versterf;  vgl.  BESTERFTE.  i| 
Praghen  si  dier  deelinghen  niet  overeen  ende  setten 
hem  eenen  dach  in  die  weke,  so  wie  dat daer  niet 
en  coemt,  hi  en  sal  van  dien  bestorve  nemmer- 
meer  incoemste  doen  noch  deelen,  Oorkb.  2 ,  340, 93. 
Dat  besterf,  dat  Jan  ver  Beelen  is,  die  ballinces 
ende  haer  zuster  man  es,bestorven  was  vanHenric 
Bruis,  Bek,  v.  Zeel,  1,  125.  Jan  Hughen  s.  cofte 
dat  besterf  Meverswaerd ,  dat  sire  zuster  bestarf,  128. 
BESTERFELIJC,  bnw.  In  de  uitdr.  bester- 
fel^c  goet,  goed  door  erfenis  op  anderen  over- 
gegaan, II  Ontfanghen  van  vercochten  ambochte  ende 
anders  besterfelijc  goet,  Bek.  v.  Zeel,  2,  68. 

BESTERFENESSE  (bestorfnesse),  -isse,  znw. 
vr.  Van  besterven  (zie  ald.). 

1)  Het  erven,  het  erfrecht,  \\  Soe  wien  soe  ane- 
comet  porters  hureware,  het  si  van  coepe  of  van 
besterfenessen,  Oorkb,  2,  796.  Alle  erffenisse,  die 
aen  ons  van  besterffenis  comen  moghen,  Meyl. 
JJelJl.  36.  Om  eenige  goeden  bij  besterflénisse 
alhyer  te  heffen,  ende  te  boren  off  te  ontfangen, 
V.  d.  Wall  523.  Poirters  .  .  die  eenich  goet  by 
maickinge ,  bestorfnesse  ofte  eenige  winlycke  title . . 
upcojnmet,  K,  en  O,  v.  Delft  86,  17. 


2)  Erfenis,  nalatenschap.  \\  Dan  w^  tot  genen  t{j de 
exuwe  off  pontgelt  nemen  sullen  van  alsulcke  goeden, 
erfnisse  of  besterfnisse,  als  enigen  van  den  poor- 
teren van  Haerlem  aencomen  ende  besterven  sullen, 
Y.  d.  Wall  654.  Yan  den  25sten  penninck  van  alle 
erffenissen  ende  besterfnissen ,  Inform,  7.  {Successie- 
rechten) van  der  voirscr.  erfbisse  ende  besteifnisse 
.  .  .  betalen.  Leid,  Keurb,  185,  78. 

BESTEEFTE  (bestarfte,  bestorfte),  znw. 
vr.  Yan  besterven  (zie  ald.). 

1)  Dood,  overlijden,  ||  Zo  wanneer  enich  ambocht 
open  wert  te  gheven,  het  si  bi  besterften  ofte 
dattet  yemant  opgave  ofte  datment  hem  name, 
B.  V.  Vtr,  1,  143,  105. 

2)  Het  erven,  erfrecht,  \\  So  wie  .  .  an  erve 
oft  an  huze  coemt  met  cope,  met  huwelike  of  met 
dat  hem  ghegheven  wortofanecoemtvanbesterfte, 
Y.  d.  Wall  142.  Dat  .  .  ons  of  onsen  erfven  die 
lande  ende  heerlicheden  van  Yoime  mit  besterften 
off  anders  aenquamen,  527.  Yan  goeden  ende  erf- 
nisse, die  .  .  bi  besterften  of  bi  anderen  gevallen  . . 
aencomen  of  besterven  mogen  onsen  luden ,  Oork.  2, 
108tf.  Met  welken  wive  hi  oeceen  conincqjc  nam, 
dat  hoer  bi  bestorften  aenghecomen  was ,  Fass,  W, 
96  d.  Zoo  ook  Dingt,  v.  Delft  23,  e.  e. 

3)  Erfenis ,  versterf,  nalaünsehap;  ook  de  successie- 
rechten. II  Dit  is  Engebrechts  {srentmeesters)  ontfaen 
van  besterfte  twisken  der  Mase  ende  den  Houte, 
Bek.  d,  Qr.,  113.  Ontfaen  van  bestarften  in  Zuit- 
hollant,  135.  Yan  der  bestarften  van  Jacob  veren 
Aechten  zone ,  ald.  Besterfte ,  die  haer  anbesterven 
mochten  van  enighen  van  ons  beyden,  vader 
ende  moeder  voirnoemd.  Mieris  2,  1206.  Dat 
hy  .  .  .  overgheven  soude  alle  aenspraec  .  .  .  van 
alle  besterften,  die  hem  van  den  Heer  van  Arkel 
dair  of  besterven  of  comen  mocht,  Matth.  Anal, 
3,  341.  Yan  alle  de  besterften,  die  de  poorters 
ancomen  buyten  de  rechte  linie,  Inform.  826 
(vgl.  11:  Yan  alle  besterften  ende  erfnissen). 
Rippaert  .  . ,  die  mijns  heren  besterfte  verwairt  in 
Yrieslant,  Bek.  d.  Qr.  2,  407.  Zoo  ook  O.  K.  v. 
Delft  II,  31 ;  O.  B.  v.  Dordr.  2 ,  107 ,  144;  148, 186. 

BESTERYEN  (bestorven),  st.  ww.  onz.  en 
bedr.  {bestarf  of  besterf,  bestorven,  bestorven).  Mnd. 
besterven;  mhd.  bestërben. 

Onz.  —  1)  Yan  personen.  Sterven.  \\  Ofse  in  salc 
staet ,  endt  gheviele ,  bestorve ,  waert  niet  sorghe , 
datse  huer  siele  bedorve  ?  Ned.  Kluehtsp.  77 ,  150.  Na 
maten  ons  rouwes  soe  wort  ons  vergeven  ende  na 
maten  ons  bestorvens  soe  antwoordt  ons  dat  leven, 
Ned.  Froza  205. 

2)  Yan  zaken.  Te  niet  gaan ,  vervallen ;  vooral  in 
de  uitdr.  bestorven  lijfrenten,  lijfrenten  die 
door  den  dood  van  hem,  op  wiens  lijf  ze  gevestigd  waren, 
zijn  vervallen.  ||  LQfrenten,  bestorven  by  den  lijve  van 
Jan  van  der  Horst ,  Inform.  43.  Dat  zij . . .  hebben 
moeten  vercoopen  up  hueren  voorsz.  dorpe  an  be- 
storven lijfftenten  500  R.  gl. ,  Enq.  56.  Ygl.  Qr. 
Flaccaatb.  4 ,  703 ,  waar  die  renten  afgestorven 
renten  genoemd  worden,  en  waar  o.  a.  de  volgende 
woorden  voorkomen:  „Aanbrengers  van  de  afge- 
storvene personen  krijgen  een  jaar  renten  van  de 
vervallen  capitalen.^* 

3)  In  de  uitdr.  bestorven  syn,  d.  i.  zijne 
familie  door  den  dood  verloren  hebben ,  zonder  familie 
zijn.  II  Spreict  ymant  enen  man  an  omme  scot  te 
ghelden ,  die  sal  sine  ghetaghe  doen  van  der  zwaerd- 
zide  .  .,  en  ware  dat  dien  baeliu  kenlic  ware  .  . 
dat  hi  edel  {vrijgeboren,  schotvrij)  ware  ende  also 
besturven,  dat  hi  sinen  ghetuich  niet  doen  en 
mochte,  tenzij  zijne  familie  zoo  uitgestorven  is  ^  dat 


4115 


BEST. 


BEST. 


1H6 


Mj  geenê  getuigen  van  de  zwaardzijde  kan  oproepen^ 
Oor  kb,  2,  d76a.  Zoo  ook  Lams  4. 

4)  Met  de  bepaling  in  den  goede  verbonden, 
wordt  besterven  gebmlkt  van  erfgenaam  zoowel 
als  van  erflater. 

a)  Yan  den  erflater.  Het  goed  èy  zijn  dood  na- 
laten.  \\I>9i  UB.  hoere  doit,  des  si  in  in  dese  goede 
besterven ,  hoere  wive  .  .  .  hoer  lyftoecht  moghen 
hebben,  Oorib,  1,  206.  In  onse  alinghe  rgnten, 
pachte,  enz.,  daer  onse  lieve  vrouwe  ende  moeder 
.  .  .,  der  Got  genedich  sy  .  .  ,  inne  bestarf, 
Nijh.  2 ,  88.  Vgl.  Lubben  1 ,  289^. 

b)  Van  den  erfgenaam.  £ij  iemands  dood  zijn 
goed  erven,  ||  Wair  enich  poirter  in  enighe  erfnisse  be- 
storven van.  enen  anderen  poirter,  Leid.  Keurb.  19, 23. 
Dairom  so  en  mach  geen  untlems  man  eens  poirters 
goet ,  dair  hy  in  bestnrven  is ,  bnten  der  vryheit 
trecken,  Matth.  154.  Na  dat  hy  in  den  goede  bestorven 
is ,  so  moet  die  clager  ygelic  erfnaem  op  hem  selven 
toespreken,  156;  zoo  ook  Leid.  Keurb.  184,  78. 
—  Vandaar  de  nitdr.  kinder  die  bestorven 
sgn,  en  bestorven  kinder,  d.  z.  kinderen  die 
geërfd  hebben  van  hunne  ouders ;  die  door  den  dood  van 
vader  of  moeder  of  van  beiden  een  eigen  vermogen  heb' 
ben.  II  Yan  onmondighen  kinderen,  die  bestorven  sgn, 
sullen  der  kinderen  maghe  comen  voer  die  raedslude 
van  Leyden  ende  hem  overgheven  in  scrifte  alle  goede, 
als  die  kinder  hebben.  Leid.  Keurb.  16,  17.  Enich 
man,  de  van  kinderen,  de  van  vader  ende  moeder  be- 
storven waren,  .  .  ghenotofvordeeldaerinzochte, 
ofte  haer  ghoet  minrede ,  B.  v.  TJtr.  1 ,  51 .  Yan 
onjarige  kynder,  die  bestorven  zyn,  huer  goet  te 
regieren,  Schwartz.  1,  577*.  Yan  mondig  {voogden) 
to  setten  den  bestorven  kynderen ,  ald.  Alle  weduwen 
ende  bestorven  kinder  die  geguedt  syn  tot  twe- 
hondert  Bynsche  gulden ,  Overijs.  fi.  I  > ,  185.  Dat  alle 
bestorven  maechden  sculdich  waren  te  hilicken 
aen  een  van  haren  geslachte ,  Boee  v.  d.  L.  J.  Ibb. 
Zoo  ook  Lams  11. 

5)  Met  eene  bezitting ,  goed ,  erfenis  en  dgl.  als 
ondw.  Vererven  ^  door  erfrecht  op  iemand  overgaan, 
door  sterfgeval  iemands  eigendom  worden ,  aan  iemand 
komen  als  erfgoed,  hem  aanbesterven.  Ook  meteen 
3den  nv.  of  eene  bepaling  met  aen  of  op.  Hetzelfde 
als  in  den  goede  bestorven  s^n  (v.  e.  pers.). 

II  Dat  alle  goeden  leggende  binnen  die  vryheit  der 
steede  van  Delft .  .  erven  ende  besterven  sullen  nae 
aesdomsche  rechte ,  K.  èn  O.  v.  Delft  131 ,  7.  (Si) 
seiden  hem  dat  met  rechte  tgraefscap  ant  rike  waer 
bestorven,  Stoke  YII,  242.  Soe  sijn  die  heerlicheiden . . 
bestorven  op  dese  sonen  drie ,  Brab,  T.  VI ,  7782. 
Dat  hem  bestorven  was  tlant  .  .  van  syn  neven 
sconincs  weghen ,  Grimb.  1 ,  229.  Yan  goeden  ende 
erfnisse,  die  .  .  bi  besterften  of  bi  anderen  ge- 
vallen .  .  aencomen  of  besterven  mogen  onsen 
Inden,  Oorkb.  2,  lOSa.  Dit  goet  en  mach  niet 
besterven  op  mi  also  langhe  alse  hi  .  .  een  kint 
hevet,  n2a.  Gheen  ghued  mach  bestorven  an  ons, 
et  ne  zi  buten  ersten  lede,  282*.  Dat  hem  aen 
comen  is  ende  bestorven ,  O.  K.  v.  Dordr.  60.  Zoo 
ook  Matth.  Anal.  3 ,  341;  Mieris  2 ,  120* ;  Rek.  d.  Gr. 
2,  10. 

Brdr.  —  1)  Het  hesteTy  en,  ten  gevolge  van  iets 
sterven,  voor  iets  boeten  met  den  dood ,  hetzij  door  eigen 
schuld,  hetzij  door  die  van  anderen,  het  met  den  dood 
bekoopen,  \\  Brinckene  mi,  dat  hijt  besterve:  hets 
recht^  want  hys  heeft  verdient,  Bijmb.  9372.  Diesont- 
ghingen  wel  die  rike :  die  arme  bestorvent  ghemeen- 
like ,  10813.  Hi  heeft  minon  vader  ommare  ende  heeft 
jeghen  ere  ghebeden ,  dat  moet  hi  besterven  heden , 
11070.  Daden  of  ne  daden ,  men  teecht  hem  an  ende  so 


moesten  sijd  besterven  dan,  32407.  Dat  bestvf 
menech  te  waren ,  want  si  van  hongre  te  tde 
aten,  32780.  Snlker  dedemen  so  groot  torment.., 
diet  bestaerf,  Sp.  Til*,  88,  70.  In  Borgoenyea 
hevet  bestorven  jonc  ende  out,  III*,  18,  22.  Wït 
.  .  ane  Gode  geloeft  .  .,  moet  besterven,  X^rr.  11^ 
216.  Salie  besterven  mine  minne,  Parth.  6311. 
Wat  mochte  ver  Teve,  dat  Adam  dor  haren  wille 
den  appel  nam,  dat  wi  noch  alle  besterven?  Wtf. 
Mart.  l,  937.  Dat  bestarf  menich  ridder  coeie, 
Troyen  8890  var. 

2)  Met  den  4den  nv.  eener  zaak.  Erven.  \\  Soo 
wie  die  huyrwaer  koopt  .  .  .  of  bchuwelt  of  be- 
sterft. Mieris  2,  33*.  So  wie  enighe  erfaiase  of 
foet  besterft,  Leid.  Keurb.  19,  24.  Yemant  .  ., 
ie  erf hnys  bestorve ,  O.  K.  r.  Delft  U,  2Q  (of 
moet  op  de  beide  laatste  plaatsen  die  en  wie  sii 
datief  worden  opgevat?). 

♦  BESTICHTEN,  zw.  ww.  bedr.  Waarschnnlïk 
bedorven  lezing  voor  beslichten,  hetzelfae  aU 
beslechten  (Kil.  conficere,  componere  negotium),  te» 
einde  brengen,  volbrengen;  of  nog  juister  bes  ei  ck- 
ten,  intens,  van  bescicken  (de  lezing  van  il); 
mhd.  beschihten;  mnd.  beseiehten.  Begelen,inrieUen; 
lat.  ordinare.  Opmerkelnk  is ,  dat  sdle  drie  de  ww. 
bestichten,  beseiehten  en  beslichtenlüer 
een  goeden  zin  geven.  ||  Hoe  ie  best  mgn  heere 
ghescare  ende  bestichte  m^n  orloge ,  Bose  C  9836. 

BESTIER,  znw.  o.,  stam  van  bestieren. 

1)  Leiding,  onderrichting,  opsickt.  Vgl.  BE- 
STIEREN 1)  en  2).  il  Dus  toecht  die  lichame  .  . 
der  sielen  die  (/.  dier)  van  heeft  bestier,  Vef. 
Bog.  729.  Als  ie  u  eerst  ansprac  hier,  sceenstdn 
gaende  al  bestier  ende  gheens  qoaets  bane  (/.  al 
met  bestier,  d.  i.  vondt  gij  zelf^  dat  gij  onder 
goede  leiding  watart,  die  voor  u  niet  de  oorsaak 
van  kwaad  zou  worden,  u  niet  op  den  verkeerde* 
weg  zou  brengen),  1329.  Myn  meester  alle  viere, 
die  mi  hadden  in  bestiere,  OFl.  Lied.e.Oed.^%, 
1823.  Mijn  meester  was  van  goeden  bestier, 
374,  1745.. 

2)  Hoede,  bescherming.  ||  Ghi  zgt  ghenadick, 
nem  ziele  ende  Igf  in  d^n  bestier,  29,  77.  Neint 
ons  so  in  u  bestier,  dat  ons  elc  meinsche  vel 
antier,  200,  39.  (Doe)  riep  dat  herte  mijn  np 
Gode  ende  up  de  moeder  zgn,  dat  zi  mi  namen 
in  bestiere,  465,  266.  —  Bestier  doen,  df 
wacht  houden.  \\  Hoede,  envie  ende  dangier  dada 
ter  poorten  haer  bestier,  291,  1713. 

3)  Leefwijze,  leefregel  (vgl.  sijn  leven  bestiert»). 
II  Vader,  ghi  noomt  daer  pointen  viere  {vasten, ens.1 

die  qualike  waren  van  minen  bestiere,  491,  53. 
Des  nachts  te  ligghen  op  die  aerde  sonder  ftr» 
ende  sonder  lettier  {bed,  leger),  dit  esmieensea 
cranc  bestier:  ie  en  wils  niet  langher  doghen, 
Bein.  II,  5710. 

4)  Leidsman,  leidsvrouw,  beschermer,  -ster.  Vgl. 
beleit,  d,i.  beleider;  bereit,d.i.  *^rW<2^behoet, 

d.  i.  behoeder,  e.  dgl.  ||  Vriendelijc  biddende,  dak 
hy  wilde  haerlieder  bestier  ende  haerlieder  be- 
schermer syn  jeghen  de  roevers,  CVo».  v.  VUe»d. 
1,  4.   O  vrouwe,  mgn  ewelic  bestier,  OFL  Ued. 

e.  Ged.  133,  1.  Nn  moet  ie  wasen  haer  bestier, 
ende  die  hem  helpen,  doen  mi  lieve,  386,  1509. 

BESTIEBEN ,  zw.  ww.  bedr.  en  wederk.  Mnd. 
besturen. 

Bedr.  —  l)  Leiden,  richtm,  brengen  tot  iets,  \^ 
Tebestieme  haere  ondersaten,  Sp.  1%  29,3SwMeB 
machen  {den  ever)  in  ghere  manieren  té  gherr 
hande  doecht  bestieren,  maer  emmer  bliift  ki 
wreet  eude   fel,  Nat.  BI.  II,  303.  Dat  dodit  mi 


iii7 


EEST. 


6EST*. 


1448 


den  rechten  ghanc  toter  claerheit  die  ie  döchte; 
ie  danckte  G^de,  dat  ie  gberochte  in  enen  wech 
die  mi  bestiert,  dié  mij  er  brengt ,  OFl.  Lied. 
e.  Ged.  240,  198.  (Die  tongbe)  bestiert  die  spise 
onder  die  tanden ,  Lanfr,  1309.  Alse  die  mi  wiste 
te  bestieme,  ghinc  soe  {de  hoop)  bi  mire  siden 
staen,  OVl.  lAed,  e,  Ged.  285,  1541.  —  De  onb. 
wQs  als  snw.  Geleide,  gevolg,  gezelschap,  \\  Swert 
soe  was  al  baer  bestieren ,  orssen ,  banieren ,  riddren 
ende  knapen,  Vod,  Mtu.  1,  307,  141.  —  Hem 
laten  bestieren,  zich  late»  leiden,  verleiden 
tot,  II  En  laet  n  daertoe  niet  bestieren,  dat  gbi 
valsch  vonnesse  nut  laet  gheven,  Denkm.  3,  91, 
207  (Belg.  Mus,  6,  101,  202).  •—  S^n  leven 
bestieren,  zyn  leven  leiden,  inrichten.  \\  Wilt 
a  leyen  yoort  bestieren  in  dnecbden  sondertwife- 
linghe,  Amand  II,  4990.  —  Met  bet  Toorz.  yan. 
Iemand  ergens  afbrengen.  \\  Aaron  ende  Hur  wilden 
dat  diet  bestieren  van  der  dolre  vaert ,  Bijmb.  5002. 

2)  Begelen,  ordenen,  rangschikken,  vooral  een  leger, 
t)  Mgn  beer  Amont  hadde  bewaert  van  Grimbergen 

ende  bestiert  tvolc  ende  gevisiert  sine  scare,  Grimb, 
I,  4155.  Tvolc  ginc  hi  al  te  bant  beracken,  be- 
stieren tien  tiden  ende  wgsde  hem,  hoe  sisonden 
striden,  II,  1381.  Yan  Grimbergen  heer  Amont 
mot  sinen  sonen  sterc  ende  stout  .  .  voeren  die 
Inden  bestieren,  1490.  Doe  wouden  Aaron  ende 
Hnr  dat  volc  bestieren  ende  te  vreden  scicken, 
J?.  V.  1357,  48a.  —  Ook  iet  — ,  iets  regelen, 
de  tegw.  beteekenis.  —  De  onb.  wijs  ookalsznw. 
Bestumr,  leiding.  \\  fialiuus  ende offlcyrs  (/.  officieren), 
die  van  tsgraven  weghe  tbestiers  (/.  tbestieren) 
hebben  souden  vander  zaken,  VI.  Bijmi.  9269. 

3)  Ook  in  ongnnstigen  zin.  Iemand  een  ver- 
teerden veg  vijzen,  hem  van  het  spoor  af  brengen, 
misleiden,  bedriegen.  Kil.  bestieren,  f  altere.  || 
Yan  mi ,  die  ben  ene  arme  dieme ;  ie  ben  lichtelec 
te  bestierne,  want  in  ben  niets  groets  ghewoene, 
Limb.  I,  1617.  Hebgeme  alzoo  bestiert,  gheselle? 
Ned.  Kluchtsp.  82,  86. 

Aanm.  —  Nog  heden  beteekent  bestieren  in 
Ylaanderen  toetakelen,  slecht  behandelen  (De  Bo 
116).  —  Misschien  heeft  bestieren  in  debet. 3) 
Kil.  er  toe  gebracht,  om  bister  te  schrijven: 
bg stier,  waarvoor  niet  de  minste  grond  bestaat. 
Zie  BIJSTER.  —  Yoor  bestier,  fTap.  Bog.  1330, 
zie  bij  BESTIER,  1). 

Wederk.  —  Hem  bestieren,  eigenlijk  sieh 
leiden,  richten  op  iets,  m.  a.  w.  zich  ergens  op  toe- 
leggen, werk  van  iets  maken.  ||  Dat  elc  te  beteme 
hem  sonde  bestieren  die  mesdaet,  JTap.  Bog.  1203. 
Yoort  ontflnc  dese  helighe  heere  priesterscip  .  ., 
daer  hi  hem  selven  so  in  bestierde  .  .,  dattene 
God  heeft  vercoren,  Amand  II,  1717. 

BESTIERHEIT,  znw.  vr.  D.  B.  Foverb.  1,  5 
gebruikt  ter  vertaling  van  gubemacula.  Leiding, 
bestuur  (in  onze  vert.  wijze  raad).  ||  Die  wise  diet 
hoort  sal  te  wiser  sijn,  ende  die  verstandel  sal 
die  bestierheit  besitten. 

BE8TIERIGGE,  znw.  vr.  Bestuurster.  Ygl.  -KOE. 
II  Yan  alder  werelt  bistu  gouvemisse  ende  van 
den  hemel  bestierigge.  Pelgrim  68^. 

BESTIEBNESSE,  znw.  vr.  Bestuur,  opzicht.  \\ 
Deen  was  van  een  beerde  vercoren  ter  bestiemesse 
der  synagogen,  Franc.  6292. 

BESTIKGE,  znw.  vr.  Yan  besten  (z.  ald.).Mnd. 
ieeOnge.  Hei  rijgen ,  hechten  van  goed.  Zie  een  voor- 
beeld uit  O.  W.  V.  Amst.  op  besten. 

BESTILLEN.  Zie  bestellen. 

BESTIMMEN.  Zie  bestemmen. 

BESTINKEN.  Zie  bestonken. 


i 


BESTOFFÉREN ,  zw.  ww.  bedr.  Stoffeeren,  voor- 
zien van.  II  Die  slote  .  .,  die  men  reken  moeste 
bat  ende  bestofferen  wale  met  boghen  ende  met 
springale,  met  drancke  ende  met  spise,  MeUb. 
2315  var. 

BESTOKEN ,  zw.  ww.  bedr.  Kil.  54:  b  e  s  t  o  k  e  n 
Flandr.  j.  bestormen. 

1)  Aanvallen,  aantasten.  Ygl.  besteken. 

a)  Met  den  4den  nv.  eener  plaats.  j|  Dieheeren 
ghinghen  bestoken  Audenaerde  die  vaste  stede, 
ri.  Bijmk.  10065. 

b)  Met  den  4den  nv.  v.  d.  persoon.  ||  Ie  hadde 
gaem  ten  besten  ghesproken,  mer  sij  begondemij 
te  bestoken:  ie  was  blide,  dat  icse  liet,  JTZoé^^II, 
4015.  Hy  bestoeckede  Ylaenderen  .  .,  al  dlant 
roevende  ende  barrende,  Oron.  v.  Vlaend.  1,  215. 
Dese  papen  connen  menich  quaet:  ie  bestoetse  nu 
berde  node,  Bein.  II,  1214  var.  {andere  var.  be- 
staetse ,  l.  bestaecse ;  Bein  1 ,  1197  besteecse ;  Proza- 
Bein.  bestoec).  Ygl.  bestoten. 

2)  Bij  uitbreiding.  Onderwerpen ,  overweldigen ,  in 
z^ne  macht  brengen.  \\  En  was  noit  coninc,  dan  hi  die 
tlant  bestoecte  van  Endi,  Denkm.  3,  144,  99.  In 
Tyberius  achttienste  jaer,  Jhesus  Cristus,  naer 
dat  waer  die  propheten  hadden  versproken,  wildi 
die  felle  doot  bestoken,  Sp.  V,  20,  1. 

Aanm.  —  Bestoken,  Invent.  v.  Brugge 6,  IIS, 
is  eene  verkeerde  lezing  voor  besouken,  dat  nog 
eens  aldaar  voorkomt  {besoucken). 

BESTOKINGE,  znw.  vr.  Aanval,  aanveehüng.\\ 
Dattet  {gebed)  ofleyt  alle  bestokinge  der  souden, 
Con.  t^om.  IQóbi 

BESTONKEN,  eig.  deelw.  van  het  st.  ww. 
bestinken ,  mhd.  bestinken,  d.  i.  beruiken.  —  Als  bnw. 
gebruikt  in  den  zin  van  stinkend.  \\  Du  lichts  be- 
stonken ende  al  verfelt  in  dine  souden  .  .,  als 
een ,  die  voor  sine  deure  smelt  {Cacat)  onzuverlike 
onder  den  snee,  Praet  2351. 

BESTOPPEN  (bestuppen),  zw.  ww.  bedr.,  onz. 
en  wederk.  Mud.  bestoppen,  bestuppen, 

Bedr.  —  1)  Verstoppen,  verstopt  maken,  dicht- 
maken.  \\  (Hi)  bestopte  die  fonteinen  .  .,  dat  het 
{here)  water  hadde  noot,  Bijmb.  14304.  Die  porte  . . 
was  al  bestopt  met  doden,  Trogen  8200.  Heeft  hi 
bestopt  die  nesegaten,  Nat.  BI.  III,  1522.  Mi  sijn 
bestopt  myn  nesegaten  met  vulecheden,  Sp.  III*, 
60,  25.  Doe  vonden  si  die  vont  (/r.  pc^^«)  bestopt ; 
si  ginghen  daerde  daer  ute  draghen,  Segh.\Q!3%0. 
Die  oude  voute  was  bestopt,  1(S68.  Die  wech  wort 
bestopt  tusschen  der  gaUen  ende  den  darmen, 
Barthol.  Sla.  Appoplexia  .  .  bestopt  die  die 
huyskens  van  der  herssen,  229a.  {De  ziekte)  be- 
stopt alle  die  toepaden  ende  ghangen  vanden 
lichaem,  636tf.  Zoo  ook  Jan  Yp.  103,  104,  121. 
(Si)  heeft  die  matnce  bestopt  alsoe,  datter  gheen 
zaet  en  mach  comen  toe,  Vr.  Heim.  1329. — Die 
oren  bestoppen,  de  ooren  sluiten  ^dichthouden. 
Eigenlyk.  ||  Ic  bestoppe  de  oren  des  zieken 
mit  catoene  ende  ic  steppe  een  hantscoech  of  een 
cleet  tusschen  siin  tanden ,  Lanfr.  48r.  —  Figuurlijk. 
II  Dat  wi  onse  oren  nit  en  bestupen  vor  den 
ruepe  der  armer,  Limb.  Serm,  145<^.  —  Den 
lic  name  bestoppen,  de  ontlasting  belemmeren. 
Zie  LICHAME  en  vgl.  Diut.  2,  208:  bestoppen, 
constipare.  \\  Die  bestopt  hevet  den  lichame  {var. 
besloten),  Nat.  BI.  YIII,  826  var.  Nuttelec  es  hi 
{de  steen)  te  menighen  doene,  maer  alremeest  die 
aen  lechame  bestopt  hévet,  XII,  778.  Een  rede., 
ende  hooftsweere  menichfout  seere  bestoppet  den 
lichame ,  Versl.  en  Ber.  4, 12 ,  155.  —  In  't  pass.  || 
Oec  plegen  si  dicwile  bestopt  te  sine  inden  lichamsi 


1119 


BEST. 


BEST. 


1120 


M.  en  Fr.  Heim.  1211.  —  Bestoppede  borst, 
benauwde  barst ,  belemmerde  ademhaling^  FersL  en 
Ber.  4,  14,  213. 

2)  Keer  en,  afsluiten,  vooral  yan  water.  |)  Dien 
watergtinck  bestoppen,  alsoe  lan^  ont  zy  beren- 
warde  hebben  bebelet ,  Oor  kb.  2 ,  2196.  Dat  water . . , 
dat  metten  dike  bestopt  was,  dattet  niet  wech  en 
mochte,  Matth.  Anal.  3,  153.  Een  vloet  die  be- 
stopt wort  ende  baer  vloeyen  benomen  wordt, 
Hs.  f.  57r.  Soe  moegen  de  nndersten  de  oeversten 
oer  water  niet  bestoppen  noch  bependen,  Ettt. 
V.  Dr.  148. 

3)  Doen  ophouden,  een  einde  maken  aan;  van 
brand,  blusschen.  Ygl.  engl.  stop.  \\  Wie  brandt 
in  zjn  hnys  verneemt  ende  hy  dyen  bestoppen 
will,  Schwartz.  1,  663,  100. 

4)  Verschalken ,  foppen.  Kil.  fallere  (eig.  iemand 
in  een  voornemen  belemmeren).  \\  Wy  selen  desen 
pape  alte  wel  bestoppen  in  {d.  i.  en)  n  wgf, 
Plajferw.  183. 

Onz.  —  Verstopt  worden.  \\  Tsant  .  .,  van  den 
welken  twater  dicwyi  tot  meniger  stat  bestopt, 
Barthol.  5366. 

Wederk.  —  Hem  h  e sio^i^eu,  zich  instoppen, 
omhullen,  bedekken,  inwikkelen,  sijn gelaat  onzicht- 
baar maken.  \\  Frissche  maechden,  die  hem  be- 
stoppen ende  bewimpelen  mit  een  cleyt ,  MLoep  II , 
4164.  —  Vandaar  het  deelw.  bestopt,  vermomd.  || 
Omdat  hy  ginck  ind  dner  onse  landen  leet  bestopt 
(nl.  als  Franciscaner  monnik  vermomd) ,  Nijh.  4 ,  445. 

BESTOPPINGE,  znw.  rr.liLii^.bestoppinge.  Ver- 
stopping, verstoptheid.  \\  Dat  selve  vallet  .  .  over- 
mits bestoppinge,  want  als  die  ander  bestopt  is 
ende  binnen  besloten,  so  en  mach  die  ganc  des 
bloets . . .  gheen  voetsel .  . .  seyndén,  Barthol.  476. 
Dan  80  is  si  een  sake  enigher  opelacien,  dat  is 
bestoppinghen,  8256.  — Hetzelfde  bet 

BESTOPTHEIT,  znw.  vr.  Verstoptheid,  verstop- 
ping. II  Daer  om  ist  goet  teghen  die  bestoptheit 
der  mylten,  Barthol.  5496.  Apinm  opent  die  be- 
stoptheit der  leveren  ende  der  mylten,  5866.  Ziechede 
van  bistopthede  ende  apostnmen  ende  renmen  ende 
vele  andere  siecheden,  Lanfr.  76  v. 

BESTOKEN  (bestoiren),  zw.  ww.  bedr.  Krachte- 
loos maken,  verzet  doen  tegen  iet^.  ||  Off  hem 
yemandt  met  oudere  brieven  behelpen  wilde,  die 
zal  nae  die  voersz.  drie  sondaegse  geboden 
binnen  een  jaer  ende  zes  weecken ,  met  allen  seven 
den  heemraeders  mitten  rechter,  binnen  bans,den 
jongeren  brieff  moegen  bestooren ,  O.  R.  v.  Dordr. 
2,  273,  73.  So  wie  iemans  vaderlike  erve  ofte 
ander  erve  coept  ende  onder  getuychnisse  der 
scepen,  sonder  bestoiren,  jaer  ende  dach  oflangher 
besidt,  Brab.  T,  dl.  1 ,  bl.  784  (de  woorden 
„onder  bescoren  jaren  datti",  ald.  zijn  bedorven, 
en  verbeterd  naar  de  Cost.  en  XJs.  van  den  Bosch , 
Ie  vervolg,  bl.  11). 

BESTORF,  BESTORFTE,  BESTORVEN,  Zie 
BESTERF  enz. 

BEST0RIN6E,  znw.  vr.  Het  ontnemen  der  rechts- 
kracht aan  iets.  \\  Soe  sal  altijts  hy  tij  ds  ge- 
noech  comen  binnen  den  naesten  jaere  ende  zes 
weecken,  naedat  hy  binnen  lants  gecomen  sal  wesen, 
omme  die  bestoringe  te  doen,  O.  R.  v.  Dordr.  2, 
273,  73. 

BESTORTEN  (besturten)  ,  zw.  ww.  bedr.  Mnd. 
bestorten-,  mhd.  bestürsen. 

1)   Overgieten,    begieten,   met   eene   vloeistof.  || 
Die  sacrificiën  mitten  water  te  bestortten,  D.  B. 
II    Maccab    1,    21.   Desgelgcx   bestorte   hi    haer 
handen  ende  cnstese,  Exc.  Cr  on.  144rf.  —  Vooral 


in  het  deelw.  bestort  met  {yd^iï),drmpeniete», 
nat  van,  doorweekt  met.  ||  Doe  stont  die  man  Goods 
voer  die  crebbe  .  .  .  mit  tranen  bestort,  Hs.  88, 
/  47a.  Want  hijs  bestort  met  men8cenbloede,£yiii. 
10160  var.  Ghewapent,  bestnrt  met  bloede ,  33187. 
Covertnren  ende  banieren  ...  al  meest  bestort  met 
bloede,  Heeln  8718.  Daer  voer  menich  ridder  milde, 
die  seer  wajs  bestort  met  bloede,  Troifenf.%h. 
Van   haren   bloede  wert  al  omme  bestort  Achilles 
scoen  (/.  scone)  tomme ,  f.  226^j!.  So  dattet  paviment 
bestort  werdt  met  haren  bloede,  Exc.  Cnm.  29dL 
(Dat)   haer  aensicht   dagelicx  met  tranen  bestort 
was  ,316.  —  Ook  met  de  vloeistof  zelve  als  ondv.  || 
Des   bisscops   bloet   bestorte    {vloeide  over,  door- 
weekte, stortte  over)  .  .  .  den  bonc,  ^. III*, 6, 25. 

2)  Overstorten,  bedekken,  van  eene  vaste  zelf- 
standigheid. II  Alt  lant  .  .  .  metter  aerde  vanden 
baerme  vanden  vesten  besturt,  ZVl.  Bijdr.  4,  68. 

3)  Fignnriyk.  Vervullen,  voorzien.  ||  Daer  nte 
bestorte  God  ...  die  plaetse  metten  gaven  s^ndei 
goedertierenheit,  Exc.  Cron.  146. 

4)  Met  eene  ziekte  als  ondw.  Aantasten,  oter- 
vallen.  \\  Levende  vleisch,  dat  mit  lazarien  bestoet 
wort,  is  ontsnvert,  D.  B.  Levit.  13,  15. 

BESTOTEN ,  st.  ww. ,  bedr.  en  onpers.  Mnd. 
bestoten ;  mhd.  bestózen. 

Bedr.  —  1)  Tegen  iets  aanstooten,  het  beuken^ 
vooral  met  den  wind  als  ondw.  ||  Te  hant  qnam 
daer  een  groten  wynt  ende  bestyet  dat  huns,  Pass.  ÏÏ. 
121d.  So  hief  een  migel  storm  in  de  zee,  so^dit 
dat  schep  wart  van  den  vlaghen  sere  bestoten  ende 
bedrnct,  L.  v.  J.  c.  66.  Hi  en  sal  niet  bestoten 
worden  in  die  vlage  van  den  scepe ,  D.  B.  Jes.  Sgr. 
33,  2.  —  Ook  (door  den  wind)  kneuzen,  kreuken, 
knakken.  \\  Hine  sal  niet  vertreden  dat  bestoten 
riet,  D.  B.  Jes.  40,  3. 

2)  Bestoken,  aantasten,  ook. gewapenderhand vm- 
vallen.  ||  (Si)  bestoten  met  wighe  danne  die  Denen 
ende  die  Noormanne,  Brab.  T.  II,  4772.  Petren 
Contreel  met  sijnre  roten  met  hen  lieden  te  bestoten , 
VI ,  4645.  Soe  wonden  si  dan  ierst  bestoten  met  eenen 
hope  .  .  die  van  der  Vleeschonwerstrate,  4828, 
Want  wij  zwaerlic  bestoten  gheweest  hebben  m 
onsen  lieven  heere  .  .  den  grave  van  Vlaendffen 
met  orloghen,  Brab.  T.,  Dl.  2,  bl.  497  en  499. 
Dese  papen  connen  menich  qnaet:  ie  bestoetse  ni 
harde  node ,  Rein.  II ,  1214  (vgl.  by  bestoken  en  be- 
steken). En  is  dit  die  man  niet,  die  dat  lant  ver- 
stoerde  ende  die  die  riken  bestiet ,  D.  B.  Jeseaa  14,16. 
—  Eene  enkele  maal  ook  van  een  land  gezegd.  ||  I>oe 
gingen  (si)  .  .  in  allen  hoecken  Brabant  bestoten 
met  rove  ende  met  brande,  Exc.  Cron.  129*  (hier 
kan  het  woord  ook  in  de  bet.  3)  worden  opgevat). 

3)  Plagen,  kwellen.  \\  Anxte  bestoot  mgn  vleyscbe, 
D.  B.  Job  21 ,  6.  Du  snlste  mi  besloten  mit  anxte 
bi  visioen,  7,  14.  Dat  ick  soe  bestoten  bjn 
met  droefheden,  dat  ick  nanwe  mach  ghespreken, 
Pass.  W.  2316.  Mijn  onsalighe  ghedachte,  dye  be- 
stoten is  metten  wonden  (?)  hoerre  onledicheyt,  230*. 

Onpers.  —  Mi  bestoot,  het  dunkt  mij  foM, 
ik  heb  lust,  genoegen,  sin.  Hetzelfde  alB  het  meer 
gewone  mi  besteect.  Zie  besteken,  onpers. || 
Pylatns  sprac,  alst  hem  bestiet:  En  ben  ie  din 
een  Jode  niet?  Lsp.  II,  36,  319. 

BESTOTINGE ,  znw.  vr.  Het  beroeren ,  het  beuie», 
beroering.  ||  Als  di  god  vrede  gegheven  heeft  ▼» 
dinen  arbeide  ende  van  dineu  (/.  £ner)  bestotisgbe 
ende  van  den  herden  dienste,  D.  B.  Jesaia  14, S> 

BESTOUWEN.  Zie  bestuwen. 

BE8TBANGEN.  Zie  het  volg.  Art. 

BESTRANCTHEDE  (bestranchede),  raw.n. 


il2i 


ftEST. 


BEST. 


1122 


BenauwdAeidj  nood.  Ygl.  Kil.  bestranghen,  j. 
benauwen.  ||  Omme  der  groter  bescranchede 
(/.  bestranchede)  van  den  'scaerpen  ende  grooten 
vorste,  Invent.  v.  Brugge  6,  61  (bet  Eon  ook 
mogelQk  sijn ,  het  woord  als  strengheid  op  te  vatten ; 
Tgl.  bestarcbeit,  bedroefheit,  enz.). 

BESTBECKEN ,  zw.  ww.  onz.  en  wederk.  Mhd. 
hestreeken. 

Onz.  —  1)  Zich  uiMrekken.  ||  Wekken  ganck 
bestrect  totter  dnere  die  dient  ter  voorseyder 
Ghéraeds  dievels  stene,  Diericx,  Mém,  2,816. 

2)  Rusten^  gelegen  siJn.  ||  Een  thiende  bestreckende 
np    alle    de    leenen,    Invent   r.   Brugge  4,   892. 
Wederk.  —  1)  Ziek  uitstrekken.  Eigenlek  en 
figaariyk.  ||  Yoorts   so   bestrect   bem   tvoorsejde 
bnrchgraefscip  op  den  bodem  ende  loopt  van  den 
waetere    nntewaerts,    totter   Langher   bmggben, 
Diericx,  Mém.  1,  409.  Het  voorseide  Marienland, 
hem  .  .  bestreckende  teynden  de  bnrcbstraete ,  685. 
Elcthiendenaere,  in  wat  prochie  dat  zy,  daerdese 
heerlicbede  haer  bestrect,  Cout.  v,  Brugge  1,  217. 
Dat  zy  niet  verstonden,  .  .  dat  de  voorseyde  .  . 
pointen  hem  voorder   of  broeder  bestrecten,  673. 
2)  Gelegen  gijn^  rusten.  ||  Eene  heerelycke  rente 
.  .  haer  bestreckende  op  sekere  behuysde  eerfach- 
ticheden  ghestaen  ende  gheleghen  binnen  der  stede 
van  Ghendt,  ald.  1,  489.  Ende  bestreckt  hem  up 
alle  tlands,  Invent.  v.  Brugge  4,  392.  Drie  vier- 
scharen ...  die  hem  lieden  syn  bestreckende  inde 
prochien  van  Loppem,  Seldeghem  enz.,   Cout.  v. 
Brugge  1 ,  415  nóot. 

Aanh.  —  Bestreek  en,  leest  men  ook  Botte  v. 
Sed.  794  9«r.  {Denkm.  3,  bl.  342) :  „Ghi  heeren,die  de 
werelt  berecken  enté  lieden  domen  ende  hestrecken ," 
waar  de  tekst  heeft :  „  entie  die  lieden  snit  b  e^ 
treek  en,"  doch  de  lezing  hestrecken  zal  wel  be- 
dorven zijn.  Kil.  en  Plant,  hebben  slechts  de  bett. 
extendere  en  erogare,  d.  i.  geld   besteden.  Zie  op 

BETRECKEN. 

BESTRECKEN.  Zie  bestricken. 

BESTRECSAEM,  bnw.  Van  hestrecken^  in  den 
sin  van  hesteden.  Kil.  erogare  (nl.  pecuniam).  Die 
het  geld  goed  hesteedt^  spaarzaam  ^  zuinig.  \\  Be- 
strecksaem  vranwe  is  een  middelbaer  pachtgoedt, 
Spreuken  86. 

BESTBIDEN  (ook  in  den  vorm  bestryen,  Cron. 
V.  Vlaend.  1,  194),  st.  ww.  bedr.  IkCnd.  hestriden] 
mhd.  hestriten.  Aantasten^  aanvallen^  bestrijden.  \\ 
(Si)  sloegen  al  doot  datse  vonden  en  bestreden 
Teel  sloten,  Heemsk.  61.  (Hi)  heeft  daer  enen 
tor  bestreden,  dien  hi  wan  met  vromicheden, 
Yelth.  II,  46,  5.  Si  en  constense  niet  hestriden, 
lAmh.  fr.  722.  Om  te  bestridene  haren  man ,  IJimh. 
IV,  1566. 

Aa  nm.  —  Bestrijt,  Velth.  II ,  3 ,  34 ,  is  eene  ver- 
keerde lezing  voor  bestrict.  Zie  bestricken,  4a. 

BESTBIDEN,    st.    ww.    bedr.   Mnd.   hestriden. 

1)  Eig.  Besckrijden,  heklimmen.Yg\.  mud.  strede, 
d.  i.  schrede  \  eng.  strtde;  ags.  stridhan  en  gestrid- 
han.  In  bet.  gelgk aan  het  mnl.  bescriden,  waar- 
mede het  in  varr.  afwisselt.  ||  Elc  een  ors  met 
groten  leden  ende  met  scarpen  sporen  bestreden, 
Velth.  IV,  29,  19.  Die  stiere  can  hi  {de  heer)^^ 
bestriden  ende  gaetne  op  den  mgghe  riden,  Nat. 
BL  II,  3830  {var.  bescriden). 

2)  Figunriyk.  Aantasten^  aanpakken^  ovenoel- 
digen^  bauwen.  Ygl.  BESCRIDEN,  3),  en  hd.:  mein 
her»  iet  beklommen.  |j  Die  vreese  van  der  doot 
ende  tsceiden  vanden  eerscen  goede . . .  ende  dan  die 
jsiecte  .  .  . ,  dese  drie  hebse  also  zeere  bestreden, 
JN.  Thet.  2321  (de  tekst  heeft  ^^«m//^;  zie  ald.  3). 


BESTRIËN.  Zie  bestriden. 

BESTBIËN  (bestryen)  ,  zw.  ww.  bedr.  Ander» 
vorm  voor  bestrooien;  mnd.  bestrouwen;  mhd.  be» 
ströuweuj  bestriuteen.  Vgl.  spouwen  en  spiên  {bespiên), 
I)  Onse  bedde  is  mit  blonwen  bestriet ,  Boee  d,  M.  f. 
69.  Dit  bedde  is  mit  den  bloumen  der  doeghden 
bestryet,  70. 

BESTBIKEN,  si  ww.  bedr.  Mnd.  bestriken; 
mhd.  bestriehen. 

1)  In  de  tgw.  bet.  Zacht  langs  de  oppervlakte 
van  iets  strijken.  \\  Hi  bestreec  dat  glas  metten  blode ; 
dermede  {met  dat  bloed)  bestreec  hi  den  harden 
stene,  Ned,  Proza  106.  Bestr^c  den  ghenen  sine 
lede  metten  smeer,  Hat.  BI.  Il,  1341.  —  Zoo  leze 
men  ook  Franc.  10376:  „Van  den  hoofde  toten 
voeten  bestrect  hi  hem  vele  soete*\  in  plaats  van 
bescryt.  Zie  bescriden,  Aanm. 

2)  Ook  met  eene  zelfstandigheid,  meestal  eene 
vloeistof,  als  ondw.  Strijken  y  smeren.  \\  Syn  bloet 
ende  sont  daer  mede,  bestreken  an  des  menschen 
lede.  Nat.  Bl.  II,  1347. 

Aanh.— Bestriken,  Velth.  II,  17, 77,  is  eene 
verkeerde  lezing  voor  bestricken;  zie  ald.  4d). 

BESTBICKEN  (hestrecken  ,  vgl.  strie  en  strec)^ 
zw.   WW.   bedr.    Mnd.  bestricken;  mhd.  bestricken. 

1)  Strikken,  vaststrikken.  \\  Och  liden,  wie  ghevet 
di  die  macht,  dattn  bestrickest  die  banden?  Hor* 
Belg.  10,  121. 

2)  In  een  strik  vangen ,  strikken.  \\  Hierom  alse 
wrede  diere  werdense  bestrict  in  dese  maniere, 
Yelth.  YII,  21,  26.  Mit  desen  stricken  soe  wer- 
dender zeer  vele  bestricket  der  gheender  die  bgder 
aerden  cmpen,  Bem.  W.  46. 

3^  Figuurlijk.  Als  m  een  strik  vangen^ 
«)  Overvallen ;  m»  den  val,  in  eene  hinderlaag  lokken^ 
hetzelfde  als  becnpen  (zie  ald.).  |i  Nu  quam^i» 
pelgrime  ...  die  tAken  gingen  haer  bedevard, 
ende  waren  bestryt  (/.  bestrict)  op  die  verd,  sa 
dat  si  berooft  worden  al,  Yelth.  II,  3,  32.  Si 
wilden,  seiden  si,  overtrecken,  ende  haervianden 
daer  hestrecken,  oft  men  soudem  leveren  wgch ,  lY, 
61,  61.  Die  keyser  hadde  des  wel  raet,  dat  sine 
bestricken  niene  conden,  Y,  12,  60. 

b)  Iemand  beet  hebben ,  mit  woorden  vangen.  \\ 
Die  coninc  heefse  nu  bevaen  ende  noch  sal  be- 
striken (/.  bestricken)  meer,  eer  die  maeltijt  doet 
sinen  keer,  Yelth.  II,  17,  76  (de  by  Kil.  opge- 
geven bet.  van  bestriken,  nl.  honing  om  den  mand 
smeren,  kan  hier  niet  bedoeld  zyn;  daarentegen 
komt  bestricken  in  bet.  geheel  overeen  met  bevaen, 
VS.  76). 

c)  Verstrikken,  verlokken.  \\  Datten  die  souden 
vaen  ende  bestricken,  N.  Boet.  2170.  Die  manne 
bestricken  die  wiven,  Bienb.  106'<f.  Op  dat  dy  die 
verdoemeiycke  arbeit  niet  en  bestricke,  86^.  Si 
bestrickt  hare  met  valscher  sconheide ,  Limh.  Serm, 
11b.  Die  ander  pinen  si  te  bestricken  mitter  vleysche- 
liker  wellust ,  Bern.  W.4a. 

6)  Binden,  verbinden.  ||  Woerde  die  den  brudegom 
bestricken  ende  houden  in  den  banden  der  minnen. 
Stemmen  144.  Drien  personen  .  .  ende  (d.  i.  die) 
syn  in  di  alsoe  vast  in  enen  God  bestrict,  ver- 
bonden, vereenigd,  Tien  PI.  68.  Of  een  broeder  mit 
orlove  .  .  vaert  tenen  andren  geesteliken  leven 
ende  weder  tons  coemt,  eer  hem  die  horsamheit 
bestricke,  D.  Orde  266. 

6)  Insluiten,  omsingelen,  benauwen. Y&ndtar  het 
deelw.  bnw.  bestrict,  in  den  zin  yan benauwd, 
nauw,  eng.  ||  Aenghemerct,  dat  si  seer  bestrict 
ende  nauwe  in  haer  stat  gehouden  waren,  £jfc, 
Cron.  123tf. 

36 


i\2i 


BEST. 


PESU. 


4124 


♦  BESTRINGNEN.  Verkeerde  lezing  voor  be- 
soengen,  Fl,  Rijmk.  3003.  Zie  op  besoenoe  en 
vgl.  Kansier,  ald.  bl.  600. 

♦  BESTRI  VEN,  st.  ww.  bedr.  Vgl.  eng.strive, 
en  onze  afgeleide  ww.  streven  en  stribbelen.  Tegen 
iets  stribbelen^  tegenstreven^  zich  verzetten  tegen ^ 
tegenstand  bieden  aan.  \\  Loghenacbticb  keytyf  out! 
Twi  waensta  bestriyen  twoert  dat  alle  salicheit 
brengt  voert?  lat.:  cur  deridere  conaris  salutis 
predicationem,  Sp.  11%  3.  61  (Dl.  2).  Doob  de 
ware  lezing  is  zeker  bescernen,  ^.11^,27,77, 
Dl.   4,   dat    volkomen    aan    deridere  beantwoordt. 

Zie   op   BESCERENEN. 

BESTROOIEN,  zw.  ww.  bedr.  Mhd.  ii?*/rwitf«»; 
bestrouwen\  bd.  bestreuen.  Bestrooien,  \\  Dan  bebt 
amandelen  in  snkere  gbefrunt  ende  setse  boven  den 
blanmengiere  bestrooyt  met  snkere,  Keukenb.  11, 4. 

BESTÜRTEN.  Zie  bestorten. 

BESTU  VEN,  st.  ww.  bedr.  en  onz.  (zwak  deel  w. 
Jnform.  24 ,  bestwfvef) ,  Mbd.  bestieben  (st.)  en 
bestouben  (zw.). 

Bedr.  —  1)  Met  stof^  ook  zand  bedekken.  \\  Van 
den  boogen  geestlande,  .  .  bestnyvet  van  den 
dnynen,  Inform,  24.  Bestoven  metten  gbestnbbe. 
Pass.  W,  231  d.  Mesbarende,  recbt  als  de  dnlle, 
hem  bestnvende  met  mnlle,  Sp.  III*,  41,  81. 

2)  By  nitbr.  Bedekken  in  bet  alg.,  meestal  met 
het  bydenkbeeld  van  verontreiniging  ^msax  somi^di^ 
ook  zonder  dat  begrip.  ||  Sine  wapenen  ende  sine 
leden  waren  van  bloede  al  bestoven,  Qrimb.  II, 
2662.  Met  love  heeft  by  (de  Mei)  bestoven  die 
hoven  noort  ende  snut,  OFl.  Lied.  364. 

3)  Evenals  het  mbd.  besteubt  (Lexer  1,  228) 
en  bet  hd.  bestaubt  (Grimm  1,  1668),  had  het 
deelw.  bnw.  bestoven  de  nog  niet  geheel  in 
onbruik  geraakte  beteekenis  yüsï  vroolijk  ten  gevolge 
van  bet  gebruik  van  sterken  drank ,  een  kleinen  roes 
hebbende^  aangeschoten.  \\  Alst  ghesciet  dat  ie  bem 
wat  bestoven,  willic  met  vrauwen  hoven,  OVL 
Lied.  e.  Oed.  126,  46. 

Onz.    —   Met   stof  of  zand  bedekt  worden.    \\ 
Bestu  ven  van  voeten.  Franc.  6341. 

BESÜCHTEN,  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  besuchten. 
Zuchten.  Slechts  in  de  uitdr.  een  suchten  be- 
suchten, een  zucht  slaken.  \\  So  spreect  tegen 
my  die  so  menich  suchten  om  dy  besucht  heeft, 
so  menich  daghen  gheclaecht  en  .  .  so  menich 
vraghen  gevraecht.  Mar.  v.  N.  39,  924. 

BESTU  WEN  (BESTOUWEN),  zw.  WW.  bedr.  Mbd. 
bestöuwen,  Bedunngen,  in  bedwang  houden  j  tot  be- 
daren brengen  y  dresseeren.\\DiQ  zullen  hoir  kyudere 
also  bestuwen,  dat  zij  ghienruymoir ofscreijinghe 
en  maken  in  der  kerke,  O.  W,  v.  Amst.  36,  49. 
Dit  segghende  mochte  hi  cume  die  scare  bestuwen, 
Ks.  N.  T.  36r  (Handl.  14,  18).  Die  tongheencan 
niemant  bestouwen,  seit  die  apostel,  tis  een  on- 
mstich  lit  dat  lichtelic  dodet,  Bern.  W.  48^. 

BESUDEN  (besude),  voorz.  Met  den  3den  nv. 
Ten  zuiden  van ,  bezuiden.  —  Besude  der  wordt  tot 
besuder  samengetrokken,  evenals  benorde  der 
tot  benorder.  \\  Besuder  Merwede,  Stoke  VIII, 
979  en  984. 

BESUEC,  BESÜEKEN,  BESUEKER.  Zie  be- 

SOEC,  BESOEKER,  BESOEKEN. 

BESUECT  (besuket),  bnw.,  ook  als  znw.  ge- 
bruikt. Mnd.  besuket.  Hetzelfde  als  besiect^  en  ge- 
bruikt in  de  bepaalde  opvatting  van  melaatsch.  || 
Weert  sake  dat  ennych  man  of  vrowennaem ,  die 
besuect  weer,  dat  den  schepenen  kondich  weer, 
schowt  bekennen  wolde,  R.  v.  Zutf.  142,  16.  Ten 
weer^  dat  die  besuecte  syn  behoeft  daertoe  dede. 


ald.  Dat  de  ziecmeysters  vanden  malateD.  .  . 
nyemant  innemen  en  zeilen,  hi  en  zi  bezuket, 
R.  V.  Utr.  1,  226,  106. 

BESUEREN.  Zie  besuren. 

BESUNDEN,  BESÜNDER,  BESUNDICH,eni. 
Zie  BESONDEN,  enz. 

BESÜUTHALF  (besutalf)  ,  bgw.  Van  swtkalf, 
d.  i.  zttidzijde.  Vgl.  BEDESSIDE.  Aan  de  zvidzijdi 
gelegen  j  zuidelijk.  \\  Twe  imete  (gewtefe)  bentilt 
ant  werf,  daer  Hughe  Alards  suene  weende,  Vgé. 
Mtis.  2,  368  (vgl.  op  dezelfde  bl.  bewestialf). 
Tien  roeden  .  .  .  ligghende  binden  ambocbte  ende 
binder  prochien  van  Tsendike ,  besutalf  onder  Ter 
Margriete  Jhan  Vlamincs  woninghe ,  6,  288. 

BESUREN,  zw.  ww.  onz.  en  bedr. 

Onz.  —  Hetzelfde  als  te  sure  worden  (zie 
suur). 

1)  Bederven  f  ontaarden,  verzuren  in  fignnrlgk» 
zin.  II  Dese  vrienscap  onlanghe  duert,  want  si  int 
einde  gherne  besuert  (tekst:  snert)  ende  dicke 
keert  in  viantscap,  Lsp.  III,  17,  67  var. 

2)  Moeite  kosten.  ||  Soe  eest  beter,  hoe  soet be- 
suert, dat  men  der  weldicheit  ontbert,  dan  salecbeit 
es  geavontuert,  Rincl.  298.  In  der  ierster  uren.. 
(zal  dit  werk)  beginnen  .  .  ende  daema  vord  ter 
aerder  uren  so  sfd  dit  werc  volmaect  (?)  besnrei 
ende  also  in  die  seste  vort  werdet  volmaect, TeltL 
VII,  23,  67. 

Bedr.  —  1)  Zuur  maken ,  verbitteren ,  vergalle»,  \\ 
Noch  heeft  die  man  der  viande  mere,  daer  hi 
nochtan  harde  zere  siele  ende  lyf  om  avontnert 
ende  dat  sgn  leven  dicke  besuert,   Teest.  2928. 

2)  Kwellen,  doen  lijden,  a/sloven.  ||  Dan  nemei 
die  maghe  tgoet,  daer  hl  sgn  lyf  om  besnerde 
ende  sijn  ziele  om  avontuerde ,  ende  verterent  ii 
groot  riveel,  Lsp.  I,  28,  68.  (Si)  besnerden  haer 
edel  liven  in  deere  van  den  reinen  wiven ,  ^r«i.  f- 
VI, 11903.  —  Enen  h es u. ren,  maken ydaiiemaMi 
kwelling ,  verdriet  heeft ;  de  oorzaak  zt^n ,  dat  hij 
smart  ondervindt.  \\  Dat  ie  u  oec  soe  besure, dies 
en  ben  ie  werdich  niet,  dat  gij  zooveel  moeite 
om  mij  doet,  zooveel  belang  in  mij  stelt,  Limk. 
IX,  202. 

3)  Moeite  doen  voor  iets,  zich  er  voor  in*pmt»e%, 
ergens  moeite  voor  over  hebben.  ||  Het  is  bUlic  dat 
hem  lof  buert,  diet  (<2^f^)manlic  wintof  besaert, 
Vrouw.  e.  M.  IX ,  49.  Harde  goet  waert  offghéliien, 
dat  men  besnyrt  buten  baten ,  Hild.  93 ,  97.  Xocbtia 
hebbicker  vele  pinen  om  ghedaen  ende  («i.  bet) 
sere  besurt,  lAmb.  XI,  172.  Hets  recht,  diet  so 
besuert,  datse  dat  suete  daeraf  ontfangen,  D.  F«r. 
9,  161,  324.  —  Vooral  in  tegenstelling  met  be 
soeten,  de  moeite  voor  iets  doen,  tegenover  i^ 
vruchten  van  iets  plukken.  Zie  voorbeelden  bg  be- 
soeten.  —  Ook  met  een  onb.  wys.  Zich  inspannen.  \\ 
Voorziet  n  wel,  die  avontnert  l|jf  ende  goet  ter 
wilder  zee:  hoe  vele  te  bringhene  ghi  bezaert, 
achter  u  so  blives  mee,  OVl.  Lied.  e.  (7.448,210. 
—  De  onb.  wijs  als  znw.  Moeite,  inspanning.  |l 
Sonder  eenich  rroot  besuren,  Praet  162.  Wteastt 
dan  comen  sonder  besuren  in  sine  glorie  van  daer 
boven?  2279. 

4)  Met  moeite  iets  doen ;  iets  doen  dat  met  §e- 
vaar,  moeite,  bezwaren,  lichaamssmart  en  èó%' 
verbonden  is,  er  mede  gepaard  gaat. 

a)  Met  moeite,  zuur  verdienen.  ||  S^n  vleischeade 
syn  bloet  heeft  besuert,  datmen  hem  daer  ghceft. 
Lsp.  III,  1,  66.  —  Ook  in  de  nitdr.  dieiea 
(verdienen)  ende  besuren.  ||  Die  gfaene  dieat 
ende  besuurt  meer  dan  dander  seven  cnechte,  SpA\ 
73,    10.    Ghi    die    werct   bi   dacbhueren   ne  vildi 


1125 


BESÜ. 


BESU. 


4120 


verdienen  no  bezneren  hnwen  loen,  ghi  wertghe- 
scent,  Denim.  3,  116,  41. 

i)  Met  moeite  tot  ttand  brengen  ^praeeteer en  ^  uit- 
werken.  \\  (Si)  spraken  alle  lof  ende  eere  her 
Everaerde  .  .,  dat  hyt  dnci  cloeciyc  haddebesueri 
ende  soe  seere^gheayentuert,  Brab,  T.  YI,  1615. 
Her  Jan  .  .,  niet  en  spaerde  sine  lede  maer  met 
wapenen  yele  besnorde,  5882.  Men  mach  gheen 
boden  daer  toe  winnen ,  diet  yoer  ons  ejnden  off 
beghinnen:  elck  moet  seWes^ndeelbesnrenfHild. 
31,  43.  Wes  een  manlic  man  besnert,  hets  recht 
dat  hem  den  lof  gebnert,  Claghe  15.  Mach  mense 
{de  nut)  anders  met  woorden  besneren,  ten  zal 
yrylic  aen  mj  niet  ghebreken,  £oom  d.  Scr.  159. 
Al  dat  die  somer  can  besneren,  dat  verteert  die 
winter  al,  Wint,  e.  S,  112. 

e)  Met  moeite  uithouden ,  volkouden.  \\  Haddet 
(het  beleg)  iet  langer*  moeten  dnren,  sienhaddens 
niet  meer  connen  besneren,  Brab.  T.  YI,  8211. 
Want  iet  tot  hier  heb  besuyrt  in  eren  eens  goets 
mans.  Wrake  III,  2510.  Dies  leggic  myn  wedde, 
dat  sy  daer  i^op  bed)  onlanghe  sal  dnren,  sj  en 
mochte  nemmee  besuren.  Treden  555. 

d)  Met  moeite  verwerven.  ||  Wonnen  gnet  is 
qnaet  verloren,  dat  mit  arbeyde  is  beznert,  Hild. 
77,  88. 

e)  Met  moeite  en  inspanning  doorbrengen ,  met  Aet 
doen  van  groote  daden  besteden.  \\  Hoe  hertoge 
Jan  ....  sQn  leven  heerlic  besnerde  ende  hoe 
vromelic  hl  hem  ruerde,  Brab,  T.  Dl.  1,  bl.  412, 
▼s.  14. 

/)  Met  moeite  doorworstelen.  ||  Dns  clagic  Gode 
m^n  mes  val,  dat  ie  dese  werelt  moet  besneren, 
ZansL  430. 

g)  Iets  moeilijke  y  gevaarlijks  ondernemen.  ||  Die 
Kone  wiste  wel  .  .  dat  hi  emmer  moeste  varen 
dese  zware  vaert  besneren,  deze  moeilijke  reis  gaan 
ondernemen  y  Lsp,  II,  6,  29.  Dat  si  so  meneghe 
▼rese  ende  so  meneghe  staerke  rese  (gevaarlijke 
expeditie)  dor  sinen  wille  hadden  besnert  ende 
hem  so  dicke  geaventnert,  Alex.  III,  1203. 

5)  Lijden,  uitstaan,  ondervinden;  te  lijden,  ie 
verduren  hebben.  —  d)  Met  een  pers.  als  ondw.  || 
Dat  ie  beznere,  dat  moetic  zwighen,  de  redenees 
mi  te  lidene  zwaer !  OVl.  lAed.  e,  Qed.  456, 19.  Der 
minnen  pas  {den  weg ,  de  gevolgen)  moetic  besnren, 
Glor.  510.  Wat  hebbic  al  door  n  besnert  ende  mi 
gheaventnert  eer  ie  hier  comen  ben  in  dlant,641. 
Hen  hat  die  stede  niet  verbnert,  soene  hadde  dat 
niet  besnert,  Sp,  III ^,  12,  89.  Hier  sal  comen 
t«cip  van  aventnren,  dat  menegen  hevet  doen  be- 
snren, Lanc,  m,  25410.  ^line  minne  hebdi  n  om 
sere  gheaventnrt.  Twaren  ghi  hebt  ghenouch  besnert 
ende  herde  sere  verdient,  JAmb,  YI,  1224.  Daer 
ie  vele  in  besnerde,  Sp.  W,  44,  32.  Peinst  wat 
Jhesns  ghedoghen  wonde  dor  nwen  wille  ende 
besnren,  Overzee  206.  Yallen,  rysen,  oec  beznren 
met  penitencie  vanden  zonden,  Hild.  217,  86. 
Als  God  wil,  oec  wyet  besnert  (nl.  het  sterven), 
soe  ist  verloren  tenen  male ,  129 ,  203.  Een  scheyden 
mnsten  si  bezneren,  MLoep  I,  387;  vgl.  11,1164. 
Sulck  sceyden  ter  werelt  en  achtick  niet,  dan  dat 
leste  sceyden,  dwelc  elc  besneren  moet,  Belg, 
Mus.  9,  149,  92.  Omdattn  heefs  ghescnert  Gods 
ghebod,  heefstn  besnrt  (^^i-i^  verbnert),  dathidgn 
rike  scnert  met  rechte,  Rijmb,  12013  rar.  (De  kat) 
maect  node  hare  poten  nat,  het  schynt,  aat  zoet 
niet  wille  besnren,  kan  verdragen,  Praet  2268. 
—  Ene  plaghe  besnren,  Bdjmb,  4081.  Groet 
torment  b.,  Lsp,  III,  8,  33.  Leet  b.,  Toree  46. 
Fine  b.,  Hild.  99,  166;  Bijmb.  26564.  Die  doot  b.. 


hetzelfde  als  die  doot  \i^(iOT%r^,  den  dood  onder- 
gaan, smaken,  sterven,  Brab.  T,  YI,  1338;  YII, 
16042;  Hild.  126,  266 ;  iSt/md.  626 ;  29492;  Aa^.  JS/. 
lY,  180;  Alei,  YI,  169;  FUmdr,  I,  784. 

b)  Met  eene  zaak  als  ondw.  Doorstaan,  verduren, 
Ujden.  II  Die  myne  {mijn  schild)  heft  soe  veel 
besnert  beide  van  steken  ende  van  slaghen ,  Trogen 
7269.  —  De  onb.  wijs  als  znw.  Smart,  lijden, 
kwelling.  \\  Al  brenctet  scheiden  groot  besnren, 
Hild.  116,  17.  Wye  dat  boos  is  van  natnren,  wel 
te  doen  is  hem  beznren,  218,  11.  Een  ewelijc 
besnren ,  daer  gheen  eynde  en  is  te  wachten ,  242, 
40.  Alsoe  dicke  machment . .  setten  so  in  avontnren, 
dattet  comt  tot  groten  beznren,  248,  112.  —  Om 
geen  besnren,  al  moet  men  er  nog  zoo  veel  om 
lijden,  voor  geen  geld  van  de  wereld,  \\  Dat  hi 
.  dit  dorste  avontnren  ende  niet  laten  om  gheen 
besnren,  Hild.  1,  253.  Die  zeeman  leeft  der  avon- 
tnren, hy  en  dede  niet  om  gheen  besnren  anders 
dan  hi  selve  gaert,  42,  139.  Dat  si  dinghen 
avonturen,  si  en  dedens  nae  om  gheen  besnren, 
194,  161. 

6)  Ergens  voor  Ujden,  boeten, 

a)  Yoor  de  schnld  van  eenandei*.  jj  Dnsqnaemt 
dat  hi  (Adam)  tghebod  verbrac,  dat  zi  becochten 
ende  wi  bezueren,  OVl.  lied,  e.  Oed,  516,  652. 
Dat  zwaerlic  wilde  besnren  Onse  here  Christus 
onse  behont,  om  ons  te  benemene  thelsche  cont, 
Lueid.  1563.  Nu  merc  of  Jhesns  zelve  wilde  hemel- 
rike  meest  besuren,  als  hi  zgn  bloet  hier  sturte 
milde  over  ons  allen  creaturen,  Praet  2275. 

b)  De  treurige  gevolgen  zijner  eigene  handelingen 
ondervinden,  er  voor  boeten,  ze  ontgelden,  duur 
betalen.  Ie  besuer  \%i,  het  wordt  mij  „te  sure," 
het  breekt  mij  op  (waarin  hetzelfde  beeld  ligt  als 
in  besuren).  \\  Die  goede  ridder  heeft  besnert  alle 
die  minne  van  eertrike  {die  wereldsche  minne),  Segh, 
5170.  Doen  ie  quam  in  den  strQt,  besnerde  ie  den 
eersten  steke,  kwam  ik  er  slecht  af,  8660.  Al 
sonde  hyt  stelen  seer  besuren,  Hild.  10,  406.  Al 
soudic  tavontmael  besueren ,  200 ,  88.  (Hi)  brencten, 
dat  hi  na  besuert,  al  dat  verdeel,  dat  hi  socht, 
252 ,  90.  Die  gheme  langhe  int  drinchuus  dnren  . ., 
hoe  si  dat  int  inde  besneren  ende  hoe  si  sijn  dan 
thuus  ontfaen ,  Belg,  Mus.  10 ,  51 ,  19.  Hare  sonden, 
die  si  daeden  .  .  in  hare  joget  .  .,  dat  si  nu  wel 
sere  beznert,  Bose  4465  var,  Hine  was  so  coene 
noch  so  stout,  hine  besnerde  daer  sgn  sout,  dat 
si  te  voren  hadden  ontfaen,  hij  betaalde  daar  duur, 
nl.  met  het  leven,  de  soldij,  Stoke  YIII,  367. 
Enen  schat  .  .  hadde  hi  besloten  ende  vast  bemuirt, 
den    meuich    goetman    hadde    besuirt  ende   tlQff 

fheset  in  groten  verliese,  MLoep  I,  564.  Des 
roech  hi  hoer  ghetrouwe  minne . . ,  dat  si  namaels 
wail  besnerde,  1982.  Yanden  grale  die  aventnren, 
die  menech  riddere  sal  besnren,  Lanc,  III,  1099. 
Der  minnen  .  . ,  die  langen  tiit  hadde  gedurt  ende 
elkerliic  {nom,)  hadde  besurt,  die  voor  beiden  een 
bron  van  verdriet  was  geweest,  Limb.ïX,  44.  Selve 
hilt  hl  {Lgcurgus)  ende  besnerde  alle  die  wette,  die 
hi  cuerde,  S^,  I*,  32,  54;  hij  ondervond  de  kracht 
zijner  eigene  wetten  bezegelde  ze  tot  zijne  eigene 
schade.  —  Ook  in  het  pass.  ||  Yan  minne,  die 
dicke  wert  beznert,  als  mense  gheckelic  aenvaet, 
MLoep  I,  3214.  Eene  enkele  maal  ook  met  den 
4den  nv.  van  den  pers.  jj  Met  rechte  heb  ie  u 
ghemint,  want  ie  u  sere  hebbe  besuert,  ik  heb 
zeer  veel  om  u  geleden,  Segh,  2596.  —  Het 
besuren,  het  ontgelden,  er  voor  boeten;  het 
doen  besuren,  het  doen  opbreken,  jj  Alsnecthi 
sine  minne  ane  u ,  wildi,  ghi  moghes  wel  ontberen. 


4127 


BESU. 


BESW. 


4128 


want  menegbe  joncfroa  .  .  bevet  dicke  swaerl^jc 
besuerty  Fad.  Mm,  1,  400,  91.  God  en  wils  niet 
meer  besneren,  want  hi  beeft  eenwarff  al  betaelt, 
Hild.  135,  114.  Doet  siit  ooc,  soe  moet  siit  sciere 
weder  besueren  in  dat  wont  en  de  bebben  de  pine  . . 
menichfont,  lAmb.  I,  1720.  Dn  drives  weelde  ende 
feeste  .  . ,  waendi ,  gbi  en  selt  besnren  ende  dogben 
hier  omme  wee,  JD.  War,  2,  363,  63.  Met  groten 
slaghen  ende  met  sneren  so  dede  hyt  hem  allen 
becueren  (/.  besueren),  Troyen  4632.  Woudi  dat 
die  ridder  fijn  .  .  (de  speer)  wederghecreghe  ent 
besnerde  met  feilen  slaghen  aen  sijn  lijf?  Segh, 
6142.  —  Ook  van  hetgeen  men  Yoor  anderen  lijdt. 
II  Gbi  hebbet  .  .  stTtheaJiri  ^  hard  te  verantwoorden 
gehad y  ende  n  selven  gheaventurt  dore  minen  wille, 
Limb,  VI,  1783. 

*  BESÜST,  bnw.  Verkeerde  lezing  voor  be- 
t  i  i  n  M  t ,  met  tijns ,  belasting  bezwaard  ^  zooals  andere 
teksten  hebben.  ||  Ten  waere  tselfde  lant  herent, 
belast  oft  besnst  (/.  betiinnt)  waer  met  scepenen- 
brieveu,  oude  wilcoren  oft  geestelike  renten, 
O.  R.  V.  Dordr,  2,  308. 

BESWAERNISSE  (beswernisse),  znw.  vr.  Mnd. 
be»v>emi99e\  mhd.  beswarnwe.  Bezwaar  ^  Uut^ 
moeilijkheid.  \\  Ocht  hoere  de  roeke  yet  deren  soud 
daer  af  ent  hare  engeen  beswemes  en  gaf,  Lutg. 
III ,  886.  Streckende  tot  bezwarenisse  der  rechteren 
ende  groeten  achterdeel  der  twistiger  parthien, 
Overijs,  R.  P,  207.  Off  hem  .  .  tot  eniger  tijt  bij 
yemande  last  off  bezwarenisse  toeqname,  V.  d.  Wall 
491.  Off  onser  stede  van  Dordrecht  .  .  lajst  off 
beswairnisse  aenquame,  494.  Dat  het  den  lande  . . 
namaels  te  laste  comen  mochte  .  .  ende  te  be- 
swaemissen,  Brab.  Y.  VI,  9663.  Hoe  wel  te  be- 
swaernissen  die  woirden  Inden  meer  daer  ave 
opten  hertoge  dan  opten  grave,  Brab.  T,  Dl.  2, 
bl.  77 ,  VS.  136.  —  Ook  in  den  zin  van  la^tigheid, 
II  Bezwaemesse  oft  pijnl|jchede ,  Es,  v.  1348,  244a. 
BESWAREN  (besweren)  ,  zw.  ww.  bedr.  en  onz. 
Mnd,  besweren\  mhd.  beswaren.  Vgl.  belasten. 

Bedr.  —  1)  Zwaarder  maken  ^  verzwaren.  ||  Als 
si  den  man  begripen  moghen,  daer  sij  mede  be- 
zwaren haer  doghen ,  MLoep  IV ,  2195.  —  Ook  s  i  n  e 
bant  beswaren,  zijne  hand  doen  drukken.  \\  Dat 
bi  (God)  sijn  bant  alte  ongbenadelic  op  di  be- 
swaert,  Devoet  B.  (36)  llr. 

2)  Last  aandoen^  het  iemand  Instig  maken ^ 
kwellen  y  plagen  ^  bedroeven.  ||  Hier  na  zolen  die 
broedere  mit  vlite  staen,  dat  zi  .  .  die  een  den 
anderen  niet  en  beswere,  1).  Orde  257.  Datte 
lichame  de  ziele  besweert,  laitg,  II ,  1031.  Brengs 
du  dine  offerande  toten  outare  ende  ghedinct  di 
daer,  dat  dyn  evenkersten  es  beswai-t  van  di,  door 
u  gekweld  is ,  reden  van  ontevredenheid  op  «  heeft , 
L.  V,  J,  c,  38.  —  Met  God  als  ondw.  Straffen ^ 
beproeven.  \\  Onse  Heere  die  wiltse  bes  weren  op 
dat  sij  dese  mesdaet  amen,  Serv.  I,  1726.  —  Met 
eene  zaak  als  ondw.  Bedroeven  ^  temeerslaan,  \\  Al 
dat  him  mach  bezweren,  dat  verghet  hi,  MLoep 
II,  1208.  —  Het  bnw.  deelw.  beswaert  bet. 
bedroe/d,  terneergeslagen.  \\  Dat  die  goede  mensche 
heeft  in ,  soe  waer  hi  es ,  bliden  sin  van  goeden 
dinghen  .  .  .  ende  van  den  quaden  wert  hi  be- 
swaret,  laetari  bonis  et  dolere  contrariis^  Melib. 
153.  Here,  wi  comen  van  Coelne  waert  .  .  sere 
beswaert  .  .,  want  bet  was  te  jammeme  sere, 
Lorr.  I,  1009.  Dus  voeren  Garijn  ende  Ritsaert 
tAken  waert  sere  beswaert,  1125.  Daer  mense 
leide  uutwaert  {naar  den  brandstapel) ,  worden  die 
liede  sere  beswaert,  Ztm^.  1 ,  1966.  Al  there  wasser 
sere    af   beswaert   ende   tonghemake,    II,    1226. 


—  Enen  beswaren  tegen  enen,  iewtand  met 
een  ander  in  moeilijkheden  ^  oneenigheid  brengen.  || 
Enich  borgher  die  enen  anderen  onsen  burgber 
beswaerde  teghen  eenighen  g^t  van  buten ,  Stmdsr. 
V.  Zwolle  67,  60.  Dengenen,  daer  hi  hem  te^a 
beswaert  hadde,  alsoe  groet  vrient  onsen  burgner 
te  maken ,  als  hi  te  voren  was ,  ald.  Item  so  hebben 
Gheerd  van  den  Dale,  enz.  beswaert  die  stad  van 
Swolle  teghen  goede  Inde  van  buten,  daer  mede 
hebben  se  verbciert  elc  hondert  scillinghe  ende  dese 
beswaringhe ,  die  deze  vier  ghedaen  hebben ,  heeft 
der  stad  ghecost  wel  dusent  pont,  176. 

3)  Bezwangeren.  —  Slechts  in  het  deelw.  be- 
swaert, zwanger.  \\  Die  coninginne  .  .  die  bleef 
thuus  beswaert  sere  van  kinde,  daer  soe  af  gelach, 
Sp.  III*,  44,  56.  So  dat  soe  bez waert  waert  van 
kinde.  Franc,  9406. 

Aanm.  Sp.  III*,  49,  49:  „Daer  na  worden  sine 
kindere  beswaert  ende  worden  quelende  ,**  is  waar- 
schynlijk  slechts  eene  onhandige  vertaling  van  het 
lat.  yt^Mi  gravxter  egrotavemnt." 

Onz.  —  Bedroefd  worden.  —  Doen  beswaren, 
bedroeven y  temeerslaan.  ||  (Hi)  starf  ...  in  sinea 
jongen  jaren,  dat  menich  herte  dede  beswaren, 
Brab.  T.  VI,  445. 

BESWARINGE  (besweringe),  znw.  vr.  Mhd. 
beswarunge,  Vgl.  beswaernisse. 

1)  Last,  moeite y  bezwaar.  \\  Dat  die  veilich  w»en 
selen  ende  ghene  moyenis ,  beswering,  arresieringhe, 
noch   arch   liden   in    eniger   wgs,   Ngh.   3,  237. 

—  Ook  in  den  zin  van  moeilijkheid ,  oneenigheid.  \\ 
Dese  beswaringhe  .   .  heeft  der  stad  ghecost  wel 
dusent  pont,  Stadsr.  v.  Zwolle  176. Vgl.  beswaren  2). 

2)  Bezwaring  van  het  geweten  ^  aansporing  ten 
kwade.  \\  Oft  gbi  uwen  wille  hadt  te  doene,  en 
consti  dan  ons  beswaringe  niet  wederstaen  ?  Blise. 
v.  M.  539. 

BES  WEERRE  (besweraer),  znw.  m.  Bezweerder, 
duivelbezweerder  y  duivelbanner.  Voor  de  vorming 
vgl.  men  begeerre,  leerre^  e.  dgl.  ||  Exorcisten, 
dat  luut  besweerres  in  onse  tale ,  Rijmb.  23192. 
Hy  hadde  mit  hem  gokelaers  ende  besweraers, 
D.  B.  II  Chron.  33,  6. 

BESWEET,  bnw.  Van  sweet.  Met  zweet  bedekt, 
van  zweet  doortrokken,  Vgl.  besweten.  ||  Alssise 
{hun  hemden)  besweet  laten  rotten  ende  onghe- 
uwoghen ,  Rein,  II ,  5122.  Hi  was  bezweet  ende  seer 
verhit,  ende  wilde  dwaen  sine  lede ,  Stoke  II ,  954. 

BESWELGEN,  zw.  ww.  bedr.  Inslikken,  ver- 
zwelgen. II  Ist  dat  hiis  {de  zieke)  niet  en  mach 
bezwelgen ,  dan  salmen  in  den  put  {holte)  van  dea 
halse  stellen  een  cleyne  ventose,  Lanfr.  94r  (vgl. 
95r:  dan  sal  hy  wel  y^Tswelgen). 

BESWELMT,  bnw.  Fuil, smerig,  eig.  berookt,  be- 
walmd ;  van  swelm  of  swalm ,  d.  i.  walm ,  swsook.  Zie 
Lubben  4, 484.  ||  Den  Griecken  te  verwyte  sal  ie  rayn 
bluesende  aensch(f  n  vrg  beswelmt  ende  leelick  voort 
toghen  dy  met  tranen  bedropen  vol  Tan  ronve, 
Troyen  {Vb.)  32a. 

BESWELTEN  (beswilten),  sL  ww.  onz.  KiL 
languescere,  deficere  animo.  Zie  swelten  en  T.en 
Lettb.  5,  48—51.  —  1)  ( Van  honger)  sterven.  \\  Datter 
alomme  veel  schamele  lieden  van  hongbere  ht- 
swolten.  Despars  1,  270. 

2)  Bezwijmen,  in  onmacht  vallen.  ||  Mettien  oit- 
fait  haer  dat  spreken  ende  sy  beswalt,  mer  die 
jonffrouwen  namen  saen  op  hare  vrouwen  ende 
droeghen  se  in  een  camer  aaen  daer  sy  tas 
hertten  lach  ontdaen,  TVogen  f.  256éiiL  Si  seecli 
neder  ende  beswalt,  Velth.  IV,  40,  61.  In  hare 
camere    beswalt    soe    dare    wel    vierwerven  oAe 


1129 


BESW. 


BESW. 


4130 


vive,  Flandr,  Y,  18.  Int  herte  ontflnc  hi  doen 
jubelacie,  die  ridder,  soe  groet,  dat  hi  bes  walt 
ende  doot  voer  des  ermiten  voete  valt ,  Vod.  Mus, 

1 ,  56 ,  232.  Als  das  ghehoont  was  die  joncfroawe  . . , 
beswalt  soe  van  groten  sere,  Parth,  2145.  Doe 
nioesti  vallen  ende  beswelten  tenegadere  so  menech- 
waerf,  mi  wondert  dat  hi  doe  niet  en  staerf, 
2394.  (Doe)  mochti  een  twint  niet  ghespreken 
voort  ende  beswalt,  2525.  Mettien  beswalt  die 
keiserinne  ende  waert  vele  bleec  ende  verweloes, 
3511.  Doe  suchtese  stille  ende  beswalt  vangroten 
zeere ,  3578.  Hem  qnam  conde  ende  grote  pine , 
dat  hl  viel  ende  beswalt,  Alex,  X,  1353.  Van 
ronwen  wart  hi  so  ontdaen,  dat  hi  driewerf  be- 
swalt achtereen,  Flor.  1127.  —  Nog  heden  in  't 
Ylaamsch  in  gebruik  (De  Bo  126;  Schuerman8  52). 

B£SW£ND£L£N,  iw.  ww.  onz.  Mhd.  betwindeln, 
d.  i.  exl€uire^  yien.  Ygl.  hd.  tchtoindeln^  ohd. 
Mwintilén.  Duizelen^  een  gevoel  hebben  aleofmen  rond- 
draait. —  Yandaar het  deelw.  bnw.  beswendelt, 
duizelig.  ||  Onse  Here  .  .  hinc  aenden  cmce  .  .  . 
met  beswendelden  hoefde ,  met  verscedenen  herten, 
Fad.  Mm.  2,  429. 

BESWEREN.  Zie  beswaren. 

BES  WEREN,  st.  ww.  bedr.  Mnd.  besweren; 
mhd.  besioem, 

1)  Door  een  eed  iemand  binden j  verplichten;  van 
daar  in  het  pass.  besworen  syn,  verplicht j 
verbonden  zijn  door  een  eed  of  zijn  eerewoord.  ||  In 
haren  dienst  bem  ie  bezworen  eighin  vry,  OFl. 
Lied.  e.  Oed.  147,  28.  Biden  gonde  sidi  bezworen 
Gode  te  dienene  al  nwe  jaere,  Sal€td.  153.  Johan 
Zuerbroet  .  .,  besworen  ende  bevraecht,  off  hij 
kende  die  brieve  ende  segel  voorseyt,  R.  v,  Utr. 

2,  86.  —  De  onb.  wijs  als  znw.  Verbinteni* ^ samen- 
zwering. II  Doe  Absalon  offerde,  soe  wort  daer  een 
machtich  besweren  ghedaen,  D,  B.  II  Sam.  15, 12. 

2)  Een  eed  doen  op  iet»,  ter  bekrachtiging  van  \ 
ictsj  de  tegenw.  beteekenis.  ||  Die  sal  den  vrede 
besweren,  Fri.  Stadr.  98,  114.  —  Ook  in  het 
algemeen.  Een  eed  doen,  zweren,  —  Ook  in  de 
nitdr.  besworen  kerf,  waarvoor  Bet,  d.  Or.  1, 
354,  ghesworen  kerf  gelezen  wordt,  d.i.eig.de 
kerf  der  betvoorenen  of  gezworenen;  de  kerven,  die 
door  hen  op  den  kerfstok  gesneden  werden,  waar- 
door werd  aangeteekend  het  bedrag,  dat  ieder  in 
eene  bede  moest  inbrengen.  Besworen  kerf  bet. 
dns  eene  wettige  bede.  ||  Zo  waer  dat  onser  poerteren 
goet  gheleghen  is  binnen  jnwen  lande ,  dat  en  sel 
gheen  onghelt  ghelden  dan  binnen  onser  vrihede 
van  Aemstelredamme ,  zonder  allene  in  beswoeren 
kerve ,  O,  B.  v.  Amst,  13.  Zie  de  noot  2)  op  bl. 
28  en  vgl.  kerf. 

3)  Onder  eede  iemand  als  den  schuldige  of  den 
medeplichtige  aanwijzen.  \\  Worde  yemant  in  dien 
dootslach  bezworen,  die  daer  niet  vredeloes  in 
gheleyt  en  ware,  die  soude  vrede  hebben  ter  tyd 
toe,  dat  hi  up  sgn  niyme  quame,  tot  dat  hij  zich 
door  de  vlucht  aan  de  straf  onttrok,  O,  W,  v,  Amst, 
7,  2.  Nyemant  daer  in  te  besweren,  hij  en  zij 
bezaket  ts  voren  eer  men  claghet,  ald. 

4)  Met  den  3dennv.  Eenre  stede  besweren, 
den  eed  doen  op  de  vrijheden  en  rechten  eener  stad. 

II  Als  onze  .  ,  ghednchte  joncvranwe  .  .  dese 
stede  bezwoer,  Invent.  v,  Etugge  6,  160.  Onzen 
.  .  heere  ende  prince  .  .  als  hy  dese  zine  stede 
bezworen  hadde,  170.  Als  onze  ghednchte  heere 
ende  .  .  vranwe  deser  voors.  stede  bezworen ,  a/^. 

5)  Een  toover formulier ,  eene  bezweringsformule 
over  iemand  of  iets  uitspreken,  {een  boozen  geest) 
er  doot  uitbannen.  Zie  beswekrre  en  besweringe. 


BESWERINGE,  znw.  sx.WDA.beswerunge;mxi^. 
besweringe;  hd.  besehwörung.  Uitbanning  van  een 
boozen  geest  door  een  tooverformulier.  Teuth,  267 : 
besweryng  tegen  den  duvel;  85:  Tegen  den 
duvel  beswering,  exorcismus;  86:  die  die  be- 
sweringe doit,  heyt  excorcista. 

BESWERCT,  bnw.   Ygl.   mnd.  beswerken.  Yan 
swerke  (zie  ald.).  Bewolkt,  beneveld.  — Ook  fig.  || 
Mijn  oghen  waren  al  beswerct,  OFl.  Lied.  e.  Oed. 
251,  526. 

BESWETEN,  zw.  ww.  bedr.  Mhd.  besweizen. 
Kil.  54:  Sudando  niti,  sudare  multo  labore.  Ten 
koste  van  zweet,  van  zwaren  arbeid  bekomen,  jj  Si 
stelent  (het  goed)  al  den  ghemeiynen  armen,  diet 
met  pinen  besweten  ende  becarmen ,  N.  Doet,  523. 

—  Zie  ook  BESWEET. 

BESWETTEN ,  zw.  ww.  bedr.  Yan  swette ,  grens , 
(z  ald.).  Begrenzen,  afperken.  \\  De  van  Roeszwinckel 
sollen  oer  bepaelde  unde  beswettede  landt  ge- 
bruicken,  Etst.  v.  Dr,  147.  Ygl.  mnd.  beswettet, 
beswat tet,  d.  1.  belendend  (Lubben  1,  294,  waar 
o.  a.  belandett  en  b e s w e 1 1 e  t  verbonden  voor- 
komen). 

BES  WICHTEN,  zw.  ww.  bedr.  Inwikkelen ,  om- 
hullen. Yerwant  met  ons  zwachtel.  Ygl.  ohd.  svfifan; 
onr.  svipa,  d.  i.  involvere  (Graff  6,  901);  bisweifan 
(t.  a.  p.) ;  mhd.  besweifen,  omvatten  (Lexer  1 ,  232); 
en  ohd.  umbisweifo,  d.  i.  amictus  (Qraff  t.  a.  p.); 
mhd.  umbesweif  (Ben.  2 ,  786^) ,  d.  i.  wat  iemand 
omgeeft  om  hem  te  dekken.  ||  Ondect  die  lieflike 
aenghesichten ,  ende  wiltse  niet  te  duen  bezwichten, 
datmen  die  zoete  wangskijns  root  schouwen  mach, 
MLoep  II,  4147  (de  verklaring  van  De  Jager, 
Arch.  4,  146  door  beswiken,  d.  i.  cireumvenire ,  is 
onjuist). 

BESWIJC  (in  hd.  gekleurde  geschriften  ook 
BESWIJCH),  znw.  o.  Mhd.  beswich.  Af  val ,  verraad. 
Slechts  in  de  uitdr.  beswgc  doen,  hetzelfde  als 
beswiken  (zie  ald.).  ||  Wie  soudso  mi  dan  doen 
bezwijch,  OVl.  Lied,  e,  O.  70,  17.  Hoe  saltu  mi 
dan  doen  bezwijch,  dyn  zien  es  mi  een  hemelrijch, 
(oorspr.  blijkbaar:  zwjjc:  rüc),  130,  13. 

BESWIKEN,  st.  WW.  bedr.  en  onz.  Mnd.  be- 
swiken; mhd.  beswichen,  Yan  swiken  (zie  ald.). 

Bedr.  —  In  den  steek  laten,  aan  zijn  lot  over- 
laten, zijne  handen  van  iemand  aftrekken,  iem.  be- 
geven, verlaten,  afvallig  worden  van  iemand, 

a)  Met  een  pers.  als  ondw.  en  een  pers.  als 
voorw.  II  Uwe  kinderen,  die  ghl  op  desen  dach 
in  eeuwigher  verderffenessen  bringhen  sondt,  op 
dat  ghi  hen  luden  bezwijct,  Cron,  r.  Vlaend,  1, 
158.  Nemmermeer  en  wordi  van  ons  bes  weken, 
Troyen  Vb.  32a.  Ie  hope,  ghy  my  niet bezwjjcken 
en  selt.  Mar,  v.  N,  16,  387.  Dat  hi  heme  (zijn 
vriend)  nine  beswike,  Bose  4624.  So  dat  hi  hem 
niet  en  beswike  ende  hi  hem  soude  staen  in  staden, 
Stoke  lY,  332.  Hine  besweec  hem  {zijnen  heer) 
nemmermere,  YIII,  888.  (Doe)  hem  sijn  maghen 
souden  beswiken,  Hild.  64,  251.  In  beswike  ju 
niet,  troest  ju  in  desen.  Wal,  9435.  Ocht  ie  u 
emmermeer  beswike,  soe  moete  mi  God  seinden! 
Beatr,  308.  Mine  vrient  beswiken  mi  ter  ure, 
Lane,  III,  15214.  Zoo  ook  Y.  d.  Wall  296;  Oest, 
Bom.f.l^b.  —  Met  God  als  ondw.  ||  Minnen  wi 
Gode  van  hemelrike ,  die  en  sal  ons  niet  beswiken, 
Lansl.  H.  916.  (God)  die  niement  en  beswijct,die 
te  sgnre  ghenaden  strgct,  JLsp.  I,  47,  25.  Hi 
niman  en  beswict  noch  beswiken  en  sal,  di  hem 
getruwe  es,  Limb,  Serm.  215<?.  Als  hen  God  wilde 
beswiken.  Vierde  Mart,  162.  Bidt  Gode,  dat  hi 
ons  niet  en  beswike,  435.   {De  ziel)  ne  blijft  niet 


4131 


BESW. 


BET. 


1132 


besweken  van  hem  diet  al  ghevet,  Wap,  Bag.bbi. 
Den  mensche  hi  {Ood)  nemmermeer  besweke ,  Binel. 
410.  Zoo  ook  O  VI.  Lied,  e.  Ged.  53,  96;  Wap.  Mart. 

III,  246;  Hild.  185,  167.  —  Ook  Boetpê,  38,  85 
behoort  hiertoe:  „Na  biddic  di,  Here,  .  .  datghi 
mi  niene  laet  beswiken;  men  kan  nl.  laet  als 
zniyer  hnlpww.  opvatten;  lat.  {Ft.  38,  21):  y^ne 
derelinquat  me ,  domine,^'*  Of  men  heeft  hier  al  een 
voorbeeld  van  beswiken;  in  de  bet.  van  ons be- 
zvijken  intr. ,  m  krachten  te  kort  schieten.  —  Met 
God  of  een  heilige  als  voorw.  Zich  van  hem  af- 
keerenj  gijn  dienst  vaanoel  zeggen.  ||  Santé  Johan 
en  wonde  si  niet  beswiken  noch  Maria  Qodes  moeder , 
Eor.  Belg.  10,  92. 

b)  Met  een  pers.  als  ondw.  en  eene  zaak  als  voorw. 
Raar  vaanoel  zeggen^  afvallig  worden  van  iet* ^ het 
begeven.  \\  Bat  wi  die  doecht  ie  besweken,  mach 
ons  rouwen  alle  weken ,  Vierde  Mart.  276.  —  Ook 
met  een  2den  nv.  of  eene  bep.  met  van.  ||  Der 
tmwen  en  wonde  sy  niet  bezwiken,  MLoep  II, 
398.  Dat  en  saldi  niet  gheliken ,  off  ghi  moet  der 
eer  bezwfjcken,  lY,  2231.  Hi  hadde  ghemaect 
een  convent  .  .  metten  coninc  Ëdewaerde  .  .  van 
hnwelike,  dat  haer  gheen  daer  of  beswike,  Stoke 

IV,  780. 

c)  Met  eene  zaak  als  ondw.  en  een  pers.  als 
voorw.  Ontzinken^  ontvallen^  begeven^  in  den  steek 
laten.  ||  Mgn  vrienden,  maghe  ende  scat  die  sullen 
mi  beswiken,  OVl.  Lied.  457.  Wat  mach  mi  nu 
beswiken?  Mijn  lief  heeft  mi  verbijt,  Eor.  Belg. 
10,  145;  vgl.  9,  42.  (Dat)  soe  {armoede)  niene 
beswike,  niet  beschaamd  doet  uitkomen^  die  hare 
met  trouwen  wike,  ^tf^.  ifar^.  1 ,  818.  Mi  beswiken 
al  mine  lede,  ja,  omdat  ie  van  ju  sceden  moet, 
Wal.  6144.  Die  tale  hem  mettien  besweec,  Troyen 
3132.  Dat  hem  daer  van  enen  hare  sine  coenheit 
iet  besweec,  Lanc.  II,  38572.  So  besweken  hem 
alle  die  lede,  FUrr.  1019;  Sp.  \\\  43,  27.  Seghelijns 
ors  besweken  die  lede,  Segh.  1934.  Doe  bezweken 
haer  die  been  ende  viel  in  onmacht ,  Fyr.  en  Th.  373. 

Onz.  —  In  onmacht  vallen^  bezwijmen.  \\  (Doe) 
gebrac  hare  therte  ende  si  besweec,  ende  si  sat 
neder  al  bleec ,  Lanc.  II ,  11479.  —  Over  beswiken 
in  de  bet.  van  ons  bezwijken,  zie  bij  bedr.  a). 

BESWIMEN ,  oorspr.  st.  ww.  onz.  en  bedr.,  doch 
reeds  in  het  Mnl.  bijna  nitsluitend  zw.  gebruikt. 
Zie  swiMEN.  Mnd.  bestoimen,  -eln^  mhd.  beswimen. 

Onz.  —  Door  eene  duizeling  overvallen  worden , 
in  onmacht  vallen.  ||  Hoe  swaer  wart  dat  herte 
mijn!  Mi  docht,  dat  ie  beswijmde  al,  Rein.  II, 
6196.  —  Vandaar  het  deelw.  b  e  s  w  ij  m  t ,  duizelig ; 
bij  uitbr.  dwaas,  onzinnig.  ||  De  mensche  es  al  te 
zeer  bezwijmt,  die  om  caf  hier  gheeft  zijn  coren, 
Praet  837. 

Bedr.  —  Duizelig  maken;  bij  uitbr.  dol  maken.  || 
Soe  {folie)  es  tlim  van  vele  souden,  die  menighe 
ziele  zware  wonden ,   wanneer  dat  soe  mach  be- 
zwimen  den  mensche  ende  zinen  geest  belimen, 
Praet  1146. 

BESWOENEN,  zw.  ww.  bedr.  Oudere  en  oor- 
spronkeiyker  vorm  van  3^.9(?^»tf}». Vooral  in  Geldersche 
oorkonden  voorkomende.  Vgl.  zwoel  met  zoel\  en 
T.  en  Lettb.  2,  66  vlgg.  —  Vgl.  vooral  bksoenen. 

1)  Verzoenen,  in  eene  goede  verstandhouding 
brengen  met.  ||  Die  stede ,  borgere  ende  ingesetene  .  . 
van  alle  saken  .  .  mit  onsen  .  .  heren  van  Oistrich 
ind  van  Cleve  .  .  ganss  vast  int  stede  beswoent, 
Nflh.  5,  129. 

2)  In  een  zoen  of  vrede  opnemen,  begrijpen.  \\  Als 
wij  ..  die  ghoene,  die  sich  mit  oen  in  die  vede 
gemenget  bedden,  mede  beswoenen,  NJh.  4,  373. 


Hier  in  sullen  mede  beswoent  weses  alle  burgere . . 
der  stede  Njmegen  ende  Grave,  6,  135.  Anderre 
Gelresscher,  die  hier  in  mede  beswoent  werdeo  , 
ald.  Mit  den  anderen  mede  beswoenden  Gelres- 
schen,  ald.  —  Ook  enen  beswoenen  op  een 
goet,  een  zoen  aangaan,  waarbij  iemand  het  onge- 
stoord bezit  van  dat  goed  is  verzekerd.  \\  Voert  is 
een  yegelick  beswoent  op  sgn  goet,  ald.  3,  24. 

4)  Met  het  obj.  geit.  AU schadevergoedimg  beloven; 
bij  een  zoen  bepalen ,  dal  het  moet  betaald  worden.  || 
Die  en  sal  n^et  langher  borghe  bliven  dan  tfaent 
die  zwoene  uutgheseghet  is  ende  dat  ghelt,  dat 
daer  beswoent  is ,  betaelt  zij ,  O  verijs.  £. ,  I  ■ ,  152. 

BET,  voorz.  Mnd.  bet,  bette,  bUte.  In  beteekenis 
geiyk  aan  het  hd.  bis,  waarmede  het  ook  in  vorm 
verwant  is,  waarschijnlgk  van  bi  (be)  afgeleid, 
evenals  tot  van  te.  Vgl.  Grimm,  Wtb.  2,  42.  In 
het  mnl.  zeer  zeldzaam;  het  gewone  woord  voor 
tot  was  tote  en  voor  tot  dat,  onthier  ende 
(zie  ald.).  ||  Ende  der  vorghenoemder  vgfpontgheldes 
selen  die  heren  van  Oudmonster  tUtrechtelksjaers 
vermanen  .  .  dien  commenduer  van  sente  Katerinen 
bet  an  der  tijt  dat  onse  onrecht  verghonden  es, 
Oor  kb.  2,  425  a  (a.  1296). 

BET  (bit;  eig.  bed  ,  zooals  uit  de  samenstellingen 
blijkt),  voorz.  Met.  Reeds  in  het  onl.  komt  bit  voor, 
b.v.  Ps.  2,  11;  3,  4.  In  het  Mnl.  aUeen  in  ge- 
bruik in  de  samenstellingen  al-bed-alU  en  niet- 
bed-alle  (zie  die  woorden),  en  in  de  dial.  aan  de 
Zuidoosteiyke  grens,  b.v.  in  den  u^to/.,  b.v.  vs.  2: 
bet  sporen;  vs.  11:  bet  haesten;  vs.  26:  betvaintn 
munde;  en  zoo  ook  54,  78,  88,  91,  94,  97  vlg., 
130 ,  161 ;  enz.  —  Zoo  ook  in  de  lAmb.  Serm.,  b.v. 
8a:al3»V  blude  begoten;  14a:  der  duvel  .  .  vuget 
bit  sinen  bosen  raden,  dat  der  mensce  ilanc  meer 
ende  meer  becort  wert;  enz. 

BET  (bat),  bijw.  Ohd.  ^«r;mhd.  dor;  mnd. M, 
bet;  ags.  bet.  Oorspronkelgk  positief  met  de  bet. 
van  mnl.  mdJï^,-  wel;  comp.  got.  baüso,  nl.  beier; 
superl.  got.  batists,  ndl.  best;  vgl.  Benecke  l,93é; 
later  algemeen  gebruikt ,  om  den  compar.  van  waïe 
te  vervangen  en  dus  gebezigd  in  de  bet.  van  ^/^. 

I.  Als  positief.  Wel,  goed.  ||  Si  es  dat  bat- 
geraecste  wyf,  dat  nie  ter  werelt  ontfinc  liif, 
Limb.  I,  1305  (vgl.  VI,  2649:  Dat  scoenste  wgf, 
die  nie  ontfinc  van  moeder  liif,  entie  welyi#rd«ia/« 
mede). 

II.  Als  comparatief. 

1)  Beter.  \\  Die  swighere  merct  bat  ende  verstaet, 
dan  die  met  vele  sprekens  ommegaet,  Meliè.  1011. 
Dat  ment  niet  bet  besteden  mochte,  J^.  Ill'i  60, 
71.  Jonathas  maecte  die  mure  .  .  .  ende  veste 
{Jeruzalem)  bat,  Bijmb.  19986.  Die  een  troeste  hen 
bat  dan  die  ander,  Vrouw.  e.  M.  X,  54.  Ie  mane 
u  bi  uwer  wet,  dat  ghi  u  bepenset  bet;  bepeinst 
u  bat  op  dese  sake,  Theoph.  275.  Si  weten  bet 
dan  ie  ofte  enech  ander  comanvoere  ende  weten  oec 
bat  van  Blancefloere ,  Flor.  1465.  Die  behaecht  Gode 
alsoe  vele  bat,  Ruusb.  2, 112.  (Het)  smaket  hem  bet, 
3,  36.  Dat  si  alle  dinc  bat  weten  ende  bat  doen 
dan  yemen  anders ,  4 ,  36.  Vele  bet  te  moede  , 
L.  o.  ff.  364.  Bedinct  u  bat,  2753.  In  lanc  so  \mi , 
244.  Inlanc  so  bet.  Rein.  l,  1222.  Bat  is  beiden, 
dan  verhaest,  Hild.  4, 67;  enz.  —  In  de  volgende  uitdr. 
—  Bet  gheboren,  van  aanzienlijker,  edeler  ge' 
boorte  (vgl.  best  geb"oren,  Bein.  I,  798).  ||  Staicker, 
scoenre ,  bet  gheboren ,  Bijmb.  16053.  So  ghi  bat  sgt 
gheboren ,  soot  u  bat  sal  toehoren ,  dat  ghi  u  neder 
hont  ende  clene,  Lsp.  III,  3, 49.  Vgl.  ons  bnw.  wel- 
geboren en  het  Qr.evYevfjg'  —  Bat  staende, 
beter  houding,  uiterlijk.  ()  Dat  Walewein  scoenre 


1133 


BET. 


BET. 


1134 


ende  bat  staende  aloppenbare,  Lane,  III,  20584. — 
Bat  maken,  verbeteren ,  vertieren,  \\  Kerken  in  elke 
stat  sietmen  versieren  ende  maken  bat ,  Teest  482. 
Jhernsalem  die  stat  sal  hi  stichten  ende  maken  bat , 
J^p.  IV,  7,  67.  —  Vandaar  ghemaket  bat,  tier- 
f  ijker  ^  van  beter  uiterlijk'^  hetzelfde  als  batghe- 
maecter,  batgeraecter;  zie  bij   6).  ||  Ie  en 
sach  noit  in  enegher  stat  enen  ridder  ghemaect  bat, 
Ferg,  620.  — Mi  wort  bet,  ik  toord  beter  ^  het  geuit 
mij  beter  ^  ik  ga  vooruit,  \\  Alsoet  God  wilde,  so  wert 
hare  bet,  ende  yan  hare  geboren  waert  een  scone 
knapelkijn,  Sp.  II*,  16,  22.  Daer  na,  doe  hem  bet 
waert,  worden  sioe  kindere  beswaert,  III*, 49, 49. 
—  Bat  hebben.  —  a)  Beter  worden y  herttellen,  \\ 
Datsi  spise  nam  ende  at  ende  wart  gesterct  ende  hsïd 
saen  bat,  Z)»/^.  II,  601.  (Hi)  ghevnelde  van  binnen 
wel,  dat  hi  uyen  hadde een twinteken bat,  111,519. 
Op  dat  miin  wee  yet  hadde  bat,  Hadew.  1 ,  15, 67. 
Doe   Traghede   hi   yan  hem  die  nre  in  welker  hi 
bet  ghehadt  hadde,  Ht,  71,  Joh.  4,  52.  —  b)  Het 
beter  hebben,  \\   Noch  tan  yerblides  haer  snnderleke, 
alst  convent  in  spisen  had  bat,  Lutg,  II,  102.  — 
Hem  bat  hebben,  sich  beter  gevoelen,  \\  Ende 
had   haer  rastleker  uamaels   ende  bat ,  dan  si  te 
voren   dede,    Chritt.   711.   —  Bet  syn  met  (bi) 
enen,  hooger  ttaan  aangetchreven  bij  iemand,  Vgl. 
best  sijn  met  enen,  b|j  best.  ||  Doen  men  Pirse 
hinc,  was  hi  metten  coninc  nochdoen  vele  bat  dan 
enich  man,  Heeln  1401.  Isegrgn  ende  Brannsyn  na 
bet  bi  den  coninc  dan  ie  bi  n ,  Rein,  II ,  3805.  —  Bet 
varen.  —  a)  Beter  worden ^  genezen,\\VfMT ^vAxAl 
man  of  vrouwe  .  .  .  coep  deden  alse  si  ziec  sin, 
ende   wanneer   si   dan   bet  varen  ende  to  kerken 
ghaen,  Stadtr,  v,  Zwolle  136,  226.  —  b)  Gelukkiger 
sijn^  er  beter  aan  toe  zijn,  ||  Lasams  voer  vele  bat, 
nochtan   was   hi   van   haven   bloet,  Vad,  Mat,  2, 
169,  141.  —  Somtyds  heeft  bet  met  een  ww.  ver- 
bonden  de   bet.  van   een  verkorten  zin,  b.  v.  Ie 
gave  bet,  heeft   den  zin   van   ik  deed  beter  te 
geven.  Zie  ook  bij  best  en  vgl.  bij  liever.  ||  Hi 
sweghe  bat  ende  sprake  niet, Belg,  Mut,  1 ,  113, 6. 
Si    begherens    (/.  beghevens)    bat.    Flor,   70.  Ie 
mochte  vele  bet  swigen  stille,  L,  o.  H,  2538.  Bet 
doetmen   dat  wille  Crod,  dan  men  doet  der  liede 
gebot,   Sp,   I*,   43,   9.  Die  claghe  ware  bet  ver- 
holen, het  Mou  beter  geweett  zijn,  ze  ttil  te  houden ^ 
Bein,   I,   255.  Costelike   spijse,  hoe   die  bat  ge- 
ernyt  is,  F.  m,  bv,  —  Te  bet,  te  bat,  eig.  de 
(die)  bat,   dat  in  H  mnl.  ook  voorkomt.  Zie  by 
DE,    8de    Art.     Te    beter,    det    te    beter,    ||    Na 
dordine   van   den  ABC  snllen  haer  namen  sijn 
geaet,  omme  dat  mense  vinden  mach  te  bet,  Nat. 
BI,   II,   230.   Sine   slapens   maer  te   bet.    Kerk, 
CL  202.  Dat  gh^s  te  bat  gheloeft,  L.  v,  J,  c.  197. 
Omdat  ghgt    onthouden    sult    te   bat,    Natuurk. 
1172.  Om  dat  kenlic  si  te  bet,  Sp,  II*,  22,  240. 
Omdat  wi  hem  te  bat  genaken,  244;  enz,  —  Te 
bet  hebben,  met  den  2den  nv.  van  den  pers.  of  der 
zaak,  eig.:  er  det  te  beter  aan  toe  zijn, 

d)  Voordeel,  laat  bij  iett  hebben;  ergent  de 
vruchten  van  plukken,  er  iett  aan  hebben,  ||  Wi 
hebben  al  ghelaten  ende  sijn  di  ghevolgt,  wat 
aelewy s  te  rat  hebben  ?  £.  v,  J,  e.  146.  Men  nijght 
onder  den  boom,  daermen  ie  hei  tSheeti^SIpreuken 
76.  Op  Kamet  dat  si  riepen  .  .,  dies  si  hadden 
clein  te  bet,  want  si  verdronken,  Boel.  I,  428. 
Levic,  si  selens  hebben  te  bat,  Velth.  V,  19,44. 
Omdat  si  mede  der  comenscape  selen  hebben  daer 
te  bat,  VII,  30,  32.  Den  tijt,  dat  de  vrecke  leeft, 
nieman  sgns  te  bat  en  heeft,  maer  als  hi  doet  es 
na  dat,  heeft  men  s^ns  goet  te  bat,  i>o0^.  11,425, 


Want  en  heves  nieman  te  bat,  2942.  Wine  selens 
te  bat  nemmer  hebben,  Orimb.  I,  5374. Dies  heeft 
sijne  siele  te  bet,  Ales,  IV,  1078.  üp  dat  wi 
zullen  besitten  dieven,  daer  de  ghene  af  hebben 
te  bet  (genieten),  die  alle  boesheit  dor  Gode  be- 
gheven,  Belg,  Mut.  8,  449,  38.  Zoo  ook  jti»^.  III, 
764;  Sp,  IV»,  30,  52;  Merl,  28597;  Ztp,  Prol, 
16;  I,  9,  4;  48,  76;  II,  45,  113;  III,  1,  122; 
5,  74.  Vgl.  het  Oloss.  —  Want  darghe  moeten  in 
elke  stat  der  goeder  hebben  te  bat,  Teett,  2096; 
d.  i.  de  tleehten  moeten  er  voordeel  van  hebben, 
dat  er  goeden  zijn;  het  it  beter  een  tlechte  te 
goed ,  dan  een  goede  te  tleeht  te  beoordeelen ;  het  is 
dos  het  tegenovergestelde  van :  „de  goeden  moeten 
om  de  kwaden  lyden."  —  Hagheldet,  snnwet, 
vielet  nat,  diere  was  in  hi  hadts  te  bat,  L.  o.  S, 
353,  d.  i.  de  ttal  van  Bethlehem  wat  zóó  ver- 
vallen en  oud,  dat  alt  het  hagelde,  enz.,  degene, 
die  er  in  wat,  er  weinig  aan  had,  niet  merken  kon, 
dat  hij  in  een  huit  watJ*^  Men  leze  das:  „hine 
hadts  te  bat.^* 

b)  Beter  worden,  genezen.  ||  Hi  sal  dan  vansire 
quale  te  bat  hebben,  Ltp,  III,  6,  60. 

e)  Ergent  verheugd  over  zyn,  in  zijn  tchik  zijn.  \\ 
Die  coninginne  dedem  soe  vele  geven,  dat  h^js  te 
bat  hadde  al  sijn  leven,  Lanc.  II,  18610.  Ende 
hem  die  genas  sine  wonde  soe  vele ,  dat  s^s  waren 
blide  ende  te  bat  hadden  langen  tide,  IV,  2822. 
U  woerde  troosten  mi  so  sere,  mi  dinke,  dat  ics 
heb  te  bet,  Segh.  6902. 

d)    Te  goed  hebben,  nog  te  vorderen  hebben,  || 
Dies   heift  soe  te  bat  van  den  smale  stelden  .  ., 
hier  boven  ghenomt  116  dC,  ^^^.  Bijdr.  4,  328. 

—  Te  bet  moghen,  met  den  2den  nv.  (nl. 
hebben),  er  det  te  beter  dan  toe  zijn,  in  beteren 
doen  zijn,  ||  Menich  dienre  wert  verheven  mit  dat  hem 
die  heren  gheven ,  dat  hijs  te  bet  mach  al  sjjn  daghe , 
Hild.  104,  87.  In  den  clooster  gaf  hi  gave,  dat 
sijs  moghen  noch  te  bet,  148,  400. 

—  Te  bet  sgn,  met  den  3den  nv.  van  den 
pers.  en  den  2den  nv.  der  zaak. 

a)  Br  te  beter  aan  toe  zijn ,  in  een  beteren  toettand 
zijn,  gelukkiger  zijn,  ||  Eiker  herten  mochte  sgn 
te  bet,  Lanc,  II,  46198.  Ende  gheven  troest  haren 
vrienden  .  .,  also  dats  hem  zere  is  te  hai,  Ltp.  I, 
12,  29.  Ghebner,  nn  segt  mi,  wat  seit  dwyf? 
want  wistict,  mi  waers  vele  te  bat,  3  Dag.  B.  232. 
Ie  wondt  n  vrienscap  ende  bate  doen,  dats  n  te 
bat  sonde  wesen,  Bloeml.  3,  27,  163. 

b)  Voordeel  van  iett  hebben,  vruchten  plukken  van, 
genieten,  er  iett  aan  hebben;  mi  es  te  bat,  het 
baat,  helpt  m^'.  ||  Alle  dat  des  ons  zonde  zyn  te 
bat,  Ltp.  1,  6,  11.  Daer  af  hi  hadde  groten  scat , 
des  hem  sere  was  te  bat,  ende  die  hemwelqnam 
te  staden,  Bdew.  2007.  Qine  comt  nemmer  in  die 
stat,  n  en  saels  wesen  te  bat,  Ferg,  888.  Hen 
allen  waes  te  bet,  dat  gemaect  was  selke  wet ,  S^, 
II*,  22,  367.  Mi  nes  niet  te  bat  een  hoy,  Beatr, 
230.  Tis  luttel  den  cnape  te  bet,  dat  de  meester 
rycke  is.  Spreuken  92.  Reinaerde  was  lettel  te  bet, 
dat  hi  den  goeden  bake  ghewan,  Bein,  I,  226. 
Waert  al  in  duustemis  te  zweven,  wat  waer  hem 
dan  des  levens  te  bet?  Hild.  224,  99.  Mochte 
u  des  te  bet  syn,  al  mjjn  vermoghen  es  ughereet, 
Amand  II,  1374.  Zoo  ook  Hild.  63,177;  Ttt.  BI. 
1542;  enz.  —  Wat  si  veet ,  si  en  wert  niet  sat ;  al  heeft 
si  vele,  haer  en  eest  niet  te  bat,  het  it  haar  niet 
genoeg,  baat  haar  niet,  Ruusb.  4,  5.  Eenmensche 
beseten  vanden  onrejnen  gheest,  die  riep  . .:  Wat 
is  des  di  of  ons  te  bet,  Jhesu  Nasarene,  welk 
voordeel  geeft  het  u  of  ont,  wat  hebben  wij  of  gij 


1135 


BET. 


BET. 


1136 


9r  aan^  dat  gij  hier  komt?  Hf,  71,  Mare,  1,  24. 
—  Te  bet  yareUf  Er  beter  aan  toe^  gelukkiger 
zijn.  II  Dat  ghi  dan  hoept  te  bet  te  Taren ,  Hild.  143 , 
47.  Si  voer  een  maent  the  bet  daer  af,  Lutg,  II, 
105.  —  Te  betwerden,  met  den  3den  ut.  Tan  den 
pers.  en  den  2den  ny.  der  zaak.  Er  ie  beter  aan 
toe  zijn^  ergen*  iets  aan  hebben.  ||  Die  rike  mach 
hi  omme  scat  yerdingen,  dies  hem  wert  te  bat? 
maken  dat  hij  er  te  beter  aan  toe  is ,  Belg.  Mus.  2 , 
73,  268.  Ooc  wgsdic  den  coninc  enen  scat,  des 
hem  nie  en  wart  te  bat.  Rein.  II,  3975.  Aldaer 
soe  sach  hi  enen  man  staen  water  putten  in  een 
vat,  des  hem  luttel  wart  te  bat,  want  wat  hi 
putte  . . ,  dat  liep  tene  male  onder  doer ,  Hild.  43, 74. 

3)  Beter y  nauwkeuriger^  in  bijzonderheden.  W^iet 
na  zalic  yerclaren  bat,  wat  rivieren  daer  ute 
^namen,  Rijmb,  418.  Here,  hier  vore  seydic  u 
dat,  nu  willict  u  verclaren  bat,  Melib.  1998.  Als 
ghi  hier  na  noch  bat  sult  horen ,  Brab.  T.  II ,  944. 

4)  Beter,  meer.  —  a)  In  grooter  mate.  \\  (Ie)  ghe- 
lovede  anderen  bet  dan  mi  selven.  Stemmen  125. 
Omme  dattet  lant  bet  geit  dant  plach ,  Inform.  263. 
Doch  ghelovet  die  reaene  mine  bet  der  vstorien 
in  Latine,  Sp.  III*,  31,  67.  Also  moghendelike . . 
of  bet,  Rijmb.  21566.  Ëlc  mensche  .  .  sal  vader 
ende  moeder  wesen  hout,  ghelijc  hem  selven  ofte 
bat,  Wrake  I,  1314.  Dus  ghevielt  mi  bat  dan  wale, 
Vrouw,  en  M.   I,   41.  Si  ginc  hoer  palieren  bet, 

VIII ,  106.  Noit  was  ...  die  bet  sceen  een  edel  man , 
Ferg.  58.  Men  siet  tfolc  bat  gaen  ter  kerken  . . ,  dant 
noyt  dede,  Teest.  471.  Tfolc  borght  nu  bat  ende 
leent  deen  den  andren,  495.  Maer  emmer  wiest 
in  lanc  so  bed,  Amand  I,  8051.  Daer  haer  wert 
wee  so  lanc  so  bat,  Tien  Fl.  2017. —  Ook  met  een 
volgenden  comp.  verbonden ,  gelijk  men  ook  meer 
bij  een  comp.  vindt.  Zie  Franck  op  Mex.  bl.  502.  || 
Bat  gheraecter  kiut  no  vroeder,  Limb.  I,  76.  Of 
ghi  saget  nie  batghemaecter  creature,  964.  Gheen 
betgheraecter  nO  vroeder,  Wal.  1440.  Hem  dochte, 
datmen  bet  scaerper  leven  mochte,<SSp.  IV»,  9, 11, 
Ende  hi  bet  milder  ware  denaermen,III^,59,23. 
Haddi  ghewesen  bet  vroeder  so  hadde  hi  hertoghe 
ghebleven ,  57 ,  84.  Haddiit  mi  een  deel  bat  eer  geseit, 
ie  hadde  gesfln  in  goeder  hopen ,  Lanc.  IV,  2092.  Bidt 
onsen  here,  dat  hi  bet  sochter  dijn  verdriet  kere, 
Franc.  7475.  Her  ridder,  rgt  bet  sachter,  Ferg.  2235. 
Si  souden  winden  altehant  tseil  bet  hogher ,  Stoke 

IX,  1257.  Meerre  eere  ware  hem  ditte,  datmenne 
up  bet  hogere  trake,  dan  menne  bat  neder  stake, 
Sp.  V  ,  15 ,  64 ;  Boo  ook  Farth.  2702 ,  Rijmb.  29000. 
Siet  dat  ghi  u  bet  meer  scaemt,  Rein.  II,  6098. 
Bet  woester,  Rijmb.  9467.  Bet  nauwer,  31439.  Bet 
vaster,  Segh.  9784.  Bet  dicker  ende  meer  vleischich, 
Lan/r.  120».  Bet  conder,  Sp.  I* ,  19,42.  Zie  verder 
tal  van  voorbeelden  bij  Franck  op  Jlex.,  bl.  502. 

Aanm.  —  Dit  bat  kan  ook  achter  den  comp. 
staan,  evenals  vele.  ||  Meer  bat  vanfaitedan  van 
rechte,  Mask.  553. 

b)  Meer,  bij  getallen.  ||  Een  half  mile  of  bet, 
Leid.  Keurb.  524,  15.  Het  is  nu  thien  uren  en 
daertoe  bet,  Mar.  v.  N.  1,  17.  Van  skeysers  volke 
versmorden  bet  dan  neghen  duseut  lieden  ende 
versleghen  bet  dan  twaelf  dusent,  Oron.  v.  Vlaend. 
1 ,  19.  Bat  dan  hondert  dusent  man ,  Brab.  T,  VI , 
5285.  Datter  zQn  wat  bet  dan  300  communicanten, 
Inform.  540.  Bet  dan  9  voeten  zeedijcx,  130.  Bat 
dan  tseventich  jaren,  Vad.  Mtts.S,  365.  Vgl.  bij  7). 

c)  Als  eigenlijke  of  adverbiale  accusatief  van  een 
WW. ;  lat.  plus ,  amplius.  Deze  adverb.  ace.  kan  soms 
door  weer  worden  weergegeven.  ||  Ie  weet  wel  dat 
God  alleene  bat  mach  dan  al  haer  h eere,  A?^/.  III, 


28.  Die  vele  heeft,  wille  emmer  bet,  Fragm,Cérl. 
273.  Dats  mi  ghenoech:  en  gheer  niet  bet,  Bein.U, 
4336.  Ie  en  begheerde  niet  bet  dan  yemant  quaem, 
die  my  bidden  woude,  Stemmen  13.  Da  heefs  die 
kerken  ende  die  outaren  bevult  soe  dicke  ende 
besmet ,  gheneestu  oec ,  soe  saltn  bet ,  zoo  sult  ^ 
meer  van  dien  aard  doen,  d.  i.  zoo  suU  gij  het  weer 
doen,  Esop.  XIX,  8.  Doe  vraechde  ie  bet  na  dese 
woerde :  uut  wat  lande  sydi  gheboren  ?  Hild.  204 ,  64. 

d)  Ter  vervanging  van  den  compar.  van  bnw.of 
by  w.  II  No  van  duechden  bet  vulcomen ,  Wal.  1443, 
Dut  si  bat  werdich  waren ,  princen  te  sine  dan  Moyses. 
Buusb.  2,  143.  Ende  es  oec  vele  bat  ghehoert.., 
dant  oec  dede  te  voren  eer,  Theoph.lSl.  Die  week 
is  altoes  sochter,  scoonre  ende  bet  ghetreden, 
MLoep  III,  1228.  Tote  dat  hare  sone  werde  bat 
out,  Sp.  II*,  51,  49.  Ende  bleef  ghedureger ende 
bat  gestade,  10,  117.  Hi  geraecten  bat  ter  cuere, 
juister,  Orimb.  I,  3433.  Om  te  volgene  bat  gereet 
den  riddere ,  Lane.  III ,  3695.  Bat  nedere  te  minnen, 
een  meisje  uit  een  logeren  stand  liefhebben  ^  IV, 
2108.  Ende  maken  mi  haers  bat  vroet,  Hadew.  1, 
151,  71. 

e)  Vooral  in  verbinding  met  bn woorden  vaa 
richting,  waarbij  bet  in  den  regel  vooropstaat, 
maar  somtQds  ook  het  byw.  volgt;  in  hei  ohd.  en 
mhd.  is  het  tegenovergestelde  regel:  niderhaz, 
hind^rbaz,  ufbaz ,  enz. ;  zie  Ben.  1 ,  94^ ;  Graff  3 ,  223. 

—  Bet  acht,  %t\iK^T ,meer aehterwaartr',aehter' 
waarts,  terug,  lat.  retrorsum.  ||  Gringolet  trac  bet 
acht.  Wal.  5082  (zie  op  acht,  byw.).  Hi  trac  bet 
achter  metter  vaert,  Lane.  II,  2611.  Hi  deet^ebat 
achter  gaen,  45068.  Set  dyn  ghetelt  bet  achter np 
een  scone  velt,  Sp.  IV',  6,  67.  Bet  achter  hiethi 
een  legioen  ene  andre  logieringe  doen,  Rijmb. 
30903.  Prothesilaus  toech  bet  achter,  Troyen  f.  631. 
Men  soutse  doen  bet  achter  staen ,  Alid.  Blött.  1 , 
805 ,  49.  Zoo  ook  Ferg.  4719 ;  Velth.  Il ,  38, 29;  Troyeu 
1370.  —  Doen  trac  hi  achter  bat,  Roel.  IV,  306. 

—  Bet  an.  — a)  Verder,  voorwaewts,  pooruii.\\ 
Te  bet  dat  si  comet  an,  te  meer  dat  lichtet  dan, 
Natuurk.  1509.  Savons  sien  wise  west  dan  staen, 
Sanders  avonts  noch  oest  bet  an  {nog  verder  oostwaarts), 
Sanders  avonts  bet  oestweri  dan,  381.  Die  Vlaminc 
trocken  doe  bet  an ,  Velth.  IV,  51 ,  24.  (Si)  reden  bet 
an ,  Wal.  4146.  —  b)  Saderb^,  ook  met  den  Sden  nv., 
nader  bij  iemand,  lat  propius  aliqmewt.  \\  Die 
ghene  quam  noch  bat  an ,  ende  gaf  hem  noch  enea 
slach,  Belg.  Mus.  1 ,  31 ,  166.  Hi  maecte  enen  casteel 
bat  an,  Velth.  I,  12,  32.  (Hi)  dreef  bet  an  sinea 
ram  (stormram) ,  Rijmb.  34670.  (Hi)  trac  Jhemsalem 
bet  an,  30424.  Maer  hi  haeste  hem  ende  trac  sna 
swaert,  ende  tert  hem  bet  an  ter  vaert,  WaJ.^St. 

—  B  e  t  a f. — a)  Achterwaarts ,  terug.  ||  Si  dreveose 
{de  Romeinen)  bet  af  saen,  Rijmb.  28523.  Haddi 
hare  maniere  ghekent,  hi  hadde  bet  of  gheredea, 
Wal.  4945.  Die  rike  trac  bet  af,  Vrouw.  e.  M.  YIII, 
277.  Hi  Uetse  gaen  bet  of  van  Gods  halven  ende 
rumen  thof,  Sp.  III^ ,  25,  75.  Wgf!  gmnc  woch, 
tree  bet  of,  Sp.  IIP,  88,  56.  Hi  spranc  van  hea 
bet  af,  IV S  22  >  65.  Die  hertoghe  dede  sijn  vtik 
leden  ter  rechter  hant  een  deel  bet  af,  IV* ,  10, 
22.  Omme  enen  berch  dier  lach  te  nn,  dat  die 
berch  bat  af  daer  ga,  heeft  die  heilege  man  ge- 
beden, iS^.  II*,  30,  38.  —Ook  met  den  aden  BV.  tl 
Amelis  sprac:  Ganc  mi  bet  af,  ga  weg  9am  sff\ 
III*,  78,  5.  Some  traken  si  hem  bet  af  in  die 
wilde  foreesten  bet  uut,  Sp.  III»,  41,  14. 

b)  Achteraf,  iets  verder  verw^derd.  \\  Hi  giac 
sitten  onder  den  casteel  in  een  dal  bat  of  een  deel, 
Lanc.  II,  15402.  Savons  was  Bohorts  bedde  doei 


4137 


BET. 


BET. 


1138 


maken  in  ene  camere  bat  af,  17779.  Mgn  sone 
Abylon  leget  bet  ave,  Sp.  111%  17,  34.  Boe  80 
Tonden  sine  in  een  ander  graf  liggende  een  deel 
bet  af,  III^,  49,  21.  Doe  ontstac  die  lampte  int 
heilige  graf,  ende  daer  na  alle  dandere  bet  af 
onts^ken  sonder  menscen  hant,  lY*,  24,  97.  Bet 
af  waren  die  Sarrasine,  56.  —  e)  Verder  veg,  || 
Jhesns  trao  bet  af  entie  sine  bi  EiRrem  neven  die 
wostine,  Sp,  I^,  16,  55.  Als  menne  {den  viscA) 
Yoert  dan  bet  of,  daer  hevet  hi  den  nieren  lof. 
Nat,  BL  V,  161.  —  Ook  met  een  3den  nv.  Verder 
weg^  verder  verwijderd  van,  ||  Die  goede  sente 
Qnintgn,  die  stont  daer  op  een  berchghelkgn  bat 
ave  sente  Obrecht,  OVL  Ged,  2,  107,  169. 

—  Bet  bnten,  verder  af,  meer  buiten  af,  \\  Daer 
sijn  oec  Ksperidee,  bat  bnten,  bnten  alle  lant, 
Sp.  I',  31,  28. 

—  Bet  dan  en,  verder  van  daar  verwijderd^  meer 
op  een  afstand,  ||  Doe  hiere  een  deel  dns  hadde  ge- 
vaen,  lieten  dandere  tfangen  staen,  ende  bielden 
hen   bat   danen,   Sip,  II',  44,  305. 

—  Bet  ghens.  —  a)  Van  plaats.  Verder  weg,  \\ 
Doe  trac  hi  noch  bat  gheins  ende  qnam  tote  Orlieins, 
i^.  m»,  62,  61  (Brab,  T.  I,  910).  -  *)  Vantijd. 
Later.  ||  Daris  sal  sterven  .  .  over  enen  corten  tyt 
bat  gins,  Mex,  Y,  391.  Daema  sinte  Lauwereins 
(dach)  XLI  daghe  bet  gheins.  Natuur k.  60. 

—  Bet  hare,  herwaar  te  ^  naderbij  \  inkdi.  hèrbaz. 
II  Gheselle  Roelant,  compt  bat  hare ,  22^^/.  lY,  258. 

—  Bet  in,  xji^htri^  meer binnenwaarte'^verd-er^ 
dUper  in,  \\  Bet  in  stont  die  zale  wide,  Rijmb.  31362. 
Doe  si  bet  in  qaamen  ter  stat,  i^.  I* ,  24, 32.  Ende 
Karia  die  sach  bet  in  den  doden  en  sach  soe  meer  no 
min,  I^,  34, 59.  Daer  hi  ter  woestinen  bat  in  trac,  II*, 
48 ,  86.  Ie ,  diet  nanwe  wilde  besien,  ginc  bet  in  een 
deel,  III ^,  25,  71.  Hi  ginc  bat  inwaerd  ende  hi 
sach  waer  een  ont  man  doet  vor  hem  lach ,  Zanc.  UI, 
4773.  (Hi)  trac  bat  in  ter  zee  ward,  II,  45277. 
Si  waren  alle  van  mi  vervard  ende  togen  bat  in 
ter  zee  ward,  45920.  Honech  es  heet  int  beghin, 
«nde  droghe  als  et  coemt  bet  in,  Nat.  BI. 
VII ,  240. 

—  Bet  na,  nare,  naer,  naerre.  —  a)  Nader 
bij ,  dichter  bij,  \\  Alse  Alexander  dat  besochte . . , 
riep   hi   sine  riddere   bet  na,  Sp.  I\  33,  43.  Hi 

fhinc  bat  na  al  onghespaert,  II  > ,  32,  172.  Doe 
ie  baelin  dat  vernam  ende  dat  wonder  bat  na  sien 
qnam,  II « ,  20,  52.  Binnen  dat  hi  dat  te  doene 
gereit,  qnamsi  bat  na.  II*,  31,  102.  Doe  tart  bet 
naerder  Hope,  OVl.  JAed,  e,  Oed,  293,  1782.  Als 
ie  dat  hoorde,  ie  sat  bet  naer,  318,  112.  Ie  tart 
bet  naer,  329,  407.  (Ie)  ginc  bet  naer  ter  zoeter 
fonteinen,  461,  143.  (Hi)  voer  bat  naer  met  veer- 
tich  riddere,  Brab,  T,  II,  2821.  Hi  ghinc  bet  naer 
om  te  vinden  sinen  waert,  Hild.  172,  64.  (Hi) 
riep  bat  na  sine  baroene,  Alex.  VII,  233.  Pylatns 
hiet  den  Joden  zaen,  datsi  ghinghen  nter  vierscaer, 
ende  yesch  Jhesnm  bat  naer,  riep  Jezus  naderbij^ 
Lsp,  II,  36,  388.  Zoo  ook  Ben,  684;  Bsop.  LXI,  14; 
Wal.  7275;  Sp.  I»,  47,  6;  III»,  61,  64;  Stoke 
V,  984;  Vod,  Mus.  1,  334,  38;  4,  323,  377  en 
391;  Parth,  2668.  —  Ook  met  den  3den  nv.  iVo^ , 
dichter  bij  iemand  of  ietSj  naar  toe,  \\  Als  hi  gheënt 
hadde  sine  tale,  ghinc  hi  bet  nare  den  ammirale, 
Flor.  3841.  Mettien  hi  hare  bat  nare  leegt  ende  spelde 
met  hare  een  spel,  Boerden  III,  92.  Alse  hi  qnam  bet  na 
Aglovale ,  Lanc.  II ,  2359.  Bat  naer  den  stene ,  36146. 
Poe  voeric  hare  bet  naer ,  Wal.  3997.  Ie  wil  den  knape 
bet  naerre  gaen,  Hild.  27,  39.  (Hi)  ghinc  sitten 
der  zee  bet  naer,  Bijmb.  23346.  Bet  naer  den  mnre 
31579.    Bet   naer   der  stat,  31060.  Zoo  ook  Vad. 


Mus.   1,  48,   35;  Frane.  8265;  Vierde  Mart.  821; 
Brab.  T.  H,  513;  Alex.  V,  191;  Sp.  IV»,  25,64. 

—  Bet  neder,  nederre,  nederwaert, 
a)  Naar  beneden,  jj  Die  coninc  qnam  bat  neder 
doe,  Lanc,  II,  20952.  —  d)  Za^^.  jj  Mordret  staken 
weder  ende  geraectene  bat  neder,  Za^»;.  Il ,  28105. 
Dan  dede  hi  maken  sijn  sitten  bat  nederre  om 
dese  saken,  Sp.  11^,  32,  6.  Wildi  enighe  ander 
port  bat  nederwaert  jeghen  Ghent,  Natuur k.  1^0^. 

—  Bet  oest,  noert, oostelijker , noordelijker.  \\ 
Bat  oest  so  leget  Sweden,  Alex.  VII,  1449.  Kort- 
wegen es  bat  noort,  men  vint  geen  lant  bat  voort, 
1451. 

—  Bet  omme,  wat  meer  om  (met  een  ww.  van 
richting).  ||  Wachten.  .  .  tote  dat  die  wint  bat 
omme  geet,  Lanc.  III,  14151.  Artoys  heeft  dit 
teken  vernomen,  ende  trac  bat  omme  ter  sonnen 
werd,  Yelth.  lY,   22,  58. 

—  Bet  op,  hooger^  hooger  op.  \\  Tander  hem 
bet  op  verheft.  Nat.  BI.  X,  46.  Hebbic  een  deel 
bet  up  ghesien  twe  veinstren  claerlic  open  gaen, 
OVl,  lAed.  e,  Oed.  464,  241.  Vier  hemele  bat  up 
.  .  .  steet  die  sonne,  Alex.  III,  1264.  Nilns  hevet 
al  bevaen,  die  bat  op  oec  Ganges  heet,  VU,  1216. 
Vrient,  hier  sitti  niet,  gaet  bet  np  {aan  tafel) 
sitten,  ie  ghebiet,  Boue  v,  Sed.  624. 

—  Bet  op  hore,  verder  achterwaarts ^  terug. 
II  (Si)  sijn  ghetrect  bet  op  hore,  Stoke  IX,  463. 

Vgl.    T.   en   Lettb.   6,   264  vlgg. 

—  Bet  over,  nog  later,  |]  Qhene  wjjch  ter 
noenen  stoet  ende  bet  over,  S^,  IV*,  21,  126. 

—  Bet  n  t  e,  verder  weg,  \  \  In  sinen  setel  ginc  hi  daer 
nare  sitten  ende  hiet  den  volke  bat  nte  gaen,  i^.  II*, 
41 ,  155.  Some  traken  si  hem  bet  af  indie  wilde 
foreesten  bet  nnt,  III»,  41,  14.  Een  wilder  lant, 
dat  lage  bet  nnt,  III*,  56,  34.  Hoet  n  van  den 
viant  bet  nnt,  door  van  hem  verwijderd  te  blijven ^ 
hem  op  een  afstand  te  houden  ^  lY*,  13,  39.  Die 
coninc  ende  die  met  hem  waren  reden  bet  nnt  al 
sonder  sparen.  Wal,  7542. 

—  Bet  voert.  —  a)  Verder,  verder  op.  \\  Inden 
derden  muer,  bet  voort,  sonde  woenen  tghemene  diet, 
Bijmb.  11132.  Doe  voer  hi  bat  voort  ende.  street  over 
die  flnme,  17411.  Als  ghi  horen  snit  bat  voort,  27534. 
Van  der  L  hebdi  gehoert,  van  der  M  hoert  nu 
bet  voert.  Nat.  BI.  II,  2676.  Een  lettelkijn  reet 
hi  bet  vort,  Ferg.  154.  Dat  Daris  ware  gevloen 
bat  voort,  Alex.  VII,  218.  (Hi)  voer  bat  vort,  YI, 
1199.  Nn  andworde  mi  bet  voert,  Wap,  Mart.  JII, 
233.  Zoo  ook  Rijmb.  2252,  2670.  L.  o.  H,  1776; 
Sp.  l\  19,  64;  21,  57;  II»,  22,  25;  III», 41, 29; 
Bein,  II,  5755;  OVl.  Lied.  e,  Oed.  375,  1784, 
Lanc,  III,  5940;  Wal,  7808;  Hild.  184,  73;  221, 
148;  Brand,  806;  Amand  I,  3194;  Base  657. 
—  Ook  voort  bat  (in  hd.  gekleurde  schriften).  || 
Nu  verneemt  voert  bat,  Serv,  I,  1200.  Nu  hoort 
voort  bat  die  ander  ghebot,  Tien  BI,  704. — Bet 
voort  stellen,  vertragen ,  uitstellen.  \ \  Die besich 
sijn  met  andere  dyngen,  dan  den  werken  toebehoort, 
die  stellen  haers  werkens  loon  bet  voort,  OVl.  Lied. 
e.  Oed.  363,  1414.  —  b)  Wederom,  andermaal,  \\ 
Man,  wi  seggen  di  bat  voert,  dan  weten  wi  niet, 
man ,  dat  du  best  God  no  Gods  sone,  L.  o.  H.  3090. 

—  Te  bet,  te  meer.  \\  Na  dien  Paschen  wildine 
ontliven,  dat  hi  vrient  te  bet  {den  Joden)  soude 
bliven,  Sp.  I*,  9,  13.  Al  neghe  hi  u  telker  stat, 
des  en  gheloeft  hem  niet  te  bat,  Melib.  1842. 
Waer  bi  dat  hem  God  an  sijnre  gracien  vele  te 
bat,  Teest.  2445.  Dat  hi  te  bat  mach  sijn  in  vreden, 
Hild.  101,  9.  Dat  si  te  bat  inden  weghe  sullen 
gheraken  ende  te  meer  begheren  ghewarighe  oet- 


1139 


BET. 


BÈTA. 


1140 


moedicheit  ende  te  bet  bekennen  mo^hen,  wat 
oetmoedicheit  is,  Buusb.  3,  27.  —  Ook  pleonastisch 
met  een  compar.  verbonden.  ||  Omme  (de  vijanden) 
.  .  te  bet  viantliker  ane  te  gripen,  Nijb.  2,  116. 
Snlc  beere  bem  so  nanwe  beset,  ende  esdensinen 
te  milder  bet,  ffeim.  35. 

7)  MeeTy  langer  \  lat.  dmtins,  \\  Doen  beyde  die 
vrouwe  een  deel  bat,  Melib.  lOö.  —  Vooral  met 
dan  en  eene  tijdsbepaling.  ||  Bet  dan  drie  weken, 
OorL  V,  Albr,  225.  Bet  dan  drie  jaer,  MLoep  1, 
1282.  Bet  dan  een  jaer,  Clerc  61.  Bet  dan  sentien  jaer, 
6Vo».  V.  Vlaend,  1 , 2.  Bet  dan  drie  jaer,  Brah.  T.  VI, 
69S4.  Bat  dan  een  jaer ,  7627.  —  Vgl.  by  4*). 

8)  Liever y  bij  voorkeur;  lat.  potiitt.  \\  Ui  sonde 
bet  kempen  jegben  ghebnren  dan  bi  jogben  mi 
sonde,  Ehg.  1240.  (Si)  minden  crunt  tetene 
bet  dan  te  latene  ons  Heren  wet,  Rijmb.  18907. 
Dat  die  Jueden  sterven  bet  kiesen,  dan  te  latene 
die  wet,  19071.  Ie  riede  n  bet  te  trecken  achter 
dan  bier  te  comen,  Ferg.  2236.  Men  stake  (dat 
oge)  bet  uut  metter  bant ,  Wap,  Mart.  1 ,  699.  Ie  en 
mach  gheen  spise  bet,  "Eiein,  II,  3828.  Bet  wanic 
nochtan  over  waer,  dat  het  ander  dinc  bediet, 
Sp,  III»,  91 ,  60.  Dat  elck  bet  mach ,  is  syne 
spise,  Spreuken  71.  So  sant  sise  bat  terwoestinen 
waert  dan  ten  hove,  Ned,  Froza  273.  üte  hem 
dichtic  te  bat,  BincL  8. 

9)  Liever y  veeleer ^  eerder.  \\  Twee  gemeten  ofte 
beth  mersch,  Diericx,  Mém.  2,  453.  Genoech  in 
éénen  doen  ende  bet  gemeerdert  dan  gemindert, 
Inform.  14.  So  dat  sy  bet  scheen  dnl  oft  een  ver- 
woede duyvelinne  te  wesen  dan  een  kersten  mensche, 
Mar,  V.  N.  b/.  3.  Het  dochtem  bet  een  man  wesen 
uter  ander  werelt  comende.  Franc.  1735.  Dies 
rieden  si  bat,  dat  men  den  hertoghe  lieten  sijn 
vaert  nemen  inne  te  Brabant  waert,  Brab.  T.  VI, 
9888.  Dat  een  kemel  mochte  eere  naelden  oghe 
bet  liden  .  .,  dan  die  vrecke  rike  dor  die  poorte 
van  hemelrike,  Bifmb.  24418.  So  sidi  bat  vroet 
dan  sot,  Melib.  1352.  Princen  ende  heeren  of  bat 
tyrannen,  £xe.  Cron.  128«.  Vele  te  bat,  zooveel  te 
meer^  veeleer  ^  Lep.  III,  14,  242. 

10)  Verder;  lat.  ultervae^  porro.  ||  Nu  merct  bat, 
Ysidorns  die  sprect  dat,  Tien  PI.  1434.  SenteJan 
hi  sprect  noch  bat,  2126.  Si  ghinghen  bat  hare 
weghe  vri,  Hadew.  1,  5,  63.  Dat  hi  die  heidene 
dede  gaen  bat  van  den  tempele,  Sp.  II  >,  24,  66. 
Met  hem  was  coninc  Josaphat,  die  noch  leefde 
ende  noch  bat  die  coninc  van  Ydumea,  Rijmb.  13135. 

11)  Later y  in  het  vervolg.  \\  Nemmermeer  bet 
borger  ofte  inwoener  te  werdden ,  Schwartz.  1 ,  5823. 

Aanm.  1)  —  Blisc.  V.  M.  Ibl'.  „Sier  quetsen 
naem  hi  geerne  bet",  beteekent:  hij  zou  gaarne 
genezing  bekomen  van  z|jne  kwaal ",  maar  onzeker 
is ,  of  men  moet  lezen  naem  hi  geerne  te  bet,  in 
de  bet.  van  te  bet  hebben  (zie  onder  4),  dan  of 
men  bet  als  een  znw.  moet  opvatten ,  met  de  bet. 
van  bate,  d.  i.  beterschap. 

2) —  N.  Doet.  526.  „Alt  gemeene  betfiS  henjegen", 
is  eene  onzekere  en  onwaarschijnlyke  lezing.  De 
var.  (bl.  150)  heeft:  „dat  ghemeene  gebet". 

3)  —  Bet  leeft  in  de  bet.  meer  nog  voort  in 
namen  van  familiebetrekkingen,  b.v.  ^^i-oudover- 
grootvader, 

BETAEL,  znw.  m.  Van  betalen,  in  de  tegw. 
bet.  Betaling.  \\D\t  emmer  borcht  ten  anderen  jaer 
ende  niet  en  comt  tot  enigen  betael,  int  leste 
speelt  hi  dan  ter  faeldie  (/.  fael?),  Hild.  115, 
94  rtfr.  (/.  te gheenre  betaelge:  faelge;  de  vorm 
bèta  el  ge  is  waarschijnlijk  ten  behoeve  van  het 
rijm  gesmeed). 


BETAELDIE.  Zie  bataelge. 
BETAELGE.  Zie  betael. 
BETAELGE,  BETALIE.  Zie  bataelge. 
BETAEM.  Zie  betahe. 

BETAEMTE  (betaemt,  betaempte),  mw.  vr. 
Van  betamen. 

1)  Betamelijkheid y  voegzaamheid.  ||  Wgflike  vraii- 
wen,  die  in  eeren  hem  hebben  ghehouden  in  goeder 
betaemte,  Denkm.  3,  215,  49. 

2)  Hetgeen  betaamt  ^  voegt ^  past.  In  de  uitdruk- 
king. Na  sine  betaemte,  naar  het  hem  voegt^ 
gelijk  het  hem  betaamt.  \\  Dit  selve  huus  heet  Vaste 
Hoede,  daer  elc  wyf  van  goeden  bloede  in  wesen 
sal,  na  hare  betaemt,  Vod.  Mus.  1,  335,  65. 
Menich  mesdoet,  die  reine  ende  goet  waren  ghe- 
noech  van  live,  hadden  scaemte  na  hare  betaemte 
noch  maegden,  noch  wive,  Belg.  Mue.  1,  129. 
Persoonen,  voor  de  welcke  naer  hare  conditien 
ende  naer  haer  betaempten  ende  die  van  haere 
vrienden  thuwelick  niet  bereet  en  was,  Oendsch 
Chtb.  176.  Hoe  ie  in  den  tempel  uu  beu  vercleent, 
om  dat  ghi  my  na  der  uaturen  betaemte  gheen 
vrucht  op  erterike  en  verleent,  Blisc.  v,  M.  1561. 

3)  Hetgeen  betaamt  of  noodig  is ,  behoefte.  \\  Dat 
de  voorseyde  Katelinen  beede  hare  .  .  kinderen 
met  hare  houden  zal  ende  hem  gheven  eten, 
drinken,  cleedren,  coussen,  scoen,  ende  al  hare 
betaemte,  Cout.  v.  Brugge  1,  432  (a.  1378).  Zy 
zullen  goede  lieder  kindren  als  maeghdekins  van 
binnen  der  stede  oftbuyten  houden  als  tafelieren  ende 
andre  scoolieren  maeghdekins,  hemlieden  leerende 
naer  haer  betaemte,  ZVl.  Bijdr.  1,  325  («.  1499). 

BETAKEN,  zw.  ww.  bedr.  Zie  taken.  Beet- 
pakken,  vermeesteren  y  meester  worden.  \\  "Ende  roof- 
dent  al  cleen  ende  groot,  wat  dat  s^  conden  be- 
taken, Orimb.  1,  2527  var.  (in  de  uitgave  staat 
verkeerdelijk  belaken). 

BETALEN  (betelen),  zw.  ww.  bedr.  en  ouz. 
Mnd.  betalen;  mhd.  begoten;  vgl.  mbd.  beseln, 
en  ohd.  bizeljan.  Zie  vooral  J!Óalk.  Bijdr.  1 ,  69— 83» 
waar  de  verschillende  opvattingen  van  dU  merk- 
waardige woord  uitvoerig  worden  uiteengezet. 

I  Bedr.  —  1)  Betalen  j  zich  van  eene  geldelijke 
verplichting  kwijten.  Vooral  in  proza  het  gewone 
woord ;  synon.  van  gelden,  dat  meer  in  poëzie  voor- 
komt ,  en  waarmede  het  ook  verbonden  wordt.  [|  Be- 
taelt ,  vasseel ,  gi  moet  hier  gelden  nu  een  deel  die 
spise ,  die  gi  hebt  verteert,  Lane.  III ,  11493.  Gelden 
ende  betalen,  B.  v.  Utr.  2 ,  206 ;  e.  e.  Waermede  dat 
sy  hem  betalen  souden  {als  weergeld).  Soe  wysen  die 
scepenen  datmen  betalen  sal  mit  vier  penninghen, 
Dingt.  v.  Delft  45  enz.  Zie  verder  %A.  3093 ,  3115, 
3122;  enz.  —  Ook  in  de  volgende,  thans  onge- 
bruikeiyke  opvattingen  en  uitdrukkingen. 

a)  Als  krijgsterm.  Enen  betalen,  ifsuuM^ftfim, 
hem  met  slagen  ontvangen^  duchtig  onthalen.  In  ironieke 
opvatting.  ||  Hi  sloech  sgn  ors  te  hant  met  sporen, 
ende  liet  sine  glavie  nederdalen ,  alse  die  den  genen 
wilde  betalen.  Latte.  IV,  11052.  Dus  selen  hem 
die  Bertone  betalen;  dit  ontboet  hi  jongen  ende 
ouden,  datsi  hen  dus  betalen  souden,  want  bl 
ember  comen  wonde ,  IV,  10076.  Die  den  roese  van 
mi  haalde  ende  so  onsochte  betaelde ,  SegA.  109S3. 
—  Ie  betael ,  ik  word  ontvangen.  \\  Dus  beeft  bier  be- 
taelt  (b.  V.  het  gelag)  menech  ridder  goet,  ende  al 
waerdi  grave  oft  coninc,  gine  betaelt  bier  met 
ander  dinc,  Lane.  III,  11502. 

b)  Varen  ende  betalen,  met  pak  en  zmi  ver- 
trekken; eig.  afreizen  na  afrekening.  ||  (Hi)  dede 
tuersen  sine  cleder,  alse  die  varen  wiÜe  ende  be- 
talen, Sp.  IV>,  26,  104.  ^  Een  protbosteron. 


4144 


BÈTA. 


BÈTA. 


1442 


e)  Der  dooi  sine  scout  betalen,  ook  ellip- 
tisch der  doot  betalen,  of  sine  scout  be- 
talen, den  tol  befaien  aan  de  natuur.  ||  Die  broos- 
heit  tsmeuschen  .  .  .  moet  der  doot  betalen  scont , 
Amand  II,  5838.  Soe  betaelde  die  yronwe  haer 
scont,  die  wi  moeten,  jonge  ende  ont,  betalen, 
alst  (/.  alst)  Gods  wille  si,  Braó.  T.  YI,  389. 
(Ui)  wart  ziec  daer  in  die  stede,  so  dat  hi  daer 
der  doot  betaelt,  Sp,  111%  43,  26. 

d)  Dat  lijf  Tor  enen  betalen,  Aet  leven 
voor  iemand  veil  hebben^  opofferen.  ||  Datsitiyfvor 
hem  betalen  tallen  tiden  in  die  noet,  Eeim.  2138. 

e)  Enen  sware  betalen,  iemand  op  eene  on- 
aangename foijze  voldoen^  hem  overlast^  pijn  aan-   i 
doen  (ironiek).  Ygl.  onze  nitdr.  iemand  iets  betaald 
letten.  \\  Medicine  jeghen  scnerft  ende  jeghen  galen , 
die  sware  den  menschen  betalen ,  Nat.  BI.  VlII ,  382. 

2)  Ontgelden,  voor  iet$  boeten,  hetzelfde  als 
becopen  (zie  ald.).  ||Dat  die  ziele  dit  al  betale, 
H^ap.  Rog.  374.  Oti  moet  betalen  .  .  die  overdaet, 
die  gi  hebt  gedaen,  Zane.  II,  38860.  Frinchen 
ende  hoghe  heren  pynen  sy,  hoe  sjse  ontberen, 
die  herberghen  sy  ende  onthalen,  maer  sy moeten 
(/.  moetent)  daer  betalen,  Troyen  9591.  Sine qnaet- 
heit  wert  betaelt  met  pinen  van  den  duvel ,  Amand 
I,  3300. 

3)  Vergelden.  \\  So  betalen  wi  Di,  al  singende  love- 
sanc,  He.  Fe.  1529.  Dat  swaert  daermede  betalen, 
dat  ghi  mi  gavet.  Wal.  3604.  —  Ook  in  de  nog  ge- 
bruikeiyke  uitdr.  danc  betalen.  ||  Wi  betalen 
di  danke  als  die  dach  volbrocht  is ,  He.  Ps.  Ib2v. 
—  Ook  in  de  bepaalde  opvatting  van  a)  Vergelden, 
betaald  zetten.  \\  Het  {paard)  beet  doet  ende  be- 
taalde haer  overdaet  ende  dede  verdriet ,  SegA.  6168. 
(Om)  s^n  felheit  te  betalen ,  8912.  —  b)  in  goeden 
zin.  Vergoeden,  beloonen.  ||  Ie  sal  di  corteljke  be- 
tiden  ende  ontfoen  in  ghuldinen  zalen ,  ^.  III*,59, 
53.  Die  hertoge  dede  siere  suster  halen  ende  dede 
den  coninc  haer  betalen  {vergoeding,  scAadeloosstelling 
geven)  over  haren  lachter,  Velth.  II,  42,  43. 

4)  Met  eene  bep.  met  met  verbonden.  Iemand 
met  iets  begiftigen,  beschenken;  ietfter  beschikking  van 
iemand  stellen.  ||  Dat  men  Bohamonde  soude  halen 
ende  hem  metter  cronen  betalen,  ^.  IV*,  24,  7. 
Gode  .  .  biddic,  dat  hi  den  duvel  in  denjoncsten 
male  metten  scalke  betale ,  dat  hij  dezen  boosdoener 
aan  den  duivel  overlevere,  Wap.  Mart.  I,  130.  Ay 
God ,  want  ghg t  wael  vermoget  betaelter  mede  den 
duvel,  Hand.  Lett.  1867,  bl.  32,  vs.  39. 

5)  Loskoopen,  vrijkoopen,  verlossen.  \\  Adaem  ende 
sine  klnder  .  .,  die  Jhesns  Cristus  heeft  ghehaelt 
ende  mids  des  crucen  doet  betaelt,  Lsp.  II,  36, 
1987.  Men  deetse  {de  gevangenen)  al  Affrike  dore 
halen  ende  van  {uit  naam  van)  den  goeden  man 
wel  betalen,  Sp.  III*,  29,97  (de  verklaring  dezer 
plaats  is  twQ felachtig ,  daar  de  woorden  min  of 
meer  bedorven  zijn;  zie  Taalk.  Bij  dr.  1,  75). 

6)  Afkoopen.  ||  Drie  zielen  machiere  quite  halen 
ende  daer  toe  alle  sonden  betalen,  die  meinsche 
ter  weerelt  doen  mochte,  Amand  I,  1486.  Zoo 
ook  1682. 

7)  Terugkoopen,  terugkrijgen.  \\  Tgoet  mochte  men 
verhalen,  maer  den  tQt  en  mach  niemant  betalen, 
MeUb.  1307  var. 

8)  Zich  kwijten  van  eene  verplichting,  voldoen 
aan  een  plicht,  ook  hem  ten  uitvoer  brengen,  ver- 
richten. II  Yroe  tsmorgens  betaelde  hi  zgn  ghetiden 
ende  dede  misse ,  Bi^b.  45a.  Priesters  die  mit  den 
ommelopen  in  sodanighen  spelen  {dansen)  niet  en 
betalen  Godes  dienste,  die  si  Cristo  scnldich  sijn, 
1396.  Des  vriendes  .  .  testament  onder  te  holden 


ende  dat  lansem  te  betalen,  157£?.  (Hi)  en  achtedes 
niet  dat  testamente  zijnes  oems  te  betalen,  ald.  e. 
(Si)  betaelde  haere  ghetide  ghelijc  den  monicken, 
170*. —  Behoort  hiertoe  ook  Merl.  7344:  Daer  dy 
best  duncket  .  .  ende  daer  du  Gode  best  betales, 
waar  gij  aan  den  plicht  jegens  God  het  best  voldoet, 
m.  a.  w.  waar  het  Oode  het  aangenaamst,  welge- 
valligst  is?  —  Een  testament  betalen ,  het  uitvoeren , 
Invent.  v.  Brugge  6,  238.  —  Ook  in  de  uitdr.  van 
ridderscape  betalen,  zich  van  de  gelofte  van 
ridderlijkheid  kwijten,  bewijzen  geven  van  ridderlijken 
moed.  II  Dat  in  engeen  side  van  der  zee  nie  en 
wert  op  ene  stat  van  ridderscape  betaelt  bat ,  dan 
si  voor  Woeronc  alle  beide  betaelden  met  vromichei- 
den ,  Heelu  7873.  Daer  sach  men  . .  beide  ridderen 
ende  heeren  tomieren  ende  met  groter  eeren  van 
ridderscape  betalen,  1302. 

9)  Een  gerechte  lij  ken  eisch  instellen  tot  verkrijging 
van  iets ;  het  opeischen ,  reclameeren ;  rechten  op  iets 
doengelden.Ygl.  tal  e  en  andere,  samenst.  van  talen, 
b.v.  aentalen.  ||  Daer  hi  lach  in  sinen  agoene 
quam  die  duvel  .  .,  alse  die  de  ziele  wilde  betalen, 
1^.  lY',  42,  19.  Die  duvel  sal  de  ziele  betalen, 
Praet  1183.  ülyxes,  wildyt  {het  schild)  over  dyn 
betaelen ,  soe  coem  hier  toe ,  Troyen  7993.  Sidert . . 
wildse  Clotaris  wederhalen,  ende  over  sijn  wijf 
betalen,  Sp.  III*,  38,  20.  Off  dat  darde  (^»if)  nicht 
en  betelet  {var.  bl.  729 :  weert  dat  he  des  nicht  en 
beteelde),  so  eget  {rnoet)  die  arffenisse  to  erven 
inde  bant  daer  se  van  uuthgecoemen  is ,  Vro  Excol. 
6 ,  683  (de  plaats  is  niet  duidelijk ;  het  is  onzeker 
of  betelen  hier  eischen  beteekent  (=  betalen), 
dan  wel  verwekken,  telen  (=6^/^/^;  in  het  laatste 
geval  zou  het  ww.  in  pass.  ^in  moeten  worden 
opgevat:  „zoo  er  geen  derde  lid  verwekt  is*'). 
Welck  kint  mach  betelen  vaders  arffenisse  alleen 
by  twieer  manne  tale  unde  by  azage  doeme, 
ald.  703.  —  Bij  uitbreiding  ook  de  vrije  beschikking 
over  iets  hebben;  vgl.  mhd.  bezaten.  \\  Die  heren  die 
tusschen  Herke  ende  Halen  ten  tomoye  wouden 
betalen  dat  velt  met  ghewout,  Heelu  1286.  Die 
hemel  wilt  mi  halen,  omdat  ie  daer  soude  betalen 
dat  rike,  dat  gherechte  algadermet  Jupiter,  Alex. 
X,  1391  (lat.  solium  regni  et  sedem  sortitus). — 

10)  Doen  gelden  als ,  beschouwen  ale ,  gelijkstellen 
met,  tellen  als.  \\  Dus  maecte  hi  den  lieden  vroet, 
dat  .  .  men  te  rechte  sal  .  .  die  sticken  van  cor- 
peralen  over  heilichdoem  betalen,  Sp.  UI* ,  12 ,  6S. 

11)  Yan  tale  (lat,  oratio).  Te  woord  staan, 
onderrichten,  inlichten.  ||  Yrouwe,  ghi  hebt  mi  wel 
betaelt ,  Amand  1, 5238.  Here ,  daer  af  en  wetic  twint. 
Tybaut  seide  doe:  Lieve  kint,  ie  sal  u  hier  af 
wel  betalen,  Lano.  II,  37463.  Neemt  den  ghenen 
bQderhant,  die  u  in  doechden  is  bekant  .  .  ende 
u  mach  leren  off  ghi  dwaelt,  van  him  so  wordi 
wael  betaelt,  MLoep  1,  889. 

II.  Onz.  —  Gelden  als,  doorgaan  voor,  beschouwd 
worden  als.  Ygl.  bedr.  10).  ||  Nochtan  was  daer  selc . . , 
die  in  cnaepscap  so  street,  dat  hi  wel  ridder  mocht 
betalen,  Yelth.  III,  20,  36.  Wie  so  wüle  goet 
rudder  in  m^n  hof  betalen,  hi  sal  mi  dat  scaec- 
spel  halen.  Wal.  80  en  1192.  Seat  no  diere  ghe- 
waden  .  . ,  hoghe  borgen ,  vergoude  zalen ,  dese  en 
moghen  geen  rike  betalen,  regnum non faciunt ,  Sp, 
I«,  53,  15. 

BETALER  (betaelder),   znw.  m.  Hij  die  be- 
taalt^ eene  schuld  afdoet,  of  hij  die  vergeldt.  Ygl. 
onze  uitdr.   een  slecht  betaler;  kwade  betalers.    || 
Alrerechtvaerdichste  ghelder  ende  betaelder ,  .B^r». 
W.  UU. 

BKTALIC,  bnw.  Wanneer  de  lezing  in  orde  is, 


1443 


BÈTA. 


BÈTA. 


4444 


en  men  niet  moet  lezen  b  e  t  a  m  e  1  i  c,  d.  i.  pottend , 
gepatt^  sal  het  voord  beteekenen  inlichtend^  duidelijk 
(van  betalen  in  den  zin  van  inlichten ;  ald.  10).  ||  Aldns 
paeyde  die  helighe  man  sine  broeders  ende  sprac 
hem  an  met  voorden  betalic  ende  soete,  Amand 
II,  5766,  —  Het  voord  zal  toch  vel  niets  te 
maken  hebben  met  ohd.  bixaltlih  (Graff  5,  654), 
d.  i.  notabilit? 

Aanm.  —  De  lezing  betamel^'e  vordt  nog  aan- 
nemelijker, vanneer  men  vergelijkt  MLoep  II, 
690 ,  vaar  het  tekst-hs.  betelijck  en  de  var,  b e- 
tamelgck  heeft. 

BETALINGE,  znv.  vr.  Mnd.  bezalinge;  mhd. 
bezalunge.  Betaling,  \\  Alsnlc  payments  alse  in 
onser  stat  gencachtich  is  in  der  tijt  der  betalingen, 
te  betalen  die  een  helfte  tot  Paesschen  naest- 
comende  ende  die  ander  helfte  tot  Snnte  Victoers 
misse,  22.  v.  ütr,  2,  215.  Want  Willam  die  plecht 
vedergevorven  heeft  in  sinen  handen  .  .  mit 
gunste,  betalinge  ofte  ander  ghiften,  203.  Daer 
men  die  selve  gouden  Rijnsche  gulden  in  eiker 
tijt  der  betalingen  om  coepen  mach,  206.  Daima 
sal  men  den  clagher  recht  van  betalinghe  an  dat 
goet  vysen  als  recht  is  (hem  het  recht  toekennen 
daarop  zijne  tchuld  te  verhalen) ,  Matth.  157.  Recht 
van  betalinghe,  ald.  en  156. 

BETAM.  Zie  bëtame,  Iste  en  2de  Art. 

BETAME  (betaem,  betam),  bnv.  Verg.  mhd. 
gezame, 

1)  Voegzaam^  pattend,  getchikt^  betamelijk  ^  be- 
hoorlijk, II  Den  vech  van  ontfermecheden ,  daer  ons 
heren  ridderen  den  dach  leden  ende  bi  nachte  na 
den  lichame  na  der  zielen  ingaen  betame ,  Lanc,  III, 
2067.  Ende  groeflfene  in  ene  stat  betame,  ^.11^, 
29, 48.  —  Inzonderheid  in  de  uitdrukking  Betame 
s  y  n ,  voegzaam  zijn ,  patten ,  behooren ,  getchikt  zijn,  \  \ 
Ende  dat  niet  vare  betame,  dat  eens  valse  kersten 
lichame  bliven  sonde  ter  stede  daer ,  Lanc.  III ,  1703. 
Herfst  es  droghe  ende  cout . . .  out  vQn  es  dan  vel 
betam,  Heim,  1145.  Ende  hierommesoe  es  vel  be- 
tame ,  de  slote  te  commene  te  mire  hant,  Vl.  Bijmkr, 
7692.  Doe  dit  hare  drie  verf  vas  getoecht,  heeft  si 
hare  te  vege  vert  gevoecht  met  scoenre  meise- 
nieden,  alst  vas  betam,  Sp,  II*,  49, 19.  Het  vare 
betame  dat  men  dat  pauesscap  name,  J^.  IV',  73, 
13.  Ende  groevenne  daert  vas  betame,  Sp,  II*, 
18,  128.  Clerc,  en  vare  niet  betame,  Lttcid.  6213, 
—  Ook  vergezeld  van  den  3den  nv.  Enen  —  s  ij  n , 
iemand  voegen^  patten.  \\  Ende  al  dat  riddere  es 
betame  vant  hi  bi  den  selven  lichame,  Lanc,  III, 
1691.  Doet  metten  lichame  nadien  dat  heme  vas 
betame,  IV,  3361.  Hi  riet  hem  dat  hine  {den 
breidel)  name,  vant  hi  hem  vel  vare  betame  met 
te  ridene  in  zinen  lande.  Brand,  789.  Het  es  eiken 
here  vel  betame  te  maten  drincken  ende  eten, 
Salad.  215.  Hoer  hoghe  gheboert,  hoer  edel  naem 
vaer  alre  doechden  vel  betaem,  Hild.  66,  79. 
Daer  moeten  goede  vereken  veseu,  sel  volcomen 
sQn  die  naem,  die  eiker  vrouven  is  betaem,  242, 
114.  Als  hem  beden  vas  betame,  Stoke  II,  691. 
Ende  doen  dat  hem  es  betame,  X ,  963.  Dorgroten 
scat  .  .  .,  meer  dan  coninc  vare  betame,  i^.  III', 
3,   49.    Alse   den  keyser  es  betame,  III',  8,  53. 

2)  Aangenaam.  \\  Si  vort  den  here  alsoe  betame, 
dat  noyt  haer  veerde  en  vas  volscreven ,  Blitc,  v.  M, 
1760.  Want  die  vandelinge  betame  in  dijn  mage- 
doem  bequame  heefs  JhesusCristusgereet,  iSjp.  IP, 
2  (33.  Vinc.  iocundum  .  ,  .  habitaculum). 

BETAME,  znv.  vr.  Zie  betamen  en  betaemte. 
Betamelijkheid ^  voegzaamheid.  \\  "Ende  hi  meteerlic- 
heden    ende   met  betame  den  glorieusen  lechame 


van  Karle  dede  ter  eerden,  Fl.  Bymtr.  40fó.  — 
Ka  betame,  gelijk  het  betaamt ,  zooalt  kei  hoort,  \\ 
Het  schgnt,  dune  best  niet  na  betame  gheleeit, 
Bincl,  954.  —  Na  eens  betame,  naear  het 
iemand  piut,  overeenkomttig  zijn  tüuU,  ||  Die  Toecht 
sel  doen  houdinghe  den  veesen  na  haren  betame, 
y.  d.  Wall  123  (a.  1303;  misschien  is  hier  en  elders 
betame  de  3de  nv.  van  een  onz.  znv.  betam, 
velke  vorm  ook  als  bnv.  voorkomt). 

BETAMELIJC,bnv.  Ygl.  betemelijc.  Het  den 
3den  nv.  Battend  voor^  overeenkomttig  met.  \\  (Ie  sal) 
u  alsulken  raet  gheven,  als  is  betaemlic  nver 
eren,  Rein,  II,  7608. 

BETAMEN,  zw.  vw.  onz.  Zie  tamen  en  be- 
TEMEN.  Mnd.  betamen.  Alleen  gebruikeigk  in  den 
3den  pers.  enkelv. ,  en  vergezeld  van  eene  bepaling 
in  den  3den  pers. 

1)  Voegen^  patten,  \\  „Here!"  sprac  hi,  ^en 
betaemt  mynre  eren  niet  so  groot  goet."  Doe  sprac 
die  coninc  hooch  ghemoet:  „ie  en  aensie  niet  vat 
di  betame ,  maer  vat  betaemt  minen  name ,"  Ltp.  m , 
23,  40.  Hi  voerde  met  hem  enen  cnape,  alse  vel 
betaemt  ten  ridderscape ,  Limb,  lY,  2049.  —  Lichte 
betamen,  licht  voegen ,  gemakkelijk  vallen.  \\  Onsen 
here  betaemt  lichte  te  gevene  so  scone  ghichte, 
Franc,  8397. 

2)  Behooren y  toekomen ^  vertehuldigdsijn.\\y(tlt- 
vein,  dien  al  ere  betaemt,  Lanc,  II,  41319.  Ende 
hi  vas  daer  begraven  doe,  alse  sulken  man  betamde 
daertoe,  III,  11023.  Dusdanen  betaemde,  dat  hi 
sonde  sgn  onse  bisscop  helich  ende  fijn,  ^«mm^  II, 
6060.  Want  hem  eren  meer  betaemt  dan  vi  hem 
ghedoen  souden  connen,  iMnb.  I,  550. 

*  BETAST,  verkeerde  lezing  voor  be8taeiL,d.L 
overvallen  (zie  ald.),  Bijmb.  2365.  ||  Hi  vilde  tasten 
oft  Esau  vare.  Jacop  vart  betast  (/.  met  C  be- 
staen)  met  vare  (de  fout  is  veroorzaakt  door  het 
voord  tatten  van  den  vorigen  regel). 

BETASTEN,  zv.  w.  bedr.  Belatten^  aanrmkem, 
Ygl.  het  vorige  art. ,  vaar  te  onrechte  betast  ge- 
lezen verd. 

Afl.  —  Betastinge,  aanraking ^  rgL  Dimt.'^ 
208:  betastinge,  contactttt, 

BETE,  znv.  vr.  Yan  beten,  hd.  beizen;  mnd. 
beten.  Water.,  waarin  de  looiert  de  vellen  bereiden \ 
by  Kil. :  „B  e  e  t-v  a  t  e  r,  nautea^  aqua  eoriariorum."  || 
Caproene  te  voedeme,  vel  te  droghene,  rel  up  te 
slane ,  vel  in  de  bete  te  doene  ende  yel  te  beslane, 
dit  machmen  doen  sonder  mesdaet  jeghen  hiemene, 
Fad.  Mut.  2,  359  (a.  1280).  So  vie  binnen  der 
vrihede  van  Leyden  in  enighen  vateren  .  .  .  dede 
lopen  mit  goten  of  dair  in  storte  .  .  .  logbe  of 
vuylnisse  van  ververie  .  .  .,  bete  van  pelsers  of 
hantscoemakers  .  .  .  .,  verbnerde  12  se.  Leid. 
Kenrb.  7,  22. 

BETE,  znv.  vr.  Yan  Biten,  Mnd.  beet.  Beet, 
bete.  II  Want  hi  (Adam) , ,  den  tvaelf  gheslachten  mit 
eenre  beten  gaf  den  doot,  ende  omme  die  bete 
moeten  varen  ter  helle  menich  moederbaren ,  Liteid. 
1329.  —  Ook  van  een  zvaard  gezegd  in  de  nit- 
drukking.  Yan  goeder  b.<)te,  goed  kunnende 
bijten,  d.  i.  tcherptnijdend,  \\  Doch  becochte  hi  sere 
den  smete  —  dat  sveert  vas  van  goder  bete  — 
die  luchter  hant  verloes  hi  saen ,  doe  hi  den  slack 
vaende  ontfaen,  Alex.  III,  199. 

BETE,  znv.  vv.  Mnd.  bete,  Beet^  bèta  dda 
L.  Yan  de  manneljjke  mandragora  vordt  gez^gé.  \\ 
Die  hi  es  gheblaet  in  dier  ghebare  vel  naer  <^ 
die  bete  vare ,  Nat.  BI,  X ,  333  var.  Yerg.  Dodoa. 
748  b :  „  Mandragoras  Manneken  heeft  grooie,laBgke, 
gladde,  bleeck  groene  bladeren,  als  beete  bladerea.** 


iU5 


BEtÉ. 


BETE. 


1440 


BETE,  znw.  vr.  Benaming  van  een  verschijnsel 
eener  ingewandsziekte.  Dysenterie?  hamorrhdiden?  \\ 
Bi  den  menisoene  (Jbloeddiarrhee)  so  comt  hem  een  e  vel 
toe  ende  heet  die  bete ;  bi  der  perssingen  die  hi  heeft 
dor  der  beten  wille  valt  dat  bloet  van  boven  neder  ende 
beneden  (?)  den  lichame  te  drenten ;  entie  adren  en 
mogen  niet  gedogen  die  perssinge ,  waerbi  dat  bloet 
stect  die  adren  ute  ende  becomen  groet,  dat  die 
gene  groten  rouwe  heeft  ter  stede,  Ht.  Yp.  lAZd. 

BETEEST ,  bnw. ,  Verward ,  verstrikt.  Van  teezen , 
fri.  iysjen;  eng.  to  tease;  mhd.  zeisen^  dat  vooral 
van  het  plnizen  der  wol  wordt  gezegd :  minntatim 
explicare  lanam  (Plant.).  Zie  verder  tesen.  Evenals 
in  het  fri.  tyzjen  beteekent  dow  teezen  in  de  toar 
brengen:  verg.  fri.  fortygd,  zal  ook  be tesen  den 
zin  hebben  gehad  van  verwarren  y  verstrikken  ^  van- 
waar het  bnw.  deelw.  bet  eest.  ||  Die  hem  in 
donde  niet  en  schamen ,  dat  si  jonc  hebben  gheweest 
ende  in  sonden  seer  beteest ,  Hild.  244 ,  28  var.  (in 
den  tekst  staat  bed  eest). 

BETEKEN ,  verkorte  vorm  voor  Betekenen ,  even- 
als wapen  voor  wapenen  y  reken  voor  rekenen  ^  dien 
TOOT  dienen;  enz.  Zie  betekenen. 

BETEKENARE  (beteikenaer)  ,  znw.  m.  Van  be- 
tekenen,  in  de  bet.  3).  Uitlegger  ^  duider.  \\  Ende 
nochtan  vergat  die  prince  van  den  schenckeren 
sines  dromes  beteikenaers ,  D.  B.  Gen.  40,  23. 

BETEKENDE  (beteikende),  znw.  vr.  VanJ?<?- 
tekenen ,  met  het  achterv.  -de.  Vgl.  mhd.  bezeickèn- 
heit.  Beteekenis.  \\  Dese  beteikende  van  den  offer- 
hande  van  den  heilighen  drie  coninghen  wort  van 
menigherhande  meesteren  menichsins  beduit,  Ned. 
Proza  92. 

BETEKENEN  (beteikenen,  beteken),  zw.  ww. 
bedr.  Mnd.  betekenen;  mhd.  bezeichenen. 

1)  Beteekenen  y  de  hedendaagsche  opvatting.  ||  Nu 
weetstu,  clerc,  geloves  mie,  wat  si  beteken  alle 
drie,  Lueid.  197. 

2)  Enen  let  — ,  iemand  iets  te  kennen  geven ^ 
hem  kennis  geven ,  betuigen.  Vgl.  onze  uitdr.  iemand 
een  vonnis  beteekenen.  \\  Dat  hi  dat  hertoghe 
Anthonise  beteekenen  wille  met  sinen  brieve, 
Brab.  Y.  VII,  4612.  Ende  bracht  brieve  van 
hem,  .  .  daer  hi  met  beteekende  claer  sinen  neve 
van  Brabant ,  hoe  dat  waer ,  enz. ,  VII ,  14489 — 94. 

3)  Iet  — ,  iets  ver k Uren ,  uitleggen.  ||  Wi  hebben 
enen  droem  ghesien ,  ende  niemant  en  is,  dien  ons 
beteikenen  mach ,  V.  B.  Oen.  40 , 8.  Ons  gheschiede 
also  hi  onsen  droem  beteikende ,  41 ,  13.  —  Als 
onz.  znw.  Dat  beteken,  de  ver  klaring.  \\Q(iswi\Li 
over  hare  ende  verwont,  hord  daer  af  dat  beteken 
nu ,  Lanc.  III ,  7288. 

4)  Iet  — ,  iets  opieekenen^  vermelden.  \\  Oec 
wair  die  goede  in  dat  betoech  beteykent  staen  off 
niet,  O.  K.  v.  Rott.  26,  63.  Twe  boeken  der 
Machabeeu  beteekenen  die  striden  tusschen  die 
hertoghen  der  Joden  ende  tvolc  van  Persen,!).^. 
I  Maccab.  Prol. 

5)  Enen  of  iet  —  bi  of  met  ere  dinc, 
iemand  of  iets  aanduiden ,  aanwijzen  door  iets.  Vgl. 
Tekstcrit.  89.  ||  Een  clene  stucke  eerden  es  so  goet  alse 
die  mensceende  beter  vele  . .,  dit  was  betekent  bi  den 
8t«ne ,  Alex.  IX ,  1344.  Ghi  ztjt  bi  den  paradjse  wel 
betekent,  vrouwe  van  prise,  Letterk.  N.  W.  5*, 
59,  27.  Maria,  edele  vrouwe  goede,  ghi  zijt 
betekent  bi  der  roede,  die  tserpent  droech  van 
nietale,  67,  183.  Met  desen  vesche  so  syn  ons 
de  gene  betekent,  die  snnderlinge  ende  gemene 
de  werke  scuweu  der  oncuscheit,  Lutg.  I,  777. 
Dese  volghen  om  roven  mede,  ende  sgn  betekent 
bjr     den    ghiere    die    den    here    volghet,    Beest. 


122.  Minne  es  zo  edel  in  haer  wesen,  dat  bi  haer 
claer  beteekent  zi  dat  God  de  ziele  ghemaect  heift 
vri,  on.  Lied.  e.  Ged.  393,  188.  (Die  alve)  daer 
es  ons  betekent  mede  Jhesus  Cristus  witte  cleet, 
Bed.  d.  M.  182.  Ie  wane  tgordel  hier  an  si;  daer 
es  ons  betekent  bi  die  ghcsele ,  daer  Pylatns  mede 
Onsen  Here  gheselen  dede,  189.  Dus  gaf  hi  exemple 
als  of  hi  woude  beteekenen  dat  die  lelie  bi  hare 
anderwaerf  gheplant  ware,  Amand  II,  1602. 

6)  Van  tijd  of  plaats.  Vaststellen ^  bepalen.  \\D9X 
si  .  .  comen  souden,  tot  vueghliken  beteekenden 
daghen,  om  aensprake,  verantwerden ,  redene, 
besceit,  Brab.  T.  VII,  16343.  Ende  daer  na . . .  was  be- 
teekent een  dach ,  datmen  die  vrouwe  soude  sniemen 
leveren  in  der  stat  van  Riemen,  VII ,  17617.  Item 
so  en  zei  nyement  gheen  broot  backen  off  te  coep 
houden  .  . ,  hi  en  zei  datselve  broot  beteykent 
hebben  .  .,  dats  te  weten,  een  broot  van  een 
penninc  mit  enen  stype,  een  broot  van  tweeu 
penninghen  mit  twee  stypen ,  O.  K.  v.  Rott.  35 ,  102. 
So  dat  die  grave  daer  om  .  .  .  een  plaetse  be^ 
tey kende  bi  enen  dorp  in  Vrieslant,  geheten 
Wynkelremade,  daer  wt  der  graefscip  vanHoUant 
quamen  wtgecoren  manne,  Clerc  33.  Ende  beteykende 
grave  Dirc  Bave  stede  ende  stonde  tegen  hem  te 
striden ,  35.  Bij  horen  bode  die  vroescip  doen  dagen 
ende  een  seker  uere  nomen  ende  beteykenen  om 
opter  stedehuys  te  wesen,  Leid.  Keurb.  173,  63. 
Dair  sijnde  so  betekende  hl  den  goeden  lieden 
dach  ende  ure  om  met  hem  te  spreken ,  Exc.  Cron. 
IQSd.  Die  keyser  beteykende  hem  eenen  dach  ende 
tyt  om  in  der  stadt  te  comen,  223^^. 

7)  Iet  — ,  het  van  een  teeken  voorzien.  || 
Ende  ie  screef  in  enen  boec,  ende  ie  beteikendet, 
ende  ie  nammer  oerconde  over,  D.  B.  Jerem.  32, 
10  (Vuig. :  etsignavi;  Staten-Overz. :  ende  versegelde 
dien).  Daer  om  so  beteykeue  du  dit  visioen;  want 
hi  sal  na  vele  daghen  wesen ,  Ban.  8 ,  26  (Vuig. : 
visionem  signa;  Biaien-OYerz,: sluyt ditgesichte toe). 
—  Ook  Wederk.  Hem  — ,  zich  van  een  teeken  voorzien 
en  daardoor  in  zekere  hoedanigheid  kenbaar  maken  ^ 
zich  doen  kennen.  ||  Dat  een  igelyc  broeder  aen 
mantelen,  .  .  an  wapenrockeu  een  swart  cruce 
draghe,  daer  mede  hi  hem  buten  betekene,  dat 
hi  een  zonderlijc  let  zi  des  oerdens ,  D.  Orde  223. 

Aanm. — Natnurk.  288  is  beteekenen  eene  bedorven 
lezing.  In  den  tekst  staet:  Dese  betekenen  elc  na 
minen  wane.  De  ware  lezing  is  uit  het  Leidsche 
Hs.  op  te  maken.  Men  leze  (vs.  283  vlgg.) :  „  Van  den 
zeven  planeten  wil  ie  u  nu  doen  te  weten ;  haer  loop  is 
onder  tfirmament,  ende  negheen  isser  [so]  wel 
bekent  alse  de  zonne  ende  die  mane:  dese  kent 
elc  in  minen  wane;  die  ander  vive  alte  male 
diene  kenmen  niet  so  wale.'*  In  vs.  286  staat  neghen^ 
hetwelk  is  uitgeschrapt  en  op  den  kant  door  Vil 
vervangen.  Doch  men  leze  met  V'.  negheen, 
en  geen),  en  voege  met  Z7  so  in  het  vers.  Onder 
e  zeven  planeten  toch  worden  zon  en  i»tfai»  mede- 
gerekend.  De  verbetering  in  y%.^^^\  kent oi  bekent 
voor  het  onzinnige  betekenen  ^  is  nu  duideiyk. 

BETEKENESSE,  -ISSE,  znw.  vr.  en  onz.  Mnd. 
betekenisse;  mhd.  bezeichenisse. 

1)  Beteekenis  y  de  hedendaagsche  opvatting.  ||  Den 
hermite ,  die  hem  dede  van  den  serpente  ende  den 
lupaert  mede  dat  betekenesse  verstaen,  Lane.  II, 
18076. 

2)  Getuigenis.  Verg.  betekenen  3).  ||  In  ken- 
nessen  van  der  waerheden  leest  mense  {éUe  ewangelie), 
om  dat  die  heren  vry  in  exemplen  zeere  wrochten 
daer  by,  ende  gaven  rechte  beteekenesse ,  dat  siere 
af  hadden  goede  kennesse,  Amand  II,  6131, 


ï 


4147 


BETE. 


BETE. 


4148 


3)  Voorteeken ,  voorspelling.  Verg.  betekenen, 
5).  II  Die  aventaren,  die  gescien  nu,  sijnbetekenessen, 
.  .  .  van   den    heilegen  Grale,   Lanc.   III,  6369. 

BETEKENINGE  (ook  betekinge),  znw.  vt.  Zie 
betekenen,  beteken.  Mnd.  betekinge;  mhd.  be- 
zeichenunge. 

1)  Beteekenis.  \\  Al  syn  die  consecracien  des 
lichamen  ons  Heren  ende  s^ns  bloets  ghedeelt  ende 
onderscheiden,  in  materien  ende  in  formen  der 
woerde ,  in  ghedaenten  ende  oec  in  betekeninghen , . . 
si  vergaderen  in  één  waerheyt,  Rnnsbr.  3,  165. 
Den  boec  op  te  laken  ende  sijn  beteykeninghe  te 
ontbinden,  Hs.  16 ,  f.  \l^d,  Gine  segt  en  gene 
dinge,  daer  en  si  ane  grote  betekinge,  Lanc,  III, 
2043.  Ende  wet,  here,  dattie  dingen  nine  sijn 
sonder  betekingen,  III,  2627. 

2)  Uitlegging ,  verklaring.  Verg.  betekenen  4).  || 
Ende  Joseph  seide  tot  hem :  En  is  die  beteikeninge 
niet  goets  P  D.  B.  Gen.  40,  8.  Die  landen  ver- 
wonderen in  den  lydekijns  ende  in  dynen  woerden 
.  .  ende  in  dynen  beteykeninghen ,  Ecclesiast.  47  , 9 
(Vuig. :  interpretationibtis). 

3)  Verklaring^  voorteeken^  voortpelling.  |j  Onse 
here  heeft  mi  .  .  .  scone  betekeninge  gedaen,  dat 
hi  selve  soeken  es  comen,  Lanc.  II,  24260.  Hl 
peysde  dat  betekeninge  ware  van  enegher  dinghe, 

II,  29366  (verg.  29382).  Want  alle  die  saken,die 
horden  ten  drome,  waren  al  ware  dinge  ende  oec 
grote  betekeninge,  Bose  2012. 

BETEKINGE,  Zie  betekeninge. 

BETEL  (bketel).  Zie  beitel. 

BETEMELIJC,  bnw.Vgl.  betameluc.  In  act.  op- 
vatting. Passend  voor,  d.  i.  behoaam  in  iets^  ervaren.  \\ 
(Die)  betemelijck  sijn  ten  zwaerde,  ende  der  wapen 
gaeme  behaghen ,  MLoep  II ,  690.  —  Vgl.  bequame. 

BETEMEN  {betam,  betemen ,  of  beteemde,  betemet), 
st.  en  zw.  onpers.  en  onz.  ww.  Zie  Temen.  Mna. 
betemen,  zw.;  mhd.  bezemen, 

I.  Onpers.  —  1)  Absolnnt.  Betamen,  be- 
hoor en,  voegen,  passen.  \\  Als  ghi  behoerlijc  sult 
vernemen  ter  plaetsen  daer  dat  sal  betemen, 
Brab.  Y.  VI,  1027.  Als  dat  voren  bescreven  es 
tot  der  plaetsen  daer  dat  betam,  11372.  Als  redelijc 
was  ende  wel  betam,  VII,  1989.  Tsoude  seer 
qnalike  betemen  hof  te  honden  sonder  broet,  Hild. 
6 ,  124.  Wantet  ymmer  niet  en  beteemde  te  scheyden 
sonder  sake  o£f  reden,  MLoep  II,  4004. 

2)  Met  eene  bepaling  in  den  3den  nv. — a)  Ene  n — , 
iemand  betamen,  voegen,  passen.  W^dX  hihemleere 
ere  ende  scame,  snlc  alseconinge  betame,  6)9.  III', 
10,  21.  Hi  begeert  te  wesene  here  meer  vele  dan 
hem  betame,  Stoke  VI,  1074.  Want  sijn  leven 
was   eersaem,   als  enen  dichter  wel  betaem,  Lsp. 

III,  16,  296  (var.  eersam:  betam).  Dat  elc  man, 
wie  hi  si,  altoos  met  maten  gheven  sal  ende  ooc 
te  tide  groot  ende  smal ,  also  den  persoon  betame, 
III ,  23 ,  8.  Soe  dat  mense  niet  met  namen  kenlike 
en  mochte  sunderlinge,  als  hen  beteemde,  ter 
eerden  bringen,  Heelu  8820.  Maer  jonchere,  ie 
wonde  ghi  uwe  tale  seit,  daer  mense  eer  name 
ende  dat  n  ooc  bat  betame,  Limb.  I,  1168.  Ende 
bat  haer ,  np  dat  haer  betame ,  dat  zoe  mi  secghen 
wilde  haer  name,  OVl.  Lied.  e.  Ged.  399,86.  Hoe 
sonde  ie  dan  fignren  neemen ,  die  enighen  mensche 
mochte  betemen  te  liken  gyeghen  rechte  hoveerde, 
Hild.  81,  17.  Alse  hem  haddebetcmet  wale,  ^/^x. 
I,  928.  Dat  souda  herde  wel  betemen,  Limb.  1, 
1264.  Als  goeden  lieden  wel  beteemde,  OVl.  Ged. 
3,  111,  608.  Hare  en  beteemde  hem  te  houden 
enege  woert,  Belg.  Mus.  6,  419,  37.  Soen  betemet 
pi   nyet   wale,   dat  ie   mi   onderwerpe   themale, 


Lutg.  II,  1417.  Recht  als  Judas  sonde  betemen, 
Hild.  233,  146.  Soe  macht  der  eren  wel  betemen, 
241,  78.  Si  stont  op  alst  haer  betam,  D.  War.^ 
79,  66. 

b)  Enen  — ,  iemand  betamen,  toekomen.  \\  Doe 
dedemen  die  vrouwe  eerlike  ter  erden,  alse  wile 
betam  selker  vrouwen  loefsam ,  Lorr.  1 ,  734.  Ëade 
dede  sijn  vaert  ordineren  heerlyc ,  alsoet  hem  betam, 
Brab.  Y.  VI,  6974.  Dat  myn  here  es  die  conine 
van  Berberien,  ende  hem  betame  dat  een  conine 
jeghen  hem  quame,  Limb.  YlU,  1439.  Alse  wel 
selker  maeg^  betam,  Lorr.l,  1199.  Alse  wel  betam 
selken  like,  I,  1222. 

e)  Enen  —  iemand  voegen,  gelegen  komen,  mt- 
komen.  ||  Donsalichste  dinc  die  leeft,  dat  es  die 
goets  ghenoech  heeft  ende  niet  en  beteemt  dat  hiere 
ave  sinen  lichame  ghenoech  gave,  Lsp.  III,  21, 
21  var.  {var.  H.  taemt) ,  d.  i.  die  goed  genoeg  heeft 
en  wien  het  niet  gelegen  komt,  gepast  pocrkomi, 
dat  hij  er  zijn  lichaam  genoeg  van  geeft.  Naar 
het  mnl.  taaieigen  is  de  verbogen  nv.  <&i», naden 
Isten  nv.  die,  welke  voorafgaat,  weggelaten.  De 
variant  taemt  bevestigt  deze  opvatting;  men  vatte 
betemen  niet  op  als  bedr.  ww. ,  in  den  zin  van 
van  zich  verkrijgen,  toelaten  (zie  Lsp,  GIoss.). 

II  Onz.  —  1)  Met  eene  zaak  als  onderwerp. 
—  d)  Enen  — ,  iemand  "betamen ,  voegen, passen.  \[ 
Daer  omme  cuuscheit  wel  beteemt  beyde  den  wivea 
ende  oec  den  man,  X  Plag.  1622. —  b)  Enen — , 
iemand  toekomen.  \\  Den  lof,  die  haer  van  recht 
betam,  Brab.  Y,  VI,  11881. 

2)  Met  een  persoon  als  onderwerp.  Voegen, passen^ 
behooren.  \\  Bi  desen,  ende  ooc  mids  des  dat  hi 
niet  gheseten  en  es  noch  ghegoet  in  Brabant  iet, 
soe  en  beteemt  hi  billics  niet  tot  des  princen  rade, 
Brab,  Y.  VII,  10619. 

BETEMMEREN.  Zie  betimmeren. 

BETEN  (beeten,  beiten), zw.  ww.  onz.  {heette, 
is  ghebeef).  Ohd.  bevsfan;  mhd.  beisen ;  mjïé^  beien. 
Van  biten  afgeleid,  evenals  sweigen  van  stcigen, 
leden  of  leiden  van  liden,  neigen  van  nigen,  be- 
teekent  het  eig.  doen  bijten. 

A.  Het  paard  (ezel ,  muil  enz.)  in  het  gras  doen 
bijten,  laten  weiden,  met  het  doel  om  a/ te  stappen, 

1)  Van  het  paard  of  een  ander  trekéUer,  ook  van 
een  wagen  afstijgen. 

d)  Met  eene  bepaling  met  het  voorzetsel  v  a  n.  || 
Doe  hi  ghebeet  was  van  den  paerde,  qnamen  si 
daer  dandre  waren,  Stoke  VI,  466.  Doe  beette 
Roelant,  die  degen  werde  van  sinen  orsse  op  die 
erde,  Ben.  1109.  Alse  hi  quam  op  die  riviere, 
beette  hi  vanden  orse  sciere,  6<m^.  437.  Doe  beette 
si  van  den  wagene  saen,  Sp.  II*,  49,  27.  Beet 
van  den  peerde  sonder  belde,  Lanc.  II,  22699.  HI 
beette  van  den  orse ,  Vad.  Mus.  1 ,  29 ,  63.  Doen 
ie  u  vanden  perde  sach  beten,  ald.  61,  132.  Van 
dien  munl  bcetede  hi  saen,  Èeim.  2007. 

b)  Met  de  bijvoeging  te  voet.  |i  Doe  hi  ghebeet 
was  te  voet,  C,  en  El.  1128.  Ie  wille  met u beten 
te  voet,  Limb.  III,  327.  Te  voet  beette  hi  daer 
met  desen.  Franc,  414. 

c)  Absoluut.  II  Als  hy  daer  quam,  hy  beette 
te  hant,  ende  heeft  dat  ors  by  den  breidel  gke- 
nomen,  Troyen  4926.  Lief,  waert  n  ghevoecb,  wi 
souden  beten  ende  bloemen  lesen,  Beatr.  34S.  Bi 
heetten  ten  selven  stonden,  die  mdders  stont  ende 
milde  .  .  .  ende  sliepen  toten  stonden  enz.,  Jien, 
269.  Die  conine  bete  ende  ontdoet  die  porte,  die 
besloten  stoet  ende  leider  sgn  ors  nnt,  C.  en  B* 
161.  „Wats  ghesciet,  sone  stridic  niet  jesea  a, 
ie  en  ware  ghebeet  nu."  —  „Soe  beet  dan ,   seide 


4149 


BETE. 


BETE. 


4450 


die  paijn  .;  doe  beete  die  ridder  coene,X»0td.yi, 
1120.  Als  hine  sach,  beetti  ter  vaert,  ende 
ginc  te  Toet  te  bem  waert ,  JPVizii<r.  5625.  Doe  beitte 
hi  ende  maecte  hem  te  Toet,  Terg,  1212.  Teerst 
dat  hi  was  ghebeet,  Alex.  X,  1121.  Al  sonder 
beten  keerde  die  vrouwe  gereet,  V,  405.  Tierst 
dat  si  gebeet  waren,  Lanc.  IV  1635  Doen  si 
gebeet  waren,  Heeln  2153.  Eic  beete,  doen  hi 
quam  in  de  stat,  Grimb.  1 ,  3857.  Ook  Jf^/.  30555. 

—  Ook  zeer  gebmikelijk  in  samenstelling  met 
neder  (sie  nederbeten),  en  in  de  uitdruk- 
kingen  ter  neder  beten   en  beneden  beten. 

11  Doe  beeten  daer . .  een  deel  lieden  ter  eerden  neder, 
Qrimh.  II,  3552.  (Narcius)  quam  gereden  op  ene 
fontaine  ende  heette  beneden,  Kote  1367.  Girbeert 
is  gebeet  ter  neder  ende  seide  te  Ritsarde  weder : 
„Neemt  dit  ors,  lieve  neve,"  Lorr,  II,  3658.  Vor 
die  sale  quamen  gereden  die  heren  ende  beeten 
beneden,  V,  217.  Vor  die  sale  beite  hi  beneden 
ende  es  daer  boven  gegaon,  I,  1604. 

2)  Ziek  nederzetten ,  sieh  ned-ervHjen ,  zich  legeren^ 
gaan  zitten  of  liggen.  \\  Die  toverare  leedde  die  sine 
heimelike  dor  die  wostine  te  Jherusalem  ter  port  om 
te  doene  sine  mort ,  sijn  volc  dedi  te  samen  beten  daer 
bi  te  Montoli veten,  Sp,  I',  30,17.Watsegdi,sprac 
si,  dorper  fel  sondic  beten  op  dat  velt  ghel^c 
enen  wive,  die  wint  ghelt  dorperlgc  met  haren 
lichame !  Beatr,  346.  Alsi  {de  zon)  laet  haer  schijn, 
sullen  si  vanden  werke  beten.  Lep.  III,  1,  40 
(d.  i.  van  het  werk  uitnuten^  met  werken  eindigen). 

—  Sonder  beten,  zonder  te  rusten^  zonder  uit 
te  itellen^  dadelijk.  \\  Al  sonder  beten  keerde  hare 
de  vrouwe  ghereet,  Alex.  V,  408. 

3)  Aan  eene  woning  afitappen^  en  vandaar  zijn 
intrek  nemen  ^  verblijf  houden.  ||  Ie  bidde  u ,  heren, 
dat  ghi  mi  wilt  leren,  bi  wat  zaken  ghi  te  deser 
tyt  te  desen  huse  ghebeet  zyt,  L»p.  II,  13,  19. 
Een  huns  vant  hi  mit  dien,  daer  niement  en 
woonde  inne  .  .  daer  dede  hi  Maria  beeten.  Lep. 
II,  9,  52.  Dat  si  thaers  selfs  huse  node  beten, 
alsi  eire  om  niet  moghen  eten,  III ,  4, 190.  Niement 
en  can  gheweten,  waer  si  (de  ziet)  enen  nacht  sal 
beten,  I,  23,  79.  In  enen  cloester  es  hi  gebeet 
die  bisscop,  Sp.  II*,  57,  86.  Laet  die  loetsen ,  laet 
die  keten,  daer  ghi  in  wonen  moet  ende  beeten, 
int  aerme  lant  van  Pannone,  III*,  41,  43.  —  Ook 
in  flg.  zin.  Woning  maken  bij  iemand^  wonen.  \\Q\i\ 
rike,  die  gheven  moocht,  peinst  om  dese  grote  doocht, 
die  miltheit  is  gheheten,  ende  laetse  in  u  beeten. 
Lip.  III,  23,  203. 

4)  Bg  uitbreiding.  Nederdalen  ^  afdalen.  \\^  dat 
die  coninc  (Qod)  mede  in  hare  beghereiychede 
van  daer  boven  sine  zinne  beeten  dede  in  hare 
{Maria'' e)  minne,  ^.  I*,  38,  9.  Het  zal  keren  in 
corten  dagen  .  .  ende  meerre  gramscap  up  u  beten, 
Franc.  4645.  — Vandaar  wordt  het  gezegd  —  a)  Van 
engelen  uit  den  hemel.  |1  Dat  vele  ynghele  wouden 
beten  ter  feesten  daer  gheboren  waert  .  .  haer 
flcepper  van  eenre  maghet  reine,  Lsp.  II,  11,  22. 

—  i)  Van  sterren.  Ondergaan.  \\  Planeten  die  int 
risen  ende  int  beten  waren,  Heim.  1609.  —  c)Van 
vogels.  Neerstrijken.  \\  Daer  staat  een  egglentier 
ende  bloyt  van  roken  zoet,  van  bladen  groen  .  .; 
een  duve  die  esser  up  ghebeedt,  O  VI.  lAed.  en 
Qed.  399,  106.  Daer  si  {de  kraanvogeU)  beeten 
bi  nachte ,  setten  si  hare  sciltwachte ,  Nat.  BI.  III, 
1 835.  Alsi  {de  kraanvogel*)  omme  hare  dinghe  beeten , 
hare  leidere  staet  in  der  hoede,  i\ra/.  BI.  III,  1852. 
Op  daerde  hi  gheme  betens  pliet,  opdat  bi  ghene 
liede  slet,  3611  (zie  over  deze  laatste  plaats, 
die  in  de  Uss.  zeer  bedorven  is,  Tydschr.  1^21^). 


—  d)  Vooral  gewoon  van  Christus*  verschyning  op 
aarde,  en  van  het  nederdalen  in  den  echoot  van 
Maria.  ||  Nu  es  u  overvloyethede  (v.  Maria)  met 
so  groter  simpelhede,  dat  dit  dede  beten  daer  ter 
stont  den  Here  in  uwes  herten  gront,  Velth. 
VIII,  34,  62.  Almachtich  God,  die  door  ons  beetes 
in  der  maeghden  sal,  O VI.  &^^.  2,58, 122. Haren 
vorders  was  bebeten,  dat  hare  God  noch  soude 
beeten  in  die  maghet  souder  man,  Sp.  I^,  96,17. 
Hi  heette  in  dese  aerme  stat,  in  der  reinre 
magheden  vat  harde  omoedelike ,  JVap.  Mart.  1 ,  810. 
Ene  reine  nuwe  zale,  daer  hi  {Christus)  heette 
ende  ruste  in  nam,  Lsp.  I,  25,  52.  Datdeeneghe 
Gods  sone  .  .  uut  svaders  scoot  beten  woude, 
Vranc.  6356.  Dedele  Gods  zone  heette  ute  des 
vaders  scoot  hier  neder  in  onse  noot,  2800. 

5)  Op  den  grond  vallen ,  vallen.  —  a)  Eigenlijk.  j| 
Diomedes   .   .,  die  meneghen  riddere  dede  beeten 
(m  het  zand  bijten)  wilen  te  Trojen  vor  die  stede 
dor  sine  grote  vromechede.  Nat.  BI.  III,  1197. 

—  b)  Overdrachtelijk. KaZ/tf»,  ««-ptf/Z^»  tot.  \\  Wildi 
draghen  zwaere  veeten,  sekerlike  so  suldi  beeten 
allendich  in  scaden  ende  scanden,  Denkm.  3,  201, 
37.  Exempel  ghevet  hi  herde  goet  hem  die  eer 
tijt  {voor  hun  tijd)  willen  dimmen  .  .;  (het)  ware 
hem  beter  dat  si  ontbeden,  eer  si  om  die  eere 
streden,  dan  si  met  scanden  moeten  beeten.  Nat. 
BI.  III,  1402.  Daer  moesti  vander  eeren  beeten, 
Sp.  I* ,  9,19  (d.  i.  by  de  Massageten  moest 
Cyms  van  zyn  roem  vervallen^  zijn  roem  verliezen). 

6)  Tot  iets  overhellen^  neiging  hebben  tot^  zich 
tot  iets  zetten.  \\  Ghemerct  dat  creatueren  alle . . . 
in  den  eersten  graet  van  gracien  der  jongher 
juechdeliker  zinnen  beeten  ten  kiese  der  eerster 
minnen,  O VI.  Lied.  en  Qed.  388,  47.  —  Ook  als 
wederk.  ww.  Hem  beten,  vervallen ,  afdalen  tot.  \ \ 
Hi  sal  sijns  selfs  vergeten  ende  hem  te  souden 
haestelec  beten,  Velth.  VII,  18,  31. 

Aanm.  Eindelijk  wordt  beten  op  eene  zeer 
vreemde  wyze  gebruikt  door  Velth.  VIII,  9,20.  |! 
Tot  Oliveten,  des  berges  hort,  die  edel  ende  heylich 
es  geheten,  bedie  dat  daeraf  wilde  beten  onse 
here,  doe  hi  tsinen  vader  te  hemel  voer;  .  .  . 
aldaer  onse  Here  te  hemele  clam.  —  In  tegen- 
spraak met  het  gewone  gebruik  staat  het  op  deze 
plaats  in  den  zin  van  opvaren ,  opstijgen^  óf  in  dien 
van  opstappen^  de  reis  aannemen^  welke  uit  die 
van  A,  1),  of  ook  uit  B  zou  zyn  af  te  leiden. 

B.  Het  wild  door  den  valk  doen  bijten^  en  van- 
daar op  de  valkenjacht  gaan,  in  beteekenis  geiyk 
aan  het  meer  gewone  in  rivieren  varen,  vgl. 
Jonckbloet,  Spee.,  hl.  120,  en  het  znw.  gebeet. 
Ook  in  den  vorm  b ei t  e  n.  ||  Als  dat  vischen  ende  dat 
beten  ende  dat  jaghen  ware  gedaen,  OFl.  Ged.  2, 114, 
53.  Die  met  voglen  ende  met  honden  jaghen  ende 
beeten  tallen  stonden  ende  haer  kerke  selden  houden, 
Teest.  3245.  Laet  ons  varen  uter  stat  betten  (/.  beiten), 
Velth.  III,  44,  29.  Ofle  si  beiten  of  si  jaghen, 
Lsp.  III,  26,  130.  Als  valken  beiten  opeenaeren, 
Hild.  4,  54.  Also  ghedane  jacht  als  men  pleghet 
te  doen  met  roepen  ende  mit  honden  ende  te  beyten 
mit  vederspel ,  die  en  zolen  die  broedere  niet  orbaren, 
D.  Orde  231.  —  Vandaar  de  Barthol.  453a  voor- 
komende bet.  van  op  aas  uitgaan.  \\^i  {devissehen) 
beyten  meest  eer  dat  die  zon  op  gaet  ende  dair  om 
legghen  die  visschers  dan  hoer  netten. 

BETENE  (BETEN)?  II  Uutgheven  ten  orloghe  (bl.91) 
.  .  .  van  piutsoenen,  betenen  ende  andren  cleenen 
pintseelen  (artikelen)  ghecocht,  Invent,  v.  Brugge  4, 94. 

BETER ,  huw.  en  znw.  Vgl.  het  meer  gebruik^^i 
lyke  BET. 


41M 


BETE. 


BETE. 


H52 


I.  Als  bnw.  —  1)  In  de  tgw.  bet.;  ook  in  de 
volgende  thans  niet  meer  gebruikelijke  uitdrukking. 
Beter  tgt,  hetzelfde  als  beter  c  o  o  p,  comp.  van 
goeden  iijt  (zie  op  goet  en  tut).  Qoedkooper.  || 
Het  was  beter  tijt  in  Brabant,  dant  eire  was  in 
enich  lant,  Brah.  T,  V,  3787.  —  Vgl.  Exc.  Cron. 
131a:  het  was  dair  beter  coop  dan  in  anderen  landen, 

en   DIF.RTIJT. 

2)  Meer.  ||  Dairomme  den  prys  van  den  selven 
huysen,  oock  beter  es  dan  die  wasvoor  lOjaeren, 
In/orm.  390.  Men  prijstet  beter  dan  enich  gout, 
Rein,  II,  5591.  Wat  men  mit  scepenen  beraden 
mach,  dat  selmen  den  dagere  uytpanden  theuren 
daghe,  ende  panden  den  derden  penninck  beter. 
Mieris  2,  201tf. 

3)  Aamienlijker.  ||  Soe  sy  beter  is  van  aerde, 
so  sy  snoder  is  van  waerde,  MLoep  I,  3127. 
Want  soe  een  menscbe  beter  sy,  3129. 

II.  Als  znw.  —  a)  Manl.,  in  den  zin  van  s>ma»d^ 
meerdere  y  meestal  verbonden  met  een  bezitt.  vnw.  || 
Dat  dat  wij  ff  die  beter  zij  van  hoirre  coomsten  off 
van  guede,  MLoep  I,  2714.  Soe  maken  sy  hem 
dan  ghemeyn  mit  heren  die  hoir  beter  sijn,  II, 
2228.  Onse  beter  hebbent  voor  ons  ghedaen ,  Rein.  II, 
6709.  Ghi  sult  ooc  uwen  caproenjeghen  den  betren 
ofdoen.  Lip.  III,  4,  102.  Laet  den  betren  voren 
gaen,  107. —  b)  Onz. ,  in  de  uitdr.  —  Om  beters 
wille,  om  bett  wil^  met  een  goed  doel.  \\  Hi  hevet 
ghedaen  om  beters  wille,  Biuk.  171.  Men  moet 
om  beters  wil  bi  tiden  lieghen  ende  die  waerheit 
miden,  Rein,  II,  6709.  Men  moet  verdraghen  om 
beters  wille,  ende  somtijts  swighen  al  stille  al 
eest  dat  enen  tjeghengheet ,  3  Dag.  H.  121.  — 
Een  beter,  betere,  ieU  beters.  Zie  op  een.  — 
Beter  bederf,  waarschijnlyk  iets  betert  isnoodig^ 
lat.  Di  meliora ,  d.  i.  God  betere  Aet,  Qod  beware  mij.  \\ 
Mijn  here  Ywein  sprac :  beter  bederf!  wat  sal  doen 
die  here  vanden  lande  dan?  Lanc.  II,  16933.  Ygl. 
BEDERVEN  (Ie  Art.). 

BETEEDEN,  st.  ww.  bedr.  Zie  terden  en,  voor 
de  vervoeging,  Franck ,  Oramm.  §  146.  Betreden.  \\ 
Tlant ,  dat  betorde  mijn  voet ,  soude  sijn  ewelike  mijn 
goet,  Rijmb.  6905.  Ende  tenen  vondere  leggen, 
daert  beterden  wert  met  voeten  thout  vol  der  boeten, 
V.  d.  Iloute  620.  Och  aerde ,  ontdoet  u  en  sijt  my 
beluyckeude ,  want  ie  en  ben  niet  waerdich ,  dat  ie 
n  beterde,  Mar.  v.  Nijm.  35,  851. 

BETÉRDINGE,  znw.  vr.  Van  ^«r/^-^^  (zie  ald.). 
Gebruikt  in  de  bijzondere  opvatting  van  afmeting 
van  een  afstand  door  de  treden  ot  schreden  te  tellen^ 
opmeting ,  fr.  arpentage.  \\  Beterdynghe  van  deprochie 
van  Sint  Anne  ter  Muyde ,  Lett.  iV^.  J2.  6 , 1 17.  —  Ook 
betertinge;  vgl.  De  Bo  118,  waar  beterden  en 
beterten  beide  opgegeven  worden,  d.  i.  eadastrale 
opmeting.  \\  Nyewe  betertynghe  van  de  paelen  der 
stede,  Invent.  v.  Brugge,  Int.  9. 

BETEREN ,  zw.  ww.  bedr.  onz.  en  wederk.  Mnd. 
beteren;  mhd.  bezzem. 

I  Bedr.  —  1)  Beter  maken,  verbeteren,  goed 
maken ,  herstellen ,  in  orde  brengen.  —  a)  Van  con- 
creete  zaken.  ||  Hy  deedse  {de  schepen)  beteren 
ende  maken ,  ende  vultse  met  dneren  saken ,  Troyen 
f.  251  d.  Hi  beterde  mede  die  mure  van  Rome , 
Sp,  IV',  42,  77.  Tote  Sinte  Pieters  kerke  .  .  ., 
om  die  te  beterne ,  want  soe  was  oud ,  Franc.  886. 
Haer  ghemeyn  tresoer  was  groet,  diemen  daer 
uutleyde  ter  noet  om  te  betren  die  stede,  Teest, 
1330.  (Die  hadden)  gebetert  in  allen  wegen  wat 
gebrac  in  al  haer  lant,  Lorr.  fr.  II,  98.  Van 
haren  husen  te  doen  beterne,  Invent.  v,  Brugge  1, 
96.  Van  den  vorseiden  jueelen  te  beterne,  2,441. 


Een  elkerlijc  scipheere  mach  ziin  scip  up  datlaot 
setten  .  .  .  ende  betrent  {kalefateren  het)  wanner 
ende  also  dicke  als  hem  noot  es,  Invent.  v.  Brugge2, 53. 
—  b)  Van  abstracte  zaken.  ||  Datmen  desen  boemen 
pleghet  te  beteren  haer  nature,  steectmer  enen 
naghel  dure,  Nat.  BI.  VIII,  165.  Die  viande  .  .  . 
willen  beteren  dine  meadABt^AostestHamimpiet^em 
emendatum  eunt,  Rijmb.  33114.  —  e)  Van  toe- 
standen. II  Dat  hi  keerde  in  Jhemsalem,  ende 
beterde   die   dinc  daers  noot  was,  inteUexit  im/« 

Suae  fiebant,  Rijmb.  17994.  Anti  pater  beterde 
ie  zaken  met  groter  wgshede,  20612.  Die  saken 
sal  men  yerste  beteren ,  saten  ende  richt«n ,  Ngh.  2, 
118.  Wat  baet  een  haestelic  woert  .  .  .,  daermea 
ghene  dinghen  en  mach  mede  beteren  op  enighen 
dach?  MLoep  IV,  1278.  —  rf)  Van  ziekten ,  kwalen, 
enz.  II  Dien  bat  hi  dat  hi  s^n  ghebrec  beterde: 
hi  sout  hem  wel  lonen ,  Rein.  II ,  5852.  —  e)  Van 
rampen  ,  ongevallen ,  enz.  Herstellen ,  redresseeren, 
vergoeden,  goed  maken,  hetzij  het  ondw.  zelf  de 
oorzaak  van  de  ramp  is ,  of  niet.  ||  Die  hem  beterde 
sijn  mesval,  ald.  5847.  Onse  scade  ende  mesval 
moet  ons  GK)d  beteren  al,  Orimb.  II,  1276.  Qhe- 
brect  u  iet,  .  .  ie  betert  u  sekerlike,  lAmb.  V, 
1886.  Hi  wil  hem  beteren  al  sine  scade,  Velth. 
II ,  8,  7.  Hi  mach  beteren  al  mgn  verdriet,  een 
eind  maken  aan  mijn  v. ,  het  in  blijdschap  veranderen , 
Segh.  1645.  Ie  sal  beteren  hjure  smerten,  4084. 
(God)  mi  betere  mfin  verdriet,  4287;  vgl.  11193. 
Alse  die  ghene  die  begheert  hare  te  beteren  dat 
haer  mesquam,  8970.  Hoe  mach  ie  betren  dgn 
verdriet,  weder  met  coorne  so  met  wine?  Bijmk 
13408.  Die  rike  Godt  moet  n  geleden  ende  betren 
uwen  aerbeit ,  Ferg.  4400.  Hi  sal  betren  sinen  rouwe, 
Wal.  7143.  —  f)  Van  personen.  In  den  nitroep 
God  betere  mi.  God  beware  mij.  Vgl.  on« 
uitdr.  God  betere  het,  en  het  lat  di  meliora.  \\ 
Souddi  ....  maken  uwe  wandelinghe  met  eaei 
verwatenen  ballinghe  .  .  . ,  God  betere  mi !  Rein. 
1,  2732. 

2)  Zoowel  in  streng  jnridischen  als  in  algemeener 
zin.  Iemand  schadeloosstellen,  een  misdrijf  jegens 
iemand  goedmaken ,  hem  genoegdoening  of  satisfactie 
geven  voor  een  aangedaan  onrecht,  boete  (met 
beteren  van  denzelfden  stam)  betalen.  Meest  al  met 
bijvoeging  van  den  3den  nv.  des  persoons.  |l  Hevet 
een  mensche  mesdaen  enen  mensche ,  hi  willet  saen 
beteren,  het  dunct  hem  ere.  Doei.  III,  1545. 
Dat  hi  betren  wonde  die  mcsdaet,  F/or.  1724.  Die 
mesdaet  moeste  ghebetert  syn ,  1705.  So  wie  enen 
andren  misdoet,  dat  hie  viertichvout  beteren  moet 
Lsp.  II ,  36 ,  409.  Ende  ghi  wout  beteren  ende  boeten , 
het  soude  minen  toren  soeten,  Parth.  750.  Men  sal 
den  wulf  ende  Bruun  den  coenen  . .  betren  hare  mes- 
daet, hetgeen  htm  misdaan  werd  (mesdaet  in  pass. 
zin  op  te  vatten,  evenals  b.v.  bel  of,  belofte,  eet, 
scout;  zie  ald.).  Hi  en  hebbe . .  den  roef^  brant  ende 
name  .  .  ghebetert,  Nijh.  2,  115  (a.  1359).  Dat  6|s 
haer  voert  ane  wonde  houden  ende  beterent  Gode  vaa 
hemelrike,  boete  er  voor  doen  aan  God,  Fad.Mu*. 
1,  59,  43;  vgl.  46.  Hi  wilt  beteren  den  coniiic, 
Lorr.  1 ,  1658.  Dat  hi  mi  betre  die  valschede ,  die 
hi  mi  .  .  dede,  1735;  vgl.  1394.  Die  noit  mesdede, 
niet  en  weet  waer  af  betren  iet,  1997.  Us  broedex 
doet  es  mi  leet,  ende  n  te  beterne  bem  ie  gereet, 
Cass.  92;  vgl.  114.  Sturva  die  ghequetste  van  der 

Suetsinghe  .  . ,  so  soude  men  dat  beteren  ons  ende 
es  doden  maghen,  Oorl.  v.  Albr.  614.  Dat  hi 
zondicht  off  misdoet,  selve  hi  dat  beteren  moet 
mitten  live  of  mitter  ziele,  MlA)ep  IV,  861  (vgL 
verder  het  Gloss.).  Eer  die  termijn  des  bus  Ternül 


4153 


BETE. 


BETE. 


1454 


was  ende  die  mesdaet  ghebetert,  Brab.  T.  BI.  2, 
bl.  6563  (ff.  1383).  Naem  dair  yement  enighe  scade 
bi,  dat  soude  die  meesteren  beteren  bi  den  ge- 
rechte ,  Zeid,  Keurb.  109  §  4.  Zie  verder  Bnusb.  2, 
21;  Nyb.  1,  243;  Rijmb.  5430;  24193;  24911; 
27996;  Wal.  2319,  5895,  9873;  Lanc,  IV,  5048; 
Hem.  (O)  368;  Se^A.  1647;  Eein,  I,  2777; 
II,  4114;  4260;  4616;  4770;  Orirnb,!,  6369;  II, 
1213,  1216,  1277;  Matth.  99.  —  Sine  sonden 
beteren,  snjne  zonden  uiétoitscAen  door  er  voor 
te  boeten,  ||  Dat  wy  beteren  onse  sonden ,  X.  o.  H, 
33.  Beterd  hi  dan  niet  sine  sonden ,  so  maect  tallen 
kerken  cont,  Bijmb.  24094.  —  De  onb.  wijs  als 
znw.  gebmikt.  Schadelooestelling ^  boete,  \\  Waert 
oec  dat  een  beeste  mede  ene  andre  beest  anestrede, 
ende  si  doet  bleve,  diet  began,  daer  en  laghe 
ghene  betren  an  (varr.  beteringe,  betemisse). 
Boet,  n ,  3187.  —  In  plaats  ran  den  dat.  ook  eene 
bep.  met  j  egen.  ||  Hebbic  geweest  vree  ende  swaer, 
dat  wiUic  beteren  jegen  n ,  ende  staens  tnwen  wille 
nn,  Lane,  III,  21643. —  Sijn  scont  beteren 
(jegen),  hetzelfde  als  sijn  scout  gelden 
(jegen),  sijne  boete  betal^^  boete  doen  {aan),\\ 
Qc  wille)  beremyt  werden  in  ghint  wout  ende  oeteren 
jegben  God  mgn  scont,  Segk.  11946. 

3)  Boen  boeten^  9traffeny  wreken,  ||  Deret  u,  so 
betret,  of  gi  moeget,  nu.  Dander  sprac :  .  .  ie 
waent  so  betren,  dat  u  sal  rouwen,  Lanc,  II, 
6710.  Comt  hi  te  spade  die  ghene  die  eescht ,  dat 
sine  contumacie  es  mere  dan  dsanders  ende  ghe- 
betert  sere,  zwaarder  gestraft,  ifA»it.  217.  Die juge 
na  sQns  ambachts  staet  moeste  selye  beteren  £e 
mesdaet,  706.  Die  coninc  .  .  sterflyc  betert 
{straft  met  den  dood?)  .  .  datmen  mesdoet  jeghen 
home,  1020. 

4)  Verzoenen,  —  a)  Met  den  4den  nv.  der  zaak, 
vooral  met  het  obj.  sonde.  ||  Sonde  te  doen  is 
menschelic,  die  te  beteren  is  godlic,  MLoep  III, 
1246.  Om  dese  sonde  te  beteren,  soe  sende  ons 
die  Vader  sinen  sone,  Buusb.  3,  170.  —  b)  Met 
den  4den  nv.  van  den  pers.  ||  Ende  pensde  hoe  hi 
sinen  heer,  die  hi  swerlic  had  verwracht  beteren 
mocht  in  sgn  ghedacht,  Versl,  en  Ber,6,  25,378. 
Alle  die  sQn  gheboren  tote  noch  ter  onrevnder 
heUen  ginc  haer  woch.  Bedie  dat  ie  (Ghod)  die 
beteren  can,  willic  werden  ander  man,  L,o,É.\Ab 
(of  moet  men  lezen  dit  beteren,  dit  veranderen, 
kieraan  een  einde  maken?),  Hy  en  sonde  enen  minderen 
man  niet  willen  beteren  noch  zoenen,  Matth.  100. 

6)  Van  beter  in  den  zin  van  meer.  Vermeerderen, 
vergrooten,  uitbreiden,  \\  Ende  hi  hem  beterde  ge- 
meen sijn  heerscap  ende  oic  sijn  leen,  Orimb.  I, 
1329  (vgl.  VS.  1675:  Ons  leen,  ons  goet  .  .  met 
yele  lants  meerderen). Kaerl betrendem  (l,  beter- 
dem)  sinen  leen  ende  gaf  hem  borge  ende  steen, 
Ben,  1861. 

II  Wederk.  —  1)  In  de  tegenw.  bet.  Ziek  ver- 
beteren,  b.v.  Bein,  I,  2777,  2795. 

2)  Boor  boete  doen  ziek  met  iemand  {een  meerdere) 
verzoenen,  \\  Die  gene  die  u  heelde  waerp  te  neder 
metten  donre  scarp,  dat  hi  u  also  werpen  sal,  gine 
betert  u  jegen  hem  al,  Lanc.  II,  2163. 

UI  Onz.  —  1)  Beter  worden,  zedelijk  beter 
worden,  vooruitgaan,  ||  Bi  u  en  magie  anders  doen 
niet  dan  betren,  Lanc,  II,  20727.  Als  ie  beteren 
sonde,  quam  die  viant  alsoe  houde  die  midestrueerde, 
III ,  2833.  Dat  kersten  volc  (es)  ghed^t  ende  ge- 
betert  .  .,  ende  nemt  in  lanc  so  meer  toe  int  ghelove 
ende  in  weldaet.  Ende  also  langhe  als  ertrQc  staet, 
0alt  kerstenvolc  beterende  sgn,  Teest,  446.  Beterende 
dyne  die  sal  men  prisen,  OVl.  Lied,  e,  Ged.  340, 


735.  —  Ook  met  den  2den  nv.  der  oorzaak  (evenals 
in  het  mnd.),  of  eene  bep.  met  van.  Boor  iemand 
of  iets  beter  worden,  er  door  worden  gesOckt.  \\ 
Alle  die  u  ghenaken ,  selen  uus  ghebetert  werden, 
meliores  a  te  recedent,  Runsb.  4,  79.  Datter  oec 
al  deghene  af  ghebetert  moten  sgn ,  diet  met  goeder 
willechheit  .  .  selen  lesen,  Ned.  Proza  8. 

2)  Beter  worden,  vooruitgaan,  er  beter  op  worden, 
vooruitkomen,  \\  En  trouwen,  ie  ben  ghebetert  an 
mgn  springen,  Busk,  97.  Ie  ben  ghebetert  ane 
minen  sanc  alsoe  wel  als  ie  ane  m^n  scoenheit  bin, 
100.  Oedoget  dat  te  hove  vare  die  neuwe  ridder 
die  dare  meer  sal  beteren  dan  hier  met  u ,  Lanc,  III, 
87.  M^n  hof  en  beterde  noit  ere,  Walewein,  bi  u 
alsoe  sere ,  alst  bi  u  sal  argeren  nu ,  925.  —  Ook 
met  den  2den  nv.  der  oorzaak,  evenals  onder  1). 

II  Uwe  hejmelQcheyt  suldi  in  u  houden  besloten 
vry,  ende  daer  af  nieman  vragen  raet;  in  wat 
poente  dat  u  staet,  ghine  moghes  ghebetert  wesen , 
Melib,  1674. 

3)  Toenemen,  vermeerderen,  \\  Het  {ket  kind)  es  bi 
der  beden  m^n  soe  vele  gebetert  (bet  2)  in  desen, 
weltgt  dat  middach  sal  wesen,  om  dattet  tier 
wilen  ontflnc  doopsel,  so  sal  .  .  sere  beteren  hem 
sine  cracht,  Lanc,  IV,  9333. 

Aanh.  1)  —  Limb,  IV,  1036:  „Ghi  beteret  mi 
soe  sere ;  conen  vliegen  soe  sere  biten  ?  ^*  verandere 
men  beteret  in  beseret.  Zie  beseren. 

Aanm.  2)  —  Oorkb.  2 ,  440^ :  „  Ware  dat  sake ,  dat 
wie  iemant  vinden  moghte ,  die  dese . .  scout  schul- 
digher  beteere  te  gheldene  mette  rechte",  is  het 
woord  beteere  wel  bedorven,  tenzij  men  wilde 
lezen  beterde  (voor  zou  beteren,  zie  by  2),  en 
beterde  te  geldene  als  eene  pleonastische  uitdr.  be- 
schouwen. 

BETERHEIT,  -hede,  znw.  vr.  Wid,  bezzerkeit. 
Hetzelfde  als  beteringe  en  betemisse  (zie  ald.).  Sekade- 
loosstelUng ,  vergoeding,  \\  Hoe  ie  .  .  .,  van  mire 
scaden  ende  van  mire  scanden  mede  hebben  moge 
beterhede,  Lorr,  II,  2829. 

BETERINGE,  znw.  vr.  Mnd.  beteringe-,  mhd. 
bezzerunge,  Vgl.  BETERNISSE. 

1)  Verbetering,  opknapping,  kerstelling,  \\  Omhe 
de  rechtinghe  ende  beteringhe  van  der  vaert, 
Invent,  tw  Brugge  4,  371. 

2)  Verbetering,  kervorming,Yvsï  beteren,  bedr.  1). 
II  Die  tweeste  reformatie  ende  beteringhe  van  sinte 

Benedictus  ordene,  Exc.  Cron,  98  d. 

3)  Sckadevergoeding ,  sekadeloosstelling,  vergoeding, 
boete  (ald.  2).  ||  Die  beteringe  donct  him  wesen 
goet,  MLoep  U ,  24.  Hi  en  es  hoer  gheen  beteringhe 
sculdich  van  alsulke  dinghen,  IV,  867.  (Si)  deden 
hem  onderdanicheit  ende  beteringe,  als  dair  toe 
behoerde,  Matth.  Anal.  3,  338.  Ende  u  die  sonden 
dan  rouwen  met  herten  ende  met  trouwen  ende 
met  warechteger  beteringen,  Xam/;.  111,2947. Bete- 
ringe van  quader  sede,  Sp.  II',  27,  66.  Dat  elc 
ter  beteringen  trake,  boete  zou  doen,  II*,  36,  30. 
Si  begheeren  beteringe ,  die  selve  misdaen  hebben, 
Trogen  {Vb.)  11a,  Wye  dat  in  berouwen  leeft,  die 
wil  in  beteringhe  staen,  Hild.  225,  186.  Dat  .  . 
die  hertoghe  grote  betringe  hiesch  ende  hoghe, 
Brab.  r.  VI,  9821.  Beteringhe,  ghewyst  by  do 
wedt  .  ,  jeghen  eenen  brauwere ,  Invent.  v,  Brugge 
2,  367.  Beteringhe  begheren,  gheven,  nemen, 
O.  K,  V,  Bordr,  14,  15.  Beteringhe  doen,  ald,  16, 
18;  VI.  Bijmk.  7398;  Hüd.  226, 169, Brab.  T.Yl, 
9800;  Lane.  UI,  2920;  Franc.  9769;  Sp.  III», 27, 
48;  Leid,  Keurb,  Gloss. 

4^  Verzoening,  zoen  (ald.  4).  Vooral  in  de  uitdr. 
te  Deteringe,  ten  zoen:  om  iemand  teverzoenen^ 

37 


ii55 


BETE. 


ËEtE. 


1156 


gunêtig  voor  zich  te  stemmen.  ||  Teere  yolcomenre 
betringhe  vore  alle  mine  sonden,  Vod.  Mus.  2, 
216.  Dnne  sals  mi  els  niet  geven,  te  beteringen 
dan  dgn  leven,  Zanc.  III,  18937.  (Dat  si)  penitencie 
daer  af  doen  wonde,  ende  mense  ontfaen  te  bete- 
ringh  sonde,  Christ.  1013.  Dat  die  van  Athenen 
tot  eiker  drie  jaren  enden  vijff  mannen  sonden 
senden  . .  bim  te  beteringhe  énde  te  eeren ,  MLoep 

1,  1406. 

B£T£RNISSE,  -nesse,  znw.  vr.  Hetzelfde  als 
beteringe (sie ald.).  Vergoeding , schadevergoeding^ 
schadeloosstelling^  boete.  \\  Boven  die  penninghe 
ende  tgelt  .  .,  sonde  bi  te  beternessen  doen  dat 
hi  dlant  van  Cuyck  sonde  ontfaen  van  Brabant  te 
leene ,  Brab.  Y.  VI ,  7840.  Te  beternesse  doen  een 
bedevert,  Vad.  Mus.  2,  326  en  327.  Dat  Cbristns 
voor  ons  allen  in  betemessen  es  gbevallen,  boete 
gedaan  heeft,  y,voldaan'*  heeft ,  Jmand  II,  893.  Hi 
sals  bate  ontfaen  ende  beternesse,  Lorr.  I,  1372. 
Beternesse  die  dede  eene  waerzegghere,  Inuent.v, 
Brugge  6,  494.  Edel  kejser,  doet  Garine  ontfaen 
die  beternesse  mine,  maak  dat  O.  mijne  genoeg- 
doening aanneemt,  II,  1441.  Op  datmen  u  beeft 
mesdaen,  gi  seles  beternesse  ontfaen,  Y,  99.  Sine 
beternesse  nemen  niet,  eer  die  ghene  met  vonnes 
verwijst  is ,  Wrake  III ,  49.  Nemt  vore  mine  mesdaden 
beternesse,  die  u  eerliic  si,  lAmb.  II,  1684.  Al 
leeght  beternesse  die  snnden  neder,  Mask.  1045. 
Laet  n  ghenneghen  .  .  .,  gbi  hebt  hogbe  beter- 
nisse  ontfaen ,  1280.  Dat  sy  wilde  van  mj  beternesse 
ontfaen,  Troyen  3518.  Ende  weettet  wael,  dit  is 
deynde :  doet  hy  ons  beternisse  mede  van  dat  Parys 
in  Griecken  dede ,  Troyen  f.  6bd.  Wie  dat  badde 
onrecht  sake,  dat  hi  beternesse  sonde  doen,  Yelth. 
y,  6,  44.  (Si)  versoenden  mitten  hertoge  hem 
beternisse  doende,  Exc.  Cron.  123^.  Daer  si  billic 
af  sonden  ontfaen  beternisse  voor  alle  man,  Brab. 
Y.  VII,  10602. 

BETERSCAP,  -SCOP,  znw.  vr.  Voordeel,  baat, 
winst,  saldo,  batig  slot',  ook  het  bedrag  waar- 
mede gedurende  den  huurtijd  de  waarde  van  een 
verhuurd  goed  is  vermeerderd  (een  saldo  dus  in 
zekeren  zin,  waarop  somtijds  aan  den  hnnrder  recht 
wordt  toegekend).  ||  Daerof  de  13  mergen  brouck- 
lant  z|jn ,  dat  zoezeer  belast  is  mit  erf  hqyere  ende 
renten,  dat  de  beterscap  niet  veel  en  bedraecht, 
Inform.  284.  Ende  zal  een  ander,  mede  ten  achteren 
wesende ,  dezelve  schnldenaer  alsdan  mogen  panden 
an  de  beterschap  vün  de  selve  goeden ,  Leid.  Keurb. 
430,  48.  (Een  goed)  daer  die  beterscop  van  toe- 
behoert  Johan  Vnlvaet,  Racer  7,  280.  Dat  die 
selve  Jan  Lieboert  ghepant  hadde  an  die  beter- 
scap  van  der  hnsinghe  ende  hofstede,  R.  v.   Utr. 

2,  19;  zoo  ook  238  (tweemaal).  Verstoringhe  doen 
.  .  boven  die  beterscap  van  den  erfpacht,  74. 
Gegeven  E^ert  van  Honnepel  van  dat  hnns  .  .  op 
die  4  ryns  gnl.  losrenthen  voir  die  beterscap 
178  gl. ,  Rek.  d.  Buuri.  214.  Gegeven  Geertgen 
.  .  van  die  beterscap  van  dat  huns  dat  wy  tegens 
huer  gecoft  hebben  op  die  rent  die  daer  nut  gaet 
60  gld.,  ald. 

BETER8INS,  bgw.  Op  eene  betere  wijze.  \\  Up 
dat  men  de  ettere  betersins  uut  mach  snveren, 
Lanfr.  47r. 

BETERTIEREN,  bnw.  Van  beter  en  tier  (zie 
ald.  en  vgl.  quadertieren,  putertieren, 
goedertieren,  enz.).  Van  een  beteren  aard, 
zachtzinniger.  \\  Ende  want  een  wyf  betertieren  is, 
soe  werpt  si  haer  tranen  eer  uut  dan  die  man, 
Barthol.  1906.  Ende  si  syn  meer  besorcht  bi  horen 
jongen  ende  si  syn  beterthyeren ,  ald.  7646. 


BETERTINGE.  Zie  beterdinoe. 

BETICHT    (BITICHT,    BITICHTE),   lUW.   VT.  Zie 

Betien  (1ste  art.)  en  Ticht,  en  verg.  Aenticht. 
Mnd.     beticht.    Aanspraak    in    rechte,    betieitvif^ 
beschuldiging.  ||   Tot   der   tyt   dat   wi   hem  eade 
sinen   nacomelinghen   van   alre    beticht  ende  tu 
alre  misdaet  na  sinen   denken  ende  sire  nacome- 
linghe  ghenoech  hebben  ghedaen,  Oorkb.  2,  470i 
(a.   1298).   Voirt  soe  en  mach  sy  nyemant  byimen 
onsen   landen    .   .    besetten   oft   becommeren,  om 
schuit  oft  om  ennigerhande  byticht ,  sy  en  moegeos 
hem  ontschaldigen  mit  oire  eynre  hant,  Ngh.  1, 
237  {a.  1328).   Dat  die  ondersaten  in  onsen  lande 
.  .  malkanderen  mitten  stillen  gerichte  noch  geist- 
liken  banne,   van  schade,  van  scholt,  van  eniger 
bytichten  off  dergelyken ,  nyet  anlangen  off  moyen 
en  soelen,  4,  180  (a.  1441).  Te  recht  te  brengen 
van  alre  bi  ticht,  O.  R.  v,  Dordr.  1,  10,  17  (mit. 
beticht  en  betichtinghe). 

BETICHTEN,  zw.  ww.  bedr.  Gebruikt  in  de 
tegw.  opvatting  van  beschuldigen ,  met  eene  bep. 
met  van  of  met.  ||  Philips  .  .  betichte  .  .  de 
coninghinne  .  .  van  lelicke  saken ,  Exe.  Cron.  Il9c. 
Die  gheen,  die  daer  mede  beticht  was,  was  een 
eerbaer  .  .  religioes,  ald.  123J.  Beticht  of  bernft 
van  eens  smenschen  doot ,  O.  R.  v.  Dordr.  1 ,  221 ,  40. 

BETICHTIGEN,  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  *^rtc^«. 
Betichten,  beschuldigen.  \\  Of  yemant  van  den  Inden, 
die  gelooft  hebben,  dair  in  betichtiget  worden, 
ende  men  hem  kenliken  niet  betugen  en  mochte, 
dat  hi  gescil  of  onrust  gemaeckt  hadde,  Bel  t. 
Leid.  238.  Wairt  oick  dat  wiis  niet  en  betichtigeden 
ende  te  talen  en  setteden  binnen  der  tüt  voirscfM 
so  sonde  hii  mede  quiit  ende  vry  wesen  ?an  allen 
saken,  Nijh.  3,  344  (dr.  1418).  Die  betichtigbde, 
Lams  62.  So  dat  van  mijn  diefte  ende  van  mjn 
verraet  na  deser  tilt  nyemant  anders  mede  be* 
tichtich  (/.  betichticht)  en  werde,  Proxw- JZWn.  27r. 

BETICHTINGE ,  znw.  vr.  Hetzelfde  als  beOeèt 
(z.  ald.).  Aanklacht,  beschuldiging ,  aanspraak  m 
rechte.  \\  (Enen)  te  recht  te  brengen  van  alre 
betichtinghe,  O.  R.  v.  Dordr,  1,  10,  17  var.  Die 
beticht] ge  (/.  betichtinge)  niet  en  woude  laten  ver- 
borghen.  Lams  35:  vgl.  37. 

BETIDE,  bgw.  Van  het  voorz.  be  en  tgt  Bij- 
tijds, vroegtijdig,  vroeg.  \\  Morgen  so  sal  hi  orlof 
betide  nemen,  Ferg,  1369.  Morgen  vroe,  alat  sal 
graken,  sal  hi  hem  betide  wech  maken,  1409; 
vgl.  3728.  Dattu  vet  vergeten  sont  dat  ie  dj 
leerde  heden  betide,  Troyen  893.  Na  den  etene 
betide  ghingen  si  alle  slapen,  Limb.  IX,  250. 
Hets  beter  ghedaen  betide  dan  beiden  tot  de  aT<nt 
lide,  Vod.  Mus.  2,  177,  29.  Doe  rees  die  soue 
een  deel  betide,  Rijmb.  2657.  Ende  ginc  tei 
bisscop  rechts  betide,  Sp.  III ^,  30,  75.  Alie  hi 
in  qnam  so  betide,  III ^,  32,  75.  Sanderdaecltf 
wel  betide,  Lanc.  II,  34251.  Énde  gingen  slapea 
saen  betide ,  III ,  23620.  Die  camerlinc  stont  op 
betide,  Ferg.  961.  Het  ne  was  niet  spade,  mr 
betide,  3082;  verg.  3650.  Hi  weckede  LncinB 
betide,  Parth.  7794.  —  Ook  versterkt  met  Troe. 
Vroe  (ende)  betide.  ||  Dese  wil  ter  lackter 
side  ghedraghen  s|jn  vroe  ende-  betide,  NmI.  Bi^ 
XII,  382.  Pinen,  vemoy  ende  arbeit  begoistic 
heden  vro  betide,  Praet  4165.  Marghen  vroack 
betide,  Limb.  VII,  1786;  IX,  801.  Endemargiiei 
porren  vrouch  betide,  IX,  979.  Des  anderda(r^ 
vroe  betide,  XI,  1070.  —  Savons  ende  be- 
tide, ^s  avonds  en  ^s  morgens ,  vroeg  en  laat,  al&ji'^ 
Hi  es  savons  ende  betide  tallen  stonden  vroeeadt 
blide,   Ferg.   3137.  —  Also  betide,  soo  tt^- 


ii5l 


BETI. 


BETI. 


115Ö 


Zie  bij  Also.  ||  Up  enetileke  morgenstont ,  .  .  daer 
hi  bat  an  dene  side  yan  den  berge,  also  betide 
heefti  enen  seraph  yersien,  Franc.  6952. 

BETIDEN,  bijw.  Van  het  voora.  be  en  tijt. 
Mnd.  beüden. 

1)  Bij  tijden,  somtijds.  \\  Betiden  heeft  oec  die 
duTel  macht  van  den  ingel ,  die  den  mensch  wacht, 
dat  hl  den  quaden  mensch  maect  ongesont ,  Lucid. 
4379  (in  den  tekst  staat  verkeerdelijk:  betide). 

2)  Bij  tijden,  om  beurten.  \\  Ist  datter  yemant 
spreect  mitter  tonghen  alleen,  dat  moghen  si 
twie  of  ten  meesten  si  drie  doen  ende  betiden, 
ende  een  bedndet,  Es.  75,  /.  Zld. 

BETIDEN.  Zie  het  volg.  Art.  op  het  einde. 

BETIËN,  BETYEN,  BETIDEN,  st.  WW.  bedr. 
(hetiet,  betyet  of  betijt\  beteech,  beteffen]  beteffen). 
Mnd.  betien.  Zie  Tien  en  Aentien,  en  verg.  Be- 
tichten, Betichtigen. 

1)  Enen    — ,   iemand   betichten,    beschuldiffen , 

hetzij  absoluut,  hetzy  gevolgd  door  eene  bepaling 

in  den   2den  nv.  of  met  het  voorz.  van  of  met, 

hetzg  gevolgd  door  een  af hankelgken  byzin.  ||  Van 

Clandins  doot  wert  hi  betegen,  al  heeft  hine  niet 

versleghen,   Sp.   II',  8,   7.  Soe  ongemint  was  hi 

altoes  met  sinen  volke,  ende  graciloes,  des  men 

vele    beteech    doen    here    Willeme    van   Ausoen, 

Edew.  871.   Das  betgdt  men  meneghen  des,  dies 

hi   harde   onscnldech   es,    Teest,  182.  Men  sonde 

mi  niet  betien  mede ,  dat  ie  Neptanabns  kint  ware, 

Alex.  I,  460.  Houdstu  die  wandelinghe  dijn  metten 

ghenen  die  lecker  s^n,   .  .  soe  salmen  di  betien 

dat  ghi  pleecht  selker  daet.  Boet.  II,  954.  Dies 

een  selve  moeste  sijn  ghepynt,  en  mach  hi  enen 

anderen  niet  betien,  Mask.  684.  Doe  dese  deerne 

Petmm  sach,  beteech   si  hem,  dat  hi  oec  plach 

van  Jhesus  jonghers  een  te  wesen,  O.  H.  Pass. 

15,  317.   Si  beteghen  hem,   dat  hi  een  valschen 

brief  soude  ^hescreven  hebben,  BevoetB.{^%)%^. 

Als  hi  van  den  bosen  menscen  beteghen  was,  dat 

heeft  hi  gnetelicken  laten  heengaen ,  Bern.  W.  21d. 

Met  rechte  ie  u  van  morde  betie ,  Lanc.  III,  19006. 

Ende  beteech  hem,  dat  hi  hem  scande  anesprac, 

Sp.   III«,   11 ,   28.    Oec   beteech   hem   die  coninc 

mede,  dat  hi  veronrechte  die  kerke  tAlyeme,in', 

43 ,  56.  Want  si  souden  mi  betyen  dat  ie  onghelove 

brachte  voert,  Teest.  3153.  Ende  begonsten  Jhesnm 

betien  dat  hi  haer  kint  hadde  ghedoot,  Lsp.  II, 

25,   16.  Dat  hem  die  scalke  niene  betien  dat  hi 

sprake  nut  heresyen ,  II ,  44 ,  89.  Met  redenen  ics 

den  clerc  betie,  Bincl.  1134.  Someghe  andre  beteghen 

seere  daer  inne  den  heere  van  Bouchout ,  Brab.  Y. 

VI,   8120.  Menich  wert  tonrechte  beteghen,  VII, 

5398.  8o  wie  so  te  rechte  comt  van  dinghen  daer 

hy  af  beteghen  es,  ende   hem  vermeit  an  goede 

liede,   dat   hy   eire   was  te  diere  wile  dat  tfait 

gheviel  des  hy  beteghen  es,   Cout.  v.  Gent  441. 

Dat  onse  richter  daer  yemant  meer  mede  beteghen, 

dan    die  handadich  waer,  Nijh.  1,  215  (a.  1327). 

Dicwgl  soe  vraechde  hi  ende  beteech  hair  dattet 

waer  was,  maer  si  versakede  dataltjjt,  GestaBom. 

f,    50c.  Of  hi  al  schuldich  waer  dat  si  hem  op- 

seyden    of    daer    si    hem    mede    betegen.    Fase. 

M.  f.  76*. 

2)  Iet    enen    betien,    iemand  iets   te   laste 
leggen ,  het  hem  aantijffen ,  er  hem  van  beschuldigen. 

(i  Men  en  hadde  mi  die  mort  betegen,  daer  ie 
mede  bem bedregen,  Alex.YHl ,  631.  (Ende)  hi  sinen 
vader  hevet  bedreghen  met  moorde,  die  hi  wel 
beteghen  mochte  hebben  andren  dieren,  Bein.  I, 
2525.  Ende  men  m^n  diefte  ende  verraet  enen 
anderen,   dies  niet  en   bestaet,  niet  en   betie  na 


desen  tiden,  Bein.  Il,  2083.  Ende  swegic  dan  ende 
der  quaetheit  nege ,  recht  waert  dat  mi  God  betege 
der  liede  gebrec,  die  quaet  begingen,  Bincl.  106. 
Grote  scade,  dat  si  beteghen  den  greve  van 
Vernenborch  in  derre  wise ,  .  .  dat  hen  die  scade , 
ende  els  niet ,  bi  siere  ooghelukinghe  waer  ghesciet, 
Brab.  T.  VII,  17488.  Al  wat  hem  dat  gheboeft 
beteech,  O.  H.  Pass.  17,  392.  Welc  fayt  men 
betyende  was  Lauwereinse  van  Brabant,  Cannaert 
372.  —  Iet  betien,  iet^  laken,  berispen.  \\  Had 
ick  dat  niet  ontfan^hen  willen,  so  soudemen  dan 
mijn  rustierscap  ende  grovicheit  beteghen  hebben , 
Gesta  Bom.  c.  8  (ƒ.  9*).  —  Iet  betien  ere 
dinc,  iets  aan  iets  te  laste  leffffen,  het  er  aan 
wijten.  II  Alse  u  luxurie  gaet  an,  soe  betijt  ure 
kelen  des ,  want  si  uwes  buics  vrient  es ,  Doet.  II, 
2756.  —  Spreekw.  Bethyen  doet  vryen,  amantium 
irae  amoris  inteffratio  est.  Spreuken  25. 

=  Later  vindt  men  ook  naast  betien  den  vorm 
betiden  met  ingevoegde  d,  evenals  in  kastijden 
uit  castien,  belijden  uit  belien  enz.  ||  Des  vechtens 
dat  ie  u  hier  betyde,  Matth.  139. 

BETIEN;  ook  te  onrechte  betyen  {betiet  of 
betyet',  betoech  of  betooch,  betoffen;  betogen),  st. 
WW.   onz.   en  bedr.   Mhd.  beziehen.  Zie  tien  ,  ww. 

Onz.  —  Beffaan,  betijen,  slechts  in  de  uitdr. 
enen  laten  betien.  ||  Hier  om  wil  icken  wat 
castyen  ende  laten  dan  daer  meed  betyen ,  O.  H.  Pass. 
20,  491.  Daernae  soe  ghinc  !c  die  allien:  mijn 
maghen  lieten  mi  betyen,  des  hadde  ie  zeder 
crancke  vrame,  Hild.  127,  16. 

Bedr.  —  1)  Ene  dinc  op  iet  b.,  —  eene  zaak 
op  iets  betrekken,  betrekkelijk  maken,  toepassen, 
uitleffffen  als  iets  bedoelende.  \\  De  croone  die  met 
vijf  tacken  wert  ghezien ,  die  mach  men  up  eenen 
coninc  bezien  (/.  betien).  Taf.  op  3  K.  71. 

2)  Ene  dinc  — ,  iets  om  iets  trekken  of  maken. 
II  Ende   dede  ene   veste  maken,  die  alre  scoenste 

ende  die  beste,  die  noit  wart  gesien  met  ogen, 
al  omme  dien  rosier  betogen,  Bose  3814. 

3)  Ene  dinc  — ,  iets  betrekken ,  overtrekken , 
bedekken;  betogen  met  ere  dinc,  met  iets  be- 
dekt. II  Syn  een  oge  (was)  mit  alsulker  vlecken 
betoghen,  dattet  daer  niet  mede  en  sach,  Hs.  87, 
/.  70  c.  Om  seems  leer  daer  de  providiersstoeleu 
mede  betoghen  syn.  Bek.  d.  Buurk.  179. 

4)  Enen  — ,  iemand  in  rechte  betrekken ;  i  e  t  — , 
eene  zaak  voor  het  gerecht  brenffen.  \\  "Wie  dat  binnen 
deser  core  thien  jaren  besitter  es  van  goede  onbe- 
claghet  ter  vierscaren , . . .  hi  macht  houden  metter 
custinghen,  spreket  men  daer  an,  ende  nyement  gheen 
ander  recht  daer  of  doen ,  het  en  waer  dat  die  clagher 
mochte  betoghen  siin,  Oorkb.  2,  331,  8  («.1290). 
Alsoe  Willem  van  Swieten ,  procnreur-generael  van 
Hollant,  onlangs  betogen  en  angesproken  gehadt 
heeft  voir  den  Hove  van  Hollant  Jan  Engels, 
Memor.  e.  Sent.  v.  d.  Hove  v.  Eoll.  N. ,  /.  321. 
Of  eenighe  van  die  saecken  .  .  .  betoghen  ghe- 
weest  hadden  .  .  .  voor  ons  ende  voor  onsen  grooten 
rade,  Handv,  v.   Waterl.  26a. 

5)  Ene  dinc  — ,  iets  leiden,  besturen,  bepalen. 
Verg.  BETREKKEN ,  bedr.  5).  ||  Oftu  betoghen  hebste 
minen  wech  daer  ie  nu  in  wandelen  mach,  D.  B. 
Oen.  24,  42  (Vuig.  si  direxisti  viam  meam).  En 
wilt  my  niet  houden,  want  die  Here  heeft  mijnen 
wech  betoghen,  ald.  56.  Want  die  Here  was  mit 
hem  ende  betoech  alle  sine  wercken,  D.  B,  Oen. 
39,  23  (Vuig.  omnia  opera  eius  diriffebatj. 

6)  Ene  dinc—,  iets  afbeelden. Y erg.  betrec- 
KEN,  bedr.  6).  ||  Dat  hi  opsnede  therte  mijn,  hi 
soude  mire  vrouwen  suete  anscyn  daer  binnen  sien 


1159 


BETl. 


BETO. 


1160 


alse  wel  betogen  alse  na,  daer  icse  sie  met  ogen, 
Coiê.  1827.  Hier  na  sagic  gehouwen  daer  ende  be- 
togen .  .  .  giricheit,  Bose  176.  Daer  na  so  stoet 
vort  betogen  nidicheit,  249;  zoo  ook  1484. 

7)  Ene  dinc  —  met  iet,  iets  beschilderen  met 
iets.  II  Die  ander  boge  was  bat  geraect  .  .  . ,  ende 
wel  betogen  .  .  .  met  Trouwen  ende  met  jonge- 
lingen, die  behagelike  met  allen  leden  stoeden 
verheven  ende  besneden,  Bose  887. 

8)  £ne  dinc  — ,  iets  vermelden ,  verhalen.  Terg. 
VERTRECKEN.  ||  Dandre  die  doe  hadden  voorPylatus 
oghen  Jhesns  goede  werken  betogen,  Lsp.  II,  36, 
190  var,  (jt.  vertoghen).  Daer  wonde  hy  van  ons 
weten  die  waemisse  van  allen  sticken  . . .  doe  wjse 
hem  betoghen  hadden,  doe  bedanckede  wyhem  Oorkb. 

2,  472a  (a.  1298 ;  er  zal  hier  wel  betoget  gelezen 
moeten  worden.  Zie  de  eerste  aanh.  bij  betogen). 

9)  Sc  ui  de  betien,  schulden  maken,  \\  Die  en 
moghen  ghene  sculde  betheen  noch  maken  buten 
consente  hoerre  olderen,  Stadb.  v,  Oron.  IX,  21. 
Weert  sake  dat  se  schulde  betoghen  ende  makeden,a/<^. 

BËTIGEN,  st.  WW.  bedr.  Hetzelfde  als  betiën 
(z.  ald.).  Betichten^  beschuldigen,  \\  De  sal  dat  mit 
synen  eede  ontgaen ,  so  vake  als  men  em  des 
betigen  willen,  Stadb,  v,  Gron,  IX,  30. 

BETIJNST,  metHjns,  belasting  bezwaard,  AXAvlb 
te  lezen  voor  besust  (z.  ald.). 

BETIMMEREN  (betemmeren),  zw.  ww.  bedr. 
Mnd.  betimmeren.  Het  transitieve  timmeren.  \\  Van 
erve  te  betymmeren  man  ende  wQf  in  echtscappe, 
Stadsr,  v,  Ztvolle  128,  215. 

2^  Voltooien^  aftimmeren.  Verg.  onbetimmert.  || 
Enae  dese  twe  cloosteren  betimmert  sgnde,  so 
gafse  hertoghe  Grymolt  in  handen  den  heiligen 
Remaclns ,  Exc,  Cron.  67  c,  Onse  hofstede  .... 
also  alse  betymmert  staet,  B.  v.  TJtr,  2,  96.  Zoo 
ook  98,  en  O,  B.  v,  Dordr,  1,  231. 

3)  Van  burchten,  steden  enz.  Door  het  timmeren 
of  bauwen  van  vestingwerken  versterken  ^  met  vesting- 
werken  insluiten.  (|  Dat  sise  (die  borch)  nemmer- 
meer  en  souden  hierna  betemmeren  te  ghenen  daghen, 
Orimb.  n ,  6191.  Oic  heeft  die  hertoge  ondersproken, 
dat  mense  voert  in  ghenen  kere  betimmeren  en 
soude  nemmermere,  II ,  6501.  Dat  in  rheenen  keere 
die  borch  van  Grimbergen  nemmere  betemmert  en 
soude  mogen  wesen,  Brab,  T.  YI,  2827.  In  den 
eersten  soe  sal  die  stat  van  Staveren  ons  toebe- 
horen, ende  sullen  dair  here  of  bliven,  ende  die 
sal  mit  ons  bevreedt  wesen,  ende  wij  suUense 
mogen  betymmeren  tot  onsen  wille,  uutgeset  datmen 
dat  cloester  noch  den  werf  tot  Sinte  Odulfs  niet 
bevesten  noch  betymmeren  en  sal  van  geenre  zide 
binnen  desen  vrede,  dat  is  te  weten  van  onser  of 
van  der  Vriezen  zide,  Oorl.  v.  Albr,  550 (a.  1401). 
Zoo  ook  Matth.  Anal.  3,  367  tweemaal. 

4)  Van  vijandeiyke  plaatsen.  Door  het  bouwen 
van  een  sht  of  eene  versterking  ze  in  V  nauw 
brengen.  \\  Weer  oech,  dat  ennich  van  ons  syn 
slot  offte  stad  bestallet,  belegen  off  betymmert 
worde,  wy  anderen  solen  ellick  den  sel vensenden 
vgfT  gewapent  mit  pravande  ende  reyscap  .... 
und  helpen  um  dt^t  sine  holden  off  untsetten ,  Nijh. 

3,  369  (a,  1419).  Dat  sy  niet  betymert  noch  be- 
slait  soilen  weraen  bynnen  eynre  wilen  wegs  van 
onser  stat  vorser.,  Oork,  v.  1402,  aangeh.ald, 

BETOGEN,  zw.  ww.  bedr.  Zie  togen. 

1)  Toonen ,  eigenlijk  en  figuuriyk.  ||  Daer  wonde 
hy  van  ons  weten  die  waemisse  van  allen  sticken  . . , 
alzo  ju  was  betoeghet:  die  betoghedewy  hem, 
Oorkb.  2,  472a  (a.  1298).  Ende  si  niet  en  conde  be- 
togen noch  gebriugen  vor  ogen  dien  rechten  barscul- 


degen  man ,  Lanc.  II,  46257.  Drie  wondere  toende  onse 
Here . .  Brabande  in  dit  orlogheu ,  die  ie  u  hier  wille 
betoghen ,  Brab.  r.y,3759.  Si  namen  metten  Hertoge 
raet ,  die  dit  algader  wederstaet ,  ende  appeUeerde 
te  Romen  int  hof,  ende  betogede  daer  sgn  belof, 
Yelth.    IV,   64,   85.   Dat   hl  na  den  XLsten  dage 
wilde  betogen  gewaerlike,  dat  hl  voer  in  hemel- 
rike,   Lucid,   2124.   Hoe   soude  ie  connen  vreacht 
betoghen?  God  heeft  benomen  mijn  liefste ghenoot, 
Hor.  Belg.  2,  224,  3.  Ende  den  meneghen  liteken 
ghegeven,   si    mochtent  betoghen   al  hare  le^en 
weder ,  dat  hise   wel   gherochte ,    Wal.  6486.  Die 
vfjfste   redene  die  ghi  hier  vore  betoghet  mi,  . . 
die  en  doech  niet  een  cave,  Melib,  667.  Totdat  de 
natuur    enich    wech    betoget,    Lanfr.   50  r.    Hi 
en  gaf  hem  metten  swerde  liteken  daer  hine  ghe- 
rochte, dat  hijtwel  betoghen  mochte,  JTa/.  6516; 
zoo  ook  6487.  Ie  sal  vraghen  ende  vleen,  berecht 
mi  ja  of  neen  van  dat  ie  dl  betoghe ,  JTap.  Mart,  1, 33. 
Bi  reden  willic  dit  betogen,  Lucid,  3105. 

2)  Bewijzen ;   lat.  probare.  \\  Ende   lant  heft  de 
scoutete  te  lene  van  den  godehuse ,   alse  vele  alse 
hi    bi    wette   {t,   werre)   mach   betogen,    Oendtck 
Chtb,  11  (a.  1252).  Van  hofwonden  leeds  lanc  ende 
naghels    aiep    ende   die    te    betoghene    met  den 
ambochtshere  alse  recht  es ,  Y.  d.  Wall  133  (a.1303). 
Dat  ment  betogen  sal  met  tween  goeden  mannen  die 
s^n   evenknie   sjjn,   118.   Waer  ze  wittelike  ende 
redenlike   betoghen   moghen,   dat   zi  alsulc  goit, 
als  zi  upgheheven  hebben  ende  ontfïanghen,  ghe 
besicht  hebben  in  die  orbaer  sgreven  van  Ohelre, 
Ngh.  1,  177   (a,  1318).   Ende  andre  die  negheene 
vr^heit  ofle  goet  ghemitte  betoeghen  en  moghen, 
Vad,   Mus,   4,   217    {a.  1400).  Ghi  weet  wel,  dit 
Huge  zyn  bootschap  niet  en  heeft  ghedaen,  want 
hy  dat  niet  betogen  en  can ;  daerom  sal  hy  worden 
ghehanghen,    Huge   v.   Bord.   79.   Behouden  allet 
uwer  stede  recht,  dat  ghy  van  onsen  vorders  hebt 
ende  van  ons,  ende  bedoegen  (/.  betoegen)  moecht, 
Mieris  2,  7Bb.  Diese  (mifitf  «<x7t<^)  redelike  betoghen 
mach,   Gesch,  v.  Antw.   1,   642.   Nochtan  mogewi 
wel  betogen  ons  volcs  doet,  ende  soe  gewont,dat 
si  meer  en   werden  gesont,  Lanc,  II,  44320.  Sal 
ie  comen  voer  myns  kints  ogen ,  dat  ie  sial  dorren  be- 
toghen ,  dattu  gherne  names  ghenaden ,  Theoph.  1113. 

BETOGENEN,  zw.  ww.  bedr.  Hetzelfde  ils 
betogen  (zie  ald.  2).  Bewijzen,  \\  Dar  to  hebwi  hem 
oc  dat  gelovet,  dat  wi  alle  de  gene,  dehemscnlt 
sculdich  sin  binnen  onsen  lande  . . . ,  de  si  betogenen 
mogen  mit  brieven  of  mit  scepenen  of  mit  levende 
orkonde,  sulc  hebben  sullen  ende  dat  doen,  datsi 
hem  gelden  de  scnlt,    Oorkb,  2,  159  a  («.  127S). 

BETOGENISSE ,  znw.  vr.  Van  betogen  (zie  ald.  2). 
Bewijs^  bewijsstuk,  \\  Doe  antwoirde  die  grave  fu 
Hollant,  dat  hy  des  niene  gelovede,  hy  ne  sagbe 
die  betogenisse,  Oorkb.  2,  412b  (a.  1298). 

BETOMEN,  zw.  ww.  bedr.  —  1)  In  toom,  « 
bedwang  houden.  \\  Wilsoe  (de  ziel)  den  lichanie 
gomen,  so  moetene  met  weldaden  betomen  ende 
wachtene  van  mesgane,  Wap,  Bog.  813. 

2)  Met  eene  bep.  met  van.  Vrijwaren  tegen  iets ^ 
voor  iets  behoeden,  \\  Sie  hier  van  Maerten  (Marthê) 
die  figuere ,  die  de  weerelt  begoomt  van  nootdorste 
ende  betoomt  (l,  ende  van  n.  b.  ?) ,  WTt^.  Bog.  1439. 

Aanm.  —  Betomen,  vs,  1508  ald.,  is  eeae 
verkeerde  lezing  voor  becomen  (zie  ald.). 

BETONEN  (betoonen,  bethonen),  zw.  w». 
bedr.  Zie  Tonen  en  vgl.  Franck  op  Alez.y 
bl.  LXXXVIII. 

1)  Toonen,  aantoonen.  ||  Ie  holpe  hem  ghene, 
seidic  doe,  haddire  enighe  redene  toe,  die  hi  wei 


1161 


BETO. 


BETO. 


1162 


mochte  betonen ,  Grimb.  1 ,  1265.  Hoe  gaerne  sonde 
ie  weten,  waer  n  die  lelike  lasarie  ten  eersten 
uit  sal  breken ,  dat  meisken  dat  niet  laten  en  dorst , 
si  nam  een  mes,  si  doofde  baer  borst:  Siet,yader, 
ie  salt  n  betonen,  Hor,  Belg.  2,  96. 

2)  Bewijzen.  \\  Ende  wie  hier  af  ghecalengiert 
wordt  sal  sine  maeghscap  betoenen  moeten  vore 
den  scontet  ende  voer  scepenen,  Cor,  v.  Jniw. 
54,  193.  Alre  scont  ende  verwerden,  die  men  met 
openen  brieven  betbonen  mach,  Nijhofif  2,  37 
(a,  1348).  Soe  wie  dat  ledicgpanc  maect  int  voir- 
seyde  ambacht,  sal  verhoren  eenen  ouden  scilt, 
alsoe  dicke  alst  viele,  indien  dat  ment  betonen 
can,  Belg.  Mus.  4,  78  {a.  1388).  Maer  ie  biddu 
dat  ghi  claerlike  betoent  mi  met  goeden  exemplen 
dat,  80  mach  les  gheloven  te  bat,  Teest.  260. 
Maercolf ,  ghi  hebbet  wel  betoent  mi  metten  werken 
al  bloet  die  dinghen  daer  ie  u  om  ontboet,  2918. 
Dat  hi  hem  quame  manscap  doen ,  also  uw  verders 
hebben  geplogen  te  doen  manscap  den  hertogen 
van  Brabant  oit  ende  ie,  ende  wilt  dat,  also  ie 
lie,  betonen  wale,  eest  te  doeue,  met  ridderen 
ofte  met  baroene,  Grimh.1, 1224.  Dat  hijt  betoonen 
wonde  gereet  dat  die  van  Grimbergen  plagen  den 
hertoge  in  onde  dagen  te  dienen ,  daer  sgt  hadden 
te  doeue,  I,  1662. 

BETONISSE  (betoonisse)  ,  amw.  vr.  en  o.  Het- 
zelfde als  betogenisse  (zie  ald.).  Bewijs ^  öemjê- 
stuk.  II  Bringhet  oft  sendet  alsulcken  {d.  i.  alsulc 
een)  betoonisse  van  dien stucken aen den grave van 
Hollant,  waer  by  dat  hy  ju  late  in  sulcken  be- 
sittinghe,  Oor  kb.  2,  472  {a.  1298). 

BETOOCH,  znw.  onz.  Van  betogen. 

1)  Vertooning ^  verschijning^  visioen.  \\  Te  drien 
malen  eist  ghesciet,  dat  die  keyser  Karel  siet 
van  sente  Jacoppe  dit  betooch,  Sp.  IV*,  11,  1. 

2)  Bewijs^  bewijssiui.  \\  Ende  waer  dat  sake, 

dat    enich   poerter  bi  aventuren  zonder  brief  ter 

tollen   quame   mit  zQn  selfs  goede,  so  sonde  hi 

weder   afterwaert   varen  ende   halen  z^n  betoech 

ende  daermede  soude  hi  quijt  wesen ,  O.  R.  v.  Amst. 

19  {a.  1342).  Alsoe  verre  als  si  betoech  hebben 

van  quitantie  van  hem  bi  sinen  brieve ,  V.  d.  Wall 

226  (tf.  1355).   Aengesien  alle  betoech  ende  be- 

scheit   dat  beide   partien   aen   beiden   ziden  aen- 

brochten,  365  ia.  1899).  Ten  einde  van  den  jair, 

als  die  gequetste  syn  leemte  willen  wil,  so  sel 

hi  betooch  brenghen  van  den  scepenen ,  dat  hi  dien 

man   voir  ghenoemt  heeft,  Leid.   Keurb.  37,  17. 

Wanneer    een    knaep    van    buten   binnen   Leyden 

werken  sal ,  ende  betoech  heeft  van  twien  knapen  . . , 

dat  hi  lest  in  vrien  steden  ghewrocht  heeft,  die 

mach  werken ,  79 ,  43.  Hier  of  sel  een  ygeiyc  den 

wairdeyns  goet  betoech  brengen  van  den  coopman 

mit  sinen  bezegelden  brieven,  537,  53.  Endedair 

of  sel  die  coper  goet  betoech  brengen,  bezeghelt 

van  den  stapel,  542,  61.  Ende  hem  betoech  onder 

hair  segel  dair  of  gheven ,  Matth.  90.  Dair  sal  die 

bailin  mitten   scepenen  betoech  of  seghelen,  119. 

Die  sullen  dair  of  mit  hem  betoech  besegelen, 

122.  Enige  beseghelde  betoghe ,  ald.  Ende  ml  die 

rechter ,  hy  mach  betoech  hsdinghen  van  des  hem 

dair  ghewQst  is  mit  recht,  171.  Als  die  segsluden 

tghelt  van  den  anderen  daghe,  die  betoghen  van 

cloesterwinninghen   ende  zielmissen   .  .  ontfangen 

hebben,   224,   e.   e.   Die   soude  dair   betoech   af 

bringhen  binnen  vier  daghen  nadat  hQ  poirter  of 

buer   wair  gheworden,    O.    W.   v.  Amst.  22,  23. 

Ende   willen,  alse  dat  dese  selve  briefdragher  .  . 

also  te  doen  (?)  betoghe ,  brieve  .  .  vercrighe ,  die 

hi  ons  wederbrengen  moghe,  B,.  v.  Vtr.  2,  84. 


BETOON  (betuoon),  znw.  onz.  Van  betonen. 
Hetzelfde  als  betooch  (zie  ald.  2). 

1)  Bewijs.  W'&ndit  sal  daer  tx)e  goet  betoen  moten 
doen,  dat  hy  vier  jaer  voer  eenen  vrien  mester 
geleert  heeft,  Willems,  Meng.  78  (a.  1442).  Ende 
oft  die  selve  partien  voorscreven  eenich  betoon 
doen  wouden  .  .  .  met  privilegiën,  carthen ,  regis- 
tren,  .  .  soe  soude  die  hertoghe  sonder  messen 
uut  sinen  rade  vroede  ende  wise  .  .  .  senden  in 
elke  van  den  steden,  om  tvoorseide  betoon  met 
wijsheden,  .  .  voort  conde  ende  waerheit  te  ver- 
boeren, Brab.  T.  VII,  16350. 

2)  Bewijsstuk.  \\  Een  dachvaert  te  Lucemborch  . . , 
om  aldaer  yewer  partye  hoer  bethoene ,  recht  ende 
reden  over  te  brengen,  Brab.  T.  Dl.  2,  hl.  635 
{a,  1379).  Voere  ons  ende  onsen  rade  te  comenin 
den  Hage  elck  met  sgnen  bethoene  ende  rechten, 
daer  sy  hem  mede  behelpen  wilden,  V.  d.  Wall 
347  {a.  1393).  Want  wy  daer  en  gheen  betoen  of 
ghesien  en  hebben,  N^h.  2,  228  {a.  1368).  Aen- 
ghesien  betoen  ende  brieve,  die  men  daer  jeghen 
toghen  sel,  229.  Die  sal  .  .  die  bedevert  doen, 
soo  dat  hi  niet  weder  incomen  en  sel  voir  die  tjjt 
dat  hi  dair  geweest,  ende  goet  betoon  dair  of 
gebrocht,  Bel.  v.  Leid.  260  (a.  1419).  Ende  beval 
hem  mede  te  brengen  alsulc  betoen,  alst  gesticht 
had  van  der  heerlicheden  van  Hagesteyn,  Matth. 
Anal.  3,  327.  Rekeninge  ende  andere  betJioenen, 
als  wy  daertoe  behouven  zouden ,  Inform.  322.  Zie 
nog  Brab.  Y.  VII,  16250;  K  v.  Vtr.  1,  176,34; 
195,  34  (tweemaal);  2,  55;  31;  JT.  en  O.  v.  Delft 
201,  1;  O.  B.  V.  Dordr.  2,  76,  102;  em. 

BETOBMENTEN,  zw.  ww.  bedr.  Hetzelfde  als 
tormenten  (z.  ald.).  Pijnigen^  kwellen.  \\  Wat  be- 
tormentstu  dij  selven  met  ydelen  ende  onnutten 
p^nen?  Vaderb.  lli;. 

BETEACHEN.  Dit  ww.  vinden  wg  Bose  {O)  7779 
gebruikt  in  den  volgenden  samenhang:  „Grote 
horsen,  weghende  wel  met  florinen  ende  niet  el, 
entie  oec  vlieghen  in  plaetchen ,  hi  mach  hem  alre- 
best  betrachen."  —  Het  is  de  vertaling  van :  „  üne 
grant  borse  pesans  toute  farsie  de  besans,  se  la 
véoit  saillir  en  place,  tost  i  corroit  &  plaine  brace." 
De  andere  bewerking  der  Bose  heeft :  „  Die  de  borse 
swaer  doet  coemen  met  florinen  wel  gespeet,  hi  es 
wel  ontfoen  ende  natrect."  üit  het  rQmwoord 
plaetchen  blykt ,  dat  de  uitspraak  geweest  moet  z^n 
betraetsen.  Hoogstwaarsch^nl^k  hebben  w^  dus 
hier  (indien  de  lezing  juist  is)  te  doen  met  een 
woord ,  door  den  bewerker  gesmeed  van  het  f^.  traeer, 
d.  i.  suivre  la  traee,  chercher  avec  soin  (Burguy, 
Gloss.  368),  opsporen,  naloopen;  het  zal  dus  wel 
de  vertaling  zQn  van  de  fr.  woorden  Tost  i  eorroii, 
maar  de  zin  van  den  fr.  tekst  is  dan  toch  nog 
slechts  onvolledig  en  onnauwkeurig  weergegeven. 

BETRAP,  znw  onz.  Van  Betrap  en.  Set  in 
besit  nemen,  vangen.  —  Te  eens  betrape  s^n, 
aan  iemand  staan  om  het  in  bezit  te  nemen ,  iemands 
rechtmatige  buit  zijn.  \\  Hets  tonsen  betrape,  dat  bi 
naturen  geboren  es,  Blise.  v.  M.  812. 

BETRAPEN,  zw.  ww.  bedr.  Betraq>pen. 

1)  Enen  — ,  iemand  betrappen,  achterhalen, 
overvallen,  vangen,  in  zijne  macht  krijgen,  machtig 
worden,  vooral  met  vgandelgke,  maar  ook  met 
vriendschappeiyke  bedoeling.  ||  Deken  ende  papen, 
daer  hise  can  betrapen,  comen  si  in  sire  verde, 
hi  nemt  hem  mule  ende  yerde,  Eleg.  251.  Eest  dat 
hine  opt  velt  betrape  sander  dages,  hisalnevaen, 
Lane.  UI,  21622.  Terstont  in  dier  haesticheden 
worden  si  hier  ende  daer  gheraept,  die  opsetters, 
ende  betraept,  ghevangen,   die  niet  ontvlien  en 


1163 


BETR. 


BETR, 


1164 


mochten  ^^JBrab.  Y.  YI ,  4926.  Of  hl  sal  yatten  ende 
slaen  ridderen ,  knechten ,  clercken ,  papen ,  waer  dat 
hUe  can  betrapen ,  Qrimb.  1 ,  2427.  Si  ontboden  rid- 
deren ,  knapen ,  ende  alle  die  sy  mochten  betrapen ,  I, 
3899.   Wien  si  connen  hier  betrapen,  heeft  seker 
sgn    lijf  verloren,    I,   5037.    Dat    si    versloegen 
groot  ende  cleyne,  waer  si  betraepten  die  Romeine, 
Sp,  Wy  51,   19.  Alse  hl  die  (papen)  conde  be- 
trapen, ontftnc  hise  eerlike,  Sp.  11^,  30,  80.  Men 
saelt  ons  treek  en  te  love ,  moghewine  soe  betrapen, 
ochte  bi  vromecheiden  van  wapen ,  ochte  bi  goeder- 
tiemheiden,  dat  wine  te   hove  leiden,  Lanc,  II, 
30619.   Machmen  heren  ende  papen  mitter  mjede 
aldus  betrapen,  Hild.  141,  181.  So  seldi  ons  doen 
betrapen   saen,   Koie  13316.  Dat  sine  en  mochten 
betrapen   niet,    L,    o.    H.   1282.  Die  wy   in   den 
stryt  betraepen,  Qrimb.  II,  3714  var.   veel  sielen 
die  ie   noch  sal  betrapen,   BUsc,  v.  M.  457.  Die 
doot  die   sel  mi  schier  betrapen,  Hild.  78,  168. 
Bi  Qode ,  ie  ware  mi  liever  doet ,  dan  mi  die  god  in 
valscheit   groet   betrapen   mochté  ochte  rasteren, 
Rosé   3171.   Na   seldi  beiden  ende  gedogen,  dat 
gine  in  betren  poente  selt  moegen  betrapen,  3317. 
Want    die    n    woude   in  oncnescheiden  betrapen, 
vrouwe,  hi  mocht  doen  wale,  5484.  Och,  mocht  ie  den 
losen  pape  binnen  mynen  huyse  betrapen ,  Playeno. 
158.  M.  L.  Pleghen  camerieren ,  joncwijfs  en  cnaepen 
ulieden  te  volghene?   Qh.  Men  zoudse  betraepen 
altemets  onder  ons  lieder  bewelt,  V.  ^ar.  1,412, 
163.  Ist  dat  ie  hem  eens  op  sijn  bloote  betrape , . . 
ie  sal   den   pleccaert  den  hals  verstuycken.  Mar. 
V,  N.  28,  661.  —  Zie  ook  berapen. 

2)  £ne  dinc  — ,  iets  machtig  worden ^  vinden, 
II  Wy  moesten  peynsen,  hoe  wy  sullen  betrapen 
logyse,  daer  wy  sullen  mueghen  slapen,  Ned. 
Kluchtsp.  96,  66.  Om  één  (schaap)  .  .  te  betrapen, 
liet  hi  alle  dandere  sonder  hoede,  Sp.  11^,  8,  50. 
Die  scepe  sinctense ,  datmen  betrapen  niet  en  soude 
waer  si  waren,  Velth.  VI,  20,  16. 

BETREDEN  (betrat,  betraden  y  betrede)  ^stww, 
bedr.  Mnd.  betreden.  Vgl.  beterden. 

1)  Enen  — ,  iemand  aantreden ^  betrappen.  \\ 
Mer  die  ophouden  ende  arresteren  mit  horen  lyve 
ende  goede  so  wair  syse  vynden  o£f  betreden  in 
hoiren  bedry ve  te  water  ende  te  lande ,  V.  d.  Wall 
477  {a.  1423).  In  wat  hornick  of  steden  men  die 
of  oer  guet  betreden  kan,  Nijh.  4,  134  {a.  1436). 

2)  Enen  of  iet  — ,  iemand  of  iets  vertreden y 
vertrappen.  ||  Doe  vele  scaren  om  hem  stonden, 
also  datsi  malcanderen  betraden,  Hs.  71  {Lue.  12, 1). 
Dattet  niet  goet  en  waer,  datter  verken  voet  die  mar- 
griten  der  ewangelien  souden  betreden, Stemmenl6S, 

BETRECKELIJC,bnw.  —  l)ym  betreckeny  in  den 
jur.  zin  van  in  rechte  betrekken  y  voor  den  rechter 
roepen.  Die  voor  den  rechter  geroepen  kan  worden.  \\ 
Die  poorter  .  .  en  es  niet  betrekkelic  voor  ander 
juge  dan  voor  dezelve  wet  {van  Haarlem)y  Wiel. 
Instr.  73,  17.  Dat  een  poortere  ghecondemneirt 
int  gheestelic  hof  in  de  costen,  ten  zelven  hove 
verclaerst  was  wel  betreckelic  te  zine  om  de  zelve 
costen  te  zien  tauxeren,  Invent.  v.  Brugge  2,  336. 

2)  Van  betreckeny  in  den  zin  van  iemand  tot  iets 
rekenen.  Gerekend  wordende  tot  iets  te  behooren.  || 
Woenste  te  hondene  binnen  der  selver  stede  .  . 
sonder  by  dien  .  .  betreclic  te  zine  in  de  poerterie 
ende  vryheit  van  deser  stede,  Diericx,  Jf^'m.  1,54. 

BETRECKEN  (ook  betreken),  st.  en  zw.  ww. 
bedr.  en  wederk.  {betraCy  betraken,  betreken ,  of  be- 
trocken'y  en  betrecte,  betrecf).  Zie  trecken. 

I  Bedr.  —  1)  Betrekken  y  overtrekken  y  bedekkeny 
de  hedendaagsche  opvatting.  —  a)  Eigenlijk.  ||  Als 


ie  den  hemel  sel  betrecken  mitswartheit  ende  mit 
wolken  decken ,  myn  reghenboech  sel  ie  dan  toenen, 
O.  H.  Pass.  25,  681.  —  *)  Deelgenoot  maken  y  in 
eene  zaak  wikkelen.  ||  Ontslaen  van  der  contributie, 
daer  in  hemlieden  betrecken  wilden  de  prelate  van 
desen  lande,  Invent.  v.  Brugge  5,  206. 

2)  Enen  — ,  iemand  trekken y  verlokken,  ver- 
leiden. Bij  Kil.  attrahercy  pertrahere y  alUcere.  ||  Na 
rust  hi  nummermeer  nacht  no  dach,  hoe  hi  den 
mensche  mach  betrecken  ter  quaetheit,  Hild.  220, 
50  var.  Tsgn  al  onghetrouwe  ghesellen,  die  mal- 
cander  vast  betrecken  te  wesen,  daer  si  hoer  ziel 
bevlecken,  245,  182  var.  Wiet  hare  na  overmoet 
doet  arden,  sine  siele  tijdt  ten  helschen  Tarden: 
dus  can  hoverde  vrient  betrecken,  sgnt  man,sgnt 
wijf,  diere  ane  s wecken,  lünel.  1122. 

3)  Enen  — ,  iemand  met  de  t4mden  vaneen- 
trekken -y   in  figuurlijke  toepassing,  hem  belasteren. 

II  Betreckinghe  heet  ie,  die  dieluydenmet  minen 
tanden  betree  ende  stamp  tot  pottage ,  Pelgrim  78. 

4)  Enen  — ,  iemand  besturen y  regeereny  Uiden, 
II  Ghi   heeren,  die  de  werelt  berecken,  entie  die 

lieden  sult  betrecken,  wedewen,  weesen  moetn 
ontfarmen,  Boec  v.  Sed.  793.  Ie  sal  dat  volc  be- 
trecken, ende  die  gheslachten  sullen  mi  onder- 
danich  sijn,  D.  B.  Boec  d.  Wijsh.  8,  14  {Hs.  v. 
1423,  213*).  Mit  groter  waertücheiden  bctrecstn 
ons ,  want  di  is  tonder  dattu  wilste  vermoghen , 
Hs.  V.  1423,  217c.  —  Ook  als  znw.  Gods  be- 
trecken, Oods  bestuur ,  leidingen.  \\  Ich  love  ende 
danck  dyn  betrecken ,  Vader b.  135^.  —  Ook  in  den 
zin  van  aan  de  eene  of  andere  macht  onderwerpen.  \\ 
Dat  het  {Vlaenderer^  gheregiert  zy  bi  scepenen 
zonder  vordre  betrocken  te  zine,  Invent.  v.  Brugge 
3,  510. 

5)  Ene  dinc  — ,  iets  leiden y  besturen.  \\  Die 
Here  in  wies  aenscouwen  ie  wander,  hi  sal  met 
di  sinen  engel  senden,  ende  hi  sal  dinen  wech 
betrecken,  D.  B.  Gen.  24,  40  (Vuig.  diriget  viam 
tuam).  Ie  ghelove  dattie  goede  enghel  Gods  in 
sinen  gheselscep  is,  ende  hi  sal  wel  betrecken 
dat  omtrent  hem  ghedaen  sal  worden,  D.  B.  Tob. 
5,  29  (Vuig.  disponet).  So  badt  si  den  here  God 
van  Israhel,  dat  hi  haren  wech  betrecken  vilde 
ter  verlossinghe  van  haren  volke,  D.  B.  JudUh 
12,  8.  Omdat  bi  sel  betrecken  die  rontheit  van  der 
werelt  in  effenheit,  D.  B.  Boec  d,  Wijsh.  9,  3.  Dat 
hy  alsoe  ten  beteren  leven  bekeere  ende  sgne 
weeghe  betrecke,  soe  dat  hy  in  de  uutvaert  sgns 
levens  biyde  syn  moeghe,  K<u^*.  195a.  Omdat  hy 
alle  synen  wille  betrack  nae  Gods  wille ,  137r. 

6)  Ene  dinc  — ,  iets  afbeelden.  Bg  Kil.  ^Be- 
trecken 1.  beworpen,  delineare ,  rwdiier 
depingere.^^  Verg.  fr.  pourtraire.  \\  Wel  conste  hi 
betrecken  ontrouwen,  die  selke  beelde  conste 
houwen,  Bose  169.  Hier  na  sag^c  gehouwen  daer 
ende  betrecket  ....  ghiericheit,  Bose  (C)  173. 
Dus  waren  die  beelden  daer  gehouwen  ende  vel 
betrocken,  bi  mire  trouwen,  449.  —  Ook  Ont- 
werpen. II  Al  ist  dat  dye  sommige  den  bomeoft  linie 
der  hoger  princen  ende  hertogen  van  Brabant  be- 
treckende  ende  beginnende  syn  van  Noes  tyden, 
Exc.  Oron,  48tf. 

7)  Ene  dinc  — ,  iets  besteden,  gebruiken^  aan- 
wenden. II  Hoe  hy  dat  grote  goet  dat  hem  gheblevea 
was  betrecken  mochte,  niet  ter  eren  der  werelt, 
mer  tot  Goods  love.  Pass.  W.  f.  \\a. 

8)  Als  rechtsterm.  Iemand  in  rechte  betrekken  y 
hem  te  recht  doen  staan.  \\  Dat  men  persoenen 
niet  pandelic  binnen  Ghend  .  .  betrecken  sal  vor 
viuderen   als   voor   schepenen   ende   up   hem  pro- 


1165 


BETR. 


BETR. 


1166 


cederen  naer  de  costume  van  vinderen,  Diericx, 
Mém.  2 ,  206.  Waert  dat  deen  poorter  betrocken 
ware  b|j  eenen  anderen  poorter  voor  ander  jnge  . . 
dan  voor  de  voirscr.  wet,  Wiel.  Inatr.  73,  18. 

9)  Een  vonnis  betree  ken,  tegen  eene  uit- 
spraak opkomen,  \\  Zo  wat  poorter  off  poortesse 
betreet  de  vonnesse  van  scepenen  bij  reformacien 
oflf  appellacien,  Wiel.  Inttr.  81,  69. 

II  Wederk.  —  1)  Hem  betrecken,  zich 
voorttrekken^  door  trekken  zich  voortbewegen.  \\  Van 
eenen  scepe  dat  hem  selven  can  bet  betreken  dan 
enich  man,  al  dade  men  hnlpe  engbeene,  Roee 
C  52Ö0. 

2)  Hem  betrecken,  met  den  2den  nv.  Zich 
bedienen  van  iemand  of  iets^  gebruiken.  \\  Wy 
ne  dorfvense  niet  ontsien  in  gbeender  saken ,  maer 
ons  betrecken  onser  lieden,  dat  wy  mogben,  als 
ick  bediede,  eerlick  jeghens  hem  striden,  Orimb. 
II,  1080  var. 

3)  Zich  terugtrekken^  vooral  uit  de  wereld j  zich 
aan  een  geestelijk  leven  wijden.  \\  Onser  voorseyder 
kerrken,  alwaer  sy  over  sekeren  tydt  ende  termijn 
hemlieden  betrocken  hebben,  Diericx,  Mém.  2, 
460.  Mits  dat  Pierone  Hnghes  met  devocien  haer 
betrocken  heeft  in  de  clnse  tEckerghem  om  Gode 
te  dien  ene,  628. 

4)  Overgaan  toty  zich  begeven.  \\  Als  de  weese 
huer  betreet  te  hawelicke.  Wiel.  Instr.  118,  299. 
Dat  niement,  onderzate  zynde  van  den  cuenync 
van  Scotlant  hem  betrecken  zoude  {zich  er  toe  be- 
geven zoUj  het  zou  wagen ,  ondernemen)  omme  coo^- 
manscepe  te  doene  te  Brngghe,  Invent.  v.  Brugge  6, 25. 

BETRECKERE,  znw.  m.  Hij  die  een  ander  in 
rechte  betrekt ^  de  aanklager,  \\  De  betreckere  zonde 
boeten  10  c^.  Wiel.,  Inetr.  73, 18.  Seght  de  betrec- 
kere dat  hy  oircontscepe  dar  af  heeft,  Gendsch 
Chtb.  168. 

BETBECKINGE,  znw.  vr.  Van  betreeken 
als  bedr.  ww.,  in  de  bet.  4).  Kwaadsprekendheid , 
toeter.  Zie  de  aanh.  ald. 

BETROÜWE  (betrou),  znw.  vr.  —  1)  Trouw, 
getrouwheid.  \\  Om  sonderlinghe  betronwe,  lieve, 
vrienscippe  ende  yonste,  als  hi  .  .  tot  ons  heeft, 
y .  d.  Wall  268.  Want  .  .  Aelbrecht  ons  sulke  lieve, 
vrienscippe  ende  betronwe  .  .  bewijst  heeft,  269. 

2)  Vertrouwen.  \\  Dat  was  eenuntvercoren  joncfron, 
an  welcker  die  coninc  had  betrou ,  D.  War.  4 ,  616, 41. 
Hebbe  betrouwe  in  Sinte  Elizabeth,  Pass.  W.  366. 

BETROÜWE,  bnw.  Trouw,  getrouw.  —  Bose 
fr.  249,  8:  „So  wien  so  lief  ende  betrouwe," 
schijnt  het  te  staan  als  synon.  van  lief,  dus  in 
de    bet.  aangenaam,  welgevallig-,  mnl.  bequame. 

BETROÜWELIKE ,  bijw.  Iiust;i^,  kalm,  vol 
vertrouwen,  \\  Des  heren  alre  gheminste  sal  wonen 
betrouwelyc  in  hem,  D.  B,  Veuter.  33,  28.  Si 
woendenre  alle  in  {in  het  land)  betrouwelike , 
Ezéch.  38,  8.  Als  mgn  volc  van  Israhel  betrouwelijc 
wonen  sal,  ald.  14. 

BETROUWEN  (betraüwen,  betruwkn),  zw. 
vrw.  onz.  bedr.  en  wederk.  Mnd.  betruwen',  mhd. 
beiriuwen. 

I  Onz.  —  1)  Vertrouwen ,  zich  verzekerd  houden.  || 
Hi  mach  ganselic  betrouwen,  dat  hem  God  sijn 
sonden  vergeven  sal,  Ruusb.  3,  103.  —  De  onb. 
wffs  als  znw.  gebruikt.  Vertrouwen,  verzekerdheid 
de9  gemoeds.  \\  Met  enen  ghewarighen  betrouwen, 
datfle  {de  zonden)  hem  God  vergheven  sal,  Ruusb. 
3,  104.  Laet  ons  dan  met  enen  betruwen  onse  sonden 
groet  weghen,  ald.  Du  behaghes  my  wale  in  dgn 
o  vergheven  ende  in  dijn  betruwen,  4,  27. 

2)  Met  den  3den  nv.  Vertrouwen  stellen  in ,  ver- 


trouwen  op.  ||  Die  der  werlt  te  zeer  betruwen, 
Hild.  124,  69.  Hi  sal  betrouwen  ...  der  gronde- 
loser riker  miltheit  Gods,  Ruusb.  6,  127.  Gods 
{l.  Gode)  ...  te  betruwen,  3,  106.  Ie  ben  ont- 
fermich  ende  men  en  betrouwet  mi  niet ,  Stemmen  4. 
Om  dat  hi  aldaer  so  truwelic  bi  hem  bleef,  so 
betruwen  si  hem  daerna  altoes  te  bet,  Clerc  64. 
Twee  joncvrouwen,  die  hi  waende  so  betrouwen, 
Sp.  II*,  29,  7.  Want  si  vore  allen  menechfout 
hen  betroude  van  den  lande,  II*,  61,  60.  (Earel) 
die  hem  nochtans  wel  betroude,  Exc.  Cron,  93b, 
Den  dappere  altoes  scuwen  ende  den  smekers  niét 
betruwen,  Teest,  966;  vgl.  3337.  (Wi  selen)  Gode 
betruwen  boven  al,  dat  hi  ons  ontfermen  sal ,  2472. 
Helm,  scilt,  in  der  hem  betrouwen,  TrogenSSSb. 
Die  betruwet  sinen  ouden  viant,dat8hemberuwet, 
Esop.  XXXIV,  23.  Sone  betroudi  mi  niet  ten  besten 
ende  tiet  mi  verraetnesse  an,  Velth.  II,  13,  36. 
3)  Ook  met  den  3den  nv.  van  den  pers.  en  den 
2den  nv.  der  zaak.  In  iets  op  iemand  vertrouwen 
stellen.  —  a)  Iemand  in  iets  gelooven.  ||  Hets  saen 
ghedaen,  mi  des  betrouwet  (lat.  mihi  crede),  dat 
namaels  harde  langhe  rouwet,  MeUb.  1964.  — 
b)  Iets  van  iemand  hopen,  vertrouwen,  verwach- 
ten. \\\Y&nt  hi  des  betrouwede  Gode,  dat  hi  daer 
sonde  de  viande  jaghen  uut  sijns  vader  lande, 
Stoke  III,  288., Het  is  onmogel^c,  dat  God  dien 
niet  en  sonde  sQn  sonden  vergheven ,  dies  op  hem 
betruwen,  Ruusb.  3,  104.  Sinen  getrouwen  vrient 
die  alsoe  getrouwe  is,  dat  hi  niemant  ontgaen  en 
mach,  noch  nie  en  dede,  dies  hem  betruwede,  106. 
—  Met  eene  ontkenning.  Iets  niet  van  iemand  ver- 
wachten, iemand  niet  tot  iets  in  staat  achten,  het 
niet  achter  iemand  zoeken.  \\  Ie  en  hadt  nemmer- 
meer  minen  wive  betrout,  dat  si  mi  heeft  ghedaen , 
lApp.  68.  —  Enen  alre  eren,  al  goets,  alre 
doghet  betrouwen,  iemand  tot  alle  goede,  edele, 
ridderlijke  handelingen  in  staat  achten,  alles  goeds 
van  iemand  verwachten.  \\  Ie  betroude  jou  alre  ere 
Wal.  6629.  Mijn  heere  betraut  u  alre  eeren, 
Denkm.  3,  134,  83.  Ondoghet  seldi  scuwen,  soe 
mach  men  u  al  goets  betrouwen,  Vad,  Mus.  1, 
321 ,  46.  Die  liede  {vijanden)  salmen  scuwen ,  ende 
in  (/.  hem)  gheenre  doghet  betruwen ,  Melib,  1866. 
Hi  betroude  hem  doechden  meer  dan  hl  ghedaen 
hadde  eer,  Brab.  Y.  I,  397. 

II  Bedr.   —   1)    Toevertrouwen,   de  beschikking 
geven  over;  in  het  pass.  de  vrije  beschikking  hebben.  \\ 
Daerom  so  wilt  die  ghecken  scuwen  ende  den  wisen 
u  eer  betruwen ,  MLoepl,  817.  Ie  bleef  thuus  in  sgn 
erve  ende  betrouwet  van  allen  goede,  Amand  1, 1137. 

2)  Gelooven.  \\  Dattu  niet  ne  weets  des  enwiltu 
niet  betraüwen ,  Brand,  1910.  Lichteiye  te  betruwen, 
dat  vrouwen  draghen  in  den  sin ,  MLoep  IV,  1636. 

III  Wederk.  —  Hem  betrouwen  te,  in  of 
o  p,  vertrouwen  stellen  op ,  zich  verlaten  op,  \\  Hem  ge- 
dachte sire  vrouwen,  daer  hi  hem  meer  toe  ne 
mochte  betrouwen,  Lanc,  II,  36679.  Hoet  mi, 
vrauwe,  up  u  ie  mi  betrauwe,  O  VI,  Lied,  e,  Ged, 
64,  119.  So  vele  betrouwet  hi  hem  in  u,  Farth. 
7406.  Want  ies  (des ,  d.  i.  in  dezen)  mi  sere  be- 
trouwe tu,  Limb.  XII,  908.  Dan  wilUc  mi  tote  u 
betrouwen  {mij  bij  u  aansluiten,  aan  uwe  leiding 
mij  overgeven),  betren  dan  ghi  en  waen  ie  niet 
scouwen ,  Ferg.  1066.  Ie  segghe  n,  dat  ghi  in  gheenre 
manier  en  tronwet  daer  ghi  u  niet  in  en  moghet 
betrouwen.  In  dese  maecht  en  moeehdi  n  niet  be- 
trouwen met  reden,  want  si  en  is  haren  eyghen 
vader  niet  trou  gheweest  ...  en  hier  om  schijnt 
merckelijcken ,  dat  ghi  in  haer  u  niet  betrouwen 
en  moecht,  Gest.  Bom,  c.  6. 


1167 


BETR. 


BETU. 


1168 


BETROUWENESSE  (betruwenesse),  -isse, 
znw.  vr.  Mnd.  betruwenitse, 

1)  Vertroufoen  op  een  ander ^  geloof,  \\  Waer  ejn 
haer  goden ,  daer  si  haer  betrnwenisse  in  hadden  ? 
D.  B.  Beut.  32,  37.  Als  dese  twe  goede  menschen 
dit  hadden  gheseit  optie  betronwenisse  Gods, 
Mandev.  f,  66r.  (Al  tfolc)  betroaden  so  wel,  dat 
si  alle  haren  wille  in  hem  lieten  vallen.  Met  dus- 
danigher  betronwenessen  brocht  hi  die  lieden  in 
salker  kennessen,  dat  em.^  Jmand  I,  5813. 
Want  hi  an  Gode  betronwenesse  ontfinc,  dat  ten 
besten  sonde  commen  die  dinc ,  II,  1541.  Dat  wy  . . 
mit  alte  vollen  herten  ende  betronwenissen  hoepen 
moghen  de  glorie  der  {i.  des)  verrisenissen , 
Bienb.  152  a. 

BETEOirWlCH,  bnw.   Vertrouwend,  geloov%g,\\ 
In   betronwigher   zielen   ende   in   den  geeste  der 
nederinghe  moeten  wi  ontfaen  werden ,  Hs.  v.  1348 , 
101c. 

BETROUWINGE,  znw.  vr.  Mhd.  betruwinge\ 
mhd.  betruwinge.  Vertrouwen ,  doch  ook  in  navol- 
ging van  lat.  fides  gebmikt  in  den  pass.  zin  van 
trouw,  waarheid.  \\  Dese  woorde  goos  sien  ware 
ende  gheloveliic  ende  vol  van  betronwingen ,  Openb. 
Joh,  21 ,  5  {verba  fidelitnma  sunf). 

BETST.  Oorspronkelijke  vorm  van  den  snperl. 
best,  Limb.  Serm.  43a :  Dat  hi  altoes  der  betste  is ; 
99  c:  Dn  best  min  dat  betste  ende  ie  ben  din  dat 
betste ;  en  zoo  pastim. 

BETSTAPEL,  znw.  vr.  Van  bedde,  bet,  d.i. 
bed,  en  stapel,  d.  i.  plank  (zie  M.), Beddeplank. 
Die  vier  betstapelen,  de  vier  planken , waar- 
tuêsehen  het  bed  ligt,  de  bedstede.  i|  Voirt somogen 
alle  poirteren,  dat  tiendendeel  van  horen  goeden 
bespreken ,  dair  si  leggen  in  hoir  vier  betstapelen, 
d.  i.  wanneer  zij  bedlegerig  zijn,  op  hun  laatste 
ziekbed  liggen.  Leid.  Kettrb.  201,  33. 

BETSTRODE ,  znw.  o.  Anorg.  vorm  voor  betstro. 
Bedstroo.  ||  Dat  nyemant  enige  betstroede  (mis- 
schien mv.)  en  draech  unt  sinen  hnyse,  O,  R. 
V.  Dordr.  1 ,  313 ,   3  {alwaar  ook  dat  stroe  staaf). 

BETTEIN,  znw.  o.  Eene  stof  (?).  O.  R.  v.  Dordr. 
2,  39,  52  vindt  men  onder  goederen,  die  in  be- 
waring gegeven  worden ,  ook  genoemd  „twee  ellen 
bettein."*^ 

*  BETTEN  (Velth.  III ,  44 ,  30) ,  verkeerde  lezing 
voor  bei  ten,  op  de  valkenjacht  gaan.  Zie  beten. 

BETTEN,  zw.  ww.  bedr.  Eig.  stoven  (Kil.), 
Tnet  warm  water  bevochtigen,  en  by  uitbreiding 
nat  maken,  netten.  ||  Dat  lit  betten  mit  watere, 
Lanfr.  110».  Vgl.  BATTEN  (2de  Art.). 

BETTER ,  BETTERHEIT ,  BETTERLIKE.  Zie 
bitter  enz, 

BETTIECTE,  znw.  vr.  (?).  Van  bedde,  bet 
en  t i  e c  t  e,  d.  i.  tijk-,  mhd.  bettezieche. Bedomkl^edsel, 
beddetijk.  ||  Van  2  nu  wen  bettiecten  mid  2  nuwen 
puyltiecten,  elc  3  elle  breet,  Rek.  d.  Oraf.  2,59. 

BETTINNE.  In  een  versje,  Hulth.  Hs.  f.  90^ 
(Tijdschr.  3,  179),  leest  men:  „ Quistwater ,  quist- 
water ,  ghi  hebt  twee  oghen  als  een  cater ;  ende  die 
bec  als  een  hinne,  ende  doren  als  ene  bettinne; 
ende  u  conté  als  een  coe;  u  eerscat  (^i^.  i.  eersgat)  gheet 
op  ende  toe ;  ghi  gaet  al  visten  als  een  verken :  al  abel- 
heit  mach  men  aen  n  merken."  Bettinne,  zal  met 
den  vr.  uitg.  -injte  gevormd  zijn  van  bette,  geit 
(De  Bo  120).  Vgl.  beite,  lam  (ald.  96).  Daar  wordt 
ook  een  voorbeeld  van  beite  aangehaald  uit  Despars. 

BETTOEN,  hetzelfde  als  bottoen;  zie  ald. 

BETÜCHTIGEN,  zw.  ww.  bedr.  Slechts  innd. 
gekleurde  geschriften.  Mnd.  betuchtigen.  Met  den 
4den  nv.  van  eene  vrouw.  Haar  eene  bron  van  in- 


komsten (hd.  leibzucit,  vgl.  ons  leeftocht) ,  aanwijzen , 
een  vrucht  aanwijzen ,  geven  o{ vermaken ;  hetzelfde  ils 
mhd.  beUftuehtigen  en  mnl.  bewedemen  (zie  ald.).  || 
Voirt  soelen  wy  . . .  betuchtigen  jonffrouwe  Kathrjn 
onse  lieve  gesellynne  .  .  an  die  borch  ende  stat  vu 
Gelre,  Ngh.  4,  10.  Die  soelen  wy  .  .  betuchtigeB 
mit  den  voirgen.  borch,  stat,  ampte  ind  allen 
rechten  ind  opkomingen ,  11.  In  hilicksvoirwerden . . 
bevoirwert  is ,  dat  wg  sie  van  stont  an  betuchtigen 
sollen,  13.  (Dat  w^)  dieselve  onse  lieve  hujs- 
vrouwe  ind  gesellynne  bewedompt  ind  betuchticht 
hebben,  bewedomen  ind  betuchtigen  avermltz  desen 
brief,  197. 

BETÜCHTINGE,  znw.  vr.  Van  betuchUn,  het- 
zelfde als  betuchtigen  (zie  ald.).  Hawelijksgoei, 
douairie.  ||  Dat  sy  die  vurgen.  betuchtinge  ind 
wedom  believen  ind  bewilligen,  Ngh.  4,  199. 

BETÜGEN  (betuigen),  zw.  ww.  bedr.  Mnd. 
betugen;  mhd.  beziugen. 

1)  Met  den  4den  nv.  der  zaak.  Iets  met  getuigen 
bewijzen,  getuigen  voor  of  tegen  iets  bijbrengen.  || 
Daer  waer  hi  sculdich  reden  af  te  gheven  voerden 
prince  .  .,  alsoe  verre  als  men  betughen  mocht, 
Schaaksp.  42d.  Dat  mede  betugen  cUe  heilegen, 
dat  onse  here  hefl  waer  gesproken ,  lamb.  Serm.  13a. 
Also  dicke  als  ment  betuygen  mach  met  twee 
witachtige  getuygen.  Mieris  3,  194*.  Wie  fruuwen 
ofte  jonckfi[^uwen  verkrachticht ,  dat  menterwair- 
heyt  betuygen  mach,  Nijh.  1,  236.  Binnen  drien 
maenden  nadat  hgt  betughet  heeft,  2,  228.  Hier 
of  en  weet  niemen  tware  dan  wi:  hoe  souden  w|t 
dan  betughen.  Rein.  II,  4638.  Ist  dat  ment  mi 
betughen  mach  na  den  recht  in  enighen  broken , 
ie  wil  dat  aen  mi  sighewroken,  6174«Dat  nyemant 
.  .  van  hem  geenerhande  .  .  schuit ..  ofte  betuygen 
en  sal  oft  verwinnen  anders  dan  mit  schepenen, 
des  men  hem  aevertuygen  muchte  mit  oeren  apenen 
brieflfen,  Nijh.  1,  235.Zooook  WiUems,  Jfov- ^^• 

2)  Met  den  4den  nv.  van  den  pers. 

a)  Tegenover  iemand  door  getuigen  bewijzen.  )| 
Van  den  koeren  die  men  breect  machmen  eiken 
betughen  met  tween  goeden  knapen ,  Stadsr.  v.  Zwolle 
45.  Daer  machmen  hem  of  betughen  ghel^c  onsen 
burgher,  ende  die  gast  die  mach  s^n  onschult 
doen,  61,  40.  Enich  onse  burgher,  die  up  onsen 
burgher  te  zegghen  heeft  in  der  vriheit  ende  onsen 
bnrgher  anspreket,  die  mach  den  anderen  be- 
tughen met  tween  goeden  .  .  knapen,  85,  111. 
Zaken  daer  men  enen  van  betughen  mach,  ald. 
Een  broeder ,  .  .  dien  betughen  twe  of  drie  broedere 
ons  oerdens  zonder  alrehande  onsculdenghe,  D.  Orde 
260.  —  Ook  met  den  4den  nv.  van  den  pers.  Het 
bewijs  leveren  dat  iemand  schuldig  of  onseAuldig  is. 
II  Also  verre  als  hgs  (/.hi?)  dairaf  betuycht  worde 
mit  twee  porteren,  J?ra6.  T.  Dl.  2  bl.  609.  Ende  hi 
des  betuigt  worde  met  wettegher  waerheit,  dat 
die  verboert  sal  hebben  Igf  ende  goet,  ald.  617. 
Dat  ennich  man  sijn  thiende  versaeeke  .  . ,  die 
men  betuygen  mucht  mit  twee  gueden  luyden 
opten  heyligen,  Ngh.  1,  234.  Ten  waere  dat  men 
se  mit  gericht  oft  mit  schepenen  betuygen  muchte, 
237.  So  wie  der  poort  water  huutsteket  of  doet 
huutsteken,  hi  verbuert  XX  rC,  wort  hgs  be- 
tughet, ZVl.  Bijdr.  1,  240.  Worde  hQ  begrepen 
off  betuycht,  dat  hij  torff  anden  moeren  h^dde 
gehaelt,  V.  d.  Wall  577.  Dat  hi  claerliken  betuucht 
is,  O.  K.  V.  Dordr.  I,  2.  Worde  hgs  betuucht  met 
goeden  wittachtighen  lieden,  a/^.  Zoo  ook  39 ,  123 ; 
44,  145;  O.  K.  v.  Rott.  19,  33 ,  Oorkb.  2 ,  362^ ,  b. 

3)  Betuigen,  verklaren,  de  tegw.  beteekenis,  ^ 
Ps.   89p   (P*.   81,  9). 


1469 


BETU. 


BEVA. 


1170 


BETUGINGE ,  znw.  vr.  Het  aanvoeren  van  ge- 
tuigein  (?).  II  Yan  der  betugingheir  ende  van  dien 
gherichten,  D.  Orde  260. 

BETUNEN,  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  hetunen\  mhd. 
bezinnen.  Omhtitten^  met  eene  heining  of  hek  om- 
geven, II  Die  wyngaert  wert  .  .  betnnnt  ende 
beheynt,  Barth,  686d.  Mine  rosen,  die  ie  so  be- 
tnnen  sal  ende  so  beslnten  overal,  IU)se  (C)  3643 
(J.  ommuren).  Enen  wijngaerd  .  .,  dien  hi  be- 
tnnnde  wel  ter  cure,  Bdjmb.  25264.  Den  wech 
betonen  mitten  doorn  der  tribulacien,  Devoet  B, 
(36)  5r.  Betnne  dinen  (/.  dine)  oeren  mit  doeme,  opdat 
wanneer  die  schadelycke  reden  daer  ontstuerliken 
wil  in  gaen,  dattu  die  dan  ontstnerlijcke  verdrivest, 
Bienb,  107a. 

BETUNINGE,   znw.  vr.  Omheining,  heining.    \\ 
Dat  njement  .  .  maken  en  sal   .   .  tnsschen  die 
strate  ende  plate  enige  betujningen  of  beheyningen 
van  tnynen,  Leid.  Keurb.  146,  56. 

BETWERF,  bgw.  Van  bet,  in  den  zin  van  «*«• 
(zie  ald.),  en  werf,  d.  i.  maal.  Meermalen^  her- 
haaldelijk. II  Hoe  wi  korts  ende  bettwerff . .  gesent 
hebben  .  .  Jan  van  Mersen,  Chart.  aang.  bij 
V.  d.  Wall  468  noot. 

BETWISTEN,  zw.  ww.  bedr.  Afkeuren,  be- 
strijden. II  Dit  pulver  soe  betwist  Albncasis,  Jan 
Yp.  45. 

BEULC.  Zie  bülc. 

BEUBDEN,  BEURDENAER.  Zie  borde,  bor- 

DENAER. 

BEUREN.  Zie  boren. 

BEURSE.  Zie  borse. 

BEYAEN  (bevangen),  st.  onr.  ww.  bedr.  De 
hoofdtgden  zijn  deels  van  dit  ww.  (deelw.  bevaen\ 
conj.  beva\  3de  p.  tgw.  t.  bevaet  of  beveet  (b.  v. 
Parth.  8166 ,  Runsb.  1 ,  95  vlg.) ,  deels  van  den  vorm 
bevangen  (impf.  bevincy  deelw.  bevangen).  Ygl. 
Ben.  3,  204  en  zie  yeTderhijY\EV.Wid.bevdhen; 
mnd. .  bevangen.  Ygl.  vooral  begripen  ,  dat  met 
bevaen   verscheidene   beteekenissen  gemeen  heeft. 

1)  Grijpen  y  vangen ,  pakken. 

a)  Met  geweld.  ||  Mogense  Gierbeerte  bevaen, 
si  selen  hem  sgn  hooft  afslaen ,  Lorr.  fr.  1 ,  762. 
Mach  hi  u  selven  bevangen ,  hi  doet  n  bider  kelen 
hangen ,  Ben.  460.  Al  eist  dat  mense  mach  bevaen, 
niet  lichte  machse  ieman  verslaen.  Nat.  BI.  lY, 
293  {var.  begaen).  Ie  sie  den  rechten  slaen ,  beede 
bespotten  ende  bevaen,  Wap.  Mart.  I,  10  var.  Dat 
men  te  doet  .  .  sloech  .  .  alle  die  Jueden,  die  in 
sijn  rike  waren  bevaen,  Bijmb.  18173  var.  Omme 
dat  Jesabel  sloech  doet  Gods  propheten,  daersise 
bevinc,  12516.  Die  berge  van  Caspia  .  .,  daer 
Alexander  die  coninc  mene^n  Joden  in  bevinc, 
Alex.  YII,  903.  Mitten  Inden,  diemen  daer  op 
{op  de  sloten)  bevinge,  Ngh.  3,  33. 

b)  Met  list.  Fangen y  overvallen,  betrappen,  ver- 
schalken. II  Ie  sonde  (/.  souden)  heridegeme  bevaen, 
mochtic,  dattie  niemare,  die  mi  geseite8,geoppen- 
baert  ware,  Zdinc.  lY,  4198.  Dat  serpent ..  daer  die 
dnvel  mede  hadde  bevaen  onser  eerster  moeder  Even, 
^at.  BI.  YI,  413.  (Die)  met  valscheiden  omgaen  ende 
donnoesele  gherne  bevaen,  Lsp.  III,  12,  191. 

c)  Met  woorden.  Fangen ,  verstrikken.  \\  Dat  sine 
bevaen  mochten  in  sinen  warden  (woorden),  L.  v.  J.  c. 
171.  Die  duvel  die  bevino  Adame  in  sijn  valsche 
spreken  ende  dede  hem  sine  vastene  breken,  Sp, 
11*,  23,  236.  Int  leste  dat  hine  soe  bevinc  met 
sconen  worden  .  .,  dat  hi  hem  yet  soude  maken 
cont  van  siere  conste,  Yelth.  I,  26,  16.  Die 
coninc  heefse  nu  bevaen  ende  noch  sal  bestriken 
(/.  bestrick^n)  meer,  II,  17,  76. 


l 


d)  Op 'zijne  zijde  brengen,  tot  zich  trekken,  aan 
zich  verbinden.  ||  Hier  met  hi  oec  bevinc  een  deel 
dier  gene,  die  waren  nu  sine  wedersaken,  Yelth. 

I,  3,  24. 

e)  Iemand  verbinden,  binden.  \\  Ghi  wilt  mi  al  te 
nauwe  bevaen,  lAmb.  III,  1082.  —  Yooral  inden 
zin  van  iemand  door  een  eed  binden.  \\  Doe  dedemense 
comen  zaen  ende  heeftse  echter  mit  eede  bevaen, 
Lsp.  II ,  36 ,  1233.  Met  ede  heeft  hine  bevaen ,  dat 
hi  hem  sal  te  chense  staen,  Bijmb.  14823.  Bi 
ridderscape  heeft  hine  bevaen,  dat  hi  nember- 
meer  .  .  op  hem  ne  orlog^et  in  sijn  leven,  Yelth. 

II ,  8 ,  52.  (Hen)  bevinc  de  pape  . .  bi  sire  priester- 
scape, dandre  sworent  ten  heileghen  .  .,  dat  si 
al  daer  waren,  Heelu,  bl.  671.  —  In  wige 
bevaen  (deelw.),  tot  strijden  verplicht,  in  den 
strijd  gewikkeld.  ||  Hoe  dat  hine  up  sinen  ghelede  ten 
campe  liet  bevaen  int  crijt.  Wal.  2244.  In  den 
wighe  so  es  bevaen  een  rudder  neven  sire  side, 
2250.  —  Hem  bevaen  houden,  zich  gebonden 
achten.  \\  Weent  hi  ende  heeft  drove  gelaet,  so 
weent  mede,  dats  wel  gedaen:  na  sinen  sede  hout 
u  bevaen ,  acht  u  gebonden  u  te  gedragen  naar  zijn 
voorbeeld,  Bose  72i28. 

2)  Bereiken,  binnen  zijn  bereik  krijgen.  \\  Een 
verterende  vier,  die  al  verteert  ende  verslynt,  dat 
hi  beveet,  Runsb.  5,  125.  Pude  ende  vische  dats 
syn  spise,  ende  wat  so  levet  in  sire  wise,  dat  hi 
bevaet  in  sinen  bedwanghe ,  Nat.  BI.  Y ,  647.  Den 
bome  reet  hi  bat  naer ,  daer  die  helm  boven  hine, 
dien  hi  met  sinen  swerde  bevinc,  so  dat  hi  die 
ketene  sloech ,  ende  daema  den  helm  nederdroech, 
Yelth.  III,  30,  20.  Sulcke  dinc,  die  haer  ogenie 
en  bevinc,  Sp.  IIV,  37,  35.  —  Ook  met  eene 
bep.  met  binnen.  ||So  wat  hi  binnen  den  slaghe 
belaet  (/.  bevaet),  Segh.  999  var.  Niement  en 
mochts  ontgaen,  dien  hi  bennen  swerde  bevinc, 
Lorr.  II ,  434.  Dolifant  en  cans  ontgaen,  can  hi 
{de  draak)  ne  binden  staerte  bevaen ,  Nat.  Bl.  YI , 
345.  Wie  hi  bevint  (/.  bevinc)  binnen  slaghe, 
leverdi  den  duvel,  lAmb.  YI,  2344. 

3)  Ferwerven,  verkrijgen.  ||  Dat  men  hare  vrient- 
scap  daer  met  bevange,  1^.  II',  24,  84. 

4)  Ontvangen,  aannemen  (vgl.    BEGRIPEN  3).  || 
(Si)   voer  .   .  tote  Philipse  den  coninc,  diese  al 
daer  in  hoeden  bevinc,  Fl.  Rijmk.  5249. 

4)  Bevoelen,  betasten.  ||  Hi  (Thomas)  moest 
tasten  metten  handen,  ende  sine  wonden  also 
bevaen.  Brand.  1932. 

5^  Aangrijpen,  aantasten. 

a)  Eigenlek.  Bestoken.  ||  (De  aarde)  geeft  se 
{mine  corre)  den  vulen  slangen,  die  myn  vlesch 
hebben  bevangen,  hen  te  peysteme  daermede, 
Lanc.  II ,  18798.  Her  Hector  heeften  soe  bevaen , 
dat  hy  hem  niet  en  mach  ontgaen,  Troyen  4558. 
Sy  waren  so  van  hem  bevaen,  dat  hise  onder  die 
voete  reet,  5167.  Een  ridder  wel  gheboren  hadse 
{de  non)  mit  minnen  soe  bevaen,  dat  enz.,  hij 
maakte  het  haar  zoo  lastig,  bracht  haar  zoo  in  het 
nauw,  Hild.  143,  50  (de  uitdr.  bevangen  heb- 
ben, staat  hier  in  bet.  gelijk  met  b  e  v  a  e  n.Ygl.  6,a)). 

b)  Figuurlijk.  Beginnen,  ondernemen.  \\  Int  leste 
was  die  zone  gbehangen ,  ende  die  vader  heeft 
bevangen  den  wech  te  gane  vore  hem  beden ,  maer 
seere  met  jammer  es  hi  gesceden ,  ende  heeft  sinen 
wech  gedaen,  S^.  lY*,  52,  32. 

6)  Omvatten,  omvangen. 

a)  Eigenlijk.  ||  Miin  her  Heinrüc  .  .  bevinckene 
om  beide  sine  ziden,  ende  leidene  op  siin  ors  vor 
hem,  Limb.  II,  1136.  Joiousen  so  bevinc  Karel  die 
stoute  coninc ,  ende  vertoech  enen  slach ,  Lorr.  II, 


1171 


BEVA. 


BEVA. 


H72 


781.  Hare  hant  hi  in  de  sine  bevinc,  Par/A.  7719. 
(Si)  bennc  .  .  in  hare  handekine  syn  anscijo, 
8248.  Dat  scip  hi  (dê  vUch)  al  omme  bevinc, 
Brand.  2131.  In  sijn  hant  hi  bevinc  enen  scerpen 
snidenden  brant ,  Orimb,  II ,  2560.  Met  dieren  lijsten 
waest  graf  bevaen,  ¥lor.  1030.  Enen  rinc^dieden 
boem  fd  omme  beyinc,  V,  <f.  ^ou/^  505  (misschien 
is  op  deze  laatste  plaats  bedoeld  al  ommebeuine, 
maar  de  bet.  blijft  dezelfde;  zie  op  ommebevakn). 
Haer  arme  nam  die  vrouwe  fine  ende  hevet  haer  selven 
bevaen  om  haer  borste ,  f^erffi  953.  Dit  portael  zal 
wesen  zo  wyt  ende  zo  lanc,  dat  bevanghen  zal  de 
veinstre ,  staende  buten  der  duere ,  Invent  v. 
Brugge  3,  491.  —  Ook  in  de  uitdr.  bevaen  heb- 
ben, met  dezelfde  bet.  ||  Daer  in  staen  sestien 
manne  ende  hebben  bevaen  acht  blasebalghe,  die 
si  verdraghen,  Wal.  3527.  In  sijn  handen  haddi 
bevaen  een  spere ,  dat  stijf  ende  erof  was ,  Orimb.  II , 
3323.  £en  ewich  ommering,  die  al  bevaen  hevet 
dat  Gk)d  ghemaect  hevet  van  materien ,  Ruusb.  5 ,  83. 

—  Voorjü  gebruikt  van  het  omvatten  met  de  armen , 
iemand  in  zijne  armen  sluiten^  omhelzen,  \\  Soetelike 
hine  {den  haas)  bevinc  in  also  mearewlike  gebare 
als  of  hi  zijn  moeder  ware,  l^a>»r.  4438.  Tot  zoene 
{zij  hem)  met  helzene  heeft  bevaen,  OFl.  lAed.  e. 
Qed.  523,  148.  Mettien  bevinc  hise  in  sinen  armen 
inhertelike,  Wal.  8130.  Hi  hevet  sine  arme  wide 
ontdaen ;  hi  wiltse  helsen  ende  daer  in  bevaen , 
Ruusb.  5,  270.  Zoo  ook  Lanc.  II,  26775;  III, 
18453,  18786;  Torec  1361,  1869;  j!fIo^  II ,  3255; 
Vrouw.  e.  M.  VIII,  132;  Lett.  N.  R.  7*,  136, 
203.  —  Ook  in  de  uitdr.  bevaen  hebben.  || 
Hi  hadse  in  sinen  arm  bevaen ,  dies  was  die  vrouwe 
metten  bliden,  Belg.  Mut.  10,  68,114.  —  Hiertoe 
behoort  ook  de  uitdr.  arm  ende  arm  bevaen, 
arm  in  arm.  \\  Si  leghet  arm  ende  arm  bevaen  in 
ghenen   boegaert  .  .  .  met   enen    man,   Qlor.  736. 

—  Ënphemistisch staat  een  wijfbevaen, evenals 
onze  uitdr.  eene  vrouw  omhelzen^  voor  rem  habere 
cum  femina.  \\  Ter  vierder  nacht  saltuse  ontfaen 
ende  metter  vresen  Gods  bevaen,  Rijmb.  15635. 

b)  Figuurlijk.  Omvatten,  tot  stand  brengen.  \\  Het 
dar  meerre  dinc  bestaen,  dan  har  cracht  mach 
bevaen.  Nat.  BI.  III,  2647. 

c)  Omvatten ,  omringen ,  omgeven ,  van  eene  plaats, 
eene  ruimte.  IJ  Wel  naer  waest  {Carthagó)  in  sijn 
staen  al  omme  metter  zee  bevaen,  Sp.  I*,  55,  5. 
Binnen  den  kerchove  so  es  tgat,  met  eenen  mure  be- 
vinc hi  dat,  III*,  4,  55.  Die  bogaert  es  al  omme 
bevaen  {of  ommebevaen  ?)  ende  besloten  met  enen 
mure,  Flor.  2531.  Ie  sach ,  dat  men  tpryel  ontdede , 
dat  van  den  lelyen  was  bevaen,  OFl.  Lied  e.  Ged. 
327 ,  360.  (Si)  saghen  dat  gheberchte  ...  al  omme 
met  vianden  bevaen,  Rijmb.  28929.  {De  zaal)  was 
bevaen  met  enen  mure ,  31366.  Menne  conder  omme 
ghedoen  ghene  dinc  anders,  dan  ment  huns  be- 
vinc ende  belach  harde  vaste,  Stoke  VI,  166.  — 
Ook  in  de  uitdrukking  bevaen  hebben.  ||  Nilus 
hevet  alom  bevaen ,  die  bat  op  oec  Ganges  heet , 
Alex.  Vn,  1216.  Alt  volc  .  .  .,  dat  Caucasus  die 
berch  .  .  .  aen  die  nortoestside  heeft  bevaen, 
VIII,  135.  —  In  (binnen)  iet  bevaen  syn, 
ergens  in  besloten,  in  zijn.  \\  Stappans  so  looc  die 
dore,  als  siere  binnen  waren  bevaen.  Wal.  6072. 
Die  doden  sullen  opstaen,  die  in  den  grave  sijn 
bevaen,  Lsp.  II,  36,  1629. 

7)  Omvatten^  bevatten,  begrijpen.  ||  Dat  si  {de 
minne)  ...  al  onse  ufeninge  van  dogeden  in  hare 
beva,  Ruusb.  1,  119.  Inden  dingen  die  men  mit 
vijf  sinnen  bevangen  mach,  Oreg.  Hom.  Ir.  Drie 
partien  van  menschen ,  daer  alle  die  familie  die  Gode 


dient ,  in  bevaen  is ,  Ruusb.  3 ,  124.  In  desen  ghebode 
is  bevaen  alle  die  wet  Gods  ende  alle  die  prophetea, 
V,    127.    Die  alle  dinc  beveet,  6,  185.  —  Vooral 
in    de   uitdr.    bevaen  hebben.  ||  Al  hevet  hi 
{een   wijs  man)  bi  hem  niet,  sgn  gepens  hevet  al 
bevaen,  Sp.  I*,  3,  28.  Die  scrifturc  beeft  benea 
in    worden   dEwangelie   al ,  Melib.  974.  Elke  ure 
die   es    voert    ghedeilt   op    soe    corten  eert,  dit 
elc    cume    heeft   bevaen   van    der   (/.  den)  oegben 
een  opslaen ,  Lsp.  II ,  54 ,  79.  Die  vierde  wise  m 
onghelove,  die  alle  andere  wisen  van  ongheloTe  io 
hare  bevaen  hevet,  Ruusb.  5,  61.  —  Ook  meteen 
pers.   als   ondw.  en  eene  bep.  met  i  n.  In  iets  be- 
grijpen, besluiten,  opnemen.  ||  Oec  heeft  men  in  die 
vede   (/.  dien   vrede)   bevaen  Dyandraes  geslechte 
algader,  Lane.  II,  42394.  Voetgangers  ende  wilt- 
knechte ,  diemen  niet  en  mach  te  rechte  in  ghetde 
wel  bevaen,  Sp.  IV» ,  19,  47  {Brai.  T.  U,  3018). 

8)  Bevatten,   in  zich   bevatten,  bezitten.  ||  Daer 
en    was   so   cleine    dinc,   van  al   dat  die  vergier 
bevinc,  Rosé  1481.  Dat  hi  veronweerdde  alle  dinc, 
dies  (/.   die)   de  weerelt  noynt  bevinc,  lmé»d  I, 
1360.   Al  waer  dat  sake,  dat  alle  dinc,  die  de 
eerde  nie  bevinc,  tsinen  inde  nu  bekeerde,  Velth. 
VII,   17,  35.  Wi  hadden  faute  van  alre  dinc  laa 
dien  dat  die  eerde  bevinc ,  VI ,  21 ,  69.  —  Ook  ii 
de  uitdr.  bevaen  hebben.  ||  Hi  haette dorperlyc 
venijn  ende  meneghe  doecht  haddi  bevaen,  &/ii 
15.   God   weet   alleene  ende   niement  el,  in  sine 
macht  heeft  hijt  bevaen.  Hij  heeft  er  de  volhmm 
beschikking  over,  Jmand  II,  4770.  üp  die  stonden 
hebben  die  herdekine  boodscip  ontfaen ,  van  dit  i 
de   weerelt   hadde    bevaen ,    dat  gij  in  de  wereld 
waart  gekomen,  3810.  Metten  kinde  dat  si  hadde 
bevaen    {hetzelfde   als   hadde  begort;  zie  op  be- 
oorden),  het  kind  dat  zij  in  zich  bevat,  besloten 
hield,  waarvan  zij  zwanger  wat,  L.  o.  JET. 252.Vgl. 
onder  lid). 

9)  Bevatten,  begrijpen,  verstaan.  \\  Die  wjshcit 
Gods  bevaet  onse  bloete  ghedachte ,  JW.  Pros«  40. 
God  es  so  hoghe  een  wesen ,  men  caent  ghescrifea 
noch  ghelesen  noch  met  herten  bevaen,  «^  ^ 
gemoed  bevatten,  Teest.  1472.  Dits  waerheit  daer 
ende  ghinghe:  snbtijl  ware  therte,  diet  bevingbe, 
Wap.  Mart.  III,  23.  —  Ook  «onder  uitgedrukt 
object.  II  Omdat  si  noch  vleischelic  waren,  so  en 
mochten  sy  in  geenre  manieren  begripen  of  he- 
vanghen,  Greg.  Bom.  52 r.  —  In  arge  bevaen, 
ten  kwade  uitleggen.  \\  Si  custen  dickent,  daer 
toesagen  alle  die  ten  danse  gingen,  diet  in  arge 
nine  bevingen,  hoe  dickent  dat  si  ondercutca, 
Rosé  1214. 

10)  Overleggen,  overpeinzen,  \\  God  ne  maecte 
noit  dinc,  die  hi  met  redene  niet  bevinc,  Jï««- 
781.  Dat  hi  in  die  scole  hoert,  sal  hi  thuns  Ter- 
trecken  voert  ende  dicwile  in  herten  bevaen,  i^^^ 
955.  Hine  wilde  niet  achterlaten  dinc ,  die  hi  i« 
sijn  herte  bevinc,  Velth.  V,  38,  27. 

11)  Bezetten-,  lat.  occupare. 

a)  Van  eene  ruimte.  Bezetten,  betlaen.  \\  ^ea 
cleene  padek^n  ie  ghinc,  an  beeden  ziden  ie  he- 
vinct  (/.  iet  bevinc),  OVl.  Lied.  e.  Ö.  235,  68. 
—  Ook  in  de  uitdr.  bevaen  hebben.  ||  W« 
bogaerde  .  .,  die  heme  dochten  hebben  bevaen 
slants  ere  milen  lanc  ochte  mee,  Fartk.  980. 

b)  Met  gewapenden  bezetten.  ||  (Anthiochas) 
quam  ende  hevet  die  stat  bevaen  ende  sloagheie 
in  LXXX™  man,  ende  vercochtere  oec  nochtaa 
XLm,  Sp.  I*,  45,  4.  flanibal  die  hadde  bena 
met  sinen  here  Spaengenlant ,  I*,  31,  4.  Alse  hi 
die  stat  hadde  bevanghen,  sette  hire  sine  wet  ia , 


1173 


BEVA. 


BEVA. 


1174 


I',  35,  42.  Den  soudaen,  diet  al  met  here  beeft 
bevaen ,  Constantinople  die  grote  stad,  Umb,  YII,  29. 

c)  Bezetten^  bedekken.  \\  Na  een  8wijnk\jn  eest 
ghedaen,  ende  es  met  dornen  al  bevaen.  Nat.  BI. 
Il,  1770.  Dat  bede  boscb  ende  haghe  met  groenen 
loveren  waren  bevaen ,  Rein.  1 ,  42.  Dat  si  (de  zon) 
met   dicken   wolken  es  bevaen,  Natuur k.  1855. 

d)  Bezetten^  vullen^  voorzien,  vervullen.  ||  Te 
dien  bende  dat  de  voorseyde  veste  niet  bevanghen 
worde  van  den  sontwatre,  Invent.  v,  Brttgge  4, 
320.  Dinc,  die  .  .  met  donckerenadrens ij n  bevaen, 
Natuurk.  969.  Een  glas,  dat  es  bevaen  met  adren,975. 
Dien  die  oghen  trode  bevaet ,  icien  roodheid  de  oogen 
bezet,  die  roods  oogen  hebben,  Nat.  BI.  X,  146.  Doe 
voer  die  goede  Sente  Brandaen  metten  Gods  zegne 
(/.  zegbene)  bevaen  toten  oversten  ende,  Brand. 
1667.  —  Vooral  gebrnikelijk  in  de  uitdr.  met 
kinde  bevaen,  zwanger.  Vel.  eng.  with  child.\\ 
Si  hielden  eerlike  brnloft  ende  si  wart  haestelijck 
mit  kind  bevaen,  Oest.  R.  c.  163.  (De  heilige)  die 
de  vronwen  versonken  gaen  als  si  met  kinde  sijn 
bevaen,  Amand  II,  1788.  Vrouwen  .  .,  die  met 
kinde  sgn  bevaen.  Nat.  BI.  VIII,  626.  Zoo  ook 
Lane.  III,  16766;  Limb.  III,  783;  L.  o.  H.  218, 
301  (daer  wijf  met  kinde  gheet  bevaen) ;  F/or.  218. 

12)  Bedekken,  overepre^en.  Vgl.  11  c).  \\  Die 
telghe  die  waren  wide  gheleet  ende  wel  ondaen, 
si  hadden  een  scone  plein  bevaen ,  Wal.  5098.  Die 
aem  .  .  die  metten  vlercken  bevanghen  hevet  die 
clare  fonteine,  7808.  Den  serc  .  .,  daer  dat  graf 
mede  was  bevaen.  Bed.  d.  M.  725.  Twee  andre 
(ylengels)  hebben  bevaen  al  den  lechame  ende 
bedect.  Franc.  6970.  Dat  een  wijngaert  nte  hare 
l^hinc  die  al  tlant  van  Asyen  bevinc,  occupabai 
totam  Jtiam,  Rijmb.  17205.  Ene  andere  (co vertnre), 
die  al  dors  bevinc,  Orimb.  1 ,  4679.  Al  heeft  natnre 
tfleesch  bevaen,  al  bedekt  het  lichaam  den  geeet, 
Wap.  Rog,  384.  Al  met  bloede  so  was  sijn  ansichte 
bevaen,  Ferg.  3990. 

13)  Vervullen,  figunrl^k.  ||  Eest  dat  den  mensche 
oetmoet  van  binnen  beveet ,  Rnnsb.  1 ,  250.  Dat 
selve  bevoelen  dat  al  onse  inwindecheit  beveet  ende 
doregeet,  117.  Swaemisse  beveet  den  sin,  Parth. 
8166.  —  Vandaar  bevaen  sijn  in  iet,  met  iets 
vervuld,  bezig  zijn,  zich  op  iet*  toeleggen,  in  iets 
opgaan.  ||  6hi  dinct  mi  sijn  bevaen  in  harde  goeden 
dinghen,  Rein.  1,  2730.  Of  hem  evele  sonde 
^hescien  eer  hi  danen  mochte  gaen,  dat  hi  int 
boochste  waer  bevaen,  Parth.  563.  —  Vooral  ge- 
bmikt  met  eene  bep.  met  in,  met  of  van  ter 
aanduiding 

a)  Van  eene  gemoedsaandoening  of  een  gemoeds- 
toestand. —  Met  minnen  bevaen,  met  liefde  ver- 
vuld, verliefd,  Limb.  III,  612;  Troyen  3102,  Rosé 
fr.  254,  66;  Belg.  Mus.  10,  96,221;PtfrM.  8183; 
Seatr.  106.  —  Ook  met  een  bezitt.vnw.  by  mi n  n e.  || 
Of  si  yet  mit  s^nre  minnen  is  bevaen.  Vrouw, 
e.  M.  IV,  36.  Ie  ben  int  harte  soe  bevaen  met 
uwer  minnen,  ende  ontdaen,  dat  ie  ghemsten  niet 
en  mach,  Belg.  Mtts.  4,  222,  13.  (Si)  wart  be- 
vaen met  siere  minne,  Rijmb.  3581.  (David)  wart 
met  haerre  minnen  bevaen,  10271.  Zoo  ook  Sp.  1*, 
1 0 ,  34.  —  Aldns  leze  men  ook  Rijmb.  2366.  Zie  be- 
neden Aanm.  1).  —  Met  vare  bevaen,  van 
srrees  vervuld,  bevreesd.  Franc.  9326;  Toree  1776. 

. Met  wondre  bevaen,  van  verwondering  ver- 

vtsld,  verwonderd,  L.  v.  J.  c.  66.  —  Met  droef- 
lieit  (-heden)  bevaen,  bedroefd,  fVrake  lil, 
2095;  Limb.  III  878;  Lsp.  IV,  9,  32;  Segh.  6532. 

Het  rouwen  bevaen,  Rijmb.  29817;  Limb. 

II,    1408;  JVal.    3772,    3830,  3979;  Ferg.  1546; 


Hild.  58,  147;  Maleg.  1071;  Vergi  1013.  —  Met 
sere,  serichede  bevaen,  Limb.  III,  2226; 
Maleg.  1072 ;  Rijmb.  1224  (Wie  so  in  der  zerechede 
ende  in  den  (/.  zerichede  vanden)  souden  es  bevaen , 
met  droefheid  over  zijne  zonden  vervuld.  —  M  e  t  (i  n) 
gepense  bevaen,»»  gepeins  verzonken,  vervuld 
van  de  gedachte  over  iets.  Wal.  7743;  IsancWL, 
16121. — Met  (in)  vronden,  bliscap  b.,  Lsp.Yl, 
9,  19;  Esm.  809;  A?m.  1 ,  898.  —  I n  scamen  b., 
met    schaamte    vervuld,    beschaamd,  Rijmb.  29818. 

—  Met  (in)  nide,  nidecheden  b. ,  Rijmb. 
24085,  27912.  —  In  toren  b.,  Rijmb.  29525.— 
Met  (in)  dogheden,  souden  b.,  vol  goede 
hoedanigheden;  in  ondeugd  verzonken,  Letl.  N.  W. 
5*,  20;  Theoph.  484;  L.  o.  H.  1698. —  In  node 
(noden)  b. ,  in  grooten  nood ,  Lsp.  III ,  21 ,  32 ; 
Rein.  I,  517;  Rincl.  259;  Rijmb.  9667;  Hugev.B. 
26.  —  Met  (in)  sorghe  (8orghen)b.,  Rein.1, 
516;  Cass.  247;  Sp.  IV ,  32,  8.  —  In  anxt  b.. 
Rein.  II,  5786,  7418.  —  In  gheclach  b.,  rouw 
bedrijvende,    misbaar   makende,   Amand  II,   4022. 

—  In  twivele  b.,  Wap.  Mart  I,  44.  —  Met 
sinne,  in  den  wille  b.  vervttld  met  het  voor- 
nemen; heizelfde  üs  indien  begrepen,  S^.Il*, 
44,  39;  Parth.  3514.  —  Met  ledichede  b.,  in 
ledigheid  verzonken ,  Amand II ,  4289.  —  Met  rade 
b.  worden,  het  besluit  nemen.  ||  Athanasius . . . 
wert  saén  met  goeden  rade  bevaen ,  dat  hi  Trumeu- 
tins  bisscop  maect,  Sp.  II*,  51,  83. —  In  slape 
bevaen  worden,  in  slaap  vallen.  Wal.  5154; 
Franc.  9546 ;  in  slapebevaensyn,  ti»  slaap  zijn , 
VI.  Rijmk.  7338.—  Hiertoe  behoort  ook  S^.  III*, 
43,  27:  Ie  en  hebbe  niet  verstaen,  dat  hi  met 
wive  ie  wort  bevaen,  wanthistaerfal  sonder  kint, 
dat  hij  ooit  aan  eene  vrouw  heeft  gedacht,  zich  ooit 
met  eene  vrouw  heeft  afgegeven.  —  b)  Van  een 
lichamelijken  toestand,  vooral  van  een  onaangenameu. 

—  Met  siecten,  siecheden  bevaen,  met 
ziekte  behept,  door  eene  ziekte  bezocht,  Hild.  178, 
311;  Nat.  BI.  lil,  46;  Playerw.  86.  —  Met 
lancevel  bevaen.  ||  Die  met  lancevel  es  bevaen, 
die  de  pleuris  heeft.  Nat.  BI.  Vm,  408.  —  Met 
hongere,  honger  he^^^kevL,  grooten  honger  heb- 
bende,  zeer  hongerig,  Rijmb.  34199;  Segh.  6381; 
Rein.  II,  4880.  —  Met  vetheideu  bevaen, 
zeer  vet.  Nat.  BI.  III,  3612.  —  Hiertoe  behoort 
ook  Natuurk.  1229:  Die  tijt  es  bevaen  metcoude; 
is  zeer  koud;  en  1237:  Die  winter,  die  met  rechte 
sonde  sijn  bevaen  met  groter  conde. 

14)  Ook  absoluut  wordt  het  deelw.  bevaen 
gebruikt  van  verschillende  gemoedsaandoeningen. 

—  a)  Gestemd,  in  het  alg.  ||  Dat  si  quamen  sonder 
beyden:  haer  here  waer  silso  bevaen,  dat  hise 
sonde  gheme  ontfaen  te  sire  vrienscap,  Melib. 
3471  (hetzelfde als  begrepen  inden  wille;  zie 
begripen).  —  b)  Bevreesd,  bezorgd,  beangst.  \\k\B 
si  dat  hoorden  .  .  . ,  worden  si  bevende  ende  bevaen, 
ende  vielen  op  taenscijn  neder  saen,  Rijmb.  15862.  Die 
keiserinne  qnam  of  ghegaen  binnen  int  herte  sere 
bevaen  ende  besorghet  om  haer  amys,  Parth. 
5593.  Noit  en  was  volc  so  bevanghen ,  Segh.  10420. 

—  c)  In  liefde  ontstoken,  verliefd.  WTiheev^i  dat 
hise  {Judith)  heeft  versien ,  ward  sQn  herte  bevaen 
mettien  ende  soe  neech  hem  openbare ,  J2i;fnd.  17581. 

—  d)  Verblind  (vgl.  ons  bnw.  onbevangen).  \\  Die 
eens  kersten  was  gedaen ,  maer  daerna  also  be- 
vaen ende  daartoe  also  verwonnen,  dat  hi  alse 
gode  ere  dede  der  sonnen,  Sp.  II*,  7,  19. 

15)  Als  rechtsterm.  Hooft  (boot)  bevaen, 
gaan  naar  de  juridieke  moederstad,  om  aldaar  een 
vonnis  (ook   hooftvonnisse  genoemd)  te  halen. 


4175 


BEVA. 


BEVA. 


H76 


Vgl.  onze  aitdr.  iemand  in  den  arm  nemen  voor  hem  om 
rwad  vragen^  en  bij  beleiden  8)  en  beleit  8).  || 
Voert  80  en  mogen  onse  Toirscrevene  scepenen  {van 
^ê-Hertogenboêch)  geen  vonnisse  langer  onderhouden 
dan  drie  genechten,  si  en  moetent  wisen  ocht  haer 
hoet  beyaen ,  Brab,  T.  dl.  1 ,  bl.  808  b ;  vgl.  ald. : 
Soe  moeten  si  hair  vonnisse  halen  te  haren  hode. 

Aanm.  1)  —  Rijmb.  2366:  „Jacop  wart  betast 
met  vare , "  verandere  men  betati  in  bevaen  of  men 
leze  met  C:  bestaen.  Betast  is  ingeslopen  ten  ge- 
volge  van   het  ww.  tasten  van  den  vorigen  regel. 

Aanm.  2)—Belg.MusA,  264,22:  „Datdairniemen 
bleef,  hen  (/.  hi  en^  ware  nochtan  met  zonden 
bestaen  ende  bevaen ,  aaeromme  treckeden  si  achter- 
waen/*  leze  men:  bestaen  ende  beswaert,^7»a/lf 
rijmwoord  achterwaert.— 7Voy«»/.  166c:  „Sy  en 
waren  niet  alsoe  ghedaen ,  alsof  sy  bruloft  hadden 
bevaen^  want  haer  helme  goet  ende  dnere,  waren 
gesleghen  in  qaartiere  /'  zal  men  wel  moeten  lezen : 
alsof  sy  bruloft  hadden  begaen,  d.  i.  gevierd. 
Zie  BEGAEN,  kol.  690.  ^ 

BEYAERT.  Hetzelfde  als  beeaert.  Zie  bede- 
VAERT.  II  Als  een  die  bevaert  reysen  wil ,  I'Vmc.  jlf. 
ƒ.  51  r.  Zoo  ook  V.  d.  Wall  367,  e.  e. 

BEVALLEN,  st.  ww.  onz.,  onpers.  en  bedr. 
(impf.  beviel  en  bevel).  Mnd.  bevallen;  mhd.  bevallen. 

Onz.  —  1)  Vallen y  met  het  bijdenkbeeld  dat 
men  belet  wordt  zich  weder  op  te  richten ,  bedolven 
liggen  of  raken  onder,  geheel  en  al  vastzitten  in 
iets,  Vgl.  beliggen,  d.  i.  blijven  liggen  en  be- 
staen, d.  i.  blijven  staan.  —  a)  Eigenlijk.  ||  (Hi) 
liet  hem  ligghen  onder  den  last,  also  als  hi  daer 
onder  bevallen  was,  Hs.  %1  f.  91a.  Een  bode.  .  ., 
die  .  .  .  onder  een  hout  of  huis  of  muir  of  des- 
gelycs  beviel ,  Matth.  210.  Die  daer  bevallet  onder 
tnet ,  dat  hem  die  bose  heeft  ghespreit,  Hild.  237, 100. 

b)  Figuurl^k ,  hetzelfde  als  sneven  (zie  ald.).  || 
Oec  sijn  hier  ander  zielen ,  die  in  souden  bevielen. 
Brand.  {H)  6ö0. 

2)  Te  bed  gaan  liggen ,  met  het  vooruitzicht  het 
niet  spoedig  te  verlaten.  Van  zieken  en  zwangere 
vrouwen.  ||  In  corter  tyt  hier  na  wort  dese  jonge 
grave  sieck  van  den  buucevel  ende  bevel  binnen 
Haerlem  (werd  te  H.  bedlegerig) ,  daer  hi  starf 
sonder  kinder,  Clerc  149.  Int  jaer  .  .  1276  .  .  so 
beviel  ende  baerde  die  gravinne  van  Hennenberch 
365  kinderen,  Exc.  Cron.  118a.  —  Onze  uitdr. 
van  een  kind  bevallen  is  dus  eene  elliptische  uit- 
drukking voor  mnl.  bevallen  ende  van  enen 
kinde  genese n,  d.  i.  te  bed  gaan  liggen  en  van 
een  kind  verlost  worden.  Vgl.  Grimm,  Wtb.  1 ,  1248. 

3)  Vallen ,  bezwijken ,  den  moed  verliezen ,  te  kort 
schieten.  ||  In  minen  anxte  ende  in  mijnre  noet, 
dat  ie  om  hem  {daardoor)  niet  en  bevalle,  Stemmen  135. 

4)  Als  rechtsterm.  Te  kort  schieten  in  zijn  bewijs, 
in  het  ongelijk  gesteld  worden.Ygl.  lat.  causa  cadere.  \\ 
Bevalt  hy  ende  missprect  of  misdoet  hy  an  dier 
vierscharen,  dats  te  beteren,  na  den  eisch  des  wairlics 
rechts,  Matth.  103.  Zo  wat  poorter  off  poortesse  be- 
treet de  vonnesse  van  scepenen  bij  reformacien  off 
appellacien ,  ende  hij  bevalt ,  die  verbuert  X  c^  jegen 
den  heer  ende  X  öC  jegen  der  stede ,  Wiel.  Instr.  81 , 
69.  Dat  hy  noch  ter  tijt  niet  bevallen  en  is ,  want  hy 
dach  heeft,  Dingt.  v.  Delft  40.  —  Somtjjds  ook  min 
juist  in  het  passief  bevallen  worden.  ||  Dit 
sal  die  ghene  ghelden  diere  in  bevallen  wort. 
Mieris  2,  160A.  —  Met  eene  bep.  met  v  an.  ||  Welck 
daer  of  bevalt,  die  dienaangaande  in  het  ongelijk 
gesteld  wordt,  die  heeft  verbeurt  X  pont  Hollants, 
Mieris  2,  30^.  Es  oeck  dat  sake,  dat  die  clager 
enygen  dach  versittet,  .  .  soe  bevallet  hij  altemael 


van  sgnre  saken,  zoo  verliest  hij  zijne  zaak,  Jt  en 

0,  V.  Delft  247,  13.  So  wie  van  hem  daer  if 
beviele ,  alse  recht  es  sal  men  (d.  i.  menne)  be- 
richte (/.  berichten),  V.  d.  WaU  117.  Die  dier  of 
bevallet,  zyn  lyff  ende  zyn  goed  is  in  sHeera 
genaden,  Priv.  v.  Brielle2,  17.  —  Wie  dtir  aiet 
voir  zweren  en  wil,  die  is  bevallen  van  (/.  in?) 
den  bueten  voirscr. ,  die  wordt  veroordeeld  tot  it 
boeten,  Leid.  Keurb.  533,  45.  Van  der  meeltere 
{nl.  boete),  daer  hi  of  bevallet  te  wette.  Gout.  r. 
Brugge  1,  292.  Ist  dat  hoer  enich  bevellet  (tf.  i.  be- 
vallet)   in  jaerboten   of  in   scout,    D.  Orde  309. 

—  Met  eene  bep.  met  in.  —  In  eenre  sike 
(dinc)  bevallen,  in  eene  zaak  veroordeeld,  i» 
het  ongelijk  gesteld  worden  ^  aan  een  wutdrijf 
schuldig  worden  bevonden.  ||  Bevallet  hi  inderuke, 
so  zQn  die  X  ^C  verloren,  O.  K.  v.  Bott.  19,  35. 
Wie  niet  voort  en  quame  opten  eersten  diJlgh^ 
dach,  ...  die  bevallet  in  die  zake,  hi  en  macbt 
mit  sinne  {d.  i.  nootsin)  keren ,  22 ,  44.  Wie  ma 
den  steenwairder  levert,  die  zei  hi  weder  leverei 
off  in  der  zake  bevallen  {veroordeeld  worden  eb 
schuldig  aan  het  misdrijf),  dair  hi  voir  gheheflloff 
ghetoofl  waer,  25,  55.  So  wat  poorter  den  andercB 
poorter  anspreect  van  dieften ,  moert  .  .  off  des 
gelijcs,  bevalt  hi  dair  in,  dats  op  een  boete  Taa 
XX  «  nollans ,  K.  v.  Brielle  12 ,  14  (aoo  nog 
tweemalen  ald.).  Omdat  hi  enen  weerdach  begheerde 
jeghens  pandinghe  ende  dair  in  bevel.  Bek.  d.  Gr. 

1,  279.  (Als)  hy  daer  in  beviel,  soo  sonde hjTaa 
dien  daege  vol  schot  mitten  buren  gelden  ende  te 
boete  gelden  thien  pondt.  Mierik  2 ,  33«.  Scepenca, 
die  daer  (/.  daerin)  bevallen,  die  sullen  da 
anderen  haren  lachter  beteren  eicx  X  pont .  .;die 
bevallen  in  der  dinc ,  die  sal  die  ghesworen  geldea 
haren  cost,  Oorkb.  2,  339,  89.  Dirc  Hambordi, 
omdat  him  goet  ontverret  wart ,  daer  hi  an  panden 
sonde,  ende  daer  in  bevel,  Bek.  d.  Gr.  1,  325. 
Zoo  ook  Leid.  Keurb.  2,  6.  —  In  ene  borcb- 
tochte  bevallen,  verpUeht  zijn  de  borgtocht  U 
storten.  \\  Daer  of  gheve  ie  mi  sculdich  ende 
verlie,  dat  ie  in  die  bortochte  bevallen  ben,  Ow^- 

2,  462fl.  —  In  ene  keure  bevallen,  *cAii% 
bevonden  worden  aan  vergrijp  tegen  eene  kewr.  || 
Wat  ambacht  in  dien  keure  bevullet,  datverbnert 
vyff  schillinge,  Oorkb.  2,  219*  {Oorkb.  v.  Geld, 
1038  ter).  —  In  den  rechte  bevallen,  m 
zijne  actie  in  het  ongelijkgesteld  worden.  ||  Om  dat  hi 
in  sinen  rechte  bevel ,  Rek.  d.Gr.l,  325.  Ende  bcnlt 
die  uutlems  man  in  den  rechte ,  die  ander  sal  syn  cost 
. .  op  hem  winnen  met  rechte ,  Matth.  Jnai.  1 ,  264.— 
In  den  onrecht  bevallen,  schuldig  bevonde» 
worden;  geoordeeld  worden  het  onrecht,  het  ongeluk 
aan  zijne  zijde  te  hebben ;  w»  het  ongeluk  gatfld 
worden.  ||  Soe  wie  in  den  onrecht  der  saken  bevid, 
dat  die  den  cost  gulde  bi  den  gezwoeren  scheits- 
luden,  Nijh.  3,  35.  Wie  in  den  onrecht  bevallet, 
die  zei  gheven  dit  uutgheleide  ghelt ,  O.  K.  v.  Sctt. 
25,  54.  Die  in  den  onrecht  bevalt,  Terbeurt  18 se, 
Leid.    Keurb.    3 ,    7.    Zie   ook   Wiel.   Instr.  Gloss. 

—  In  lantughe  bevallen,  in  eenre  oir- 
conde  bevallen,  in  gebreke  blijven  in  het  in- 
brengen van  de  vereisehte  getuigen.  \\  Omdat  si 
bevel  in  lantughe ,  Rek.  d.  Or.  l,  325.  Wie  tu 
lyfschulde  in  eenre  oitconde  bevalt ,  verbuert  II  se- 
den  gheselscap,  O.  K.  v.  Delft  1,  4,  11. —I" 
ede  bevallen,  te  vergeefs  een  eed  doen,  doer 
den  eed  niet  gezuiverd  worden ,  eig.  te  kort  seÜete» 
in  het  doen  van  den  eed,  nl.  door  dat  die  eed  ni^ 
in  den  bepaalden  vorm  wordt  uilgesproken.  VgLl<t> 
cadere  formula.  ||  Ist  dat  die  gene,   dien  gewysl 


1177 


BEVA. 


BEVA. 


1178 


is  .  .  eedt  te  doen ,  anders  na  seit  dan  die  rechter 
Yoirseit  .  .  .,  bj  beyalt  in  den  eedt,  op  dat  hy 
dair  of  geyangen  wort  gapens  monts ,  als  hij  daarvan 
overtuigd  wordt  terwijl  hij  den  eed  doet  ^lA^dXih.,lQi\. 
Is  dat  sake,  dat  een  poirter  yan  erye  zweren sal, 
die  en  mach  inden  eersten  ede ,  noch  inden  anderen 
beyallen,  mar  is  dat  bi  derdewerye  die  maniere 
yan  zweren  niet  en  bont  ende  bj  qnaliken  zweert, 
80  yallet  bi  yan  zynre  zake,  cadit  causa,  Meyl. , 
Deljl.  61 ,  16  {K.  en  O.  r.  Delft  247 ,  15)1 

5)  Gebeuren,  gevallen.  ||  Yoor  dien  dat  dese 
saken  beyielen,  Heela  8935.  —  Ook  in  de  nitdr. 
te  dele  beyallen,  ten  deel  vallen.  ||  Datti  te 
dele  beyallen  es,  bonde  dat,  D.  Cat.  255. 

6)  Uitvallen,  ajloopen.  Met  den  3den  ny.  y.  d. 
pers.  Voor  iemand  ajhopen.  ||  Si  yoeren  wecbende 
haer  yaert  beyiel  bem  wel  te  Babylonien  waert. 
Flor.  696. 

7^  Sen  inval  doen,  vallen.  ||  Die  yan  Lndeke 
beyielen  met  gheroere  tnsscen  die  Mase  entie  Boere, 
Braè.  T.  VI,  10507. 

8)  In  de  tegw.  bet.  Bevallen,  behagen.  ||  Of  si 
(Maria)  ons  wtde  beyelt;  war  ane  sal  si  ons  wale 
beyallen?  Dat  sal  se  dnn  an  al  baren  leyene,  so 
salse  ons  met  regte  wale  beyallen,  Limb.  Serm. 
SOb.  Gesellen  die  bem  int  berte  best  beyellen ,  S^. 
I*,  64,  60.  Zoo  ook  /^.  II1«,  22,  6;  Bijmb. 
18103  (op  beide  plaatsen  impf.  bevel);  Tien  Fl. 
2196;  met  hebben  yeryoegd,  Brab.  T.  VII,  4022. 

Onpers.  —  1)  Met  den  3den  ny.  y.  d.  pers. 
Te  beurt  vallen,  gevallen,  gebeuren.  \\  SenteLnpus, 
dien  met  sente  Germane  in  Bertaengen  beyiel  te 
gane,  Sp.  ni*,  46,  1. 

2)  Geschapen  staan.  \\  Die  coninc  swoer  haer  yrede 
ende  seide:  „Verwec  mi  Samnel."  TwQf  dede  als 
daer  toe  beyel,  zooals  het  er  toe  stond,  waartoe  zij 
gedwongen  werd,  Rijmb.  9674. 

Bedr.  —  1)'  Qp  iemand  vallen.  \\  Ocb  gbi  ber- 

fen  ,  .  .,  dat  gbij  ons  arme  .  .  .  katiye  niet  en 
eyalt,  Con.  Som.  68a.  God  beladet  mg  soe  mit 
zynder  barmberticbeyt  ende  weldaden  ende  beslnt 
ende  beyallet  {overlaadt^  mi  soe  daarmede,  datick 
anders  gbene  borden  yoelen  en  mach,  Bem,S.^Xb. 

2)  Aanvallen,  aantasten.  —  a)  Eigenlijk.  ||  (Si) 
beyielen  bertoge  Kaerle  yreesliken,  die  daer  den 
strijd  yerloes,  Exe.  Oron.  231c.  (Die)  al  te  gadere 
met  heercrachte  onse  yors.  bnys  beyielen  endebe- 
lagben,  Brab.  T.  Dl.  2,  bl.  671  d.  (Hi)  beeft  die 
(stad)  belegben  met  allen  ende  al  omme  ende  omme 
beyallen,  Brab.  T.  VII,  887.  Dat  si  des  anders 
daegbs  .  .  .  nnt  comen  sonden  al  met  allen,  om 
die  heeren  te  beyallen,  1092.  Hoe  si  des  ander- 
daegs  die  beeren  beyielen  ende  boe  si  meest  yer- 
slegben  bleyen ,  1096  Titel.  Opdat  zi  beyallen  waren, 
datse  die  bertoghe  ende  tlant  ontsetten  sonden 
altebant,  8774.  —  b)  Figuurlgk.  ||  Liede  .  .,  die 
beyallen  waren  metten  rede  (koorts),  Fr.  Heim.  1410. 
Hi  (God)  es  so  guet,  datten  engeen  baet  beyallen 
en  macb ,  Limb.  Serm.  BSd. 

3)  Overvallen.  —  a)  Met  een  pers.  als  ondw. 
Overvallen,  betrappen,  vinden.  \\  Als  .  .  .  sine  dan 
onder  ben  allen  binnen  Brabant  mochten  beyallen, 
Mrab.  T.  VI,  9994.  —  b)  Met  eene  zaak  als  ondw. 
Overvallen,  verrassen.  \\  So  wanneer  die  t|jt  des 
doeds  bem  beyelt,  dat  hg  dan  bereet  si ,  Ngb.  1 ,  339. 

BEVALLIJC  (bevellic)  ,  -ike  ,  bnw.  —  1)  Be- 
vallig, welgevallig.  \\  Mit  beyelliken  aensicbte, 
Brngm.  2,  350. 

2)  Enen  — ,  aan  iemand  welgevallig,  behaaglijk. 
\\  Dasse  {Maria)  Gode  beyellike  was  dor  bare 
iLUScbeit,  lAmb,  Serm.  107 d. 


BEVALLIJCHEIT ,  -hede  ,  znw.  yr.  Geschiktheid, 
vatbaarheid.  Vgl.  beqname,  yan  mnl.  becomen 
(ons  bevallen).  Hetzelfde  als  mnl.  beqname- 
Igcheid  (z.  ald.).  Teutbon.  22:  beqweem,  be- 
begelick,  beyellick.  ||  Aldns  maectmen  ene 
bereetscap  ende  ene  beyallgcbeit,  een  inwendich 
begheerlic  leyen  ton(t)fane,  Runsb.  6,  59. 

BEVANGEN.  Zie  bevaen. 

BEVANG  (in  den  yerb.  ny.  beyange),  znw.  o. 
Mnd.  bevank.  Vgl.  berijt. 

1)  Van  bevaen,  in  den  zin  yan  eene  ruimte  om- 
vatten. Omvang.  \\  Snlcke  crijgbers  hebben  grootelic 
tbesmitten  yan  der  ledicbeyt  in  swerels  beyanc, 
op  de  wereld.  Vgl.  binnen  swerels  eryen,  ZVl. 
Bijdr.  6 ,  334 ;  in  swerels  bergt,  ald. ;  binnen  swerels 
gestelle,  336;  binnen  sbemels  beyreden,  ald.  — 
Zie  ook  beneden,  de  Aanm. 

2)  In  den  engen  zin  yan  gebied,  rechtsgebied, 
district  ^hetzelfde  als  bet  meer  gebraikelgke 
biyanc  (zie  ald.).  ||  Dat  die  yan  Liere  .  .  .  met 
baren  beyangbe  ende  bedriyen  (/.  bedriye)  ben 
yolgben  souden,  Brah.  T.  VII ,  15052.  Hier  binnen 
Tbillegbemscbe  beyanc,  ZVL  Bijdr.  6,  236,  290. 
—  Ook  in  den  zin  yan  iemands  byzonder  eigendom , 
grondgebied.  Zie  Bi V ANC  1).  ||  Van  sberen  Clais 
kinder  beyant  (/.  beyanc)  ontfaen  .  .  yan  desen  jare 
20  SC,  Bei.  V.  Zeel.  1,  100.  Die  selye  smoers 
beyant  (l.  beyanc)  7  m(ete),  ald.  104. 

3)  Macht,  heerschappij  (abstr.).  ||  Mach  by 
gberaken  in  mgn  beyanc,  ZFl.  Bijdr.  6,  320,200. 

4)  Gemoedsstemming  (ygl.  bevaen  14a).  ||  (Si) 
begonsten  met  bogben  sangbe  die  messe  ende  met 
bliden  beyangbe,  so  dat  men  die  sequentie  zanc, 
^.  IV*,  47,  27  (bet  lat.  beeft  slechts:  „mwia 
festivis  clamoribus  est  acta). 

5)  In  de  uitdr.  Sonder  h^'^i.'Sit,  zonder  achter- 
houdendheid, zonder  iets  te  verzwijgen,  openhartig. 
Vgl.  ons  bnw.  onbevangen.  \\  Danne  mach  elc  spreken 
sonder  beyanc  ende  seggben,  dat  hi  wille,  Belg. 
Mus.  1,  47.  Fransoyse  teldijt,  den  belegen  man, 
altegader  sonder  beyanc.  Franc.  1166.  Laet  minlic 
hertzen  sijn  bi  eyn  sonder  loos  beyanc,  OFl.Lied. 
e.  Ged.  206,  15. 

Aanm.  —  Sp.  I»,  13,  25:  „Twater  wies  ende  bet 
yerdranc  al  dat  die  werelt  badde  beyanc ,"  kan  b  e- 
yanc  geen  znw.  zijn.  Men  leze:  „bet  yerdranc  al 
dat  was  in  swerelts  beyanc",  óf  (en  ditzal  wel 
de  waarheid  z||n)  men  yatte  beyanc  op  als  een 
adyerbialen  accusatief  met  de  beteekenis  yan  in 
sgn  beyanc;  al  dat  de  wereld  bevatte,  watopde 
wereld  was.  Vgl.  ommeganc,  dat  ook  adverbiaal 
gebruikt  wordt  Zie  onder  1,  en  bevaen  8). 

BEVANKELIJC,  bnw.  Falbaar.  ||  Die  alte  be- 
vanckelijc  biste  van  dronckenscap ,  Z>.  B.  Ezech, 
23,  33. 

BEVANKELIJCHEIT,  znw.  vr.  Waarneembaar- 
heid met  de  zinnen.  ||  Egbeyne  vorme  en  is  in 
Gode  noch  egbeyne  bevanclgcbeit ,  maer  bets  een 
syn  ende  een  gbedachte,  Faderb.  %c. 

*  BEVANT,  Bek.  v.  Zeel.  1,  100  en  104.  Ver- 
keerde lezing  voor  bevang;  z.  ald. 

BEVAREN,  st.  ww.  onz.  en  bedr. Mnd.  *<?wr«i. 
Synom.  van  belopen  (z.  ald.). 

I  Onz.  —  Belanden,  bleven,  alleen  in  vragende 
zinnen  (ook  afbankeiyke  vragen).  ||  Dat  man  no  wgf 
no  kynt  van  Madelgise  ne  wisten  twint  waer  dat  bi 
was  bevaren ,  Maleg.  1003.  Men  ne  hoerde  yan  hem 
ne  gbeene  niemare ,  waer  hg  bevoer  no  bequam ,  Fl, 
Rijmk.  1778.  Waer  die  edel  prince  bevoer,  5280. 
Men  wiste  noyt  waer  by  bevoer,  Oron.  v,  Flaend, 
1,  164.  Waer  dat  de  keyser  bevaren  was,  122, 


4479 


BEVA. 


6eVA. 


4180 


Waer    bevoer    hy?    In   taveerne    drincken,    Ned. 
Klucht^,  88,  290.  —  Ook  met  tgt  als  ondw.  || 
Waer  es  den  tp  bevaren!  OFl.  Lied.  494. 

II  Bedr.  —  Door  varen  (d.  i.  al  gaande)  be- 
reiken. Vgl.  BELOPEN. 

1)  Binnen  zijn  bereik  krijgen^  in  handen  krijgen ^ 
vangen^  vatten.  \\  Int  hof  ((/^^A^^ana^  al  daer  men 
Jhesnse  bevoer,  Bijmb.  26162.  Magicker  enen  opt 
lant  bevaren ,  hi  was  ter  quader  tijt  geboren ,  Lanc. 
II ,  4528Ö  (vgl.  40173).  Waer  dat  hi  kerstene  bevare, 
dat  hise  doe  ontliven,  Sp.  II  \  39,  4.  Dat  gine 
slaet  of  gine  bevaert,  Parth,  fr.  93.  (Hi)  sloech 
doot  die  metsenaren,  daer  hiere  een  mochte  be- 
varen ,  Bijmb.  30636.  Waer  dat  hise  can  betrapen . . 
ochte  bevaren,  Grimb.  1 ,  2429.  Zoo  ook  Troyen  1268 
var.;  Velth.  I,  51,  41.  —  Ook  met  eene  zaak  als 
voorwerp.  ||  Al  te  haelne  wat  dat  si  bevaren  conden, 
Velth.  IV ,  61 ,  22.  Men  moetse  (de  visschen)  vaen  . . 
int  ondiepe  ende  so  bevaren ,  Nat.  BI.  V,  248.  Tote 
diesmaels  dat  gi  selt  bevaren  {erlangen ^verkrijgen) 
ander  goet  (nl.  huwelijksgenot)^  Bose  2798.  Haer  goed, 
80  waert  gheleghen  ware  ende  hp  bevaren  conde 
binnen  onsen  lande  of  daer  buten,  V.  d.  Wall 
206  (a.  1346).  —  Ook  gebruikt  van  een  geregeld 
gevecht.  |)  Wat  hi  binnen  slage  bevart ,  sloechi  ave 
met  gewout,  Lorr.  II,  4315.  Dien  hi  te  stride 
bevaren  mochte,  Trogen  4835.  Wien  dat  hy  in 
den  wych  bevaert ,  deed  hy  haest  syn  einde  doen , 
Troyen  f.  Ibd.  Men  hadde  u  heden  in  onsen 
baren  {verschansingen)  belopen  connen  noch  bevaren. 
Cast.  1201.  Zoo  ook  Velth.  IV,  53,  40;  Limb. 
VII,  1183. 

2)  Aantreffen .,  ontmoeten^  vinden.  \\  £n  ware  dat 
hise  bevoere ,  hi  soutse  soeken  sonder  ende ,  Tlor. 
1605.  Soe  waer  dat  sy  priesteren  jof  clerken 
bevaren  met  wapenen,  Oorkb.  2,  243a.  —  Vooral 
met  het  bijdenkbeeld  van  het  onverwachte.  Over- 
vallen, betrappen.  \\  Ënte  knape  wert  bevaen  van 
dien  van  Naerden,  Stoke  V,  80.  Hierna  saen  so 
wert  bevaren  Sente  Gereon  met  siere  scaren  ende 
ontlivet,  Sp.  II*,  1,  109.  Waer  mense  bevaren 
can  nu  of  namaels  .  .  inder  stat  van  Utrecht, 
B.  V.  ütr.  1 ,  54.  Dat  hise  bevart  met  haren  amise, 
Bose  bl.  252 ,  260  (vgl.  257 ,  280).  -^oo  ook  Lanc. 
II,  44011;  Wal.  4014.— Ook  met  eene  zaak  als 
ondw.  II  Dattie  dach,  die  vreselike,  u  niet  bevare 
in  den  onvrede  ghelijc  dattie  lovie  wilen  dede 
die  quade  liede  in  Noes  tiden,  Bijmb.  25652.  De 
bevaren  worden  datse  doen  peccatum  .  .sodomiticum, 
Stadb.  V.  Qron.  VIII,  15. 

3)  Aanvallen,  aantasten.  \\  Om  dat  hi  hem  wonde 
bevaren,  Edew.  630.  Die  gene  dire  comen  waren 
ende  heren  Waleweine  hadden  bevaren,  Lanc.  II, 
44085.  —  Ook  in  het  pass.  met  eene  aandoening  als 
ondw.  II  Maria  die  wert  mit  anxte  bevaren.  Hor. 
Belg.  10,  30.  —  Ook  wordt  het  verl.  deelw.  be- 
varen absoluut  gebruikt  in  den  zin  y&u  ontsteld , 
ontroerd,   beangst,  van   streek.  Vgl.   BEVAEN,  14). 

II  Die  broeders  werden  bevaren  ende  benauwet . . . 
omme  der  woerden  willen, ^i^^.  85a.  So  stout sijn 
vrient  langhe  seer  bewaren  (/.  bevaren) ,  70c.  Hier 
omme  word  ie  bevaren  ende  verwonderde  mi,  167^.  Hi 
wert  meer  dan  men  gheloven  mach  vervaert  ende 
bevaren ,  76 ft.  Die  grave  wert  bevaren  ende  twijflfelde 
.  .  wye  dattet  ware,  79c.  Hier  omme  waert  die 
man  bevaren ,  12Sc.  Als  Herodes  die  coninck  hoerde 
datter  een  coninck  der  Joden  was ,  so  wert  hy  zeer 
bevaren,  want  hy  hadde  anxt,  dat  hy  uten  rycke 
soude  werden  verdreven,  Bern.  W.  %id. 

BEVAREN,  zw.  ww.  bedr.  Van  vare,  vrees. 
Bevreesd  maken,  vrees  aanjagen.  Mnd.  en  mhd.  be- 


vdren.  \\  Laet  u  herte  niet  bevaren  noch  bedroTeo, 
Ks.  113,  I99ft. 

BEVAREN,  deelw.  bnw.  van  b  e  v  a  r  e  n  (Ie  Art  1}. 
Ervaren,  bekwaam.  ||  Doctoren  die  in  den  weghen 
Gods  bevaren  zyn ,  Fase.  M.  f.  Ir.  —  Over  b e? aren 
in   de  beteekenis  ontsteld,  zie  by  het  ww.  3). 

BEVARENHEIT,  znw.  vr.  Ervaring.  \\  Door 
lange  bevarentheit  alty t  subtyl  der  woorden ,  fase 
M.  f.  \v. 

BEVASTEN,  zw.  ww.  bedr.  Vast  maken,  he- 
vestigen  {?).  ||  Ay  hadde  ghenoechte  dan  redene  doet, 
si  soudse  wel  cleine  bevasten,  Hadew.  1,96,  60. 

BE  VATEN,  zw.  ww.  bedr.  Ndl.  bevatten;  mhd. 
bevazzen.  —  1)  Beet  pakken ,  aangrijpen ,  innen.  l|  De 
zoethuenighe  baeten,  die  zy  bevaeten  met  ghierighen 
apetyte,  D.  War.  1,  410,  87. 

2)  Beperken,  doen  ophouden,  t4)t bedt^en brengen. 
II  Ghelijc  als  den  reyn  den  wynt  bevaet,  Zr/.  Bijér. 

5,  322,  252  (bevaet  zal  hier  wel  van  bevaten 
zijn  en  niet  van  bevaen;  men  vgl.  het  fr.  spreebr.: 
„Grande  pluie  ada^  grand  vent,**  en  Lubben  1,306: 
upp  tho  schortende  ende  tho  bevaiende. 

3)  Omvatten,  omvangen.  \\J)tl  (regenboog) hi&iwa 
stout  dattn  al  die  lucht  bevaets  ende  minen  wechende 
alle  ander  sterren  loep  wilst^  hinderen,  Dial.  OreaL  U. 

BEVECHTEN  (bevichten),  zw.  ww.  bedr. 
Bevechten,  aan^vallen.  ||  Scarpe  clueten  ofte  andere 
gelijcke  wapenen ,  omme  yemande  mede  te  bevichteo. 
K.  en  O.  V.  Belft  61,  1. 

BEVEDEN,  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  bevedigen\\L 
befehden.  Beoorlogen,  vijandelijk  behandelen.  \\  Off 
de  graesscap  mit  veden  belast  ofif  bedrongen  worde 
.  .  ende  wurde  de  graesscap  soe  nyet  beveedt  noch 
belastet,  Nijh.  5,  95.  —  Vgl.  beveet. 

BEVEEL ,  znw.  o.  Mnd.  bevele.  Vgl.  ons  hevel. 
Macht,  heerschappij.  \\  Amptluden  ende  dienrere 
(/.  dienres)  van  ennigen  beveel  (met  allerlei  be- 
voegdheden; vgl.  kol.  1182:  vaa  bèvolenen  am- 
bachte),  Nijh.  4,  362.  Sinte  Loj  hadde  oec  sorghe 
ende  beveel  van  veel  ander  bisdommen,  Pass.  W. 
187a.  Want  zij  geen  macht  of  beveel  en  hebben  np 
malcanderen.  Wiel.  Instr.  114. 

2)  Bevel.  \\  Doe  broeder  Henrie  dat  beveel  hadde, 
Bienb.  129a. 

BEVEELDER.  Zie  bevelen  1). 

BEVEELNISSE  (bevelenisse),  znw.  vr.  (en  o.  ?). 
Mnd.  bevelnisse;  mhd.  bev'èlhnüste.  —  1)  Abstract 
Bevel,  lust.  \\  Doeicbeveelnissevan  den  princeontfiac, 
die  kersten  in  Damasco  te  vervolghen ,  Hs.  Epist.  68i 
Ghi  leest  dat  Abraham  bi  bevelenessen  sinensoie 
nam  ende  wilde  offerande  hebben  ghedaen,  JmW 
II,  2197.  Dit  was  bi  bevelenessen  van  Amande, 
1 ,  2957.  So  sal  ie  bi  dynre  bevelenisse  gaen  in 
Sinte  P.  veghevier,  JVifÉ?.  Prosa  97.  Die  beveelnesse, 
die  wi  Looper  bevolen  hadden,  Mieris  2,  2o3i. 
Bi  beveelnesse  van  onsen  lieven  Here  den  Herto^e, 
3,  389a.  Om  beden,  beveünisse  ende  will  ooss 
lieven  geminden  heren,  Nijh.  2,  215.  Dat  hv  mit 
wille  .  .  ende  van  sonderlingen  geheiten  ejide 
bewelenisse  (/.  bevelenisse)  sijns  joncker  vors.  die 
borcht  van  Millen  .  .  halden  . .  sal ,  Brab.  T.  BL  % 
bl.  633.  Sonder  enich  ghebot  jof  beveelnesse  mt 
ons  of  van  onsen  nacomelinghen,  V.  d.  Wall  1^ 
Zoo  ook  Invent.  v.  Brugge  1,  384. 

2)  Concreet.  Hetgeen  iemand  toevertromted  «f, 
pand.  II  Ie  bins  seker,  dat  hys  machüch  is  te  oit- 
houden  in  dien  daghe  toe  die  bevelenisse.  die  hi 
mi  betrouwet  heeft,  Hs.  76,/.  88c  (II  Ife».  1, 12)- 
Bewaer  die  guede  bevelenisse,  die  di  bevolei  u 
overmits  den  heilighen  gheest,  ald.  d  (vs.  14). 

BEVEELRE.  Zie  bevelen  1). 


4181 


fiEVË. 


ËEVE. 


118Ö 


BEVEET  (beveedt),  bnw.  Heteelfde  als  het 
meer  gewone  g  e  v  e  e  (e.  ald.).  In  vijandtchap^  in  veete 
(mul.  Yeede).  ||Dat  Tsbrand  voorsz.  beveet  ware 
teghen  yemant ,  die  hem  te  machtich  ware ,  Mieris 
2,  236a  (er  staat  verkeerdelyk  ben  e  et  gedrukt). 

BEVEINOTEN.  Zie  bevennoten. 

BEVEINSINGE,  znw.  vr.  Veinzerij.  \\  Waer- 
achtel[jck  sonder  beveynsinghe.  Ygl.  Oudem.  1 ,  661. 

BEYEINST,  bnw.  Geveinsd,  vaUch,  \\  Mit  een 
bcYeynst  aensicht,  Oett.  R.  f.  l%ld.  Kriekenput 
dat  is  een  beyeynst  {gefingeerde)  name ,  Froza-Bein. 
35r  (ygl.  Rein.  1,2615:  een  gheveinsde  name). 
Met  enen  beveynsden  toomichliken  sin,  ald.  — 
Byw.  beveinsdelike.  ||  Beveinsdelic  te sweren , 
Hs.  122p. 

BEVEINSTHEIT,  znw.  yr.  OeveintdAeid ,  vaUcA- 
Aeid.  II  Bekennen  in  rechter  meyningen  sonder 
beveynstheit,  dat  waerachtelic  zyn  schuit  te  zyn, 
Fase.  M.  f  29r.  Ende  bekennen  nu  warachtelic 
sonder  beyeinstheit,  f,  47r.  Wt  een  rechte  meyninge 
zonder  beyeynstheit ,  ald.  42r.  Dat  si  souden  wor- 
den bedrogen  om  mijnre  beyeinstheit,  D.  B.  II 
Maccab.  6 ,  25. 

BEVEL.  Zie  bevelhebber. 

BEVELEN,  st.  ww.  bedr.  Mnd.  bevelen ,  bevalen ; 
mhd.  bevëlAen;  ygl.  got.  filhan.  De  eig.  beteekenis 
was  wegbergen  y  verbergen  \  ygl.  ons  niet  tunnen 
velen,  d.  i.  verbergen,  verkroppen.  Daaruit  ontwik- 
kelde zich  de  bepaalde  opyatting  yan 

l)  In  iemandt  gemoed  wegleggen;  iem.  aanmanen', 
hem  op  het  gemoed ,  het  hart  drukken ;  er  bij  hem 
op  aandringen',  hetzelfde  als  ons  aanbevelen;  ons 
bevelen  was  in  H  mnl.  h  e  e  t  e  n.  ||  Vrauwe  Haersenden 
sinen  wiye  beyal  hi  bi  haren  liye  dat  soe  stonde 
bi  Relnaerde,  Rein.  1,  1975.  (Hi)  beyal  hem 
als  ende  als  dat  hi  die  lettren  niet  ne  soude  besien , 
3286.  Dien  (boom)  beyaeldi  (Adame)  dat  hi  liete, 
Amand  I,  328.  Die  omoedelike  .  .  .  Fransoyse 
zine  onsculde  beyal ,  Franciscm  bad  zijne  onschuld 
ter  harte  te  nemen,  voor  hem  tê pleiten.  Franc.  ^2,^%. 
Si  beyalen  Gode  t«  sine  stierman,  Sp.  I',  6,  18 
(zij  gaven  zich  aan  Gods  genade  over).  Aldaer  hem 
Onse  Here  beyel  {d.  i.  beyal),  dat  hi  sine  scaep  soude 
voeden ,  Rdjmb.  27022.  Hi  beval  (hij  verzocht  dringenc^ 
den  here,  dat  hijt  (het  vingerlijn)  dragen  an  sine 
vinger  alle  dage,  Torec  3263.  Hi  hadde  dorst 
ende  die  vrouwe  beval  dat  hi  den  nap  uutdronke 
al,  Idmc.  II,  15161.  Zoo  ook  Sp.  LEI*,  13,  85.— 
Deze  beteekenis  nadert  aan  die  van  ons  bevelen,  d.  i. 
gelasten,  welke  reeds  in  H  mnl.  wordt  gevonden; 
zie  b.  v.  Rein.  I,  439;  Sp.  II*,  35,  80;  MLoep 
IV,  20;  e.  e.  —  Ook  komt  bevelen  ende 
heten  verbonden  voor.  ||  Men  bevalt  (het  kind) 
te  sogene  ende  hiet  ere  heidenre  voestre ,  Flor.  256. 
Wi  sullen  hare  bevelen  ende  heten  bi  haren  live, 
datsoe  liegende  blive  stille,  458.  Met  haesten  hiet 
hi  ende  beval  Lucium ,  dat  hi  den  vrede  van  sinen 
halven  vaste  dede ,  Farth.  7789.  Het  en  ware  dat . . 
mgn  vriende  .  .  mi  anders  bieten  ende  bevalen, 
£rab.  r.  VII,  10940.  —  Elliptisch  bet.  bevelen 
(nl.  te  sine)  ook  iemand  gelasten  ergens  te  zijnen 
ie  blijven ,  hem  zijne  plaats  aanwijzen.  Vgl.  mnl. 
gebieden  (nl.  te  levene).  ||In  den selven Gods- 
hnys  daer  hem  Sinte  Monulphus  gheleyt  hadde  ende 
bevolen,  Serv.  II,  788.  Dat  onse  here  te  sinen 
oordele  metten  salighen  ons  bevele,  Lsp.  IV, 
FroL  28.  —  Ook  van  het  doen  leggen  in  eene 
gevangenis.  \\  Zo  wat  persoone  die  eenen  anderen 
doet  bevelen  in  vanghenessen ,  Invent.  v.  Brugge  6 , 
640.  Eene  persoone  ten  steene  bevolen ,  2 ,  332.  In 
TaDghenis8e  bevolen,  Cout.  v.  Brugge  1,   76.  Be- 


volen wettelike  in  den  steen,  wettelijk  gevangen 
gezet ,  Cout.  v.  Brugge  1 ,  315.  Datten  niemen  ver- 
swaren  mach  noch  bevelen  (nl.  in  de  gevangenis) 
van  enigher  scult,  hi  ne  hebbe  te  voren  ghenoech 
ghedaen  diene  eerst  beveelt,  ald.  Een  Willem,  .  . 
ligghende  hier  in  vanghenesse  bevolen  jeghen 
Sanders  vriend  1,  572  (vgl.  ons  aanbevelen  in 
gijzeling).  —  De  persoon  die  last  geeft  tot  de  arres- 
tatie heet  beveelre  (bevoelde r),  Cout.  v. 
Brugge  1,  76. 

2)  Opdragen,  toevertrouwen,  iemand  de  zorg  voor 
iemand  of  iets  aanbevelen ,  hem  aan  iemand  recomman- 
deer en.  II  Mire  moeder  bevelic  di ,  L.  o.  H.  3599  (vgl. 
1^.  I',  30,  19).  Wye  den  wolf  sijn  schapen  be- 
veelt ,  Hild.  251 ,  15.  Dat  hijt  (het  klooster)  beval  up 
Baven,  Amand  II,  365.  Hi  bevalse  (de  ziel)  sinte 
Michiele,  dat  hise  moeste  bevreden,  Wal,  4798. 
Wien  siit  (de  ouders  het  kind)  mochten  bevelen, 
Flor.  250.  Ie  bevele  u  die  kindre  mine,  datghire 
wale  pleghet  nu ;  vor  alle  dandre  bevelic  u  minen 
sone  Eeinaerdine,  Rein.  1, 1406.Alse  hise  (de  kinderen) 
den  lieden  beval,  Sp.  I*,  18,  3.  (Si)  gebenedide 
dien  Here,  dien  si  bevolen  had  (opgedragen  had 
de  beschikking  over  leven  en  dood).  Christ.  592. 
Den  scat  dien  du  mi  hads  bevolen ,  ^.  1^,49,62. 
Syn  ors  beval  hi  sinen  waert,  Torec  2308.  Enen 
lijf,  ere,  ende  goet  bevelen,  Doet.  II,  1405.  Hem  waren 
bevolen  vier  legioene,  Sp.  I*,  68,  41. Die  stede., 
die  men  u  op  trouwe  beval ,  Lsp.  1 ,  44 ,  87.  Want 
him  bevolen  was  die  i^ori,  MLoep  11,3544.  Enen 
dat  lant  bevelen,  Rijmb.  18369 ,  18989.  Den  heren  die 
den  campe  (/.  de(n)  camp)  bevolen  was,  het  toezicht 
over  den  tweekamp  was  opgedragen ,  Ruge  v.Bord.  11.  — 
Zoo  ook  Rein.  II,  5906;  JTrake  1,  1232;  Sp.  I», 
2,  20;  22;  enz.  —  Een  bevolen  ambacht, 
de  taak,  het  ambt,  dat  aan  iemand  is  opgedragen, 
toevertrouwd.  \\  Hector  die  coene  ende  sgn  werde 
broeders  dienden  .  . ,  elc  van  bevolenen  ambachte , 
ieder  met  een  eigene  (var.  sunderlinghen)  hem  toe- 
betrouwden  werkkring ,  Troyen  3642  var.  —  Ook  in 
den  zin  van  een  geheim  toevertrouwen.  ||  Daerom  en  sal 
hem  niemen  bevelen  dinghen  die  men  wille  helen , 
Teest.  2674.  Hem  ...  al  hare  heimelicheit  bevelen , 
Rjose  13849.  Enen  sinen  heymeliken  raet  bevelen, 
Doet.  II,  1136.  Niet  en  berecht,  dat  dy  bevolen  is, 
Hed.  Froza  221;  zoo  ook  Hild.  177,  278. —  Enen 
ene  maget  bevelen,  haar  a^n  iemand  uithuwen. 
II  Wien  men  bevelen  soude  de  maget  (Maria),  Sp.\^ , 

35,  49.  Daer  wart  soe  hem  (Jozef)  bevolen  saen, 

36 ,  14.  —  Ironiek  gebruikt  wordt  bevelen,  Lanc.  II, 
10444:  II  Gevalt  dat  hi  afsteect  mi,  bevelickene so 
dat  hi  blijft  gevangen  ochte  doet,  dan  recomman- 
deer ik  hem  u ,  zoodat  hij ,  enz.  (men  zou  verwachten 
so  bevelicken  u,  dat  hi).  —  Vooral  gebruikelijk  in 
de  uitdr.  enen  te  Gode  (Maria,  een  heilige 
enz.)  bevelen,  hem  en  zijne  belangen  aan  Ood  op- 
dragen, en  vervolgens  iemand  vaarwel  zeggen,  hem 
adieu  wenschen,  bij  het  heengaan  den  zegen  over 
iemand  uitspreken.  \\  Dus  ghingen  si  uter  kemenade 
ende  bevaelne  onsen  here ,  Wal.  2645  (vgl.  4393).  Te 
Gode  bevalen  sine  hiemaer  ende  scieden  uten  clooster, 
Grimb.  l ,  1385.  Elc  van  hen  beden  beval  den  anderen 
onsen  here,  Lanc.  II,  41656.  (Hi)  bevalse  te  Gode 
alle,  Idmb.  III,  771.  Gode  willicu  bevelen,  J2»>r.I, 
382  (vgl.  11,6610).  Zoo  ook  Mor.  3329;  Ferg.49A; 
Fad.  Mus.  2,  388,  295.  —  Vandaar  de  uitdr.  Gode 
bevolen,  die  gewoonlijk  in  den  verkorten  vorm 
Godevolen  voorkomt  (z.  ald.).  ||  Der  Walewein 
sprac  totten  garsoen:  Gode  bevolen,  vrient,  so 
vare,  Wal.  9486.  Vgl.  duvelvolen.  —  De 
onb.  wys  als  znw.  gebruikt.  Zegenwensch,  zegen- 


4483 


BEVE. 


BEVE. 


4484 


tpreking^  benedictie.  \\  ü  bevelen  dunct  mi  wesen 
berde  goei ,  Fad,  Mus.  1 ,  376 ,  98.  —  Enen  den 
yrede  (Gods)  bevelen,  iemand  den  vrede  Oodt 
toetoentchen  ^  eig.  hem  er  aan  opdragen.  \\  Heeft 
men  die  werdicbede,  tscaep  beveelt  men  den 
vrede,  Bisp.  350  (hier  ironiek  gebezigd  voor 
laat  men  aan  zijn  lot  over ;  vgl.  Verwgs ,  op  Stroph, 
Oed.^  bl.  167).  —  Ook  wederk.  Hem  bevelen 
in  den  vrede,  zich  zehen  de  zegeningen  van 
den  vrede  Qodt  toetcentchen,  ||  Ie  bevele  mi  in 
den  selven  vrede ,  die  God  onder  sine  jongheren 
dede  (pax  vobitcum) ,  Vad.  Mus.  2 ,  400 ,  61.  Ygl.  het 
geheele  gedicht  Ene  bevelinge,  a^.  398 — 400, 
waarvan  men  den  inhoud  verkort  terugvindt,  iSfiind. 
Av.  19.  —  Men  vindt  ook  iet  (enen)  den  duvel 
bevelen,  iemand  of  iets  (ook  zich)  vervloeken^ 
(opp.  zegenen),  evenals  men  naast  Godevolen  ook 
duvelvolen  vindt.  ||  Hi  bevalse  {de  lantaarn)  den 
duvel ,  diese  makede  (vgl.  onze  uitdr.  de  duivel  hale 
iemand  of  iets),  Parth.  2162.  Alst  hem  mesginc  . . . 
beval  hi  hem  selven  den  viant,  Amand  II,  4736. 

3)  Overlaten^  overleveren.  ||  Der  philosophien 
listen  bevele  ie  den  constighen  artisten,  MLoep  I, 
69.  (Hi)  beval  die  dode  dies  si  waren,  hij  liet 
de  begraving  der  doden  aan  hunne  verwanten  over. 
Wal.  4423.  Dat  ie  ter  vuelheit  gewoene  m\jn 
vleesch  en  bevele  nemmermeere,  Sp,  II',  43,  60. 
Als  eene  vrouwe  doet  metti  dat  hare  dinct  goet, 
80  bestu  dan  hare  al  {t.  al  hare)  bevolen ,  dan  zijt 
gij  aan  haar  overgeleverd^  Heim.  761. 

Aanm.  —  Hier  en  daar  vertoont  het  ww.  bevelen 
(eig.  bevehlen)^  nog  de  oorspronkelijke  e  (é?),  b.v. 
hi  bevelt,  Brab.  T.  VI,  499;  Hild.  261,  16; 
ook  vindt  men  impf.  bevel  voor  beval ,  doch  slechts 
in  het  rijm,  b.  v.  Bijmb.  27022;  Sp.  II*,  36,  80. 

BEVELHEBBER,  znw.  m.  Van  bevel,  het- 
zelfde als  het  mnl.  beveel  (z.  ald.).  Bevelhebber y 
opzichter.  \\  Twie  ordinierde  bevelhebber  oppet 
Nylandt  ende  Oltlandt,  Tri.  Stadtr.  271,  178. 

BEVELINGE,  znw.  vr.  Mnd.  bevelinge;  mhd. 
bevëlhunge.  —  1)  Opdracht,  last,  commissie  (lat.  com- 
mittere=z  mnl.  bevelen).  ||  Hertoge  Jan  ende  syn 
vrienden,  die  hem  seer  geem  geholpen  hadden, 
(sagen)  dattie  tyt  van  der  bevelinge,  die  hy  had, 
vaste  heen  ginc,  Matth.  Anal.  3,  390.  Daer 
benevens  bevelen  wij  u  .  .  .  voor  sooveel  als  de 
bevelinge  van  schepenen  der  voornoemde  plaatse  . . 
aengaet,  V.  d.  Wall  44. 

2)  Concreet.  Lastbrief,  mandaat.  \\  Als  hy  der 
steden  ende  tgherechts  syns  heren  bevelinghe 
ghetoecht  heeft,  Matth.  39.  Weert  dat  zij  van  des 
borgere  wegen  gheen  bevelinge  en  hadden  die  scolt 
te  betalen,  Overijs.  R,  l\  163.  Zoo  ook  O.  R. 
V.  Bordr.  2,  117  (driemaal). 

3)  Bevel,  gebod.  ||  Ie  en  heb  dine  gheboden 
niet  achtergelaten,  noch  ie  en  heb  niet  vergheten 
dgn    bevelinghe,    B.  B.  Beut,  26   13. 

4)  Aanbeveling.  ||  Dat  si  mi  door  die  selve  be- 
velinge {Jezus^  aanbeveling  van  Maria  aan  Johannes) 
willen  bewaren.  Fase.  M.  f.  120r.  —  Ook  in  den 
zin  van  aanbeveling,  opdracht  van  zich  zelven  oj 
een  ander  aan  God  of  een  heilige.  \\  Ene  bevelinge, 
Gedicht  in  Vad.  Mus.  2,  398—400.  Vgl.  bevelen  2). 

BEVELLEN,  zw.  ww.  bedr.  Mhd.  bevellen.—  1) 
Eigenlijk.  Ten  val  brengen,  doen  vallen.  ||  Hoe  ie 
sterve  es  mi  al  een,  weder  mi  doot  werpt  een 
steen,  so  dat  mi  een  berch  altemale  bevelle  neder 
in  eenen  dale,  S^.  I*,  64,  60. 

2)  Hetzelfde  als  v  e  1 1  e  n  (z.  ald.).  Een  einde  maken 
aan ,  stuiten ,  tot  bedaren  brengen,  tegengeuin ;  vooral 
met  een  woord ,  dat  tvnst ,  ondeugd  en  dgl.  begrippen 


uitdrukt,  als  voorw.  ||  Der  liede  tale  bevelleu  {fro 
murmure  popuH  sedando),  Rijmb,  6779.  Oec  dede 
hi  .  .  .  .  daer  te  lande  twist  bevellen  {t.  vellen) 
Heelu  1144.  Onseden  ende  saken  daer  onraste  of 
porren  mochte  .  .,  te  bevellene  ende  af  te  leggene, 
Belg.  Mus.  6,  93.  Aldus  wert  daer  bevelt  die 
strijt,  Lanc.  II ,  37396.  —  Twist  b. ,  O.  K.  v.  Bor^. 
19;  Brab.  T.  VI,  6702;  VII,  16393.  Twist, 
moynisse  ende  onlede  b. ,  Brah.  T.  Dl.  2  bl.  632. 
Rancoer ,  twist  ende  discort  b.,  ald.  bL  473.  Twist 
bevellen  ende  benemen,  O.  R.  v.  Bordr.  1 ,  10,  19. 
Brant  b.,  K.  v.  Brielle  49,  16.  Onrust  off  onlust 
b.,  ald.  26,  13.  Orloge  b.,  JTap.  Jdart.l,  729  var. 
Druc  b. ,  Blisc.  v.  M.  1607.  Parlement  {twist,  ruzie)  b.. 
Wint.  e.  S.  606.  Overmoet  b.,  Troyen  rj.6i.0ver- 
daet  {moedwil)  b.,  L.  o.  H.  1931.  Enes  blame  bevellen, 
iemands  slechten  naam  tegengaan,  verkeerde  meeningen 
die  over  iemand  in  omloop  zijn  bestrijden,  Lsp.  I, 
26,  9.  Om  beters  ghedaen  ende  om  arghers  te 
bevelne,  Qedenkst,  1,  241.  Scaden  te  bevelne, 
Invent.  v.  Brugge  2,  263. 

3)  Ook  met  eene  goede  zaak  als  voorw.  Be- 
lemmeren ,  beletten ,  tegenwerken ,  verhinderen.  \\  Dter 
wijfleec  ere  wert  bevelt,  Vad.  Mus.  1,  377,39 
(vgl.  Lsp.  in,  3,  1216 rar.).  (Hi)  waender  in; bet 
wert  bevelt ;  die  dore  was  toe ,  dus  bleef  hiere 
uut,  Rincl.  686.  Dat  iemen  bat  varen  soude  daa 
wi  .  .  na  m^n  macht  salict  bevellen,  Blise.  v.  M. 
122.  Die  nüt  bevelt  hier  in  dit  leven  name  {reputatie\ 
Brab.  T.  VI ,  107.  Viere  dinghe  die  bevellen  ende 
beroven  salicheit,  Ruusb.  4,  260. 

BEVELLIKE.  Zie  bevallike. 

BEVELT.  Zie  beévelt  (Stoke  II ,  1365). 

BEVEN,  zw.  WW.,  bedr.  en  ons.  Ohd.  pipen; 
mhd.  biben;  onl.  bivón;  ags.  beofian;  onr.  bi/a.Zïe 
verder  de  Wdbb. 

Onz.  —  1)  Beven ,  bibberen ,  in  onze  bet. ;  ook  van 
de  aarde.  ||  Dat  hi  beefde  met  allen  leden.  Vergt 
1014.  Dese  doe  ie  gaen  beven  achter  straten,  al 
warent  jonghe  edelinghen ,  Wint  en  S.  82.  Ende  M 
beseft  (/.  bevet)  ende  hi  dan  toghetinplumen  ofhi 
cout  ghedoghet ,  Nat.  Bl.  Hl ,  1613.  Derde  sal  beven 
in  vele  staden,  L.  v.  J.  c.  196.  Die  erde  bevede,  ^.  III  *, 
13, 26  (zie  ook  ertbeve  en  ertbevinge). —  Deonb. 
wijs.  als  znw.  Vrees,  angst.  \\  Menich  suchten  ende 
beven  hadsi  nacht  ende  dach,  Beatr.  912. —2)  TrüUn^ 
sidderen ,  van  pijn,  angst,  enz.  ||  Die  sagittare  moeste 
beven  van  der  smerte  van  sinen  wonden,  Flandr. 
III,  170.  Ende  als  hijt  {het  vergift)  gheeienheeti, 
al  BÏjn  lijf  van  sere  beeft,  Segh.  9047.  lAjn  herte 
van  groter  scaemde  beeft ,  Esm.  632.  Thert«  . . ,  sal 
omme  die  moyheit  beven  {hiemamaals  nl.),  Wé^ 
Rog.  467.  Waken ,  peinsen ,  zuchten ,  beren ,  swigen 
ende  droeflic  leven,  Pyr.  en  Th.  91.  — 3)FigaurIjjk. 
Ergens  tegen  opzien,  een  afkeer  hebben  van,  \\  So 
dat  hi  jeghen  weldoen  beeft,  Wap.  Rog.  957.  — 
4)  Zich  bewegen.  —  a)  Van  levende  wezens.  |)  Die 
{nagemaakte)  voghelkine  staen  . . .  recht  ende  beven 
in  der  ghelike  of  si  leven,  Wal.  3634. —  b)  Tan  de 
zachte  beweging  van  het  water.  Kabbelen ,  vloeien.  \\ 
Een  bome  claer  daer  onder  {onder  dien  boom)  beeft, 
Pyr.  en  Th.  237. 

Bedr.  —  Boen  beven,  bevreesd  maken ,  vrees  afgn- 
^'agen.  \\  Hoe  komt  het  dat  wi  bliscap  driyen ;  oss 
mochte  meer  de  keuse  beven,  Praet  4855  (de  tot- 
voeging  van  doen  is  onnoodig  —  Die  berende 
doemsdach,  de  verschrikkelijke  oordeelsdei§ -^  de 
dag,  die  doet  vreezen,  vrees  aanjaagt.  ||  Hi  naoet 
leggen  onder  die  nauwe  wrake  ons  Heren  in  den  be- 
venden  doemsdach ,  Clerc  66  (vgl.  Lubben  1 ,  d08 :  v«? 
dynen    bevenden   ordel,    en  het  bnw.  berelic 


4185 


BEVE. 


BEVE. 


I18é 


(in  den  beveliken  unde  gruweliken  dage  des 
ordels). 

Aanm.  —  Onverklaarbaar  scliynt  beven,  OFL 
Lied,  e.  0.159,1:  „O,  m.  (Maria?) ,  wel  zoete  beven 
drie,  sondic  dQns  vergeten:  dat  ware  een  grote 
onstedicheit."  Misschien  is  de  tekst  bedorven. 

BEYENDEN.  Zie  bevinden. 

BEYENELLE,  znw.  vr.  Benaming  eener  plant ; 
mbd.  hibenelUy  bebe»elle;  obd.  b%binella,pibenella\ 
uit  mlat.  pifmtslla ,  pipenella ;  later  met  invoeging 
der  m:  pimpmêlla,  ihaxis  pimpgrnel  gebeeten;  ook 
steenbreker  genoemd,  lat.  Moxifraga,  Ook  de  naam 
bevenelle  werd  verbasterd,  en  wel  tot  bevemel, 
sooals  de  plant  ook  wel  genoemd  wordt;  hd. 
bibêrHêlU',  mbd.  bibemelle,  bevemêlle.  Zie  "WeigAud 
1,  214;  Andresen,  Volktetym.  78.  ||  SaxiAraga 
of  steenbreke  dats  bevenelle  ende  es  heet  enae 
droge  .  . ,  ende  daer  omme  heetse  saxifraga,  omdatse 
den  steen  brect.  Bevenelle  in  wine  gesoden  ende 
gedronken  doet  wel  orine  maken,  Hs.  Tp.  106d. 

BEVENNOTEN  (beveinoten)  Hem  — ,  sw. 
WW.  wederk.  lemandt  vennoot  worden,  eene  ver- 
bintenit  (vennootschap)  met  iemand  aangaan,  een 
contract  tintten,  \\  Als  een  aeeman  hem  bevennoet 
heeft  mit  enen  stierman  te  varen  .  . ,  die  sal  varen 
mitten  stierman ,  daer  hij  hem  eerst  mede  bevennoet 
heeft.  Ende  wairt  dat  hg  hem  mit  enen  anderen 
stierman  bevennede ,  dat  vander  selver  teelt  roerde 
(Priv,  V.  Briellei  dat  van  den  sel ven  teelde  of  reden 
ware>,  dair  hü  hem  voren  off  bevennoet  hadde,  die  ver- 
bnerde  III  «  hollans,  K.  v,  BrielU  105,  17  (vgl. 
Friv,  V.  Brielle  2,  89,  waar  hier  en  daar  eene  af- 
wekende redactie  voorkomt).  So  wye  yemant  an- 
name,  die  mit  enen  anderen  bevennoet  ware,  dat 
waire  op  die  boete  voirs.,  ald, 

BEVER,  enw.  m.  Mhd.  biber\  mnd.  bever \  hd. 
hieber.  Het  bekende  dier,  lat.  cattor.  Rein.  I, 
126;  1856;  II,  4298,  5185,  5192,  7396.  —  Ook 
in  den  zin  van  bevervel,  ||  Wanten  van  bevere. 
Rek.  d,Gr,S,  118.  Zie  ook  beverijn  en  beverscul. 

BEVERDEN,  zw.  ww.  bedr.;  hetzelfde  als  het 
meer  gebmikelgke  bevreden  (z.  ald.).  Vgl. 
mnl.  vrede  en  verde,  treden  en  terden,  scred-e  en 
aeerde;  enz. 

1)  Uitmaken,  beeleehten  (een  tioieé),  en  dus  den 
vrede  keretellen,  ||  Vrient,  sprac  die  coninc,  laet 
^hewerden,  dat  willic  tnsschen  u  beverden.  Terg, 
1021. 

2)  Behoeden,  beechermtn,  ||  Dat  si  (Jfaria)  se 
hoeden  moete  ende  beverden  die  daer  riduren 
wouden  werden,  Lorr.  fr.  I,  638.  Entie  twee 
snllen  den  derden  (nl.  9ta$td)  wjsheit  leeren  ende 
beverden,  i^.  lY",  42,  35.  Want  si dicken Nabals 
herden  van  meneghen  verliese  beverden,  Bijmb, 
9549  var. 

3)  Met  eene  bep.  met  van.  Afbrengen,  af- 
konden.  \\  Gracie  sondse  wel  ter  kneron  vanqnaet 
doene  beverden,  Wap,  Bog.  1849. 

4)  Zorgen  voor,  besturen,  \\  Liet  ie  n  aldus 
g^ewerden,  ie  sonde  mgn  spel  qnalic  beverden, 
rass.  1761.  —  Zie  verder  bij  bevreden. 

BEVERIJN,  bnw.  Mhd.  biberin.  Fan  bevervel 
geméMkt,  kastoren.  \\  Beverine  hoeden,  Invent.  v, 
Mmgge  1,  454. 

BEVERSCUL  ,  znw.  m.  Hetzelfde  als  lat.  easto^ 
renm;  mnd.  en  nl.  bevergeil,  en  mhd.  biberhode.  De 
teelbal  van  den  bever,  welke  tot  geneesmiddel  diende. 
Zie  ciiL.  Misschien  ook  benaming  eener  plant,  nl.  de 
remunculus  ficaria.  Zie  Lubben ,  Suppl.  63  op  b  e  v  e  r- 
eeil.  II  Jeghen  die  jucht  ist  oec  goet,  op  datmer 
oeyerscnl  toe  doet.  Nat,  BI.  X,  510.  Dat  hi  rute 


siet  {d.  L  ziedt)  ende  beverscnlle  met  goeden 
wine,  ende  nuttet  over  medicine,  547. 

BEVERT,  andere  vorm  voor  bedevaert  (Z^ 
die  bevert  gedaen  hebben,  K.  v,  BrielU  110,  13; 
op  béverden  te  gaen,  Leid.  Keurb,  183,  75).  Zie 
bedevaert. 

BEVERWEN,  zw.  ww.  bedr.  Hd.  bef arben, Be- 
schilderen, kleuren,  ||  Een  beverwet  sevl,  Oorl,  v, 
Jlbr.  226.  —  Vooral  gebmikelyk  van  bloed.  Bood 
kleuren.  \\  Syn  heilighe  lichame  was  al  beverwet 
ende  bebloet,  Hs,  80  /.  148c.  Meneghen  glavie  . . 
sach  men  beverwen  met  bloede,  Orimb.  II,  5517. 
Metten  sweerden  baer,  die  die  ridders  beverwden 
met  bloede,  5900.  Sijn  ors  .  .  ^las  al  beverwet 
roet  .  .  met  sgns  selfs  blode,  Lanc.  II,  42597. 
Hi  sach  enen  riddere  sitten  beverwet  met  blode 
roet,  45016. 

BEVESTSN,  zw.  ww.  bedr.  Mhd.  en  mnd. 
bevesten. 

1)  Bevestigen ,  vastmaken ,  versterken,  —  a)  Eigen- 
lijk. II  Dat  hi  slute  ende  be veste  {in  het  tomoot) 
sQn  spere  aen  syns  ghesellen  helm,  Belg.  Mus.  5, 
257,  154.  —  b)  Fignnriyk.  i|  Hine  conste  niet 
bevesten  (doen  stand  houden,  post  doen  vatten) 
sine  minne  in  haren  zinne ,  Sp.  III*,  39 ,  54.  —  c)  Als 
krggsterm.  ||  Dat  men  dat  cloester  noch  den  werf 
tot  Sinte  Odnlfs  niet  bevesten  noch  betymmeren 
en  sal,  Oorl.  v,  Albr,  550.  Noch  borch,  casteel 
nochte  stede  .  . ,  hoe  so  si  waren  bevest ,  <Sp.  I V ' , 
68,  31.  Scone  poorten,  hoghe  torrelen,  bevest, 
bemuert  ende  al  besloten,  OVl.  JAed.  e,  Oed,  239, 
178.  —  Ook  als  wederk.  ww.  Hem  bevesten, 
sich  versterken.  \\  Dese  beveste  hemghereet,  Rij'mb. 
30914.  Dat  legioen,  dat  hem  beveste np  Alathoen, 
30935. 

2)  Bevestigen,  plechtig  verklaren,  verzekeren.    \\ 
Zweert  mi  ende  bevest  mi,  dat  ghi  mi  niet  doot 
slaen  en  sult,  Z>.  B,  Bicht,  15,  12. 

3)  Bevest  sijn  met  ere  dino,  iets  bevatten, 
met  iets  verbonden  gifn;  van  het  zwangere  dier 
gezegd:  een  ei  (jong)  dragen,  drachtig  zijn,  ||  Als 
der  sie  (aan  het  unjfjé)  dan  wert  cont,  dat  soe 
met  eye  es  bevest,  Nttt,  BI.  III,  2408  (vgl.  mnl. 
met  Jünde  bevaen  s^'n). 

Aanm.  —  Dit  ww.  is  op  verschillende  plaatsen 
in  de  jongere  mnl.  geschriften  in  de  plaats  gekomen 
van  het  oorspronkelijke  en  echte  b  e  westen.  Zie 
b.v.  Sp,  III»,  53,  9;  Parth.  874;  Orimb.  I,  2302; 
2313.  Biykbaar  werd  bewesten  niet  meer  verstaan, 
en  door  een  woord  vervangen ,  dat  er  in  beteekenis 
en  vorm  aan  grensde.  En  dat  ook  hom  bewesten 
de  bet.  van  zich  uitrusten ,  zich  versterken  kon  hebben, 
bewgst  Cass,  984.  —  Omgekeerd  moet  op  ééne  plaats 
bewesten  wel  veranderd  worden  in  bevesten, 
nl.  Wrake  1 ,  344.  Zie  by  bewesten  3).  De  bet.  zich 
vestigen  is  daar  althans  minder  gewrongen  dan  de 
opgegevene. 

BEVICHTEN.  Zie  bevechten. 

BEVICKEN,  zw.  ww.  bedr.  Van  vicken 
(f  i  c  k  en) ,  slaan ,  treffen ;  mhd.  ficken,  wry  ven  (Lexer 
3,  334);  Kil.  144:  ficken,  ferire,  leviter  virgis 
percutere ;  ficken ,  fricare ;  fieeken ,  pungere  \fiecken , 
jacere,  jactare;  hd.  ficken  (Grimm,  Wtb,^,l^lT), 
Treffen,  raken,  ||  Dat  si  n  wel  seer  be  vicken  in 
dien  tide,  als  si  te  sticken  sloegen  n  buut  al 
omme  en  tomme,  Segh.  5859  (/i#.)*  ^R^*  Tijdschr, 
3,  217. 

BEVINDEN  (bevenden),  st  ww.  bedr.  Mnd. 
mhd.  bevinden.  —  1)  Finden,  m.  d.  ace.  des  pers.  en 
der  zaak.  ||  TBoden)  die  besochten  dat,  of  menne be- 
vende teenigner  stat,  Amand  1 ,  522.  (Zij)  hebben  nae 

38 


iis-? 


BEVi. 


BEVI. 


4488 


zijn  doot  nae  de  octroyen  gesocht,  maer  en  hebben  die 
niet  beTonden ,  Inform.  75.  Dat  men  niet  en  berynt 
die  partie  .  .  van  den  iaeren  1501  ende  2 ,  maer  zijn 
gestelt  in  de  rekeningne  yan  den  jaeren  1511  ende 
12,  ald.  76.  Dit  en  bevint  men  oick  niet  in  de 
yoors.  rekeninghe,  ald.  Soedat  men  moet  kiesen 
die  nutste  ende  bequaemste,  diemen  beyjnden  (mach?) 
ende  binnen  den  ambocht  |weet  te  crygen ,  O.  R.  v. 
Dordr.  2 ,  250  ^  39.  Zoo  ook  298  en  324 ;  5.  v.  Vtr.  i , 
207  (goeden  belengen  ofte  bevynden);  e.  e. 
.  2)  TJitvindeny  uitdenken.  \\  Hi  en  weet  gheen 
stat  noch  onwaerdicheit ,  die  hi  ghedcnken  of  be- 
vinden can,  Ruasb.  3,  7.  Proef  offic  dit  ontbinde 
entie  redene  bcvinde,  Wap.  Mart.  I,  675.  £n  es 
geen  herte  diet  bevinde,  noch  tonge  so  heilich 
diet  ontbinde,  O.  H.  W.  100. 

3)  Vernemen.  —  a)  Vernemen^  van  een  persoon, 
hooren.  \\  Nu  hoort  voort,  wat  ie  u  (?)  bevonden 
hebbe  van-  desen  helighen  man,  Jmand  I,  715. 
(Ie  wille)  hem  beconden ,  wat  ie  ane  u  heb  bevonden, 
Qrimb.  II ,  5416.  —  b)  Vernemen ,  uit  een  boek ,  op- 
geteekend vinden.  \\  k\AO  iet  beveuden  mach,  Sp,H*^ 
12 ,  141.  Also  iet  claer  bevende ,  II* ,  11 ,  43.  Als  iet 
bevant,  III',  35,  19.  Als  wijt  connen  bevinden, 
Stoke  1 ,  393.  Die  seste  etaet ,  alsic  be wende  (/.  be- 
vende),  duert  toter   werelt  ende.  Wrake  II,  351. 

4)  Ondervinden ,  tmaken ,  gevoelen ;  hd.  empfinden^ 
zoowel  van  uitwendige  als  van  innerlyke  gewaar- 
wordingen. II  Menschen,  die  .  .  in  hem  ghevoelen 
ende  bevenden  een  levende  leven,  Rnusb.  3,  207. 
Ghi  selt  smaken  ende  ghevoelen  menighe  selsene 
wise,  dat  die  ghene  bevenden,  die  selker  minnen 
pleghen ,  ald.  134.  Sgn  moeder  Rijchildt  die  wilde 
Ylaenderen  regieren  nar  haren  wille,  ghelijc  dat 
men  zwaerlike  bevant,  Cron.  v.  F/a^n^^.  1 ,  22.  Dat 
wi  dit  {die  bliscap  tonder  inde)  alle  moeten  be- 
vinden! Ruusb.  4,  121.  Daerom  was  hi  uut  den 
paradise  verdreven  in  dese  elende,  die  wi  alle 
daghe  smaken  ende  bevinden,  5,  66. 

5)  Onderzoeken^  vragen.  \\  Soetlike  hi  an  hare 
bevint  of  soe  sine  gedane  kint.  Franc.  9549.  — 
Ook  in  den  zin  van  opsporen^  navorschen.  \\  Dat 
iet  naerre  wil  ombinden  dan  mi  die  reden  helpt 
bevinden,  Hild.  70,  281.  (Ie  wille)  mit  reden  dat 
bevinden,  waer  om  ghilden  sijn  visiert,  117,  36. 
Dus  sprect  hi,  die  dware  bevant,  die  de  waarheid 
onderzocht  heefty  haar  door  onderzoek  is  te  weten 
gekomen^  Kerk.  Cl.  95. 

6)  Bezoeken.  \\  Doe  Alezander  wilde  bevinden 
die  wonderlike  zee  van  Ynden,  Sp.  I^,  57,  1. 

7)  Als  rechtsterm.  Schuldig  bevinden.  Zie  vinden, 
en  vgl.  het  woord  vonnis.  \\  Van  den  wive  .  . ,  die 
bevonden  was  met  keefsdome ,  L.  v.  J.  c.  164  titel. 
Gheen  .  .  vuylnesse  binnen  zgnen  huyse  te  houden 
op  een  boete  van  XV  se. ,  also  dicke  als  hij  daeraff 
bevonden  worde,  O.  K.  v.  Rolt.  37,  106.  Wie  dat 
niet  en  dede  ende  daer  in  bevonden  worde  van 
scepen  off  raet,  verbeurt  III  i^,  40,  114.  So  wie 
yemants  boomgaert  off  tuininghe  .  .  brake,  daer 
hi  off  bevonden  worde,  die  verbeurt  III  ffi,  49, 
166.  Wie  in  desen  van  den  gezworen  bevonden 
worden ,  die  verbuerden  III  §i ,  Leid.  Keurb.  505. 
Wordt  yement  hier  mede  bevonden,  hi  sal  also 
dicken  als  hyt  doet,  verhuren  III  f§,  ZVl.Bijdr. 
5,  31;  vgl.  32.  Bevonden  zijn  metten sticke.  Wiel. 
Inttr.  159.  Dat  waer  op  III  pont,  alzoe  dicke  als 
hi  daerof  bevonden  worde,  O.  R.  v.  Dordr.  1, 
250,  8. 

BEVINGE,  znw.  vr.  Mhd.  bibunge^mnd.  bevinge. 
Beving ,  siddering.  \\  Anxt  ende  bevinge  quamen  op 
my,  Qetijdeb,  S.  60  c]  e.  e. 


BEYISSCHEN,  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  beviscken. 
Een  water  b.,  over  de  geheele  uitgestrektheid  er 
van  vissehen^  de  vischvangst  er  in  uitoefenen  \  lat. 
expiseare.  \\  Een  meer  .  .,  wel  200  mergen  groot .., 
die  van  mgns  genadichs  heeren  weghen  bevischt 
wert,  Inform.  357.  Soe  en  sal  men  die  slazen  in 
den  Mazedam  niet  bevischen  van  onser  Yrouven 
daghe  ...  tot  sinte  Jansdaghe,  Y.  d.  Wall  311. 
Zoo  ook  Handv.  v.  Mkm.  22a. 

BEYLECHTEN,   st.   ww.  bedr.  Mhd.  bevlekten. 

—  1)  Omvlechten,  omkronkelen^  verstrikken,  jj  Twee 
kinder ,  die  hy  (Laocoon)  hadde  weert ,  bevlochten  sj 
in  haren  steert,  Trogen  9289.  Dat  {het  serpent)  di 
niet  bevlechte,   ïVap.  Mart.  I,  838. 

2)  Bij  wijze  van  vlechtwerk  omgeven.  |j  Tfenster- 
kyn,  dat  met  yseren  banden  dwers  ende  lanxwas 
bevlochten,  Beatr.  102. 

BEYLECKEN,  zw.  ww.  bedr,  en  onz.  Mhd. 
bevlëcken. 

Beur.  —  In  de  tegenw.  beteekenis.  Bevlekken, 
bezoedelen,  vuilmaken.  —  Ook  wederk.  ||  Die  door 
die  werelt  sel  gaen  .  . ,  hi  moet  hem  besmetten 
ende  bevlecken,  Rein.  II,  4128. 

Onz.  —  Eigenlyk  vuil  worden,  bezoedeld  vorien, 
en  by  uitbreiding  in  een  slechten  naam  komen,  » 
discrediet  raken.  \\  Dat  ryck  {onder  Nero)  be^onste 
te  bevlecken ,  Matth.  Jnal.  3 ,  3. 

BEYLECKINGE,  znw.  vr.  Mhd.  bevlèehmge. 
Bezwalking  van  iemands  goeden  naam,  slechte  naam.  || 
Dicwile  gesien  wort,  dat  onsculdege  liede  vin 
enigerhande  bevleckingen  dicwile  anzte  liden  vao 
scanden,  Brab.  T,  Dl.  2  bl.  470. 

BEYLIEGEN,    st.    WW.    bedr.   Mhd.    bevliegen. 

1)  Vliegende  bedekken,  overstuiven.  \\  Dat  sant  hadt 
(nl.  den  weg)  soe  bevloghen  ende  ghedreven  of  het 
waren  grote  zeebaren,  Limb.  X,  88. 

2)  Al  vliegende  zoeken,  om  iets  heen  vlijen.  || 
Yenus  die  was  onbekent,   wat  die  voghelen  daer 
bevloghen,   Vad.  Mus.  1,  309,  38. 

BEYLIËN  (bevlyen),  zw.  ww.  bedr.Yan  vlyen, 
vlijen,  passen,  voegen.  Mnd.  bevlien.  Iets  netjn 
leggen  op  of  onder  iets.  \\  Item  moet  niemant  stroo 
op  sQn  bakken  leggen,  daermen  onder  doorgaat 
met  keersen,  hij  bevlij  het  wel  onder  met  houte 
of  met  horden  off  helmriede,  O.  K.  v,  Enkh.  14,61 

BEYLIETËN,  st.  ww.  bedr.  Mnd.  ^^/^An»;  mhd. 
bevliezen;  hd.  bejlieszen.  Overgieten,  overstroomen. 
Yooral  in  't  pass.  be  vloten  met,  overgoten  met, 
nat  van.  \\  Sin  scone  anschin  dat  minlike  was,  es 
bevloten  metter  onreinre  Juden  speikeltem,  limb. 
Serm.  146  d. 

BEYLOEIEN(bevloyen  ,  bevloeden)  ,  iw.  ww. 
bedr.  en  onz.  Mnd.  bevloien. 

Bedr.  —  1)  Natmaken,  drenken,  bevochtigen.  \\ 
De  diken  .  .  .  alle  inghegaen  .  .  .  ende  tland  der 
omtrent  bevloit,    Invent.  v.  Brugge  3,  504.  Daer 
vier  ryvieren  van  hogen  pryse  erderike  uut  comea 
bevloyen.  Taf.  Lev.  J.  II,  8. 

2)  Overstroomen,  doen  onder loopen.  ||  OveriDits 
welken  die  werelt  doe ,  van  den  water  bevloejt,  ver- 
derf, ZZJr.  75,  /.  121a.  Overmits  ....  die  groot* 
ende  zware  stormen  (sün)  onze  ondersaten  bevlojt 
{t.  bebloyt)  ende  bescadicht . . .  geweest,  Inform  t. 
Alsoet  {het  land)  bevloyt  ismitten  zouten  watere,  151. 

—  Ook  figuurlijk.  ||  Als  Adam  ende  Eva  also  he- 
vloedet  lagen  mit  onsprekelike  tranen ,  nat  «o» 
tranen  waren,  in  hunne  tranen  swommen^  Ht, 
f.  160  r. 

Onz.  —  1)  Nat  worden,  gedrenkt  vorden,  Wïhi 

tfelt  bevloyde  van   den  bloede,  IX  Best.  556.  — 

2)  Yooral   van    water  gebruikt,  in  den  zin  vaa 


4189 


BEVL. 


BEVÖ. 


1190 


Oh  derloopen ,  overstroomd  toorden ,  onder  water  staan. 
II  Dat  die  dycken  dicwijl  braken,  so  dattet  lani 
bevloeyde,  Clerc  84  (Matth.  Anal.  3,  146).  (Si) 
deden  al  Amsterlant  be vloeyen  milten  water,  Mattb. 
Anal,  3,  120.  Van  der  gbeenre  goede,  die  boir 
{wier)  land  milten  walen  bevloit  gbeweest  bevel , 
Mieris  2 ,  281 0.  Alsoe  tgene  dat  uylgedolven  es ,  dick 
bevloyt  ende  onder  water  leyt, /n/onw.  532.  Hetes 
selden  zomer ,  teen  derde  deel  van  den  lande  en  be- 
vloyt, 535.  Omme  dland  ende  meersscben  daer  bi 
ende  ontrent  te  doen  bevloeyene,  Diericx,  ifm.  1, 
379.  Omme  daermede  .  .  .  bevloyt  te  bondene  ende 
gbewatert  de  andwerpe  ende  meersscbe,  396.  Onse 
lande  van  West-Yrieslandt  gescbepen  waere  inne 
te  breecken  ende  te  bevloyen,  Èandv.  v,  Enkh, 
44  a  («.  1492). 

BEVOEQEN  (bevuegen),  zw.  ww.  bedr.  Mhd. 
hevuegen\  hd.  hefugen^  hefügen^  boewei  in  eenigs- 
zins  andere  beteekenis. 

1)  Iemand  leiden^  richten,  brengen.  \\Dieazeghic 
60de  lof  ende  danc ,  naer  dat  natnre  brooscb  ende 
cranc  kiesen  zonde  in  jonger  jnecbt,  datze  Gods 
gracie  beeft  bewnecht  (/.  bevuecbt)  ter  minne ,  die 
mi  can  bope  gheven ,  docb  te  verbeidene  een  zalicb 
leven,  OFl.  Lied.  e.  Ged.  390,  91. 

2)  Iet  — ,  iets  toevoegen ,  aanbrengen.  \\^i  bl^ft 
allein  ...  die  mir  bewuecbt  (/.  bevnechl)  al  mQn 
gbennecbt,  ald.  193,  25. 

Aanm.  —  Op  beide  plaatsen  staat  bewuecbt, 
d.  i.  b  e  wen  ebt,  en  het  is  dus  niet  zeker,  dat 
het  WW.  bevoegen  bedoeld  is.  Maar  welk  dan? 

BEVOELEN  (bevuelkn),  zw.  ww.  bedr.  Mnd. 
bevolen.  —  1)  Gevoelen,  jj  Bemen  in  de  belsche  gloei 
ende  altoes  conde  ende  hitte  bevoelen,  Xuo^. 848. 
Als   si  bevoelde,   dat   si   verlost   ende  vry  was, 
Oest.  R.  179  b.  Hi  bevoelde . . . ,  dat  hem  nakende 
was  die  dool,  Brab.  T.  YI ,  7359.  Ie  sel  n  segghen, 
hoe    ie   mi   van   binnen  bevoele,  Ned.  Proza  141. 
Dat  bi  die  Gods  cracbt . . .  bevoelt  badde ,  Sp.  III '^, 
43,   62.   Wedervecbten ,  dat  ie  ...  in  mi  .  .  be- 
voelde, Hs.  80,  la.  Leet  b.,  Sp.  in\45,  88.  De 
Gods  minne  b.,  II' ,  74, 129.  Sgn  sterven  b.,  Troyen 
10630  var.  Dmc  b.,  Lett.  N.  F:  3,  91.  Minne  b., 
O  VI.  Ued.  e.  Ged.  481,  62.Zie  verder  IVawtr.  5491; 
Stemmen  163.  —  Ook  als  wederk.  gebruikt.  Z^h 
gevoelen,  in  sicA  zelven  gevoelen  dat  men  iets  is.  \\ 
(Hi)  sal  hem  bevoelen  bereyder  tot  gbehoersambeit, 
Ned.  Proza  44.  Zoedat  zglnyden  . . .  hem  bevoelen 
geheel   ende  al  perplex   ende  desolaet,  Enq.  16. 
Sinte   Francisctts  .  .  .  bevoelde  hem  vanden  heer 
een  pelgrim  te  wesen  naden  licbaem,  Hs.  88,/.  44a. 
Pat  ghi  u  bevoelt  van  enige  temptacie  .  .  .  onbe- 
Yochlen   te   sijn ,    Gest.  R.  f.  20  b.   Doe  die  deur- 
luchtige  vorst  hem  (een tcoord meevallen?)  bevoelde, 
doe  docht  hem  wel,  dat  sgn  leven  dair  mede  ge- 
cort  sonde  wesen,  lÜBiih.Jnal.  3 ,  356. — De  onb.  wQs 
als   znw.   gebruikt.   Gevoel,  zoowel  van  uiterlijke 
als  van  innerlgke  (mystieke)  gewaarwordingen,  jj 
Dese   laghen   alle   te   samen   een   langhe  tyt  be- 
swijmt,   so   datter  noch  stemme  noch  bevoelen  in 
hem   en   was,  Gest.  B.  98c.  So  bluft  die  lichame 
g^estrecl  sonder  bevolen  op  die  aerde ,  Zficü^.  2246. 
Alse   oft  hi  sonder  bevoelen  ware,  Sp.  III* ,  88, 
22.  Sien,  horen,  bevoelen,  rieken,  smaken,  OFl. 
Ued.  e.  Ged.  472,  477  {vgl.  bl.  463,  icaar  het  als 
naam  van  het  zintuig  in  den  uitgebreidsten  zin  11 
tnalen    voorkomf).    Gaet    uut    uien    bevoelen    der 
vleyscheliker  mateerliker  dinghen  totten  verlichten 
verstande    des    gemoeds,   Ned.   Proza   79*   (vgl. 
Stemmen  24).  Daer  vinden  wi  dat  selve  bevoelen 
dat    al   onse   inwindecheit  beveel  ende  doregeet, 


Kuusb.  1,  117.  Wi  (moeten)  ons  senleec  utekeren 
met  enen  redeleken  bevoelne  tote  der  heileger 
scrifturen  (rationali  sensu)  ,71;  vgl.  72.  Na  geeste- 
liken '  bevoelen ,  3 ,  34.  Al  sulken  Iroest  ende  be- 
voelen tot  Gode,  92. 

2)  Gewaar  «orden,  bemerken.  \\  Als  hi  hem  be- 
voelt int  strec,  staet  hi  stille,  Nat.  Bl.  III,  647. 
Als  hise  {het  wijfje)  bevoelt  bi  hem  syn,y  1,859. 
Haer  venijn  beeft  macht  so  groet,  want  eermens 
bevoelt,  so  es  men  doet,  683.  Ghelljc  si  selve, 
opdat  si  wouden ,  wel  merken  ende  bevuelen  souden , 
Brab.  T.  VII,  10139.  Dat  wire  luttel  of  bevoelen, 
Hild.  231 ,  134.  Als  hi  bevoelde ,  dat  die  ander 
mensche  dat  approbeerde,  Rnusb.  3,  17.  Als  bi 
bevoelde  de  machte  van  den  coninc  .  .,  trac  hi 
achter,  Fl.  Rijmk.  7798.  Als  si  bevoelden,  dat 
niemen  qnam,  10213.  (Die)  heimelic  badden  be- 
voelt, dat  die  hertoghe  metier  slede  acorderen 
sonde,  10260.  Alsict  bevoele ,  iS^.  I*,  16,  29. Zoo 
ook  Fl.  Rijmk.  6532.  —  Sonder  bevoelen, 
ongemerkt  f  ongevoelig.  \\  Daer  die  gemeynte  onver- 
dachtelic  ende  zonder  bevoelen  zeer  mede  verach- 
tert,  K.  V.  Brielle  160,  39.  —Zoo  ook  Gest.  R.f. 
188^.;  Sacr.  1179. 

3)  Begrijpen,  inzien,  jj  Doe  die  grave  bevoelde 
die  dingen  van  Valkenberge ,  dat  hine  niet  mochte 
behouden,  Fl,  Rijmk.  6426.  Om  dat  wi  bevoelen, 
dat  eenicheit  ende  acort  .  .  .  seer  profitelijc  waer, 
Brab.  7.  VI,  10239.  Wi  begheren  van  di  te  horen 
die  dinghen,  die  du  bevoelste,  uwe  meening,  Hs. 
75  {Hand.  28,  22).  Die  na  den  gbeeste  sQn,  die 
bevoelen  des  gheestes  {bedenken  de  dingen  des 
geestes),  ald, ,  Rom.  8 ,  5.  Zg  bevoelen ,  dat  z^  meer 
dan  die  twee  deelen  vantguet  .  .  verloren  hebben, 
Enq.  16.  —  Wi  moghen  wel  bevoelen  dat  hi  een 
dwaes  ware  die  op  enen  dach  also  vele  gave, 
Sehaaksp.  20  a.  Die  ander  punten  mach  eenyeghe- 
IQck  in  hem  selven  bevoelen ,  20&.  —  De  onb.  wgs 
als  znw.  gebruikt.  Begrip,  verstand,  inzicht, gevoelen, 
meening.  \\  Mids  die  grof  heit  mijnre  sinnen  ende 
cranc  bevoelen,  dat  ie  van  binnen  .  .  .  hebbe, 
Brab.  T.  VI,  129.  Soe  wort  hy  in  alsulker  over- 
schouwinghe  Goods  verhangen,  ende  boven  hem 
selven  ende  boven  menschelic  bevoelen  .  .  opghe- 
toghen,  Hs.  88  /.  44&.  Dat  hi  wonde  sijn  eygen 
bevoelen  achterlaten  ende  voelen  als  die  anderen, 
Ned.  Proza  290.  Alsoe  magie  oec  seggen  na  mijn 
bevoelen,  Ruusb.  1,  106. 

BE VOELENTHEDE ,  -heit,  znw.  yr.  Gevoel.  \\ 
Dit  leert  ons  de  bevolentheyt  wel,  Fase.  M.  f.  2^. 
Uut  bevoelentbeyt  die  reverende  te  verminderen, 
53r.  Als  ons  dat  die  bevoelen theit  leert,  1049. 

BEVOELIJC.  Zie  bevoelluc. 

BEVOELINGE,  znw.  vr.  —  1)  Aandoening,  ge- 
waarwording. II  Die  ongheoerlofde  begheerten  ende 
bevoelinghen  des  vleysch,  Gest.  R.  e.  47. 

2)  Meening.  —  d)  Meening ,  gevoelen,  inzicht,  \\ 
Ist  n  lief,  ie  sal  u  m^n  be  voeling^  daer  van 
seggen,  Gest.  R.  f.  185^.  —  b)  Meening,  dunk 
aangaande  sich  zelven.  \\  Also  ist  van  allen  menschen, 
dye  van  hem  selven  cleyn  bevoelinge  heeft,  ende 
nyewarts  (=  nergens,  niewers)  hem  in  en  verheft, 
ald.  f.  212  «. 

BEVOELLUC  (BEVOELIJC), bnw.  Gevoelig.— a)  In 

Sassieven  zin.  Gevoelig,  merkbaar.  WYinnden  .  .  . 
ie  in  bevoeliker  wisen  mit  hem  streden,  Hs.  88, 
/.  44  ^.  —  b)  In  act.  zin.  Gevoel  hebbende,  gevoelig, 
fijn  ontwikkeld,  fr.  sensible  (een  woord  der  mul. 
mystiek).  ||  Sesse  manieren  van  vruchten  ende  van 
bevoeliken  smake  werden  desen  mensche  ghetoent 
in  werclicheiden ,  Ruusb.  4,  261.   Een  bevoelik^ 


4491 


BEVO. 


BEVR. 


di92 


liefde,  262.  Een  bevoelic  begheren,  2G2.  Ene  be- 
voelike  ongheduerighe  minDe,  ald.  Ëen  puer  mensche 
.  .  .  als  wij  zijn,  ende  lidelic  ende  bevoelic ,  ^^nt. 
S.  161  L 

BEVOELLIKE  (bevoelike),  bijw.  Duidelijk, 
zóó  dat  ieder  het  voelen,  begrijpen  kan,  \\  Men 
machs  niet  scriven  alsoe  bevoelike,  noch  alsoe 
Yolcomelike  alst  God  toent  den  niinnenden  gheesten, 
Ruusb.  4,  260. 

BEVOELLIJCHEDE  (bevoelichede),  -heit 
jcnw.  vr.  Gevoeligheid.  \\  Dat  si  niet  en  mogen  ghe- 
dogen  sterke  corrosiven ,  omme  die  bevoelichede  der 
zenuwen  f  Lanfr.  135 1'. 

BEVOLGEN,  zw.  ww.  bedr.  Hetzelfde  als  ver- 
volgen. Iet  an  (bi)  enen  b.,  goedkeuring  voor  iets 
vragen  van  iemand.  ||  So  en  sal  engheen  onser 
borgher  sculte  werden  in  Swolle ,  hi  en  bevolghet 
ijrsten  bi  den  scepenen  ende  bi  den  rade  van 
Swolle,  Stadtr.  v.  Zwolle  166  {pp  dezelfde  bl.-.  wie 
des  niet  en  yevvolghede,  als  voirscr.  is). 

*  BE  VOLLEN,  verkeerde  lezing  voor  beoellen 
(zie  ald.) ,  Oorkb.  1 ,  1256.  ||  Zoe  wye  tot  vermanen 
des  rechters  om  personen  te  arresteren  off  gaedt, 
off  om  vrede  te  nemen  off  vichtinge  te  bevolleu 
(/.  bevellen,  d.i.  een  einde  maken  aan  eene  vechtpartij) , 
daer  niet  toe  en  trade ,  es  den  rechter  scnldich  X  se. 

BEVOORWAERDEN ,  zw.  ww.  Mnd.  bevorworden. 
Conditionneeren ,  bedingen,  bij  contract  bepalen, 
overeenkomen.  ||  Bij  welke  .  .  .  ordonnancie  . . .  ghe- 
conditionneert  ende  bevoorwaertware,  Fad.Mus.S, 
329.  Ten  weer,  dat  anders  bevoirwairt  ofte  bebrieft 
wair,  Belg.  Mus.  3,  87.  In  hilicksvoirwerden .  .  . 
gededinght  ind  bevoirwart,  Nijh.  4,  13  (vgl.  161 
en  340).  Seven  dagen  {soldij),  die  die  Ingelsce  bevor- 
wairt  hadden  voir  hoir  thuys  trecken ,  Oorl.  v.  Albr. 
140  (vgl.  313).  Gelyc  in  der  zoenen  ondersproken 
ende  bevoirwairt  was ,  Matth.  226.  Nadat  die  vrienden 
van  den  doden  .  .  .  moghende  syn,  so  bevoir- 
wairden  sy  zielmissen  tot  des  doden  behoef,  ald. 
Soe  snllen  zy  .  .  .  gehouden  wesen  te  betalen  tot 
sulcken  dage,  als  op  hunlieden  bevoirwairt  {met 
hen  overeengekomen)  is,  K.  v.  Brielle  149,  11. 
Alsoe  hy  dat  bedinct  ende  bevorwert  hevet,  Gest. 
R.  f.  38  d.  Dese  eer  hij  sjjn  wijf  beslapen  soude 
hebben ,  bevoorwaerde  mit  hoer ,  dat  si  drie  dingen 
soude  moeten  houden,  Dial.  (reat.  61<?.  Zie  verder 
Leid.  Keurb.  543  en  544;  Brab.  Y.  VI,  3226; 
11442;  VII,  9753;  Bel.  v.  L.2m',Stadsr.v.  Zwolle 
129,  130;  O.  B.  v.  Dordr.  2,  102.  —  Nog  bij 
Hooft,  Ifarenar ,  YS.  206 :  (be  voorwaren  de  voor 
bervoorwaerdende;  vgl.  verbasteren  voor  ver- 
basterden; meewarig  voor  meewaardig ;  enz. 

BEVORDEREN  (bevoerderen),  zw.  ww.  bedr. 
Bevoordeelen,  \\  Dattet  alleen  ten  voirdeele  van  een 
ofte  twee  vanden  kinderen  behoirde  te  wesen. 
Welcke  redenen  staen  sullen  tot  discretie  van  scout 
ende  scepenen ,  ofte  die  saecke  oick  sulcx  is ,  datmen 
den  een  behoirt  te  bevoirderen  ende  dandre  nyet, 
A'.  en  O.  V.  Delft  127,  1. 

BEVOREN,  bjjw.  Mnd.  bevoren;  mhd.  bevor, 
bevorne,  bevorn;  hd.  bevor;  eng.  bef  ore.  Voorheen, 
te  voren,  steeds  met  de  bijw.  hier  of  daer  ver- 
bonden. II  In  hem  zei  ven  bleef  hi  so  groot  {de 
boom),  als  hi  was  .  .  .  daer  bevoren,  V Bomen \A. 
Van  den  apostelen  hier  bevoren,  Serv.  I,  694.  Als 
hij  dede  daer  bevoren ,  1845.  Dat  werdighe  ghe- 
beyne  van  den  busscoppen  reyne  die  daer  bevoren 
waren  rechte  leeraren,  2873.  Menghen  dach  daer 
bevoren,  3234.  Hi  hevet  mengher  moeder  kint 
ghetroest  daer  bevoren  ende  sint,  il,  2805. 
BEVORMEN,  zw.  ww.  bedr.  Vormen,  af  beelden.  || 


Dat  eerste  beelde  lietmen  houwen  nae  enen  priester , 
die  mochtmen  scouwen  bevormt  in  priesf«rliker 
ghewade ,  Hild.  208 ,  61  var.  {t.  ghevormt). 

BEVRAGEN,  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  bevragen, 
mhd.  bevragen  (beide  wederk.,  zooals  hd.  be/ragen 
nog).  Naar  iets  vragen,  onderzoek  doen  bij  iemand, 
iemand  naar  iets  vragen.  Met  den  ace.  y.  d.  pers.  of  der 
zaak,  óf  met  den  ace.  der  zaak  en  den  dat.  rau  den 
pers. ,  eene  bep.  met  an  e,  öf  met  den  ace.  y.  d.  pers. 
en  den  gen.  der  zaak ,  uf  met  een  af h.  bgzin.  || 
Doet  besoecken  ende  bevragen,  off  die  Inden  hem 
yet  beclaghen,  Hild.  18,  179.  (Dat  si)  bevragen 
souden  an  onsen  here,  welc  sijn  wille  ware,  Franr. 
6427.  Met  groter  nerensticheden  bevraechdgt  ende 
vant,  7712.  Den  pape  .  .  hi  bevraget  s^n  leven 
ende  hoe  hi  hem  bejaget,  Sp.  II*,  74,  61.  Die 
baliu  es  in  des  conincs  stede,  die  sal  bevraghen 
die  waerheyt,  Oorkb.  1,  247*.  Moyses  die  be- 
vragets  Gode.  God  sprac:  Ie  wil  menne  dode, 
Rijmb.  6747.  Sine  bevraegdens  Gode  niet,  6756. 
Dalila  die  bevraegde  dat  Sam.sone,  maer  hi  looch 
hare,  8170.  Doe  bevraegde  hi  hem  das,  wat  si  so 
drovelike  spraken,  26872.  —  Zoo  ook  18160, 
24098 r«r.;  Hild.  11,  505;  Troyen  SOS;  Sp.V,2A, 
30;  53,  80;  IV»,  20,  58;  22,  35.  —  Ook  in  den 
bepaalden  zin  van  iemand  ondervragen.  ||  Bevraecht 
tsamen  upt  inhouden  van  der  voors.  instructie, 
In  f  Of  m.  214. 

BE VREDEBRIEF,  znw.  ra.  Hetzelfde  als  v  r  e  d  e- 
brief.  Een  schriftelijk  stuk ,  dat  door  den  magistrasi 
wordt  geteekend,  ten  bewijze  dat  tusschen  twee 
partijen  een  voorloopige  vred^  is  tot  stand  gebracht. 
II  Dat  alle  de  ghene,  de  na  dessen  dage  bevrede- 
breven  halen  uut  der  stad,  de  sal  se  den  ghenen 
kondich  doen ,  daer  he  de  bevredinge  up  ghebaelt 
heeft,  fVarfsconstit.  26.  Vgl.  ald.  57. 

BEVREDEN,  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  bevreden;mU. 
bevriden.  Vgl.  BEVERDEN. 

1)  Bevredigen ,  tevreden  stellen ,  tot  rust  brengen.  \\ 
Enghene  dinc  en  mach  bevreden  den  Yrecken  coninc, 
Alex.  1 ,  673.  Die  here  wordt  bevredet ,  so  dat  hi 
dat  quaet  niet  doen  en  soude,  dat  hi  ghesproken 
had  jegen  syn  volc,  D.  B.  Exod.  32,  14.  Dat  » 
hem  alle  daghe  gaven  twee  sciipen ,  om  dat  si  hem 
daer  mede  bevreden  souden ,  Pass.  S.l^.  —  Knen 
doden  bevreden,  eene  zielmis  laten  doen  rotrr 
d£  rust  der  ziel  van  een  gestorvene.  ||  Die  sel 
den  doden  bevreden  moghen ,  dair  hy  te  groeve 
Yaren  wil.  Leid,  Keurb.  164,  45. 

2)  Van  strijdende  partyen.  Ren  tot  vrede  brengen, 
iemand  vrede  verschaffen.  ||  Ie  sal  hem  bevrêdeB 
mitten  ghiften,  D.  B.  Gen.  32,  20.  £lc  man  vte 
buten  mach  synen  maech  van  binnen,  die  poerlrc 
es,  bevreden.  Mieris  2,  93*.  Alle  dieghene,  dk 
medeghevochten  hebben,  zeilen  inlegghen  (i»  Am* 
blijven)  veertien  daghe,  als  voerscr.  is,  also verre 
als  zij  bevreet  werden.  Ende  welc  medevechier  niet 
in  en  laghe,  die  bevreet  waer,  verbuert  drie  poot, 
K.  V.  Rott.  11,  6;  YgL  D.  War.  1 ,  315  «mw/.  W&re 
yement  van  zinen  magen,  daer  dien  Yrede  aen  gbeve^i 
worde ,  daer  souden  alle  zinen  maghen  mede  berreeïit 
wesen,  K.  v.  Dordr.  10,  4  (O.  i2.  r.  Dordr.  l,5k 
4).  Dat  Coster  H.  Jan  P.  Costersz  bevreet  heeft 
ende  .  .  dat  A.  Touwe  Cl.  Touwen  bevreet  beeït 
Ende  ick  segge,  dat  dese  vrede  .  .  ene  alingW 
vreede  .  .  was  over  alle,  Dingt.  v.  Delft  62.  So* 
sal  die  stad  van  Staveren  ons  toebehoren  .  .  tvk 
die  sal  met  ons  bevreedt  wesen,  Oorl.  r.  Al^ 
650.  Des  geliken  sullen  mitten  Oistvriezen  htsrtA 
wesen  die  vander  Scellinge,  551.  Zoo  ook  fV.  r. 
Antw.  53,   92   en  93.   Dat   God  te  lesten  nietes 


1193 


BEVR. 


BEVR. 


1194 


schelde  van  mynre  zielen,  si  en  si  bevreedt,  alsi 
uat  minen  lichaam  sceedt,  Kal.  6, 96.  So  en  salmen 
iiement  hogher  bevreden  {op  het  niet  nakomen  van 
den  vrede  eene  hoogere  boete  stellen)  dan  siin  g^et 
weert  Ih,  Warfsconttit.  26;  vgl.  109:  eenen  vrede 
nemen  tasschen  twen  parten  bij  XX  marck.  — 
üolc  met  eene  bep.  met  op:  iemand  in  een  zoen 
opnemen^  hem  met  een  ander  verzoenen,  op  voor- 
waarde f  dat  de  geleden  schade  aan  geld  of  goed 
worde  hersteld  \  iemand  schadeloosstellen.  Zie  voor- 
beeldenvan bevreden  in  dezen  zin,  bij  bësoenkn3). 

3)  Ten  einde  brengen,  uitmaken,  beslissen  (vgl. 
HEVERDKN  1).  ||  Dat  sl  oec  gerededat  spel  souden 
onder  hem  bevreden,  Velth.  II,  6,  21. 

4)  Beschermen,   bewaren,  beschutten,  de  gewone 
bet.   II    Si    ende    hoer    Inde    sullen    overmits    dit 
verbont  niet  bescermt  noch  bevreedt  sijn,  Nijh.  3, 
33.  Sijn  lant  te  bevreden  ende  te  beschirmen,  II, 
95.  Hi  wilde  bevreden  sijn  lant,  Z<iAr.  III,  18234. 
Soe  moet  u  onse  here  gheleiden  nu  ende  .  .  altoes 
bevreden,  Limb.  II,  1835.  Woude  mi  tgheluc  be- 
vreden, Hild.  92,  18.  Der  vrouwen  ziel  moet  God 
bevreden,   122,  54.  Dijn  gracie  ons  be vrede  ende 
dijn   ontfaermichede ,   OFl.    Lied.  e.  Ged.  200,  20. 
Doe   soe   (Maria)   hare  aflaet  bejaghet  van  haren 
Monden   ende   bevrede  in  der  grotere  scanden,  Sp. 
V,   60,    60.   Wette,   die   waren   tegaen   .  .,  setti 
weder  ende  dede  bevreden,  III»,  19,  52.  Zoo  ook 
11',  16,  62;  40,  156;  III*,  6,  16;  IIP,  10,  60; 
IV»,  48,  18;   Wal.  736,  2207,  3755,3771,4005, 
4798,  6143;  Grimb.  II,  1945;  22«».  JBy/.  294 ,  88 ; 
Serc.  I,  1667,  1675;  II,  1821;  JBra*.  T.  VI ,  342 ; 
Hild.  166,  170;  Lsp.  III,  1,  142.  —  Ook  wederk. 
I^ebruikt.  ||  Steden,   daer  hem   dat  volc  in  soude 
bevreden,  Sp.  I*,   9,  48.  —  Met  eene  bepaling  met 
van,  vore  ofjegen.  Beschermen  tegen ,  vrijwaren 
voor,  verlossen  van.  \\  Omme  hemlieden  te  bewaerne 
eude  te  bevredene  van  A^w  \oVlq  ,  Invent.  v.  Bmgge 
3,    402.  Te   bevredene  de  cooplieden  .  .  jegen  de 
]ikedeelres,462.  Omme  tvolc  te  bevredene  van  den 
peerden,  5,  568.  God  die  rike  moete  jou  van  on- 
^hevalle  bevreden,   Wal.  3644.   Hi  bidt  Gode,  .  . 
(lat  hine  van  quaden  tonghen  bevrede.  Wrake  lil, 
161.  Dat   hine    bevrede  van  alre  sonde,  Sp.  W, 
"27 ,   48.   Scoenheit  ende   cracht  van  leden   die  en 
moghen  nyemant  hier  bevreden  voer  die  doot ,  Hild. 
47,  227.  Alsulken  slach  daer  mi  God  af  moet  be- 
vreden,  Limb.    XI,    306   var.    (Dat   God)   vanden 
viant  ons  bevrede,  Doet.  III,  1956.  So  moeti  mi, 
here ,  heden  jeghen  dit  felle    serpent   bevreden , 
f^al.  497.   Ie  sonde  ons  wel  bevreden  van  desen 

lieden,  Velth.  I,  25,  21.  —  Zoo  nadert  de  be- 
teekenis  aan  bevrijden;  vgl.  ons  vrijthof',  met  hd. 
einfriedigen.  \\  Soe  sal  u  conien  te  gemoete  u  wyf 
bevreed  van  allen  quaden,  Blisc.  v.  M.  1617.  — 
Op  ééne  plaats  schijnt  het  zelfs  de  bet.  van  ver- 
vallen verklaren,  berooven  te  hebben,  nl.  Brab.  Y. 
I>1.  2,  bl.  573:  Ocht  yman  .  .  van  haren  magen . . 
jegen  desen  pais  .  .  yet  dade  .  .,  dat  die  bevreit 
soude  sijn  van  synre  eren,  sinen  live  ende  van 
ttinen  goide  voir  alle  heren ,  alse  een  ondedich  man. 

4)  Iemand  de  naleving  van  iets  verzekeren,  eene 
bepaling  naleven,  ten  uitvoer  leggen.  ||  Dat  alle .... 
ding'e  .  .  .  hem  .  .  .  wel  ghehouden  worden  ende 
van  allen  baeliuwen  van  Zuytholland  daer  in  ghe- 
houden ende  bevreed  worden,  Mieris  2,  244^. 

5)  Afsluiten,  afperken,  omheinen,  afzetten;  vgl. 
hil.  hefriedigen ,  einfriedigen,  welk  begrip  zich  uit  dat 
van  beschuiten  rechtstreeks  ontwikkelt.  ||  Want 
salke  licde  die  beemde  {de  gemeene  veeweide)  in 
hadden    gheslaeghen    ende    bevreedt,    eude    sulke 


lieden  bevreden  wouden  ende  inslaen ,  Brab.  Y. , 
dl.  1 ,  bl.  765.  Dat  si  oit  dandes  side  der  gracht 
hebben  bevreet  gesien,  ald.  Alle  dieghene,  die 
binnen  dien  tune  bevredet  sin ,  Stadsr.  v.  Zwolle  79. 
Dat  eeq  yeghelijc  ghebuer  den  anderen  moet  hulpen 
bevreden  met  enen  tuyne  binnen  den  utersten  vesten 
daer  mens  beghert,  Cor.  v.  Antw.  53,  190.  Omdat 
he  hoer  bevredede  landt'  met  den  schapen  bedreven 
hadde.  Etst.  v.  Br.  151.  Hadde  he  up  einich  be- 
vredet landt  gedreven,  dat  de  buer  verwilkoerth 
hadden ,  dat  mochten  de  buer  affgeschuttet  hebben 
als  lantrecht  is,  152.  Doe  he  'den  kamp  begunde 
to  vreden,  so  mach  Lambert  den  kamp  voert  be- 
vreden, 154.  Gheen  turff  te  graven  binnen  der 
bevreder  weyde  by  drie  pondt,  Handv.  v.  Weesp 
51  a.  Niemandt  grasters  off  riedt  te  mayeu  binnen 
der  bevreeder  weyde,  ald.  Geen  heet  noch  helm 
te  mayen  binnen  der  bevreder  sande,  ald.  Soo  sal 
die  weyde  bevreedt  wesen  alle  jaer  van  Sinte  Geerten 
dach  tot  den  eersten  werckendaghe  na  Meyendach,  51  b. 

6)  Aan  het  algemeen  gebruik  onttrekken ,  aan  den 
dienst  van  God  of  een  heilige  toewijzen,  heiligen, 
wijden.  \\  Die  hem  dede  maken  da  eyne  kerke 
ende  vrijen ,  bevreden  ende  wij  en  den  Gods  onder- 
danen, Serv.  II,  Ö23. 

7)  Besturen ,  administreeren.  \\  Dat  hi  sonde  hoeden 
ende  bevreden  dit  (nl.  het  crijt),  Lorr.  II,  3563. 
Die  es  sjjns  selves  man,  die  sijn  goet  ende  hem 
bevreden  can,  Boec  v.  Sed.  1085  (vgl.  920).  Dat 
een  s\jn  eiggn  goet  bevrede,  1^.  III',  16,  2. 
Niement  en  mach  behouden  wesen ,  en  si  dat  hi . . 
in  groter  oetmodichede  syn  Igf  ende  sijn  ziele  be- 
vrede, Lucid:  1836.  Dat  lant  bevreden,  Stoke  Y, 
1069;  Grimb.  I,  3031.  Sinen  zin  b. ,  Sp.  I»,  64, 
24.  Die  foreeste  b.,  Sp.  III»,  89 ,  61  (vgl.  JBraA.  Y. 
II,  1371).  Den  camp  b.,  Ijanc.  II,  42079.  Dwater 
b.,  Velth.  I,  8,  13. 

8)  Verhoeden,  voorkomen ',yg\.  behoeden  4).  || 
Om  te  bevredene  merre  scande.  Mor.  2015. 

9)  Te  niet  doen,  kwijtschelden.  ||  Dat  hy  {God) 
hem  bevrede  sijnen  doem,  Serv.  I,  1669. 

Aanm. —  Trogen  206:  „Si  en  mochtens  niet  be- 
vreden", is  de  bet.  niet  duideiyk  ;  ook  is  het  woord 
zelf  niet  boven  bedenking  verheven,  blykens  de 
var.  Vgl.  Franck  in  Zeittch.  f.  D.  Alt.  (neue  Folgé) 
13,  35. 

BEVREDER  (bevredere),  znw.  m.  Bestuurder, 
opziener.  \\  Den  hoochsten  bevredere  die  wil  u 
lyden  maken  so  langher  so  sochter,  Mar.  v.  N. 
46,  1080. 

BEVREDINGE ,  znw.  vr.  Van  bevreden  (z.  ald.). 
Geruststelling ,  opbeuring,  opwekking.  ||  Als  my  iet 
grieft  of  noost  roep  ie  terstont  op  haer  om  een 
bevredinge.  Mar.  v.  N.  13,  288. 

2)  Het  van  hooger  hand  tot  vrede  brengen  van  twee 
strijdende  partijen.  ||  Wo  men  de  bevredinge  kundigen 
sal  ende  wo  hoech  men  se  mach  nemen  (d.  i.  welke  boete 
men  op  de  schending  zal  stellen),  Warfsconstit.  26. 
Dat  alle  de  gene ,  de  na  dessen  dage  bevredebreven 
halen  wt  der  stad,  de  sal  se  den  ghenen  kondich 
doen,  daer  he  de  bevredinge  up  ghehaelt  heft, 
ald.  Mysdede  he  eemande  daer  en  boven ,  daer  he  de 
bevredinge  up  ghehaelt  hadde,  dat  waer dubbelde 
buete  ende  dubbelde  broke,  ald.  De  ghene,  daer 
de  bevredinge  tusschen  is  ghenomen,  57. 

BEVRESCEN,  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  bevreschen. 
Uitvorschen,  opsporen.  \\  Nieweren  en  liet  hi  in 
al  sijn  lant,  daer  hijt  bevreeste  ende  vaut,  wulf 
noch  bitende  heeste  doe,  Sp.  IV',  18,  7. 

BEVRESEN,  zw.  ww.  bedr.  en  onz. 

BeüR.  —   Bevreesd  maken,  vrees  aanjagen,  ver" 


il95 


BEVR. 


BEVR. 


H96 


êchrikken^  bang  maken.  \\  Dit  biüpel  macb  .  .  .  den 
riken  crempen  doen  in  vaer,  mer  en  beTreesi  den 
armen  twent,  Bincl.  616.  Dat  die  edele  gheest  van 
scalkernien  wert  berreest,  O  F/.  Lied.  e.  Ged.  393, 199. 
Onz.  —  Vreezen^  bevreesd^  bang  zijn;  in  bet, 
gelgk  aan  het  wederk.  w w.  hem  beyresen,  dat  be- 
Htaan  moet  hebben ,  blijkene  ons  bevreesd^  het  deelw. 
bnw.  daarvan.  ||  Doe  be vreesden  si  van  desen,  dat 
hi  die  Gods  sone  mochte  wesen,  3fa*k.  17.  Dattn 
bevresen  sulste  yet  te  dencken  oft  te  doen,  .  .  . 
dattn  voer  die  menschen  di  scamen  sondest  te 
seggen  oft  te  doen,  Boec  v.  d.  L.  J.  306. 

BEYRIËN  (bevryen),  zw.  ww.  bedr.  Mhd.  be- 
vriend mhd.  bevrien;  ons  bevrijden,  dat  reeds  eene 
enkele  maal  voorkomt ;  hd.  bef  reien ,  doch  gebruikt 
in  andere  opvattingen,  waarop  vooral  bevreden 
invloed  heeft  uitgeoefend.  Vgl.  bevreden. 

1)  Beschutten y  beschermen.  \\D\%  van  den  BoHsche 
moesten  verweren  ende  bevrien  die  palen  des  lants, 
Brab.  T.  VI ,  9332.  Om  donnosele  te  bevrien  ende 
te  besceermene  van  ondade,  Doet.  II,  3494.  Des 
conincx  perc  was  bevrijt  aen  deen  side  met  die 
riviere ,  Exc.  Cron.  288  c.  Die  planten  wil ,  hi  moet 
bevrjden.  Spreuk.  67.  Nu  vinden  wi  ons  alleene, 
die  tierst  van  Qode  waren  bevr|j t ,  Blisc.  v.  M.  390. 
Ghehouden  zyn  ...  om  elcanderen  te  bevrydene 
ende  vrede  te  doene ,  Cmtt.  v.  Brugge  1 ,  222.  — 
Dat  si  {de  boozen)  sullen  bevrien  (steunen,  van 
nut  zijn)  die  salege  met  haren  gewerke  ...  om 
te  nemen  exempel  te  bet,  Ltwtd.  2666.  Dat  si 
{God  en  Maria)  ons  allen  van  sonden  bevrien ,  ^^«» 
de  zonde  in  bescherming  nemen,  Roel.  I,  661. — De 
onb.  wijs  als  znw.  Bescherming.  \\  In  bewaernesse 
ende  in  bevrien  haers  rechts ,  Brab.  T,  YII ,  1430. 

2)  Omheinen,  omgeven,  afzetten.  ||  Oec  waest 
{het  vergier)  besloten  ende  bevrgt  met  starken  ende 
met  hogen  muren,  Bose  {€)  134. 

3)  jQweren.  \\  Behont  ni  tfelt  ende  den  cry . . ., 
bevryet  wert  hem  die  val,   Wap,  Rog,  1681. 

4)  Iemand  vrij  houden,  voor  hem  betalen.  ||  De 
reste  van  den  mergentalen  staen  onder  den  proost 
van  Coninxvelt,  die  deselve  bevrjjt,  Inform.  353. 
Vgl.  Gloss.  ald. 

5)  In  de  uitdr.  Enen  in  een  ambocht  be- 
vrien, iemand  de  vrije  uitoefening  van  zijn  beroep 
toekennen,  hem  autoriseeren  tot  het  uitoefenen  van 
een  bedrijf  \\  Zo  wat  manne,  die  bevryet  wesen 
wille  int  vors.  ambocht ,  die  moet  bringhen  certif- 
ficatie  vander  plaetsen  danen  hi  es,  dat  hi  goet 
cnape  es,  ZFl.  Bijdr.  6,  161  (vgl.  a W. :  de  vryhede 
van  den  vors.  ambochte  willen  hebben).  De  welke 
Willem  al  eest  dat  hi  tambocht  .  .  .  niet  en  can, 
hem  bi  subtilheden  daer  in  hadde  ghedaen  bevryen, 
Cout.  V.  Brugge  1 ,  605.  So  en  sal  gheen  knaep 
malen  in  knaepcappen,  hi  en  sal  ghe ven  zijn  eerste 
weeckhuere  ende  hiermede  sal  hy  bevrijdt  wezen 
int  ghild ,  O.  R.  v.  Dordr.  1 ,  126.  Mids  dat  gheene 
dochter  daer  in  versterven  mach  {in  het  beroep 
opvolgen)  noch  bevryet  worden,  ZFl.  Bijdr.  3, 
276.  Zoo  ook  3,  278;  6,  164  vlg.;  6,  346;  Gesch. 
V.  Jntto.  1,  671;  Cout.  v.  G«*^  610,  613,  618; 
Cout.  V.  Britgge  1,  604,  686.  Vgl.  ongevrgde 
personen ,  V.  d.  Wall  798.  —  Ook  van  de  uitoefening 
der  burgerschapsreehten.  ||  Ende  zullen  den  tyd, 
dat  zy  dair  wonen,  bevrijdt  zyn  als  poortere ,  t»^^ 
poorters  gelijkstaan.  Wiel.  Instr.  72. 

Aanm.  —  jDenkm.  3,  84,  28:  „Hine  hadde  den 
zeghe  niet  bevrijt",  is  de  lezing  onjuist;  vgl. 
Snellaert,  Mnl.  Ged.  640:  „De  zeghe  en  haddene 
niet  ghe  vrijt." 

BEVBIENDEN  (bevrenden,  bevrinden)Hem  — , 


wederk.  zw.  ww.  M  nd.  sik  bevrsmden.  Ziek  vrienie% 
verwerven ,  maken.  \\  Men  can  sich  te  wjdt  niet  be- 
vrenden ,  Spreuken  22.  —  Vandaar  ons  baw.  bevrüii. 
BEVBIESEN,  zw.  ww.  onz.  Xnd.  6nrr«f» ;  nk^. 
bevriesen,  Vattvriexen,  invriezen.  \\  So  herde  stoit 
si  int  ys  bevroren,  iZinV  II,  6292.  Dat  si  bevroos  ia 
den  ise,  dat  dede  dat  si  te  Unghe  sat,  6352.  Zoo 
ook  6286. 

BEVBIJTHEIT,  -hede,  znw.  vr.   VeUigkeid.W 
Sy  dede  ooc  vernieuwen  ende  verhooghen  den  mier 
an  spaters  lochtinc  tot  meerder  bewmiinghe  ende 
bevrgtheit,  Belg.  Mus.  6,  162. 
BEVRINDEN.  Zie  bevrienüen. 
BEVRINESSE,  zuw.  Bevrijding,  vrijmakimg.  \\ 
Van   der    bevrinesse   van   den  strome,  Invent.  r. 
Brugge  3,  106. 

BEVROEDEN  (bevroden  ,  bevroen  (5mt.403)), 
zw.  WW.  bedr.,  wederk.  en  onz.  Mnd.  bevrvden. 

Bedr.  1)  Enen  — ,    iemand   wijs  metken,  vroed 
maken ,  leeren ,  onderrichten ,  inlicAien ,  voorlichten.  \\ 
Die   andere  lieden  wille  bevroeden,   en  ctn  hea 
selven   niet  gehoeden,   Sp.  I*,  53,  19.  (Si)  heret 
haren  man  bevroet  dat  soene  tgelove  dede  Igeo 
ende  brochte  nter  bncgerien,  UI*,  52, 14.NienuB 
en    can    hem   bevroeden,    wanneer    M    hem  voer 
Runen  sal  hoeden,   Fad.  Mus.  2,  155,  153.  Soes 
mi  wel   van   nooden,  dat  mi   uwe  leere  bevroet, 
Wap.   Rog.  264.  Ie  wille  eer  iu  bevroeden  op  een 
punte  wel  hoge,  3ierl.  2067.  Ghi  hebt  mi  .  .  btt 
bevroet    dan    Marcabers,   Parth.    7153.    Zoo  ook 
D.   JFar.  7,  396,  43.  —  Ook  met  Aet  verstand tk 
object.  II  Om    te  doden  tquade  vermoeden,  woide 
hi  sinen  here  den  sin  bevroeden,  MLoep  II,  513. 
—  Ook  met  een  dat.  v.  d.  pers.  en  den  ace  der  zaak, 
öf  een  ace.  en  een  bQzin  6f  den  ace.  v.  d.  pers.  en  da 
gen.  der  'zaak.  ||  Wye  maect   u  deser  saken  wgs 
(d.i.  vroef) ? . .  Mine  costet  gheen  man  dus  bevroeden, 
Hild.  28,  131.  Der  helscher  gloeden,  die  u  encu 
paep  noch  clerc  bevroeden ,  187 ,  37.  Doe  ghincmen 
elcken  tsijn  bevroeden,  208, 112. Hiermede wildise 
bevroeden,   dat   hi   hem  tenen  exemple  gaf  hem 
selven,   Rijmb,  24884.  Soo   hebben    wg   sg   beide 
vervolget   {aangemaand)   ende   alsoo   bevroet  eade 
bericht,    dat  sy   alles  twists   .   .   aen  ons  bleveo 
sijn,   Nijh.   2,  104.  Gheestelic  broot  .  .,  daer  die 
ziele  bi  wort  ghevoet ,  als  (d.  i.  hetgeen)  ons  Cristas 
selve  bevroet,  Lsp.  II,  41,  106.  Als  ie  n  namaels 
wil  bevroeden,  Hild.  189,  27.  Noch  bevroedt  ons 
Tnllius  des,  Doet.  III,  46.  Soe  willics  u te  rechte 
bevroeden ,  II ,  3460.  Zoo  ook  1 ,  186 ;  Boee  (C)3588; 
Rijmb.  17534;  Lncid.  3967;  MLoep  11,  \^m,Teest. 
627;   1081.  —   Hem    laten    bevroeden,  rkA 
laten  leeren,  inlichten,  raden.  \\  Laet  a  hieraf  be- 
vroeden: voer  alle  dinc  seldi  n  hoeden  tedoeae.. 
dat  jeghen  der  Gode  wille  si,  Troyen  5715.  Aldis 
soe  liet  hi  hem  bevroeden,  Hild.  37,  118.  Aldis 
lieticx  mi  bevroeden,  Fl.  Rijmk.  1143.  So  liet  hea 
die  edel  prince  daer  af  bevroeden ,  dat  hi  oec  mede 
minne  daer  toe  creech,  Sp.  d.  M.  1,  129a, 

2)  Mededeelen,  leeren,  met  den  ace.  der  zaak  of  e«a 
bijzin.  II  Ghi  moet  vore  al  die  heren  die  hier 
staen  emmer  dit  bevroeden,  bi  wat  saken  ende 
hoe  enz.,  Belg.  Mus.  10,  60,  92.  Heer  Waleweia, 
nu  willic  bevroeden,  wat  crachten  an  dat  swaert 
leghet  (/.  u  bevroeden?),  IFal.  1274,  Nu  hebdi  mi 
horen  ghewaghen  docsune  van  den  doetslaghea, 
so  iet  best  bevroeden  can,  Teest.  778.  Doe  des  ie 
hier  bevroede.  Nat.  BI.  X,  148.  Ghi  moetasatei 
emmer  te  minnen  die  edel  goede  bi  eenre  sakf, 
die  ie  bevroede  enz.,  MLoep  II,  2174. 

3)  Begrijpen,  inzien,  met  den  ace.  der  zaak.  ||^i 


H97 


BEVR. 


BEVR. 


4198 


hebben  yerloren  Florise  ons  kint,  so  iet  bevroede, 
Flor.  372.  Ghi  moc^het  bevroeden  dese  dinc,  Segh,ViQl 
var.  Op  dat  syt  bat  bevroeden  dan  hi,  Melib,  974. 
lu  soude  die  drie  dinge  geme  bevroeden,  die  de 
minne  meest  behoeden,  üau.  1655.  Ghj  weet  wel, 
wildgt  bevroeden,  dat  ie  mgn  lant  moet  naawe 
hoeden,  Troyen  f.  255c.  Zoo  ook  Hild.  123,  149; 
178,  351;  181,  204;  Wrake  lU,  1568.  Alsic  be- 
vroede, fMOT  ik  meen^  Hild.  86,  147;  Segh.  1191; 
Vr,  Heim.  1439.  —  De  onb.  wQs  als  znw.  Meening ^ 
iitzichf,gevoelen.  ||  Menichhnwellc,  na  miin  bevroeden, 
sonde  men  .  .  breken  achter  lande,  Rote^hh  251, 
va.  201.  Na  mijn  bevroeden,  Vad,  Jfitf.  1,352, 12. 
—  Ook  in  de  nitdr.  Bevroet  sgn.  —  «)  Eigenlijk. 
Ingelicht^  otulerrichtgijn,  \\  Dat  wi . .  des  bevroet  zyn , 
dat  wi  des  segghens  niet  scnldich  zijn  te  volghene, 
Ngh.  1,  179.  Hi  peisde,  dat  al  betekenesse  was 
ende  ware  gherne  bevroet  das,  Lane.  II,  29530. 
Gheme  waric  bevroet  .  .,  hoe  dat  recht  mach 
wesen ,  Wap.  Rog.  158.  —  b)  Bij  uitbreiding.  Zeker 
sijH,  wijs  zijn  f  toefen  ^  kennen]  ook  met  den  2den 
(later  den  4den)  nv.  ||  Bem  ie  een  deel  bevroet  der 
van ,  des  wille  ie  mi  tote  u  keeren ,  JTap.  Rog.  294. 
Jan,  nu  doet  mi  zgn  bevroet,  wat  profijte  dat 
tfleesch  doet  der  zielen ,  703.  Nochtan  wildi  altoes 
vallen  ende  bevroedt  sQn  van  allen  {aangaande  allee) , 
Teest.  2998.  Dat  hy  van  den  hertoge  gheen  lant, 
goet  en  bilde  ofte  leen,  also  verre  als h|jt bevroet 
ware,  Grimb.  I,  1653.  Alse  h|js  niet  en  wart 
bevroet  {loen  hij  het  niet  te  weten  kon  komen  y  het 
niet  bedenken  kon\  van  rouwen  was  hi  na  verweet, 
Farth.  7226. 

Onz.  —  Verstand  hebben,  ||  Selen  wi  hen  bidden, 
dat  si  ons  hoeden,  die  so  vele  niet  en  bevroeden, 
Sp.  Il»,  22,  292.  Die  wel  bevroet  ende  siet.  Nat, 
BI.  IV ,  67.  Dus  proeft  men  dat  vische  bevroeden,  V , 
860.  Elc  mensche,  die  wille  bevroeden,  ^n'm.  1317. 

Wederk.  —  1)  Verstandig y  wijs  sf\fn;  inzicht ^ 
begrip  hebben.  \\  So  moghen  wi  ons  een  anderwerf 
hoeden  ende  te  bat  ons  bevroeden,  Melib.  2065. 
Die  hem  also  wel  bevroeden,  dat  si  .  .  haer  in- 
gheborne  nature  verdriven,  Teest.  3016.  Eer  sy 
hem  selven  dan  bevroeden ,  soe  brengen  si  menighen 
8camelen  man  in  wolrd ,  des  hi  nye  schuld  ghewan, 
Hild.  9,  366.  Dat  hem  elc  bevroeden  soude  {zoo 
verstandig  zijn  om)  te  doen  e  also  hi  ghebiet, 
Praet  4127.  —  Met  eene  bep.  met  ane.  Verstand 
hebben  van^  deskundige  zijn.  \\  Werclieden  ende 
anderen ,  hemlieden  der  an  bevroedende ,  Invent.  v. 
Brugge  4,  210. 

2)  Begrijpen y  vatten.  |)Dats  een  dinc,  dies  ie  mi 
niet  en  bevroede ,  Rttbben  184.  Na  dat  ie  mi  bevroeden 
can ,  so  leget  vele  verlies  daer  an ,  Vierde  Mart.  80. 
Eest  als  ics  mi  bevroede,  {t.  homoeden;  {begrijp 
ik  de  zaak  goed) ,  so  dolen  dese  vroede ,  JVt^.  Mart. 
1 ,  779  par. ;  zoo  ook  Hild.  252 ,  138  var. ;  V.  d.  Houte 
331  var,\  BraÓ.  T,  TI,  121  (nzr.  vermoeden).  Alsoe 
ie  mi  can  bevroeden,  quantum  video ,  V.  d.  Houte 331. 

3)  Weten y  hetzelfde  als  bevroet  s^n.  ||  Dan 
sal  ie  na  u  vraghen  berechten ,  soe  ie  best  bevroede 
mi,  naar  mijn  beste  weten ,  Vrouw.  e.  M.  1^  851. 

4)  Zeker  zijn^  zekerheid  erlangen  ^  zeker  weten.  || 
Dat  ics  mi  bevrode,  oft  hier  enech  ridder  leet 
over  dwater,  Lanc.  II,  44950.  Zo  zouden  hem 
de  .  .  heeren  gherne  bespreken,  beraden  ende 
bevroeden  met  manlic  anderen  omme  gherecht 
vonnesse  te  ghevene,  Belg.  Mus.  7,  93.  Eer  si 
hem  selven  dan  bevroeden  {voor  zij  zekerheid  hebben^ 
wie  hen  bestolen  heefC),  soe  brengen  si  menighen 
scamelen  man  4n  woird ,  des  hi  nye  schuld  ghewan, 
Hüd.  9,  366. 


Aanm.  —  Bevroeden  zal  wq^eene  verkeerde 
lezing  zijn,  Sp.  I*,  56,  38:  „Ter  noot  encondem 
niemen  bevroeden,  maer  inder  weelden  was  hi 
{Alexander)  zot."  Ken  leze  vervroeden,  d.  i.in 
wisheid  overtreffen.  Of  kan  ook  bevroeden  deze 
beteekenis  hebben? 

BEVROEDICHEIT ,  znw.  vr.  Beteekenis.  ||  Wie 
sal  my  segghen  de  rechte  bevroedicheyt  van  mgnen 
droom?  Mar.  v.  N,  47,  1093. 

BEYROEDOM  (bevroeddom)  ,  znw.  o.  Van 
bevroet,  deelw.  bnw.  van  hem  bevroeden, 
wijsy  verstandig.  Vgl.  vroetscap.  Zienswijze^  ge- 
voelen ^  meening y  advies.  \\  Dit  es  tbevroedom  dat 
de  goede  liede  van  Antwerpen  overghesonden  hebben 
den  goeden  lieden  van  Brugghe ,  als  van  enen  tol- 
huse,  Invent.  v.  Brugge  5,  223. 

BEVROET,  znw.  o.  Verstand^  inzicht.  \\  Dits 
deerste  ghebot  na  mgn  bevroet,  Sp.  d.  J.  Sy  165. 

—  Over  het  bnw.  bevroet,  zie  het  vorig  Art. 
BEVROYEN,  dial.  vorm  voor  bevroeden  y  Plagerw. 

UI. 

BE  VROMEN  (?).  |i  Ie  sorghe,  dat  ick  woerde 
ghenomen  van  mynen  neysten  dye  in  derde  stickt, 
ie  ghefaeliert  in  myn  bevromen,  Vad,  Mus.  4, 
196 ,  69. 

BEVROOCHDEN  (bevroechden),  zw.  ww.  onz. 
Hetzelfde  als  het  meer  gewone  vervroochden.  Zie 
ald.  en  vgl.  mnd.  bevrouwen.  Zich  verheugen  y  zich 
verblijden  y  vreugde  betoonen.  ||  Die  woest^n  ende  der 
{daar)  gheen  wech  en  is  sel  bevroechden  ende  die 
enicheit  sel  verbliden-  ende  bloeyen  als  die  lelie. 
Stemmen  150. 

BEVROREN,  zw.  ww.  bedr.  Caus.  van  be- 
vries en.  Doen  bevriezen.  ||  Ghy  siet  wale  wie  der 
wynter  kalt  die  eerde  bevroret  ende  haer  vrocht 
testoret,  Serv.  I,  3028. 

BEVRUCHT,  deelw.  bnw.  van  het  ww.  hem 
bevruchten;  mnd.  sik  bevruchten ;  mhd.  bevürXFen ; 
lid.  sich  befSfchten.  Bevreesd y  bang,  \\  Die  seere  be- 
scaemt  waren  ende  bevrucht,  meshandelt  te  sine 
hadden  si  ducht,  Brab.  T.  VI,  10913. 

BEVULEN,  zw.  ww.  bedr.,  bevulen.  Bevuilen; 
vuily  morsig  maken.  ||  Du  bevuulst  {t.  bewulst)  mi 
al  dwater ,  dat  ie  drinken  sal ,  Bsop,  n,  5.  Het  ware , 
seit  hi ,  grote  scande ,  bevuuldic  {t.  bewuldic)  hier  an 
mine  tande,  indien  ik  mijne  tanden  door  het  ver- 
slinden van  een  ezel  vuil  maakte y  XI,  8. 

♦  BEVULVED,  Leid.  Keurb.  141,  43  titel.  Men 
leze  bewulved  (zie  ald.). 

BE  VUREN,  zw.  ww.  bedr.  Vgl.  hd.  befeuereny 
en  mnd.  bevuringe.  ^»r»r^fi.  ||  Vrauwe  .  .  .,  m^n 
herte,  m\jn  zin  bevure ,  dat  ie  u  mach  doen  visen- 
tatie  met  beden  teser  ure ,  O  VI.  Lied.  e.  Ged.  49 , 5. 

BE  WACHTEN,  zw.  ww.  bedr.  en  wederk.  Mhd. 
bewahten. 

Bedr.  —  1)  Bewaken y  behoeden.  \\  Dat  ie  be- 
wacht  hebbe  .  .  .  den  scat,  dien  hi  mi  hadde  be- 
volen, Jmand  II,  3837.  Dat  hise  {de  ark)  be- 
wachten  soude,  Rijmb.  8669.  (Maria)  wilt  bewaken 
{waken  over)  m^n  leven ,  O  VI.  Lied.  e,  Oed.  453 ,  79. 

—  Met  eene  bep.  met  van.  Behoeden  vooTy  terug- 
houden van,\\Tio\ü  te  be wachtene  van  dnlheden, 
Rijmb.  27269  rar; 

2)  Beschermen  y  beveiligen.  \\  Bewacht  es  zoe  {de 
bloem)  in  eiker  ure  van  hem,  die  heere  es  aer 
natuere,  OVl.  Lied.  e.  Oed.  408,  147.  Sint  dat 
hise  {de  vos  de  hoenders)  smakede  .  .  .  ,  ne  conste 
ons  wachtre  nochte  bont  no  bewachten  no  bescaer- 
men ,  Rein.  1 ,  402.  Soe  {degraeie)  bewacht  {houdt  in 
stand)  elke  stede,  Wap.  Rog.  942.  Die  doeken  wel 
te  bewachten  mit  scutte  ende  ander  weer ,  Clerc  X2%, 


1199 


BEWA. 


BEWA. 


1200 


Wie  eest  die  waent  dat  een  medicns  int  honden  of 
dbewachten  van  den  lieden  heeft  Gods  weteutheit  ? 
Vaderb,  76c.  —  Ook  met  eene  bep.  met  yan  of 
vore.  Beichermen  tegen y  vrijwaren  voor,  \\  Enen  be- 
wachten  van  plagen ,  Vad,  Mut.  5 ,  325.  Van  donre 
ende  van  blixeme.  Nat,  BI.  XII  ,973.  Yansonden 
ende  van  quaden  ghedachte ,  Benkm.  3 ,  101 ,  13. 
Van  der  (helscher)  deemsterhede,  ^mai»^ II,  3844. 
Van  hitten  ende  van  coude,  Wap.  Bog.  444.  Van 
den  viant,  Sp,  lY  ^ ,  fr.  61.  Van  coringen,  Lanc.  III , 
3926.  —  Vor  tsfiants  geslacht,  O  Tl.  Lied,  e.Oed. 
35 ,  181.  Vooralle  scaemte  {schande) ,  Troyen  Vb.  24<:. 

3)  Ret  opzicht  houden  over,  regeer en^  besturen,  \\ 
Tote  Jhenisalem,  dat  hi  doe  sende  Componinse, 
enen  van  Bome,  dat  hijt  bewachte  ende  begome, 
Rijmb.  21906. 

4)  Beloeren y  in  het  oog  houden,  bespieden,  ||  Ende 
bewachtene  ende  belagen  sine  vrient,  die  gerne 
wrake  sagen,  Mor,  2021.  Som  seggense,  dat  mgn 
her  Lodewijc  dat  ierst  bewachte  sekeriyc  ende 
bracht  vort  also  die  sake,  Velth.  VI,  8,  27.  Dor 
hem  meest  waest  bewacht  nanwe  al  omme,  werd 
er  gespied;  toezicht,  wacht  gehouden,  Bijmb,2916S. 

Aanm.  1)  —  I{s.  p.  1348,69fl:  „Bewacht(hi)  al 
mine  ghebode"  is  eene  verkeerde  vertaling  van 
lat.  observare ,  in  acht  nemen,  betrachten. 

Aanm.  2)  —  Eenigszins  vreemd  wordt  het  deelw. 
(of  de  geb.  wjjs?)  bewacht  gebruikt,  Heim,  73: 
„  Here ,  ghef  goet  na  dire  macht  ende  emmer  nader 
(var,  metter)  maten  bewacht."  De  bedoeling  is :  let 
bij  het  geven  altyd  op  de  juiste  maat. 

Wederk.  —  Hem  b  e  wachten,  zich  ergens 
voor  wachten,  in  acht  nemen,  hoeden,  \\  Gode  dienen 
tallen  stonden  ende  ons  bewachten  van  sonden, 
Amand  II ,  4382  Ne  laet  di  niet  te  sceme  driven  . . , 
daer  duns  di  moghes  bewachten ,  Boec  v,  Sed.  499. 

BE  WACHTER,  znw.  m.  Beschermer,  ||  Datghi 
(Maria  en  Sinte  Jan)  alle  weghe  ende  alle  t\jt 
mine  vaste  bewachters  syt,  O  Intern,  55. 

BEWAEC  (bewaic),  znw.  o.  Wacht,  toezicht.  \\ 
Dat   hy   gheen  bewaic  en  hadde  .  .  .  opte  riviere 
noch  opten  stroem  aldair ,  Oesch.  v.  Antw.  3 ,  575. 

BEWAERDERNISSE.  Zie  bewaernisse. 

BEWAERHEIDEN  (bewareiden,  bewaer- 
heüen),  zw.  WW.  bedr.  Rechtsterm.  Enen  h.,het 
overtuigend  bewijs  leveren,  dat  iemand  zich  aan  een 
misdrijf  heeft  schuldig  gemaakt.  Vgl.  by  waer- 
HEIT.  II  Hier  voire  (voor  dit  misdrijf)  salne 
damman  houden,  waer  men  vint  metter  verscher 
doet  oft  also  dicke,  alsen  damman  bewaerheiden 
mach  sonder  daghen  met  tweeu  poirteren.  Ende 
alsen  damman  metter  verscher  doet  niet  en 
bevint,  soe  moet  hijse  (mv.)  tierst  bewairheiden 
voir  de  scepenen  met  tween  poirteren,  Belg.  Mus. 
7 ,  302.  —  Iet  b.  — ,  het  in  rechte  bewijzen ,  waar 
maken,  lat.  probare,  \\  So  wat  man  een  poirter  ont- 
seide  of  dreychde  te  slaen,  ende  men  dat  bewar- 
ryden  mochte,  O,  K,  v.  Delft  I,  10.  Mit  meer 
lel\jcken  onstantliken  woorden,  des  sy  op  hem 
beyden  niet  en  heeft  konnen  bewairheiden,  O,  R, 
V,  Bordr.  1,  335,  149.  Dat  .  .  nyemant  yet  over 
en  segge  dan  hy  selve  staen  ende  bewaryden  will, 
301,  1.  Soe  verde  men  datselve  bewaerheeden  ende 
becondtschappen  conde  dat  sulcx  gheschiet  waer, 
278,  81.  —  Thans  nog  slechts  in  gebruik  in  het 
deelw.  bewaarheid,  d.  i.  door  de  uitkomst ,  de  feiten 
bevestigd. 

BEWAERNEN  (bewarenen),  zw.  ww.  bedr. 
en  wederk.  Freq.  vkel  bewaren ',m\i^,bewarnen, 

Bedr.  —  l)  In  staat  van  tegenweer  brengen, 
versterken,  W^i  vonden  alle  die  castele  tien  stonden 


wel  bewaerrent,  Lanc,  IV,  7635.  Alae  die  tor  wel 
sal  sgn  bewarent,  8149. 

2)  Toerusten  met,  voorzien  van,  \\  Onae  here  hadde 
u  so  wel  beset  ende  bewarent  so  wonderlike  van 
allen  dogeden,  ald.  5070.  (Die  casteel)  es  so  wel 
bewarent  .  .  .  van  ridderscape  (ridders),  dat  hi 
wesen  mochte  wel  versekert  bi  desen,  7048.  Die 
tor  es  ... .  van  spisen  wel  bewarent  in  aUen  wisen , 
8229.  Van  ridderscepe  (ridderdeugden)  sgn  si  (di 
ridders)  so  bewarent,  dat  haer  gelike  nieweren  en 
es  in  al  ertrike,  8796.  Van  ridderscepe,  ende  van 
vromecheden  bestu  so  bewarrent  den  dach  heden, 
dattu  weerder  bist  dan  ieman  el,  Vad,  Mus.  4, 318, 
207.  Met  claeuwen,  home,  met  scerpen  tanden  . . . 
so  en  es  hi  (de  mensch)  bewarent  niet,  Sp,  II*, 
75,  19. 

Wederk.  —  Zich  voorzien.  \\  Eneas  hadde  hem . . 
bewaernt  alse  die  wise  met  eenre  oliven  rise, 
Lsp.  I,  42,  %. 

BEWAERNESSE,  -nisse  (ook  bewaerder- 
NISSE)  ,  znw.  vr.  Mnd.  bewamisse.  —  1)  Bescherming , 
hoede,  \\  Dies  gaen  wi  in  de  bewaernesse  (hetzelfde 
als  geleide)  van  Gode,  Amamd  I,  2196.  In  onsc 
bescermenisse  ende  bewaemissen  .  .  nemen,  Ngh. 
3,  202. 

2)  Bescherming,  beschutting,  ||  Ter  hoeden  ende 
bewaernessen  ende  ter  bescermenessen  ende  oorbore 
van  den  ghemeinen  goede,  BreJi,  T.  VII,  6465. 
Twelcke  al  was  ter  bewaernesse  van  den  coopman, 
Cout.  V.  Brugge  2,  86  Aant. 

3)  Bescherming,  behoud,  instandhouding.  ||  In 
bewaernesse  ende  in  bevrien  haers  rechts ,  Brmb.  Y. 
VII ,  1430.  Inder  bewaemissen  haerder  heerlicheit, 
heerlijke  rechten,  ald.  dl.  2,  bl.  483,  Tot  onder- 
houdenisse  ende  bewaernisse  van  onsen  rechte, 
Inform,  2.  In  bewairderaissen  der  selver  heerlicheyt, 
Oesch.  V.  Antw,  3,  578. 

4)  Verdediging,  \\  Daerinne  wel  behoirde  voiniien 
te  wesen  .  .  tot  bewaernisse  van  derselver  stede, 
ald,  431.  Dat  men  tot  der  bewaemissen  (mot  dit 
bolwerk)  wel  hondert  manne  moeste  ghissen ,  Brah. 
Y,  VII,  8768. 

5)  Onderhoud.  \\  Van  der  schuit,  diehemlnydea 
an  tlant  gebrac  van  de  bewaernisse  van  der  Znjder- 
zee,  Inform,  103. 

6)  Bewaking,  wacht.  ||  Dach  ende  nacht  saldi 
bliven  in  die  tabernakel ,  wachtende  des  heren  be- 
waernisse, dat  ghi  niet  en  sterft,  D.  B.  Levil.  8, 
35.  Betaelt  den  serganten  ende  scotters  die  ter  zee 
laghen  jeghen  de  Zeelanders  omme  de  bewaemes^se 
van  den  Zwene,  Invent.  v.  Brugge  3,  459. 

7)  Bewaring.  \\  Ende  behoort  de  somellier  af  (>r 
van,  nl.  vanden  hoed)  te  nemen  de  bewaernisse,  Matth. 
Anal,  1,  277.  Op  dat  men  die  (brieven)  vinden 
can  ouder  ons  of  in  onze  bewaernesse ,  Invent.  r. 
Brugge  5,  130. 

BEWAERRE  (beware,  ook  bewaerder),  znw. 
m.  Mnd.  bewarer, 

1)  Regent,  bestuurder.  ||  Die  Grave  van  Gel  re 
bleef  mit  crachte  des  kynts  bewaerre  ende  des 
lants,  Matth.  u^im/.  3, 171.  Der  kerken  van  Utrecht, 
dair  die  edel  bisscop  een  bewaire  of  was,  313w 
Hi  dode  ende  verjaechde  uten  lande  ende  atea 
steden  die  bewaerders,  die  coninc  Karel  daer 
ghelaten  hadde,  £xc.  Cron.  736. 

2)  Bewaarder,  opzichter.  \\  Bewares  der  blonm* 
kine  ....  hebzi  omtrent  de  stede  gheset,  or/. 
Lied,  e,  O.  484,  169.  Den  bewaerre  van  dei 
lynwade ,  Matth.  Anal,  1 ,  265.  Als  dit  vernam  die 
bewaerre  des  tuyns ,  .  .  soe  smeet  hi  den  beer  sga 
lufter  oer  of,  Gest.  R,f.  105*.  Ben  ie  een  bewaerre 


1201 


BEWA. 


BEWA. 


1202 


van  minen  broeder?  S.  v.  1357,  Bc.  O  oefeuaer 
ende  bewaere  der  doechden ,  Sp.  d.  M,  1  ^  69^.  Die 
soon  was  Aras  des  bewarers  der  clederen ,  D,  B.  II 
CAron.  34 ,  22  (jUii  Hasra  cuêlodU  vsttium).  Daerom 
salmense  tot  bewaerres  der  meechden  Christi  sueken 
die  van  reynen  leven  s^jn,  ^.  d,  M.  1,  107a. 
(Jezus)  plach  Joseph,  sinen  beware,  te  helpen 
in  tymmeren  ende  in  arbeiden,  Brn^.  2,  315. — 
Samenst. — Kellenaerbewaerre,  teldenoacAter. 
II  Soe  beval  by  den  kellenaer  bewaerrer  (/.  bewaerre 
of  bowaerder),  dat  hij   dye  olye  om  Goods  willen 

f  even  sonde ,  mer  die  kellenaer  bewaerre  versmaede 
at  te  doen.  Pass,  W,  249a.  —  Ambachts- 
bewaerre  (e.  ald.);  e.  a. 

BEWAEBT.  Zie  bewaren. 

BE  WAGEN,  st.  ww.  bedr.  (bewoecA,  bewaken). 
Gewaden,  gewag  maten;  vgl.  mnd.  bewacA ^  d.  i.  hd, 
erwagung,  \\  Wat  sy  daer  off  veel  bewaghen,  die 
vrouwen  en  hebben  niet  te  daghen ,  MLoep  1 ,  2695. 

BEWAIEN  (beweien),  bw  ww.  bedr.  Mhd.  be- 
wajen.  Met  den  wind  als  ondw.  Aamoaaien ,  waaien 
tegen ,  waaiende  bereiken,  \\  War  es  die  mensce  die 
spreken  dorre  datten  nortwint  noit  en  beweide, 
Limb,  Serm.  34^.  Daer  hi  {de  wind  uit  de  blaat- 
balgen)  bewaeit  die  voghelkine ,  daer  staen  si  recht 
ende  beven  in  der  ghelike  of  si  leven ,  Wal,  3534. 

BEWAKEN,  Ew.  ww.  bedr.  Mhd.  bewacAen, 
Bewaken.  Vandaar  het  euw.  bewaec  (e.  ald.). 

BEWANDELT  (bewandert),  eig.  deelw.  van 
bewandelen;  hd.  bewandert, 

1)  Van  wandelen ,  in  den  zin  van  reizen.  Die  veel 
gereisd  Aeeft,  bereisd,  ||  Heer  Jan  de  Hertoghe  een 
ridder  van  love  (t.  Love)  ende  wel  bewandelt, 
Brab,  Y,  YII,  15423.  Aldair  soe  hoerdic  gheven 
prys  mannen,  die  wel  bewandert  waren;  dat 
vrouwen  afler  landen  varen,  dat  en  wistic  nye 
veel  prisen,  Hild.  21,  48.  —  Ook  in  de  fiff.  op- 
vatting van  ervaren  (dat  ook  eig.  bereisd  beteekent), 
slim^  gewikst,  geroutineerd.  ||  Dese  ridder  .  .  ghinc 
tot  enen  subtilen,  besochten,  bewandelt  clerck, 
Gest,  R,  f,  50c  (hd.  ein  bewanderter  man;  Ygl.gewandl), 

2)  Van  wandelen,  in  den  Ein  van  omgaan  (zie 
ald.).  Die  veel  met  iemand  omgaat ,  zicA  opAoudt  met 
iemand,  \\  Den  knecht,  bewandelt  met  ghebuereu,  ne 
wil  in  gheenre  manieren  hueren ,  Denkm.  3,8, 183. 

BE  WANDEREN,  zw.  ww.  bedr.  —  1)  Hetzelfde 
als  belopen  (z.  a).  Door  syn  wanderen  beAalen, 
beloopen,  ophopen,  \\  Die  belopen  ende  be  wand  eren 
scaemt  ende  schande ,  die  langhe  duyrt ,  Hild.  21, 68. 

2)  Bewandelen,  wandelen  over  iets,  bewonen,  \\  Gi 
selt  die  aerde  bewanderen  ende  vervollen,  B,  v, 
1357,  6a.  Bewandert  dat  lant  in  siin  lencte  ende 
sine  breete,  9d. 

BEWANDERT.  Zie  bewandelt  en  bewanderen. 

BE  WANEN,  EW.  ww.  bedr.  en  wederk.  Mhd. 
bewonen;  mnd.  bewanen  (beide  in  de  bet.  van 
verdenken), 

Bedr.  —  1)  Wanen,  ge  looven^meenen,  ver  moeden, 
er  voor  Aouden,  \\  Ne  bewaent  üiet,  edel  coninc, 
al  bem  ie  een  aerminc ,  hoe  mochtic  sulke  mort  be- 
tamen ,  Rein,  1 ,  2209.  Tarqninius  bewaende  dat ,  dat 
Thymothens  hadde  scat,  Sp,  IP ,  21,  31.  Al  dat 
wi  goet  bewanen,  II*,  74,  122.  Die  viant  ne  wiste 
over  waer  niet,  dat  Jhesus  Gods  Sone  was,  maer 
dat  hi  bewaende  das,  om  die  mieracle ,  die  hi  dede, 
Rijmb,  22914.  Daer  cam  een,  als  men  bewaent, 
dies  van  Gode  was  vermaent.  Franc,  4999.  Sonder 
dat  si  bewanen  . . . ,  dat  men  hen  soude  ghetrouwe 
bliven,  Vad,  Mm.  1,  345,  35.  Dit  sal  de  here 
ende  de  stat  moghen  doen  besouken  op  deghene ,  daer 
mens  op  bewaent  dat  sy t  doen ,  Cor,  v,  Aniw.  50 ,  185. 


2)  Vermoeden,  verwacAten,  \\  Hi  sal  noch  honen 
binder  maent  sulken  dies  niet  ne  bewaent.  Rein,  1, 175. 
Si  sinden  boden  ende  vermaenden,  daer  si  hulpe 
ende  troest  bewaenden,  Lanc,  III,  17398.  Van 
daer  hijs  niet  en  hadde  bewaent,  wart  hi  te  Con- 
stantinoble  gesleghen,  Sp.  \W ,  33,  4.  Diemen 
tonser  hulpen  bewaende,  die  bleef  al  rechte  jegen 
ons  staende,  IV ,  25,  73.  Ist  dat  ons  God  die 
seghe  gan ,  des  ie  hope  ende  vermaen ,  Troyen  Hs, 
f.  279  a  (vgl.  /^.  II» ,  36,  42).  Bewanic  nie  wighes, 
so  help  mi  God,  verwacAt  ik  ooit  een  strijd,  T ar  IA, 
1489. 

Wederk.  —  Hem  bewanen.  —  1)  Meenen, 
gelooven,  wanen.  \\  Noch  tan  bewanic  mi  al  das,  dat 
Philip  syn  vader  was ,  Alex,\,  329.  Keye  bewaende 
hem  te  haut  das,  dat  die  ghene  Lanceloet  was, 
iMnc,  II,  30010.  Hi  mach  hem  wel  bewanen  {Aet 
er  wel  voor  Aouden ,  er  zeker  van  zijn)  das ,  dat  hi  die 
wort  becopen  sal,  26619.  In  hads  mi  nemmermeer 
bewaent  {nooit  gedoe  At),  dat  si  van  mi  soude  sijn 
gevlouwen,  Ferg.  2004.  Zoo  ook  Franc,  221,  294, 
8293. 

2)  VerwacAten.  Met  den  ace.  v.  d.  pers.  en  den 
gen.  der  saak  (of  van),  of  den  dat.  pers.  en  den 
ace.  der  zaak.  ||  Hi  bewaendem  der  doot,  iS/;.  III*, 
11,  36.  Alsi  bewaende  hem  van  {verwacAtten 
te  zullen  vinden)  spisen,  RiJmb.  32418.  (Si)  be- 
waende hare  grooter  mieden,  Sp.  IV ,  56,  20.  Dat 
ie  van  orlogen  ende  van  striden  mi  bewane  in 
corten  tide.  Rosé  fr,  248,  41.  Als  die  hem  lof 
ende  prijs  bewanen ,  Brab,  T,  VII ,  2066.  —  Vooral 
met  eene  ontkenning.  Niet  verwacAten,  geene  ge- 
dacAten  Aebben  op ,  geen  vermoeden  Aebben  van  iets ; 
hd.  keine  ahnung  Aaben  von,  \\  Seghelyn  was,  die 
hem  bewaent  van  desen  dinghen  none  wiste ,  SegA, 
10178.  Alse  die  hem  niet  bewaende  das,datenech 
riddere  daer  binnen  was,  Lane.  II,  23508.  Die 
tAken  lach  .  .  .  ende  hem  luttel  bewaende  van 
striden,  Brab,  Y,  II,  5636.  Die  Numidiene  .  .  . 
bewaenden  hem  niet  van  vianden ,  Sp,  I  * ,  36 ,  47. 
Want  hi  hem  berde  lettel  bewaende  der  groter 
eren  enter  vramen,  daer  si  sident  toe  quamen, 
Aoil-fr.  1^1,  —  Ook  in  den  zin  van  Geen  Aoop 
Aebben  op.  ||  Hine  bewaendem  ghere  ghenaden ,  want 
hi  hem  dede  so  vele  scaden,  Rijmb.  29165. 

BEWANINGE,  znw.  vr.  Meening.  Als'  var., 
L.  V.  J.  c.  24  vermeld,  Nalez.  L,  v,  Jezus,  bl.  13. 

BEWANC.  Zie  bewant. 

BEWANT,  znw.  o.  Mhd.  bewant, 

1)  Bestuur,  gebied,  macAt;  synon.  van  beAout  (z.  a.) ; 
vgl.  bewenden,  bedr.  2).  ||  (Bessus)  hadde  in  sijn 
bewant  vele  meer  volx  dan  Alezander,  Alex.Yll ,  346. 
Dus  voer  deen  in  Beyeemlant  ende  bleef  daer  in 
s^n  bewant,  waar  Aij  macAt  over  zicA  zelven  Aad, 
veilig  was,  Velth.  VI,  2,  49.  Die  viant  hi  haddene 
in  sijn  bewant,  Rijmb.  9273.  Dat  hi  nemmermere 
om  bewane  (/.  bewant)  noch  om  ghene  dinghe 
kerstendom  iet  ontfinghe,  Brab.  Y.  II,  1038. 

2)  Toestand ,  gesteldneid.  Vgl.  bewenden, 
wederk.  2),  en  hd.  bewandtnis.\\Y>Q%e  twee  syn  in 
een  bewant  {in  een  toestand  zóó  d-af,  in  zulk  een 
toestand  dat),  dat  costen  moet  seens  leven,  Wap, 
Mart.  II,  80. 

3)  Het  laten  blijven  in  denzelfden  toestand,  uitstel; 
vgl.  hd.  bewenden  lassen.  ||  Van  sulcken  verstorven 
lenen  soellen  die  gheeue,  den  dat  beruert,  hoir 
bewant  hebn  tontfangen,  Nijh.  4,  392.  Dat  sy  drie 
weeken  be  wants  haven  moegen  na  der  zy  t  {tijt) ,  dat 
de  brieve  danaff  an  de  heren  komen  syn,  146. 

BEWANT,  deelw.  bnv  van  bewenden.  Mud. 
bewant. 


1203 


BEWA. 


BEWA. 


1204 


1)  Oesteld.  Zie  bewenden,  wederk.  2). 

2)  Verwant  \  mhd.  mnd.  bewant.  \\  Om  dat  .  .  . 
syne  kinder  ons  van  bloets  wegen  bewant  sijn . . , 
Nijh.  4,  443.  Twelck  wy  .  .  .  na  bewantenisse  as 
die  Helve  kindere  onts  van  bloetz  wegen  bewant 
syn  .  .  .,  nyet  wael  affwesen   en  mogen,  6,  115. 

3)  Als  snw.  gebruikt.  Onderhoorige  ^  die  onder 
eene  pluats  ressorteert]  hd.  angehörig.  Zoo  ook  in 
H  mnd.  ||  Nyemant  van  onsen  borgeren  ende  be- 
wauten  der  stadt  ofte  stadts  heerlickheyden , 
JFW.  Stadsr.  260. 

BEWANTNISSE  (bewantenisse),  znw.  vr.  Hd. 
bewandtnis  (hoewel  in  anderen  zin).  Vertoantschap ^ 
vriendschappelijke  gezindheid,  \\  Uyt  sunderlinger 
grontlicker  lieffden,  bewantnisse  iud  toeneiginge. 
—  Een  tweede  voorbeeld,  zie  BEWANT,  2de  Art.  2). 

BEWAPENEN,  zw.  ww.  bedr.  Hetzelfde  als  het 
meer  gewone  venoapenen  (z.  ald.;  of  moet  men 
verwapenen  lezen?).  Ten  nadeele  der  schut deisehers 
overdragen  (veelal  wordt  deze  uitdrukking  gebruikt 
van  eene  overdracht ,  die  geacht  wordt  gefingeerd 
te  zijn).  II  Dat  dit  nyet  gescieden  en  sel  moegen 
om  vemant  ziin  goet  mede  te  bewapenen  voir 
sculden ,  loften  off  plechten ,  die  de  ouders  gemaict 
.  .  hadden,  R,  v.  Utr.  2,  301. 

BEWARDEN.  Zie  bewerden. 

BEWAREN,  zw.  ww.  bedr.  en  wederk.  (impf. 
ook  bewerde^  en  deelw.  bewerd,  waardoor  de  ver- 
warring met  beweren  (z.  ald.)  wordt  in  de  hand 
gewetkt).  Ohd.  bitoaron;  of ri.  biioaria;  mhd.  bewarn; 
mnd.  bewaren;  hd.  bewahren;  eng.  beware, 

Bedr.  —  1)  Toezicht  houden,  nauwlettend  acht 
geven  op^  nagaan,  inspecteeren.  ||  Al  sijn  die  jonghen 
te  stride  guet  .  .  .,  tmoet  mit  wgsheit  sijn  be- 
waert,  Hila.  69,  187.  Den  genen ,  diet  vander  stede 
wegen  bevoelen  is  te  bewaeren,  K,  en  O.  v.  Delft 
104 ,  22.  Wair  dat  die  rechter  of  yement  van  den 
gherechte  ghinghe  omme  die  poorte  te  bewaren, 
O,  K.  V.  Rott,  41,  121.  Twie  man  die  elx  in  hoir 
bnyrte  bewaren  sullen  alle  ghebrec  van  straten, 
platen,  ledderen,  brandhaken  enz..  Leid,  Keurb, 
7,  25.  Item  sal  tgerecht  alle  jair  vier  gesworen 
setten,  dese  voirscr.  bruecken  te  bewaren,  242, 
§  6.  Dat  hi  wilde  henen  varen  sijn  bisscopdoem 
sien  ende  bewaren  {in  oogenschouw  nemen),  Sp,  III* , 
36,  55. 

2)  Het  oog  houden  op,  administreeren ,  bestieren,  || 
Om  die  (goederen)  op  te  .scriven  ende  te  doen  bewaren 
ende  regieren  na  hore  bester  wetenscip ,  Leid.  Keurb, 
167,  50.  Voirt  en  moet  geen  molenair  meer  wint- 
molens  houden  dan  een  ende  die  sel  hij  selve  be- 
waren, O,  K.  V.  Delft  II,  69.  Jason  trike  alleen 
be waert,  MLoep  lY,  529.  Dat  niemande  deser  steede 
goeden  huyeren  ofte  bewaeren  en  sal  moegen,  ten 
zy  dat  hij  eerst  poirtere  .  .  .  wesen  sal,  K.  en  O, 
V,  Delft  213,  6  Aant. 

3)  Het  bevel  voeren  over.  \\  Myn  heer  Arnout 
heeft  bewaert  .  .  .  den  standaert,  Gritnb,  I,  4146 
(vgl.  4155).  (Si)  lieten  hare  scaren  die  elc  van  hen 
bewerde,  Lanc.  II,  34548. 

4)  Letten  op,  passen  op,  \\  Gi  cont  scone  ende 
wel  bewaren  u  tale ,  uwe  woorden  met  oordeel  kiezen, 
wikken  en  wegen,  Cass.  1796. 

5)  Het  oog  over  iemand  of  iets  laten  gaan  ter 
wering  van  gevaar ,  besehermen,  behoeden,  beveiligen.  \\ 
Tgraf  bewaren,  Hild.  56,  11.  Quick  {vee)  be- 
waren ,  MLoep  1 ,  1945.  Hi  sal  u  dienen  . . .  ende 
u  lyff  ende  ere  bewaren,  II,  3742.  Bewaer  mijn 
heer  den  coninc.  Rein.  II,  4306.  Vele  edele  .  .  , 
die  te  diere  tijt  laghen  te  Rotterdamme  .  .  om  die 
stot   te   bewarene,  Brab.  Y,  VII,  7807.  Want  hi 


{de  raet)  bewaren  sal  sinen  here  ane  lyf,  anegoet 
ende  ane  ere,  Lsp,  III,  13,  45.  Item  .  .  .  sal  men 
hebben  makelaers  van  wgn  opt  lant  ende  int  water; 
die  zullen  voer  scepenen  daer  toe  zweren,  den 
coepman  te  bewaren,  O,  K,  v,  Dcrdr,  36, 112.  Dan 
so  zeit  die  taelman:  of  ie  N.  .  .  niet  en  bewaerde , 
verdedigde,  als  hem  nut  ende  orbaer  waer,  O,  R, 
V,  Dordr,  1,  361.  Te  bewarene  trechte  van  den 
stapele ,  Invent.  v.  Brugge  3 ,  539.  —  Ook  met  eene 
bep.  met  van  of  vore.  Besehermen  t^en.  \\  Onsen 
lantshere  .  .  bewaren  van  alle  dien,  daer  hem  of 
mochte  misschien,  Lsp.  III,  19,  32.  (Hi)  dede  .  . 
allomme  syne  lieden  bewaren  voirt  van  al  dien, 
daer  hem  af  mochte  messchien  ende  liet^e  wesen 
op  haer  hoede,  Qrimb,  I,  2323.  Op  dat  sijn  lyf 
voor  allen  vresen  te  bet  altoos  bewaert  soad  wesen. 
Rein,  II,  5437.  — Het  deelw.  bewaert,  in  de  bet 

—  a)  Beschermd,  beveiligd,  verzekerd,  bestand,  \\ 
Vor  min  speryser  ende  min  swaerd  sone  es  gene 
dinc  beward,  Lanc.  III,  24504.  Off  die  vader 
onwetelick  storve  ende  hy  syn  kynderen  ghien 
monden  gheset  en  hadde,  off  dat  sye  an  hoeren 
rechten  monde  van  sibbes  weghe  nyet  bewaert 
waeren ,  indien  zij  in  den  persoon  van  hun  wettigen 
voogd  geen  voldoende  zekerheid,  waarborg  hadden 
(vgl.  onder  13),  Schwartz.  1,  663,  111.  Dat  dye 
kynder  ende  hoer  gued  well  bewaerdt  werden  ,  ald. 

—  b)  Veilig ,  gerust,  \\  Dat  si  hem  te  beteringhe 
quamen ,  of  hi  (beter  si)  wonder  tieghens  bewaert 
wesen ,  indien  zij  niet  voor  onaungename  gevolgen 
wilden  vreezen.  Rek,  d.  Gr,  1 , 448.  —  Bewaerde 
hant,  eene  veilige,  zekere  plaats,  \\  WantHindrick 
dat  geit  niet  gelecht  hefft  in  bewaerder  hant. 
Etst,  V.  Dr.  108. 

6)  Eene  plaats  versterken ,  van  gewapenden  poar- 
zien,  in  staat  van  tegenweer  brengen,  \\  Torre  twee, 
die  coninc  no  keyser  nemmermee  met  crachte  ne 
mochte  ghe winnen ,  daer  si  bewaert  waren  binnen, 
Parth.  504.  Sijn  borch  dede  hi  als  die  vroede  .  . 
wel  bewaren  ende  spisen  te  twee  jaren ,  Grime,  l , 
2327.  —  Het  deelw.  bewaert  als  bnw.  in  de  bet 
versterkt,  sterk,  ||  Niet  verre  was  hi  optie  vart, 
hine  sach  enen  casteel  wel  beward,  Lanc.  11, 
38273.  Abobus  soen  ontfincken  in  een  bewaert 
stedekijn,  dat  Doch  hete,  D,  B.  1  Maceab,  16,  15. 
Gazara,  die  bewaerde  stat,  de  vesting,  II  Kace^. 
10 ,  32.  Machabeus  ende  die  mit  hem  waren  beleiden 
die  bewaerde  stat  vier  daghen ,  ald,,  33.  —  Ook  een 
persoon  in  st^uU  van  tegenweer  brengen,  mtnuie», 
wapenen,  \\  Syns  selfs  lichame  heeft  hi  bewaert, 
JÜx,  IV,  1611.  — Vooral  in  het  deelw.  gebruikt  || 
Porus  here  was  wale  bewaert ,  met  oliphanten  alom 
gescaert,  Jlex,  IX,  129.  Acht  hondert  riddren  .  . 
die  alle  syn  wel  bewaert.  Ren,  878.  Hoesihildea 
daer  gescaert  met  vier  scaren  wel  bewaert ,  Grimb. 
1,  4170.  Daer  quam  van  Leefdale  heer  Godevaert, 
met  sinen  magen  wel  bewaert,  II, 245  (vgl.  2090). 

7)  Iemand  van  het  noodige  voorzien,  oppassen, 
verzorgen,  bedienen.  Vgl.  achterwaren.  i|  Den 
surgien  .  .  van  zalven  .  .  de  gequetste  mede  te 
bewaeme,  Invent,  v,  Brugge  3,  52.  Eenen  jonc- 
wive  diene  bewaerde,  103.  Een  surgien,  die  bewaart 
hadde  een  sciltcnape  die  ghewont  was,  ald.  Ie  sal 
ons  harde  wel  bewaren :  ie  hebbe  ene  borch  staende 
bier  bi,  Lanc,  III,  12374.  Emont,  seitM,  na 
bewaert  Luciuse  tavontmere :  doet  heme  werdecheit 
ende  ere,  Parth.  7349.  Te  bewaren  enen  siekea, 
D.  Ords  252.  Ende  soese  {de  zieke  moeder)  bat 
bewaren  sal.  Flor,  465.  Dat  sise  {de  paésdem) 
corenden  ende  wel  bewaerden,  1837.  Neve,  bi 
sidi   wel  bewaert,  goed  bezorgd,  Rein.  II,  68^ 


1205 


BEWA. 


BEWA. 


1206 


Beveelt  him  uwe  zaken  al:  ghi  snit  yan  him  bet 
sijn  bewairt,  MLoep  I,  1770.  Zoo  ook  Hild.  207, 
303.  —  Opmerking  yerdient  dat  mnd.  en  mhd.  be- 
waren  de  bet.  hebben  van  ons  het  H.  Avondmaal 
toedienen ;  vgl.  ons  bediening  =  Avondmaal,  —  Het 
deelw.  (wel^  bewaert  wordt  gebruikt  in  debet, 
van  ons  gediend  met^  d.  i.  inzijnsehii,  tevreden.  \\ 
Gaefdi  mi  een  vette  muns,  daermede  waer  ie  wel 
bewaert,  Rein,  II,  1142.  Herman  van  Woerden  .  . 
ende  van  Velzen  Gheraert  waren  hiermede  wel 
bewaert,  Velth.  III,  44,  14. 

8)  Ook  met  het  obj.  eenerzaak.  Gereedmaken^ in 
orde  brengen.  \\  Doe  bewaerden  si  den  boot,  ParM. 
1320  {de  uitgever  maakt  er  geheel  verkeerd  be- 
waterden  van).  Met  penetencien,  eer  bi  storve,  te 
bewaerne  sine  nutfaert,  sich  voor  de  groote  reit  voor 
te  bereiden, 

9)  Voorzien  van^  in  het  bezit  stellen  van^  toe- 
rtêsten  met,  ||  Als  hi  van  beiden  {schaakbord  en 
stukken)  was  bewerd ,  hi  bracht  der  joncf rouwen , 
Lanc,  II,  18397.  Die  luchterhant  was  bewaert  met 
laghelen  {kruiken)^  Rijmb.  7690.  —  Vooral  in  ge- 
bruik in  het  deelwi  bewaert,  met  eene  bep.  met 
▼  an  of  met.  Voorzien  van]  in  het  bezit  van]  toe- 
gerust,  begaafd  met\  zoowel  van  concreete  zaken  als 
van  abstracte  eigenschappen.  ||  Eenen  boegaert,  die 
met  vruchte  wel  es  bewaert,  T,  en  Lettb.  3,  65, 
21.  Gheent  huus  was  .  .  bewaert  wel  van  goeder 
spise,  Esop.  XII,  8.  Ie  sal  u  syn  paert  gheven 
oec,  alsoe  bewaert  mitten  harnassche  als  hy  der 
op  sat,  Trogen  10905.  Dat  elc  goet  man  moet 
zin  bewaert  met  v^f  pointen ,  D,  War.  7 ,  391 ,  2. 
Bewaert  met  alre  tiere  dinge,  Velth.  II,  33,  14. 
Koit  en  was  huns  bat  bewaert  van  dieren  dinghen, 
Brand,  {H,)  1684.  Haer  kelneren  wel  bewaert  met 
goeden  wine,  Teest.  3269.  Van  wapenen  wel  bewaert, 
Onmb.  II ,  72 ,  2734 ;  Alex.  1 ,  850 ;  Lane.  II ,  25809 ; 
IV,  4594.  Met  wapenen  ende  met  spisen  vaste  be- 
werd ,  Rijmb.  34503.  Dus  es  hi  metten  crnce  b. ,  voor- 
zien van  het  teeken  des  kruises ,  Franc.  1^1,  Vele  meys- 
nieden,  met  coeferen,  met  malen  wel  b.,^0iaiM?  II, 
1914.  Een  vaste  starcke  stat,  die  mit mueren ende 
mit  burghen  wel  b.  was,  D.  R.  II  Jfoc^aö.  12, 14. 
(Beelden)  van  maetselrien  wel  bewaert,  goed  toe- 
gerust wat  het  snijwerk  betreft^  schoon  bewerkt^ 
OVl.  Lied,  e.  Qed,  459,  88.  —  Een  pard  met 
groter  aierheit  wel  beward,  Lane.  III,  26157.  Hi 
was  stout  ende  van  lichten  leden  ende  bewaret  van 
goeder  seden,  II,  5179.  Nadat  ickene  nu  weet  be- 
waert van  groten  geselscepe  ende  van  stouten 
ridderscepe  {ridders) ,  IV,  4808  (elders  bet.  van 
ridderscepe  bewaert,  met  ridderlijke  eigen- 
schappen begaafd,  Lanc,  II,  35701 ,  21497).  Bewaret 
▼an  al  desen  (dogeden) ,  6704.  Van  goeden  woerden 
wel  bewaert,  met  vriendelijkheid,  minzaamheid  toe- 
gerust, begaafd,  MLoep  I,  2380.  Metten  gelove  wel 
bewaert,  sterk  in  het  geloof,  franc,  5796.  Die  therte 
hebben  met  reinardiën  van  binnen  bewist  ende  wel 
bewaert,  Overzee  151. 

10)  Iets  bezorgen,  inrichten,  in  orde  brengen, 
klaar  maken,  overleggen,  ergens  voor  zorgen,  \\ 
Laet  dgn  sorghen  varen,  die  avontuer  salt  wail 
bewaren,  MLoep  I,  103.  Doch  zal  men  dat  sorch- 
▼oldelike  bewaren ,  dat  in  allen  spetalen  den  zieken 
nachts  nemmer  en  ghebreke  lichts,  D.  Orde  217. 
Sijn  rade  hebbent  also  bewaert,  dat  hij  een  wij  ff 
▼an  hogher  aert  tot  sinen  hove  halen  sonde, 
MLoep  IV ,  1 189.  Si  bewarden  ende  bezaghen ,  dat 
ghene  pgnlichede  ghesciede  niewer  altoos  onder 
die  lieoe,  R^mb,  {C)  31518.  So  laet  ons  dan  also 
bewaren,  dat  onse  here  te  sinen  oordele  metten 


salighen  ons  bevele ,  Lsp.  IV ,  Prol.  26.  Dat  ie  soude 
dit  80  bewaren,  omdat  men  woude  dat  ghi  goede 
gevriende  sout  bliven,  Grimb,  1, 1271.  Die  Philistene 
haddent  so  bewaerd,  menne  maecte  hem  spere  no 
swaerd ,  caverant  ne  facerent  gladium ,  Rijmb.  8901. 
Ie  sonde  die  dinc  alsoe  bewaren,  dat  hier  soude 
comen  Artur  die  coninc,  Lanc.  II,  23117. 

11)  Ten  uitvoer  brengen,  uitvoeren,  volbrengen, 
waarnemen ;  ook  een  termijn  waarnemen,  behandelen, 
van  eene  rechtszaak.  ||  {Gezanten)  ghesonden  . .  te 
Bruessele ,  omme  .  .  te  hoorne  .  .  de  gheliefte  van 
onzen  harden  gheduchten  heere  ende  ooc  omme  te 
bewaerne  . .  de  dochvaert  dienende  van  der  snbventie, 
Invent.  v,  Brugge  5,  451.  Eer  dat  die  zelve  talman 
vorder  enige  andere  zaeckeu  in  rechte  zei  moegeu 
bewaren  oue  yemants  woert  sel  houden  in  eniger 
manieren ,  Leid,  Keurb.  331 ,  37.  Twas  syn  dienst, 
hi  mostet  bewaren,  Hild.  67,  141.  Ghi  hebt  u 
boetscap  wel  bewaert,  Glor,  381.  Mits  dat  die  twie 
vestmeesteren  beide  die  dienste  teffens  niet  bewaren 
en  mogen  om  den  laste  ende  arbeyt.  Leid,  Keurb. 
167,  50.  So  wie  tot  enighen  diensten  van  der  stede 
geset  worden  ende  dat  niet  en  bewairden,  als  si 
dat  sculdich  waren  te  bewaren  na  den  cueren  ende 
rechten  van  der  stede,  540,  59.  Die  jonghe  was 
starck  ende  snel:  hi  meynde,  hi  sout  bewaren 
wel,  wel  klaar  spelen,  MLoep  II,  3705.  Doe  vant 
hijt  al  omme  bewaert,  de  daad  overal  volbracht, 

IV ,  1061.  —  Ook  zijn  recht  doen  gelden.  \\  Also  ment 
nu  In  tyt«  bewaert  met  recht  naden  recht  vander 
stede ,  O,  R,  v,  Dordr.  1 ,  369.  So  hy  dat  nu  wel  in 
tgts  met  recht  ende  met  vonnes  bedingt  ende 
bewaert  heeft,  2,  118. 

12)  Enes  stede  bewaren,  iemands  funetiën 
waarnemen;  zijne  plaats  bekleeden,  vervullen,  in- 
nemen, II  Eist  zo  dat  enich  van  hemlieden  claer 
belet  heift,  die  zal  moeten  bidden  eenen  andren 
ghildebroeder,  zo  dat  hi  zine  stede  beware, up  de 
boete  van  eenen  groten,  Invent,  v,  Brugge  4,  456. 

13)  Met  eene  bepaling  met  ane  of  met  in  de 
bet.  11).  Bij  {van)  iemand  gedaan  krijgen  {klaar 
spelen),  verwerven  van;  lat.  impetrare,  ||  Dat  hi 
nernstelike  bewairde  aen  minen  here  van  HoUant, 
datmen  tgelt  oversende  toter  soldenairs  behoef,  Oorl. 

V,  Albr,  190.  Dat  hijt  nairstelic  bewairde  aen  sinen 
lieden,  .  .  dat  sy  dair  bleven  tsinte  Jans  dach 
toe,  400.  Ziet  dat  ghijt  wel  met  Sathanas  be- 
waert, V  Maagd,  519. 

14)  Waarborgen,  instcuin  voor,  verzekeren,  \\  Daer 
aen  solewyne  bi  waren  bi  onsen  eide ,  N^h.  1 , 
244.  Daer  en  binnen  sal  een  yeghelic  van  ons  .  . 
bewaren  mit  sinen  ghesworen ,  dat  si  voert  bliven, 
2,  120.  Wanneer  die  vreden  uitgaen,  so  sel  elc 
man  thuys  wesen ,  die  den  vrede  pleecht  te  gheven 
of  enen  man  hebben ,  diene  voir  hem  bewaren  wil. 
Leid,  Keurb,  36 ,  13.  —  Vooral  in  de  uitdr.  bewaert 
sQn  met  iet,  eig.  door  iets  gewaarborgd  zijn, 
d.  i.  op  iets  aan  kunnen,  \\  Elk  witmaker  sel  sinen 
calanten  setten  enen  goeden  man ,  dair  hi  {de  klant) 
mede  bewairt  is.  Leid.  Keurb,  504,  41.  Vier 
waerdeins,  daer  die  stede  mede  bewaert  is,  517. 
Item  sal  men  telken  twee  maenden  die  strekels 
brengen  biden  vynders  ende  die  te  punte  maken , 
datter  die  coopman  bi  bewaert  is,  O,  K,  v,  Dordr. 
42 ,  136.  Die  bodemen  .  .  sullen  . .  gemaect  wesen 
van  prise  bijden  gesworen  branders,  dair  die 
coopman  ende  visschers  mede  bewairt  sullen  siin, 
K.  V,  Brielle  96.  Alle  lakene,  dair  die  coeplude 
niet  mede  bewairt  en  zijn,  die  zal  men  ontwee 
snijden,  O.  W,  v,  Amst,  53,  63. 

15)  Geld   beleggen,    verzekeren,  veilig  plaatsen 


T  I 


1207 


BEWA. 


BEWA. 


1208 


besteden.  ||  Die  kerstijn  sjjn  gheli  bewaert  an 
menegerande  comenscepe,  Sp.  1\  56,  54.  Dat  si 
coroan  siin  ende  gerne  wouden  . .  an  ander  copinge 
haer  goet  bewaren,  Flor.  1633. 

16)  Besfeden,  plaatsen.  ||  Daertoe  zweren,  dat 
ambocht  te  gheven  daert  beste  aen  bewaert  waer , 
wien  dit  het  best  toevertrouwd  was ,  nader  stat  orbaer , 
R,    V.    Utr.    1,    143,    105.    Vgl.    bksteden    en 

BESTADEN. 

17)  Een  recht  bewaren,  het  handhaven^  er 
de  hand  aan  houden ,  de  eene  of  andere  daad  doen 
om  te  maken  y  dat  men  dat  recht  niet  verliest.  || 
Dat  sy  woenstat  daermede  houden  ende  haer 
poertrecht  daermede  bewaren ,  O.  R.  v.  Dordr.  1 , 
297,  83  (doch  het  hs.  heeft  hier  bewonen  (z.  ald.)). 

18)  Eene  scouwe,  enz.  bewaren,  eene 
schouw  of  een  of  ander  onderzoek  behoorlijk  kunnen 
doorstaan^  aan  zijne  verplichtingen  voldoen^  de  ver- 
eischte  instrumenten  in  goeden  staat  kunnen  toonen.  \\ 
Dat  alle  inwoonres  enz.  van  Delft  hoeren  ladderen, 
emmeren,  oesvaten,  tobben,  enz.  bereit  hebben 
ende  houden  aullen ,  omme  hoere  scouwe  daer 
mede  te  bewaeren,  K.  en  O.  v.  Delft  96,  1.  Dat 
alle  die  gheene,  die  eens  anderen  ladderen  ofte 
emmeren  haelen,  brengen  ofte  leenen,  omme  die 
S€ouwe  daermede  te  bewaeren,  sullen  verboeren 
30  SC,  97,  5.  Zoo  ook  O.  K.  v.  Delft  II,  3; 
4;  5;  13. 

19)  Ook  in  onze  bet.  op  eene  veilige  plaats  bergen^ 
onder  zich  houden^  onder  zijne  berusting  houden^ 
komt  bewaren  voor,  b.  v.  IXBest.40\\  Nat.  BI. 
XII,  1252  par.  Een  ww.  be waer  den  aan  te  nemen, 
in  den  zin  van  op  prijs  stellen  zooals  de  uitgever 
schijnt  te  doen,  is  aan  bedenking  onderhevig. 

Aanm.  —  Bewaren  en  beweren  worden  soms  met 
elkaar  verward,  vooral  in  den  Rijmb.  Zie  beweren, 
Aanm.;  Rijmb.  31518,  waar  bewarden  (van  C)  de 
ware  lezing  is,  en  31164:  Tytus  dede  .  .  al  there 
treckcn  bet  naer  der  stat  ende  dede  ooc  wel  be- 
weren (/.  met  C.  bewaren,  nl.  dat  here)  met 
scutters  jeghen  der  Jueden  uutloopen.  Vgl.  ook 
Wederk.  8). 

Wederk.  —  1)  Het  toezicht^  het  oog  op  zich 
zei  ven  houden^  zich  besturen^  zich  be  toornen.  ||  Vele 
lieden  segghen  .  .  dat  si  (de  papen)  hem  bewaren 
cranckelike,  Teest.  3148. 

2)  Zich  in  acht  nemen ^  zich  hoeden.  \\  Had  ie 
ghekent  den  hoghen  aert,  de  aanzienlijke  afkomst 
van  Paris y  ie  {Oenone)  hadde  mi  anders  wail  be- 
waert, MLoep  I,  2089.  Hi  hem  bewaerde  .  .  met 
penitencien,  met  berounessen,  dat  hi  dereweliker 
verdomenessen  ontvlo,  Franc.  5900.  —  Hetzelfde  bet. 
Bewaert  sijn,  d.  i.  hem  bewaert  hebben.  || 
Daer  en  is  nyemant  alsoe  snel  hier  op  eertrijc 
noch  80  wijs,  sel  hi  verdienen  eer  of  prijs,  hine 
moet  mit  hoeden  sijn  bewaert,  Hild.  197,  6. 

3)  Zich  beschermen ,  zich  beveiligen ,  zich  sterken.  \\ 
Dus  heeft  Jacob  van  Artevelde  hem  bewaert  .  . 
(door  verbonden)  met  groeten  heren,  Edew.  1073. 
Selve  sal  hi  (de  veldheer)  bliven  achter  inder  lester 
scaren  ende  metten  besten  hem  bewaren,  Lsp.  III, 
12,  154.  Daer  bi  sal  hi  (de  landshere)  hem  nemen 
an  vrome  liede  ende  wise  .  .  ende  hem  wijslee 
met  dien  bewaren,  III,  13,  28  (Lsp.  IV,  Prol. 
26  moet  niet  als  wederk.  worden  opgevat.  Zie  bij 
Bedr.  10).  Doen  die  heren  saghen  an ,  dat  die 
hertoghe  ende  sine  man  ghewillich  ten  stride 
waren,  wouden  si  hem  iet  bewaren,  ende  hebben 
den  grave  van  Hollant  weder  ten  hertoghe  ghesant 
om  aat  hi  van  dien  saken  payH  ofte  vrede  sonde 
maken,  Brab.  Y.  V,  2459.  —  Ook  met  eene  bep. 


met  van.  Zich  beveiligen  tegen.  \\  Yfj  sollen  .  .ou 
bewaeren  van  alle  dien,  daer  aff  ons  yet  mocht« 
meschien,  Orimb.  I,  2301  var. 

4)  Zich  versterken^  zich  in  staat  van  tegenwfer 
brengen.  \\  Dat  si  hem  souden  bewaren  jeghen 
coninc  Salomoens  scaren ,  Brab.  Y.  III ,  415. 
Antwerpen  .  .  bewaerde  hem  hier  jegen  wale  met 
meneger  bliden  ende  springale,  Edew.  1124.  (Si) 
vloen  ter  andere  scaren  waert,  daer  Yoen  wu 
jegen  bewart  (waar  tegenover  Yoen  stond)  yLorr.fr. 
XII,  15.  —  Het  deelw.  bewaert  in  de  bet.  in 
staat  van  tegenweer ,  op  zijn  hoede ,  op  zijn  qui-pice.  \\ 
Die  Romeyne  waren  bewaerd  ende  bestondense 
metter  vaerd ,  Rijmb.  33273.  Wanttie  Romeyne  wel 
waren  bewaerd,  29667.  Ie  rade  u,  dat  gi  daer  af 
versiet  nu,  dat  gi  jegen  hen  bewaret  sijt,  Lanc. 
II,  7553. 

5)  Zich  van  het  noodige  voorzien  ^  zich  uitrusten.  \\ 
Dat   si  (de  heren)   hem   also   bewaren,  dat  si  tea 
wapenen  souden  sijn  tierst  dat  men  sage  des  daegs 
schiin,  Edew.  716. 

6)  Zich  voorzien  van^  zich  toerusten  met.  ||  (Si) 
ginghen  hem  sonder  sparen  wel  bevesten  (/.  be- 
westen)  ende  bewaren  van  wapen  ende  van  peerden, 
Grimb.  I,  2312.  EIck  bewaere  hem  .  .  van  dien 
dat  hem  toebehoirt,  2269  var.  Dat  elc  thuys  vare 
ende  hem  met  eren  beware,  alsoe  alst  ten  orloge 
behoort,  2268. 

7)  Zich  voorbereiden.  \\  Hi  bewa«rdem  vor  die 
doot,  Sp.  III»,  11,  36  var.  (tekst  hi  bewaendem 
der  d. ;  beide  lezingen  geven  een  goeden  sin).  —  Het 
deelw.  bewaert,  in  den  zin  vslü  voorbereid^  ergens 
op  gewapend.  ||  (Die)  niet  en  roven  op  ghene  vaeri, 
si  en  sijn  daer  jeghens  bewaert  (dan  h^n  die  op 
een  aanval  voorbereid  zijn)    Vrouw.  e.  M.  XI,  231. 

8)  In  rechte.  Een  wettige  verontschuldiging  aan- 
voeren ^  zich  excuseereuy  zeggen  dat  men  verhinderd 
is  en  zich  daardoor  zijn  recht  voor  het  geval  van  niet- 
verschijning  voorbehouden.  Vgl.  beweren,  wederk.  || 
Enich  onse  burgher  die  gheboeden  wort  bi  enen 
cleynen  hoede,  ende  die  des  anderen  daghes  in 
der  stad  niet  bliven  en  mochte ,  die  mocht«  ghaen 
an  die  scepene  van  sjjnre  straten  ende  bewaren 
hem  eens  van  enen  (?)  zaken ,  Stiulsr.  v.  Zwolle  88 , 
115.  Ende  hem  dan  bewaert  mit  soepen  (bij  de 
schepenen) ,  var.  ald.  Die  hem  bewaert  als  recht 
is ,  dien  en  mach  men  niet  bieden ,  ald.  —  Ook  Ziek 
door  eenige  aanzegging  het  behoud  van  zeker  recht 
waarborgen.  \\  Wie  dat  steenwerc  tymmeren  wil 
op  ledige  hofsteden  .  .  .,  des  hi  hem  bewaert, 
Stadsr.  v  ZwolU  142.  Die  hem  bewaert  hadde 
ende  niet  en  tymmerde,  des  hem  gheen  onghev&l 
an  en  veile  .  . ,  die  verloer  teghen  die  stad  hondert 
scillinghe,  143.  Ie  bewaer  mi  teghen  iu  van  der 
stad  weghen ,  dat  ie  tymmeren  wil ;  daer  is  hi  mede 
bewaert,  gedekt ^  145.  Zoo  nog  eenige  malen  aldaar. 

BEWAREN,  zw.  ww.  bedr.  Andere  vorm  van  be- 
weren, in  oorsprong  geheel  verschillende  van  het 
vorige  woord.  Ook  de  beteekenissen  loopen  nu  en 
dan  dooreen,  of  naderen  elkander,  hetgeen  nog 
zooveel  te  eer  aanleiding  gaf  tot  het  gebruiken 
van  bewaren  in  de  beide  beteekenissen  van  be- 
waren en  beweren  Omgekeerd  wordt  ook  be- 
weren voor  bewaren  geschreven.  De  plaatsen 
waar  bewaren  zonder  twyfel  als  beweren, 
nl.  afweren  y  voorkomen  y  beletten  y  tegenhouden  moei 
worden  opgevat,  zijn  de  volgende.  ||  Selve  qaam 
hi  achter  ghevaren  ende  bewaerde  (varr.  bewerde, 
verwerde)  der  viande  scaren,  Rijmb.  20757.  Om 
dat  te  bewarene  (de  proviandeering)  bat,  leide  hi 
volc  van  wapenen  iu  de  stat,  Brab,  Y.  VII,  11323. 


1209 


BEWA. 


BEWE. 


1210 


Flandrijs  ware  bleven  doot,  ne  ware  de  scilt  die 
dat  bevaerde  (/.  bewaerde  of  bewerde),  Flandr. 
I,  933.  Omme  te  bewaerne,  dat  de  pilgaerts  niet 
binnen  der  stede  commen  zouden,  Invent.  v. 
Brugge  3,  93. 

BEWAREN,  zw.  ww.  bedr.  Geheel  verschillend 
yan  de  beide  vorige  woorden  als  afgeleid  van  het 
bnw.  waer,  lat.  verM.  Ofv\,bwena\mTi^,bewdren^ 
bewarden^    betoeren\    mhd.    bewaren\  hd.  bewiihren. 

Iets  waar  maken  ^  eene  zaak  overtuigend  be- 
vnjzen ,  ingang  doen  vinden ;  lat.  probare.  \\  Die 
sullent  anbrenghen  den  rechter  .  .  ende  alle  dinc 
bewaren  bi  hoiren  eede.  Leid..  Kenrb.  54,  14.  (Die 
vier  wairdeyns)  sullen  alle  punten  bewaren  bi 
hoiren  eede,  die  der  draperie  roeren,  66,  1.  Dat 
selve  bynnen  der  benoemdcr  tijt  mit  oeren  ede 
bewaeren,  Nijh.  4,  465  (vgl.  1,  244:  biwaren  bi 
onsen  eide).  So  waer  dat  ment  bewysen  of  bewaren 
conde  binnen  der  vriheit  van  Dordrecht,  K,  v. 
Dor  dr,  170.  Soe  mach  hi  dat  mit  een  ordel  be- 
waeren ende  bestaeden.  Over.  Dijkr.  1',  9.  Sijt 
blide  nu,  Reinaert,  ghi  hebt  uwen  dach  (hier 
rechtszaak)  mit  eren  bewaert  (nl.  door  het  winnen  van 
den  tweekamp),  Rein.  II,  7433  (vgl.  7720). 

Aanm.  —  In  ons  ww.  beweren  kunnen  dus  twee 
verschillende  ww.  zyn  samengeloopen ,  n\.  beweren, 
hd.  bewakren,  d.  i.  bewijzen,  en  beweren,  hd. 
bewehren,  d.  1.  verdedigen.  Zie  verder  bewaren, 
en  BEWEREN,  Aanm. 

BEWARENEN.  Zie  Bewaernen. 

BEWARINGE,  znw.  vr.  Mhd.  bewarnnge;  mud. 
öewaringe. 

1)  Bescherming ,  hoede.  ||  Gaet  in  Gods  bewaringhe, 
dochter.  Mar.  v.  N.,  1082. 

2)  Veiligheid.  Zie  een  voorbeeld  op  bevrijtiieit. 

3)  Wapening,  wapenrusting .  \\  AA^vlb  soe  wapende 
hi  elcken  met  bewaringhe  niet  van  schilden  ende 
Tan  speren ,  mer  mit  alte  guede  redene  ende  rade, 
D.  B.  II  Maccab,  15,  11. 

4)  Wettige  verontschuldiging.  Zie  bewaren, 
wederk.  8).  ||  Faff'^^K;arin^A^».  Mer  blevehi  binnen 
Swolle,  als  men  richte,  met  argheliste,  also  dat 
hi  nerghent  uyt  en  wolde,  soe  en  mochte  hem 
Bine  bewaringhe  gheen  stade  doen ,  Stadsr.  v.  Zwolle 
88,  115. 

BE  WARMEN,  zw.  ww.  bedr.  Verwarmen,  koesteren. 
II  Dat  es   hi  die  men  sal  bewarmen  inden  liev^^n 
blancken   armen,  MLoep  II,  2165.  —  Nog  heden 
in  Noord-Hollandsche  dialecten  in  gebruik. 

BEWARP.  Zie  bewerp. 

BEWASEMEN,   zw.  ww.  bedr.  Door  wasem  tot 
ontspanning,    verruiming  (verademing)    brengen.    \\ 
Ghi    sult  doen  bewasemen  met  heeten  water,  Jan 
Yp.   150.  Die  oghen  sal   men  bewassenen  (/.  be- 
wasemen) met  heeten  water  dicwile,  ald. 

BEWASSEN,  st.  ww.  bedr.  Begroeien.— yooviX 
in  het  deelw.  bewassen,  begroeid.  \\  Enen  camp 
bewassen  mit  braem  ende  biesen ,  Rein.  II ,  6333. 
Een  hof  .  .  al  becommert  ende  bewassen  mit 
dijstel ,  mit  doeme ,  mit  netelen ,  Devoet  B.  (30)  21r. 

*  BEWASSENEN.  Zie  bewasemen. 

BEWATEREN,  zw.  ww.  bedr.  Mud.  bewatem-, 
hd.  bewassem.  Besproeien.  —  Vooral  iu  het 
deelw.  bewatert,  van  water  voorzien ,  besproeid.  \\ 
Dat  dat  hint  bider  Jordanen  wel  bewatert  was, 
B.  v.  1357,  9*.  —  Dit  woord  is  door  Bormans, 
Parth.  1320,  te  onrechte  in  den  tekst  gebracht. 
De  ware  lezing  is  bewaren  (zie  ald.  8). 

BEWATERMARCT,    bnw.    Zie    belantmarct. 

BEWEDEMEN,  zw.  ww.  bedr.  Mhd.  *iwtrfm«»; 
mnd.  bewedemen\yf^\.  hd.  widmen.  Vao  irpt/^nt,  d.  i. 


huwelijksgoed  (z.  ald.).  Slechts  in  oorkonden  der 
oosteiyke  provinciën.  Eene  lijfrente  aan  eene  vrouw 
toekennen,  \\  Dat  wij  .  .  onse  lieve  huysvrouwe 
ind  gesellynne  bewedompt  ind  betuchtigt  hebben, 
bewedomen  ind  betuchtigen  avermitz  desen  brieff, 
Nijh.  4,  197. 

BEWEDEREN,  zw.  ww.  onz.  Een  onweder 
{storm,  enz.)  doorstaan.  Vgl.  mhd.  bewintern  en 
besomeren,  en  besomert  vleesch  (Plant.).  Slechts  in 
gebruik  in  het  deelw.  b  e  w  e  d  e  r  t,  d.  1.  door  ongunstig 
weer  (storm)  opgehouden,^  belemmerd,  en  dus  op 
gunstig  weder  wachtende;  Plant.:  bewedert, 
empesché  du  mauvais  temps.  \\  Van  coste  in  die 
reyse  mitten  cogghe  van  Weespe  ende  anders 
gheselscap ,  daer  hi  mede  bewedert  was ,  Rek.  d.  Qr. 
1 ,  349.  Want  si  daer  ghecomen  waren  om  tgoet  te 
coepen  ende  daer  bewedert  laghen  op  den  lande, 
dat  si  niet  of  en  mochten ,  al  te  samen  6  nachte , 
350.  Want  se  bewedert  waren  tot  Aemsteldamme, 
426.  Overmids  onweder  dat  hi  2  daghe  bewedert 
lach  tote  Berghen,  Rek.  v.  Zeel.  2,  289. 

BEWEERTE,  znw.  vr.  Van  beweren  (z.  a.). 
Belemmering.  —  Slechts  in  de  uitdr.  beweerte 
doen,  beletten,  verhinderen.  \\  Tmoet  sijn  ge- 
wroken :  des  en  can  nyemen  doen  beweerte ,  Blisc. 
.  M.  340. 

BEWEGELIJC,  bnw.  Van  het  trans.  ww.  be- 
wegen. 

a)  Van  het  st.  bewegen.  Hetgeen  in  een  anderen 
toestand,  tot  andere  gedachten  brengt.  \\  Laet  be- 
weghelic  berou,  datti  van  allen  vlecken  wasschen 
mach,  dijn  moeder  wesen.  Stemmen  97. 

b)  Van    het    zw.  bewegen.    Roerend,  trejfend.   \\ 
Aenhorende  dijn  worden  bewegelic,  Saer.  275. 

BEWEGEN,  zw.  en    st.   ww.  bedr.  Evenals  in 
het   hd.    zijn    in   het    mnl.    een    sterk  en  een  zw. 
bewegen  dooreengeloopen ,  hetgeen  niet  te  ver- 
wonderen is,    wanneer  men   ziet,  dat  reeds  got. 
gavigan  en  gavagjan  sommige  beteekenissen  gemeen 
hebben.   De   eigenlijke    vervoeging  van  het  sterke 
bewegen  was  bewegen ,  bewag ,  bewagen ,  bewegen.  Het 
part.  nam  de  o  aan  (vgl.  geste  ken  en  gestoken ,  vrikans 
mei  gewroken,  rikans  mei*geroken,  blijkens  hooiro  O  k 
(van  reken),  en  nu  deelde  deze  o  zich  langzamerhand 
aan  het  praet.  mede,    waaruit  onze  tegenwoordige 
vervoeging  bewoog,  bewogen ,  part.  bewogen,  ontstond ; 
(vgl.     het    in    andere    bet.    gebruikelijke   simplex 
wegen,  woog,  gewogen  (vgl.  waag);  scheren,  schoor, 
geschoren  (vgl.  schaar),  zweren,  zwoor,  gezworen 
vgl.  zwaar).  Daarnaast  ontstond  een  zwak  bewegen , 
beweegde,     deelw.     beweget,     beweecht,     met   eene 
eenigszins  sterkere  bet.  Vgl.  hd.  bewog  =  impuli, 
adduxi;  bewegte  =  agitavi,  commovi  (Grimm.  Wtb. 
1, 1770).  Het  eerste  beteekent  van  zijn  plaats  brengen, 
en   dus   ook   in  een  anderen  toestand  brengen,  het 
tweede   in    beweging,  beroering  brengen.  In  H  mnl. 
is   het  zwakke  bewegen  veel  meer  in  gebruik  dan 
het   stérke,   doch    ook    het  sterke  deelw.  bewegen 
komt  in  den  zin  van  geschokt,  geroerd ^voor.  Soort- 
gelijke   versch^nselen    bij    mhd.   bewegen  (st.)   en 
bewegen  (zw.)   en   by    mnd.   bewegen.  —  De  over- 
heersching  der  zwakke    vormen    van    het  ww.  is 
waarschijnlijk  in  de  hand  gewerkt  door  de  gelijk- 
luidende vormen  van  een  ander  bewegen,  dat  hoe- 
wel oorspronkelijk  één  er  mede  in  oorsprong,  van 
dit  WW.  moet  gescheiden  worden  als  afgeleid  van 
wech.  Zie  bewegen,  2de  Art. 

A.   Het   st.   WW.;   mhd.   bewegen,   doch   ook   en 
vooral  zw.  vervoegd. 

1)    Van  plaats  of  toestand  doen  veranderen',  iets 
ergens  naar  toe  brengen  QÏ  iemand  ergens  toe  brengen^ 


42H 


BEWE. 


BEWE. 


4242 


hem  geleiden.  —  Hiertoe  behooren  ook  de  vol- 
gende plaatHen  ,  waar  het  zwak  gebruikt  wordt.  || 
Eene  .  .  rante ,  die  nemmermeer  beweecht  en  mach 
werden,  quiet  quae  nunquam  moveri possit^  Rnnab. 
2,  239.  Ho  beweecbde  hi  (God)  die  cooplieden  .  ., 
no  dat  gi  in  die  havene  arriveerden  ontrent  dye 
caMteel,  Huffe  v.  Bord.  73.  Dat  veel  geestelike  .  . 
personen  te  min  werden  beweecht  voor  alsnlcke 
heren  te  bidden ,  Exc.  Cron.  62rf.  —  Bewegen^de 
oorHaken,  beweegredenen^  afdoende  redenen^  Fri. 
Stadtr.  264  (vgl.  de  nitdr.  om  redenen^  iemand 
ergens  toe  move  erende). 

2)  Overwegen^  bepeimen\  hd.  bewegen  ^  ery)agen.}\ 
Oec  wert  daer  Heer  op  gedocht  ende  bewogen ,  hoe 
die  van  Utrecht . .  roit  Uertoge  Jan  versoent  waren , 
Matth.  Anal.  3,  381.  —  Van  deze  bet.,  of  liever 
van  het  wederk.  ww.  hem  bewegen  d.  i.  hem 
bepenHcn,  hem  bedinken,  wordt  het  part.  in 
zwakken  vorm,  beweecht,  als  bnw.  gebruikt  in 
den  zin  van vattberaden ,  mnl.  wel  bedacht  (z.  ald. 
en  vgl.  lat.  consideratu* ^  en  mhd.  bewegen^  het- 
zelfde als  hd.  entêchlossen  ^  unverzagt ;  Lexer  1 ,  254). 
II  Een  wjjs  ridder  ende  beweeght ,  Srad.  T.  VII ,  348. 
B.  Het  zw.  WW.;  mhd.  bewegen,  In  beweging, 
opscAitdding ,  beroering  brengen \  schokken,  treffen, 
roeren,  er  toe  brengen.  \\  Sijn  leringe  .  .  was  vol . . 
des  heilighen  geestes  .  . ,  dat  si  daer  of  beweghet 
worden  ende  bekeert,  Ned.  Proza  192.  Doe  dat 
volc  .  .  dat  sach,  dat  grote  wonder,  so  worden 
sr  beweghet,  199.  Alle  hoer  crachten  worden  be- 
weghen  vanden  groten  boede,  die  hy  hen  boet, 
212.  Rechtevoert  wert  .  .  Jacob  swaerlic  beroert 
inder  herten  ende  bina  beweget  totten  tranen  toe, 
288.  Alse  dat  dyne  .  .  tonghe  niet  beweghet  en 
werde  tot  laster,  Bienb.  60c.  —  Ook  in  den  sterken 
vorm  van  het  deelw.  ||  Opdatstu  niet  anxteiycken 
beweghen  en  werdes  tot  overvloed icheyt,  Bienb.  60<?. 
Oec  en  wert  die  aldersaftmoedichste  Jhesus  uiet 
bewegen  tot  toernicheyt,  Bern.  S.  2d.  Hi  hevetal 
dat   volc   beweghen   van  -Galileen    tot   dese  stat, 

0.  II.  Pass.  19,  466.  Doe  .  .  wert  hi  mit  berm- 
herticheit  beweghen,  Hs.  71,  Luc.  7, 13 en  10,33. 
Als  die  her  van  Kuuc  vernimt,  dat  Gheryt  van 
Velsen  aldus  belegen  is ,  was  hi  daermede  bewegen, 
C/erc  139.  Mi  hebben  bewegen  die  deerl^cke  dachten 
myns  volox,  Exc.  Cron.  28ö<r. 

BEWEGEN,  zw.  ww.  bedr.  en  wederk. Van  wech. 

1)  Op  weg  brengen,  geleiden.  \\  Als  Philips  van 
Elzat«n  .  .  drutsmannen  {tolken)  besproken  (hadde) , 
om  henlieden  te  Sinay  tebeweghene,  Cron.  v.  Vlaend. 

1,  83.  Sinte  Vincent,  wilt  mi  helpen  ende  be- 
wegen ,  dat  ie  met  u  daer  boven  comme ,  Vad.  Mus. 
5,  330.  Dat  hem  God  gestadichlic  beweget  ende 
beschermt  heeft,  Exc.  Cron.  86^. 

2)  Besturen.  —  a)  Met  een  ace.  v.  d.  pers.  Aan- 
voeren. II  Daerna  maecte  hi  scaren  negheue.  Dierste 
(scare)  gaf  hi  te  beweghene  (den  heere)  van  Diest , 
Qrimb.  II,  1384  (p^r.  bewaren).  —  ^)  Met  den  ace. 
der  zaak.  Regelen.  \\  Sy  {de  eerste  hoof  meester  c.  s.) 
beweghen  de  ceremoniën  van  den  Hove,  Matth. 
Anal.  1 ,  252. 

Wedkrk.  —  Hem  bewegen,  sich  op  weg  be- 
geven (ook  mhd.).  —  Vooral  gebruikt  in  de  uitdr.  b  e  - 
weget  syn,  sich  op  weg  begeven  hebben ,  onder 
weg  sijn.  \\  Segghet  waer  dat  u  vaert  geleget  eude 
waer  {werwaarts)  dat  ghi  zilt  beweghet ,  Lett.  N.  R. 
1\  139,  288. 

BEWEREN  (beweikkn),  zw.  ww.  bedr.  Mnd. 
beweken;  mhd.  beweichen.  Week  maken,  verzachten, 
vermurwen. 

a)  Eigeniyk.  ||  Een  siel  die  weder  ommekeert . . , 


wert  gheliken  enen  steen  verbert,  düt  si  daersa 
niet  lichtelic  te  beweken  en  is,  Stemmsem  97 
{Ned.  Proza  74*).  Alle  hartheit  wort  dagelgx 
beweect  van  groetheit  des  lichts ;  alle  dorlieit  wort 
bevochtet  met  douwe  hemelscher  gncien,  Ned. 
Proza  120. 

b)  Figuurlijk.  ||  Rnfinns  beloefde,  dat  hi  hem 
beweken  sou ,  Pass.  S.  ISd.  Die  stgfheit  der  ghe- 
rechticheyt  en  laet  haer  niet  bnghen  noch  beweken. 
Pass.  W.  106<f.  Proeven  of  hi  hair  starke  gemoede 
yet  beweken  mochte ,  1076.  Die  cracht  der  hejligher 
sacramenten,  .  .  die  aUe  borsten  al  ware  si  jserea, 
mach  beweeckeu,  Bern.  W,  1586.  Dat  onse  herten 
daer  niet  van  beweket  of  bemorwet  souden  werden, 
al  te  liden  dat  ons  mochte  opcomen,  Devoet  B. 
(36)  1029.  Ende  want  die  moeder  haers  mans 
hardicheit  niet  en  consentierde  ende  gheen  hope 
en  hadde  dat  men  haers  zoens  stantachticheit  yet 
beweken  mochte.  Es.  88  /.  bc.  (Dn)  beweicstedie 
scarpe  sententie  des  wreeden  richters,  Sp.  d.  M. 
1,  105<r. 

BEWELDIGEN,  zw.  ww.  bedr.  Mhd.  beweiden; 
hd.  bewdltigen.  Zich  meester  maten,  betuieJkiigen ; 
van  een  pers.  in  hechtenis  nemen,  van  eene  zaak 
overmeesteren.  \\  So  wat  manne  die  bnten  woent, 
die  te  banne  wort  ghedaen ,  om  portres  claghe  . . , 
dien  sal  de  here  beweldighen,  te  sire  naester 
comst  recht  te  doene,  Oorkb.  1,  3126.  Dat  hi  .  . 
trecken  wonde  voor  sgn  stat  van  Berghen  .  .  om 
die  te  beweldeghen,  Brab,  T.  VII,  15446. 

*  BEWELENISSE,  verkeerde  lezing,  Brab.  T. 
Dl.  2,  bl.  6336.  Zie  beveelnisse. 

BE  WELF,  znw.  o.;  mv.  bewelven.  Gewelf,  dak, 
verwulf t,  by  uitbr.  in  H  mv.  hms  (*?).  ||  Laetet 
hoerekynt  loopen ,  sendet  binnen  spaepen  bewelven 
(:  selven),  Belg.  Mus.  6,  62. 

BEWELLEN,  zw.  ww.  bedr.  Indien  de  lezing 
goed  is,  kan  het  woord  beteekenen  bedekken, over- 
dekken (vgl.  mhd.  bewëllen,  Oudem.  1 ,  676;  Vondel 
5,  622).  II  Hare  voete  hilden  si  (de  Cherubijnen 
bij  de  Ark)  ocht  si  spelden;  met  goude  dat  si  se 
wel  beweiden,  Rijmb.  11487  var.  (tekst:  beleident 

BEWELMERIE  (?),  znw.  vr.  Toovenj,  gooche- 
larij (?).  II  Niemant  en  sal  sgn  toverie  noch  be- 
welmerie  te  rade  gaen  den  ghenen  die  mitten  dn  vel 
spreken  noch  waersaghers,  D.  B.  Deut.  18,  10. 
,BEWENDEN  (bewinden),  zw.  ww.  onz.,  bedr., 
en  wederk.  (deelw.  bewanten  bewent;  impf.  bewande). 
Mhd.  mnd.  bewenden. 

Onz.  Wenden,  keeren.  —  Slechts  in  het  deelw.  be- 
want,  d.  i.  gekeerd,  met  eene  bep.  met  t  e.  Gekeerd 
tot,  bereid.  \\  Weest  oec  ter  voUeest  niet  bewant, 
dyn  raede  en  moerde  noch  dyn  hant,  Noek  X  Geh. 
25.  En  doot  nyemene  metter  hant,  ende  syt  ten 
wille  oec  niet  bewant,  Tien.  PI.  924. 

Bedr.  —  1)  Richten,  geleiden,  brengen.  ||  Wonde 
ons  God  also  bewinden,  dat  si  hen  selven  weder 
kinden  die  in  de  archeit  waken.  Vierde  Mart.  29. 
Sie  {de  minne)  hevet  mi  soe  int  wee  bewent ,  dies 
ie  gevoele ,  in  caent  gheloven ,  Hadew.  1 ,  95 ,  25. 

2)  Inrichten,  regelen,  besturen.  \\  Haer  vader 
hadt  aldus  bewant,  Vad,  Mus.  1,  58,  14. 

3)  Onderwerpen,  dwingen,  bedwingen.  \\  Hi  wonde 
hem ,  als  hen  noet  bewande ,  weder  deagbel^cs 
doen  met  sinen  lande,  Brab.  Y.  VU,  14717. 
O  Jesus,  bant,  o  vurich  brant,  hoe  heeft n  minne 
in  mi  bewant  myn  hertken  onbedwongben !  H^. 
Belg.  10,  132. 

4)  Aanwenden,  toepassen.  ||  Eer  si  {de  simu%) 
die  haestecheit  bewenden,  diet  nanwe  sochte,  hi 
sonde  venden,   Vad.  Mus.  2,  191,  439. 


4243 


BEWE. 


BEWE. 


4244 


Weder K.  —  1)  Met  een  pers.  als  ondw.  ZieA 
wenden,  keeren,  richten,  ||  Tot  Godt  sy  haer  bewaut, 
Bag,  V.  P.  16,  856.  Waerweert  ie  mi  bewende, 
ie  blive  ewelijc  vrondeloes,  Lansl.  918.  Waer  dat 
wi  ons  bevonden,  in  scede  van  u  te  ghere  noet, 
Beatr.  310.  Nn  siet  waer  gin  wilt  bewinden,  ende 
welke  strate  gi  mi  wilt  sinden.  Mor.  1173.  Soe 
dat  her  Ywain  vragende  wart  Lancelote ,  war  lii 
hem  sonde  bewinden ;  bi  seide ,  dame  sonde  binden 
die  aventure ,  Lanc.  II ,  22085.  Zoo  ook  Ferg,  1200. 
3665,  5757.  —  Bat  niemen  wete  in  dit  covent, 
werwaert  dat  wi  sgn  bewent  {hetzelfde alt  ons  bewent 
hebben),  Beatr.  145.  Niet  lange  na  gonen  doene 
ginc  hi  nten  religioene  ende  es  ter  werelt  bewent, 
Franc.  6239. 

2)  Met  eene  zaak  als  onderw.  Een  keer  nemen. 

—  Slechts  gebmikt  in  het  deelw.  b e  w  a n  t.  Gesteld, 
in  een  gekeren  toestand  zijnde.  ||  Scilt  om  hals  ende 
spere  in  hant  ende  helm  opt  hoeft,  alsoe  bewant 
reet  hi  te  genen  scilde  waert,  Yelth.  III,  28,47. 

—  Vooral  in  de  uitdr.  het  es  bewant,  het  ie  ge- 
steld, hei  staat  geschapen,  de  toestand  is  van  dien 
aard,  hetzelfde  als  mnl.  het  staet  so.  Ook  met 
den  3den  nv.  van  den  pers.  ||  Alsoe  wast  my  be- 
want aldaer,  MLoep  1,  84.  Hoet  hem  int  herte 
was  bewant,  1646.  Waert  my  dan  soe  bewant, 
ware  het  mij  vergund,  dat  ie  mocht  soeken  Yenns 
lant,  II,  2459  rar.  Even  wel  (goed)  ist  hem  be- 
want in  den  water  ende  op  tlanet  Nat.  BI.  IV, 
489  var.  Na  eest  met  mi  also  bewant,  het  sal  mi 
oosten  huns  ende  lant,  of  ie  saels  mi  wreken. 
Vierde  Mart,  4.  Daer  men  wilen  trouwe  vant ,  daer 
eest  nu  also  bewant,  men  wilt  daer  niemen  horen, 
hine  bringe  geit,  99.  Dus  eist  bewant,  i^.  III», 
1 1 ,  54  (vs.  57,  ald.  moet  bewant  veranderd  worden 
in  gênant).  Nader  minnen  lant,  daert  dicken  ten 
sorghen  hem  es  bewant,  Hadew.  1,  142,  134. 
Hets  ons  (mi)  ten  sorghen  bewant,  het  ziet  er 
treurig  voor  mij  uit,  Ben.  609 ,  1268 ;  A»».  1 ,  1630. 
Aldus  campelijc  was  (het)  bewant  sinen  sone, 
Brab.  Y.  VI,  8245.  Zie  nog  Vad.  Mus.  1,  362, 
6;  Nijh.  4,  396.  —  Daer  en  was  niet  ane 
bewant,  Heelu  2501,  bet.  niet,  zooals  de  uit- 
gever zegt:  daar  zat  de  knoop  niet,  maar  dat  gaf 
toch  niets ,  dat  had  geen  gevolgen.  Vgl.  mnd.  dat  en 
was  nicht  vele  bewent,  d.  i.  es  wollte  nicht  viel 
sagen-,  war  der  mühe  nicht  wert. 

Aanm.  —  Bewent,  Belg.  Mus.  3 ,  447 :  is  fout : 
men  leze  beweent  (juzta  crucem  lacrymosa). 

Zie  op  BEWENEN. 

BEWENEN  (beweinen)  ,  zw.  ww.  bedr. ,  wederk. 
en  onz.  Mhd.  hewevnen',  mnd.  bewenen. 

Bedr.  —  1)  Rottw  bedrijven,  betreuren,  treuren 
over,  beklagen.  ||  Welke  vrouwen  hem  bescreiden 
ende  beweenden,  ffs.  71,  Luc.  23,  27.  Alseicbiu 
come  ende  icker  veel  bewenen  sal  van  dien  du  te 
▼oren  sondichden  ende  gheen  penitencien  endeden 
ffs.  75,  II  Cor.  12,21.  Alle  gheslachten  der  eerden 
sullen  ....  Hem  selven  bewenen  oec  waerlic, 
ald. ,  Openb.  1 ,  7.  So  eet  die  cukuuc  mere  dan 
enighe  drie  van  den  clenen.  Dit  moet  die  moeder 
somwile  bewenen  (var.  beweinen).  Nat.  BI,  III, 
982.  Een  te  beweenne  strijt,  lachrymabile  èellum, 
Sp.  n*,  82 ,  15.  —  De  onb.  wijs  als  znw.  Rouw ,  droef- 
Aeid,  II  Op  dat  wi  hebben  ghewareghen  rouwe  ende 
bewenen  .  .  om  die  druefheit  van  onser  vrouwen, 
Fad.  Mus,  2,  411,  73.  Bevaen  met  uyttermaten 
bewene  (=  beweenne) ,  Troyen  2310  var, 

Wederk,  —  Hem  bewenen,  zich  beschreien, 
met  tranen  bevochtigen,  vooral  van  de  oogen.  |j  De 
coninck   mitter  spade  houwet  ende   delvet,  daer 


haer  die  kercke  af  beclaecht  ende  beweent ,  Pelgrim 
56a.  —  Vooral  in  het  deelw.  beweent,  nat  van 
tranen,  beschreid.  Vgl.  ons  er  beschreid  uit  zien, 
dat  eveneens  komt  van  zich  beschreien.  ||  Dat  kint 
sach    ende    verheeste   met  beweenden  ogen  quade 

feeste,  Sp.  III',  40,  31.  Eet  ie,  drinc  ie,  wat  ie 
oe,  dat  is  met  twee  beweende  oghen.  Hor.  Belg. 
2 ,  224.  Maria  stont . . .  seere  bewent  (/.  beweent) . . 
biden  cruce  daer  Jesus  an  hinc ,  stabat  Mater  , . . 
juxta  crucem  lacrymosa,  Belg.  Mus.  3,  447. 

Onz.  —  Weenen,  schreien.  \\  Alle  screidense  ende 
beweendense  ende  hi  seide,  en  wilt  niet  wenen, 
Hs.  Evang.,  Luc.  8,  52. 

BEWENINGE,  znw.  vr.  Geschrei,  het  storten 
van  tranen.  \\  Daer  hadden  wi  grote  beweninghe 
van  devotien  onser  herten,  Man£fv.  21a. 

BEWENTELEN,  zw.  ww.  bedr.  Rondwentelen; 
ronddraaien,  van  alle  kanten  (rondom)  in  iets  om- 
wentelen,  er  in  doopen.  \\  Netten  een  weke  (wiek) 
in  zeem  ende  bewentelent  mit  pulvere  ende  stekent 
int  ore,  Lanfr.  127  r.  Ie  was  so  in  densiyckeder 
onreynicheyt . . .  bewentelt ,  lag  rondom  in  het  slik, 
Bern.  W.  63tf. 

BEWERDEN  (bewarden)  ,  st  ww.  onz.  Evenals 
in  \  mhd.  (evnen  bewërden  Idxen)  slechts  in  de  uitdr. 
enen  laten  bewërden,  iemand  laten  geworden', 
hem  laten  doen  wat  hy  wil;  hem  laten  begaan ,  betijen. 
II  Grave  Jan  liet  .  .  .  siin  soen  mit  desen  oirloge 
ende  onlede  in  Hollant  al  bewërden,  Clere  158. 
Sy  lieten  se  bewërden  endebegaen,Matth. ^ma/.  1, 
437.  Sulcx  dat  den  eygenair  nyet  om  en  syet  nair 
tlant  noch  de  pachte  van  dien ,  mer  laet  den  bruycker 
dairmede  bewarden,  Enq.  311.  Si  lieten  hem  be> 
werden,  hoe  dat  hi  moa^ii^, Proza-Rein.  10^. 

Aanm.  —  Velth.  III ,  45 , 1.  „Bewërden  vorden 
sine  (Floris  V)  verdane"  is  de  lezing  bedorven. 
De  zin  vordert  „  Te  Naarden  vorden  sine."  Vgl. 
Stoke  V,  45. 

BEWEREN,  zw.  ww.  bedr.  en  wederk.  Mnd. 
beweren;  mhd.  bewem.  Zie  weren. 

Bedr.  —  1)  Beletten,  belemmeren,  verhinderen, 
afweren.  ||  Syt  voert  van  haren  rade  ende  bewert 
hare  scade,  Ferg.  4817.  Dat  hi  dese  dinc  bewere, 
Sp.  III ^,  7,  6.  Dus  wilde  hi  die  confusie  beweren 
der  vadere,  II*,  32,  46.  Zoo  ook  II»,  4,46;  II*, 
53,  92.  Ghy  sout  algader  syn  in  den  laster,  mer 
ie  alleen  beweerdet,  Trogen  7607.  Alle  die  syn 
hier,  diene  haddent  gene  macht  te  beweerne  met 
hare  cracht,  Maleg.  560;  vgl.  572.  Bewerd  haren 
lachter  daer  gi  moget.  Mor.  927.  Dat  en  mocht 
nie  man  ghestelpen  met  gheenreliste,  no  beweren, 
Segh.  11362.  Wie  salt  ons  beletten?  Twaer  quaet 
te  beweerne,  Blisc.  v,  M,  827  (vgl.  441,  1500).  De 
pachtere  van  Tammarde  warts  gheware  ende  wilde 
be weeren  de  kerssen  woch  te  dragene,  Oron.  v. 
Vlaend.  1 ,  50.  Bewaren  haerlieder  lichamo  eere . . 
ende  rechten  ende  beweeren  alle  die  ghene,  dye 
ter  contrarie  souden  willen  doen,  Diericx,  Jfm.  1, 
275.  Bi  den  humoren  die  cout  ende  wac  sgn  ende 
der  leveren  beweren  haer  naturlijc  werc,  Hs,  Yp. 
57^.  Hine  liet  sgn  spreken  no  sijn  leren  ghehermen 
(/.  ghescriven?  lat.  a  notarüs  excipi),  daer  hyt 
mochte  beweren,  Sp.  II*,  4,  45.  Zoo  ook  Jan  Yp. 
137;  OVl.  Lied.  e.  Ged.  246,  890;  260,  817;  348, 
990;  358,  1266;  518,  14. 

2)  Vermijden,  ontgaan,  \\  Bescuwen  of  beweren, 
al  dat  hem  comen  mach  te  deren,  Sp,  I*,  41, 13. 
Merke  wel,  datti  mach  deren: bewert, oftumoghes 
beweren ,  2>.  Cat.  227.  Dat  nieman  beweren  (evitare) 
en  mach,  Ruusb.  6,  40. 

3)  Verdedigen ,  beschermen ,  vrijwaren.  Met  den  acc« 


1245 


BEWE. 


BEWE. 


1246 


perfl.  en  den  gen  der  zaak  (of  va  n),  of  den  dat.  pers. 
en  den  ace.  d.  saak.  ||  Dander  maelgen  cleen  no  groot 
n«  mochten  di  der  doot  beweren ,  O  VI,  Lied.  e.  Qed, 
420,  177.  Omme  te  beweme  van  der  dolingen  die 
liede,  Sp.  II',  32,  66.  Want  si  dicken  Nabals 
herden  van  meneghen  verliegen  bewerden  {varr. 
beverden ,  verwerden^ ,  Rijmb.  9549.  Si  voren  ute , 
omme  hare  here  te  beweme  (/.  liewerne)  die  felle 
vard,  Yelth.  III,  8,  6.  Dat  hi  haer  dede  groote 
werde,  ende  God  syn  rike  dore  hare  bewerde, 
Sp.  II \  34,  13.  Hi  liet  sine  liede  achter,  die  min 
vrient  souden  beweren.  Mor.  1460.  Ie  bit  God..., 
dat  hij  bewere  mijn  neve,  dat  ik  hem  niet  en 
dorsteke,  Heemsk.  137.  Zie  nog  Nat.  BI.  VI ,  124  var. 

Aanm.  —  Deze  laatste  beteekenis  grenst  aan  die 
van  bewaren^  waarmede  het  nu  en  dan  in  de  Hss. 
wordt  verward,  gelijk  men  omgekeerd  beweren 
vindt   voor   bewaren.   Zie  bewarkn   (2de  Art.). 

Wederk.  Hem  beweren.  —  1)  Zich  onttrekken , 
ontgaan  y  ontkomen.  \\  Aldus  en  'can  hi  hem  niet 
beweren  bi  genen  rechte  .  .  .,  hi  en  moet  ons 
ewelic  horen  toe,  Blise.  o.  M,  674. 

2)  Zich  verdedigen  y  sich  verweren.  \\  Paris  die 
wilen  was  herde  ende  hem  s|jnt  alsoe  bewerde, 
dat  hys  hadde  eer  ende  lof,  Irogen  f.  *6bb.  Om 
vernemen  ende  om  spien,  daer  hem  af  mochte 
misschien ,  dat  hire  hem  jegen  beweren  mochte , 
Qrimb.  I,  6671. 

BEWERENEN,  zw.  ww.  bedr.  Freq.  vorm  van 
beweren.  Beschermen ^  verdedigen.  \\  Hem  syn  lant 
helpen  te  houden  ende  te  verwaren,  .  .  ende  te 
bewerenen  heymelike  ende  openbaer  tyeghens  allen 
man,  Mieris  2,  278  0. 

BE  WERF,  znw.  o.  Van  bewerven  (z.  ald.). 
—  Sijn  bewerfmaken,  zijne  maatregelen  nemen^ 
toebereidjelen  maken.  ||  Tot  Dordrecht  .  .  . ,  daer 
mijn  here  hadde  stjn  bewerf  ghemaect  met  vele 
ghewapens  volcs  voer  Utrecht  te  trecken,  Rek. 
d.  Gr.  Sy  430.  Om  voert  tot  Staveren  waert 
te  varen  op  die  Vriesen,  want  mijn  here  syn 
bewerf  daer  ghemaeckt  hadde,  439.  Tot  Aemstel- 
redam,  doen  myn  here  daer  sijn  bewerf  ghemaect 
hadde,  om  voert  tot  Staverenwaert  op  die  Vriesen 
te  varen,  461. 

BEWERKEN,  zw.  onz.  ww.  bedr.  (praet.  be- 
\crochte  y  deelw.  bewrocht).  Mnd.  bewer ken  \mh!(i.  be- 
toer ken  (in  onze  beteekenis  maken  ^  bouwen)  eu  be- 
wiirken  (in  de  bet.  van  mnl.  bewerken,  2)). 

1)  In  onze  beteekenis.  Bewerken  ^  veroorzaken^ 
uitwerken.  \\  In  Te.s8alien  bewrochte  tien  tiden  ene 
lovie  wonder,  want  dat  lantscep  ghinc  al  onder, 
Rijmb.  4040. 

2)  Aftlniteny  versperren  ^  omheinen.  ||  Datein  man 
vonde  in  siner  hofstede  eins  anderen  mans  guet 
{beest)  bewracht  of  onbewracht,  Landr.  v.  Wedde 
70,  74.  Die  hage  ...  die  ie  vaste  bewrocht  vant 
met  kaerden ,  met  dornen  ende  met  bramen ,  Rosé  C 
1597. 

3)  Insluiten  y  wegbergen.  \\  (Si)  daden  {het  hou  f) 
nter  doren  draghen,  daert  binnen  was  bewrocht, 
F.  d.  Houte  668  var.  Bi  w^at  redene  mense  {den 
brief)  bewrochte  indie  donkere  haghedochte,  ^.III*, 
18,  16.  In  sinen  hove  was  een  struys,  die  hadde 
een  jonc,  dat  bewrochte  Salomo  in  een  groten 
glasen  vate,  Ned.  Proza  105.  —  Ook  in  den  zin 
van  begraven y  bijzetten.  ||  (Doe)  wart  die  prophete 
Barnabas  in  Cypren  vonden  in  enen  crochte ,  daeme 
groef  ende  bewrochte  Jan  Marcus,  Sp.  111^,48, 12. 

BEWERP  (bewarp,  bewierp),  znw.  o.  —  Schets^ 
ontwerp.  Zie  Oudem.  1 ,  677  en  vgl.  den  bekenden 
titel:     Ruigh-bewerp      van     de    Redenkaveling.    \\ 


De  ghesellen  hebben  dat  beweerp  wel  ghevisiteert 
eude  ghenoncht  hemlieden  met  allen  wel ,  Belg.  Mus. 
7,  27.  In  alzulker  manieren  als  een  bewerp,  der 
af  ghemaect,  claerlycke  begr^pt  ende  bewijst, 
Diericx ,  Mém.  1 ,  396.  Van  diverschen  bewmrpen 
by  hem  ghemaect  van  den  havene  van  Oosthende, 
Invent.  v.  Bmgge  6,  322.  Voor  twee  bewerpen  by 
hem  ghemaect  van  den  ghedelve  van  den  Zwene, 
6,  452.  —  Ook  Concept  y  een  ontwerp  vttn  een  ge- 
schreven stuk.  II  Van  coste  ghemaect  daer  men 
dat  bewierp  maecte  eer  men  vor  tresoriera  quam, 
Invent.  v.  Bmgge  3,  312.  —  Ook  buerp  (voor 
bewerp)  geschreven.  ||  Enen  bode  ghesent  .  .  te 
Brucghe  . .  met  eenen  buerpe  van  sconinx  meeninghe, 
ald.  1,  293. 

BEWERPEN  (beworpen),  st  ww.  bedr.  en 
wederk.  {bewarp^  bewerp ,,  bewierp 'y  beworpen).  Mhd. 
bewêrfen, 

Bedr.  —  1)  Het  trans,  werpen.  lewumd  mei  iets 
werpen  y  met  het  bijdenkbeeld  y  dat  dit  over  de 
ge  heel  e  uitgebreidheid  van  het  lijdende  voorwerp 
geschiedt.  \\  Daer  soe  plach  ter  kerken  te  gane, 
dedise  bewerpen  met  slike,  ^.  III*,  19,  12(vgL 
Pass.  W.  134«).  Met  slgc  ende  drec  beworpen, 
Dial.  Oreat.  Ibc.  Sy  sullense  bewerpen  mit  stenen, 
D.  B.  Levit.  20,  27.  Hi  bewarp  hem  oec  mit  dat 
ghewide  water ,  D.  War.  6 ,  398.  Zoo  ook  D.  B.  Demi. 
17,  6;  22,  24;  Num.  16,  35  en  36.  —  Ook  zonder 
de  bepaling  met  met;  vgl.  goi.biswteitan.\\JHenïe 
met  gnemake  niet  en  laten  die  kinderkine  entie  w|f , 
sine  beworpen  siin  scone  lijf,  lAmb.  VI,  252. 

2)  Als  term  in  verschillende  handwerken  ea 
kunsten.  Met  een  laag  van  de  eene  of  andere  stof 
bestrijken. 

a)  Met  kalk.  Kalken  y  pleisteren  ^  Aervoegen.  \\  Van 
den  thorre  van  onser  Vrauwen  kerke,  de  welke 
mids  den  groten  varse  {vorsf}  verscoeyt  ende  be- 
worpen moeste  zyn  omme  dat  calc  al  meest  ute 
ghevrosen  was,  Invent.  v.  Brugge  6,  328.  Den  tor 
binnen  van  den  nedersten  zolder  npwaerd  te  ver- 
scoeyene  ende  daer  up  te  bewerpene,  ende  buten 
te  bewerpene,  daer  de  gaten  staen,  ZFl.  Sijét:.  4, 
322.  Elf  hoet  calcs,  der  stede  hnus  mede  te 
stoppene  ende  te  beworpene  naer  den  groten  storvme, 
aangeh.  ald.  Gloss.  6976.  Van  der  vors.  camere 
te  wittene,  van  den  beelefroyte  te  beworpene , 
aangeh.  ald.  G hegheven  Janne  Slabbaerde  tonde 
werc  van  der  niewer  halle  te  bewerpene  buten  ende 
binnen,  4  veinsteren  te  stoppene,  aangeh.  ald.  bl. 
697a.  Du  sulstese  {de  steenen)  bewerpen  met  calc, 
D.  B.  Deut.  27 ,  4.  Van  den  steenhuse  te  bewerpene. 
Rek.  V.  Zeel.  1 ,  485.  Van  den  mare  vaa  dea 
proyeele,  die  ghevallen  was  in  die  graft,  weder 
te  makene  ende  te  bewerpene,  2,  276. 

b)  Met  verf.  Schilderen  y  verven.  \\  Jan  den  scildere 
van  dat  hi  bewoorpen  heift  met  olyevaerwen 
tcamerkin,  Invent.  v.  Brugge  5,  314.  Een  cafcoea 
{schoorsteen)  aldaer  te  bewerpene  met  scilderiea,  5, 
312.  —  Zie  ook  c). 

c)  Met  edele  metalen.  Afzetten.  \\  Dat  (graf)  doet 
maken  ende  bewerpen  wale  bede  met  silvere  ende 
met  goude ,  Flor,  883.  Een  beelde  van  finen  marbre 
gehouwen,  beworpen  van  silvere  ende  van  goade 
ende  van  varwen  menichfoude,  911. 

3)  Ook  in  den  zin  van  Af  schetsen^  im^rifeny 
uithouwen.  ||  Moyses  tafelen,  daer  hi  die  wet  ia 
dede  bewerpen,  Heelu  bl.  336,  vs.  260.  TgL 
Oudem.  Bijdr.  1,  677. 

4)  Bergen ,  wegbergen^  eig.  onder  iets  werpen ,  of 
met  iets  bedekken  (?).  ||  Si  beworpen  den  steea 
onderdenst  (?)  aerde,  Ned,  Proza  105. 


1217 


BEWE. 


BEWE. 


4218 


5)  Overleggen^  ontwerpen,  \\  (Hi) keerde Yan  dcier 
ende  bewerp  sine  dinc  daernaer  mer  (/.  met)  sQns 
vaders  mage,  Yelth.  lY,  69,  63.  Ie  hebt,  waen 
ie,  beworpen  soe,  dat  sijs  mogen  lichte  onvroe 
werden,  Lorr,  V,  29.  —  Vooral  in  den  ain  van 
ontwerpen^  een  concept  maken,  \\  Dat  men  sulcke 
artikelen  van  den  peys  soude  beworpen ,  die  hy . . 
sonde  onderteeckenen ,  Belg.  Mat,  8,  382.  Daerop 
worden  brieve  ende  mennten  beworpen,  Brah,  Y, 
YII,  16884.  Van  siere  rekeninghe  te  doen  be> 
werpene,  Invent.  v,  ^ni^^tf  3 ,  312.  Van  eenen  clerc, 
die  bewierp  in  ghescrifte  sine  rekeninghe,  ald. 
Van  den  brieven,  als  si.. beworpen  waren,  16911. 
Soe  en  woude  die  proost  .  .  .  van  Oamerike  die 
brieve  niet  beseghelen  .  . ,  die  daer  of  beworpen 
waren,  16936. 

Weoerk. —  ZicA  toevertrottwen,  zicA  overgeven  aan^ 
ziek  verlaten  op,  zicA  vervoegen  bij,  |)  Die  hem  an 
n  bewerpet  al ,  hine  maget  niet  liden  sonder  mesfal, 
Zanc,  IV,  3169.  Soe  bewarp  hare  alsoe  honde  in 
des  conincx  hoede  van  Yranckerike,  F/.  lUjmk, 
1474.  Hi  ghinc  henen  ende  bewarp  hem  an  enen 
borgher  dies  lants,  He,  Evang.,  Luc,  16,  16. 

BEWERKEN,  st.  ww.  Zie  beworren. 

BEWE&VEN,  st.  WW.  bedr.  en  wederk.  Mhd. 
bewërben]  mnd.  bewerven. 

BeüR.  —  1)  Verwerven,  bezorgen,  ver icAaffen.\\ 
Doe  seide  hi  sinen  jongheren,  dat  si  hem  een 
sceepken  beworven  om  der  scaren  wille,  Ue,  71, 
Mare,  3,  9.  Si  beworven  den  zieken  ende  die  in 
alrehande  noet  waeren  oeren  noetdrufte,  levende 
van  den  werken  oerre  handen ,  Materie,  der  Sonden 
f,  106a  (aang.  bij  Hnjd.  Froeve  1,  139).  Doe  die 
osse  ghestorven  was,  beworven  die  duvelen  daer 
een  kalf  van  gheliker  verwen ,  om  dat  grove  volck 
mede  te  bedrieghen,  Faec.  Temp.  12r. 

2)  Bewerken,  veroorzaken,  oorzaak  zijn  van.  \\ 
Dat  dat  kint  soude  verderven  Troyen  ende  voert 
bewerven  sijns  vaders  ende  sijnre  broeder  doot, 
MLoep  1 ,  1913.  —  Ook  met  een  Af  h.  zin.  i|  Dus 
hevet  die  valsche  pelgrijn  beworven,  dat  der 
Isengrijn  al  toten  cnien  hevet  verloren  dat  vel, 
Bein,  I,  2866.  So  bewarf  soe  ende  bedroech,  dat 
806  wart  van  groten  love.  Flor,  202.  Hi  .  .  . 
bewarf,  dat  mense  {(ie  d/^^^m^)  hem  brochte,  2867. 
Hine  moghe  lichte  beii^erven,  dat  hi  hem  selven 
sniemen  doe  sterven ,  1204.  Bidden  wi  u  (Maria),  dat 

Shi  ons  alao  (d.i.  dit)  be  werft  {voor  ons  gedaan  krijgt), 
at  wi  niet  en  bliven  bederft,  Melib.  3381    (vgl. 
hd.  ticA  für  einen  bei  jemandem  um  etwas  bewerben), 
Ood  late  ons  alsoe  bewerven  (geve  ons  te  maken), 
dat  wi  ane  die  ziele  nien  sterven ,  Doet,  II ,  3293. 
8)   ZicA  vertcAafen,  verkrijgen,  zicA  verwerven, 
ontvangen,  ||   Sell   die   sijsmeester   .    .   tot   s^nre 
nutscap  teykenen  bewerven,  ende  die teyken sellen 
vesen  van  helen  vaten ,  van  halven  vaten ,  ende  van 
twe   eymeren,   R.   v.    Utr.  1,  290,  6.  Dicke  wert 
een   in  minnen  rijck  ende  bewerft  dat  hi  begaert, 
MLoep  II,  2364  var,  Hoe  Reinaert  .  .  bewerven 
sal   met  sinne  des  coninz  vrientscap  ende  hulde, 
tiein.  1, 2170.  So  dat  hi  hemelrike  bewerft,  die  buten 
faooftzonde  sterft.  Lep,  II,  16,  63.  Als  Annahaer 
ander  man  sterf,  den  derden  si  doe  bewerf,  II, 
2,    33.  Wie  hoerde  noit  van  suiker  dracht,   die 
(ace.)  boven  der  natueren  macht,  maghet  bewarf 
ende  maghet  liet  {die  Aaar  maagd  liet)  ende  (welke 
dracAf)  menscheiyc  van  hare  sciet,  Vad.  Mne.  2, 
412,  19.  TIant  van  siere  hant  bewerven,  zicA  van 
het    land  meester   maken,   Bijmb,   16161.  Zie  nog 
OeseA,  v,  Antw,  3,  678  vlg. 

Wederk.  —  ZicA  toeleggen  op ,  zicA  af  geven  met  \ 


met  den  2den  nv.  der  zaak  of  een  afh.  sin. 
Aldus  moten  si  alle  bederven  die  hen  loesheiden 
bewerven,  Lanc,  III,  22961.  Hilderyc,  die  hem 
alsoe  nien  bewarf,  dat  hi  enech  kint  na  hem  liet, 
Brab,  Y,  1,  612.  —  In  het  mhd.  en  mnd.  heeft 
het  wederk.  ww.  de  bet.  van  krijgslieden  aan- 
werven. Zie  bewerf. 

BEWESSEN  (bewissen),  zw.  ww.  bedr.  en 
wederk.;  hetzelfde  als  bewesten.  Het  simplex  is 
niet  in  gebruik.  Wessen  beantwoordt  aan  got. 
vasjan,  d.  i.  kleeden,  terwQl  westen  eene  afleitung 
is  van  een  aan  got.  vasti  beantwoordenden  vorm, 
got.  vastjan;  vgl.  lat.  vestvre.  De  bet.  van  beide  is 
dus  oorspr.  bekleeden.  Op  verscheidene  plaatsen 
kan  zoowel  de  in  f.  bewessen  als  bewesten  bedoeld 
zQn ,  daar  dit  uit  het  part.  bewest  niet  blgkt.  Het 
zal  daarom  het  best  zgn,  de  beide  ww.  te  zamen 
te  behandelen. 

Aanm.  —  Meermalen  vindt  men  in  de  Hss.  te 
onrechte  bevesten  voor  bewesten.  Zie  bevesten. 

Bedr.  —  1)  Bekleeden,  ten  uitvoer  brengen , 
volbrengen.  \\  Wijn  boetscap  soude  hi  wel  bewesten, 
Orimb,  I,  1968.  Vgl.  Vondel  6,621:  een  dienst  be- 
kleed en.— In  dezen  zin  mnl.ook  bewaren,  waar- 
mede bewesten  nu  en  dan  verbonden  voorkomt. 

2)  Fan  Aei  noodige  voorzien,  verzorgen,  uit' 
rusten,  toerusten,  \\  Vrouwe,  dit  kint  moetti  be- 
wessen, want  het  is  edel  ende  welgheboren,  SegA, 
346.  — Vooral  met  eene  bepaling  met  van  of  met, 
of  een  gen.  der  zaak.  Voorzien.  \\  Daer  vant  hi 
dies  (van  datgene  wat)  hi  begaert  die  stat  bewest  tsinen 
bouf,  Sp.  III*,  63,  8(par.  be  vest).  Soe  ((^^^^^r^tf) 
was  wel  bewest  van  spisen  alt  jaer.  Flor,  1843.  Si 
vonden  die  herberge  wel  bewest  van  so  wat  so 
ai  behoeveden,  1838.  (Eene)  borch,  die  ghi  vont 
wel  bevest  (/.  bewest)  van  al  dies  u  behoevede 
best,  PartA,  874.  Hi  (de  casteel)  was  altoes  so 
wel  bewest  van  spisen  ende  van  riddren  binnen, 
1007.  Oft  hem  ghebrake  enigher  ware,  dat  siere 
hem  souden  bewessen,  4342.  Si  saghen  doen  dien 
casteel  bewest  van  diepen  grachten  ende  wel 
ghevest,  8062.  Dat  si  van  corne  sQu  bewist  in 
borghe,  in  stat,  in  solre,  in  kist,  Heim.  636. 
Ene  arme  dieme  .  .,  met  crnde  bewist  om  te 
scuwene  den  quaden  mist  (den  stank  van  den 
duivel),  Sp.  IV»,  76,  30.  —  Het  deelw.  bewest 
(bewist)  ook  in  den  slechten  zin  van  met  iets 
kwaads  vervuld.  ||  Die  therte  hebben  met  reinardiën 
van  binnen  bewist  ende  wel  bewaart.  Overzee  161. 

3)  Besturen,  verzorgen,  regeeren.  ||  Rentmeestren, 
scepenen,  ghesworen  raet,  die  stat  ende  lant  .  . 
souden  bewesten  ende  regheren ,  Brab,  Y,  VII ,  4148. 

Wederk.  —  1)  ZicA  bekleeden,  versterken, 
dekken,  ||  Een  deel  lieden  van  den  besten,  daer 
hi  hem  met  soude  bewesten,  Orimb.  I,  2978. Her 
Arnout  hadde  hem  wel  bewest,  II ,  962.  Ter  porten 
van  Far  tpter  vesten,  daer  si  helden  ende  hem 
bewesten  om  te  doene  grote  were ,  Cass,  983.  —  Ook 
met  eene  bep.  met  van.  ZicA  dekken,  bescAutten 
tegen,  \\  Wy  willen  ons  nu  mede  varen  bevesten 
(/.  bewesten;  var.  bewaren)  van  al  dien  dat  ons 
schier  mochte  mischieu,  Orimb,  I,  2301. 

2)  ZicA  van  Act  noodige  voorzien,  zicA  voor- 
bereiden (praepareeren).  ||  Ie  sal  mi  bewissen  ende 
doen  lesen  deerste  bloemen ,  die  men  mach  vendeu. 
Flor.  2843.  —  Ook  met  eene  bep.  met  v  a  n  of 
met.  ZieA  voorzien  van.  \\  (Si)  ginghen  hem  . .  wel 
bevesten  (/.  bewesten)  ende  bewaren  van  wapen  ende 
van  poerden,  Orimb,  I,  2312.  Nem  metti  vierticÜ 
dusent  man  ende  bewisse  di  van  water  dan , 
Jlex,  X,  661. 

39 


1219 


BEWE. 


BEWE. 


1220 


3)  Voor  sieA  zelven  zorgen^  zijne  belangen  be- 
hartigen. II  Sint  hebben  si  {de  papen)  hen  bewest 
oest,  suyt,  noert  ende  west,  dat  terdendeel  van 
ertrike  hem  toehoert,  Wrake  I,  344;  doch  de 
lezing  is   misschien  bedorven;  zie  bij  bevesten. 

BEWEST,  Voorz.  m.  d.  3den  nv.  Ten  wetten 
van^  aan  de  westzijde  van.  \\  Bewest  den  Rine, 
benort  den  berghen,  Sp.  III*,  2,  13.  Van  den 
lande  yan  Zeelant  bewest  der  Scelt,  Oor  kb.  2, 
379  a. 

BEWESTALF.  Zie  bewesthalf. 

BEWESTEN.  Zie  bewessen. 

BEWESTEN,  b^w.  Aan  de  westzijde.  Meestal 
als  voorz.  met  den  3den  nv.  Aan  de  westzijde 
van,  ten  westen  van.  ||  Gallen  al  be westen  den 
Rine,  Lanc.  IV,  9693.  Bewesten  him  .  .  vindmen 
eerst  dat  zant ,  Sp.  I ' ,  29 ,  6.  Bewesten  der  Scelt, 
Fl.  JUj'mk.  4657. 

BEWESTHALF  (bewestalf),  bijw.  Zie  half 
en  vgl.  BEWESTEN  (2de  Art).  Aan  de  westzijde.  \\ 
Twe  imete  (gemeté)  bezutalf  ant  werf  .  . ,  ende  een 
ghemet  bewestalf  ant  vorseide  werf,  Vad.  Mus.  2', 
368.  —  Ook  als  voorz.  met  den  3den  nv.  ||  Den 
boengard ,  bewestalf  den  weghe ,  aïd. 

BEWETEN  (Hem-),  wederk.  onr.  ww.  Mnd. 
sik  beweten  (hoewel  in  eenigszins  gewijzigde  op- 
yatting).  Bij  zijne  kennis  zijn^  bewustheid  hebben. 
Zie  een  voorb.  bij  bekennen,  Wederk.  4). 

BEWETTEN,  zw.  ww.  bedr.  In  rechte  behandelen. 
II  Jan  es  schuldich  dese  vorseide  leene  te  bewettene 
of  doen  bewettene  met  zineu  bailliu  ende  met  zinen 
mannen,  Qendsch  Chtb.  121.  Zie  het  volg.  art. 

BEWETTIGEN,  zw.  ww.  bedr.— 1)  £ene  zaak 
berechten.  Kil.  68:  „cognitionem  rei  ad  jndicem 
deferr£^\  ||  EIcke  verhandelinge  van  den  voorseyden 
leene  es  men  ghecostumeert  te  bewettighen  met 
den  bailin  ende  mannen  der  kerken  ende  mgns 
heeren  vorseyt,  Qendsch  Chtb.  119. 

2)  J)e  wet  op  iemand  toepassen^  hem  straffen^ 
vonnissen.  ||  Dat  die  Van  der  Sinus  gheene  mes- 
doerre,  die  om  toccoisoen  van  desen  bewetticht 
worden ,  .  .  bin  haren  scependomme  niet  onthouden 
zullen,  ZFl.  Bijdr.  4,  72. 

BEWEVEN,  st.  WW.  bedr.  (het  impf.  bewaf 
(mhd.  bewap)  komt  niet  voor;  deelw.  ^^te^^^).  Mha. 
bewëben. 

1)  Eigenlijk,  wevende  bedekken.  Vgl.  hd.  „die 
spinne  had  die  thür  bewebet^\  \\  Daer  die  vleder- 
musen  in  wonen  ende  die  spinnen  beweven,  Pass.  W, 
221  <?.  —  Ook  fig.  Als  in  een  weefsel  bedekken.  \\ 
God  hevet  hem  haer  (crines)  gegeven,  daer  sine 
lede  in  s^n  beweven,  i^.  111%  33,  6. 

2)  Doorweven^  wevende  bewerken.  —  Ook  in 
fig.  opvatting.  —  a)  Doorweven  ^  doorzaaien^  ver- 
vullen. Slechts  in  H  part.  ||  Dit  boecskyn  met 
autoriteiten  al  beweven,  Doet.  I,  37.  —  b)  Fijn 
bewerken^  netjes  inrichten.  \\  Hi  es  vroet  euae  can 
beweven  sijn  redene  wel,  Grimb,  I,  1954  var. 

3)  In  H algemeen.  Bewerken^  op  het  touwzetten^ 
beramen^  overleggen.  Vgl.  onze  uitdr.  doorgestoken 
werk.  II  Dies  hebben  wi  bi  crachte  beweven  dat  wi 
haren  broeder  verdreven ,  Limb.  IV ,  2009.  De  sticken 
worden  doe  beweven ,  Stoke  III ,  1487.  Dus  mochte 
hijs  (Fortigern)  bliven  sonderblame  voer  de  lieden, 
al  wast  beweven  bi  hem  selvcn ,  dat  hl  (de  koning) 
liet  tleven,  V,  448.  Dit  was  quaet  beweven  ende 
gheroert  ouder  die  liede,  VI,  1066.  Daer  omme 
hebben  si  dit  beweven,  VI,  1244.  Alse  hi  siet 
dat  niet  en  }>e8peefl,  so  peinst  hi  nauwe  ende 
beweeft,  dat  hi  sulke  dinc  mach  vinden,  dat  hi 
moghe  dat  wijf  seinden,  Sp.  1%  65,.  123.  Die  die 


scalcheit  heeft  beweven,  daer  en  wert  nie  doget 
in  beseven,  D.  JFar.  4,  46,  23. 

4)  Formeny  slechts  in  de  uitdr.  Het  es  be- 
weven met,  het  staat  geschapen  vtetj  het  is  ge- 
steld met.  II  Diere  sonder  (n1.  zonder  wijsheiéT)  leet  sgn 
leven,  hets  qualike  met  hem  beweven ,  D.  Cat.  241. 

6)  Evenals  bg  berokkenen^  gaat  de  bet.  over  in 
bezorgen^  verschaffen,  en  wel  bepaaldeiyk  sieA  be- 
zorgen ,  zich  verwerven ,  zoowel  van  goede  als  kwade 
zaken.  ||  Wat  dadi  in  Tunes,  in  Arragoene?  .  . 
wat  eren  hebdi  daer  beweven?  Overzee  124.  Vaa 
dien  dattu  heves  beweven  saelstu  Tro«delike 
leven,  D.  Cat.  139.  —  Die  de  helle  heeft  bewev» 
{verdiend),  emmer  moet  hire  in  cleven,  Z.  ende 
Lich.  272. 

Aanm.  —  Eenigszins  vreemd  wordt  het  ww.  als 
znw.  gebruikt,  Lucid.  6241 :  „Van  deser  werelttlange 
leven  waer  met  hem  een  cort  beweven  ende  ene 
wel  galike  doot,**  d.  i.  voor  de  hemelingen  is  hei 
langste  leven  op  aarde  niets  dan  een  kortstondig  bezit, 
of  een  plotselinge  dood.  Deze  bet.  zal  af  te  leiden 
zyn,  uit  die  van  zich  verwerven,  ziek  veraehaffen 
(zie  5).  Vgl.  Tijdschr.  1 ,  257. 

BEWIËN,  zw.  WW.  bedr.  Mnd.  bewiem.  W^éen, 
met  gewijd  water  {wijwater)  besprenkelen.  ||  (Hi  nam) 
van  den  water,  daer  h|j  sijn  handen  ende  sga 
voeten  in  ghewasschen  hadde,  ende  bewiede  alle 
die  beesten  daermede,  Hs.  88  f.  593.  Met  ysopea 
bewyet  hi  ons,  dat  een  oetmoedich  cmvt  is, 
Bern.  S.  169<?. 

BEWIEROOKEN,  zw.  ww.  bedr.  Wierook  kranden 
{voor  een  Qod  b.  v.).  Thans  bgna  uitsluitend  oyer- 
drachtelijk  in  den  zin  van  iemand  bijna  afgodueke 
eer  bewijzen ,  hem  uitbundig  prijzen.  ||  Als  si  daer  siin, 
soe  hebben  si  wieroec  ende  ander  dinghen ,  die  wel 
ruyken,  ende  bewieroeken  desen  afgod,  recht  ofi 
waer  den  lichaem  ons  heren,  Mandev.  42r. 

BEWIERP.  Zie  bewerp. 

BEWIGEN,  zw.  WW.  bedr.  Mnd.  bewigen.  Van 
wy  ch  (s.  ald.).  Bestrijden,  bekampen,  aanvallen,  \\ 
Dat  men  ierst  belegghen  soude  die  stat  van  den 
Briele  ende  bewighen,  Brab.  T.  VII,  8558.  Wa» 
wi  mochten  vercrigen  soccoers ,  alse  men  ons  sonde 
bewigen,  Merl.  15781. 

BEWIJNCOPEN,  zw.  ww.  bedr.  Van  wyiicoop 
(z.  a.).  Door  den  vorm  van  tóijnkoop  eene  overeenkomai 
sluiten.  \\  Alsoe  hy  dat  huys  tegens  Pieter  Jansc 
mit  enen  godespenning  ghecoft,  bewyncoept  ende 
wel  betaelt  heeft  ende  jaer  ende  dach  in  rustelick 
besit  gehadt  heeft,  Dingt.  v.  Delft  28.  Oflte  die 
guede  .  .  .  by  hoeren  leven  ind  oick  gesondt  weaen 
verkofit  ind  bewyncopt  waeren,  Racer  4,  212. 

BEWIJS,  znw.  o.  Mhd.  bewie.  —  1) Aanwijzing , 
onderrichting.  \\  Wilt  hooren . . .  ende  anacauwen 
gheestelic  bew^s,  eene  leerzame  vertooning,  F 
3.  —  Ook  in  de  uitdr.  bewijs  doen, 
doen,  den  weg  wijzen.  ||  En  haddic  nietghesijn  u  vrient, 
ende  u  bewijs  ter  eeren  ghedaen ,  dese  waerdich^t 
ne  haddi  niet  ontfaen ,  Denkm.  3 ,  164 ,  62.  —  2)  Amn- 
wijzing^  verantwoording.  \\  Rekeuinghe  ende  bewps 
daer  af  te  doene  daer  ende  alsoet  behoert ,  Infarm, 
407.  Zij  behoeren  rekening  ende  bewgs  te  doeac 
van  tguendt ,  dat  zy  heffen ,  496.  —  3)  Aanwijsing 
en  uitkeering  van  een  erfdeel.  \\  Om  te  vuldoeae 
ende  te  hondene  alsulke  bew|js,  als  wi  ghedaea 
hebben  onser  zuster  .  .  .,  van  den  welken  bewise 
wi  seker  brieve  overghegheven  hebben  onsen  broeder 
ende  onser  suster,  Brei.  T.,  dl.  2,  bl.  552. 

BEWILEK,  byw.  Mhd.  mnd.  bewilen;  hd.  kei- 
weilen.  Bijwijlen,  somwijlen,  somtijdê  (v^L  bd. 
zuweilen).  ||  So  stont  hi   (de  toovenaar)  voer  dea 


1221 


BEWI. 


BEWI. 


1222 


coninc  Nero  ende  verwandelde  sijn  aensicht;  be- 
wylen  so  wasset  jonc  ende  bewilen  wasset  out  ghe- 
scapen,  Ned.  Froza  101.  Bewilen,  als  dat  kynt 
hoDger  hadde ,  Hs.  80,  /.  42b,  Josep  tymmerde  oec 
be wijlen  f  ald.  44^.  Dat  bewilen  voert  een  recht 
gaet  tusscen  tween  partien  ende  {partyen  nl.)  be- 
wilen in  effeningen  belien,  een  vergelijk  treffen^ 
Merl  2214. 

BE WILLECOBEN ,  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  bewil- 
koren,  Vgl.  wiLLECOREN  en  verwillecoren.  Toe- 
staan  ^  veroorloven.  ||  Soe  eest  dat  wy  .  .  bewille- 
coren,  mechtigen  ende  bevelen  te  componeren  met 
alle  deghene  die  scnldech  sijn  onse  borchtgrechten . . 
te  repareren,  OescA.  v.  Antto.  1,  481. 

BEWIMPELEN ,  «w.  ww.  bedr.  Mhd.  bewimpfen ; 
mnd.  bewimpelen. 

1)  Eigenliik.  Mei  een  wimpel^  d.  i.  sluier ^  doei, 
bedekken;  sinteren.  Yooral  als  wederk.  gebruikt. 
ZieA  sluieren,  het  gelaat  bedekken,  ||  Si  hadde  hare 
bewimpelt  sere  jegcn  die  heyten  van  der  sonnen, 
Lane,  II,  14814.  Frissche  maechden,  die  hem  be- 
stoppen  ende  bewimpelen  met  een  cleyt  {doek), 
MLoep  II,  4164. 

2)  Bedekken,  inwikkelen^  omkullen,  — d)  Eigenlek. 
II   Die   wonde  bewimpelt  met  drade,  Jan  Tp.  18 

(vgl.  80).  Maect  soe  deech  met  seeme  ende  dit  be- 
wimpeld met  papier,  119.  Daer  nae  bewimpelt  dine 
tentale  {een  instrument)  voren  met  eenen  scroedekin 
van  linwade  diune,  184.  Gansenpipen  of  swanenpipen 
ende  die  bewimpelt,  Hs.  Yp.  116^.  Pillen  .  .,  be- 
wimpelt met  nuwelen  van  clareite,  bid.  —  b)  Figuur* 
lyk.  II  (Die)  een  loghen  wil  visieren  .  .  ende  so 
bewimpelen  {inkleeden),  daer  mense  hoert,  met 
doeken  die  hi  daer  om  wint,  dat  mense  voer  die 
waerheit  mint.  Rein.  II,  4194.  —  Verg.  voor  deze 
opvatting,  onse  uitdr.  onbewimpeld  en  zonder  er 
doekjes  om  te  winden. 

BEWIN ,  znw.  o.  Eig.  stam  van  het  ww.  bewinnen, 
Hei  telen ,  fokken ,  en  concreet  het  aantal  jonge  dieren, 
dat  men  (b.v.  in  een  jaar)  aanfoki.  \\  Naer  de 
grootte  van  zijn  huys,  bewin  van  zynen  beesten 
ende  havelicke  goeden,  Inform.  456. 

BEWINDEK ,  st.  ww.  bedr.  Mhd.  mnd.  bewinden, 
—  1)  Inwikkelen ,  wikkelen  in ,  omwinden  met.  Meestal 
met  eene  bep.  met  in  of  met;  soms  ook  absoluut, 
zooals  Lanc,  II,  19360:  Si  salvede  hem  die  bene 
sijn  . . .  ende  bewant  hem  wel  die  been.  ||  Men  sach 
haren  hals  ende  hare  kele  dore  den  douc . . .  daer  si 
met  bewonden  was,  Limb.  X,  216.  Doe  Joseph  dat 
lichaem  ontfanghen  hadde ,  bewant  hgt  in  een  reyn 
linnen  cleet,  Hs.  71 ,  Matth.  27,  59.  (Si)  bewanten 
in  doeken  .  .  ende  leiden  inder  cribben,  Es.  80/. 
283.  Doe  ghinc  die  coninc  daert  lach  {het  zwaard) 
met  enen  pellele  bewonden,  fTal,  3312.  Doeken 
ende  luderkine,  daer  men  mijn  lyf  in  bewant, 
Praet  4158.  (Te)  bewindene  ende  deckene  de  lem- 
mere  (der  messen)  metter  serviette ,  Matth.  Anal.  1 , 
278.  J hesum  .  .  . ,  dien  si  int  zuver  cleet  bewonden, 
O,  H,  Pass.  31,  898.  Alse  tkint  es  comen  tsiere 
ghebort ,  so  leghet  in  een  vel  bewonden ,  Vr.  Heim. 
955.  Zoe  ook  i^D.  11%  23,  529;  Nat,  ^/. II,  1159; 
Mék.  d,  Or,  S,  SQ,  S49;  D.  Orde  215;  Ruusb.  1, 
254;  2,  44;  Z>.  fFar.  5,  403.  —  Oneigeniyk  bij 
Jan  Tp.  160 :  Men  sal  dat  let  .  .  bewinden  met 
sande.  —  Ook  figuuriyk.  Bewimpelen.  ||  Die  scalke 
rade  connen  vinden  ende  die  met  loesheiden  be- 
winden, Jhet.  II,  3643  var. 

2)  Verstrikken',  vooral  in  't  deelw.;  vgl.  lat. 
implidtus,  ||  En  hadden  si  niet  mit  veel  sonden 
bewonden  geweest,  so  haddese  oec  om  sgn  stout- 
heit  geslegen  geweest  ende  achterghestoten,  D.J?. 


II  Maccab.  5,  IS.Yan  allen  siden  sullen  vrese  vervaren 
ende  sullen  sijn  voeten  bewinden,  Job.  18,  8.  Ie 
vinde  my  selven  also  bewonden  metten  vleesche 
ende  metten  sonden,  Belg.  Mus,  6,  171. 

Aanm.  —  De  bedoeling  van  bewinden,  Brand, 
94:  „Dat  zeil  dede  hi  menichfout  besniden  ende 
bewinden, ^"^  is  niet  duidelijk;  in  den  hd.  tekst  is 
er  niets  van  te  vinden. 

BEWINDEN  (Hem-),  st.  ww.  wederk.  (soms  onz. 
(ook  bedr.  ?);  zie  de  Aanm.).  Met  den  2den  of  den 
4den  nv. ,  of  eene  bep.  met  van,  of  een  afh.  zin. 

1)  Zich  onderwinden,  zich  verstouten,  het  onder- 
nemen,  het  wagen,  \\  Dat  {het  kind)  hem  nemmer- 
meer  bewinde  mi  te  soeken,  eer  het  can  spellen 
die  vroetscap,  Segh.  5348.  Haddi  u  broeder  ge- 
wesen,  gine  hadt  u  niet  bewonden  van  desen,  te 
doene  sulke  ongetrouwichede ,  Lanc.  II,  5465. 
Daer  over  hem  te  gane  bewinden  die  Gallen,  Sp, 
I*,  58,  24.  Hy  waer  sot,  dies  hem  bewonde, 
Troyen  367.  Een  rudder,  die  bewant  hem  das, 
dat  hi  om  scout  bint  enen  armen,  Franc,  9242. 
Wilstu  di  des  bewinden ,  dattu  ghevechts  wils  onder- 
winden, JD.  Cat,  175  {yar,\  w.  d.  d.  onderwinden, 
dattu  ghevechts  wils  bewinden).  Zoo  ook  ifor.  830 ; 
Wap.  Mart.  II,  147;  Sp.  II»,  41,  16;  II», 23, 45; 
Stoke  lY ,  285 ;  Amand  1 ,  194 ;  Segh.  10607.  Lact  ons 
avonturen  bewinden,  Toree  1020  (men  moet  zich 
ons  tweemaal  geschreven  denken, en  avonturen 
als  gen.  opvatten;  doch  vgl.  de  Aanm.). 

2)  Zich  ergens  toe  zetten,  het  op  zich  nemen,  || 
Dat  hi  niet  en  sonde  ten  quaden  hem  selven  be- 
winden connen,  Amand  II,  155.  Gi  moget  u  des 
soekens  bewinden ,  maer  gi  sijt  gefalgirt  int  vinden, 
Lane,  III,  4965.  Ie  wane,  ie  mi  dus  sal  bewenden 
{aldus  te  werk  gaan)  ende  sien ,  of  ie  mach  venden 
.  .  ghenade,  Theoph,  (BI.)  957  (vgl.  Sp,  I*,  11, 
33 :  Th.  .  .  ende  Th.  wilden  hem  bewinden  d  u  s). 
Niet  dat  ie  u  ghenesen  can  .  .  ,  des  soudic  my 
bewinden  node,  MLoep  I,  1701.  (Lycurgus)  die 
hem  bewant  wette  te  makene  te  Lacedemone, 
Sp.  V,  32,  44.  So  hebbic  mi  bewonden  des,  dat 
ie  nu  wil  bringhen  voort  wat  enen  dichter  toe- 
behoort, Lsp.  III,  15,  4.  Zoo  ook  Rijmb,  23; 
on.  Lied,  e.  Oed,  393,  191;  Praet  1710. 

3)  Beproeven,  trachten,  zijn  best  doen,  zich 
moeite  geven  {hd,sich  bemühen;  vgl.  4).  ||  Hetssotheit, 
dat  hy  (/.  hys)  hem  bewint,  hy  en  hefter  rycheit 
niet  een  twint,  dat  hy  teghen  ons  mach  stryden, 
Troyen  f.  25<7.  Dies  hem  bewinden  {trouwe  te 
zoeken),  ne  connen  se  vinden  iii  gheen  saysoen, 
Praet  2979  (vgl.  303).  (Si)  verbaden  Marchuse 
dat  .  .,  dat  ni  hem  wilde  bewinden  das,  hem  te 
Rcrivene  die  wort,  Sp.  I",  14,  62.  Dat  sys  hem 
wilden  bewinden  te  wrekene  moeder  ende  vader, 
III*,  15,  18.  Hi  dit  ghetal  innamen  vinde  ende 
dan  mi  te  noemene  bewinde,  Amand  II,  6381. 
Zoo  ook  I,  2001;  Mor.  UU;  3130;  Rein.  II, 
1428;  OFl,  Lied.  e.  Ged.  519,  25. 

4)  Zich  bemoeien  met  iets,  zich  mengen  in,  zich 
inlaten  met,  zich  iets  aantrekken,  \\  Yandesersake 
bewant  hem  de  van  Gelre  niet  omme  dat  Willam 
sgn  swagher  hiet,  Stoke  III,  102.  PyUtus  wijf 
die  sendem  an,  dat  hi  hem  niet  en  bewonde  van 
dien  rechten  man,  Sp.  V,  28,  22.  Gi  suUes  u  be- 
winden te  spade  als  se  toghet  hare  overdade, 
er  u  te  laat  mede  bemoeien,  aan  laten  gelegen 
liggen ,  Rosé  13969  var.  (de  lezing  van  den  tekst 
hem  bedinken  verdient  de  voorkeur). Do  grepen 
si  alle  Sostenen  . .  ende  sloeghen  voer  den  dincbanc. 
Ende  Gallio  en  bewants  hem  min  noch  meer,  Hs, 
75,   Hand,   18,   17.   Om   dese  sake  .  .  latic  die 


1223 


BEWI. 


BEWI. 


1224 


werrlnge  vortgaen  ende  en  wils  mi  niet  bewinden, 
vore  dat  ie  sie,  hoe  dat  sal  inden,  Yelth.  111,88, 
63.  Nu  genoege  n  dit  van  mi.  Inne  derfs  mi 
nemmere  bewinden,  Sp.  II>,  4,  112.  Zoo  ook 
OFl.  Lied,  e.  Ged,  149,  12;  D.  IFar.  7,  398,131 
(vgl.  123);  Invent  v,  Brttgge  3,467;512enGlo8S. 
ald,  ZU. 

6)  Ziek  het  lot  aantrekken  van ,  zich  laten  gelegen 
liggen  aan  y  de  zorg  voor  iemand  op  zich  nemen.  \\ 
Dat  hi  hem  niet  helpen,  raden,  hnzen,  hoven  .  . 
nochte  ziins  in  gheenre  manieren  bewiinden  en 
zei,  n.  V.  ütr.  1,  88,  29.  Dattu  dijns  kints  di 
alzo  vaderlike  bewints,  OFl.  Lied.  e.  Qed,  4,  76. 
Dat  bi  met  Geertmden  enten  kinden  hem  des  lants 
sonde  bewinden,  Sp.  IV»,  62,  81.  Qodsrechticheit 
sal  niement  sparen,  daer  (/.  dies?)  sine  ghenaden 
(/.  ghenade)  hen  (men  verwacht  haer)  niet  bewint, 
Praet.  2322.  Zine  rechtichede  sal  mi  daer  slaen ,  of 
zine  ghenade  sals  hem  bewinden,  2616. 

6)  Zich  bezig  houden  mety  beoefenen  ^  uitoefenen,  || 
Vader,  du  en  salt  dan  niet  versmaden,  dat  ie  mi 
gheme  duns  wercs  bewinde,  OVl,  Liedje.  Qed,  10, 
215.  Die  him  suiker  minne  bewinden ,  MLoep  1 ,  691. 
Wie  dat  hem  der  pinen  bewant,  Sp.  II',  45,  70. 
Die  menege,  die  hare  herte  binden  met  wijfs  minne 
ende  haers  bewinden,  Rote  bl.  250,  82.  Elc  sie, 
wes  hi  hem  bewent ,  Vod.  Mm.  2 ,  186 ,  277.  Eer 
hi  hem  iet  bewinden  soude  sier  officien,  Brab.  T. 
VI,  3454.  Omdat  hem  elc  daer  mach  bewinden 
sire  neringhen  in  vreden,  Heim,  466.  Zoo  ook 
Sp,  III',  6,  67;  Leid.  Keurb.  617;  Segh.  562  var. 

7)  Ten  uitvoer  brengen  y  doeny  handelen.  \\  6he- 
brake  n  eenighe  penewaerden,  der  ie  mi  af  be- 
winde {daar  ik  ale  koopman  in  doCy  handel)  y  Livre 
d.  Mest.  13.  Doe  en  wisten  si  hem  wies  bewinden 
(wat  te  doen) y  dan  wederkeren,  S^,  III',  4,  78. 
Misselijc  wes  si  haer  bewinde,  iaat  zij  doen  zou, 
Belg.  Mm.  6 ,  421 ,  77.  Die  tjran  dede  beesten 
wreet  halen,  om  den  lichame  te  verslinden,  maer 
si  en  wildens  hen  niet  bewinden,  Sp,  11^,22,28. 
Dat  si  hen  te  bant  bewinden,  uitvoeren y  ald.  38, 
10.  Groter  sonden  hi  hen  bewint ,  die  valsce  worden 
vrouwen  toesint;  rechts  soe  sal  ie  mi  moeten  be- 
winden {recht  zal  ik  er  over  moeten  doen) ,  Blitc.  v, 
M.  625.  Waeraf  wildi  u  he\r inden  {toat  tvilt  gij  gaan 
d^en)  ?  Waendi  int  water  avonture  vinden  ?  Lane.  II , 
1529.  (Si)  vraechde  wies  ie  mi  bewant,  taat  ik  ging 
doen  {mnl.  ook  watmigesciede),  OVl.  Lied.  e. 
Oed.  250,  506.  Zoo  ook  ijp.  Il» ,  18,  26.  — Vandaar 
dat  hem  bewinden  iet  te  doene  soms  de  bet. 
heeft  van  het  vervoegde  ww.  alleen.  ||  Die  moeder 
es  die  hare  bewint  te  cussene  ende  te  helsene  tkint, 
JHtp,  534. 

8)  Zich  iets  aanmatigen  (b.v.  het  gezag  y  bestuur)  \ 
de  macht  zich  toeeigenen  y  aanspraak  maken  op.  \\ 
Wes  bewinden  hem  dan  de  Vriezen?  Stoke  I, 
765  (vgl.  768 :  dat  si  h  e  m  vriheden  vermeten). 
Alsoe  dit  huys  .  .  gheervet  is  van  Dirick  Jansz. , 
des  hem  Pieter  Jansz.  bewonden  heeft  ende  aen- 
ghevaert  heeft  ende  n  oeck  vercoft  heeft.  Dingt, 
V,  Delft  29.  Overmits  dat  him  die  grave  van  Gelre 
tegen  was,  so  en  bewant  hi  hem  tslants  van 
Overyssel  niet,  Clerc  67.  Dat  die  bisscop  van 
Utrecht  mit  onrecht  hem  bewynden  wil  die  graef- 
scip  van  Ostvrieslant ,  82.  Als  hi  hem  die  f  hoge 
heerlicheit  ende  gerechten  van  desen  dorpen)  be- 
wonden hadde,  Ooi-kb,  2,  211a.  Soe  en  sal  ie  .  . 
mi  voortan  der  slote  niet  meer  .  .  bewinden , 
Brab,  Y,  VII,  2786.  Dat  hi  hem  der  lande  .  . 
van  Hollant  ende  Zeelant  niet  meer  en  bewonde, 
8270.  Sulke  goeden  en  sal  hem  nyement  bewinden, 


dan  die  heerlicheit  alleen,  want  wair  hemyement 
anders  dier  bewonde,  hy  misdede  der  heerlicheit, 
Matth.  176.  Persepolis  mede  wan  hi  .  . ,  die  al 
vul  was  ouder  rijcheden,  dier  hem  niemen  en 
bewant,  Sp.  I*,  29,  19.  Tvgfste  point,  dies  haer 
minne  bewint  {waarop  de  liefde  aanspraak  maak  f)  y 
OVl.  Lied.  e.  Ged.  521,  109. 

Aanm.  1)  —  Kene  enkele  maal  vinden  wij  het 
onz.  bewinden  gebruikt  in  plaats  van  het  wederk., 
b.v.  Rein.  11  y  4834:  „Hi  en  heeft  ooc  niemen,  die 
sfjns  bewinden,  hem  en  wil  helpen  maech  noch 
vrient  (hetzelfde  als  hem  bewindend).  Dit  onz. 
WW.  zal  ook  wel  bedoeld  zijn,  Praet  2333  (zie 
Wederk.  5);  Torec  1020,  en  D.  Cat.  175  (zie 
Wederk.  1). 

Aanm.  2)  —  Stoke ,  dl.  2 ,  bl.  443,  vs.  2 :  „Hoc  dat 
quam  dat  bewant  die  Grave  van  Vlaenderen  dese 
ainc,^*  zal  men  wel  moeten  lezen :  „dat  hem  bewant . . . 
deser  {of  dese)  dinc."  Zie  wederk.  4).  In  elk  geval, 
hetzQ  men  hier  iet  bewinden  heeft  aan  te  nemen 
of  hem  iet  bewinden  y  is  de  beteekenis  dezelfde. 

BEWINDER ,  znw.  m.  en  vr.  Of  van  bewenden, 
in  den  zin  van  besturen y geleiden.  Beschermer y -ster; 
geleider y  -ster  (hetgeen  het  eenvoudigst  is),  io 
welk  geval  de  eigenlgke  vorm  bewender  zon 
z|jn.  Of  van  hem  bewinden  in  de  bet  5).  Hy 
die  belangstelt  in  iemand  y  zich  iemands  lot  aantrekt  \\ 
(Maria)  altoos  wilt  wesen  ons  bewinder.  Lost  oot 
te  tijt  vor  tsfiants  kijf,  OVl,  Lied.  e,  Ged.M,  125. 

BEWINDICH,bnw.  Van  hem  bewinden,  inde 
bet.  4).  Bemoeizieky  wijsneuzig  y  in  alles  mee  wit  lende 
praten.  \\  Dese  jonghen,  als  sy  eerst  inden  sc«pen- 
dom  gheordineert  sijn,  zullen  wesen  scamel,  dats 
niet  condich  ipedant)y  noch  bewindich,  in  woirden 
noch  in  werken,  mer  sullen  rasch  ende  snellic 
horen,  Matth.  49. 

BEWINC,  znw.  m.   IFenky  knik\  ftg.  leiding.  \\ 
Elc   zye  dat  hine  {den  properen  wille)  wel  bestede 
ende  gheve  hem  vroet  bewinc,  fTap.  Rog.  206. 

BE  WINNEN ,  st.  ww.  bedr.  Mhd.  bewinnen  (hoewel 
in  andereu  zin).  Bebouwen  y  van  het  land  gezegd.  || 
Wy  bidden  u,  dat  ghy  mitter  hant  ons  gheft  lant 
ende  woestyne  te  bewynnen  mit  onser  pyne ,  Troyen 
f,  259*. 

BEWINT  (bewent),  znw.  o.  Hetzelfde  als  be- 
want (z.  a.).  Alle  drie  de  woorden  kunnen  wiasel- 
vormen  zijn  (vgl.  bekinty  bekent,  bekanf),  óf  de  beide 
eerste  kunnen  als  wisselvormen  komen  van  bewinden 
(2e  art. ,  vgl.  vinden  en  venden) ,  of  van  bewemden 
(hetgeen  het  waarschijnlijkst  is;  zie  ald.  bedr.  2); 
öf  bewint  kan  van  bewinden  en  bewent  Tan 
bewenden  komen. 

1)  Administratie  y  bestttur,  \\  So  wie  in  der  stede 
boec  niet  ghescreven  en  staet,  die  ensel  gheen 
bewint  hebben  van  der  stede  goede.  Leid,  Kettrh. 
99,  118.  Dese  vrouwe  sal  dbewint  hebben  van  den 
cloestre  algader,  Denkm.  3,  187,  30.  Bewent , 
momborie  ocht  regement,  Brab,  Y.  Vil,  6411. 
Tselve  regement  van  der  stat  ende  al  tbewent, 
VI,  5036.  Wildy  leven  in  goeden  vrede,  maect 
uwen  staet  van  cleynen  bewinde,  richt  «we  Ams- 
houding   en   uw  leven  eenvoudig  m,    Sp,  d.  J.  210. 

2)  Macht y  gezag,  \\  Haer  regement.,  daer  macht 
aen  cleeft  ofï  groot  bewent,  Brab,  Y,  VI,  119. 
Datti  tVlaemsce  diet  in  payse  hilde  sonder  bewint, 
zonder  mach tsontwik keling y  dwangmaatregelen^  FL 
Rijmk,  8204. 

3)  Betrekking  y  bediening,  \\  Hoewel  die  ..  lieere 
van  Assche  .  .  in.  gheenen  bewinde  en  soude  wesen 
bi  den  Hertoghe ,  Brab.  Y,  VII ,  10446  (vgl.  vs.  '76 : 
ambacht).  Die  moeder  met  haren  soeten  kinde  die 


4225 


BEWI. 


BEWI. 


1226 


B&l  zijn  van  bewinde  te  bewaerne  tornament  van 
der  kerken,  Denhn,  8,  187,  37. 

4)  Gelegenheid  (?).  ||  De  Cappellaen  en  heeft  geen 
bewint  gehadt,  om  dat  oock  seeckerlick  te  weten, 
Inform.  78. 

BEWISEN,  st.  en  zw.  ww.  bedr.  (de  oorspr.  ew. 
vervoeging  is  in  H  mnl.  nog  de  gewone ,  doch  ook 
de   sterke    komt  reeds  voor).  Mbd.  mnd.  hewisen, 

1)  Wijzen^  toonen.W  Uut  desen  wolken  wort  ons 
die  alrecorste  rechte  toepat  des  levens  bewijst, 
Stemmen  167.  Conciencie,  die  ons  bewiset  die 
weghe,  daer  men  in  mesdoet,  O  VI.  Qed.  3,  134, 
292.  Hi  en  can  dan  niet  bewisen  dan  baert  ende 
tanden,  Iluge.  v.  Bord.  77.  —  Ook  elliptisch  voor 
den  weg  wijzen.  \\  Haddic  u  ontzweghen  te  troestene 
ende  niet  bewgst  ter  eeren  . . ,  ghi  waert  soiltcnapen 
als  te  voren,  Benkm.  3,  164,  56. 

2)  Aanwijzen^  aantoonen,  \\  Soe  bewijsde  hi  hem 
y ilvoerden ,  omdat  hi  ten  selven  tiden  nte  ende  in 
sonde  riden ,  Brab.  T.  Y,  2920.  Dat  hy  hoer  bewisen 
soude ,  welc  die  Grave  van  HoUant  waer  onder  die 
ridder  soap,  Matth.  dnal.  3, 147.  Tot  welckenpoorler 
men  ghelt  noch  pande  en  weet  te  bewezen ,  die 
mach  men  panden  an  zyn  poortrecht,  0.i,v.EoU. 
29,  78.  Datti  ons  enen  naem  bewise,  eumwijze^ 
noeme,  Blisc,  v.  if. '1749.  (Hi)  bewysdem  enen 
knecht  ende  een  bedde,  daermen  echt  in  sine 
woninge  sgns  plegen  soude,  Sp.  III',  23,  98. 
Wi  sullen  toet  onser  wedercoemste  .  .  .  bewisen, 
waer  elc  land  syn  dyc  ende  sine  wateringhe  hebben 
zal.  Mieris  2,  212^.  So  zalmen  eiken  zQn  wercbe- 
wgsen,  Sckaakep,  62^.  Het  en  zij ,  dat  men  eiken  zijn 
eeghin  werc  bewijst ,  ald.  Zie  ook  Leid.  Keurb,  Gloss. 
—  Ook  iemand  eene  plaate  aanwijzen ,  Aem  ergent  heen 
genden,  \\  (Die)  naer  den  loep  van  den  live  mi  bewise 
ende  bedrive  ter  bliscap  sire  vrienden,  die  hem 
wel  te  wille  dienden,  O,  Intern.  11.  Die  ziele 
.  .  .  keert  te  hant  te  Gode  waert,  ofte  daerse 
God  bewpt,  Ltp.  I,  16,  37  par.  —  Ook  in  den 
sin  van  eene  plaats  bepaald  aanwijzen ,  uitdrukkelijk 
noemen.  \\  Dat  (si)  souden  ...  dat  geldt  gheven, 
daert  hem  de  Hooftmannen  bewgzen  souden ,  Cron. 
V.  Vlaend.  2, 124.  TotCleveineenbewgsdeherberghe 
dye  hi  ons  wgst,  Kgh.  2,  40.  —  Met  eene  zaak 
als  ondw.  Uitwijzen.  \\  Een  huus  also  groot  als  de 
▼orseide   plaetse  bewjst,  Diericx,   Mem,  2,  444. 

S)Jantoonen^  doen  zien ,  mededeelen.  \\  Hadde  enich 
beter  wise  gheweest,  onse  Here  hadse  bewQst, 
Buusb.  3 ,  49.  Hoemen  die  substancie  ertseer  dinghen 
deylen  sal  in  vier  partien,  dat  hebbic  voren  be- 
wast ,  6, 130.  Proeft,  want  hi  (CAm /m) hoeveschelec 
bewgst,  dat  smenschen  scout  es,  daelt  hi  of  ryst, 
Binel.  609.  Omme  hem  t«  bewisene  den  eed  die  hi 
der  stede  ende  den  volke  doen  zoude  ende  tvolc 
hem,  Invent.  ».  Brugge  4,  363.  —  Ook  w  zich 
zelven  d-oen  z%en\  door  zijn  voorbeeld^  door  daden 
toonen.  \\  Dat  heeft  die  Heer  bewnst  te  gronde, 
Hild.  126,219. —  Yandaar  bispel  bewisen,  het 
voorbeeld  geven  (eig.  toonen),  \\  Aldus  doensitfolc  ver> 
doren ,  dien  si  souden  leven  voren  ende  bewisen  goet 
bispel.  Kerk,  Cl,  43.  —  Ook  met  een  boek  of  ge- 
schirift  als  ondw.  Boen  zien^  verhalen^  vermelden.  \\ 
«Lex  domini  immaculata,^*  ende  voort  also  tveers 
{in  Tt.  19,  8)  bewQst  {wij  zouden  aé;^^^  inhoudt) , 
Amand  II ,  696.  Die  text  van  der  ewa  ngelien  bewast 
ons ,  hoe  datter  in  dien  tiden  .  .  .  twe  van  Jesus 
jongheren  ghingen  tot  enen  casteel,  die  Emaus 
hiet.  Stemmen  166. 

4)  Onderwijzen (mn\, ook  wisen).  ||  ^Si)begheerden 
Toor  alle  dinghen  sjjn  gheselscip  enae  syn  bewisen, 
Amand  I,  3042  (hier  fus  znw.  gebruikt :  (MM^tmpi;^). 


6)  Begelen,  besturen ^  regeeren,  \\  Omme  dat  {het 
gild)  te  regierene  ende  te  bewjsene,  in  sulcker 
manieren  als  daer  toe  behoren  sal,  Diericx,  Mem, 
2,  91. 

6)  Toewijzen  ^  toekennen,  ||  So  wye . . .  eniger  kerc- 
ken,  .  .  .  huysen  off  erven  gheeft,  besprect,  be- 
wust of  belooft,  K.  V,  Brielle  14,  19.  Om  des  si 
Antwerpen  sullen  houwen  voer  tien  dusent  penningen 
. . . ,  soe  hen  dat  es  bewesen ,  Brab.  Y,  YI ,  1962, 
Tuernhout  .  .  . ,  dat  haer  susterghedeilte  was  . . . 
soet  haer  bewast  was  te  voren,  11122.  Hierjegen 
hebben  sy  weder  ontfangen,  die  him  bewast  s^n 
in  mynderinghe  vander  sommen  voirscr. ,  an  koime 
an  meel,  248  oude  scilde,  Oorl.  v.  Albr.  116.  Dat 
ons  bewgst  ware  die  glorie  ende  ghegheven, 
Amand  II,  726. 

7)  Yan   eene   schuld.   Met   eene   bep.   met  op. 
Goederen  aanwijzen  waarop  de  schuld  kan  worden 
verhaald ,  ze  daarvoor  verÜnden ;  ook  een  cijns ,  eene 
rente  daarop  vestigen;  een  kapitaal  of  onroerend  goed 
aanwezen  f  en  de  renten  daarvan  of  een  gedeelte  voor 
een  bepaald  doel  bestemmen  {vgl,  besetten).  ||  Yort 
moet  Willem  vorseit  bewisen  ende  besetten  erfelike  in 
de   Hasselt   YI   pont  .  .  .  tsjaers,  ende  ie  gheve 
XII  fê  .  ,  .  tsjaers  daertoe,  die  miin  joncfrouwe 
van  Zedeghem  .  .  .  bewisen  sal  ende  sculdech  es 
te  bewisene,   Vod.  Mus,  4,  338.  Die  .  .  .twintich 
scelghe  sjars  hevet  ver  Lisbette . . .  bewist  (/.  be- 
wijst) ende  beset  wettelike  up  huus  ende  arve,  dar 
soe  waende  ...,  t^  gheldene  alle  jaer,  ZVl.BiJdr. 
4 ,  208.  Zoo  ook  Mieris  2 ,  120a,  passim,  Erfrenten . . , 
die    se    haer    bewjjst    hebben    ende   bewisen   in 
sekere   steden   hier  na  beschreven,  dats  te  weten 
die  renten  van  Tuernhout ,  Brab.  F  ,  dl.  2 ,  bl.  483. 
De  welke  {gelden)  der  voors.  stede  bewijst  waren  te 
hebbene  ende  tontfanghene  up  enighe  van  den  smalen 
steden ,  Invent,  v.  Brugge  4 ,  61 ;  vgl.  ald,  62,  en  Gloss. 
ald.  691b.  Dese  voreghesegde  penninghe  heft  hi  hem 
bewist  (/.  bewijst)  op  sien  hues  ende  op  sien  hoef. 
Vod.  Mus,  1 ,  101.  Welke  penninghen  wi  hebben  be- 
wesen . .  op  thertoghedom  van  Lutzenborch,  Brab,  Y, 
YII ,  1418.  Bewisen  up  yheestelic  lant ,  Bek,  d.  Gr.  1 , 
348  vlg.  passim.  Om  oat  hi  niet  en  dorfte  sorghen 
om  sinen  noodtorfte,  so  bewysden  si  hem  tcheins 
op  haer  lant,   Lsp.  I,  36,  41.  Op  die  rente  .  .  . 
van   den   Bossche   bewesen   wale   elcx  jaers  drie 
hondert  riale,  Brab,  Y.  YI,  2322.  Soe  bewisen  wi 
hen   ende   benoemen  jaerlecx  dusentech  pont  van 
diere  jaerliker  renten,  die  si  ons  gelooft  hebben j 
te  ghevene  viertech  jaer  naestcomende ,  die  scade 
ende  dien  cost  mede  te  geldene ,  a/i/. ,  dl.  2,  bl.  619. 
Dair   voor   soude   hi  den  convent  assigneren  ende 
bewisen  tot  eewigen  dagen  hondert  ponden  parisys 
jaerlicx,  Exc,  Cron,  1806.  Of  ennich  ghebrec  aen 
desen   renten  ende   tollen  .  .  were  .  .,  soe  solewi 
dat  ghebrec  bewisen  ende  vervullen  aen  anderen 
onsen   sekeren   renten ,  NQh.   1 ,  406   {aanwijzing 
doen ,  om  het  tekort  aan  te  vullen).  —  Ook  in  *t  pass. 
Eene  assignatie  hebben  op  iemand.  \\  Daer  hi  myns 
heren  brief  of  heeft  .  .  .,   met  welken  brieve  hi 
bewijst  es  upten  rentmeester  van  Kenemerlant  {met 
welken  brief  hij  zich  om  betaling  vervoegen  kan  bij)^ 
Bek.d,  Gr,  3,  332.  Zoo  ook381^w««.Ontfaen  van 
heren   Symoen   van   Teylinghen,  die  hi  m|jn  here 
leende  in  ghereeden  ghelde ,  daer  hi  of  bew{|st  es 
weder  tontfane  upten  rentmeester  van . . .  Yrieslant, 
333.   Yoor   welke  somme  zoe  bewesen  es  up  den 
pacht    van    den   yssue   tooter  vuiler  betalinghe, 
Invent,  v,  Brugge  6,  399.  Zoo  ook  Eek,  d.  Gr.  2, 
201,  en  Belg,  Mm.  6,  90  (zie  op  bewisenesse^. 

7)  Uitkeenng  doen  aan  iemand,  ||  Aldus  heeft  die 


4227 


BEWI. 


BEWI. 


d228 


TTonwe   vroet  eiken   kinde   bewijst  btjiï  goet  met 

goeden,  vroeden,  wisen  rade,  F/.  Rijmk.  6820. 
lm  das  hi  die  meerder  wilde  begeren  dan  men  se 
hem  wilde  consenteren  ende  hi  daer  af  won  sijn 
bewesen  {uitkeering  ontvangen) ,  Brab,  Y.  VI ,  920. 
Dat  wg  onsen  lieven  neve  .  .  .  gegheven  ende  be- 
wijst hebben  drye  dnsent  alde  scilde,  NUh.  3,  72 
(ygl.  260).  Dat  si . . .  de  gravinne  van  Vlaenderen 
goeden  moghen  ende  bewijsen  in  onse  land  yan 
Brabant,  Brab.  T.,  dl.  3,  bl.  477.  Hi  .  .  was  niet 
tevreden  met  tgeen  dat  hem  bewesen  was,  Exe, 
Cron.  138a  (vgf.  160c).  Van  welker  somme  .  .  de 
stede  bewyst  ende  ghegheven  heift  Andriesse  .  . 
ontfanghere  van  Ylaendere  ...  de  7642  fl^  par., 
Jnvent.  v.  Brugge  4,  61. — Vgl,  onze  nitdr.  moeder- 
lijk bewijs. 

8)  Ergens  voor  instaan ,  als  rechtsterm,  welke  be- 
teekenis  die  van  ons  bewijzen  nadert ;  sy'non.  van  b  e- 
waren  (z.  ald.  14).  ||  So  zondemen  recht  doen  . . .  an 
des  gheens  ffhereetste  gleden  . . . ,  so  waer  dat  ment 
bewisen  of  bewaren  conde  binnen  der  vriheit  van 
Dordrecht,  O.  K.  v.  Dordr.  170. 

9)  Aan  den  dag  leggen,  doen  blijken ,  bewijzen.  \\ 
Si  (lant,  bosch  ende  riviere)  bewijsdent  oec  in 
desen,  .  .  .  dat  soe  (de  maan)  daerom  was  ver- 
varen ende  dat  hem  die  sterren  bolghen ,  Alex.  III , 
1196.  De  mensce  heeft  ongehorsamheit  bewijst 
ende  n  gebot  weerleit,  Blisc.  v.  M.  bbl.  Dine 
grote  minne  ende  liefde,  die  du  mi  heves  bewjjst 
in  dinen  bitteren  dode,  Vad.  Mus.  2,  432.  Der 
getroQwichede ,  die  hi  sinen  heere  aldaer  bewQsde, 
Brab.  Y.  VI ,  1648.  Hy  wort . .  wel  ontfaen  ende  zeer 
gheprijst  ende  (nl.  hem  wordt)  menighe  doecht  ende 
eer  bewijst,  Hild.  77,  122.  —  Behoort  hiertoe  ook 
Clerc  46:  „Als  grave  Florijs  doet  gebleven  is ,  wart 
Dirc  siin  soen  die  negende  graef  van  Hollant ,  dat 
hi  bewijsde  mit  siins  vaders  wapen ,  als  men  siet  ?" 

—  Ook  van  onaangename  bejegeningen  gezegd, 
verbonden  met  een  obj.  als  oneer,  schande,  enz. 
Aandoen.  ||  So  en  conste  hy  hem  gheen  qnaet 
bewijsen,  want  Hnyge  was  snet  ende sachtmoedich 
als  een  lam,  Huge  v.  Bord.  76.  Dat  ghy  my  dese 
schande  bewijst  sonder  schalt,  is  my  t'hert  om 
verdraghen,  Mar.  v.  N.  b,  96.  Onse  onrecht  dat 
wi  bi  onsen  levene  bewijst  hebben,  Oorkb.  2, 
426d  (vgl.  a ,  waar  de  zin  niet  dnideiyk  is).  (Want  si) 
den  hertoghe  ende  sinen  lande  bewesen  hebben 
oneer  ende  schande,  Brab.  Y.  YII,  10616.  Dat 
nyemant  den  rectoer  vander  scholen  .  .  onstandt 
en   bewyse   met  woerden  off  met  werken,  O.  R. 

.  V.  Dordr.  1,  296.  Dat  si  desen  casteleyn  anders 
niet  en  bewesen  noch  eenige  p{jn  .  .  aendeden, 
dan  si  wilden  dat  haer  .  .  eedelen  .  .  aenghedaen 
.  .  worde.  Esc.  Cron.  209a. 

10)  Verschaffen ,  geven ,  schenken.  \\  Sodanctehi 
hem  seer  van  s^nre  gaven,  die  hi  hem  bewesen 
hadde,  Huge  v.  Bord.  69.  Rechte  boete  te  bewisene 
van  sinen  sonden ,  Amand  1 ,  4367.  Ëlcs  {van  sinen 
kinderen  bij  Cetttra)  bewijsde  hi  enen  hoec  vanden 
lande  .  .  ende  al  dat  Abraham  hadde,  dat  gaf  hi 
Ysaac  sinen  soen,  B.  v.  1367,  16^.  —  Enen 
ene  aelmoesene  bewisen,  iemand  eene  gave 
schenken.    Zie    een    voorbeeld    bij    aelmoesene. 

—  Ook  van  iets  onaangenaams.  ||  Dies  tende 
{het  einde)  bewijst  vreese  der  doot,  dat  ons  allen 
toecomende  es,  dies  sondewy  .  .  altoos  om  een 
goet  ende  pooghen,  Amand  II,  6623. 

11)  Volbrengen,  doen.  \\  Hem  doen  ende  be- 
wisen .  .  aldat  een  goet  ondersate  .  .  mach  sinen 
reohten  here,  Brab.  Y.  VII,  10919.  Vele  Inden, 
die  bewisen  grote  wercken,  Bansb.  3,  89.  —  De 


onb.  wQs  als  znw.  Doen,  handelen,  handelwijze. 
Dronckenscap  en  es  anders  niet  dan  dat  men  enen 
minsche  siet  syns  dancs  bi  syns  selves  bewisen 
sinen  vrien  sin  verliesen,  OFl.  Qed.  3,  118,  483 
(misschien  moet  hier  in  plaats  van  bewisen  om  hei 
rym  te  herstellen  riesen  gelezen  worden). 

12)  De  onb.  wijs  bewisen  gebruikt  in  den  zin 
van  ons  bewijs,  kenteeken.  ||  Het  is  een  bewisen 
der  groeter  minnen  ons  Heren  Jhesn ,  Stemmen  96. 

Wederk.  —  Zich  gedragen,  zich  toonen;  hd. 
sich  beweisen.  ||  Di  selven  alle  dgn  jaren  snlstn  so 
eerlick  bewisen ,  datti  nyemant  en  mach  misprisen, 
MLoep  IV,  904.  Die  haer  in  suiker  eer  bewQst, 
dat  menre  off  scrgfft  in  boeken,  1664.  —  Ook, 
eenigszlns  vreemd,  met  eene  bep  met  te.  |)  Die 
hem  te  paise  wille  bewysen  {zich  op  vrede  wil 
toeleggen,  zich  vreedzaam  gedragen),  diesalinGode 
weder  verrisen,  O  VI.  lAed.  e.  Qed.  349,  1016. 

BEWISËNËSSE,  -ISSE,  znw.  vr.  Aanwijzing, 
vooral  de  aanwijzing  van  een  goed  tot  zekerheid. 
Vgl.  BKwiSEN  4),  en  bewisinge  4)).  ||  Soe  sal 
«  mens  gheloven  den  ghetugenessen,  die  waren  over  die 
bewisenesse,  Brab.  Y.  VI ,  6721.  Mids  bewgssenyssen 
ende  goedvngen  van  hare  suster  van  Vlaenderen,  Dl .2, 
bl.  669.  Voirt  geloven  wy  hen,  dat  wy  van  dier . . . 
renten,  die  zy  ons  gelooft  hebben  te  gevene  20  jaer 
naest  comende  . .  niemene  bewyssenesse  doen  en  selen 
noch  bewijsen.  Dl.  1,  bl.  771.  Want  dat  die  gene, 
die  Igftochte  hebben  op  die  stat  ende  bewgst 
werden  op  die  coperen  van  den  assisen ,  coat  ende 
teere  daden  ochte  scade  rekenden  op  die  stad  . . , 
dien  cost  .  .  selen  die  coperen  van  den  assisen, 
daer  die  bewisenesse  aen  gedaen  is,  gelden  ende 
betalen  den  lijftochteneren ,  Belg.  Mus.  6 ,  90.  —  Ook 
de  aldus  verzekerde  vordering.  \\  Antwerpen  .  .  . 
metter  toebehoerten  groot  ende  smal  ende  mett«r 
bewisenessen  al,  Brt^.  Y.  VI,  11600. 

BEWISINGE,  znw.  vr.  Mhd.  bewisunge;  mnd. 
bewisinge.  —  1)  Vitw^zing,  uitspraak.  \\  Blivende 
de  peene  van  eere  ende  trouwen,  die  de  heren 
daer  onder  gheset  hebben,  tot  onser  bewisinghe, 
Nijh.  2 ,  226.  Alle  saicken ,  die  men  behoifft  bynnen 
deser  schouwen,  die  sullen  staen  ther  heymraider 
verclaronge  ende  bewysonge,  261. 

2)  Aanwijzing,  opgave.  \\  Soe  sal  hij  sinen  reyders 
scriven  ende  inder  scriflte  bewisinge  doen,  woe 
hij  gevaren  heeft,  Overijs.  K  I',  131.  Item  vat 
brouwer  sijn  bier  selve  tapt,  die  sal  den  exisenairs 
dair  bewisinghe  off  doen  van  elcken  vate  van  sgnen 
exsys,  Leid.  Keurb.  614  §  6. 

3)  Verantwoording,  rekenschap.  ||  Diere  ons  goede 
bewysinghe  of  doen  zal ,  Invent.  v.  Brugge  4 ,  492. 
—  Vooral  in  de  uitdr.  Rekeninge  ende  be- 
wisinge, rekening  en  verantwoord^.  \\  (Wanthi) 
hem  van  genen  saken  rekeninge  nochte  bewysinge 
en  dede ,  Matth.  Anal.  3 ,  260.  Weer  tsake ,  dat  hi 
van  onsen  tollen  .  .  meer  opboerde,  dan  hi  van 
onser  wegen  uytgheve  .  . ,  daer  sonde  hi  ons  goede 
rekeninge  ende  bewisinge  af  doen,  Nijh.  3,  49. 
Aldair  ter  stede  goede  rekeninghe  ende  bewisinghe 
of  te  doen ,  Leid.  Keurb.  161 ,  33.  Zoo  ook  K.  r.  Vtr. 
2,  42;  43  e.  e. 

4)  Aanwijzing,  toewijzing  van  een  bepaald  goed,  b.v. 
als  erfdeel,  aanwijzing  tot  zekerheid;  ook  de  sekerkeid 
zelve.  II  Als  ick  hem  dese  bewgzinge  an  seker» 
genoemden  gode  hebbe  gedaen ,  so  sall  ie  benoi  dair 
op  mgnen  openen  brieff  geven ,  Nijh.  1 ,  432.  Dat 
hunne  goitshuys  .  .  gheheelic  ende  al  niet  ge- 
houden en  selen  sijn  in  deser  bewisinghen ,  Brak.  Y. 
Dl.  2,  bl.  483.  De  vuile  bewisinghe  van  dei 
X"  guldinen  sjaers,  bl.  662.  Die  bewisinghe  van 


1229 


BEWI. 


BEWO. 


1230 


den  tien  dusent  penninghen ,  die  vrouwe  Margriete 
hebben  sal  op  Antwerpen,  £rab.  Y.  Vl,  2093. 
Alsoe  ons  gheminde  nichte  .  .  noch  bewisinghe 
ghehad  en  heeft  noch  betalinghe  van  hnwelike, 
1887.  Waer  bi  onse  lieve  nicht  van  Ylaendren  sal 
hebben  die  bewisinghe  al  op  Antwerpen,  2014. 

4)  Uitkeerinff]  ook  in  concr.  sin  de  som  die 
uitgekeerd  wordt,  \\  Alsoe  .  .  die  twie  vestmeesters 
last  gehad  hebben  der  wesekinder  bewisinghe 
van  der  stede  wegen  te  ontfangen,  Leid,  Keurb, 
167,  60. 

6)  Bewijs,  —  a)  In  den  zin  van  kenmerk,  ||  Altoes 
wel  te  doen  ende  weynich  van  heniselve  te  honden 
(met  zich  zelf  op  te  hebben)^  dat  is  bewisinghe 
van  eenre  oetmoediger  sielen,  Ned,  Proza  247. 
—  3)  In  den  zin  van  waarheidsblijk,  \\  Men  sal  alle 
rejsen  overscriven,  woe  menigen  nacht  ende  dach 
ende  mit  woe  vele  perden  men  uutgheweest  es  tot 
gaeder  bewisinge,  Overijs,  R.  1^,  175. 

6)  In  de  uitdr.  Onsteghe  bewisinge,  Aet 
bewijzen  van  gunsten]  gimstige  gezindheid,  genegen- 
heid (vgl.  BE  WIS  EN  10)).  II  Die  edel  keiser . .  toende 
onsteghe  bewisinghe  sinen  bmeder,  maer  snuder- 
linghe  sijnre  suster  der  hertoginne  bewgsde  hi  .  . 
grote  minne,  Brab,  Y,  VI,  6990. 

7)  Het  doen,  het  tot  stand  brengen,  volbrenging. 
Vooral  in  de  uitdr.  bewisinge  van  werken, 
het  doen  van  werken,  de  daden  zelf.  ||  Dat  vierde 
teyken  is  bewisinghe  goeder  werken ,  Stemmen  173, 
So  was  die  heer  so  doghende,  dat  die  bewisinghe 
synre  werken  hem  dede  toegheven  den  naem  van 
eeren,  dat  men  hiet  goede  grave  Willem,  Matth. 
30.  Den  ghenen  daer  si  hem  keren  an  na  be- 
wisinghe van  haren  wercken,  Hild.  247,  92. 

BEWISSEN.  Zie  bewessen. 

BE  WISSEN  (Hem-),  zw.  ww.  bedr.  en  wederk. 

Bedr.  —  Zeker  maken,  bewijzen,  Vgl.  mnd.  be- 
wissenen,  d.  i.  eicherheit  geben ,  en  Kil.  bewisten,  d.  i. 
versekeren,  ||  Des  so  sullen  de  parten  . .  malkanderen 
ghenochsum  besorghen  ende  bewissen  m^t  seghele 
ende  breven,   Warfsconstit.  137. 

Wederk.  —  Zlch  verzekeren,  zich  vergewissen.  \\ 
Die  Pauwes  die  ginc  hem  bewissen,  wien  hi  de 
crone  gheven  mochte,  Stoke  III' 756.  Oecmoghen 
si  lachtren  nemmermere  den  ammirael  ente  sine . . , 
want  si  connen  hem  bewissen,  z^f  kunnen  zich 
zelven  overtuigen  (?),  TX,  664. 

BEWISTEN.  Zie  bewessen. 
*  BEWONDEN  (Hem-)  ,  zw.  ww.  wederk.  Met  den 
2den  nv.  Hetzelfde  als  hem  bewinden.  Zich  be^ 
moeien,  gieh  inlaten  i9i^/.  ||Och,  wat  deder  mi  be- 
wonden,  des  en  kan  ie  niet  ghe weren,  wat  deed  mij  mij 
met  haar  inlaten,  waarom  liet  ik  mij  met  haar  in\ 
D,  War.  8,  84,  20  (zoo  althans  kunnen  de 
eenigszins  duistere  woorden  worden  opgevat). 

BEWONEN ,  zw.  ww.  bedr.  Mhd.  bewonen,  —  1)  In 
de  tegenw.  beteekenis.  ||  Gi  selt  husen  tymmeren 
ende  gi  en  seltse  niet  bewonen,  B,  v,  1357,  77a. 
So  waer  elc  siin  deel  te  clein  te  bewonen  sy, 
B.  V,  Utr.  2,  194. 

2)  Een  recht  bewonen,  een  recht  behouden 
door  op  eene  bepaalde  plaats  te  wonen  (in  eene 
stad  b.  V.).  II  Dat  sy  woenstadt  daermede  houden 
ende  haer  poortrecht  daermede  bewonen,  O,  R. 
V,  J)ordr,  1 ,  297 ,  83  (de  verandering  van  bewonen 
in  bewaren  is  overbodig). 

BEWOONRE,  znw.  m.  Bewoner.  \\  (So)  mach 
die  gene,  die  de  husinge  off  dat  erve  toebehoren  . . 
den  bewoenre  twe  mmyngen  off  bieden ,  B.  v,  Ütr, 
2  f  264.  Ter  eerster  mmynge  sell  die  bewoenre . . 
borgen   setten,   ald.    Wairt  dattet  die   bewoenre 


nutdede,  ald.  Dien  scade  sell  die  bewoenre  hem 
rechten  ende  verstoren,  ald. 

BEWORPEN.  Zie  bewerpen. 

BEWORREN ,  deelw.  van  bet  st.ww.  b  e  w  e  r  r  e  n; 
mhd.  bewërren;  mnd.  bewerren.  Verstrikken,  ver- 
warren ;  vgl.  hd.  verworren.  \\  Bruder  Were  heft  sin 
herte  also  beworren  met  wereltliken  saken,  datter 
nit  guts  in  en  mach ,  Limb.  Serm.  210a.  —  Vgl.  mhd. 
beworrenheit  en  beworrenHche  (Lexer  1 ,  258). 

BE  WORTELEN,  zw.  ww.  bedr.  Grondvesten, 
Slechts  in  het  deelw.  bewortelt,  d.  i.  geworteld  en 
gegrondvest,  \\  Die  sevende  doecht  .  .  die  staet  be- 
wortelt in  oetmoede  ende  op  een  zeker  fondament, 
Hild.  86,  147.  Vgl.  Oudem.  1,  684. 

BEWRACKEN,  indien  de  lezing  zuiver  is  (het- 
geen  niet  zeker  is ,  daar  het  Hs. ,  vs.  6536 ,  niet  heeft 
becact,  maar  beclat  (Willems,  bl.  244),  en  het 
rijm  dus  in  de  war  is),  kan  bewracken  de  bet. 
hebben  van  pekelen ,  zout  maken ,  afgeleid  van  het 
bnw.  wrac,  d.  i.  brak,  zout,  zilt  (Kil.  820),  of 
ook  onbruikbaar  maken,  van  wrac,  d.  i.  onbruik- 
baar. Kil.  rejiculus.  ||  Daer  si  in  laghen,  dat  was 
vuul  hoi,  clat  haer  urgn  had  bewract  (uitg.  v. 
Mart.:  bewraect).  Rein,  II,  6534  var, 

*  BEWREDEN,  verkeerde  lezing  voor  be- 
vreden,  OFl,  Lied,  e,  Ged.  474,  631.  ||  Twee., 
wel  bewreidt  (/.  bevreidt,  d.  i.  beschermd,  zeker, 
veilig)  van  allen  blamen,  dats  vriendelicheit  ende 
wijsheit.  Voor  de  verwarring  van  10  en  v  in  de 
Hss.   vgl.    bewueghen,   bewuUn,   bewelenisse   e.  a. 

BEWRIVEN  st.  WW.  bedr.  Wrijven  over  de  ge- 
heele  oppervlakte  van  iets,  herhaaldelijk  wrijven.  \\ 
Bewry  ven  dat  seer  wredelQcken  met  haren  hemden 
(?  de  drukken  hebben  heden)  van  kemelshaer  ghe- 
maect,  Fass.  W,  107  a. 

BEWRONGELEN,  zw.  ww.  bedr.  Van  wrongel, 
en  dit  van  wringen,  Doen  stremmen,  eene  compacte 
massa  doen  worden.  \\  Die  (humoer)  bewrongeltse 
daer,  BarthoL  léa.  Een  aerdich  bloet  wort  haest 
bewrongelt,  82a.  Bloet  van  enen  stier  wort  eer 
bewronghelt  dan  enich  ander  bloet,  dat  bloet  van 
allen  dieren  wort  gecoaguleert  enz.,  S2b. 

*  BEWÜEGHEN.  Zie  bevoegen. 

*  BEWÜLEN.  Zie  bevulen. 
BEYAERDEN,  BEYAERT.  Zie  beiaert. 

BI,  voorz.  en  b^w.  Got.  bi;  ohd.  pi,  bi;  mhd. 
mnd.  bi;  ags.  bë,  bi,  big;  osa.  bi,  be.  Het  woord 
komt  in  alle  ogerm.  talen ,  behalve  in  de  noorsche, 
waar  het  ontbreekt,  oorspronkol^k  voor  met 
korte  vocaal;  later  zün  de  vormen  met  verlengde 
vocaal  overheerscheud  geworden.  Ook  buiten  de 
germ.  talen  wordt  het  woord  aangetroffen ,  nl.  skr. 
abhi;  lat  obi-  (in  obiter);  slav.  ob.  Daar  nu  naast 
igerm.  abhi  ook  ambhi  bestond ,  dat  uit  denzelfden 
grondvorm  gesproten  is,  en  dit  laatste  woord 
feitelijk  ons  om  (voor  ombe,  Gr.  dfiq>i,  l&t.ambi', 
ohd.  umpi,  ags.  ymb)  is,  zoo  volgt  daaruit  dat 
onze  twee  woorden  bi  en  om  uit  één  zelfden  grond 
vorm  zijn  voortgekomen;  nog  flauw  gevoelt  men 
dit  in  de  verbinding  om  en  bij.  Zie  over  dit  woord 
verder  Grimm ,  Wtb.  1 ,  1202  vlg.  en  1846 ;  Weigand 
1,  174;  Taalk.  Bijdr.  1,  201. 

I.  Als   VOORZETSEL. 

Oorspr.  met  dat.  en  ace,  in  verschillende  opvat- 
ting, doch  in  het  mnl.  z|)n  de  verschillende  be- 
teekenissen  niet  meer  naar  de  regeering  van  het 
voorz.  te  rangschikken.  Zie  een  zelfde  geval  bQ  Ane. 

1)  De  oorspronkel^ke  beteekenis  rondom,  welke 
be  in  samenstelling  met  ww.  ook  nu  nog  bezit  (b.  v. 


1231 


BI. 


BI. 


1232 


bekransen^  bekronen^  beUgeren;  Eie  Grimnif  Wtb,l, 
1203)  verloor  de  praep.  by  al  vroeg;  in  het  mnl. 
is  er  geen  spoor  meer  van  aan  te  wijzen ,  doch  in  de 
volgende  opvattingen  vindt  men  w^zigingen  dier 
beteekenis.  —  a)  Ten  opzichte  van  (vel.  lat.  cireum 
en  eired)^  met  het  oog  op.  \\  Moye,  dit  en  hebbic 
niet  geseit  bi  n  .  .,  ie  segt  bi  alrehande  wijf,  die 
lopen  om  die  lande  te  sconwen,  Belg.  Mm.  6, 
410  f  36.  Ygl.  gpot.  5t ,  dat  dezelfde  beteekenis  heeft. 

—  b)  Met  betrekking  tot.  ||  Alse  men  dat  wals 
teersten  vinc,  so  waest  des  breidels  ongewone, 
aldus   eist   biden  jongen  sone,    Sp.   I",   52,    16. 

—  c)  Wat  betreft.  \\  Bi  namen  wi  voegen  in  eene 
wise :  Molhem ,  Molinens ,  hiers  geene  were ,  lUncl.  9. 

—  Vooral  in  de  nitdr.  bi  getale  (getalle),  va/ 
het  getal  betreft  (meestal  knnnen  die  woorden  onver- 
taald blijven).  i|  Meer  dan  sestich  bi  getale ,  i2W;». 
Byl.  292 , 9.  Omtrent  twee  dnsent  bi  getale ,  Brab.  Y, 
IV,  626.  Van  silvere  hondert  (pont)  bi  getale, 
Flor.  617.  Zoo  ook  Sp.  I",  8,  31;  enz.  Bi  rechten 
getalle,  Wal.  1952.  Bi  ghetalle,  2235,  2427;  enz. 

—  d\  Achten  bi,  komt  éénmaal  voor  in  den  zin 
van  net  gewone  achten  op  (vgl.  ons  geven  om).  || 
Dat  men  niet  en  acht  en  twint  bj  die  scoenheit 
vanden  menschen ,  ist  dat  hem  een  cruyt  fael giert, 
die  wellic  wi  penninghen  nomen.  Vrouw.  e.  H.  VIII,  7. 

—  e)  Wats  daer  bi,  tvat  komt  dat  er  op  aan^ 
loat  doet  dat  er  toe^  wat  zou  dat  {Yg\.  daers  niet 
a  n  e ,  Wap.  Rog.  250) ;  eig.  wat  it  dit  met  betrekking 
tot  de  zaak  in  quaestie.  |)  Die  abt  antwerdde ;  ende 
wats  daer  bi?  Propheten,  Apostelen  en  waren  si 
niet  menschen?  Sp.  II*,  64,43. — f)  Ongeveer ^om 
en  bij.  \\  Bi  anderhalf  hondert  jaer,  Alex.  III,  789. 

2)  Uit  de  bet.  rondom  {om  en  bij)  ontwikkelde 
zich  die  van  plaatselijke  nabijheid;  eig.  met 
ace.:  het  komen  bij\  het  naderen;  met  den  dat.:  het 
zijn  by\  het  nabij  zijn.  —  a)  Meerdere  of  mindere  na- 
bijheid,  bij  in  onze  tegen w.  opvatting.  ||  Bi  sinen 
hove,  Rein.  I,  650.  Bi  haren  welpekinen,  1366.  Ie 
hebbe  gheslapen  bi  miere  moien,  1671.  Bi  enen 
eten,  eten  met,  in  gezelschap  van  iemand;  in  tegen- 
stelling van  eten  met  enen ,  d.  i.  bij  iemand  ten  eten 
zijn.  Zie  bij  MET.  —  b)  Bi  dient  ook  om  den  be- 
trekkelijken  afstand  nit  te  drukken,  ons  van  -  af.  \\ 
Bethlem,  dat  staet  bi  Jhenisalem  ses  mieigen, 
dat  syn  milen  drie,  Sp.  III*,  27, 11.  Vgl.  bfl  Byw. 

—  c)  Daaraan  grenst  de  beteekenis  langs.  ||  Bi  den 
tnne ,  Rein.  1 ,  646.  Alle  die  ginghen  bi  der  strate , 
1496.  Volghen  bi  dien  selven  p^e,  3295.  Dat  hi 
bi  enen  wege  ginc.  Franc.  1316.  Daer  hi  by  enen 
weghe  ghinc,  Es.  87  f.  Sic.  (Hi)  quam  tere  pas- 
sagen .  .,  daer  hi  opter  zee  bi  quam.  Mor.  2358 
(vgl.  voor  daerbi,  waarin  bi  eig.  byw.  is,  de 
Aanm.  bjj  Ane).  Zie  ook  bg  Bijw.  —  d)  Uit  de 
bet.  nabijheid  ontwikkelde  zich  het  begrip  op  -na, 
behalve,  uitgezond^d.  ||  Die  t^t  was  omghecomen 
by  twee  uyren,  nochtan  dat  die  ridder  niet  ghe- 
comen  en  was,  Matth.  80.  —  Vgl.  4e). 

3)  De  plaatselijke  nabijheid  kan  ook  figuurlijk 
worden  aangewend  en  wel  in  de  volgende  opvat- 
tingen. —  a)  In  de  uitdr.  bi  seuwe  ende  bi 
lande,  te  zee  en  te  land.  ||  Ne  ghene  twintich 
milen  neest  bi  seeuwen  te  vaerne,  Rijmb.  4978. 
Hi  bestont  dese  viande  beede  bi  zeuwe  ende  bi 
lande,  Sp.  III«,  90,  13;  I»,  36,  33,  e.  e.  —  *) In 
de  uitdr.  bi  west,  bi  o  est  en  dgl.  Westelijk^ 
oostelijk.  II  Van  den  wale ,  die  leghet  bi  Oest ,  Mieris 
2,  2153.  Van  dane  tote  Avenhorne  bi  westen  des 
smitshuys,  ald.  Zoo  ook  by  noorden,  suden, 
westen,  O.  K.  v.Enkh.2%,  142;  31, 161;  32, 170. 

—  ff)  In  de  bet.  in  het  bezit  van.  \\  Brune . .  te  sceme 


driven  ende  selve  bi  siere  ere  bliven,  Rein.  1 ,  544. 

—  d)  In  de  uitdr.  bi  hem,  bi  haer,d.  L^il^r^ 
b\j  of  met  zich  zelven,  d.  i.  afzonderlijk,  op  nek 
zelf,  II  Elc  bi  hem  ende  alle  gemanc  suUen  u  dei 
weten  meerren  danc,  Lane.  II,  2791.  (Si)  maeeteB 
doe  hare  vart  elc  bi  hem  te  bosche  wart,  IH, 
1179.  Dat  vleesch  bi  hem  en  doet  gheen  quaet, 
Z.  ende  lAch,  141.  Elf  staden  stonden  daer,  daer 
Romen  nu  staet  ende  elc  bi  haer,  Lsp.  I,  43,  9. 
Elc  gheslachte  bi  hem,  II,  9,  7.  Doe  Joseph 
aldus  bi  hem  woonde  in  Bethleem,  II,  33,  1. 
Alsoe  bi  haer  selven  was,  seorsim  potita,  Sp.lH^^ 
26,  47.  Sin  ende  vroetscap  doet  hier,  dat  cracht 
en  doet  niet  bi  hem ,  Nat.  BI.  II ,  3998.  Dat  hi 
sach  .  .  desen  woerm  tere  stede  in  so  menech  stic 
ghesneden  .  .  ende  elc  levende  bi  hem  allene, 
Nat.  BI.  VII,  529.  Zoo  ook  Sp.  III»,  43,  15.  - 
Sp.  IV >,  44,  59:  „Die  {boeken)  versamende  sider 
bi  hem  die  broeder  Martijn  van  Behem,"  heeft 
bi  hem  de  min  of  meer  afwgkende  bet.  vao  of 
eigen  gelegenheid;  lat.  proprio  of  suo  Marte.  —  e)h 
vergelijking  van  (eigenlijk  wattneer  men  twee  zake» 
enz.  in  eikaars  nabijheid  zief).  \\  Vrancryc  is  een 
nu  {nieuw)  lant  biden  anderen,  Clere  10.  {Gte)dtDxkt 
dijn  ontfermenis  die  recht  bi  onse  sonden  is, 
als  bi  een  dropel  is  die  zee ,  O.  H,  Pass.  25 ,  691. 

—  /)  Steeds   met  een  datief  verbonden.  Van  een 
lichaamsdeel   (of  een  deel  der  kleeding),  waarop 
de   eene   of  andere  werking,  meest  mishandeling 
wordt  toegepast,  in  welk   geval   ook  wQ  meeste 
bij  gebruiken ,  soms  aan  of  met.  Vgl.  iemand  b| 
het  haar,  een  oor  trekken,  bij  den  neus  nemen, hi^ 
de  hand  leiden,  bg    het   been  pakken,  bg  het  l^ 
nemen  (figuurlyk,  d.  i.  beet  nemen),  \ii^  de  rokken 
trekken,    enz.  ||  (Bruun,   die)   biden   hoofde  staet 
ghevaen.  Rein.  I,  688.  Hi  was  begrepen  bi  siere 
muien  so  vaste ,  694.  Die  hem  selven  hadde  ghedaea 
biden  buke  in  dat  gat,  zich  met  zijn  huik  door  het 
gat  gewerkt  had,  1580  (de  buik  ging  ernatnurlgk 
het  moeielgkst    door;   ghedaen    in  gevaen  te 
veranderen   {Tijdsehr.   3,  221)  is  verkeerd).  (Dat) 
men  Reinaert  .  .  .  daer  an  hinghe  bi  siere  kele, 
1888.  (Hi)  hadde  Cuwaert  bider  kele  ende  sonde 
hem  thooft  hebbbn  ghenomen,  158.  Dier  Reinaol 
hadde   biden   croppe    hooft  ende  hals  afgbebetea, 
288.   Soe  trac  hare  selven  biden  hare,  Wai.  5519 
(gew.  mnl.  metten  hare;  zie  met).  Die  vos  namene 
biden   ghere ,    Wal.  6069.  Die  joncfrouwe  nam  hi 
bi    der  hant,   Ferg.   1221.  —  Vooral    gewoon   is 
(enen)    bider    kele(n)    hangen,    b.v.    Rijmk. 
9976;    Ren.    461,    901,   932,    1073;    JBleg.    908, 
1259;  enz. 

4)  Van  tijd  gebruikt,  drukt  bi  uit:  —  «)  de 
geiyktydigheid.  Ten  tijde  van,  gedHremdt, 
Vgl.  ons  bij  dag  en  bij  nacht  {Rein.  I,  118,  408, 
2347,  2349;  II,  5409).  ||  Hier  vormaels  bi  Elenea 
tiden.  Rosé  fr.  250,  72.  VoertQts  bi  ondea 
tiden ,  Sp.  d.  M.  1,  11^.  Ter  steden,  daer  hi 
nu  leget  bi  daghen,  nu  ter  ti;d,  Stoke  1,  47^ 
Donrecht  dat  hi  (Ood)  heeft  bi  vele  daghen  barde 
guetlike  verdraghen,  Wrake  I,  45.  Dus  ne  kiect 
men  nu  niet  bi  jare,  nu  ter  tijd,  Sp.  III*,  45,36 
(de  verklaring  van  Halb.  Jont.  199  is  onjaisi). 
Bi  Loths  tiden ,  Rijmb.  25657.  —  b)  Met  een  bt. 
znw.  verbonden,  dat  een  tijd  uitdrukt,  bc^eekeat 
b  i  de  herhaling ,  het  meer  of  minder  ^eref<dd 
terngkeeren  van  dezelfde  werking.  ||  I>at  is  ee 
zake,  die  ymmer  moet  bg  wilen  {interdum) 
quaet  eynde  ontfaen,  MLoep  I,  1658.  Bi 
reet  hi  opten  pas,  daer  Oenoene  woenachticb 
2001.   Zie   ook    II,   819,  2274,  3053  ens.  Die  ii 


1233 


BI. 


BI. 


4234 


die  derde  grade  gaen  meren  bedde  wel  bj  tQden, 
II,  1668.  Die  vracht,  die  hi  hadde  ane,  plach  hi 
tetsne  bi  stonden  (mhd.  zettunden)^  Sp.  III  ^,  29, 
60.  Bi  tiden,  bij  tijd  en  wijle  ^  Hf  t^den^  Inoent, 
w,  Brugge  8,  609.  Eer  men  dan  ten  eynde  raoct 
▼anden  wegbe  aldna  bi  staden,  hij  gelegenheden ^ 
b^  ttnkken  en  brokken ,  bij  korten  en  stooten ,  Hild. 
199,  160.  —  Behoort  hiertoe  ook  Sp,  III»,  8,  3: 
n  Eng^stus . . .  leet  die  zee  over  bi  passen  in  grote 
Bertaengen ** ?  Halb.  verklaart  bi  passen  als  bij 
schreden^  gezwind^  doch  waarop  steunt  deze  ver- 
klaring? —  c)  BQ  tijdsbepalingen  heeft  bi  soms 
de  beteekenis  van  op-af  (vgl.  by  plaatsbep.  van-af 
{2b),  II  (Dors)  stont  daer  bi  enen  daghe  {op  een  dag 
af)   vijftien  jaer,   dat  seit  die  jeeste,  Segk.  6776. 

6)  Van  ovutandigAeid  en  wijze  gebruikt  komt  bi 
voor  in  de  volg.  uitdrukkingen.  ||  (Tlant)  was  ghe- 
deelt  bi  suiker  w^s,  Sp,  III< ,  39,  61.  —  Bi 
manieren,  op  de  eene  of  andere^  de  gebruikelijke 
of  ook  op  eene  echoone^  uitstekende  wijze,  \\  (Soe) 
mesbaerde  gel^c  dieren  ende  togede  bi  manieren 
bede  claghe  ende  bede,  III ^,  21,  46.  (Si)  hebben 
dien  twist  tebroken  ende  scieden  tnsschen  hem  vieren 
haer  rike  bi  manieren ,  III* ,  39 ,  48.  Men  danste 
den  hofdans  bi  manieren.  Bei».  II,  3486.  —  Bi 
staden,  aU  er  eene  goede  gelegenheid  is ,  op  zijn 
gemak ^  rustig^  i^^affr^  ||  Sente  Remy  qnam  daer 
bi  staden  {tempore  opportune)^  Sp.  III*,  8,  49.  Si 
begonsten  te  ciiven  so  si  gevoechlicst  consten  van 
grade  te  grade  wel  bi  stade ,  Flor.  2906.  Die  vrouwen 
quamen  ember  twee  ende  twee  te  samen  wel  bi  staden 
met  gemake,  Parth.  8114.  Zoo  ook  Z<mc.  II ,  3821, 
8722,8800,  16608.  —  Later  werd  bi  staden  eene 
nitdr.  zonder  veel  beteekenis.  Zoo  b.v.  Hild.  90 ,  43 : 
Hi  quaem  wel  tgts  ghenoech  by  staden.  Zie  Taalk. 
Mag.  4,  167  vlgg.;  Tekstcr  9  vlg.  en  vjgl.  onder  4^) 
een  ander  bi  staden.  —  Bi  namen.  —  a)In  de 
nitdr.  bi  namen  heeten,  geteemd  worden,  eig. 
met  een  naam  genoemd  worden,  ||  Herodien  hiet  soe  bi 
namen ,  JUjmb,  20896.  Haerre  suster  ...  die  hiet 
bi  namen  Galsuwint,  Sp,  III*,  43,  74.  Ëenen 
grave  nam  hi  bider  hant,  die  Tyberius  hiet  bi  namen, 
UI*,  46,  70.  Zoo  ook  I^  40,  42  e.  e.  —  j^  In 
de  bet.  met  name ,  hoofd  voor  hoofd  (lat.  nominatim). 
II  Hier  na  so  hevet  hi  ghenoemt  alle  diehogheste 
bi  namen,  Hein.  I,  1(X)0.  (Soe)  bleef  .  .  in  hare 
camere  .  .  . ,  die  coninc  ne  ontbootse  bi  namen , 
met  naam  en  toenaam,  uitdrukkel^'k,  Rijmb,  18116. 
Men  leitse  ghevanffhen  daer,  altemet  dat  si  quamen 
tot  dat  mense  haa  bl  namen,  £leg.  1122.  —  Bi 
toenamen,  met  een  toenaam,  bijnaam,  \\  Omdat 
mense  gheliken  mach  tsamen  hetic  dese  andere  bi 
toenamen  Meerlüns  biteken,  Yelth.  YII,  10,  67. 
Een  bisscop ...  die  bi  toenamen  hiet  vroet,  ^.  II* , 
44, 1.  —  Bi  rade,  met  overleg.  \\  (Si)  keerden  weder 
thnus  bi  rade,  Stoke  III,  219.  Die  Romeyne, 
die  bi  rade . . .  altoos  vochten  ende  streden ,  Bijmb. 
31606.  Men  moet  wel  lieghen  alst  doet  noet ,  ende 
daer  na  beteren  bi  rade ,  iKtfu».  II ,  4260  (vgl.  4770). 
—  Bi  aventuren,  misschien,  wellicht.  \\  God  sal 
die  zine  bi  aventuren  qulten  uter  pine,  Bijmb. 
18201  {var,  machlichte). 

Aanm.  Bi  hande,  ^.  III*,  60,  42  {Lanc. 
lY,  9720),  is  niet  met  zekerheid  te  verklaren. 
Waarschgniyk  is  ghecleet  bedorven  en  moet  men 
met  het  oog  op  de  lat.  woorden:  a  dectro  et  a 
levo  latere  duo  arehipontifiees ipsum  t-enebant,  lezen: 
Clergie  geleeddene  bi  handen. 

6)  Yooral  in  gebruik  van  oorzaak,  reden  en 
aemleidmg,  —  a)  Yan  oorzaak.  Ihor,  uit',  zoowel 
van  personen  als  zaken  gebruikt;  eng.  by,  jj  Hoe  hi  in 


Blancefloeren  camer  cam ,  bi  welker  list ,  bi  welken 
sinne,  Flor.  3761  (vgl.  801,  819,  876  e.  e.).  Dat 
Sinte  Aelbrecht  {het  Üjk)  was  vonden  bi  ere  nonnen , 
die  tien  stonden  den  Grave  wgsde,  waer  hi  lach, 
Stoke  I,  471.  So  dat  si  ne  ghene  dinc  ne  vonden  van 
mesdaden  bi  orconden ,  Bijmb.  16803.  Want  wi  ons 
hebben  besmet  metten  onsen  bi  ommaten ,  uit  over- 
moed, 27828.  Ne  mare  du  suis  wesen  ewelike 
onterft  bi  desen,  Lane.  lY,  4147.  Bi  der  scout, 
Ferg.  877;  Nijh.  4, 148;  Mor.  127,  734.  Bi  engiene, 
Bein.  I,  462.  Bi  barate,  363.  Bi  oorlove ,  II,  6093. 
Bi  sduvels  cracht  ende  bi  des  duvels  ghewelt,  I, 
2272.  Bi  avontnre,  door,  bij  toeval,  Bein.  I,  161, 
2673.  Bi  onrechte ,  Beatr.  762.  Bi  rade  (van) ,  door 
den  raad,  de  inblazingen  van,  Bijmb.  19>20^\Beatr. 
63 ;  Lorr.  1 ,  1249 ;  Sp.  I*  ,  6 ,  46.  Bi  sinen  toedoen, 
Lucid.  3207.  Zie  verder  Zörr.  I,  742,  967, 1847;  Eleg. 
704;  Bein.,  Bijmb,,  Mor.  Gloss.  —  Leven  bi  iet, 
ergens  van  leven,  jj  De  proofst  Bertolf  zwoer,  hy 
en  hadde  kume  corens  ghenouch  eene  maent  by 
te  levene,   Oron.  v.   Vlaend.  1 ,  49.  Ygl.  bilevinoe. 

—  ^  Ook  in  den  zin  van  door  het  voorbeeld  van.  || 
Dat  moghedi  bi  mi  wel  weten,  Bein,  1,  666.  Ie 
wille  u  .  .  bi  beesten  ende  bi  vogelen  leren  die 
nature  vanden  lieden ,  Esop.  Prol.  1.  Da^  ie  mi  bi  dien 
man  castien  sonde,  mij  aan  hem  spiegelen  zoude, 
Voet.  II,  2709.  Zoo  ook  ITrake  II,  1196,  1208; 
Esop.  XXIII,  16.  —  y)  Yooral  by  zinnebeeldige 
voorstellingen  en  vergeiykingen ,  bü  de  ww.  be- 
dieden,  verstaen,  bescriven,  betekenen, 
en  dgl.  Bedoelen  me  f,  duidelijk  maken  onder  het  beeld 
van ,  vergelijken  bij;  verstaan ,  zinnebeeldig  voorstellen 
door.  II  üter,  ghi  siter  bi  bedunt,  bider  sterren  ende 
biden  drake,  Sp,  III*,  31,  26.  Bi  den  witten ..  be- 
dudic  des  menschen  leven,  O VI.  Ged.  3,126,192. 
Den  roe,  .  .  daer  wi  haer  nootdorste  bi  bedieden, 
Yelth.  YII,  22,  69.  Daer  sijn  die  quaetheden  bi 
bediet,  Bijmb,  23398  (vgl.  23406,  26692).  Bi  den 
vische  machmen  verstaen  den  zondare,  Nat,  Bl. 
Y,  1022.  Dat  onghewederte  zwaer  wil  ie  bi  den 
duvelen  bedieden,  Tien  PI,  1646  (vgl.  478,  2165 
en  Tekstcr.  89  vlg.).  Also  sijn  alle  ghelovighe  bider 
mane  verstaen,  Üs.  Ib  f.  179a.  Daer  is  die su ver- 
licheit  der  ewangelien  .  .  by  beteykent,  Hs.  87 
/.  89«.  Zie  verder /;«»<?.  III,  2071  (vgl.  1789),  6309 , 
6341  ,'48,  6383;  vgl.  Zu^ritf.  3196,  3202,  MLoep  III, 
230.  —  d)  Ook  in  den  zin  van  volgens  den  wil,  met 
toestemming  van,  \\  Soene  hadt  niet  ommare ,  updat 
biden  coninc  ware,  Sp.  I*,  6,  41.  Dieioncvrouwen 
zullen  hebben  tot  haren  scoenheden  alsoe  vele  als 
redenlic  es,  bi  den  ghenen  die  daer  toe  ghecoreu 
sullen  wesen ,  Nyh.  1 ,  176.  —  b)  Ook  in  den  zin  van 
volgene,  bij.  Ygl.  onze  uitdrukkingen  \)i^  de  wet 
verbonden,  by  vonnis,  by  besluit  enz.  ||  Hi  nam 
een  wyf  bider  wet,  Sp.  V ,  61,  63.  Bi  wette,  bi 
costume,   Sp,  III*,   8, 10; III*,  46,   74;   49,   36. 

—  f)    In    verschillende   bywoordeiyke  en   voeg- 

woordeiyke  uitdrukkingen.  —  In  de  by  woorden 
Hierbi,  daerbi,  waerbi,  hierdoor,  daardoor, 
waardoor.  Zie  o.  a.  Yan  Wyn  op  Heeln  4  vlg.  — 
Bidi,  bidie,  bidien,  bideeu,  bidien  dat, 
Heelu  1693;  Stoke  I,  616;  II,  629;  Lane.  III, 
10769;  lY,  10771;  Sp.  I*,  8,  21;  I»,  74,  106; 
ni',   26,   36;    Lsp,  II,   36,  477;  enz.  Zie   BEDI. 

—  Bi  des,  daardoor;  vgl.  mhd.  indes,  underdes, 
vordes  (Ben.  1,  316);  hd.  indessen,  unterdies,  mnl. 
dor  das;  enz.  ||  De  werelt  bi  des  besmet  in  hem 
selven  nu  moet  syn  uut  den  stortene  des  cranrs 
fenyu,  dat  die  duvel  so  sterc  wrochte,  Jmand  II, 
4394.  —  In  de  voegwoorden  Bidi,  bidien  (bi- 
d  e  e  n) ,  doordat,  omdat;  Vrouw,  e.  M,  YIII,  262 ;  Jan 


4235 


BI. 


BI. 


1236 


Yp.  39  ;  Ltp.lJ,  64;  II,  36, 1481;  III,  26, 100;  IV, 
4,  48;  Liicid.  4447;  Parth.  4916.  Het«elfde  als 
bedi  (z.  ald.).  —  Bi  dat,  doordat^  omdnt  (ffot.  bi 
tkateC).  W^o  dat  si  ter  steden  quam  bi  datse  leidde 
dingei  ons  Heren,  Sp.  11%  49,  23.  De  pacient 
heeft  gproete  pine  int  hoeft ,  bi  dat  daer  versceden 
€9^  dat  te  gader  behoort  te  syne ,  Jan  Yp.  39.  Dat 
werelt  Yroescap  es  bekent  voor  6ode  sot  ende  blent, 
bi  dat  soe  met  zonden  smitte  haer  mesleet  ten 
helschen  pitte,  Praet  1228.  —  Bi  also  dat,  in 
verschillende  opvattingen.  Zie  bij  also.  Dit  also 
moet  in  deze  uitdr.  beschonwd  worden  als  voor  een 
znw.  in  de  plaats  te  staan ;-bi  also  dat  is  eig. 
op  die  wQze,  op  znlk  eene  wijze  dat.  Vgl.  de 
nitdr.  op  aldus,  bij  aldus.  Ook  als obj.  vervangen 
also  en  so  een  znw.  Zie  bij  also  op  het  einde. 
Andere  voorbeelden  van  bi  also  dat,  vindt  men 
nog  Getch.  v,  Antw.  1,  481;  3,  569;  ö79  (orame,  by 
also  dat  ghyse  in  uwer  gevenckenissen  niet  mechtich 
en  waert  te  houden,  alhier  gelevert  te  wordeue). 
Bi  also  ende  in  also  verren  als  wy  . . .  van  den  zevene 
ponden  gr.siaers  zullen  moghen  ghebruken,  Invent.  v. 
Brugge  3 ,  306.  Ende  bleefs  in  sabs  van  Sente  Baefs 
loyael  seggen,  bi  alsoe  dat  hi  nemen  sonde  te 
sinen    rade    dien    hi    wilde,    Oend-tch,    Chtb.    12. 

—  Ook  bi  also  (so)  verre,  voor  zoover  aU^ 
waarin  ook  also  verre  als  znw.  moet  worden  op- 
gevat; vgl.  lat.  qttantnm  en  fr.  poitr  atttant  que^ 
Oesch.  V.  Antw.  4 ,  521  en  523.  —  Bi  aldien  dat, 
ingeval  y  bijaldien  (vgl.  Mor.  212).  ||  Ist  by  aldien 
dat  de  meeste  partye  .  .  het  goedt  dunct,  wy 
willen    datse    daer   in    blyve,    Oendsck  Chtb.  180. 

—  b)  Van  reden.  Om.  ||  Al  is  natuer  van  hem 
ghebleven,  die  men  minnen  sel  bi  haer,  Hild.  93, 
88.  —  Vooral  in  de  byw.  uitdr.  hierbi ,  daerbi, 
waerbi,  hierom^  daarom ^  waarom.  \\  Daerbi  moet 
al  na  desen  planeten,  nadertijt  divers  wesen, 
Natuurk.  1245.  Hier  bi  en  soude  gheen  meester 
syn,  wildi  goet  visiker  syn,  hine  soude  van 
astrononomie  leren,  1247.  Alsene  iemen  hierbi  be- 
greep, dat  scaerp  was  syn  leven ,  Franc.  4932.Waerbi 
soe  roepti  Anetuse ,  Limb.  VIII ,  552.  —  Bi  desen, 
dtutrom.  ||  Ghi  hieft  mire  dochter  ende  bi  desen 
ne  mogedi  mijn  w\jf  niet  wesen,  ^.  III*,  39^99. 

—  c)  Van  aanleiding.  Ten  gevolge  van.  ||  Bi  clenen 
dinghen ...  leestmen  dat  altoos  strijd  was,  Bijmb. 
12341. 

7)  Bij  werkw. ,  die  kennen  en  gekend  worden 
beteekenen ,  dient  b  i  om  aan  te  duiden  de  oorzaken 
der  kennis,  m.  a.  w.  de  kenbronnen.  ||  Ghi  dunct 
mi  van  edelen  bloede  bi  de  ghewaden,  die  ghi 
hebt  an,  £sm.  288.  Bi  der  tale  .  .  bekenden  alte- 
hant  Reinaert,  Rein.  II,  538.  Hi  es  een  Waloes 
in  scine  bi  sire  tale  ende  bi  aldien,  dat  ickerane 
conde  gesien,  Jifor.  210.  Baema  wart  hi  bi  den 
goudinen  halsberch  vonden  onder  die  dode,  Sp. 
!•,  12,  59.  —  Bij  WW.  van  vernemen  beteekent 
bi  de  bron,  waaruit  men  zijne  kennis  put,  ons 
van.  jl  Biden  lieden ,  die  daer  leden,  verstonden  si 
wel  bi  waerheden,  dat  sente  Martij n  was,  iSjp.  111% 
41 ,  69.  —  Bij  WW.  van  noemen  beteekent  b  i  de  aan- 
leiding tot  de  benoeming,  die  gelegen  is  in  dege- 
lijkheid van  twee  personen  of  een  persoon  en  eene 
zaak,  ons  naar.  \\  Bi  den  ever  ben  ie  gênant,  jS^fy. 
Mus.  1,  295. 

8)  Bij  bezweringen  en  eedsformulen ,  waarin  bij 
eig.  beteekent  al*  in  de  tegenwoordigheid  van.  Ook 
thans  nog  eene  gewone  bet.  van  bij.  [\  Ie  neemt  bi 
gode  ende  mire  wet,  Flor.  3744.  Dat  ie  bi  gesel- 
scepe  bidde  ende  bi  gerechten  bruderscepe  dat  si 
mins  . .  gedinken  willen ,  Lanc.  III ,  6095.  —  Zoo  ook 


in  't  mnd.  Zie  Lubben  3,  142,  en  vgl.  over  de 
soortgelijke  uitdr.  iet  nemen  op  sinen  eet,  Tijdtckr. 
1,  142  vlg.  —  Vandaar  uitdr.  als  bi  tronwea, 
bi  waerheden,  in  waarheid,  inderdaad,  Bijmi. 
14594;  Sp.  III*,  41,  70;  enen  groeten  bi 
Apolliue,  iemand  onder  aanroeping  van  Jpoüo 
alles  goeds  toewensehen,  Flandr.  I,  56;  ens. 

9)  Eindelijk  heeft  b  i  de  bet,  van  op  perbettrte  van; 
vgl.  8.  Men  l)ezweert  iemand  b.  v.  bij  sijn  leven,  hd.  bei 
leibe,  en  indien  door  een  ander  aan  dien  eed  niet  wordt 
voldaan,  gaat  het  leven  verloren.  In  dezelfde  be- 
teekenis  wordt  thans  op  gebruikt.  Vgl.  de  nitdr.  op 
verbeurte,  op  mijn  woord,  op  mijne  eer,  enz.  ||  Vrouwe 
Hersinde  .  .  beval  hi  bi  haren  live  dat  soe  stonde 
bi  Reinaerde,  Rein.  I,  1983.  Wiselent  bare  beveleo 
vaste  bi  haren  live.  Flor.  458  var.  Dat  onse 
richters  .  .  op  onsen  ondersaten . .  geen  noitbede . . 
doen  en  soelen  .  .  bij  hoiren  ampte  ende  bg  hoiren 
guede,  Nijh.  4,  85.  By  X  scellinge,  O.  K.  v. 
Delft  II,  20,  e.  e.  Zeer  gewoon  in  ordonnanciën 
en  keuren.  —  Ook  in  de  tautologische  uitdr.  bi  te 
verbeuren,  op  strajfe  van  te  verbeuren ,  O.  X.  f. 
Delft  I,  17  passim. 

II.  Als  bijwoord. 

Nabij,  van  plaats,  tijd  en  omstandigheid.  Vaak 
met  een  datief  verbonden,  die  bi  voorafgaat, 
slechts  eens  m.  d.  gen.  {Sp.  l"* ,  60,  29:  Alsoe 
haers  ghenesens  was  bi).  ||  (Si)  voeren  Ayoele  altoes 
bi,  AioUfr.  832.  Die  coninc  dede  Avoele  hem 
sitten  bi,  1143.  Doe  leedde  hi  tfolc  den  berghe 
\A,'RAJmb.  4549.  Dat  siit  (here)  sagen  daer  liggen 
vore  hem  herde  bi ,  lAmb.  VIII ,  498.  Her  Evax 
was  hem  te  bi,  V,  415.  Om  dat  Marien  tgdt  by 
was,  dat  8i>  baren  soude,  Fass.  W.  130a.  (Hi  es) 
te  Parys  in  die  stat  ocht  hi  esser  harde  bi, 
Lorr.  1 ,  658.  Dat  ie  deringelelevene  bi  met  broeschea 
live  mach  bringen  mi,  iSjp.  IP,  1,  60.  Gheniartil|t 
80  wart  hi  ende  gheëert  Sente  Pietre  bi,  naagt 
Petrits,  Lsp.  II,  44,  179.  Sal  hi  Gode  comen  bi, 
N.  Doet.  2485.  Recht  ere  valdore  bi.  Rein.  I, 
1619.  Hets  den  avonde  bi,  1911;  Merl.  30291. 
Dicken  als  ie  al  was  bi,  h'em  te  hebbene,  ontgine 
hijs  mi,  Sp.  I*,  6,  55.  Dat  hemelrike  es  bi,  Hs. 
V.  1348,  bb.  Dattet  bi  was,  dat  men  den  tempel 
verbemen  soude  mitten  zwaerde,  Hs.  v.  1423,  81e. 
Zoo  ook  Sp.  III*,  25,  67;  I',  60,  36;  11%  33, 84; 
IV,  37,  16;  Lsp.  II,  5,  125;  II,  48,  360;  967; 
III,  2,  40;  Htige  v.  Bard.  II,  166;  RijwOf.  6340, 
6679;  Stoke  II,  940;  O  VI,  lAed.  e.  G.  291,1716; 
302,  2034;  435,  201  Tvoor  doet  leze  men  daar 
dat);  Segh.  432;  Christ.  1428.  —  Verre  of  bi. 
Rosé   fr.    255,    128;   Lorr.  I,  699;  Rein,  I,  2046. 

—  Van  h'\,  van  nabij,  Christ.  669;  Rosé  911; 
Parth.  8023;  Sp.  I«,  34,  160.  —  Bi  noch  na. 
Rein.  Nal.  386,  92.  Vgl.  ons  nabij.  —  Bi  ende 
breet,  nabij  en  ver.  ||  Becondicht  dit  in  allen 
weghen  verre  ende  naer,  by  ende  braadt,  H.  War. 

1,  408,  24.  —  So  bi,  also  bi,  zoo  nabij,  Belg, 
Mm.  1,  296;  Rosé  2881;  S^.  m«,26,6S;  i^;m,480; 
Parth.  7756;  Rein.  II,  6967.  —  Enen  bi  of  an 
sijn,  altijd  om  en  bij  iemand  zijn ,  <S^.  III*,  44,  31. 

—  Daer  bi,  aen  ende  over  sgn,  Tma  welke 
nitdr.  allerlei  variaties  voorkomen;  zie  op  AEN,kol.74, 
bij  eene  plechtige  handeling  tegenwoordig  rijn,  do^ 
(hetgeen  t.  a.  p.  niet  dnidelyk  genoeg  is  iiitg«dnkt) 
als  daartoe  verzochte  getuigen.  ||  Dat 
sy  dairby,  aen  ende  over  geweest  hebben  by 
meister  Jacop  van  Dordrecht  ens.,  O.  R.  v.  Dvrir. 

2,  128;   enz.    —   Het    es    daer    bi    dat,   het 


1237 


BIAC. 


BIBR. 


1238 


scheelt  ¥>e%nig  of^  C^ritl,  1417.  —  Soms  beteekent 
bi  hetzelfde  als  ons  van-af,  \\  Op  een  myikgn 
Romen  bi,  Ltp.  II,  44,  485.  Ygl.  Sp.  IIP,  31, 
42 :  Doe  dedi  maken  buten  der  stede  eenen  cloestre, 
twee  milen  bi  {pp  twee  mijlen  afêtanéS) ,  daert  eenl^c 
was  ende  vii.  —  Eene  enkele  maal  beteekent  het 
Utngs.  II  Al  haddic  bi  vort  (hetzelfde  ale  vorbi) 
willen  Uden ,  Wal  6251. 

Aanm.  —  In  sommige  Hss.  vindt  men  bi-  in 
samenstelling  met  ww.  voor  be-  zoo  b.v.  Rek.  d. 
Of  af  2 ,  530  vlgg. :  bihiet ,  bilopen ,  bihoif ,  bitalen. 
Lanfr.  6r.  byghcerte,  bjgint,  7r.  byteykenesse , 
bykennen,  89.  tobyhoren,  bitaemlic,  Svbyghinsel, 
12r  bynemen ;  enz. 

BIACHT  (BIJ  ACHT),  BI  ACHTER,  BIACHT- 
YADER.  Zie.  biechte,  biechtër,  biechtvader. 

BIBLIYEN ,  st.  WW.  onz.  Met  den  3den  nv. ,  die 
meestal  bi  voorafgaat. 

1)  Volharden  y  bij  iete  blijven.  \\  Uwer  hoger 
begeerten  so  blivic  bi ,  ik  blijf  er  bij ,  zal  trachten 
het  tot  etand  te  brengen^  Blisc.  v.  M.  1437.  Bi- 
blivende  arbeyt  (lat.  labor  aseiduiti)  die  verwint 
grote  dinghen.  Stemmen  83. 

2)  Blijven  bij  iets^  bij  iete  stilstaan,  —  Ook 
als  znw.  gebruikt.  ||  Bi  al  dien  goede ,  dat  n  God 
doet,  dair  snldi  hebben  een  bybliven  in  nwer 
herten ,  daar  xult  gij  »  voortdurend  mede  bezighouden^ 
Stemmen  174. 

3)  Bij  iemand  blijven.  ||  In  die  camere  soe  bleef 
hi  al  den  nacht  der  vrouwen  bi,  Vergi  101.  Dus< 
daneghe  vrient  en  roke  u  niet,  die  di  begheven 
in  df  n  verdriet ,  maer  soect  den  ghene  die  di  blgft 
bi,  on.  Oed,  1,  81,  627.  Alle  die  beste  bliven 
u  bi,  blijven  op  uwe  zij  de  ^  u  getrouw^  Rein.  II, 
7373.  —  Be  onb.  wijs  als  znw.  Tegenwoordigheid,  || 
Wanneer  die  quellende  sielgheen  ghestadich  bibliven 
en  mach  hebben  mit  haren  brndegom ,  Stemmen  174. 

BIBRENGEN,  zw.  ww.  bedr.  onr. 

1)  Iemand  iets  aanbrengen^  toevoeren.  \\  Die  hem 
een  onvermoyt  volc  bibrochte,  daer  grave  Dirc 
anderwerven  teghen  den  bisscop  te  stride  quam, 
Ctere  36. 

2)  lem,  iets  aanbrengen ,  mededeelen ,  aantoonen.  \\ 
Een  ygelic  sonde  it  synen  heren  bybrengen  dat 
gheen,  dat  sy  versproken  hadden,  Matth. ^»a/:  1, 
495.  Want  ons  byghebracht  is,  hoe  dat  die  van 
Utrecht  poogen  souden  willen,  eenige  van  ouse 
steden  in  te  nemen,  Handv,  v,  Veesp  la.  Of  die 
van  Utrecht  neder  quamen ,  minen  heere  dat  sonder 
vertroc  bi  te  brengen,  Bel.  v.  L.  360.  Doe  die 
ontsiende  Vorst  in  Henegouwen  was,  wert  hem 
bigebrocht,  woe  dattie- Dolphyn  .  .  gestorven  was, 
Matth.  Anal,  3 ,  355.  Opdoen ,  toonen  ende  bringhen 
bi  dat  poent  van  haren  rechte ,  Brab,  Y.  Y II ,  16305. 
(So)  hebben  die  van  Antwerpen  dat  .  .  sinendrien 
staten  bibracht,  16320.  Met  cortheden  soudi  hem 
bibrenghen  doen  tractaet  bi  sijns  selfs  ambassiaet, 
14508.  Dwelke  compromis  ons  bibracht,  getoont 
ende  gepresenteert  is  geweest,  NQh.  4,  147. Dattet 
den  schepenen  ende  rade  kenlicicen  worde  bighe- 
brocht,  O.  B.  v.  Dordr,  1,  110  (rar.  anghebrocht). 
ZooookB.v.  Utr.l^Sn. — Rechten  bibrengen, 
^jne  rechten  op  iets  bewijzen.  \\  In  snlken  rechten  als 
lii  opter  Mazen  hebben  ende  bibrengen  ende  be- 
thonen  moge,  Y.  d.  Wall  502.  —  Als  znw.  gebruikt. 
jianuHjzing.  betoog.  ZieBiBRENOiNOE.  ||  By  bibrengen 
der  vriende  ende  maghen,  R.  v.  Utr.  2,  164. 
—  Ook  in  den  sin  van  verklikken^  verklappen.  || 
Al  dit  gheschien  hadde  een  quaet  knecht  ghesien 
ende  heeft  dit  bibracht  algheheel  den  meyer  van 
Loven,  Brab.  Y.  YI,  4425  (vgl.  4580). 


3)  Tot  stand  brengen^  ten  uitvoer  brengen.  Nog 
heden  gebruikelijk  in  de  uitdr.  aU  ik  het  kan 
bijbrengen^  d.  i.  klaarspelen  kan.  \\  Si  wonden 
overdwers  mit  dat  hout  ter  dore  van  den  tempel 
in  varen  ende  si  en  mochtens  niet  bibrenghen, 
Pass.  W.  bbc.  (Si)  fantaseerde  nacht  ende  dach, 
soe  zilt  best  by  brenghen  mach  {tekst  te  wercke 
bracht),  MLoep  I,  2285  var.  Swerende,  dat  hy 
dooden  sonde  .  .  alle  Carels  magen,  daer  hyt  by- 
brengen mocht,  Heemsk.  10.  Du  const dyn loosheit 
80  brenghen  bi  ende  dyn  baraet  so  wel  vérsconen. 
Rein.  II,  6412.  Ie  denct  hem  so  te  brengen  by 
{het  hem  zoo  klaar  te  maken)  y  dat  hi  en  sel  niet 
weten  daer  wair  hi  hem  hueden  sel,  6450  var. 
Ten  eersten  dat  hi  dat  best  bibrenghen  ende  doen 
mach,  O.  R.  v.  Dordr.  2,  55.  —  Ook  in  den  zin 
van  veroorzaken y  brouwen.  \\  Wat  groter  last,anxt 
.  .  .  oorloghen  enz.  die  tonghe  bibrenghen  ende 
brouwen  mach,  Hitge  v.  BorS.  3. 

4)  Inkleeden  y  inrichten.  \\  Want  hi  syn  bedriegende 
woerden  so  scalckelike  bibrengen  ende  bemantelen 
of  verwen  can,  Con.  Som.  Ha. 

BIBRENGINGE.  znw.  vr.  Aanwijzing,  betoog.  \\ 
Dat  onmandighe  kindere  geen  goed  weerloos  werden 
en  moghen ,  ten  moet  wesen  by  bibrenghingen  der 
vriende  ende  der  maghe,  dattet  die  denghenen 
aenbrenghen,  alse  recht  is ,  die  ment  mit  recht 
sculdich  is  aen  te  brengen ,  dattet  der  kinder  oerbaer 
ende  noet  is,  R.  v.  Utr.  2,  156. 

BIDDELIJC,  bnw.  Mnd.  bedelik;  hd.  erHttlich. 
Yertaling  van  het  lat.  exorabilis.  Zie  ook  bidlug.  || 
Wes   biddelic    op    dinen   knechten,   Hs.  Ps.  97r.; 
Ps.  90,  13;  Oeiijdeb.  S,  187<?. 

BIDDELERSSE ,  znw.  vr.  Bedelares.  ||  Ie  ligghe 
voer  uwer  poorten  als  een  arme  biddelersse, 
Hofk.  V.  Dev.  24r. 

*  BICHAGENESSE.  Zie  beiiagenesse. 

BICHTE,  BICHTEN.  Zie  biechte,  biechten. 

BIDDEN,  st.  WW.  beJr.  Mhd.  biten,  bitten', 
mnd.  bidden ;  got.  bidjan ,  naast  bidan ;  vgl.  hd. 
litfen  en  beten.  Yoor  de  vormen  in  de  overige 
germ.  talen,  zie  Grimm,  Wtb.  1,  1696;  2,  51; 
Eluge  29.  Zie  voor  de  indg.  vormen  en  de  oorspronke- 
lyke  bet.  Grimm ,  Oramm,  2,  25;  Kern  in  T^'dsehr.  1 , 
32;  doch  vooral  Klnge  t.  a.  p. ,  en  vgl.  beden. 

1)  Bij  iemand  op  iets  aandringen,  iemand  (Gk)d 
of  een  mensch)  dringend,  met  aandrang  vragen, 
verzoeken.  —  a)  Met  den  datief  of  accusatief  van 
den  persoon.  ||  Gode  bidden,  Rijmb.  65,  3995, 
4313,  en  passim;  Gode  onsen  Here,  15696;  Onsen 
Here,  4214;  Gode  ende  siere  genaden,  ^.  III*, 
2,  51;  Sinen  wive,  8165;  Den  coninghen,  21413; 
Sinen  vrienden,  30864;  Wal.  10592.  Den  groten 
heren  bat  hi  sere,  Alex.  YI,  119.  Hi  was  te 
biddene  goet,  I,  912.  Si  bat  der  maghet Marien , 
Beatr.  841;  enz.  —  b)  Met  den  ace.  der  zaak 
of  een  als  zaak  beschouwd  persoon.  ||  Bidt  hem  {voor 
hem)  trike  mede,  Rijmb.  11064.  Helyas  drinken 
bat,  12476.  Die  coninc  van  Sodoma  bat  allene 
die  liede  van  der  stat,  ende  Abram  al  tander 
helde  (lat.  da  mihi  animas,  cetera  tibi  tolle),1669. 
(Hi)  hevet  hem  sire  dochter  gebeden,  1S/7.  III*,  43, 
45.  (Hi)  bat  ghenaden  met  weene,  10580.  —  Hi 
en  bat  nieman  syn  huns,  om  huisvesting  (vgl.  enes 
huus  lenen),  ende  voer  stille  alse  een  muus  achter 
straten,  Ferg.  725.  Zoo  ook  Bouc  v,  Sed,  1074; 
enz.  —  e)  Met  den  gen.  der  zaak.  ||  Dies  biddewi 
u  op  hovescede,  Alex.  lY,  210.  Doch  dat  hys 
hem  80  vele  bat,  B/^mb.  1867.  Moyses  baedts, 
3822.  Des  biddic  di,  5840.  Eer  hys  bade,  12458; 
zie  verder  Gloss.  —  d)  Met  een  byzin  met  dat. 


1239 


BIDD. 


BIDD. 


1240 


Sp.  III*,  39,  10;  III»,  5,  10;  Rijmb.  11057, 
enE.,  welk  dat  ook  kan  worden  weggelaten.  i|  (Hi) 
bat  menne  decken  sonde,  RiJmb.  7377.  —  e)  Met  eene 
bep.  der  zaak  met  o  m.  ||  Elc  bat  om  een  priester 
halen,  ^.  I',  67,  12;  zoo  ook  111  \  S9,S',RiJmb. 
8844. — /)  Met  eene  b^p.  der  zaak  met  van.  1| 
Alsemen  degen  van  eneger  reliqnien  bat,  5jp.  IIP, 
12,  49.  Jongelingen  .  .  die  mi  van  minnen  te 
biddene  plagen,  Rosé  fr,  251,  178.  — ^)  Met  eene 
bep.  van  den  persoon  met  ane,  van  of  op.  ||  Soe 
bat  an  Gode,  dat  hise  ghesterke,  Rij'mb.  17616. 
Die  van  yemene  .  .  bade ,  dan  van  den  coninc  allene, 
waert  an  mensche,  wart  an  Gode,  petere  a qttocim- 
que  deo  vel  homine^  nin  a  te^  rex^  16813.  So  vele 
bat  hi  ap  hare  .  .,  dat  der  vronwen  sijns  ont- 
farmede,  Parth,  4167.  —  Ene  bede  bidden, 
Een  verzoek  doen.  \\  Soe  weende  np  Samsone  ende 
bat  bede  ( :  mede) ,  Rijmb.  8047.  Dn  bids  .  .  bede 
sware,  magna  petu^  13059.  Wat  salie  bidden  ?  Ende 
de  moeder  antwerdde  hare  ende  seide,  dn  sont 
bidden  Yan  Baptisten  hoeft;  doe  .  .  bat  (si)  hare 
bede,  L.  v.  J.  e.  99. —  Dach  bidden,  zie  dach 
op  het  einde.  —  Ook  in  verbinding  met  andere 
WW.  Bidden  ende  bieden.  Zie  bieden,  envgl. 
eng.  to  bid^  in  welken  vorm  de  beide  woorden 
zgn  samengevallen.  ||  Wy  bidden  ende  gebieden 
onsen  amptman  tot  Tyele,  Nijh.  2,  139.  Die  coninc  . . 
began  bidden  ende  ghebieden,  dat  si  hem  wilden 
bekeren,  Sp.  III*,  7,  45.  Zoo  ook  I*,  19,  40  en 
Fhr.  604.  (Si)  biddet  mi  dicken  ende  spaent,  dat 
ie  Gode  minnen  sonde,  Tarth.  2044.  (Hi)  troost 
{wekt  op)  ende  bidt  .  .  . ,  dat  hi  verwerve ,  om 
aat  hi  sconwe  son'der  orlof  die  joncfronwe ,  2067. 
—  Ook  in  de  uitdr.  bidden  ende  lesen, 
waarin  bidden  de  ook  nu  nog  gewone  bet. 
heeft  van  Ood  aanroepen ,  en  lesen  6f  den  zin  van 
ons  lezen  {den  bijbel  of  stichtelijke  geschriften) 
heeft,  b.  v.  O.  H.  Pass.  33,  27:  „Ic  en  mach  vasten 
noch  bidden  noch  lesen",  6f  dien  van  prediken^  b.  v. 
Sp.  IIP,  3,  1:  „Sente  Entropia  bat  ende  las  .  . 
ende  troeste  ter  marteleren  crone  den  goeden  lie  en." 

2)  Bedelen^  eene  liefdegift  vragen.  \\  Al  se  hem 
die  honger  dede  gewont,  bat  hi  eten,  Sp.  I',34, 
37.  (Dat)  men  mi  graven  mede  sal  met  gebedene 
luderen,  met  gebedelde  doeken^  III*»  27,  69.  Mit 
gebeede  segelen,  met  gevraagde^  geleende  zegels ^ 
K.  en  O.  V.  Delft  30,  4.  —  Vooral  met  het  obj. 
brooi  Broot  bidden,  bedelen  (nl.  liefdegaven 
voor  het  koopen  der  noodzakelijke  levensbehoeften), 
Vgl.  ons  zijn  brood  hebben ,  zijn  brood  verdienen , 
om  den  broode,  enz.  ||  Al  daer  so  bat  hi  broot  dor 
God ,  Rijmb.  7622.  Hi  scaemde  hem  te  biddene  broot , 
24514.  Doe  mi  na  der  vasten  soe  seer  hongherde 
ende  ie  dat  broet  bidden  most  dat  ie  at ,  Ned  Proza 
322.  Zoo  ook  Lsp.  III,  10,  89;  Beatr,^2^\  Wrake 
III,  194;  Sp.  IIP,  27,  66;  71;  73;  enz.  Zie  ook 
BROOTBIDDER,  en  Vgl.  bidder,  d.  i.  bedelaar^ 
Oudem.  1 ,  688.  —  Ook  schijnbaar  intr.  met  weg- 
lating van  het  obi.  evenals  bij  ons  bedélen.  \\  Soe 
moet  hi  bidden  of  bederven,  Hild.  163,  124.  Dat 
nyement  .  .  .  voirt  meer  bidden  en  sullen  in  der 
kercken,  Leid.  Keurb.  490,  13.  Bidden  bi  den 
huyssen,  45,  16;  vgl.  249,  74.  Daer  si  en  vonden 
spise  te  cope  no  broet,  soe  dat  si  baden  dore  die 
noet,  Lsp.  III,  3,  1034. 

3)  Enen  — ,  iemand  (een  onderdaan)  een  verzoek 
doen  om  geld^  hun  belastingen  opleggen.  Vgl.  BEDE, 
3a).  II  Dat  wijse  nummermeer  beschatten  en  sullen 
off  bidden,  dat  aen  hoir  goet  dreecht,  Nijh.  1, 
239  {a.  1329). 

4)  lAefdegaven  inzamelen  in  de  kerk ,  collecteeren. 


Ygl.  BEDE,  33).  II  Yoirt  sullen  zi  mede  ommegaeB 
mitter  bede  in  Sinte  Pancras  kerc,  alsmen  tu 
des  goidshuys  ende  van  anderen  diensten  wegha 
bidt.  Leid.  Keurb.  489,  11. 

6)  Vragen^  verzoeken ^  mtnoodigen.  Met  da  lec 
v.d.pers.  ||  Hoir  vriende. .  bidden  tot  horen  dadia^he. 
ald.  35,  12.  Hier  worden  ghebeden  totter  jackt 
vele  hogher  mannen,  MLoep  IT,  2121.  Seldei 
hebbic  oec  verstaen,  dat  si  ghevaderen  biddei 
gaen.  Boerden  III,  233.  Teenre  feesten  wts  ie 
ghebeden.  Vrouw.  e.  M.  I,  1.  Mgn  lantlieer  m 
ten  eten  bat,  YII,  69.  Oftn  ter  brnlockt  words 
ghebeden,  Rijmb.  24616.  Hier  naer  so  b«ttenecei 
Pharisee  met  hem,  Sp.  I*,  13,  53.  Al  hnddehaer 
moeder  warmoes  vercocht  oft  liede  gebeden  ter 
brulocht  oft  te  like  gebeden  vrouwen,  ml  vos  zij 
groenvrouw  geweest  of  noodigster  ter  krmloft  of  ter 
begrafenis^  Fad.  Mus.  1,  77,  9.  Ygl.  ons  bidder 
of  aanspreker,  en  mnl.  BiDDERSSE. 

Aanm.  —  Baden,  Sp.  11%  33,  69  moet  waar- 
schynlijk  veranderd  worden  in  andenj  xoo  althaai 
stellen  de  uitgevers  voor  te  lezen;  zie  Anden. — 
Het  is  ook  mogelijk ,  dat  men  beneden  lezen  moet 
(lat.  invidebant). 

BIDDERS  (BIDDER),  znw.  m.  Mhd.6»<^,  ^tier-, 
mnd.  bidder.  —  1)  Hij  die  bidt ,  verzoekt^  vramgL  |[ 
Hovesschen  biddre  es  wel  recht  dat  menne  hoves- 
sceliic  berecht,  l^mb.  IX,  1.  Jacob  vnn  Merlaat 
wille  hieraf  dichten  dor  der  ghere  bede  dies  hem 
tUtrecht  inde  stede  harde  vriendelike  baden,  .  . 
want  hi  die  bidders  enten  patroon  {S.  Frmneiêems) 
minnet,  Frane.  74.  Es  die  biddere  yan  enegere 
ere,  Sp.  I»,  46,  9.  —2)  Hij  die  giften  inzmmseU.\\ 
Wie  men  biddere  zenden  zole  na  (o»)  alemoese 
den  zieken,  D.  Orde  219.  Sint  dat  zo  groet  coet 
ten  zieken  behort ,  zo  mach  men  . .  biddere  zenden 
...  dien  zieken,  ald.  —  3)  Bidder,  noodiger  ter 
begrafenis.  Zie.  BIDDERSSE,  2). 

BIDDERSSE,  znw.  vr.  Ygl.  mnd.  biddettereeke 
1)  Zijy  die  bidty  verzoekt,  vraagt.  ||  Biddersse, 
troestersse  van  alre  dinc ,  Yelth.  YIII ,  34  82  (mm 
Maria).  —  2)  Zij  die  uUnoodigt,  verzoekt,  bepaaldel|k 
voor  anderen,  b.v.  noodigster  ter  begrafenis  (aaMepreek- 
ster).  II  Soe  wat  bidderssen  enegen  man  bade  ten 
zevenden,  ten  dertichsten  ofte  ten  jaerget^de, 
Belg.  Mus.  1,  257.  Dat  ne  gheen  helleman  noch 
bidderse  eten  en  sal  ten  l^ken  .  .  .,  de  helleman 
of  de  •  biddersse  en  warens  op  tien  pond ,  7 ,  302. 
—  Ook  nu  nog  heeten  de  b  i  d  d  e  r  s  of  aansprekers  in 
sommige  steden ,  noodigers  ter  begrafenis ,  en  worden 
zij  door  de  stad  aangesteld.  —  Zie  ook  bidstere. 

BIDDINGE ,  znw.  vr.  Mhd.  bittunge ;  mnd.  bid- 
dinge.  — 1)  Bedelarij.  \\  Soe  dagelicx  veel  biddingc 
vallet  voir  die  kercdueren ,  Letd.  Keurb.  251 ,  77 
(vgl.  ald. :  hoeveel  dat  si  in  aelmissen  gebeden 
hebben). 

2)  Oebed,  het  bidden.  ||  Die  Phariseen  mit  haere 
langer  biddinge,  Sïp.  d.  M.  \,  127^. 

BIDE ,  znw.  vr.  Mhd.  bite.  Het  wachten ,  vertoef, 
uitstel.  Zie  biden.  ||  Het  (i^^er^/)  veroudert bilanghe 
bide ,  Boxui  v.  Sed.  420.  Hi  zeide  zonder  bide :  Ie  zal 
zjjn  bi  uwer  zide,  LeU.  N.  JB.  7',  146,  84.  Te 
vaerne  sonder  bide,  Flor.  1353.  Doen  cnsten  si  al 
sonder  beide  (l.  bide)  den  muer,  Pyr.  en  Tk.  71 
(:8ide).  —  Biae  doen,  hetzelfde  ids  biden. || 
Doen  ne  wilde  hys  doen  negene  bide,  Mne  gadt 
hem  weder,  ald.  2753. 

BIDEN,  st.  WW.  onz.  en  bedr.  (beet,  gthedtm). 
Mhd.  biten-,  ohd.  pUan-,  got.  d^üia»;  eng.  Mf,  gew. 
abide-,  hd.  dial.  beiten.  Zie  verder  Grimm,  WtLl, 
1403.  Vachten,  toeven.  Ygl.  BEIDEN. 


4241 


BIDI. 


BIEC. 


1242 


Onz.  —  Brachten ^  toeven^  dralen.  \\  Soe  sit  op 
ende  rQt  tArtnrs  hove  ende  nine  byt,  Mor,  803. 
Daer  en  was  geen  langher  biden,  E  leg,  152. 
Myn  vrient  eo  sal  niet  langre  biden,  hi  en'  sal 
om  mün  ongheval  blide  sgn,  Alex.  II,  495.  Sone 
laet  (d.  i.  late  het\  het  is  snbj.)  niet  langre  biden, 
dune  ghevest  hem,  Souc  v.  Sed.  113.  —  Vooral 
in  de  nitdr.  sonder  biden,  onverwijld^  dra; 
hetzelfde  als  sonder  beide,  sonder  bide,  en 
sonder  beiden  (z.  ald.).  ||  Dat  hi  n  al  sonder 
biden  overmorghen  sal  bestriden ,  Limè.  YI ,  2263. 
Ie  sal  allene  voren  riden  te  Beverepaer  sonder 
biden,  Ben,  1044.  —  Ook  met  eene  bep.  met  na 
of  om.  Op  iele  tcaehten^  iets  verbeiden.  \\  Hierom 
wonde  Alexander  biden,  Alex,  X,  735  (vgl.  730). 
Dat  si  alle  snllen  tien  tiden  om  die  hulpe  van 
Rome  biden,  Lanc,  II,  33553.  Mijn  vronwe  sal 
hier  na  ons  biden,  367. 

Bedr.  —  Met  een  obj.  in  den  ace.  of  in  den 
gen.  Afwachten^  verheiden,  \\  Dyn  endde  selstu  so 
biden,  als  oftnnt  elcs  daechs  sonds  Uden,  i^.  11^, 
87 ,  33.  Ie  bide  nwes  hier  in  de  sale ,  Fland.  II ,  176. 

BIDI,    BIDICHTE,    BIDIEN,   BIDIGER.  Zie 

BEDI,   BEDICHTE,   BI,   BIEDIGER. 

♦  BIDLIJC,  bnw.,  verkeerde  lezing  Sp.  IV', 
46,  48:  „Lievelike  so  horden  si  hem  ende  ont- 
fingen  sine  bede,  alst  lovelijc  was  ende  bidlijc 
mede.^*  Men  verg.  Stoke  I,  354:  „Liefliken  ghe- 
hoerden  wi  hem  ende  ontfinghen  sine  bede,  alst 
recht  was  ende  bil  lic  mede,"  en  leze  met  hem 
blllijc  voor  bidlije  of  liever  nog  bildlüc.  Ookin 
H  mnd.  beteekent  hildelik  hetzelfde  als  lillijc.  Zie 
Lubben  1 ,  334. 

BIDSTERE,  znw.  vr.  Hetzelfde  als  bidderssc, 
(z.  ald.  2).  II  Wat  bidstre,  .  .  die  te  like  ende  te 
braden  pleght  te  biddene,  Cor,  v.  Antw.  48,  177. 

BIE ,  znw.  vr.  (mv.  bien).  Bij ,  het  bekende  insect, 
lat  apit\  ook  imme  genoemd;  hd.  beie  en  biene\ 
mnd.  bene^  beine^  bie ^  beie;  ohd.  bia;  ags.  beo; 
eng.  bee.  Zie  Grimm,  Wtb.  1,  1367,  op  beie  en 
Klnge  27.  ||  Natte  ende  vromelijc  alse  die  bie, 
Seim.  1904.  Alse  der  aermer  bie,  die  thonich 
winnet,  Diep.  218.  Die  bie  trect  honech ater  brame, 
Keri,  Cl,  12;  enz, —  Ook  inde  aitdr.  niet  twee 
b  i  e  n ,  als  versterkte  ontkenning  volstrekt  niets ,  niets 
hoegenaamd.  \\  Sine  cracht  ne  baette  hem  (Samsoen) 
niet  twee  bien,  hine  moeste  sterven  onder  tdac, 
OVl.  laed.  e.  O.  447 ,  183. 

BIEBUC  (biebock,  biebuyck)  znw.  m.  Bijen- 
horf^  Kil.  64 ;  Kor.  Belg.  7,3:  Apiarium ,  alvearium , 
alvear;  Bittt.  2,  200:  alvear,  bibw. 

BIECHT.  Zie  biechte. 

BIECHTDOCHTER,  znw.  vr.  Het  tegenover- 
gestelde van  b  i  e  h  t  V  a  d  e  r.  Zij  die  bij  een  geestelijke 
te   biecht  geuit ^  hare  biecht  doet,  Qest.  R.  15a,  b, 

BIECHTE  (biecht  ,  biacht)  ,  znw.  vr.  (eens  ml., 
nl.  Oest.  R.  176^:  des  biachts);  ook  biechde 
{Fiandr.  Il ,  131 :  Biechde  dat  is  der  sonde  hennesse). 
Mhd.  bihte,  nit  begiht,  begihte;  mnd.  bicht ,  bichte ; 
ohd.  pigihti,  pigiht,  bijiht;  ofH.  biekte,  bicht;  hd. 
beichte.  Eene  afleiding  van  het  ww.  begien;  onl. 
begian,  d.  i.  bekennen,  belijden  (z.  ald.  en  vgl. 
gien ,  mhd.  jêhen).  Vgl.  vooral  Grimm ,  Wtb,  1 , 
1359;  Klnee  22.  Het  znw.  biechte  en  het  daar- 
van afgeleide  ww.  biechten  was  soms  nog  in  H 
mnl.  drielettergrepig  bi-echte,  hetgeen  blijktnitde 
gchrtjfwiize  H-jechte  (Sp.  V,  67,  40;  62;  102; 
74,  141);  ait  het  rQm  (Teest.  3418:  biechten:  ver- 
Uehten,  d.  i.  bi-echten:  verlechten;  Lanc.  II,  5053: 
gehi-echt'.  berecht;  zoo  zal  men  ook  Lanc.  III, 
2496  metri   caasa  wel  moeten  lezen:  Dat  hi  niet 


en  sprac  bi-echte,  voor  bechte)),  en  ait  den  bijvorm 
biacht  {Franc.  5876;  OFl.  Lied.  e.  Ö.318,  128;  319, 
136 ;  145 ;  Matth.  84.  Merl.  3533  {biachte :  nachte ;  wat 
de  uitgever  geheel  willekearig  veranderd  heeft  in 
bickte,  lichte);  biacAter,  Nat.  BI.  III,  1920  var.; 
biachten  (ww.),  Oest.  R.  f.  176d,  212^;  biachtvader, 
(ald.).Tus8chentrap  tusschen  de  eigenlijke  en  de  latere 
uitspraak  is  bj echte.  Later  werd  de  vorm  biechte  (hd. 
beichte,  beieht)  nog  verkort  tot  bichte  {Sacr.  618; 
Rumb.  Av.  24 , 8 ;  26;  Fad.  Mm.  1 ,  52 ,  61 ;  53 ,  97 ;  55, 
189;  Merl.  4022).  Ook  de  schrijfwijze /i(/(7>i/^  komt 
voor  {Rijmb.  10841,  22957).  —  De  gewone  vorm 
was  biechte,  doch  ook  biecht  komt  voor  (7Vöy«» 
6608).  De  uitdrukkiogen  in  biechte  (st.  deel.) 
en  in  biechten  (zw.  deel.)  z^n  even  gebruikelijk. 
Belijdenis ,  bekentenis ,  sedert  de  12de  eeuw  (Lexer  1 , 
273)  bepaaldelijk  in  gebruik  van  de  belijdenis  van 
zonden  voor  een  geordend  geestelijke ,  oorbiecht.  \\  Met 
vrayer  biachten,  Franc.  5876.  Die  slotelen  vander 
biechten ,  de  macht  om  de  biecht  af  te  nemen,  de  sleutels 
van  den  biechtstoel,  Lsp.  II,  48,  1046.  Menigher- 
hande  claghe,  die  ons  over  hem  in  biechten  ghe- 
croent  is ,  Mieris  2 ,  211£ ;  enz.  —  Ook  in  de  volgende 
uitdrukkingen.  ||  Biechte  spreken,  zijne  biecht 
doen,  Sp.V,li,  141 ;  Rijmb.  22957;  Rtmb.  Av.  24 , 8 ; 
26;Bloeml.  3,  23,  25;  0^/.  Lied.  e.  O.  319,  145. 
—  Biechte  nemen,  horen,  de  biecht  afnemen , 
i^.V,&l,40;Gest.R.f.lOSb.  —  RGm  in  biechte 
(met  biechten)  dwaen,  zich  door  de  biecht 
zttiveren  van  schuld.,  Rein.  I,  1460  (vgl. '43 — 45); 
OFl.  Lied.  e.  O.  318,  128.— Te  biechte  (bi- 
achten) gaen,  Rein.  I,  1441;  OVl.  Lied.  e.  Ged. 
318,  128.  —  Te  biechte(n)  gaen  te  enen,  bij 
iemand  ter  biecht  gaen,  Wal.  Vè44;Rein  1, 1439, 1661. 
Aanm.  Minder  juist  wordt  Troyen  6608:  sine 
biecht  ontfaen  gebruikt  voor  sterven.  Men  ont- 
vangt niet  de  biecht,  maar  wel  de  absolutie  na  de 
biecht,  en  alleen  deze  laatste  uitdr.  kan  figuuriyk 
•voor  sterven  gebruikt  worden. 

BIECHTEN  (BiCHTEN,  biachten),  zw.  ww.  bedr. 
en  wederk.  Uit  biechten  of  bi-j echten,  welke 
vorm  in  't  mnl.  ook  gevonden  wordt.  Mhd.  bihten 
(uit  bigihten) ;  mnd.  btchten.  Zie  bij  biecht. 

Bedr.  —  Enen  biechten,  iemand  de  biecht 
a/nemen.  \\  Hi  bijechtedse  sonder  beide  ende  gaf 
hare  den  lachame  ons  Heren,  Sp.  V ,  67,  102.  Al 
eest  dat  si  di  biechten  {d,  i,  bi-echten)  ende  dine 
ziele  verlechten,  Teest.  3418.  Die  anders  en  dede 
.  .  .  dan  hi  biechte  ende  doopte  kinder,  Lsp.  II, 
48,  367.  Ie  biechte  keysere  ende  keyserrinne, 
Rosé  10828  (vgl.  '846).  Enen  biechten  ende  absol- 
veren, Lsp.  III,  18,13;  r^M^.  3323.  Enen  biechten 
ende  monegen  (mneneghen),  hem  de  biecht  af  nemen 
eu  het  avondmaal  toedienen ,  Wal.  8367 ;  Lanc. 
III,  17131. 

Wederk.  —  Hem  biechten  (perf.  gebiecht 
sijn,  d.  i.  ons  gebiecht  hebben),  biechten,  belijdenis 
doen  van  zonden.  \\  Si  biechte  harde  wel  hare  ende 
ontfinc  onsen  Here,  Lanc.  II,  35909.  Dat  si  hen 
biechten  van  allen  haren  mesdaden,  Christ.  910. 
Hem  te  byechten  ofte  beteren,  Ned.  Proza  157. 
Zoo  ook  Yelth.  I,  57,  56  en  63.  Dat  dit  heylige 
Sacrament  niement  te  rechte  sonde  ontfaen  .  .  , 
en  si  dat  hi  gebiecht  ware,  I,  55,  2.  Sone  aven- 
turic  mi  niet,  ie  ne  ben  gebiecht  ere,  Lanc  III, 
1979.  Als  die  ridder  was  gebiecht  (^.t.  gebiecht)  ende 
Goede  ontfaen  hadde  ende  berecht ,  II ,  5053.  Zie 
verder  Ruusb.  3 ,  147 ;  Franc.  8439.  —  Hem  biechten 
te  of  jegen  enen,  biechten  bij,  Boetps.  32,  21 
en  25;  Huge  v.  Bord.  15;  Benkm.  3,  194,  244; 
Mar.  V.  N.,  bl.  42. 


4243 


BTEC. 


BIED. 


1244 


Aanm.  —  Ëene  enkele  maal  komt  reeds  mul. 
het  onz.  biechten  voor,  als  ook  het  bedr.  iet 
biechten,  nl.  d^  zonden.  Beide  vindt  men  Gest. 
jB.  ƒ.  103^:  Si  toech  te  Romen  ende  biachte  den 
paens  alle  haer  sonden;  eer  si  biechte,  so  en 
Kenden  die  een  den  anderen  niet.  —  Ook  komt  het 
onz.  biechten  met  met  verbonden  (d.  i.  hij)^ 
voor,  nl.  Ifed.  Proza  36:  Alsnu  willen  si  mit  den 
enen  biechten  ende  te  rade  gaen  van  al  horen 
leven,  ende  als  morghen  kiesen  si  een  anderen. 

BIECHTERE  (biechter,  biachter^,  znw.  m. 
Mhd.  bihtare^  btAier;  mnd.  bichter;  hd.  beichter\ 
vgl.  mhd.  Mktigatre\  hd.  beichtiger.  —  Den  vorm 
biachter  vindt  men  Nat.  BI,  III,  1920  var.\  en 
soms  ook  den  vorm  biechtere  als  biechtére 
uitgesproken,  b.  v.  Yelth.  IV,  13,  41,  ry mende 
op  utin  kete.  Door  het  verkeerd  verstaan  van  desen 
vorm  vindt  men  nu  en  dan  in  varr.  biechthere 
{Ltp.  III,  14,  269  var.',  Runsb.  ö,  227  var,). 

1)  Biechtvader.  \\  Syn  biechter  was  oec  die  gone 
^Broeder  Peter),  Velth.  III,  45,  46  (vgl.  50).  Die 
der  coninginne  .  .  .  biechter  was,  V,  3,  4.  Hi 
en  dede  der  penitencien  niet,  die  hem  sijn  biech- 
tere te  doen  hiet.  Lep.  III,  3,  601.  Dies  is  God 
mijn  orconde  ende  mjjn  biechter,  Stemmen  104.  Zo 
zal  hi  sine  biechte  doen ,  iof  hi  so  sterc  is  end  of 
hi  den  biechter  hevet  ende  zal  oec  Goeds  licham 
ontfaen,  oft  die  biechter  raet,  D.  Orde  217.  Van 
dat  haer  hoer  biechter  leerde,  Merl.  3348  (He. 
bychter);  eru. 

2)  Belijder ,  en  wel  —  a)  In  den  zin  lOJigeloovige.  \\ 
Gewarich  biechtere  so  bestu  .  . ,  dn  sals  heden 
desen  daghe  met  mi  sijn  int  paradys,  L.  o.  II. 
3247.  —  b)  In  den  zin  van  den  door  de  kerk  aldus 
genoemden  confessor,  d.  i.  belijder ^  bekenner 
(vgl.  b.  V.  Eduard  den  bekenner),  d.  i.  iemand 
wiens  geheele  leven  eene  belijdenis  des  geloofs 
was,  doch  die  niet  het  voorrecht  genoot ,  daarvoor 
ook  martelaar  te  mogen  worden ;  vgl.  Matth.  Jnal. 
3,  29  noot;  Dn  Cange  2,  530,  i.  v.  confessor; 
Yerwgs,  Stroph.  Oed.  Gloss.  bl.  212.  ||  Dese 
Gregorius,  die  een  heylich  biechter  Gods  was, 
levede  lange  tyt,  Matth.  Anal.  3,  28.  Dese  selve 
biechter  wert  begraven  in  die  selve  kercke  eerlike,  29. 

BIECHTHERE ,  hetzelfde  als  b  i  e  c  h  t  e  r  e ,  waar- 
mede het  soms  in  varr.  afwisselt  (z.  ald.).  ||  De 
biechtheeren  van  den  hove ,  die  van  den  staete  ende 
beleede  weten  mogen ,  Gendtch  Chtb.  180.  Beanpere 
onser  gheduchter  vrauwen  biechtheere,  Invent.  v. 
Brugge  3,  497. 

BIECHTINGE,  znw.  vr.  Verkeerde  lezing,  Wap. 
Mart.  III ,  23  var. ;  doch  de  beteekenis  v^n  het 
woord  kan  geene  andere  zgn  dan  bekentenis^  belijdenis. 

BIECHTVADER,  ook  in  den  vorm  diaciitvader, 
Gest.  R.  f.  \l&by  212  ^  (wijse  biachtvaders  ende 
harders).  Zie  verder  bij  biechte. 

BIEDEN,  st.  WW.  bedr.  en  wederk.  Got.; 
biudan;  onr.  bioda;  ags.  beodan;  ohd.  piotan^mhd. 
bieten \  mnd.  beden;  zw.  bjuda;  de.  byde;eiïg.  bid; 
skr.  budh  (yoorbAndA) ;  gr.  ttv^-,  in  Tivfddyea^fii,, 
Zie  o.  a.  Kluge  28  op  bieten, 

Bedr.  —  1)  Boen  weten  ^  laten  weten  ^  ter  kennis 
van  iemand  brengen.  ||  Gi  snit  bieden  over  mi ,  dat  gi 
den  camp  wilt  ang^en ,  Lanc.  II ,  17ö8ö.  —  Vooral  in 
uitdrukkingen  als  goedend  ach,  goeden  avont, 
sinen  groet  bieden  on  dg\.  Iemand  goeden  dag  ^ 
goeden  avond  zeggen^  Aem  groeten.  Zie  by  dach.  || 
Sy  boot  hem  schier  goeden  dach ,  Troyen  2085.  lek 
soudese  vriendelijck  groeten  en  bieden  den  goeden 
dach  (fr.  Ie  bonjou^,  OFl.  Lied.  126.  Die  borst- 
kijns    machmen   wel   anstoten   ende   byeden   hem 


gueden  dach,  MLoep  II,  1313.  (Si)  boot  da 
coninc  groot  saluut,  1 ,  2308.  (Hi)  bobt  hare  goeda 
avont,  Limb.  X,  105.  Si  ghinghen  jeghen  hm 
ende  boden  hem  hare  gruete,  L.  v.  J.  e.  127. 

2)  Gebieden^  gelasten.  ||  Doen  boet  die  hertogc 
Jan  bidien  sinen  vianden ,  dat  si  tien  woudei . . . 
achterwaert,  Heelu  3000.  Waer  wert  yc  ridder 
vernomen,  die  dorste  met  vele  min  lieden  du 
sine  viande  hadden ,  bieden  dat  daer  boot  die  hertog 
Jan,  3010.  Dat  onse  voghet  biede,  dat  elc  mu 
sal  wol  betalen,  Ocerijs.  J2.  I'  ,  53.  Man  of  wjf, 
die  verdreven  is  van  quaden  fayte  .  .  . ,  die  biedea 
wi  die  poirte  te  rumen  binnen  vier  daghe,  Leii. 
Keurb.  21 ,  32.  Al  die  heylige  daghe ,  die  die  hejli^ 
kerke  biet  te  vieren,  61,  34.  Tselve  gebot,  dit 
hi  hem  biet,  dat  breken  si  ende  hondens  niet, 
Hild.  8,  251.  (Hi)  dede  gemeen  heervaert  bieden 
tegens  Coeverden ,  Matth.  Anal.  3 ,  142.  Zoo  ook 
Stadsr.  v.  Zwolle  70,  69. 

3)  Aanbieden  ^ presenteeren.  ||  Sijn  scult(*^r«A/) 
bieden  wair  te  maken,  Matth.  132.  Ie  biede  n  den 
hantscoe  {hij  wijze  van  uitdaging) ,  Rein.  Il ,  6744 ;  zie 
de  Aant.  van  Martin  t.  a.  p.  (Hi)  hevet  Sjm  ghelt  ge- 
nomen ende  hevet  geboden  omme  broot ,  ^.  III',  16, 
91.  Hi  hadde  geme  ghescent  die  boden  ende  boot 

f  root  present ,  III' ,  16 ,  33.  Dit  es  een  scone  gebot, 
at  ghi  mi  hier  biedt  {eene  sckoone  oanbtediMg^ 
die  gij  doef)^  Umb.  X,  730.  Zulc  biet  den  pen- 
ninc  opwaert  {biedt  een  percent  vuer,  wil  er  ee» 
percent  bij  doen?)^  al  bode  hi  een  selver  paert 
.  .  .  hine  vergolde  niet  opten  tgt  al  d^  hi 
van  rechte  sculdich  es,  N.Doet.  2462  (vgL  2467). 
Den  ingel  hi  die  spise  boot,  Mijmb.  7470.  Daer  si 
die  beesten  vonden  doot  omdat  men  hem  en  gaf 
no  en  boot,  JTrake  III,  1732.  Biedt  hemvomtesse 
te  doene  aldaer  vor  des  coninx  baroene,  Lorr.  I, 
1389.  Siere  dochter  biet  hi  di  ende  alt  l&nt ,  Alex.  IT, 
201.  Zoo  ook  Rijmb.  18195,  '219;  Limb.  IV,  260; 
Flor.  933.  Den  Joden  boot  hi  groten  scamp  ende 
boot  met  sinen  live  camp ,  Rijvib.  9185  (vgL  90  en  99). 
(Si)  trocken  ...  te  velde  .  .  .  ende  boden  strgt, 
Brab.  Y.  IV,  660.  Ygï.  onze  midr.  Aet  Adwfd,  tegen- 
weer  ,  tegenstand  bieden.  —  Wedde  bieden;  ook 
sijn  wedde  leggen,  in  een  proces  een  wedden- 
schap  aangaan  omtrent  zijn  recht ^  door  het  aan- 
bieden van  een  pand  (eene  wij  ze  van  litis-contes- 
tatie).  II  Ende  dat  seyt  Johan  Claes  soen ,  dat  recht 
is  na  den  rechte  ende  gewoonte  der  stat  van  Utrecht 
ende  des  boet  hi  siin  wedde,  R.  v.  Utr.  2,66. 
Daerop  dingde  Jan  Lubberts  zoen  ende  seide: 
dat  dat  ordel,  dat  die  buerman  ghewgst  hadde, 
een  recht  ordel  waer,  ende  des  boet  hi  aiin  wedde, 
99.  Zie  verder  bij  wedde.  Somt^ds  verschilde 
het  bedrag  der  wedde,  naarmate  men  voor  hooger 
of  lager  vierschaar  riep;  vgl.  S.  v.  Leeuwen ,  Om'. 
V.  Rijnl.  246.  —  Geit  ende  meer  geit  bieden 
(p  r  e  s  e  n  t  e  e  r  e  n).  II  So  boden  sy  aldaer  ghelt  ende 
meer  ghelt,  ende  beriepen  voor  u hoeren  scepenenvaa 
Brucghe  te  onsen  wetteliken  hoofde, /iti?«i»/.  v.  Brugge 
6,  644.  —  Onscult  bieden  in  twee  opvattingea. 
—  a)  Onscult,  in  den  zin  van  veronischmlêKgm§ 
(z.  ald.).  Zich  verontschuldigen,  \\  Ootmoedelikt 
sprac  die  heere  ende  boot  sine  onsculden  groot, 
Amand  I,  1967.  —  b)  Onscult,  in  den  zin  vu 
ons  onschuld,  in  jur.  zin.  Aanbieden  den  onsekuUs^ 
af  te  leggen.  ||  Als  een  onscult  gheboden  heeft, 
als  recht  is,  ende  hem  ghewgst  is  onscalt  te 
doen  mit  synre  zekerheden,  Matth.  160.  Hi  en  sal 
dan  niet  moghen  wedersegghen  of  versakea  of 
onscult  bieden ,  Gest, R.f. 41a.  —  Fande  bieden. 
Fanden,  die  men  wil  erecuteeren,  oanHedenaanmt 


4245 


BIED. 


BIED. 


1246 


daarop  meer  recht  sou  wilkn  doen  gelden ,  op  vorm- 
lijke  wijze  de  voorgenomen  executie  aankondigen. 
Wanneer  dit  bieden  behoorlijk  heeft  plaats  gehad, 
is  het  pand  volboden  en  kjan  men  tot  de  eigenlijke 
executie  overgaan.  In  denzelfden  zin  e  r  v  e  bieden, 
de  voorgenomen  overdracht  of  executie  van  onroerend 
goed  aankondigen  y  Matth.  132   en  passim. 

4)  Jan  een  god  presenteeren  ^  het  hem  opdragen.  || 
Hadde   men    miuen   goden   dit  kint  bevolen  ende 
geboden,  hen  ware  niet  bleven  doot,  /^.  III" ,  6,  37. 

5)  Beloven  j  toezeggen.  ||  Soe  boet  hi  hem  .  .  . 
Antwerpen  ende  Mechelen  te  gheven  .  . ;  voirt 
boot  hi  .  .  te  settene  dlant  .  .  in  den  handen  des 
lants  van  Brabant  .  . ,  maer  wat  hertoge  Philips 
boot,  het  en  gheschiede  clein  noch  groot,  jSra^.  T. 
VI,  11411  vlgg.  Den  soadenieren  boet  hi  meer; 
den  dorpers  belovede  hi  vriheit,  Alex.  VI,  120. 
Hoe  dattet  .  .  .  vreselic  is,  lichtelic  by  ghehoer- 
samicheit  te  bieden  ende  dan  van  dien  ghebode 
niet  te  honden,  Hs.  88,/.  85*.  Sinte  Franciscns 
placht  selden  enich  dinc  by  ghehoers^micheit  te 
bieden,  ald.  Het  ne  mochte  niet  gheschieu,  dat 
hi  tontsculden  mochten  commen  doe,  wat  dat  hi 
boed  daertoe,  FL  Rijmt.  1298. —  Bieden  ende 
bidden,  bidden  ende  gebieden,  door  ver- 
zoeken ,  smeekgebeden  en  belojten  iets  trachten  gedaan 
te  krijgen^  dringend  verzoeken^  smeeken.  ||  Hi  boed 
ende  bat  zeere,  dat  hi  hem  mochte  verrechten, 
VI.  Bijmk,  1304,  e.  e.  —  Ook  gebieden  ende 
bidden,  Sp.V ,  19,  40;  III-,  7,  45;  Nijh.  2, 
139.  —  Ook  gebieden  ende  gebidden.  Flor. 

604.  Vgl.  BIDDEN   1). 

6)  Iet  (een  wapen,  een  lichaamsdeel)  — ,  uit- 
steken'^ naar  iemand  richten^  toekeeren^  dikwijls 
verbonden  met  een  bijw.  of  eene  bep. ,  waar- 
door de  richting  nog  duidelijker  wordt  om- 
schreven. II  Wat  wilt  dat  si  wonde  raken,  dat 
plftch  si  daer  mede  {met  pijl  en  boog)  te  ghenaken, 
niet  dan  syt  dairwairts  boot,  MLoep  IV,  2101. 
Dat  hine  wiste  wedert  was  broet  so  vleesch,  dat 
hi  te  monde  boet,  in  den  mond  stak  ^  Flor.  1656  var. 
Daer  soe  .  .  .  den  rechtren  arem  te  werke  waert 
boot,  daer  bleef  hi  staende  stide,  Franc.  9521. 
Enen  dat  kennebacke  bieden,  iemand  de  wang  toe- 
keeren,  toedraaien,  Wrake  I,  259.  Enen  den  rug 
bieden ,  hem  den  mg  laten  zien ,  toedraaien,  Exc.  Cron. 
99fl?;  vgl.  slippe  bieden,  met  de  noorderzon 
vertrekken.  Kil.  596.  —  Vooral  in  de  uitdr.  dat 
(den)  spere  bieden,  de  speer  tegen  iemand 
richten,  haar  vellen.  \\  Enen  andren  hi  tspere  boet, 
dien  hyt  dor  den  lichame  stac,  Lorr.  II,  424. 
Anderwerf  den  spere  hi  biet,  Velth.  III,  30,  15. 
Enen  riddere  sward  ende  groet ,  die  hem  daer  sjjn 
spere  boet,  Lanc.  III,  23509.  Die  gene  haddeden 
moet  80  groet ,  dat  hem  Walewein  tspere  boet ,  Mor. 
1359.  Wie  een  spere  te  hem  war  J  boet ,  om  hem  te  done 
enege  dere,  2564.  —  Die  hant  (hande)  bieden, 
de  hand  uitsteken.  \\  Dat  ie  hem  myn  hande  boot,  naar 
hem  uitstak.  Trog  en  10321.  (Hi)  boot ,  die  hant  te  hem 
waerd :  die  hant  verdarf  metter  vaerte,  FUjmb.  12181. 
Dei  lasers  boot  die  hant  danomteebbendercaritate. 
Franc.  416.  De  hant  ter  buerze  bieden,  3635.  Wale- 
wein boet  die  hant  derwaert,  Lanc.  II,  39242. 
Dat  {het  beeld)  emmer  boet  siin  hant  ter  sonnen 
waert  gerect,  Flor.  917.   Doe  ie  die  rosé  plucken 

waende ende    ie    mine    hande   daerwaert 

boet.  Rosé  fr.  255,  142.  Hi  boot  die  hande,  die 
hi  allene  roeren  mochte,  Sp.  I^,  69,53.  Hant  ende 
mont  hi  daerwaert  biet,  Wap.  Mart.  II,  111. 
—  Ook  met  het  doel  —  a)  Om  iemand  te  helpen ; 
nog  heden  in  gebruik.  ||  God  .  .  .  sal  ons  die  hant 


bieden  ende  helpen  bi  haerre  ghebede,  i2t;;»*.  2454. 

—  b)  Om  iemand  te  smeeken,  of  ten  teeken  van 
oiiderwerping.  ||  (Hi)  boot  die  hande  tonsen  Here, 
32690.  Mine  hande  boedic  te  di ,  Here ,  Boetps.  143 , 
21.  Die  vrouwe  boet  die»hant  opwaert  ende  bat  met 
sinne  over  haer  kint,  Segh.  1558.  Die  Cristum  niet 
en  bieden  die  hande,  sijn  der  keyserlinge  viande , 
Sp.  II»,  22,  321  (vgl.  327:  die  Cristum  anebeedt). 
(Doe)  boot  Gastor  ten  keiser  ward  sine  hande  of  hi 
ware  vervaerd,  Rijmb.  31805.  Hier  sloech  men  den 
enen  doot,  een  ander  hier  die  hande  boot,  34433.  Die 
gene  doe  die  hande  boet  ende  bat  oetmodelike 
genade,  Lanc.  III,  19293.  (Alaricus)  boot  beede 
sine  hande,  Sp.  III^,  1,  38.  Si  boden  haer  handen 
ende  gaven  een  groet  deel  van  harre  haven ,  Fl-or. 
137.  Si  boden ,  al  wast  scande ,  .  .  hare  hande , 
Stoke  VIII,  609. 

7)  Ontbieden ,  oproepen ;  vooral  voor  het  gerecht , 
dagvaarden.  \\  So  wye  in  eniger  saken,  inden  recht 
hangende,  te  tughe  ghenoemt  wort,  den  mach  die 
ghene,  die  den  ghenoemt  heeft,  laeten  bieden  te 
tughe,  Ooerijs.  R.  I',  167.  Zoo  ook  Stadsr.  v. 
Zwolle  87,  88,  89,  90  passim. 

8)  Laten  blijken  door  zijne  handelingen,  aan 
iemand  zijne  goede    of  slechte   gezindheid  toonen. 

—  a)  Met  een  object  van  eene  gewenschte ,  eene  aan- 
gename zaak;  als  eer,  lof,  eenen  dienst  enz.  Be- 
wijzen. \\\iQÜL,  eere  ende  werde  ben  ie  u  bienlijc 
(d.i.  biedende) ,  Heilich  Sacrament ,  Sacr,  984.  Den 
Sacramente  oetmoet  Mende,  228.  Die  dienst  .  ., 
die  Jupiter  die  God  boet,.2Zo«tf  6189  (vgl.  6153). 
Dat  u  God  loon  die  deugt,  die  gij  ons  biet, 
Heemsk,  83.  DeiTe  doget  ende  derre  eren  .  .,  die 
ghi  mi  hier  biedt,  Limh.  XII,  1251.  Enen  ere 
bieden.  Stemmen  128;  Limb.  VII,  415;  Ruusb.  1, 
143. —  Vgl.  ons  znw.  eerbied,  dat  van  deze  uitdr. 
gevormd  is.  —  b)  Met  eene  onaangename  zaak  als  obj., 
als  schande ,  smaad,  oneer  enz.  Aandoen.  \\  (Niemene) 
onweerde  bieden  met  woerden ,  met  werken ,  Ruusb. 
4,  13.  Den  Joden  boot  hi  groten  scamp  (=  «»ia<?^, 
Rijmb.  9185.  Ie  come  in  den  name  Gods,  dien  du 
groten  lachter  bods  (/.  Goeds:  boeds),  9239. 
Donwerde  die  men  hem  boet,  Yst.  BI.  2104.  Al 
die  vileynicheyt  .  .  die  my  die  coninck  van 
Vrancrijck  boot,  Belg,  Mm.  9,  147.  Dat  men 
vrouwen  loesheit  biet,  Pgr.  en  Th.  218.  Die  grote 
scande,  die  hem  boot  Laomedoen,  Troyen  1109. 
Entie  versmadenesse  groet,  die  mi  die  coninc 
Otte  boet,  Lorr.  I,  1181. 

9}  Brengen,  jj  (Hi)  pijnde  hem  den  gheest  in 
die  teghenwoerdicheit  Gods  altoes  te  bieden,  Hs. 
87  /.  55*.  Als  men  water  voer  die  dueren  biet, 
so  zelmen  die  leederen  mede  voer  die  husen  zetten, 
O.  K.  V.  Rott.  41,  119. 

Wederk.  —  Zich  aanbieden,  zich  beschikbaar 
stellen.  \\  Ter  zielen  waert  dat  vleesch  hem  boot 
te  haren  diensi^  telker  noot,  Wap.  Rog.  319. 
Inder  scoenster  joncvrouwen  scoot,  die  hareomme 
penningen  boot,  se  nltro  offerebat,  Sp.  I*,  8,  11. 
(Hi)  boet  hem  selven  hovescelike  onderdanech  den 
Roemscen  rike ,  hij  verklaarde  zich  voor  onderdaan, 
stelde  zich  als  onderdaan  ten  dienste  van  het  Rom. 
rijk,  III*,  15,  97. 

BIEDI(>ER  (bidiger),  znw.  m.  Mnd.  bedeger, 
bedeger,  beder.  Gebieder  (vgl.  ook  gebiedioer),  in 
het  bijzonder  benaming  van  de  leden  derDuitsche 
Orde ,  welke  onder  den  groot-commandeur  of  land- 
meester  over  een  of  meer  landschappen  of  ordehuizen 
het  bevel  voerden.  ||  Sente  Johans  des  hospitaels 
van  Jherusalem  ghemeyn  bidiger,  Ni)h.  3,  157. 
Vgl.  de  noot  en  Lubben  1,  169. 


1247 


BIED. 


BIER. 


1248 


BIEDINGE,  «nw.  vr.  Dagvaarding.  ||  Van  der 
biedinghe  sal  die  boede  hebben  een  groeten ,  Stadtr, 
9.  Zioollê  9().  —  Zoo  ook  BODiNOE  en  vgl.  ladinge. 

BIEËN  (BIÉNE),  bljw.  Bijeen,  bij  elkander.  Vgl. 
by  EEN.  II  Dat  wi  doch  bieen  sijn,  soete  lief.  ., 
beide  te  gader  emmermee,  Pyr.  en  Tft.  413.  Hoir 
erfnamen  sy  bijeen  nam  ende  bescickede  al  hoir 
zaken ,  MLoep  II ,  1986.  Bliven  wi  bieen  als  helden 
coen ,  Hein.  II ,  5776.  Daer . .  saten  daer  bieen  . .  vele 
liede,  Heeln8871.  —  Ook  in  de  uitdr.  van  biëne, 
van  elkander,  vaneen,  uiteen.  \\  (Wi)  sekeren  van 
byene  niet  te  sceyden  voir  die  tvd,  dat  wi  .  .  . 
alsulke  broke  .  .  .  ghebetert  hebben,  Mieris  2, 
267  tf. 

BIEENBLIVEN,  at.  ww.  onz.  Bij  elkander 
blijven;  zie  een  voorbeeld  bg  bieen. 

BIEENCOMEN,  at.  ww.  onr.  onz.  Bijeenkomen, 
zich  verzamelen,  vergaderen.  \\  {fiï)  souden  wederom 
byeencomen  the  Wageningen ,  Matth.  Anal.  1 ,  495. 

BIEENNEMEN,  st.  ww.  bedr.  Verzamelen, doen 
b\j eenkomen.  Zie  een  voorbeeld  bij  bieen. 

BIEENSITTEN,  st.  ww.  onz.  Bij  elkander  zi/len. 
Zie  een  voorbeeld  by  bieen. 

BIEENTIEN,  st.  ww.  onz.  Bijeenkomen,  bij 
elkander  kamen,  elkaar  opzoeken.  ||  Hets  dicke 
ghesien,  dat  gherne  tien  die  ghene  bi  een,  die 
van  herten  8\jn  in  smerten,  Belg.  Mi».  1 ,  121 ,  19. 

BIEL.  Zie  bile. 

BIELEN.  Zie  bilen. 

BIEN.  Zie  been.  ||  Bugghe,  bien  noch  lenden, 
Frouw.  e.  M.  VII,  147. 

BIENLIJC.  Zie  bieden  ,  8a). 

BIENTE.  Zie'  beente. 

BIER  ^beer,  Ettt.  V.  Dr.  11  e.  e.)  znw.  o., de 
bekende  arank.  Over  de  verschillende  soorten  van 
bier  in  de  Middeleenwen,  b.  v.  oottertch  (oetlers) 
bier,  Hexe  61,  73;  Idvre  d.  Mest,  11  (fr. chervoise 
d^Alemaingne) ,  zie  K.  en  O.  v.  Delft  166,  14; 
167,  15;  168  aant.  2);  169,  18;  V.  Hasselt, 
JmA.  Oudh.  3,  143  vlgg.;  Geld.  Maalt,  m  Y\gg. ; 
Moltzer,   Dram.  Poëzie,  186  aant.,  Inform.  Gloss. 

—  Ook  vindt  men  een  bier,  in  den  zin  van 
eene  bepaalde  hoeveelheid  bier.  \\  Dat  willic  wedden 
om  een  bier,  Lipp.  137.  Zie  Oudem.  Wdb.  op 
Bredero  54.  —  Een  half  bier,  Ned.  Kluchtep. 
63  {tweemaal).  —  Ook  het  verklw.  b  i  e  r  k  ij  n , 
bierken,  wordt  in  den  zin  van  bier  gebruikt.  || 
Gheeft  hem  drincken  tisane  ofte  bierken  sonder 
cruut.  Jan  Yp.  88  {Ht.  Yp.  119^).  Bierkin  es 
ghemaect  van  watre  ende  van  gruse ,  lAvr.  d.  Mest. 
11.  Dunne  bierkiin  op  gruus  gebrouwen,  Ht.  Yp. 
543.  —  Bier  komt  voor  in  de  volgende  spreek- 
wijzen.—  Van  énen  biere  drinken,  hetzelfde 
lot  ondergaan.  \\  Soe  datter  daer  bleef  wale  ontrent 
twee  dusent  bi  getale  .  .,  die  droncken  daer  van 
enen  biere ,  jBr«*.  y.  IV ,  525. — Bier  brouwen, 
een  plan  beramen.  \\  Die  felle  Fortier  die  ghe- 
bronwen  had  dat  bier  om  die  vrouwe  te  bringhen 
in  pine,  Segh,  9161.  Daer  moeste  de  ghene  in 
doen  den  ganc  (Perillut  in  den  koperen  ttier) 
ende  dat  bierkjjn  voren  smaken,  dat  hl  bruwen 
conste  ende  maken ,  de  uitttekendheid  bewezen  van  het 
instrument  dat  hij  zelf  vervaardigd  had  ,Sp.l*,43,  28. 

—  Ook  met  den  dat.  v.d.  pers.  Iemand  eene  koolstoven, 
een  plan  beramen  in  iemands  nadeel.  \\  Hem  langhet 
omme  cloosterbier :  nu  gawi  ende  bruwen  hem, 
Jtein.  I,  1960.  Dien  heren,  die  nu  waren  so  fier, 
dat  si  Reinaerde  waenden  bier  te  sineu  lachter 
hebben  ghebrouwen,  2179.  Nochtan  si  branden  mi 
znlc  een  bier,  mine  luste  niet  langher  te  blivene 
hier,  O VI,  Lied.  en  Oed,  482,  99.  WareMachar^s 


mijn  oem  hier,  hi  soudu,  Ajoel,  selc  een  Iner 
met  vullen  nappe  scinken ,  ghi  aoiida  langhe  moga 
dinken,  Aiol-fr.  15. 

Aanm.  —  Wat  bieren  beteekent Matth.  .iiMi/. 3, 
371 :  „Si  sloegen  die  kelre  ende  bieren  in  ende 
woesten  al  dat  in  die  stede  was  sonder  dmt  doester," 
is  niet  duidelijk.  Misschien  is  het  woord  bedorvea. 

BIERBERRIE ,  znw.  vr.  Eene  berrie  om  kier  te 
vervoeren.  De  stad  had  in  den  regel  snik  eeic 
berrie,  welke  zy  verhuurde.  ||  Men  geeft  mn  de 
bierberrye  die  men  verhuyert,  te  weten  vmn  eei 
vat  binnenbiers  te  draghen  3  denyts  ende  bnvten- 
bier  1  groten,  Inform.  262.  Die  blerberiie  neeft 
gegouden  binnen  5  jaeren  .  .  591  ^^ ,  sJd,  403.  Die 
bierberry  (galt)  anno  1510  87  dC»  ^^-  269, 

BIERBOOM,  znw.  m.  Eig.  hetzelfde  ala  bier- 
tol;  z.  ald.  B^  uitbreiding  boomgeld  wmn  kei  hier, 
het  geld  dat  bij  het  in-  en  vUearen  vom  de  haetu 
voor  de  met  bier  geladen  sekniten  moest  worden 
betaald.  ||  Die  bierboom  heeft  gegonden  int  jaer 
1507  77  Hf,  Inform.  248. 

BIERBUISE,  znw.  vr.  Oesck.  v.  Aniw.  onder 
allerlei  huisraad  genoemd.  Een  grooie  HerJtém  wui 
twee  hantvatsels.  Zie  EjI.  95  op  buyse. 

BIEREN,  zw.  ww.  onz.  Bier  verkoopen.  \\  Wi 
gheen  brouwer  noch  bronster  bnyten  op  een  nnden 
bierstal  en  sal  moegen  commen,  ende  spn  bier 
min  geven ,  dan  die  gheene  doet ,  die  gewoonlycken 
is  up  tselver  bierstal  te  bieren ,  K,  en  O.  v.  Delft 
168,  17. 

BIERKEREE ,  znw.  vr.  Comische  benaming  voor 
het  bierhuis,  mul.  taverne.  ||  In  dye  caetsbaen, 
op  dat  dobbelspel ,  inder  dansschoel  of  in  die  bier- 
kercke,  Gest.  R.  f.  108a. 

BIERCLOCKE  (beerclocke),  znw.  tt.  Mhd. 
biergloeke,  waarvan  ook  bierglockensU.  De  tifd  dat 
de  bierhuizen  gesloten  moeten  zijn;  eig.  de  klok, 
waarmede  die  tijd  wordt  bekend  gemaakt.  \\  lat  bi 
nachte  na  der  beerclocke  ghescheen,  so  ist  die 
bote  dubbelt,  Stadb.  v.  Gron,  III,  12. 

BIERLAERS  (bierleers),  znw.  m.Droukaetrd, 
bierbuik.  Vgl.  onze  uitdr.  eene  laars  oem  hebben, 
d.  i.  dronken  zijn;  het  woord  bierbuis  bg  Kil.,  en 
voor  het  latere  gebruik  van  bierlaers,  Ondem.  1, 
692.  il  Dat  worden  moutvlyeghen ,  byerleersen  of 
dronckenbouts   (hd.   trttnkenbold),  Ned.  Proza  165. 

BIERSCULT,  znw.  vr.  Schuld  aan  eenkasteUm 
voor  het  drinken  van  bier;  onbetaalde  vertermgen 
in  de  herberg.  \\  Van  bierschulden.  Item  salmen 
geen  recht  doen  van  bierschnlden ,  O.  K.  r.  Enkk. 
29,  149. 

BIERSTAL,  znw.  vr.  Kraampje,  waar  bier  ver- 
kocht wordt.  Zie  een  paar  voorbeelden  op  bieren. 

BIERTAPPER,  znw.  m.  Kastelein,  biertapper, 
herbergier,  JVarfsconstit ,  103;  Leid.  Kenrb.  239, 
54;   Etst.   V.  Dr.  11.  Zie  bg  biervoget  en  bier- 

WISCH. 

BIERTOL,  znw.  m.  De  tol,  het  tolAmis,  wmeer 
de  inkomende  rechten  van  het  bier  moesten  worden 
betaald.  Vgl.  bier  BOOM.  ||  O.  van  sinen  wedden 
van  der  biertollen  tot  Aemstelredamme  te  verwaren , 
Bek.  d.  Gr.  1,  355. 

BIERVOERDER ,  znw.  m.  Hij  die  bier  Mtnwert.  || 
Alle   die   ghene,    die   biervoerders   siin   dat    Tan 
buten  den  Brielle  compt,  K.  v.  Brielle  74,  5.  Bal 
gheen  biervoerders  off  die  scepen  voeren  {eckMÜe» 
voerders)  bynnen  den  lande,  die  en  sullen  nelvc 
gheen  bier  tappen  op  correxie  vander  stede ,  mld.  7. 

BIERVOOET ,  znw.  m.  Opzichter  over  het  bier  r?). 
II  Soe  is  gewast  van  den  biervogeden  Tan  Ajuo, 
dat  sie  van  den  biertappers  niet  nemen  moegcen, 


^240 


BiEFi. 


BtÖA. 


42Ö0 


dat   sy    geldt,    excys   ofte  beer,  Ettt.  v.  Dr.  11. 

BIERWISCH,  zn^w.  Een  bundel  êtroo  (stroounêch)^ 
welke  op  een  biervat  gestoken  loordt^  ten  feeken  dat 
daar  bier  verkocht  wordt.  Zie  De  Jager,  Vertch. 
313  Ylgg.  II  Dat  geen  wijntapper  noch  biertapper 
voirt  an  geen  wynvaten  of  biervaten  upter  straten 
setteu  en  sal,  om  w^nwisschen  of  bierwisschen 
dair    up   te  setten,  Leid.  Keurb.   239,  54. 

BIERVE  (bierf,  birve).  Zie  berf. 

BIESE,  znw.  vr.;  bies,  znw.  o.  Mhd.  biête; 
mnd.  bése,  terwyl  hd.  binse  heeft.  Ygl.  Grimm, 
ir  tb.  2,  38  en  Klnge  29  op  binse.  Bies,  lat. 
juncus ,  earectum ,  de  bekende  grasplant  in  of  aan 
bet  water.  ||  Recht  als  een  bies  staet  hem  die 
stele,  droite  comme  jons,  Rosé  1596.  En  weet 
wcdert  bies  of  stro  was,  Lsp.  II,  36,  72.  — 
Bi  es  en  werden  gebruikt  om  den  steenen  vloer  te 
bestrooien  voor  meerdere  zachtheid  en  ter  wering 
van  kon.  ||  Berte,  scuert  desen  pot  jeghen  dese 
hoghe  daghen  ende  stroyet  dese  biesen  In  dese 
Gameren,  Livre  d.  Mest.  24.  Die  camere  sonde  oec 
altemale  met  groenen  biesen  ghestroyt  siin ,  Limb. 
XI,  500.  (Si)  leedde  mi  .  .  tote  in  hare  camere 
binnen  .  .;  np  die  versche  biesen  groene  ghingen 
wi  sitten  vor  een  bedde.  Rosé  fr.  254,  66.  Eist 
in  den  somer,  so  tempert  die  Incht,  daer  hi  {de 
zieke)  leget,  met  groenen  biesen ,  met  wilgeloveren, 
ende  wyngartbladren  .  .,  die  gi  strojt  omtrent 
siin  bedde,  Hs.  Yp.  64rf.  Die  stroyinge  van  den 
loveren  vanden  wiingarde  ende  rode  biesen  entie 
vorseide  stroyinge  vanden  sconen  watere,  543. 
Ygl.  29(7:  „dien  vloer  bestroyen  met  lissce  ende 
met  risen  van  wilgen  ende  met  w^ngaertbladren." 

—  Bies,  iets  van  weinig  waarde ,  *6*oo.  ||  Doe  den 
heren  ierst  verwies  trouwen  (/.  trouwe) ,  ende  men 
hen  inblies  daer  si  bi  werden  moy ,  doe  wert  hare 
edel  coren  bies,  Vierde  Mart.  602.  —  Niet  een 
bies,  niet  het  minste,  niet  in  het  minst,  volstrekt 
nief.  Zie  De  Jager,  Lat.  Versch.  92.  ||  Inne  ontsie 
u  niet  een  bies.  Ren.  816.  U  en  hadden  viertich 
man  niet  en  bics  en  connen  gescaden ,  Lorr.  fr,  I, 
168.  Tfolc  ....  en  was  beter  niet  een  bies, 
Teest.  340. 

BIESGELT ,  znw.  o.  Onder  allerlei  kleine  bij- 
dragen ter  bestrijding  der  kosten  van  den  open- 
baren eeredienst  komt  ook  deze  voor,  O.  R.  v.  Dordr, 
1,  295,  2:  „So  en  sal  men  gheen  bisscopsgelt 
bidden  noch  brengen ,  noch  coninckgelt  inden  vasten, 
noch  kermiss-,  noch  past-,  noch  marct-,  noch 
hoechtijt-,  noch  kaerssgelt,  noch  biessgelt." 
Denkelijk  is  hier  bedoeld  eene  bijdrage  voor  het 
bestrooien  van  den  vloer  van  het  kerkgebouw  met 
biezen.  Zie  BIESE. 

BIESIJN,  stoff.  bnw.  Van  bies  gemaakt,  biezen, 
teenen,  rieten.  ||  Met  hem  voerdi  odevaren  in 
bnsekine,  die  byesin  waren,  in  ar  ds  papireis, 
Jtijmb.  3565. 

BIEST,  znw.  vr.  Hd.  biest  (m.);  eng.  biestings-, 
mhd.  bies,t  (m.);  mnd.  best.  Yoor  de  afleiding  vgl. 
Weigand  1,  218;  Lexer  1,  269;  Kluge  27.  J)e 
eerste  melk  der  koe  na  het  kalven,  zooals  heden. 

—  Ook  schynt  het  woord  in  't  mnl.  k€uu  beteekend 
te  hebben,  althans  Livre  d.  Mest  10  vinden  wij 
„craime  et  froumegie*'  YertBaMi  door  rome  ende  biest. 

BIGAEN,  st.  onr.  ww.  onz.  en  onpers.  Met  den 
3den  nv. 

Onz.  —  Bij  iemand  gaan,  d.  i.  b(  iemand  naderen.  \\ 
Dus  gaen  wy  hem  by  met  reverencie,  Sacr.  205;  — 
6f  in  iemands  nabijheid  gaan,  hem  begeleiden.  \\  In 
hare   hant    so   hilt  si  haren  vrient,  die  hare  ginc 
bi,   Rosé  1209. 


Onpers.  —  Het  ga  et  mi  bi,  het  gaat  mij.\\ 
Het  gaet  mi  cranckelike  bi;  ie  bin  die  nie  geluc 
gewan,  D.  fVar.  8,  86,  84. 

BIGAERT.    Hetzelfde   als   bigordel?   z.  ald. 

II  Waer   hoort   men   van  previlegien  ghewaghen, 

gheen   bygaert  te  draghen  buiten  uwen  consente? 

Si  syn  al   vercocht;  ghy  hadt  goede  rente,  Belg. 

Mus.  4,  253. 

BIGAREREN,  kakelbont  maken,  R.  v.  JJtr.  2, 
315.  Zie  oebioareert. 

BIGEBRINGEN,  st.  onr.  ww.  bedr.  Hetzelfde 
als  bibrengen  (zie  ald.).  —  1)  Aantoonen,  bij- 
brengen, in  rechte  aanvoeren.  \\  Na  alle  tgone  dat 
si  daer  af  bighebringen  conden , . .  souden  si  voort . . 
jeghen  den  heere  van  Berghen ...  te  rechte  comen 
voor  den  hertoghe,  Brab.  T.  YII ,  16309.  —  2)  r«» 
uitvoer  brengen.  ||  Als  du  dat  bighebrengen  conste, 
soe  salstu  dijn  leven  verwandelen,  Bienb.  153^. 

BIGEDÜREN,  zw.  wv.  onz.  Op  eene  eenigszins 
vreemde  wijze  gevormd.  Slechts  als  znw.  gebruikt  in 
de  nitdr.  Int  bigeduren,  op  den  langen  duur.  \\ 
Sulc  dunct ,  dat  gheen  sonde  en  sy ,  mach  men  soe 
doen,  al  eest  ierst  vri,  dat  sonde  wort  int  bighe- 
dueren,  N.  Doet.  2183  (de  var.  heeft  dezelfde 
lezing). 

BIGEN,  zw.  WW.  bedr.  Hetzelfde  als  het  gewone 
b  u  g  e  n ,  wat  de  beteekenis  betreft ,  maar  de  vorm  is 
daarmede  onmogeljjk  overeen  te  brengen.  Er  is 
een  ww.  bigen,  beeg ,  gebegen  met  de  bet.  stapelen, 
opstapelen  (Grimm,  Wtb.  1,  1372).  Kan  dit  ww. 
door  de  gelykheid  van  vorm  de  bet.  van  het  geheel 
verschillende  bugen  ook  hebben  aangenomen?  Ygl. 
Grimm  t.  a.  p. ,  waar  uit  Alberus  wordt  aangehaald : 
,^ich  b  e  i  g  die  knie'*'* ,  flecto  genua ,  en  uit  Henisch : 
b  e  i  g  e  n ,  krümmen.  Het  komt  slechts  eens  in  H 
mnl.  voor  en  wel  in  den  trans,  zin  van  doen  buigen, 
naar  beneden  doen  gaan.  \\  Waer  toe  zouden  wi  hem 
nighen  ?  Wi  saghen  hemselven  bigben  die  tekene , 
die  wi  bilden  daer,  Lsp.  II,  36, 159  (vgl.  170:  dat 
si  en  bnghen  ghene  vane). 

BIGENAKEN ,  zw.  ww.  onz.  Min  of  meer  vreemde 
samenstelling,  in  bet.  overeenkomende  met  nabij- 
komen.  \\  In  vreemden  landen  so  doelde  si  tot  dat 
hoer  tyt  ghenaecte  bij ,  dat  sQ  ghenas  van  enen 
kinde,  MLoep  III,  755. 

BIGESTAEN,  st.  onr.  ww.  onz.  Hetzelfde  als 
bijstaan,  te  hulp  komen.  ||  (Een  zak)  dien  hem 
nature  gaf  ter  noet  om  vele  vissche  daer  in  tont- 
fane,  sire  nature  bi  te  ghestane  {var.  bi  te  stane), 
Nat.  BI.  III,  2862.  Dat  hi  niet  en  conste  .  .  . 
dien  van  Rode  bighestaen,  Brab.  Y.  Y,  3293. 

BIGICHTER,  znw.  m.  Oudere,  dialectische 
vorm  voor  biechter  (z.  ald.).  ||  Dien  custeronser 
ghesellinnen  der  grevinnen  .  .  bigichter  .  . ,  opdat 
hij  onser  ghedenke  bi  namen  in  sijnre  missen  ende 
ghebede ,  Nijh.  1 ,  343. 

BIGORDEL  (bigordrle),  znw.  m.  en  onz.  Mhd. 
bigürtel;  mnd.  bigordel.  Ygl.  Grimm,  JFtb.  opbei- 
gürtel  {Wtb.  1, 1373);  Diefenb.,  i.  v.  crumena, 
marsupium.  Eene  aan  den  gordel  hangende  tasch 
vooral  om  geld  in  te  bewaren , geldfasch ,  reistasch.  \\ 
Een  bigordel  met  gelde  goet,i^.I*  ,17, 16.  Enen  bi- 
gordel sindic  di  mede ,  dattu  teringhe  te  derre  stede 
hebben  moghes  ende  broot,  Alex.  II,  67  (vgl.  105, 
waar  het  onz.  is).  Om  den  man  te  soeken  diet 
bigordel  gevonden  soude  hebben  bi  der  zee.  Rek. 
d.  Or.  2,  310  (vgl.  406).  Om  boegen  ende  om 
bigordele,  daer  men  mijns  heren  ghelt  in  voerde, 
2  scilde,  ald.  3,  338.  Men  solde  hem  wel  een 
bygordel  toebetrouwen ,  als  daer  ghien  geit  in 
en   weer,    Spreuken   34.   Dragt   met  u  noch  gout 

40 


-1251 


BIHE. 


feiJST. 


1252 


nocb  selyer  noch  en  hebt  gheli  in  bigordele ,  X.  v,  J. 
e.  51.  Sy  gaven  den  weerdt  dat  bygorddele  ende 
tconfferkin  metten  ghesteente,  Cron.  v.  Vlaend. 
1 ,  40.  Hoe  dat  de  een  hadde  een  bigorddel  met 
gelde,  ald.  Om  dat  si  hair  clederen  ende  haer 
bygordelen  yinden  ende  crighen  souden,  &^«^. 72./. 
27S.   Ghine   snit   niet  bezitten  zelver  no  goud  no 

f  helt  in  bigordelen ,  Hs.  v.  1348 ,  280^.  (Si)  gaven 
er  waerdinne  een  bighordel ,  .  .  datsi  dat  bighor- 
del  wel  bewaren  sonde,  O.  R,  v.  Dordr.  1,  234, 
76.  Van  tween  malsloten  te  tween  bigordelen  .  ., 
daermen  ghelt  in  voerde ,  Invent.  v.  Brugge  3 ,  162  ; 
vgl.  het  Gloss. ,  ald, 

BIHEBBEN,  zw.  onr.  ww.  onz.  Met  den  dat. 
van  een  wederk.  vnw.  Hem  bi  hebben,  bij eicA, 
7Mt  zich  hebben  (vgl.  onze  uitdr.  iemands  bijhebbend 
gezelschap),  ||  Ornaat  si  gheenen  pape  hen  en  hadden 
bi.  Negeen  pape  en  was  hen  so  naer ,  Sp,  II*  ,  69 ,  21. 

BIHOUDEN ,  st.  WW.  bedr.  Met  den  dat.  van  een 
wederk.  vnw.  Hem  enen  bihouden,  iemand  bij 
zich  houden.  \\  (Hi)  dede  hen  grote  ere  ende  hiltse 
hem  bi  vortmere,  Lanc,  II,  32280. 

Aanm.  —  By  dit  WW.,  als  bij  verscheidene 
andere  samenstellingen,  met  bi,  die  in  *t  mnl.  nog 
niet  talrijk  zgn,  staat  men  in  tweestrijd  of  men  met 
een  werkelgk  of  schynbaar  compositum  te  doen  heeft. 
In  elk  geval  is  de  verbinding  met  bi  in  ^t  mnl. 
nog  niet  zeer  eng. 

BIJAERT.  Zie  bejaert  (Soe  jonc,  dat  hy  niet 
byjaert  en  ware,  Mieris  2,  159a). 

BIJLHOÜWER,  znw.  m.  Xn  H  alg.  de  werk- 
man,  die  met  den  bijl  arbeidt,  dus  timmerman.  In 
Amsterdam  is  bijltje  nog  heden  eene  benaming 
voor  een  scheepstimmerman.  ||  Die  byihouwers 
.  .  hoers  ghilden  ghelt  aen  hoers  ghilden  toem 
vertymmeren  zullen  in  horen  slach  ende  dien  toem 
hoghen  ende  verbeteren  zullen,  R.  v.  ütr.  1,205, 
56.  Zoo  nog  tweemaal  bl.  206. 

*  BUSTE  (?)  II  Al  bestu  slecht  ende  scone  dyn 
vel ,  hets  een  byste  ende  niet  el ,  J),  War.  2 ,  353.  Men 
zal  wel  moeten  lezen  v  |j  s  te,  d.  i.  wind,  lat.  crepitus 
ventris ,  in  den  zin  van  iets  zonder  waarde.  Ook  een 
unnd  wordt  op  dezelfde  w|jze  gebruikt,  b.v.  Jlex,  1,47 
en  890 ,  even  als  in  platte  taal  nog  heden  een  scheet. 

BIJSTER,  bnw.  Mnd.  bister;  onr.  bisir; zw.de. 
bister.  Een  woord,  dat  in  H  hd.  slechts  zelden 
voorkomt,  en  nit  het  ndd.  is  overgenomen  (Lexer 
1 ,  285).  Het  is  eene  afleiding  met  -ter  (cf.  duister 
e.  a.^  van  den  stam  van  het  ww.  bisen,  dat  hier 
en  (laar  nog  van  koeien  gezegd  wordt  in  den  zin 
van  wild  rondloopen.  Zie  Van  Bale  op  biezen, 
byzen,  bissen;  en  vooral  de  Jager,  Freq.2,26 
^^SS'  1  v<^^  ^^  ^^^^  oorsprong  is  aangewezen.  Het 
t.  a.  p.  26  aangehaalde,  in  hd.  dialecten  voorkomende, 
WW.  hissbissen  heeft  eenovereenkomstigenterm  in  het 
Nederlandsche  dialectische  kissebissen  (spr.  kizze- 
bizzen) ,  dat  de  beteekenis  heeft  van  bedrijvig  heen 
en  weer  loopen  zonder  veel  uit  te  voeren.  Het  Eng. 
nam  het  nd.  woord  over  in  den  vorm  boisterous 
(E.  MüUer  1 ,  107).  Vgl.  mnd.  bissen  (Lubben  1 , 
343) ;  vl.  biezen  (Schuermans  52) ;  de  mnd.  samen- 
stellingen bistergenge  (d.  i.  umherschweifend) ,  bister- 
lopen  en  bistervare  (d.  i.  irrege/arener);  het  ww. 
bijsteren,  d.  i.  umherirren ;  llor.  Belg,  7',  11 :  bgstren, 
dwelen,  eren,  basen,  dolen,  verwilden,  wiltlopen, 
en  ons  ww.  verbijsteren,  met  het  bnw.  verbijsterd, 
d.  i.  cujtis  sensus  errant,  wiens  zinnen  op  den 
loop  a  y  n. 

1)  Van  dieren  en  menschen.  Loshopend,  rond- 
hopende  waarheen  men  wil.  \\  Beter  is  besloten  te 
we.teu   eude    behouden,  dan  byster  te  wesen  eude 


te  lopen,  Dial.  Creat.  11a.  (Boete)  van  een  bysteren 
verken  3  scellinghe ,  Rek,  d.  Gr.  1 ,  391. 

2)  Uitzinnig,  jj  Dat  ie  al  om  liep  haerenUer 
bgster  als  een  onvroet  man,  Rein.  11,  4406. 

3)  Verwilderd,  woest,  onherbergzaam.  Vgl.  onze 
uitdr.  bijster  weer  (d.  i.  boos  weer)  en  mnd.  bisterbose 
(Lubben  1 ,  344).  ||  Hughe  . .  reedt  wech  meaigeo 
bysteren  wech  door  bosschen,  over  bergen,  Eu§e 
V.  Bord.  27.  Gy  kom  ter  uit  byster  land ,  Hor.  Belf. 
2*,  167.  Want  onse  landt  van  Velu  wen  een  wilt 
byster  landt  is ,  dair  voele  avergrepen  in  geschieo, 
Nyh.  85.  VgL  ook  bysterveldt,  Ned.  Klnehtsp. 
49 ,  dat  wel  eig.  zal  bet.  een  woest  land,  en  vervolgens 
symbolisch  genomen  wordt  voor  het  toppunt  wa» 
ellende. 

4)  Woest,  vervallen,  in  slechten  staat ,  niet  onder- 
houden. —  a)  Van  zaken.  ||  Datter  in  den  voorn, 
dorpe  zgn  29  haertsteden ,  daerof  dat  de  15  byster 
zyn ,  zoedat  zy  niet  en  wilden  haer  goet  mitten  lasten 
aentasten,  Inform.  51.  Soe  sullen  die  zwoem  dei 
bysteren  dyc  bueten.  Over.  Dijtr.  II',  25.  Soe  toe 
voelen   tyden   byster  dyke,  wege  ende  weteringe 
synt   biyven    liggen   in    de   SaUantsche   schoawe, 
I ',  232.  Vgl.  II>,  21 ,  23 ,  25  tweemaal.  Soe  salmenoir 
vortvaeren    ende    holden    in    bgsteren    voeten  vu 
dyken,    loepen,   waeden,   tonen   .   .,  weterynghe 
ofte  yet  anders  dat   voir  byster  worde  ghedeyU 
(geoordeeld)    by    den   zwoem    ende    hegmraedeni, 
ald.  23.  —  Ook  slecht,  treurig,  ongelukkig  in  het  alg.  1| 
Men  moet  den  acker  weder  sayen  om  sanderenjaers 
wat   te    mayen,   of  tworde  een   byster   spel,    een 
treurige   toestand,   Hild.   238,  117.  Soe  waert  eei 
alte   byster  lot,  244,  34  var.  —  b)  Van  personen. 
Arm,  vervallen,  in  slechten  toestand.  \\  Zoedat  zy  . . . 
dat  hnn  gebleven   was  verteert  hebben  ende  z^d 
byster  geworden,  Enq.  154.  Vgl.  verbijstert. 

4)  Buitensporig,  buitengewoon.  \\  De  schippers  als 
zy  hebben  een  hongher  bystere,  Han,  H.  226.  Si 
maken  wael  een  byster  lach  (t.  gelaech) ,  die  om 
betalen  niet  en  zorghen,  Hild.  170,  42  vior. 

BIJ  STÈREN ,  zw.  ww.  bedr.  Tot  armoede  krengen. 
Vooral  in  het  deelw.  gebystert,  hetzelfde  als 
verbystert  (z.  ald.).  Vervallen,  arm,  tot  den 
bedelstaf  gebracht.  \\  Die  landen  worden  geavert, 
die  Inden  gebystert,  gevanghen  ende  doot  geslagen, 
Matth.  Anal.  3,  340. 

BIJSTERLIJC(BISTERLIC),  bnw.  en  bgw.  Ver- 
wonderd, verslagen.  ||  Hy  zad  bysterlic  hooren  .  . 
als  hy  van  myn  mesdach  honden  crgght  TOBtant, 
Ned,  Kluehtsp.SQ,  220.  Hoe  dat  die  helsche  duvelen 
verwonnen  worden  ende  beheert  van  den  coninc 
der  glorien  ende  bisterlic  mosten  sitosien,  Bmgm. 
2    392. 

'bijsterlopende,  bnw.  Mnd.  bisterlopen 
(ook  bistergenge).  Her  en  der  dwalende.  \\  Hoer 
angesicht  als  lampen  ende  als  blixem  bysterlopende, 
D.  B,  Nahum  2,  4. 

BIJT,  znw.  onz.  en  m.  (thans  vr.).  Mhd.  Hz. 
In  de  tegenw.  bet.  van  gehakte  opening  m»  ket  ijs. 
Van  bijten  in  de  oorspr.  bet.  van  kloovem,  lat. 
findere.  Vgl.  T.  en  Lettb,  1 ,  64  vlg.  en  Kil.  67.  — 
Vooral  in  de  uitdr.  dat  (die)  helsce  bijt,  de 
ijskoude  hel,  de  hel.  Vgl.  Verwys,  StropA.  Ged. 
Gloss.  op  ys.  II  Daer  viel  hi  (Lucifer)  in  den 
helscen  biit,  Wap.  Mart.  1 ,  605. Verlost  huten  helacen 
biten  (/.  bite :  vite) ,  Amand  1 ,  4624.  Eer  ghi  ver- 
smoort int  helsche  byt,  Praet  1145  (vgl.  1168, 
3651,  4650).  —  Ook  met  weglating  van  helsce 
in  denzelfden  zin.  1|  Zo  dat  hi  (Lucifer)  viel  ende 
biyft  int  byt,  ald.  2386.  Omdat  Adaem  io  den 
appel  beet,  daer  noch  die  duvel  .  .  tonswaert  om 


^253 


BUTS. 


BICO. 


4254 


draecht  jpx)ten  ngt,  om  dat  wi  lagen  in  s^n  bijt, 
ende    mitten    cmce   syn    ondregen,    Lueid.   1912. 

BIJTSEL,  snw.  o.  Jeukte,  jeuk.  Kil.  bfjten, 
j.  joocken,  prurire.  ||  Men  gevoelt  sweringe, 
bijtsel  ende  steecten  sulc  tgt  boven  den  navel  ende 
sulc  tijt  daer  onder,  Ht.  Yp.  37^.  So  gevoelt  men 
bijtsel  ende  snidinge  onder  den  navel ,  38c.  Tcrnnt 
geeten  geneest  bytsel  in  die  mage  ende  geneest 
punsten,  101^.  Bijtsel  ende  joocsel  omtrent  den 
hals  van  den  vede,  386^. 

BICANS.  Zie  bicant. 

BICANT,  bi|w.  Bijna,  ongeveer,  bijkans  (voor 
hijkanti).  Mnd.  bikant.  \\  In  deser  manieren  .  . 
ben  ie  den  riede  ghelijc  bicant,  Amand  I,  552. 
Die  eerste  minne  is  onsprekelike ,  dander  is  bykant 
dier  ghelike,  MLoep  III,  87  var.  Doe  die  enen 
bont  bicant  van  den  wolf  verwonnen  was ,  Oett.  R. 
c.  133.  Andere  (tcAepen)  sijn  soe  broes  gbemaket, 
dat  si  in  stillen  vloede  bicant  verdrencken ,  Past.  W. 
45c.  —  Ook  bicans  komt  voor,  b.  v.  InvenL 
V.  Brugge  5,  266. 

BICKE,  Enw.  vr.  Mnd.  hicke\  mlat.  hecca\  fr. 
béche.  Een  teerktuig  om  te  bikken ,  steenen  ie  houtoen, 
bikhamer.  Vgl.  hd.  bicke  (Grimm ,  Wtb.  1 ,  1808) ; 
bickel  (Kil.  65) ,  en  Schnermans  53.  ||  Yan  bicken , 
spaden,  hurters,  yserine  hantboeme  .  .  ende  vele 
manieren  van  yser  werke,  Rek.v.  Oentl,3&S..(ILi) 
liep  .  .  te  Liedekerke  omme  bicken  ende  spaden, 
428.   Bicken,  spaden,  bilen  ende  auweelen,  473. 

BICKELABE  (bickelere),  znw.m.  Steenhouwer, 
Kil.  65.  —  Ook  als  eigennaam  Brab.  T.  DL  1, 
bl.  791^.  —  Ook  in  de  samenst.  steenbickelare.  j| 
De  timmerlieden  ende  die  steenbickelere  mit  haren 
gnldebmederen ,  Brab.  T.Dl.  2,  bl.  571.  Engheenen 
meester  van  den  timmerlieden  noch  van  den  steen- 
bickeleren,  Belg.  Mus,  7,  107  (ISr/md.  11272:  steen- 
becklaren). 

BICKEN.  Zie  becken. 

BICKEN,  zw.  WW.  bedr.  Mhd.  mnd.  ^tc^^i»;  ndl. 
bikken  en  pikken',  it.  piccare;  fr,  piguer.  Het  is 
moeilijk  uit  te  maken,  in  hoeverre  dit  woord  in 
oorsprong  verwant  is  met  het  vorige  bicken,  dat 
eene  afleiding  is  van  bek.  Er  zijn  waarschijnlgk 
twee  stammen  dooreengeloopen ;  het  eene  ww.  zou 
eigenlijk  becken ,  het  andere  pikken  moeten  luiden , 
maar  ten  gevolge  der  gelykvormigheid  zgn  zij 
dooreengeloopen  en  nu  is  ae  eig.  oorsprong  der  beide 
woorden  voor  het  taalgevoel  verduisterd.  Vgl. 
Grimm,  Wtb.  1,  1809;  Scheler  SöO.  —  l) Houwen, 
hakken ,  steken.  \  |  Men  begonste  sonder  were  die  muere 
breken  ende  bicken ,  Segh.  10094  var.  Daer  mocht  men 
. .  sien . .  hoefde  slaen  al  in  stucken  (/.  sticken)  ende 
met  swerden   deylen  ende  bicken,  Trogen  f,  7Qd» 

2)  Aanvallen,  aantasten.  Vgl  onze  uitdr.  den 
pik  op  iemand  hebben,  den  hak  hebben  op,  op  tem. 
Aakken  en  mnl.  stekenjegen.  ||  Omdat  si  deen  na 
dander  betonden  .  .,  sone  wilden  si  niewer  op 
micken  ende  wilden  altenen  vorwaerd  bicken  ende 
altemale  dan  bringen  onder,  Yelth.  I,  3,  48.  Dat 
si  opt  zee  voren  dicken  ende  also  op  Ingelant 
bicken  ende  roveden  ende  daden  verdriet,  III,  22 ,  15. 

BICOMEN,  st.  WW.  onz.  (deelw.  bicomen).  Mnd. 
bikomen.  —  1)  Met  den  dat.  Nabijkomen,  naderen.  \\ 
Si  comt  den  zeiken  zaen  soe  bi ,  dat  sine  gherQnt , 
Hadew.  1 ,  148,  45.  (Hi)  dwanc  (den  duvel)  so  dat 
hi  nemmere  hem  dorste  bicomen,  Amandll,  1271. 
Teerst  dat  hi  der  stat  biquam,  Sp.  I^,  51,  1.  Die 
andere  s^n  gevolget  sciere . .  ende  sijn  hem  bicomen 
sacn,  II*,  27,  54.  Boven  allen  swerken  .  .,  daer 
hi  der  sonnen  viere  coemt  bi.  Nat.  BL  III,  127. 
Der  fonteinen  cam  ie  bi,  O VI.  lAed.  e.  Ged.  237, 


105.  Ie  comme  u  by,  F*  Maagd.  701.  Die  doot 
der  eertscher  begeerten  is  een  bicomen  totten  vuere 
der  godliker  minne ,  Sp.  d.  M.  1 ,  99a. 

2)  Met  den  dat.  Iemand  aan  boord  komen,  hem 
lastig  vallen  met  een  verzoek;  fr.  aborder.  ||  Hier 
om  waren  si  seer  in  twy  ende  camen  Pilato  alsoe 
by,  dat  hi  tgraff  bewaren  dede,  Hild.  56,  9. 

3)  Absoluut.  Geschieden ,  plaats  grijpen ,  gebeuren , 
nog  niet  geheel  buiten  gebruik  in  deze  bet.  ||  Nu  maect 
mi  vroet ,  hoe  sijn  die  saken  comen  bi ,  Wint.  e.  S. 
458.  Ten  conde  so  haestelic  niet  bicomen,  Clerc 
101.  Dus  comt  u  mesdach-houden  misselic  by, 
wonderlijk  van  pas ,  d.  i.  zeer  te  onpas.  Ned.  Kluchtsp. 
83,  141. 

BICOSTEN,  zw.  WW.  bedr.  Hetzelfde  als  be- 
co 8 1  e n  (z.  ald.).  ||  Des  graven  sun  (zullen)  se  alghe* 
like  bycosten,  ende  watter  mit  den  gravene  be* 
vredet  wert,  die  solen  den  graven  mede  bycosten 
marck  markelike,  Stadsr.  v.  Zwolle  79  var.  Ende 
80  sunse  den  graven  bycosten  al  ghelike,  80  var. 
{tweemaal).  Vgl.  142  var. 

BILANGES,  bgw.  Mnd.  bilank,  bilanges.  Langs, 
(vgl.  onze  uitdr.  het  was  er  bg  langs,  b^  het 
kantje  langs).  ||  Die  selve  erfgenamen  van  den 
Aldenbroecke  sullen  ene  wanghe  (begaanbare  boord, 
voetpad ,  eig.  zijde)  bilanges  der  weteringen  an  die 
Gelresche  sQde  maken,  Njjh.  4,  36. 

BILDE,  BILDEN.  Zie  beelde,  bbelden. 

BILE  (bijle)?  Etst.  ».  Dr.  77.  ||  De  vier  vogeden 
hebben  rechte  pandinge  gedaen  an  der  bglen ,  daer 
de  buren  van  Egeste  van  getueget  hebben. 

BILE  (bijl,  gewooniyk,  doch  te  onrechte  biel 
geschreven;  vgl.  bielen  voor  bilen,  d.  i.  blagen), 
znw.  m.  Jagersterm.  Mhd.  bil,  bile  (Ziemann, 
MAd.  Wtb.  34) ;  hd.  beil  (verouderd). 

1)  Het  oogenblik,  waarop  het  gejaagde  hert,  van 
alle  kanten  door  de  honden  aangeblaft,  tot  het 
uiterste  gebracht  wordt.  Het  hangt  samen  met  bilen, 
d.  i.  blaffen,  Ygl.  fr.  étre  aux  abois  (Littré  13) ;  eng. 
to  stand  at  bay  (E.  Muller  1 ,  65).  —  BepaaldelQk 
in  de  uitdr.  te  bile  staen.  Ygl.  mhd.  ze  bile 
sten.  II  Die  hert  was  moede  ende  stont  te  bile, 
en  was  tot  het  uiterste  gebracht,  fr.  il  était  aux 
abois  (d.  i.  demière  ertrémité) ,  Vod.  Mus.  2,  153, 
75.  Daer  die  hert  te  bile  stont,  154,  117. 

2)  Tegenweer,  strijd,  kamp;  ook  mhd.  Zie  Ben.  1, 
123a ;  Lexer  1, 272.  ||  Dat  si  nu  wilden  houden  bile 
(mhd.  gegen  einem  bile  halten)  jegen  die  wet  van 
Yrancrike,  Yelth.  lY,  43,  36.  Hi  slacht  den  ever 
die  niene  vliet  ende  voer  die  honde  gevet  biel, 
den  kamp  aanvaardt,  aanbindt,  aanbiedt,  Lanc.Jl , 
38494.  Tuschen  bosch  daer  bleven  si  sciere  hondene 
(/.  houdende)  alle  . .  ende  gaven  hem  biel  aldaer  in 
dat  enge,  Merl.  14954.  (Si)  hielden  biel  daer  ten 
stonden,  gelijc  die  ever  doet  vor  den  honden,  14963. 
(Si)  gaven  biel,  gelijc  dat  doet  een  ever,  ende 
sloegen  menegen  doet,  17671.  Dander  jageden  si 
tes  koninges  tenten  toe  ende  daer  gaven  si  hem 
biel,  22880.  —Te  bile,  hetzelfde  als  te  stride, 
te  prlge,  enz.  Om  strijd.  ||  Twee  manne  eic  met 
enen  vlogele  stonden  binder  portestile  (t.  porte 
stillef  ende  ondersloegen  hem  te  bile,  Flandr.  I, 
907  (de  door  den  uitgever  voorgestelde  verandering 
is  onnoodig;  zie  ook  de  AantV 

BILE,  znw.  vr.  en  m.  (o.?).  Hd.  ^ft/(o.);  mnd.  bil 
(o.  en  vr.) ;  mhd.  bihel  (o.) ;  ohd.  pihal,  bigil.  Zie 
verder  Grimm,  Wtb.  1,  1374;  Weigand  1, 177.  || 
Om  enen  bile  ende  om  spikinghe.  Bek.  v.  Zeel.  1, 
149.  Met  ere  scerper  bilen,  Bein.  I,  816.  Inder 
bilen  ende  inder  aexen,  Getijdeb,  S.  llld.  Yan 
«pikeren,  van  disselen,  van  bilen  ende  sulck  alse 


4255 


BILË. 


ËlLG. 


4256 


die  moelnare  te  doen  heeft ,  Rek.  d.Gr.l^dQ^  e. e. 

*  BILEDE,  Enw.  vr.  Hetzelfde  als  blide,  het 
bekende  oorlogswerktuig,  waarover  men  zie  Lubben 
1,  357.  Mhd.  mnd.  blide^  hd.  bleide;  nl.  blijde.  \\ 
Hi  dede  daer  voer  rechten  bileden  ende  andere 
instrumenten,  alsmen  in  dien  tiden  plach,  Clerc 
61.   Misschien  is   de  lezing  niet  zuiver. 

BILEGGEN,  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  bileggen.  — 
1 )  Met  den  dat.  Iet*  bij  iemand  ofiett  leggen^  brengen.  \  \ 
Dat  hi  dat  ore  den  yse  leght  bi,  Nat.  BI.  II, 
3917.  Op  aventure  wat  hem  makende  (/.  nakende) 
si,  leide  hi  hem  helm  ende  scilt  bi,  lei  bij  sick^ 
Lanc.  III,  11483. 

2)  Aanspraak,  bemjs  in  ree A Ie;  vgl.  mnd.,  waar 
het  bet.  betoeiien^  belegen.  ||  Hi  gaf  te  kinnen 
sijn.  aensprake  ende  syn  bileggen  om  sulken  recht 
ende  toeseggen  als  hi  hem  vermat  op  die  slote 
ende   op  dlant  van  Vueght,  Brab.  Y.  VI,  7fl22. 

BILEN,  zw.  WW.  onz.  (ook  bielen  geschreven, 
Parth.  1180).  Mhd.  bilen^  verwant  met  h^.  bellen; 
zie  Grimm,  Wtb.  1,  1451.  Blaffen.  ||  Si  hoerden 
die  honde  bilen.  Brand.  2169.  Hets  cleenre  honde- 
kine  zede:  so  si  sijn  cranker,  so  si  meer  bilen, 
Sp.  I*,  18,  8.  Die  honde  saghen  den  ever  vlien: 
daer  was  gheblelt  so  menechvout,  dat  ghescal 
vervulde  al  thout,  Parth.  1179.  —  Ook  met  den 
ace. ,  oneig.  als  trans,  gebruikt.  Door  blaffen  te 
kennen  geven.  ||  Die  sulc  een  {kruid)  hadde,  hi 
verstont  dat  hanen  craien  ende  honde  bilen,  Èleg. 

768.   Vgl.   BASSEN. 

BILEVE,  znw.  vr.  Vlaemsch  bijleve  (De  Bo  131 ; 
Schuerm.  54).  Hetzelfde  als  b  i  1  e  v  i  n  g  e  2) ;  z.  ald. 
II  Als  haer  man  doot  ware ,  si  sonde ,  wilde  si  de 
valschede  doen ,  hare  bileve  twee  waerf  winnen  op 
eenen  dach ,  Belg,  Mus.  1 ,  70.  Daer  men  dat  leen 
vercoept,  daer  eene  weduwe  bileve  an  hout,  ende 
si  haers  bilevens  of  gaet,  ald.  Haer  biyft  hare 
bileve ,  ald.  Zie  verder  De  Bo ,  t.  a.  p. 

BILEVEN,  znw.  o.  VI.  Ai/rr^i  (De  Bo ,  Schuerm. 
t.  a.  p.).  Hetzelfde  als  b  i  1  e  v i  n  g e  2);  z.  ald.  j|  Dat 
si  heeft  over  haer  bileven  dat  vierendeel  van  den 
gelde  van  den  coepe,  Belg.  Mut.  1 ,  70.  Daer  si 
haers  bilevens  mede  of  sal  gaen  ende  si  moet 
sweren  nemmermee  bileven  dar  an  te  eesschene, 
ald.  —  Een  ander  voorbeeld  zie  bij  bileve  en  een  bij 
BII.EVINOE  2). 

BILEVINGE,  znw.  vr.  Eig.  gevormd  van  de 
uitdr.  leven  bi  iet,  d.  i.  van  iets  leven  (zie  6i). 
Kil.  byievinghe,  ususfructus,  et  dot,  dotalis 
fructus,  vulgo  vitalia.  De  laatjite  beteekenis  is  de 
oorspronkeiyke. 

1)  Levensmiddel,  leeftocht,  mondkost,  levens- 
behoeften. WDea  de  goede  liede  gemeinlic,  die  wel 
betalen,  vele  te  dierre  hare  bilevinghe  coopen 
moeten,  Belg.  Mus.  10,  111. 

2)  Bepaaldelijk  in  den  zin  van  levenslang  vrucht- 
gebruik van  eenig  goed ,  hetwelk  by  huwelykscontract 
aan  de  vrouw,  als  zij  weduwe  worden  mocht,  wordt 
toegekend.  Zie  Kil.  en  De  Bo  t.  a.  p.  Fr.  douarie. 
Hetzelfde  als  lijftocht,  wedeme  en  dowarie; 
z.  d.  woorden,  jj  Daer  een  ondrachtich  wyf  huwet, 
al  ware  si  maghet,  sine  sal  gheene  bilevjnghe 
houden ,  Belg.  Mus.  1 ,  70.  Es  een  wyf  drachtich, 
si  salse  {de  bilevinge)  houden,  op  datter  niement 
bileven  in  hilt,  ald.  Si  begheerde,  dat  men 
haer  soude  willen  bestellen  ende  bewysen  op 
Vlaenderen  hare  duwarye  ende  byievinghe ,  CVo».  p. 
Vfaend.  1,  26.  Dat  hy  Richilden  synder  zwagherinnen 
soude . . .  gheveu  . . .  eene  duwarie  ende  bilevinghe, 
36.  Hy  belovede  hare  vore  hare  byievinghe  te 
ghevene  dat  rechte  dardde  deel  van  Viaenderen ,  69. 


Dien  hi  haer  tocht  ende  bilevinge  dair  ane(aTe?) 
gemaect  heeft,  Geseh.  v.  Aniw.  2,  642.  Zie  meer 
voorbeelden  ZVl.  Bijdr.  6,  367  (tweeniaal);  Vod. 
Mus.  2 ,  369;  Gout.  v.  Brugge  1 ,  541 ;  CA}ut.  r.  Gent 
583,  634,  535. 

BILGIOEN.  Zie  billioen. 

BILICHTE,  bgw.  5f>*  ^«?tf/(?).  ||  Gmette  haer 
yemant  bilichte,  soe  neichde  sy  hem  te  hant  o«t- 
moedelike  haer  hooft,  i\r^<^.  Prora  118.  Of  beteekeot 
het  in  hare  nabijheid  (vgl.  mhd.  bilich  ;hd.  beiliei^ 
d.  i.  propinquus,  vicinus)? 

BILIGGEN ,  st.  WW.  onz.  Mnd.  biUggen.  Met  dea 
dat.  Bij  iemand  of  iets  Uggen ,  ook  van  den  bijslaap. 
II  Dat  inden  scepe  was  her  Ghy ,  die  den  neve 
lach  also  bi ,  Stoke  IX ,  1139  (doch  juister  misschien 
vat  men  b  i  hier  op  als  een  op  zich  zelf  staand 
by woord,  met  also  als  bep.  Zie  de  Aanm.  b^ 
BiiiouDEN).  Op  dat  een  deel  verwaermet  si,  den 
viere  gheleghen  bi ,  Nat.  BI.  III ,  2057.  Alse  hi  mare 
dies  vernam ,  dat  hem  Theodosius  bi  laghe ,  wilde  hi 
nachts  met  eere  laghe  den  here  bestaen  onversien , 
Sp.  III*,  3,  66.  Liever  heb  ie,  seit  si,  mgnen 
mantel  te  latene ,  dan  bi  te  liggene ,  Pelgrim  6W. 

BILLE,  znw.  vr.  Mnd.  bille;  mhd.  hille,  belle. 
Vgl.  ERSBIL,  waarvan  het  woord  bil  eig.  de  ver- 
korting is.  In  onze  beteekenis ,  lat.  clnnis ,  b.v.  Saer. 
303.  —  Ook  gebruikt  in  de  bezweringsformule  b  i 
den  billen  van  God  (Christus),  Mahomet 
enz.  II  Bi  Mamets  billen ,  dit  dunct  mi  syn  betoverdea 
wyn,  Huge  v.  Bord.  26.  Helpt,  Lucifers  billen! 
Mar.  V.  N.  801.  By  Gods  billen,  Cannaert  55w 
Bi  den  billen,  Sacr.  654,  878. 

BILLEN,  zw.  WW.  bedr.  Mhd.  billen;  hd. billen 
(vgl.  beilen,  Grimm,  ITtö.  1,  1379).  Slaan, kloppen, 
houwen ,  een  molensteen  scherpen  (ook  mhd.).  —  Vgl. 
ons  znw.  aanbeeld  en  aenbilt  (1,  80).  |i  Slaet 
hem  {d^n  molensteen)  mitten  hamer  niet  ontwien, 
maer  pijnten  allenken  te  billen  ende  weder  goet  te 
maken,  Hs.  88,/.  115a. 

BILLENCRUÜT,  znw.  o.  Hetzelfde  als  bilaen- 
cruut,  hyocyamus  (z.  ald.),  Barthol.  629a. 

BILLIJC  (BiLLic,  BILLEC,  BiLC),  bnw.  Mhd. 
billich;  mnd.  billich,  bilk;  hd.  bilüg.  Van  ogerm. 
bill ,  d.  i.  aquitas,jus.  Vgl.  eng.  bill  en  Grimm, 
JTtb.  2,  26  vlgg.  In  de  thans  nog  gewone  be- 
teekenis van  rechtmatig,  Rein.  II,  3734,  6663; 
Sp.  IV',  46,  60  (waar  te  onrechte  bidlife  staat; 
z.  ald.  en  vgl.  Stoke  I,  356). 

BILLIJCS  (BILLIJC,  BILLIX,  BILLECS,  BILCS); 
byw.  Mnd.  billix.  Zie  BILLIKE.  Billijkerwijs, 
naar  recht  en  billijkheid,  van  rechtswege,  zooah 
billijk,  betamelijk,  natuurlijk  ü.  ||  Wye  sgn  souden 
tellet  tspot,  die  machmen  billics  schelden  sot, 
Hild.  233,  165.  Dat  mi  die  niders  beniden,  dat 
lide  ie  bilcs,  want  ie  wel  daer  over  ghewroken 
worde,  Bs.  80,  /.  1^.  Als  si  billecs sonde  pleghen, 
N.  Doet,  980.  Wat  hopen  mach  mgn  vader  ende 
wi  in  u  voortmeer  hebben,  die  billics  een  man 
vol  stantachticheyt  wesen  sout,  Trogen  Vb.  Abk. 
En  doet  (hi)  sulc  onscout  daer  of  als  hi  na  recht 
billix  (/.  ende  b.?)  sal,  Bein.  li,  3702.  Dats  hem 
ewelic  een  ander  billyx  hoeden  mocht,  O.  K.  w. 
Bolt.  49,  166.  Zoo  ook  Rein  II,  4615;  4981, 
7092,  7212;  MLoep  I,  137,  813,  1084;  FV,  1; 
Hild.  234,  217  en  220;  Ned.  Proza  153;  hemmen 
30;  135;  Vrouw.  e.  M.  X,  12  ;  5ra*.  F.  VI ,  6566 ; 
VII,  974,  10057;  Exc.  Cron.  171c;  Pass.  IF.  113*. 

Aanm.  1)  —  Ilor.  Belg.  7 ,  11  wordt  ook  de  be- 
teekenis forsan,  d.  i.  misschien , wellicht,  opgegeven; 
doch  is  die  juist? 

Aanm.  2) —  Soms  vindt  men  billics  ^bruikt 


4257 


BILL. 


BILO. 


1258 


als  bnw.,  b.T.  Hild.  195,  48:Twaer  billics ,  dat  si 
bellen  droeghen;  Vrouw.  e.  M,  Vil ,  17 :  Tis  bilUx , 
male  moet  syns  aerts  ghebraken ;  en  Brah,  7.  YII, 
3171 :  Twelk  billics  soude  hebben  ghewesen  na 
inhont  des  bestants. 

BILLIKE  (billijc,  billic,  bilc),  byw.  Mbd. 
billiche ,  hillichen ;  mnd.  billike(n) ,  bilken.  Hetzelfde 
als  billiics  (z.  ald.).  ||  Dien  meister  salmen  billic 
prisen,  die  van  niete  maecte  yet,  V  Bomen  98. 
Des  (d,  i.  Dat)  billic  manne  ende  wive  hem  des 
sallen  spreken  ere,  Brab.  T,  YI,  372.  Doe  soude 
sy  hem  billic  voertaen  vruechde  ende  vrede  hebben 
gedaen,  MLoep  II,  3021  (vgl.  3024).  Cassamns 
die  onde  degen  gaf  hem  bilc  wel  dicken  jegen, 
ff  af  hem  naar  behooren ,  naar  verdienste ,  naar  recht 
en  billijkheid  terug  ^  Caes.  1123.  —  Ook  in  den 
comp.  billiker.  ||  Veel  billiker  is  een  mensche 
beter  dan  een  scaep,  het  zal  wel  vanzelf  spreken, 
dat,  H».  Evang.,  Matth,  6,30. 

BILLIOEN  (belgioen,  biloioen,  bulioen, 
BOELIOEN ,  bOlioen).  Van  fr.  hill^m  (Littré  1 ,  347) ; 
eng.  bullion  (E.  Muller  1' ,  156);  mlat.  billio ,  bullio 
(Dnc.  1,  683);  mnd.  baliun ,  balliun.  Goud  en  zilver , 
met  andere  metalen  vermengd,  en  minder  karaten 
edel  metaal  bevattende  dan  bij  de  ordonnantién  was 
voorgeschreven,  \\  Een  stic  boelioens  gouds  of  seWers, 
ZVl,  Bijdr.  6,  39.  Een  stic  bolions,  61 ;  vgl.  bl.  79. 
Dat  zy  negheen  belgioen  ute  den  lande  en  voeren  . . 
teeuigher  munten  dan  in  de  munte  ten  Brugghe, 
Invent,  v.  Brugge  5,  385.  —  Vandaar  ook  valsch 
goud,  valsch  geld  in  H  algemeen.  ||  Mj  dynct,dat 
ghy  my  bilgioen  in  dhant  steict.  Deze  mans  men 
niet  te  vullen  betrauwen  mach ,  Ned.  Kluchtsp.  81, 74. 
G  hegheven  van  den  verliese  van  den  ghelde  dat 
in  handen  bleef  van  den  tresoriers ,  twelke  sander- 
daeghs  al  billioen  gherekent  was ,  Invent,  v,  Brugge 
5,  20.  Also  vele  als  de  zelve  wisselaers  billioens 
in  de  munte  ghelevert  hadden,  19.  Ghecocht  met 
ghelt,  dat  daer  naer  byllioen  wiert,  22.  Enghien 
mulle  noch  bnlyoen  te  besigen  .  .  in  enigher  ver- 
werye,  O.  fV.  v.  u^»m^.  52 ,  62.  Ende  so  wie  balyoen 
van  golde  off  van  silver  uyt  onsen  lande  voerde, 
dat  weer  op  dat  balyoen  verloren  sonder  weder- 
seggen.  Voirt  so  en  sal  gheen  wisseler  wysselen 
moghen  yn  onsen  lande  van  Gelre,  hy  en  sal  ge- 
loven ende  hem  verbynden,  so  wes  balyoen  dat 
hem  vallen  sal,  dat  hi  dat  in  der  voirscr.  onse 
munte  leveren  sal,  ende  nerghen  anders  .  .  ende 
so  wat  wysseler,  die  balyoen  van  golde  off  van 
silver  op  ander  munte  leverden,  den  yn  onser 
munte  voirscr.  off  yemant  van  synre  weghen,  die 
solde  verboeren  dat  balyoen,  Nyh. 8,  252  {a,  1402). 

BILODE  (BILO) ,  tnsschenw.  Eig.  b  i  1  o  d  e.  Eene 
bezweringsformule,  omtrent  welker  afleiding  geen 
zekerheid  bestaat.  Men  heeft  er  o.  a.  den  H.  Lodewijk, 
den  H.  Eligius  en  den  H.  Laudus  in  meenen  te 
ontdekken.  Het  waarschijnlykst  is  het  gevoelen 
van  Cos\jn,  dat  het  eene  opzettelijke  verbastering 
is  van  bi  Gode  {T.  en  Lettb,  6,  231).  Nog  heden 
hoort  men  bijlo  gebruiken.  ||  Bi  lode,  ie  en  lieghe 
n  twint,  Belg,  Mus.  10,  98.  Bilode,  hem  voeghet 
syn  sitten  wale  bi  magheden,  8,100, 136.  Bilode, 
dat  wetti  selve  wael,  101,  178.  Ie  en  weets  niet, 
bijlo,  Han.  H.  19,  e.  e. 

BILOKE,  znw.  vr.  Van  beluken  (z.  ald.). 
—  1)  Gevangenis.W'B.ei  \%,c\i  een  ridder  ter  biloken, 
Velth.  IV,  62,  16.  Coken  {koks)  sterven  wel  inde 
byloke.  Spreuken  81  (de  verklaring  van  den  uit- 
gever is  onjuist). 

2)  Een  kluis,  klooster,  en  wel  een  bepaald 
klooster  te  Gent.  ||  Jans  van  Artevelde  dochter,.. 


doe  mense  clede  nonne  inde  biloke,  B^k,  v.  Gent 
1,  273.  Een  huns  staende  buten  cupen  by  der 
byloken,  Dieriez,  Mém.  2,  263  (óf  bet.  het  hier 
gevangenis?).  Jan  van  der  Oersele,  broeder  in  de 
Biloke ,  48 ,  637  e.  e.  —  Zoo  sprakmen  van  „de  abdij , 
het  hospitaal  van  de  biloke^',  636. 

BILOKEN  rPascen,  Pinxter),  hetzelfde  als 
beloken  P.  (z.  ald.). 

BILOEN  (BILON,  BILIOEN),  znw.  m.  Fr.  billon 
(Littré  1,  347).  Een  schuins  afgehouwen  steen.  Zie 
vooral  De  Bo  102  op  bel  o  en.  Het  woord  bilon 
komt  onder  andere  benamingen  van  steenen  voor 
Invent.  v,  Brugge  6,  324. 

*  BILONNTE,  verkeerde  lezing  voor  vilonie 
(z.  ald.),  Invent.  v.  Brugge  6,  473. 

BIN  (binne),  voorz.  m.  d.  dat.  Meermalen  met 
het  lidwoord  den  en  der  tot  één  woord  binden, 
binder  vereenigd.  Mnd.  mhd.  bin.  Uit  beïn 
samengetrokken.  Vgl.  binnen  en  binner. 

1)  Van  plaats  en  ruimte.  Binnen  de  grenzen ,  den 
omtrek  van,  binnen,  in;  hd.  inner halb,  \\  Als  hi 
was  comen  bin  den  doren,  Parth,  486.  Als  hi  bin 
den  palayse  qnam,  539.  Bin  minen  strecken  sidi 
gevaen,  Bose  C  1800.  Dat  bin  haren  claeuwen 
comt,  Praet  1883.  Ware  enich  rudder  bin  minen 
hove.  Wal.  121.  Bin  den  castele  woent  een  gigant, 
Flandr.  I,  624.  Wildemesse  ligghende  bin  dgx 
jof  buten  dijx,  Gedenkst.  1,  244  (a.  1355;  bl.  243 
staat  binnen  dgx).  Wes  bin  den  huns  hovesch, 
Bouc  V.  S.  465.  Bin  den  huns,  Cout.  v.  Brugge  1, 
353;  Nat.  Bl,  X,  449,  Stoke  V,810.  Binder  stede 
(steden,  stat),  Ren.  \%0\',Frane,  8179;  IJyui*.  11285 
rar.,  16788,  18791,  19924,  31527 ; ^«lan^ II , 688, 
3311,  3330.  Binden  hove,  OVl.  Ued,  e,  G.  309, 
2236;  Bein,  I,  1400.  Bin  den  castele,  Ben.  364. 
Binder  dure,  Bijmb.  12267.  M£n  hande  te  doene  . . 
binden  home  der  fonteine,  Orl.  Lied,  e.  G.  237, 
111.  T water,  dat  ie  .  .  bin  minen  tanden  hilt  be- 
loken, 120.  Die  binder  moeder  B|jn  besloten. 
Nat.  Bl,  VI,  849.  Binder  sale ,  C.  en  El.  706. 
Binden  torre,  Bijmb,  31664.  Hi  {Christus)  wUde 
vleesch  ende  been  .  .  .  bin  uwen  live  ontfaen, 
OFl.  Lied.  e.  Ged.  36,  210.  Vier  sone  droech  soe 
bin  haren  live,  Rijmb.  22654.  Bin  uwer  porten 
onder  die  sille.  Val.  5740.  Bin  uwer  saten,  OFl. 
Lied.  e.  Ged.  479,  21.  Wat  sal  een  vogel  sonder 
vlerken  die  bliven  moet  bin  zinen  sperten,  112,5. 
Bin  den  lande,  Flandr.  iy,21',Barth.20é;Brab.  Y, 
dl.  2,  bl.  417.  Binden  ambochte  van  Oestburgh 
ende  binder  prochie  van  der  Groede ,  Vod.  Mus.  2, 
356.  Als  Walewein  was  bin  siere  hoede,  op  eene 
veilige  plaats,  in  veiligheid  was.  Wal,  6564.  Her 
IsengrQn  sprac  binden  kinne  (in  zijn  baard),  ja 
so  dat  men  nauwe  verstout.  Rein,  II,  6064.  Doe 
si  quamen  binder  stede ,  binden  kerker  mense  dede , 
Jiol-fr.  570  (vgl.  546)   Binne  den  mure ,  Wal.  6110. 

2)  Van  tijd.  — a)  Binnen  de  grenzen  van ,  binnen , 
vóór  het  einde  van  een  bepaalden  termijn.  ||  Vier 
tide  sijn  binden  jare,  Heim.  1053.  Hine  sliep  binne 
der  nacht  niet,  Wal.  9037.  Het  verkeert  bin  corter 
ure,  Praet  1326.  Bindes  dages  stonden  wonnen 
si  niet  enen ,  Franc,  9085.  Hi  sal  noch  honen  binder 
maent  snlken,  dies  niet  ne  bewaent.  Rein.  I,  175 
(vgl.  Denkm.  3,  109;  Flandr,  IV,  24).  Bin  achte 
jaren ,  Oor  kb.  2 ,  472*.  Bin  dagen  drie ,  Éuge  v.  Bord. 
III,  139.  Bin  corter  i^ihÏBciet,  OFl.  Lied.  e,  Ged, 
470,  413.  —  Ook  in  de  uitdr.  bin  des  en  (nl. 
a aken),  Franc,  1502; ook  bin  dien(by  Stoke:  bin 
d  e  e  n ,  b.v.  V,  650).  intusschen ,  ondertusschen.  \\  Bin- 
desen  so  was  Brune  ghenaect,  Rein.  I,  988.  Bin 
desen  voer  .  .  .  Alexander  buten  der  port,/^.  I^, 


4259 


BINA. 


BINA. 


1260 


52,  1.  Bin  dien  was  die  nacht  tegaen,  Beatr.SAb. 
Zoo    ook    Wal.    1332,  2ö92,  5066;  Eijmb.  28763; 
Ren,    1662 ;   eng,  —  ö)  Gedurende  (een   vrij    lang 
tijdsverloop) ;  ook  mhd.;  hetzelfde  als  Yid.ioaArend.  || 
Binder  tijt  dat  mste  die  heere,  Amand  II,  3309. 
Dat  si  hinder  nacht  .  .  .  een  let  niet  en  mochten 
roeren.    Rein.   I,   2823.    Begavic   hin   minen   live 
Floris,   Flor.  3017.    Dat   sire    niet   qname   huten 
hin   haren   live   nemmermeer,   Segh.  2634.  Binden 
jare,  Inuent.   v.  Brugge  3,  179.  Bin  drie  daghen, 
ald.  Bin  desen  jare ,  ald. ;  enM.  —  Ook  in  de  uitdr. 
hin   langen    (nl.  tiden,  stonden),  meteene 
ontkenning.  Gedurende  langen  tijd  niet,,  in  lang  niet.  \\ 
Ic   ne   sach  u  hin  langhen  niet,  lAvre  d.  Mest.  2. 
Dies  ic  hin  langhen  niet  ghenas ,  O  VI.  lied.  e.  Ged. 
251,  526.   Zoo   ook  Franc.  3172,  7687,  9580.  — 
Ëenigszins   vreemd  en  pleonastisch  wordt  h  i  n  ge- 
hmikt  Brah.  7,  dl.  2,   hl.  536:  In  den  payse  die 
wy  maken  ende  enden  sullen  hin  van  nn  zondaghe 
eerstcomende  in  eere  maent.  —  c)  In^  op^  wanneer 
de   gelijktijdigheid   zich   tot  het  noemen  van  één 
feit  hepaalt.  ||  No  hinder  nacht  no  hinden  daghe 
ne  antwoorden  niet  onse  Herc ,  Rijmb.  8970.  Castor 
sende  hinder  (/.  hin  derre)  tijd  te  Symoene ,  i2(;}»d. 
31824.  Te  Jemsalem  sullen  si   tiden  .   .   .  binder 
nacht.  Ren.  1644.  Binden  selven  daghe ,  Wal.  2^Sl. 
8o  vele  daden  wi  hinder  nacht,   dat  wi  met  allen 
camen  uut,  O VI.  Lied.  e.  Ged.  248 ,  445.  Bin  haren 
tiden  so  is  tegaen  Kaerls  gheslachte ,  Stoke  1 ,  802. 
BINA,    hijw. ,   schijnt  mhd.  en   mnd.   nog  niet 
voor  te  komen  —  1)  Bijna  ^  Aaast y  lat.  paene;  onze 
tegenw.  opvatting-,  zie  TijdtcArift  1 ,  297  vlgg.  ||  Dat 
sy  byna  was  doet,  Vad.  Mtt*.  4,  241 ,  402.  Isegrijn 
wert   hina   hlint,    Rein.   II,   7056.   Oec   hadde  hi 
hina  die  aventure,   dat  hi  met  hem  in  ware  ghe- 
varen,   Rijmb.  30450.  Dat  aertrike  mit  allen  aen 
hem   hina   al  sonde   vallen ,  Ltp.  lY ,  1 ,  41  var. 
Dat  al  sijn  leden,  al  s^n  zenen  hi  na  gescheyden 
sijn  van  enen,    O.  H.  Pat».  25,   690.  Zoo  ook  Sp. 
I',  35,  9;  IIP,  14,  11;  m%  29,  48;  Wal.  9101, 
9865,  10628;  Lanc.  IV,  6550;  enz. 

2)  Bijna  y  ongeveer  \  lat.  f  ere.  ||  Een  vers  hebbic 
ghehoert,  dat  bina  spreect  dese  woert,  Melib. 
1804.  Hi  gaf  haer  {aan  de  vereld)  bina  rechten 
name,  ^.  I',  Prol.  3. 

BIN  ACHTEN,  zw.  ww.  onz.  Hetzelfde  als  he- 
n  achten  (z.  ald.).  Overnachten.  ||  Daer  huten  niet 
te  hinachten,  Nijh.  1,  245. 

BINAER,  hijw.  Hetzelfde  als  hina,  doch  van 
den  comp.  van  n  a  gevormd.  Zie  TijdtcArift  1 , 
299.  II  2100  mergen,  daerof  de  helft  bynaer  ver- 
dolven lant  es,  Inform.  309.  Dat  coper  .  .  was 
aLso  scone  alse  gout  binaer,  Rijmb.  11548.  Want 
daer  binaer  al  gheboren  was ,  17357.  Bi  naer 
viertich  dusent  man,  18619.  Akers  .  . ,  dat  binaer  . . 
twe  jaer  hadde  ghesijn  heseten,  Stoke  II,  1024 
(vgl.  538).  So  dat  .  .  si  binaer  alle  verdronken, 
X,  559.  Zoo  ook  Sp.  l\  50,  24;  I*,39,  6;  I*,  29, 
24;  I",  1,  51;  <ww. 

BINAEST  (binaesten,  binaeste),  hijw.  Het- 
zelfde als  bina  en  binaer,  doch  van  den  superl. 
van  na  gevormd.  Zie  TijdtcArift  1,  299. Vgl. onze 
uitdr.  ten  naatten  bij.  \\  Ic  sach  dat  ic  was  binaesten 
daer  ic  gaen  wilde.  Pelgrim  16c.  Bynaest  alle  de 
ghehele  vlote  verginck.  Eng.  119.  Binaest  hadde 
si  hare  ghehele  liberatie  mit  ghedachtenisse  ont- 
houden, Patt.  W.  239c.  Welke  claerheyt  .  .  hi 
naeste  een  half  ure  die  ghehele  kerke  verlichtet 
hadde ,  ald.  d.  —  Ook  de  anorg.  vorm  h  i  n  a  e  s  komt 
voor.  II  Mine  voeten  syn  hinaes  bewegen :  mine  gangen 
siin  hinaes  uutgestort,  ffs.  Pt.  78<;  (Pt.  73,  2). 


BINALIJOS  (binalecs),  hijw.  Bijna,  Aaati.W 
Als  de  nonne  dit  wonder  sach,  .  .  verweerde  si 
haer  so  seer,  dat  si  binalecs  comen  was  daer  bi, 
dat  si  daer  stappans  voer  hen  allen,  van  anxste 
in  ommacht  was  gevallen,  Lutg.  II,  924.  Die 
Romeynen  wilen  eere  waren  van  alder  werelt  here . . 
ende  hijvalets  (/.  hij  nalees)  alle  weghe  hadden  si 
spoet  ende  seghe.  Wrake  III,  550  (vgl.  Tijitckr. 
1 ,  301).  Ledecheit  .  .  can  oec  die  liede  leiden 
binalix  tallen  argheiden.  Boet.  II,  2679  tar. 
{t.  nalees). 

BINAMË ,  znw.  m.  en  vr.  Zie  name.  Mhd.  bwme, 
hd.  beiname.  Bijnaam ,  toenaam,  ||  (Hem)  mit  sinen 
name  ende  hiname  in  desen  selven  brief  doen 
heschriven,  Brab.  Y.,  dl.  2,  hl.  709. 

BINAMEN,  hijw.  Eig.  bi  namen  (zie  Bi,  kol); 
mhd.  Innamen y  benamen;  mnd.  binamen.  Met  name 
genoemd,  uitdrukkelijk.  \\  Opdat  hg  onser  ghedenke 
hi  namen  in  sijnre  missen  ende  ghebede,  Nyh.  1, 
343.  Elcken  sonderlinghe  binamen,  Oorib.  2, 
339,  89. 

BINDE,  znw.  vr.  Platte  ijzeren  lat  opd^pelgen 
van  een  viel.  Nog  heden  in  dien  zin  in  *t  WVlaamsck 
in  gebruik  (De  Bo  135).  ||  Van  binden  up  wielen 
te  lecghene,  Invent.  v.  Brugge  3,  57. 

BINDELE  (bindel)  ,  znw.  m.  —  1)  Al  wat  bijeeii- 
gebonden  is;  bondel y  bundel;  vooral  van  touw  ge- 
bruikt, ttreng.  \\  Om  10  hindel  touwe.s  .  .  elc 
bindel  28  penninc.  Rek.  d.  Gr.  l,  413.  35  hindel 
touws ,  elc  bindel  16  penninc,  2 ,  505.  Item  ghecoft 
jeghens  Ghise  den  linemaker  268  bindel  reepen, 
daer  elc  hindele  of  coste  2  penninc  groot,  3,466. 
66  bindel  reepen  ten  {beter  ter)  hliden  behoef, 
daer  elc  hindel  of  coste  18  penninc,  tUd. 

2)  Alles  waarmede  men  bindt,  in  H  bijzonder 
gordel,  ||  Dat  siden  costelike  subtgle  gordel  of 
hindel,  Gett.  R.  12a. 

BINDEN,  st.  WW.  hedr.  en  onz.  {banty  honden, 
gebonden).  Mhd.  mnd.  binden;  got.  Hndan.  Zie 
verder  de  Wdbh. 

1)  Binden  y  vastmaken ,  gezegd  van  personen  en 
zaken.  In  onze  opvatting.  Rein.  I,  1491,  1594, 
2817,  2822;  Rijmb. SOM;  TAeopA.llSl.  — Eihuii 
s^n  ors  opten  .stalle,  C.  en  El.  1060. 

2)  Boeien  y  knevelen.  \\  Hi  die  eer  lach  gebonden, 
Sp.  Vy  13,  51.  (Doe)  dede  hi  alle  die  lede  sgn 
met  ysere  binden,  ende  sere  laden,  11^,  47,  40. 
So  wie  lieden  haer  goet  neemt  ende  huiden,  Ooki. 
2 ,  337 ,  64.  In  ga  nieweren ,  Sente  Remi  hine  come , 
die  mi  hier  bant,  ijp.  III»,  8, 80.  —  Ook  figuurlijk. 
Aan  banden  leggen  y  bedwingen.  ||  Dat  hi  sijn  herte 
bint,  Sp.  I»,  68,  23. 

3)  Verttrikken.  —  Vooral  in  het  pass.  in  ge- 
bruik en  gezegd  van  de  zonde.  ||  Al  sgn  die 
priesteren  selve  in  dootsonden  ende  ter  hellen 
ghebonden,  aan  de  Ael  verknocAty  voor  de  iel 
bettemdy  Ruusb.  5,  154.  Die  vule  sterfelike  sondeo, 
daer  wi  mede  sgn  gebonden,  Lueid.  1314.  Om  of 
te  doen  smenschen  sonden,  daer  hi  zwaerliken  ia 
was  gebonden,  1365.  Want  in  de  bete  van  den 
appel  dede  hi  seven  sonden  .  .  ende  banter  oec 
mede  waerlike  al  dat  na  hem  quam  in  aertrike, 
1264.  Die  swarte  voghele  sgn  ghebonden  ende 
besmet  met  vulen  sonden,  Wal.  5849.  Zoo  ook 
Tegtt.  3762;  TAeopA.  248  en  1108;  en::.  Vgl. 
TijdscAr.  1 ,  130.  —  TAeopA.  779  ook  als  wederk.  ge- 
bruikt. II  Nu  hebbic  mi  selven  ghebonden  met  idre 
dorperliker  sonden. 

4)  Kwellen.  \\  Dattu  mi  hebhen  does  den  brief 
daer  ic  in  .  .  dijns  loochende  ende  oec  d^n  kint, 
want  dats  dat  mine  ziele  bint ,  in  an^ti  en  banden 


1261 


BIND. 


BIND. 


1262 


houdt  ^  Sp.  III*,  36,  55.  Om  te  lossene  dat  dode 
kint,  dat  diea  vrouwen  sere  bint  (varr,  den 
vrouwen;  datten  vr.,  dus  overal  datief)^  Nat.  BL 
X,  554.  Een  liebaert  Heide  tenen  stonden,  dat  hi 
niet  evele  ware  gebonden,  Bein.  Bijl,  292,  2. 

5)  Tot  slaaf  maken  ^  iemand  de  vriJAeid  benemen. 
J)e  volle  uitdr.  is  enen  in  eig|jndoeme 
binden.  1|  Dat  hi  omme  dedel  geslachte  van 
Troyen  peinsde  ende  achte  dat  het  jammer  ware 
ende  zonde,  dat  ment  in  eigyndoeme  bonde,  Sp. 
HI',  9,  63.  Twi  hebdi  die  wijf  ghebonden?  i^i/mó. 
6295.  —  Ook  van  een  land.  Annexeeren.  \\  Doe  wart 
(K^ypte)  onder  Rome  ghebonden,  Sp.  I*,  39,  10. 

6)  Van  de  poëzie  gezegd.  Binden  aan  deeitchen 
van  maat  en  rijm,   in  gebonden  stijl  opstellen.    || 
Dat  ie  mi  noch  onderwinde,  dat  ie  {l.  iet,  nl.  Aet 
mirakel)  in  Dietsche  rimen  binde,  Theoph.  21. 

7)  Van  zuigelingen  en  lijken  gezegd.  Omwikkelen^ 
utnztoachielen  ^  in  doeken  «inden.  \\  Dat  die  herdden  . . 
anebeedden  tien  stonden  tkint  inde  wieghe  ghe- 
bonden, Lsp,  II,  44,  172.  Si  salvedene  {Jezus) 
ende  bondene  mede  met  clederen,  na  der  Joden 
zede,  Sp.  I',  33,  9. 

8)  Van  kleederen  en  wapenen  enz.  Ze  (zich  of 
eep  ander)  aanbinden,  vooral  van  den  helm  ge- 
zegd. II  Oec  wiste  hi  hem  wel  gelaten  als  hi  den 
helm  hadde  ghebonden  ende  die  banieren  sach 
ont wonden,  (himb.  I,  2011.  Menich  baniere  wert 
daer  ontwonden  ende  menich  helm  opt  hooft  ge- 
bonden ,  II ,  1480.  Si  bonden  die  heelme  van  stale, 
Flovent  437.  Si  bonden  helme  Sarragose ,  Boel.  II, 
59.  Scilt  omme  den  hals,  cousen  gebonden,  Fer^. 
5321.  Hi  hilt  leen  ende  lant,  daer  hi  af  baniere 
bant,  toiens  vlag  hij  voerde,  Heeln  4550.  Zoo  ook 
Lanc.  II,  2962,  6551;  f>r^.  4613.  Zie  baniere. — 
Hiertoe  behoort  ook  Sp.  III •,  16,  99:  (Soe)ofrerde 
hare  zuverhede  Gode . .  in  eens  heilechs  bisscops  hant, 
diese  in  Gods  dienste  bant,  die  haar  de  kenteekenen 
van  het  kloosterleven  aanbond,  aandeed.  Vgl.  Halb. 
Aant.  288. 

9)  Bevestigen,  beslaan.  ||  Aen  Claes  die  sloot- 
raakere  van  den  voerscreven  stoel  met  yseren  banden 
te  binden ,  Vod.  Mus.  3 ,  37.  Si  (de  poorten)  sgn 
van  copere  ende  van  metale  gebonden  met  ysere 
ende  met  stale.  Wal.  5985  (vgl.  3467).  Den  kyel 
dede  hi  binden  met  ysere  harde  staerke  na  die 
oude  aerke.  Brand.  96.  —  Ook  in  den  zin  van 
kuipen  (vgl.  Kil.  68:  binder,  j.  knyper).  ||  Van 
tobben  te  binden  1  bot,  Bel.  v.  L.  429.  Van  enen 
ymmer  te  binden  ter  molen  behoef,  B^k.  d.  Or. 
159.  —  WQn  binden,  in  twee  opvattingen. 
—  a)  Wijn  persen.  ||  Tpersoer,  daer  men  denwfjn 
met  ntewint  ende  so  perst  ende  so  bint,  dat  hi  te 
beter  scine ,  JHsp.  146.  —  b)  Wijn  in  vaten  doen.  ||  Die 
selve  wine  te  bindene,  enen  cuper  in  den  kelnare,16  se. 
Bek.  d.Or.1,  52.  Van  scroedene  nten  scepene  ende  in 
den  kelre  te  doene ,  van  bindene  ende  van  vnlle  wine , 
25  ® ,  Bsk.  V.  Oent  1 ,  456.  Van  {wijn)  scroden . . . , 
van  binden ,  verlaten  ende  rilen  (?),  Oorl.  v.  Jlbr.  214. 

10)  Verbinden,  van  wonden.  ||  Die  wonden  bonden 
sy,  die  waren  diep,  dat  daer  gheen  bloet  uyt  en 
liep ,  Troyen  f.  79  e.  (Die)  syne  wonde  bant  ende 
droghede,  Troyen  5403.  Als  hem  ghebonden  was 
sgn  voet,  Bijmb.  28841.  Hare  voete  dwoechi,haer 
zeer  hi  bant  ende  duwede  tetter  nut  metter  hant 
Franc.  817.  Hi  naei^e  ende  bant  hem  sine  wonden 
ende  goter  in  olye  ende  wQn,  Hs.  v.  1348,  178^. 
Meijster  Dijrike  den  wonde n-binder,  omme  dat 
hi  .  .  .  den  armborstiere  sine  wonden  bant.  Bek. 
d.  Cam.  3 ,  125.  Zoo  ook  Bijmb.  25431 ;  Lanc.  II , 
329,  1436,  46672;  Grimb.  I,  3846. 


11)  Verbinden,  verplichten.  \\  Daer  sgn  si  in 
allen  stonden  van  rechter  scout  toe  ghebonden , 
Wrake  I,  308.  Hi  nes  niet  gebonden  soe  jegen 
vrowe  oft  jegen  maget,  dat  hi  hare  tekine  draget, 
Lanc.  IV,  1586.  Teerst  dat  menne  ter  pinen  bant 
(tot  arbeiden  noodzaakte,  dwong),  wart  highesont, 
Sp.  III»,  37,  91.  —  Ook  als  wederk.  gebruikt. 
Zich  verbinden  tot  iets,  het  op  zich  nemen.  \\  Soe 
vele  sprac  min  her  Walewein  doe,  dat  hem  die 
knape  bant  daertoe ,  dat  hi  die  boetscap  doen  sal , 
Lanc.  IV,  8483.  Hi  sal  mi  al  gewapent  vinden  int 
velt,  als  hi  hem  wille  binden  te  campe  tecomene 
jegen  mi,  8551.  Voert  bant  hi  hem  voer  ons  ende 
in  die  voerseide  maniere  eheliken  bant  te  bindene 
van  desen  voerseiden  sticken,  Vad.  Mus.  2,  364. 
Dat  wy  .  .  .  maecten  ene  soene  vaste  ende  elc 
hem  binden  laste  (?)  die  vonden  wiert  in  onrecht , 
den  anderen  te  beteren,  Orimb.  1,  5361.  —  Ook 
in  den  zin  yau  verbindend,  verplich tiend  verklaren.  \\ 
Dit  was  ghebonden  so  zware,  dat  wel  ghehauden 
was  daer  nare,  VI.  Bijmk.  2215. 

12)  Verbinden   door  eene  plechtige    behfte  van 
trouw.  Vooral  in  H  pass.  in  de  uitdr.  in  huwelike 
gebonden  sQn,  of  ook  alleen  gebonden  sQn.  jj 
Soe  wie  vrouwe  ochte  jonfronweontscaect,  die  niet 
ghebonden  en  is,  Ch.  v.  Waelh.  8. 

13)  De  uitdr.  (ge)bonden  tgt  beteekent  het- 
zelfde ala  bebonden  tijt  en  het  meer  gebruike- 
lijke besloten  tijt  (zie  bebinden  en  besluten), 
nl.  tempus  nefastum.  ||  Van  Jabbout  ende  sinen  wive, 
die  binnen  den  bonden  tiden  te  zamen  qnamen,  bidden 
wi.den  deken,  dat  hize  absolvire,  Mieris  2,  211a. 

Onz.  —  Gebonden,  dik  worden.  ||  Doet  zieden 
in  eenen  pot  ende  doeter  in  sukers  genonch ,  latet 
wel  binden,  dan  settet  of,  Keukenb.  15,  24. 

Aanm.  —  V.  d.  Iloute  548:  „Wine  connen 
ghenen  boem  vinden ,  die  wi  in  dit  werc  b  i  n  d  e  n  *\ 
is  de  beteekenis  van  binden  niet  duideiyk.  Het 
kan  ziln,  dat  het  eenvoudig  heteékeni  vtutmaken  of 
is  de  bedoeling  gebruiken  in  dit  werk,  er  toe  bezigen? 

BINDEN.  Zie  bin. 

BINDEBE  (BINDER),  znw.  m.  Hij  die  knevelt, 
boeit.  II  Van  binders,  die  lieden haer  goet  nemen, 
Oorkb.  2 ,  337 ,  64  titel.  Enen  rovere ,  bindere  of  dief, 
ald.  70.  —  Zie  ook  bij  binden,  9  en  10). 

BINDER.  Zie  bin. 

BINEDEN,  bg  w.  Hetzelfde  als  b  e  n  e  d  e  n  (z.  ald.). 
II  Gryssilla  dye  ghinder  byneden  viell  in  onmacht, 
Vad.  Mus.  4,  241,  399.  Allen  dat  lant  boven  ende 
byneden,  412. 

BINE  VEN ,  bij  w.  Hetzelfde  alsbeneven(z.  ald.). 
Naast.  II  Die  broeder  taste  daer  bineven,  Hild. 
180,  128. 

BINDIEN  (bendien),  zw.  ww.  bedr.  Hetzelfde 
als   BENEDIEN    (z.  ald.).  II  Gebeudijt  si  hope,  die 

geven  can  den  minneren  selken  troest,  Bose  2646.  Ay 
od,  gebindijt  moestn  (d.i.  moetstu)  wesen,  Jjanc.  IV, 
12874.  Gebindijt  moetti  sQn  embermere  12908. 

BINDESEN,  BINDIEN.  Zie  bij  bin. 

BINDSEEL.  Zie  bintseel. 

BINNE.  Zie  bin  en  binnen. 

BINNEN,  voorz.  en  b^w.  Mhd.  mnd.  hd.  ndl. 
binnen',  uit  be-innen,  Vgl.  BIN. 

I.  Als  voorz.  —  Met  den  datief  of  genitief. 

a)  Met  den  dat.  —  1)  Van  plaats.  Binnen  de 
grenzen,  den  omtrek  van  eene  bepaalde  plaats  of 
ruimte,  binnen.  ||  Dat  en  liet  ie  niet  bliven  om  al 
die  have  .  .  die  es  binnen  ertrike ,  Idmb.  II ,  1428. 
Die  scacht  binnen  den  ridder  brac,  Ferg.  1840. 
Die  scacht  binnen  hem  hilt,  1843.  Dat  wi  binnen 
der  havene  sterven,  moriamur  in  portu,  Sp.  1*^ 


1263 


BINN. 


BINN. 


1264 


60,  38.  In  die  Zautzide  was  ghemaect  een  wendel- 
8tene  .  .  hemelike  binnen  dien  mare,  i2i;oid.  11453. 
Nochtan  liepsi  binnen  scoten,  inirajactum^2S159. 
Eer  hi  binnen  der  poorten  quam,  29630.  Daerdie 
8ine  al  te  samen  binnen  den  poorten  weken ,  34524. 
Saen  men  daema  die  kiste  brochte,  daer  menne 
binnen  leide,  Limb.  YI,  1444.  Geworpen  in  der 
hellen  brant ,  ende  daer  ewelec  binnen  staen ,  Kerk. 
Cl.  101.  Als  hi  binnen  der  tenten  qnam ,  Limb.  YIII, 
1256.  Binnen  mare,  1268;  IX,  528.  Noit  en  cam 
binnen  lippen  dine  yoetsel  van  onreinen  wine, 
OFl.  Lied.  e.  Oed.  23,  43.  Hine  mochte  bi  gheere 
noot  commen  binnen  starken  maeren,  Amand  I, 
3395  {pp  de  vorige  plaafs^  evenals  op  deze  en 
elders  zonder  lidwoord  om  de  ontkenning).  Binnen 
der  veste,  Cout.  v.  Brugge  1 ,  353.  Binnen  der  vriheit 
van  Lovene ,  Br  ah.  F.,  dl.  1,  bl.  731.  Binnen  fosseide , 
Sp.  III*,  U,  68.  Jagen  .  .  binnen  enen  groten 
foreeste,  Mor.  2958.  Dat  (swaert)  hevet  hi  binnen 
sire  hoede ,  Wal.  1273.  Binnen  den  dorpe ,  Inform, 
43.  —  Ook  binnen  het  bereik  van,  in  de  nitdr. 
binnen  slag  e.  ||  Wat  hi  bevinc  binnen  slaghe 
moeste  die  veyghe  doet  ontfaen ,  Limb.  YII ,  886. 
Wat  hi  binnen  slaghe  gewan,  moeste  vore  hem 
wiken,  1254.  Wat  hi  binnen  den  slaghe  bevaet, 
Segh.  999 r«r.  —  Ook  komt  binnen  voor  in  de 
bet.  van  in  of  op,  zonder  het  bijdenkbeeld  van 
grenzen.  ||  Walewein  sat  binnen  der  herstraten  in 
wel  swaren  ongesonden,  Mor.  2536.  —  Binnen 
den  sonden  liggen,  geheel  en  al  in  zonden 
liggen.  ||  Omdat  gi  mi  woat  helpen  dragen  mine 
zonden,  daer  ie  ligge  binnen,  O.  U.  Pass,  Zb 
(Anzeiger  8,  585).  —  Binnen  baten  sijn,  in 
het  voordeel  zijn.  ||  Oec  mochten  wy  gherne  soenen 
laeten,  want  wy  syns  noch  binnen  baeten  ende 
hebben  hem  meer  schaede  ghedaen,  dan  sy  ons 
doen,  Orimb.  I,  5368  var.  —  In  bijzondere  toe- 
passing wordt  binnen  gebruikt  om  de  grens  aan 
te  duiden,  welke  men  bij  het  bepalen  eener  maat 
al  of  niet  overschrijdt.  Yooral  in  de  uitdr.  binnen 
velen  met  eene  ontkenning,  hetzelfde  als  n  i  e  w  e  r- 
na  er  en  ons  op  verre  na  niet ,  eig.  zelf s  niet  binnen 
een  grooten  afstand,  ||  Ie  wane  niet  dat  in  Denemarke 
enech  ridder  so  goet  si  binnen  velen,  Ferg.  2924. 
Alle  sine  dach varden  willic  helen,  want  ie  en 
weetne  niet  binnen  velen ,  2807.  Ie  wane  noit  man 
en  sach  binnen  der  helt  geene  so  diere  graveele 
(een  half  zoo  kostbaar  zand) ,  3050.  —  Somtijds  komt 
binnen  met  een  ace.  verbonden  voor,  b.v.  Rein. 
II,  6509:  Eer  ie  binnen  dat  hol  quam;  3865: 
binnen  den  bereh. 

2)  Yan  tyd.  —  a)  Binnen  de  grenzen  van  eene  bepaalde 
tijdruimte ,  binnen,  in  den  loop  van ;  onze  tegenw.  op- 
vatting. II  Binnen  middelen  tiden,  ondertusschen , 
middelenoijl,  Invent.  v.  Brugge  3,  514;  Fl.  Rijmk. 
10192,  e.  e.  Zie  middel.  Dat  hi  mi  binnen  derre 
maent  sekerlike  sal  nemen  te  wive.  Flor.  3015. 
Binnen  deser  talen,  Lafic,  III,  23616.  (Hi)  ruumt 
oec  .  .  .  binnen  sonnenscine  (vóór  zonsondergang) 
nu  Parijs,  Yelth.  lY,  11,  67.  Ie  wille  varen 
binnen  minen  live  (vóór  mijn  dood)  mijn  kint  sien , 
Rijmb.  3209.  Dies  dede  hijt  al  slaen  binnen  der 
oude  (onder  den  leeftijd  van  twee  jaar)  up  dat  hi 
tkint  vinden  soude,  Rijmb.  21517  var,  Hets  binnen 
viertien  jaren  ghesciet  (hoogstens  veertien  jaren 
geleden) ,  d&i  si  uten  cloester  streec,  Beatr,  592. 
Hi  voer  henen  .  .  hondert  milen  binnen  eenre 
ure.  Rein,  II,  5601.  Binnen  ses  daghen,  3742. 
Binnen  vijf  daghen,  3950.  Binnen  negen  dagen, 
Yelth.  lY,  11 ,  62.  Binnen  seoninx  vrede  ende 
binnen  des  coninx   ghelede   (vóór   dat  de  termijn 


van     den    vrede    geëindigd    was) ,     Rein,     1 ,    139. 
Binnen    vreden.    Rek.   v.    Zeel.   2,   204;  205.  Dat 
binnen    pays    ende    vrede   qnam   up    hem    upten 
Pasehedach    Stillieoen,    Sp,   III  ^,  10,  20.  Binnen 
tgeding,    O.  R.  v.  Dordr.  2,  222.  Binnen  vreden, 
Rijmb.  12290 ;  Limb.  YUI ,  1043.  —  b)  Gedurende 
(een    langer    tijdsverloop) ;    vaak    met   eene  ont- 
kenning.   II    Binnen    deser    eore,    gedurende    den 
tijd,    dat    deze    keur    van   kracht  is.    Oor  kb.   1. 
245a  en   b  (driemaal).  Driehondert  jaer  .   .,  daer 
menich  martelare  binnen  sijn  bloet  storte,  Lsp.W^ 
45,  41.  Menich  jaer  ende  menighen  dach,  dat  si 
daer  binnen  noit  en  sach  vader  noch  moeder,  III, 
3,  719.  Dat  enich  overste  .  .  binnen  haren  levene 
comen  mochte ,  diese  drucken  ende  versmaden  sonde, 
Buusb.    4,   38.    Si  waren  verpiint   binnen   negen 
dagen    ende    binnen    negen   nachten    in    die  see, 
Flor.   1851.  Waerbi  dat  hi  niet  en  mochte  slapen 
binnen    drien   daghen,    C,  en  El.  886.   Ie  hebbe 
harentare  gereden  binnen  desen  halven  jare.  Mar. 
622.  Binnen  desen  naesten  jare  sone  at  hi  vleei^:, 
Rein.   I,   270.    Hieromme   en   at  hi  binnen  drien 
dagen,  Sp.  I*,  35,  34  (vgl.  47,  25).   Nochtan  dal 
hi  binnen  tween  nachten  gherust  en  hadde,  1%63, 
28.  Hy  en  drouch  noyt  binnen  sinen  levene  wapenen 
aen    sijn    lijf,    Cr  on.    v.    Vlaend,    1,    21.    Binnen 
tsvaders    oft    moeders    plecht    (voogdijscJkap) ,  B. 
V.   ücele  22,  129.  Binnen  der  bruutclocke  ludende, 
Cout,  V,  Brugge  1 ,  353.  J.  .  .  ysend  te  Paris  ende 
te  Putiers  binnen  seven  weken,  Invent.  v.  Brugge 
1 ,  291.  Die  met  hemlieden  waren  binnen  v^  f  daghen, 
3 ,  239 ;  zoo  ook  Rijmb,  6624,  20418,  26989 ;  Sp.  \l\\ 
35,   11;   Segh.   2999,  6296;  Clerc  41;  Mor.  3769. 
—  c)   In,  op,    bij,  onder,  zonder   aanduiding  van 
grenzen,   doch    alleen    om   gelijktijdigheid  uit   te 
drukken.  ||  Dese   waren    beide   .   .   .  binnen   enen 
daghe  gheboren,  Parth,  6603  (vgl.  iït>r.  1141  vlg.). 
Dat  men  niet  verwinnen  en  mach  binnen  dien  dagbe 
in  ghenen  strijt  hem.  Rein.  II,  6788.  Dat  hi  met 
ere  jonefrouwe  hem  besondechde  dorperlike  binnen 
sinen   huwelike,    Vad.  Mus.  4,  319,  232.  Die  op 
sine   borst  lach  binnen  dien  avontmaJe,  L.  v.  J.  c. 
243.  Binnen   deser  talen  ende  spraken,  Grimb.  1, 
5047  (var.  hier  en  binnen).  Binnen  sijnre  igt,  sinen 
tiden,  sinen  jaren,  den  jaren,  in  sijn  tijd,  Oron. 
V,   riaend,  1,  21;  Lsp.  I,  46,  7;  Amandl,  2262; 
Wal.  5250;  Sp.  II*,  31,  14;  Serv.  II,  1199. 

AA.NM.  —  Hild.  223,  23,  leze  men  met  de  mr. 
bi  in  plaats  van  binnen.  —  Wat  bvuten  tiden 
beteekent  Parth.  6311:  „Sal  ie  besterven  mine 
minne,  dat  moet  binnen  tiden  wesen",  is  niet 
duidelyk. 

d)  Ditzelfde  begrip  der  gelijküjéUgkeid  dmkt 
binnen  ook  uit  in  verschillende  by woordelijke  en 
voegwoordelijke  uitdrukkingen.  —  Hier  binnen, 
daer  binnen,  binnen  desen,  binnen  dien, 
ondertusschen ,  onderwijl.  \\  Dat  men  desen  camp 
hier  naer  verste  noch  tweejaer  ende  wi  hier  binnen 
scermen  leerden,  Limb.  III,  1007.  Binnen  desen  so 
qnam  .  .  .  een  bode,  Lorr.  I,  640.  Men  hadde  wel 
ene  halve  mile  moghen  riden  daer  binnen ,  Limb.  YII, 
676.  Die  Romeyne  .  .  .  vesten  haer  here  binnen 
dien,  Rijmb.  31004.  Zoo  ook  19587,30647,  30625; 
Mor.  1379,  1570,  1636,  1794,  3524,  e.  e.;  Zi«A.  II, 
268;  YII,  336;  Ren.  1445;  Ferg.  32;  Lanc.  UI, 
17919;  Rein.  I,  1308,  2403,  »440;  Lsp.  11,9,75; 
III,  1,  42.  —  H ierenbinnen,  mei  de-sel/de 
beteekenis  (z.  ald.).  —  Binnen  den  iersten, 
zoo  spoedig  mogelijk.  \\  Bynnen  den  yersten  so  sal 
ick  u  doen  weten  ende  verstaen,  Troyen^  46.  — 
Binnen  dien  dat,  binnen  dat(voegvr.),  tenc^h 


1265 


BINN. 


BINN. 


1266' 


lat.  interea  fl^um.  ||  Binnen  dien  dat  dit  ge8ciede,80 
qaamen  de  snstre  van  den  cloestre  te  samen, 
Christ.  1815.  Binnen  dat  hi  in  desen  gepense  was , 
sacb  hi  op,  Lanc.  III ,  4023.  Zoo  ook  5338 ;  ^/o<?in/. 
3,  9,  33;  3,  15,  269;  L«p.  II,  28,  48;  CAm^.  1163, 
1173;  Rijmb.  21679;  Ferg.  1533;  em. 

|9)  Met  den  genitief;  ygl.  hd.  innerhalb  enmhd. 
mnd.  hd.  binnen. 

1)  Yan  plaats  en  ruimte.  ||  Wat  hi  mochte  be- 
vaen  binnen  slages  moeste  emmer  doet ,  Zmd.  YII, 
848.  Binnen  slants,  Segh,  10954.  Binnen  lands , 
Umb,  Vm,  99;  Velth.  IV,  64,  7;  Stoke  X,  406; 
Belg.  Mus.  10,  87,  116;  e.  e.  Binnen  mors  (muurs) 
Limb.  VIII,  120.  Binnes  voets,  2ia»/r.  64p.  Binnen 
hnses,  R,  v.  Zutf.  91,  7. 

2)  Van  tijd.  ||  Binnen  jaers  ende  binnen  daeghs , 
Brab.  T.  dl.  1 ,  bl.  731  (driemaal).  Binnen  jaers 
ende  daghes  (daechs) ,  R.  v.  Utr.  2 ,  233 ,  243  vlg. 
Binnen  jaers,  Nijh.  3,  294;  Oorkb.  2,  198*  {twee- 
maal). —  Gen.  en  dat.  komen  ook  verbonden  voor.  || 
Binnen  jaers  ende  binnen  daghe ,  R.  v.  XJtr.  1 ,  99 , 
7;  2,  102. 

II.  Als  bijwoord ,  uitslaitend  van  plaats  en  ruimte 
gebmikt.  Binnen. 

1)  Eigeniyk.  ||  Dit  benijdde  dus  Reinaert,  dat 
sire  waren  so  vaste  binnen ,  Rein.  1 ,  340.  —  Vooral 
in  de  bet.  in  de  stad.  \\  Buten  was  wreeder  Sjmoen 
dan  die  Romeine  .  .  .  binnen,  argher  die  Zeloten 
dan  Sjrmoen,  Rijmb.  30639.  Dus  sijn  si  binnen  sere 
verladen ,  lAmb.  II ,  447  (vgl.  431 :  dien  van  der 
stad).  Si  hebben  vrome  liede  binnen ,  VII ,  941 ; 
vgl.  VIII,  267,  437.  —  Die  van  binnen, 
hetzelfde  als  die  vander  stat,  de  belegerden^ 
de  bewoners  der  stad.  ||  Daema  belach  hi  Colen  met 
grooter  machte  ende  street  tegen  die  van  binnen 
ende  wat  buten  der  stadt  stont,  dat  destrueerde 
hi,  £xe.  Cron.  113<r  Took  288<r).  Eist  altoes  ghereet 
ter  were,  of  die  van  binnen  utequamen?i^mó.  II, 
638.  Die  portren  van  binnen,  1505.  Zoo  ook  VII, 
346;  VIII,  349,  411,  1233;  Sp.  I»,  17,  70;  18, 
41.  Dese  dadent  alle  wel  van  binnen ,  Ferg.  5249 ;  enz. 

2)  Meermalen  volgt  binnen  op  een  znw.  met 
een  voorz.  (te  of  in)  ter  nadere  aanduiding  van 
plaats  of  van  richting;  in  de  meeste  gevallen  kan  het 
bij  ons  onvertaald  blijven ;  vgl.  onze  uitdr.  binnen 
in.  II  Mochten  si  te  Babylonieu  comen  binnen, 
Flor.  694.  Hi  deetse  in  enen  tor  binnen,  721.  Al 
warp  ment  (hout)  in  een  vier  binnen,  974.  Doe 
cam  gelopen  haestelike  .  .  .  ter  cameren  binnen 
die  coninc  ,  1097  (vgl.  Limb.  III ,  862 ;  XII ,  740). 
Dat  hi  die  scone  .  .  .  moeste  .  .  .  weder  bringen 
te  lande  binnen,  1723.  (Hi)  nam  sgn  sweert  in 
sgn  hant  binnen,  Orimb.  II,  3443.  Die  lieden 
woénden  in  den  bosch  binnen,  Lanc.  II,  350.  Hi 
brachtse  te  Troyen  binnen.  Rein.  II,  5559.  Gods 
ende  der  werelt  minnen  en  mogen  niet  tsamen 
eenre  (/.  teenre)  herten  binnen,  Sp.  II',  27,  53. 
Die  (ds  Joden)  in  hare  scrifturen  binnen  hem 
(Ckriaius)  kinnen  mochten  ende  sien,  Teest.  1930. 
Zoo  nog  Rijmb.  16478;  em. 

3^  In  de  uitdr.  binnen  hebben,  in  verschil- 
lenae  opvattingen.  —  a)  Eigenlijk.  In  zich  hebben ,  op- 
gegeten hebben.  II  Als  icse(^tf^<»m^ra/tffi)hebbe  binnen, 
bebbicker  af  pine  ende  onghemac.  Rein.  I,  572. 
—  b)  In  zich  hebben^  bezitten,  hebben.  ||  Die  (nature) 
hebben  crude  endebome  binnen ,  Lsp.1, 18 ,  50.  Hoer 
nature  hevet  binnen  (lat.  habet  hoc,  d.i.  hee/l  deze 
eigenaardigheid),  III ,  3 ,  1028. Wel  hem  6\esB(clergie) 
binnen  heeft,  III,  14,  267.  En  segghen  wi  niet 
waer,  alse  wi  segghen,  dattu  een  Samaritaen 
best  ende  den  duvel  binnen  hefs?  L.  v.  J.  e.  178. 


—  c)  Met  eene  plaatsbepaling,  meestal  werelt 
erderike,  als  ondw.  Bevatten , opleveren.  ||  Van  al 
dat  leeft  of  dat  Grieken  binnen  heeft ,  Limb.  IV ,  413. 
Soe  waric  donzalechste  die  leeft  ofte  erterike  binnen 
heeft,  III,  643.  Die  beste  riddre  die  leeft  of  die 
de  werelt  binnen  heeft  (die  op  de  wereld  ie) ,  dats 
u  sone,  IV,  2001.  Zoo  ook  V,  747;  IX,  168; 
Esm.  544;  Olor.  346,  400;  Lanc.  III,  22964.  Alt 
goet  dat  Rome  heeft  binnen,  Beatr.  7Sb.  —  d)  Be- 
sloten houden,  ||  Om  datsi  (de  aarde)  den  wint 
binnen   hevet,   diese   al  dorerent,  Natuurt.  1782. 

—  Binnen  houden,  in  zich  besloten  houden, 
verzwijgen.  \\  Als  ghi  mi  ontseit jou  minne,  wildict 
wel  hebben  iehouden  binnen.  Beest.  65  (vgl.  62: 
ontvlieghen,  en  64:  ontdeete). 

4)  In  de  uitdr.  Te  binnen  hetzelfde  als  i  n 
inne.  Zie  op  inne.  —  a)  Te  binnen  sijn,  c^  de 
hoogte  zijn,  goed  weten.  ||  Zo  es  myn  here  wel  te  binnen 
ende  gheinformeert ,  hoe  de  zaken  gheschiet  zijn, 
Cout.  V.  Brugge  1 ,  427.  Alsic  uus  vor(t)stels  ben  te 
bynnen,  Blisc.  v.  M.  1085  (vgl.  1588).  Op  dat 
die  ghene  diet  sullen  lesen  des  moghen  te  bat  te 
binnen  wesen,  Brab.  T.  VI,  2206  (vgl.  9774). 
Mids  dat  ghi  zijt  te  binnen  van  den  pointen  drie, 
OVl.  Lied.  e.  Qed.  483,   122.  Zoo  nog  Sacr.  1021. 

—  b)  Te  binnen  worden,  te  weten  komen ,  be^ 
merken.  \\  Sine  viande  .  .  wordens  te  binnen  ende 
vorsien,  Fl.Rijmk,S596.  —  c)Te  binnen  maken, 
op  de  hoogte  brengen,  doen  weten,  inlichten,  \\  Te 
binnen  sal  ie  hier  af  di  maken  in  cortiertale,  Wap.  Rog. 
782.  Dat  ghi  mi  hebt  ghemaect  te  binnen  van  deser 
leere  clare,  847.  (Nu)  makic  te  binnen  u  deser 
meeren,  dat  Maria  wert  haren  name,  Blisc.  v.U.  1758. 

5)  Van  binnen.  —  a)  Van  concreete  voorwerpen.  || 
(Een  kreeft)  die  binnen  niet  (niets)  en  hevet,  non 
invenitur  in  eo  caro.  Nat.  Bl.  V,  271.  Om  dese  selve 
sake  dede  die  coninc  Salomoen  sinen  tempel  binnen 
mit  desen  hout  al  om  ghecleden ,  Rein,  II ,  5586.  Al 
die  ghene ,  die  deze  lettere  binnen  zien,  Oorkb.  2 ,  96a. 
Tierst  dat  hine  (den  brief)  binnen  las  (las ,  wat  er 
in  stond) ,  Theoph.  1416.  —  b)  Vooral  van  het  gemoed, 
dikwijls  met  her  te  verbonden.  In  onze  taal  kan  ^t 
weder  vaak  onvertaald  blijven.  ||  (God)  die  alle  herten 
binnen  kint ,  Teest.  142.  Therte  binnen  sal  mi  breken , 
Ferg.  2319.  Als  een  brant  van  groten  viere  dor- 
gaende  die  herten  binnen.  Franc.  6598  (vgl. 
6107,  7187).  Hi  was  suver  als  een  kint  int  herte 
binnen,  Theoph.  90  (vgl.  93,  114).  Soe  hebben  si 
binnen  sijn  ontsien  (de  vreeze  Gods),  Lsp,  111,12, 
29.  Die  binnen  is  van  quaden  wille,  III,  14,  60. 
Oec  conste  soe  van  buten  ghebaren  scoenre  dan 
soet  meende  binnen,  Rijmb.  20422  (vgl.  25528). 
(Hi)  toende  hem  blider  in  sinen  doene,  dan  hem 
sijn  herte  gaf  binnen,  dan  zijne  stemming  hem 
eigenlijk  vergunde,  Lanc.  IV,  6038.  Die  scalcheit 
es  hem  binnen  gheboren.  Rein.  I,  1795  (vgl. 
2497:  gheboren  int  been).  Salvetse  (mine  herte) 
met  uwen  trooste  binnen,  so  machic  mijn  leet  al 
yQTtvinnen,  Beest.  197.  —  Ook  van  binnenkomt 
inHmnl.  voor,  b.  v.  i;»p.I,  23, 11;III,  9,68;  iW». 
II,  4151,  4311,  5598;  enz.  —  en  bij  Hadew.  in 
binnen,  d.  i.  enbinnen  (vgl.  onze  uitdr.  binnen 
in).  II  Wat  so  si  hadde  in  binnen,  beide  herte 
ende  sin,  daer  en  bleef  niet  in,  het  wert  al  ver- 
swolghen  in  minnen,  1,  99,  32  (v^l.  1,  38,  23). 
Vgl.  mnd.  hierenbinnen,  en  enbinnen. 

6)  In  iets  begrepen,  medegerekend ,  er  onder  be- 
hoorende.  \\  Al  waren  si  coninghinnen ,  men  sondere 
(der  quader  wive)  niet  tellen  binnen,  Teest.  3082. 
Die  soene  maect  ende  pais  .  .  jegen  den  here  .  . , 
hets  recht  datter  sine  liede  sijn  binnen  Cass.  150. 


1267 


BINN. 


BINT. 


4268 


7)  Binnen  syn,  Matk.  784,  bet.  hetzelfde 
als  mnl.  tonder  syn,  in  het  iumw  gebrokt 
zijn.  II  Yiant,  wiltn  yet  segghen  meer?  Ja  ie, 
seit  hi,  ie  wille  beghinnen,  ie  ben  noch  soe 
seer  niet  binnen.  Vgl.  592:  „in  ben  noch  so 
seer  niet  tonder.**  Waaraan  de  beeldspraak 
ontleend  is,  is  niet  duidelijk:  in  onze  taal  heeft 
binnen  zijn  de  tegenovergestelde  beteekenis,  nl. 
die  van  in  veiligheid  z^n^  er  boven  op  zijn^  eene 
uitdrukking,  ontleend  aan  het  komen  yan  een 
schip  in  de  haven. 

BINNENBACKEN,  bnw.  Oneig.  samenstelling. 
Binnen  (of  in  de  ttad)  gebakken.  \\  Alle  wtheems  broot 
oile  butenbacken  broot  sal . . .  hebben  sijn  gewichte , 
gelijcken  binnenbacken  broot,  O.  K.v.  Del  f  til  ^49. 

BINNENBÜUR,  znw.  m.  Inwoner;  tegenover 
u  u  t  b  u  u r ,  d.i.hij  die  elders  woont,  jj  Dies  behoort 
alleene  binnen  den  voors.  dorpe  den  binnenbuyeren 
omtrent  18  mergen  lants,  Inform.  43.  Dandere 
deel  behoort  noch  uytbuyeren  van  diverschen  steden 
ende  dorpen,  zoedat  .  .  maer  deen  helft  behoort 
den  binnenbuyeren,  ald.  215. 

BINNENDIENRE,  znw.  m.  Koffiehttiêknecht.W 
Waert  dat  eenich  tapper,  crayeerre  of  binnendienre 
ledich  ghinge  ende  versocht  ware,  sinen  dienst 
te  doen  van  yement  die  wjjn  tappen  woude,  O, 
K,  V.  Dordr.  31. ,  90.  Item  en  zullen  ghcen  tappers , 
crayeerres  of  binnendienres  wijn  drincken  voor  die 
dore  noch  in  kelders,  anders  dan  daer  sy  dienen, 
ald.  92  (O.  R.  v.  Dordr.  1,  32,  92). 

BINNENDIJCX,  bijw.  uitdr.  Bmnendijkt.  \\  In 
enighen  waterganc,  binnendijcx  off  butendücx, 
O.  K.  V.  Bolt.  39,  111. 

BINNENLANTSC,  bnw.  BinnenUndtch ,  in- 
heenuch^  ingeboren.  \\  Gheen  uutheemsche  luyden 
noch  gheen  bynnenlandtsche  luyden  moten  botter 
noch  kesen  uutvoeren,  Fri.  Stad^.  117,  181.  In 
binnenlants  Schouw,  Overijs.  R.  Il',  36. 

BINNENSTE,  znw.  onz.  Slechts  in  't  mv., 
evenals  mnd.  binnemten.  De  binnenste  deelen  van 
het  menechelijk  lichaam^  de  ingewanden;  vertaling 
van  lat.  inte8tina,\\N9,n  den  vette  dat  die  binnenste 
bedecte,Ruu8b.  2,  28.  Die  vetheit  onser  binnenste , 
onser  leyere  ende  onser  nieren,  ald.  Zoo  nog  eens 
ald.  en  Pats.  W.  185a.  —  Overdrachtelijk  ook  van 
den  geest  gezegd.  ||  In  die  binnenste  ons  gheests 
i^het  diepste  van  ons  gemoed)  ^  Ruusb.  2,  28. 

BINNENVALLEN,  st.  ww.  onz.  In  eene  stad 
binnendringen ,  invallen ;  de  stad  overrompelen.  Thans 
wordt  binnenvallen  slechts  gebruikt  van  het  komen 
van  schepen  in  eene  haven,  jj  Entie  Gallen  .... 
waren  comen  toten  tinnen  ende  souden  hebben 
(zie  vallen)  gevallen  binnen,  maer  eene  gans 
hevetse  verroken,  Sp.  I»,  45,  26. 

BINORDEN,  bijw.  Benoorden.  ||  Nortwart  tot  an 
dien  diecsloete  die  binorden  den  dike  gaet,  Oorkb. 
2,  lOOtf. 

BINNER,  voorz.  met  3den  nv.  Binnen.  Vgl. 
BUTER.  II  Bynner  onser  stadt  ofte  buyten  onser 
stadt,  Fri.  Stadsr.  102,  124. 

BINSEN,  zw.  WW.  onz.  Waarsch.  bijvorm  van 
b  i  s  e  n  (z.  ald.),  hoewel  de  tekst  eig.  b  i  n  s  c  h  e  n  heeft. 
Van  bisen  komt  voor  het  znw.  bijse ,  Kil.  tempestas 
horrida,  boreas.  Bisen  zou  dus  de  bet.  van  hard 
waaien  j  stormachtig  ^  wild  zijn  (van  het  weder) 
gehad  kunnen  hebben.  Doch  de  var.  la^efi  bruusch^ 
en  de  lezing  is  dus  niet  geheel  zeker.  ||  Hetwait, 
het  binscht  daer  dagelike  so  sere,  dat  scijnt  dat 
met  allen  die  sale  te  neder  sonde  vallen ,  Rosé  5822. 

BINT,  znw.  o.  Vgl.  mhd.  binde.  Bundel,  bos.  \\ 
Een  out  wyf ,  die  opt  kerchof  quam  gaende  ende 


hadt  een   bindt  stroes  op  hair  hoeft,  Matth.  213. 

BINTADERE,  znw.  o.  Een  ongemak  aan  de  tan^ , 
het  te  kort  zijn  van  de  tong ,  zooda^  men  de  tong  met 
kan  uitsteken,  doordat  het  lelietje  onder  de  ton§ 
te  veel  verbonden  is;  ook  co  r  tin  ge  genaamd.  || 
Die  tonghe  mach  te  onghemake  wesen  van  messe- 
licke  siecheden,  alse  pnusten,  zwellinghen,  cle* 
vinghe  en  cortinghen,  dat  men  heet  bintadere, 
Jan  Yp.  111.  Hoe  men  die  bintadere  ghenesen  sal. 
Alse  die  bintadere  wast  in  den  mensche  onder  der 
tonghen,  die  soe  wast  meer  in  jonghe  kinderen, 
die  nieu  gheboren  zyn,  113. 

BINTHOUT,  znw.  o.  Rijshout  {jn  takkebossen 
gebonden) ,  eig.  bijeengebonden  hotU ;  in  H  mnl.  ook 
faseelhout  genoemd.  1 1  Van 25 hondert hoats onder 
blocken   ende   binthout,  Invent.  v.  Brugge  5,  423. 

BINTSEEL  f  binsele)  ,  znw.  o.  (als  concreet  voor- 
werp van  eene  bepaalde  afmeting  m.) ;  mnd.  binlsel ; 
mhd.  bintseil.  —  1)  Bindtouw ,  touw,  ||  Voer  dry  bint- 
seel  in  den  perdstal  ende  voer  sestien  blntseel  in  den 
coestael,  ZFl.  Bijdr.  4,303.  Van costenghedaen.. 
doe  hi  de  voors.  perden  cochte  .  .  mids  bindzeelen 
ende  andren  cleenen  costen,  Invent.  v.  Brugge  4, 
100.  —  2)  Bindgaren ,  draad.  \\  Een  nye  biinzeel ,  de 
men  altoes  sal  ontbiinden  als  men  de  wonde  wil 
vermaken,  Lanfr.  32r.  —  3)  Ook  van  de  zenuwen 
en  spieren.  \\  Dat  een  breet  binsel  si  een  vellekin 
ende  oec  dat  een  ront  binsel  niet  en  sy  een  zenuwe, 
ald.  159.  Die  biinsele  is  cout  ende  droge  ende 
cornet  uten  benen,  17r.  Dat  derde  capittel  is  van 
wonden  in  zenuwen ,  coerden ,  miLsen ,  binselen ,  6r. 

BINT  VOEDER,  znw.  o.  Eene  wagenlading ,  een 
voer.  II  Een   bintvoeder   hoys,  Gendseh  Chtb.  196. 

BIRIDEN,  st.  WW.  onz.  met  den  dat.  pers.  .0(;, 
naast  iemand  rijden ;  h^m  rijdende  vergezellen^  \\  Hel 
sal  met  u  varen  Ritsaert  ende  u  biriden  Adelaert, 
Ren.  1035.  Die  ridder  den  wech  darwert  nam  ende 
reet  der  jonfronwen  bi,  Limb.  X,  984.  —  Ook  in 
den  zin  van  rijdende  naderen,  inreden  op.  ||  Want 
soe  voert  (vaert?)  metten  stoote  aldnre  ende  ridet 
bi  ooc  wel  ter  cnre  np  eiken  daer  loet  leghen 
hevet,  Praet  3253. 

BIROEPEN ,  st.  WW.  onz.  Met  den  dat.  van  eeo 
wederk.  ynw.  Bif  zich  roepen.  \\  Sdaeclis  ginc  si 
thnus  ende  riep  hare  bi  hare  kindere,  die  si 
leerde,  ^.  II»,  28,  150. 

BIS,  voorz.  Germanisme.  Tot;  hd.  ^.VgL  Grimm, 
Wtb.  2,  42.  II  Bis  aen  die  noene,  Serv.  I,  3126. 
Bis  ane  den  doemsdach,  3066.  Bis  aen  den  Rga, 
II,  1060;  enz. 

BIS  (bisse,  bissen),  znw.  o.;  als  stofnaam. 
Naam  van  eene  kostbare  stof,  een  soort  van  fijne 
boomwol;  lat.  bguus,  gr.  fivaaog.  II  Dien  gaf  die 
bisscop  daer  ter  stede  te  spinne  pnerper ,  bi^  ende 
vlas ,  /^.  I*,  37 , 6.  Een  bedde  met  goude  gebort ,  met 
puerpere  ende  met  bissen  gedect,  I',  47,40.  (Cor- 
tinen)  van  bissen,  wit  alse  die  snee,  Rijmi,  4859. 
Een  rike  man  was,  die  hem  cleede  met  pnrpre 
ende  met  bissen  beede,  24455.  Ghecleet  met  purpere 
ende  met  bissen ,  Ruusb.  4 ,  84.  Bissen  dat  is  wit 
van  vorwen,   B.   v.   1357,  46d. 

Afl.  —  Bissijn,  stoff.  bnw.  Van  hoowupoL  \\ 
Reepe  .  .  .  blssinende  ooc  purperyn,i2^'«s^.  18050. 
Ene  byssine  cortine,  4791. 

BISAETSE  (bisache,  bezaetse),  znw.  vr. 
Van  fr.  besace,  mlat.  bissaccia  (Dnc.  1 ,  688). 
Een  dubbele  sak,  een  reiszak.  \\  Ene  bisaetse  datsi 
vonden  inden  wech  ten  selven  stonden  als  of  soe 
vul  pennege  ware,  Franc.  3595.  Meer  dan  drie 
waerf  hondert  merke  in  ene  bisaetse  harde  sterke^ 
Sp.  IV*,  35,  11  (ook  27  en  71).  Slota  .  .  ane  diei 


1269 


BISA. 


BISD. 


1270 


malen  ende  aen  dien  bizachen,  D.  Orde  229.  Van 
alrehande  malen  cleen  ende  groit,  bolghen,  bi- 
saitsen  ens.,  Rek.  d.  Qraf.  2,  544  (ook  484).  Zoo 
ook  OorL  V.  Albr,  240. 

BISACKE ,  znw.  m.  Een  losse  zak ,  een  vrouwenzak. 
II  Eenen  gilyeren  croes  .  .  stack  hi  heymelijck  in 
haer  sale  ofte  bysacke,  Exc.  Oron.  31b. 

BISANT  (besant),  znw.  m.  Mhd.  bisant-^  mnd. 
bisant  fr.  besant.  —  1)  Eene  byzanHfnscAe  gouden 
munty  een  goudstuk.  Vgl.  Duc.  1 ,  1391.  ||  Hi  gaf  den 
ridder  een  broei  taetwgn  (/.  taerwijn),ende  vQf  besante 
van  gonde  fijn,  Lanc.  III,  17088.  Eiken  ridder 
willic  in  soude  geven  vflf  besante  van  gonde ,  Alez.  V, 
824.  Zoo  ook  VI,  408;  Troyen  9650;  Wal.  11130; 
Bijmb.  24029;  D.  Orde  281;  Hein.  I,  1152;  Lanc. 

III,  3045,  16494;  Flor.  2626,  2700,  2732;  5/7.1', 
14,  39;  Salad.  38,  43;  «mt.  —  Ook  waren  er 
zilveren  bisante  (bysantii  albi);  zie  Duc.  t.  a.p. 

II  (Hi)  gbaf  hem  30O  fine  bisante  wit  selverine, 
Bijmb.  3195.  —  Ook  komt  b  i  s  a  n  t  voor ,  X.  v.  J.  e. 
202  (driemaal) ,  voor  draekma ,  pond  {ïvl  onze  ver- 
taling talent).  \\  Here,  dyn  besant  hert  ghewonnen 
tin  besante. 

2)  In  de  wapenkunde.  ||  Een  ronde  gouden  of 
zilveren  schijf  in  den  vorm  van  een  bisanty  doch 
zonder  stempel  ^  waarmede  vooral  zij  hnn  schild 
versierden ,  die  eene  reis  naar  bet  H.  Land  hadden 
gemaakt.  Zie  Littré  1 ,  332.  ||  Die  scilt  van  gonde, 
ten  (/.  den)  rant  van  sable,  daerin  menich  besant 
gesait  al  te  rikelike,  Grimb.  II,  2389.  —  Ook  als  bnw. 
komt  besant  voor,  indenzin  vangebisanteert 
(z.  ald.).  II  Die  .  .  met  enen  swerde  sloech  boven 
in  den  wervele  in  den  cant  wel  half  af  den  helm 
bisant  ende  totten  hoefde  oec  in  geslegen,  Yelth. 

IV,  34,  51  {of  moet  men  daar  bicant  lezen'f). 
BI8CARDEN   (biscaerden,   biscerden),  zw. 

WW.  onz.  Met  den  dat.  pers.  Yan  se  er  den,  dat 
(Praet  2483)  scaerden  geschreven  wordt ,  en  dat,  van 
seerde ,  d.  L  schrede  ^  afgeleid ,  hetzelfde  beteekent  als 
schrijden.  Naar  iemand  toe  stappen,  \\  Dan  merct 
wel  wie  hi  si,  den  meester  coc,  ende  scart  hem 
bi;  nemen  bi  den  hare  ende  sconten  int  sop  open- 
bare,  Vad.  Mus.  2,  274,  320. 

BI8CICKEN,  zw.  ww.  Enen  (3de  nv.)  enen 
(4de  nv.)  — ,  iemand  aan  een  ander  toevoegen.  ||  Twee 
Iniden,  .  .  die  die  rait  daertoe  schiet.  Ende  wes 
daerof  coemt ,  daer  zeilen  off  hebben  die  twee  laide 
vanden  raide,  die  den  scntmeyster  bijgeschict 
warden,  die  een  helfte,  22.  v.  Vtr.  1,  325,  4. 
Mombaren,  die  hem  bygescict  sellen  wesen  van 
den  rade,  2,  251. 

BISOOP.  Zie  Bisscop. 

Aanh.  —  Merl.  32348:  „Opten  selven  dach  .  . 
snllen  alle  bgseope  in  rouwe  verkeren",  te  lezen 
bliscape. 

BISCOOT  (bescoet  ,  biscot)  ,  znw.  o.  Beschuit. 
Van  fr.  biscuit ,  uit  lat.  biseoetum ;  de  vorm  biscot 
komt  rechtstreeks  van  den  lat.  vorm.  ||  Daer  hi 
mede  cofte  bescotte ,  in  die  ghaleyd  te  legghen , 
14  ducate,  Sek.  d.  Or.  S,  226;  vgl.  180. 

—  Samenst.  brootbiscot.  ||  Soe  coft her Marke 
...  in  Bodis  broetbiscotte ,  dat  men  in  die  galeyde 
leide  .  .,  ende  cofte  dat  voerselde  biscot  te  14 
ducate,  ald.  3,  240. 

BISDOM.  Mnd.  bisched6m\  ^.  I*,  61,  6,  e.  e. 
Zie  BisscoPDOM. 

BISDOMMER ,  znw.  m.  Bewoner  van  een  bisdom^ 
stichtenaar.  \\  Van  der  clesi  ende  der  bisdommers 
goede  van  Utrecht,  V.  d.  Wall  226. 

BISDOMMER,  znw.  m.  Verbasterde  vorm  van 
inlat,  vicedominus ;  fr.  vidame ;  hd.  vizthum ,  vizdom ; 


mhd.  viztuom.  Plaatsbekleeder ,  stadhouder.  ||  Heer 
Heinryc  Notbast  .  . ,  die  heere  tot  Wemberch  was 
ende  bisdommer  van  Beieren,  Brab.  7".  VII, 8679. 
Hertoghe  Jap  van  Beieren  .  .  heeft  daer  van  sinen 
weghen  ghe^onden  den  bisdommer  van  Beieren, 
9073  (bfl  Dynterus:  Vicedominus;  in  de  fr.  vcrt. 
vicomte  -de  Bavière). 

BISDOMStOEL,  znw.  m.  Bisschoppelijke  zetel  ^ 
waardigheid  van  bisschop.  \\  Daer  na  wert  hi  totten 
bisdomstoel  van  Losanen  geroepen ,  Exc.  Cron.  22d. 

BISCOLE ,  zzw.  vr.  Bijzondere  school ,  bijschool.  \\ 
Op  die  boeten  van  32  se. ,  die  z^n  kint  in  eenighe  by- 
schole  settede  of  dede  gaen  {tegenover  de  grote  scole 
van  Leyden).  Ende  die  meester,  die  die  byschole 
hilde  .  . ,  die  sel  verbueren  van  elck  kint . .  18  se, 
Leid.  Keurb.  187,  84. 

BISE ,  znw.  vr.  Van  mfr.  biche ,  bice ,  bisse  (Burguy 
40);  fr.  biche.  Hinde.  \\  Hi  helt  stille  al  se  lyeberde 
plegen  alse  die  bisen  hebben  versiegen  ende  si 
niet  meer  vinden  moegen,  daer  si  wreetheit  an 
moegen  toegen,  Lanc.  II,  17260. 

BISE,  znw.  m.  Noordenwind ^  koude  wind.  Nog 
heden  in  het  Maastrichtsch  bijs  geheeten.  Zie  T.  en 
Lettb.  6,  227.  ||  Daer  men  af  lest  in  cantiken: 
Stant  op,  bise,  dats  vli  van  mi  tracheit,  die  mi 
verkels  {verkilt)  in  der  minnen  ende  come,  sute 
went  van  dëlPlniddage ,  die  auster  geheiten  es, 
lAmb.  Serm.  205c. 

BISE  (bize),  bnw.  Zwart  of  donkerbruin.  Zie 
Duc.  op  bisus  (gallice  nigrum  sonat);  Rayuouard 
op  bis  {brun)\  Qachet  Gloss.  op  bis  (de  sable); 
Littré  op  bis  {d'un  gris  brun).  Over  de  afleiding 
zie  ald.  1,  349.  ||  Van  bize  dat  onder  tsasuur 
(/.  tlasuur?)  leghet,  Invent.  v.  Brugge  2,  197; 
3,  488  (bij  eene  opsomming  van  verschillende 
kleurstoffen ,  als  sinoper^  oker^  menie^  vermiljoen^  enz.). 

BISEÖELEN,  Warfseonst.  38,  e.  e.  Hetzelfde 
als  besegelen  (z.  ald.). 

BISEGEN.  Hetzelfde  als   beseggen  (z.  ald.). 

BISEN,  zw.  WW.  onz.  OM.  pisön\  mhd.  bisen ^ 
hd.  bisen y  biesen;  ndd.  bissen;  nl.  bissen ^  Hezen ^ 
bijzen;  vgl.  BIJSTER.  —  1)  Wild rondloopen ,  ^a.n  vee 
dat  door  vliegen  of  andere  insecten  gestoken  is.  || 
Als  die  olde  coeijen  bissen,  so  clappen  hem  die 
dauwen.  Hor.  Belg.  9,  4.  Wanneer  het  jonghe 
gheitken  b^set,  soe  siet  men  blieken  synen  aers, 
Sal.  en  Mare.  5. 

2)  Op  een  dwaalspoor  geraken,  verbijsteren,  den 
verkeerden  weg  op  gaan.  \\  Lichtelike  dat  si  bysen, 
die  hem  van  zonden  niet  afgrijsen ,  ende  vallen  in 
des  duvels  strec,  Denkm.  3,  203,  76. 

3)  Loopen^  rondloopen ,  zwerven ;  lat  circumvagari.  || 
Veel  te  lopen  ende  te  bisen  in  g^lsicheiden  over 
pas,  tis  twifel  ofmens  ye  ghenas,  Hild.  170,  60. 
Hebdi  gheen  geit,  men  laet  u  bysen,  maer  hebdi 
geit,  men  doet  u  ere  ende  wert  ghereketft  metten 
wisen,  Fad.  Mus.  2,  167,  54.  —  Nog  heden  wordt 
bisen  te  Yperen  in  den  zin  van  loopen  gebruikt 
{Belg.  Mus.  1,  400).  Vgl.  ook  ommebisen. 

BISENDEN,  zw.  ww.  bedr.  Met  den  dat.  pers. 
Toezenden.  ||  So  sal  ons  Christus  senden  by  sine 
gracie,  Amand  II,  167. 

BI8ETTEN,  zw.  ww.  bedr.  Met  den  dat.  der 
zaak.  Bij  iets  zetten.  ||  Si  nam  die  wieghe . .  ende 
settese  haren  bedde  bi.  Boerden  III,  57. 

BISEX ,  znw.  m.  Eig.  bnw. ;  van  lat.  bissextus 
nl.  annus.  Schrikkeljaar.  ||  Oec  vanthi  (Clo^Mr)  den 
bisex  ende  der  manen  ghetal,  IX  Best.  141. 

BISIDEN  (biside),  bQw.  Hetzelfde  als  besiden 
(z.  ald.).  II  Boven,  bislden  ende  onder,  Lsp.  I,  11, 
53.  —  Zie  ook  het  volg.  Art. 


1271 


BISI. 


BISO. 


1272 


BISIDER,  voorr.  bis i de  der.  Ter  zijde  van.  \\ 
Yan  der  batelgieringhe  te  brekene   bisider  zant- 
poorte,  Invent.  v.  Brugge^  Int.  445. 

BISIENDE,  bnw.  Ygl.  M,beinchtich\%ixg.buon 
(Maller  1,  84).  Niet  ons  bijziende^  maar  de  oogen 
kalf  sluitende ,  ten  einde  beter  te  zien ,  eene  eigen- 
aardigheid van  byzienden,  met  half  dichtgeknepen 
oogen.  \\  Jalouzie  ende  heer  Ontzegh ,  biziende  als 
die  qualic  zach,  thooft  so  Intsti  alden  dach,  also 
noch  scelnwe  lieden  pleghen,  OVl,  lAed.  e.  Oed. 
266,  976.  Zie  ook  het  volg.  Art. 

BLSIENICH,  bnw.  Met  half  dichtgeknepen  oogen. 
Ook  als  znw.  gebruikt.  ||  Hoe  hy  als  een  bysienich 
nae  den  hemel  siet,  Bern.  S.  163r. 

BISIJN,  st.  onr.  ww.  onz.  Mhd.  bisin.  Ygl.  bi- 
wesen.  Met  den  dat.  —  1)  Iemand  nabij  zijn.  \\ 
Die  yiant,  die  .  .  .  hem  altoos  es  by,  den  gonen 
die  buten  weghe  sy ,  Amand  II ,  396.  Oft  hem 
iemene  ware  bi,  B^n.  I,  2364.  Alle  die  hem  waren 
bi,  Lorr,  II,  1054. 

2)  Bijblijven^  na  aan  het  gemoed  liggen,  \\  Den 
wiven  si  oec  dese  lere  bi,  Tien  PI.  2193. 

BIiSITTEN ,  st.  w w.  onz.  Hetzelfde  als  b  e  s  i  1 1  e  n 
(z.  ald.  2).  Terechtzitten  \  ook  9\»  znw.  Terechtzitting. 
II  Ghi  sult  sitten  op  twalef  stoelen  ende  oerdelen 
die  twalef  gheslachten  van  Israhel.  Ten  anderen 
.soe  sal  dat  bisitten  sgn,  om  die  sententie  te  con- 
lirmeren.  Ten  derden  sal  dit  bij  sitten  syn  ter  quader 
(gen.  pi.)  verdoemenisse,  Past.  W.  S7d. 

BISITTER,  znw.  m.  Mnd.  betitter\  hd.beisitzer. 
Bijzitter;  lat.  assessor.  \\  De  droste,  de  schryver, 
des  drosten  bijsitter  ende  de  doere waerers,  fitst. 
V.  Dr.  52. 

BISLACH,  znw.  m.  Mhd.  tUlac\  mnd.  bislach; 
hd.  beischlag. 

1)  Valsche  munt,  eig.  eene  na  de  echte  geslagene 
munt  (zoo  ook  mhd.  en  hd.).  ||  Oec  behoert  hem 
te  besien  oft  {het  muntstuk)  enich  bislach  ware, 
al  staet  daer  eens  conincs  beelt  op ,  Ned.  Proza  260. 

2)  AI  wat  buiten  aan  een  gebouw  toegevoegd 
is ,  zooals  de  uitstallingen  voor  de  winkels  (Plant.) , 
de  stoepen  voor  de  huizen  (Kil. ,  hd.  en  mnd.) ,  luifels , 
enz.  Welke  van  deze  beteekenissen  bedoeld  is, 
Spreuken  63:  „Hy  heft  de  byslaeghen  ghetelt" 
is  moeiiyk  uit  te  maken. 

BISONDER,  bnw.  Mhd.  besunder.  Afzonder Ujk.  || 
Elck  in  een  bisonder  lant,  MLoep  I,  1689. 

BISLAEPSTER,  znw.  vr.  Bijzit;  vertaling  van 
lat.  concubina]  vgl.  mnd.  bislaferinne ;  mnd.  bi- 
slepersche.  \\  Rapha  des  conincs  Sauls  bijslaepster, 
Bienb.  156^. 

BISONDER  (bisondere,  bisonderen),  bijw. 
Mhd.   mnd.   besunder,   besunder{e)n;  hd.  besonders, 

Ygl.   BESONDER. 

1)  In  het  bijzonder,  inzonderheid,  vooral.  ||  Bi- 
zonder aachic  een  rozier  dat  men  met  rechte  wel 
prisen  mach,  OVl,  Lied.  e,  Oed.  404,  35.  Dat  zy 
hem  generen  mit  bouwery,  visschen ,  vogelen  ende 
bysondere   (mit)   dycken,   Inform.  123  (vgl.  195). 

2)  Afzonderlijk.  ||  (Si)  worden  in  vasten  banden 
ende  boeyen  geleyt  in  des  graven  steen  elck  bi- 
sonder, Exc.  Cron.  232^?.  Die  viere  ghecreghen 
des  dodes  slach  elc  bisonder  op  enen  dach ,  MLoep 
I,  1451.  Hoerre  gheen  en  mochter  in  van  allen 
desen  drien  den  sin  elck  bysonderen  exponeren, 
Hild.  43,  101.  —  In  denzelfden  zin  van  bi- 
sonder, ald.  157,  125. 

Aanh.  —  Bisonder  {besonder)  wordt  meermalen 
gebruikt  als  rijmwoord  zonder  beteekenis ,  zoo  b.v. 
Troyen  f.^\d:  „  Die  scoen  vrouwe  had  syns  wonder , 
al  had  syt  gheweten  bysonder ,  cume  dorst  sy  die 


oghen  op  slaen  {Deidamia ,  na  door  AchHles  onteerd 
te  zif'n),"  Zoo  vindt  men  ook  besondert  om  als 
rijmwoord  te  dienen  op  hondert. 

BI80NDERLIN6E  (bisonderlingen  ,  bisln- 
derlinoe;  ook  bisonderling),  bijw.  Mnd.  èe- 
sunderlinge;  vgl.  mhd.  besunderUche  en  besonder- 
LINGE.  —  1)  Afzonderlijk,  een  voor  een.  \\  Alle 
dese  punten  voerscr.  ende  elliz  bisonderlinge  hebbes 
wg  geloeft,  Nijh.  3,  46.  Bisunderlinge  op  eiken 
dach  of  op  elke  ty t ,  G.  Groote  57.  Die  denie  dede 
afslaen  eiken  teen  bisonderlinghen ,  ^i.  11678  r«r. 
Doe  grees  hem  allen  voer  die  moert  ende  vrachden 
elc  bisonderling  of  hem  die  boesheit  overghing, 
O.  H.  Pass.  11,  168.  Een  yeghelic  is  een  lit 
bisunderlinghe  ende  yeghelics  glorie  dat  is  d^ 
anders  glorie,  Gerl.  Peters  221.  Dat  oneer  alre is , 
dat  is  eens  yegheliken  bisunderlinghe ,  223.  Elker- 
lick  bysonderlinghe,  Fri  Stadsr.  97,  111. 

2)  In  het  bijzonder,  vooral,  \\  Alle  die  philosophen 
.  .  ende  bisonderlinghe  Seneca,  Bienb.  496.  Want 
dese  stede  bisunderlinghe  goede  discipline  gheholden 
heeft,  19^.  Die  ghene,  die  bgsonderlinghe  daer 
na  arbeiden,  dat  enz.,  50^. 

3)  Bijzonder,  buitengewoon.  ||  Die  eerweerdighe 
man  Mauricius  is  een  bisonderlinghe  verciert  man, 
Bienb.  3a.  —  Ook  als  bnw.,  doch  eerst  in  de 
latere  middeleeuwen.  ||  Twee  bisonderlinghe  bomen 
nutghenomeu,  Boeck  v.  d.  L.  Jhesu  9a. 

BISPEL  (bispil),  znw.  o.  Mhd.  hispél-,  mnd. 
bispel;  ags.  bigspeU;  hd.  beispiel,  ^l,  dat  niets 
met  het  andere  woord  spel  (lat.  ludus)  te  maken 
heeft,  bet.  verhaal , gesprek ,  en  is  van  den  stam  van 
spellen,  got.  spillon.  Zie  verder  Grimm,  Wtb.  1, 
1394 ;  Eluge  23 ,  op  b  e  i  s  p  i  el ,  en  vgl.  de  woorden 

BISPROKE  en  BIWOORT. 

1)  Toepassel^'k  verhaal,  zoowel  van  eenegebeor- 
tenis ,  die  werkelgk  heeft  plaats  gehad ,  nXa  van  eene 
verzonnen  geschiedenis ,  ten  einde  eene  les ,  die  men 
wil  prediken,  door  een  concreet  geval  daidelgker  te 
maken. — a)  Yan  een  werkelgk  plaats  gehad  hebbend 
feit.  Toepasselijke  geschiedenis.  ||  Hoort,  ie  sal  u  doen 
bekint  een  herde  scoon  bispel,  dat  eens  daer  ave 
ghevel,  Lsp.  II,  60,  116  {Daarop  volgt:  ^enhïs^ 
van  O  Intemerata,  Cap.  61).  Daer  omme  ist  al 
belanc  aen  des  menschen  uutganc .  .  .  dat  sal  n 
toghen  openbaer  dat  bispel  dat  volghet  hier  naer, 
III,  3,  587.  Oec  seide  hi  hem  naer  een  bispel, 
dat  Saladyns  vader  gevel,  Yelth.  1 , 53 ,  13.  Dicken 
naturet  .  .  nader  sterren  loop  dat  kint,  ende  dies 
hort  hier  een  bispel,  wat  up  ene  stont  ghevel, 
Heim,  1597  (vgl.  1644).  —  Ook  geschiedenis, 
verhaal  in  het  alg.  ||  Daer  sach  hi  staen  lieden 
vele ,  die  grote  priselike  bispele  smekende  spraken 
vanden  man ,  ^.  I',  67 ,  29.  —  b)  Yan  een  niet  werke- 
lijke gebeurtenis.  —  a)  Toepasselijk  verhaal,  toepasse- 
lijke vertelling,  eene  vertelling  met  eene  xedeUjke 
strekking.  \\  Elc  lantsheere  mach  nemen  wel  exempel 
an  dit  bispel,  Denkm.  3,  212,  237.  An  dit  bispel 
mach  men  sien  alse  een  doet  bederve  qnaet,  sie 
dat  hijs  te  tide  avestaet ,  J?^^.  Mus.  10,  75,  218.  Ëlc 
mensche  mach  proeven  wel  ende  merken  aen  dit 
bispel,  dat  nieman  om  eneghe  sake  Gode  en  sal 
bidden  om  wrake,  Wrake  III,  275.  Dit  bispel 
heeft  ons  Willem  ghepast  van  Hildegaersberck 
ende  wilt  beduden  tenen  exempel  sulken  Inden  enz^ 
Hild.  30 ,  298.  Dit  bispel  heeft  ons  Willem  ghemaect, 
dat  elc  man  sel  verduldich  sgn,  186,321.  Zoo  ook 
64,  258;  114,  54;  119,  202;  121,  162;  170,  94. 
— ^  Fabel  (waaraan  in  den  regel  eene  moralisatie 
is  toegevoegd).  ||  Ooc  sijn . .  bispele  dicgheTonden . ., 
die  nie  en  waren  noch  en  gheschi^en,  mer  om 


\5in 


BISP. 


BISP. 


1274 


exempel  allen  lieden  te  gheven,  JUin.  Il,  7771. 
Ten  ghenen  spreect  dit  bispel ,  die  vele  mach  ende 
dan  es  fel ,  Ssop.  XYI ,  19.  Scone  sprake  ende  scone 
woert  wort  dicke  te  scerne  gheareven,  dit  leert 
ons  dbispel  yander  teven ,  IX ,  18.  Dat  Maria  .  .  in 
kemelrike  es  met  ziele  ende  met  lachamen  ende 
dit  moetmen  geloven  vel  sonder  eenecb  valsch 
bispel,  Sp,  Vy  52,  10.  —  f)  Gelijkenis ^  parabel 
(waardoor  eene  zedelei  worat  gepredikt).  ||  Een 
bispel  vanden  verloren  sone,  Rijmb.  C  56.  Onse 
Here  seidem  bispele  van  enen  man ,  die  zien  coren , 
23352.  Hierna  seidi  {Christitt)  hem  bispele ,  die  mi 
te  lanc  ende  te  vele  tombindene  sonde  sijn,  23411. 
Here  ontbint  uus  (d.i,  ons)  dbispel ,  dat  ghi  seid  saen, 
23706  (vgl.  24017).  (Een)  bispel  .  .  vanden  riken 
vrecken  ries,  Sp.  V,  15,  26. 

2)  Zedeleê,  moralisatie,  \\  Lettel  hortmen  na  gode 
bispele,  Torec  2490.  Architan  spreect  in  sijn  bispel, 
dat  enghene  dinc  so  fel  van  naturen  esghegheven 
den  mensche  alse  weeldich  leven,  Sp.  I',  42,  57. 
Oec  sprac  hi  somech  wort  oec  wel  alse  die  spreect 
in  dit  bispel:  wie  so  die  w^shede begaren, moeten 
weelde  laten  varen,  I^,  31,  29.  Om  te  cortenedie 
woert  en  segghic op elc (dier)gheen bispel , Nat. BL 
IV,  14  (vgl.  III,  3660).  Hier  mach  men  horen 
dese  drie  eiken  secghen  een  bispel,  Praet  664. 
(vgl.  669).  Bispele  ende  ezemple  goet,  Lsp.  III ,  7,33. 
(Seneca)  daer  die  bloemen  entie  bispele  nte  sgn 
ghelesen,  Sp»  I*,  32,  20.  Siet  hier  een  reene 
bispel,  dat  lantsheren  betamet  wel,  I*,  42,  39. 
—  Ook  in  den  zin  van  leering -,  al  wat  iemand  tot 
leering  zegt  of  sehrij/t  \  dus  ook  — a)  Leerboek,  || 
Plinins  sprect  in  sinen  bispele ,  dat  hi  ghenonchlic 
es  ter  spise,  Nat.  BI.  V,  296.  —  b)Zedepreek.\\ 
Dit  ende  des  ghelike  vele  seide  Josephus  in  sinen 
bispele  ten  sinen,  Rijmb.  29355  (vgl.  29235:  hi 
begonste  tfolc  c  a  s  t  i  e  n).  Hi  bekeerde  heidine  vele 
ende  Joden  met  menegen  bispele,  Sp.  I",  14,  28. 

3)  Spreekwoord^  zedespreuk ^  spreekwoordelijke  zegs- 
wijze. II  Dat  bispeel  seghet  wel : . .  snlc  waent  wreken 
sine  scande  ende  slaet  hem  selven  njrtten  lande,  Trogen 
f,  20e.  Men  seit  in  een  bispel  {Rein.  1 ,  181 :  hets  een 
out  bispel) :  viants  mont  seit  selden  wel ,  Maleg.  366. 
Dat  qnaet  te  wachten  es  dat  dier,  dat  te  wonde  wart 
lopen  wille,  dat  seit  die  dorper  in  sinen  bispille. 
Flor.  2143.  Men  seget  dicke  in  bispele :  dat  vligende 
craie  bejaget  iet,  Lanc.  III,  1104.  Men  seghet  .  . 
overal . .  een  bispel ,  dat  mi  dnnct  waer :  oetmoet  brect 
alle  strgt ,  Vrouw.  e.  if.  1 ,  381.  Hierom  seit  men  in 
bispele:  coemt  in  Esebon,  D.  B.  Num.  21,  27. 
Tbyspel :  is  Saul  onder  den  propheten ,  Bijbel  (Hs.)  u. 
1360,  aang.  bij  Clignett,  Bsop.  bl.  107.  Zoo  ook 
Nat.  Bl.  XII,  890;  JD.  B,  Habak,  2,  6. 

4)  Voorbeeld  \  hd.  beispiel.  Omgekeerd  komt 
exempel  meermalen  voor  in  den  zin  yah verhaal. 
Ook  komen  bispel  en  exempel  verbonden  voor, 
b.  V.  Lsp,  III,  7,  33.  II  Aldus  doen  si  tfolc 
verdoren ,  dien  si  souden  leven  voren  ende  bewisen 
goet  bispel,  K,  Cl.  43.  Dat  ie  hier  af  secge  dus 
vele,  en  es  waer  als  tenen  bispele,  Yelth.  Y,  24, 
63.  Mochtic  dit  nog  te  bispele  vertellen,  dat 
priisdic  sere,  Idmb.  I,  2210  (vgl.  858 ,  waar  staat : 
j^te  bi  sele  al  vertreden'^]  men  leze  óf  te  bispele 
sal  9.,  6f  met  de  var.  moet  te  spele  al  p. ;  vgl. 
Stoke  II,  944;  Limb.  I,  2198).  Neemt  meer  bispel 
aen  de  papen  dan  aan  riddre  ochte  aen  knapen, 
Christ,  1341  (vgl.  1941).  Du  sulste  verloren  wesen 
ende  in  spotte  ende  in  bispele  {tot  een  afschrikkend 
voorbeeld'^  in  onze  vertaling :  tot  een  spreekwoord 
alle  den  volke),  D.  B,  ^»</.  28 ,  37.  Derre  materie 
es  noch  vele ,  dies  cortict  u  metten  bispele  {daarom 


laat  ik  het  bij  dit  ééne  voorbeeld)^  Torec  2598. 
Een  swaer  bispel  gaf  soe  den  man ,  die  den  zeghe 
al  ginder  wan,  dat  dit  werelike  gheval  so  onghe- 
stade  es  over  al,  i§d.  I*,  55,  55.  (Gi  sult)  der 
werelt  togen  wel  een  vreselgc  swaer  bispel,  I*, 
16,  42.  Siere  quaetheit  was  so  vele,  men  const 
getellen  in  bispele  {zij  was  spreekwoordelijk  ^  kon  tot 
een  spreekwoord  worden)^  I*,  100,  27. 

BISPISEN,  zw.  WW.  bedr.  Enen  iet  ^^ iemand 
iets  bijzetten,  hem  van  iets  voorzien,  Vgl.  spisen 
en  mhd.  spisen,  d.  i.  mit  etwas  versehen,  \\  God,  die 
ons  node  laet  verloren,  heeft  ons  die  bode  bighe- 
spiset,  (»/.J  conciencie ,  die  ons  bewiset  die  weghe , 
daermen  in  mesdoet,  OVl.  Ged.  3,  134,  290 
(vgl.  VS.  286). 

BISPBAKE,  znw.  vr.  Mnd.  bisprake.  Hetzelfde 
als  het  meer  gewone  bispel  (z.  ald.).  Zie  ook  het 
volg.  art.  en  vgl.  den  titel  van  een  van  Roemer 
Visscher^s  werken:  Bijspraax  Almanak, 

1)  Gelijkenis,  parabel.  ||  In  dien  tiden  seide 
Jhesus  tote  sinen  jongers  dese  bisprake:  dat 
hemelsce  rike  es  ghelgc  enen  coninc  ende  wilde 
rekeninghe  hebben  van  sinen  cnapen,  Ft.  p.  1348, 
199^. 

2)  Spreekwoord.  ||  Dife  ghemene  bijsprake:  hoe 
dat  hoeft  hogher  is,  soe  die  hals  boechsamer  is, 
Bienö.  122d.  —  Zie  een  voorbeeld  van  een  onz. 
znw.   bispraec,    bij    Oudem.    1,   708.   —   Vgl. 

BI  SPROKE. 

BISPROKE,  znw.  vr.  (en  o.?).  Mhd.  bUpruch 
(m.);  mnd.  btsproke  (m.)  Hetzelfde  als  bispel  en 
biwoort  (z.  ald.).  Gelijkenis,  parabel.  \\  Darombe 
sprac  God  selve  ene  bisproke  in  der  ewangelie: 
dat  een  vader  hadde  twee  sone,  Limb.  Serm.  1516. 

2)  Spreuk,  spreekwoord.  ||  Men  lesetin  denbisproken 
{in  de  Spreuken  van  Salomo):  daer  is  heil,  daer 
vele  raeds  is,  D.  Orde  279.  Daerom  hadde  hi  dit 
bisproke  altoes  in  sinen  mont  ende  in  syn  herte: 
wie  doet  dat  niemant  en  doet ,  dies  verwondert  alle 
menschen ,  Ned.  Proza  275. 

BISSCOP  (BISCOP,  biscob;  Oorkb,  2,  4433); 
mv.  biseope  {Lsp.  II,  45,  8),  gew.  bisscoppe.  Van 
lat.  -gr.  episcopus;  it.  vescovo;  fr.  évéque;  enz. 

1)  In  de  gewone  beteekenis,  als  naam  der  be- 
kende geestelijke  waardigheid.  —  Ook  in  de  uitdruk- 
king bisscop  sitten,  den  bisseoppelijken  zetel 
bekleeden,  bisschop  zijn.  \\  Een  bisscop  van  levene 
goet  .  .  .  sente  Jacob,  bisscop  sat  in  Persen  te 
Nisebis,  Sp,  II*,  44,  1.  Enursis,  die  in  die  stat 
Torliens  heilech  bisscop  sat,  45, 3.  (Als)  Theophilus 
.  .  .  bisscop  te  Alexandrien  sat,  II*,  29,  44.  Zoo 
ook  II»,  e,  e.  —  Ook  in  den  zin  van  {heidensch) 
priester.  \\  Agrippus  van  Macribia  was  bleven,  al 
seynde  men  daerna;  mer  hy  seynden  opdieviande 
den  bisscop  (Virg.  Aen.  VII,  760:  sacerdos  Umbro) 
van  synen  lande,  Umbro,  een  stout  man  ende  een 
goet,  Trogen  f.  261  d.  —  Ook  van  wereldlijke  of 
niet-geestelgke  ambten  werd  bisschop  gebruikt. 

2)  Onderwijzer,  opziener  over  eene  school,  ||  Den 
scoelren  van  Zirixee,  die  voer  mgn  here  quamen 
singhen  met  horen  bisscop.  Rek.  d.  Gr.  3,  370. 
Zoo  ook  101  en  383.  Vgl.  bij  eselpaus. 

BISSCOPDOM  (BisscoPDOEH ,  samengetr.  bis- 
dom, Sp.  I*,  21,  6;  nl.  bisdom-,  hd.  dix/tiin ; reeds 
mhd.  bischtuom;  mnd.  bischedöm;  ohd.  piseo/tuom 
en  piscetuom ,  znw.  o.  (mnd.  m.  en  o.). 

1)  Bisschoppelijke  waardigheid.  ||  Van  Aarons 
bisscopdoeme,  Rijmb.  5821.  Zoo  ook  5840,  18375, 
18729,  19898,  19943,  20683,  27462.  Van  den 
biscopdome  van  Sinte  Peters  van  Meilanen ,  Lanfr, 
49r.   Bisscopdomme  ,  .  .  vercoepen  si  om  ghelt| 


1275 


BTSS. 


6TST. 


1276 


Wrale  IIT,  1003.  Dat  nieman  en  mochte  winnen 
bisücopdomme  noch  prelatie,  1015.  Dese  biüsoop 
was  gedaen  van  prieNterHcape  eer  hi  ODtfaen  heeft 
dbisHcopdoem ,  ^.  II«,  11,  27  (vgl.  II»,  8,  31; 
I*,  21,  16).  Syn  bi8€opdoem  ontfange  een  ander 
H».  N.  T.  3r  (Hand.  1 ,  20).  De  bisHcop  haddene  . . 
up  (d.  i.  op  verlies  van)  Mijn  bixHCOpdom  untfaen , 
Franc.  9304.  Zoo  ook  DUp.  346. 

2)  Bitdom  ^  het  gebied  van  den  bittchop.  \\  Dat  8i 
hare  hertochdoeme  gaven  . . .  ende  maecter  bisscop- 
doeme  af,  Stoke  1 ,  821.  Want  het  nn  tselve  bisscop- 
dom  es,  dat  men  van  Ludike  heet,  Amand  II, 
1049  (vgl.  1046).  Dat  erdwch  bisncopdoem  van 
Bremen,  Sp.  III»,  93,  16. 

BISSCOPLUC,  bnw.  BUtchoppelijk.\\  Van  siere 
bisscopleker  stat,  Sp.  II»,  8,  6.  In  denzelfden  zin 
bisscopstede,  bu»choptze(ei\  waardigheid  van 
bisschop,  Sp.  III»,  31,  38. 

BIS8C0PSTEDE.  Zie  het  vorig  Art 

BIS8E,  BISSEN.  Zie  bis. 

BISSEN,  zw.  WW.  bedr.  Hetzelfde  aln  bisen 
(z.  ald.).  It  Als  die  olde  coeyen  biüsen,  soclappen 
hem  die  claawen.  Hor.  Belg.  9,  4. 

BISSIJN ,  stoff.  bnw.  Van  b  i  s  s  e  gemaakt  Zie  Bis. 

BISTAEN,  st.  onr.  ww?  onz.  (m.  d.  3den  nv.). 
Mnd.  bisldn.  —  1)  Eigenlgk  slaan  bij.  \\  Si  sellen 
bi  den  rechter  staen  ende  dat  bistaen  sel  eerst 
sijn  ter  heyligher  eeren.  Pass.  W.  %ld.  Des  zoons 
stoele  (dat.)  staet  bi  sijnre  moeder  stoel  (nom.), 
i^.  1 ,  3 ,  29.  —  2)  Figuurlijk.  Helpen ,  bijstaan.  \\ 
Mag^c  hem  eneghen  raet  gheven  of  met  daden 
bistaen,  Umb.  YII,  528.  Zoo  ook  ^^nanó.  1 ,  3035  ; 
II,  1706;   Wal.  10595;  Lorr.  II,  2412. 

BISTAENRE  (bistander),  znw.   m.  Mhd.  bi- 

stender ;  hd.  beistander.  —  1)  Omstander,  foeschowcer. 

II  Inder   bistaenre   aenscouwen    bistu  myn  hulper 

gbeworden ,    D,   B.    Jes.    Syr.   51 ,  3.  Al  dit  .  .  . 

totten  bistanderen  gheseit,  Boeck  v.  d.  L.  J.  31  b. 

2)  Helper, hij  die  bijstaat.  ||  Des  rades  hulpers  ende 
by standers,  Stadb.  v.  Gron.  IV,  3.  Sonder  twgfel 
ick  sou  de  a  een  behulpelic  bistander  wesen  in 
allen  saken,   daert  van  node  is,  JSj-c.  Cron.  224^. 

BISTAL  (bestal),  znw.  m.  Hetzelfde  als  bistant. 
Vgl.  dial.  bestal,  voor  messtal,  d.  i.  misstand-,  op- 
stal en  opstand]  achterstal  en  achterstand,  enz. 
Mhd.  bistal,  mnd.  bistel,  beeft  eene  andere  beteekenis. 
Bijstand,  hulp.  \\  Doe  her  Witte  bistal  van  hem 
vernam,  dede  hi  siin  bannier  binnen  Haerlem  ont- 
winden,  Cl^c  157.  Soe  staet  hier  Dirick Pietersz. 
ende  ick  in  zynen  woerden ,  ende  gheert  een  vonnis , 
alsoe  hy  dat  recht  alhier  begonnen  heeft,  of  hy 
dat  wel  voert  vorderen  mach ,  mit  bystal  van  zynen 
maghen,  JHngt.  v.  Delft  38  {tweemaal);  vgl.  42. 
Vooral  de  uitdrukking:  met  bistal  vanden  magen 
komt  veel  voor ,  b.v.  Dingt.  v.  Delft  35  {tweemaal), 
38  {tweemaal),  42  {tweemaal),  e.  e. 

BISTANDICH  (bistantich,  bistendich,  bi- 
stentich),  bnw.  Mhd.  bistendec;  mnd.  bistandich, 
bistendich',  hd.  beistandig.  \\  Bijstand  verleenende, 
behulpzaam.  \\  Alle  de  gone,  die  hem  dairin  ge- 
bulpich  ende  bistandich  zgn  met  rade  of  met  dade. 
Wiel.  Instr.  145,  472.  Dat  sij  hem  gehulpich 
ende  bistandich  8\jn,  Bel.  v.  L.  250.  Bistandich 
siin  ofte  enyghe  hulpe  doen ,  279  (vgl.  280).  Dat 
ghi  .  .  eiken  van  hen  .  .  bistendich,  gehulpich, 
geradich  ende  bereet  sijt,  Brab.  Y.  dl.  2,  bl.  723. 
Alle  minlike  wandelinge  ende  bistentige  yrienscap, 
bl.  707.  Zoo  ook  V.  d.  Wall  386;  Njh.  3,  349; 
Clerc  58;  Brab.  Y.  VII,  8346,  10233. 

BISTANDICHEIT  (bistanticheit,  bistendic- 
HEIT ,  -HEDE)  ,  znw.  vr.  Mnd.  bistandich eit.  Bijstand, 


hulp.  Il  Hulpe,  secours  ende  bystandigbede, Diericx 
MéM.  2,  107  (vgl.  558).  Door  die  bistaadicheyt 
ende  hulpe  Gods  werden  si  al  meer  vromer, 
Ejtc.  Cron.  103^.  Dat  hi  bistendicheit  doen  soide 
sinen  zwager,  Brab.  Y.  VII,  1052  (vgl.  14707). 
Vriende  ende  maghe,  omme  van  hemlieden  te 
hebbene  raet  ende  bystanticheyt ,  Cron,  v.  VUend, 
1,  54.  Zoo  ook  Fl.  Rijmk.  4912;  Inform.  3;  En^. 
238;  Brab.  Y.  dl.  2,  bl.  707;  Cout.  v.  Brugge  2, 
99;   Invent.  v.  Brugge  3,   502,   515;  4,  333;  em. 

BISTENDICH,  BISTENTICH.  Zie  op  bistan- 
dich. 

BIT.  Zie  bet  (1ste  Art.).  Zoo  nog  Limb.  Serm. 
150b:  „Nit  bit  gedwange,  mar  bit  gudeo  wille.'' 
Vgl.  Diut.  2,  217:  bit  kinde,  gravidai  222:  bit 
ener  hant,  mancus. 

BIT.  Hetzelfde  als  bijt,  FrLStad4r.229.2XtBiiT. 

BITALE,  znw.  vr.  Mnd.  bitale  (vgl.  bisprake). 
Beschuldiging.  \\  Weert  dat  enich  onser  burgher 
worde  to  heymale  gheladen  van  bloetwonden  of 
van  enigherhande  bitale,  Stadsr.  v.  Zwolle  152. 
—  Ook  in  den  zin  van  lasterlijke  aantijging.  \\ 
Dat  hem  dese  zaken  alinge  ende  al  over  versiert 
is  van  haet  ende  van  nyde  van  den  ghenen  die 
hem  niet  lief  en  hebben ,  om  hem  mede  te  bedervea, 
dattet  bitael  ende  aenworp  is,  O.  R.  v.  Dordr,  1, 
359.  — Vgl.  voor  de  vorming  b  i  t  u  u  c  h ,  d.i.  valsehe 
getuigenis ,  en  b  i  t  i  c  h  t ,  d.  i.  valsehe  beschuldiffin^. 

BITEKEN  (biteiken),  znw.  o.  Mhd.  bizeiehen; 
mnd.  biteken;  hd.  beizeichen. 

1)  Teeken,   kenteeken,  kenmerk,  onderseheidingt- 
teeken;  lat.   nota.  \\  Aen  de  mereken  kentmen  de 
balen ,  aent  byteecken  alle  dinghen ,  Spreuken  106. 
Allen  die  vorsz.  koren  als  van  der  heren  cleder 
te    draghen    .    .,    die    zullen   staen    op    clederen, 
rocken,  scoepen,  mouwen,  caproenen,  wambajsen 
ende  op  allen  anderen  biteykenen,  daer  argbelist 
in    schulen    mach,    V.    d.   Wall    198;    O.   Jl.   r. 
Dordr.  55,   193.  Scildekiue  van  witten  ysere  .  . 
die  enighe  van  der  stede  werclieden  tenen  biteekene 
droughen,    Invent.    v.    Brugge  4,    219;    vgl.  301. 
Elke   camere  van  den  voors.  engienen  met  eeaen 
byteekene  gheteekent,  5,  527.  Met  seekeren  bi- 
teekene, omme  daer  mede  te  teekenen  alle  saye 
{stoffen  van  saai),   aangeh.  Gloss.   ald,  598é.  Een 
marck  of  byteeken  te  branden ,  aangeh.  ald,  —  Ook 
in   de   wapenkunde.    Toevoegsel  aan  een  wapen  tot 
onderscheiding.  \\  Hi  was  een  diere  baroene,  die., 
ten  stride  voerde  een  biteeken  op  die  wapene  van 
Gaesbeke,   Heelu  8082.  (Si)  waren   gewapent  .  . 
metten  selven  wapene  sonder  dat  si  droegen  by- 
teekine,  Grimb.  II,  2734  var. 

2)  Sh/mboliek;  prophetie  in  symboli*eAe  termen, 
in  zinnebeelden.  ||  Die  derde  prophesie  van  Daniele 
ende  Merlyns  biteken,  Velth.  Vil,  C^p.  9,  Opschr. 
Omdat  mense  geliken  mach  tsamen  {Daniel  en 
Merlijn),  hetic  dese  andere  bi  tonamen  Meerijns 
biteken  in  die  word,  VII,  10,  55. 

BITEN,  st.  WW.  bedr.  In  alle  germ.  talen  over. 
Sk.  bhid;  lat.  findere.  Vgl.  Grimm,  Wtb,  1,1399; 
Kluge  23.  3de  pers.  sing.  pr.  ind.  bit,  6m^  met  ver- 
korte vocaal ,  Bincl.  1331 ;  Umb.  III ,  1305  ;  Bein,  I , 
3431;  Nat.  Bl.  IV,  101;  Hs.  Yp.  Ie  (Een  wattr 
dat  alle  quade  gate  mach  genesen  ende  al  quact 
vleesch  af  eet  of  bit).  Zoo  ook  wit  van  witen, 
Limb.  VI,  1252;  smit  van  smiten,  Doet.  11,3451; 
vgl.  T.  en  Lettb.  5,  38. 

1)  Snijden,  klooven.  ||  Sy  hadden  sweerden  die 
seere  beten,  Grimb.  II,  4399  var.  Al  was  hi 
here  van  den  Siten,  Amictas  sweert  mochten  wel 
biten,   Jlex.   V,  474.  Hi   .  .  soude  .   .  doen   di« 


4277 


BifË. 


BITI. 


-1278 


grieze  swaerde  biten  up  dat  wreede  volc  van  Siten, 
VIII ,  868.  I>at  onse  sweert  goal  biten  ontwee ,  II, 
939.  Vgl.  BETE.  —  Ook  figuuriyk.  Kwetsen ,  wonden^ 
grieven.  ||  Ie  bijtse  gaern  van  after,  al  ist  dat  ie 
scoen  gelaet  toge  van  voren ,  Pelgrim  60df.  Altoes  . . 
sal  hen  int  herte  binnen  biten,  .  .  dat  si  {d^ 
Sarracenen)  besitten  dat  heylighe  lant,  dat  wilen 
stoet  in  onser  hant,  Teett,  1070.  Als  hem  dit  int 
herte  beet,  Franc,  6053.  —  Hiertoe  behoort  ook 
het  deelw.  bitende,  als  bnw.  gebruikt  in  de  bet. 
itrijdbaar.  \\  Want  si  up  hem  slogen  dan,  22000 
bitender  man,  Bijmb.  8389. 

2)  Met  de  tanden  klooven\  onze  bet.  ||  Die  onser 
irster  moder  dede  den  appel  biten  ende  eten , 
Lanc,  III ,  4663  enz,  —  Hiertoe  behoort  het  deelw.  b  i- 
ten  de,  in  de  bet.  verteheurend.  \\  Der  bitender 
dieren,  Rijmb.  1141.  In  die  dorde  eamer  waren 
die  by tende  dieren ,  in  die  vierde  die  softe  dieren , 
ende  twisschen  die  bitende  dieren  ende  die  softe, 
daer  was  een  doerganc,  B,  v.  1357,  5a.  Zoo  ook 
Sp,  I*,  45,  6;  IV»,  18,  9.  —  Ook  in  verschil- 
lende thans  ongebruikelijke  uitdr.  —  Sine  tande 
te  gader  (samen)  biten,  zich  op  de  tanden 
bijten^  tandeknarten ^  als  uiting  van  toom,  van 
groeten  angst  of  buitengewone  droefheid.  ||  Si 
beten  anxtelic  hoir  tanden  te  samen,  Devoet  B. 
(30)  126p.  Doe  wert  Alexander  toomich  ende  beet 
sjn  tanden  van  toorn,  B,  v.  1357,  230^^.  Hi  sleet 
sijn  haer,  hi  wranc  sijn  bande,  hi  beet  te  gadere 
sine  tande,  TAeoph.  1271.  Doe  hi  hem  gewondet 
verstoet,  beet  hi  sine  tonde,  Merl.  23518.  — 
£nen  breidel  biten,  op  een  breidel  ienauwen^ 
figuurlijk  doen  wat  men  niet  laten  kan^  zijn 
gang  gaan  (?).  Vgl.  „an  desen  breidel  euwen", 
Overz.  237.  ||  Dus  soe  ganc  dijnen  wech,  laet  den 
karel  staen  clappen  ende  b^ten  sinen  breidel  ende 
leenen  op  zijnen  stock ,  Pelgrim  34r.  —  Ane  slants 
cant  biten,  het  land  afbreuk  trachten  te  doen^ 
Brab,  Y,  V ,  2079. 

3)  Hetzelfde  als  mnl.  on  t  bit  en  (z.  ald.).  Zijne 
tanden  in  iett  zetten ,  eene  beet  van  iets  nemen ,  er  van 
proeven.  \\  Dat  hi  .  .  vleisch,  eijere,  kese,  visch, 
wines  niet  en  bite,  D.  Orde  248.  Dat  hi  ne  beet 
no  ats  (/.  aets)  no  drancs,  L.  o.  H.  984.  Hoe  ghi 
wondt,  wat  helpt  groet  gescal,  ghine  bites,  dat 
ghiere  doot  om  bleeft,  Bmcl.  719  (de  zin  is: 
indien  gij  uwe  tanden  in  de  vrucht  zet ,  zult  gij  sterven). 

BITEN,  zw.  WW.  bedr.  Van  byt  (z.  ald.).  Bene 
bijt  in  het  ijs  maken ,  (het  jys)  openhakken.  \\  Soe 
wie  gheen  byt  en  heeft,  dair  hijt  sculdich  is  te 
hebben  gheby t , . . .  verbuerde  12  se. ,  Leid,  Keurk, 
7 ,  24.  Tjrs  te  doen  bitene ,  Invent.  v.  Brugge  3 ,  23. 
Van  eene  boote  omme  thys  mede  te  bitene  in  de 
veste,  5,  172.  Dat  men  .  .  .  alle  daghe  die  veste 
moeste  byten,  Exe,  Oron.,  aangeh.  Gloss.  ald.4bb. 
Van  3  kerf  bilen ,  mede  te  biten ,  Bek,  d,Or.l,  421. 

BITICHT,  zow.  vr.  Mhd.  beziht.  Beschuldiging.  \\ 
Des   en   salmen    niemant   coriengeren   om   eenige 
biticht,   dan   alst  claerlic  bevonden  wordt  dat  hi 


misdede 


ende  dese  kuere  is  te  verstaen,  dat 


men  niement  coriengeren  en  sal  van  woorden ,  noch 
van  eenich  anderhande  bitichten,  dan  alst  claerlic 
bevonden  wordt.  O.  K,  v.  Bordr,  16,  22.  Vanalre 
biticht  sonder  van  den  voorsz.  punten,  15, 17.  Alle 
verwynbrieve  van  bytichten ,  Ngh.  4, 465.  —  Ook, als 
bitale,  in  den  zin  van  valsehe  beschuldiging,  ||  Dat 
hy  dies  allinge  ende  al  ontschuldich  waer  ende  dattet 
niet  dan  biticht  en  ware,  O,  R.  v,  Bordr,  2,  301. 
BITIDE,  byw.  Biftijds,  vroegtijdig.  \\  Den  ander 
(Uecbs  wel  bitide,  wort  de  porte  berde  blide, 
Stoke  VI,  559. 


BITIN6E ,  znw.  vr.  Mnd.  bitinge.  Snijding ,  kramp. 
II  Int  ghedarmte  .  .  .  hadde  hi  bitinge  harde  swaer , 
B^mb,  21689.  Twater,  bloetsocht  of  biünge  van 
herten,  M,  e.   Vr,  Heim.  1128. 

BITRECEËN ,  zw.  ww.  onz.  Met  den  dat.  pers. 
Naderen^  op  iemand  aandringen.  \\  Taerm  gemeente , 
dat  gemeenlic  loopt  na  den  prince ,  ende  hem  luyden 
bytrecken  ende  drommen,  omme  hem  te  siene, 
Matth.  Anal.  1,  293. 

*  BITSWART.  Bedorven  lezing,  Nat.  BI,  IX, 
55.  Zie  de  aant.  ald.  Kan  er  ook  moeten  staan 
bisswarty  dat  eene  tautologie  zou  zyn  (zie  bise), 
en  zwartbruin  zou  kunnen  beteekenen  ?  De  zin  zou  dan 
vry  wel  met  dien  van  vs.  57  overeenstemmen. 

BITTER  (better),  bnw.  Mhd.  mnd,  ^V^<?r;md. 
bitzer.  Voor  de  vormen  in  de  overige  germ.  talen 
zie  Grimm,  fVtb.  2,  53.  Comp.  bitter(r)e. 

1)  Bitter,  EigenUjk ,  als  tegenwoordig.  ||  Menech 
evel  gheneest  men  wel  met  betteren  dranke ,  Alex. 
VI,  960.  Bittere  dan  hout,  Lanc,  III,  3072. 

2)  Bitter^  figuurHjk.  Verbitterd^  woedend.  Vgl. 
BITTERLIKE.  ||  Sere  bitter  was  die  wych,  Fhvent  78. 
Vele  bitter  was  diestrijt,  ^«/.  10598.  Van  bitteren 
{d,  i.  bitterren)  stride  hoordi  nie  callen ,  Belg.  Mus. 
8 ,  257 ,  84.  So  overbitter  was  die  stry t,  109 ;  vgl. 
90:  die  stryt  verbitterde,  en  vs.  102. 

3)  Bitter^  treurig.  ||  So  quam  mare,  de  bitter 
was,  Stoke  X,  369.  Dit  was  bitter  aen  te  siene, 

•  Belg,  Mus,  8 ,  257 ,  105. 

4)  Puntig^  scherp  (?).  ||  Dits  rechte  biechte  ende 
die  moet  staen  met  acht  poenten,  sal  si  syn  claer : 
bitter ,  scamel ,  ghehel  (/.  gheheel)  ende  waer  ens, , 
N,  Doet,  2016  en  var. 

—  Afl.  bitteren,  bitter  maken.  Nat.  BI.  y,9S^. 

BITTEREN,    bitter   maken.   Zie  het  vorig  Art. 

BIÏTERHEIT  (betterheit),  -hede,  znw.  vr. 
Mnd.  bitterheil]  mhd.  hd.  bitterkeit.  Bitterheid,  ook 
overdrachteiyk.  ||  Dus  es  bitterheit  int  herte  dyn, 
alse  grote  alse  soetheit  sonde  syn,  iiain;.  111,3077. 

BITTERLIJC  (betterluc),  -like,  -lic,  bnw. 
Mhd.  bitterlich. 

1)  Bitter,  treurig,  naar,  ||  Die  bitterlike  doet, 
Segh,  171;  L,  o.  H.  1989.  Ghi  moget  mi  hangen  of 
radebraken  ende  bitterlike  doet  doen  smaken,  i>ry. 
2849.  Ene  bitterlike  plaghe,  Tïen  PI.  890.  Van 
groten  bitterliken  rouwe,  Limb.  IV,  1726.  Met 
enen  betterliken  rouwe,  Velth.  I,  24,  29  vlg.  In 
soe  groter  bitterliker  scanden,  Ruusb.  3,  9. 

2)  Verbitterd,  verwoed.  \\  Enen  bitterliken  stryt, 
Stoke  IV,  402.  Zoo  ook  Troyen  1326.  Een  die 
bitteriycste  stryt,  Mex.  II,  114. 

BITTERLIKE  (betterlike),  -leke,  -liken, 
-LUC,  -LIC,  byw.  Mhd.  bitterhche;  mnd.  bitter- 
liken. 

1)  Op  eene  treurige,  afschuwelijke  wijze.  ||  Hi 
sal  doen  gereiden  een  instrument  .  . ,  daer  mede 
sal  die  maget  te  waren  bitterlike  ontlivet  wesen, 
^.  II*,  4,  101. 

2)  Verbitterd,  verwoed,  woedend.  \\  Daer  alte 
bitterlic  gestreden  was ,  Exc,  Cron,  169  a.  Zoo  ook 
Stoke  I,  1232.  (Hi)  trac  syn  sweert  als  een  man, 
die  wychs  gheert  ende  voer  in  vele  bitterlike, 
Parth.  5251.  Hi  sprac  ten  ridder  bitterleke,  tVal. 
9762.  Den  swarten  ghinc  hi  asselgieren  bitterlike 
in  suiker  manieren,  oft  hine  in  die  aerde  sonde 
maetsen,  9901.  Zoo  ook  Belg,  Mus.  8,  257,  79; 
95;  e.  e. 

3)  Scherp,  hid,  hetzelfde  als  tangerlike 
(z.  ald.).  II  So  riep  hi  lude  ende  bitterlike:  die 
mi  minnen  getrouwelike,  die  volgen  mi  na  ter 
vard !  Velth.  I V ,  29 ,  5. 


im 


BITU. 


BLAD. 


4280 


BITUME ,  EDW.  o.  Bitumen^  oardAars,  ook  joden- 
lijm  ,  hd.  judenpech  genoemd ,  wgl  de  stof  vooral 
in  Palaestina  wordt  gevonden.  (1  Baer  droeghen 
si  hout  toe  sciere,  bitume  ende  sulfur  ooc  mede, 
mjmh.  33322. 

BITUUCH,  znw.  o.  VaUche  getuigenii.  Vgl. 
BiTALE  en  BiTiCHT.  Bi  heeft  in  deze  samenstel- 
lingen de  beteekenis  van  Gr.  tnl.  \\  Van  allen 
woirden  cissinge ,  van  bitnige  of  anders  die  doen 
ter  tgt  gingen,  V.  d.  Wall  694. 

*  BIVALETS,  bedorven  lezing,  Wrake  III, 
554.  Zie  binalecs. 

BIVALLEN ,  st.  ww.  onz.  M.  d.  dat.  (3de  p.  impf. 
livel).  Mbd.  Invallen;  hd.  beif allen.  —  1)  Zich  voegen 
bij  ^  ziek  vereenigen  met.  ||  Bat  him  tgemeen  volc 
bivel,dien  starcten,  Clerc  120  (vgl.  157:  tgemeen 
volc  .  .  vielen  bi  hem  mit  alle  hoire machte).  8o 
nam  hi  tAntwerpen  aen  die  heylige  crnysvaert, 
daer  veel  jonghe  ridders  .  .  hem  byvielen,  Exc. 
Cron.  97 d.  Dat  hi  den  ghonen  dan  met  machte 
bivallen  sonde  int  openbare  ende  den  anderen 
contrare,  Brab,  Y.  VI,  8278. 

2)  Ergens  op  aanvallen.  ||  So  wanen  vogle  dan 
ter  stonde,  dat  ene  croonghe  si,  ende  vallen  hem 
80  bi,  Nae.  BI.  II,  3924. 

BIVANC ,  znw.  m.  Mhd.  bivanc ;  mnd.  bivank.  Nog 
heden  bestaat  de  familienaam  Bijvanck.  Eigenlijk. 
Een  door  voren  of  eene  omheining  {Hor.  Belg.  7, 
19:  teptum)  afgepaald  ttuk  land  (zie  Lubben 
1,  347  en  Brinckmeijer,  Gloss.  Dipl.  l,367vlgg., 
en  vgl.  BEVANC).  By  uitbreiding 

1)  Iemand*  erf  ^  het  gebied  waarbinnen  hij  den 
huiivrede  geniet^  zijn  rechtsgebied.  ||  Maect  een 
man  eenen  borre  binnen  sinen  bivangen  (/.  bi- 
vange)  of  binnen  zynen  hove,  JB.  v.  Vccle  22, 
125.  Waert  dat  een  man  van  eeren  vonde  eenen 
snooden  menssche  .  .  .  besich  mit  zynen  wive  in 
zyn  hans,  in  zgn  camere  of  eldere  binnen  zijnen 
bivange.  Wiel.  ïnstr.  142,  457.  Dat  engheneghe- 
ordende  lieden  ...  en  mogen  . . .  buten  horen  bi- 
vange ,  daer  si  nu  in  woinen ,  voert  meer  gecrighen, 
Brab.  F.,  dl.  1,  bl.  731.  Meer  erfs  buten  horen 
bivanghe,  daer  si  nu  wonen  binnen  der  vriheit  van 
Lovene ,  ald.  Binnen  den  byvanghe  van  Vorsselair, 
Ge»ch,  r.  Antw.  1,  470. 

2)  Het  gebied  van  eene  ttad^  de  Mtadsvrijheid\ 
hd.  bezirk.  \\  Dat  oude  gheschil  tusschen  die  van 
Antwerpen  ende  van  Loven  om  die  van  Liereende 
van  Santhoven  met  haren  bivangen  (/.  bivange) , 
Exc.  Cron,  169fl.  Ghescille  .  .  tusschen  van  Lovene 
der  stat  ende  dien  van  Antwerpen,  .  .  om  der 
gheender  wille  van  Liere  met  haren  bivanghe, 
Brab.  Y.  VII,  8605.  (Dat)  met  haren  bivanghe 
die  van  Liere  op  die  palen  souden  bliven  .  .  . 
ligghende  in  der  stat  van  Breda,  8630. 

BIVOET,  znw.  m.  Ohd.  pipöz ,  mhd.  biböz;  mnd. 
bifot,  bibot;  nl.  bijvoet]  hd.  beifttsz  (in  diaX.bibot^ 
Lubben  1,  347).  Naam  eener  plant,  de  artemisia 
viilgariSj  het  St.  Janskruid.  Over  de  afleiding  zie 
Lexer  1 ,  264.  Het  woord  heeft  niets  te  maken  met 
voet  en  is  door  volksetymologie  verbasterd.  ||  Int 
sap  van  arthimesia,  dat  waen  ie  dat  bivoet  si. 
Nat.  Bl.  III,  1599  (ook  1703).  Die  bivoet  in  water 
sode   ende   gaeft   haer  drinken,    Fr.  Heim.  1650. 

BIWESEN ,  st.  WW.  onz.  Met  den  dat.  pers.  Mhd. 
biwësen ;  mnd.  biwesen.\g\.  Bi  SUN.  ||  God  onse  here  die 
wese  u  bi  ende  mi  mede ,  so  waer  ie  si ,  Velth.  VI 1 1, 
35,  43.  —  Vooral  als  znw.  gebr.  —  1)  Bijzijn^  ge- 
zelschap^ omgang.  \\  Zijn  biwesen  was  goet  ende 
fijn,  on.  Lied.  e.  Ged.  460,  118  (ook 379, 1903). 
^henoechlick   in   sinen    biwesen,  ghemeen  in  der 


medespraec,  wijs  in  der  antwoerde  ende  levendick 
in  den  woerden,  Stemmen  153. 

2)  Bijzijn^  tegenwoordigheid.  \\  Daema  wertden 
pays  wtgeroepen  ende  gelesen  .  .  int  biwesen  tu* 
den  heranten ,  Exc.  Cron.  3056.  Een  minlike  scey- 
dinge  ..  .  bi  rade,  biwesen  ende  g^tdunken  des 
eerbaers  meesters  Henric  Mey,  Belg.  iftu. 2,163. 
Bi  bewesene  . .  van  sesse  personen  notable ,  Brab.  Y. 
VII ,  13523.  —  Wat beteekent biwesen  (biwisen) 
op  de  beide  volgende  plaatsen  ?  j|  Dat  bikent  menbi 
scerp  zweringe  ende  biwesene  der  zieken  ende  bi 
dat  die  stede  heet  is  ende  roet,  Lanfr,  124r.  Bi 
datter  en  gheen  is  van  den  anderen  seecheden  ende 
bi  den  biwisene  der  zieken,  ald.  125r. 

BIWONEN,  zw.  WW.  onz.  Met  den  dat.  pens. 
(vgl.  mhd.  biwonunge).  Bij  iemand  ofietsbUjven.\\ 
Daer  si  selker  leren  woonden  by,  die  daer  valscb 
gheheten  si ,  Tien  PI.  1062.  Reyne  ghedachte  ende 
goet  maect  den  mensche  van  souden  vrg  ende 
woent  daermede  Gode  by,  ald.  1218. 

BI  WOORT  (BYWOERT) ,  znw.  o.  Mhd.  mnd.  bi»0Tt\ 
hd.  beitoort;  ags.  bigvort;  eng.  bytvord.  Ons  bij- 
woord is  een  geheel  ander  woord,  nl.de  platte  ver- 
taling van  het  lat.  adverbium,  —  1)  Spreekwoord;  vgl 
BISPEL  en  BISPRAKE,  en  Grimm,  Wtb,  1,1414.|| 
Na  den  by woerde :  niemant  mach  geven  und  holden, 
Winhoff  488. 

2)  Woorden ,  praatjes  die  mets  afdoen ,  vgl.  BAC- 
WOERDICH.  II  Die  bywoerde,  die  sy  daerop  seggen, 
die  en  mogen  Gelijs  niet  hinderen  noch  scaden, 
R.  V.   Utr.  2 ,  203. 

BLA,  bnw.  Mhd.  bid  (gen.  bldwes);  onr.  bla^ 
mnd.  bla.  In  het  ohd.  luidt  de  nom  blao  (blaw). 
Het  is  hetzelfde  woord  als  blauw,  maar  de  r 
ging  in  eene  keelletter  over,  welke  op  het  eind 
van  het  woord  afviel.  In  het  Mecklenb.  diaL  vinden 
wij  de  keelletter  terug  in  den  vorm  bl^  (Lubben 
1 ,  349).  Vgl.  ga  en  gauw ,  gra  en  grauw,  na  (hd.  noch) 
ennatiw.  ||  Appelles  screef  den  hemel  hl^^Jlex.  IV, 
419.  Soe  regneert  die  asure  bla,  OFl.  Ged.  3, 
125,  99.  Denct  na  die  asure  bla,  126,  223.  —  Zie 

ook    BLAVOET. 

BLADEL ASSCHE ,  znw.  m.  Verbastering  van 
basiliscus;  ohd.  bladeleschi  (Graff  3,  254).  ||  Ser- 
penten, slangen,  bladelasschen ,  draeken,  leeuwen, 
ende  lupaerden  .  .  ende  ander  vreemde  wilde  dyeren, 
Pass.  W.  174/z.  Du  selste  wanderen  op  die  slange 
ende  bladelasche,  ende  du  selste  vertreden  den 
leen  we  ende  den  draeck ,  Getijdeb.  S.llc.  —  Zie  ook 

BLARASCH. 

.  BLADELOOS ,  znw.  vr.  Mnd.  bladelos.  Benaming 
van  eene  plant,  behoorende  tot  de  vetplanten, 
sedum  tel^hium  en  sedum  acre  L.  Sint-Janskruid.  || 
Crassula  of  orpyn  (fr.  orpin)  es  van  twee  manieren  . . 
ende  die  grote  scelt  men  orpyn  of  cronecirmi  of 
roecelle,  of  smerewortte,  entie  cleine  seelt  men 
bladeloes  ende  staet  op  husen  ende  op  ouden 
maysieren,  Hs.  Yp.  9bd. 

BLADEN.  Zie  blayen. 

BLADEN,  zw.  ww.  bedr.  Mnd.  blad^n\  mhd. 
blaten. 

Bedr.  —  De  vruchten^  het  koren  (Mlat.  èladum; 
fr.  blé;  v.  h.  germ.  blad;  zie  op  blat  en  vgL 
BLADINGE)  afplukken;  in  *t  alg.  rooven ,  uftg- 
stelen.  \\  Daer  men  Gods  leden  mede  soade  voe- 
den .  .,  dat  hebben  al  geblaet  die  giere,  Overzee 
157.  —  Met  weglating  v.  h.  obj.  ||  Die  gaen  ia 
Gods  wijngaert  bladen  ende  sniden  af  die  drave 
vet.  Kerk.  Cl.  138.  Nu  gaen  si  op  die  crune 
bladen,  die  giere,  die  niemen  en  mochte  versadea 
{zij  gaan  leven  van ,  teren  op  hun  kruin ,  de  rruekten 


1281 


BT.AD. 


BLAE. 


1282 


plukten  van  het  hehhen  der  tonsuur)^  K.  Cl.  36.  Ie 
sie  overal  in  dlant  den  heren  (l.  der  eren  ?)  toegen 
feilen  tant  ende  an  die  archeit  bladen,  en  (eren 
op  hun  bootheid^  Vierde  Mart.  792. 

BLADEN,  zw.  ww.  onz.  In  het  blad-  tomen ^ 
bloderen  trijgen.  \\  Alse  deen  (nl,  bome)  blaet, 
draecht  dander  Yrocht,  JLose  5722. 

BLADER ,  Bnw.  vr.  Mhd.  bléier ;  ohd.  pldtara ; 
ags.  bladre\  nl.  bl^tar^  en  met  verkorte  vocaal 
mnd.  bladder^  bledder,  bledere;  hd.  blatter;  ags. 
blëddre;  eng.  bladder]  onr.  bladhra,  bledhra\  zw. 
bladra\  de  blare  (Weigand  1 ,  228).  Met  de  verkorte 
vocaal  bestaat  ook  het  nl.  ww.  bladderen^  d.  i. 
blazen  trijgen  (van  een  pas  geverfd  voorwerp).  Het 
woord  is  verwant  met  blayen  of  bladen  (z.  ald.) 
met  blazen.  Kond  ^  blaawormig  gezwel  op  de 
huid^  blaar.  ||  Van  dat  hi  Godevert  .  .  gemeistert 
hadde  .  .  sijn  scaempte,  een  zwerte  blader  ende 
een  vinger,  Oorl.  v,  Albr.  371.  Aen  hen  worden 
vonden  bladeren  ende  wonden ,  zweren  opgheblasen, 
Tien  PI.  896;  vgl.  903.  An  hoeren  vingher  een 
cleyn  blader  bemen,  Schaattp.  60d.  An  uwen 
vingher  een  blader  bamen,  61a.  Uat  welcker 
bladeren  ie  dat  water  hebben  moet,  ald.  Het 
worden  in  den  menschen  ende  in  den  beesten 
wonden  van  swellende  bladeren,  D.  B.  JSxod.  9, 
10.  Soe  dat  ie  bladeren  ghine  onder  m^n  teder 
voeten ,  Ned.  Prosa  322.  Zoo  ook  <^.  I*,  2, 64 ;  e.  e. 
—  Ook  blaer  komt  reeds  voor.  (1  So  mit  bnul 
so  mit  blaer,  Devoet  B.  (3G)  IO69. 

BLADINGE,  znw.  vr.  Van  bladen,  in  den  zin 
van  oogtten.  In  concreete  opvatting. 

1)  He  opbrengst  van  het  land  of  andere  onroerende 
goederen ;  Kil.  proventtu  agrorum^  fruges.  Zie  De  Bo 
op  blad  er  ing.  ||  An  sine  leene  can  hi  niet 
vordere  comen  dan  an  de  eateilen  of  bladinghe, 
Belg.  Mus.  1,  72.  De  vmeht,  die  bladinge  ende 
alle  die  vervallen  van  alle  die  goede  van  Amestelle, 
Mieris  2,  47a.  Dat  hi  behoude  alle  debladinghen 
tsinen  live ,  die  comen  snllen  van  den  tween  leenen, 
Vad.Mut.  4, 338(/t9tf^»uM/).I>aer  of  sal  die  stede  heffen 
die  bladinghe  ende  die  profiten,  Cout.  v.  Brugge 
1 ,  359.  Omme  de  bladinghe  van  den  hnnsen  ende 
erven  te  moghen  innene,  Invent.  v.  Brugge  2^  ^1. 
Daeraf  de  bladinghe  jaerlgcx  ontfanghende ,  335. 
De  bladinghen  van  den  goedinghen  van  eenen 
persoone ,  Cout.  v.  Brugge  2 ,  20.  De  persoon ,  dien 
dat  verstorven  ware  de  bladinghen  ende  proffyten 
van  dien,  113.  Weder  soe  maer  de  bladinghe 
heffen  sal  {van  den  leenen)  tharen  Ijve,  Cout.  v. 
Gent  534;  vgl.  585.  Zie  Ondem.  1,  716. 

2)  De  rente  van  een  tapitaal.  \\  De  andere  vijf 
lib.  gro.  (^MW/2nftyrooOtdi6  v&i^  der  ander  heltsceede 
van  der  bladinghe  van  den  hondert  lib.  gro.  vallen 
zullen,  Cout,  v.  Brugge  1,  432.  Alle  de  bladinghen 
ende  profflte,  Qedentst.  1,  245  [a.  1355). 

BLAECKOGEN,    zw.    ww.   onz.   Met  de  oogen 
blaten y  d.  i.  vlammende  oogen  hebben;  oogen  hebben^ 
dié    vonten    schieten    van    toom.  Zie  blaken.    || 
Nu  mach  ick  wel  bmllen ,  blaeckoogen  en  huylen, 
Mar.  V.  N.  36,  863  (vgL  35,  853). 

BLAEMTE  (blaempte),  znw.  vr.  Jongere  vorming 
van  blame  (z.  ald.). 

1)  Schande j  tioade  naam.  \\  De  blaemte  gaet  dan 
npten  schiltdrake  voorscreven,  ZFl.  J5t;^. 3,280. 
By  hemlieden  quam  de  eroene  in  blaemten  ende 
in  schoffieringhen  al  kerstenheyt  dore,  Cron.  v. 
Vlaend.  1,  103.  Dat  het  was  groete  blaemte  den 
coninc,  .  .  .  dat  die  .  .  .  devote  vrouwe  .  .  .  soe 
Ter.9madelyke  versteek  en  was ,  Cron.  v.  Vlaend.  1, 98. 

2)  Schande ,  smaad,  hoon.  \\  Hoe  my  de  ogen  leeken 


van  drucke  dor  dese  grote  blaemte,  Blisc.  v.  M,  1556. 
Van  den  blaemten  ende  scoffieringhen  die  Jacop 
Ghiselins  dede  minen  heere  den  tAii^Belg.  Mus.  6, 179. 
So  hebben  (si)  die  blaemte  ende  scofferingeu  ghelooft 
te  beteme,  ald.  Twelke  hem  quam  ter  groeter 
scaden ,  blaemten  ende  scoufieringhen ,  Cannaert  98. 
Voor  allen  rudicheden  ende  blaempten  beschermen^ 
Oesch.  V.  Anito.  4,  524. 

BLAER,  bnw.  Met  de  gewone  rekking  der 
vocaal  vóór  de  r,  en  met  overgang  van  *  in  r, 
gevormd  uit  blos  (vgl.  taar,  got.  tas\  hd.  war 
voor  was\  eng.  hare  voor  haas);  ohd.  bias 
(=  wit  aan  het  voorhoofd^  taal);  mhd.  blos; 
onr.  bles  (witte  vlet  aan  het  voorhoofd);  hd.  blasz 
(bnw.)  en  bldsse  (znw. ;  het  nl.  znw.  blaer , 
Oudem.  1 ,  713) ;  nl.  bles ,  dat  één  is  in  oorsprong 
met  blaer.  Zie  Grimm,  Vtb.  2,  72;  Weigandl, 
227 ;  en  vgl.  blasenhengst  en  blasros  bij  Lubben 
1,  352,  en  blaertoe   bij  Oudem.  1,  713. 

1)  Met  een  witte  vlet  aan  het  voorhoofd,  bles.  \\ 
Een  zwart  blare  coe,  .  .  een  roet  blare  eoe,  Bjet. 
d.  Qr.  1 ,  359.  In  coste  in  eenre  maent  ghecrighen 
van  mijnre  blare  coe  eneghe  botere,  Rexe  41. 
Tghelt  van  onser  blaren  coe,  Bust.  178.  Vgl. 
Wdb.  op  Bredero  56.  —  Ook  zonder  coe.  ||  Leekt 
blare,  om  datse  gheerne  gheleckt  ware,  Spreuten 
80.  —  Sprw.  II  Men  hiet  wel  een  koe  blare,  die 
nochtan  niet  wits  en  heeft,  men  beschuldigt  wel 
eens  iemand,  die  volstrett  geen  schuld  heeft, 
Spreuten  4  (thans  is  dit  spreekwoord  verloopen  tot : 
Men  noemt  geene  koe  bont,  of  er  is  een  vlekje 
aan,  d.  i.  als  men  iemand  beschuldigt,  zal  er  oot 
wel  iets  aan  zijn,  hetgeen  een  zeer  onwaar  en 
onwaardig  spreekwoord  is.  Vgl.  Lsp.  Gloss.  op 
blaer  en  Hor.  Belg.  9,  32:  Men  en  heit  gheen 
coe  blare,  si  en  hevet  wat  wits).  —  De  blare, 
de  béte  noire,  de  zondenbot,  het  slachtojfer.  || 
Here  Isengrijn  ende  Brune  die  vraet  hebben  nu 
den  nauwen  raet  metten  coninc  openbare  ende  arm 
man  Reinaert  es  die  blare.  Rein.  I,  2467. 

2)  Kaal  van  hoofd.  ||  Liede  die  scone  waren 
gehaer  dedi  maken  die  nolle  blaer,  occipitio  caho 
deturpabat,  Sp.  V,  100,  21.  Op  thoeft  blaer  was 
hi,  calvus  erat,  II',  88,  7. 

3)  Kaal,  bloot.  —  a)  Van  personen.  Berooid.  \\ 
Laet  den  dorper  varen  blaer ,  van  eren  quite ,  Vert. 
Mart.  75.  —  b)  Van  landen.  Woest,  onherbergzaam.  || 
Dat  si  .  .  op  een  velt  woeste  ende  blaer  in  couden 
ende  in  winde  ligghen  soude  van  kinde,  Lsp,  III, 
15,  168. 

BLAER.  Zie  blader. 

BLAES,  znw.  m.  Windbuil, pochhans ,  blaastaat. 
II  Sine  volghen  anders  niet  dese  blasé  (/.  deses 
blasé ,  d.  i.  den  riken  man  van  vs.  427) ,  en  doet  die 
soetheit  van  den  ase,  OFl.  Oed.  1,  79,  438.  — 
Nog  in  de  17de  eeuw  beteekent  blaes  wind,  ge-- 
poch,  gezwets  {Warenar  346;  Huygens  1,  591).  — 
Zie  ook  BLASÉ. 

BLAESBALCH  (blasebalch),  znw.  m.  Mhd. 
bldsbalc;  hd.  blasebalg.  Vgl.  Muller  1»,  75 op  bel- 
lo w  s.  Blaasbalg ,  thans  veelal  blaasbalt  geheeten.  || 
Die  blaesbalch  ghebrac  int  vyer,  D.  B.  Jerem.  6, 
29.  Mit  sulcken  blaesbalch  ende  mit  sulken  wint 
wort  ven^nt  dat  vuer  der  onsuverheit,  Con.  Som. 
163*.  —  Ook  in  den  zin  van  orgelpijp.  ||  Totten 
blaesbalgen  aen  die  orgelen.  Bet.  d.  Buurt.  148. 
Van  den  orgelen  te  verstellen  ende  die  blaesbalgen  te 
vermaken ,  ald.  —  Blasebalch,  Natuurt.  1 767 , 
1769;  Wal.  3529.  —  Fig.  van  eene  vrouw,  die 
iemands  gemoed  in  vlam  zet,  \\  Blaesbalch  in  minen 
sinne,  Belg.  Mus.  1,  118,  15. 

41 


4283 


BLAE. 


BLAY. 


4284 


BLAET,  znw.  m.  Kil.  blaet,  accipUris  genut» 
Een  soort  van  havik,  \\  {Ik  vermaak)  Gillese  den 
yalkenere  eenen  groten  blaed ,  Vod-.  Mut,  4 ,  358.  Zie 
een  tweede  Toorbeeld  bij  Van  Hasselt  op  Kil.  bl.  69. 

BLAET,  znw.  m.  Snorkerij,  grooUpraak.  ||  Wat 
dat  si  zagheu,  hoe  goet  het  was,  niement  haers 
valschs  blaets  en  ghenas,  OFl.  Lied.  e.  Qed. 
482,  94. 

BLAEU  (blaew).  Zie  blau. 

BLAëXEME  (blaecseme  ,  blaxeh),  znw.  vr.Yan 
blaken.  Wel  te  onderscheiden  van  b  1  i  x  e  m  e ,  van 
blecken,  blieken,  waarmede  het  in  varr.  wordt 
yerward.  Vlam,  vuurgloed.  ||  Ne  ghene  blaecseme 
(A  vlamme)  hi  gheven  ne  can.  Nat.  Bl.  VIII, 
311  var.  (van  den  ebenus;  vgl.  Flor.  974  vlg.). 
Een  boem  .  .  daer  gheen  blaxem  .  .  nemmerme 
an  en  mach  ghewinnen,  445  (varr.  blaxeme,  blixene). 
Die  grote  blaexeme,  .  .  die  daer  <^  serpente  nter 
kele  scoot,  JFal.  417.  Als  die  blaexeme  was  ghevelt 
Yor  hem  in  die  riviere,  5014.  Die  blaexeme  scoot 
(uit  het  %oater\  also  soe  ere  hadde  ghedaen ,  5080. 

BLAFFAERT,  znw.  m.  NI.  hUffer ,  blafferd 
(=  klapper).  Van  het  fr.  hlafard^  d.  i.  vaaV^  Het 
boek  zon  dan  naar  de  klenr  van  het  papier  of 
van  den  omslag  genoemd  zijn ,  evenals  wy  spreken 
van  een  blauwboekje^  d^  blautoe  bibliotheek ^  de 
blauwe  beul^  het  groene  boek,  het  oranje  boek^ 
enz.  Register  y  lijsten  met  oMdeele  opgaven  en 
cijfers.  ||  De  blaffaerden  ende  ontfanckboncken 
derselver  stede,  Inform.  428.  By  de  voors.  rekeninghe 
ende  oock  by  de  blaffaerden  van  de  tresoriers, 
612.  Eenen  staet  van  den  innecomen  derselver 
stede  .  .,  gemaict  nyten  blaffaerden  van  den 
tresoriers,  236. 

BLAFFEN ,  zw.  ww.  onz.  Mhd.  mnd.  blaffen.  In 
eig.  zin,  van  honden,  gelijk  thans.  —  Ook  in 
flg.  zin ,  evenals  ons  bassen  (vgl.  Helmers,  HolU 
Natie  87:  „  een  onverlaat ,  bassend  nit  zijn  niet ") ,  en 
keffen.  Schimpen.  ||  Mochtic  mijn  dingen  scaffen, 
in   achtte   niemens    blaffen,  Lett.  N.    ^.6,  151. 

BLAYEN  (bladen),  zw.  ww.  onz.  Ohd.b/ajan, 
bldhan;  mhd.  blajen,  blagen]  hd.  blahen;  ags. 
bléwen  (redupl.);  eng.  to  blow.  Met  de  gewone 
verwisseling  van  keelletter(^),  w  ofy,  als  sluitcons. 
van  den  stam.  De  keelletter  is  in  het  mnl.  over 
in  den  vorm  blaken  (z.  ald. ,  Iste  Art.).  Wat  den 
vorm  bladen  aangaat,  daarin  is  de  d  anorganisch ; 
de  eig.  vorm  met  uitstooting  der  hzovib fa-en  zi^n. 
Mhd.  sameng.  blmn\  ohd.  plan.  Het  woord  is 
verwant  met  blazen  en  lat.  flare. 

1)  Waaien,  eigenlijk.  ||  De  selve  wint,  de  wayde 
was  so  clene,  dat  hi  blayde  so  lettel,  dat  de  grote 
^epe  .  .  .  niet  conden  ghecomen  voer  de  Arne, 
Stoke  VII,  87. 

2)  Waaien ,  wapperen.  \\  De  baniere  . . ,  die  boven 
anden  maste  blayde,  Aiol.-fr.  967.  Doen  si  die 
baniere  sagen  opgaen  ende  weder  bladen,  Heelu 
5742.  Dat  die  baniere  sonde  vor  haer  ogen  van 
Gelre  openbare  bladen,  6582.  Pinchele,  wimpele 
ende  bannieren  begonden  blayen,  Brab.  T.,  VI, 
5829.  Op  sijn  helm  dat  hoeflcleet  lanc  liet  hi 
blayen  metten  winde,  Segh.  4906;  vgl.  4915 ,  4947, 
4965,  5030.  Die  cleedre  hanghen  np  die  recke 
ende  laetse  toten  daghe  vcrwayen  ende  in  die  lucht 
altoes  blayen,  Rosé  8414  i;ar.  Waer  siet  men  nu 
uwen  standaert  blaeyen,  Belg.  Mus.  4,  252,  47. 
Voer  hem  hinc  blayende  een  dwale,  Brand.  1331. 
—  Behoort  hiertoe  ook  Lutg.  1 ,  234.  „  Dengenen 
.  .  .  diese  metter  claerheit  siner  rayen  bescheen 
ende  sijn  Hecht  deed  in  har  blayen'''*?  Of  is  dit 
blayen  hetzelfde  als  ons  blaken? 


3)  Zwaaien.  [|  Siet  hoese  (hoovaardij)  metten  arm«Q 
blait  ende  met  haren  scouderen  mayt ,  th